diff options
Diffstat (limited to '28029-8.txt')
| -rw-r--r-- | 28029-8.txt | 5895 |
1 files changed, 5895 insertions, 0 deletions
diff --git a/28029-8.txt b/28029-8.txt new file mode 100644 index 0000000..2fb55bf --- /dev/null +++ b/28029-8.txt @@ -0,0 +1,5895 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Nieuwe Leven, by Dante Alighieri + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Nieuwe Leven + (La Vita Nuova) + +Author: Dante Alighieri + +Translator: Nico van Suchtelen + +Release Date: February 9, 2009 [EBook #28029] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET NIEUWE LEVEN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Dante Alighieri + + Het Nieuwe Leven + + (La Vita Nuova) + + + + Uit het Italiaansch vertaald door + + Nico van Suchtelen + + Met inleiding, aanteekeningen, aanhangsel en portret + + + + + + + + + +INLEIDING + + + Ik ben een die, zoo de Liefde hem + iets inblaast, luister en op de wijze, + waarop zij binnen in mij spreekt, het + neerschrijf. (Louteringsberg XXIV). + + +"Het "Nieuwe Leven", het "boekske" waarin de ongeveer zeven-en-twintig +jarige Dante zijn jeugdliefde verhaalt, is een der wonderlijkste en +tevens wonderbaarste scheppingen der dichtkunst. Wonderlijk is het om +die zekere eigenaardigheden, waarvan enkele reeds Dante's tijdgenooten +hebben gehinderd en welke het meerendeel der modern-kritische +lezers zeker geneigd zal zijn als "fouten", immers als uitingen van +gekunsteldheid, valsch gevoel, ondichterlijk intellektualisme, te +veroordeelen. En werkelijk, bij een eerste, vluchtige lezing doet het +wel ietwat zonderling aan; een dertigtal van de sierlijkst bewerkte, +zoetst-vloeiende minnedichten, lof- en klaagzangen, vereenigd in een +onderling verband door een later geschreven verklarend proza, welks +stijl het midden houdt tusschen plechtige bijbeltaal, deftig-pedant +betoog en kinderlijk-naïef verhaal: een keten van fijnst-geslepen +juweelen in stijf-eenvoudige vatting. En dan elk dier gedichten +nog bovendien ontleed naar zijnen bouw en inhoud, "verdeeld" +zooals Dante het noemt, in glossen zòò dor, schoolmeesterachtig en +overbodig meestal, dat reeds Boccaccio, Dante's eerste officieele +"uitlegger", deze "divisioni" verwierp als "troppo infantile", als +een belachelijke kinderachtigheid! Moet de kritische verbazing van +den hedendaagschen lezer met "literairen" smaak, niet toenemen als +hij bemerkt dat de stof voor vele dier gedichten blijkbaar "verzonnen" +is; dat ook de droomen en visioenen waarvan Dante gewaagt, blijkbaar +"cerebrale bedenksels" zijn, althans zelden, zooals in het beroemde +koortsvisioen (§ XXIII) en in de verschijning der zalige Beatrice +als kind van negen jaar (§ XXXIX) onmiskenbaar echte droom-elementen +vertoonen? Dreigt die verbazing niet om te slaan in een medelijdende +afkeuring bij de ontdekking dat het Dante's duidelijke bedoeling is aan +zijn schijnbaar zoo spontane lyriek een symbolische, en nog wel een +theologisch-moreele duiding te geven? Kan verder deze hedendaagsche +lezer wel anders dan schouderophalend glimlachen om de zonderlinge +getallenmystiek, het kinderachtig gegoochel met de cijfers drie, negen +en tien, vertegenwoordigende de Drie-eenheid, de negen hemelen en +de volmaaktheid, welke Dante ten behoeve dier symboliseering in zijn +proza invoert; of om zijn blijkbaar streven ook in de rangschikking +en misschien zelfs in het aantal der opgenomen gedichten, de door hem +gewilde allegorische strekking uit te drukken? Tenslotte, kan hij +ooit een poëzie, een lyriek, een minnelyriek nog wel, als "echte", +"spontane", uit het "hart", wat zeg ik, uit het "Onbewuste" gewelde +"gevoelskunst" erkennen, wanneer na een gekibbel van meer dan zes +eeuwen de geleerde commentatoren het er nog steeds niet geheel over +eens zijn of de verheerlijkte geliefde nu werkelijk een levende +Florentijnsche was, dan wel eigenlijk en goed-beschouwd alleen maar +de godsdienst, of de wijsbegeerte, of de deugd, of het verstand, +de katholieke kerk, de "abstracte" ideale vrouw of zelfs.... de +keizerlijke monarchie? + +Ik weet niet wat voor den smaak van een modern aesthetiseerend +lezer of kriticus mag of niet mag. Wel weet ik dat voor den dichter +alles kàn. Ik noemde Dante's boekske nu behalve wonderlijk ook +wonderbaar. Het wonderbare van het boekske is, dat, wanneer men +het leest met zuiver menschelijk medegevoel inplaats van met +kritische laatdunkendheid en philologische nieuwsgierigheid, men +heel de wonderlijkheid ervan aanvaardt als een noodzakelijke en dus +eerbiedwaardige, ja bij dieper doordringen juist zeer beminnenswaardige +uiting van Dante's oervoorbeeldigen dichtersgeest. Al het zonderlinge +en bevreemdende van het werk, en van Dante's werk in het algemeen, +bevreemdend vooral wanneer men het niet beschouwt in het kader van +zijn tijd, vindt zijn oplossing in de zielkunde van den "waren, +grooten" dichter, van dien universeelen mensch, die in eigen ziel de +synthese voltrekt van alle verscheidenheden en tegenstrijdigheden, +van alle droomverlangen en dadendrang aller menschen en tijden. + +De dichter--ik bedoel hier den poëet in den oorspronkelijken zin +des woords, den schepper op welk gebied ook--kan niet anders, en hij +heeft ook geen andere behoefte, dan zichzelf te openbaren. Voor den +gewonen mensch,--ik bedoel den weinig poëtischen; alle onderscheiding +is tenslotte slechts eene naar den graad--die eigenlijk meer geleefd +wòrdt dan dat hij zelf leeft, wiens geest is als een, bij den een +wat beter, bij den ander wat slechter gepolijst spiegeltje dat niets +dan het van buiten gegevene weerkaatst, maakt die drang naar zelf +onthulling dikwijls den indruk eener lachwekkende ijdelheid; voor +den dichter is hij een natuurlijke houding. Want het zelf van den +dichter is heel het leven dat hij in zich opneemt, is het verleden +dat hij herschouwt, is de toekomst die hij doordroomt; het is het +gansche heelal dat zich in hem niet maar uiterlijk weerspiegelt, +maar innerlijk ontplooit, ontwikkelt; het is God zelf die zich in +hem bewust wordt, die hem zonder ruste drijft tot scheppen. + +Het toeval plaatst den een in een kalm, den ander in een onrustig +maatschappelijk midden; laat den een stil voort droomen en +dwingt den ander deel te nemen aan den strijd der aldagelijksche +gebeurlijkheden. Wat voor des dichters kunstschepping het meest +wenschelijk is hangt af van zijn kracht, geestelijk en dikwijls ook +physiek. Velen zullen dien strijd als bij instinkt vermijden, maar +de sterke en groote dichter begeert en zoekt hem in zijn mateloozen +dadendrang en voor hèm is hij zeker goed, al vindt hij er ook even +zeker nooit de bevrediging in waarnaar hij hunkert. Want welke rol hij +in het maatschappelijke dadenleven ook spele; hoeveel beproevingen, +worstelingen en overwinningen de werkelijkheid der verschijningen hem +ook brenge; nooit vindt hij er een taak die zijn krachten waardig +is. Of hij tooneel speelt op de echte planken, zooals Shakespeare; +aan het hof van een kunstminnend vorst, zooals Goethe; of wel beide +zooals Molière; of hij zijn droom wil verwerkelijken in 't romantisch +avontuur van een vrijheidsoorlog, zooals Byron; of dat hij een rol +wil vervullen in het ijdel gekrakeel van middeleeuwsche potentaatjes, +stadsraden en pausen, zooals Dante; vroeger of later voelt hij dat +het ware leven, de groote strijd waarnaar hij hunkerde, slechts werd +gevoerd in zijn eigen eenzaam hart. Wat hij doorvoelt, doordenkt, +doorlééft, dàt is de waarheid van zijn bestaan. De droom van den +grooten dichter-daadmensch moet altijd een droom blijven. Maar +later erkent de menschheid, of de enkelen die hem verstaan kunnen, +dat zijn kunstschepping de groote daad zijns levens was, en een +daad zòò werkelijk, dat wil zeggen zoo machtig in haar werking, dat +daartegenover de geheele wereldgeschiedenis kan worden als een droom, +als een onnoozel kinderdroompje. + +Naarmate de dichter zelf zich hiervan meer of minder bewust +is zullen zijn scheppingen subjektiever of objektiever lijken, +persoonlijker of algemeen-menschelijker; ofschoon zij in wezen noch +het een noch het ander zijn, maar beide tegelijk en in één. Doch de +dichter die deze synthese voltrekt, die zijn persoonlijk gevoel +omzet tot begrip-voor-allen, of tot wat het best nog ware te +noemen: Levensinzicht, Wijsheid; deze dichter moet een denker zijn +voor wien ook nog een andere bij de menigte gangbare en geliefde +schijntegenstelling, die van "gevoel" en "verstand", een inhoudlooze +frase is geworden. Er woekert in onze hedendaagsche poëzie een +verfijnde stemmings-exaltatie, een aesthetische aanbidding van +kwasi-gevoeligheid--vooral wanneer zij zich weet te sluieren met +de valsche zijde der moderne literaire onbewustheids-mystiek--welke +het inzicht in deze zeer diepe maar zeer eenvoudige waarheden toch +voor velen zeer moeilijk maakt. De geestelijk krachtlooze, maar +"impressionabele", "sensitieve", sentiments-"artiest", gewend zich +te bedwelmen aan den klinkklank eener liefst zoo vaag mogelijke +taal-muziek, pleegt--in een haast pijnlijke onkunde omtrent de +allereerste beginselen der psychologie--met een zekere laatdunkende +minachting neer te zien op al wat in kunst "cerebraal", "bedacht" is of +liever hem in zijn waanwijze kortzichtigheid en onvermogen om werkelijk +te "denken" maar als zoodanig voorkomt. Voor deze "artiesten" en vele +nog onwetender, want veelal uit de onmachtigsten hunner gerekruteerde +kritici, en eindelijk voor het groote door hen misleide publiek, zou +niets nuttiger zijn dan de aandachtige bestudeering van die enkele +waarachtig groote, volmaakte, al-menschelijke geesten als Dante, +Goethe en Hebbel, die, in hun schoonste en beste werken althans, +geheel zichzelf en geheel God waren, omdat hun sterkste en trouwste +streven, bewust en onbewust, steeds was het goddelijk leven dat in +hen, als zoogenaamd gevoel of als zoogenaamde gedachte, bewust of +onbewust, hoe dan ook lééfde, zoo volmaakt mogelijk tot uiting te +brengen. Die in alle subjectieve gebeurlijkheden niets anders zagen +dan symbolen eener objectieve waarheid en wier diepst-doorvoelde +kunst daarom steeds tevens was hun diepst-doordachte. Wier "gevoel" +niet is elk "spontaan" er uit geflapt aandoeninkje, nog minder +de vage, onvoldragen, mystiekerig verdoezelde gedachten die een +verward spraakgebruik eveneens "gevoel" noemt; maar de grondtoon, +de onderstroom van geheel hun geestelijk wezen. Wier "gedachte" +niet is een nuchtere frase, maar een levende werkelijkheid ja juist +de hoogste, schoonste verwerkelijking in hen van den eenigen levenden +Geest zelf. Die zich in hun diepste hart niet bekreunden om theorieën +over realisme, idealisme, sensitivisme, impressionisme, romantisme of +welke weinig-zeggende definitie van welke eenzijdig-dwalende richting +ook; maar die eenvoudig weg, in hun goddelijke gehoorzaamheid, gaven +wat zij in zich hadden, daarbij meestal een synthese scheppend van alle +bestaande en denkbare richtingen tegelijk. Die door de wèlbewuste, +evenwichtige ontwikkeling van al hun geestelijke vermogens God, +of de Schoonheid, of de Wijsheid, wilden dienen; die bij al hun +scheppen de vooropgezette bedoeling hadden een levens-aanschouwing +te verbeelden, welke zij in zichzelf, dag aan dag, uur aan uur, +strijdend veroverden, met "Gods hulp", zoo letterlijk mogelijk. En +tenslotte, die wat de Geest hun ingaf, trachtten te beheerschen en te +uiten virtuoselijk gedwongen in een vorm van evenwichtige schoonheid, +van gave, zorgvuldigst bewerkte kunstigheid. + +Die schoone en wijze levensaanschouwing waarvan ik hier spreek is +dezelfde voor alle menschen en alle tijden. Zij is geen bewering, +zooals het schijnschoone gepraat der literaire fraseurs van +het Onbewuste, maar zij is een daad: het bewuste, willende +zoeken en verwerkelijken van God, van het Eeuwig-scheppende, +in zichzelf; de verheffing van alle verschijning tot symbool der +Liefde. Tijdsomstandigheden en taalontwikkeling hadden wel steeds +min of meer invloed op de manier van uiting en nadere omschrijving +dezer wijsheid; maar hij voor wien de taal niet is een stelsel van +verstijfde en in hun vasten omvang algebraisch te bewerken begrippen, +doch van levende symbolen zelf, ziet al spoedig in dat hij die ééne +wereldwijsheid, welke haar aanvangs-, hoogte- en eindpunt vindt in het +zich éénvoelen met God, eenig doel en inhoud der waarachtige mystiek, +zoowel verbeeld ziet in de mystische filosofie van een Boeddha, +Meester Eckhart of Hegel, als in de dichterlijke erotiek, in de +"voortbrenging in het Schoone", van Plato of de aanbidding van het +"eeuwig-vrouwelijke" van Dante of Goethe. Voor de groote geesten der +menschheid bestaan geen tijdsverschillen, hunne scheppingen zijn de +elkaar steeds gelijkende, in wezen steeds gelijke, aanvoelingen van +het eeuwig wezen dat altijd is. Daarom spreken zij altijd, afgezien van +zekere oppervlakkige eigenaardigheden van den vorm, allen op dezelfde +wijze en even verstaanbaar of liever aanvoelbaar. Zij konden, ontdaan +van alle nationale en tijdelijke uiterlijkheden, in droom rond ons +vereenigd zijn en wij zouden den Indiër of Griek van vele eeuwen vòòr +onze jaartelling niet onderscheiden van den Italiaan of Duitscher van +nog meer eeuwen er na; wij zouden hen allen houden voor zeer geniale +en zeer wijze.... tijdgenooten. + + + +Ik zal nu verder over Dante spreken. Ik ben begonnen met zijn +"fouten" of--werd de lezer reeds welwillender?--eigenaardigheden op +te sommen. Ik zal nu pogen te doen zien hoe deze eigenaardigheden +slechts zijn de tijdelijk-bepaalde verschijningsvormen van de ééne, +eeuwige dichterwijsheid. Ik hoop u Dante te kunnen doen zien als een +kunstenaar wiens geest in zijn diepste wezen volstrekt niet "buiten +dezen tijd" staat, maar integendeel als een dier dichters die de +groote, drievoudige synthese: van subjektiviteit en objektiviteit, +van droom en werkelijkheid, van gevoel en verstand, wist te voltrekken +en daardoor kon worden tot onzen eeuwigen tijdgenoot, in wiens hart +dezelfde Liefde sluimerde en ontwaakte die ook in het onze sluimert +en ontwaken kan als de aanschouwing der Schoonheid haar slechts wekt + +Ook Dante uitte nooit iets anders dan zichzelf, schilderde nooit +iets anders dan zijn eigen innerlijke leven. Het sterkst, en ook +tevens het paradoxaalst komt dit uit in de Divina Commedia, welke +de geheele menschelijke en goddelijke wereld verbeeldt. Het zijn +Dante's eigen zonden, werkelijke of in-aanleg, die hij er verdoemt +en straft, het is zijn eigen zieleloutering die hij er verhaalt, +het is zijn zelfgewonnen wijsheid die zijn verzen doorlicht. Zijn +sombere wrok, zijn verbitterde haat, zijn vurige wetensdrang, zijn +hooge trots en zijn vrome, nederige liefde, al de eigenschappen van +zijn hevig-levenden geest; maar ook al wat werking en weerslag was +van zijn tijdsomstandigheden en opvoeding; zijn gekunsteldheid en +schoolschheid, komt er tot uiting. Maar één ding toch mist men in +de schepping van den verbitterden balling, en dat vindt men alleen +in het "Nieuwe Leven": den glimlach en de tranen, heel de overzoete +sentimentaliteit van den jongen, ridderlijken troubadour. Want Dante +was, zooals Manzoni zegt, voor de Italiaansche taal niet alleen de +meester van den toorn, maar ook die van den glimlach. Wie de Divina +Commedia las, kent den toornenden profeet en den berouwenden zondaar; +maar hij kent niet den zachtzinnigen minstreel, den weeken jongeling, +die verbleekt en beeft bij den aanblik van een jong meisje en die, +liggend in zijn eenzame kamer "als een geslagen knaapje" den "grond met +tranen baadt" omdat zij hem heur groet onthield. Alleen daarom reeds is +de bestudeering der Vita Nuova noodig voor wie Dante's karakter juist +wil beoordeelen. Maar evenzeer is zij noodig om den zin van zijn werk +dieper te leeren verstaan. Beide werken, de Commedia en de Vita Nuova, +hebben in wezen hetzelfde onderwerp: de loutering van den geest door +de Liefde. Het eerste, het wereld-epos, is in schijn objektiever; +het tweede, de eerste moderne ik-roman, in schijn subjektiever; in +werkelijkheid openbaart de Commedia evenveel van den persoonlijken +Dante als de Vita Nuova van den onpersoonlijken wereldwijze. En beide +hebben zij, in en door hun schijnbaar gekunstelde verstandelijkheid, +die hoog- en strak beheerschte doorvoeldheid, die vormelijke gaafheid, +die onomschrijfbare voornaamheid, die alleen de grootste kunstwerken +kenmerkt. + + + +Het was in het voorjaar van 1283. Er heerschte vrede in Florence, een +zeldzame toestand, waarvan ongekende voorspoed het gevolg was. Het +was voor de rijke stad een tijd van blijde feesten, optochten en +banketten, waarbij een schaar van edele, gansch in wit gekleede +vrouwen en meisjes naar oudridderlijken trant een "hof" vormen van +een schoonen "Heer" dien men Amor noemde. Bij gelegenheid van een +dier optochten waarschijnlijk was het dat de achttienjarige Dante +de enkele maanden jongere Bice Portinari, de "allerlieflijkste", +de "jeugdige engel", die sinds zijn negende jaar de stil-aangebeden +"Vrouwe zijner gedachte" was, voor de tweede maal ontmoette en voor +'t eerst haar stem hoorde. "Voorbij schrijdend door eene straat wendde +zij de oogen naar dien kant, waar ik, vol vreeze, stond: en in hare +onuitsprekelijke hoofschheid groette zij mij met een blik zòò vol van +deugden, dat het mij toescheen als zage ik de grenzen aller zaligheid" +(§ III). Voor het eerst hoorde hij haar stem en zoozeer ontroerde hem +het nieuw geluk dat hij zich "als dronken van de menigte afzonderde" +en vlood naar de eenzaamheid van zijn kamer om daar te peinzen over +"deze zeer hoofsche Vrouwe". En hier had de jonge dichter--want "reeds +had hij uit zichzelf de kunst geleerd in rijmen te spreken"--in wiens +hoofd de ridderlijke verzen van een Bertrand de Born, een Folquet de +Marseille, een Arnaud Daniël en van zoovele andere troubadours klonken, +door een "zoeten slaap" overvallen, dien eersten dichterdroom--ja, +verzonnen, of liever nagebootst naar den vorm, maar doorleefd naar +zijn gevoelsinhoud--welke het eenvoudig motief wordt voor bijkans zijn +geheele verdere lyriek. In een vuurkleurigen nevel verscheen hem Amor: + + + Zòò dat herinnering nòg mij beven doet. + + Vol vreugde leek hij me eerst, terwijl zijn handen + Droegen mijn hart, en in zijn armen had + Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed; + + Toen riep hij haar: en van mijn hart dat brandde, + Zag 'k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at.... + En klagend vlood hij als in bitter leed. + (§ III) + + +Dit sonnet zond hij, naar het gebruik der dichters van dien +tijd, met verzoek om een verklaring ervan, aan eenige "vermaarde +troubadours". Zij zijn niet allen bekend, maar veilig mag men aannemen +dat de meesten behoorden tot de dichterschool van den zoogenaamden +"nieuwen stijl", van welken Guido Guinizelli de baanbreker (1220-1276) +was geweest en Guido Cavalcanti (1250-1300) ten tijde van Dante de +belangrijkste vertegenwoordiger was. De jonge dichter beoogde met de +rondzending van zijn sonnet blijkbaar niet anders dan in den kring +dier vermaarde troubadours te worden opgenomen. Wat hem gelukte, +want van toen af werd Cavalcanti zijn "grootste vriend", de man die +hem steeds aanspoorde zijn liefde hoog en rein te houden en op wiens +verzoek, en zeker voor wien, hij zijn Vita Nuova heeft geschreven. + +Onder de dichters van dien tijd, ook in Florence, was het mode +dat elk van hen een eigen "donna", mits maar niet zijn eigen vrouw, +aanbad en in zijn liederen verheerlijkte. Wanneer men hen mag gelooven +waren al deze "donna's" even lieftallig, schoon en deugdzaam, even +"hoofsch". Dichterlijke idealiseering, wensch-fantasieën; zeker, maar +nogthans waren deze vrouwen volstrekt niet geheel en al hersenschimmig, +maar verbeeld naar het levend model, evenals die vrouwen wier portret +sommige schilders vereeuwigden in de engelengestalten hunner fresco's +en schilderijen, en verscheidene van hen zijn met naam en toenaam +bekend. Ware het voor "abstracte ideale vrouwen" wel noodig geweest hen +toe te dichten in de volkstaal, omdat zij het Latijn niet behoorlijk +konden verstaan? (§ XXV) + +Deze buitenechtelijke vrouwenvereering was een mode, overgenomen +van de Provençaalsche troubadours. Ik laat hier buiten bespreking +het moeilijke vraagstuk uit welke ideëel-maatschappelijke oorzaken +de ridderlijke minnedienst ontstond; maar eenmaal mode onder de +troubadours, kon hij gemakkelijk worden aanvaard door de dichters +dier jonge Italiaansche stadstaten, waar aan het echtelijk leven +gewoonlijk alle poëzie ontbrak, omdat de huwelijken er werden +gesloten uit commercieele overwegingen der ouders of zelfs met +politieke bedoelingen op aandrang der regeeringen. De troubadours, +die, sinds hun land door de gruwelijke vervolging der Albigenzen +en Waldenzen, elders hun fantastische romans voordroegen of van hun +minne zongen en ook in Italië als welkome gasten werden ontvangen, +vonden hier gretige navolging in hun hoofschen minnedienst en poëzie +en gaven zoodoende den stoot tot de ontwikkeling van een eigen +Italiaansche dichtkunst. Aanvankelijk schreven ook hun navolgers in +het Provençaalsch, de langue d'oc; tot op Sicilië, aan het hof van +keizer Frederik II, den grooten kunstvriend, de eerste Italiaansche +poëzie ontstond. De keizer zelf, zijn zoon Enzo, koning van Sardinië, +zijn kanselier Piero della Vigna, magistraten als de notaris Jacopo +da Lentino en Guido delle Colonne, wedijverden er in het kunstig +nabootsen der Provençaalsche voorbeelden. Maar ofschoon bij dezen +of genen de echte volkspoëzie wel een frisscher toon gaf aan de +geijkte uitingswijze, bleef de kunst dezer Sicilianen toch over +het algemeen slechts nabootsing zonder meer, en met de heerschappij +der Hohenstaufen in Italië ging ook zij te gronde. Bij een deel der +dichters uit de Siciliaansche school kwam de naieve zinnelijkheid der +oude ridderpoëzie, waarin de vereering der "Vrouwe" nagenoeg geheel en +al op de bewonderende aanschouwing harer uiterlijke schoonheid berust, +waarin de algemeen gebruikelijke weg dien de Liefde kiest om het hart +binnen te dringen is "door de oogen", tot onverbloemde uiting. + + + Liefde is Begeerte, door het groot vermogen + Van welgevallen in het hart gewekt.... + + Maar schoonheid die we aanschouwen met onze oogen + Is 't toch die sterkste en hechtste liefde wekt [1]. + + +betoogt de bovengenoemde notaris Jacopo da Lentino; anderen maakten, +evenals ook reeds de latere Provençaalsche zangers gedaan hadden, +scheiding tusschen "edele" en "onedele" liefde, ofschoon zij dan toch +ook de eerste nog min of meer zinnelijk opvatten. + + + e per amor es hom guays e cortes, + franc e gentils, humils et orgulhos + + (de liefde maakt den man blij en hoofsch, + frank en edel, ootmoedig en fier) + + +zeide Pons de Capdueil, en Adam de la Halle had gezongen: + + + car ma Dame est tant douche a resgarder + que mauvestés ne porroit demorer + en cuer d'ome qui la voie.... + + (want mijn Vrouwe is zoo zoet te aanschouwen + dat geen slechtheid zou kunnen wonen + in het hart van den man die haar ziet). + + +en Guilhem de Montanhagol was zelfs zoo ver gegaan dat hij de liefde +prees als sporende tot kuischheid en als bron van alle deugden: + + + quar amors non es peccatz, + anz es vertutz.... + e met om' en via + de ben far tot dia; + e d'amor mou castitatz.... + + (want de liefde is geen zonde + maar een deugd.... + en stelt den man in staat + wèl te doen den ganschen dag; + en uit de liefde ontspringt kuischheid....) + + +Maar deze verfijning, welke de Siciliaansche dichters uitwerkten tot +een filosofisch-getinte leer van zuivere ontzegging, een soort van +esoterische, slechts voor de hoogere geesten bestemde theorie der +liefde, maar welke vooral door Sordello van Mantua werd gepropageerd, +was toch eigenlijk niet veel meer dan wat zij ook bij de Provençalen +geweest was: een dekadente methode tot prikkeling der zinnelijkheid +juist door haar zooveel mogelijk belemmeringen in den weg te +leggen: jalouzie, verheimlijking, trots, schaamte enz., kortom zij +was tenslotte slechts een kunstmatige ontlading van onbevredigde, +onderdrukte sensualiteit. Zoo heeft ook de Siciliaansche school de +kuischheid niet kunnen verheffen tot algemeen erkend beginsel der +"edele" liefde. + +Inmiddels was ook in andere deelen van het land, vooral in Toscana, +een volkspoëzie ontstaan, kennelijk nog onder sterken invloed +der Siciliaansche school en dier Provençaalsche voorgangers, maar +ook tevens op eigenaardige wijze doordrongen van den geest eener +wetenschappelijke ontwaking, een hartstochtelijk uitslaand verlangen +naar weten en begrijpen, naar doordenken eenerzijds en verterend +mystiek smachten anderzijds. De gedachten van Thomas van Aquino, van +Bonaventura, van Franciscus van Assisi vervulden de atmosfeer. En deze +laatste, nationale invloeden waren het welke ook een nieuw element +brachten in de overgeleverde poëzie; een element dat, onbeholpen en +stroef nog geuit door een Guittone d'Arezzo, door diens leerling, +den Bolognees Guido Guinizelli werd ontwikkeld tot dien "dolce stil +nuovo" dien zoeten nieuwen stijl, welken Dante later tot schoonsten +bloei zou brengen. + +Ook een toenemende demokratiseering van het geestelijk leven droeg +hiertoe bij. Waren de Fransche troubadours, die, zelf veelal niet of +slechts tot den lageren adel behoorend, nogthans de aanzienlijkste +edelvrouwen tot de Dame huns harten verhieven en die bovendien op hun +zwerftochten met alle maatschappelijke klassen in aanraking kwamen, +meestal reeds min of meer demokratisch gezind, zoodat zij naast den +adel der geboorte het goed recht van den adel des gemoeds bepleitten; +in Italië, waar de dichters niet meer als rondzwervende zangers voor +de leden van een ondergaanden adel zongen, moest de nieuwe moraal +van den adel des gemoeds, wortelend in een "natuurlijken" aanleg tot +het goede en zich openbarend door de genade Gods, nog veel gereeder +ingang vinden. + + + Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen: + 't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt. + "'k Ben edel van geboort!" wie dus kan pralen + Is als dit slijk; de Deugd is 't zonnegoud. + Geloove niemand ooit + Dat adel buiten 't edel hart kan leven; + Wien 's konings hoogheid tooit + Blijft laag zelfs zoo niet Deugd zijn hart doordringt, + Dat kaatse als water 't beven + Van sterrenglans die uit den hemel blinkt. + + +Zoo zingt Guinizelli, de eerste meester van den nieuwen stijl in +zijn beroemde canzone over het wezen der liefde. De liefde kweekt den +adel des gemoeds, maakt het hart ontvankelijk voor deugd en omgekeerd +kan de liefde alleen in het edel hart leven. De laat-Provençaalsche +troubadour Lanfranco Cigala wist het ook wel: + + + ques amors pren en lejal cor naissenza, + (de liefde wordt geboren in het edel hart) + + +maar voor Guinizelli en zijn school is het verband tusschen liefde +en deugd wezenlijk; zij behooren onafscheidelijk bij elkaar: + + + Het edel hart is liefde's wijk en wapen, + Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart; + Niet heeft Natuur de liefde 't eerst geschapen, + Noch eer dan liefde 't hart van eedlen aard. + Want zooals met de zon + Van aanvang af het licht de ruimte kliefde, + Doch éér niet stralen kon, + Zoo woont in al wat edel is en puur + Vanzelf de zoete liefde, + Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur. + + +Tusschen liefde en deugd was het verband gelegd, de nieuwe stijl, +onder invloed van de opbloeiende christelijke scholastiek en de +innig-hartstochtelijke Maria-vereering in de "lyrische lofzangen" der +volgelingen van Frans van Assisi, vereenzelvigde haar nu bovendien met +de vroomheid. En zoo kon het gebeuren dat de naieve, gedachtelooze +gratie van het oude, zinnelijke troubadourslied en de hoofsche +traditie van den wereldlijken minnedienst voorbeeld en grondslag +werden voor de diepstzinnigst bespiegelende poëzie. De donna, de +schoone, maar bovenal deugdzame vrouw, wordt verheven tot de beata +beatrix, de engel in menschelijke gedaante, die de ware godsliefde +doet ontwaken in het hart van den minnaar. Zeker, ook van deze, +platonische en eeuwig-menschelijke gedachte, biedt de vroegere +poëzie voorbeelden, maar men vindt ze er slechts sporadisch. De +vergelijking der geliefde met een engel is bij de oudere troubadours +zelden meer dan een nu eenmaal geijkte dichterlijke frase; geen werkt +haar uit tot een navoelbare symboliek, want bij geen is zij uiting +van een werkelijk ook diepgevoelde godsliefde. De nieuwe christelijke +filosofie echter, met haar Maria-kultus en haar voorstelling van de +engelen als bemiddelaars tusschen God en mensch, als "afgescheiden +Intelligenties" die Gods gedachte moeten verwerkelijken door de in +den mensch als "potentie", als vermogen sluimerende deugd te wekken +tot "actie", tot daad, was als geroepen om aan den voormaligen en tot +een geëxalteerden schijn ontaarden minnedienst een nieuwe beteekenis, +een hoogere wijding te geven; hoe hoogst-bevreemdend en paradoxaal +op het eerste gezicht ook een verbinding van dichterlijke erotiek +met aristotelisch-middeleeuwsche wijsbegeerte, mystiek en asketisme +ook moge schijnen. De hoofsche vorm, de traditie van het ridderschap, +bleef behouden, de Liefde blijft de "Heer en Meester", dien de minnaar +"dient" als "trouw vasal", maar die liefde is niet langer de naieve, +overwegend sensueele begeerte der twaalfde-eeuwsche poëzie, noch hare +asketisch-dekadente verfijning, maar haar volkomen vergeestelijking +tot eene onzinnelijke vroomheid, waarin echter alle zoetheid en +teederheid der schoone zinnelijkheid wordt overgedragen. Natuurlijk +zijn de dichters dier geestelijke richting niet in al hun werk hun +beginsel trouw gebleven--zij waren dichters!