summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/28029-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '28029-8.txt')
-rw-r--r--28029-8.txt5895
1 files changed, 5895 insertions, 0 deletions
diff --git a/28029-8.txt b/28029-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..2fb55bf
--- /dev/null
+++ b/28029-8.txt
@@ -0,0 +1,5895 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Nieuwe Leven, by Dante Alighieri
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Nieuwe Leven
+ (La Vita Nuova)
+
+Author: Dante Alighieri
+
+Translator: Nico van Suchtelen
+
+Release Date: February 9, 2009 [EBook #28029]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET NIEUWE LEVEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Dante Alighieri
+
+ Het Nieuwe Leven
+
+ (La Vita Nuova)
+
+
+
+ Uit het Italiaansch vertaald door
+
+ Nico van Suchtelen
+
+ Met inleiding, aanteekeningen, aanhangsel en portret
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING
+
+
+ Ik ben een die, zoo de Liefde hem
+ iets inblaast, luister en op de wijze,
+ waarop zij binnen in mij spreekt, het
+ neerschrijf. (Louteringsberg XXIV).
+
+
+"Het "Nieuwe Leven", het "boekske" waarin de ongeveer zeven-en-twintig
+jarige Dante zijn jeugdliefde verhaalt, is een der wonderlijkste en
+tevens wonderbaarste scheppingen der dichtkunst. Wonderlijk is het om
+die zekere eigenaardigheden, waarvan enkele reeds Dante's tijdgenooten
+hebben gehinderd en welke het meerendeel der modern-kritische
+lezers zeker geneigd zal zijn als "fouten", immers als uitingen van
+gekunsteldheid, valsch gevoel, ondichterlijk intellektualisme, te
+veroordeelen. En werkelijk, bij een eerste, vluchtige lezing doet het
+wel ietwat zonderling aan; een dertigtal van de sierlijkst bewerkte,
+zoetst-vloeiende minnedichten, lof- en klaagzangen, vereenigd in een
+onderling verband door een later geschreven verklarend proza, welks
+stijl het midden houdt tusschen plechtige bijbeltaal, deftig-pedant
+betoog en kinderlijk-naïef verhaal: een keten van fijnst-geslepen
+juweelen in stijf-eenvoudige vatting. En dan elk dier gedichten
+nog bovendien ontleed naar zijnen bouw en inhoud, "verdeeld"
+zooals Dante het noemt, in glossen zòò dor, schoolmeesterachtig en
+overbodig meestal, dat reeds Boccaccio, Dante's eerste officieele
+"uitlegger", deze "divisioni" verwierp als "troppo infantile", als
+een belachelijke kinderachtigheid! Moet de kritische verbazing van
+den hedendaagschen lezer met "literairen" smaak, niet toenemen als
+hij bemerkt dat de stof voor vele dier gedichten blijkbaar "verzonnen"
+is; dat ook de droomen en visioenen waarvan Dante gewaagt, blijkbaar
+"cerebrale bedenksels" zijn, althans zelden, zooals in het beroemde
+koortsvisioen (§ XXIII) en in de verschijning der zalige Beatrice
+als kind van negen jaar (§ XXXIX) onmiskenbaar echte droom-elementen
+vertoonen? Dreigt die verbazing niet om te slaan in een medelijdende
+afkeuring bij de ontdekking dat het Dante's duidelijke bedoeling is aan
+zijn schijnbaar zoo spontane lyriek een symbolische, en nog wel een
+theologisch-moreele duiding te geven? Kan verder deze hedendaagsche
+lezer wel anders dan schouderophalend glimlachen om de zonderlinge
+getallenmystiek, het kinderachtig gegoochel met de cijfers drie, negen
+en tien, vertegenwoordigende de Drie-eenheid, de negen hemelen en
+de volmaaktheid, welke Dante ten behoeve dier symboliseering in zijn
+proza invoert; of om zijn blijkbaar streven ook in de rangschikking
+en misschien zelfs in het aantal der opgenomen gedichten, de door hem
+gewilde allegorische strekking uit te drukken? Tenslotte, kan hij
+ooit een poëzie, een lyriek, een minnelyriek nog wel, als "echte",
+"spontane", uit het "hart", wat zeg ik, uit het "Onbewuste" gewelde
+"gevoelskunst" erkennen, wanneer na een gekibbel van meer dan zes
+eeuwen de geleerde commentatoren het er nog steeds niet geheel over
+eens zijn of de verheerlijkte geliefde nu werkelijk een levende
+Florentijnsche was, dan wel eigenlijk en goed-beschouwd alleen maar
+de godsdienst, of de wijsbegeerte, of de deugd, of het verstand,
+de katholieke kerk, de "abstracte" ideale vrouw of zelfs.... de
+keizerlijke monarchie?
+
+Ik weet niet wat voor den smaak van een modern aesthetiseerend
+lezer of kriticus mag of niet mag. Wel weet ik dat voor den dichter
+alles kàn. Ik noemde Dante's boekske nu behalve wonderlijk ook
+wonderbaar. Het wonderbare van het boekske is, dat, wanneer men
+het leest met zuiver menschelijk medegevoel inplaats van met
+kritische laatdunkendheid en philologische nieuwsgierigheid, men
+heel de wonderlijkheid ervan aanvaardt als een noodzakelijke en dus
+eerbiedwaardige, ja bij dieper doordringen juist zeer beminnenswaardige
+uiting van Dante's oervoorbeeldigen dichtersgeest. Al het zonderlinge
+en bevreemdende van het werk, en van Dante's werk in het algemeen,
+bevreemdend vooral wanneer men het niet beschouwt in het kader van
+zijn tijd, vindt zijn oplossing in de zielkunde van den "waren,
+grooten" dichter, van dien universeelen mensch, die in eigen ziel de
+synthese voltrekt van alle verscheidenheden en tegenstrijdigheden,
+van alle droomverlangen en dadendrang aller menschen en tijden.
+
+De dichter--ik bedoel hier den poëet in den oorspronkelijken zin
+des woords, den schepper op welk gebied ook--kan niet anders, en hij
+heeft ook geen andere behoefte, dan zichzelf te openbaren. Voor den
+gewonen mensch,--ik bedoel den weinig poëtischen; alle onderscheiding
+is tenslotte slechts eene naar den graad--die eigenlijk meer geleefd
+wòrdt dan dat hij zelf leeft, wiens geest is als een, bij den een
+wat beter, bij den ander wat slechter gepolijst spiegeltje dat niets
+dan het van buiten gegevene weerkaatst, maakt die drang naar zelf
+onthulling dikwijls den indruk eener lachwekkende ijdelheid; voor
+den dichter is hij een natuurlijke houding. Want het zelf van den
+dichter is heel het leven dat hij in zich opneemt, is het verleden
+dat hij herschouwt, is de toekomst die hij doordroomt; het is het
+gansche heelal dat zich in hem niet maar uiterlijk weerspiegelt,
+maar innerlijk ontplooit, ontwikkelt; het is God zelf die zich in
+hem bewust wordt, die hem zonder ruste drijft tot scheppen.
+
+Het toeval plaatst den een in een kalm, den ander in een onrustig
+maatschappelijk midden; laat den een stil voort droomen en
+dwingt den ander deel te nemen aan den strijd der aldagelijksche
+gebeurlijkheden. Wat voor des dichters kunstschepping het meest
+wenschelijk is hangt af van zijn kracht, geestelijk en dikwijls ook
+physiek. Velen zullen dien strijd als bij instinkt vermijden, maar
+de sterke en groote dichter begeert en zoekt hem in zijn mateloozen
+dadendrang en voor hèm is hij zeker goed, al vindt hij er ook even
+zeker nooit de bevrediging in waarnaar hij hunkert. Want welke rol hij
+in het maatschappelijke dadenleven ook spele; hoeveel beproevingen,
+worstelingen en overwinningen de werkelijkheid der verschijningen hem
+ook brenge; nooit vindt hij er een taak die zijn krachten waardig
+is. Of hij tooneel speelt op de echte planken, zooals Shakespeare;
+aan het hof van een kunstminnend vorst, zooals Goethe; of wel beide
+zooals Molière; of hij zijn droom wil verwerkelijken in 't romantisch
+avontuur van een vrijheidsoorlog, zooals Byron; of dat hij een rol
+wil vervullen in het ijdel gekrakeel van middeleeuwsche potentaatjes,
+stadsraden en pausen, zooals Dante; vroeger of later voelt hij dat
+het ware leven, de groote strijd waarnaar hij hunkerde, slechts werd
+gevoerd in zijn eigen eenzaam hart. Wat hij doorvoelt, doordenkt,
+doorlééft, dàt is de waarheid van zijn bestaan. De droom van den
+grooten dichter-daadmensch moet altijd een droom blijven. Maar
+later erkent de menschheid, of de enkelen die hem verstaan kunnen,
+dat zijn kunstschepping de groote daad zijns levens was, en een
+daad zòò werkelijk, dat wil zeggen zoo machtig in haar werking, dat
+daartegenover de geheele wereldgeschiedenis kan worden als een droom,
+als een onnoozel kinderdroompje.
+
+Naarmate de dichter zelf zich hiervan meer of minder bewust
+is zullen zijn scheppingen subjektiever of objektiever lijken,
+persoonlijker of algemeen-menschelijker; ofschoon zij in wezen noch
+het een noch het ander zijn, maar beide tegelijk en in één. Doch de
+dichter die deze synthese voltrekt, die zijn persoonlijk gevoel
+omzet tot begrip-voor-allen, of tot wat het best nog ware te
+noemen: Levensinzicht, Wijsheid; deze dichter moet een denker zijn
+voor wien ook nog een andere bij de menigte gangbare en geliefde
+schijntegenstelling, die van "gevoel" en "verstand", een inhoudlooze
+frase is geworden. Er woekert in onze hedendaagsche poëzie een
+verfijnde stemmings-exaltatie, een aesthetische aanbidding van
+kwasi-gevoeligheid--vooral wanneer zij zich weet te sluieren met
+de valsche zijde der moderne literaire onbewustheids-mystiek--welke
+het inzicht in deze zeer diepe maar zeer eenvoudige waarheden toch
+voor velen zeer moeilijk maakt. De geestelijk krachtlooze, maar
+"impressionabele", "sensitieve", sentiments-"artiest", gewend zich
+te bedwelmen aan den klinkklank eener liefst zoo vaag mogelijke
+taal-muziek, pleegt--in een haast pijnlijke onkunde omtrent de
+allereerste beginselen der psychologie--met een zekere laatdunkende
+minachting neer te zien op al wat in kunst "cerebraal", "bedacht" is of
+liever hem in zijn waanwijze kortzichtigheid en onvermogen om werkelijk
+te "denken" maar als zoodanig voorkomt. Voor deze "artiesten" en vele
+nog onwetender, want veelal uit de onmachtigsten hunner gerekruteerde
+kritici, en eindelijk voor het groote door hen misleide publiek, zou
+niets nuttiger zijn dan de aandachtige bestudeering van die enkele
+waarachtig groote, volmaakte, al-menschelijke geesten als Dante,
+Goethe en Hebbel, die, in hun schoonste en beste werken althans,
+geheel zichzelf en geheel God waren, omdat hun sterkste en trouwste
+streven, bewust en onbewust, steeds was het goddelijk leven dat in
+hen, als zoogenaamd gevoel of als zoogenaamde gedachte, bewust of
+onbewust, hoe dan ook lééfde, zoo volmaakt mogelijk tot uiting te
+brengen. Die in alle subjectieve gebeurlijkheden niets anders zagen
+dan symbolen eener objectieve waarheid en wier diepst-doorvoelde
+kunst daarom steeds tevens was hun diepst-doordachte. Wier "gevoel"
+niet is elk "spontaan" er uit geflapt aandoeninkje, nog minder
+de vage, onvoldragen, mystiekerig verdoezelde gedachten die een
+verward spraakgebruik eveneens "gevoel" noemt; maar de grondtoon,
+de onderstroom van geheel hun geestelijk wezen. Wier "gedachte"
+niet is een nuchtere frase, maar een levende werkelijkheid ja juist
+de hoogste, schoonste verwerkelijking in hen van den eenigen levenden
+Geest zelf. Die zich in hun diepste hart niet bekreunden om theorieën
+over realisme, idealisme, sensitivisme, impressionisme, romantisme of
+welke weinig-zeggende definitie van welke eenzijdig-dwalende richting
+ook; maar die eenvoudig weg, in hun goddelijke gehoorzaamheid, gaven
+wat zij in zich hadden, daarbij meestal een synthese scheppend van alle
+bestaande en denkbare richtingen tegelijk. Die door de wèlbewuste,
+evenwichtige ontwikkeling van al hun geestelijke vermogens God,
+of de Schoonheid, of de Wijsheid, wilden dienen; die bij al hun
+scheppen de vooropgezette bedoeling hadden een levens-aanschouwing
+te verbeelden, welke zij in zichzelf, dag aan dag, uur aan uur,
+strijdend veroverden, met "Gods hulp", zoo letterlijk mogelijk. En
+tenslotte, die wat de Geest hun ingaf, trachtten te beheerschen en te
+uiten virtuoselijk gedwongen in een vorm van evenwichtige schoonheid,
+van gave, zorgvuldigst bewerkte kunstigheid.
+
+Die schoone en wijze levensaanschouwing waarvan ik hier spreek is
+dezelfde voor alle menschen en alle tijden. Zij is geen bewering,
+zooals het schijnschoone gepraat der literaire fraseurs van
+het Onbewuste, maar zij is een daad: het bewuste, willende
+zoeken en verwerkelijken van God, van het Eeuwig-scheppende,
+in zichzelf; de verheffing van alle verschijning tot symbool der
+Liefde. Tijdsomstandigheden en taalontwikkeling hadden wel steeds
+min of meer invloed op de manier van uiting en nadere omschrijving
+dezer wijsheid; maar hij voor wien de taal niet is een stelsel van
+verstijfde en in hun vasten omvang algebraisch te bewerken begrippen,
+doch van levende symbolen zelf, ziet al spoedig in dat hij die ééne
+wereldwijsheid, welke haar aanvangs-, hoogte- en eindpunt vindt in het
+zich éénvoelen met God, eenig doel en inhoud der waarachtige mystiek,
+zoowel verbeeld ziet in de mystische filosofie van een Boeddha,
+Meester Eckhart of Hegel, als in de dichterlijke erotiek, in de
+"voortbrenging in het Schoone", van Plato of de aanbidding van het
+"eeuwig-vrouwelijke" van Dante of Goethe. Voor de groote geesten der
+menschheid bestaan geen tijdsverschillen, hunne scheppingen zijn de
+elkaar steeds gelijkende, in wezen steeds gelijke, aanvoelingen van
+het eeuwig wezen dat altijd is. Daarom spreken zij altijd, afgezien van
+zekere oppervlakkige eigenaardigheden van den vorm, allen op dezelfde
+wijze en even verstaanbaar of liever aanvoelbaar. Zij konden, ontdaan
+van alle nationale en tijdelijke uiterlijkheden, in droom rond ons
+vereenigd zijn en wij zouden den Indiër of Griek van vele eeuwen vòòr
+onze jaartelling niet onderscheiden van den Italiaan of Duitscher van
+nog meer eeuwen er na; wij zouden hen allen houden voor zeer geniale
+en zeer wijze.... tijdgenooten.
+
+
+
+Ik zal nu verder over Dante spreken. Ik ben begonnen met zijn
+"fouten" of--werd de lezer reeds welwillender?--eigenaardigheden op
+te sommen. Ik zal nu pogen te doen zien hoe deze eigenaardigheden
+slechts zijn de tijdelijk-bepaalde verschijningsvormen van de ééne,
+eeuwige dichterwijsheid. Ik hoop u Dante te kunnen doen zien als een
+kunstenaar wiens geest in zijn diepste wezen volstrekt niet "buiten
+dezen tijd" staat, maar integendeel als een dier dichters die de
+groote, drievoudige synthese: van subjektiviteit en objektiviteit,
+van droom en werkelijkheid, van gevoel en verstand, wist te voltrekken
+en daardoor kon worden tot onzen eeuwigen tijdgenoot, in wiens hart
+dezelfde Liefde sluimerde en ontwaakte die ook in het onze sluimert
+en ontwaken kan als de aanschouwing der Schoonheid haar slechts wekt
+
+Ook Dante uitte nooit iets anders dan zichzelf, schilderde nooit
+iets anders dan zijn eigen innerlijke leven. Het sterkst, en ook
+tevens het paradoxaalst komt dit uit in de Divina Commedia, welke
+de geheele menschelijke en goddelijke wereld verbeeldt. Het zijn
+Dante's eigen zonden, werkelijke of in-aanleg, die hij er verdoemt
+en straft, het is zijn eigen zieleloutering die hij er verhaalt,
+het is zijn zelfgewonnen wijsheid die zijn verzen doorlicht. Zijn
+sombere wrok, zijn verbitterde haat, zijn vurige wetensdrang, zijn
+hooge trots en zijn vrome, nederige liefde, al de eigenschappen van
+zijn hevig-levenden geest; maar ook al wat werking en weerslag was
+van zijn tijdsomstandigheden en opvoeding; zijn gekunsteldheid en
+schoolschheid, komt er tot uiting. Maar één ding toch mist men in
+de schepping van den verbitterden balling, en dat vindt men alleen
+in het "Nieuwe Leven": den glimlach en de tranen, heel de overzoete
+sentimentaliteit van den jongen, ridderlijken troubadour. Want Dante
+was, zooals Manzoni zegt, voor de Italiaansche taal niet alleen de
+meester van den toorn, maar ook die van den glimlach. Wie de Divina
+Commedia las, kent den toornenden profeet en den berouwenden zondaar;
+maar hij kent niet den zachtzinnigen minstreel, den weeken jongeling,
+die verbleekt en beeft bij den aanblik van een jong meisje en die,
+liggend in zijn eenzame kamer "als een geslagen knaapje" den "grond met
+tranen baadt" omdat zij hem heur groet onthield. Alleen daarom reeds is
+de bestudeering der Vita Nuova noodig voor wie Dante's karakter juist
+wil beoordeelen. Maar evenzeer is zij noodig om den zin van zijn werk
+dieper te leeren verstaan. Beide werken, de Commedia en de Vita Nuova,
+hebben in wezen hetzelfde onderwerp: de loutering van den geest door
+de Liefde. Het eerste, het wereld-epos, is in schijn objektiever;
+het tweede, de eerste moderne ik-roman, in schijn subjektiever; in
+werkelijkheid openbaart de Commedia evenveel van den persoonlijken
+Dante als de Vita Nuova van den onpersoonlijken wereldwijze. En beide
+hebben zij, in en door hun schijnbaar gekunstelde verstandelijkheid,
+die hoog- en strak beheerschte doorvoeldheid, die vormelijke gaafheid,
+die onomschrijfbare voornaamheid, die alleen de grootste kunstwerken
+kenmerkt.
+
+
+
+Het was in het voorjaar van 1283. Er heerschte vrede in Florence, een
+zeldzame toestand, waarvan ongekende voorspoed het gevolg was. Het
+was voor de rijke stad een tijd van blijde feesten, optochten en
+banketten, waarbij een schaar van edele, gansch in wit gekleede
+vrouwen en meisjes naar oudridderlijken trant een "hof" vormen van
+een schoonen "Heer" dien men Amor noemde. Bij gelegenheid van een
+dier optochten waarschijnlijk was het dat de achttienjarige Dante
+de enkele maanden jongere Bice Portinari, de "allerlieflijkste",
+de "jeugdige engel", die sinds zijn negende jaar de stil-aangebeden
+"Vrouwe zijner gedachte" was, voor de tweede maal ontmoette en voor
+'t eerst haar stem hoorde. "Voorbij schrijdend door eene straat wendde
+zij de oogen naar dien kant, waar ik, vol vreeze, stond: en in hare
+onuitsprekelijke hoofschheid groette zij mij met een blik zòò vol van
+deugden, dat het mij toescheen als zage ik de grenzen aller zaligheid"
+(§ III). Voor het eerst hoorde hij haar stem en zoozeer ontroerde hem
+het nieuw geluk dat hij zich "als dronken van de menigte afzonderde"
+en vlood naar de eenzaamheid van zijn kamer om daar te peinzen over
+"deze zeer hoofsche Vrouwe". En hier had de jonge dichter--want "reeds
+had hij uit zichzelf de kunst geleerd in rijmen te spreken"--in wiens
+hoofd de ridderlijke verzen van een Bertrand de Born, een Folquet de
+Marseille, een Arnaud Daniël en van zoovele andere troubadours klonken,
+door een "zoeten slaap" overvallen, dien eersten dichterdroom--ja,
+verzonnen, of liever nagebootst naar den vorm, maar doorleefd naar
+zijn gevoelsinhoud--welke het eenvoudig motief wordt voor bijkans zijn
+geheele verdere lyriek. In een vuurkleurigen nevel verscheen hem Amor:
+
+
+ Zòò dat herinnering nòg mij beven doet.
+
+ Vol vreugde leek hij me eerst, terwijl zijn handen
+ Droegen mijn hart, en in zijn armen had
+ Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;
+
+ Toen riep hij haar: en van mijn hart dat brandde,
+ Zag 'k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....
+ En klagend vlood hij als in bitter leed.
+ (§ III)
+
+
+Dit sonnet zond hij, naar het gebruik der dichters van dien
+tijd, met verzoek om een verklaring ervan, aan eenige "vermaarde
+troubadours". Zij zijn niet allen bekend, maar veilig mag men aannemen
+dat de meesten behoorden tot de dichterschool van den zoogenaamden
+"nieuwen stijl", van welken Guido Guinizelli de baanbreker (1220-1276)
+was geweest en Guido Cavalcanti (1250-1300) ten tijde van Dante de
+belangrijkste vertegenwoordiger was. De jonge dichter beoogde met de
+rondzending van zijn sonnet blijkbaar niet anders dan in den kring
+dier vermaarde troubadours te worden opgenomen. Wat hem gelukte,
+want van toen af werd Cavalcanti zijn "grootste vriend", de man die
+hem steeds aanspoorde zijn liefde hoog en rein te houden en op wiens
+verzoek, en zeker voor wien, hij zijn Vita Nuova heeft geschreven.
+
+Onder de dichters van dien tijd, ook in Florence, was het mode
+dat elk van hen een eigen "donna", mits maar niet zijn eigen vrouw,
+aanbad en in zijn liederen verheerlijkte. Wanneer men hen mag gelooven
+waren al deze "donna's" even lieftallig, schoon en deugdzaam, even
+"hoofsch". Dichterlijke idealiseering, wensch-fantasieën; zeker, maar
+nogthans waren deze vrouwen volstrekt niet geheel en al hersenschimmig,
+maar verbeeld naar het levend model, evenals die vrouwen wier portret
+sommige schilders vereeuwigden in de engelengestalten hunner fresco's
+en schilderijen, en verscheidene van hen zijn met naam en toenaam
+bekend. Ware het voor "abstracte ideale vrouwen" wel noodig geweest hen
+toe te dichten in de volkstaal, omdat zij het Latijn niet behoorlijk
+konden verstaan? (§ XXV)
+
+Deze buitenechtelijke vrouwenvereering was een mode, overgenomen
+van de Provençaalsche troubadours. Ik laat hier buiten bespreking
+het moeilijke vraagstuk uit welke ideëel-maatschappelijke oorzaken
+de ridderlijke minnedienst ontstond; maar eenmaal mode onder de
+troubadours, kon hij gemakkelijk worden aanvaard door de dichters
+dier jonge Italiaansche stadstaten, waar aan het echtelijk leven
+gewoonlijk alle poëzie ontbrak, omdat de huwelijken er werden
+gesloten uit commercieele overwegingen der ouders of zelfs met
+politieke bedoelingen op aandrang der regeeringen. De troubadours,
+die, sinds hun land door de gruwelijke vervolging der Albigenzen
+en Waldenzen, elders hun fantastische romans voordroegen of van hun
+minne zongen en ook in Italië als welkome gasten werden ontvangen,
+vonden hier gretige navolging in hun hoofschen minnedienst en poëzie
+en gaven zoodoende den stoot tot de ontwikkeling van een eigen
+Italiaansche dichtkunst. Aanvankelijk schreven ook hun navolgers in
+het Provençaalsch, de langue d'oc; tot op Sicilië, aan het hof van
+keizer Frederik II, den grooten kunstvriend, de eerste Italiaansche
+poëzie ontstond. De keizer zelf, zijn zoon Enzo, koning van Sardinië,
+zijn kanselier Piero della Vigna, magistraten als de notaris Jacopo
+da Lentino en Guido delle Colonne, wedijverden er in het kunstig
+nabootsen der Provençaalsche voorbeelden. Maar ofschoon bij dezen
+of genen de echte volkspoëzie wel een frisscher toon gaf aan de
+geijkte uitingswijze, bleef de kunst dezer Sicilianen toch over
+het algemeen slechts nabootsing zonder meer, en met de heerschappij
+der Hohenstaufen in Italië ging ook zij te gronde. Bij een deel der
+dichters uit de Siciliaansche school kwam de naieve zinnelijkheid der
+oude ridderpoëzie, waarin de vereering der "Vrouwe" nagenoeg geheel en
+al op de bewonderende aanschouwing harer uiterlijke schoonheid berust,
+waarin de algemeen gebruikelijke weg dien de Liefde kiest om het hart
+binnen te dringen is "door de oogen", tot onverbloemde uiting.
+
+
+ Liefde is Begeerte, door het groot vermogen
+ Van welgevallen in het hart gewekt....
+
+ Maar schoonheid die we aanschouwen met onze oogen
+ Is 't toch die sterkste en hechtste liefde wekt [1].
+
+
+betoogt de bovengenoemde notaris Jacopo da Lentino; anderen maakten,
+evenals ook reeds de latere Provençaalsche zangers gedaan hadden,
+scheiding tusschen "edele" en "onedele" liefde, ofschoon zij dan toch
+ook de eerste nog min of meer zinnelijk opvatten.
+
+
+ e per amor es hom guays e cortes,
+ franc e gentils, humils et orgulhos
+
+ (de liefde maakt den man blij en hoofsch,
+ frank en edel, ootmoedig en fier)
+
+
+zeide Pons de Capdueil, en Adam de la Halle had gezongen:
+
+
+ car ma Dame est tant douche a resgarder
+ que mauvestés ne porroit demorer
+ en cuer d'ome qui la voie....
+
+ (want mijn Vrouwe is zoo zoet te aanschouwen
+ dat geen slechtheid zou kunnen wonen
+ in het hart van den man die haar ziet).
+
+
+en Guilhem de Montanhagol was zelfs zoo ver gegaan dat hij de liefde
+prees als sporende tot kuischheid en als bron van alle deugden:
+
+
+ quar amors non es peccatz,
+ anz es vertutz....
+ e met om' en via
+ de ben far tot dia;
+ e d'amor mou castitatz....
+
+ (want de liefde is geen zonde
+ maar een deugd....
+ en stelt den man in staat
+ wèl te doen den ganschen dag;
+ en uit de liefde ontspringt kuischheid....)
+
+
+Maar deze verfijning, welke de Siciliaansche dichters uitwerkten tot
+een filosofisch-getinte leer van zuivere ontzegging, een soort van
+esoterische, slechts voor de hoogere geesten bestemde theorie der
+liefde, maar welke vooral door Sordello van Mantua werd gepropageerd,
+was toch eigenlijk niet veel meer dan wat zij ook bij de Provençalen
+geweest was: een dekadente methode tot prikkeling der zinnelijkheid
+juist door haar zooveel mogelijk belemmeringen in den weg te
+leggen: jalouzie, verheimlijking, trots, schaamte enz., kortom zij
+was tenslotte slechts een kunstmatige ontlading van onbevredigde,
+onderdrukte sensualiteit. Zoo heeft ook de Siciliaansche school de
+kuischheid niet kunnen verheffen tot algemeen erkend beginsel der
+"edele" liefde.
+
+Inmiddels was ook in andere deelen van het land, vooral in Toscana,
+een volkspoëzie ontstaan, kennelijk nog onder sterken invloed
+der Siciliaansche school en dier Provençaalsche voorgangers, maar
+ook tevens op eigenaardige wijze doordrongen van den geest eener
+wetenschappelijke ontwaking, een hartstochtelijk uitslaand verlangen
+naar weten en begrijpen, naar doordenken eenerzijds en verterend
+mystiek smachten anderzijds. De gedachten van Thomas van Aquino, van
+Bonaventura, van Franciscus van Assisi vervulden de atmosfeer. En deze
+laatste, nationale invloeden waren het welke ook een nieuw element
+brachten in de overgeleverde poëzie; een element dat, onbeholpen en
+stroef nog geuit door een Guittone d'Arezzo, door diens leerling,
+den Bolognees Guido Guinizelli werd ontwikkeld tot dien "dolce stil
+nuovo" dien zoeten nieuwen stijl, welken Dante later tot schoonsten
+bloei zou brengen.
+
+Ook een toenemende demokratiseering van het geestelijk leven droeg
+hiertoe bij. Waren de Fransche troubadours, die, zelf veelal niet of
+slechts tot den lageren adel behoorend, nogthans de aanzienlijkste
+edelvrouwen tot de Dame huns harten verhieven en die bovendien op hun
+zwerftochten met alle maatschappelijke klassen in aanraking kwamen,
+meestal reeds min of meer demokratisch gezind, zoodat zij naast den
+adel der geboorte het goed recht van den adel des gemoeds bepleitten;
+in Italië, waar de dichters niet meer als rondzwervende zangers voor
+de leden van een ondergaanden adel zongen, moest de nieuwe moraal
+van den adel des gemoeds, wortelend in een "natuurlijken" aanleg tot
+het goede en zich openbarend door de genade Gods, nog veel gereeder
+ingang vinden.
+
+
+ Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen:
+ 't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt.
+ "'k Ben edel van geboort!" wie dus kan pralen
+ Is als dit slijk; de Deugd is 't zonnegoud.
+ Geloove niemand ooit
+ Dat adel buiten 't edel hart kan leven;
+ Wien 's konings hoogheid tooit
+ Blijft laag zelfs zoo niet Deugd zijn hart doordringt,
+ Dat kaatse als water 't beven
+ Van sterrenglans die uit den hemel blinkt.
+
+
+Zoo zingt Guinizelli, de eerste meester van den nieuwen stijl in
+zijn beroemde canzone over het wezen der liefde. De liefde kweekt den
+adel des gemoeds, maakt het hart ontvankelijk voor deugd en omgekeerd
+kan de liefde alleen in het edel hart leven. De laat-Provençaalsche
+troubadour Lanfranco Cigala wist het ook wel:
+
+
+ ques amors pren en lejal cor naissenza,
+ (de liefde wordt geboren in het edel hart)
+
+
+maar voor Guinizelli en zijn school is het verband tusschen liefde
+en deugd wezenlijk; zij behooren onafscheidelijk bij elkaar:
+
+
+ Het edel hart is liefde's wijk en wapen,
+ Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart;
+ Niet heeft Natuur de liefde 't eerst geschapen,
+ Noch eer dan liefde 't hart van eedlen aard.
+ Want zooals met de zon
+ Van aanvang af het licht de ruimte kliefde,
+ Doch éér niet stralen kon,
+ Zoo woont in al wat edel is en puur
+ Vanzelf de zoete liefde,
+ Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur.
+
+
+Tusschen liefde en deugd was het verband gelegd, de nieuwe stijl,
+onder invloed van de opbloeiende christelijke scholastiek en de
+innig-hartstochtelijke Maria-vereering in de "lyrische lofzangen" der
+volgelingen van Frans van Assisi, vereenzelvigde haar nu bovendien met
+de vroomheid. En zoo kon het gebeuren dat de naieve, gedachtelooze
+gratie van het oude, zinnelijke troubadourslied en de hoofsche
+traditie van den wereldlijken minnedienst voorbeeld en grondslag
+werden voor de diepstzinnigst bespiegelende poëzie. De donna, de
+schoone, maar bovenal deugdzame vrouw, wordt verheven tot de beata
+beatrix, de engel in menschelijke gedaante, die de ware godsliefde
+doet ontwaken in het hart van den minnaar. Zeker, ook van deze,
+platonische en eeuwig-menschelijke gedachte, biedt de vroegere
+poëzie voorbeelden, maar men vindt ze er slechts sporadisch. De
+vergelijking der geliefde met een engel is bij de oudere troubadours
+zelden meer dan een nu eenmaal geijkte dichterlijke frase; geen werkt
+haar uit tot een navoelbare symboliek, want bij geen is zij uiting
+van een werkelijk ook diepgevoelde godsliefde. De nieuwe christelijke
+filosofie echter, met haar Maria-kultus en haar voorstelling van de
+engelen als bemiddelaars tusschen God en mensch, als "afgescheiden
+Intelligenties" die Gods gedachte moeten verwerkelijken door de in
+den mensch als "potentie", als vermogen sluimerende deugd te wekken
+tot "actie", tot daad, was als geroepen om aan den voormaligen en tot
+een geëxalteerden schijn ontaarden minnedienst een nieuwe beteekenis,
+een hoogere wijding te geven; hoe hoogst-bevreemdend en paradoxaal
+op het eerste gezicht ook een verbinding van dichterlijke erotiek
+met aristotelisch-middeleeuwsche wijsbegeerte, mystiek en asketisme
+ook moge schijnen. De hoofsche vorm, de traditie van het ridderschap,
+bleef behouden, de Liefde blijft de "Heer en Meester", dien de minnaar
+"dient" als "trouw vasal", maar die liefde is niet langer de naieve,
+overwegend sensueele begeerte der twaalfde-eeuwsche poëzie, noch hare
+asketisch-dekadente verfijning, maar haar volkomen vergeestelijking
+tot eene onzinnelijke vroomheid, waarin echter alle zoetheid en
+teederheid der schoone zinnelijkheid wordt overgedragen. Natuurlijk
+zijn de dichters dier geestelijke richting niet in al hun werk hun
+beginsel trouw gebleven--zij waren dichters!--en hebben zij naast
+hun hoogste, hemelsche liefde zeer goed den aardschen hartstocht
+gekend en gekoesterd. Den meester Guinizelli zelf ontwaart Dante
+op den Louteringsberg achter den vlammenboog waar zij die zich
+aan zingenot te buiten gingen worden gelouterd; Cavalcanti betoont
+zich zeer wispelturig in zijn aanbidding en het groote in Dante's
+eigen liefde is niet hare standvastigheid, maar Dante's worsteling
+ervoor. Maar dit neemt niet weg dat bij hen de vergoddelijking der
+vrouw bewust tot de hoogste bedoeling hunner kunst wordt gemaakt. De
+verfijnde aanstellerigheid van den traditioneelen minnedienst wordt
+weder door een echt en diep gevoel vervangen. En dit juist is het
+wat die kunst tot een nieuwen stijl verheft.
+
+God straalt Zijn licht onverzwakt uit over de engelen; daarom
+verrichten zij hun taak ook van aanvang af goed, zegt Guinizelli in
+zijn reeds aangehaalde canzone. En dan verzucht hij:
+
+
+ Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf
+ De waarheid harer eedle deugd, die straalt
+ Uit hare zuivre blikken,
+ Aan mij, die nimmer haar te minnen faalt.
+
+
+En dat bij hèm de vergelijking met een engel niet maar een ondoordachte
+frase is, bewijst de slot-stanza, waarin hij in een, later ook voor
+Dante voorbeeldig hemelvisioen, haar voor het aangezicht van God-zelf
+verdedigt:
+
+
+ Mijn Vrouwe! "Wat vermat ge u?" zal God spreken
+ Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat.
+ "Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken,
+ Te plaatsen mij naast minne die vergaat?
+ Uw lof zij slechts gericht
+ Tot mij alleen en die genaderijke
+ Voor wie àl logen zwicht."
+ Maar 'k antwoord: "Met een engel die gij zond,
+ Moest ik haar wel gelijken,
+ Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond."
+
+
+Hier is het zinnelijk realisme der ridderlyriek inderdaad tot
+diepzinnige symboliek gestegen. En dezen toon van nederige devotie
+voeren voortaan de beste dichters van den nieuwen stijl. Wanneer zij
+zich althans richten tot de "ware" Vrouwe hunner ziel.
+
+
+ Que'son del vero amore inamorati,
+ Ch'a Dio son servir dati
+
+ (Zij alleen zijn vervuld van ware liefde,
+ Die zich gewijd hebben aan den dienst van God).
+
+
+zegt Chiaro Davanzati. Het zijn nu niet langer de kleur van oogen
+en haren, de blankheid der huid, de roode lippen, de zachtgeronde
+leden; het zijn niet langer de uiterlijke bekoorlijkheden hunner
+Vrouwe alléén of in de eerste plaats die zij bezingen; maar het is
+hun zachtheid, hun nederigheid, hun vrome deugd bovenal welke zij
+prijzen en waarvan zij de louterende afstraling in hun eigen hart
+verwachten. Niet de begeerte om de geliefde, nu eerst waarlijk de
+"aangebedene", te bezitten beheerscht deze dichters, maar in haar
+glimlach of groet alleen bestaat hun gelukzaligheid en hun eenige
+vrees en droefenis is de gedachte haar niet waardig te zijn. In de
+beroemde canzone: "Gij vrouwen edel, die de liefde kent" laat Dante,
+na eerst de schoonheid van Beatrice's ziel bezongen te hebben, Amor
+zelf de grootste schoonheden van haar lichaam prijzen. Amor prijst
+haar oogen en mond, volgens de oude troubadours-overlevering "begin
+en einde der liefde":
+
+
+ En geen kan haren mond, teeder omtogen
+ Van liefde's lach, bewondren onbewogen.
+
+
+"Maar," zoo zegt Dante in de "verdeeling" dezer stanza, "opdat hier
+iedere lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest
+dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke eene
+werking van haren mond is, het doel mijner wenschen was."