--en hebben zij naast +hun hoogste, hemelsche liefde zeer goed den aardschen hartstocht +gekend en gekoesterd. Den meester Guinizelli zelf ontwaart Dante +op den Louteringsberg achter den vlammenboog waar zij die zich +aan zingenot te buiten gingen worden gelouterd; Cavalcanti betoont +zich zeer wispelturig in zijn aanbidding en het groote in Dante's +eigen liefde is niet hare standvastigheid, maar Dante's worsteling +ervoor. Maar dit neemt niet weg dat bij hen de vergoddelijking der +vrouw bewust tot de hoogste bedoeling hunner kunst wordt gemaakt. De +verfijnde aanstellerigheid van den traditioneelen minnedienst wordt +weder door een echt en diep gevoel vervangen. En dit juist is het +wat die kunst tot een nieuwen stijl verheft. + +God straalt Zijn licht onverzwakt uit over de engelen; daarom +verrichten zij hun taak ook van aanvang af goed, zegt Guinizelli in +zijn reeds aangehaalde canzone. En dan verzucht hij: + + + Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf + De waarheid harer eedle deugd, die straalt + Uit hare zuivre blikken, + Aan mij, die nimmer haar te minnen faalt. + + +En dat bij hèm de vergelijking met een engel niet maar een ondoordachte +frase is, bewijst de slot-stanza, waarin hij in een, later ook voor +Dante voorbeeldig hemelvisioen, haar voor het aangezicht van God-zelf +verdedigt: + + + Mijn Vrouwe! "Wat vermat ge u?" zal God spreken + Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat. + "Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken, + Te plaatsen mij naast minne die vergaat? + Uw lof zij slechts gericht + Tot mij alleen en die genaderijke + Voor wie àl logen zwicht." + Maar 'k antwoord: "Met een engel die gij zond, + Moest ik haar wel gelijken, + Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond." + + +Hier is het zinnelijk realisme der ridderlyriek inderdaad tot +diepzinnige symboliek gestegen. En dezen toon van nederige devotie +voeren voortaan de beste dichters van den nieuwen stijl. Wanneer zij +zich althans richten tot de "ware" Vrouwe hunner ziel. + + + Que'son del vero amore inamorati, + Ch'a Dio son servir dati + + (Zij alleen zijn vervuld van ware liefde, + Die zich gewijd hebben aan den dienst van God). + + +zegt Chiaro Davanzati. Het zijn nu niet langer de kleur van oogen +en haren, de blankheid der huid, de roode lippen, de zachtgeronde +leden; het zijn niet langer de uiterlijke bekoorlijkheden hunner +Vrouwe alléén of in de eerste plaats die zij bezingen; maar het is +hun zachtheid, hun nederigheid, hun vrome deugd bovenal welke zij +prijzen en waarvan zij de louterende afstraling in hun eigen hart +verwachten. Niet de begeerte om de geliefde, nu eerst waarlijk de +"aangebedene", te bezitten beheerscht deze dichters, maar in haar +glimlach of groet alleen bestaat hun gelukzaligheid en hun eenige +vrees en droefenis is de gedachte haar niet waardig te zijn. In de +beroemde canzone: "Gij vrouwen edel, die de liefde kent" laat Dante, +na eerst de schoonheid van Beatrice's ziel bezongen te hebben, Amor +zelf de grootste schoonheden van haar lichaam prijzen. Amor prijst +haar oogen en mond, volgens de oude troubadours-overlevering "begin +en einde der liefde": + + + En geen kan haren mond, teeder omtogen + Van liefde's lach, bewondren onbewogen. + + +"Maar," zoo zegt Dante in de "verdeeling" dezer stanza, "opdat hier +iedere lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest +dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke eene +werking van haren mond is, het doel mijner wenschen was." + +Tot een edel, geestelijk leven moesten deze dichters de vereering +hunner Vrouwe opvoeren, tot liefde voor de wijsheid en vrome +overpeinzing moest hun hartstocht worden omgesmolten in zijn eigen +gloed. En zoo is voor hen de minnepoëzie tenslotte niet langer slechts +een middel om te bekoren door schoone bevalligheid, maar bovenal om te +stichten, te onderrichten: de kunst wordt opzettelijk didactisch. Een +hoogste stijging, waardoor zij het dichtst nadert tot haar goddelijk +oerwezen en tot.... zijn parodie. Want stichten en onderrichten willen +allen die iets weten en die godsliefde en wijsheid in zich voelen. En +"woorden spreken op rijm" kan ten slotte vrijwel iedereen even +gemakkelijk leeren als de achttienjarige Dante. Maar weinigen zijn de +uitverkorenen die ook kunnen dichten. Vandaar het koude, ongevoelige, +bedachte in slèchten zin, dat men bij deze dichters aantreft, wìj +vooral wien het op zichzelf reeds eenigszins moeilijk valt ons in den +middeleeuwschen geestestoestand te verplaatsen en die maar al te zeer +neiging hebben beelden of zinswendingen "koude, dorre scholastiek" te +noemen die in dien tijd en voor die dichters toch een warme, innige +gevoelswaarde bezaten. Evenwel, veel van deze poëzie zal terecht +als het doode rijmwerk van echte of wouldbe geleerden, theologen +en moralisten beschouwd mogen worden en het valt niet te loochenen +dat zelfs bij een Cavalcanti vele van zijn luchtiger en wereldscher +sonnetten en balladen in den volkstoon hooger dichterlijke waarde +bezitten dan b.v. zijn vermaarde, doch door duistere gekunsteldheid +ongenietbare metaphysische canzone over den aard der liefde. + +Toen kwam Dante. Hij ook had zijn "Vrouwe", wettige echtgenoote +van een ander, naar de mode des tijds; hij bezong haar lieflijke en +zaligmakende deugdzaamheid zooals zijn voorgangers en vrienden de +"gentilezza" hunner eigen donna's bezongen, dikwijls zelfs in de +gebruikelijke woorden en geijkte beelden. Hij aanvaardt en huldigt +zonder voorbehoud de "theorie" van meester Guinizelli. "Liefde en +een edel hart", zoo dicht hij dien Saggio, dien "wijzen dichter" na: + + + Liefde en een edel hart zijn ganschlijk een, + Gelijk de wijze dichter heeft geschreven.... + + Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen + En heeft het hem tot vaste woon gegeven; + En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een, + Bij d' ander lang, den dag van 't nieuwe leven, + + Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt.... + (§ XX) + +Hij verheerlijkt zijn Beatrice als de engel, door God op aarde gezonden +om alles door haren glans te heiligen: + + + De Hemel zond tot de aarde een engel zoet, + Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.... (§ XXVI) + + Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen + Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt.... (§ XXI) + + +Dit alles zijn bekende klanken. Maar er is iets in Dante's gedichten, +althans in die welke volgen na de canzone: "Gij vrouwen edel, die +de liefde kent", dat hen toch wezenlijk van die zijner voorgangers +onderscheidt. En dat is de volkomen synthese van doorleden gevoel +en reflekteerende gedachte tot ééne ongescheiden doorlééfdheid. Na +deze canzone maakt Dante met volle bewustheid zijn kunst dienstbaar +aan zijn hoogste gedachteleven. Ik zeg gedachteléven en niet +gedachte-napraterij, waartoe de niet-denkende rijmer zoo heel +gemakkelijk kan vervallen. Wat bij anderen geworden was of dreigde +te worden woord-abstractie zonder meer, bleef bij hèm een levende +werkelijkheid. Voor hem, evengoed als voor Guinizelli en anderen, +waren liefde en deugd begrippen, maar hij sprak ze niet uit wanneer ze +niet gloeiend in hem leefden. Dante had lief zooals alleen een echt +dichter liefheeft, met die zoete verdwazing die zoo wonderlieflijk +vermengd is met hoogste wijsheid en daarom alleen straalt zijn geheele +liefdessymboliek in zulk een warmen, innigen glans. En Dante had ook +de werkelijkheid lief, de concrete, tastbare werkelijkheid der schoone +dingen en menschen. Hij had die lief met de diepte van den dichter en +de vurigheid van den Italiaan bovendien. Daarom geen abstractie, geen +symbool bij Dante, dat niet op een doorleefde werkelijkheid berust, +geen hemelsche zaligheid die niet uit aardsche wanhoop is opgestegen, +geen goddelijk-stille liefde die niet in de hel der wilde hartstochten +werd geboren. + +Dante vermocht de groote synthese te voltrekken. Hij was, of hij wilde +tenminste zijn, een geleerde, dat wil zeggen--het was de dertiende +Eeuw--een godgeleerde. En heel de intellektueele hartstocht van +den jongen autodidakt trok zich samen in dit ééne verlangen tot +ontleden, doorgronden, begrijpen. Zijn wetensdorst was hartstocht, +levend gevoel. Hij was ook een hartstochtelijk minnaar van de natuur, +wier zoete mystiek hij zeker even diep doorvoelde als een Frans +van Assisi, de dichter van het Lied der Zon. Een minnaar van het +echt-menschelijke was hij, even fel als zijn jongere tijdgenoot de +schilder Giotto. En hij was een aanzienlijk Florentijn, ridderlijk, +trotsch, onstuimig, zacht en zeer verliefd. Hij had alles in zich +wat sterk en machtig-levend was in zijn tijd en dat alles doorleefde +hij zèlf in een eigen innerlijke wereld die hij uit eigen kracht +beheerschte. Is het dan wonder dat hij in de vereering zijner Vrouwe +den gloed der aardsche liefde verbond met de zuiverheid der hemelsche +en dat Beatrice, trots de voorzichtige twijfelingen van zeergeleerde +commentatoren, voor den dichterlijken en minnenden geest nooit als een +"alleen maar bedachte allegorie", als een kunstmatige "draagster" van +"verstandelijke symboliek" verschijnt, maar steeds als een levende, +diepgeliefde en zonder twijfel afwisselend even smartelijk-begeerde +als platonisch-aanbeden jonge vrouw? + +Zonder twijfel heeft Dante zijn Vita Nuova bedoeld tot een allegorie +te maken, althans achteraf aan de gestalte van Beatrice en aan +alle gebeurlijkheden in zijn boekske een allegorische beteekenis +te geven. Pasqualigo heeft in een zeer scherpzinnig en geleerd werk +trachten te bewijzen dat Beatrice niets anders is dan de allegorie der +christelijke liefde, welke door hare vereeniging met de wetenschap +tenslotte tot goddelijke wijsheid wordt. Het is, zegt hij, niet aan +te nemen dat Dante als knaapje van negen jaar reeds alle kenteekenen +van een volwassen hartstocht vertoonde, laat staan zich daarvan +bewust was op een zoo gedetailleerde wijze als uit het gedrag zijner +"levensgeesten" bij Beatrice's eerste aanschouwen blijkt. Maar +dat kinderen van dien leeftijd reeds op hun manier van een diepe, +ernstige vroomheid, een dwepend godsverlangen vervuld zijn, is niet +zoo heel zeldzaam. Welnu, die eerste verschijning van Beatrice op +Dante's negende jaar beteekent Dante's.... eerste communie! En +de tweede verschijning, negen jaar later, was de neerdaling der +goddelijke genade in Dante's hart. Het "zuiver wit" waarin hij +haar zag is de kleur des Vredes; de twee oudere matrones die haar +vergezellen zijn "Geloof" en "Onschuld"; haar groet is "het Heil, +de Heiland, Christus"; de menigte van welke Dante zich afzondert +verbeeldt zijn eigen zinnelijke begeerten; de eenzame kamer waarin +hij zich terugtrekt zijn eigen innerlijk; de zoete slaap welke hem +daar overvalt den vrede des gemoeds die op hem neerdaalt, etc. etc. + +Men kan nu van andere zijde de "echte" liefde van den negenjarigen +knaap op psychologische gronden verdedigen, of het er voor houden dat +Dante terwille van zijn negen-symboliek een paar jaar smokkelde; men +kan ook wijzen op de talrijke zoo levensechte trekjes in het verhaal; +zonder dat dit nogthans de allegorische bedoeling uitsluit. Het +komt mij zelfs vrij waarschijnlijk voor dat Dante in zijn verhaal +inderdaad de boven aangeduide of andere dergelijke "beteekenissen" +heeft willen verstoppen, maar het lijkt mij van weinig belang ze even +zorgvuldig weer alle te ontdekken. Bovendien zal er, als bij iedere +symboliek, zeker veel meer "uit te halen" zijn dan de schrijver zelf +er in legde. Ik laat het dus gaarne aan den intelligenten lezer over +zelf naar eigen smaak en willekeur de détails van Dante's symboliek na +te pluizen en verwijs alleen hier en daar in de aanteekeningen naar +hare algemeene hoofdlijnen. De meer naar theologische duisterheden +dan naar psychologische werkelijkheid speurende lezer houde maar +steeds in het oog dat Beatrice voor Dante inderdaad het symbool is +of zijn kan van deugd, goedheid, nederigheid, waarheid, vroomheid, +Liefde, Genade, Christus, Maria en zelfs God. Met dezen sleutel en +bijgelicht door de kennis der Thomistische filosofie zal hij tot +heel wat Danteske duisterheden den toegang vinden. Maar hij vergete +bij zijn verklaringen ook niet, dat tenslotte ieder willekeurig +verhaaltje, hoe eenvoudig ook, zooveel aanknoopingspunten biedt voor +allerlei gedachten-associaties, dat het zeer weinig moeite kost +er een diepzinnige allegorie achter te verbergen, afgezien van de +misschien ontzagwekkende geleerdheid die er toe noodig is om zulk +eene erin-verbeelde beteekenis ook te "bewijzen". + +Maar behalve als symbool heeft Beatrice ook in werkelijkheid +bestaan. Veel is er niet van haar bekend. Het 15 Januari 1287 +gedagteekende testament van Folco dei Portinari noemt haar als diens +dochter Bice, kinderlooze echtgenoote van den bankier Simone dei +Bardi. Dit is het eenige wat men documenteel van haar weet. Maar meer +dan waarschijnlijk is het dat deze Bice Portinari inderdaad Dante's +Vrouwe was, de moderne kritiek is het hierover vrijwel eens. + +Wanneer niet reeds tal van plaatsen in de Vita Nuova en de Commedia +dwongen de lichamelijke realiteit van Beatrice aan te nemen, zou +ééne plaats in het eerste werk, waar Dante op ontroerende wijze de +volkomen bewustwording van zijn jong dichterschap openbaart, ons het +psychologisch bewijs ervan leveren (§ XVIII). Eenige "edele vrouwen", +zonder twijfel zelf veelbezongen "dames" van den Florentijnschen +dichterkring, hadden, wetende hoezeer de aanblik van Beatrice hem +in verwarring placht te brengen, Dante gevraagd waarin dan toch wel +zijn gelukzaligheid bestond. "In woorden welke mijne Vrouwe prijzen" +had hij geantwoord. En peinzende over de diepe beteekenis van dit +antwoord, waarin hij ook voor zichzelf voor het eerst de volkomen +vergeestelijking zijner liefde uitsprak, nam hij zich voor: "tot +stof voor zijn dichten (voortaan) nooit iets anders dan den lof dier +Allerlieflijkste te kiezen". En dan volgt die in haar oprechten eenvoud +zoo treffende beschrijving van den gemoedstoestand eens dichters: de +twijfel of de gestelde taak niet boven zijn kracht zal gaan, de angst +om het werk te beginnen, het dagenlange rondloopen in onrust en vaag +verlangen, het voortdurend vervuld zijn van zijn stof; en dan opeens, +onverwacht, de inspiratie, de influistering van dien regel waarop +of waaromheen het geheele gedicht zal worden opgebouwd. Broedend +wandelde Dante langs de heldere, snelstroomende Arno en.... "toen, +zegge ik, sprak mijn tong als van zelf bewogen: Gij vrouwen edel, +die de liefde kent". Het was de aanvangsregel der canzone welke +voor het eerst volkomen de geliefde vergoddelijkt, en tevens het +gedicht dat Dante later zelf het begin zijner nieuwe, geheel echte, +levensware poëzie zal noemen. + +Op den Louteringsberg spreekt de oude Toskaansche dichter Buonagiunta +aldus Dante aan: + + "Maar zeg of ik hier zie dengene, die tevoren bracht de nieuwe + rijmen, beginnende: Vrouwen, die begrip hebt van liefde." + + En ik tot hem: "Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij + inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in + mij dicteert, voortga het opteekenende." + + "O broeder, nu zie ik" zeide hij, "de knoop die den notaris [2] + en Guittone [3] en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten + nieuwen stijl, welken ik hoor" (L. B. XXIV. 49-57). + +Levende liefde dus is het die volgens Dante den dichters van den +dolce stil nuovo inspireert, en zéker hemzelf. Moge de nog zoo jonge, +schoolsche troubadour-geleerde vòòr die wandeling langs de Arno, +in de eerste tien gedichten der Vita Nuova dus, al eens bewust of +onbewust de geijkte frasen hebben nagepraat, in deze canzone en in de +gedichten er nà, zingt alleen Dante zelf en zingt hij alleen "wat het +hart hem vóórzeide met de stem der liefde" (§ XXIV), zelfs dààr nog, +waar woorden en zinnen ons aandoen als herinneringen, ja plagiaten +uit oudere dichters. Maar ieder dichter weet wel dat het geen dorre, +doode abstracties zijn die de groote, in ons hart verborgen sluimerende +liefde doen ontwaken en spreken, maar dat alleen levende schoonheid +daartoe in staat is en vòòr alles "de Schoonheid die als een vrouw vol +deugd verschijnt". Zulk eene reëel-symbolische vrouw was voor Dante +Beatrice. Of zij ook voor anderen die schoone, edele lieftalligheid +bezat die Dante verhemelt? Lieden, die haar niet kennen, raden, +wanneer zij haar maar zien, dat zij "Beatrice" dat is "Zaligmaakster" +moet heeten. (§ I). Wanneer zij zich op straat vertoont loopt de +bevolking uit om haar te zien. (§ XXVI) "Deze is geene vrouw, maar +eene der schoonste engelen uit den hemel", zeiden sommigen. En anderen: +"Deze is een wonder; gezegend zij de Heer die iets zoo wonderbaarlijks +weet te scheppen." Haar zachte nederigheid deelt zich mede aan elk wien +zij een groet waardig acht; het is niet mogelijk in haar nabijheid iets +slechts ook maar te denken. Wahrheit of Dichtung? Bij haren dood wijdt +Cino da Pistoia eene troostcanzone aan haar nagedachtenis die alles +te bevestigen schijnt wat Dante ter verheerlijking van zijn Beatrice +zeide. Maar bevriende dichters komen elkaar gaarne in het gevlei, +vooral in een dergelijke omstandigheid. Bovendien, wat Cino van haar +zegt zijn grootendeels toespelingen op, ja aanhalingen van verzen +van Dante zelf. En verheerlijken niet tenslotte ook andere dichters +hunne geliefden op precies dezelfde wijze? Zingt niet Cavalcanti van +zijne Vanna: + + + Onzeggelijk is harer schoonheid glans, + Wijl alle edele deugden voor haar knielen + En Schoonheid zelf haar eert als een godin. + + +en in een ander sonnet: + + + Ze is zòòveel meer dan alles om haar heen + Als heel de hemel grooter is dan de aarde.... + + +Beweert niet de zoo even genoemde Cino da Pistoia van zijne Selvaggia: + + + De Vrouwe, om wie ge peinzend mij ziet schrijden, + Toont een gelaat zòò lieflijk dat zij doet + Ontwaken in een iegelijks gemoed + Dien eedlen geest die daar verborgen beidde.... + + +Getuigt niet Lapo di Gianni van zijne Lagia: + + + Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen; + Ze is als der Liefde zuster in haar spreken, + Een wonder is van haar ieder gebaar.... + + +Deze drie dichters waren Dante's tijdgenooten en vrienden, zij +kunnen hem hebben nagevolgd, ofschoon bij Cavalcanti, zijn ouderen +vriend en raadsman en als lyrisch dichter geenszins zijn mindere, +eer het omgekeerde mag worden aangenomen. Maar zegt niet Guinizelli +van zijne Lucia: + + + Zij gaat getooid van zooveel lieflijkheden, + Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet + En elken heiden 't waar geloof zou schenken. + + Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden. + Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet: + Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken. + + +Een lof welke zin voor zin bedenkelijk gelijkt op wat Dante in +verschillende gedichten schrijft over Beatrice, en hier is het toch +kennelijk Dante die zijn vòòrganger naspreekt. + +Doch wat doet het er ten slotte toe dat wij van Beatrice's +verschijning niet meer weten dan het vage beeld dat Dante zelf van +haar geeft. Niet wat zij wàs, maar wat zij in Dante's geest wakker +riep is het belangrijke van haar bestaan, dat toch tenslotte maar +een van die kleine, onbeteekenende feitjes was waarvan dichters +dikwijls hun meest grootsche concepties ontvangen. Misschien wàs +zij inderdaad onvergelijkelijk schoon van lichaam en edel van ziel, +maar zeker zag Dante haar, lichamelijk en geestelijk nòg schooner en +edeler, doordat hij haar omhing met het weefsel zijner eigen hoogste +verlangens. Want zoo immers doet ieder dichter, ja ieder mensch wien +de liefde het "nieuwe leven" ontsluit. Omweeft niet elke minnaar +de geliefde vrouw met een teederen, mystieken glans, die voor zijn +verbeelding--al naar den vorm waarin hij leerde denken--straalt als de +aureool eener heilige of als de diadeem eener droomkoningin, maar die, +hoe dan ook, steeds de hoogste schoonheid kroont welke in zijn eigen +hart leeft? Dante zag in Beatrice zijn hoogsten droom van schoonheid, +reinheid en deugd verwerkelijkt, en zooals iedere werkelijkheid voor +wie bewondert en liefheeft tot symbool wordt, werd ook zij voor +hem symbool van zijn eigen innerlijkste, dichtst-bij-God levende +verlangen. Zoo is zijn werk--als elk kunstwerk in liefde geschapen, +als elke liefdedaad--zoowel uitvloeisel en weerslag van een doorleefde +realiteit als min of meer bewuste symboliseering van innerlijken +droom. Misschien is de religieus-mystieke vorm van Dante's exaltatie +"uit den tijd" en althans voor niet-katholieken moeilijk juist te +waardeeren; haar geest is begrijpelijk en navoelbaar, en zal dit +eeuwig blijven, voor elken minnaar. + +Hoezeer allengs, na Beatrice's dood, deze symboliseering, die +vergeestelijking overhand kreeg en de reëele, zinnelijke grondmotieven +zijner liefde verdrong, blijkt het duidelijkst wel uit het feit +dat Dante zijn herhaalde en diep-berouwde ontrouw aan de gestorven +geliefde gevoelt als een vergrijp tegen.... de Rede. Ook de zalige +Beatrice trouwens, die hem zijnen afval van haar verwijt, verstaat +onder die ontrouw nog iets anders en meer dan amoureuse avonturen, +al veroordeelt zij natuurlijk ook deze. + +In de Vita Nuova beschrijft Dante zelf hoe, kort reeds na Beatrice's +dood, de aanblik eener "deernisvolle vrouwe" hem tot een tijdelijke +ontrouw verlokte. Maar nà deze "Vrouwe aan het Venster" hebben hem, +behalve de vrouw waarmede hij huwde, nog menige andere van den rechten +weg doen afdwalen. Witte, de vermaarde Dante-kenner, somt er een +zevental op, terwijl anderen ook een verhouding aannemen tusschen +Dante en de vrouw van zijn broeder. En de ontzetting die den dichter +op zijn helletocht aangrijpt over het lot van de echtbrekers Paolo +en Francisca (Hel V. 139), een ontzetting zoo geweldig dat zij hem +bewusteloos doet neerstorten, schijnt wel op eenig schuldbesef te +wijzen. Ik houd het zelfs voor waarschijnlijk dat ook nog tijdens het +leven van Beatrice Dante's gedachten niet voortdurend en zeker niet +onverdeeld aan haar behoorden. Zou Dante de twee "edele dames" die hij +tot "scherm der waarheid" gebruikte, dat wil zeggen die hij openlijk +het hof maakte kwasi om zijn liefde voor Beatrice te verbergen, niet +eene iets meer dan geveinsde liefde hebben toegedragen? Waarom schreef +hij in dien tijd, toch een paar jaren, niets voor Beatrice en kan hij +de enkele gedichten dier periode welke in de Vita Nuova zijn opgenomen +(§ VII, VIII en IX) slechts op een zeer gedwongen wijze met Beatrice +in verband brengen? Het zou mij niets verwonderen als Dante het oude +troubadourstrucje slechts achteraf had toegepast om twee werkelijke, +voorbijgaande en later berouwde liefden te verontschuldigen. Zegt hij +niet zelf dat het vertrek van zijn eerste "schermo" hem "meer bedroefde +dan hij tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden"? (§ VII) En huldigt +hij het tweede niet zoo ondubbelzinnig dat "maar al te vele lieden er +over spraken op eene wijze welke de hoofschheid te buiten ging"? (§ X) +Mij dunkt, zelfs de in zijn gevoel het meest verkunstelde troubadour +zou zich niet zoo aanstellen zonder er althans iets van te meenen. Het +waren "schoone en lieflijke" vrouwen en geen ongracelijke coquettes als +b.v. de juffer achter wie Goethe zijn liefde voor Kätchen Schönkopf +verborg! Doch hoe dit zij, zéker mag men aannemen dat Dante's latere +liefden--voor een man van zijn temperament spreekt het vanzelf--niet +alle even platonisch geweest zullen zijn. In het begin der Vita +Nuova moge hij al verklaren: "dat de Liefde hem nooit beheerschte +zonder den trouwen raad der Rede", deze verklaring slaat slechts op +de levensperiode vòòr zijn achttiende jaar. Làter, in verschillende +gedichten--en een dichter is in zijn Dichting altijd méér waar dan in +zijn voor Waarheid gegeven proza--spreekt hij wel anders. Bijvoorbeeld +in het sonnet: "Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren": + + + ..En 'k weet hoe hij (Amor) ons ment en zweept en spoort.... + + Want altijd in den kring van Amor's krijt, + Is vrije wil dùs door zijn macht gebonden, + Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt; + + Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden: + Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt, + De nieuwe volgt hij wen hààr krachten zwonden. + + +Zijn dit niet woorden van een man die "het klappen van de zweep +kent"? En wie, die niet behalve den zegen ook den vloek der liefde +gekend heeft bij ondervinding, zou een sonnet kunnen schrijven als dat, +hetwelk Dante richtte aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni, aan wie hij +ook eenige groote canzonen gewijd had en die, als ook zij "symbool" +is, toch zeker het best dit gansche ras van nietige, maar wreede en +"steen"-harde wezentjes verbeeldt, wier ijdelheid het goed geloof en +den gullen hartstocht des dichters pleegt te misbruiken. + + + Ik vloek den dag dat mij voor 't eerst verblijd + Het licht heeft dier verraderlijke oogen; + En 't uur dat ge in mijn hart gekomen zijt + En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen.... etc. + + +Ik leg opzettelijk eenigszins den nadruk op Dante's "afdwalingen", +omdat vele commentatoren en lezers in hunne teleurstelling over het +feit dat het karakter van den door hen bewonderden dichter niet precies +beantwoordt aan hun eigen moreele overtuigingen, die zoo gaarne zouden +willen weg-"verklaren" met een gekunstelde geleerdheid, welke zonder +twijfel zelfs Dante te kras zou zijn geweest. Deze lieden bedoelen +het goed, maar zij bewijzen de nagedachtenis van den dichter zeker +geen dienst met hun pogingen om ook Dante's "zondige" liefden te +versymboliseeren. Want juist in het zoogenaamd zwak-menschelijke van +zijn liefdeleven vond Dante toch tenslotte die aanleiding tot strijd +tegen zichzelf, tot opvoeding door zelftucht, die de dichter--evenals +trouwens elk werkelijk karakter--behoeft om waarlijk groot te kunnen +worden. + +Ik zeide reeds dat overigens Dante, en ook Beatrice, deze afdwalingen +op eene andere wijze veroordeelen dan de onthutste commentatoren. + +Vòòrdat Dante, aan het aardsche paradijs gekomen, het gelaat der +zalige Beatrice mag aanschouwen, spreekt zij hem aldus toe: + + "Dante, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog + niet, daar het om een ander zwaard (berouw) u voegt te + weenen. (L. B. XXX. 55-57). + + Aanschouw mij wel, wel ben, wel ben ik Beatrice; hoe verwaardigdet + gij u tot den berg toe te komen? Wist ge niet dat hier de mensch + gelukkig is?" (73-75). + +En de dichter verhaalt: + + Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin + ziende, trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte + bezwaarde mij het voorhoofd. (76-78). + +Later spreekt Beatrice tot de Engelen, die medelijden betoonen met +den door hare verwijten geheel verslagen dichter: + + "Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen + hem vertoonende, leidde ik hem, zoodat hij was met mij op het + goede doel gericht. + + Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van + leven verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich + aan een ander. + + Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en + deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en gevallig; + + en hij lichtte de schreden langs den niet waren weg, valsche + schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat + zij beloofden". (121-132). + +In den volgenden zang bekent Dante: + + Weenende zeide ik: "De tegenwoordige zaken met hun valsche behagen, + keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuilgegaan". (XXXI + 34-36). + +Waarna Beatrice antwoordt: + + "Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke + zaken troffen, had ge u moeten opheffen, om mij, die niet meer + zoodanig was, te volgen. + + Gij moest niet meer uw vleugelen omlaag laten drukken om meer + slagen te verwachten, hetzij door een meisje, of eenige andere + ijdelheid met zoo korte bate." (55-60). + +Dit zijn Beatrice's verwijten, naar aanleiding waarvan Dante zegt: + +"Zulk een zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel +(88)". Men ziet het, ook andere dingen dan het naloopen van een meisje +gelden der hemelsche Beatrice voor afval van haar. Niet echter zijn +huwelijk met Gemma Donati, de vrouw bij wie Dante vier, volgens +anderen zelfs negen kinderen verwekte. En ook de toch zeer reëele +ontrouw in den gewonen zin des woords aan deze zijne echtgenoote +zelf wordt hem nergens verweten. Dante's ontrouw, wat althans door +hemzelf als zoodanig gevoeld wordt, is inderdaad een andere dan de +gewone en in zooverre hebben de redders zijner moraliteit gelijk, +die meenen dat Beatrice's verwijten op geestelijke afdwalingen, op +verslapping van Dante's geloofsijver of studie betrekking hebben. Het +zware zelfberouw dat Dante kwelt is niet het gewone zondegevoel van een +man die een gestorven geliefde--en bovendien in dubbel opzicht zijn +eigen vrouw--ontrouw is; maar bovenal het besef dat telkens elkeen +pijnigt die een levenstaak te vervullen heeft: tijd en geestkracht +verspild, verknoeid te hebben aan iets anders dan zijn hoogsten