+
+Tot een edel, geestelijk leven moesten deze dichters de vereering
+hunner Vrouwe opvoeren, tot liefde voor de wijsheid en vrome
+overpeinzing moest hun hartstocht worden omgesmolten in zijn eigen
+gloed. En zoo is voor hen de minnepoëzie tenslotte niet langer slechts
+een middel om te bekoren door schoone bevalligheid, maar bovenal om te
+stichten, te onderrichten: de kunst wordt opzettelijk didactisch. Een
+hoogste stijging, waardoor zij het dichtst nadert tot haar goddelijk
+oerwezen en tot.... zijn parodie. Want stichten en onderrichten willen
+allen die iets weten en die godsliefde en wijsheid in zich voelen. En
+"woorden spreken op rijm" kan ten slotte vrijwel iedereen even
+gemakkelijk leeren als de achttienjarige Dante. Maar weinigen zijn de
+uitverkorenen die ook kunnen dichten. Vandaar het koude, ongevoelige,
+bedachte in slèchten zin, dat men bij deze dichters aantreft, wìj
+vooral wien het op zichzelf reeds eenigszins moeilijk valt ons in den
+middeleeuwschen geestestoestand te verplaatsen en die maar al te zeer
+neiging hebben beelden of zinswendingen "koude, dorre scholastiek" te
+noemen die in dien tijd en voor die dichters toch een warme, innige
+gevoelswaarde bezaten. Evenwel, veel van deze poëzie zal terecht
+als het doode rijmwerk van echte of wouldbe geleerden, theologen
+en moralisten beschouwd mogen worden en het valt niet te loochenen
+dat zelfs bij een Cavalcanti vele van zijn luchtiger en wereldscher
+sonnetten en balladen in den volkstoon hooger dichterlijke waarde
+bezitten dan b.v. zijn vermaarde, doch door duistere gekunsteldheid
+ongenietbare metaphysische canzone over den aard der liefde.
+
+Toen kwam Dante. Hij ook had zijn "Vrouwe", wettige echtgenoote
+van een ander, naar de mode des tijds; hij bezong haar lieflijke en
+zaligmakende deugdzaamheid zooals zijn voorgangers en vrienden de
+"gentilezza" hunner eigen donna's bezongen, dikwijls zelfs in de
+gebruikelijke woorden en geijkte beelden. Hij aanvaardt en huldigt
+zonder voorbehoud de "theorie" van meester Guinizelli. "Liefde en
+een edel hart", zoo dicht hij dien Saggio, dien "wijzen dichter" na:
+
+
+ Liefde en een edel hart zijn ganschlijk een,
+ Gelijk de wijze dichter heeft geschreven....
+
+ Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen
+ En heeft het hem tot vaste woon gegeven;
+ En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een,
+ Bij d' ander lang, den dag van 't nieuwe leven,
+
+ Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt....
+ (§ XX)
+
+Hij verheerlijkt zijn Beatrice als de engel, door God op aarde gezonden
+om alles door haren glans te heiligen:
+
+
+ De Hemel zond tot de aarde een engel zoet,
+ Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.... (§ XXVI)
+
+ Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen
+ Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt.... (§ XXI)
+
+
+Dit alles zijn bekende klanken. Maar er is iets in Dante's gedichten,
+althans in die welke volgen na de canzone: "Gij vrouwen edel, die
+de liefde kent", dat hen toch wezenlijk van die zijner voorgangers
+onderscheidt. En dat is de volkomen synthese van doorleden gevoel
+en reflekteerende gedachte tot ééne ongescheiden doorlééfdheid. Na
+deze canzone maakt Dante met volle bewustheid zijn kunst dienstbaar
+aan zijn hoogste gedachteleven. Ik zeg gedachteléven en niet
+gedachte-napraterij, waartoe de niet-denkende rijmer zoo heel
+gemakkelijk kan vervallen. Wat bij anderen geworden was of dreigde
+te worden woord-abstractie zonder meer, bleef bij hèm een levende
+werkelijkheid. Voor hem, evengoed als voor Guinizelli en anderen,
+waren liefde en deugd begrippen, maar hij sprak ze niet uit wanneer ze
+niet gloeiend in hem leefden. Dante had lief zooals alleen een echt
+dichter liefheeft, met die zoete verdwazing die zoo wonderlieflijk
+vermengd is met hoogste wijsheid en daarom alleen straalt zijn geheele
+liefdessymboliek in zulk een warmen, innigen glans. En Dante had ook
+de werkelijkheid lief, de concrete, tastbare werkelijkheid der schoone
+dingen en menschen. Hij had die lief met de diepte van den dichter en
+de vurigheid van den Italiaan bovendien. Daarom geen abstractie, geen
+symbool bij Dante, dat niet op een doorleefde werkelijkheid berust,
+geen hemelsche zaligheid die niet uit aardsche wanhoop is opgestegen,
+geen goddelijk-stille liefde die niet in de hel der wilde hartstochten
+werd geboren.
+
+Dante vermocht de groote synthese te voltrekken. Hij was, of hij wilde
+tenminste zijn, een geleerde, dat wil zeggen--het was de dertiende
+Eeuw--een godgeleerde. En heel de intellektueele hartstocht van
+den jongen autodidakt trok zich samen in dit ééne verlangen tot
+ontleden, doorgronden, begrijpen. Zijn wetensdorst was hartstocht,
+levend gevoel. Hij was ook een hartstochtelijk minnaar van de natuur,
+wier zoete mystiek hij zeker even diep doorvoelde als een Frans
+van Assisi, de dichter van het Lied der Zon. Een minnaar van het
+echt-menschelijke was hij, even fel als zijn jongere tijdgenoot de
+schilder Giotto. En hij was een aanzienlijk Florentijn, ridderlijk,
+trotsch, onstuimig, zacht en zeer verliefd. Hij had alles in zich
+wat sterk en machtig-levend was in zijn tijd en dat alles doorleefde
+hij zèlf in een eigen innerlijke wereld die hij uit eigen kracht
+beheerschte. Is het dan wonder dat hij in de vereering zijner Vrouwe
+den gloed der aardsche liefde verbond met de zuiverheid der hemelsche
+en dat Beatrice, trots de voorzichtige twijfelingen van zeergeleerde
+commentatoren, voor den dichterlijken en minnenden geest nooit als een
+"alleen maar bedachte allegorie", als een kunstmatige "draagster" van
+"verstandelijke symboliek" verschijnt, maar steeds als een levende,
+diepgeliefde en zonder twijfel afwisselend even smartelijk-begeerde
+als platonisch-aanbeden jonge vrouw?
+
+Zonder twijfel heeft Dante zijn Vita Nuova bedoeld tot een allegorie
+te maken, althans achteraf aan de gestalte van Beatrice en aan
+alle gebeurlijkheden in zijn boekske een allegorische beteekenis
+te geven. Pasqualigo heeft in een zeer scherpzinnig en geleerd werk
+trachten te bewijzen dat Beatrice niets anders is dan de allegorie der
+christelijke liefde, welke door hare vereeniging met de wetenschap
+tenslotte tot goddelijke wijsheid wordt. Het is, zegt hij, niet aan
+te nemen dat Dante als knaapje van negen jaar reeds alle kenteekenen
+van een volwassen hartstocht vertoonde, laat staan zich daarvan
+bewust was op een zoo gedetailleerde wijze als uit het gedrag zijner
+"levensgeesten" bij Beatrice's eerste aanschouwen blijkt. Maar
+dat kinderen van dien leeftijd reeds op hun manier van een diepe,
+ernstige vroomheid, een dwepend godsverlangen vervuld zijn, is niet
+zoo heel zeldzaam. Welnu, die eerste verschijning van Beatrice op
+Dante's negende jaar beteekent Dante's.... eerste communie! En
+de tweede verschijning, negen jaar later, was de neerdaling der
+goddelijke genade in Dante's hart. Het "zuiver wit" waarin hij
+haar zag is de kleur des Vredes; de twee oudere matrones die haar
+vergezellen zijn "Geloof" en "Onschuld"; haar groet is "het Heil,
+de Heiland, Christus"; de menigte van welke Dante zich afzondert
+verbeeldt zijn eigen zinnelijke begeerten; de eenzame kamer waarin
+hij zich terugtrekt zijn eigen innerlijk; de zoete slaap welke hem
+daar overvalt den vrede des gemoeds die op hem neerdaalt, etc. etc.
+
+Men kan nu van andere zijde de "echte" liefde van den negenjarigen
+knaap op psychologische gronden verdedigen, of het er voor houden dat
+Dante terwille van zijn negen-symboliek een paar jaar smokkelde; men
+kan ook wijzen op de talrijke zoo levensechte trekjes in het verhaal;
+zonder dat dit nogthans de allegorische bedoeling uitsluit. Het
+komt mij zelfs vrij waarschijnlijk voor dat Dante in zijn verhaal
+inderdaad de boven aangeduide of andere dergelijke "beteekenissen"
+heeft willen verstoppen, maar het lijkt mij van weinig belang ze even
+zorgvuldig weer alle te ontdekken. Bovendien zal er, als bij iedere
+symboliek, zeker veel meer "uit te halen" zijn dan de schrijver zelf
+er in legde. Ik laat het dus gaarne aan den intelligenten lezer over
+zelf naar eigen smaak en willekeur de détails van Dante's symboliek na
+te pluizen en verwijs alleen hier en daar in de aanteekeningen naar
+hare algemeene hoofdlijnen. De meer naar theologische duisterheden
+dan naar psychologische werkelijkheid speurende lezer houde maar
+steeds in het oog dat Beatrice voor Dante inderdaad het symbool is
+of zijn kan van deugd, goedheid, nederigheid, waarheid, vroomheid,
+Liefde, Genade, Christus, Maria en zelfs God. Met dezen sleutel en
+bijgelicht door de kennis der Thomistische filosofie zal hij tot
+heel wat Danteske duisterheden den toegang vinden. Maar hij vergete
+bij zijn verklaringen ook niet, dat tenslotte ieder willekeurig
+verhaaltje, hoe eenvoudig ook, zooveel aanknoopingspunten biedt voor
+allerlei gedachten-associaties, dat het zeer weinig moeite kost
+er een diepzinnige allegorie achter te verbergen, afgezien van de
+misschien ontzagwekkende geleerdheid die er toe noodig is om zulk
+eene erin-verbeelde beteekenis ook te "bewijzen".
+
+Maar behalve als symbool heeft Beatrice ook in werkelijkheid
+bestaan. Veel is er niet van haar bekend. Het 15 Januari 1287
+gedagteekende testament van Folco dei Portinari noemt haar als diens
+dochter Bice, kinderlooze echtgenoote van den bankier Simone dei
+Bardi. Dit is het eenige wat men documenteel van haar weet. Maar meer
+dan waarschijnlijk is het dat deze Bice Portinari inderdaad Dante's
+Vrouwe was, de moderne kritiek is het hierover vrijwel eens.
+
+Wanneer niet reeds tal van plaatsen in de Vita Nuova en de Commedia
+dwongen de lichamelijke realiteit van Beatrice aan te nemen, zou
+ééne plaats in het eerste werk, waar Dante op ontroerende wijze de
+volkomen bewustwording van zijn jong dichterschap openbaart, ons het
+psychologisch bewijs ervan leveren (§ XVIII). Eenige "edele vrouwen",
+zonder twijfel zelf veelbezongen "dames" van den Florentijnschen
+dichterkring, hadden, wetende hoezeer de aanblik van Beatrice hem
+in verwarring placht te brengen, Dante gevraagd waarin dan toch wel
+zijn gelukzaligheid bestond. "In woorden welke mijne Vrouwe prijzen"
+had hij geantwoord. En peinzende over de diepe beteekenis van dit
+antwoord, waarin hij ook voor zichzelf voor het eerst de volkomen
+vergeestelijking zijner liefde uitsprak, nam hij zich voor: "tot
+stof voor zijn dichten (voortaan) nooit iets anders dan den lof dier
+Allerlieflijkste te kiezen". En dan volgt die in haar oprechten eenvoud
+zoo treffende beschrijving van den gemoedstoestand eens dichters: de
+twijfel of de gestelde taak niet boven zijn kracht zal gaan, de angst
+om het werk te beginnen, het dagenlange rondloopen in onrust en vaag
+verlangen, het voortdurend vervuld zijn van zijn stof; en dan opeens,
+onverwacht, de inspiratie, de influistering van dien regel waarop
+of waaromheen het geheele gedicht zal worden opgebouwd. Broedend
+wandelde Dante langs de heldere, snelstroomende Arno en.... "toen,
+zegge ik, sprak mijn tong als van zelf bewogen: Gij vrouwen edel,
+die de liefde kent". Het was de aanvangsregel der canzone welke
+voor het eerst volkomen de geliefde vergoddelijkt, en tevens het
+gedicht dat Dante later zelf het begin zijner nieuwe, geheel echte,
+levensware poëzie zal noemen.
+
+Op den Louteringsberg spreekt de oude Toskaansche dichter Buonagiunta
+aldus Dante aan:
+
+ "Maar zeg of ik hier zie dengene, die tevoren bracht de nieuwe
+ rijmen, beginnende: Vrouwen, die begrip hebt van liefde."
+
+ En ik tot hem: "Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij
+ inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in
+ mij dicteert, voortga het opteekenende."
+
+ "O broeder, nu zie ik" zeide hij, "de knoop die den notaris [2]
+ en Guittone [3] en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten
+ nieuwen stijl, welken ik hoor" (L. B. XXIV. 49-57).
+
+Levende liefde dus is het die volgens Dante den dichters van den
+dolce stil nuovo inspireert, en zéker hemzelf. Moge de nog zoo jonge,
+schoolsche troubadour-geleerde vòòr die wandeling langs de Arno,
+in de eerste tien gedichten der Vita Nuova dus, al eens bewust of
+onbewust de geijkte frasen hebben nagepraat, in deze canzone en in de
+gedichten er nà, zingt alleen Dante zelf en zingt hij alleen "wat het
+hart hem vóórzeide met de stem der liefde" (§ XXIV), zelfs dààr nog,
+waar woorden en zinnen ons aandoen als herinneringen, ja plagiaten
+uit oudere dichters. Maar ieder dichter weet wel dat het geen dorre,
+doode abstracties zijn die de groote, in ons hart verborgen sluimerende
+liefde doen ontwaken en spreken, maar dat alleen levende schoonheid
+daartoe in staat is en vòòr alles "de Schoonheid die als een vrouw vol
+deugd verschijnt". Zulk eene reëel-symbolische vrouw was voor Dante
+Beatrice. Of zij ook voor anderen die schoone, edele lieftalligheid
+bezat die Dante verhemelt? Lieden, die haar niet kennen, raden,
+wanneer zij haar maar zien, dat zij "Beatrice" dat is "Zaligmaakster"
+moet heeten. (§ I). Wanneer zij zich op straat vertoont loopt de
+bevolking uit om haar te zien. (§ XXVI) "Deze is geene vrouw, maar
+eene der schoonste engelen uit den hemel", zeiden sommigen. En anderen:
+"Deze is een wonder; gezegend zij de Heer die iets zoo wonderbaarlijks
+weet te scheppen." Haar zachte nederigheid deelt zich mede aan elk wien
+zij een groet waardig acht; het is niet mogelijk in haar nabijheid iets
+slechts ook maar te denken. Wahrheit of Dichtung? Bij haren dood wijdt
+Cino da Pistoia eene troostcanzone aan haar nagedachtenis die alles
+te bevestigen schijnt wat Dante ter verheerlijking van zijn Beatrice
+zeide. Maar bevriende dichters komen elkaar gaarne in het gevlei,
+vooral in een dergelijke omstandigheid. Bovendien, wat Cino van haar
+zegt zijn grootendeels toespelingen op, ja aanhalingen van verzen
+van Dante zelf. En verheerlijken niet tenslotte ook andere dichters
+hunne geliefden op precies dezelfde wijze? Zingt niet Cavalcanti van
+zijne Vanna:
+
+
+ Onzeggelijk is harer schoonheid glans,
+ Wijl alle edele deugden voor haar knielen
+ En Schoonheid zelf haar eert als een godin.
+
+
+en in een ander sonnet:
+
+
+ Ze is zòòveel meer dan alles om haar heen
+ Als heel de hemel grooter is dan de aarde....
+
+
+Beweert niet de zoo even genoemde Cino da Pistoia van zijne Selvaggia:
+
+
+ De Vrouwe, om wie ge peinzend mij ziet schrijden,
+ Toont een gelaat zòò lieflijk dat zij doet
+ Ontwaken in een iegelijks gemoed
+ Dien eedlen geest die daar verborgen beidde....
+
+
+Getuigt niet Lapo di Gianni van zijne Lagia:
+
+
+ Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen;
+ Ze is als der Liefde zuster in haar spreken,
+ Een wonder is van haar ieder gebaar....
+
+
+Deze drie dichters waren Dante's tijdgenooten en vrienden, zij
+kunnen hem hebben nagevolgd, ofschoon bij Cavalcanti, zijn ouderen
+vriend en raadsman en als lyrisch dichter geenszins zijn mindere,
+eer het omgekeerde mag worden aangenomen. Maar zegt niet Guinizelli
+van zijne Lucia:
+
+
+ Zij gaat getooid van zooveel lieflijkheden,
+ Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet
+ En elken heiden 't waar geloof zou schenken.
+
+ Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden.
+ Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet:
+ Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken.
+
+
+Een lof welke zin voor zin bedenkelijk gelijkt op wat Dante in
+verschillende gedichten schrijft over Beatrice, en hier is het toch
+kennelijk Dante die zijn vòòrganger naspreekt.
+
+Doch wat doet het er ten slotte toe dat wij van Beatrice's
+verschijning niet meer weten dan het vage beeld dat Dante zelf van
+haar geeft. Niet wat zij wàs, maar wat zij in Dante's geest wakker
+riep is het belangrijke van haar bestaan, dat toch tenslotte maar
+een van die kleine, onbeteekenende feitjes was waarvan dichters
+dikwijls hun meest grootsche concepties ontvangen. Misschien wàs
+zij inderdaad onvergelijkelijk schoon van lichaam en edel van ziel,
+maar zeker zag Dante haar, lichamelijk en geestelijk nòg schooner en
+edeler, doordat hij haar omhing met het weefsel zijner eigen hoogste
+verlangens. Want zoo immers doet ieder dichter, ja ieder mensch wien
+de liefde het "nieuwe leven" ontsluit. Omweeft niet elke minnaar
+de geliefde vrouw met een teederen, mystieken glans, die voor zijn
+verbeelding--al naar den vorm waarin hij leerde denken--straalt als de
+aureool eener heilige of als de diadeem eener droomkoningin, maar die,
+hoe dan ook, steeds de hoogste schoonheid kroont welke in zijn eigen
+hart leeft? Dante zag in Beatrice zijn hoogsten droom van schoonheid,
+reinheid en deugd verwerkelijkt, en zooals iedere werkelijkheid voor
+wie bewondert en liefheeft tot symbool wordt, werd ook zij voor
+hem symbool van zijn eigen innerlijkste, dichtst-bij-God levende
+verlangen. Zoo is zijn werk--als elk kunstwerk in liefde geschapen,
+als elke liefdedaad--zoowel uitvloeisel en weerslag van een doorleefde
+realiteit als min of meer bewuste symboliseering van innerlijken
+droom. Misschien is de religieus-mystieke vorm van Dante's exaltatie
+"uit den tijd" en althans voor niet-katholieken moeilijk juist te
+waardeeren; haar geest is begrijpelijk en navoelbaar, en zal dit
+eeuwig blijven, voor elken minnaar.
+
+Hoezeer allengs, na Beatrice's dood, deze symboliseering, die
+vergeestelijking overhand kreeg en de reëele, zinnelijke grondmotieven
+zijner liefde verdrong, blijkt het duidelijkst wel uit het feit
+dat Dante zijn herhaalde en diep-berouwde ontrouw aan de gestorven
+geliefde gevoelt als een vergrijp tegen.... de Rede. Ook de zalige
+Beatrice trouwens, die hem zijnen afval van haar verwijt, verstaat
+onder die ontrouw nog iets anders en meer dan amoureuse avonturen,
+al veroordeelt zij natuurlijk ook deze.
+
+In de Vita Nuova beschrijft Dante zelf hoe, kort reeds na Beatrice's
+dood, de aanblik eener "deernisvolle vrouwe" hem tot een tijdelijke
+ontrouw verlokte. Maar nà deze "Vrouwe aan het Venster" hebben hem,
+behalve de vrouw waarmede hij huwde, nog menige andere van den rechten
+weg doen afdwalen. Witte, de vermaarde Dante-kenner, somt er een
+zevental op, terwijl anderen ook een verhouding aannemen tusschen
+Dante en de vrouw van zijn broeder. En de ontzetting die den dichter
+op zijn helletocht aangrijpt over het lot van de echtbrekers Paolo
+en Francisca (Hel V. 139), een ontzetting zoo geweldig dat zij hem
+bewusteloos doet neerstorten, schijnt wel op eenig schuldbesef te
+wijzen. Ik houd het zelfs voor waarschijnlijk dat ook nog tijdens het
+leven van Beatrice Dante's gedachten niet voortdurend en zeker niet
+onverdeeld aan haar behoorden. Zou Dante de twee "edele dames" die hij
+tot "scherm der waarheid" gebruikte, dat wil zeggen die hij openlijk
+het hof maakte kwasi om zijn liefde voor Beatrice te verbergen, niet
+eene iets meer dan geveinsde liefde hebben toegedragen? Waarom schreef
+hij in dien tijd, toch een paar jaren, niets voor Beatrice en kan hij
+de enkele gedichten dier periode welke in de Vita Nuova zijn opgenomen
+(§ VII, VIII en IX) slechts op een zeer gedwongen wijze met Beatrice
+in verband brengen? Het zou mij niets verwonderen als Dante het oude
+troubadourstrucje slechts achteraf had toegepast om twee werkelijke,
+voorbijgaande en later berouwde liefden te verontschuldigen. Zegt hij
+niet zelf dat het vertrek van zijn eerste "schermo" hem "meer bedroefde
+dan hij tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden"? (§ VII) En huldigt
+hij het tweede niet zoo ondubbelzinnig dat "maar al te vele lieden er
+over spraken op eene wijze welke de hoofschheid te buiten ging"? (§ X)
+Mij dunkt, zelfs de in zijn gevoel het meest verkunstelde troubadour
+zou zich niet zoo aanstellen zonder er althans iets van te meenen. Het
+waren "schoone en lieflijke" vrouwen en geen ongracelijke coquettes als
+b.v. de juffer achter wie Goethe zijn liefde voor Kätchen Schönkopf
+verborg! Doch hoe dit zij, zéker mag men aannemen dat Dante's latere
+liefden--voor een man van zijn temperament spreekt het vanzelf--niet
+alle even platonisch geweest zullen zijn. In het begin der Vita
+Nuova moge hij al verklaren: "dat de Liefde hem nooit beheerschte
+zonder den trouwen raad der Rede", deze verklaring slaat slechts op
+de levensperiode vòòr zijn achttiende jaar. Làter, in verschillende
+gedichten--en een dichter is in zijn Dichting altijd méér waar dan in
+zijn voor Waarheid gegeven proza--spreekt hij wel anders. Bijvoorbeeld
+in het sonnet: "Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren":
+
+
+ ..En 'k weet hoe hij (Amor) ons ment en zweept en spoort....
+
+ Want altijd in den kring van Amor's krijt,
+ Is vrije wil dùs door zijn macht gebonden,
+ Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt;
+
+ Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden:
+ Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt,
+ De nieuwe volgt hij wen hààr krachten zwonden.
+
+
+Zijn dit niet woorden van een man die "het klappen van de zweep
+kent"? En wie, die niet behalve den zegen ook den vloek der liefde
+gekend heeft bij ondervinding, zou een sonnet kunnen schrijven als dat,
+hetwelk Dante richtte aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni, aan wie hij
+ook eenige groote canzonen gewijd had en die, als ook zij "symbool"
+is, toch zeker het best dit gansche ras van nietige, maar wreede en
+"steen"-harde wezentjes verbeeldt, wier ijdelheid het goed geloof en
+den gullen hartstocht des dichters pleegt te misbruiken.
+
+
+ Ik vloek den dag dat mij voor 't eerst verblijd
+ Het licht heeft dier verraderlijke oogen;
+ En 't uur dat ge in mijn hart gekomen zijt
+ En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen.... etc.
+
+
+Ik leg opzettelijk eenigszins den nadruk op Dante's "afdwalingen",
+omdat vele commentatoren en lezers in hunne teleurstelling over het
+feit dat het karakter van den door hen bewonderden dichter niet precies
+beantwoordt aan hun eigen moreele overtuigingen, die zoo gaarne zouden
+willen weg-"verklaren" met een gekunstelde geleerdheid, welke zonder
+twijfel zelfs Dante te kras zou zijn geweest. Deze lieden bedoelen
+het goed, maar zij bewijzen de nagedachtenis van den dichter zeker
+geen dienst met hun pogingen om ook Dante's "zondige" liefden te
+versymboliseeren. Want juist in het zoogenaamd zwak-menschelijke van
+zijn liefdeleven vond Dante toch tenslotte die aanleiding tot strijd
+tegen zichzelf, tot opvoeding door zelftucht, die de dichter--evenals
+trouwens elk werkelijk karakter--behoeft om waarlijk groot te kunnen
+worden.
+
+Ik zeide reeds dat overigens Dante, en ook Beatrice, deze afdwalingen
+op eene andere wijze veroordeelen dan de onthutste commentatoren.
+
+Vòòrdat Dante, aan het aardsche paradijs gekomen, het gelaat der
+zalige Beatrice mag aanschouwen, spreekt zij hem aldus toe:
+
+ "Dante, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog
+ niet, daar het om een ander zwaard (berouw) u voegt te
+ weenen. (L. B. XXX. 55-57).
+
+ Aanschouw mij wel, wel ben, wel ben ik Beatrice; hoe verwaardigdet
+ gij u tot den berg toe te komen? Wist ge niet dat hier de mensch
+ gelukkig is?" (73-75).
+
+En de dichter verhaalt:
+
+ Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin
+ ziende, trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte
+ bezwaarde mij het voorhoofd. (76-78).
+
+Later spreekt Beatrice tot de Engelen, die medelijden betoonen met
+den door hare verwijten geheel verslagen dichter:
+
+ "Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen
+ hem vertoonende, leidde ik hem, zoodat hij was met mij op het
+ goede doel gericht.
+
+ Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van
+ leven verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich
+ aan een ander.
+
+ Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en
+ deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en gevallig;
+
+ en hij lichtte de schreden langs den niet waren weg, valsche
+ schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat
+ zij beloofden". (121-132).
+
+In den volgenden zang bekent Dante:
+
+ Weenende zeide ik: "De tegenwoordige zaken met hun valsche behagen,
+ keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuilgegaan". (XXXI
+ 34-36).
+
+Waarna Beatrice antwoordt:
+
+ "Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke
+ zaken troffen, had ge u moeten opheffen, om mij, die niet meer
+ zoodanig was, te volgen.
+
+ Gij moest niet meer uw vleugelen omlaag laten drukken om meer
+ slagen te verwachten, hetzij door een meisje, of eenige andere
+ ijdelheid met zoo korte bate." (55-60).
+
+Dit zijn Beatrice's verwijten, naar aanleiding waarvan Dante zegt:
+
+"Zulk een zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel
+(88)". Men ziet het, ook andere dingen dan het naloopen van een meisje
+gelden der hemelsche Beatrice voor afval van haar. Niet echter zijn
+huwelijk met Gemma Donati, de vrouw bij wie Dante vier, volgens
+anderen zelfs negen kinderen verwekte. En ook de toch zeer reëele
+ontrouw in den gewonen zin des woords aan deze zijne echtgenoote
+zelf wordt hem nergens verweten. Dante's ontrouw, wat althans door
+hemzelf als zoodanig gevoeld wordt, is inderdaad een andere dan de
+gewone en in zooverre hebben de redders zijner moraliteit gelijk,
+die meenen dat Beatrice's verwijten op geestelijke afdwalingen, op
+verslapping van Dante's geloofsijver of studie betrekking hebben. Het
+zware zelfberouw dat Dante kwelt is niet het gewone zondegevoel van een
+man die een gestorven geliefde--en bovendien in dubbel opzicht zijn
+eigen vrouw--ontrouw is; maar bovenal het besef dat telkens elkeen
+pijnigt die een levenstaak te vervullen heeft: tijd en geestkracht
+verspild, verknoeid te hebben aan iets anders dan zijn hoogsten droom,
+zich van zijn weg te hebben laten afleiden door "ijdelheden van korte
+bate", door nietige alledaagschheden en gebeurtenissen en onder andere
+òòk door een lichtzinnig leven, zooals Dante gedurende eenigen tijd
+in gezelschap van zijn zwager Forese Donati, den gulzigaard, geleid
+schijnt te hebben. Cavalcanti, die--schoon volgens zijn tijdgenooten
+zelf niet zeer standvastig in zijn minnedienst--in een merkwaardig
+sonnet de rol van "vriend die mij mijn feilen toont" op zich neemt,
+verwijt Dante diens "verwerpelijk" leven na den dood van Beatrice
+scherp genoeg en vooral smartelijk genoeg om aan een reëele reden voor
+zijn verwijt te mogen gelooven, al mag men anderzijds ook aannemen dat
+Dante, evenals de meeste zelf-aanklagers, zichzelf zwarter afschildert
+dan hij eigenlijk was. Wanneer Dante op den Louteringsberg in den tuin
+waar de gulzigaards hun Tantaluskwelling ondergaan, Forese ontmoet,
+voegt hij hem toe:
+
+ "Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij met mij waart en
+ ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren" (XXIII 115-117).
+
+En dat in dit "schandelijk" leven de pargoletta's, de meisjes waarvan
+Beatrice gewaagt, een rol gespeeld zullen hebben, lijdt ook voor Dante,
+die bovendien volstrekt geen gulzigaard was, geen twijfel. Ook het
+afschuwelijk-drastische droomgezicht der Wellust als Sirene wijst er
+op. (L. B. XIX. 7.) Maar ik herhaal: zoozeer was Beatrice voor Dante
+tot een symbool geworden dat hij zijn ontrouw slechts in zooverre
+als zondig voelde als zij hem werkelijk afhield van dien levensdroom
+dien Beatrice in zijnen geest verbeeldde. En men betreure niet,
+en verdoezele nog minder, de afdwalingen van een man, wiens deugd
+en grootheid juist daarin bestaan dat hij tròts den strijd zijner
+hartstochten telkens den stillen vrede zijner geestelijke hoogheid
+hervindt.
+
+De gedichten in het Nieuwe Leven opgenomen, werden geschreven tusschen
+1283 en 1292, den tijd waarin Dante's dichterschap nog in zijn
+eerste ontwikkeling was. Maar ofschoon er hierdoor een zeer merkbaar
+verschil bestaat tusschen de vroegere en latere, hebben zij toch alle
+onmiskenbaar dien zekeren gevoelstoon van innerlijke doorleefdheid,
+die hen tot zuivere lyriek maakt, trots sommige gekunsteldheden welke
+een oppervlakkig beoordeelaar zouden kunnen misleiden. Ook dat het,
+overigens zoo simpele verhaal, nog tal van niet eens oorspronkelijk
+verzonnen, maar direkt uit de provençaalsch-siciliaansch-toskaansche
+poëzie overgenomen elementen bevat, vooral in het eerste gedeelte:
+het epitheton "gentilissima" voor de geliefde Vrouwe, het beven bij
+haren aanblik, de geheimhouding van zijn liefde voor de onbescheiden
+nieuwsgierigen en het zich verstoppen achter een "schermo", de
+bespotting door de aangebedene, de voorstelling der Liefde als
+Leenheer en der minnaars als diens Getrouwen, het eten van het
+hart des minnaars, en tal van andere reminiscenzen, ja plagiaten,
+waarop in de aanteekeningen nog hier en daar zal worden gewezen of
+van welke men in de gedichten in het Aanhangsel parallelplaatsen
+zal kunnen vinden--dit alles, dat soms den indruk geeft alsof Dante
+opzettelijk in één werk alle kenmerken der oude minnepoëzie heeft
+willen bijeenbrengen; dit alles behoeft tòch den lezer in het minst
+niet te doen twijfelen aan de "echtheid" van het gevoel dat Dante
+bezielde toen hij het in dien half-traditioneelen vorm uitte. Evenmin
+het feit dat deze lyriek achteraf zoo gemakkelijk tot één allegorisch
+geheel te vereenigen bleek. Want--en hier raak ik aan het kenmerk van
+alle waarlijk groote lyriek--Dante's poëzie was geen stemmingskunst,
+wisselend als spelende golfjes, maar al zijn poëzie werd gedragen
+door éénzelfden, standvastigen onderstroom van innerlijkst gevoel,
+dat wil zeggen door éénen levensdrang, éénzelfde stuwing naar het
+innerlijk aanschouwde ideaal van hun schepper. Hierdoor komt het
+dat het meerendeel van deze lyrische gedichten van aanvang af en
+niettegenstaande de toevalligheid van hun ontstaan, voorbeschikt was
+later deel uit te maken van een grooter werk, dat in zijn geheel dien
+innerlijksten levensdrang zou versymboliseeren.
+
+Er zijn duidelijk drie fasen in Dante's liefde tot Beatrice te
+onderscheiden; fasen waarin zich in het kort de geheele ontwikkeling
+der minnepoëzie zooals die in het voorgaande werd geschetst,
+herhaalt. Ten eerste de nog bijkans geheel traditioneel-chevalereske
+vereering van het lieflijke meisje, waarbij men eigenlijk niet
+goed weet of haar uiterlijke schoonheid dan wel haar innerlijke
+deugd er het werkelijke motief van is, of begeerte dan wel zuivere
+bewondering den grondtoon er van vormt. Verwarring, verbijstering is
+het overheerschende gevoel dat Beatrice in Dante teweeg brengt. Wanhoop
+om de onthouding van haar groet en om haar bespotting van zijn
+hulpelooze onthutstheid bij haar aanblik, vervult hem veel sterker
+dan elke andere aandoening. Die aanblik vermoordt hem en toch is de
+gedachte alléén aan haar hem niet voldoende, hij moet haar zien,
+hij begeert haar schoonheid. Als "Amor hem bespringt" vergeet hij
+hoe haar nabijheid hem eigenlijk martelt,
+
+
+ En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht,
+ Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven,
+ Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt.
+
+ Haar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht,
+ Begint nog smartlijker mijn hart te beven,
+ En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt. (§ XVI)
+
+
+Maar nu volgt, na een psychischen schok, welken ik, met Rossetti,
+alleen kan toeschrijven aan Beatrice's huwelijk, een tijdperk van
+verpuring, van een volkomen kuische vereering, waarin "woorden die
+zijn Vrouwe prijzen" Dante's eenige gelukzaligheid uitmaken. Het
+is de periode die opent met de reeds genoemde groote canzone "Gij
+Vrouwen edel, die de liefde kent" en het sonnet waarin hij spreekt
+van de ontwaking der liefde in het "edel hart". Dante's taal is nu
+oorspronkelijker en machtiger, zijn hart rustiger; hij begeert niet
+meer haar schoonheid, maar prijst alleen haar deugd en als Amor thans
+weer al zijn zinnen uitdrijft en hem geheel met de gedachte aan haar
+vervult, is hij niet langer verbijsterd, maar gelukkig.
+
+
+ Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht
+ En mij gewend aan zijne heerschappij,
+ Dat even hard als eerst mijn slavernij
+ Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht. (§ XXVII).
+
+
+In de derde fase, wanneer door Beatrice's dood het toch altijd min
+of meer onnatuurlijk geëxalteerde van zijn onzinnelijk verlangen
+is opgeheven, stijgt Dante's vereering tot een zuiver geestelijke
+aanbidding, welke hij wel, misleid door het medelijden der "Vrouwe
+aan het Venster" voorbijgaand zal kunnen verzaken, maar welke hij ten
+laatste "door het leed gelouterd" toch weer terugvindt in een volkomen,
+maar woordelooze, innerlijke aanschouwing der "uit zichzelf stralende"
+zalige Beatrice.
+
+
+ Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt
+ Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen;
+ Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen
+ Mij deed, heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.
+
+ En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt,
+ Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen;
+ Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d' eigen
+ Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt. (§ XLI).
+
+
+De gedichten geven dus een doorloopende ontwikkeling weer en het
+verklarend proza behoeft slechts weinig uit te weiden om deze
+ontwikkeling duidelijk in het licht te stellen. Toch geeft het
+op enkele plaatsen méér dan een noodzakelijke uiteenzetting van
+omstandigheden. En op deze plaatsen blijkt het sterkst Dante's bewuste
+opzet om met behulp van zijn later-geschreven, rustig, min of meer
+stijf en doctrinair proza, zijne van leven sidderende liefdeslyriek
+voor te stellen als de theologisch-moreele allegorie der ziel die God
+zoekt. Zoo is bijvoorbeeld alléén in het proza sprake van het mystieke
+getal negen en zijn klaarblijkelijk verband met de Drie-eenheid en
+Beatrice; zoo wordt alléén in het proza het woord "salute" opzettelijk
+gebezigd op een wijze waarop het zoowel Beatrice's "groet" als "Genade,
+Heil, Verlossing" beteekent. Ook uit het schiften van zijn gedichten
+blijkt dat Dante slechts die opnam die zich voor een symbolische
+uitlegging het best leenden. Van sommige weggelaten gedichten kan
+misschien gezegd worden dat zij òf te veel herhalingen bevatten van
+wat in de wel-opgenomene beter en schooner gezegd is, òf zelfs dat deze
+latere omwerkingen ervan zijn. Maar waarom het geheel oorspronkelijke
+"Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren", waarvan hierboven reeds
+iets werd aangehaald, weggelaten? Niet toch wijl het geen volkomen
+zuivere uiting van Dante's gevoel zou zijn. Integendeel! Juist
+omdat er méér dan Dante wenschte uit bleek, hoezeer hij ontvankelijk
+was voor andere liefde dan platonische vereering en middeleeuwsche
+aanbidding. Het sonnet harmonieerde niet met den grondtoon der Vita
+Nuova. En hetzelfde geldt voor het sonnet aan Lisette (zie aanhangsel),
+wanneer deze althans werkelijk de Vrouwe aan het Venster is. Het valt
+uit den toon, het doet deze Vrouwe wereldscher, ik zou haast zeggen
+koketter zien, dan de sonnetten die alleen haar deernis prijzen.
+
+Het sonnet (§ XXIV) waarin Dante de nadering achter elkaar van Monna
+Vanna (Cavalcanti's geliefde), bijgenaamd Primavera, en Monna Bice
+beschrijft, eindigt:
+
+
+ En Amor sprak--wel heeft mijn geest 't vernomen--
+ Déze is de Lente en Liefde noem ik hààr
+ Die op haar volgt, zoozeer gelijkt ze mij.
+
+
+Maar eerst later, onder het schrijven van het proza, valt hem de
+gedachte in deze Primavera te beschouwen als vòòrloopster van Bice
+en haar waren naam Giovanna af te leiden van Johannes den Dooper,
+om op deze wijze gelegenheid te hebben Bice zelf te vergelijken met
+den Zaligmaker.