droom, +zich van zijn weg te hebben laten afleiden door "ijdelheden van korte +bate", door nietige alledaagschheden en gebeurtenissen en onder andere +òòk door een lichtzinnig leven, zooals Dante gedurende eenigen tijd +in gezelschap van zijn zwager Forese Donati, den gulzigaard, geleid +schijnt te hebben. Cavalcanti, die--schoon volgens zijn tijdgenooten +zelf niet zeer standvastig in zijn minnedienst--in een merkwaardig +sonnet de rol van "vriend die mij mijn feilen toont" op zich neemt, +verwijt Dante diens "verwerpelijk" leven na den dood van Beatrice +scherp genoeg en vooral smartelijk genoeg om aan een reëele reden voor +zijn verwijt te mogen gelooven, al mag men anderzijds ook aannemen dat +Dante, evenals de meeste zelf-aanklagers, zichzelf zwarter afschildert +dan hij eigenlijk was. Wanneer Dante op den Louteringsberg in den tuin +waar de gulzigaards hun Tantaluskwelling ondergaan, Forese ontmoet, +voegt hij hem toe: + + "Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij met mij waart en + ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren" (XXIII 115-117). + +En dat in dit "schandelijk" leven de pargoletta's, de meisjes waarvan +Beatrice gewaagt, een rol gespeeld zullen hebben, lijdt ook voor Dante, +die bovendien volstrekt geen gulzigaard was, geen twijfel. Ook het +afschuwelijk-drastische droomgezicht der Wellust als Sirene wijst er +op. (L. B. XIX. 7.) Maar ik herhaal: zoozeer was Beatrice voor Dante +tot een symbool geworden dat hij zijn ontrouw slechts in zooverre +als zondig voelde als zij hem werkelijk afhield van dien levensdroom +dien Beatrice in zijnen geest verbeeldde. En men betreure niet, +en verdoezele nog minder, de afdwalingen van een man, wiens deugd +en grootheid juist daarin bestaan dat hij tròts den strijd zijner +hartstochten telkens den stillen vrede zijner geestelijke hoogheid +hervindt. + +De gedichten in het Nieuwe Leven opgenomen, werden geschreven tusschen +1283 en 1292, den tijd waarin Dante's dichterschap nog in zijn +eerste ontwikkeling was. Maar ofschoon er hierdoor een zeer merkbaar +verschil bestaat tusschen de vroegere en latere, hebben zij toch alle +onmiskenbaar dien zekeren gevoelstoon van innerlijke doorleefdheid, +die hen tot zuivere lyriek maakt, trots sommige gekunsteldheden welke +een oppervlakkig beoordeelaar zouden kunnen misleiden. Ook dat het, +overigens zoo simpele verhaal, nog tal van niet eens oorspronkelijk +verzonnen, maar direkt uit de provençaalsch-siciliaansch-toskaansche +poëzie overgenomen elementen bevat, vooral in het eerste gedeelte: +het epitheton "gentilissima" voor de geliefde Vrouwe, het beven bij +haren aanblik, de geheimhouding van zijn liefde voor de onbescheiden +nieuwsgierigen en het zich verstoppen achter een "schermo", de +bespotting door de aangebedene, de voorstelling der Liefde als +Leenheer en der minnaars als diens Getrouwen, het eten van het +hart des minnaars, en tal van andere reminiscenzen, ja plagiaten, +waarop in de aanteekeningen nog hier en daar zal worden gewezen of +van welke men in de gedichten in het Aanhangsel parallelplaatsen +zal kunnen vinden--dit alles, dat soms den indruk geeft alsof Dante +opzettelijk in één werk alle kenmerken der oude minnepoëzie heeft +willen bijeenbrengen; dit alles behoeft tòch den lezer in het minst +niet te doen twijfelen aan de "echtheid" van het gevoel dat Dante +bezielde toen hij het in dien half-traditioneelen vorm uitte. Evenmin +het feit dat deze lyriek achteraf zoo gemakkelijk tot één allegorisch +geheel te vereenigen bleek. Want--en hier raak ik aan het kenmerk van +alle waarlijk groote lyriek--Dante's poëzie was geen stemmingskunst, +wisselend als spelende golfjes, maar al zijn poëzie werd gedragen +door éénzelfden, standvastigen onderstroom van innerlijkst gevoel, +dat wil zeggen door éénen levensdrang, éénzelfde stuwing naar het +innerlijk aanschouwde ideaal van hun schepper. Hierdoor komt het +dat het meerendeel van deze lyrische gedichten van aanvang af en +niettegenstaande de toevalligheid van hun ontstaan, voorbeschikt was +later deel uit te maken van een grooter werk, dat in zijn geheel dien +innerlijksten levensdrang zou versymboliseeren. + +Er zijn duidelijk drie fasen in Dante's liefde tot Beatrice te +onderscheiden; fasen waarin zich in het kort de geheele ontwikkeling +der minnepoëzie zooals die in het voorgaande werd geschetst, +herhaalt. Ten eerste de nog bijkans geheel traditioneel-chevalereske +vereering van het lieflijke meisje, waarbij men eigenlijk niet +goed weet of haar uiterlijke schoonheid dan wel haar innerlijke +deugd er het werkelijke motief van is, of begeerte dan wel zuivere +bewondering den grondtoon er van vormt. Verwarring, verbijstering is +het overheerschende gevoel dat Beatrice in Dante teweeg brengt. Wanhoop +om de onthouding van haar groet en om haar bespotting van zijn +hulpelooze onthutstheid bij haar aanblik, vervult hem veel sterker +dan elke andere aandoening. Die aanblik vermoordt hem en toch is de +gedachte alléén aan haar hem niet voldoende, hij moet haar zien, +hij begeert haar schoonheid. Als "Amor hem bespringt" vergeet hij +hoe haar nabijheid hem eigenlijk martelt, + + + En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht, + Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven, + Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt. + + Haar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht, + Begint nog smartlijker mijn hart te beven, + En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt. (§ XVI) + + +Maar nu volgt, na een psychischen schok, welken ik, met Rossetti, +alleen kan toeschrijven aan Beatrice's huwelijk, een tijdperk van +verpuring, van een volkomen kuische vereering, waarin "woorden die +zijn Vrouwe prijzen" Dante's eenige gelukzaligheid uitmaken. Het +is de periode die opent met de reeds genoemde groote canzone "Gij +Vrouwen edel, die de liefde kent" en het sonnet waarin hij spreekt +van de ontwaking der liefde in het "edel hart". Dante's taal is nu +oorspronkelijker en machtiger, zijn hart rustiger; hij begeert niet +meer haar schoonheid, maar prijst alleen haar deugd en als Amor thans +weer al zijn zinnen uitdrijft en hem geheel met de gedachte aan haar +vervult, is hij niet langer verbijsterd, maar gelukkig. + + + Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht + En mij gewend aan zijne heerschappij, + Dat even hard als eerst mijn slavernij + Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht. (§ XXVII). + + +In de derde fase, wanneer door Beatrice's dood het toch altijd min +of meer onnatuurlijk geëxalteerde van zijn onzinnelijk verlangen +is opgeheven, stijgt Dante's vereering tot een zuiver geestelijke +aanbidding, welke hij wel, misleid door het medelijden der "Vrouwe +aan het Venster" voorbijgaand zal kunnen verzaken, maar welke hij ten +laatste "door het leed gelouterd" toch weer terugvindt in een volkomen, +maar woordelooze, innerlijke aanschouwing der "uit zichzelf stralende" +zalige Beatrice. + + + Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt + Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen; + Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen + Mij deed, heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt. + + En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt, + Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen; + Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d' eigen + Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt. (§ XLI). + + +De gedichten geven dus een doorloopende ontwikkeling weer en het +verklarend proza behoeft slechts weinig uit te weiden om deze +ontwikkeling duidelijk in het licht te stellen. Toch geeft het +op enkele plaatsen méér dan een noodzakelijke uiteenzetting van +omstandigheden. En op deze plaatsen blijkt het sterkst Dante's bewuste +opzet om met behulp van zijn later-geschreven, rustig, min of meer +stijf en doctrinair proza, zijne van leven sidderende liefdeslyriek +voor te stellen als de theologisch-moreele allegorie der ziel die God +zoekt. Zoo is bijvoorbeeld alléén in het proza sprake van het mystieke +getal negen en zijn klaarblijkelijk verband met de Drie-eenheid en +Beatrice; zoo wordt alléén in het proza het woord "salute" opzettelijk +gebezigd op een wijze waarop het zoowel Beatrice's "groet" als "Genade, +Heil, Verlossing" beteekent. Ook uit het schiften van zijn gedichten +blijkt dat Dante slechts die opnam die zich voor een symbolische +uitlegging het best leenden. Van sommige weggelaten gedichten kan +misschien gezegd worden dat zij òf te veel herhalingen bevatten van +wat in de wel-opgenomene beter en schooner gezegd is, òf zelfs dat deze +latere omwerkingen ervan zijn. Maar waarom het geheel oorspronkelijke +"Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren", waarvan hierboven reeds +iets werd aangehaald, weggelaten? Niet toch wijl het geen volkomen +zuivere uiting van Dante's gevoel zou zijn. Integendeel! Juist +omdat er méér dan Dante wenschte uit bleek, hoezeer hij ontvankelijk +was voor andere liefde dan platonische vereering en middeleeuwsche +aanbidding. Het sonnet harmonieerde niet met den grondtoon der Vita +Nuova. En hetzelfde geldt voor het sonnet aan Lisette (zie aanhangsel), +wanneer deze althans werkelijk de Vrouwe aan het Venster is. Het valt +uit den toon, het doet deze Vrouwe wereldscher, ik zou haast zeggen +koketter zien, dan de sonnetten die alleen haar deernis prijzen. + +Het sonnet (§ XXIV) waarin Dante de nadering achter elkaar van Monna +Vanna (Cavalcanti's geliefde), bijgenaamd Primavera, en Monna Bice +beschrijft, eindigt: + + + En Amor sprak--wel heeft mijn geest 't vernomen-- + Déze is de Lente en Liefde noem ik hààr + Die op haar volgt, zoozeer gelijkt ze mij. + + +Maar eerst later, onder het schrijven van het proza, valt hem de +gedachte in deze Primavera te beschouwen als vòòrloopster van Bice +en haar waren naam Giovanna af te leiden van Johannes den Dooper, +om op deze wijze gelegenheid te hebben Bice zelf te vergelijken met +den Zaligmaker. + +Het is hier de plaats om even de veelbesproken vraag te behandelen +welke de eigenlijke beteekenis van den titel "Vita Nuova" is. Sommige +commentatoren meenen dat met het woord "nuovo" (novo, novello) dat +in het oud-italiaansch behalve voor "nieuw" ook wel wordt gebezigd +voor "jong, jeugdig, lentelijk", gedoeld wordt op de intrede van +een nieuw levenstijdperk, zoodat de titel ware te vertalen met +"Jeugdleven". Zelfs al was deze opvatting in overeenstemming te brengen +met Dante's eigen schoolsche indeeling der menschelijke leeftijden, +later door hem in het Convitto gegeven, waar de adoleszenza duurt +van het 1ste tot het 25ste, de gioventu van het 26ste tot 45ste jaar +(Conv. I. 1 en IV 24), dan nog zou ik mij aansluiten bij hen die, +evenals het geheele werk ook den titel symbolisch duiden in den zin +van ontwaking, wedergeboorte, liefdelente. Dante had van zijn eenzame +kindsheid vòòr het negende jaar waarschijnlijk geen aangename, althans +geen bijzondere herinneringen. Hij begon eerst werkelijk te leven toen +de verschijning van Beatrice hem uit dit onbeduidende voorbestaan deed +ontwaken, het nieuwe in zijn leven is niet het begin van een nieuwen +levenstijd, maar van een nieuwen zielstoestand. Dat dit overigens ook +reeds de opvatting was van Dante's voorgangers bewijst dit gedicht +van Raimbaut d'Aurenga: + + + Ab nou cor et ab nou talen, + ab nou saben et ab nou sen, + et ab nou belh captenemen, + vuelh un bon nou vers comensar; + e qui mos bons nous motz enten, + ben er plus nous a son viven, + qu'om vielhs s'en deu renovelar + + (Met een nieuw hart en nieuw verlangen, + Met nieuw begrip en nieuwe bedoeling + Op een nieuwe en schoone wijze, + Wil ik een schoon nieuw lied beginnen; + En wie mijn schoone nieuwe woorden verstaat, + Zal zekerlijk vernieuwd worden in zijn leven, + Zoodat zelfs een oud man zich zal verjongen). + + +De driedeeling waarvan ik hierboven sprak is niet willekeurig. Zij +wordt door Dante zelf aangegeven. Twee malen toch spreekt hij in +het proza over een "materia nuova", een nieuwe stof die hij zal +gaan behandelen en beide malen juist op de plek waar de door mij +gekenschetste verandering in zijn gemoedstoestand plaats grijpt. Ik +heb daarom mijne vertaling in drie "gedeelten" gesplitst, die elk +eindigen met de hierboven aangehaalde gedichten. Dat deze indeeling, +de meest logische, ook werkelijk de juiste is, wordt naar mijn meening +nog aannemelijk gemaakt door eene eigenaardigheid der compositie, welke +voor zoover ik weet nog door niemand werd opgemerkt. Reeds sedert lang +werd er op gewezen dat de volgorde der gedichten zoo symmetrisch is dat +zij onmogelijk toevallig kan zijn. De cyclus bestaat namelijk uit 26 +sonnetten of althans kleinere gedichten van ééne strophe en 5 canzones, +elk van 2 tot 6 strophen, welke gedichten aldus gegroepeerd zijn: + + + (9s + c). c. 4s. c. 4s. c. (9s + c). + + +Of de symmetrie dezer reeks werkelijk een verborgen bedoeling heeft +laat ik in het midden; gegeven Dante's zin voor formalisme lijkt +het mij wel waarschijnlijk. Ik wijs er nu echter op dat bij mijn +driedeeling de afscheidingen zoodanig vallen dat de eerste beide +hoofdstukken elk omvatten 10 en het derde 11 gedichten. Beschouwt +men nu het laatste sonnet als een soort van epiloog--en inderdaad +bevat het het resultaat van de geheele voorgaande ontwikkeling--dan +is deze indeeling in drie (drie-eenheid) hoofdstukken, van elk tien +(volmaakte getal) gedichten geheel in overeenstemming met diezelfde +getallenmystiek die ook de indeeling der Commedia beheerscht. (Drie +boeken, waarvan twee bestaande uit 33 (3 × 10 + 3) zangen en een uit +33 zangen + Proloog). + +Over het proza nog een paar opmerkingen. Het verhalend gedeelte ervan, +dat tot begrip van het verband der gedichten dient, is niet geheel +en al een vinding van Dante. Reeds de provençaalsche troubadours +plachten zulke uitleggingen, razo's, als biografische aanteekeningen +aan de losse gedichten hunner collega's toe te voegen, o.a. bij +de liederen van Bertrand de Born, en ook in oudere Italiaansche +canzoniere's of liederenbundels treft men ze aan. Maar wel is +Dante de eerste, en hij bleef ook de eenige, die zélf, een gehééle +reeks van gedichten door zulk verklarend proza--ook hij noemde het +"ragione"--in een onderling logisch verband bracht. Behalve dezen +verband-leggenden tekst evenwel bevat het boekje ook nog korte +glossen over bouw en indeeling der gedichten elk afzonderlijk. Dante +noemt ze "divisioni". Sommige commentatoren, onder anderen reeds +dadelijk Boccaccio, hebben deze divisioni geschrapt of als latere +kantteekeningen van anderen beschouwd. Maar zij behooren niettemin +wezenlijk tot het werk. Zij laten ons Dante zien in heel zijne, voor +ons modern gevoel soms bijna lachwekkende schoolschheid. Maar zòò +was de 27-jarige autodidakt, die zich, zonder universitaire opleiding +en waarschijnlijk ook zonder geregeld onderwijs, alle wetenschappen +van zijn tijd, alle christelijk-schoolsche wijsheid en waanwijsheid, +moest eigen maken. Wie zich vermag in te denken in dien onstilbaren +dorst naar weten en overzien die dezen tijd beheerschte en de behoefte +aan systematiek die hiervan een gevolg is, zal het niet langer zoo +héél absurd vinden dat de dichter Dante, maar toch die dichter die, +zooals zijn eerste biograaf, Villani († 1336) zeide: "eenigszins +trotsch was op zijn weten en minachtend-verwaten", met een soms +pijnlijke dorheid zijn eigen schoonste lyrische uitingen beredeneert, +zelfs nog daar, waar de structuur zoo eenvoudig en doorzichtig is, +dat iedere nadere verklaring ervan niet anders kan schijnen dan +een overbodige pedanterie. En toch is zelfs in deze divisioni wel +hier en daar een gevoeliger toon te hooren. Is de overweging waarom +de divisioni tijdens het leven van Beatrice achter de gedichten, +maar na haar dood er vòòr geplaatst worden: namelijk dat door ze +aldus te plaatsen, de gedichten zonder gevolg of geleide optreden +en daardoor "meer verweduwd zullen schijnen", is deze skrupule +belachelijk-sentimenteel of kinderlijk-beminnelijk? Zéker is zij niet +de dorre overweging van een kwasi-wetenschappelijk glossateur. En +voorts vergete men niet, dat het ook niet de volgroeide geleerde is +die het proza der Vita Nuova schreef, maar juist de nog ongeleerde en +daardoor tot geleerdheidsvertoon geneigde beginneling; de jonge man, +die wel graag Latijnsche auteurs aanhaalt en ook zelfs wel een brief +in die taal weet te schrijven, maar wien het toch veel moeite kostte +Boëtius en Cicero te lezen; die over Ptolomaeus spreekt zonder diens +stelsel goed te kennen en die aan het slot van zijn boekje zelf zòò +diep gevoelt dat hij eerst nog "veel studeeren" moet alvorens hij +zijn liefde waardiglijk zal kunnen opvoeren tot de verheerlijking +en dienst van haar, zijn Beata Beatrix, zijn ideaal van Schoonheid +en Deugd en ook ons aller goddelijke troosteres en leidster, hoe wij +haar ook noemen. + + + +Beatrice dus werkelijkheid en symbool, de Vita Nuova spontane lyriek +en bedachte allegorie. Zoo is ook de Divina Commedia een schepping +waarin zuiverst gevoel versmolt met hoogste gedachte. En dezelfde +gedachte als die welke de Vita Nuova beheerscht: de loutering van den +geest door begeerte, afdwaling, leed, berouw en terugkeer heen tot +de hoogste Liefde. In beide werken dezelfde drievoudige synthese: +subjektiviteit en objektiviteit, realisme en idealisme, gevoel en +verstand; een synthese, jong en lieflijk in de Vita Nuova, mannelijk +en grootsch in de Commedia. Het is zooals Rossetti zegt in zijn +"Early Italian poets": "Door de geheele Vita Nuova heen zingt een +geluid als het eerste zachte murmelen dat wij hooren ergens op een +verre weide en dat ons voorbereidt op den aanblik der zee." + + + +Literatuur. Van de ontzaglijk uitgebreide Dante-literatuur noem ik +hier alleen die werken die mij bij de samenstelling dezer inleiding +en van de aanteekeningen van het meeste nut waren. + + + +Giovanni Melodia: La Vita Nuova. 1905, tekst met zeer uitgebreid +commentaar. + +Michele Scherillo: La Vita Nuova. 1911, eveneens met uitvoerig +commentaar. + +I. del Lungo: Beatrice nella Vita e nella poesia del secolo XIII 1891. + +Fr. Pasqualigo: Pensieri sull' allegoria della Vita Nuova di Dante +1896. + +Karl Vossler: Die philosophischen Grundlagen zum "Süssen neuen Still" +1904. + +Fr. Xaver. Kraus: Dante, sein Leben und sein Werk. 1897. + +D. G. Rossetti: Early Italian Poets. + +Henri Hauvette: Dante. Inleiding tot de studie van de Divina +Commedia. 1913. (Wereldbibliotheek). + +H. J. Boeken: De Hel, de Louteringsberg en het Paradijs; in proza +vertaald. (Wereldbibliotheek). + + + + + + + + +HET NIEUWE LEVEN + +VERTALING + + +VOORREDE + + +In dat gedeelte van het boek mijner herinnering, vòòr hetwelk weinig +te lezen zoude zijn, bevindt zich een opschrift, hetwelk luidt: + + +INCIPIT VITA NOVA [4]. + + +Onder hetzelve vind ik de woorden geschreven, welke het mijne bedoeling +is in dit boekske weer te geven, zoo niet in hun geheel, dan tenminste +hun zin. + + + + + + + +EERSTE GEDEELTE + +(1274-1287). + + +§ I. + +Negen malen welhaast na mijne geboorte was de hemel des lichts +[5] tot hetzelfde punt weergekeerd, voor zoover zijn eigen omloop +betreft, toen mijnen oogen voor het eerst verscheen de glorierijke +Vrouwe mijner Gedachte, die door velen, die niet wisten hoe haar te +moeten noemen, Beatrice werd geheeten [6]. Zij had reeds zoolang in +dit leven verwijld, dat zich gedurende haren tijd de bestarde hemel +het twaalfde gedeelte van eenen graad naar het oosten bewogen had [7]: +zoodat zij mij verscheen ongeveer in het begin van haar negende jaar +en ik haar aanschouwde ongeveer aan het einde van het mijne. En zij +verscheen mij omkleed met de edelste kleur, een bescheiden en eerzaam +rood, omgord en getooid naar den trant welke haren zeer jeugdigen +leeftijd betaamde. Op dit oogenblik, zegge ik naar waarheid, begon +de geest des levens [8], die in de verborgenste kamer des harten +woont, zoo sterk te beven, dat hij tot in de geringste aderen zich +schrikkelijk deed gevoelen; en bevende sprak hij deze woorden: +"Ecce Deus fortior me, qui veniens dominabitur mihi" [9]. Toen begon +de dierlijke geest, die woont in die hooge kamer, waarheen alle +zinnelijke geesten hunne waarnemingen dragen, zich zeer te verbazen, +en sprekende tot de geesten des gezichts, zeide hij deze woorden: +"Apparuit jam beatitudo vestra" [10]. Toen begon de natuurlijke +geest, die woont in dat deel des lichaams, waar voor onze voeding +wordt zorg gedragen, te jammeren en zeide weenende: "Heu miser, quia +frequenter impeditus ero deinceps!" [11]. Van toen af, zegge ik, +heeft Amor [12] mijnen geest, die zoo schielijk met hem gehuwd was, +beheerscht en begon hij eene zoo groote en zekere macht over mij te +verkrijgen, door de kracht welke mijne verbeelding hem schonk, dat +ik genoodzaakt was geheel en al naar het hèm beviel te handelen. Zeer +dikwijls beval hij mij den aanblik van die jeugdige engel te zoeken; +zoo dat ik in mijne jonkheid haar ook herhaaldelijk zocht; en ik zag +haar van een zoo ongekend en lofwaardig wezen, dat men zekerlijk van +haar kon zeggen die woorden van den dichter Homeros: "Zij scheen niet +de dochter van een sterfelijk mensch, doch van eenen god." [13] En +het geviel dat haar beeld, hetwelk voortdurend in mij was, ofschoon +het mij met de koenheid der Liefde regeerde, ganschelijk was van eene +zòò edele deugdzaamheid, dat het nimmer gedoogde dat de Liefde mij +beheerschte zonder den trouwen raad der rede, in die zaken waar zulk +een raad nuttig was te hooren. Doch daar een te lang vertoeven bij +de hartstochten en handelingen eener zoo prille jeugd, eenigszins zou +kunnen gelijken op verzinsel, zal ik daarvan afscheid nemen; en vele +zaken overslaande, welke ik evenals het volgende zou kunnen verhalen, +wil ik overgaan tot die woorden, welke in mijn geheugen in grooter +paragrafen staan geschreven. + + + +§ II. + +Toen er zoovele dagen waren voorbij gegaan, dat juist negen jaren +vervuld waren [14] sedert de bovenbeschreven verschijning dier +Allerlieflijkste [15], gebeurde het op den laatste dezer dagen dat +deze bewonderenswaardige Vrouwe mij verscheen, gekleed in zuiver-witte +kleur, temidden van twee edele dames, die van ouderen leeftijd waren; +en voorbij schrijdend door eene straat, wendde zij de oogen naar +dien kant waar ik, vol vreeze, stond: en in hare onuitsprekelijke +hoofschheid [16], welke nu in de Eeuwigheid vergolden wordt, +groette zij mij met een blik zoo vol van deugden [17], dat het mij +toescheen als zage ik de grenzen aller zaligheid. Het uur waarop +haar allerzoetste groet mij gewerd, was juist het negende van dien +dag: en omdat het de eerste reize was dat hare woorden zich tot +mijne ooren bewogen, werd ik door zulk eene verteedering bevangen, +dat ik mij als dronken van de menigte afzonderde. En ik vlood naar +de eenzaamheid mijner kamer en zette mij daar tot peinzen over deze +zeer hoofsche Vrouwe. + + + +§ III. + +En terwijl ik over haar peinsde overviel mij een zoete sluimer, +in welken mij een wonderbaar gezicht verscheen: het leek mij dat ik +in mijne kamer eenen vuurkleurigen nevel zag, binnen welken ik de +gedaante onderscheidde van eenen man van vreeswekkend aanschijn voor +wie hem aanschouwden: maar toch scheen hij, wat hemzelf betrof, zoo +vroolijk dat het verwonderlijk was: en sprekende zeide hij vele dingen, +waarvan ik slechts weinig verstond, waaronder echter deze woorden: +"Ego Dominus tuus" [18]. In zijne armen meende ik eene slapende +gestalte te zien, naakt [19], behalve dat zij mij gehuld leek in +een kleed van teeder rood; welke gestalte ik na zeer aandachtige +beschouwing herkende als die Vrouwe des Heils [20], die mij den +vorigen dag eenen groet had waardig geacht. En het leek mij dat de +verschijning in de eene hand iets hield dat geheel en al brandde +en het leek mij dat hij deze woorden tot mij sprak: "Vide cor tuum" +[21]. En nadat hij eene pooze aldus gestaan had, leek het mij dat hij +de slapende wekte, en zòò sterk was hij door de kracht van zijnen +geest, dat hij haar dit voorwerp, dat brandde in zijne hand, deed +eten; hetwelk zij weifelend at [22]. Hierna, kort daarop, veranderde +zijne vreugde in bitterst geklag: en aldus klagend, nam hij de Vrouwe +opnieuw in zijne armen en het scheen mij dat hij met haar hemelwaarts +vlood: waarover ik in zulk eenen hevigen angst geraakte dat mijn +lichte sluimer het niet kon verduren, maar afbrak en ik ontwaakte. En +onmiddellijk begon ik te peinzen; en ik vond dat het uur waarop het +gezicht mij verschenen was, het vierde uur geweest was van dien nacht: +zoodat het duidelijk blijkt dat het het eerste uur was van de negen +laatste uren des nachts. En steeds peinzend over wat mij verschenen +was, nam ik mij voor het aan velen bekend te maken, die in dien tijd +vermaarde troubadours waren: en omdat ik reeds uit mijzelf de kunst +geleerd had in rijmen te spreken [23], nam ik mij voor een sonnet te +maken, in hetwelk ik eenen groet bracht aan alle Getrouwen der Liefde +[24]; en hen verzoekend om hun oordeel over mijn gezicht, beschreef +ik hen wat ik in mijnen slaap gezien had. En ik begon toen dit sonnet: + + + Elk edel hart, [25] dat juist der Liefde gloed, + Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen-- + Opdat het mij zijn meening moog' verhalen-- + In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet! + + Reeds henen was dra 't derde deel gespoed + Der uren waarin alle sterren stralen, + Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen, + Zòò, dat herinnring nòg mij beven doet. + + Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen + Droegen mijn hart, en in zijn armen had + Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed; + + Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde, + Zag 'k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at.... + En klagend vlood hij als in bitter leed. + + + Dit sonnet bestaat uit twee gedeelten: in het eerste gedeelte breng + ik mijnen groet en vraag ik antwoord; in het tweede duid ik aan + waarop geantwoord moet worden. Het tweede gedeelte begint hier: + "Reeds henen was...." + + +Op dit sonnet werd door velen en in verschillenden zin geantwoord, en +onder hen die antwoordden bevond zich hij, dien ik mijnen grootsten +vriend noem [26]. Deze schreef toen een sonnet, hetwelk begint: +"Ge zaagt, naar het mij schijnt, het hoogste goed" [27]. En het was +zoo te zeggen het begin der vriendschap tusschen hem en mij toen +hij vernam dat ik degene was die hem zulks had gezonden. De ware +beteekenis van den droom werd toen door niemand gezien, maar thans +is zij zelfs den meest onnoozelen duidelijk [28]. + + + +§ IV. + +Van dit gezicht af begon mijn natuurlijke geest belemmerd te worden +in zijne werking, wijl mijne ziel geheel was overgegeven aan de +bepeinzing dier Allerlieflijkste, zoodat ik binnen korten tijd van +eenen zoo broozen en zwakken staat werd, dat het vele vrienden bij +mijnen aanblik bekommerde; en velen, die vol nieuwsgierigheid waren, +gaven zich moeite van mij te weten te komen wat ik van alle dingen +het liefste voor anderen wilde verbergen. En ik, hun lastig aandringen +bemerkend, antwoordde hen door den wil der Liefde, die mij zulks beval +volgens den raad der Rede, dat Liefde degeen was die mij dus had doen +worden: ik zeide Liefde, omdat ik in mijn gelaat zoovele harer teekenen +droeg, dat ik het niet kon verbergen. En wanneer zij mij vroegen: +"Om welke is het dat de Liefde u dus heeft verteerd?" dan zag ik hen +glimlachende aan en zeide niets. + + + +§ V. + +Op eenen dag gebeurde het dat deze Allerlieflijkste gezeten was dààr, +waar gesproken wordt over de Koningin der Glorie [29], en ik bevond +mij op eene plaats, van welke ik mijne gelukzaligheid kon zien: +en midden tusschen haar en mij, in rechte lijn, zat eene edele +dame van zeer bekoorlijk aanschijn, die mij dikwijls aanzag, zich +verwonderend over mijn staren, hetwelk bij haar scheen te eindigen; +zoodat velen eveneens zich verwonderden. En zoo machtig werd mijne +ziel aangegrepen, dat, toen ik die plaats verliet, ik achter mij hoorde +zeggen: "Ziet, hoe gindsche dame het uiterlijk van dezen ontstelt". En +toen zij haren naam noemden, begreep ik dat zij dit zeiden van haar +die in het midden gezeten had van de rechte lijn, welke uitging van +de lieflijke Beatrice en eindigde in mijne oogen. Dit vertroostte +mij ten zeerste, omdat het mij de zekerheid gaf dat mijn geheim +dien dag niet door mijne blikken aan anderen bekend was geworden: +onmiddellijk bedacht ik deze edele dame tot een scherm der waarheid +te maken [30]; en zoo vaardig betoonde ik mij hierin binnen korten +tijd, dat de meeste lieden die over mij spraken, waanden mijn geheim +te weten. Achter deze dame verborg ik mij eenige jaren en maanden; en +om den anderen het eerder te doen gelooven, maakte ik voor haar zekere +gedichtjes, welke het niet mijne bedoeling is hier neer te schrijven, +tenzij dan voorzoover zij betrekking hebben op de lieflijke Beatrice; +en daarom laat ik ze allen terzijde, behalve dat ik iets er van zal +over schrijven dat haren lof schijnt te bevatten. + + + +§ VI. + +Ik zeg dan dat in dien tijd, toen deze dame een scherm was voor mijne +zoo groote liefde, voorzoover althans mijzelf betrof, de begeerte +in mij opkwam den naam der Allerlieflijkste uit te spreken en hem te +doen vergezellen van vele namen van vrouwen, in het bijzonder van den +naam dier edele dame; en ik nam de namen van zestig der schoonste +vrouwen uit die stad, alwaar mijne Vrouwe door den allerhoogsten +Koning geplaatst was, en ik stelde eenen brief samen in den vorm eener +serventese [31], welke ik niet zal opschrijven; en ik zoude hiervan +geen melding gemaakt hebben, ware het niet om aldus te zeggen wat, +terwijl ik hem samenstelde, wonderbaarlijkerwijze geviel, namelijk +dat de naam mijner Vrouwe op geen enkele andere plaats kon komen te +staan tusschen de namen dier vrouwen dan op de negende. + + + +§ VII. + +Het geschiedde dat de dame, door middel van welke ik zoo langen +tijd mijne begeerte had verborgen, uit bovenbedoelde stad vertrok en +zich begaf naar eene zeer verre streek: waarover ik, als verbijsterd +door het verlies mijner schoone bescherming, mij meer bedroefde dan +ikzelf tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden. En bedenkende dat, +wanneer ik niet het een of ander droevigs zeide over haar vertrek, +de lieden al spoedig mijn geveins zouden bemerken, nam ik mij voor +er ietwat over te klagen in een sonnet, hetwelk ik wil opschrijven, +omdat mijne Vrouwe de onmiddellijke aanleiding voor zekere woorden was, +welke in het sonnet staan, gelijk duidelijk is voor wie het begrijpt: +en ik schreef toen dit sonnet [32], hetwelk begint: + + + Gij, die 'k voorbij langs Amor's weg zie schrijden, + Nu wilt aandachtig beiden: + Zaagt ge ooit een smart gelijk de mijne groot? + O wilt mijn klacht niet ongeduldig mijden: + Hoort, hoe aan alle lijden + Mijn ledig hart sleutel en toevlucht bood. + + Niet naar gering verdienst mij te onderscheiden, + Maar uit genâ bereidde + Amor me een leven, zoet als geen genoot; + En dikwijls hoorde ik heimlijk mij benijden: + Wat deugd kon zulk verblijden + Schenken een hart dat vreugde vroeger vlood! + + Maar 't lot kwam mij den overmoed ontstelen, + Dien 'k zelf ontnam aan Liefde's schoonen schat; + En zòò arm bleef ik, dat + Ik zelfs den moed mis 't andren mee te deelen + + En--als uit schaamt' 't gebrek dat hij bezat, + Zoo menigeen der wereld wou verhelen-- + Des blijden rol blijf spelen, + Terwijl mijn hart smelt in der tranen nat. + + + Dit sonnet heeft twee hoofdgedeelten: in het eerste namelijk is + het mijne bedoeling den Getrouwen der Liefde deze woorden van den + profeet Jeremia toe te roepen: "O vos omnes, qui transitis per + viam, attendite et videte, si est dolor sicut dolor meus [33]; + en hen te smeeken naar mij te willen luisteren. In het tweede + verhaal ik in hoedanig een leven de Liefde mij geplaatst had, + in eenen anderen zin evenwel dan de laatste gedeelten van het + sonnet aanwijzen [34] en zeg ik wat ik verloren heb. Het tweede + gedeelte begint hier: "Niet naar gering verdienst...." + + + +§ VIII. + +Na het vertrek van deze edele dame behaagde het den Heer der Engelen +tot zijne glorie te roepen eene jonkvrouw, jeugdig en van lieflijk +aanschijn, die zeer bemind was in bovenbedoelde stad; wier lichaam +ik ontzield zag liggen te midden van vele vrouwen, die erbarmelijk +weenden. Toen, mij herinnerend dat ik haar wel gezien had in gezelschap +der Allerlieflijkste, kon ik enkele tranen niet weerhouden; en nog +weenende nam ik mij voor eenige woorden te zeggen over haren dood, +ter vergelding daarvan dat ik haar enkele malen samen met mijne Vrouwe +gezien had. En hierop zinspeelde ik ietwat in het laatste deel der +woorden welke ik erover schreef, hetgeen duidelijk blijkt aan dengene, +die het begrijpt [35]; en ik schreef toen deze twee sonnetten, van +welke het eerste begint: "Klaagt, al wie mint...." en het tweede: +"O lage Dood...." [36]. + + + Klaagt, al wie mint, nu ge Amor zelf hoort klagen, + Vernemend zijner diepe droefnis reên: + Veel vrouwen zag hij jammerend bijeen, + Wier bitter leed erbarmen scheen te vragen, + + Omdat de lage Dood wreed heeft verslagen + Een edel hart, vol zoete lieflijkheên, + Verwoestend wat het meest, na de eer, in een + Minlijke maagd der wereld moet behagen. + + Nu hoort wat laatste eer Amor haar bewees: + Over der doode lieflijk beeld gebogen + Zag 'k weenen hem in tastbare gedaant', + + En dikwijls hief hij zijn gelaat, betraand + Omhoog, tot waar de ziel reeds was getogen + Van haar, wier blijde schoonheid men ééns prees.-- + + + Dit eerste sonnet bestaat uit drie gedeelten. In het eerste + roep ik de Getrouwen der Liefde aan en wek ik hen op te weenen; + en ik zeg dat hun Heer weent, en ik zeg dit opdat zij, vernemend + de reden waarom hij weent, meer geneigd zullen zijn naar mij te + luisteren. In het tweede verhaal ik deze reden; in het derde + spreek ik van een eerbewijs dat de Liefde aan deze jonkvrouw + betoonde. Het tweede gedeelte begint hier: "Veel vrouwen....", + het derde hier: "Nu hoort...." + + + O lage Dood! vijand der teedre harten, + Oervader aller smarten, + Doemsprake wreed en onafwentelbaar! + Nu 'k met een hart van zorg en weedom zwaar, + Droef-peinzend ommewaar, + Blijve in uw blaam mijn tong vermoeinis tarten! + + Om nog uw lage snoodheid te verzwarten, + Roepe ik langs weg en markten, + Uw ergste arglist uit; schoon ze openbaar + Voor elk reeds is, opdat door deze maar + Toorn moge ontbranden waar + Anders slechts Liefde ontgloeien doet de harten. + + Nu moet wel de aarde om haar ontluistring rouwen; + Want wat er 't hoogst te prijzen valt: de deugd, + Bloeiend in blijde jeugd, + Ontnaamt ge haar in deze hoofsche vrouwe. + + Haar naam wil ik u verder niet ontvouwen: + Elk kent hem wien haar schoonheid heeft verheugd. + Nooit hope hij, wiens deugd + 't Hoogst heil niet heeft verdiend, haar weer te aanschouwen. + + + Dit sonnet bestaat uit vier gedeelten: in het eerste gedeelte roep + ik den Dood aan met enkele zijner toepasselijke benamingen; in + het tweede zeg ik, tot hem sprekende, de reden welke mij beweegt + hem te smaden; in het derde gisp ik hem: in het vierde wend ik + mij tot een onbepaald persoon, ofschoon deze in mijne bedoeling + wèl bepaald is. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu 'k met een + hart...."; het derde hier: "Om nog uwe lage...."; het vierde hier: + "Nooit hope hij...." + + + +§ IX. + +Eenige dagen na den dood dezer jonkvrouw gebeurde er iets [37], +tengevolge waarvan ik de bovenbedoelde stad moest verlaten en mij +begeven in de richting dier streek waar de edele dame vertoefde, +die mijne bescherming geweest was, ofschoon het doel mijner reis +niet zoo verwijderd was als zij. En niettegenstaande ik in gezelschap +van vele anderen was, mishaagde mij deze tocht, naar mijn uiterlijk +deed blijken, zoozeer, dat mijne zuchten nauw bij machte waren +de beklemming uiting te geven welke mijn hart gevoelde, omdat ik +mij van mijne gelukzaligheid verwijderde. En toen verscheen mij in +mijne verbeelding mijn allerzoetste Heer, die mij beheerschte door de +deugd dier allerlieflijkste Vrouwe, als een pelgrim gekleed, licht en +onaanzienlijk. Hij leek mij verbijsterd en zag ter aarde, behalve dat +het mij nu en dan scheen dat zijne oogen zich wendden tot eene schoone +stroomende en heldere rivier, welke vloeide langs den weg, waarop +ik mij bevond. Het leek mij dat Amor mij riep en deze woorden zeide: +"Ik kom van die dame, die langen tijd uwe bescherming is geweest en ik +weet dat zij niet zal terugkeeren; en daarom heb ik dat hart, hetwelk +ik u bij haar deed hebben, nu bij mij en breng het naar eene dame, +die nu voortaan uwe bescherming zal zijn gelijk deze het was"; en +hij noemde haar mij, zòò, dat ik haar goed kende. "Maar in elk geval, +indien ge iets zegt van de woorden welke ik nu tot u heb gesproken, +zoo doe het geheel op zulk eene wijze dat uit hen niet blijke de +voorgewende liefde welke gij voor deze betoond hebt en welke gij nu +aan eene andere zult moeten betoonen." En deze woorden gezegd hebbende, +verdween de verschijning geheel plotseling, tengevolge van het groote +aandeel dat, naar het mij scheen, de Liefde mij van zich gaf: en, +als veranderd in mijn uiterlijk, reed ik dien dag zeer zwijgzaam en +vergezeld van vele zuchten. Toen de dag voorbij was begon ik hierover +dit sonnet, hetwelk begint: + + + Onlangs, terwijl ik mijmerende reed, + Moede en misnoegd om mijnen langen tocht, + Zag 'k, halfweegs, vòòr mij doemen wie mij docht + Amor, in pelgrim's licht gewaad gekleed. + + Zijn aanschijn was als van een man die leed: + 't Leek of hij tegen eigen wenschen vocht, + Wijl, 't hoofd omlaag, of hij te mijden zocht + Der menschen blik, hij zuchtend verder schreed. + + Hij zag me, en bij den naam riep hij mij toe, + Zeggend: "Ik ben uit dit ver oord gekomen, + Waar door mijn wil de Liefde uw harte bindt; + + En 'k peins waar 'k nieuwe vreugden voor u vind." + Toen vulden zòò mij Liefde's zoete droomen, + Dat hij verdween en 'k niet bemerkte hoe. + + + Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste gedeelte zeg + ik hoe ik de Liefde ontmoette en hoe hij mij verscheen; in het + tweede zeg ik wat hij mij zeide, ofschoon niet geheel en al, uit + vreeze mijn geheim te zullen verraden; in het derde zeg ik hoe + hij verdween. Het begint hier: "Hij zag me...."; het derde hier: + "Toen vulden zòò...." + + + +§ X. + +Na mijne terugkomst zette ik mij er toe de dame te zoeken, die +mijn Heer mij genoemd had op den weg der zuchten. En opdat mijne +woorden korter zijn mogen, zeg ik dat ik in weinig tijds haar +zoodanig tot mijne bescherming maakte, dat maar al te vele lieden +er over spraken op eene wijze, welke de hoofschheid te buiten ging, +waardoor ik mij dikwijls zeer hard bedrukt gevoelde. En om deze reden, +dat wil zeggen om dit overdreven gerucht, hetwelk mij schandelijk +scheen te belasteren, gebeurde het dat de Allerlieflijkste, die de +vernietigster is van alle kwaad en Koningin der deugd, langs eenen +weg mij voorbij schrijdende, mij haren zoeten groet, in welken gansch +mijne gelukzaligheid was gelegen, ontzegde. En, eenigszins van mijn +voorgenomen plan afwijkend, wil ik trachten te doen verstaan wat haar +groet door zijne deugd in mij verrichtte. + + + +§ XI. + +Zoo zegge ik dan, dat wanneer zij van ergens verscheen, door de hoop op +haren wonderen groet, niemand meer mijn vijand bleef, maar een brand +van liefde mij vervulde, welke mij iedereen die mij gedeerd had deed +vergeven: en wanneer iemand mij dan iets gevraagd hadde, zou mijn +antwoord alleen geweest zijn: "Liefde", met een gelaat, omkleed van +deemoed. En wanneer zij een weinig nader was aan het groeten, drong +een geest van Liefde, alle andere zinnelijke geesten overwinnend, +de zwakke geesten des gezichts naar buiten en zeide tot hen: "Gaat +henen uwe Vrouwe te begroeten", en hij bleef in hunne plaats. En wie de +Liefde had willen kennen, hadde zulks gekund door de siddering mijner +oogen te bestaren. En wanneer dit Allerlieflijkste Heil mij groette, +was de Liefde niet zulk een hindernis dat zij mijne niet te bevatten +gelukzaligheid verduisterde, maar als door eene overmaat van zoetheid +werd zij zoodanig, dat mijn lichaam, hetwelk dan geheel en al onder +hare heerschappij was, zich dikwijls slechts bewoog als een zwaar +en onbezield ding. Zoodat het duidelijk blijkt dat in haren groet +mijne gelukzaligheid woonde, welke dikwijls mijn bevattingsvermogen +te buiten ging en overgolfde. + + + +§ XII. + +Thans tot mijn onderwerp terugkeerend, zegge ik, dat toen mijne +gelukzaligheid mij werd ontzegd, eene zoo groote smart mij overkwam, +dat ik mij van de menschen afzonderde en mij naar eene eenzame plek +begaf om daar den grond met bittere tranen te baden: en nadat ik mij +door dit weenen eenigszins had verlicht, zette ik mij in mijne kamer, +alwaar ik kon klagen zonder gehoord te worden. En hier riep ik om +erbarmen tot de Vrouwe der Hoofschheid, en zeggende: "O Liefde, help +uwen Getrouwe", sliep ik weenende in als een geslagen knaapje. Het +geviel omstreeks het midden van mijnen slaap dat het mij toescheen +als zage ik in mijne kamer naast mij zitten eenen jongeling, gehuld +in een sneeuwblank gewaad; en zeer nadenkend, naar zijn aanschijn te +oordeelen, keek hij naar mij waar ik lag; en toen hij mij eene pooze +had aangekeken, scheen het mij dat hij mij zuchtende riep, en hij zeide +mij deze woorden: "Fili mi, tempus est ut praetermittantur simulacra +nostra". [38] Toen scheen het mij dat ik hem herkende, omdat hij mij +aldus riep als hij reeds herhaalde malen mij in mijne zuchten geroepen +had. En hem aanziende scheen het mij dat hij erbarmelijk weende en +het leek als verwachtte hij van mij eenig antwoord; waarop ik, mij +beheerschend, aldus tot hem begon te spreken: "Heer der Edelmoedigheid, +waarom weent ge?" En hij zeide mij deze woorden: "Ego tamquam centrum +circuli, cui simili modo se habent circumferentiae partes; tu autem non +sic" [39] [40]. Hierop peinzende over zijne woorden, scheen het mij dat +hij zeer duister gesproken had, zoodat ik mij dwong tot spreken, en ik +zeide hem deze woorden: "Wat is dit, o Heer, hetwelk ge tot mij spreekt +met zoo groote duisterheid?" En hij zeide tot mij in de volkstaal +[41]: "Vraag niet meer dan u nuttig is". En hierop begon ik met hem +te spreken over den groet, welke mij geweigerd was; en ik vroeg hem +de reden hiervan, waarop mij door hem op deze wijze werd geantwoord: +"Onze Beatrice vernam van zekere lieden die over u spraken, dat de +dame, die ik noemde op den weg der zuchten, door u eenigen overlast +ondervond. En daarom heeft de Allerlieflijkste, die eene vijandin is +van allen aanstoot, zich niet verwaardigd u te groeten, vreezende +dat ook zij gelegenheid tot aanstoot zoude geven. Vandaar dat ik, +wijl zij werkelijk uw geheim door lange gewoonte eenigszins kent, +wensch dat ge enkele woorden op rijm zult zeggen in welke gij samenvat +de macht, welke ik door haar over u bezit, en hoe gij de hare waart, +dadelijk van uwe kindsheid af. En roep hieromtrent tot getuige dengene +die het weet en zeg hoe ge hem bidt dat hij haar dit moge mededeelen: +en ik, die zelf diegene ben, zal het gaarne verklaren; en daardoor +zal zij uwen wensch gevoelen, en dezen gevoelende, zal zij de woorden +der bedrogenen begrijpen. Maar zorg dat uwe woorden als het ware +bemiddelaars zijn, zòò dat ge niet onmiddellijk tot hààr spreekt, +hetgeen niet betaamt. En zend hen nergens, waar zij door haar vernomen +kunnen worden, zonder mij; maar tooi hen met zoete harmonie [42], in +welke ik aanwezig zijn zal telkenkeer zulks noodig is." En deze woorden +gezegd hebbende verdween hij, en mijn slaap werd afgebroken. Waarop ik, +mij bezinnend, bevond dat dit gezicht mij verschenen was in het negende +uur van dien dag; en nog eer ik deze kamer verliet nam ik mij voor eene +ballade te maken, in welke ik datgene wat mijn Heer mij had opgelegd, +zou uitvoeren, en ik schreef daarop deze ballade, welke aldus begint: + + + Mijn Lied, nu ga, en bid met zoetste zangen + Amor, mijn Heer, dat hij u begeleid' + Naar mijn Meestres en zòò mijn zaak bepleit' + Dat ge vergeving voor mij moogt erlangen. + + Mijn Lied, wel zijt ge hoofsch en zoo bescheiden + Dat gij u onbevreesd + Ook onverzeld zoudt ov'ral kunnen wagen; + Doch om gansch zeker elk gevaar te mijden, + Zult ge dien goeden geest, + Amor, om zijn geleide en bijstand vragen; + Wijl zij die luistren moet naar al uw klagen-- + Wen, als 'k geloof, haar hart zich van mij keert + En Amor zelf u niet te spreken leert-- + Onvriendelijk wellicht u zoude ontvangen. + + Hebt ge aldus mijn Gebiedster dan gevonden + En medelij gevraagd, + Spreek dan tot haar met zoete stem deez' woorden; + "Meestres, hij die mij tot u heeft gezonden, + Wenscht, zoo het u behaagt, + Dat ge uit mijn mond zijn verontschuldging hoorde. + Liefde is 't die zijn gezicht zoozeer verstoorde, + Dat hij ùw schoon in andren waant te zien, + En zoo zijn blik hèn hulde schijnt te biên, + Toch in zijn hart naar ù slechts blijft verlangen." + + Zeg haar: "Meestres, zòò wankloos en volkomen + Heeft hij u lief gehad, + Dat ù getrouw te dienen al zijn dagen, + Van aanvang af 't hoogst doel was zijner droomen." + En zoo zij twijfelt, dat + Zij 't Amor, die de Waarheid zelf is, vrage. + En smeek tenslotte dat het haar behage-- + Wanneer vergeving schenken haar verdriet-- + Dat zij voor haar te sterven mij gebied', + En dankbaar zal ik dit bevel ontvangen. + + Maar zeg tot Hem, wien 'k al mijn heil moet danken, + Vòòrdat hij henen gaat, + Opdat hij haar mijn onschuld moog' verzeekren: + "'k Bid u terwille van mijn zoete klanken, + Dat gij haar niet verlaat, + Maar van uw trouwen slaaf tot haar blijft spreken. + En mocht zij hem vergeven door ùw smeeken, + Dat hem haar blik dien schoonen vree dan meld'". + Mijn lieflijk Lied, van Liefde zelf verzeld, + Ga nu tot haar om eere en troost te erlangen. + + + Deze ballade bestaat uit drie gedeelten: in het eerste zeg ik haar + waarheen zij gaan moet en spreek ik haar moed in opdat zij met te + meer vertrouwen gaan moge; en ik zeg onder wiens geleide zij zich + stellen moet indien zij veilig en zonder eenig gevaar gaan wil; + in het tweede zeg ik datgene wat zij behoort te doen verstaan; + in het derde geef ik haar verlof te gaan wanneer zij wil, haren + gang aanbevelend in de hoede der fortuin. Het tweede gedeelte + begint hier: "Hebt ge aldus...."; het derde hier: "Mijn lieflijk + Lied...." Een of ander zoude hier kunnen tegenwerpen dat hij niet + begreep tot wien mijne aanspraak in de tweede persoon zich richtte, + aangezien de ballade niets anders is dan de woorden zelf welke + ik spreek: en ik zeg daarom dat ik van zins ben dit bezwaar op + te lossen en te verklaren in ditzelfde boekske op eene andere, + nog twijfelachtiger plaats; en dan zal diegene die hier mocht + twijfelen of op deze wijze bezwaar mocht maken, het wel begrijpen. + + + +§ XIII. + +Na het bovenbeschreven gezicht, reeds de woorden geschreven +hebbende, welke Amor mij bevolen had te spreken, begonnen vele +en vreemde gedachten mij te bestoken en te verzoeken, elke haast +onwederstaanbaar: onder welke gedachten vier mij het meest de rust +des levens verstoorden. De eerste van hen was deze: "Goed is de +heerschappij der Liefde omdat zij het streven van haren getrouwe +aftrekt van al wat laag is". De tweede was deze: "Niet goed is de +heerschappij der Liefde, omdat, hoe meer geloof haar getrouwe in haar +stelt, hoe zwaarder en smartelijker weg hij moet gaan". De derde was +deze: "Het woord liefde is zòò zoet te hooren, dat het mij onmogelijk +schijnt dat hare eigen werking in de meeste dingen anders dan zoet +zoude zijn, aangezien de namen zich richten naar de genoemde dingen, +gelijk geschreven staat: 'Nomina sunt consequentia rerum'" [43] +[44]. De vierde was deze: "De Vrouwe, de liefde tot wie u aldus in +het nauw brengt, is niet als andere vrouwen, zoodat zij gemakkelijk +het hart zoude kunnen verlaten". En elk dezer gedachten bestookte +mij zoozeer, dat zij mij deed staan als een die niet weet langs +welken weg zijne reis leidt, zoodat hij wil voortgaan, doch niet weet +waarhenen. En als ik er over peinsde eenen gemeenschappelijken weg +voor hen te zoeken, dat wil zeggen eenen, waarover zij het allen eens +waren, bleek deze weg mij zeer tegen den zin: namelijk Medelijden aan +te roepen en mij in hare armen te werpen. En verblijvend in dezen +staat, kwam de begeerte in mij op er in rijmen over te schrijven; +en ik schreef vervolgens dit sonnet, hetwelk begint: + + + Van Liefde spreken nu al mijn gedachten, + Doch zòò verward is hun verscheidenheid, + Dat de eene fel haar heerschappij bestrijdt, + Terwijl mij de andre staag naar haar doet smachten; + + D'een telkens weer mij drijft tot wilde klachten, + En de aâr mij stilt met hoop van zaligheid; + En dààrin slechts hoor ik eenstemmigheid, + Dat zij alleen van Meelij heul verwachten. + + Dus weet ik niet naar welke ik luistren moet; + En wil ik spreken: 'k weet niet hoe of wat; + Zoozeer ben 'k in der Liefde dool gevangen. + + En wèl zie ik, dat wil 'k ooit rust erlangen, + 'k Vrouw Meelij, die met mij nooit meelij had, + Mijn vijandin, ter hulpe roepen moet. + + + Dit sonnet kan in vier gedeelten worden verdeeld; in het eerste zeg + ik en zet ik uiteen, dat al mijne gedachten over de Liefde zijn; + in het tweede zeg ik dat zij uiteenloopend zijn en verhaal ik + van hunne verscheidenheid; in het derde zeg ik in welk opzicht + allen het eens schijnen te zijn; in het vierde zeg ik dat ik, + willende spreken over de Liefde, niet weet vanwaar mijne stof + te nemen, en dat wanneer ik haar van hen allen nemen wil, ik + mijne vijandin, Vrouwe Medelijden, moet te hulp roepen. Ik zeg + "Vrouwe" bedoelende op eene schampere wijze te spreken. Het tweede + gedeelte begint hier: "Doch zòò verward...."; het derde hier: + "En daarin slechts...." het vierde: "Dus weet ik niet...." + + + +§ XIV. + +Na den krijg dier verschillende gedachten geviel het dat de +Allerlieflijkste ergens kwam, waar vele edele dames vereenigd waren; +naar welke plaats ik werd medegenomen [45] door eenen vriend, die +geloofde mij een groot genoegen te bereiden door mij te brengen waar +zoo vele vrouwen hunne schoonheid toonden. Waarop ik, ternauwernood +wetende waarhenen ik geleid werd, mij toevertrouwende [46] aan +dien man--die intusschen zijnen vriend aan de uiterste grens des +levens bracht--tot hem zeide: "Waarom zijn wij tot deze vrouwen +gegaan?" Daarop antwoordde hij: "Om te zorgen dat zij waardiglijk +gediend worden". En de waarheid is dat zij daar bijeen waren om eene +edele dame gezelschap te houden, die dien dag gehuwd was; aangezien +het, volgens gebruik [47] in de bovenbedoelde stad, betaamde dat men +haar gezelschap hield bij den eersten maaltijd dien zij nuttigde in +de woning van haren jongen echtgenoot. Zoodat ik, geloovende mijnen +vriend een genoegen te doen, mij voornam dezen vrouwen, die haar +gezelschap hielden, van dienst te zijn. En toen ik dit juist besloten +had, leek het mij als voelde ik eene vreemde siddering beginnen in +de linker zijde van mijne borst en zich plotseling over alle deelen +mijns lichaam uitbreiden. Toen, zegge ik, leunde ik mij onmiddellijk +tegen eene muurschildering, welke de zaal omgaf; en vreezende dat +anderen mijne siddering zouden hebben opgemerkt, sloeg ik de oogen +op en naar de vrouwen ziende, ontwaarde ik onder hen de lieflijke +Beatrice. Toen werden mijne geesten zoodanig overweldigd door de +kracht welke de Liefde verkreeg, ziende zich in zoo groote nabijheid +dier allerlieflijkste Vrouwe, dat geen meer in mij leven bleven dan +alleen de geesten des gezichts; en zelfs deze bleven nog buiten hunne +werktuigen, omdat de Liefde in hunne verheven plaats wilde huizen, +ten einde die wonderbare Vrouwe te kunnen zien. En ofschoon ik een +ander was dan eerst, bedroefde ik mij toch zeer over die geestjes, +die luide jammerden en zeiden: "Als deze ons niet aldus uit onze +plaats gebliksemd had, zouden wij nu daar het wonder dier Vrouwe +kunnen aanzien, zooals de anderen, onze gelijken, doen". Ik zeg +dat vele dier dames, mijne verandering hebbende opgemerkt, zich +begonnen te verwonderen; en pratende spotteden zij over mij met de +Allerlieflijkste [48], waarop mijn argelooze vriend, dit bemerkende, +mij bij de hand nam en, mij leidend uit het gezicht dier dames, mij +vroeg wat ik had. Hierop rustte ik eene pooze, en nadat mijne doode +geesten weder waren herrezen en de verdrevene weder tot hunne plaatsen +waren teruggekeerd, zeide ik tot mijnen vriend deze woorden: "Ik heb +mijne voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet weder +kan terugkeeren, al wilde men." En ik nam afscheid van hem en trok +mij terug in de kamer der tranen, in welke ik, weenende en beschaamd, +tot mijzelven zeide: "Als deze Vrouwe mijnen toestand kende, ik geloof +niet dat zij aldus mijn uiterlijk zou bespotten, maar ik geloof veeleer +dat zij diep medelijden er mede hebben zou." En aldus klagen blijvend, +nam ik mij voor woorden te spreken waardoor ik, mij tot hààr richtend, +haar de oorzaak mijner verandering zou verklaren en zou zeggen dat ik +wel wist dat men die niet kende en dat, indien men haar gekend had, +ik geloofde dat elkeen medelijden gevoeld zou hebben: en ik nam mij +voor dit te zeggen, hopende dat het bij toeval haar ter oore zou komen; +en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk aldus begint: + + + Bespotten zie ik u met de andre vrouwen + Mijn aanschijn, want de reden kent ge niet + Waarom het dus verandert en verschiet + Telkens wanneer 'k uw schoonheid mag aanschouwen. + + Zoo ge het wist: wèl zoude 't u berouwen + Dat ge mij niets dan die bespotting biedt. + 't Is wijl, wen Amor mij dicht bij u ziet, + Hem vult zulk overmoedig zelfvertrouwen, + + Dat, woedend onder mijn ontstelde zinnen, + Hij deze doodt en gene gansch verdrijft, + Om veilig, in hùn plaats naar u te staren. + + Maar zòò niet is de Liefde in mij gevaren, + Dat niet mijn hart toch tevens pijnen blijft + Om mijn gemartelde en verdreven zinnen. + + + Dit sonnet verdeel ik niet in gedeelten, omdat eene verdeeling + alleen gemaakt wordt om den zin der verdeelde zaak open te leggen; + zoodat dit, aangezien het door zijne verhaalde aanleiding voldoende + duidelijk is, geene verdeeling behoeft. Weliswaar bevinden zich + onder de woorden, waarin de aanleiding tot dit sonnet verhaald + wordt, eenige twijfelachtige woorden, namelijk waar ik zeg dat de + Liefde al mijne geesten doodt en alleen die des gezichts in leven + blijven, ofschoon dan buiten hunne werktuigen. En deze moeilijkheid + is onmogelijk op te lossen voor wie niet in dezelfde mate der + Liefde plichtig is; en voor hen die zulks zijn, is datgene wat + die moeilijkheid zou oplossen duidelijk; en daarom is het niet + goed voor mij deze moeilijkheid te verklaren, aangezien mijne + woorden òf vergeefs zouden zijn òf overbodig. + + + +§ XV. + +Na deze nieuwe verandering werd ik sterk vervuld van eene gedachte +welke mij zelden meer verliet, maar mij voortdurend weer hernam +en aldus tot mij sprak: "Daar ge zulk een spotwaardig uiterlijk +aanneemt wanneer ge in de nabijheid dier Vrouwe zijt, waarom dan +zoekt ge haar te zien? Wanneer zij u daarnaar vroeg, wat zoudt ge +hebben te antwoorden? aangenomen dat ge het vrije gebruik van al uwe +vermogens hadt wanneer ge haar toespreken moest." En eene andere, +schuchtere gedachte, antwoordde op deze en zeide: "Wanneer ik mijne +vermogens niet verloor en zoo vrij ware dat ik kon antwoorden, zoude +ik haar zeggen dat, zoodra ik mij hare wonderbare schoonheid verbeeld, +dadelijk ook een verlangen in mij opkomt om haar te zien, hetwelk van +zoo groote kracht is, dat het doodt en verwoest in mijne herinnering +al wat er tegen op zoude kunnen staan; en daardoor weerhouden mij de +geleden smarten niet om opnieuw haren aanblik te zoeken." Waarop ik, +bewogen door deze gedachten, mij voornam eenige woorden te zeggen, +in welke ik, mij tegenover haar verontschuldigend over mijn gedrag, +ook zou verhalen van wat mij in hare nabijheid overkwam; en ik schreef +dit sonnet, hetwelk aldus begint: + + + Al wat weerstreeft in mijnen geest moet sterven, + Wanneer 'k, o Schoone Vreugd, tot u wil gaan. + Maar "Vlucht" spreekt Amor, "wilt ge u niet verderven", + Als hij mij vindt in uw nabijheid staan. + + Mijn aanschijn toont in wisselende verven + Des harten strijd en zwijmend leune ik aan + 't Gemuurde, en 't is of ik de steenen "sterven!" + Hoor zuchten in dier wanhoop dronken waan. + + Wie dus mij ziet bevlekt zijn ziel van zonde, + Zoo mijn verbijstering hem niet verweekt + Tot droeve deernis en een zachte klacht + + Om Meelij, dat uw spot zòò diep verwondde + Dat uit mijn brekende oogen het slechts smeekt + Den Dood, van wien alleen 't nog troost verwacht. + + + Dit sonnet kan in twee gedeelten worden verdeeld; in het eerste + zeg ik de reden waarom ik mij niet houden kan naar mijne Vrouwe te + gaan; in het tweede zeg ik wat mij overkomt doordat ik tot haar ga; + en dit gedeelte begint hier: "Maar: Vlucht, spreekt Amor...." En + dit tweede gedeelte is nog verder te verdeelen in vijven, volgens + vijf verschillende mededeelingen: want in het eerste zeg ik wat + de Liefde, geraden door de Rede, mij zegt wanneer ik in hare + nabijheid ben; in het tweede zet ik den toestand van mijn hart + uiteen naar het voorbeeld van mijn gelaat; in het derde zeg ik + hoe alle zekerheid mij ontvalt; in het vierde zeg ik dat degeen + die geen medelijden met mij betoont zondigt, omdat zulks mij + eenigermate zou hebben getroost; in het laatste zeg ik waaròm men + medelijden moet hebben, namelijk wegens den deerniswaardigen blik + welke mij in de oogen komt; want deze deerniswaardige blik is + verwoest, dat wil zeggen is voor een ander niet meer zichtbaar + tengevolge van de spot mijner Vrouwe, welke tot een dergelijk + gedragen diegenen medesleept die misschien zulk medelijden hadden + kunnen betoonen. Het tweede gedeelte begint hier: "Mijn aanschijn + toont...."; het derde hier: "En 't is of ik...."; het vierde: + "Wie dus mij ziet...."; het vijfde: "Om Meelij...." + + + +§ XVI. + +Nadat ik dit geschreven had, wekte dit sonnet het verlangen in mij +op om ook eenige woorden te zeggen over vier andere zaken mijnen +toestand betreffende, welke mij schenen door mij nog niet duidelijk +te zijn gemaakt. De eerste van deze was aldus: dat ik mij dikwijls +bedroefde wanneer mijn geheugen mijne verbeelding bewoog zich voor +te stellen hoedanig Amor mij gemaakt had. De tweede was aldus: dat de +Liefde mij herhaaldelijk plotseling zoo hevig besprong, dat er in mij +niets anders levends bleef dan slechts ééne gedachte, welke van mijne +Vrouwe sprak. De derde was aldus: dat wanneer die strijd der Liefde +mij aldus bestookte, ik mij, bijna geheel ontkleurd, opmaakte om mijne +Vrouwe te gaan zien, geloovende dat haar aanblik mij in dien strijd +zou verdedigen, en vergetende wat mij