+
+Het is hier de plaats om even de veelbesproken vraag te behandelen
+welke de eigenlijke beteekenis van den titel "Vita Nuova" is. Sommige
+commentatoren meenen dat met het woord "nuovo" (novo, novello) dat
+in het oud-italiaansch behalve voor "nieuw" ook wel wordt gebezigd
+voor "jong, jeugdig, lentelijk", gedoeld wordt op de intrede van
+een nieuw levenstijdperk, zoodat de titel ware te vertalen met
+"Jeugdleven". Zelfs al was deze opvatting in overeenstemming te brengen
+met Dante's eigen schoolsche indeeling der menschelijke leeftijden,
+later door hem in het Convitto gegeven, waar de adoleszenza duurt
+van het 1ste tot het 25ste, de gioventu van het 26ste tot 45ste jaar
+(Conv. I. 1 en IV 24), dan nog zou ik mij aansluiten bij hen die,
+evenals het geheele werk ook den titel symbolisch duiden in den zin
+van ontwaking, wedergeboorte, liefdelente. Dante had van zijn eenzame
+kindsheid vòòr het negende jaar waarschijnlijk geen aangename, althans
+geen bijzondere herinneringen. Hij begon eerst werkelijk te leven toen
+de verschijning van Beatrice hem uit dit onbeduidende voorbestaan deed
+ontwaken, het nieuwe in zijn leven is niet het begin van een nieuwen
+levenstijd, maar van een nieuwen zielstoestand. Dat dit overigens ook
+reeds de opvatting was van Dante's voorgangers bewijst dit gedicht
+van Raimbaut d'Aurenga:
+
+
+ Ab nou cor et ab nou talen,
+ ab nou saben et ab nou sen,
+ et ab nou belh captenemen,
+ vuelh un bon nou vers comensar;
+ e qui mos bons nous motz enten,
+ ben er plus nous a son viven,
+ qu'om vielhs s'en deu renovelar
+
+ (Met een nieuw hart en nieuw verlangen,
+ Met nieuw begrip en nieuwe bedoeling
+ Op een nieuwe en schoone wijze,
+ Wil ik een schoon nieuw lied beginnen;
+ En wie mijn schoone nieuwe woorden verstaat,
+ Zal zekerlijk vernieuwd worden in zijn leven,
+ Zoodat zelfs een oud man zich zal verjongen).
+
+
+De driedeeling waarvan ik hierboven sprak is niet willekeurig. Zij
+wordt door Dante zelf aangegeven. Twee malen toch spreekt hij in
+het proza over een "materia nuova", een nieuwe stof die hij zal
+gaan behandelen en beide malen juist op de plek waar de door mij
+gekenschetste verandering in zijn gemoedstoestand plaats grijpt. Ik
+heb daarom mijne vertaling in drie "gedeelten" gesplitst, die elk
+eindigen met de hierboven aangehaalde gedichten. Dat deze indeeling,
+de meest logische, ook werkelijk de juiste is, wordt naar mijn meening
+nog aannemelijk gemaakt door eene eigenaardigheid der compositie, welke
+voor zoover ik weet nog door niemand werd opgemerkt. Reeds sedert lang
+werd er op gewezen dat de volgorde der gedichten zoo symmetrisch is dat
+zij onmogelijk toevallig kan zijn. De cyclus bestaat namelijk uit 26
+sonnetten of althans kleinere gedichten van ééne strophe en 5 canzones,
+elk van 2 tot 6 strophen, welke gedichten aldus gegroepeerd zijn:
+
+
+ (9s + c). c. 4s. c. 4s. c. (9s + c).
+
+
+Of de symmetrie dezer reeks werkelijk een verborgen bedoeling heeft
+laat ik in het midden; gegeven Dante's zin voor formalisme lijkt
+het mij wel waarschijnlijk. Ik wijs er nu echter op dat bij mijn
+driedeeling de afscheidingen zoodanig vallen dat de eerste beide
+hoofdstukken elk omvatten 10 en het derde 11 gedichten. Beschouwt
+men nu het laatste sonnet als een soort van epiloog--en inderdaad
+bevat het het resultaat van de geheele voorgaande ontwikkeling--dan
+is deze indeeling in drie (drie-eenheid) hoofdstukken, van elk tien
+(volmaakte getal) gedichten geheel in overeenstemming met diezelfde
+getallenmystiek die ook de indeeling der Commedia beheerscht. (Drie
+boeken, waarvan twee bestaande uit 33 (3 × 10 + 3) zangen en een uit
+33 zangen + Proloog).
+
+Over het proza nog een paar opmerkingen. Het verhalend gedeelte ervan,
+dat tot begrip van het verband der gedichten dient, is niet geheel
+en al een vinding van Dante. Reeds de provençaalsche troubadours
+plachten zulke uitleggingen, razo's, als biografische aanteekeningen
+aan de losse gedichten hunner collega's toe te voegen, o.a. bij
+de liederen van Bertrand de Born, en ook in oudere Italiaansche
+canzoniere's of liederenbundels treft men ze aan. Maar wel is
+Dante de eerste, en hij bleef ook de eenige, die zélf, een gehééle
+reeks van gedichten door zulk verklarend proza--ook hij noemde het
+"ragione"--in een onderling logisch verband bracht. Behalve dezen
+verband-leggenden tekst evenwel bevat het boekje ook nog korte
+glossen over bouw en indeeling der gedichten elk afzonderlijk. Dante
+noemt ze "divisioni". Sommige commentatoren, onder anderen reeds
+dadelijk Boccaccio, hebben deze divisioni geschrapt of als latere
+kantteekeningen van anderen beschouwd. Maar zij behooren niettemin
+wezenlijk tot het werk. Zij laten ons Dante zien in heel zijne, voor
+ons modern gevoel soms bijna lachwekkende schoolschheid. Maar zòò
+was de 27-jarige autodidakt, die zich, zonder universitaire opleiding
+en waarschijnlijk ook zonder geregeld onderwijs, alle wetenschappen
+van zijn tijd, alle christelijk-schoolsche wijsheid en waanwijsheid,
+moest eigen maken. Wie zich vermag in te denken in dien onstilbaren
+dorst naar weten en overzien die dezen tijd beheerschte en de behoefte
+aan systematiek die hiervan een gevolg is, zal het niet langer zoo
+héél absurd vinden dat de dichter Dante, maar toch die dichter die,
+zooals zijn eerste biograaf, Villani († 1336) zeide: "eenigszins
+trotsch was op zijn weten en minachtend-verwaten", met een soms
+pijnlijke dorheid zijn eigen schoonste lyrische uitingen beredeneert,
+zelfs nog daar, waar de structuur zoo eenvoudig en doorzichtig is,
+dat iedere nadere verklaring ervan niet anders kan schijnen dan
+een overbodige pedanterie. En toch is zelfs in deze divisioni wel
+hier en daar een gevoeliger toon te hooren. Is de overweging waarom
+de divisioni tijdens het leven van Beatrice achter de gedichten,
+maar na haar dood er vòòr geplaatst worden: namelijk dat door ze
+aldus te plaatsen, de gedichten zonder gevolg of geleide optreden
+en daardoor "meer verweduwd zullen schijnen", is deze skrupule
+belachelijk-sentimenteel of kinderlijk-beminnelijk? Zéker is zij niet
+de dorre overweging van een kwasi-wetenschappelijk glossateur. En
+voorts vergete men niet, dat het ook niet de volgroeide geleerde is
+die het proza der Vita Nuova schreef, maar juist de nog ongeleerde en
+daardoor tot geleerdheidsvertoon geneigde beginneling; de jonge man,
+die wel graag Latijnsche auteurs aanhaalt en ook zelfs wel een brief
+in die taal weet te schrijven, maar wien het toch veel moeite kostte
+Boëtius en Cicero te lezen; die over Ptolomaeus spreekt zonder diens
+stelsel goed te kennen en die aan het slot van zijn boekje zelf zòò
+diep gevoelt dat hij eerst nog "veel studeeren" moet alvorens hij
+zijn liefde waardiglijk zal kunnen opvoeren tot de verheerlijking
+en dienst van haar, zijn Beata Beatrix, zijn ideaal van Schoonheid
+en Deugd en ook ons aller goddelijke troosteres en leidster, hoe wij
+haar ook noemen.
+
+
+
+Beatrice dus werkelijkheid en symbool, de Vita Nuova spontane lyriek
+en bedachte allegorie. Zoo is ook de Divina Commedia een schepping
+waarin zuiverst gevoel versmolt met hoogste gedachte. En dezelfde
+gedachte als die welke de Vita Nuova beheerscht: de loutering van den
+geest door begeerte, afdwaling, leed, berouw en terugkeer heen tot
+de hoogste Liefde. In beide werken dezelfde drievoudige synthese:
+subjektiviteit en objektiviteit, realisme en idealisme, gevoel en
+verstand; een synthese, jong en lieflijk in de Vita Nuova, mannelijk
+en grootsch in de Commedia. Het is zooals Rossetti zegt in zijn
+"Early Italian poets": "Door de geheele Vita Nuova heen zingt een
+geluid als het eerste zachte murmelen dat wij hooren ergens op een
+verre weide en dat ons voorbereidt op den aanblik der zee."
+
+
+
+Literatuur. Van de ontzaglijk uitgebreide Dante-literatuur noem ik
+hier alleen die werken die mij bij de samenstelling dezer inleiding
+en van de aanteekeningen van het meeste nut waren.
+
+
+
+Giovanni Melodia: La Vita Nuova. 1905, tekst met zeer uitgebreid
+commentaar.
+
+Michele Scherillo: La Vita Nuova. 1911, eveneens met uitvoerig
+commentaar.
+
+I. del Lungo: Beatrice nella Vita e nella poesia del secolo XIII 1891.
+
+Fr. Pasqualigo: Pensieri sull' allegoria della Vita Nuova di Dante
+1896.
+
+Karl Vossler: Die philosophischen Grundlagen zum "Süssen neuen Still"
+1904.
+
+Fr. Xaver. Kraus: Dante, sein Leben und sein Werk. 1897.
+
+D. G. Rossetti: Early Italian Poets.
+
+Henri Hauvette: Dante. Inleiding tot de studie van de Divina
+Commedia. 1913. (Wereldbibliotheek).
+
+H. J. Boeken: De Hel, de Louteringsberg en het Paradijs; in proza
+vertaald. (Wereldbibliotheek).
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET NIEUWE LEVEN
+
+VERTALING
+
+
+VOORREDE
+
+
+In dat gedeelte van het boek mijner herinnering, vòòr hetwelk weinig
+te lezen zoude zijn, bevindt zich een opschrift, hetwelk luidt:
+
+
+INCIPIT VITA NOVA [4].
+
+
+Onder hetzelve vind ik de woorden geschreven, welke het mijne bedoeling
+is in dit boekske weer te geven, zoo niet in hun geheel, dan tenminste
+hun zin.
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE GEDEELTE
+
+(1274-1287).
+
+
+§ I.
+
+Negen malen welhaast na mijne geboorte was de hemel des lichts
+[5] tot hetzelfde punt weergekeerd, voor zoover zijn eigen omloop
+betreft, toen mijnen oogen voor het eerst verscheen de glorierijke
+Vrouwe mijner Gedachte, die door velen, die niet wisten hoe haar te
+moeten noemen, Beatrice werd geheeten [6]. Zij had reeds zoolang in
+dit leven verwijld, dat zich gedurende haren tijd de bestarde hemel
+het twaalfde gedeelte van eenen graad naar het oosten bewogen had [7]:
+zoodat zij mij verscheen ongeveer in het begin van haar negende jaar
+en ik haar aanschouwde ongeveer aan het einde van het mijne. En zij
+verscheen mij omkleed met de edelste kleur, een bescheiden en eerzaam
+rood, omgord en getooid naar den trant welke haren zeer jeugdigen
+leeftijd betaamde. Op dit oogenblik, zegge ik naar waarheid, begon
+de geest des levens [8], die in de verborgenste kamer des harten
+woont, zoo sterk te beven, dat hij tot in de geringste aderen zich
+schrikkelijk deed gevoelen; en bevende sprak hij deze woorden:
+"Ecce Deus fortior me, qui veniens dominabitur mihi" [9]. Toen begon
+de dierlijke geest, die woont in die hooge kamer, waarheen alle
+zinnelijke geesten hunne waarnemingen dragen, zich zeer te verbazen,
+en sprekende tot de geesten des gezichts, zeide hij deze woorden:
+"Apparuit jam beatitudo vestra" [10]. Toen begon de natuurlijke
+geest, die woont in dat deel des lichaams, waar voor onze voeding
+wordt zorg gedragen, te jammeren en zeide weenende: "Heu miser, quia
+frequenter impeditus ero deinceps!" [11]. Van toen af, zegge ik,
+heeft Amor [12] mijnen geest, die zoo schielijk met hem gehuwd was,
+beheerscht en begon hij eene zoo groote en zekere macht over mij te
+verkrijgen, door de kracht welke mijne verbeelding hem schonk, dat
+ik genoodzaakt was geheel en al naar het hèm beviel te handelen. Zeer
+dikwijls beval hij mij den aanblik van die jeugdige engel te zoeken;
+zoo dat ik in mijne jonkheid haar ook herhaaldelijk zocht; en ik zag
+haar van een zoo ongekend en lofwaardig wezen, dat men zekerlijk van
+haar kon zeggen die woorden van den dichter Homeros: "Zij scheen niet
+de dochter van een sterfelijk mensch, doch van eenen god." [13] En
+het geviel dat haar beeld, hetwelk voortdurend in mij was, ofschoon
+het mij met de koenheid der Liefde regeerde, ganschelijk was van eene
+zòò edele deugdzaamheid, dat het nimmer gedoogde dat de Liefde mij
+beheerschte zonder den trouwen raad der rede, in die zaken waar zulk
+een raad nuttig was te hooren. Doch daar een te lang vertoeven bij
+de hartstochten en handelingen eener zoo prille jeugd, eenigszins zou
+kunnen gelijken op verzinsel, zal ik daarvan afscheid nemen; en vele
+zaken overslaande, welke ik evenals het volgende zou kunnen verhalen,
+wil ik overgaan tot die woorden, welke in mijn geheugen in grooter
+paragrafen staan geschreven.
+
+
+
+§ II.
+
+Toen er zoovele dagen waren voorbij gegaan, dat juist negen jaren
+vervuld waren [14] sedert de bovenbeschreven verschijning dier
+Allerlieflijkste [15], gebeurde het op den laatste dezer dagen dat
+deze bewonderenswaardige Vrouwe mij verscheen, gekleed in zuiver-witte
+kleur, temidden van twee edele dames, die van ouderen leeftijd waren;
+en voorbij schrijdend door eene straat, wendde zij de oogen naar
+dien kant waar ik, vol vreeze, stond: en in hare onuitsprekelijke
+hoofschheid [16], welke nu in de Eeuwigheid vergolden wordt,
+groette zij mij met een blik zoo vol van deugden [17], dat het mij
+toescheen als zage ik de grenzen aller zaligheid. Het uur waarop
+haar allerzoetste groet mij gewerd, was juist het negende van dien
+dag: en omdat het de eerste reize was dat hare woorden zich tot
+mijne ooren bewogen, werd ik door zulk eene verteedering bevangen,
+dat ik mij als dronken van de menigte afzonderde. En ik vlood naar
+de eenzaamheid mijner kamer en zette mij daar tot peinzen over deze
+zeer hoofsche Vrouwe.
+
+
+
+§ III.
+
+En terwijl ik over haar peinsde overviel mij een zoete sluimer,
+in welken mij een wonderbaar gezicht verscheen: het leek mij dat ik
+in mijne kamer eenen vuurkleurigen nevel zag, binnen welken ik de
+gedaante onderscheidde van eenen man van vreeswekkend aanschijn voor
+wie hem aanschouwden: maar toch scheen hij, wat hemzelf betrof, zoo
+vroolijk dat het verwonderlijk was: en sprekende zeide hij vele dingen,
+waarvan ik slechts weinig verstond, waaronder echter deze woorden:
+"Ego Dominus tuus" [18]. In zijne armen meende ik eene slapende
+gestalte te zien, naakt [19], behalve dat zij mij gehuld leek in
+een kleed van teeder rood; welke gestalte ik na zeer aandachtige
+beschouwing herkende als die Vrouwe des Heils [20], die mij den
+vorigen dag eenen groet had waardig geacht. En het leek mij dat de
+verschijning in de eene hand iets hield dat geheel en al brandde
+en het leek mij dat hij deze woorden tot mij sprak: "Vide cor tuum"
+[21]. En nadat hij eene pooze aldus gestaan had, leek het mij dat hij
+de slapende wekte, en zòò sterk was hij door de kracht van zijnen
+geest, dat hij haar dit voorwerp, dat brandde in zijne hand, deed
+eten; hetwelk zij weifelend at [22]. Hierna, kort daarop, veranderde
+zijne vreugde in bitterst geklag: en aldus klagend, nam hij de Vrouwe
+opnieuw in zijne armen en het scheen mij dat hij met haar hemelwaarts
+vlood: waarover ik in zulk eenen hevigen angst geraakte dat mijn
+lichte sluimer het niet kon verduren, maar afbrak en ik ontwaakte. En
+onmiddellijk begon ik te peinzen; en ik vond dat het uur waarop het
+gezicht mij verschenen was, het vierde uur geweest was van dien nacht:
+zoodat het duidelijk blijkt dat het het eerste uur was van de negen
+laatste uren des nachts. En steeds peinzend over wat mij verschenen
+was, nam ik mij voor het aan velen bekend te maken, die in dien tijd
+vermaarde troubadours waren: en omdat ik reeds uit mijzelf de kunst
+geleerd had in rijmen te spreken [23], nam ik mij voor een sonnet te
+maken, in hetwelk ik eenen groet bracht aan alle Getrouwen der Liefde
+[24]; en hen verzoekend om hun oordeel over mijn gezicht, beschreef
+ik hen wat ik in mijnen slaap gezien had. En ik begon toen dit sonnet:
+
+
+ Elk edel hart, [25] dat juist der Liefde gloed,
+ Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen--
+ Opdat het mij zijn meening moog' verhalen--
+ In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet!
+
+ Reeds henen was dra 't derde deel gespoed
+ Der uren waarin alle sterren stralen,
+ Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen,
+ Zòò, dat herinnring nòg mij beven doet.
+
+ Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen
+ Droegen mijn hart, en in zijn armen had
+ Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;
+
+ Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde,
+ Zag 'k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....
+ En klagend vlood hij als in bitter leed.
+
+
+ Dit sonnet bestaat uit twee gedeelten: in het eerste gedeelte breng
+ ik mijnen groet en vraag ik antwoord; in het tweede duid ik aan
+ waarop geantwoord moet worden. Het tweede gedeelte begint hier:
+ "Reeds henen was...."
+
+
+Op dit sonnet werd door velen en in verschillenden zin geantwoord, en
+onder hen die antwoordden bevond zich hij, dien ik mijnen grootsten
+vriend noem [26]. Deze schreef toen een sonnet, hetwelk begint:
+"Ge zaagt, naar het mij schijnt, het hoogste goed" [27]. En het was
+zoo te zeggen het begin der vriendschap tusschen hem en mij toen
+hij vernam dat ik degene was die hem zulks had gezonden. De ware
+beteekenis van den droom werd toen door niemand gezien, maar thans
+is zij zelfs den meest onnoozelen duidelijk [28].
+
+
+
+§ IV.
+
+Van dit gezicht af begon mijn natuurlijke geest belemmerd te worden
+in zijne werking, wijl mijne ziel geheel was overgegeven aan de
+bepeinzing dier Allerlieflijkste, zoodat ik binnen korten tijd van
+eenen zoo broozen en zwakken staat werd, dat het vele vrienden bij
+mijnen aanblik bekommerde; en velen, die vol nieuwsgierigheid waren,
+gaven zich moeite van mij te weten te komen wat ik van alle dingen
+het liefste voor anderen wilde verbergen. En ik, hun lastig aandringen
+bemerkend, antwoordde hen door den wil der Liefde, die mij zulks beval
+volgens den raad der Rede, dat Liefde degeen was die mij dus had doen
+worden: ik zeide Liefde, omdat ik in mijn gelaat zoovele harer teekenen
+droeg, dat ik het niet kon verbergen. En wanneer zij mij vroegen:
+"Om welke is het dat de Liefde u dus heeft verteerd?" dan zag ik hen
+glimlachende aan en zeide niets.
+
+
+
+§ V.
+
+Op eenen dag gebeurde het dat deze Allerlieflijkste gezeten was dààr,
+waar gesproken wordt over de Koningin der Glorie [29], en ik bevond
+mij op eene plaats, van welke ik mijne gelukzaligheid kon zien:
+en midden tusschen haar en mij, in rechte lijn, zat eene edele
+dame van zeer bekoorlijk aanschijn, die mij dikwijls aanzag, zich
+verwonderend over mijn staren, hetwelk bij haar scheen te eindigen;
+zoodat velen eveneens zich verwonderden. En zoo machtig werd mijne
+ziel aangegrepen, dat, toen ik die plaats verliet, ik achter mij hoorde
+zeggen: "Ziet, hoe gindsche dame het uiterlijk van dezen ontstelt". En
+toen zij haren naam noemden, begreep ik dat zij dit zeiden van haar
+die in het midden gezeten had van de rechte lijn, welke uitging van
+de lieflijke Beatrice en eindigde in mijne oogen. Dit vertroostte
+mij ten zeerste, omdat het mij de zekerheid gaf dat mijn geheim
+dien dag niet door mijne blikken aan anderen bekend was geworden:
+onmiddellijk bedacht ik deze edele dame tot een scherm der waarheid
+te maken [30]; en zoo vaardig betoonde ik mij hierin binnen korten
+tijd, dat de meeste lieden die over mij spraken, waanden mijn geheim
+te weten. Achter deze dame verborg ik mij eenige jaren en maanden; en
+om den anderen het eerder te doen gelooven, maakte ik voor haar zekere
+gedichtjes, welke het niet mijne bedoeling is hier neer te schrijven,
+tenzij dan voorzoover zij betrekking hebben op de lieflijke Beatrice;
+en daarom laat ik ze allen terzijde, behalve dat ik iets er van zal
+over schrijven dat haren lof schijnt te bevatten.
+
+
+
+§ VI.
+
+Ik zeg dan dat in dien tijd, toen deze dame een scherm was voor mijne
+zoo groote liefde, voorzoover althans mijzelf betrof, de begeerte
+in mij opkwam den naam der Allerlieflijkste uit te spreken en hem te
+doen vergezellen van vele namen van vrouwen, in het bijzonder van den
+naam dier edele dame; en ik nam de namen van zestig der schoonste
+vrouwen uit die stad, alwaar mijne Vrouwe door den allerhoogsten
+Koning geplaatst was, en ik stelde eenen brief samen in den vorm eener
+serventese [31], welke ik niet zal opschrijven; en ik zoude hiervan
+geen melding gemaakt hebben, ware het niet om aldus te zeggen wat,
+terwijl ik hem samenstelde, wonderbaarlijkerwijze geviel, namelijk
+dat de naam mijner Vrouwe op geen enkele andere plaats kon komen te
+staan tusschen de namen dier vrouwen dan op de negende.
+
+
+
+§ VII.
+
+Het geschiedde dat de dame, door middel van welke ik zoo langen
+tijd mijne begeerte had verborgen, uit bovenbedoelde stad vertrok en
+zich begaf naar eene zeer verre streek: waarover ik, als verbijsterd
+door het verlies mijner schoone bescherming, mij meer bedroefde dan
+ikzelf tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden. En bedenkende dat,
+wanneer ik niet het een of ander droevigs zeide over haar vertrek,
+de lieden al spoedig mijn geveins zouden bemerken, nam ik mij voor
+er ietwat over te klagen in een sonnet, hetwelk ik wil opschrijven,
+omdat mijne Vrouwe de onmiddellijke aanleiding voor zekere woorden was,
+welke in het sonnet staan, gelijk duidelijk is voor wie het begrijpt:
+en ik schreef toen dit sonnet [32], hetwelk begint:
+
+
+ Gij, die 'k voorbij langs Amor's weg zie schrijden,
+ Nu wilt aandachtig beiden:
+ Zaagt ge ooit een smart gelijk de mijne groot?
+ O wilt mijn klacht niet ongeduldig mijden:
+ Hoort, hoe aan alle lijden
+ Mijn ledig hart sleutel en toevlucht bood.
+
+ Niet naar gering verdienst mij te onderscheiden,
+ Maar uit genâ bereidde
+ Amor me een leven, zoet als geen genoot;
+ En dikwijls hoorde ik heimlijk mij benijden:
+ Wat deugd kon zulk verblijden
+ Schenken een hart dat vreugde vroeger vlood!
+
+ Maar 't lot kwam mij den overmoed ontstelen,
+ Dien 'k zelf ontnam aan Liefde's schoonen schat;
+ En zòò arm bleef ik, dat
+ Ik zelfs den moed mis 't andren mee te deelen
+
+ En--als uit schaamt' 't gebrek dat hij bezat,
+ Zoo menigeen der wereld wou verhelen--
+ Des blijden rol blijf spelen,
+ Terwijl mijn hart smelt in der tranen nat.
+
+
+ Dit sonnet heeft twee hoofdgedeelten: in het eerste namelijk is
+ het mijne bedoeling den Getrouwen der Liefde deze woorden van den
+ profeet Jeremia toe te roepen: "O vos omnes, qui transitis per
+ viam, attendite et videte, si est dolor sicut dolor meus [33];
+ en hen te smeeken naar mij te willen luisteren. In het tweede
+ verhaal ik in hoedanig een leven de Liefde mij geplaatst had,
+ in eenen anderen zin evenwel dan de laatste gedeelten van het
+ sonnet aanwijzen [34] en zeg ik wat ik verloren heb. Het tweede
+ gedeelte begint hier: "Niet naar gering verdienst...."
+
+
+
+§ VIII.
+
+Na het vertrek van deze edele dame behaagde het den Heer der Engelen
+tot zijne glorie te roepen eene jonkvrouw, jeugdig en van lieflijk
+aanschijn, die zeer bemind was in bovenbedoelde stad; wier lichaam
+ik ontzield zag liggen te midden van vele vrouwen, die erbarmelijk
+weenden. Toen, mij herinnerend dat ik haar wel gezien had in gezelschap
+der Allerlieflijkste, kon ik enkele tranen niet weerhouden; en nog
+weenende nam ik mij voor eenige woorden te zeggen over haren dood,
+ter vergelding daarvan dat ik haar enkele malen samen met mijne Vrouwe
+gezien had. En hierop zinspeelde ik ietwat in het laatste deel der
+woorden welke ik erover schreef, hetgeen duidelijk blijkt aan dengene,
+die het begrijpt [35]; en ik schreef toen deze twee sonnetten, van
+welke het eerste begint: "Klaagt, al wie mint...." en het tweede:
+"O lage Dood...." [36].
+
+
+ Klaagt, al wie mint, nu ge Amor zelf hoort klagen,
+ Vernemend zijner diepe droefnis reên:
+ Veel vrouwen zag hij jammerend bijeen,
+ Wier bitter leed erbarmen scheen te vragen,
+
+ Omdat de lage Dood wreed heeft verslagen
+ Een edel hart, vol zoete lieflijkheên,
+ Verwoestend wat het meest, na de eer, in een
+ Minlijke maagd der wereld moet behagen.
+
+ Nu hoort wat laatste eer Amor haar bewees:
+ Over der doode lieflijk beeld gebogen
+ Zag 'k weenen hem in tastbare gedaant',
+
+ En dikwijls hief hij zijn gelaat, betraand
+ Omhoog, tot waar de ziel reeds was getogen
+ Van haar, wier blijde schoonheid men ééns prees.--
+
+
+ Dit eerste sonnet bestaat uit drie gedeelten. In het eerste
+ roep ik de Getrouwen der Liefde aan en wek ik hen op te weenen;
+ en ik zeg dat hun Heer weent, en ik zeg dit opdat zij, vernemend
+ de reden waarom hij weent, meer geneigd zullen zijn naar mij te
+ luisteren. In het tweede verhaal ik deze reden; in het derde
+ spreek ik van een eerbewijs dat de Liefde aan deze jonkvrouw
+ betoonde. Het tweede gedeelte begint hier: "Veel vrouwen....",
+ het derde hier: "Nu hoort...."
+
+
+ O lage Dood! vijand der teedre harten,
+ Oervader aller smarten,
+ Doemsprake wreed en onafwentelbaar!
+ Nu 'k met een hart van zorg en weedom zwaar,
+ Droef-peinzend ommewaar,
+ Blijve in uw blaam mijn tong vermoeinis tarten!
+
+ Om nog uw lage snoodheid te verzwarten,
+ Roepe ik langs weg en markten,
+ Uw ergste arglist uit; schoon ze openbaar
+ Voor elk reeds is, opdat door deze maar
+ Toorn moge ontbranden waar
+ Anders slechts Liefde ontgloeien doet de harten.
+
+ Nu moet wel de aarde om haar ontluistring rouwen;
+ Want wat er 't hoogst te prijzen valt: de deugd,
+ Bloeiend in blijde jeugd,
+ Ontnaamt ge haar in deze hoofsche vrouwe.
+
+ Haar naam wil ik u verder niet ontvouwen:
+ Elk kent hem wien haar schoonheid heeft verheugd.
+ Nooit hope hij, wiens deugd
+ 't Hoogst heil niet heeft verdiend, haar weer te aanschouwen.
+
+
+ Dit sonnet bestaat uit vier gedeelten: in het eerste gedeelte roep
+ ik den Dood aan met enkele zijner toepasselijke benamingen; in
+ het tweede zeg ik, tot hem sprekende, de reden welke mij beweegt
+ hem te smaden; in het derde gisp ik hem: in het vierde wend ik
+ mij tot een onbepaald persoon, ofschoon deze in mijne bedoeling
+ wèl bepaald is. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu 'k met een
+ hart...."; het derde hier: "Om nog uwe lage...."; het vierde hier:
+ "Nooit hope hij...."
+
+
+
+§ IX.
+
+Eenige dagen na den dood dezer jonkvrouw gebeurde er iets [37],
+tengevolge waarvan ik de bovenbedoelde stad moest verlaten en mij
+begeven in de richting dier streek waar de edele dame vertoefde,
+die mijne bescherming geweest was, ofschoon het doel mijner reis
+niet zoo verwijderd was als zij. En niettegenstaande ik in gezelschap
+van vele anderen was, mishaagde mij deze tocht, naar mijn uiterlijk
+deed blijken, zoozeer, dat mijne zuchten nauw bij machte waren
+de beklemming uiting te geven welke mijn hart gevoelde, omdat ik
+mij van mijne gelukzaligheid verwijderde. En toen verscheen mij in
+mijne verbeelding mijn allerzoetste Heer, die mij beheerschte door de
+deugd dier allerlieflijkste Vrouwe, als een pelgrim gekleed, licht en
+onaanzienlijk. Hij leek mij verbijsterd en zag ter aarde, behalve dat
+het mij nu en dan scheen dat zijne oogen zich wendden tot eene schoone
+stroomende en heldere rivier, welke vloeide langs den weg, waarop
+ik mij bevond. Het leek mij dat Amor mij riep en deze woorden zeide:
+"Ik kom van die dame, die langen tijd uwe bescherming is geweest en ik
+weet dat zij niet zal terugkeeren; en daarom heb ik dat hart, hetwelk
+ik u bij haar deed hebben, nu bij mij en breng het naar eene dame,
+die nu voortaan uwe bescherming zal zijn gelijk deze het was"; en
+hij noemde haar mij, zòò, dat ik haar goed kende. "Maar in elk geval,
+indien ge iets zegt van de woorden welke ik nu tot u heb gesproken,
+zoo doe het geheel op zulk eene wijze dat uit hen niet blijke de
+voorgewende liefde welke gij voor deze betoond hebt en welke gij nu
+aan eene andere zult moeten betoonen." En deze woorden gezegd hebbende,
+verdween de verschijning geheel plotseling, tengevolge van het groote
+aandeel dat, naar het mij scheen, de Liefde mij van zich gaf: en,
+als veranderd in mijn uiterlijk, reed ik dien dag zeer zwijgzaam en
+vergezeld van vele zuchten. Toen de dag voorbij was begon ik hierover
+dit sonnet, hetwelk begint:
+
+
+ Onlangs, terwijl ik mijmerende reed,
+ Moede en misnoegd om mijnen langen tocht,
+ Zag 'k, halfweegs, vòòr mij doemen wie mij docht
+ Amor, in pelgrim's licht gewaad gekleed.
+
+ Zijn aanschijn was als van een man die leed:
+ 't Leek of hij tegen eigen wenschen vocht,
+ Wijl, 't hoofd omlaag, of hij te mijden zocht
+ Der menschen blik, hij zuchtend verder schreed.
+
+ Hij zag me, en bij den naam riep hij mij toe,
+ Zeggend: "Ik ben uit dit ver oord gekomen,
+ Waar door mijn wil de Liefde uw harte bindt;
+
+ En 'k peins waar 'k nieuwe vreugden voor u vind."
+ Toen vulden zòò mij Liefde's zoete droomen,
+ Dat hij verdween en 'k niet bemerkte hoe.
+
+
+ Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste gedeelte zeg
+ ik hoe ik de Liefde ontmoette en hoe hij mij verscheen; in het
+ tweede zeg ik wat hij mij zeide, ofschoon niet geheel en al, uit
+ vreeze mijn geheim te zullen verraden; in het derde zeg ik hoe
+ hij verdween. Het begint hier: "Hij zag me...."; het derde hier:
+ "Toen vulden zòò...."
+
+
+
+§ X.
+
+Na mijne terugkomst zette ik mij er toe de dame te zoeken, die
+mijn Heer mij genoemd had op den weg der zuchten. En opdat mijne
+woorden korter zijn mogen, zeg ik dat ik in weinig tijds haar
+zoodanig tot mijne bescherming maakte, dat maar al te vele lieden
+er over spraken op eene wijze, welke de hoofschheid te buiten ging,
+waardoor ik mij dikwijls zeer hard bedrukt gevoelde. En om deze reden,
+dat wil zeggen om dit overdreven gerucht, hetwelk mij schandelijk
+scheen te belasteren, gebeurde het dat de Allerlieflijkste, die de
+vernietigster is van alle kwaad en Koningin der deugd, langs eenen
+weg mij voorbij schrijdende, mij haren zoeten groet, in welken gansch
+mijne gelukzaligheid was gelegen, ontzegde. En, eenigszins van mijn
+voorgenomen plan afwijkend, wil ik trachten te doen verstaan wat haar
+groet door zijne deugd in mij verrichtte.
+
+
+
+§ XI.
+
+Zoo zegge ik dan, dat wanneer zij van ergens verscheen, door de hoop op
+haren wonderen groet, niemand meer mijn vijand bleef, maar een brand
+van liefde mij vervulde, welke mij iedereen die mij gedeerd had deed
+vergeven: en wanneer iemand mij dan iets gevraagd hadde, zou mijn
+antwoord alleen geweest zijn: "Liefde", met een gelaat, omkleed van
+deemoed. En wanneer zij een weinig nader was aan het groeten, drong
+een geest van Liefde, alle andere zinnelijke geesten overwinnend,
+de zwakke geesten des gezichts naar buiten en zeide tot hen: "Gaat
+henen uwe Vrouwe te begroeten", en hij bleef in hunne plaats. En wie de
+Liefde had willen kennen, hadde zulks gekund door de siddering mijner
+oogen te bestaren. En wanneer dit Allerlieflijkste Heil mij groette,
+was de Liefde niet zulk een hindernis dat zij mijne niet te bevatten
+gelukzaligheid verduisterde, maar als door eene overmaat van zoetheid
+werd zij zoodanig, dat mijn lichaam, hetwelk dan geheel en al onder
+hare heerschappij was, zich dikwijls slechts bewoog als een zwaar
+en onbezield ding. Zoodat het duidelijk blijkt dat in haren groet
+mijne gelukzaligheid woonde, welke dikwijls mijn bevattingsvermogen
+te buiten ging en overgolfde.
+
+
+
+§ XII.
+
+Thans tot mijn onderwerp terugkeerend, zegge ik, dat toen mijne
+gelukzaligheid mij werd ontzegd, eene zoo groote smart mij overkwam,
+dat ik mij van de menschen afzonderde en mij naar eene eenzame plek
+begaf om daar den grond met bittere tranen te baden: en nadat ik mij
+door dit weenen eenigszins had verlicht, zette ik mij in mijne kamer,
+alwaar ik kon klagen zonder gehoord te worden. En hier riep ik om
+erbarmen tot de Vrouwe der Hoofschheid, en zeggende: "O Liefde, help
+uwen Getrouwe", sliep ik weenende in als een geslagen knaapje. Het
+geviel omstreeks het midden van mijnen slaap dat het mij toescheen
+als zage ik in mijne kamer naast mij zitten eenen jongeling, gehuld
+in een sneeuwblank gewaad; en zeer nadenkend, naar zijn aanschijn te
+oordeelen, keek hij naar mij waar ik lag; en toen hij mij eene pooze
+had aangekeken, scheen het mij dat hij mij zuchtende riep, en hij zeide
+mij deze woorden: "Fili mi, tempus est ut praetermittantur simulacra
+nostra". [38] Toen scheen het mij dat ik hem herkende, omdat hij mij
+aldus riep als hij reeds herhaalde malen mij in mijne zuchten geroepen
+had. En hem aanziende scheen het mij dat hij erbarmelijk weende en
+het leek als verwachtte hij van mij eenig antwoord; waarop ik, mij
+beheerschend, aldus tot hem begon te spreken: "Heer der Edelmoedigheid,
+waarom weent ge?" En hij zeide mij deze woorden: "Ego tamquam centrum
+circuli, cui simili modo se habent circumferentiae partes; tu autem non
+sic" [39] [40]. Hierop peinzende over zijne woorden, scheen het mij dat
+hij zeer duister gesproken had, zoodat ik mij dwong tot spreken, en ik
+zeide hem deze woorden: "Wat is dit, o Heer, hetwelk ge tot mij spreekt
+met zoo groote duisterheid?" En hij zeide tot mij in de volkstaal
+[41]: "Vraag niet meer dan u nuttig is". En hierop begon ik met hem
+te spreken over den groet, welke mij geweigerd was; en ik vroeg hem
+de reden hiervan, waarop mij door hem op deze wijze werd geantwoord:
+"Onze Beatrice vernam van zekere lieden die over u spraken, dat de
+dame, die ik noemde op den weg der zuchten, door u eenigen overlast
+ondervond. En daarom heeft de Allerlieflijkste, die eene vijandin is
+van allen aanstoot, zich niet verwaardigd u te groeten, vreezende
+dat ook zij gelegenheid tot aanstoot zoude geven. Vandaar dat ik,
+wijl zij werkelijk uw geheim door lange gewoonte eenigszins kent,
+wensch dat ge enkele woorden op rijm zult zeggen in welke gij samenvat
+de macht, welke ik door haar over u bezit, en hoe gij de hare waart,
+dadelijk van uwe kindsheid af. En roep hieromtrent tot getuige dengene
+die het weet en zeg hoe ge hem bidt dat hij haar dit moge mededeelen:
+en ik, die zelf diegene ben, zal het gaarne verklaren; en daardoor
+zal zij uwen wensch gevoelen, en dezen gevoelende, zal zij de woorden
+der bedrogenen begrijpen. Maar zorg dat uwe woorden als het ware
+bemiddelaars zijn, zòò dat ge niet onmiddellijk tot hààr spreekt,
+hetgeen niet betaamt. En zend hen nergens, waar zij door haar vernomen
+kunnen worden, zonder mij; maar tooi hen met zoete harmonie [42], in
+welke ik aanwezig zijn zal telkenkeer zulks noodig is." En deze woorden
+gezegd hebbende verdween hij, en mijn slaap werd afgebroken. Waarop ik,
+mij bezinnend, bevond dat dit gezicht mij verschenen was in het negende
+uur van dien dag; en nog eer ik deze kamer verliet nam ik mij voor eene
+ballade te maken, in welke ik datgene wat mijn Heer mij had opgelegd,
+zou uitvoeren, en ik schreef daarop deze ballade, welke aldus begint:
+
+
+ Mijn Lied, nu ga, en bid met zoetste zangen
+ Amor, mijn Heer, dat hij u begeleid'
+ Naar mijn Meestres en zòò mijn zaak bepleit'
+ Dat ge vergeving voor mij moogt erlangen.