door het naderen tot hare zoo +groote lieflijkheid overkwam. De vierde was aldus: dat deze aanblik mij +niet alleen niet verdedigde, maar zelfs de laatste rest mijns levens +nog uit mij verdreef; en daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint: + + + Dikwerf wanneer 'k bepeins het vreemd gedragen + Waartoe mij Amor dwingt, wil 't hart mij breken + Van medelijden en ik hoor het klagen: + "Ach, kon ooit smart een ander dus verweeken?" + + Wen Amor mij bespringt om te verjagen + Mijn zinnen en haast allen voor hem weken, + Ontkomt er slechts ééne enkele aan zijn slagen, + En die blijft, om van ù alleen te spreken. + + En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht, + Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven, + Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt. + + Maar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht, + Begint nog smartlijker mijn hart te beven + En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt. + + + Dit sonnet kan worden verdeeld in vier gedeelten, volgens de vier + zaken welke er in verhaald worden; en omdat deze zaken hierboven + reeds uiteengezet zijn, houd ik mij niet op dan slechts om deze + gedeelten door hunne beginwoorden aan te duiden; zoodat ik zeg dat + het tweede gedeelte begint hier: "Wen Amor...."; het derde hier: + "En dan, wijl ik...."; het vierde hier: "Maar zoo ik opzie...." + + + +§ XVII. + +Nadat ik deze drie sonnetten had geschreven, waarin ik sprak tot mijne +Vrouwe, geloovende nu te moeten zwijgen [49], omdat zij ongeveer heel +mijnen toestand verhaalden en het mij voorkwam dat ik duidelijk genoeg +over mijzelf had gesproken, gebeurde het toch--ofschoon ik mij daarna +nooit meer onmiddellijk tot hààr gericht heb--dat ik eene nieuwe en +edeler stof dan de voorgaande opnam. En omdat de aanleiding daartoe +aangenaam is om te hooren, zal ik haar zoo kort ik kan mededeelen. + + + + + +TWEEDE GEDEELTE + +(1287-1290). + + +§ XVIII. + +Aangezien door mijn uiterlijk velen het geheim van mijn hart hadden +begrepen, kenden ook zekere dames, die bijeen waren om zich met elkaars +gezelschap te vermaken, mijn hart zeer goed, want elke van hen was +getuige geweest van vele mijner nederlagen. En terwijl ik, als geleid +door het geluk, dicht aan hen voorbij ging, werd ik door eene dier +beminnelijke dames aangeroepen; en zij die mij had aangeroepen was eene +dame die zeer bekorend wist te spreken. Zoodat ik, toen ik bij hen was +gekomen en mij er van overtuigd had dat mijne allerlieflijkste Vrouwe +zich niet onder hen bevond, hen gerustgesteld begroette en vroeg wat +er van haren dienst was. De dames waren talrijk en er waren onder hen +die onder elkander lachten. Maar er waren andere die mij aanzagen, +als in verwachting van wat ik zou zeggen. Weer andere spraken onder +elkaar, van welke eene [50], hare oogen op mij richtende en mij bij +den naam aansprekende, zeide: "Waarom bemint gij deze uwe Vrouwe, +als ge toch haren aanblik niet kunt verdragen? Vertel ons dit, +want het doel van zulk een liefde moet voorzeker wel buitengewoon +zijn." En toen zij mij dit had gevraagd, trachtte niet alleen zij, +maar alle anderen het antwoord uit mijn aangezicht te lezen. Daarop +zeide ik tot hen deze woorden: "Edele dames, het doel mijner liefde was +reeds vroeger de groet dier Vrouwe, van wie gij misschien bedoelt te +spreken; en hierin bestond de gelukzaligheid welke het doel is van al +mijne verlangens. Maar sedert het haar behaagde mij dien te weigeren, +heeft Amor, mijn Heer, in zijne genade heel mijne gelukzaligheid +gesteld in datgene, wat mij niet kan ontnomen worden." Daarop begonnen +deze dames onder elkaar te spreken; en zooals men wel eens regen, +vermengd met schoone sneeuw ziet vallen, zoo scheen het mij dat +ik hunne woorden zag uitgaan vermengd met zuchten [51]. En nadat +zij eene wijle met elkaar gesproken hadden, zeide de dame die het +eerst tot mij gesproken had: "Wanneer gij waarheid spreekt, dan hebt +ge toch de woorden waarin gij uwen toestand bekend maakt, met eene +andere bedoeling gesproken?" Waarop ik, peinzende over deze woorden, +als beschaamd van hen heenging; en nog wandelend zeide ik in mijzelf: +"Wanneer er zoo groote gelukzaligheid ligt in de woorden welke mijne +Vrouwe prijzen, waarom heb ik dan anders over haar gesproken?" En ik +nam mij hierop voor tot stof voor mijn rijmen nooit iets anders dan den +lof dier Allerlieflijkste te kiezen; en veel hierover nadenkend, scheen +het mij dat ik eene al te hooge stof gekozen had voor mijne krachten, +zoodat ik niet waagde te beginnen; en zoo weifelde ik verscheidene +dagen tusschen verlangen om te rijmen en vrees om te beginnen. + + + +§ XIX. + +Het geviel toen, dat, terwijl ik wandelde langs eenen weg, waarnaast +eene zeer heldere rivier stroomde, mij een zoo groot verlangen om te +rijmen overviel, dat ik begon er over te denken hoe ik het aan zou +leggen; en ik overwoog dat het niet passend ware over haar te spreken +tenzij tot andere vrouwen in de tweede persoon; en dat wel niet tot +alle vrouwen, maar alleenlijk tot diegene die lieflijk en edel waren +en niet slechts vrouw [52]. Daarop, zegge ik, sprak mijne tong, als +vanzelf bewogen: "Gij vrouwen edel, die de Liefde kent". Deze woorden +bewaarde ik met groote blijdschap in mijnen geest, mij voornemend +ze tot begin te nemen; waarop ik, teruggekeerd in bovenbedoelde +stad en na eenige dagen te hebben nagedacht, deze canzone begon met +den bedoelden aanhef en in de volgorde welke men hieronder in hare +verdeeling zal zien. De canzone [53] begint aldus: + + + Gij vrouwen edel, die de Liefde kent, + Tot ù wil ik van mijn Meestresse spreken; + Niet wijl 'k haar lof ooit te voleinden reken, + Maar te verlichten 't overvol gemoed. + Wen ik bepeins haar deugden zonder end. + Brandt dus mijn hart dat 'k door mijn enkel spreken, + Elk die me aanhoorde in liefde zou ontsteken, + Hadde ik niet alle driestheid ingeboet. + Niet zòò verheven dat ik vreezen moet + Machtloos tot lager stijl te zullen dalen, + Maar zòò zal 'k van haar lieflijkheên verhalen + Als het bij hààr past: gracelijk en zoet. + En slechts tot u, minlijke maagde en vrouwen; + Want gij alleen zijt waardig zulk vertrouwen. + + Een engel roept, gekeerd naar 't goddlijk licht: + "O Heer, een wonder waarlijk zien wij dwalen + Op aarde, een ziel zóó lieflijk dat zij stralen + Moge in der zaalgen midden nu weldra! + De hemel mist niets dan haar aangezicht + En smeekt u zijnen hoogsten glans te halen." + En alle heilgen juichen op die tale. + Slechts medelijden vraagt voor mij genâ; + En God spreekt: "Dat men dit van haar versta: + Geliefden, duldt dat nog uw Hope in vrede, + Zoolang het mij behaagt, blijve beneden, + Waar één in vreeze is dat zij van hem ga, + En die ééns spreken zal tot de verdoemden: + 'k Zag haar, die de Engelen hun hope noemden." [54] + + In 't hemelsch rijk wordt mijn Meestres begeerd: + Dus wil 'k u van haar englendeugd doen weten. + En 'k zegge: Wie een eedle vrouw wil heeten, + Die ga met hààr, wijl ovral waar zij gaat, + Amor elk hart dat zijnen gloed ontbeert, + Bevriezen doet en alle heil vergeten. + Sterven moet elk, of zich gelouterd weten, + Die haren blik te dragen onderstaat. + Wie zich voor waardig houdt haar in 't gelaat + Te schouwen, moog' zijn hooge deugd betoonen, + En zorg' wie hoopt dat hem heur groet beloone, + Door deemoed dat al zonde hem verlaat. + Want zulk een macht werd haar door God beschoren. + Dat slecht niet einden kan wie hààr mocht hooren. + + Spreekt Amor van mijn Vrouwe: "Hoe ware ooit + Zoo zuiver en zoo schoon een sterflijk wezen?" + "God heeft", dus denkt hij, "met een nooit volprezen + En gansch nieuw wonderwerk de aarde verrijkt." + Geen parel werd met blanker tint getooid, + Heel haar van schoonheên evenwichtig wezen + Vormde Natuur van stoffen uitgelezen; + Dus heete schoon alleen wat hààr gelijkt. + Wen open harer blikken poorte wijkt, + Tijgt er een stoet van minnelijke geesten + Om de oogen die haar schouwen te vermeestren + En dra heeft elk van hen het hart bereikt; + En geen kan haren mond, teeder omtogen + Van Liefde's lach, bewondren onbewogen. + + Mijn Lied, ik weet, wanneer ge mij verlaat, + Zult ge op uw dool tot vele vrouwen spreken. + Maak, dat ze in u, die 'k zoo schoon op mocht kweeken, + Der Liefde jonge en teedre dochter zien. + Wilt, waar ge ook zijt en waar ge ook henen gaat, + "Wijst mij den weg tot hààr" bescheiden smeeken, + "Van welker deugd mijn tooi is taal en teeken". + En dat ge mij niet slecht en ijdlijk dien', + Zult nimmer toeven ge onder lage liên; + En nimmer schenken zult ge uw zoet vertrouwen, + Dan slechts aan eedle manne' en eedle vrouwen: + Die zeker zullen snelle hulpe u biên. + Nu ga, en zoo gij Amor bij hen vindt, + Breng hem mijn groet, zoo 't voegt voor Amor's kind. + + + Deze canzone zal ik, opdat zij beter begrepen worde, kunstiger + verdeelen dan het andere hierboven staande. En daarom maak ik + allereerst drie gedeelten: het eerste gedeelte is de voorrede van + de volgende woorden; het tweede is het behandelde onderwerp; het + derde is als eene dienstmaagd van de voorgaande woorden. Het tweede + begint hier: "Een engel roept...."; het derde hier: "Mijn Lied, + ik weet...." Het eerste is te verdeelen in vieren; in het eerste + zeg ik tot wie ik van mijne Vrouwe wil spreken en waarom ik spreken + wil; in het tweede zeg ik hoedanig ik mijzelf voorkom wanneer ik + aan hare deugd denk en hoe ik zou kunnen spreken wanneer ik den + moed niet verloor; in het derde zeg ik hoe ik geloof over haar te + kunnen spreken zonder door mijne blooheid belemmerd te worden; + in het vierde zeg ik, herhalend tot wie ik bedoel te spreken, + de reden waarom ik tot hen spreek. Het tweede begint hier: + "Wen ik bepeins...."; het derde hier: "Niet zoo verheven...."; + het vierde: "En slechts tot u....". Vervolgens wanneer ik zeg: + "Een engel roept....", begin ik over mijne Vrouwe te spreken. En + dit gedeelte is in tweeën te verdeelen: in het eerste zeg ik wat + men over haar in den hemel zegt; in het tweede zeg ik wat men over + haar op aarde zegt, en wel hier: "In 't hemelsch rijk...." Dit + tweede gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste + spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid harer + ziel, een en ander verhalend van de uitwerking harer deugden, + welke uit hare ziel voortkomen; in het tweede gedeelte spreek ik + over haar met betrekking tot de edelaardigheid van haar lichaam, + een en ander van hare schoonheden verhalend, en wel hier: "Spreekt + Amor van mijn Vrouwe".... Dit gedeelte is in tweeën te verdeelen, + want in het eerste spreek ik van zekere schoonheden welke tot haar + geheele persoon behooren, en wel hier: "Wen open...." Dit gedeelte + is te tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van oogen, + welke het begin der liefde zijn; in het tweede spreek ik van + den mond, welke het einde der liefde is. En opdat hier iedere + lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest, + dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke + eene werking van haren mond was, het doel mijner wenschen was, + waar ik dit bereiken kon. Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn Lied, + ik weet...." voeg ik nog eene stanza toe bijwijze van dienstmaagd + der andere, in welke ik zeg wat ik van deze mijne canzone verlang: + en aangezien dit laatste gedeelte gemakkelijk te begrijpen is, + vermoei ik mij niet met nog meer verdeelingen. Wel zeg ik dat, + om de bedoeling van deze canzone nog beter te openbaren, nog + nauwkeuriger verdeelingen zouden moeten aangewend worden; maar + in elk geval, wie niet voldoenden geest bezit om haar te kunnen + begrijpen door de wel toegepaste, mishaagt mij niet wanneer hij het + er bij laat; want waarlijk, ik vrees dat ik hare bedoeling door de + gemaakte verdeelingen reeds te duidelijk gemaakt heb voor maar al + te velen, indien het mocht gebeuren dat velen haar konden hooren. + + + +§ XX. + +Nadat deze canzone eenigszins bekend was geworden onder de menschen en +dientengevolge ook een mijner vrienden haar had gehoord, voelde deze +behoefte mij te verzoeken hem te zeggen wat Liefde is; wellicht omdat +hij door de gehoorde rijmen meer verwachting omtrent mij koesterde +dan ik verdiende. Waarop ik, overwegende dat het, na eene zoodanige +behandeling (der stof als in de voorgaande canzone) wel voegzaam +ware iets over de Liefde zelf te zeggen, en overwegende dat ik mijnen +vriend gaarne eenen dienst bewees, mij voornam in enkele woorden over +de Liefde te spreken; en ik schreef toen dit sonnet hetwelk begint: + + + Liefde en een edel hart zijn ganschlijk één, + Zooals de wijze dichter [55] heeft geschreven; + Geen kan bestaan slechts op zichzelf alleen, + Zoomin als 't hoofd kan zonder rede leven. + + Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen + En heeft het hem tot vaste woon gegeven; + En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een, + Bij d'ander lang, den dag van 't nieuwe leven, + + Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt, + En zoozeer 't oog bekoort dat 't in 't gemoed + Een hoog verlangen tot haar wordt geboren, + + Dat zoolang roept, door hunkering gepijnd, + Tot het dien geest der Liefde ontwaken doet. + Zoo zal ook d'eedle man een vrouw bekoren. + + + Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten: in het eerste + spreek ik van de Liefde voor zoover zij is in vermogen; in het + tweede spreek ik van haar voorzoover zij van vermogen tot daad + wordt. Het tweede begint hier: "Wen Schoonheid...." Het eerste kan + worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik in welk voorwerp + dit vermogen zich bevindt; in het tweede zeg ik hoe dit voorwerp + en dit vermogen tot bestaan zijn gebracht en hoe het eene zich + tot het andere verhoudt als vorm tot materie. Het tweede begint + hier: "Natuur bestemde...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Wen + Schoonheid....", zeg ik hoe dit vermogen zich tot daad omzet: + en wel eerst hoe het zich omzet in den man, vervolgens hoe het + zich omzet in de vrouw, namelijk hier: "Zoo zal...." + + + +§ XXI. + +Nadat ik de bovenstaande rijmen over de Liefde had geschreven, gevoelde +ik een verlangen om ook ter verheerlijking der Allerlieflijkste +woorden te zeggen in welke ik zou kunnen toonen hoe door hààr deze +geest der Liefde in mij ontwaakte en hoe hij niet alleen ontwaakte +waar hij sliep, maar hoe zij hem door hare wonderbare macht ook deed +komen daar, waar hij nog niet in vermogen was. En ik schreef toen +dit sonnet, hetwelk begint: + + + Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen, + Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt; + Waar zij voorbij schrijdt wendt zich jong en oud, + En wien zij groet voelt dus zijn hart bewogen + + Dat hij verbleekt en 't hoofd omneer gebogen, + Zuchtend zijn kleinste zonde nog berouwt; + Want toorn noch trots zich voor haar staande houdt. + Helpt, Vrouwen, dan mij haren lof verhoogen! + + In 't hart dat haar hoort spreken wordt geboren + Zoetste verteedring en een deemoed zacht; + Zaalg zij, wie voor het eerst haar ziet, geprezen! + + Onzeglijk is 't, onvatlijk, op wat wezen + Zij lijkt wanneer haar mond slechts even lacht: + Een wonder is ze, als nooit aanschouwd tevoren. + + + Dit sonnet heeft drie gedeelten. In het eerste zeg ik hoe mijne + Vrouwe dit vermogen in daad omzet door middel van het zeer + edele werktuig harer oogen; en in het derde zeg ik hetzelfde + omtrent dit zeer edele werktuig van haren mond; en tusschen + deze twee gedeelten is er nog een kleiner dat als om hulp vraagt + aan het voorgaande en het volgende, en dit begint hier: "Helpt + Vrouwen...." Het derde begint hier: "In 't hart...." Het eerste + kan worden verdeeld in drieën; want in het eerste zeg ik hoe + zij door hare deugden alles lieflijk maakt wat zij aanschouwt, + hetgeen zooveel zeggen wil dat zij de Liefde wekt tot vermogen + waar zij nog niet is; in het tweede zeg ik hoe zij de Liefde + in het hart van allen die zij aanziet tot daad omzet; in het + derde zeg ik vervolgens wat zij door hare deugd in hunne harten + uitwerkt. Het tweede begint hier: "Waar zij voorbij schrijdt...."; + het derde hier "En wien zij groet...." Vervolgens, wanneer ik + zeg: "Helpt Vrouwen...." geef ik te verstaan aan diegenen, tot + wie het mijne bedoeling is te spreken, de vrouwen aanroepende, + dat zij helpen mogen haar te eeren. Vervolgens, wanneer ik zeg: + "In 't hart...." zeg ik hetzelfde wat in het eerste gedeelte + gezegd is met betrekking tot twee werkingen van haren mond: + van welke de eene is haar allerzoetste spreken en de andere haar + wonderbare glimlach, behalve dat ik van dezen laatsten niet zeg + hoe hij in de harten werkt, omdat de herinnering noch hem noch + zijne uitwerkingen kan vast houden. + + + +§ XXII. + +Toen hierna nog niet vele dagen waren voorbijgegaan--aldus behaagde het +den Koning der Glorie, die zichzelf den dood niet spaarde--verliet hij, +die de verwekker [56] geweest was van dit groote wonder als hetwelk de +alleredelste Beatrice zich vertoonde, dit leven om zekerlijk in te gaan +tot de eeuwige zaligheid. Zoodat het--aangezien zulk een verscheiden +smartelijk is voor hen die achterblijven en die bevriend waren met +dengene die stierf; en geene vriendschap zoo innig is als die van eenen +goeden vader tot een goed kind of van een goed kind tot eenen goeden +vader; en deze Vrouwe den hoogsten graad van goedheid bezat en haar +vader, gelijk velen zulks getuigen en ook waar is, in hooge mate goed +was,--zeer begrijpelijk is dat deze Vrouwe op het bitterst vervuld +was van smart. En aangezien, volgens gebruik [57] in bovenbedoelde +stad, de vrouwen met de vrouwen en de mannen met de mannen zich +vereenigen bij eene dergelijke treurnis, waren er vele vrouwen bijeen +ter plaatse waar de allerlieflijkste Beatrice erbarmelijk weende; +zoodat ik, enkele dier vrouwen van haar ziende terugkeeren, hen +hoorde spreken over de Allerlieflijkste, hoe zij jammerde. Onder +andere woorden hoorde ik er die zeiden: "Waarlijk, zij weent zòò, +dat wie haar ziet van medelijden zou kunnen sterven." Hierop gingen +deze dames voorbij; en ik bleef in eene zoo groote droefheid achter, +dat nu en dan tranen mijn gelaat baadden, zoodat ik het herhaaldelijk +bedekte door mijne handen naar de oogen te heffen. En als het niet +geweest ware dat ik nog meer omtrent haar verwachtte te hooren, daar +ik mij bevond op eene plek waar het grootste gedeelte der dames die +van haar heengingen, langs kwam, zou ik mij verborgen hebben zoodra +de tranen mij overmanden. En terwijl ik dus bleef op dezelfde plek, +kwamen er opnieuw eenige dames dicht langs mij, die onder het gaan +tot elkaar spraken: "Wie van ons zal ooit weer vroolijk kunnen zijn, +nu wij deze Vrouwe zoo klagelijk hoorden spreken?" En na deze kwamen +weer anderen voorbij die zeiden: "Hij die daar zit klaagt niet meer +of minder dan als had hij haar gezien evenals wij". Weer anderen +zeiden van mij: "Ziet toch dezen, die zichzelf niet meer gelijkt, +zoozeer is hij veranderd." En terwijl aldus deze dames voorbij +gingen, hoorde ik op de wijze welke ik verhaald heb, spreken over +haar en mijzelf. Waarop ik, hierover peinzende, mij voornam iets te +zeggen--omdat ik hierin eene waardige stof vond--waarin ik alles zou +opsluiten wat ik van deze dames gehoord had. En omdat ik hen gaarne +gevraagd zou hebben wanneer ik dit zonder onbescheiden te zijn had +kunnen doen, maakte ik mijne rijmen aldus alsof ik hen werkelijk +had gevraagd en alsof zij mij hadden geantwoord. En ik maakte twee +sonnetten; in het eerste vroeg ik op de wijze waarop ik vragen wilde; +in het tweede vermeld ik hun antwoord, datgene wat ik van hen verstond +gebruikende als hadden zij het tot mijzelf gesproken. En ik begon het +eerste: "Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen...." en het tweede: +"Zij gij het die zoo dikwijls hebt gesproken." + + + Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen, + Die de oogen, bloô van droefnis, nederslaat; + Vanwaar komt ge met zòò ontverfd gelaat + Dat ik in u waan Meelij zelf te aanschouwen? + + Zaagt ge wellicht hoe Liefde mijner Vrouwe + Liefelijk aangezicht in tranen baadt? + Mijn hart zegt mij dat 'k om geen eigen daad + Noch eigen droefenis u dus zie rouwen. + + En komt ge waarlijk van zoo diep verdriet, + Wilt dan een pooze, ik bid u, bij mij toeven; + En hoe zij lijdt, verberg 't mijn smeeken niet; + + Schoon 'k zie hoe langs de smartgemerkte groeven + Van uw gelaat een stroom van tranen vliet + En 't hart mij beeft nu 't zoozeer u ziet droeven. + + + Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten; in het eerste + roep ik de vrouwen aan en vraag ik hen of zij van hààr komen, + zeggende dat ik zulks geloof omdat zij zachter schijnen terug te + keeren; in het tweede bid ik hen mij over haar te spreken. Het + tweede begint hier: "En komt ge waarlijk...." Hierop volgt dan + het andere sonnet, gelijk wij hierboven reeds verhaald hebben. + + + Zijt gij het, die zoo dikwijls hebt gesproken + Over uw Vrouwe, schoon tot ons alleen? + Uw stem gelijkt de zijne, doch in een + Gansch ander aanschijn lijkt uw ziel gestoken. + + Ach, waarom klaagt ge als ware u 't hart gebroken! + Met jammer vult een elk uw droef gesteen; + Zaagt ge dan hààr en hoordet hààr geween, + Dat ge u dus toont in wanhoop neergedoken? + + Laat weenen ons en weenend verder schrijden; + Slecht ware wie getroost kon huiswaarts gaan + Nadat wij hààr zoo droevig zagen lijden. + + Smart zelve staart uit haar gelaat u aan; + Zòò dat wie van deez' aanblik niet zou scheiden, + Van droefnis aan haar voeten moest vergaan. + + + Dit sonnet heeft vier gedeelten, aangezien de vrouwen voor wie ik + antwoord vier wijzen van spreken hadden. En omdat deze hierboven + voldoende duidelijk zijn gemaakt, zal ik mij niet ophouden met + den zin dezer gedeelten te verhalen; zoodat ik ze alleen maar + aanwijs. Het tweede begint hier: "Ach, waarom klaagt ge...."; + het derde: "Laat weenen ons...."; het vierde: "Smart zelve...." + + + +§ XXIII. + +Weinige dagen hierna geviel het dat eene smartelijke ziekte een +gedeelte mijns lichaams aantastte, waardoor ik negen dagen lang +voortdurend de bitterste pijnen leed en welke mij zoo zwak maakte dat +ik werd als diegenen die zich niet kunnen bewegen. Ik zeg nu dat op +den negenden dag, terwijl ik eene ondragelijke pijn gevoelde, eene +gedachte in mij opkwam, welke van mijne Vrouwe was. En toen ik een +wijle aan haar gedacht had, keerden mijne gedachten tot mijn zwakke +leven terug; en ziende hoe vluchtig zijn duur was, zelfs wanneer het +gezond is, begon ik in mijzelf over zoovele ellende te weenen. Waarop +ik, zwaar zuchtende, in mijzelf zeide: "Noodwendiglijk moet het +eens gebeuren dat de allerlieflijkste Beatrice sterft". En hierop +greep eene zoo hevige verbijstering mij aan, dat ik de oogen sloot +en begon te dwalen als een krankzinnige en op deze wijze te ijlen: +in het begin des dwalens mijner verbeelding leek het mij dat ik +gezichten zag van vrouwen met loshangende haren, die tot mij zeiden: +"Ook gij moet sterven." En vervolgens, na deze vrouwen, verschenen +andere, vreemde gezichten, schrikkelijk om te aanschouwen, welke +tot mij zeiden: "Ge zijt gestorven". En mijne verbeelding, aldus +beginnende te dolen, kwam op eene plaats, in welke ik niet wist waar +ik mij bevond; en het leek mij dat ik wederom vrouwen met loshangende +haren weenende langs den weg zag waren in verwonderlijke droefenis; +en het scheen mij dat ik de zon zag verduisteren, zóó dat de sterren +zich vertoonden in eene kleur, welke mij deed denken dat zij treurden; +en het leek mij dat de vogels in hunne vlucht dood neder vielen en +dat er geweldige aardbevingen waren. En mij verbazende in dusdanige +verbeelding en zeer ontzet, zag ik een vriend op mij afkomen die +zeide: "Weet ge het niet? Uwe wonderbare Vrouwe is uit het leven +verscheiden." Toen begon ik opnieuw en erbarmelijk te weenen; en +ik weende niet alleen in mijne verbeelding, maar ik weende, mijne +oogen in werkelijke tranen badend. Ik verbeeldde mij naar den hemel +op te zien en het scheen mij dat ik eene menigte engelen zag die +naar den hooge terugkeerden en die vòòr zich hadden een zuiver wit +wolkje; en het scheen mij dat deze engelen triomfantelijk zongen en +als de woorden van hunnen zang scheen ik deze te hooren: "Osanna in +excelsis!" [58], en iets anders hoorde ik niet. Toen scheen het mij +dat mijn hart, waarin zooveel liefde woonde, mij zeide: "Waarlijk, +het is wel zeker dat onze Vrouwe gestorven is". En hierop scheen +het mij dat ik ergens heen ging om het lichaam te zien in hetwelk +deze edelste en gelukzalige ziel had gehuisd. En zòò sterk was deze +dwalende verbeelding dat zij mij werkelijk de doode Vrouwe liet zien; +en het scheen mij dat vrouwen haar bedekten, dat wil zeggen haar +hoofd, met een witten sluier; en het scheen mij dat haar gelaat eene +uitdrukking had van zòò diepen deemoed, dat het scheen te zeggen: "Ik +zie het begin van allen Vrede". In deze verbeelding overkwam mij eene +zoo groote ootmoedigheid door haren aanblik, dat ik den Dood aanriep +en zeide: "O zoetste Dood! kom tot mij en wees niet hard jegens mij; +want wèl moet ge lieflijk zijn nu ge bij haar geweest zijt. Kom nu tot +mij, die zoozeer naar u verlang: ge ziet het, dat ik reeds uwe kleur +draag". En nadat ik had zien vervullen al de droevige diensten welke +men den lichamen der gestorvenen pleegt te bewijzen, scheen het mij +dat ik naar mijne kamer terugkeerde en aldaar naar den hemel opzag; +en zòò sterk was mijne verbeelding dat ik weenende begon te spreken +met eene werkelijke stem: "O schoonste ziel, hoe gelukzalig is hij die +u aanschouwt". En terwijl ik deze woorden sprak onder een smartelijk +gesnik van jammer en den Dood aanroepend tot mij te komen, begon een +jong en lieflijk meisje, dat naast mijn bed zat, geloovende dat mijn +weenen en mijne woorden eene klacht waren om de pijn mijner ziekte, +in groote vreeze eveneens te weenen. Waarop de andere vrouwen die in +het vertrek waren, bemerkten dat ik weende, doordat zij dit meisje +zagen weenen: waarop zij haar, die door zeer nauwe verwantschap aan mij +verbonden was [59], deden heengaan en, meenende dat ik droomde, zich +tot mij wendden om mij te wekken, zeggende: "Slaap niet langer en wees +niet zoo ontroostbaar". En terwijl zij aldus spraken, brak mijne sterke +verbeelding af op het oogenblik dat ik zeggen wilde: "O Beatrice, +gezegend zijt ge". En reeds had ik gezegd: "O Beatrice" toen ik, +opschrikkende, de oogen opende en zag dat ik geijld had. En ofschoon +ik haren naam geroepen had, was mijne stem zoo gebroken geweest door +snikken, dat die vrouwen mij niet hadden kunnen verstaan. En ofschoon +ik mij zeer schaamde, wendde ik mij toch, door de Liefde aangespoord, +tot hen. En toen zij mij zagen begonnen zij te spreken: "Hij gelijkt +eenen doode" en onder elkaar te zeggen: "Laten wij toch trachten +hem te troosten". Waarop zij vele woorden tot mij spraken om mij te +troosten, en telkens vroegen zij mij waarvoor ik zulk eene vrees gehad +had. Waarop ik, na eenigszins te zijn bijgekomen en de bedriegelijkheid +van mijne waanvoorstelling te hebben ingezien, hen antwoordde: "Ik zal +u zeggen wat mij gebeurd is". Hierop begon ik met het begin, en tot +aan het einde toe verhaalde ik hen al wat ik gezien had, slechts den +naam dier Allerlieflijkste verzwijgend. Waarop ik vervolgens, genezen +van deze ziekte, mij voornam iets te zeggen over wat mij gebeurd was, +omdat het mij lieflijk scheen om te zeggen en om te hooren; en ik +schreef deze canzone: "Een lieflijk meisje, jong en teer van hart", +in de volgorde als blijkt uit de er onder staande verdeeling: + + + Een lieflijk meisje, jong en teer van hart, + Aan deernis rijk, was aan het bed gezeten + Waarop 'k den Dood dikwijls om redding vroeg. + Zij zag mijn oogen overvol van smart. + En luistrend naar mijn waanverwarde kreten, + Verschrok zij dus, dat zij luidsnikkend kloeg, + Meenend dat ik mijn pijn niet meer verdroeg. + En de andre vrouwen, die haar hoorden weenen, + Leidden haar zachtkens henen + En susten me, om tot rust mij te doen komen. + Een zeide er: "Niet meer droomen!" + En: "Waarom zoo ontroostbaar?" de andre vroeg. + Toen riep ik met een stem, verstikt door 't weenen, + Mijn Vrouwe.... en 't vreemde droombeeld was verdwenen. + + Zòò had de smart mijn zwakke stem geschaad, + En zòò mijn jammrend snikken haar gebroken, + Dat ik dien naam hoorde in mijn hart alleen. + Maar schoon ik 't liefst mijn gansch beschaamd gelaat + Voor hun nieuwsgierge blikken had verstoken, + Dwong Liefde mij 't te wenden tot hen heen. + Het zag zoo vaal dat zij als over een + Die sterven ging van mij schenen te spreken; + Ik hoorde elkaar hen smeeken: + "Ach, konden wij verzachten toch zijn lijden!" + En telkenkeer zij zeiden: + "Wat zaagt ge toch, dat dus uw kracht verdween? + En 'k sprak, toen weer mijn wanhoop was geweken: + "Hoort, vrouwen, 'k zal u van mijn droombeeld spreken." + + Terwijl ik peinsde over ons broos bestaan, + En hoe zoo schielijk 't leven weer moet vluchten, + Weende in mijn hart Amor in droefnis groot; + Waardoor ik, van verbijstering ontdaan, + In mijn gedachten klagelijk verzuchtte: + "Ook voor mijn Vrouwe komt toch ééns de Dood." + Toen werd mijn smart zoo hevig dat ik sloot + Van pijnen moe mijn oogleên, zwaar van tranen; + En als verwarde wanen, + Gingen mijn geesten dwalen door mijn droomen; + Tot ze, eindelijk gekomen + Waar alle werklijkheid gansch van hen vlood, + Zagen een stoet van vrouwen jammrend gaan en + Roepend: "Ook gij zult sterven!" door hun tranen. + + 'k Zag teekens, vreemd en vreeslijk, onheilzwaar, + Ontstellen mijn verdwalende gedachten + In 't naamloos oord waar 'k mij in droom bevond, + 'k Zag vrouwen zwermen met ontbonden haar, + Stil weenend of in jammerluide klachten, + Die als een brand droegen hun droefnis rond. + Toen leek het of de zonne langzaam zwond + In duisternis en bleeke sterren schenen: + 't Was of ik hen zag weenen; + En vogels vielen neder onder 't zweven; + En de aard begon te beven; + Tot plotseling een bleek man voor mij stond, + Die sprak: "Deed u de tijding nog niet weenen? + Dood voerde uw Vrouwe, die zoo schoon was, henen!" + + Ik sloeg mijn blikken, tranenblank, omhoog + En zag--een regen leek 't van hemelsch manna-- + Een rij van englen keeren tot hun Heer. + Een teeder wolkje zwevend vòòr hen toog, + En allen zongen juichende: "Hosanna!" + Niets hoorde ik dan dien jubel keer op keer. + En Amor sprak: "Nu zwijge ook ik niet meer; + Kom, waar uw Vrouwe neerligt, met mij mede," + En leidde mij ter stede + Waar ik haar doode lichaam mocht aanschouwen, + Ik zag: toen spreidden vrouwen + Een witte wade over haar aanzicht neer, + Dat, diepdeemoedig, als in stille bede, + Niets scheen te zeggen als "Ik ben in Vrede!" + + En zulk een deemoed lenigde mijn pijn + Toen 'k hààr zag wie de Deemoed zelf verklaarde, + Dat 'k sprak: "O Dood, hoe lijkt ge mij zóó zoet! + Hoe zacht en lieflijk moet uw wezen zijn + Sinds ge mijn Vrouwe medenaamt van de aarde. + Meelij, geen haat is 't wat u komen doet. + 'k Geloof dat ik u reeds gelijken moet, + Zoozeer verlangt mijn harte, moe van rouwen, + Aan ù zich te vertrouwen!" + Ik ging, en niets was van mijn smart gebleven; + En hemelwaarts geheven + Mijn blikken, zeide ik als ten laatsten groet: + "O schoone Ziel, zaalg wie u mag aanschouwen!" + Toen wektet gij me, dank uw zorg, o vrouwen. + + + Deze canzone heeft twee gedeelten: in het eerste zeg ik, sprekende + tot een onbepaald persoon, hoe ik door zekere vrouwen uit eene + ijdele droomverbeelding werd gewekt en beloofde hen deze te + verhalen; in het tweede zeg ik hoe ik hen dit verhaalde. Het + tweede begint: "Terwijl ik peinsde...." Het eerste gedeelte + kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik wat zekere + vrouwen en wat eene enkele zeiden en deden naar aanleiding van + mijnen droom, d. w. z. éér ik weder tot de werkelijkheid was + teruggekeerd; in het tweede zeg ik wat deze vrouwen zeiden, + nadat ik had opgehouden te ijlen; en dit gedeelte begint hier: + "Zoo had de smart...