+
+ Mijn Lied, wel zijt ge hoofsch en zoo bescheiden
+ Dat gij u onbevreesd
+ Ook onverzeld zoudt ov'ral kunnen wagen;
+ Doch om gansch zeker elk gevaar te mijden,
+ Zult ge dien goeden geest,
+ Amor, om zijn geleide en bijstand vragen;
+ Wijl zij die luistren moet naar al uw klagen--
+ Wen, als 'k geloof, haar hart zich van mij keert
+ En Amor zelf u niet te spreken leert--
+ Onvriendelijk wellicht u zoude ontvangen.
+
+ Hebt ge aldus mijn Gebiedster dan gevonden
+ En medelij gevraagd,
+ Spreek dan tot haar met zoete stem deez' woorden;
+ "Meestres, hij die mij tot u heeft gezonden,
+ Wenscht, zoo het u behaagt,
+ Dat ge uit mijn mond zijn verontschuldging hoorde.
+ Liefde is 't die zijn gezicht zoozeer verstoorde,
+ Dat hij ùw schoon in andren waant te zien,
+ En zoo zijn blik hèn hulde schijnt te biên,
+ Toch in zijn hart naar ù slechts blijft verlangen."
+
+ Zeg haar: "Meestres, zòò wankloos en volkomen
+ Heeft hij u lief gehad,
+ Dat ù getrouw te dienen al zijn dagen,
+ Van aanvang af 't hoogst doel was zijner droomen."
+ En zoo zij twijfelt, dat
+ Zij 't Amor, die de Waarheid zelf is, vrage.
+ En smeek tenslotte dat het haar behage--
+ Wanneer vergeving schenken haar verdriet--
+ Dat zij voor haar te sterven mij gebied',
+ En dankbaar zal ik dit bevel ontvangen.
+
+ Maar zeg tot Hem, wien 'k al mijn heil moet danken,
+ Vòòrdat hij henen gaat,
+ Opdat hij haar mijn onschuld moog' verzeekren:
+ "'k Bid u terwille van mijn zoete klanken,
+ Dat gij haar niet verlaat,
+ Maar van uw trouwen slaaf tot haar blijft spreken.
+ En mocht zij hem vergeven door ùw smeeken,
+ Dat hem haar blik dien schoonen vree dan meld'".
+ Mijn lieflijk Lied, van Liefde zelf verzeld,
+ Ga nu tot haar om eere en troost te erlangen.
+
+
+ Deze ballade bestaat uit drie gedeelten: in het eerste zeg ik haar
+ waarheen zij gaan moet en spreek ik haar moed in opdat zij met te
+ meer vertrouwen gaan moge; en ik zeg onder wiens geleide zij zich
+ stellen moet indien zij veilig en zonder eenig gevaar gaan wil;
+ in het tweede zeg ik datgene wat zij behoort te doen verstaan;
+ in het derde geef ik haar verlof te gaan wanneer zij wil, haren
+ gang aanbevelend in de hoede der fortuin. Het tweede gedeelte
+ begint hier: "Hebt ge aldus...."; het derde hier: "Mijn lieflijk
+ Lied...." Een of ander zoude hier kunnen tegenwerpen dat hij niet
+ begreep tot wien mijne aanspraak in de tweede persoon zich richtte,
+ aangezien de ballade niets anders is dan de woorden zelf welke
+ ik spreek: en ik zeg daarom dat ik van zins ben dit bezwaar op
+ te lossen en te verklaren in ditzelfde boekske op eene andere,
+ nog twijfelachtiger plaats; en dan zal diegene die hier mocht
+ twijfelen of op deze wijze bezwaar mocht maken, het wel begrijpen.
+
+
+
+§ XIII.
+
+Na het bovenbeschreven gezicht, reeds de woorden geschreven
+hebbende, welke Amor mij bevolen had te spreken, begonnen vele
+en vreemde gedachten mij te bestoken en te verzoeken, elke haast
+onwederstaanbaar: onder welke gedachten vier mij het meest de rust
+des levens verstoorden. De eerste van hen was deze: "Goed is de
+heerschappij der Liefde omdat zij het streven van haren getrouwe
+aftrekt van al wat laag is". De tweede was deze: "Niet goed is de
+heerschappij der Liefde, omdat, hoe meer geloof haar getrouwe in haar
+stelt, hoe zwaarder en smartelijker weg hij moet gaan". De derde was
+deze: "Het woord liefde is zòò zoet te hooren, dat het mij onmogelijk
+schijnt dat hare eigen werking in de meeste dingen anders dan zoet
+zoude zijn, aangezien de namen zich richten naar de genoemde dingen,
+gelijk geschreven staat: 'Nomina sunt consequentia rerum'" [43]
+[44]. De vierde was deze: "De Vrouwe, de liefde tot wie u aldus in
+het nauw brengt, is niet als andere vrouwen, zoodat zij gemakkelijk
+het hart zoude kunnen verlaten". En elk dezer gedachten bestookte
+mij zoozeer, dat zij mij deed staan als een die niet weet langs
+welken weg zijne reis leidt, zoodat hij wil voortgaan, doch niet weet
+waarhenen. En als ik er over peinsde eenen gemeenschappelijken weg
+voor hen te zoeken, dat wil zeggen eenen, waarover zij het allen eens
+waren, bleek deze weg mij zeer tegen den zin: namelijk Medelijden aan
+te roepen en mij in hare armen te werpen. En verblijvend in dezen
+staat, kwam de begeerte in mij op er in rijmen over te schrijven;
+en ik schreef vervolgens dit sonnet, hetwelk begint:
+
+
+ Van Liefde spreken nu al mijn gedachten,
+ Doch zòò verward is hun verscheidenheid,
+ Dat de eene fel haar heerschappij bestrijdt,
+ Terwijl mij de andre staag naar haar doet smachten;
+
+ D'een telkens weer mij drijft tot wilde klachten,
+ En de aâr mij stilt met hoop van zaligheid;
+ En dààrin slechts hoor ik eenstemmigheid,
+ Dat zij alleen van Meelij heul verwachten.
+
+ Dus weet ik niet naar welke ik luistren moet;
+ En wil ik spreken: 'k weet niet hoe of wat;
+ Zoozeer ben 'k in der Liefde dool gevangen.
+
+ En wèl zie ik, dat wil 'k ooit rust erlangen,
+ 'k Vrouw Meelij, die met mij nooit meelij had,
+ Mijn vijandin, ter hulpe roepen moet.
+
+
+ Dit sonnet kan in vier gedeelten worden verdeeld; in het eerste zeg
+ ik en zet ik uiteen, dat al mijne gedachten over de Liefde zijn;
+ in het tweede zeg ik dat zij uiteenloopend zijn en verhaal ik
+ van hunne verscheidenheid; in het derde zeg ik in welk opzicht
+ allen het eens schijnen te zijn; in het vierde zeg ik dat ik,
+ willende spreken over de Liefde, niet weet vanwaar mijne stof
+ te nemen, en dat wanneer ik haar van hen allen nemen wil, ik
+ mijne vijandin, Vrouwe Medelijden, moet te hulp roepen. Ik zeg
+ "Vrouwe" bedoelende op eene schampere wijze te spreken. Het tweede
+ gedeelte begint hier: "Doch zòò verward...."; het derde hier:
+ "En daarin slechts...." het vierde: "Dus weet ik niet...."
+
+
+
+§ XIV.
+
+Na den krijg dier verschillende gedachten geviel het dat de
+Allerlieflijkste ergens kwam, waar vele edele dames vereenigd waren;
+naar welke plaats ik werd medegenomen [45] door eenen vriend, die
+geloofde mij een groot genoegen te bereiden door mij te brengen waar
+zoo vele vrouwen hunne schoonheid toonden. Waarop ik, ternauwernood
+wetende waarhenen ik geleid werd, mij toevertrouwende [46] aan
+dien man--die intusschen zijnen vriend aan de uiterste grens des
+levens bracht--tot hem zeide: "Waarom zijn wij tot deze vrouwen
+gegaan?" Daarop antwoordde hij: "Om te zorgen dat zij waardiglijk
+gediend worden". En de waarheid is dat zij daar bijeen waren om eene
+edele dame gezelschap te houden, die dien dag gehuwd was; aangezien
+het, volgens gebruik [47] in de bovenbedoelde stad, betaamde dat men
+haar gezelschap hield bij den eersten maaltijd dien zij nuttigde in
+de woning van haren jongen echtgenoot. Zoodat ik, geloovende mijnen
+vriend een genoegen te doen, mij voornam dezen vrouwen, die haar
+gezelschap hielden, van dienst te zijn. En toen ik dit juist besloten
+had, leek het mij als voelde ik eene vreemde siddering beginnen in
+de linker zijde van mijne borst en zich plotseling over alle deelen
+mijns lichaam uitbreiden. Toen, zegge ik, leunde ik mij onmiddellijk
+tegen eene muurschildering, welke de zaal omgaf; en vreezende dat
+anderen mijne siddering zouden hebben opgemerkt, sloeg ik de oogen
+op en naar de vrouwen ziende, ontwaarde ik onder hen de lieflijke
+Beatrice. Toen werden mijne geesten zoodanig overweldigd door de
+kracht welke de Liefde verkreeg, ziende zich in zoo groote nabijheid
+dier allerlieflijkste Vrouwe, dat geen meer in mij leven bleven dan
+alleen de geesten des gezichts; en zelfs deze bleven nog buiten hunne
+werktuigen, omdat de Liefde in hunne verheven plaats wilde huizen,
+ten einde die wonderbare Vrouwe te kunnen zien. En ofschoon ik een
+ander was dan eerst, bedroefde ik mij toch zeer over die geestjes,
+die luide jammerden en zeiden: "Als deze ons niet aldus uit onze
+plaats gebliksemd had, zouden wij nu daar het wonder dier Vrouwe
+kunnen aanzien, zooals de anderen, onze gelijken, doen". Ik zeg
+dat vele dier dames, mijne verandering hebbende opgemerkt, zich
+begonnen te verwonderen; en pratende spotteden zij over mij met de
+Allerlieflijkste [48], waarop mijn argelooze vriend, dit bemerkende,
+mij bij de hand nam en, mij leidend uit het gezicht dier dames, mij
+vroeg wat ik had. Hierop rustte ik eene pooze, en nadat mijne doode
+geesten weder waren herrezen en de verdrevene weder tot hunne plaatsen
+waren teruggekeerd, zeide ik tot mijnen vriend deze woorden: "Ik heb
+mijne voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet weder
+kan terugkeeren, al wilde men." En ik nam afscheid van hem en trok
+mij terug in de kamer der tranen, in welke ik, weenende en beschaamd,
+tot mijzelven zeide: "Als deze Vrouwe mijnen toestand kende, ik geloof
+niet dat zij aldus mijn uiterlijk zou bespotten, maar ik geloof veeleer
+dat zij diep medelijden er mede hebben zou." En aldus klagen blijvend,
+nam ik mij voor woorden te spreken waardoor ik, mij tot hààr richtend,
+haar de oorzaak mijner verandering zou verklaren en zou zeggen dat ik
+wel wist dat men die niet kende en dat, indien men haar gekend had,
+ik geloofde dat elkeen medelijden gevoeld zou hebben: en ik nam mij
+voor dit te zeggen, hopende dat het bij toeval haar ter oore zou komen;
+en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk aldus begint:
+
+
+ Bespotten zie ik u met de andre vrouwen
+ Mijn aanschijn, want de reden kent ge niet
+ Waarom het dus verandert en verschiet
+ Telkens wanneer 'k uw schoonheid mag aanschouwen.
+
+ Zoo ge het wist: wèl zoude 't u berouwen
+ Dat ge mij niets dan die bespotting biedt.
+ 't Is wijl, wen Amor mij dicht bij u ziet,
+ Hem vult zulk overmoedig zelfvertrouwen,
+
+ Dat, woedend onder mijn ontstelde zinnen,
+ Hij deze doodt en gene gansch verdrijft,
+ Om veilig, in hùn plaats naar u te staren.
+
+ Maar zòò niet is de Liefde in mij gevaren,
+ Dat niet mijn hart toch tevens pijnen blijft
+ Om mijn gemartelde en verdreven zinnen.
+
+
+ Dit sonnet verdeel ik niet in gedeelten, omdat eene verdeeling
+ alleen gemaakt wordt om den zin der verdeelde zaak open te leggen;
+ zoodat dit, aangezien het door zijne verhaalde aanleiding voldoende
+ duidelijk is, geene verdeeling behoeft. Weliswaar bevinden zich
+ onder de woorden, waarin de aanleiding tot dit sonnet verhaald
+ wordt, eenige twijfelachtige woorden, namelijk waar ik zeg dat de
+ Liefde al mijne geesten doodt en alleen die des gezichts in leven
+ blijven, ofschoon dan buiten hunne werktuigen. En deze moeilijkheid
+ is onmogelijk op te lossen voor wie niet in dezelfde mate der
+ Liefde plichtig is; en voor hen die zulks zijn, is datgene wat
+ die moeilijkheid zou oplossen duidelijk; en daarom is het niet
+ goed voor mij deze moeilijkheid te verklaren, aangezien mijne
+ woorden òf vergeefs zouden zijn òf overbodig.
+
+
+
+§ XV.
+
+Na deze nieuwe verandering werd ik sterk vervuld van eene gedachte
+welke mij zelden meer verliet, maar mij voortdurend weer hernam
+en aldus tot mij sprak: "Daar ge zulk een spotwaardig uiterlijk
+aanneemt wanneer ge in de nabijheid dier Vrouwe zijt, waarom dan
+zoekt ge haar te zien? Wanneer zij u daarnaar vroeg, wat zoudt ge
+hebben te antwoorden? aangenomen dat ge het vrije gebruik van al uwe
+vermogens hadt wanneer ge haar toespreken moest." En eene andere,
+schuchtere gedachte, antwoordde op deze en zeide: "Wanneer ik mijne
+vermogens niet verloor en zoo vrij ware dat ik kon antwoorden, zoude
+ik haar zeggen dat, zoodra ik mij hare wonderbare schoonheid verbeeld,
+dadelijk ook een verlangen in mij opkomt om haar te zien, hetwelk van
+zoo groote kracht is, dat het doodt en verwoest in mijne herinnering
+al wat er tegen op zoude kunnen staan; en daardoor weerhouden mij de
+geleden smarten niet om opnieuw haren aanblik te zoeken." Waarop ik,
+bewogen door deze gedachten, mij voornam eenige woorden te zeggen,
+in welke ik, mij tegenover haar verontschuldigend over mijn gedrag,
+ook zou verhalen van wat mij in hare nabijheid overkwam; en ik schreef
+dit sonnet, hetwelk aldus begint:
+
+
+ Al wat weerstreeft in mijnen geest moet sterven,
+ Wanneer 'k, o Schoone Vreugd, tot u wil gaan.
+ Maar "Vlucht" spreekt Amor, "wilt ge u niet verderven",
+ Als hij mij vindt in uw nabijheid staan.
+
+ Mijn aanschijn toont in wisselende verven
+ Des harten strijd en zwijmend leune ik aan
+ 't Gemuurde, en 't is of ik de steenen "sterven!"
+ Hoor zuchten in dier wanhoop dronken waan.
+
+ Wie dus mij ziet bevlekt zijn ziel van zonde,
+ Zoo mijn verbijstering hem niet verweekt
+ Tot droeve deernis en een zachte klacht
+
+ Om Meelij, dat uw spot zòò diep verwondde
+ Dat uit mijn brekende oogen het slechts smeekt
+ Den Dood, van wien alleen 't nog troost verwacht.
+
+
+ Dit sonnet kan in twee gedeelten worden verdeeld; in het eerste
+ zeg ik de reden waarom ik mij niet houden kan naar mijne Vrouwe te
+ gaan; in het tweede zeg ik wat mij overkomt doordat ik tot haar ga;
+ en dit gedeelte begint hier: "Maar: Vlucht, spreekt Amor...." En
+ dit tweede gedeelte is nog verder te verdeelen in vijven, volgens
+ vijf verschillende mededeelingen: want in het eerste zeg ik wat
+ de Liefde, geraden door de Rede, mij zegt wanneer ik in hare
+ nabijheid ben; in het tweede zet ik den toestand van mijn hart
+ uiteen naar het voorbeeld van mijn gelaat; in het derde zeg ik
+ hoe alle zekerheid mij ontvalt; in het vierde zeg ik dat degeen
+ die geen medelijden met mij betoont zondigt, omdat zulks mij
+ eenigermate zou hebben getroost; in het laatste zeg ik waaròm men
+ medelijden moet hebben, namelijk wegens den deerniswaardigen blik
+ welke mij in de oogen komt; want deze deerniswaardige blik is
+ verwoest, dat wil zeggen is voor een ander niet meer zichtbaar
+ tengevolge van de spot mijner Vrouwe, welke tot een dergelijk
+ gedragen diegenen medesleept die misschien zulk medelijden hadden
+ kunnen betoonen. Het tweede gedeelte begint hier: "Mijn aanschijn
+ toont...."; het derde hier: "En 't is of ik...."; het vierde:
+ "Wie dus mij ziet...."; het vijfde: "Om Meelij...."
+
+
+
+§ XVI.
+
+Nadat ik dit geschreven had, wekte dit sonnet het verlangen in mij
+op om ook eenige woorden te zeggen over vier andere zaken mijnen
+toestand betreffende, welke mij schenen door mij nog niet duidelijk
+te zijn gemaakt. De eerste van deze was aldus: dat ik mij dikwijls
+bedroefde wanneer mijn geheugen mijne verbeelding bewoog zich voor
+te stellen hoedanig Amor mij gemaakt had. De tweede was aldus: dat de
+Liefde mij herhaaldelijk plotseling zoo hevig besprong, dat er in mij
+niets anders levends bleef dan slechts ééne gedachte, welke van mijne
+Vrouwe sprak. De derde was aldus: dat wanneer die strijd der Liefde
+mij aldus bestookte, ik mij, bijna geheel ontkleurd, opmaakte om mijne
+Vrouwe te gaan zien, geloovende dat haar aanblik mij in dien strijd
+zou verdedigen, en vergetende wat mij door het naderen tot hare zoo
+groote lieflijkheid overkwam. De vierde was aldus: dat deze aanblik mij
+niet alleen niet verdedigde, maar zelfs de laatste rest mijns levens
+nog uit mij verdreef; en daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:
+
+
+ Dikwerf wanneer 'k bepeins het vreemd gedragen
+ Waartoe mij Amor dwingt, wil 't hart mij breken
+ Van medelijden en ik hoor het klagen:
+ "Ach, kon ooit smart een ander dus verweeken?"
+
+ Wen Amor mij bespringt om te verjagen
+ Mijn zinnen en haast allen voor hem weken,
+ Ontkomt er slechts ééne enkele aan zijn slagen,
+ En die blijft, om van ù alleen te spreken.
+
+ En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht,
+ Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven,
+ Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt.
+
+ Maar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht,
+ Begint nog smartlijker mijn hart te beven
+ En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt.
+
+
+ Dit sonnet kan worden verdeeld in vier gedeelten, volgens de vier
+ zaken welke er in verhaald worden; en omdat deze zaken hierboven
+ reeds uiteengezet zijn, houd ik mij niet op dan slechts om deze
+ gedeelten door hunne beginwoorden aan te duiden; zoodat ik zeg dat
+ het tweede gedeelte begint hier: "Wen Amor...."; het derde hier:
+ "En dan, wijl ik...."; het vierde hier: "Maar zoo ik opzie...."
+
+
+
+§ XVII.
+
+Nadat ik deze drie sonnetten had geschreven, waarin ik sprak tot mijne
+Vrouwe, geloovende nu te moeten zwijgen [49], omdat zij ongeveer heel
+mijnen toestand verhaalden en het mij voorkwam dat ik duidelijk genoeg
+over mijzelf had gesproken, gebeurde het toch--ofschoon ik mij daarna
+nooit meer onmiddellijk tot hààr gericht heb--dat ik eene nieuwe en
+edeler stof dan de voorgaande opnam. En omdat de aanleiding daartoe
+aangenaam is om te hooren, zal ik haar zoo kort ik kan mededeelen.
+
+
+
+
+
+TWEEDE GEDEELTE
+
+(1287-1290).
+
+
+§ XVIII.
+
+Aangezien door mijn uiterlijk velen het geheim van mijn hart hadden
+begrepen, kenden ook zekere dames, die bijeen waren om zich met elkaars
+gezelschap te vermaken, mijn hart zeer goed, want elke van hen was
+getuige geweest van vele mijner nederlagen. En terwijl ik, als geleid
+door het geluk, dicht aan hen voorbij ging, werd ik door eene dier
+beminnelijke dames aangeroepen; en zij die mij had aangeroepen was eene
+dame die zeer bekorend wist te spreken. Zoodat ik, toen ik bij hen was
+gekomen en mij er van overtuigd had dat mijne allerlieflijkste Vrouwe
+zich niet onder hen bevond, hen gerustgesteld begroette en vroeg wat
+er van haren dienst was. De dames waren talrijk en er waren onder hen
+die onder elkander lachten. Maar er waren andere die mij aanzagen,
+als in verwachting van wat ik zou zeggen. Weer andere spraken onder
+elkaar, van welke eene [50], hare oogen op mij richtende en mij bij
+den naam aansprekende, zeide: "Waarom bemint gij deze uwe Vrouwe,
+als ge toch haren aanblik niet kunt verdragen? Vertel ons dit,
+want het doel van zulk een liefde moet voorzeker wel buitengewoon
+zijn." En toen zij mij dit had gevraagd, trachtte niet alleen zij,
+maar alle anderen het antwoord uit mijn aangezicht te lezen. Daarop
+zeide ik tot hen deze woorden: "Edele dames, het doel mijner liefde was
+reeds vroeger de groet dier Vrouwe, van wie gij misschien bedoelt te
+spreken; en hierin bestond de gelukzaligheid welke het doel is van al
+mijne verlangens. Maar sedert het haar behaagde mij dien te weigeren,
+heeft Amor, mijn Heer, in zijne genade heel mijne gelukzaligheid
+gesteld in datgene, wat mij niet kan ontnomen worden." Daarop begonnen
+deze dames onder elkaar te spreken; en zooals men wel eens regen,
+vermengd met schoone sneeuw ziet vallen, zoo scheen het mij dat
+ik hunne woorden zag uitgaan vermengd met zuchten [51]. En nadat
+zij eene wijle met elkaar gesproken hadden, zeide de dame die het
+eerst tot mij gesproken had: "Wanneer gij waarheid spreekt, dan hebt
+ge toch de woorden waarin gij uwen toestand bekend maakt, met eene
+andere bedoeling gesproken?" Waarop ik, peinzende over deze woorden,
+als beschaamd van hen heenging; en nog wandelend zeide ik in mijzelf:
+"Wanneer er zoo groote gelukzaligheid ligt in de woorden welke mijne
+Vrouwe prijzen, waarom heb ik dan anders over haar gesproken?" En ik
+nam mij hierop voor tot stof voor mijn rijmen nooit iets anders dan den
+lof dier Allerlieflijkste te kiezen; en veel hierover nadenkend, scheen
+het mij dat ik eene al te hooge stof gekozen had voor mijne krachten,
+zoodat ik niet waagde te beginnen; en zoo weifelde ik verscheidene
+dagen tusschen verlangen om te rijmen en vrees om te beginnen.
+
+
+
+§ XIX.
+
+Het geviel toen, dat, terwijl ik wandelde langs eenen weg, waarnaast
+eene zeer heldere rivier stroomde, mij een zoo groot verlangen om te
+rijmen overviel, dat ik begon er over te denken hoe ik het aan zou
+leggen; en ik overwoog dat het niet passend ware over haar te spreken
+tenzij tot andere vrouwen in de tweede persoon; en dat wel niet tot
+alle vrouwen, maar alleenlijk tot diegene die lieflijk en edel waren
+en niet slechts vrouw [52]. Daarop, zegge ik, sprak mijne tong, als
+vanzelf bewogen: "Gij vrouwen edel, die de Liefde kent". Deze woorden
+bewaarde ik met groote blijdschap in mijnen geest, mij voornemend
+ze tot begin te nemen; waarop ik, teruggekeerd in bovenbedoelde
+stad en na eenige dagen te hebben nagedacht, deze canzone begon met
+den bedoelden aanhef en in de volgorde welke men hieronder in hare
+verdeeling zal zien. De canzone [53] begint aldus:
+
+
+ Gij vrouwen edel, die de Liefde kent,
+ Tot ù wil ik van mijn Meestresse spreken;
+ Niet wijl 'k haar lof ooit te voleinden reken,
+ Maar te verlichten 't overvol gemoed.
+ Wen ik bepeins haar deugden zonder end.
+ Brandt dus mijn hart dat 'k door mijn enkel spreken,
+ Elk die me aanhoorde in liefde zou ontsteken,
+ Hadde ik niet alle driestheid ingeboet.
+ Niet zòò verheven dat ik vreezen moet
+ Machtloos tot lager stijl te zullen dalen,
+ Maar zòò zal 'k van haar lieflijkheên verhalen
+ Als het bij hààr past: gracelijk en zoet.
+ En slechts tot u, minlijke maagde en vrouwen;
+ Want gij alleen zijt waardig zulk vertrouwen.
+
+ Een engel roept, gekeerd naar 't goddlijk licht:
+ "O Heer, een wonder waarlijk zien wij dwalen
+ Op aarde, een ziel zóó lieflijk dat zij stralen
+ Moge in der zaalgen midden nu weldra!
+ De hemel mist niets dan haar aangezicht
+ En smeekt u zijnen hoogsten glans te halen."
+ En alle heilgen juichen op die tale.
+ Slechts medelijden vraagt voor mij genâ;
+ En God spreekt: "Dat men dit van haar versta:
+ Geliefden, duldt dat nog uw Hope in vrede,
+ Zoolang het mij behaagt, blijve beneden,
+ Waar één in vreeze is dat zij van hem ga,
+ En die ééns spreken zal tot de verdoemden:
+ 'k Zag haar, die de Engelen hun hope noemden." [54]
+
+ In 't hemelsch rijk wordt mijn Meestres begeerd:
+ Dus wil 'k u van haar englendeugd doen weten.
+ En 'k zegge: Wie een eedle vrouw wil heeten,
+ Die ga met hààr, wijl ovral waar zij gaat,
+ Amor elk hart dat zijnen gloed ontbeert,
+ Bevriezen doet en alle heil vergeten.
+ Sterven moet elk, of zich gelouterd weten,
+ Die haren blik te dragen onderstaat.
+ Wie zich voor waardig houdt haar in 't gelaat
+ Te schouwen, moog' zijn hooge deugd betoonen,
+ En zorg' wie hoopt dat hem heur groet beloone,
+ Door deemoed dat al zonde hem verlaat.
+ Want zulk een macht werd haar door God beschoren.
+ Dat slecht niet einden kan wie hààr mocht hooren.
+
+ Spreekt Amor van mijn Vrouwe: "Hoe ware ooit
+ Zoo zuiver en zoo schoon een sterflijk wezen?"
+ "God heeft", dus denkt hij, "met een nooit volprezen
+ En gansch nieuw wonderwerk de aarde verrijkt."
+ Geen parel werd met blanker tint getooid,
+ Heel haar van schoonheên evenwichtig wezen
+ Vormde Natuur van stoffen uitgelezen;
+ Dus heete schoon alleen wat hààr gelijkt.
+ Wen open harer blikken poorte wijkt,
+ Tijgt er een stoet van minnelijke geesten
+ Om de oogen die haar schouwen te vermeestren
+ En dra heeft elk van hen het hart bereikt;
+ En geen kan haren mond, teeder omtogen
+ Van Liefde's lach, bewondren onbewogen.
+
+ Mijn Lied, ik weet, wanneer ge mij verlaat,
+ Zult ge op uw dool tot vele vrouwen spreken.
+ Maak, dat ze in u, die 'k zoo schoon op mocht kweeken,
+ Der Liefde jonge en teedre dochter zien.
+ Wilt, waar ge ook zijt en waar ge ook henen gaat,
+ "Wijst mij den weg tot hààr" bescheiden smeeken,
+ "Van welker deugd mijn tooi is taal en teeken".
+ En dat ge mij niet slecht en ijdlijk dien',
+ Zult nimmer toeven ge onder lage liên;
+ En nimmer schenken zult ge uw zoet vertrouwen,
+ Dan slechts aan eedle manne' en eedle vrouwen:
+ Die zeker zullen snelle hulpe u biên.
+ Nu ga, en zoo gij Amor bij hen vindt,
+ Breng hem mijn groet, zoo 't voegt voor Amor's kind.
+
+
+ Deze canzone zal ik, opdat zij beter begrepen worde, kunstiger
+ verdeelen dan het andere hierboven staande. En daarom maak ik
+ allereerst drie gedeelten: het eerste gedeelte is de voorrede van
+ de volgende woorden; het tweede is het behandelde onderwerp; het
+ derde is als eene dienstmaagd van de voorgaande woorden. Het tweede
+ begint hier: "Een engel roept...."; het derde hier: "Mijn Lied,
+ ik weet...." Het eerste is te verdeelen in vieren; in het eerste
+ zeg ik tot wie ik van mijne Vrouwe wil spreken en waarom ik spreken
+ wil; in het tweede zeg ik hoedanig ik mijzelf voorkom wanneer ik
+ aan hare deugd denk en hoe ik zou kunnen spreken wanneer ik den
+ moed niet verloor; in het derde zeg ik hoe ik geloof over haar te
+ kunnen spreken zonder door mijne blooheid belemmerd te worden;
+ in het vierde zeg ik, herhalend tot wie ik bedoel te spreken,
+ de reden waarom ik tot hen spreek. Het tweede begint hier:
+ "Wen ik bepeins...."; het derde hier: "Niet zoo verheven....";
+ het vierde: "En slechts tot u....". Vervolgens wanneer ik zeg:
+ "Een engel roept....", begin ik over mijne Vrouwe te spreken. En
+ dit gedeelte is in tweeën te verdeelen: in het eerste zeg ik wat
+ men over haar in den hemel zegt; in het tweede zeg ik wat men over
+ haar op aarde zegt, en wel hier: "In 't hemelsch rijk...." Dit
+ tweede gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste
+ spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid harer
+ ziel, een en ander verhalend van de uitwerking harer deugden,
+ welke uit hare ziel voortkomen; in het tweede gedeelte spreek ik
+ over haar met betrekking tot de edelaardigheid van haar lichaam,
+ een en ander van hare schoonheden verhalend, en wel hier: "Spreekt
+ Amor van mijn Vrouwe".... Dit gedeelte is in tweeën te verdeelen,
+ want in het eerste spreek ik van zekere schoonheden welke tot haar
+ geheele persoon behooren, en wel hier: "Wen open...." Dit gedeelte
+ is te tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van oogen,
+ welke het begin der liefde zijn; in het tweede spreek ik van
+ den mond, welke het einde der liefde is. En opdat hier iedere
+ lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest,
+ dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke
+ eene werking van haren mond was, het doel mijner wenschen was,
+ waar ik dit bereiken kon. Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn Lied,
+ ik weet...." voeg ik nog eene stanza toe bijwijze van dienstmaagd
+ der andere, in welke ik zeg wat ik van deze mijne canzone verlang:
+ en aangezien dit laatste gedeelte gemakkelijk te begrijpen is,
+ vermoei ik mij niet met nog meer verdeelingen. Wel zeg ik dat,
+ om de bedoeling van deze canzone nog beter te openbaren, nog
+ nauwkeuriger verdeelingen zouden moeten aangewend worden; maar
+ in elk geval, wie niet voldoenden geest bezit om haar te kunnen
+ begrijpen door de wel toegepaste, mishaagt mij niet wanneer hij het
+ er bij laat; want waarlijk, ik vrees dat ik hare bedoeling door de
+ gemaakte verdeelingen reeds te duidelijk gemaakt heb voor maar al
+ te velen, indien het mocht gebeuren dat velen haar konden hooren.
+
+
+
+§ XX.
+
+Nadat deze canzone eenigszins bekend was geworden onder de menschen en
+dientengevolge ook een mijner vrienden haar had gehoord, voelde deze
+behoefte mij te verzoeken hem te zeggen wat Liefde is; wellicht omdat
+hij door de gehoorde rijmen meer verwachting omtrent mij koesterde
+dan ik verdiende. Waarop ik, overwegende dat het, na eene zoodanige
+behandeling (der stof als in de voorgaande canzone) wel voegzaam
+ware iets over de Liefde zelf te zeggen, en overwegende dat ik mijnen
+vriend gaarne eenen dienst bewees, mij voornam in enkele woorden over
+de Liefde te spreken; en ik schreef toen dit sonnet hetwelk begint:
+
+
+ Liefde en een edel hart zijn ganschlijk één,
+ Zooals de wijze dichter [55] heeft geschreven;
+ Geen kan bestaan slechts op zichzelf alleen,
+ Zoomin als 't hoofd kan zonder rede leven.
+
+ Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen
+ En heeft het hem tot vaste woon gegeven;
+ En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een,
+ Bij d'ander lang, den dag van 't nieuwe leven,
+
+ Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt,
+ En zoozeer 't oog bekoort dat 't in 't gemoed
+ Een hoog verlangen tot haar wordt geboren,
+
+ Dat zoolang roept, door hunkering gepijnd,
+ Tot het dien geest der Liefde ontwaken doet.
+ Zoo zal ook d'eedle man een vrouw bekoren.
+
+
+ Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten: in het eerste
+ spreek ik van de Liefde voor zoover zij is in vermogen; in het
+ tweede spreek ik van haar voorzoover zij van vermogen tot daad
+ wordt. Het tweede begint hier: "Wen Schoonheid...." Het eerste kan
+ worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik in welk voorwerp
+ dit vermogen zich bevindt; in het tweede zeg ik hoe dit voorwerp
+ en dit vermogen tot bestaan zijn gebracht en hoe het eene zich
+ tot het andere verhoudt als vorm tot materie. Het tweede begint
+ hier: "Natuur bestemde...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Wen
+ Schoonheid....", zeg ik hoe dit vermogen zich tot daad omzet:
+ en wel eerst hoe het zich omzet in den man, vervolgens hoe het
+ zich omzet in de vrouw, namelijk hier: "Zoo zal...."
+
+
+
+§ XXI.
+
+Nadat ik de bovenstaande rijmen over de Liefde had geschreven, gevoelde
+ik een verlangen om ook ter verheerlijking der Allerlieflijkste
+woorden te zeggen in welke ik zou kunnen toonen hoe door hààr deze
+geest der Liefde in mij ontwaakte en hoe hij niet alleen ontwaakte
+waar hij sliep, maar hoe zij hem door hare wonderbare macht ook deed
+komen daar, waar hij nog niet in vermogen was. En ik schreef toen
+dit sonnet, hetwelk begint:
+
+
+ Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen,
+ Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt;
+ Waar zij voorbij schrijdt wendt zich jong en oud,
+ En wien zij groet voelt dus zijn hart bewogen
+
+ Dat hij verbleekt en 't hoofd omneer gebogen,
+ Zuchtend zijn kleinste zonde nog berouwt;
+ Want toorn noch trots zich voor haar staande houdt.
+ Helpt, Vrouwen, dan mij haren lof verhoogen!
+
+ In 't hart dat haar hoort spreken wordt geboren
+ Zoetste verteedring en een deemoed zacht;
+ Zaalg zij, wie voor het eerst haar ziet, geprezen!
+
+ Onzeglijk is 't, onvatlijk, op wat wezen
+ Zij lijkt wanneer haar mond slechts even lacht:
+ Een wonder is ze, als nooit aanschouwd tevoren.
+
+
+ Dit sonnet heeft drie gedeelten. In het eerste zeg ik hoe mijne
+ Vrouwe dit vermogen in daad omzet door middel van het zeer
+ edele werktuig harer oogen; en in het derde zeg ik hetzelfde
+ omtrent dit zeer edele werktuig van haren mond; en tusschen
+ deze twee gedeelten is er nog een kleiner dat als om hulp vraagt
+ aan het voorgaande en het volgende, en dit begint hier: "Helpt
+ Vrouwen...." Het derde begint hier: "In 't hart...." Het eerste
+ kan worden verdeeld in drieën; want in het eerste zeg ik hoe
+ zij door hare deugden alles lieflijk maakt wat zij aanschouwt,
+ hetgeen zooveel zeggen wil dat zij de Liefde wekt tot vermogen
+ waar zij nog niet is; in het tweede zeg ik hoe zij de Liefde
+ in het hart van allen die zij aanziet tot daad omzet; in het
+ derde zeg ik vervolgens wat zij door hare deugd in hunne harten
+ uitwerkt. Het tweede begint hier: "Waar zij voorbij schrijdt....";
+ het derde hier "En wien zij groet...." Vervolgens, wanneer ik
+ zeg: "Helpt Vrouwen...." geef ik te verstaan aan diegenen, tot
+ wie het mijne bedoeling is te spreken, de vrouwen aanroepende,
+ dat zij helpen mogen haar te eeren. Vervolgens, wanneer ik zeg:
+ "In 't hart...." zeg ik hetzelfde wat in het eerste gedeelte
+ gezegd is met betrekking tot twee werkingen van haren mond:
+ van welke de eene is haar allerzoetste spreken en de andere haar
+ wonderbare glimlach, behalve dat ik van dezen laatsten niet zeg
+ hoe hij in de harten werkt, omdat de herinnering noch hem noch
+ zijne uitwerkingen kan vast houden.