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Terwijl ik + peinsde...." zeg ik hoe ik hen dit mijn droombeeld verhaalde. En + hieromtrent maakte ik twee gedeelten: in het eerste verhaal + ik geregeld mijn droombeeld; in het tweede, zeggende op welk + oogenblik zij mij riepen, dank ik hen kortelijks; en dit gedeelte + begint hier: "Toen wektet gij me...." + + + +§ XXIV. + +Na dit ijdele droomgezicht gebeurde het op eenen dag, dat ik, terwijl +ik ergens zat te peinzen, eene siddering in mijn hart voelde beginnen +alsof ik in tegenwoordigheid mijner Vrouwe ware geweest. En toen, +zegge ik, kwam tot mij eene verbeelding der Liefde; het scheen mij +namelijk dat ik Amor zag komen van dien kant waar mijne Vrouwe woonde; +en het scheen mij dat hij vroolijk tot mij zeide in mijn hart: "Denk +steeds den dag te zegenen waarop ik bezit van u nam, want wèl behoort +ge zulks te doen." En inderdaad scheen mijn hart zòò verblijd te zijn +dat het mij leek alsof het mijn eigen hart niet ware door zijnen +zoo nieuwen toestand. En kort na deze woorden, welke mijn hart mij +zeide met de stem der Liefde, zag ik op mij afkomen eene edele dame, +die van eene vermaarde schoonheid was en die reeds lang de Vrouwe +was van mijnen reeds vroeger bedoelden grootsten vriend. En de naam +dezer dame was Giovanna, behalve dat men haar--wegens hare schoonheid, +naar sommigen meenden--den bijnaam had gegeven van Primavera (dat is +de Lente) en aldus werd zij dan ook genoemd. En toeziende, zag ik +achter haar de wondere Beatrice komen. Deze beide vrouwen schreden +aldus tot dicht bij mij, de eene achter de andere en het scheen mij +dat de Liefde tot mij sprak in mijn hart en zeide: "Deze eerste werd +Primavera geheeten alleen terwille van hare komst op heden; want ik +bewoog hem die haar dien naam gaf haar Primavera te noemen, dat wil +zeggen: prima verrà, omdat "zij het éérst zou komen" op dien dag dat +Beatrice zich aan haren getrouwe zal vertoonen na het droomgezicht. En +indien ge het nog nader wilt beschouwen, beteekent ook haar werkelijke +naam hetzelfde als Primavera, omdat haar naam Giovanna [60] is afgeleid +van dien Johannes, die het waarachtige Licht voorspelde, zeggende: +"Ego vox clamantis in deserto: parate viam Domini" [61]. En het scheen +mij dat hij mij, na dit, nog andere woorden zeide, namelijk: "Wie het +zeer nauwkeurig overweegt, zoude Beatrice eigenlijk "Liefde" moeten +noemen, wegens de groote gelijkenis welke zij met mij heeft." Waarop +ik, wederom aan het peinzen rakende, mij voornam er op rijm over +te schrijven tot dien grootsten vriend, zekere woorden verzwijgend +welke het mij gepast scheen te verzwijgen [62], daar ik in de meening +was dat zijn hart nog steeds de schoonheid dier lieflijke Primavera +bewonderde. En ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint: + + + Ik voelde siddrend in mijn hart ontwaken, + Verlangen, dat lang sluimerde ongestoord, + En opziend zag van verre ik Amor naken, + Zoo blijde als ik hem nimmer had gehoord. + + "Nu zorg" riep hij "mij niet te schand te maken". + En lachen, lachen luidde in ieder woord. + En nog terwijl zijn lippen aldus spraken, + Turend dien kant vanwaar hij kwam, zag 'k voort + + Madonna Vanna en Monna Bice [63] komen + En schrijden, als twee wondren, de een na de aâr, + De plek waar ik in beven stond voorbij. + + En Amor sprak--wél beeft mijn geest 't vernomen-- + Déze is de Lente, en Liefde noem ik hààr, + Die op haar volgt, zoozeer gelijk ze mij. + + + Dit sonnet heeft vele gedeelten; het eerste van hen zegt hoe + ik de gewende siddering in mijn hart voel ontwaken, en hoe het + schijnt dat de Liefde mij vroolijk verscheen, van verre komend; + het tweede zegt hoe het mij scheen dat de Liefde in mijn hart + tot mij sprak en hoedanig hij mij verscheen; het derde zegt hoe, + nadat hij eene wijle naast mij gestaan had, ik zekere dingen zag en + hoorde. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu zorg riep hij...." het + derde hier: "En nog terwijl...." Het derde gedeelte kan worden + verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik datgene wat ik zag; in + het tweede zeg ik datgene wat ik hoorde. Het tweede begint hier: + "En Amor sprak...." + + + +§ XXV. + +Hier zoude misschien iemand, die waard ware al zijne tegenwerpingen +te beantwoorden, bezwaar kunnen maken; en hij zoude er bezwaar tegen +kunnen maken dat ik spreek over de Liefde alsof deze iets ware op +zichzelf en niet slechts eene denkbeeldige zelfstandigheid, maar +eene lichamelijke. Hetgeen, strikt naar waarheid, niet juist is, +daar de Liefde niet gelijk eene zelfstandigheid op zichzelf bestaat, +maar een toestand der zelfstandigheid is. En dat ik van den geest der +Liefde spreek als ware hij lichaam, ja zelfs een menschelijk wezen, +blijkt uit drie dingen welke ik van hem zeg. Ik zeg dat ik hem van +verre zag komen; waaruit, aangezien "komen" eene ruimtelijke beweging +aanduidt, en volgens den filosoof [64] uitteraard alleen een lichaam +ruimtelijk beweegbaar is; blijkt dat ik de Liefde als een lichaam +voorstel. Voorts zeg ik van hem dat hij lachte en ook dat hij sprak; +welke zaken menschelijke eigenschappen schijnen te zijn, vooral het +lachen, en het blijkt dus dat ik hem voorstel als een mensch. Om dit +te verklaren, gelijk het op het oogenblik van pas schijnt, moet men +ten eerste weten, dat er eertijds geen minnezangers waren die in de +volkstaal schreven; maar zij die van liefde spraken waren dichters in +de Latijnsche taal. Bij òns, zeg ik--ofschoon het misschien wel bij +andere volken het geval was en nog is, zooals in Griekenland--waren +het dus geen volksdichters, maar geletterde dichters die deze stof +behandelden. En het is nog niet vele jaren geleden dat voor het eerst +volksdichters verschenen, want rijmen in de volkstaal beteekent +zooveel als spreken in verzen volgens eene bepaalde maat in het +Latijn. En het bewijs dat het eerst sinds korten tijd geschiedt, is, +dat wanneer wij zoeken in de taal van "oc" en in de taal van "si" +[65], wij in deze talen geene gedichten vinden ouder dan honderd en +vijftig jaren voor dezen [66]. En de reden waarom sommige onbeschaafde +lieden vermaard werden als dichters is, dat zij ongeveer de eersten +waren die in de taal van "si" schreven. En de eerste die begon te +dichten als een volksdichter deed zulks omdat hij zijne woorden wilde +doen verstaan door eene vrouwe, aan wie het moeilijk viel Latijnsche +verzen te begrijpen. En dit is gericht tot diegenen die rijmen over +andere zaken dan welke de Liefde betreffen; aangezien deze wijze van +dichten aanvankelijk werd uitgevonden om van de Liefde te spreken +[67]. Zoodat het, aangezien den dichters eene grootere vrijheid van +spreken is veroorloofd dan den prozaschrijvers, en de bedoelde rijmers +niets anders zijn dan dichters in de volkstaal, gepast en redelijk is +dat ook aan hen eene grootere vrijheid van spreken worde toegestaan +dan aan andere schrijvers in de volkstaal; zoodat, wanneer een of +andere beeldspraak of rhetorische wending den dichters is toegestaan, +zij ook den rijmers moet worden toegestaan. En dus, wanneer wij zien +dat de dichters tot onbezielde dingen gesproken hebben alsof zij +gevoel en verstand hadden, en hen ook met elkaar lieten spreken; +en niet slechts werkelijke dingen, maar ook zelfs onwerkelijke +(ik bedoel, dat zij gezegd hebben dat zelfs eigenschappen spraken +alsof het lichamen en menschen waren) zoo past het dat de rijmer dit +eveneens moge doen; niet zonder reden, maar met een reden, welke het +mogelijk is in proza te verduidelijken. Dat de dichters gesproken +hebben zooals ik hier zeide, blijkt aan Virgilius [68], die zegt dat +Juno, eene godin die den Trojaners vijandig was, sprak tot Aeolus, +den god der winden, op deze plaats in het eerste boek der Aenëide: +"Aeole, namque tibi" [69] en dat deze god antwoordde: "Tuus, o regina, +quid optes" [70]. Bij dezen zelfden dichter spreekt in het derde +boek der Aenëide een onbezield ding tot een bezield op deze plaats: +"Dardanidae duri" [71]. Bij Lucanus spreekt een bezield ding tot een +onbezield op deze plaats: "Multum, Roma, tamen debes civilibus armis" +[72]. Bij Horatius spreekt de mensch tot zijne eigene wetenschap als +tot een ander persoon en dit zijn niet slechts woorden van Horatius +zelf, maar hij ontleent ze aan den goeden Homerus op deze plaats +zijner Boetria: "Dic mihi, Musa virum" [73]. Bij Ovidius spreekt +de Liefde alsof zij een menschelijk wezen is in het begin van het +boek hetwelk den naam draagt "Remedia Amoris" [74] op deze plaats: +"Bella mihi, video, bella parantur, ait" [75]. En hiermede zal +dit duidelijk gemaakt zijn voor dengene die tegen eenig gedeelte +van dit mijn boekske bezwaar mocht hebben. En opdat niet een of +ander onbeschaafd man hieraan eenigen overmoed ontleene, zeg ik, dat +evenmin als de dichters aldus zonder reden spreken, evenmin de rijmers +aldus spreken moeten zonder eenige reden te hebben voor hetgeen zij +zeggen: want ten zeerste behoort zich diegene te schamen die iets +samenstelt in het kleed van een rhetorisch beeld of wending en die, +hierom aangezocht, zijne woorden niet zou weten te ontdoen van zulk +een kleed, opdat men hem waarlijk kon verstaan. En deze mijn grootste +vriend en ik kennen genoeg van zulke dwazelijk rijmenden. + + + +§ XXVI. + +De allerlieflijkste Vrouwe, over wie in de voorgaande woorden werd +gesproken, kwam in zoodanige gunst bij iedereen, dat wanneer zij over +straat ging de menschen uitliepen om haar te zien; waarover ik eene +wonderbare vreugde gevoelde. En wanneer zij in iemands nabijheid +gekomen was, kwam zulk eene eerzaamheid in diens hart, dat hij het +niet waagde de oogen op te slaan, noch haren groet te beantwoorden; +en dit zouden velen, die zulks ondervonden hebben kunnen getuigen +voor wie het niet wilden gelooven. Zij schreed voort, gekroond en +bekleed met deemoed, niet den minsten trots toonend over wat zij +zag of hoorde. Velen zeiden wanneer zij voorbijgegaan was: "Deze +is geene vrouw, maar een der schoonste engelen uit den hemel". En +anderen zeiden: "Deze is een wonder; gezegend zij de Heer, die iets +zoo wonderbaarlijks weet te scheppen!" Ik zegge, dat zij zich zoo +lieflijk en zoo vol van alle bekoorlijkheden betoonde dat diegenen +die haar bewonderden zulk eene eerzame en zoete verrukking in zich +gevoelden, dat zij haar niet konden uitspreken; noch was er iemand die +haar kon bewonderen zonder dat hij al dadelijk moest zuchten. Deze +en nog meer verwonderlijke zaken bracht zij te weeg door de werking +harer deugd. Waardoor ik, hierover nadenkende en wenschende den stijl +van haren lof wederom te hervatten, mij voornam woorden te zeggen in +welke ik hare wonderbare en uitnemende werkingen te verstaan gaf; +opdat niet alleen zij die haar zintuigelijk konden zien, maar ook +anderen van haar zouden weten wat woorden ervan konden kenbaar +maken. Daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint: + + + Zoo zuiver en zoo zedig ingetogen + Is mijner Vrouwe minnelijke groet, + Dat ze ieders tong siddrend verstommen doet + En géén waagt tot haar op te slaan zijn oogen. + + Zoo schrijdt zij voort en hoort haar lof verhoogen, + Verheerelijkt in deemoeds blanken gloed; + De Hemel zond tot de aarde een engel zoet, + Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen. + + Wie haar zoo zacht en nederig ziet gaan, + Voelt in zijn hart een innigheid ontbloeien, + Die geen bevat zoo hij 't niet ondervond; + + En 't is of van haar teerbewogen mond + Een adem als van Liefde zelf komt vloeien, + Die zucht: Verlangen zij uw deel voortaan. + + + Dit sonnet is zoo gemakkelijk te begrijpen, door hetgeen hierboven + is verhaald, dat het geenerlei verdeeling behoeft; en dit derhalve + nalatend. + + +zeg ik, dat deze mijne Vrouwe in zoo groote gunst kwam dat niet alleen +zìj geëerd en geprezen werd; maar tengevolge van haren invloed ook +vele anderen geëerd en geprezen werden. Waarop ik, dit ziende en het +willende openbaren aan hen die het niet zien konden, mij voornam +ook woorden te spreken, waarin dit werd aangeduid; en ik schreef +toen dit sonnet, hetwelk begint: "Het hoogste heil moet ieder hart +verblijden....", hetwelk verhaalt van haar, hoe hare deugd werkte in +anderen; gelijk blijkt in zijne verdeeling. + + + Het hoogste heil moet ieder hart verblijden + Dat schouwt mijn Vrouwe in andrer vrouwen kring; + Wel voegt dat wie haar ooit mocht begeleiden, + God danke in diepe verootmoediging. + + Zòò zedig is haar schoonheid en bescheiden, + Dat nimmer nijd der andren hart beving; + Maar ze ook om hen een glorie schijnt te spreiden + Van hoop, van liefde en van verteedering. + + Haar blik maakt alles nederig en goed, + En niet haarzelve alleen, maar allen schenken + Haar lieflijkheên een glans van heiligheid. + + En heel heur wezen is zoo wonderzoet, + Dat niemand die haar zag aan haar kan denken + Zonder een zucht om Liefde's zaligheid. + + + Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste zeg ik onder welke + lieden mijne Vrouwe het bewonderenswaardigst verscheen; in het + tweede zeg ik hoe dankbaar haar gezelschap was; in het derde + spreek ik van de dingen welke zij door hare deugd in anderen + te weeg bracht. Het tweede gedeelte begint hier: "Wel voegt het + dat...."; Het derde hier: "Zoo zedig is...." Dit laatste gedeelte + kan verdeeld worden in drieën: in het eerste zeg ik wat zij werkte + in deze vrouwen, dat wil zeggen voor henzelf; in het tweede zeg ik + hoe zij niet alleen verwonderlijk werkte in deze vrouwen, maar in + alle menschen, en niet alleen tijdens hare aanwezigheid, maar ook + wanneer men slechts aan haar dacht. Het tweede begint hier: "Haar + blik maakt alles...."; het derde hier: "En heel haar wezen...." + + + +§ XXVII. + +Hierna begon ik op eenen dag te denken over datgene wat ik van mijne +Vrouwe gezegd had, dat wil zeggen in de beide voorgaande sonnetten; +en ziende in mijne overweging dat ik niets gezegd had van datgene +wat zij op het oogenblik in mijzelf uitwerkte, scheen het mij dat ik +gebrekkiglijk gesproken had; en dus nam ik mij voor woorden te zeggen +in welke ik zeide op welke wijze ik ontvankelijk scheen te zijn voor +haren invloed en hoe hare deugd in mij werkte. En meenende zulks niet +in de beknoptheid van een sonnet te kunnen verhalen, begon ik toen +eene canzone [76], welke begint: + + + Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht + En mij gewend aan zijne heerschappij, + Dat even hard als eerst mijn slavernij + Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht. + En zoo, wanneer hij ganschelijk mijn kracht + Mij rooft en mijn gedachten jaagt uit mij, + Gevoelt mijn zwijmelende ziel zòò blij, + Dat mijn gelaat, ofschoon verbleekend, lacht. + Dan voel ik hem zoo hevig in mijn leven, + Dat hij mijn zuchten dolend roepen doet + Om mijne Vrouwe zoet, + Of zij nog hooger heil mij konde geven. + Dus ondervinde ik, wààr mijn oog haar ziet, + Zòò zacht is zij: maar woorden zeggen 't niet. + + + + + + +DERDE GEDEELTE + +(Juli 1290-1292?) + + +§ XXVIII. + +Quomodo sedet sola civitas plena populo! facta est quasi vidua domina +gentium [77]. Ik was nog bezig aan deze canzone en had eerst de +bovenstaande stanza ervan voltooid, toen de Heer der Gerechtigheid +deze Allerlieflijkste opriep om te stralen onder het teeken dier +gebenedeide Koningin, de Maagd Maria, wier naam steeds in hoogste +eere geweest was in de woorden der zalige Beatrice. En ofschoon het +misschien gepast zoude schijnen hier iets van haar verscheiden van +ons te verhalen, is het toch niet mijne bedoeling daarover hier te +spreken om drie redenen: de eerste is dat het niet in het plan ligt, +indien wij slechts letten op de voorrede, welke dit boekske voorafgaat; +de tweede is, dat, aangenomen dat het wèl in mijnen opzet lag, mijne +taal toch niet bij machte zoude zijn dit te behandelen naar behooren; +de derde is dat het, aangenomen het een zoowel als het ander, het +mij toch niet zoude betamen hierover te handelen, omdat ik, er over +handelende, mijzelf zoude moeten prijzen, hetgeen bovenal laakbaar is +in wie zulks doet [78]; en ik laat dus deze behandeling over aan eenen +anderen uitlegger [79]. Evenwel, aangezien herhaaldelijk het getal +negen voorkwam in de voorgaande regelen, zoodat het duidelijk is dat +dit niet zonder reden het geval is, en bij haar verscheiden ditzelfde +getal eveneens eene belangrijke beteekenis schijnt te hebben gehad, +past het dààrover hier iets te zeggen, omdat dit wèl bij het plan +behoort. Zoodat ik allereerst zal zeggen welke rol het speelde bij +haar verscheiden en vervolgens eene reden zal aanwijzen waarom dit +getal nauw met haar verbonden was. + + + +§ XXIX. + +Ik zegge dan dat, volgens den kalender van Arabië, hare edele ziel +verscheidde in het eerste uur van den negenden dag der maand; en +volgens den kalender van Syrië verscheidde zij in de negende maand +des jaars, omdat de eerste maand aldaar is Tisirin de Eerste, welke +bij ons is October. En volgens onze eigen tijdrekening verscheidde +zij in dàt jaar van onze aanwijzing--dat wil zeggen van de jaren +des Heeren--waarin het volmaakte getal negen malen vervuld was in +die eeuw waarin zij in deze wereld werd geplaatst; en zij behoorde +tot de christinnen der dertiende eeuw [80]. Waarom dit getal zoo +nauw met haar verbonden was; deze zou de reden hiervan kunnen zijn: +aangezien er volgens Ptolomaeus en volgens de christelijke waarheid +negen bewegelijke hemelen zijn, en aangezien volgens de gewone +astrologische opvatting genoemde hemelen hier beneden invloed +uitoefenen naar gelang van hunnen stand ten opzichte van elkaar, +was dit getal aan haar verbonden om te verstaan te geven dat bij +hare geboorte alle negen bewegelijke hemelen in het meest volmaakte +evenwicht met elkaar stonden. Dit is ééne reden ervan; maar wanneer +men er scherper over nadenkt en volgens de onbedriegelijke waarheid, +was zijzelf dit getal, ik meen vergelijkenderwijs gesproken, en ik +bedoel dit aldus: Het getal drie is de wortel van negen, zoodat het +zonder hulp van eenig ander getal, met zichzelf vermenigvuldigd, +negen uitmaakt, gelijk wij klaarblijkelijk zien dat driemaal drie +is negen. Dus, gezien dat drie de schepper-uit-zichzelf van negen +is en de schepper der wonderen uit zichzelf drie is, dat wil zeggen +Vader, Zoon en Heilige Geest, welke drie één zijn--werd deze Vrouwe +begeleid door het getal negen om te verstaan te geven dat zijzelve +eene negen was, dat wil zeggen een wonder, welks wortel alleenlijk +de wonderbaarlijke Drie-eenheid is [81]. + +Misschien dat een scherpzinniger persoon hiervoor nóg dieper redenen +zou vinden: maar deze is het welke ik er in zie en welke mij het +meeste behaagt. + + + +§ XXX. + +Nadat deze allerlieflijkste Vrouwe uit dit leven was verscheiden, +bleef de bovenbedoelde stad achter als eene weduwe en als beroofd +van alle waardigheid; zoodat ik, nog weenende in deze verlaten stad, +iets schreef aan de voornaamste burgers der stad [82] over haren +toestand, nemende tot begin deze woorden van den profeet Jeremia: +"Quo modo sedet sola civitas, etc". En ik zeg dit opdat niemand zich +er over verwondere dat ik dit hierboven heb aangehaald als het ware +als eene intrede tot de nieuwe stof welke volgt. En indien iemand +mij wilde verwijten dat ik niet nederschrijf wat op de aangehaalde +woorden volgde, verontschuldig ik mij hiermede dat het van begin af +niet mijne bedoeling was eene andere dan de volkstaal te schrijven: +zoodat, aangezien de woorden welke volgden op de aangehaalde, allen in +het Latijn waren, het buiten mijne bedoeling zoude vallen wanneer ik +ze nederschreef: en ik weet dat deze mijn grootste vriend, tot wien +ik dit schrijf, dezelfde bedoeling heeft, dat wil zeggen dat ik hem +schrijve alleenlijk in de volkstaal. + + + +§ XXXI. + +Nadat mijne oogen een tijdlang geweerd hadden en zòò vermoeid waren +dat ik door hen niet langer mijn droefenis kon uitstorten, bedacht +ik te trachten haar uit te storten door eenige klagelijke woorden; +en daarom nam ik mij voor eene canzone te maken, in welke ik klagende +zou verhalen van haar, door wie eene zoo groote smart tot verwoesteres +van mijne ziel gemaakt was, en ik begon toen eene canzone welke begint: +"Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart...." En opdat deze canzone +aan het slot meer verweduwd moge lijken, zal ik haar verdeelen vòòr +ik haar neerschrijf: en deze manier zal ik in het vervolg volhouden. + + Ik zeg dat deze ongelukkige canzone drie gedeelten heeft: het + eerste is eene voorrede; in het tweede spreek ik over hààr; + in het derde spreek ik medelijdend tot mijn lied. Het tweede + begint hier: "Zoo woont de zaalge...."; het derde hier: "Mijn + klaaglijk Lied...." Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in + drieën; in het eerste zeg ik wat mij beweegt te spreken; in het + tweede zeg ik tot wie ik spreken wil; in het derde zeg ik van wie + ik spreken wil. Het tweede begint hier: "En wijl ik weet...."; + het derde hier: "En u verhalen....". Vervolgens, wanneer ik zeg: + "Zoo woont de zaalge....", spreek ik van hààr; en hierover maak + ik twee gedeelten: in het eerste zeg ik de reden waarom zij ons + ontnomen werd; daarna zeg ik hoe men klaagt over haar verscheiden, + en dit gedeelte begint hier: "Haar zuivre ziel...." Dit gedeelte + kan worden verdeeld in drieën: in het eerste zeg ik wie haar + niet beweent; in het tweede zeg ik wie haar wel beweent; + in het derde verhaal ik mijnen eigen toestand. Het tweede + begint hier: "Maar om zijn diepe smart...."; het derde hier: + "Met zuchten zwaar". Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn klaaglijk + lied...." spreek ik tot mijne canzone, haar aanwijzend tot welke + vrouwen zij gaan moet, en dat zij bij hen moet blijven. + + + Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart, + Hebben zooveel geleden door lang weenen, + Dat voor altijd hun werking schijnt verstoord; + Dus, wil ik mij bevrijden van die smart + Die langzaam, langzaam leidt ten doode henen, + Moet ik 't beproeven met mijn klagend woord. + En wijl ik weet hoe 't ééns mij heeft bekoord + Van mijn Meestres, nog niet van de aard ontweken, + Tot u te zingen, vrouwen, schoon en zacht, + Wil 'k, naar ik vroeger placht, + Ook nu tot eedler vrouwen harten spreken + En u verhalen in mijn droeve klacht, + Hoe ze onverwacht ten hemel is getogen + En met mij Amor liet van smart gebogen. + + Zoo woont de zaalge Beatrice [83] omhoog; + In 't rijk der englen toeft ze in eeuwgen vrede + En liet ook u, gij vrouwen, hier alleen. + Geen kou noch hitte was 't die haar bedroog + En nam, als zooveel anderen, haar mede; + Maar 't was haar groote nedrigheid alleen, + Die straalde zulk een glorie rond haar heen + En zoo den hemel met haar glans doorlichtte, + Dat God, verbaasd om 't wonder dat hij schiep, + Voor zijn verlangen diep + Naar zooveel heil en heerlijkheden zwichtte + En haar van de aard voor altijd tot zich riep. [84] + Want wèl ook wist hij dat dit moeizaam leven + Niet waardig was een schoonheid zòò verheven. + + Haar zuivre ziel, vol van genade [85] leeft, + Nu zij het lieflijkst lichaam heeft verlaten, + Verklaard in 't harer schoonheid waardig oord. + Wie niet om haren dood moet weenen heeft + Een hart van steen, zoo slecht en zoo verwaten + Dat het naar ootmoed nimmer heeft gehoord. + Geen laag gemoed, door hoogste kunst gespoord, + Kan zich maar iets verbeelden van haar wezen; + Zoodat geen rouw noch weedom het benart. + Maar om zijn diepe smart + Zuchtend en klagend moet te sterven vreezen, + En van àl troost berooft zijn droevend hart, + Wie gansch doorgrondt in zijn verlaten droomen, + Hoe schoon zij was en hoe ze ons werd ontnomen. + + Met zuchten zwaar beklage ik mijnen nood, + Wanneer mijn geest, van droefenis bevangen, + Herroept het beeld dat dus mijn hart verscheurt. + En dikwijls wen ik peins over den dood, + Welt in mij op zòò smachtend-zoet verlangen, + Dat mijn gelaat reeds als ten doode ontkleurt. + En vat ik gansch waarom mijn ziele treurt, + Dan kwelt me een heir van smarten van al zijden, + Zoodat ik krimp van pijn om wat ik lijd + En zinloos klaag en krijt + En moet de menschen diepbeschaamd vermijden. + En weenend roep ik in mijn eenzaamheid: + "O Beatrice, gingt ge waarlijk henen?" + Dan troost haar naam me, als waar' zij zelf verschenen. + + Tranen van rouw en zuchten van verdriet + Waar ik ook toef mijn eenzaam hart verweeken, + Dat elk zou weenen die mijn lijden zag. + Hoe nu mijn leven in droefnis vervliedt + Sinds mijn Meestres ten hemel is ontweken: + Geen tong die 't ooit te schilderen vermag. + Daarom, gij Vrouwen, zou geen zelfbeklag + U kunnen zeggen hoe mij 't harde leven + Verwondt en met herinnring kwelt en pijnt + En hoe mijn ziel dus kwijnt + Dat iedereen: "U heb ik opgegeven" + Ziet hij mijn lippen veeg, te zeggen schijnt. + Maar zoo mijn woorden 't u al niet vertelden: + Zìj ziet mijn leed en zal 't mij ééns vergelden. + + Mijn klaaglijk Lied, van tranen zwaar, nu ga, + En zoek opnieuw die maagdekens en vrouwen, + Wier liefelijk vertrouwen + Uw zusters menigmaal hebben verblijd. + Nu ga! maar gij, die Droefnis' dochter zijt, + Blijf gij bij hen, ontroostbaar, voortaan rouwen. + + + +§ XXXII. + +Nadat deze canzone geschreven was, kwam er iemand tot mij die volgens +de graden der vriendschap mijn vriend was onmiddellijk volgende op +dien grootsten: en deze was door bloedverwantschap zoo nauw verbonden +aan de glorierijke, dat niemand haar nader stond [86]. En toen hij +bij mij was om mij te spreken, verzocht hij mij of ik voor hem iets +wilde zeggen over eene dame die gestorven was; en hij veinsde zijne +woorden, opdat het zou schijnen alsof hij over eene andere sprak, +die korteling gestorven was: waarop ik, bemerkende dat hij alleenlijk +sprak over de gebenedeide, hem toezegde te zullen doen wat zijn verzoek +mij vroeg. Waarop ik, hierover nadenkende, mij voornam een sonnet te +schrijven, waarin ik ietwat klaagde en dit te geven aan dezen mijnen +vriend, opdat het schijnen zou als hadde ik het voor hem gemaakt; en +ik schreef daarop dit sonnet: "O komt en luistert naar mijn zuchte' +en klachten...." + + Hetzelve heeft twee gedeelten: in het eerste roep ik de getrouwen + der Liefde aan opdat zij naar mij luisteren mogen; in het tweede + verhaal ik van mijnen ellendigen toestand. Het tweede begint hier: + "Hen dank ik 't...." + + + O komt en luistert naar mijn zuchte' en klachten, + Gij eedle harten: Meelij roept u aan! + Hen dank ik 't, die zoo gansch ontroostbaar gaan, + Dat ik in stille smart niet moet versmachten. + + Want ach, mijn oogen zijn niet meer bij machte + Te storten schuldgen tol van traan op traan, + En zoo mijn leed--zij hebben 't lang gedaan-- + Om mijne Vrouwe rouwend te verzachten. + + Zoo luistert hoe mijn wanhoop rustloos krijt + Om haar, wier schoone lieflijkheden gloren + Daar, waar alleen haar deugd vond waardge woon. + + En raadloos zult ge mij beklagen hooren + Het leven dat mijn eenzaam harte lijdt + Nu al zijn heil en zaligheid ontvloôn. + + + +§ XXXIII. + +Toen ik dit