+
+
+
+§ XXII.
+
+Toen hierna nog niet vele dagen waren voorbijgegaan--aldus behaagde het
+den Koning der Glorie, die zichzelf den dood niet spaarde--verliet hij,
+die de verwekker [56] geweest was van dit groote wonder als hetwelk de
+alleredelste Beatrice zich vertoonde, dit leven om zekerlijk in te gaan
+tot de eeuwige zaligheid. Zoodat het--aangezien zulk een verscheiden
+smartelijk is voor hen die achterblijven en die bevriend waren met
+dengene die stierf; en geene vriendschap zoo innig is als die van eenen
+goeden vader tot een goed kind of van een goed kind tot eenen goeden
+vader; en deze Vrouwe den hoogsten graad van goedheid bezat en haar
+vader, gelijk velen zulks getuigen en ook waar is, in hooge mate goed
+was,--zeer begrijpelijk is dat deze Vrouwe op het bitterst vervuld
+was van smart. En aangezien, volgens gebruik [57] in bovenbedoelde
+stad, de vrouwen met de vrouwen en de mannen met de mannen zich
+vereenigen bij eene dergelijke treurnis, waren er vele vrouwen bijeen
+ter plaatse waar de allerlieflijkste Beatrice erbarmelijk weende;
+zoodat ik, enkele dier vrouwen van haar ziende terugkeeren, hen
+hoorde spreken over de Allerlieflijkste, hoe zij jammerde. Onder
+andere woorden hoorde ik er die zeiden: "Waarlijk, zij weent zòò,
+dat wie haar ziet van medelijden zou kunnen sterven." Hierop gingen
+deze dames voorbij; en ik bleef in eene zoo groote droefheid achter,
+dat nu en dan tranen mijn gelaat baadden, zoodat ik het herhaaldelijk
+bedekte door mijne handen naar de oogen te heffen. En als het niet
+geweest ware dat ik nog meer omtrent haar verwachtte te hooren, daar
+ik mij bevond op eene plek waar het grootste gedeelte der dames die
+van haar heengingen, langs kwam, zou ik mij verborgen hebben zoodra
+de tranen mij overmanden. En terwijl ik dus bleef op dezelfde plek,
+kwamen er opnieuw eenige dames dicht langs mij, die onder het gaan
+tot elkaar spraken: "Wie van ons zal ooit weer vroolijk kunnen zijn,
+nu wij deze Vrouwe zoo klagelijk hoorden spreken?" En na deze kwamen
+weer anderen voorbij die zeiden: "Hij die daar zit klaagt niet meer
+of minder dan als had hij haar gezien evenals wij". Weer anderen
+zeiden van mij: "Ziet toch dezen, die zichzelf niet meer gelijkt,
+zoozeer is hij veranderd." En terwijl aldus deze dames voorbij
+gingen, hoorde ik op de wijze welke ik verhaald heb, spreken over
+haar en mijzelf. Waarop ik, hierover peinzende, mij voornam iets te
+zeggen--omdat ik hierin eene waardige stof vond--waarin ik alles zou
+opsluiten wat ik van deze dames gehoord had. En omdat ik hen gaarne
+gevraagd zou hebben wanneer ik dit zonder onbescheiden te zijn had
+kunnen doen, maakte ik mijne rijmen aldus alsof ik hen werkelijk
+had gevraagd en alsof zij mij hadden geantwoord. En ik maakte twee
+sonnetten; in het eerste vroeg ik op de wijze waarop ik vragen wilde;
+in het tweede vermeld ik hun antwoord, datgene wat ik van hen verstond
+gebruikende als hadden zij het tot mijzelf gesproken. En ik begon het
+eerste: "Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen...." en het tweede:
+"Zij gij het die zoo dikwijls hebt gesproken."
+
+
+ Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen,
+ Die de oogen, bloô van droefnis, nederslaat;
+ Vanwaar komt ge met zòò ontverfd gelaat
+ Dat ik in u waan Meelij zelf te aanschouwen?
+
+ Zaagt ge wellicht hoe Liefde mijner Vrouwe
+ Liefelijk aangezicht in tranen baadt?
+ Mijn hart zegt mij dat 'k om geen eigen daad
+ Noch eigen droefenis u dus zie rouwen.
+
+ En komt ge waarlijk van zoo diep verdriet,
+ Wilt dan een pooze, ik bid u, bij mij toeven;
+ En hoe zij lijdt, verberg 't mijn smeeken niet;
+
+ Schoon 'k zie hoe langs de smartgemerkte groeven
+ Van uw gelaat een stroom van tranen vliet
+ En 't hart mij beeft nu 't zoozeer u ziet droeven.
+
+
+ Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten; in het eerste
+ roep ik de vrouwen aan en vraag ik hen of zij van hààr komen,
+ zeggende dat ik zulks geloof omdat zij zachter schijnen terug te
+ keeren; in het tweede bid ik hen mij over haar te spreken. Het
+ tweede begint hier: "En komt ge waarlijk...." Hierop volgt dan
+ het andere sonnet, gelijk wij hierboven reeds verhaald hebben.
+
+
+ Zijt gij het, die zoo dikwijls hebt gesproken
+ Over uw Vrouwe, schoon tot ons alleen?
+ Uw stem gelijkt de zijne, doch in een
+ Gansch ander aanschijn lijkt uw ziel gestoken.
+
+ Ach, waarom klaagt ge als ware u 't hart gebroken!
+ Met jammer vult een elk uw droef gesteen;
+ Zaagt ge dan hààr en hoordet hààr geween,
+ Dat ge u dus toont in wanhoop neergedoken?
+
+ Laat weenen ons en weenend verder schrijden;
+ Slecht ware wie getroost kon huiswaarts gaan
+ Nadat wij hààr zoo droevig zagen lijden.
+
+ Smart zelve staart uit haar gelaat u aan;
+ Zòò dat wie van deez' aanblik niet zou scheiden,
+ Van droefnis aan haar voeten moest vergaan.
+
+
+ Dit sonnet heeft vier gedeelten, aangezien de vrouwen voor wie ik
+ antwoord vier wijzen van spreken hadden. En omdat deze hierboven
+ voldoende duidelijk zijn gemaakt, zal ik mij niet ophouden met
+ den zin dezer gedeelten te verhalen; zoodat ik ze alleen maar
+ aanwijs. Het tweede begint hier: "Ach, waarom klaagt ge....";
+ het derde: "Laat weenen ons...."; het vierde: "Smart zelve...."
+
+
+
+§ XXIII.
+
+Weinige dagen hierna geviel het dat eene smartelijke ziekte een
+gedeelte mijns lichaams aantastte, waardoor ik negen dagen lang
+voortdurend de bitterste pijnen leed en welke mij zoo zwak maakte dat
+ik werd als diegenen die zich niet kunnen bewegen. Ik zeg nu dat op
+den negenden dag, terwijl ik eene ondragelijke pijn gevoelde, eene
+gedachte in mij opkwam, welke van mijne Vrouwe was. En toen ik een
+wijle aan haar gedacht had, keerden mijne gedachten tot mijn zwakke
+leven terug; en ziende hoe vluchtig zijn duur was, zelfs wanneer het
+gezond is, begon ik in mijzelf over zoovele ellende te weenen. Waarop
+ik, zwaar zuchtende, in mijzelf zeide: "Noodwendiglijk moet het
+eens gebeuren dat de allerlieflijkste Beatrice sterft". En hierop
+greep eene zoo hevige verbijstering mij aan, dat ik de oogen sloot
+en begon te dwalen als een krankzinnige en op deze wijze te ijlen:
+in het begin des dwalens mijner verbeelding leek het mij dat ik
+gezichten zag van vrouwen met loshangende haren, die tot mij zeiden:
+"Ook gij moet sterven." En vervolgens, na deze vrouwen, verschenen
+andere, vreemde gezichten, schrikkelijk om te aanschouwen, welke
+tot mij zeiden: "Ge zijt gestorven". En mijne verbeelding, aldus
+beginnende te dolen, kwam op eene plaats, in welke ik niet wist waar
+ik mij bevond; en het leek mij dat ik wederom vrouwen met loshangende
+haren weenende langs den weg zag waren in verwonderlijke droefenis;
+en het scheen mij dat ik de zon zag verduisteren, zóó dat de sterren
+zich vertoonden in eene kleur, welke mij deed denken dat zij treurden;
+en het leek mij dat de vogels in hunne vlucht dood neder vielen en
+dat er geweldige aardbevingen waren. En mij verbazende in dusdanige
+verbeelding en zeer ontzet, zag ik een vriend op mij afkomen die
+zeide: "Weet ge het niet? Uwe wonderbare Vrouwe is uit het leven
+verscheiden." Toen begon ik opnieuw en erbarmelijk te weenen; en
+ik weende niet alleen in mijne verbeelding, maar ik weende, mijne
+oogen in werkelijke tranen badend. Ik verbeeldde mij naar den hemel
+op te zien en het scheen mij dat ik eene menigte engelen zag die
+naar den hooge terugkeerden en die vòòr zich hadden een zuiver wit
+wolkje; en het scheen mij dat deze engelen triomfantelijk zongen en
+als de woorden van hunnen zang scheen ik deze te hooren: "Osanna in
+excelsis!" [58], en iets anders hoorde ik niet. Toen scheen het mij
+dat mijn hart, waarin zooveel liefde woonde, mij zeide: "Waarlijk,
+het is wel zeker dat onze Vrouwe gestorven is". En hierop scheen
+het mij dat ik ergens heen ging om het lichaam te zien in hetwelk
+deze edelste en gelukzalige ziel had gehuisd. En zòò sterk was deze
+dwalende verbeelding dat zij mij werkelijk de doode Vrouwe liet zien;
+en het scheen mij dat vrouwen haar bedekten, dat wil zeggen haar
+hoofd, met een witten sluier; en het scheen mij dat haar gelaat eene
+uitdrukking had van zòò diepen deemoed, dat het scheen te zeggen: "Ik
+zie het begin van allen Vrede". In deze verbeelding overkwam mij eene
+zoo groote ootmoedigheid door haren aanblik, dat ik den Dood aanriep
+en zeide: "O zoetste Dood! kom tot mij en wees niet hard jegens mij;
+want wèl moet ge lieflijk zijn nu ge bij haar geweest zijt. Kom nu tot
+mij, die zoozeer naar u verlang: ge ziet het, dat ik reeds uwe kleur
+draag". En nadat ik had zien vervullen al de droevige diensten welke
+men den lichamen der gestorvenen pleegt te bewijzen, scheen het mij
+dat ik naar mijne kamer terugkeerde en aldaar naar den hemel opzag;
+en zòò sterk was mijne verbeelding dat ik weenende begon te spreken
+met eene werkelijke stem: "O schoonste ziel, hoe gelukzalig is hij die
+u aanschouwt". En terwijl ik deze woorden sprak onder een smartelijk
+gesnik van jammer en den Dood aanroepend tot mij te komen, begon een
+jong en lieflijk meisje, dat naast mijn bed zat, geloovende dat mijn
+weenen en mijne woorden eene klacht waren om de pijn mijner ziekte,
+in groote vreeze eveneens te weenen. Waarop de andere vrouwen die in
+het vertrek waren, bemerkten dat ik weende, doordat zij dit meisje
+zagen weenen: waarop zij haar, die door zeer nauwe verwantschap aan mij
+verbonden was [59], deden heengaan en, meenende dat ik droomde, zich
+tot mij wendden om mij te wekken, zeggende: "Slaap niet langer en wees
+niet zoo ontroostbaar". En terwijl zij aldus spraken, brak mijne sterke
+verbeelding af op het oogenblik dat ik zeggen wilde: "O Beatrice,
+gezegend zijt ge". En reeds had ik gezegd: "O Beatrice" toen ik,
+opschrikkende, de oogen opende en zag dat ik geijld had. En ofschoon
+ik haren naam geroepen had, was mijne stem zoo gebroken geweest door
+snikken, dat die vrouwen mij niet hadden kunnen verstaan. En ofschoon
+ik mij zeer schaamde, wendde ik mij toch, door de Liefde aangespoord,
+tot hen. En toen zij mij zagen begonnen zij te spreken: "Hij gelijkt
+eenen doode" en onder elkaar te zeggen: "Laten wij toch trachten
+hem te troosten". Waarop zij vele woorden tot mij spraken om mij te
+troosten, en telkens vroegen zij mij waarvoor ik zulk eene vrees gehad
+had. Waarop ik, na eenigszins te zijn bijgekomen en de bedriegelijkheid
+van mijne waanvoorstelling te hebben ingezien, hen antwoordde: "Ik zal
+u zeggen wat mij gebeurd is". Hierop begon ik met het begin, en tot
+aan het einde toe verhaalde ik hen al wat ik gezien had, slechts den
+naam dier Allerlieflijkste verzwijgend. Waarop ik vervolgens, genezen
+van deze ziekte, mij voornam iets te zeggen over wat mij gebeurd was,
+omdat het mij lieflijk scheen om te zeggen en om te hooren; en ik
+schreef deze canzone: "Een lieflijk meisje, jong en teer van hart",
+in de volgorde als blijkt uit de er onder staande verdeeling:
+
+
+ Een lieflijk meisje, jong en teer van hart,
+ Aan deernis rijk, was aan het bed gezeten
+ Waarop 'k den Dood dikwijls om redding vroeg.
+ Zij zag mijn oogen overvol van smart.
+ En luistrend naar mijn waanverwarde kreten,
+ Verschrok zij dus, dat zij luidsnikkend kloeg,
+ Meenend dat ik mijn pijn niet meer verdroeg.
+ En de andre vrouwen, die haar hoorden weenen,
+ Leidden haar zachtkens henen
+ En susten me, om tot rust mij te doen komen.
+ Een zeide er: "Niet meer droomen!"
+ En: "Waarom zoo ontroostbaar?" de andre vroeg.
+ Toen riep ik met een stem, verstikt door 't weenen,
+ Mijn Vrouwe.... en 't vreemde droombeeld was verdwenen.
+
+ Zòò had de smart mijn zwakke stem geschaad,
+ En zòò mijn jammrend snikken haar gebroken,
+ Dat ik dien naam hoorde in mijn hart alleen.
+ Maar schoon ik 't liefst mijn gansch beschaamd gelaat
+ Voor hun nieuwsgierge blikken had verstoken,
+ Dwong Liefde mij 't te wenden tot hen heen.
+ Het zag zoo vaal dat zij als over een
+ Die sterven ging van mij schenen te spreken;
+ Ik hoorde elkaar hen smeeken:
+ "Ach, konden wij verzachten toch zijn lijden!"
+ En telkenkeer zij zeiden:
+ "Wat zaagt ge toch, dat dus uw kracht verdween?
+ En 'k sprak, toen weer mijn wanhoop was geweken:
+ "Hoort, vrouwen, 'k zal u van mijn droombeeld spreken."
+
+ Terwijl ik peinsde over ons broos bestaan,
+ En hoe zoo schielijk 't leven weer moet vluchten,
+ Weende in mijn hart Amor in droefnis groot;
+ Waardoor ik, van verbijstering ontdaan,
+ In mijn gedachten klagelijk verzuchtte:
+ "Ook voor mijn Vrouwe komt toch ééns de Dood."
+ Toen werd mijn smart zoo hevig dat ik sloot
+ Van pijnen moe mijn oogleên, zwaar van tranen;
+ En als verwarde wanen,
+ Gingen mijn geesten dwalen door mijn droomen;
+ Tot ze, eindelijk gekomen
+ Waar alle werklijkheid gansch van hen vlood,
+ Zagen een stoet van vrouwen jammrend gaan en
+ Roepend: "Ook gij zult sterven!" door hun tranen.
+
+ 'k Zag teekens, vreemd en vreeslijk, onheilzwaar,
+ Ontstellen mijn verdwalende gedachten
+ In 't naamloos oord waar 'k mij in droom bevond,
+ 'k Zag vrouwen zwermen met ontbonden haar,
+ Stil weenend of in jammerluide klachten,
+ Die als een brand droegen hun droefnis rond.
+ Toen leek het of de zonne langzaam zwond
+ In duisternis en bleeke sterren schenen:
+ 't Was of ik hen zag weenen;
+ En vogels vielen neder onder 't zweven;
+ En de aard begon te beven;
+ Tot plotseling een bleek man voor mij stond,
+ Die sprak: "Deed u de tijding nog niet weenen?
+ Dood voerde uw Vrouwe, die zoo schoon was, henen!"
+
+ Ik sloeg mijn blikken, tranenblank, omhoog
+ En zag--een regen leek 't van hemelsch manna--
+ Een rij van englen keeren tot hun Heer.
+ Een teeder wolkje zwevend vòòr hen toog,
+ En allen zongen juichende: "Hosanna!"
+ Niets hoorde ik dan dien jubel keer op keer.
+ En Amor sprak: "Nu zwijge ook ik niet meer;
+ Kom, waar uw Vrouwe neerligt, met mij mede,"
+ En leidde mij ter stede
+ Waar ik haar doode lichaam mocht aanschouwen,
+ Ik zag: toen spreidden vrouwen
+ Een witte wade over haar aanzicht neer,
+ Dat, diepdeemoedig, als in stille bede,
+ Niets scheen te zeggen als "Ik ben in Vrede!"
+
+ En zulk een deemoed lenigde mijn pijn
+ Toen 'k hààr zag wie de Deemoed zelf verklaarde,
+ Dat 'k sprak: "O Dood, hoe lijkt ge mij zóó zoet!
+ Hoe zacht en lieflijk moet uw wezen zijn
+ Sinds ge mijn Vrouwe medenaamt van de aarde.
+ Meelij, geen haat is 't wat u komen doet.
+ 'k Geloof dat ik u reeds gelijken moet,
+ Zoozeer verlangt mijn harte, moe van rouwen,
+ Aan ù zich te vertrouwen!"
+ Ik ging, en niets was van mijn smart gebleven;
+ En hemelwaarts geheven
+ Mijn blikken, zeide ik als ten laatsten groet:
+ "O schoone Ziel, zaalg wie u mag aanschouwen!"
+ Toen wektet gij me, dank uw zorg, o vrouwen.
+
+
+ Deze canzone heeft twee gedeelten: in het eerste zeg ik, sprekende
+ tot een onbepaald persoon, hoe ik door zekere vrouwen uit eene
+ ijdele droomverbeelding werd gewekt en beloofde hen deze te
+ verhalen; in het tweede zeg ik hoe ik hen dit verhaalde. Het
+ tweede begint: "Terwijl ik peinsde...." Het eerste gedeelte
+ kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik wat zekere
+ vrouwen en wat eene enkele zeiden en deden naar aanleiding van
+ mijnen droom, d. w. z. éér ik weder tot de werkelijkheid was
+ teruggekeerd; in het tweede zeg ik wat deze vrouwen zeiden,
+ nadat ik had opgehouden te ijlen; en dit gedeelte begint hier:
+ "Zoo had de smart...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Terwijl ik
+ peinsde...." zeg ik hoe ik hen dit mijn droombeeld verhaalde. En
+ hieromtrent maakte ik twee gedeelten: in het eerste verhaal
+ ik geregeld mijn droombeeld; in het tweede, zeggende op welk
+ oogenblik zij mij riepen, dank ik hen kortelijks; en dit gedeelte
+ begint hier: "Toen wektet gij me...."
+
+
+
+§ XXIV.
+
+Na dit ijdele droomgezicht gebeurde het op eenen dag, dat ik, terwijl
+ik ergens zat te peinzen, eene siddering in mijn hart voelde beginnen
+alsof ik in tegenwoordigheid mijner Vrouwe ware geweest. En toen,
+zegge ik, kwam tot mij eene verbeelding der Liefde; het scheen mij
+namelijk dat ik Amor zag komen van dien kant waar mijne Vrouwe woonde;
+en het scheen mij dat hij vroolijk tot mij zeide in mijn hart: "Denk
+steeds den dag te zegenen waarop ik bezit van u nam, want wèl behoort
+ge zulks te doen." En inderdaad scheen mijn hart zòò verblijd te zijn
+dat het mij leek alsof het mijn eigen hart niet ware door zijnen
+zoo nieuwen toestand. En kort na deze woorden, welke mijn hart mij
+zeide met de stem der Liefde, zag ik op mij afkomen eene edele dame,
+die van eene vermaarde schoonheid was en die reeds lang de Vrouwe
+was van mijnen reeds vroeger bedoelden grootsten vriend. En de naam
+dezer dame was Giovanna, behalve dat men haar--wegens hare schoonheid,
+naar sommigen meenden--den bijnaam had gegeven van Primavera (dat is
+de Lente) en aldus werd zij dan ook genoemd. En toeziende, zag ik
+achter haar de wondere Beatrice komen. Deze beide vrouwen schreden
+aldus tot dicht bij mij, de eene achter de andere en het scheen mij
+dat de Liefde tot mij sprak in mijn hart en zeide: "Deze eerste werd
+Primavera geheeten alleen terwille van hare komst op heden; want ik
+bewoog hem die haar dien naam gaf haar Primavera te noemen, dat wil
+zeggen: prima verrà, omdat "zij het éérst zou komen" op dien dag dat
+Beatrice zich aan haren getrouwe zal vertoonen na het droomgezicht. En
+indien ge het nog nader wilt beschouwen, beteekent ook haar werkelijke
+naam hetzelfde als Primavera, omdat haar naam Giovanna [60] is afgeleid
+van dien Johannes, die het waarachtige Licht voorspelde, zeggende:
+"Ego vox clamantis in deserto: parate viam Domini" [61]. En het scheen
+mij dat hij mij, na dit, nog andere woorden zeide, namelijk: "Wie het
+zeer nauwkeurig overweegt, zoude Beatrice eigenlijk "Liefde" moeten
+noemen, wegens de groote gelijkenis welke zij met mij heeft." Waarop
+ik, wederom aan het peinzen rakende, mij voornam er op rijm over
+te schrijven tot dien grootsten vriend, zekere woorden verzwijgend
+welke het mij gepast scheen te verzwijgen [62], daar ik in de meening
+was dat zijn hart nog steeds de schoonheid dier lieflijke Primavera
+bewonderde. En ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint:
+
+
+ Ik voelde siddrend in mijn hart ontwaken,
+ Verlangen, dat lang sluimerde ongestoord,
+ En opziend zag van verre ik Amor naken,
+ Zoo blijde als ik hem nimmer had gehoord.
+
+ "Nu zorg" riep hij "mij niet te schand te maken".
+ En lachen, lachen luidde in ieder woord.
+ En nog terwijl zijn lippen aldus spraken,
+ Turend dien kant vanwaar hij kwam, zag 'k voort
+
+ Madonna Vanna en Monna Bice [63] komen
+ En schrijden, als twee wondren, de een na de aâr,
+ De plek waar ik in beven stond voorbij.
+
+ En Amor sprak--wél beeft mijn geest 't vernomen--
+ Déze is de Lente, en Liefde noem ik hààr,
+ Die op haar volgt, zoozeer gelijk ze mij.
+
+
+ Dit sonnet heeft vele gedeelten; het eerste van hen zegt hoe
+ ik de gewende siddering in mijn hart voel ontwaken, en hoe het
+ schijnt dat de Liefde mij vroolijk verscheen, van verre komend;
+ het tweede zegt hoe het mij scheen dat de Liefde in mijn hart
+ tot mij sprak en hoedanig hij mij verscheen; het derde zegt hoe,
+ nadat hij eene wijle naast mij gestaan had, ik zekere dingen zag en
+ hoorde. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu zorg riep hij...." het
+ derde hier: "En nog terwijl...." Het derde gedeelte kan worden
+ verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik datgene wat ik zag; in
+ het tweede zeg ik datgene wat ik hoorde. Het tweede begint hier:
+ "En Amor sprak...."
+
+
+
+§ XXV.
+
+Hier zoude misschien iemand, die waard ware al zijne tegenwerpingen
+te beantwoorden, bezwaar kunnen maken; en hij zoude er bezwaar tegen
+kunnen maken dat ik spreek over de Liefde alsof deze iets ware op
+zichzelf en niet slechts eene denkbeeldige zelfstandigheid, maar
+eene lichamelijke. Hetgeen, strikt naar waarheid, niet juist is,
+daar de Liefde niet gelijk eene zelfstandigheid op zichzelf bestaat,
+maar een toestand der zelfstandigheid is. En dat ik van den geest der
+Liefde spreek als ware hij lichaam, ja zelfs een menschelijk wezen,
+blijkt uit drie dingen welke ik van hem zeg. Ik zeg dat ik hem van
+verre zag komen; waaruit, aangezien "komen" eene ruimtelijke beweging
+aanduidt, en volgens den filosoof [64] uitteraard alleen een lichaam
+ruimtelijk beweegbaar is; blijkt dat ik de Liefde als een lichaam
+voorstel. Voorts zeg ik van hem dat hij lachte en ook dat hij sprak;
+welke zaken menschelijke eigenschappen schijnen te zijn, vooral het
+lachen, en het blijkt dus dat ik hem voorstel als een mensch. Om dit
+te verklaren, gelijk het op het oogenblik van pas schijnt, moet men
+ten eerste weten, dat er eertijds geen minnezangers waren die in de
+volkstaal schreven; maar zij die van liefde spraken waren dichters in
+de Latijnsche taal. Bij òns, zeg ik--ofschoon het misschien wel bij
+andere volken het geval was en nog is, zooals in Griekenland--waren
+het dus geen volksdichters, maar geletterde dichters die deze stof
+behandelden. En het is nog niet vele jaren geleden dat voor het eerst
+volksdichters verschenen, want rijmen in de volkstaal beteekent
+zooveel als spreken in verzen volgens eene bepaalde maat in het
+Latijn. En het bewijs dat het eerst sinds korten tijd geschiedt, is,
+dat wanneer wij zoeken in de taal van "oc" en in de taal van "si"
+[65], wij in deze talen geene gedichten vinden ouder dan honderd en
+vijftig jaren voor dezen [66]. En de reden waarom sommige onbeschaafde
+lieden vermaard werden als dichters is, dat zij ongeveer de eersten
+waren die in de taal van "si" schreven. En de eerste die begon te
+dichten als een volksdichter deed zulks omdat hij zijne woorden wilde
+doen verstaan door eene vrouwe, aan wie het moeilijk viel Latijnsche
+verzen te begrijpen. En dit is gericht tot diegenen die rijmen over
+andere zaken dan welke de Liefde betreffen; aangezien deze wijze van
+dichten aanvankelijk werd uitgevonden om van de Liefde te spreken
+[67]. Zoodat het, aangezien den dichters eene grootere vrijheid van
+spreken is veroorloofd dan den prozaschrijvers, en de bedoelde rijmers
+niets anders zijn dan dichters in de volkstaal, gepast en redelijk is
+dat ook aan hen eene grootere vrijheid van spreken worde toegestaan
+dan aan andere schrijvers in de volkstaal; zoodat, wanneer een of
+andere beeldspraak of rhetorische wending den dichters is toegestaan,
+zij ook den rijmers moet worden toegestaan. En dus, wanneer wij zien
+dat de dichters tot onbezielde dingen gesproken hebben alsof zij
+gevoel en verstand hadden, en hen ook met elkaar lieten spreken;
+en niet slechts werkelijke dingen, maar ook zelfs onwerkelijke
+(ik bedoel, dat zij gezegd hebben dat zelfs eigenschappen spraken
+alsof het lichamen en menschen waren) zoo past het dat de rijmer dit
+eveneens moge doen; niet zonder reden, maar met een reden, welke het
+mogelijk is in proza te verduidelijken. Dat de dichters gesproken
+hebben zooals ik hier zeide, blijkt aan Virgilius [68], die zegt dat
+Juno, eene godin die den Trojaners vijandig was, sprak tot Aeolus,
+den god der winden, op deze plaats in het eerste boek der Aenëide:
+"Aeole, namque tibi" [69] en dat deze god antwoordde: "Tuus, o regina,
+quid optes" [70]. Bij dezen zelfden dichter spreekt in het derde
+boek der Aenëide een onbezield ding tot een bezield op deze plaats:
+"Dardanidae duri" [71]. Bij Lucanus spreekt een bezield ding tot een
+onbezield op deze plaats: "Multum, Roma, tamen debes civilibus armis"
+[72]. Bij Horatius spreekt de mensch tot zijne eigene wetenschap als
+tot een ander persoon en dit zijn niet slechts woorden van Horatius
+zelf, maar hij ontleent ze aan den goeden Homerus op deze plaats
+zijner Boetria: "Dic mihi, Musa virum" [73]. Bij Ovidius spreekt
+de Liefde alsof zij een menschelijk wezen is in het begin van het
+boek hetwelk den naam draagt "Remedia Amoris" [74] op deze plaats:
+"Bella mihi, video, bella parantur, ait" [75]. En hiermede zal
+dit duidelijk gemaakt zijn voor dengene die tegen eenig gedeelte
+van dit mijn boekske bezwaar mocht hebben. En opdat niet een of
+ander onbeschaafd man hieraan eenigen overmoed ontleene, zeg ik, dat
+evenmin als de dichters aldus zonder reden spreken, evenmin de rijmers
+aldus spreken moeten zonder eenige reden te hebben voor hetgeen zij
+zeggen: want ten zeerste behoort zich diegene te schamen die iets
+samenstelt in het kleed van een rhetorisch beeld of wending en die,
+hierom aangezocht, zijne woorden niet zou weten te ontdoen van zulk
+een kleed, opdat men hem waarlijk kon verstaan. En deze mijn grootste
+vriend en ik kennen genoeg van zulke dwazelijk rijmenden.
+
+
+
+§ XXVI.
+
+De allerlieflijkste Vrouwe, over wie in de voorgaande woorden werd
+gesproken, kwam in zoodanige gunst bij iedereen, dat wanneer zij over
+straat ging de menschen uitliepen om haar te zien; waarover ik eene
+wonderbare vreugde gevoelde. En wanneer zij in iemands nabijheid
+gekomen was, kwam zulk eene eerzaamheid in diens hart, dat hij het
+niet waagde de oogen op te slaan, noch haren groet te beantwoorden;
+en dit zouden velen, die zulks ondervonden hebben kunnen getuigen
+voor wie het niet wilden gelooven. Zij schreed voort, gekroond en
+bekleed met deemoed, niet den minsten trots toonend over wat zij
+zag of hoorde. Velen zeiden wanneer zij voorbijgegaan was: "Deze
+is geene vrouw, maar een der schoonste engelen uit den hemel". En
+anderen zeiden: "Deze is een wonder; gezegend zij de Heer, die iets
+zoo wonderbaarlijks weet te scheppen!" Ik zegge, dat zij zich zoo
+lieflijk en zoo vol van alle bekoorlijkheden betoonde dat diegenen
+die haar bewonderden zulk eene eerzame en zoete verrukking in zich
+gevoelden, dat zij haar niet konden uitspreken; noch was er iemand die
+haar kon bewonderen zonder dat hij al dadelijk moest zuchten. Deze
+en nog meer verwonderlijke zaken bracht zij te weeg door de werking
+harer deugd. Waardoor ik, hierover nadenkende en wenschende den stijl
+van haren lof wederom te hervatten, mij voornam woorden te zeggen in
+welke ik hare wonderbare en uitnemende werkingen te verstaan gaf;
+opdat niet alleen zij die haar zintuigelijk konden zien, maar ook
+anderen van haar zouden weten wat woorden ervan konden kenbaar
+maken. Daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:
+
+
+ Zoo zuiver en zoo zedig ingetogen
+ Is mijner Vrouwe minnelijke groet,
+ Dat ze ieders tong siddrend verstommen doet
+ En géén waagt tot haar op te slaan zijn oogen.
+
+ Zoo schrijdt zij voort en hoort haar lof verhoogen,
+ Verheerelijkt in deemoeds blanken gloed;
+ De Hemel zond tot de aarde een engel zoet,
+ Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.
+
+ Wie haar zoo zacht en nederig ziet gaan,
+ Voelt in zijn hart een innigheid ontbloeien,
+ Die geen bevat zoo hij 't niet ondervond;
+
+ En 't is of van haar teerbewogen mond
+ Een adem als van Liefde zelf komt vloeien,
+ Die zucht: Verlangen zij uw deel voortaan.
+
+
+ Dit sonnet is zoo gemakkelijk te begrijpen, door hetgeen hierboven
+ is verhaald, dat het geenerlei verdeeling behoeft; en dit derhalve
+ nalatend.
+
+
+zeg ik, dat deze mijne Vrouwe in zoo groote gunst kwam dat niet alleen
+zìj geëerd en geprezen werd; maar tengevolge van haren invloed ook
+vele anderen geëerd en geprezen werden. Waarop ik, dit ziende en het
+willende openbaren aan hen die het niet zien konden, mij voornam
+ook woorden te spreken, waarin dit werd aangeduid; en ik schreef
+toen dit sonnet, hetwelk begint: "Het hoogste heil moet ieder hart
+verblijden....", hetwelk verhaalt van haar, hoe hare deugd werkte in
+anderen; gelijk blijkt in zijne verdeeling.
+
+
+ Het hoogste heil moet ieder hart verblijden
+ Dat schouwt mijn Vrouwe in andrer vrouwen kring;
+ Wel voegt dat wie haar ooit mocht begeleiden,
+ God danke in diepe verootmoediging.
+
+ Zòò zedig is haar schoonheid en bescheiden,
+ Dat nimmer nijd der andren hart beving;
+ Maar ze ook om hen een glorie schijnt te spreiden
+ Van hoop, van liefde en van verteedering.
+
+ Haar blik maakt alles nederig en goed,
+ En niet haarzelve alleen, maar allen schenken
+ Haar lieflijkheên een glans van heiligheid.
+
+ En heel heur wezen is zoo wonderzoet,
+ Dat niemand die haar zag aan haar kan denken
+ Zonder een zucht om Liefde's zaligheid.
+
+
+ Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste zeg ik onder welke
+ lieden mijne Vrouwe het bewonderenswaardigst verscheen; in het
+ tweede zeg ik hoe dankbaar haar gezelschap was; in het derde
+ spreek ik van de dingen welke zij door hare deugd in anderen
+ te weeg bracht. Het tweede gedeelte begint hier: "Wel voegt het
+ dat...."; Het derde hier: "Zoo zedig is...." Dit laatste gedeelte
+ kan verdeeld worden in drieën: in het eerste zeg ik wat zij werkte
+ in deze vrouwen, dat wil zeggen voor henzelf; in het tweede zeg ik
+ hoe zij niet alleen verwonderlijk werkte in deze vrouwen, maar in
+ alle menschen, en niet alleen tijdens hare aanwezigheid, maar ook
+ wanneer men slechts aan haar dacht. Het tweede begint hier: "Haar
+ blik maakt alles...."; het derde hier: "En heel haar wezen...."
+
+
+
+§ XXVII.
+
+Hierna begon ik op eenen dag te denken over datgene wat ik van mijne
+Vrouwe gezegd had, dat wil zeggen in de beide voorgaande sonnetten;
+en ziende in mijne overweging dat ik niets gezegd had van datgene
+wat zij op het oogenblik in mijzelf uitwerkte, scheen het mij dat ik
+gebrekkiglijk gesproken had; en dus nam ik mij voor woorden te zeggen
+in welke ik zeide op welke wijze ik ontvankelijk scheen te zijn voor
+haren invloed en hoe hare deugd in mij werkte. En meenende zulks niet
+in de beknoptheid van een sonnet te kunnen verhalen, begon ik toen
+eene canzone [76], welke begint:
+
+
+ Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht
+ En mij gewend aan zijne heerschappij,
+ Dat even hard als eerst mijn slavernij
+ Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht.
+ En zoo, wanneer hij ganschelijk mijn kracht
+ Mij rooft en mijn gedachten jaagt uit mij,
+ Gevoelt mijn zwijmelende ziel zòò blij,
+ Dat mijn gelaat, ofschoon verbleekend, lacht.
+ Dan voel ik hem zoo hevig in mijn leven,
+ Dat hij mijn zuchten dolend roepen doet
+ Om mijne Vrouwe zoet,
+ Of zij nog hooger heil mij konde geven.
+ Dus ondervinde ik, wààr mijn oog haar ziet,
+ Zòò zacht is zij: maar woorden zeggen 't niet.
+
+
+
+
+
+
+DERDE GEDEELTE
+
+(Juli 1290-1292?)
+
+
+§ XXVIII.
+
+Quomodo sedet sola civitas plena populo! facta est quasi vidua domina
+gentium [77]. Ik was nog bezig aan deze canzone en had eerst de
+bovenstaande stanza ervan voltooid, toen de Heer der Gerechtigheid
+deze Allerlieflijkste opriep om te stralen onder het teeken dier
+gebenedeide Koningin, de Maagd Maria, wier naam steeds in hoogste
+eere geweest was in de woorden der zalige Beatrice. En ofschoon het
+misschien gepast zoude schijnen hier iets van haar verscheiden van
+ons te verhalen, is het toch niet mijne bedoeling daarover hier te
+spreken om drie redenen: de eerste is dat het niet in het plan ligt,
+indien wij slechts letten op de voorrede, welke dit boekske voorafgaat;
+de tweede is, dat, aangenomen dat het wèl in mijnen opzet lag, mijne
+taal toch niet bij machte zoude zijn dit te behandelen naar behooren;
+de derde is dat het, aangenomen het een zoowel als het ander, het
+mij toch niet zoude betamen hierover te handelen, omdat ik, er over
+handelende, mijzelf zoude moeten prijzen, hetgeen bovenal laakbaar is
+in wie zulks doet [78]; en ik laat dus deze behandeling over aan eenen
+anderen uitlegger [79]. Evenwel, aangezien herhaaldelijk het getal
+negen voorkwam in de voorgaande regelen, zoodat het duidelijk is dat
+dit niet zonder reden het geval is, en bij haar verscheiden ditzelfde
+getal eveneens eene belangrijke beteekenis schijnt te hebben gehad,
+past het dààrover hier iets te zeggen, omdat dit wèl bij het plan
+behoort. Zoodat ik allereerst zal zeggen welke rol het speelde bij
+haar verscheiden en vervolgens eene reden zal aanwijzen waarom dit
+getal nauw met haar verbonden was.
+
+
+
+§ XXIX.
+
+Ik zegge dan dat, volgens den kalender van Arabië, hare edele ziel
+verscheidde in het eerste uur van den negenden dag der maand; en
+volgens den kalender van Syrië verscheidde zij in de negende maand
+des jaars, omdat de eerste maand aldaar is Tisirin de Eerste, welke
+bij ons is October. En volgens onze eigen tijdrekening verscheidde
+zij in dàt jaar van onze aanwijzing--dat wil zeggen van de jaren
+des Heeren--waarin het volmaakte getal negen malen vervuld was in
+die eeuw waarin zij in deze wereld werd geplaatst; en zij behoorde
+tot de christinnen der dertiende eeuw [80]. Waarom dit getal zoo
+nauw met haar verbonden was; deze zou de reden hiervan kunnen zijn:
+aangezien er volgens Ptolomaeus en volgens de christelijke waarheid
+negen bewegelijke hemelen zijn, en aangezien volgens de gewone
+astrologische opvatting genoemde hemelen hier beneden invloed
+uitoefenen naar gelang van hunnen stand ten opzichte van elkaar,
+was dit getal aan haar verbonden om te verstaan te geven dat bij
+hare geboorte alle negen bewegelijke hemelen in het meest volmaakte
+evenwicht met elkaar stonden. Dit is ééne reden ervan; maar wanneer
+men er scherper over nadenkt en volgens de onbedriegelijke waarheid,
+was zijzelf dit getal, ik meen vergelijkenderwijs gesproken, en ik
+bedoel dit aldus: Het getal drie is de wortel van negen, zoodat het
+zonder hulp van eenig ander getal, met zichzelf vermenigvuldigd,
+negen uitmaakt, gelijk wij klaarblijkelijk zien dat driemaal drie
+is negen. Dus, gezien dat drie de schepper-uit-zichzelf van negen
+is en de schepper der wonderen uit zichzelf drie is, dat wil zeggen
+Vader, Zoon en Heilige Geest, welke drie één zijn--werd deze Vrouwe
+begeleid door het getal negen om te verstaan te geven dat zijzelve
+eene negen was, dat wil zeggen een wonder, welks wortel alleenlijk
+de wonderbaarlijke Drie-eenheid is [81].
+
+Misschien dat een scherpzinniger persoon hiervoor nóg dieper redenen
+zou vinden: maar deze is het welke ik er in zie en welke mij het
+meeste behaagt.
+
+
+
+§ XXX.
+
+Nadat deze allerlieflijkste Vrouwe uit dit leven was verscheiden,
+bleef de bovenbedoelde stad achter als eene weduwe en als beroofd
+van alle waardigheid; zoodat ik, nog weenende in deze verlaten stad,
+iets schreef aan de voornaamste burgers der stad [82] over haren
+toestand, nemende tot begin deze woorden van den profeet Jeremia:
+"Quo modo sedet sola civitas, etc". En ik zeg dit opdat niemand zich
+er over verwondere dat ik dit hierboven heb aangehaald als het ware
+als eene intrede tot de nieuwe stof welke volgt. En indien iemand
+mij wilde verwijten dat ik niet nederschrijf wat op de aangehaalde
+woorden volgde, verontschuldig ik mij hiermede dat het van begin af
+niet mijne bedoeling was eene andere dan de volkstaal te schrijven:
+zoodat, aangezien de woorden welke volgden op de aangehaalde, allen in
+het Latijn waren, het buiten mijne bedoeling zoude vallen wanneer ik
+ze nederschreef: en ik weet dat deze mijn grootste vriend, tot wien
+ik dit schrijf, dezelfde bedoeling heeft, dat wil zeggen dat ik hem
+schrijve alleenlijk in de volkstaal.
+
+
+
+§ XXXI.
+
+Nadat mijne oogen een tijdlang geweerd hadden en zòò vermoeid waren
+dat ik door hen niet langer mijn droefenis kon uitstorten, bedacht
+ik te trachten haar uit te storten door eenige klagelijke woorden;
+en daarom nam ik mij voor eene canzone te maken, in welke ik klagende
+zou verhalen van haar, door wie eene zoo groote smart tot verwoesteres
+van mijne ziel gemaakt was, en ik begon toen eene canzone welke begint:
+"Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart...." En opdat deze canzone
+aan het slot meer verweduwd moge lijken, zal ik haar verdeelen vòòr
+ik haar neerschrijf: en deze manier zal ik in het vervolg volhouden.
+
+ Ik zeg dat deze ongelukkige canzone drie gedeelten heeft: het
+ eerste is eene voorrede; in het tweede spreek ik over hààr;
+ in het derde spreek ik medelijdend tot mijn lied. Het tweede
+ begint hier: "Zoo woont de zaalge...."; het derde hier: "Mijn
+ klaaglijk Lied...." Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in
+ drieën; in het eerste zeg ik wat mij beweegt te spreken; in het
+ tweede zeg ik tot wie ik spreken wil; in het derde zeg ik van wie
+ ik spreken wil. Het tweede begint hier: "En wijl ik weet....";
+ het derde hier: "En u verhalen....". Vervolgens, wanneer ik zeg:
+ "Zoo woont de zaalge....", spreek ik van hààr; en hierover maak
+ ik twee gedeelten: in het eerste zeg ik de reden waarom zij ons
+ ontnomen werd; daarna zeg ik hoe men klaagt over haar verscheiden,
+ en dit gedeelte begint hier: "Haar zuivre ziel...." Dit gedeelte
+ kan worden verdeeld in drieën: in het eerste zeg ik wie haar
+ niet beweent; in het tweede zeg ik wie haar wel beweent;
+ in het derde verhaal ik mijnen eigen toestand. Het tweede
+ begint hier: "Maar om zijn diepe smart...."; het derde hier:
+ "Met zuchten zwaar". Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn klaaglijk
+ lied...." spreek ik tot mijne canzone, haar aanwijzend tot welke
+ vrouwen zij gaan moet, en dat zij bij hen moet blijven.
+
+
+ Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart,
+ Hebben zooveel geleden door lang weenen,
+ Dat voor altijd hun werking schijnt verstoord;
+ Dus, wil ik mij bevrijden van die smart
+ Die langzaam, langzaam leidt ten doode henen,
+ Moet ik 't beproeven met mijn klagend woord.
+ En wijl ik weet hoe 't ééns mij heeft bekoord
+ Van mijn Meestres, nog niet van de aard ontweken,
+ Tot u te zingen, vrouwen, schoon en zacht,
+ Wil 'k, naar ik vroeger placht,
+ Ook nu tot eedler vrouwen harten spreken
+ En u verhalen in mijn droeve klacht,
+ Hoe ze onverwacht ten hemel is getogen
+ En met mij Amor liet van smart gebogen.
+
+ Zoo woont de zaalge Beatrice [83] omhoog;
+ In 't rijk der englen toeft ze in eeuwgen vrede
+ En liet ook u, gij vrouwen, hier alleen.
+ Geen kou noch hitte was 't die haar bedroog
+ En nam, als zooveel anderen, haar mede;
+ Maar 't was haar groote nedrigheid alleen,
+ Die straalde zulk een glorie rond haar heen
+ En zoo den hemel met haar glans doorlichtte,
+ Dat God, verbaasd om 't wonder dat hij schiep,
+ Voor zijn verlangen diep
+ Naar zooveel heil en heerlijkheden zwichtte
+ En haar van de aard voor altijd tot zich riep. [84]
+ Want wèl ook wist hij dat dit moeizaam leven
+ Niet waardig was een schoonheid zòò verheven.
+
+ Haar zuivre ziel, vol van genade [85] leeft,
+ Nu zij het lieflijkst lichaam heeft verlaten,
+ Verklaard in 't harer schoonheid waardig oord.
+ Wie niet om haren dood moet weenen heeft
+ Een hart van steen, zoo slecht en zoo verwaten
+ Dat het naar ootmoed nimmer heeft gehoord.
+ Geen laag gemoed, door hoogste kunst gespoord,
+ Kan zich maar iets verbeelden van haar wezen;
+ Zoodat geen rouw noch weedom het benart.
+ Maar om zijn diepe smart
+ Zuchtend en klagend moet te sterven vreezen,
+ En van àl troost berooft zijn droevend hart,
+ Wie gansch doorgrondt in zijn verlaten droomen,
+ Hoe schoon zij was en hoe ze ons werd ontnomen.
+
+ Met zuchten zwaar beklage ik mijnen nood,
+ Wanneer mijn geest, van droefenis bevangen,
+ Herroept het beeld dat dus mijn hart verscheurt.
+ En dikwijls wen ik peins over den dood,
+ Welt in mij op zòò smachtend-zoet verlangen,
+ Dat mijn gelaat reeds als ten doode ontkleurt.
+ En vat ik gansch waarom mijn ziele treurt,
+ Dan kwelt me een heir van smarten van al zijden,
+ Zoodat ik krimp van pijn om wat ik lijd
+ En zinloos klaag en krijt
+ En moet de menschen diepbeschaamd vermijden.
+ En weenend roep ik in mijn eenzaamheid:
+ "O Beatrice, gingt ge waarlijk henen?"
+ Dan troost haar naam me, als waar' zij zelf verschenen.
+
+ Tranen van rouw en zuchten van verdriet
+ Waar ik ook toef mijn eenzaam hart verweeken,
+ Dat elk zou weenen die mijn lijden zag.
+ Hoe nu mijn leven in droefnis vervliedt
+ Sinds mijn Meestres ten hemel is ontweken:
+ Geen tong die 't ooit te schilderen vermag.
+ Daarom, gij Vrouwen, zou geen zelfbeklag
+ U kunnen zeggen hoe mij 't harde leven
+ Verwondt en met herinnring kwelt en pijnt
+ En hoe mijn ziel dus kwijnt
+ Dat iedereen: "U heb ik opgegeven"
+ Ziet hij mijn lippen veeg, te zeggen schijnt.
+ Maar zoo mijn woorden 't u al niet vertelden:
+ Zìj ziet mijn leed en zal 't mij ééns vergelden.
+
+ Mijn klaaglijk Lied, van tranen zwaar, nu ga,
+ En zoek opnieuw die maagdekens en vrouwen,
+ Wier liefelijk vertrouwen
+ Uw zusters menigmaal hebben verblijd.
+ Nu ga! maar gij, die Droefnis' dochter zijt,
+ Blijf gij bij hen, ontroostbaar, voortaan rouwen.
+
+
+
+§ XXXII.
+
+Nadat deze canzone geschreven was, kwam er iemand tot mij die volgens
+de graden der vriendschap mijn vriend was onmiddellijk volgende op
+dien grootsten: en deze was door bloedverwantschap zoo nauw verbonden
+aan de glorierijke, dat niemand haar nader stond [86]. En toen hij
+bij mij was om mij te spreken, verzocht hij mij of ik voor hem iets
+wilde zeggen over eene dame die gestorven was; en hij veinsde zijne
+woorden, opdat het zou schijnen alsof hij over eene andere sprak,
+die korteling gestorven was: waarop ik, bemerkende dat hij alleenlijk
+sprak over de gebenedeide, hem toezegde te zullen doen wat zijn verzoek
+mij vroeg. Waarop ik, hierover nadenkende, mij voornam een sonnet te
+schrijven, waarin ik ietwat klaagde en dit te geven aan dezen mijnen
+vriend, opdat het schijnen zou als hadde ik het voor hem gemaakt; en
+ik schreef daarop dit sonnet: "O komt en luistert naar mijn zuchte'
+en klachten...."
+
+ Hetzelve heeft twee gedeelten: in het eerste roep ik de getrouwen
+ der Liefde aan opdat zij naar mij luisteren mogen; in het tweede
+ verhaal ik van mijnen ellendigen toestand. Het tweede begint hier:
+ "Hen dank ik 't...."
+
+
+ O komt en luistert naar mijn zuchte' en klachten,
+ Gij eedle harten: Meelij roept u aan!
+ Hen dank ik 't, die zoo gansch ontroostbaar gaan,
+ Dat ik in stille smart niet moet versmachten.
+
+ Want ach, mijn oogen zijn niet meer bij machte
+ Te storten schuldgen tol van traan op traan,
+ En zoo mijn leed--zij hebben 't lang gedaan--
+ Om mijne Vrouwe rouwend te verzachten.
+
+ Zoo luistert hoe mijn wanhoop rustloos krijt
+ Om haar, wier schoone lieflijkheden gloren
+ Daar, waar alleen haar deugd vond waardge woon.
+
+ En raadloos zult ge mij beklagen hooren
+ Het leven dat mijn eenzaam harte lijdt
+ Nu al zijn heil en zaligheid ontvloôn.
+
+
+
+§ XXXIII.
+
+Toen ik dit sonnet geschreven had, overwegende wie degene was wien
+ik het wilde geven als ware het voor hem gemaakt, leek het mij toe
+dat deze dienst armelijk was en schamel jegens iemand die zoo nauw
+verwant was aan de glorierijke. En daarom schreef ik, alvorens ik
+hem het bovenstaande sonnet gaf, nog twee stanza's eener canzone; de
+eene werkelijk voor hem en de andere voor mijzelf, ofschoon beide voor
+éénzelfden persoon geschreven lijken voor wie niet scherp toeziet. Maar
+wie ze scherp beschouwt, ziet zeer goed dat er twee verschillende
+personen in spreken; voorzoover de een niet spreekt als van zìjne
+Vrouwe, doch de ander wel, gelijk duidelijk blijkt. Deze canzone en
+dit sonnet gaf ik hem, hem zeggende dat ik ze voor hem gemaakt had.
+
+ De canzone begint: "Altijd, eilaas!" en heeft twee gedeelten:
+ in het eene, dat wil zeggen in de eerste stanza, klaagt deze
+ mijn dierbare vriend, aan haar vermaagschapt; in het tweede
+ klaag ik zelf, dat wil zeggen in de tweede stanza, welke begint:
+ "Zoo mengen zich...." En zoo blijkt het dat in deze canzone
+ twee personen klagen, de een van welke klaagt als haar broeder,
+ de ander als haar dienaar. En dit is de canzone, welke begint:
+
+
+ Altijd, eilaas! wanneer ik val aan 't peinzen
+ Dat ik hier nimmermeer
+ De Vrouwe weer zal zien die mij ontviel,
+ Ziet zulk een heir van pijnen rondom grijnzen
+ Mijn overdroeve ziel,
+ Dat ik mijzelven vraag: "Waarom begeer
+ Ik nog dit leed te dragen dat zoozeer
+ Mij pijnt en tot een last maakt heel dit leven,
+ Dat ik, vervuld van smart en vreeze groot,
+ Aanroep den zoeten Dood,
+ Of hij mij eindlijk rust en vree zal geven;
+ Zeggend: O kom! zòò gaarn ben ik bereid,
+ Dat ik nu elken stervende benijd."
+
+ Zoo mengen zich mijn mijmerdroeve zuchten
+ Tot ééne stage klacht,
+ Die in den Dood mijn eenge troost begroet.
+ Tot hèm voortaan al mijn verlangens vluchten,
+ Sedert mijn Vrouwe zoet
+ Mij werd ontnomen door zijn wreede macht
+ En harer schoonheid heerelijke pracht
+ Omhoog, nu zij van ons gezicht moest scheiden,
+ Ontbloeide tot een blanke heiligheid,
+ Die Liefde's licht verspreidt
+ Eeuwig tot aller engelen verblijden:
+ Want zelfs hun hoogen, zuivren geest verheugt
+ Het wonder van zòò liefelijke deugd.
+
+
+
+§ XXXIV.
+
+Op dien dag waarop een jaar vervuld was sinds deze Vrouwe onder de
+burgers van het eeuwig Rijk werd opgenomen, was ik ergens gezeten
+alwaar ik, in herinnering aan haar verzonken, een engel teekende
+[87] op een zeker tafeltje; en terwijl ik deze teekende sloeg ik de
+oogen op en zag naast mij eenige mannen, welken ik eerbied behoorde
+te betoonen. En zij keken naar hetgeen ik deed en, naar wat mij later
+gezegd werd, hadden zij daar reeds eenigen tijd gestaan eer ik hen
+bemerkte. Toen ik hen zag stond ik op, en groetende zeide ik tot
+hen: "Een ander was juist bij mij en daarom peinsde ik." Waarop ik,
+nadat deze vertrokken waren, tot mijne bezigheid terugkeerde, dat wil
+zeggen tot het teekenen van engelengedaanten. Zulks doende kwam mij
+de gedachte woorden op rijm te zeggen als ter verjaring van hààr en
+te schrijven tot hen die tot mij gekomen waren: en ik schreef toen
+dit sonnet, hetwelk begint: "Weer zag mijn ziel...." en hetwelk twee
+beginkwatrijnen heeft [88], zoodat ik het zal verdeelen volgens het
+eene en volgens het andere.
+
+ Ik zeg dat volgens het eerste dit sonnet drie gedeelten heeft:
+ in het eerste zeg ik dat mijne Vrouwe reeds in mijne herinnering
+ was; in het tweede zeg ik wat de Liefde mij dientengevolge aandeed;
+ in het derde spreek ik van de uitwerkingen der Liefde. Het tweede
+ begint hier: "Ook Amor voelde...."; het derde hier: "Zij togen
+ uit mijn borst...." Dit gedeelte kan worden verdeeld in tweeën:
+ in het eene zeg ik dat alle mijne zuchten sprekende uittogen; in
+ het tweede zeg ik hoe enkele zekere woorden spraken verschillend
+ van de andere. Het tweede begint: "Maar zij die 't diepste...." Op
+ dezelfde wijze kan het worden verdeeld volgens het tweede begin,
+ behalve dat ik dan in het eerste gedeelte zeg op welk oogenblik
+ mijne Vrouwe in mijne herinnering was gekomen, en dit zeg ik niet
+ in het andere begin.
+
+
+ Eerste begin.
+
+ Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen
+ Dier Vrouwe, die om haar ootmoedigheid,
+ God wonen deed waar hoogst-gebenedeid
+ Maria troont onder de nedrigst-vroomen.
+
+
+ Tweede begin.
+
+ Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen
+ Dier Vrouwe om wie de Liefde zelve schreit;
+ Toen gij, als lokte u hare lieflijkheid,
+ Kwaamt tot me en zaagt wat mij zoo stil deed droomen.
+
+ Ook Amor voelde die herinnring komen,
+ En in mijn hart ontwaakt, vol droevigheid,
+ Sprak tot mijn zuchten hij: "Nu gaat en schreit"
+ En nauwlijks konden zij hun smart betoomen.
+
+ Zij togen uit mijn borst weenende heen,
+ En telkenmale als ik hen hoorde bracht
+ Hun droeve roep de tranen mij in de oogen;
+
+ Maar zij die 't diepste leden zeiden zacht:
+ "O eedle geest! 't is heên een jaar geleên
+ Dat gij verklaard ten hemel zijt getogen."
+
+
+
+§ XXXV.
+
+Eenigen tijd hierna, toen ik mij bevond op eene plaats alwaar ik
+mij den vervlogen tijd in herinnering bracht, was ik zeer peinzend
+en zoozeer vervuld met smartelijke gedachten dat zij mij uiterlijk
+deden vertoonen een gelaat vol schrikkelijke verbijstering. Waarop ik,
+mijne verandering gevoelend, de oogen opsloeg om te zien of iemand mij
+gezien had. Toen zag ik dat eene edele dame, jong en zeer schoon, voor
+een venster zeer medelijdend, naar haren aanschijn te oordeelen, naar
+mij keek; zoodat alle deernis in haar vereenigd scheen [89]. Vandaar
+dat,--aangezien ongelukkigen, wanneer zij medelijden met hen bij
+anderen zien, spoediger beginnen te weenen, alsof zij met zichzelf
+medelijden hebben--ik in mijne oogen het verlangen gevoelde te gaan
+weenen; en dus, vreezende mijn ellendig leven te toonen, ging ik
+heen uit de oogen dier teedere; en ik zeide daarop in mijzelf:
+"Het kan niet anders of bij deze deernisvolle Vrouwe woont de
+edelste liefde." En hierop nam ik mij voor een sonnet te schrijven,
+in hetwelk ik zou spreken tot haar en in hetwelk ik vervatten zou
+al wat ik hier verhaald heb. En omdat het door deze verklaring reeds
+voldoende duidelijk is, zal ik het niet verdeelen. Het sonnet begint:
+
+
+ Mijn oogen zagen 't zoete mededoogen
+ Lichten over uw stil en bleek gelaat,
+ Toen gij aanschouwdet mijn verslagen staat
+ En mijn gestalte, door de smart gebogen.
+
+ Ik dacht: "Dus heeft mijn donker leed bewogen
+ Haar, die zoo deernisvol mij gadeslaat."
+ En vreezend in mijn hart voor het verraad
+ Van gansch mijn zwakheid door mijn weenende oogen,
+
+ Wendde ik van u mijn angst-beschaamde blikken,
+ Wijl traan op traan van niet te stillen smart
+ Opwelde als door uw deerenis ontkluist.
+
+ En tot mijn droeve ziel zeide ik: "Wel huist
+ De Liefde in dezer Vrouwe teeder hart,
+ Dat hij haar blik zoo overdroef doet snikken."
+
+
+
+§ XXXVI.
+
+Het geviel nu dat telkenkeer dat deze Vrouwe mij zag, zij een
+medelijdend gelaat en eene bleeke kleur, als van liefde, aannam:
+zoodat zij mij herhaaldelijk deed herinneren aan mijne edele Vrouwe,
+die steeds diezelfde kleur vertoonde. En het is een feit dat ik
+dikwijls, niet kunnende weenen, noch mijne droefenis uitstorten,
+heenging om deze deernisvolle Vrouwe te zien, die naar het scheen
+door haren blik de tranen uit mijne oogen trok. En daardoor kwam
+mij ook de begeerte iets er over te zeggen, sprekende tot haarzelf;
+en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Nooit deden Liefde...." en
+het is begrijpelijk zonder dat ik het verdeel, door zijne voorgaande
+verklaring. En dit is het:
+
+
+ Nooit deden Liefde en Medelijden bleeken
+ Een schooner aanschijn, meer bewondrenswaard,
+ En nooit heeft zulk een teedre glans verklaard
+ Stil-droevende oogen, 'wijl hun tranen leken,
+
+ Dan wen, als woudt ge om hulpe voor mij smeeken,
+ Uw blik op mijn ellendig wezen staart,
+ Zoodat mijn hart soms vreezen moet als waar 't
+ Om u verdeeld en van zijn heil geweken.
+
+ Ik kan mijn brandende oogen niet verweren
+ Dat zij verlangend dikwijls wenden heen
+ Tot u, wier blik hun tranenvloed bevrijdt;
+
+ Want u aanschouwend is weenen alleen
+ 't Hen ganschelijk verteerende begeeren,
+ Schoon onvervuld zoolang ge aanwezig zijt.
+
+
+
+§ XXXVII.
+
+Ik kwam tot zoover door den aanblik dezer Vrouwe dat mijne oogen
+begonnen zich al te zeer te verheugen wanneer zij haar zagen; zoodat
+ik dikwijls mij er over kwelde in mijn hart en mijzelf wel voor zeer
+laag hield; en nog herhaaldelijker vloekte ik de ijdelheid mijner
+oogen en zeide tot hen in mijne gedachten: "Vroeger placht ge te doen
+weenen al wie uwen droevigen toestand zagen en nu schijnt ge dit te
+willen logenstraffen door deze Vrouwe, die u aanziet, die u echter
+alleenlijk aanziet voorzooverre zij denkt aan de glorierijke Vrouwe
+over wie gij placht te weenen; doch wat ge doen kunt doet dat maar,
+want ik zal u dikwijls genoeg aan haar herinneren, vermaledeide oogen;
+want nooit, dan slechts na den dood, behoordet ge uwe tranen te doen
+verdrogen". En toen ik in mijzelf aldus tot mijne oogen had gesproken,
+besprongen mij wederom zware en bange zuchten. En opdat deze strijd
+welke in mij gevoerd werd niet slechts alleen bekend bleve aan den
+ongelukkige die hem gevoelde, nam ik mij voor een sonnet te maken
+en in hetzelve dezen verschrikkelijken toestand te vervatten, en ik
+schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Gij oogen mijn....",
+
+ en het heeft twee gedeelten: in het eerste spreek ik tot mijne
+ oogen zooals mijn hart in mijzelf sprak; in het tweede neem
+ ik een zekeren twijfel weg door te openbaren wie het is die
+ aldus spreekt; en dit gedeelte begint hier: "Zoo spreekt mijn
+ hart...." Men zoude ook zeer wel meerdere verdeelingen kunnen
+ aannemen, maar zij zouden overbodig zijn, omdat het duidelijk is
+ door de voorgaande verklaring.
+
+
+ Gij oogen mijn, die om mijn droefnis schreiden
+ Zoo bitterlijk en staag nu reeds zoo lang,
+ Ge zaagt hoe dikwijls ge ook langs andrer wang
+ Deedt tranen vloeien van diepst medelijden.
+
+ Vergeten hebt ge, schijnt wel, heel uw lijden;
+ Want ach, ik heb, voor zooveel pijnen bang,
+ U niet genoeg herinnerd aan dien drang
+ Tot hààr, aan wie ge alleenlijk u moest wijden.
+
+ Zoozeer ontrust nu mijn beschaamd geweten
+ Uwe ijdelheid dat ik in vreeze groot
+ Den aanblik ducht dier deernisvolle vrouw.
+
+ Want nooit behoordet, dan slechts in den dood,
+ Gij onze doode Vrouwe te vergeten.--
+ Zoo spreekt mijn hart en zucht in zwaar berouw.
+
+
+
+§ XXXVIII.
+
+De aanblik dezer Vrouwe bracht mij in zulk eenen vreemden toestand, dat
+ik dikwijls aan haar dacht als aan iemand die mij al te zeer bekoorde;
+en ik dacht over haar aldus: "Deze is eene lieflijke Vrouwe, schoon,
+jong en wijs, en wellicht verschenen door den wil der Liefde, opdat
+mijn leven rust zoude vinden." En dikwijls genoeg dacht ik over haar
+nog teerder, zoozeer dat mijn hart er mede instemde, dat wil zeggen
+met deze gedachten. Maar wanneer het aldus had toegestemd, begon
+ik, als door de Rede daartoe aangespoord, opnieuw te overpeinzen
+en zeide in mijzelf: "Eilaas, welk eene gedachte is deze, welke mij
+op eene zoo lage wijze wil troosten en mij haast niets anders laat
+denken!" Dan verhief zich eene andere gedachte en zeide: "Nu ge in zoo
+groote beproeving geweest zijt, waarom wilt gij u niet terugtrekken
+uit zulke bitterheid? Gij ziet dat dit eene inblazing der Liefde is
+welke de begeerten der Liefde met zich brengt en welke komt van eene
+zoo lieflijke zijde als de oogen dezer Vrouwe die zich zoo deernisvol
+heeft betoond." Zoodat ik, na aldus herhaaldelijk in mijzelf te hebben
+gestreden, er eenige woorden over zeggen wilde; en omdat diegenen in
+dien strijd van gedachten overwonnen welke voor hààr spraken, scheen
+het mij dat ik tot haarzelf moest spreken; en ik schreef dit sonnet,
+hetwelk begint: "Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte....". En ik
+zeg "lieflijke" omdat zij sprak over eene lieflijke Vrouwe, ofschoon
+zij overigens allerlaagst was. In dit sonnet onderscheid ik in mijzelf
+twee deelen, naarmate mijne gedachten verdeeld waren. Het eene noem
+ik hart, dat wil zeggen begeerte; het andere noem ik ziel, dat wil
+zeggen Rede; en ik zeg wat het eene aan het andere zegt. En dat het
+juist is de Begeerte "hart" te noemen en de Rede "ziel", is duidelijk
+genoeg voor hen van wie het mij lief is dat zij het begrijpen. Het
+is waar dat ik in het voorgaande sonnet de partij van het hart kies
+tegen de oogen, en dit schijnt in strijd met wat ik nu zeg; en daarom
+zeg ik dat ik ook dààr het hart als Begeerte heb verstaan, aangezien
+mijn verlangen om te denken aan mijne allerlieflijkste Vrouwe toch
+grooter was dan dat om die andere te zien, ofschoon ik daartoe wel
+eenige begeerte gevoelde, welke echter nog licht scheen; zoodat de
+eene uitspraak niet in strijd is met de andere.
+
+ Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste begin ik met tot
+ die Vrouwe te zeggen hoe mijn verlangen zich geheel en al tot haar
+ keert; in het tweede zeg ik hoe de ziel, dat wil zeggen de Rede,
+ spreekt tot het hart, dat wil zeggen de Begeerte; in het derde
+ zeg ik hoe dit antwoordt. Het tweede gedeelte begint hier: "Dies
+ vraagt mijn ziel..."; het derde hier: "En 't antwoordt haar...."
+
+
+ Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte,
+ Van u vervuld, toeft bij mij menigmaal,
+ En spreekt van liefde zulk een zoete taal
+ Dat zij mijn hart met haar doet medesmachten.
+
+ Dies vraagt mijn ziel aan 't hart: "Wie is die zachte,
+ Die wil dat troost en vree weer in ons daal'?
+ Dat niets in ons nog naar iets anders taal',
+ Tot zulke werking is haar deugd bij machte?"
+
+ En 't antwoordt haar: "Eilaas, bezorgde ziel,
+ Een nieuwe boô der Liefde kwam getogen,
+ Die van een nieuw verlangen mij vertelt;
+
+ En heel zijn leven, heel zijn sterk vermogen,
+ Straalt uit den blik dier deernisvolle ziel
+ Wie 't leed om ònze martelingen kwelt.
+
+
+
+§ XXXIX.
+
+Tegen dezen tegenstander der Rede verhief zich op eenen dag, omstreeks
+het negende uur, eene sterke verbeelding in mij; het scheen mij
+namelijk dat ik de glorierijke Beatrice aanschouwde, met dit lichtroode
+kleed, in hetwelk zij voor het eerst mijnen oogen verschenen was;
+en zij leek mij zeer jeugdig, van denzelfden leeftijd als toen
+ik haar voor het eerst zag. Daarop begon ik over haar te peinzen,
+en mij alles herinnerende volgens de orde des tijds, begon mijn hart
+smartelijk zijne begeerte te berouwen, door welke het zich zoo lagelijk
+eenigen tijd had laten in bezit nemen, in strijd met de bestendigheid
+der Rede. En, dusdanige slechte begeerte geheel verdreven hebbende,
+wendden zich al mijne gedachten wederom tot hunne allerlieflijkste
+Beatrice. En ik zegge dat ik van toen af zoozeer aan haar begon te
+denken met heel mijn hart vol schaamte, dat mijne zuchten het dikwijls
+openlijk getuigden, aangezien bijna allen bij hun uitgaan zeiden wat in
+mijn hart gesproken werd, dat wil zeggen den naam der Allerlieflijkste
+en hoe zij van ons verscheidde. En dikwijls gebeurde het dat eene
+gedachte zooveel smart medebracht, dat ik haarzelf vergat en eveneens
+waar ik mij bevond. Door deze wederopleving mijner zuchten ontwaakte
+ook het weenen, hetwelk had opgehouden, op zulk eene wijze dat mijne
+oogen twee dingen geleken welke niets anders begeerden dan te weenen:
+en dikwijls gebeurde het dat, door hun lang voortgezet weenen, rondom
+hen een purperen kleur zich vertoonde, gelijk te verschijnen pleegt bij
+iemand die den marteldood sterft: waaruit blijkt dat zij waardiglijk
+voor hunne ijdelheid werden gestraft; zoodat zij sindsdien niemand
+zouden hebben kunnen aanzien die naar hen mocht kijken op eene wijze
+welke hen tot eene dergelijke afdwaling hadde kunnen bewegen. Waarop
+ik, wenschende dat het bleek dat deze begeerte en ijdele bedoeling
+inderdaad vernietigd waren, en wel zoo, dat de berijmde woorden welke
+ik daarvòòr geschreven had, tot geen enkelen twijfel meer aanleiding
+zouden kunnen geven, mij voornam een sonnet te maken, in hetwelk ik den
+zin van het hier gezegde zou vervatten. En ik schreef toen: "Eilaas,
+door veler zuchten stage klacht...." En ik zeide "Eilaas" omdat ik mij
+er over schaamde dat mijne oogen aldus ijdellijk gedwaald hadden. Dit
+sonnet verdeel ik niet omdat zijne verklaring duidelijk genoeg is.
+
+
+ Eilaas! door veler zuchten stage klacht,
+ Uit 's harten droef herinneren geboren,
+ Hebben mijn oogen zwak de kracht verloren
+ Den blik te zoeken die hun groet verwacht.
+
+ 't Is of in hen slechts één verlangen smacht:
+ In tranen iedren lach van vreugd te smoren;
+ Een vuurgen kring doet Liefde rond hen gloren,
+ Gelijk de kroon die martelaren wacht.
+
+ De zuchten en gepeinzen mijner rouwe
+ Vervullen zòò mijn weedomzware hart
+ Dat Amor zwijmt van droefheid overgroot,
+
+ Omdat hij hen, de stille boôn der Smart,
+ Den zoeten naam hoort fluistren mijner Vrouwe
+ En woorden, ach, over haar vroegen dood.
+
+
+
+§ XL.
+
+Na deze beproeving [90] geschiedde het--in dien tijd waarop veel
+volks kwam om de gebenedeide beeltenis te zien, welke Jezus Christus
+ons heeft achtergelaten van zijn allerschoonst gelaat [91], hetwelk
+nu mijne Vrouwe in glorie aanschouwt--dat een aantal pelgrims door
+eene straat trokken, welke nagenoeg midden door de stad liep waar de
+Allerlieflijkste werd geboren, leefde en stierf; en zij gingen, naar
+het mij toescheen, ernstig peinzend. Waarop ik, over hen denkende, in
+mijzelf zeide: "Deze pelgrims schijnen mij van zeer verre te komen en
+ik geloof niet dat zij zelfs over deze Vrouwe hebben hooren spreken;
+zij weten van niets; veeleer zijn hunne gepeinzen over andere zaken
+dan over haar hier; misschien denken zij aan hunne verre vrienden,
+die wij niet kennen." Daarop zeide ik in mijzelf: "Ik weet dat,
+wanneer zij uit eene naburige streek kwamen zij in eenig opzicht
+in hun uiterlijk bedroefd zouden schijnen, aldus midden door de
+bedroefde stad gaande." Daarop zeide ik in mijzelf: "Indien ik hen
+eene wijle kon ophouden, zoude ik hen zekerlijk doen weenen alvorens
+zij deze stad verlieten, omdat ik woorden zou zeggen die wien ook
+die ze hoorde zoude doen weenen." Waarop ik, nadat zij uit mijn
+gezicht waren voorbij gegaan, mij voornam een sonnet te schrijven,
+in hetwelk ik zou openbaren datgene, wat ik in mijzelf gezegd had;
+en opdat het nog klagelijker zoude schijnen, nam ik mij voor het te
+schrijven alsof ik tot hen gesproken had; en ik schreef dit sonnet,
+hetwelk begint: "Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat....". En
+ik zeide "pelgrims" in de ruime beteekenis van het woord: want
+"pelgrims" kan in dubbelen zin verstaan worden, eenen ruimen en
+eenen engen; in ruimen voorzoover ieder die buiten zijn vaderland
+toeft pelgrim is; in engeren heet slechts diegene pelgrim die naar
+het huis van den heiligen Jacobus gaat of er vandaan komt. En voorts
+wete men dat de lieden die naar den dienst des Allerhoogsten tijgen
+op drie wijzen kunnen worden genoemd: zij heeten "Palmdragers" voor
+zoover zij overzee gaan, vanwaar zij dikwijls palmbladen meebrengen;
+zij heeten "pelgrims" voor zoover zij naar het huis van Galizia
+[92] gaan, omdat het graf van den heiligen Jacobus verder van zijn
+vaderland verwijderd ligt dan dat van eenig ander apostel; zij heeten
+"Rome-gangers" voor zoover zij naar Rome gaan, waarheen ook zij,
+die ik hier pelgrims noemde, togen. Dit sonnet verdeel ik niet,
+omdat zijne verklaring het genoeg verduidelijkt.
+
+
+ Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat,
+ Verdiept wellicht in der herinnring droomen,
+ Zijt ge uit een land zòò vreemd en ver gekomen--
+ Als mij getuigt uw aanschijn en gewaad--
+
+ Dat niet de tranen langs uw bleek gelaat,
+ Nu gij doorschrijdt deez' stad der Rouwe, stroomen;
+ Als lieden die nog niets hebben vernomen
+ Van haar verlaten, deerniswaardgen staat?
+
+ Mijn zuchtend hart zegt mij met zekerheid
+ Dat, zoo ge bleeft om naar mijn klacht te hooren,
+ Ge niet dan weenend gaan zoudt van hier henen:
+
+ Haar Beatrice heeft zij, ach, verloren!
+ En ieder woord over haar lieflijkheid
+ Heeft het vermogen elkeen te doen weenen.
+
+
+
+§ XLI.
+
+Hierop zonden twee edele dames tot mij om mij te verzoeken dat
+ik hen eenige rijmen zenden mocht; waarop ik, denkende aan hunnen
+hoogen stand, mij voornam hen iets te zenden en tevens iets nieuws
+te maken, hetwelk ik hen met de andere zenden zou, opdat ik op
+meer waardige wijze hun verzoek vervulde. En ik schreef toen een
+sonnet, hetwelk mijnen staat verhaalde, en ik zond het hen, van
+het voorgaande vergezeld en van nog een ander, hetwelk begint:
+"O komt en luistert". Het sonnet, hetwelk ik toen maakte begint:
+"Boven die sfeer...."
+
+ hetwelk uit vijf gedeelten bestaat: in het eerste zeg ik
+ waarheen mijn geest gaat, hem noemend bij den naam van een zijner
+ uitwerkingen. In het tweede zeg ik waarom hij omhoog gaat, dat
+ wil zeggen wie hem aldus doet stijgen. In het derde zeg ik wat
+ hij aanschouwt, te weten eene Vrouwe die daarboven geëerd wordt,
+ en ik noem hem dan "pelgrim-geest" omdat hij geestelijk zoo hoog
+ stijgt en, gelijk een pelgrim, die buiten zijn vaderland is,
+ daar toeft. In het vierde zeg ik hoe hij haar aldus ziet, dat wil
+ zeggen van zulke hoedanigheid, dat ik deze niet kan begrijpen,
+ dat wil zeggen dat mijn geest opstijgt tot hare hoedanigheid in
+ zulk een graad dat mijn verstand het niet bevatten kan, aangezien
+ ons verstand zich verhoudt tot deze gelukzalige zielen gelijk ons
+ zwakke oog tot de zon; en dit zegt ook de Filosoof in het tweede
+ boek der Metaphysica. In het vijfde zeg ik dat, ofschoon ik niet
+ kan begrijpen waarheen mijn geest mij voert, namelijk tot hare
+ wonderbare hoedanigheid, ik toch tenminste dit begrijp dat heel
+ deze gedachte is van mijne Vrouwe, aangezien ik herhaaldelijk
+ haren naam in mijne gedachte hoor. En aan het slot van dit vijfde
+ gedeelte zeg ik: "Dan, vrouwen dier...." om te verstaan te geven
+ dat het vrouwen zijn tot wie ik spreek. Het tweede gedeelte
+ begint hier: "Een nieuw begrip...."; het derde hier: "En daar,
+ waarheen...."; het vierde hier: "Hij schouwt haar zòò...."; het
+ vijfde hier: "Maar 'k weet...." Men zoude het nog nauwkeuriger
+ kunnen verdeelen en nog nauwkeuriger doen begrijpen, maar deze
+ verdeeling kan volstaan en dus zal ik mij niet ophouden met het
+ nog verder te verdeelen. En dit is het sonnet, hetwelk hier begint:
+
+
+ Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt, [93]
+ Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen;
+ Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen
+ Mij deed heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.