sonnet geschreven had, overwegende wie degene was wien +ik het wilde geven als ware het voor hem gemaakt, leek het mij toe +dat deze dienst armelijk was en schamel jegens iemand die zoo nauw +verwant was aan de glorierijke. En daarom schreef ik, alvorens ik +hem het bovenstaande sonnet gaf, nog twee stanza's eener canzone; de +eene werkelijk voor hem en de andere voor mijzelf, ofschoon beide voor +éénzelfden persoon geschreven lijken voor wie niet scherp toeziet. Maar +wie ze scherp beschouwt, ziet zeer goed dat er twee verschillende +personen in spreken; voorzoover de een niet spreekt als van zìjne +Vrouwe, doch de ander wel, gelijk duidelijk blijkt. Deze canzone en +dit sonnet gaf ik hem, hem zeggende dat ik ze voor hem gemaakt had. + + De canzone begint: "Altijd, eilaas!" en heeft twee gedeelten: + in het eene, dat wil zeggen in de eerste stanza, klaagt deze + mijn dierbare vriend, aan haar vermaagschapt; in het tweede + klaag ik zelf, dat wil zeggen in de tweede stanza, welke begint: + "Zoo mengen zich...." En zoo blijkt het dat in deze canzone + twee personen klagen, de een van welke klaagt als haar broeder, + de ander als haar dienaar. En dit is de canzone, welke begint: + + + Altijd, eilaas! wanneer ik val aan 't peinzen + Dat ik hier nimmermeer + De Vrouwe weer zal zien die mij ontviel, + Ziet zulk een heir van pijnen rondom grijnzen + Mijn overdroeve ziel, + Dat ik mijzelven vraag: "Waarom begeer + Ik nog dit leed te dragen dat zoozeer + Mij pijnt en tot een last maakt heel dit leven, + Dat ik, vervuld van smart en vreeze groot, + Aanroep den zoeten Dood, + Of hij mij eindlijk rust en vree zal geven; + Zeggend: O kom! zòò gaarn ben ik bereid, + Dat ik nu elken stervende benijd." + + Zoo mengen zich mijn mijmerdroeve zuchten + Tot ééne stage klacht, + Die in den Dood mijn eenge troost begroet. + Tot hèm voortaan al mijn verlangens vluchten, + Sedert mijn Vrouwe zoet + Mij werd ontnomen door zijn wreede macht + En harer schoonheid heerelijke pracht + Omhoog, nu zij van ons gezicht moest scheiden, + Ontbloeide tot een blanke heiligheid, + Die Liefde's licht verspreidt + Eeuwig tot aller engelen verblijden: + Want zelfs hun hoogen, zuivren geest verheugt + Het wonder van zòò liefelijke deugd. + + + +§ XXXIV. + +Op dien dag waarop een jaar vervuld was sinds deze Vrouwe onder de +burgers van het eeuwig Rijk werd opgenomen, was ik ergens gezeten +alwaar ik, in herinnering aan haar verzonken, een engel teekende +[87] op een zeker tafeltje; en terwijl ik deze teekende sloeg ik de +oogen op en zag naast mij eenige mannen, welken ik eerbied behoorde +te betoonen. En zij keken naar hetgeen ik deed en, naar wat mij later +gezegd werd, hadden zij daar reeds eenigen tijd gestaan eer ik hen +bemerkte. Toen ik hen zag stond ik op, en groetende zeide ik tot +hen: "Een ander was juist bij mij en daarom peinsde ik." Waarop ik, +nadat deze vertrokken waren, tot mijne bezigheid terugkeerde, dat wil +zeggen tot het teekenen van engelengedaanten. Zulks doende kwam mij +de gedachte woorden op rijm te zeggen als ter verjaring van hààr en +te schrijven tot hen die tot mij gekomen waren: en ik schreef toen +dit sonnet, hetwelk begint: "Weer zag mijn ziel...." en hetwelk twee +beginkwatrijnen heeft [88], zoodat ik het zal verdeelen volgens het +eene en volgens het andere. + + Ik zeg dat volgens het eerste dit sonnet drie gedeelten heeft: + in het eerste zeg ik dat mijne Vrouwe reeds in mijne herinnering + was; in het tweede zeg ik wat de Liefde mij dientengevolge aandeed; + in het derde spreek ik van de uitwerkingen der Liefde. Het tweede + begint hier: "Ook Amor voelde...."; het derde hier: "Zij togen + uit mijn borst...." Dit gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: + in het eene zeg ik dat alle mijne zuchten sprekende uittogen; in + het tweede zeg ik hoe enkele zekere woorden spraken verschillend + van de andere. Het tweede begint: "Maar zij die 't diepste...." Op + dezelfde wijze kan het worden verdeeld volgens het tweede begin, + behalve dat ik dan in het eerste gedeelte zeg op welk oogenblik + mijne Vrouwe in mijne herinnering was gekomen, en dit zeg ik niet + in het andere begin. + + + Eerste begin. + + Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen + Dier Vrouwe, die om haar ootmoedigheid, + God wonen deed waar hoogst-gebenedeid + Maria troont onder de nedrigst-vroomen. + + + Tweede begin. + + Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen + Dier Vrouwe om wie de Liefde zelve schreit; + Toen gij, als lokte u hare lieflijkheid, + Kwaamt tot me en zaagt wat mij zoo stil deed droomen. + + Ook Amor voelde die herinnring komen, + En in mijn hart ontwaakt, vol droevigheid, + Sprak tot mijn zuchten hij: "Nu gaat en schreit" + En nauwlijks konden zij hun smart betoomen. + + Zij togen uit mijn borst weenende heen, + En telkenmale als ik hen hoorde bracht + Hun droeve roep de tranen mij in de oogen; + + Maar zij die 't diepste leden zeiden zacht: + "O eedle geest! 't is heên een jaar geleên + Dat gij verklaard ten hemel zijt getogen." + + + +§ XXXV. + +Eenigen tijd hierna, toen ik mij bevond op eene plaats alwaar ik +mij den vervlogen tijd in herinnering bracht, was ik zeer peinzend +en zoozeer vervuld met smartelijke gedachten dat zij mij uiterlijk +deden vertoonen een gelaat vol schrikkelijke verbijstering. Waarop ik, +mijne verandering gevoelend, de oogen opsloeg om te zien of iemand mij +gezien had. Toen zag ik dat eene edele dame, jong en zeer schoon, voor +een venster zeer medelijdend, naar haren aanschijn te oordeelen, naar +mij keek; zoodat alle deernis in haar vereenigd scheen [89]. Vandaar +dat,--aangezien ongelukkigen, wanneer zij medelijden met hen bij +anderen zien, spoediger beginnen te weenen, alsof zij met zichzelf +medelijden hebben--ik in mijne oogen het verlangen gevoelde te gaan +weenen; en dus, vreezende mijn ellendig leven te toonen, ging ik +heen uit de oogen dier teedere; en ik zeide daarop in mijzelf: +"Het kan niet anders of bij deze deernisvolle Vrouwe woont de +edelste liefde." En hierop nam ik mij voor een sonnet te schrijven, +in hetwelk ik zou spreken tot haar en in hetwelk ik vervatten zou +al wat ik hier verhaald heb. En omdat het door deze verklaring reeds +voldoende duidelijk is, zal ik het niet verdeelen. Het sonnet begint: + + + Mijn oogen zagen 't zoete mededoogen + Lichten over uw stil en bleek gelaat, + Toen gij aanschouwdet mijn verslagen staat + En mijn gestalte, door de smart gebogen. + + Ik dacht: "Dus heeft mijn donker leed bewogen + Haar, die zoo deernisvol mij gadeslaat." + En vreezend in mijn hart voor het verraad + Van gansch mijn zwakheid door mijn weenende oogen, + + Wendde ik van u mijn angst-beschaamde blikken, + Wijl traan op traan van niet te stillen smart + Opwelde als door uw deerenis ontkluist. + + En tot mijn droeve ziel zeide ik: "Wel huist + De Liefde in dezer Vrouwe teeder hart, + Dat hij haar blik zoo overdroef doet snikken." + + + +§ XXXVI. + +Het geviel nu dat telkenkeer dat deze Vrouwe mij zag, zij een +medelijdend gelaat en eene bleeke kleur, als van liefde, aannam: +zoodat zij mij herhaaldelijk deed herinneren aan mijne edele Vrouwe, +die steeds diezelfde kleur vertoonde. En het is een feit dat ik +dikwijls, niet kunnende weenen, noch mijne droefenis uitstorten, +heenging om deze deernisvolle Vrouwe te zien, die naar het scheen +door haren blik de tranen uit mijne oogen trok. En daardoor kwam +mij ook de begeerte iets er over te zeggen, sprekende tot haarzelf; +en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Nooit deden Liefde...." en +het is begrijpelijk zonder dat ik het verdeel, door zijne voorgaande +verklaring. En dit is het: + + + Nooit deden Liefde en Medelijden bleeken + Een schooner aanschijn, meer bewondrenswaard, + En nooit heeft zulk een teedre glans verklaard + Stil-droevende oogen, 'wijl hun tranen leken, + + Dan wen, als woudt ge om hulpe voor mij smeeken, + Uw blik op mijn ellendig wezen staart, + Zoodat mijn hart soms vreezen moet als waar 't + Om u verdeeld en van zijn heil geweken. + + Ik kan mijn brandende oogen niet verweren + Dat zij verlangend dikwijls wenden heen + Tot u, wier blik hun tranenvloed bevrijdt; + + Want u aanschouwend is weenen alleen + 't Hen ganschelijk verteerende begeeren, + Schoon onvervuld zoolang ge aanwezig zijt. + + + +§ XXXVII. + +Ik kwam tot zoover door den aanblik dezer Vrouwe dat mijne oogen +begonnen zich al te zeer te verheugen wanneer zij haar zagen; zoodat +ik dikwijls mij er over kwelde in mijn hart en mijzelf wel voor zeer +laag hield; en nog herhaaldelijker vloekte ik de ijdelheid mijner +oogen en zeide tot hen in mijne gedachten: "Vroeger placht ge te doen +weenen al wie uwen droevigen toestand zagen en nu schijnt ge dit te +willen logenstraffen door deze Vrouwe, die u aanziet, die u echter +alleenlijk aanziet voorzooverre zij denkt aan de glorierijke Vrouwe +over wie gij placht te weenen; doch wat ge doen kunt doet dat maar, +want ik zal u dikwijls genoeg aan haar herinneren, vermaledeide oogen; +want nooit, dan slechts na den dood, behoordet ge uwe tranen te doen +verdrogen". En toen ik in mijzelf aldus tot mijne oogen had gesproken, +besprongen mij wederom zware en bange zuchten. En opdat deze strijd +welke in mij gevoerd werd niet slechts alleen bekend bleve aan den +ongelukkige die hem gevoelde, nam ik mij voor een sonnet te maken +en in hetzelve dezen verschrikkelijken toestand te vervatten, en ik +schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Gij oogen mijn....", + + en het heeft twee gedeelten: in het eerste spreek ik tot mijne + oogen zooals mijn hart in mijzelf sprak; in het tweede neem + ik een zekeren twijfel weg door te openbaren wie het is die + aldus spreekt; en dit gedeelte begint hier: "Zoo spreekt mijn + hart...." Men zoude ook zeer wel meerdere verdeelingen kunnen + aannemen, maar zij zouden overbodig zijn, omdat het duidelijk is + door de voorgaande verklaring. + + + Gij oogen mijn, die om mijn droefnis schreiden + Zoo bitterlijk en staag nu reeds zoo lang, + Ge zaagt hoe dikwijls ge ook langs andrer wang + Deedt tranen vloeien van diepst medelijden. + + Vergeten hebt ge, schijnt wel, heel uw lijden; + Want ach, ik heb, voor zooveel pijnen bang, + U niet genoeg herinnerd aan dien drang + Tot hààr, aan wie ge alleenlijk u moest wijden. + + Zoozeer ontrust nu mijn beschaamd geweten + Uwe ijdelheid dat ik in vreeze groot + Den aanblik ducht dier deernisvolle vrouw. + + Want nooit behoordet, dan slechts in den dood, + Gij onze doode Vrouwe te vergeten.-- + Zoo spreekt mijn hart en zucht in zwaar berouw. + + + +§ XXXVIII. + +De aanblik dezer Vrouwe bracht mij in zulk eenen vreemden toestand, dat +ik dikwijls aan haar dacht als aan iemand die mij al te zeer bekoorde; +en ik dacht over haar aldus: "Deze is eene lieflijke Vrouwe, schoon, +jong en wijs, en wellicht verschenen door den wil der Liefde, opdat +mijn leven rust zoude vinden." En dikwijls genoeg dacht ik over haar +nog teerder, zoozeer dat mijn hart er mede instemde, dat wil zeggen +met deze gedachten. Maar wanneer het aldus had toegestemd, begon +ik, als door de Rede daartoe aangespoord, opnieuw te overpeinzen +en zeide in mijzelf: "Eilaas, welk eene gedachte is deze, welke mij +op eene zoo lage wijze wil troosten en mij haast niets anders laat +denken!" Dan verhief zich eene andere gedachte en zeide: "Nu ge in zoo +groote beproeving geweest zijt, waarom wilt gij u niet terugtrekken +uit zulke bitterheid? Gij ziet dat dit eene inblazing der Liefde is +welke de begeerten der Liefde met zich brengt en welke komt van eene +zoo lieflijke zijde als de oogen dezer Vrouwe die zich zoo deernisvol +heeft betoond." Zoodat ik, na aldus herhaaldelijk in mijzelf te hebben +gestreden, er eenige woorden over zeggen wilde; en omdat diegenen in +dien strijd van gedachten overwonnen welke voor hààr spraken, scheen +het mij dat ik tot haarzelf moest spreken; en ik schreef dit sonnet, +hetwelk begint: "Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte....". En ik +zeg "lieflijke" omdat zij sprak over eene lieflijke Vrouwe, ofschoon +zij overigens allerlaagst was. In dit sonnet onderscheid ik in mijzelf +twee deelen, naarmate mijne gedachten verdeeld waren. Het eene noem +ik hart, dat wil zeggen begeerte; het andere noem ik ziel, dat wil +zeggen Rede; en ik zeg wat het eene aan het andere zegt. En dat het +juist is de Begeerte "hart" te noemen en de Rede "ziel", is duidelijk +genoeg voor hen van wie het mij lief is dat zij het begrijpen. Het +is waar dat ik in het voorgaande sonnet de partij van het hart kies +tegen de oogen, en dit schijnt in strijd met wat ik nu zeg; en daarom +zeg ik dat ik ook dààr het hart als Begeerte heb verstaan, aangezien +mijn verlangen om te denken aan mijne allerlieflijkste Vrouwe toch +grooter was dan dat om die andere te zien, ofschoon ik daartoe wel +eenige begeerte gevoelde, welke echter nog licht scheen; zoodat de +eene uitspraak niet in strijd is met de andere. + + Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste begin ik met tot + die Vrouwe te zeggen hoe mijn verlangen zich geheel en al tot haar + keert; in het tweede zeg ik hoe de ziel, dat wil zeggen de Rede, + spreekt tot het hart, dat wil zeggen de Begeerte; in het derde + zeg ik hoe dit antwoordt. Het tweede gedeelte begint hier: "Dies + vraagt mijn ziel..."; het derde hier: "En 't antwoordt haar...." + + + Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte, + Van u vervuld, toeft bij mij menigmaal, + En spreekt van liefde zulk een zoete taal + Dat zij mijn hart met haar doet medesmachten. + + Dies vraagt mijn ziel aan 't hart: "Wie is die zachte, + Die wil dat troost en vree weer in ons daal'? + Dat niets in ons nog naar iets anders taal', + Tot zulke werking is haar deugd bij machte?" + + En 't antwoordt haar: "Eilaas, bezorgde ziel, + Een nieuwe boô der Liefde kwam getogen, + Die van een nieuw verlangen mij vertelt; + + En heel zijn leven, heel zijn sterk vermogen, + Straalt uit den blik dier deernisvolle ziel + Wie 't leed om ònze martelingen kwelt. + + + +§ XXXIX. + +Tegen dezen tegenstander der Rede verhief zich op eenen dag, omstreeks +het negende uur, eene sterke verbeelding in mij; het scheen mij +namelijk dat ik de glorierijke Beatrice aanschouwde, met dit lichtroode +kleed, in hetwelk zij voor het eerst mijnen oogen verschenen was; +en zij leek mij zeer jeugdig, van denzelfden leeftijd als toen +ik haar voor het eerst zag. Daarop begon ik over haar te peinzen, +en mij alles herinnerende volgens de orde des tijds, begon mijn hart +smartelijk zijne begeerte te berouwen, door welke het zich zoo lagelijk +eenigen tijd had laten in bezit nemen, in strijd met de bestendigheid +der Rede. En, dusdanige slechte begeerte geheel verdreven hebbende, +wendden zich al mijne gedachten wederom tot hunne allerlieflijkste +Beatrice. En ik zegge dat ik van toen af zoozeer aan haar begon te +denken met heel mijn hart vol schaamte, dat mijne zuchten het dikwijls +openlijk getuigden, aangezien bijna allen bij hun uitgaan zeiden wat in +mijn hart gesproken werd, dat wil zeggen den naam der Allerlieflijkste +en hoe zij van ons verscheidde. En dikwijls gebeurde het dat eene +gedachte zooveel smart medebracht, dat ik haarzelf vergat en eveneens +waar ik mij bevond. Door deze wederopleving mijner zuchten ontwaakte +ook het weenen, hetwelk had opgehouden, op zulk eene wijze dat mijne +oogen twee dingen geleken welke niets anders begeerden dan te weenen: +en dikwijls gebeurde het dat, door hun lang voortgezet weenen, rondom +hen een purperen kleur zich vertoonde, gelijk te verschijnen pleegt bij +iemand die den marteldood sterft: waaruit blijkt dat zij waardiglijk +voor hunne ijdelheid werden gestraft; zoodat zij sindsdien niemand +zouden hebben kunnen aanzien die naar hen mocht kijken op eene wijze +welke hen tot eene dergelijke afdwaling hadde kunnen bewegen. Waarop +ik, wenschende dat het bleek dat deze begeerte en ijdele bedoeling +inderdaad vernietigd waren, en wel zoo, dat de berijmde woorden welke +ik daarvòòr geschreven had, tot geen enkelen twijfel meer aanleiding +zouden kunnen geven, mij voornam een sonnet te maken, in hetwelk ik den +zin van het hier gezegde zou vervatten. En ik schreef toen: "Eilaas, +door veler zuchten stage klacht...." En ik zeide "Eilaas" omdat ik mij +er over schaamde dat mijne oogen aldus ijdellijk gedwaald hadden. Dit +sonnet verdeel ik niet omdat zijne verklaring duidelijk genoeg is. + + + Eilaas! door veler zuchten stage klacht, + Uit 's harten droef herinneren geboren, + Hebben mijn oogen zwak de kracht verloren + Den blik te zoeken die hun groet verwacht. + + 't Is of in hen slechts één verlangen smacht: + In tranen iedren lach van vreugd te smoren; + Een vuurgen kring doet Liefde rond hen gloren, + Gelijk de kroon die martelaren wacht. + + De zuchten en gepeinzen mijner rouwe + Vervullen zòò mijn weedomzware hart + Dat Amor zwijmt van droefheid overgroot, + + Omdat hij hen, de stille boôn der Smart, + Den zoeten naam hoort fluistren mijner Vrouwe + En woorden, ach, over haar vroegen dood. + + + +§ XL. + +Na deze beproeving [90] geschiedde het--in dien tijd waarop veel +volks kwam om de gebenedeide beeltenis te zien, welke Jezus Christus +ons heeft achtergelaten van zijn allerschoonst gelaat [91], hetwelk +nu mijne Vrouwe in glorie aanschouwt--dat een aantal pelgrims door +eene straat trokken, welke nagenoeg midden door de stad liep waar de +Allerlieflijkste werd geboren, leefde en stierf; en zij gingen, naar +het mij toescheen, ernstig peinzend. Waarop ik, over hen denkende, in +mijzelf zeide: "Deze pelgrims schijnen mij van zeer verre te komen en +ik geloof niet dat zij zelfs over deze Vrouwe hebben hooren spreken; +zij weten van niets; veeleer zijn hunne gepeinzen over andere zaken +dan over haar hier; misschien denken zij aan hunne verre vrienden, +die wij niet kennen." Daarop zeide ik in mijzelf: "Ik weet dat, +wanneer zij uit eene naburige streek kwamen zij in eenig opzicht +in hun uiterlijk bedroefd zouden schijnen, aldus midden door de +bedroefde stad gaande." Daarop zeide ik in mijzelf: "Indien ik hen +eene wijle kon ophouden, zoude ik hen zekerlijk doen weenen alvorens +zij deze stad verlieten, omdat ik woorden zou zeggen die wien ook +die ze hoorde zoude doen weenen." Waarop ik, nadat zij uit mijn +gezicht waren voorbij gegaan, mij voornam een sonnet te schrijven, +in hetwelk ik zou openbaren datgene, wat ik in mijzelf gezegd had; +en opdat het nog klagelijker zoude schijnen, nam ik mij voor het te +schrijven alsof ik tot hen gesproken had; en ik schreef dit sonnet, +hetwelk begint: "Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat....". En +ik zeide "pelgrims" in de ruime beteekenis van het woord: want +"pelgrims" kan in dubbelen zin verstaan worden, eenen ruimen en +eenen engen; in ruimen voorzoover ieder die buiten zijn vaderland +toeft pelgrim is; in engeren heet slechts diegene pelgrim die naar +het huis van den heiligen Jacobus gaat of er vandaan komt. En voorts +wete men dat de lieden die naar den dienst des Allerhoogsten tijgen +op drie wijzen kunnen worden genoemd: zij heeten "Palmdragers" voor +zoover zij overzee gaan, vanwaar zij dikwijls palmbladen meebrengen; +zij heeten "pelgrims" voor zoover zij naar het huis van Galizia +[92] gaan, omdat het graf van den heiligen Jacobus verder van zijn +vaderland verwijderd ligt dan dat van eenig ander apostel; zij heeten +"Rome-gangers" voor zoover zij naar Rome gaan, waarheen ook zij, +die ik hier pelgrims noemde, togen. Dit sonnet verdeel ik niet, +omdat zijne verklaring het genoeg verduidelijkt. + + + Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat, + Verdiept wellicht in der herinnring droomen, + Zijt ge uit een land zòò vreemd en ver gekomen-- + Als mij getuigt uw aanschijn en gewaad-- + + Dat niet de tranen langs uw bleek gelaat, + Nu gij doorschrijdt deez' stad der Rouwe, stroomen; + Als lieden die nog niets hebben vernomen + Van haar verlaten, deerniswaardgen staat? + + Mijn zuchtend hart zegt mij met zekerheid + Dat, zoo ge bleeft om naar mijn klacht te hooren, + Ge niet dan weenend gaan zoudt van hier henen: + + Haar Beatrice heeft zij, ach, verloren! + En ieder woord over haar lieflijkheid + Heeft het vermogen elkeen te doen weenen. + + + +§ XLI. + +Hierop zonden twee edele dames tot mij om mij te verzoeken dat +ik hen eenige rijmen zenden mocht; waarop ik, denkende aan hunnen +hoogen stand, mij voornam hen iets te zenden en tevens iets nieuws +te maken, hetwelk ik hen met de andere zenden zou, opdat ik op +meer waardige wijze hun verzoek vervulde. En ik schreef toen een +sonnet, hetwelk mijnen staat verhaalde, en ik zond het hen, van +het voorgaande vergezeld en van nog een ander, hetwelk begint: +"O komt en luistert". Het sonnet, hetwelk ik toen maakte begint: +"Boven die sfeer...." + + hetwelk uit vijf gedeelten bestaat: in het eerste zeg ik + waarheen mijn geest gaat, hem noemend bij den naam van een zijner + uitwerkingen. In het tweede zeg ik waarom hij omhoog gaat, dat + wil zeggen wie hem aldus doet stijgen. In het derde zeg ik wat + hij aanschouwt, te weten eene Vrouwe die daarboven geëerd wordt, + en ik noem hem dan "pelgrim-geest" omdat hij geestelijk zoo hoog + stijgt en, gelijk een pelgrim, die buiten zijn vaderland is, + daar toeft. In het vierde zeg ik hoe hij haar aldus ziet, dat wil + zeggen van zulke hoedanigheid, dat ik deze niet kan begrijpen, + dat wil zeggen dat mijn geest opstijgt tot hare hoedanigheid in + zulk een graad dat mijn verstand het niet bevatten kan, aangezien + ons verstand zich verhoudt tot deze gelukzalige zielen gelijk ons + zwakke oog tot de zon; en dit zegt ook de Filosoof in het tweede + boek der Metaphysica. In het vijfde zeg ik dat, ofschoon ik niet + kan begrijpen waarheen mijn geest mij voert, namelijk tot hare + wonderbare hoedanigheid, ik toch tenminste dit begrijp dat heel + deze gedachte is van mijne Vrouwe, aangezien ik herhaaldelijk + haren naam in mijne gedachte hoor. En aan het slot van dit vijfde + gedeelte zeg ik: "Dan, vrouwen dier...." om te verstaan te geven + dat het vrouwen zijn tot wie ik spreek. Het tweede gedeelte + begint hier: "Een nieuw begrip...."; het derde hier: "En daar, + waarheen...."; het vierde hier: "Hij schouwt haar zòò...."; het + vijfde hier: "Maar 'k weet...." Men zoude het nog nauwkeuriger + kunnen verdeelen en nog nauwkeuriger doen begrijpen, maar deze + verdeeling kan volstaan en dus zal ik mij niet ophouden met het + nog verder te verdeelen. En dit is het sonnet, hetwelk hier begint: + + + Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt, [93] + Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen; + Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen + Mij deed heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt. + + En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt, + Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen; + Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d'eigen + Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt. + + Hij schouwt haar dus, dat wen hij, weergekomen, + 't Verhalen wil, 't droef hart dat hem doet spreken + Niet vatten kan een taal zoo wonderbaar. + + Maar 'k weet: van Beatrice komt hij spreken; + En heb ik haren zoeten naam vernomen, + Dan, vrouwen dier, is alles tòch mij klaar. + + + +§ XLII. + +Na dit sonnet verscheen mij een wonderbaarlijk gezicht [94], in +hetwelk ik dingen zag welke mij deden besluiten niet meer over deze +gebenedeide te spreken alvorens ik op eene waardiger wijze over haar +zou kunnen handelen. En om dit te bereiken, beijver ik mij zooveel +ik kan, gelijk zij wèl weet [95]. Zoodat, indien het Hem, door wien +alles leeft, behaagt dat mijn leven nog eenige jaren dure, ik van +haar hoop te zeggen wat nooit nog van eenige Vrouwe gezegd werd. En +daarna moge het Hem, die de Heer aller Hoofschheid is, behagen dat +mijne ziel henen ga om de glorie harer Vrouwe te zien, dat wil zeggen +dier gebenedeide Beatrice, die verheerlijkt schouwt in het aangezicht +van Hem, "qui est per omnia saecula benedictus" [96]. Amen. + + + EINDE. + + + + + + +AANHANGSEL + +GEDICHTEN VAN DANTE EN ENKELE ZIJNER VOORGANGERS EN TIJDGENOOTEN + + + +Dante + + + I. + + Van vrouwen zag 'k een liefelijke schaar + Den dag van Allerheilgen laatstverleden; + En onder de allereersten zag ik haar, + Naast wie ter rechter Amor kwam geschreden. + + Uit hare oogen brak een glans zóó klaar, + Dat zij een geest geleek wien vlammen kleedden; + Toen ik den moed had op te zien, voorwaar: + Het was me als zag 'k een engel nader treden. + + Aan ieder die het waard was schonk een groet + Die zoete Vrouwe van haar zeegnende oogen + En vulde van haar deugden elks gemoed. + + 'k Geloof dat zij den hemel is ontvlogen + Wijl ze ons op aarde ons heil reeds brengen moet: + O zalig zij, die haar nabij zijn mogen! + + + + II. + + Guido, ik wou dat Lapo en wij twee + Door toovermacht ons mochten saam bevinden + In 't zelfde scheepken dat op alle winden + Naar onzen wil kalm voortdreef over zee; + + Zoodat geen toeval ooit stoorde onzen vree + En wind noch weder onzen tocht kon hindren; + Maar één verlangen steeds ons zou verbinden, + Sterker, hoe langer 't scheepken verder glee. + + En 'k wou dat Monna Vanna en Lagia en zij + Die 't dertigst stond, voor altoos mochten varen + Met ons door zelfden goeden toovnaars macht; + + En dat zij met ons spraken, dag en nacht, + Van Liefde, en dat zij even vredig waren + Als, dit geloof ik zekerlijk, ook wij. + + + Dit sonnet is, evenals dat in § XXIV der Vita Nuova, gericht + aan Guido Cavalcanti. Monna Lagia was de Vrouwe van den dichter + Lapo Gianni. Met "haar die 't dertigst stond"--een uitdrukking + die blijkbaar slaat op de serventese op de zestig schoonste + vrouwen der stad, waarvan in § VI wordt gesproken--is volgens + Bardi bedoeld Dante's "scherm-dame". Immers Beatrice kan zijn + uitverkorene voor dien tocht niet geweest zijn, omdat zij op + de "negende plaats" stond. Het sonnet is alweer geïnspireerd + door oudere troubadoursliederen, waarin de "goede toovenaar" + de vermaarde Merlijn is. + + + + III. + + Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren + Heb 'k Amor onafscheidelijk behoord: + En 'k weet hoe hij ons ment en zweept en spoort + En in zijn dwang ons lust noch droefheid sparen. + + Wie waant dat Deugd of Rede hem vervaren, + Is als wie meent dat hij wen 't stormt behoort + De klok te luiden, wanende dat voort + De krijg van wind en wolken zal bedaren. + + Want altijd in den kring van Amor's krijt, + Is Vrije Wil dùs door zijn macht gebonden + Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt; + + Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden: + Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt, + De nieuwe volgt hij zoo hààr krachten zwonden. + + + Dit sonnet is Dante's antwoord op een sonnet van Cino da Pistoia, + waarin deze dichter hem vraagt of hij gelooft dat de dood den + ongelukkigen minnaar rust zal geven. + + + + IV. + + Dien weg langs dien de Schoonheid volgen moet, + Wil ze in het hart de Liefde doen ontwaken, + Zie ik Lisette stormende genaken-- + Als waar 'k een burcht--in koenen overmoed. + + Maar dan, gekomen aan dier veste voet, + Wier grendels slechts de willge ziel kan slaken + Hoort zij een stem: "Wil die bestorming staken; + Keer om gij Vrouwe, liefelijk en zoet. + + Een andre heeft mijn geest reeds ingenomen; + Zij kreeg en greep de heerelijke roe + Van Amor zelf, zoodra zij was gekomen." + + En heeft Lisette dit bescheid vernomen, + Zoo wendt zij om, droef en beschaamd te moe, + En 'k zie het rood haar wangen overstroomen. + + + Sommige commentatoren meenen dat de in dit sonnet genoemde Lisette + dezelfde is als de "Vrouwe aan het Venster". De aanvangregels doen + vermoeden dat het geschreven is nà het sonnet over de Liefde in + § XX. + + + + V. + + Tot korten dag en wijdgekringde schaduw + Ben 'k nu gekomen en 't witten der heuvlen, + Waar alle kleur verdwijnt in 't vale kruid; + Maar nòg verloor Verlangen niet zijn groen, + Wijl 't zóó diep wortelt in dien harden steen, + Die spreekt en voelt als ware hij een Vrouwe. + + Aleveneens blijft deze jonge Vrouwe + Bevroren zooals sneeuw die ligt in schaduw; + Want evenmin ontdooit haar als een' steen + Het zoet getijde dat verwarmt de heuvlen + En weer hun wit verkeeren doet in groen, + Naar het met bloemen hen bekleedt en kruid. + + Wen zij het hoofd omkranst met geurend kruid, + Verjaagt ze uit mijn gedachte elke andre Vrouwe; + Zóó schoon vervlecht zij 't golvend blond en 't groen, + Dat liefde zelf zich neerzet in hun schaduw; + En waar zij zit, tusschen twee lage heuvlen, + Mij vaster houdt dan kalk den metselsteen. + + Haar schoon heeft grooter kracht dan eedle steen; + Voor wonden die zij toebrengt wast geen kruid; + Zoodat ik vluchten over vlakte en heuvlen + Moest om te ontkomen aan 't gevaar dier Vrouwe. + Maar nergens schenkt mij voor haar aanschijn schaduw + Hoogte noch muur, noch dichter wouden groen. + + Ik zag haar eens, ganschelijk gekleed in groen; + Zòò schoon, dat zij gewekt hadde in een steen, + Die liefde die 'k gevoel reeds voor haar schaduw. + 'k Noodde in een dal haar, bont van bloemig kruid-- + Als kon zij minnen 'lijk een andre Vrouwe-- + Rondom besloten door geweldige heuvlen. + + Doch éér vloeien de stroomen tot de heuvlen + Terug, eer ooit dit hout, sappig en groen, + Vlam vatte--als 't voegt toch zulk een schoone Vrouwe-- + Aan mij; hoewel 'k wou slapen op een steen + Mijn leven lang en weiden 't wilde kruid, + Zoo 'k van haar kleed slechts schouwen mocht de schaduw. + + Wanneer de heuvlen zwarten door de schaduw + Van 't zomergroen, doet deze jonge Vrouwe + Gelijk een steen haar schuil gaan onder 't kruid. + + + Deze sestina behoort tot de z.g. "steen-canzones", door Dante in + zijn tijd van overgave aan "ijdelheden van korte bate" na den + dood van Beatrice gewijd aan een zekere Pietra degli Scrovigni + (pietra = steen), over wier hardheid hij zich beklaagt. Sommigen + meenen echter dat deze canzones en ook de bovenstaande sestina + zuiver "allegorisch" bedoeld zijn. De wreede Pietra zou de stad + Florence zijn, liggend in een dal "rondom besloten door geweldige + heuvlen".