+
+ En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt,
+ Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen;
+ Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d'eigen
+ Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt.
+
+ Hij schouwt haar dus, dat wen hij, weergekomen,
+ 't Verhalen wil, 't droef hart dat hem doet spreken
+ Niet vatten kan een taal zoo wonderbaar.
+
+ Maar 'k weet: van Beatrice komt hij spreken;
+ En heb ik haren zoeten naam vernomen,
+ Dan, vrouwen dier, is alles tòch mij klaar.
+
+
+
+§ XLII.
+
+Na dit sonnet verscheen mij een wonderbaarlijk gezicht [94], in
+hetwelk ik dingen zag welke mij deden besluiten niet meer over deze
+gebenedeide te spreken alvorens ik op eene waardiger wijze over haar
+zou kunnen handelen. En om dit te bereiken, beijver ik mij zooveel
+ik kan, gelijk zij wèl weet [95]. Zoodat, indien het Hem, door wien
+alles leeft, behaagt dat mijn leven nog eenige jaren dure, ik van
+haar hoop te zeggen wat nooit nog van eenige Vrouwe gezegd werd. En
+daarna moge het Hem, die de Heer aller Hoofschheid is, behagen dat
+mijne ziel henen ga om de glorie harer Vrouwe te zien, dat wil zeggen
+dier gebenedeide Beatrice, die verheerlijkt schouwt in het aangezicht
+van Hem, "qui est per omnia saecula benedictus" [96]. Amen.
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+AANHANGSEL
+
+GEDICHTEN VAN DANTE EN ENKELE ZIJNER VOORGANGERS EN TIJDGENOOTEN
+
+
+
+Dante
+
+
+ I.
+
+ Van vrouwen zag 'k een liefelijke schaar
+ Den dag van Allerheilgen laatstverleden;
+ En onder de allereersten zag ik haar,
+ Naast wie ter rechter Amor kwam geschreden.
+
+ Uit hare oogen brak een glans zóó klaar,
+ Dat zij een geest geleek wien vlammen kleedden;
+ Toen ik den moed had op te zien, voorwaar:
+ Het was me als zag 'k een engel nader treden.
+
+ Aan ieder die het waard was schonk een groet
+ Die zoete Vrouwe van haar zeegnende oogen
+ En vulde van haar deugden elks gemoed.
+
+ 'k Geloof dat zij den hemel is ontvlogen
+ Wijl ze ons op aarde ons heil reeds brengen moet:
+ O zalig zij, die haar nabij zijn mogen!
+
+
+
+ II.
+
+ Guido, ik wou dat Lapo en wij twee
+ Door toovermacht ons mochten saam bevinden
+ In 't zelfde scheepken dat op alle winden
+ Naar onzen wil kalm voortdreef over zee;
+
+ Zoodat geen toeval ooit stoorde onzen vree
+ En wind noch weder onzen tocht kon hindren;
+ Maar één verlangen steeds ons zou verbinden,
+ Sterker, hoe langer 't scheepken verder glee.
+
+ En 'k wou dat Monna Vanna en Lagia en zij
+ Die 't dertigst stond, voor altoos mochten varen
+ Met ons door zelfden goeden toovnaars macht;
+
+ En dat zij met ons spraken, dag en nacht,
+ Van Liefde, en dat zij even vredig waren
+ Als, dit geloof ik zekerlijk, ook wij.
+
+
+ Dit sonnet is, evenals dat in § XXIV der Vita Nuova, gericht
+ aan Guido Cavalcanti. Monna Lagia was de Vrouwe van den dichter
+ Lapo Gianni. Met "haar die 't dertigst stond"--een uitdrukking
+ die blijkbaar slaat op de serventese op de zestig schoonste
+ vrouwen der stad, waarvan in § VI wordt gesproken--is volgens
+ Bardi bedoeld Dante's "scherm-dame". Immers Beatrice kan zijn
+ uitverkorene voor dien tocht niet geweest zijn, omdat zij op
+ de "negende plaats" stond. Het sonnet is alweer geïnspireerd
+ door oudere troubadoursliederen, waarin de "goede toovenaar"
+ de vermaarde Merlijn is.
+
+
+
+ III.
+
+ Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren
+ Heb 'k Amor onafscheidelijk behoord:
+ En 'k weet hoe hij ons ment en zweept en spoort
+ En in zijn dwang ons lust noch droefheid sparen.
+
+ Wie waant dat Deugd of Rede hem vervaren,
+ Is als wie meent dat hij wen 't stormt behoort
+ De klok te luiden, wanende dat voort
+ De krijg van wind en wolken zal bedaren.
+
+ Want altijd in den kring van Amor's krijt,
+ Is Vrije Wil dùs door zijn macht gebonden
+ Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt;
+
+ Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden:
+ Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt,
+ De nieuwe volgt hij zoo hààr krachten zwonden.
+
+
+ Dit sonnet is Dante's antwoord op een sonnet van Cino da Pistoia,
+ waarin deze dichter hem vraagt of hij gelooft dat de dood den
+ ongelukkigen minnaar rust zal geven.
+
+
+
+ IV.
+
+ Dien weg langs dien de Schoonheid volgen moet,
+ Wil ze in het hart de Liefde doen ontwaken,
+ Zie ik Lisette stormende genaken--
+ Als waar 'k een burcht--in koenen overmoed.
+
+ Maar dan, gekomen aan dier veste voet,
+ Wier grendels slechts de willge ziel kan slaken
+ Hoort zij een stem: "Wil die bestorming staken;
+ Keer om gij Vrouwe, liefelijk en zoet.
+
+ Een andre heeft mijn geest reeds ingenomen;
+ Zij kreeg en greep de heerelijke roe
+ Van Amor zelf, zoodra zij was gekomen."
+
+ En heeft Lisette dit bescheid vernomen,
+ Zoo wendt zij om, droef en beschaamd te moe,
+ En 'k zie het rood haar wangen overstroomen.
+
+
+ Sommige commentatoren meenen dat de in dit sonnet genoemde Lisette
+ dezelfde is als de "Vrouwe aan het Venster". De aanvangregels doen
+ vermoeden dat het geschreven is nà het sonnet over de Liefde in
+ § XX.
+
+
+
+ V.
+
+ Tot korten dag en wijdgekringde schaduw
+ Ben 'k nu gekomen en 't witten der heuvlen,
+ Waar alle kleur verdwijnt in 't vale kruid;
+ Maar nòg verloor Verlangen niet zijn groen,
+ Wijl 't zóó diep wortelt in dien harden steen,
+ Die spreekt en voelt als ware hij een Vrouwe.
+
+ Aleveneens blijft deze jonge Vrouwe
+ Bevroren zooals sneeuw die ligt in schaduw;
+ Want evenmin ontdooit haar als een' steen
+ Het zoet getijde dat verwarmt de heuvlen
+ En weer hun wit verkeeren doet in groen,
+ Naar het met bloemen hen bekleedt en kruid.
+
+ Wen zij het hoofd omkranst met geurend kruid,
+ Verjaagt ze uit mijn gedachte elke andre Vrouwe;
+ Zóó schoon vervlecht zij 't golvend blond en 't groen,
+ Dat liefde zelf zich neerzet in hun schaduw;
+ En waar zij zit, tusschen twee lage heuvlen,
+ Mij vaster houdt dan kalk den metselsteen.
+
+ Haar schoon heeft grooter kracht dan eedle steen;
+ Voor wonden die zij toebrengt wast geen kruid;
+ Zoodat ik vluchten over vlakte en heuvlen
+ Moest om te ontkomen aan 't gevaar dier Vrouwe.
+ Maar nergens schenkt mij voor haar aanschijn schaduw
+ Hoogte noch muur, noch dichter wouden groen.
+
+ Ik zag haar eens, ganschelijk gekleed in groen;
+ Zòò schoon, dat zij gewekt hadde in een steen,
+ Die liefde die 'k gevoel reeds voor haar schaduw.
+ 'k Noodde in een dal haar, bont van bloemig kruid--
+ Als kon zij minnen 'lijk een andre Vrouwe--
+ Rondom besloten door geweldige heuvlen.
+
+ Doch éér vloeien de stroomen tot de heuvlen
+ Terug, eer ooit dit hout, sappig en groen,
+ Vlam vatte--als 't voegt toch zulk een schoone Vrouwe--
+ Aan mij; hoewel 'k wou slapen op een steen
+ Mijn leven lang en weiden 't wilde kruid,
+ Zoo 'k van haar kleed slechts schouwen mocht de schaduw.
+
+ Wanneer de heuvlen zwarten door de schaduw
+ Van 't zomergroen, doet deze jonge Vrouwe
+ Gelijk een steen haar schuil gaan onder 't kruid.
+
+
+ Deze sestina behoort tot de z.g. "steen-canzones", door Dante in
+ zijn tijd van overgave aan "ijdelheden van korte bate" na den
+ dood van Beatrice gewijd aan een zekere Pietra degli Scrovigni
+ (pietra = steen), over wier hardheid hij zich beklaagt. Sommigen
+ meenen echter dat deze canzones en ook de bovenstaande sestina
+ zuiver "allegorisch" bedoeld zijn. De wreede Pietra zou de stad
+ Florence zijn, liggend in een dal "rondom besloten door geweldige
+ heuvlen".--De vorm van dit gedicht is vòòr Dante in de Italiaansche
+ poëzie niet gebruikt. Dante zelf zegt dat hij hier den Provençaal
+ Arnaut Daniel navolgt.
+
+
+
+ VI.
+
+ Aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni.
+
+
+ Ik vloek den dag dat mij voor 't eerst verblijd
+ Het licht heeft dier verraderlijke oogen;
+ En 't uur dat ge in mijn hart gekomen zijt
+ En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen!
+
+ Ik vloek de vijl van mijn kunstvaardigheid,
+ Die blank sleep al dier schoone woorden logen,
+ Die 'k voor u vond en heb in rijm gerijd,
+ Opdat men eeuwig u zoude eeren mogen!
+
+ En 'k vloek mijn eigen waan-verwarden geest,
+ Die willoos aan de zware razernij
+ Zich vastklemt van uw schoone en schuldge leest,
+
+ Waarvoor zelfs Amor geenen meineed vreest;
+ Zoodat een ieder hem bespot, maar mij,
+ Die 't wiel van de fortuin wil wenden, 't meest.
+
+
+
+
+
+DANTE'S VOORGANGERS.
+
+
+
+Pier della Vigna († 1249)
+
+(Hij was minister van keizer Frederik II en een man van groot gezag,
+totdat hij, onder verdenking van verraad, in de gevangenis werd
+geworpen. Hij pleegde zelfmoord in 1249. Het onderstaande sonnet is,
+evenals het daarop volgende van Lentino, een antwoord op een sonnet
+van Jacopo Mostacci, den valkenier des keizers, die twijfel geuit
+had aan het bestaan der Liefde "omdat zij nooit zichtbaar verschijnt".)
+
+
+ Wijl Liefde nimmer zichtbaar is verschenen.
+ Als een lichamelijk en tastbaar ding,
+ Zijn er nog enkelen die dwaaslijk meenen
+ Dat liefde niets is dan begoocheling.
+
+ Maar wijl zij met een macht niet te verkleenen,
+ Heerscht in het hart van elken sterveling,
+ Moet men veel hooger waarde haar verleenen,
+ Dan zoo men haar kon zien als zichtbaar ding.
+
+ Hoe de magneet door zijn verborgen kracht
+ Het ijzer aantrekt kan geen mensch aanschouwen;
+ Toch trekt hij het, en onweerstaanbaar aan.
+
+ En dit heeft mij tot het geloof gebracht,
+ Dat liefde is en schenkt mij vast vertrouwen
+ Dat men dit ook gelooven blijft voortaan.
+
+
+
+Jacopo da Lentino († 1246)
+
+(Hij was notaris onder keizer Frederik II. Deze dichter is "de notaris"
+die met Buonagiunta en Guittone d'Arezzo bleef "aan gene zijde van
+den zoeten nieuwen stijl") (Louteringsberg XXIV 54-57).
+
+
+ Liefde is Begeerte, door het groot vermogen
+ Van welgevallen in het hart verwekt,
+ Het allereerst ontspringt de Liefde uit de oogen
+ En 't is het hart dat voedsel haar verstrekt.
+
+ Wel komt bijwijl die drang in ons getogen,
+ Zonder dat zichtbaar schoon hem tot zich trekt;
+ Maar schoonheid die we aanschouwen met onze oogen
+ Is 't toch die sterkste en hechtste liefde wekt;
+
+ Wijl de oogen aan het hart het goed en kwaad
+ Melden getrouwelijk van alle dingen,
+ Zooals Natuur hen altemaal formeert;
+
+ En 't hart dat deze taal terdeeg verstaat,
+ Voelt diepverheugd Begeerte in zich ontspringen:
+ En dat is Liefde, die den mensch regeert.
+
+
+
+Fra Guittone d'Arezzo († 1294)
+
+(Aanvankelijk schreef hij alleen minnepoëzie, maar op zijn 35ste jaar
+bekeerde hij zich, werd "broeder" van de religieus-militaire orde
+der Cavalieri gaudenti (vroolijke ridders) en wijdde zich sindsdien
+uitsluitend aan het boetedicht. Hij stond in hoog aanzien, ofschoon
+Dante deze bewondering niet deelt. In een gesprek met den grooten
+dichter Guinizelli (Louteringsberg XXVI, 124-126) zegt Dante over hem:
+
+"Aldus (nl. voorbarig prijzen) deden vele ouden met Guittone, de een
+den ander nasprekend om hem lof te geven, totdat met meer personen
+de waarheid hem heeft overwonnen.")
+
+
+ Aan de heilige Maagd Maria.
+
+ Vrouwe des Heils, wier glorie nooit kan enden,
+ Moeder van Jezus zoet, wiens heilge dood,
+ Ons te verlossen van der helle nood,
+ Den doem van 's eersten vaders val mocht wenden;
+
+ Zie hoe mij Amor's wreede knechten schenden
+ Met schichten scherp, aanschouw mijn foltring groot;
+ Moeder vol deernis, zachte bondgenoot,
+ Schut mij voor de vervolging zijner benden!
+
+ Vul van die ééne Liefde heel mijn wezen,
+ Die trekt de ziel naar haren oorsprong puur,
+ Zoodat der lusten strik mij niet weerhoudt;
+
+ Zulk middel slechts kan zulk een koorts genezen,
+ Zulk water slechts bluscht zulk een gloeiend vuur;
+ Met spijkers drijft met spijkers uit het hout.
+
+
+
+Chiaro Davanzati
+
+(Een Florentijnsch dichter, wiens werk valt tusschen 1260 en 1280)
+
+
+ Wanneer het stralend licht zijn glans komt spreiden
+ Zendt het zijn klaarheid tot in versten nacht;
+ De bleeke sterren dooven en verscheiden
+ Voor zijner schichten ùitblinkende kracht.
+
+ Zoo schenkt mijn Vrouwe met haar blik verblijden
+ Aan ieder die in donkre smarten smacht
+ En doet in vreugd verkeeren al hun lijden:
+ Zoo overgroot is harer deugden macht.
+
+ En als een stoet van dienende getrouwen
+ Volgen haar als der Hoofschheid keizerin,
+ Wijl ze aller licht is, alle andere vrouwen.
+
+ De schilders staren met verrukten zin
+ Haar aan wijl ze in haar schoon gelaat aanschouwen
+ Wat zij te schildren hopen tot een elks gewin.
+
+
+
+Guido Guinizelli (1220?-1276)
+
+(Van zijn leven is weinig meer bekend dan dat hij tot een aanzienlijk
+Bologneesch geslacht behoorde en in 1274 wegens zijn keizerlijke
+gezindheid werd verbannen. Hij was zeker de grootste dichter van
+zijn tijd en Dante heeft hem hoogelijk geprezen, staat dan ook zelf
+sterk onder zijn invloed. Kenmerkend is dat Guinizelli, stichter
+van den "zoeten nieuwen stijl", eerste "vergoddelijker" der Vrouw,
+door Dante op den Louteringsberg wordt aangetroffen onder hen die
+zich aan zinsgenot te buiten gingen. Als Guinizelli zich aan Dante
+bekend maakt, kan deze zich haast niet verzadigen van den aanblik van
+"den vader van mij en zoovele anderen die beter zijn dan ik, die ooit
+in rijmen, zoete en gevallige, spraken van minne." (L. B. XXVI 97-99)
+Guinizelli spreekt dan Dante aldus aan:
+
+
+ "....zeg mij wat de reden is waarom gij toont in uw spreken en
+ uw blikken mij lief te hebben."
+
+
+waarop Dante antwoordt:
+
+
+ "De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche spreekwijze
+ zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen dierbaar
+ maken." (108-114).)
+
+
+ I.
+
+ Het edel hart.
+
+ Het edel hart is Liefde's wijk en wapen,
+ Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart;
+ Niet heeft Natuur de Liefde 't eerst geschapen,
+ Noch eer dan Liefde 't Hart van eedlen aard.
+ Maar zooals mèt de zon
+ Van aanvang af het licht de ruimte kliefde,
+ Doch éér niet stralen kon;
+ Zoo woont in al wat edel is en puur
+ Vanzelf de zoete Liefde,
+ Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur.
+
+ Der Liefde vuur komt in 't eêl harte stralen
+ Als zuivre glans in kostelijken steen:
+ Geen ster kan tooverkracht in hem doen dalen
+ Eer hem het loutrend licht der zon bescheen.
+ Maar dan, wanneer dier kracht
+ Al 't slechte uit zijnen aard wegzengde en blaakte,
+ Krijgt ook de ster haar macht.
+ Zoo kan een vrouw in 't hart dat door Gods gloed
+ Tot eedle deugd ontwaakte,
+ Haar Liefde stralen als 't die sterre doet.
+
+ De Liefde heeft het edel hart tot woning
+ Zooals de vlam den top van de flambouw;
+ Zij straalt er fier tot eigen vreugd en looning,
+ Alsof zij nimmer anders branden zou.
+ Wie slecht is van natuur,
+ Vermag zoo min de Liefde te verdragen
+ Als water 't heete vuur.
+ Besloten ligt de Liefde in 't harte rein,
+ Als in verborgen lagen
+ Een diamant in 't ijzer eener mijn.
+
+ Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen:
+ 't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt.
+ "'k Ben edel van geboort", wie dùs kan pralen
+ Is als dit slijk, de Deugd is 't zonnegoud.
+ Geloove niemand ooit,
+ Dat adel buiten 't edel hart kan leven:
+ Wien konings hoogheid tooit
+ Blijft laag zelfs, zoo niet Deugd zijn hart doordringt,
+ Dat kaatse als water 't beven
+ Van sterrenglans die uit den hemel blinkt.
+
+ De Schepper straalt voor 's hemels Intellekten
+ In klaarder gloed dan voor ons oog de zon.
+ Ontfloersd aanzien ze 't Licht dat hen verwekte,
+ En in aanbidding voor der Waarheid bron,
+ Bereikt van aanvang af
+ Hun streven doel, naar Gods algoed beschikken.--
+ Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf
+ De waarheid van haar eedle deugd, die straalt
+ Uit hare zuivre blikken,
+ Aan mij die nimmer haar te minnen faalt!
+
+ Mijn Vrouwe, "Wat vermat ge u!" zal God spreken,
+ Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat.
+ "Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken,
+ Te plaatsen mij naast minne die vergaat?
+ Uw lof zij slechts gericht
+ Tot mij alleen en die genaderijke
+ Voor wie àl logen zwicht."
+ Maar 'k antwoord: "Met een engel die gìj zond,
+ Moest ik haar wel gelijken;
+ Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond."
+
+
+
+ II.
+
+ Aan Lucia.
+
+ Ik wil naar waarheid mijne Vrouwe loven,
+ Wier schoonheid roze en lelie bei gelijkt,
+ Ze is als de morgenster, als al wat boven
+ Ons schoon en stralend aan den hemel prijkt.
+
+ Al kleur en tint van bonte bloemenhoven,
+ Van lucht en groene beemden haar gelijkt,
+ Goud en lazuur voor haren glans verdooven
+ En Amor zelf schijnt door hààr schoon verrijkt.
+
+ Zij gaat, getooid van zòòveel lieflijkheden,
+ Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet
+ En elken heiden 't waar geloof zou schenken.
+
+ Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden.
+ Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet:
+ Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken.
+
+
+
+
+
+DANTE'S TIJDGENOOTEN
+
+
+Guido Cavalcanti (1250-1300)
+
+(Cavalcanti, een Florentijnsch edelman, was Dante's "grootsten
+vriend", zijn "secretaris", d.w.z. zijn geheimdrager, de eenige
+die, althans tijdens het leven van Beatrice, het geheim van Dante's
+liefde kende. Hij schijnt op Dante een grooten moreelen invloed te
+hebben gehad. Geschriften zijner tijdgenooten doen hem kennen als
+wispelturig in de liefde en los in het geloof, maar tevens als een
+man van groote gaven, vurig, edelmoedig, geleerd, trotsch en van
+eenzame hooghartigheid. Als dichter stond hij hoog in aanzien. Zijn
+metaphysische en zeer duistere canzone: "Donna mi priega" (Een
+Vrouwe vraagt mij), handelende over den aard der Liefde, werd veel
+bewonderd, besproken en gecommentarieerd, ook door theologen. "Een
+liefdezang", zegt Rossetti hiervan, "welke zulk een vliegenvanger
+blijkt voor priesters en pedanten, ziet er verdacht uit; maar het
+feit dat hij geschreven werd door een man wiens leven en werken toch
+zooveel impulsiefs en reëels bevatte, is teekenend voor dien tijd van
+jonge scholastieke geleerdheid". Ook Dante had groote bewondering
+voor zijn vriend. Op den Louteringsberg, waar hij spreekt over de
+vergankelijkheid van den roem (XI. 96-99) schijnt hij Cavalcanti
+boven Guinizelli te stellen, en zichzelf boven die beiden:
+
+"Aldus heeft de eene Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en
+wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.")
+
+
+ I
+
+ Aan Vanna.
+
+ Wie is zij, wier bewonderd nadren doet
+ De lucht van tintlende verwachting beven;
+ Die Amor met zich voert, zoodat begeven
+ Van alle woorden elkeen zuchten moet?
+
+ Wat zij gelijkt zoo zij met de oogen groet,
+ Ik zegge 't niet, laat Amor 't antwoord geven.
+ Vrouwe van Deemoed lijkt zij, zòò verheven,
+ Dat ik elke andre "Hoogmoed" heeten moet.
+
+ Onzeggelijk is harer schoonheid glans,
+ Wijl alle edele deugden voor haar knielen
+ En schoonheid zelf haar eert als een godin.
+
+ Nooit was een geest van zulk een eedlen zin,
+ Nooit vulde deugd zoozeer der menschen zielen,
+ Dat één haar ooit begreep daadlijk en gansch.
+
+
+ II
+
+ Aan Vanna.
+
+ Schoonheid van vrouwen of vriendlijk gemoed,
+ De wapenpraal van eedle ridderscharen,
+ Gekweel van voglen, minnefluistring zoet,
+ Van sterke schepen 't vlug en sierlijk varen;
+
+ Zuivere lucht wanneer de daagraad groet,
+ De blanke sneeuw die stilkens neer komt waren,
+ De klare bron en aller bloemen gloed,
+ Sieraân die goud en flonkersteen bezwaren;
+
+ 't Al overtreft de tooi der lieflijkheên
+ Van mijne Vrouwe en harer deugden waarde,
+ Zoodat dit àl gering acht wie het ziet;
+
+ Ze is zóóveel meer dan alles om zich heen
+ Als heel de hemel grooter is dan de aarde:
+ Wie is als zìj, dien mijdt Gods zegen niet.
+
+
+ III
+
+ Op Mandetta, wier oogen geleken op die van zijn Vrouwe,
+ Monna Vanna.
+
+ Een jonge en schoone Tolosaansche Vrouwe,
+ Vol eerzame bevalligheden, straalt
+ Gelijkenis zòò treffend en bepaald
+ Uit haar schoone oogen met mijn eigen Vrouwe,
+
+ Dat mijne ziel, verlangend haar te aanschouwen,
+ Mijn hart verlaat en tot haar henen dwaalt;
+ Doch zoo verward, dat zij het niet verhaalt
+ Wie haar te schenden drijft haar eerste trouwe.
+
+ De Schoone aanschouwt haar met een blik zoo teer,
+ Dat in mijn ziel de Liefde rasch ontwaakt,
+ Wijl 't is of zij haar ware Vrouwe ziet,
+
+ Maar zuchtend keert ze in 't harte weer, geraakt
+ Ten doode door de scherpgepunte speer
+ Die haar de Schoone nawerpt zoo zij vliedt.
+
+
+ IV
+
+ Aan Dante, naar aanleiding van diens lichtzinnige levenswijze
+ na den dood van Beatrice.
+
+ Ik kom tot u daaglijks ontelbren keer,
+ Doch te veel laagheid leeft in uw gedachten.
+ Diep droeft mij dit om al die eedle krachten
+ Die woonden in uw hoogen geest weleer.
+
+ Te schuwen placht gij eens elk laag verkeer
+ En liên, verslaafd aan slechtheid te verachten.
+ Dies heb 'k de verzen die me uw vriendschap brachten,
+ Als kostbren schat gehouden steeds in eer.
+
+ Maar 'k durf niet meer, om uw verwerplijk leven,
+ Zeggen hoe nòg bekoort me uw zoete taal--
+ En 't slag van liên dat gìj kent, ken ìk niet--
+
+ Lees dit sonnet, ik smeek 't u, menig maal:
+ Totdat de Booze, die ons scheidt, verdreven,
+ Ten laatste uit uw onteerde ziele vliedt.
+
+
+ V
+
+ Ballade.
+
+ 'k Zag in een boschje een herderinne dwalen,
+ Als sterrepralen stralend wijd en zijd,
+ Heur blonde haren krulden langs de slapen;
+ Vol liefde de oogen, rozerood de wangen,
+ Hoedde zij met een twijg de makke schapen,
+ De voeten blank van dauw. En als bevangen
+ Van jonge liefde zong ze in zoet verlangen;
+ Zij was omhangen van àl minlijkheid.
+
+ Ik groette dadlijk haar in liefde ontstoken
+ En vroeg of 'k haar zou vergezellen mogen.
+ En teeder sprak zij, de oogen half geloken:
+ Heel, héél alleen kwam zij door 't bosch getogen,
+ En: "hoort ge er ooit het lokken van de vooglen,
+ Dàn zal 'k gedoogen dat ge ook mìjn hart vrijt"....
+
+ Maar nauw had ik die voorwaarde vernomen,
+ Of 'k hoorde luid de vooglen fluiten tusschen
+ 't Geblaart. Nu is de tijd, zeide ik, gekomen,
+ Om in haar arm mijn minnebrand te blusschen.
+ En 'k dankte haar wijl zij met teedre kussen
+ Mijn hart te sussen was zòò rasch bereid.
+
+ Zij nam mijn hand en boog zich tot mij over;
+ Zei dat zij nu haar hart mij had geschonken.
+ Toen bracht zij me in de schauw van 't frissche loover,
+ Waar allerhande bonte bloemen blonken:
+ Zij was 't, van zooveel zoete vreugden dronken,
+ Als zag 'k daar lonken Venus' heerlijkheid.
+
+
+
+Cino da Pistoia (1270-1336).
+
+(Hij was een der "vermaarde troubadours" die antwoordden op Dante's
+eerste sonnet. In "De vulgari Eloquio" zegt Dante: "Zij die het zoetst
+en schoonst gedicht hebben in het nieuwe Italië zijn Cino da Pistoia
+en een vriend van hem." Uit het feit dat Dante enkele gedichten,
+aan Cino opgedragen, onderteekent met "amicus ejus (zijn vriend)
+blijkt dat Dante met dien vriend zichzelf bedoelde).
+
+
+ I
+
+ Aan Dante over den dood van Beatrice.
+
+ Schoon ik niet eerder richtte reeds mijn smeeken
+ Tot Liefde en Medelij om uwentwil,
+ Dat zij vertroosten mochten uw droef leven
+ Is toch de tijd niet zoolang reeds verstreken
+ Dat niet mijn woorden zouden vinden stil-
+ zuchtend uw ziel en hart die achterbleven:
+ "O zaalge Vreugd, ik zag u opwaarts zweven,
+ Gelijk uw naam verlangt, ten hemel toe!"
+ Eilaas, wanneer en hoe
+ Zal ik van oog tot oog u mogen zien
+ En in persoon u biên
+ De hulp die u mijn troost zou kunnen geven
+ Zoo luister naar deez' woorden: Liefde gaf
+ Mij ze in, en laat van klacht en zuchten af.
+
+ Ge weet: in zorg en vreezen allerwegen
+ Op deze blinde wereld elkeen leeft,
+ Wijl hij de grillen der fortuin moet duchten;
+ Zalig de ziel, die zulk een last ontstegen,
+ Ten hemel, waar àl vreugd vervuld is, streeft;
+ Heil 't hart dat toorn en laagheid kan ontvluchten!
+ Waarom dan hoor ik ùw hart aldoor zuchten?
+ Terwijl het zich verheugen moest veeleer:
+ Verhoord heeft onze Heer
+ De bede door dien engel eens geslaakt, [97]
+ En door haar ziel volmaakt.
+ Den hemel met een ongekend genuchte.
+ Voor des Verlossers aanschijn mag zij staan,
+ Omstuwd door al Gods engelen voortaan.
+
+ Hoe foltren dan vertwijfeling en weenen
+ Uw hart dat vol moest zijn van liefde en vreugd
+ Wijl heel uw geest nu toeft in 's hemels vrede!
+ Al uw gedachten stijgen op daarhenen
+ Van nu af aan door hare hooge deugd,
+ En Liefde drijft daartoe hen hier beneden.
+ Hoe ligt ge dan zoo jammerlijk vertreden,
+ Gij, die zoo wijs waart, in uw droefheid neer
+ 'k Bid u om Godes eer:
+ Weer uit uw kranken geest zoo bittre smart;
+ Draag niet den dood in 't hart,
+ Noch toon, als hadt ge hem alreeds geleden,
+ Zoo bleek gelaat. God riep haar, maar juist nu,
+ Is ze eindlijk, en van uur tot uur, bij u.
+
+ "Troost, troost u", roept de Liefde in haar genade,
+ "Om Gods wil, staak dit weenen" Meelij spreekt.
+ "Schenkt aan zoo zoete beden nu vertrouwen,
+ "Leg af dan eindelijk dier droefheid wade",
+ 't Is Rede zelf die aldus tot u spreekt.
+ Ten doode leidt u zulk wanhopig rouwen;
+ En hoe zoudt ge ooit haar schoon gelaat aanschouwen
+ Zoo Dood u trof in zinnelooze smart!
+ O schut uw droevend hart
+ Voor zulk een zonde; ik bid om Godswil, duld
+ Niet dat zoo zware schuld
+ Uw ziel belemmre die nog hoopt haar Vrouwe
+ Te zullen wederzien en in haar arm
+ Te rusten eens. Ach, dat die troost u warm'.
+
+ Schouw in die klare Vreugde waar nu veilig
+ Uw Vrouwe toeft, met hemelglans bekroond.
+ Het paradijs bereikte uw diepst verlangen,
+ Waar 't in een liefde ganschlijk rein en heilig
+ Leeft sinds bij hààr heel uw gedachte woont.
+ Hoe is uw hart dan dùs van strijd bevangen,
+ Nu 't zulk een zaalgen aanblik mocht erlangen!
+ Gelijk ze op aarde als wonder eens verscheen,
+ Zoo straalt ze ook ginds, alleen,
+ Wijl meer erkend, in een nog schooner gloed.
+ Hoe zij er werd begroet
+ Door de engelen met blijden lach en zangen,
+ Hebben uw geesten u genoeg verkond,
+ Zoo dikwijls gij hen op die reize zond.
+
+ En tot de zaalge zielen ginds vergaard
+ Spreekt ze over u: "Hij heeft mij eer bewezen,
+ Wijl hij mij prees in rijmen hoog geprezen,
+ Altijd, zoolang ik leefde nog op aard."
+ En zij bidt God, den allerhoogsten Heere,
+ Dat hij u trooste en blij berusten leere.
+
+
+ II
+
+ Aan Selvaggia.
+
+ De Vrouwe om wie ge peinzend mij ziet schrijden,
+ Toont een gelaat zòò lieflijk, dat zij doet
+ Ontwaken in een iegelijks gemoed
+ Dien eedlen Geest die daar verborgen beidde.
+
+ Zoo bang heeft mij haar lieflijkheid doen lijden,
+ Toen 'k in haar oogen had mijn Heere zoet
+ Aanschouwd in heel zijn oppermachtgen gloed,
+ Dit ik 't niet waag nog èèn blik haar te wijden.
+
+ Maar zoo 't gevalt dat ik haar schoone oogen
+ Toch schouwen moet, licht me er een heil zòò groot,
+ Dat ik 't niet vatten kan in mijnen geest;
+
+ En 'k voel dat al mijn kracht zoozeer me ontvlood,
+ Dat mijne ziel, waaruit mijn zuchten togen,
+ Weldra van 't hart te moeten scheiden vreest.
+
+
+
+Lapo di Gianni Ricevuti.
+
+(Hij was notaris en in 1284 lid van den stadsraad).
+
+
+ Aan Lagia.
+
+ Zoet is de zucht, verlangende gezonden
+ Dier vrouwe die mijn hart gevangen houdt
+ En die mijn ziel met eedle deugd betrouwt,
+ Wijl zij met Liefde zelf zich heeft verbonden.
+
+ Een beeld te vinden waarmee vergeleken
+ Zij waardiglijk kon worden, valt mij zwaar:
+ Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen;
+ Ze is als der Liefde zuster in haar spreken;
+ Een wonder is van haar ieder gebaar.
+ Zalig de ziel voor wie haar groet mag stralen.
+ Het schijnt alsof in haar kwam nederdalen
+ Aanvalligheid, vervuld werd Hope en Vreugd,
+ Of in haar bloeide iedere twijg der Deugd,
+ Ontsproten uit haar wezen zonder zonden.
+
+ Die eedle geest, dien 'k in mij op mocht kweeken,
+ Sinds deze jonge Vrouwe mij verscheen,
+ Heeft boven al wat laag is mij verheven.
+ Mij troost en sterkt, sinds ik haar dien, het spreken
+ Met haar in zoet-vertrouwelijke reên,
+ Over mijn nieuw en liefde-rijke leven.
+ En zooveel gunste heeft zij mij gegeven:
+ Nimmer versmaadde zij mijn woorden zoet;
+ Zoodat ik Amor innigst danken moet,
+ Die zulk eene eer mij waardig heeft bevonden.
+
+ Nu wil, mijn Lied, in hoofsche woorden konden,
+ Wat ik het Boek der Liefde heb vertrouwd,
+ Wanneer ge mijne Vrouwe weer aanschouwt,
+ Want als hààr dienaar heb ik u gezonden.
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ Inleiding VII
+
+ Het Nieuwe Leven 1
+
+ Aanteekeningen 75
+
+ Aanhangsel:
+
+ Dante 93
+ Pier della Vigna 98
+ Jacopo da Lentino 99
+ Fra Guittone d'Arezzo 99
+ Chiaro Davanzati 100
+ Guido Guinizelli 101
+ Guido Cavalcanti 107
+ Cino da Pistoia 108
+ Lapo di Gianni Ricevuti 111
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Van alle in deze Inleiding aangehaalde gedichten van Dante,
+(buiten die der Vita Nuova) of van zijn voorgangers en tijdgenooten
+vindt men de geheele vertaling in het Aanhangsel.
+
+[2] De Siciliaan Jacopo da Lentino.
+
+[3] De Toskaan Guittone d'Arezzo.
+
+[4] Het nieuwe leven begint; of: Hier begint het "Nieuwe
+leven."
+
+[5] De hemel des lichts: de zon. Volgens het stelsel van Ptolomaeus is
+de aarde het onbeweeglijke middelpunt van negen rondwentelende hemelen,
+nl. die van de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter, Saturnus,
+de Vaste Sterren en den Kristalhemel of het Primum Mobile, welke
+laatste aan al de anderen zijne beweging meedeelt, (nl. de omwenteling
+in den sterredag: 23 uur, 56 min. 4 sec.) waarnaast zij ook een eigen
+beweging hebben (voor de zon den omlooptijd van een jaar). Deze negen
+hemelen werden omvat door den onbeweeglijken hemel of het Empyreum.
+
+[6] Beatrice: letterlijk Zaligmaakster. Verkort: Bice.
+
+Deze eerste ontmoeting had volgens Boccaccio plaats tijdens een
+Meifeest, dat in 1274 door Folco Portinari, den vader van Beatrice,
+een der aanzienlijkste burgers van Florence, werd gegeven. Dante zou,
+in gezelschap van zijn vader Alighiera Alighieri, dit feest hebben
+bijgewoond.
+
+De zinsnede: "die niet wisten hoe haar te moeten noemen" (li quali
+non sapeano che si chiamare) is eene der meest onduidelijke der Vita
+Nuova. Men heeft er o. a, uit willen afleiden dat Dante's Beatrice
+nièt dezelfde was als Bice Portinari, omdat de naam van deze immers
+bekend was. Dante heeft echter m. i. alleen willen zeggen dat degene,
+die haar toevallig niet mocht kennen, haar naam wel vanzelf moest
+raden, afgaande op hare schoonheid en deugdzaamheid. Men bedenke ook
+dat in Dante's voorstelling zijn geliefde dien naam natuurlijk niet
+maar toevallig droeg. Vergelijk ook § XIII: Nomina sunt consequentia
+rerum, d. w. z. de namen richten zich naar de dingen. (Aanteekeningen
+31). Pasqualigo leest: "die niet wisten wie zij (eigenlijk) aldus
+noemden (namelijk een engel)". In elk geval heeft Dante op deze
+wijze den naam zijner Vrouwe, welke hij volgens troubadours traditie
+niet noemen mocht, toch uitgesproken. Zij werd algemeen--ook in
+het testament van haar vader--Bice genoemd; Dante geeft haar haar
+onverkorten naam als het ware tot schuilnaam. Hij kon dit te eer
+doen omdat ook andere dichters herhaaldelijk hunne geliefden als eene
+"beatrice" aanspreken. (Zie ook aanteekening 46)
+
+[7] De sterrenhemel. Volgens Dante (Conv. II. 6.) beweegt zich de
+hemel der vaste sterren één graad per honderd jaar van het westen
+naar het oosten, zoodat Beatrice acht jaar en vier maanden oud was
+toen zij Dante verscheen.
+
+[8] Dierlijke en natuurlijke geest. De voorstelling der verschillende
+levensverrichtingen als "geesten" is in de scholastieke wijsbegeerte
+zeer gebruikelijk en oorspronkelijk aristotelisch. In zijn "Peri
+Psyches" (Over de Ziel) beschrijft Aristoteles de ziel als de
+"Entelechie" d. w. z. de verwerkelijking, het innerlijke doel, van
+alle functies van het levend organisme. De laagste vorm der ziel is
+de vegetatieve, het "threptikon", hier de "natuurlijke geest" genoemd,
+welke beperkt is tot de functies van voeding en voortplanting en reeds
+bij de planten wordt aangetroffen. Bij de dieren voegt zich hierbij de
+"Dierlijke geest", de sensitieve ziel, bestaande uit "aisthètikon"
+(zinnelijke waarneming), "orektikon" (begeerte) en "kinèktikon"
+(beweging). De hoogste vorm, de rationeele ziel, de "Nous", de Rede,
+komt slechts bij den mensch voor. Dante, die geen Grieksch kende,
+ontleende zijn psychologische kennis waarschijnlijk aan het werk
+"De Anima" (Over de Ziel) van den scholast Hugo de St. Victor. De
+"zinnelijke geesten" waarvan iets verder sprake is, verbeelden de
+vijf zintuigen.
+
+[9] Ziet, een god die sterker is dan ik en die, komende, mij zal
+beheerschen.
+
+[10] Uwe gelukzaligheid is thans verschenen.
+
+[11] Ik ongelukkige! Hoe dikwijls zal ik nu voortaan gehinderd worden!
+
+[12] Amor. Dante gebruikt voor "liefde" afwisselend Amor en Amore. Het
+eerste woord duidt de liefde aan verpersoonlijkt in de gestalte van
+een man, een schoone, ernstige verschijning, die niets gemeen heeft
+met het traditioneele dartele minnegodje. In Dante's symboliek immers
+is Liefde hetzelfde als Deugd.
+
+[13] Zij scheen niet de dochter etc. De klacht van Priamos over den
+verslagen Hektor. Ilias XXIV, 258.
+
+
+ "......oude eoikei
+ Andros ge thnètou pais emmenai alla theoio."
+
+
+[14] Negen jaren vervuld. Deze ontmoeting had dus plaats in het
+voorjaar van 1283. Dat Beatrice in zuiver-wit gekleed was schijnt
+er op te wijzen dat zij eene dier vrouwen was die tijdens de in dit
+voorjaar gehouden feesten deel uitmaakten van den "minnehof" waarvan
+de oude biograaf Villani gewaagt. (Zie Inleiding).
+
+[15] Allerlieflijkste. Het Italiaansche "gentilissima" beteekent
+meestal "zeer edel", zoowel van geboorte als van karakter; maar ook
+bekoorlijk, zacht, vriendelijk, minzaam. In elk geval krijgt het deze
+beteekenissen door het gebruik dat Dante van het woord maakt. Ik meen
+dat mijne vertaling dit alles min of meer insluit.
+
+[16] Hoofschheid: De letterlijke vertaling van het Italiaansche
+"Cortesia". Zoo edel en deugdzaam als de zeden ten hove.... behoorden
+te zijn.
+
+[17] Vol van deugden. Hier en overal elders moet het woord "deugd"
+(evenals het Italiaansche "virtute" en het Latijnsche "virtus") in
+den ruimsten zin worden opgevat, waarin het ook "kracht", "vermogen
+om iets goeds te bewerken" insluit.
+
+[18] Ik ben uw Heer.
+
+[19] Naakt. Men zoeke hierachter geen symboliek, nog minder een
+aanwijzing van geheime zinnelijkheid van Dante's liefde. Het was
+in de middeleeuwen gewoonte geheel ongekleed te slapen, zoodat Amor
+Beatrice niet anders dan naakt kon ontvoeren.
+
+[20] Vrouwe des Heils. Het Italiaansche "salute" beteekent
+zoowel "groet" als "heil, redding". Donna della salute lijkt dus
+dubbelzinnig. Maar deze dubbelzinnigheid is door Dante gewild en lost
+zich op wanneer men bedenkt dat Dante's hoogste heil juist in niets
+anders bestond als Beatrice's groet.
+
+[21] Zie, uw hart.
+
+[22] Hetwelk zij weifelend at. Het doen eten van een hart is een
+beeldspraak die in de troubadourspoëzie meer voorkomt en die op
+een barbaarsche werkelijkheid berust, Meestal is het een bedrogen
+echtgenoot die zijn gade dwingt het hart van haar verslagen minnaar
+te eten, Sordello van Mantua echter, een door Dante zeer hoog geschat
+troubadour, doet (in overeenstemming met een ook thans nog onder vele
+wilde volken wijdverbreid volksgeloof) aan den laffen baronnen van zijn
+tijd het voorstel gezamenlijk het hart van zijn dooden vriend Blacas op
+te eten, opdat diens deugd en moed in hen mochten overgaan. Bij Dante
+heeft het voor onzen smaak onfraaie beeld een dergelijke beteekenis:
+hij hoopt dat door het eten van zijn brandend hart de gloed zijner
+liefde in Beatrice moge overgaan.
+
+[23] In rijmen te spreken. Dit beteekent dichten "in de volkstaal",
+in tegenstelling met dichten in het Latijn, in welke taal het rijm
+niet of zelden (kerkelijke liederen) wordt aangewend. (Zie § XXVII)
+
+[24] Getrouwen der Liefde. Spreekwijze uit de ridderpoëzie: de
+Liefde wordt voorgesteld als een machtig "Heer", de minnaars als zijn
+vasallen, zijn getrouwen. (fedeli)
+
+[25] Hart. In Dante's poëzie wordt het woord "hart" dikwijls
+persoonlijk gebruikt, als synoniem van "mensch".
+
+[26] Mijn grootste vriend. Guido Cavalcanti (zie Aanhangsel). Andere
+bekende dichters, wier antwoorden op Dante's sonnet bekend zijn, waren
+Cino da Pistoia en Dante da Maiano. Een dergelijk vragen en antwoorden
+in poëzie was onder de dichters van dien tijd zeer gebruikelijk.
+
+[27] Ge zaagt etc. In het Italiaansch luidt de regel:
+
+
+ "Vedesti al mio parere ogni valore"
+
+
+hetgeen rijmt op Dante's beginregel:
+
+
+ "A ciascun alma presa e gentil core"
+
+
+Analogie in onze litteratuur: het sonnet van P. C. Hooft aan
+C. Huigens: "Men voedde Achilles op met mergh uit Leeuwenschonken",
+dat aanleiding gaf tot een reeks van sonnetten van andere dichters
+op dezelfde rijmklanken.
+
+[28] De ware beteekenis. Verschillende commentatoren hebben hierin
+weer iets "duisters" gezien. Bedoeld wordt natuurlijk: "nu Beatrice
+gestorven is (wat heel Florence weet) en inderdaad door de Liefde
+zelf ten hemel is gedragen, waarheen zij mijn brandend hart heeft
+meegenomen."
+
+Een andere vraag is of Dante, toen hij dit sonnet schreef, reeds aan
+dezen uitleg dacht, m. a. w. of hij een voorgevoel van Beatrice's
+vroegen dood had. Het is opvallend dat alleen in het later toegevoegde
+proza ervan gewaagd wordt dat Amor hemelwaarts vliedt. Had dus,
+toen Dante het sonnet schreef, Amor's plotseling opkomend verdriet
+een andere reden? Melodia onderstelt dat de oorzaak van Amor's of
+Dante's verdriet is de verloving of het huwelijk van Bice met Simone
+dei Bardi, en dat dit sonnet is een "voorspelling nà het feit", zooals
+men er zoovele aantreft in de Commedia. Aanvankelijk slaapt Beatrice,
+d. w. z. zij is onbewust van Dante's liefde; dan bemerkt zij haar
+en schijnt haar, na vele pogingen van Dante's kant, te beantwoorden
+door haren groet (zij eet het hart werkelijk op "schuchter, schoon
+gehoorzaam, paventosa umilmente"), maar verlooft zich ten slotte toch
+met een ander. Deze verklaring lijkt mij zeer aannemelijk voorzoover
+het een verloving of het vooruitzicht daarvan betreft; dat Beatrice
+reeds gehuwd was vòòr Dante haar tot zijn Vrouwe koos, acht ik niet
+waarschijnlijk. (Zie aanteekening 34-36).
+
+[29] De koningin der glorie: Maria. Dante wil hier Beatrice's vereering
+voor de Moeder Gods aanduiden. Dikwijls gebruikt hij voor Maria en
+Beatrice gelijksoortige woorden; het is bovenal Beatrice's nederigheid
+en ootmoed (umiltate) welke hij verheerlijkt en waardoor zij na haren
+dood zal stralen "onder het teeken van Maria" (§ XXVIII) in dien
+hemel waar: "hoogst gebenedeid Maria troont onder de nedrigst-vromen"
+(sonnet XXXIV).
+
+[30] Een scherm der waarheid, (schermo). De methode om de liefde voor
+hun "dame" te verbergen door liefde voor eene andere te veinzen, werd
+onder de troubadours en oudere Italiaansche dichters herhaaldelijk
+toegepast. Zij houdt natuurlijk verband met het feit dat de "dame"
+meestal gehuwd was met een ander. Voorbeelden bij Folquet de Marseille,
+Arnaldo Daniello, Guittone il Torraca.
+
+[31] Serventese. (Provençaals: sirventes) Een gedicht in terzinen,
+door een halven regel aan elkaar verbonden, naar het schema
+AAAb--BBBc. Meestal van politiek-religieusen inhoud, maar ook wel
+lyrisch.
+
+Het dichten van een lofzang op een aantal vrouwen eener stad of
+streek tegelijk, was bij de oude troubadours niet zeldzaam. Dat
+Dante er juist zestig uitkiest heeft zonder twijfel een of andere,
+met zijn getallenmystiek in verband staande reden. Verschillende
+commentatoren meenen dat de Vrouwe die Dante tot scherm diende in
+dit verloren gedicht genoemd werd onder nummer dertig en dat op hààr
+de raadselachtige uitdrukking slaat: "en zij die 't dertigst stond"
+in Dante's sonnet: "Guido, ik wou" (Zie Aanhangsel).
+
+[32] Dit gedicht, evenals het tweede sonnet in § VIII, is eigenlijk een
+ballade, op een overeenkomstige, maar nog kunstiger wijze gebouwd dan
+het gewone sonnet, doordat de kwatrijnen met twee en de terzinen met
+één drievoetigen regel verrijkt werden, zonder dat evenwel door deze
+toevoeging nieuwe rijmklanken werden ingevoerd. Het gedicht is hierdoor
+zoowel kunstiger van rijm als bevalliger van rythmiek geworden.
+
+[33] Gij allen die over weg gaat, schouwt het aan en ziet of eene
+smart zij gelijk mijne smart. (Klaagliederen van Jeremia I. 12).
+
+[34] Dante wil hier zeggen dat hij in de laatste terzine
+oogenschijnlijk bedroeft is over het vertrek van zijn "scherm", in
+werkelijkheid echter om iets anders, waarschijnlijk de hopeloosheid
+zijner liefde voor Beatrice.
+
+[35] Volgens sommige commentatoren zijn hier bedoeld de twee laatste
+regels van het tweede sonnet. Zij luiden in het Italiaansch:
+
+
+ Chi non merta salute,
+ Non speri mai d'aver sua compagnia.
+
+
+hetgeen letterlijk vertaald is:
+
+
+ Wie niet het heil verdient
+ Hope nooit haar gezelschap te hebben.
+
+
+Dat met haar gezelschap dat van Beatrice bedoeld zou zijn is inderdaad
+zeer gezocht. Rossetti meent dat Dante te verstaan wil geven dat
+diegene die het gezelschap der gestorven vriendin had genoten, dat
+wil dus zeggen Beatrice, den hemel waardig was. Hij vertaalt:
+
+
+ Whoso deserves not Heaven
+ May never hope to have her company.
+
+
+Ik waag een andere, m. i. zeer eenvoudige verklaring, berustend op
+Dante's dubbelzinnig gebruik van het woord "salute". De, làter door
+Dante verzonnen, verborgen bedoeling zou dan zijn: "Wie zoo slecht
+is dat hij niet den groet (van Beatrice) verdient, hope nooit in den
+hemel (d. i. in het gezelschap der gestorven vriendin) te komen.
+
+Het is echter ook mogelijk dat de duistere woorden alleen slaan op
+de terzinen van het éérste sonnet. De Liefde in "tastbare gedaant"
+toch is dan Beatrice zelf. (verg. Aanteekening 46)
+
+[36] O lage Dood. Morte villana. Het woord "villana" heeft hier
+de oude beteekenis van boersch, wreed, laag, in tegenstelling met
+"gentile", edel.
+
+"mors, villaine ies, en toi n'a gentillece" (provençaalsch lied).
+
+[37] Gebeurde er iets. Verschillende uitdrukkingen (o.a. het verplichte
+van den tocht, het rijden in gezelschap van velen gedurende een
+geheelen dag) wijzen er op dat hier sprake is van een militaire
+expeditie. Inderdaad zond Florence tijdens een oorlogje, van 1285
+tot April 1286 gevoerd tusschen Sienna en Arezzo, een troepje ruiters
+uit om de Sienneezen te helpen.
+
+[38] Mijn zoon, het is tijd dat wij onze voorwendselen ter zijde
+stellen.
+
+[39] Ik ben gelijk het middelpunt van eenen cirkel, tot hetwelk alle
+deelen van den omtrek zich gelijkelijk verhouden; gij echter zijt
+niet aldus.
+
+[40] Ik ben gelijk etc. Over deze zinsnede is heel wat gestreden. De
+meest aannemelijke opvatting lijkt mij die van Proto. Volgens deze
+is de beteekenis: Ik, de Liefde, ("die de Zon en de andere sterren
+beweegt", laatste regel van het Paradijs) ben het eene, onveranderlijke
+kernpunt van alle deugden, en evenver verwijderd van de ontelbare
+zonden die buiten mij liggen. Ook gij, Dante, staat nog buiten dit
+middelpunt; daarom ween ik om u en zie ik in dat het tijd voor u is
+om het onwaardige geveins dat u tot zonde verleidt, te laten varen
+en u alleen te richten tot Beatrice, de "vernietigster van alle
+kwaad en koningin der deugd", die zelf "Liefde" zou moeten heeten,
+"zoozeer gelijkt zij mij" (§ XXIV).
+
+[41] In de volkstaal. Hieruit blijkt dat Dante, toen hij dit schreef,
+het Latijn nog niet gemakkelijk verstond. Dante zegt zelf dat hij
+eerst nà den dood van Beatrice ernstig begon het Latijn te bestudeeren
+en wel het eerst het boek der "Vertroosting" van Boëtius en "Over
+de vriendschap" van Cicero, welke lectuur hem echter zeer moeilijk
+viel. (Conv. II. 13)
+
+[42] Maar tooi hen met zoete harmonie. Dit beteekent: "laat het
+lied op muziek zetten", gelijk voor minnedichten, vooral ballades,
+veel geschiedde.
+
+[43] De namen richten zich naar de dingen.
+
+[44] De namen richten zich naar de dingen. Leuze der scholastieke
+Nominalisten, in tegenstelling met de leer der Realisten, volgens
+welken de begrippen een reëel, werkelijk bestaan hadden op zichzelf.
+
+[45] Naar welke plaats ik werd medegenomen. Volgens de Florentijnsche
+verordening op huwelijks- en begrafenisplechtigheden mocht elk
+genoodigde één vriend meebrengen, een edelman echter vier en een
+rechter of arts twee.
+
+[46] Mij toevertrouwend etc. Fidandomi nella persona, laquale un
+suo amico al estremità della vita condotto avea. Letterlijk: mij
+toevertrouwend aan dien persoon, die (of dien) eenen (of een) zijner
+vrienden naar het uiterste eind des levens geleid had.--Het komt mij
+voor dat deze tusschenzin alleen reden van bestaan heeft wanneer die
+tweede vriend Dante zelf is. De zin, die anders volkomen overbodig,
+ja misplaatst ware, is ironisch bedoeld. "Ik vertrouwde mij toe aan
+een man die nota bene alleen reeds door mij hierheen te brengen mijn
+leven in gevaar bracht." Ook Rossetti vat het aldus op en vertaalt:
+Who yet was leading his friend to the last verge of life. De ironie
+wordt nog duidelijker wanneer men aanneemt dat Cavalcanti, voor wien
+immers Dante de Vita Nuova schrijft, zelf de bewuste geleider was.
+
+[47] Enkele commentatoren, ook Rossetti, meenen dat Dante in deze
+paragraaf spreekt over de bruiloft van Beatrice zelf, die immers
+waarschijnlijk juist in dezen tijd, omstreeks 1287, huwde met Simone
+dei Bardi. Het is in de hoofsche poëzie geen gebruik ooit over het
+huwelijk der aangebedene te spreken. Des te waarschijnlijker lijkt
+het mij dat Dante er toch op deze wijze een toespeling op maakte.
+
+Een argument voor de juistheid dezer opvatting is dunkt mij ook het
+antwoord dat Dante geeft aan zijn bezorgden vriend: "Ik heb mijn
+voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet kan terug gaan
+al wilde men". Men heeft deze duistere woorden willen verklaren
+met een onnoozel: "ik was op het punt te sterven, ik was alhaast
+in de andere wereld." Het komt mij voor dat deze woorden een geheel
+andere en zeer diepe beteekenis hebben. Zij willen zeggen dat voor
+Dante een nieuwe levensfase begon en de vroegere onherroepelijk
+is afgesloten. (Zie ook § XVII de "nieuwe stof" die hij wil gaan
+behandelen) Na Beatrice's huwelijk toch is hij wel gedwongen tot
+een zuiver ideëele liefde. Ofschoon haar huwelijk den dichter Dante
+de gewenschte exaltatie eener geestelijke liefde bracht, moest zij
+den màn zeker pijn doen. Vandaar Dante's buitengewone verwarring en
+ontroering. Andere argumenten in 35 en 36.
+
+[48] Spotteden zij over mij. De bespotting van den minnaar door zijn
+"dame" is een geliefd thema bij de oude troubadours en ook bij Dante's
+tijdgenooten, o. a. Cino da Pistoia:
+
+
+ "Zoo ge de klagelijke stem kondet hooren
+ Van mijne zuchten, wanneer zij mij verlaten,
+ Zoudt ge mijn gelaat en kleur niet bespotten,
+ Die ik geheel verwissel wanneer ik in uwe nabijheid ben."
+
+
+Hoe kon Beatrice, de zoo deemoedige en zachte, zoo wreed zijn Dante
+te bespotten? Wellicht spotten alleen de andere vrouwen en heeft
+zìj slechts geglimlacht, zooals ieder mensch, ook de edelste, zonder
+leedvermaak kan glimlachen om het jammerlijk figuur van een wanhopig
+verliefde. Of is de bespotting een beeldspraak voor het feit van haar
+huwelijk met een man dien zij hoogstwaarschijnlijk slechts op bevel
+van haar vader, uit politieke of commercieele overwegingen, trouwde,
+gelijk in dien tijd gewoonte was?
+
+[49] Geloovende te moeten zwijgen, en "ofschoon ik mij daarna nooit
+meer (onmiddellijk) tot haar richtte." Ook deze zinnen pleiten sterk
+voor de juistheid van het vermoeden omtrent Beatrice's huwelijk. Het
+ware al heel verwonderlijk als Dante plotseling, eigenlijk zonder
+motief, het bezingen zijner Vrouwe gestaakt had; maar het kan
+niet verwonderen dat hij in zijn eerste smart meende nu ook maar
+voorgoed te moeten "afsluiten", en evenmin dat hij dan later toch dit
+voornemen weer ontrouw wordt. Dat hij de drie sonnetten waarin hij
+zijn wanhopigen toestand schildert, in strijd met de chevallereske
+kieschheid, tot haarzelf richt, bewijst dat zij de vrucht zijn van een
+buitengewoon sterke ontroering. Dat hij haar echter, na dien eersten
+storm, niet meer direct aanspreekt, wordt eveneens door haar huwelijk,
+waardoor dit nog onbetamelijker, zooniet gevaarlijk wordt, verklaard.
+
+Ten slotte is het opvallend dat de gedichten die nu volgen van een
+geheel anderen geest zijn dan de vorigen; zij behandelen inderdaad een
+"nieuwe en edeler stof"; zij zijn zuivere lofzangen, zonder verborgen
+bijbedoeling. Zij prijzen alleen, zij vragen niets. (Zie Inleiding.)
+
+[50] Val welke eene. d'Ancona meent dat deze dame, wier vraag het
+oogenblik van de ideëele verandering der figuur van Beatrice en
+van het nieuwe karakter van Dante's volgende poëzie aanduidt, de
+latere Mathilde van het Paradijs is. In verband met de voorgaande
+aanteekeningen wijs ik er op dat die vraag echter hoogstens een
+medewerkende aanleiding tot Dante's bewustwording der vergeestelijking
+zijner liefde kon zijn. De ware oorzaak van den grooten omkeer in
+zijn gemoed, van zijn stijgen boven de subjektieve klacht uit tot de
+objectieve verheerlijking, is de uitkomst eener innerlijke evolutie
+die wel door een schokkend feit, zooals haar huwelijk, maar niet door
+een opmerking eener vreemde dame kon worden teweeg gebracht.
+
+[51] Hunne woorden zag uitgaan. Mi parea vedere le loro parole uscire
+mischiate di sospiri. De commentatoren die Dante willen verbeteren
+door vedere te vertalen met hooren, doen den dichter onrecht.
+
+Dante verstond de woorden der pratende vrouwen niet, maar zag hen
+spreken en zuchten en juist dit zien bracht hem op die wonderbaar
+schoone vergelijking van den regen met sneeuw vermengd.
+
+[52] Niet tot alle vrouwen. Dante neemt het woord "donna" in zijn
+meer beperkte beteekenis, waarin het adjectief "gentile", edel,
+lieflijk als het ware ligt opgesloten. (evenals bij ons: "dame" het
+begrip "wel opgevoed" insluit.) De vrouw-zonder-meer toch is volgens
+Dante's spreekwijze niet in staat de liefde te kennen. Alleen de
+Deugd, de Gentilezza, schenkt haar daartoe het vermogen. De eerste
+regel der canzone is dus in Dante's taal: "Gij edele vrouwen, die de
+deugd bezit."
+
+[53] Over de beteekenis dezer canzone als eerste oorspronkelijke
+"meesterproef" zie mijn Inleiding.
+
+[54] En die eens spreken zal etc. Deze regels hebben tot een geheele
+litteratuur aanleiding gegeven. Mij lijkt de meest voor de hand
+liggende, maar zeer betwiste verklaring, nl.: dat Dante hier een
+toespeling maakt op zijn later werk "de Hel", zeer aannemelijk. Waarom
+zou hij niet reeds tijdens het schrijven dier canzone hebben
+rondgeloopen met het vage denkbeeld--voor dien tijd niet eens zoo
+oorspronkelijk--later een tocht door de Hel te beschrijven?
+
+[55] De wijze dichter. Guido Guinizelli. Zie Inleiding en Aanhangsel.
+
+[56] De verwekker. Folco di Ricovero Portinari, gestorven 31 December
+1289. Hij was een aanzienlijk, rijk en vrijgevig man, o.a. stichter
+van een hospitaal.
+
+[57] Volgens gebruik. Volgens de Florentijnsche verordening kwamen
+de vrouwelijke bloedverwanten en buren in het sterfhuis bijeen,
+terwijl de andere leeddragenden zich er vòòr verzamelden.
+
+[58] Hosanna in den Hooge.
+
+[59] Door zeer nauwe verwantschap. Blijkbaar bedoelt Dante een
+zijner zusters.
+
+[60] Giovanna, Monna Vanna, was de "dame" van Cavalcanti. Het geven
+van een bijnaam (provençaalsch "senhal" = signal, teeken) was een oud
+troubadoursgebruik. Dante past het hier toe om, volgens zijn symboliek,
+Beatrice met de Deugd of hoogste Liefde te vereenzelvigen. Inderdaad
+kan in verscheidene gedichten het woord: "Liefde" of "Amor" door
+"Beatrice" worden vervangen, bv.
+
+
+ Klaagt al wie mint nu ge Amor zelf hoort klagen....,
+
+
+en:
+
+
+ Over der doode lieflijk beeld gebogen
+ Zag 'k weenen hem (de Liefde) in tastbare gedaant.
+ (§ VIII)
+
+en:
+
+
+ van Liefde spreken nu al mijn gedachten.... (§ XIII)
+
+
+en:
+
+
+ Dikwerf wanneer 'k bepeins het vreemd gedragen
+ Waartoe mij Amor dwingt.... (§ XVI)
+
+
+[61] Ik ben de stem des roependen in de woestijn; bereidt den weg
+des Heeren. (Matheus III, 3.)
+
+[62] Zekere woorden verzwijgend. Namelijk de woordspeling waarbij Monna
+Vanna slechts een voorloopster schijnt van nog grootere schoonheid. Aan
+de vergelijking met Johannes den Dooper als voorlooper van het ware
+Licht, zal Dante bij het schrijven van het sonnet wel niet hebben
+gedacht (zie Inleiding). Toen Dante het proza schreef wist hij dat
+Cavalcanti's liefde voor Monna Vanna inmiddels was bekoeld en kon
+hij spreken zonder zijn vriend te kwetsen.
+
+[63] Monna Vanna en Monna Bice. Monna is de populaire verkorting van
+Madonna. Gevolgd door den voornaam duidt het woord alleen gehuwde
+vrouwen aan.
+
+[64] Volgens den filosoof. "De" filosoof in de middeleeuwen is steeds
+Aristoteles. Dante haalt hem waarschijnlijk aan uit de tweede hand.
+
+[65] De taal van "oc". Dante onderscheidde de Romaansche talen naar
+hun bevestigend bijwoord, in het provençaalsch "oc", in het oud-fransch
+"oil", in het Italiaansch "si".
+
+[66] Ouder dan 150 jaren. Dit is slechts juist wat het Italiaansch
+betreft, de provençaalsche poëzie begint reeds tusschen het jaar 1000
+en 1050.
+
+[67] Om van de Liefde te spreken. Hier meent dus Dante nog dat de
+volkstaal alleen voor het minnedicht geschikt is; ook in het Convitto
+stelt Dante het Latijn nog steeds boven de volkstaal; eerst in zijn
+"De vulgari eloquio" slaat zijn waardeering om.
+
+[68] Virgilius, Horatius, Ovidius en Lucanus behooren tot de dichters
+die Dante het meest bewonderde. (Hel IV. 90)
+
+[69] Aeolus, u verleende.... (Aenëide I, 65).
+
+[70] Wat gij, koningin, wenscht.... (Aenëide I, 76).
+
+[71] Harde Dardaneërs.... (Aenëide III, 94).
+
+[72] Veel, o Rome, hebt ge te danken aan de wapenen uwer burgers
+(Pharsalus I, 47).
+
+[73] Noem mij, o Muze, den man. (Epistola ad Pisones V. 141).
+
+[74] Middelen tegen de liefde.
+
+[75] Oorlog bereiden zij mij, zie ik, zoo sprak zij.... (Remedia
+Amoris V. 2).
+
+[76] Deze ééne stanza der zoogenaamde canzone vormt een gesloten
+geheel. De bouw is, behoudens de ééne verkorte regel, volkomen die
+van een sonnet. Het lijkt mij daarom zeer waarschijnlijk dat Dante
+dit sonnet achteraf, wegens het samenvallen van zijn ontstaan met
+Beatrice's dood, voor een plotseling afgebroken canzone heeft willen
+doen doorgaan.
+
+[77] Hoe zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! Zij is als eene
+weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen. (Klaagliederen
+van Jeremia I. 1).
+
+[78] Deze derde reden heeft tot heel wat onderstellingen aanleiding
+gegeven. Aannemelijk lijkt mij dat Dante wil zeggen: door haar op
+waardige wijze in haar hemelsche heerlijkheid af te beelden, zou ik
+mijzelf min of meer een brevet van heiligheid geven.
+
+[79] Een anderen uitlegger (chiosatore, glossateur) Cina da Pistoia,
+die eene canzone schreef om Dante te troosten over het verlies van
+Beatrice. (Zie Aanhangsel)
+
+[80] De kalender van Arabië. Beatrice stierf in den avond van
+8 Juni 1290. Volgens Arabische dagverdeeling begon de dag na
+zonsondergang. Dante roept die dagverdeeling dus te hulp om den datum
+8 te kunnen veranderen in 9, en den Syrischen kalender opdat Juni de
+9de maand zou zijn.
+
+Tisirin de eerste. Er zijn namelijk twee maanden welke dien naam
+dragen.
+
+Het volmaakte getal = 10.
+
+[81] Dante's kabalistische negen-fantasie, overigens geheel naar
+de mode des tijds, komt alleen voor in het proza. Blijkbaar heeft
+hij dus in den tijd waarin hij de gedichten schreef nog niet aan dit
+quasi-mystieke verband gedacht. De behoefte om het wezen van Beatrice
+te vergeheimzinnigen en zijn liefde tot haar te vergoddelijken is
+eerst nà haar dood, zooniet ontstaan, dan toch sterker geworden. Als
+Beatrice niet gestorven was, zou Dante stellig vroeger of later haar
+dood hebben "verzonnen".
+
+[82] Aan de voornaamste burgers. A li principi de la terra. Volgens
+sommigen "aan de vorsten der aarde". Maar "terra" wordt door Dante
+herhaaldelijk als "stad" gebruikt en met "principi" kan hij, onder de
+suggestie van het "principes" in zijn Latijnschen brief, "principali"
+bedoeld hebben, d.w.z. de aanzienlijksten. De uitbreiding van zijn
+smart over de geheele stad (zie ook § XL) is in Dante's toestand
+verklaarbaar, vooral waar hij herhaaldelijk gewaagd van haar algemeene
+bemindheid; doch een brief aan de "vorsten der aarde" ware slechts
+belachelijk.
+
+[83] Hier wordt Beatrice voor het eerst in een voor publiciteit
+bestemd gedicht bij den naam genoemd.
+
+[84] Vergelijk Americ de Belenoi:
+
+
+ Mas dieus vos a mandat a se venir
+ Quar saubes luy e joy e pretz servir.
+
+
+[85] Vol van genade: piena di grazia. Vergelijking met Maria (Ave
+Maria, gratia plena).
+
+[86] Nauw verbonden. Hoogstwaarschijnlijk Beatrice's broeder Manetto,
+van wien althans bekend is dat hij met Cavalcanti bevriend was. Wetend,
+dat niemand de nagedachtenis zijner zuster zoo zou kunnen eeren als
+Dante, durfde hij hem uit kieschheid toch niet direkt het verzoek
+daartoe te doen.
+
+[87] Een engel teekende. Juist in dezen tijd begon de teeken- en
+schilderkunst in Florence tot bloei te komen. Cimabue (1240-1302). Of
+Dante deze kunst ernstig beoefend heeft of alleen als dilettant,
+is niet uit te maken. Opmerkelijk is wel dat Dante, die als alle
+welgestelde Florentijnen tot een bepaald gilde moest behooren, werd
+ingeschreven bij dat der "medici e speciali" onder welke laatste
+rubriek o.a. ook de schilders vielen.
+
+[88] Twee beginkwatrijnen. Waarschijnlijk had Dante het sonnet reeds
+geschreven met het tweede begin, toen de gedachte bij hem opkwam
+het aan zijn aanzienlijke bezoekers op te dragen. Verlenging van
+een sonnet door aanhanging van een of meer terzinen (z.g. "staart",
+sonetto caudato) komt in de Italiaansche poëzie meer voor.
+
+[89] Wie deze "Vrouwe aan het venster" was is niet bekend. Sommigen
+meenen een zekere Lisette (zie Aanhangsel), anderen Gemma Donati, met
+wie Dante huwde. Enkelen, die blijkbaar noch van dichters, noch van
+liefde en de verteedering van het medelijden begrip hebben, gelooven
+dat zij niemand anders was dan de.... "filosofie", welke hem van de
+contemplatie van het "geloof" afhield. Het moge waar zijn dat Dante
+ook deze liefde achteraf deze symbolische beteekenis heeft gegeven,
+oorspronkelijk moet zij een even reëelen grondslag hebben gehad als
+zijn liefde voor Beatrice zelf.
+
+[90] Sommige commentatoren meenen dat deze paragraaf eigenlijk behoort
+te worden ingelascht tusschen XXXIII en XXXIV. Immers Dante's woorden
+tot de pelgrims over de "stad der rouwe" klinken veel natuurlijker
+wanneer zij werden gesproken kort nadat Dante zijn brief aan "de
+aanzienlijke burgers" had geschreven. Bovendien zouden de beginwoorden
+"Dopo questa tribulazione" bezwaarlijk kunnen slaan op Dante's avontuur
+met de "Vrouwe aan het Venster", wel echter zijn zij volkomen op
+hun plaats onmiddellijk na Beatrice's dood. Ik voer hiertegen echter
+aan dat het woord tribulazione (door mij vertaald met "beproeving"
+misschien nog juister weer te geven door "verzoeking") ook voorkomt in
+§ XXXVIII, dus juist wel slaande op bedoelde episode. Voorts valt te
+bedenken dat de aanschouwing der zg. Veronica voor de middeleeuwsche
+geloovigen gold als een voorproefje van de aanschouwing van Christus
+in den hemel, en dat in het volgende sonnet Dante's pelgrimgeest zich
+inderdaad tot den hemel verheft om er Beatrice te aanschouwen. Het
+is natuurlijk wel mogelijk dat ook dit sonnet eerder werd geschreven
+dan die aan de "deernisvolle Vrouwe", maar zéker behoort het het
+slotgedicht te zijn en is Dante dan opzettelijk van de chronologische
+volgorde afgeweken. De evenwichtige compositie van het werk eischt
+dat het eindigt met juist dìt sonnet, waarin een "nieuw begrip,
+in leed geboren" Dante's geest opvoert tot de hoogste contemplatie.
+
+[91] In dien tijd. In Rome werd ieder jaar in de maand Januari de
+zg. Veronica (vera icona, waarachtige beeltenis) rondgedragen en
+gedurende de heilige week in de St. Pieterskerk ter bezichtiging
+gesteld. Het heette de afdruk van Jezus' gelaat in den sluier der
+heilige Veronica, welken zij hem, toen hij den Calvariënberg beklom,
+had gereikt om zich het zweet af te wisschen.
+
+[92] Het huis van Galizia. Het heiligdom van den apostel Jacobus in
+de Spaansche provincie Galizia.
+
+[93] Boven die sfeer. Dat wil zeggen buiten het Primum mobile, in het
+Empyreum dus. (Zie aanteekening 1.) In de Divina Commedia aanschouwt
+Dante in eigen persoon Beatrice, hier is het nog slechts zijn "zucht"
+d.w.z. zijn verzen, welke tot die hoogte vermag te stijgen.
+
+[94] Een wonderbaarlijk gezicht. Zeer waarschijnlijk was onder het
+schrijven van den prozatekst het plan in Dante gerijpt om de behandelde
+stof nog eens, maar op veel grootscher wijze, te herhalen. Reeds de
+canzone in § XIX bevat, zooals reeds werd opgemerkt, waarschijnlijk
+een toespeling op zijn tocht door de Hel.
+
+[95] Beijver ik mij. Studio wordt hier zonder twijfel ook door Dante
+bedoeld in den zin van "studeeren", als intellektueele voorbereiding.
+
+[96] Die gezegend is door alle eeuwen.
+
+[97] Vergelijk Dante's canzone in § XIX: Een engel roept...
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Bij ons zijn verschenen en in elken boekhandel te verkrijgen:
+
+Dante's Divina Commedia:
+
+
+De Hel. In proza vertaald door Dr. H.J. Boeken. 3e druk.
+
+Ingenaaid f 0.55 Carton 0.70 Linnen 0.85 Keurb. 1.15
+
+Louteringsberg. Als boven. (2e druk).
+
+Ingenaaid f 0.55 Carton 0.70 Linnen 0.85 Keurb. 1.15
+
+Het Paradijs. Als boven. Dit derde deel bevat 2 illustraties, een
+inleiding en als de beide andere deelen een aantal aanteekeningen. (2e
+druk).
+
+Ing. f 0.55 Cart. 0.70 Linn. 0.85 Keurb. 1.15
+
+ Dante's beroemd gedicht tot een goed Nederlandsch te maken is al
+ vaak beproefd. De uitkomsten wettigen geheel de bescheidenheid van
+ den dichter en classicus Dr. Boeken om het liever in Nederlandsch
+ proza weer te geven.
+
+Prof. Henri Hauvette, Dante. Inleiding tot de studie van de Divina
+Commedia.
+
+Ingenaaid f 0.65 Carton 0.80 Linnen 0.95
+
+ Sinds we, in onze Bibliotheek, den grooten middeleeuwsch
+ Italiaanschen Dichter: Dante Alighieri met zijn Goddelijke Komedie
+ in Dr. H.J. Boeken's vertaling opnamen, hebben we uitgezien
+ naar een werk over den Dichter, zijn tijd en zijn kunst, dat als
+ inleiding zou kunnen dienen tot de studie van dat groote werk,
+ en den gretigen lezer daarin inwijden. Onze keuze viel op het
+ werk van den Franschen hoogleeraar Henri Hauvette, dat W. Davids
+ voor ons vertaalde.
+
+"Er gaat een sterke aansporing van uit, om Dante's onvolprezen
+kunstwerk te gaan lezen."
+
+
+Dr. J. L. Walch in het Vaderland.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Nieuwe Leven, by Dante Alighieri
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET NIEUWE LEVEN ***
+
+***** This file should be named 28029-8.txt or 28029-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/8/0/2/28029/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.