--De vorm van dit gedicht is vòòr Dante in de Italiaansche + poëzie niet gebruikt. Dante zelf zegt dat hij hier den Provençaal + Arnaut Daniel navolgt. + + + + VI. + + Aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni. + + + Ik vloek den dag dat mij voor 't eerst verblijd + Het licht heeft dier verraderlijke oogen; + En 't uur dat ge in mijn hart gekomen zijt + En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen! + + Ik vloek de vijl van mijn kunstvaardigheid, + Die blank sleep al dier schoone woorden logen, + Die 'k voor u vond en heb in rijm gerijd, + Opdat men eeuwig u zoude eeren mogen! + + En 'k vloek mijn eigen waan-verwarden geest, + Die willoos aan de zware razernij + Zich vastklemt van uw schoone en schuldge leest, + + Waarvoor zelfs Amor geenen meineed vreest; + Zoodat een ieder hem bespot, maar mij, + Die 't wiel van de fortuin wil wenden, 't meest. + + + + + +DANTE'S VOORGANGERS. + + + +Pier della Vigna († 1249) + +(Hij was minister van keizer Frederik II en een man van groot gezag, +totdat hij, onder verdenking van verraad, in de gevangenis werd +geworpen. Hij pleegde zelfmoord in 1249. Het onderstaande sonnet is, +evenals het daarop volgende van Lentino, een antwoord op een sonnet +van Jacopo Mostacci, den valkenier des keizers, die twijfel geuit +had aan het bestaan der Liefde "omdat zij nooit zichtbaar verschijnt".) + + + Wijl Liefde nimmer zichtbaar is verschenen. + Als een lichamelijk en tastbaar ding, + Zijn er nog enkelen die dwaaslijk meenen + Dat liefde niets is dan begoocheling. + + Maar wijl zij met een macht niet te verkleenen, + Heerscht in het hart van elken sterveling, + Moet men veel hooger waarde haar verleenen, + Dan zoo men haar kon zien als zichtbaar ding. + + Hoe de magneet door zijn verborgen kracht + Het ijzer aantrekt kan geen mensch aanschouwen; + Toch trekt hij het, en onweerstaanbaar aan. + + En dit heeft mij tot het geloof gebracht, + Dat liefde is en schenkt mij vast vertrouwen + Dat men dit ook gelooven blijft voortaan. + + + +Jacopo da Lentino († 1246) + +(Hij was notaris onder keizer Frederik II. Deze dichter is "de notaris" +die met Buonagiunta en Guittone d'Arezzo bleef "aan gene zijde van +den zoeten nieuwen stijl") (Louteringsberg XXIV 54-57). + + + Liefde is Begeerte, door het groot vermogen + Van welgevallen in het hart verwekt, + Het allereerst ontspringt de Liefde uit de oogen + En 't is het hart dat voedsel haar verstrekt. + + Wel komt bijwijl die drang in ons getogen, + Zonder dat zichtbaar schoon hem tot zich trekt; + Maar schoonheid die we aanschouwen met onze oogen + Is 't toch die sterkste en hechtste liefde wekt; + + Wijl de oogen aan het hart het goed en kwaad + Melden getrouwelijk van alle dingen, + Zooals Natuur hen altemaal formeert; + + En 't hart dat deze taal terdeeg verstaat, + Voelt diepverheugd Begeerte in zich ontspringen: + En dat is Liefde, die den mensch regeert. + + + +Fra Guittone d'Arezzo († 1294) + +(Aanvankelijk schreef hij alleen minnepoëzie, maar op zijn 35ste jaar +bekeerde hij zich, werd "broeder" van de religieus-militaire orde +der Cavalieri gaudenti (vroolijke ridders) en wijdde zich sindsdien +uitsluitend aan het boetedicht. Hij stond in hoog aanzien, ofschoon +Dante deze bewondering niet deelt. In een gesprek met den grooten +dichter Guinizelli (Louteringsberg XXVI, 124-126) zegt Dante over hem: + +"Aldus (nl. voorbarig prijzen) deden vele ouden met Guittone, de een +den ander nasprekend om hem lof te geven, totdat met meer personen +de waarheid hem heeft overwonnen.") + + + Aan de heilige Maagd Maria. + + Vrouwe des Heils, wier glorie nooit kan enden, + Moeder van Jezus zoet, wiens heilge dood, + Ons te verlossen van der helle nood, + Den doem van 's eersten vaders val mocht wenden; + + Zie hoe mij Amor's wreede knechten schenden + Met schichten scherp, aanschouw mijn foltring groot; + Moeder vol deernis, zachte bondgenoot, + Schut mij voor de vervolging zijner benden! + + Vul van die ééne Liefde heel mijn wezen, + Die trekt de ziel naar haren oorsprong puur, + Zoodat der lusten strik mij niet weerhoudt; + + Zulk middel slechts kan zulk een koorts genezen, + Zulk water slechts bluscht zulk een gloeiend vuur; + Met spijkers drijft met spijkers uit het hout. + + + +Chiaro Davanzati + +(Een Florentijnsch dichter, wiens werk valt tusschen 1260 en 1280) + + + Wanneer het stralend licht zijn glans komt spreiden + Zendt het zijn klaarheid tot in versten nacht; + De bleeke sterren dooven en verscheiden + Voor zijner schichten ùitblinkende kracht. + + Zoo schenkt mijn Vrouwe met haar blik verblijden + Aan ieder die in donkre smarten smacht + En doet in vreugd verkeeren al hun lijden: + Zoo overgroot is harer deugden macht. + + En als een stoet van dienende getrouwen + Volgen haar als der Hoofschheid keizerin, + Wijl ze aller licht is, alle andere vrouwen. + + De schilders staren met verrukten zin + Haar aan wijl ze in haar schoon gelaat aanschouwen + Wat zij te schildren hopen tot een elks gewin. + + + +Guido Guinizelli (1220?-1276) + +(Van zijn leven is weinig meer bekend dan dat hij tot een aanzienlijk +Bologneesch geslacht behoorde en in 1274 wegens zijn keizerlijke +gezindheid werd verbannen. Hij was zeker de grootste dichter van +zijn tijd en Dante heeft hem hoogelijk geprezen, staat dan ook zelf +sterk onder zijn invloed. Kenmerkend is dat Guinizelli, stichter +van den "zoeten nieuwen stijl", eerste "vergoddelijker" der Vrouw, +door Dante op den Louteringsberg wordt aangetroffen onder hen die +zich aan zinsgenot te buiten gingen. Als Guinizelli zich aan Dante +bekend maakt, kan deze zich haast niet verzadigen van den aanblik van +"den vader van mij en zoovele anderen die beter zijn dan ik, die ooit +in rijmen, zoete en gevallige, spraken van minne." (L. B. XXVI 97-99) +Guinizelli spreekt dan Dante aldus aan: + + + "....zeg mij wat de reden is waarom gij toont in uw spreken en + uw blikken mij lief te hebben." + + +waarop Dante antwoordt: + + + "De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche spreekwijze + zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen dierbaar + maken." (108-114).) + + + I. + + Het edel hart. + + Het edel hart is Liefde's wijk en wapen, + Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart; + Niet heeft Natuur de Liefde 't eerst geschapen, + Noch eer dan Liefde 't Hart van eedlen aard. + Maar zooals mèt de zon + Van aanvang af het licht de ruimte kliefde, + Doch éér niet stralen kon; + Zoo woont in al wat edel is en puur + Vanzelf de zoete Liefde, + Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur. + + Der Liefde vuur komt in 't eêl harte stralen + Als zuivre glans in kostelijken steen: + Geen ster kan tooverkracht in hem doen dalen + Eer hem het loutrend licht der zon bescheen. + Maar dan, wanneer dier kracht + Al 't slechte uit zijnen aard wegzengde en blaakte, + Krijgt ook de ster haar macht. + Zoo kan een vrouw in 't hart dat door Gods gloed + Tot eedle deugd ontwaakte, + Haar Liefde stralen als 't die sterre doet. + + De Liefde heeft het edel hart tot woning + Zooals de vlam den top van de flambouw; + Zij straalt er fier tot eigen vreugd en looning, + Alsof zij nimmer anders branden zou. + Wie slecht is van natuur, + Vermag zoo min de Liefde te verdragen + Als water 't heete vuur. + Besloten ligt de Liefde in 't harte rein, + Als in verborgen lagen + Een diamant in 't ijzer eener mijn. + + Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen: + 't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt. + "'k Ben edel van geboort", wie dùs kan pralen + Is als dit slijk, de Deugd is 't zonnegoud. + Geloove niemand ooit, + Dat adel buiten 't edel hart kan leven: + Wien konings hoogheid tooit + Blijft laag zelfs, zoo niet Deugd zijn hart doordringt, + Dat kaatse als water 't beven + Van sterrenglans die uit den hemel blinkt. + + De Schepper straalt voor 's hemels Intellekten + In klaarder gloed dan voor ons oog de zon. + Ontfloersd aanzien ze 't Licht dat hen verwekte, + En in aanbidding voor der Waarheid bron, + Bereikt van aanvang af + Hun streven doel, naar Gods algoed beschikken.-- + Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf + De waarheid van haar eedle deugd, die straalt + Uit hare zuivre blikken, + Aan mij die nimmer haar te minnen faalt! + + Mijn Vrouwe, "Wat vermat ge u!" zal God spreken, + Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat. + "Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken, + Te plaatsen mij naast minne die vergaat? + Uw lof zij slechts gericht + Tot mij alleen en die genaderijke + Voor wie àl logen zwicht." + Maar 'k antwoord: "Met een engel die gìj zond, + Moest ik haar wel gelijken; + Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond." + + + + II. + + Aan Lucia. + + Ik wil naar waarheid mijne Vrouwe loven, + Wier schoonheid roze en lelie bei gelijkt, + Ze is als de morgenster, als al wat boven + Ons schoon en stralend aan den hemel prijkt. + + Al kleur en tint van bonte bloemenhoven, + Van lucht en groene beemden haar gelijkt, + Goud en lazuur voor haren glans verdooven + En Amor zelf schijnt door hààr schoon verrijkt. + + Zij gaat, getooid van zòòveel lieflijkheden, + Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet + En elken heiden 't waar geloof zou schenken. + + Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden. + Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet: + Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken. + + + + + +DANTE'S TIJDGENOOTEN + + +Guido Cavalcanti (1250-1300) + +(Cavalcanti, een Florentijnsch edelman, was Dante's "grootsten +vriend", zijn "secretaris", d.w.z. zijn geheimdrager, de eenige +die, althans tijdens het leven van Beatrice, het geheim van Dante's +liefde kende. Hij schijnt op Dante een grooten moreelen invloed te +hebben gehad. Geschriften zijner tijdgenooten doen hem kennen als +wispelturig in de liefde en los in het geloof, maar tevens als een +man van groote gaven, vurig, edelmoedig, geleerd, trotsch en van +eenzame hooghartigheid. Als dichter stond hij hoog in aanzien. Zijn +metaphysische en zeer duistere canzone: "Donna mi priega" (Een +Vrouwe vraagt mij), handelende over den aard der Liefde, werd veel +bewonderd, besproken en gecommentarieerd, ook door theologen. "Een +liefdezang", zegt Rossetti hiervan, "welke zulk een vliegenvanger +blijkt voor priesters en pedanten, ziet er verdacht uit; maar het +feit dat hij geschreven werd door een man wiens leven en werken toch +zooveel impulsiefs en reëels bevatte, is teekenend voor dien tijd van +jonge scholastieke geleerdheid". Ook Dante had groote bewondering +voor zijn vriend. Op den Louteringsberg, waar hij spreekt over de +vergankelijkheid van den roem (XI. 96-99) schijnt hij Cavalcanti +boven Guinizelli te stellen, en zichzelf boven die beiden: + +"Aldus heeft de eene Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en +wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.") + + + I + + Aan Vanna. + + Wie is zij, wier bewonderd nadren doet + De lucht van tintlende verwachting beven; + Die Amor met zich voert, zoodat begeven + Van alle woorden elkeen zuchten moet? + + Wat zij gelijkt zoo zij met de oogen groet, + Ik zegge 't niet, laat Amor 't antwoord geven. + Vrouwe van Deemoed lijkt zij, zòò verheven, + Dat ik elke andre "Hoogmoed" heeten moet. + + Onzeggelijk is harer schoonheid glans, + Wijl alle edele deugden voor haar knielen + En schoonheid zelf haar eert als een godin. + + Nooit was een geest van zulk een eedlen zin, + Nooit vulde deugd zoozeer der menschen zielen, + Dat één haar ooit begreep daadlijk en gansch. + + + II + + Aan Vanna. + + Schoonheid van vrouwen of vriendlijk gemoed, + De wapenpraal van eedle ridderscharen, + Gekweel van voglen, minnefluistring zoet, + Van sterke schepen 't vlug en sierlijk varen; + + Zuivere lucht wanneer de daagraad groet, + De blanke sneeuw die stilkens neer komt waren, + De klare bron en aller bloemen gloed, + Sieraân die goud en flonkersteen bezwaren; + + 't Al overtreft de tooi der lieflijkheên + Van mijne Vrouwe en harer deugden waarde, + Zoodat dit àl gering acht wie het ziet; + + Ze is zóóveel meer dan alles om zich heen + Als heel de hemel grooter is dan de aarde: + Wie is als zìj, dien mijdt Gods zegen niet. + + + III + + Op Mandetta, wier oogen geleken op die van zijn Vrouwe, + Monna Vanna. + + Een jonge en schoone Tolosaansche Vrouwe, + Vol eerzame bevalligheden, straalt + Gelijkenis zòò treffend en bepaald + Uit haar schoone oogen met mijn eigen Vrouwe, + + Dat mijne ziel, verlangend haar te aanschouwen, + Mijn hart verlaat en tot haar henen dwaalt; + Doch zoo verward, dat zij het niet verhaalt + Wie haar te schenden drijft haar eerste trouwe. + + De Schoone aanschouwt haar met een blik zoo teer, + Dat in mijn ziel de Liefde rasch ontwaakt, + Wijl 't is of zij haar ware Vrouwe ziet, + + Maar zuchtend keert ze in 't harte weer, geraakt + Ten doode door de scherpgepunte speer + Die haar de Schoone nawerpt zoo zij vliedt. + + + IV + + Aan Dante, naar aanleiding van diens lichtzinnige levenswijze + na den dood van Beatrice. + + Ik kom tot u daaglijks ontelbren keer, + Doch te veel laagheid leeft in uw gedachten. + Diep droeft mij dit om al die eedle krachten + Die woonden in uw hoogen geest weleer. + + Te schuwen placht gij eens elk laag verkeer + En liên, verslaafd aan slechtheid te verachten. + Dies heb 'k de verzen die me uw vriendschap brachten, + Als kostbren schat gehouden steeds in eer. + + Maar 'k durf niet meer, om uw verwerplijk leven, + Zeggen hoe nòg bekoort me uw zoete taal-- + En 't slag van liên dat gìj kent, ken ìk niet-- + + Lees dit sonnet, ik smeek 't u, menig maal: + Totdat de Booze, die ons scheidt, verdreven, + Ten laatste uit uw onteerde ziele vliedt. + + + V + + Ballade. + + 'k Zag in een boschje een herderinne dwalen, + Als sterrepralen stralend wijd en zijd, + Heur blonde haren krulden langs de slapen; + Vol liefde de oogen, rozerood de wangen, + Hoedde zij met een twijg de makke schapen, + De voeten blank van dauw. En als bevangen + Van jonge liefde zong ze in zoet verlangen; + Zij was omhangen van àl minlijkheid. + + Ik groette dadlijk haar in liefde ontstoken + En vroeg of 'k haar zou vergezellen mogen. + En teeder sprak zij, de oogen half geloken: + Heel, héél alleen kwam zij door 't bosch getogen, + En: "hoort ge er ooit het lokken van de vooglen, + Dàn zal 'k gedoogen dat ge ook mìjn hart vrijt".... + + Maar nauw had ik die voorwaarde vernomen, + Of 'k hoorde luid de vooglen fluiten tusschen + 't Geblaart. Nu is de tijd, zeide ik, gekomen, + Om in haar arm mijn minnebrand te blusschen. + En 'k dankte haar wijl zij met teedre kussen + Mijn hart te sussen was zòò rasch bereid. + + Zij nam mijn hand en boog zich tot mij over; + Zei dat zij nu haar hart mij had geschonken. + Toen bracht zij me in de schauw van 't frissche loover, + Waar allerhande bonte bloemen blonken: + Zij was 't, van zooveel zoete vreugden dronken, + Als zag 'k daar lonken Venus' heerlijkheid. + + + +Cino da Pistoia (1270-1336). + +(Hij was een der "vermaarde troubadours" die antwoordden op Dante's +eerste sonnet. In "De vulgari Eloquio" zegt Dante: "Zij die het zoetst +en schoonst gedicht hebben in het nieuwe Italië zijn Cino da Pistoia +en een vriend van hem." Uit het feit dat Dante enkele gedichten, +aan Cino opgedragen, onderteekent met "amicus ejus (zijn vriend) +blijkt dat Dante met dien vriend zichzelf bedoelde). + + + I + + Aan Dante over den dood van Beatrice. + + Schoon ik niet eerder richtte reeds mijn smeeken + Tot Liefde en Medelij om uwentwil, + Dat zij vertroosten mochten uw droef leven + Is toch de tijd niet zoolang reeds verstreken + Dat niet mijn woorden zouden vinden stil- + zuchtend uw ziel en hart die achterbleven: + "O zaalge Vreugd, ik zag u opwaarts zweven, + Gelijk uw naam verlangt, ten hemel toe!" + Eilaas, wanneer en hoe + Zal ik van oog tot oog u mogen zien + En in persoon u biên + De hulp die u mijn troost zou kunnen geven + Zoo luister naar deez' woorden: Liefde gaf + Mij ze in, en laat van klacht en zuchten af. + + Ge weet: in zorg en vreezen allerwegen + Op deze blinde wereld elkeen leeft, + Wijl hij de grillen der fortuin moet duchten; + Zalig de ziel, die zulk een last ontstegen, + Ten hemel, waar àl vreugd vervuld is, streeft; + Heil 't hart dat toorn en laagheid kan ontvluchten! + Waarom dan hoor ik ùw hart aldoor zuchten? + Terwijl het zich verheugen moest veeleer: + Verhoord heeft onze Heer + De bede door dien engel eens geslaakt, [97] + En door haar ziel volmaakt. + Den hemel met een ongekend genuchte. + Voor des Verlossers aanschijn mag zij staan, + Omstuwd door al Gods engelen voortaan. + + Hoe foltren dan vertwijfeling en weenen + Uw hart dat vol moest zijn van liefde en vreugd + Wijl heel uw geest nu toeft in 's hemels vrede! + Al uw gedachten stijgen op daarhenen + Van nu af aan door hare hooge deugd, + En Liefde drijft daartoe hen hier beneden. + Hoe ligt ge dan zoo jammerlijk vertreden, + Gij, die zoo wijs waart, in uw droefheid neer + 'k Bid u om Godes eer: + Weer uit uw kranken geest zoo bittre smart; + Draag niet den dood in 't hart, + Noch toon, als hadt ge hem alreeds geleden, + Zoo bleek gelaat. God riep haar, maar juist nu, + Is ze eindlijk, en van uur tot uur, bij u. + + "Troost, troost u", roept de Liefde in haar genade, + "Om Gods wil, staak dit weenen" Meelij spreekt. + "Schenkt aan zoo zoete beden nu vertrouwen, + "Leg af dan eindelijk dier droefheid wade", + 't Is Rede zelf die aldus tot u spreekt. + Ten doode leidt u zulk wanhopig rouwen; + En hoe zoudt ge ooit haar schoon gelaat aanschouwen + Zoo Dood u trof in zinnelooze smart! + O schut uw droevend hart + Voor zulk een zonde; ik bid om Godswil, duld + Niet dat zoo zware schuld + Uw ziel belemmre die nog hoopt haar Vrouwe + Te zullen wederzien en in haar arm + Te rusten eens. Ach, dat die troost u warm'. + + Schouw in die klare Vreugde waar nu veilig + Uw Vrouwe toeft, met hemelglans bekroond. + Het paradijs bereikte uw diepst verlangen, + Waar 't in een liefde ganschlijk rein en heilig + Leeft sinds bij hààr heel uw gedachte woont. + Hoe is uw hart dan dùs van strijd bevangen, + Nu 't zulk een zaalgen aanblik mocht erlangen! + Gelijk ze op aarde als wonder eens verscheen, + Zoo straalt ze ook ginds, alleen, + Wijl meer erkend, in een nog schooner gloed. + Hoe zij er werd begroet + Door de engelen met blijden lach en zangen, + Hebben uw geesten u genoeg verkond, + Zoo dikwijls gij hen op die reize zond. + + En tot de zaalge zielen ginds vergaard + Spreekt ze over u: "Hij heeft mij eer bewezen, + Wijl hij mij prees in rijmen hoog geprezen, + Altijd, zoolang ik leefde nog op aard." + En zij bidt God, den allerhoogsten Heere, + Dat hij u trooste en blij berusten leere. + + + II + + Aan Selvaggia. + + De Vrouwe om wie ge peinzend mij ziet schrijden, + Toont een gelaat zòò lieflijk, dat zij doet + Ontwaken in een iegelijks gemoed + Dien eedlen Geest die daar verborgen beidde. + + Zoo bang heeft mij haar lieflijkheid doen lijden, + Toen 'k in haar oogen had mijn Heere zoet + Aanschouwd in heel zijn oppermachtgen gloed, + Dit ik 't niet waag nog èèn blik haar te wijden. + + Maar zoo 't gevalt dat ik haar schoone oogen + Toch schouwen moet, licht me er een heil zòò groot, + Dat ik 't niet vatten kan in mijnen geest; + + En 'k voel dat al mijn kracht zoozeer me ontvlood, + Dat mijne ziel, waaruit mijn zuchten togen, + Weldra van 't hart te moeten scheiden vreest. + + + +Lapo di Gianni Ricevuti. + +(Hij was notaris en in 1284 lid van den stadsraad). + + + Aan Lagia. + + Zoet is de zucht, verlangende gezonden + Dier vrouwe die mijn hart gevangen houdt + En die mijn ziel met eedle deugd betrouwt, + Wijl zij met Liefde zelf zich heeft verbonden. + + Een beeld te vinden waarmee vergeleken + Zij waardiglijk kon worden, valt mij zwaar: + Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen; + Ze is als der Liefde zuster in haar spreken; + Een wonder is van haar ieder gebaar. + Zalig de ziel voor wie haar groet mag stralen. + Het schijnt alsof in haar kwam nederdalen + Aanvalligheid, vervuld werd Hope en Vreugd, + Of in haar bloeide iedere twijg der Deugd, + Ontsproten uit haar wezen zonder zonden. + + Die eedle geest, dien 'k in mij op mocht kweeken, + Sinds deze jonge Vrouwe mij verscheen, + Heeft boven al wat laag is mij verheven. + Mij troost en sterkt, sinds ik haar dien, het spreken + Met haar in zoet-vertrouwelijke reên, + Over mijn nieuw en liefde-rijke leven. + En zooveel gunste heeft zij mij gegeven: + Nimmer versmaadde zij mijn woorden zoet; + Zoodat ik Amor innigst danken moet, + Die zulk eene eer mij waardig heeft bevonden. + + Nu wil, mijn Lied, in hoofsche woorden konden, + Wat ik het Boek der Liefde heb vertrouwd, + Wanneer ge mijne Vrouwe weer aanschouwt, + Want als hààr dienaar heb ik u gezonden. + + + + + +INHOUD + + + Inleiding VII + + Het Nieuwe Leven 1 + + Aanteekeningen 75 + + Aanhangsel: + + Dante 93 + Pier della Vigna 98 + Jacopo da Lentino 99 + Fra Guittone d'Arezzo 99 + Chiaro Davanzati 100 + Guido Guinizelli 101 + Guido Cavalcanti 107 + Cino da Pistoia 108 + Lapo di Gianni Ricevuti 111 + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Van alle in deze Inleiding aangehaalde gedichten van Dante, +(buiten die der Vita Nuova) of van zijn voorgangers en tijdgenooten +vindt men de geheele vertaling in het Aanhangsel. + +[2] De Siciliaan Jacopo da Lentino. + +[3] De Toskaan Guittone d'Arezzo. + +[4] Het nieuwe leven begint; of: Hier begint het "Nieuwe +leven." + +[5] De hemel des lichts: de zon. Volgens het stelsel van Ptolomaeus is +de aarde het onbeweeglijke middelpunt van negen rondwentelende hemelen, +nl. die van de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter, Saturnus, +de Vaste Sterren en den Kristalhemel of het Primum Mobile, welke +laatste aan al de anderen zijne beweging meedeelt, (nl. de omwenteling +in den sterredag: 23 uur, 56 min. 4 sec.) waarnaast zij ook een eigen +beweging hebben (voor de zon den omlooptijd van een jaar). Deze negen +hemelen werden omvat door den onbeweeglijken hemel of het Empyreum. + +[6] Beatrice: letterlijk Zaligmaakster. Verkort: Bice. + +Deze eerste ontmoeting had volgens Boccaccio plaats tijdens een +Meifeest, dat in 1274 door Folco Portinari, den vader van Beatrice, +een der aanzienlijkste burgers van Florence, werd gegeven. Dante zou, +in gezelschap van zijn vader Alighiera Alighieri, dit feest hebben +bijgewoond. + +De zinsnede: "die niet wisten hoe haar te moeten noemen" (li quali +non sapeano che si chiamare) is eene der meest onduidelijke der Vita +Nuova. Men heeft er o. a, uit willen afleiden dat Dante's Beatrice +nièt dezelfde was als Bice Portinari, omdat de naam van deze immers +bekend was. Dante heeft echter m. i. alleen willen zeggen dat degene, +die haar toevallig niet mocht kennen, haar naam wel vanzelf moest +raden, afgaande op hare schoonheid en deugdzaamheid. Men bedenke ook +dat in Dante's voorstelling zijn geliefde dien naam natuurlijk niet +maar toevallig droeg. Vergelijk ook § XIII: Nomina sunt consequentia +rerum, d. w. z. de namen richten zich naar de dingen. (Aanteekeningen +31). Pasqualigo leest: "die niet wisten wie zij (eigenlijk) aldus +noemden (namelijk een engel)". In elk geval heeft Dante op deze +wijze den naam zijner Vrouwe, welke hij volgens troubadours traditie +niet noemen mocht, toch uitgesproken. Zij werd algemeen--ook in +het testament van haar vader--Bice genoemd; Dante geeft haar haar +onverkorten naam als het ware tot schuilnaam. Hij kon dit te eer +doen omdat ook andere dichters herhaaldelijk hunne geliefden als eene +"beatrice" aanspreken. (Zie ook aanteekening 46) + +[7] De sterrenhemel. Volgens Dante (Conv. II. 6.) beweegt zich de +hemel der vaste sterren één graad per honderd jaar van het westen +naar het oosten, zoodat Beatrice acht jaar en vier maanden oud was +toen zij Dante verscheen. + +[8] Dierlijke en natuurlijke geest. De voorstelling der verschillende +levensverrichtingen als "geesten" is in de scholastieke wijsbegeerte +zeer gebruikelijk en oorspronkelijk aristotelisch. In zijn "Peri +Psyches" (Over de Ziel) beschrijft Aristoteles de ziel als de +"Entelechie" d. w. z. de verwerkelijking, het innerlijke doel, van +alle functies van het levend organisme. De laagste vorm der ziel is +de vegetatieve, het "threptikon", hier de "natuurlijke geest" genoemd, +welke beperkt is tot de functies van voeding en voortplanting en reeds +bij de planten wordt aangetroffen. Bij de dieren voegt zich hierbij de +"Dierlijke geest", de sensitieve ziel, bestaande uit "aisthètikon" +(zinnelijke waarneming), "orektikon" (begeerte) en "kinèktikon" +(beweging). De hoogste vorm, de rationeele ziel, de "Nous", de Rede, +komt slechts bij den mensch voor. Dante, die geen Grieksch kende, +ontleende zijn psychologische kennis waarschijnlijk aan het werk +"De Anima" (Over de Ziel) van den scholast Hugo de St. Victor. De +"zinnelijke geesten" waarvan iets verder sprake is, verbeelden de +vijf zintuigen. + +[9] Ziet, een god die sterker is dan ik en die, komende, mij zal +beheerschen. + +[10] Uwe gelukzaligheid is thans verschenen. + +[11] Ik ongelukkige! Hoe dikwijls zal ik nu voortaan gehinderd worden! + +[12] Amor. Dante gebruikt voor "liefde" afwisselend Amor en Amore. Het +eerste woord duidt de liefde aan verpersoonlijkt in de gestalte van +een man, een schoone, ernstige verschijning, die niets gemeen heeft +met het traditioneele dartele minnegodje. In Dante's symboliek immers +is Liefde hetzelfde als Deugd. + +[13] Zij scheen niet de dochter etc. De klacht van Priamos over den +verslagen Hektor. Ilias XXIV, 258. + + + "......oude eoikei + Andros ge thnètou pais emmenai alla theoio." + + +[14] Negen jaren vervuld. Deze ontmoeting had dus plaats in het +voorjaar van 1283. Dat Beatrice in zuiver-wit gekleed was schijnt +er op te wijzen dat zij eene dier vrouwen was die tijdens de in dit +voorjaar gehouden feesten deel uitmaakten van den "minnehof" waarvan +de oude biograaf Villani gewaagt. (Zie Inleiding). + +[15] Allerlieflijkste. Het Italiaansche "gentilissima" beteekent +meestal "zeer edel", zoowel van geboorte als van karakter; maar ook +bekoorlijk, zacht, vriendelijk, minzaam. In elk geval krijgt het deze +beteekenissen door het gebruik dat Dante van het woord maakt. Ik meen +dat mijne vertaling dit alles min of meer insluit. + +[16] Hoofschheid: De letterlijke vertaling van het Italiaansche +"Cortesia". Zoo edel en deugdzaam als de zeden ten hove.... behoorden +te zijn. + +[17] Vol van deugden. Hier en overal elders moet het woord "deugd" +(evenals het Italiaansche "virtute" en het Latijnsche "virtus") in +den ruimsten zin worden opgevat, waarin het ook "kracht", "vermogen +om iets goeds te bewerken" insluit. + +[18] Ik ben uw Heer. + +[19] Naakt. Men zoeke hierachter geen symboliek, nog minder een +aanwijzing van geheime zinnelijkheid van Dante's liefde. Het was +in de middeleeuwen gewoonte geheel ongekleed te slapen, zoodat Amor +Beatrice niet anders dan naakt kon ontvoeren. + +[20] Vrouwe des Heils. Het Italiaansche "salute" beteekent +zoowel "groet" als "heil, redding". Donna della salute lijkt dus +dubbelzinnig. Maar deze dubbelzinnigheid is door Dante gewild en lost +zich op wanneer men bedenkt dat Dante's hoogste heil juist in niets +anders bestond als Beatrice's groet. + +[21] Zie, uw hart. + +[22] Hetwelk zij weifelend at. Het doen eten van een hart is een +beeldspraak die in de troubadourspoëzie meer voorkomt en die op +een barbaarsche werkelijkheid berust, Meestal is het een bedrogen +echtgenoot die zijn gade dwingt het hart van haar verslagen minnaar +te eten, Sordello van Mantua echter, een door Dante zeer hoog geschat +troubadour, doet (in overeenstemming met een ook thans nog onder vele +wilde volken wijdverbreid volksgeloof) aan den laffen baronnen van zijn +tijd het voorstel gezamenlijk het hart van zijn dooden vriend Blacas op +te eten, opdat diens deugd en moed in hen mochten overgaan. Bij Dante +heeft het voor onzen smaak onfraaie beeld een dergelijke beteekenis: +hij hoopt dat door het eten van zijn brandend hart de gloed zijner +liefde in Beatrice moge overgaan. + +[23] In rijmen te spreken. Dit beteekent dichten "in de volkstaal", +in tegenstelling met dichten in het Latijn, in welke taal het rijm +niet of zelden (kerkelijke liederen) wordt aangewend. (Zie § XXVII) + +[24] Getrouwen der Liefde. Spreekwijze uit de ridderpoëzie: de +Liefde wordt voorgesteld als een machtig "Heer", de minnaars als zijn +vasallen, zijn getrouwen. (fedeli) + +[25] Hart. In Dante's poëzie wordt het woord "hart" dikwijls +persoonlijk gebruikt, als synoniem van "mensch". + +[26] Mijn grootste vriend. Guido Cavalcanti (zie Aanhangsel). Andere +bekende dichters, wier antwoorden op Dante's sonnet bekend zijn, waren +Cino da Pistoia en Dante da Maiano. Een dergelijk vragen en antwoorden +in poëzie was onder de dichters van dien tijd zeer gebruikelijk. + +[27] Ge zaagt etc. In het Italiaansch luidt de regel: + + + "Vedesti al mio parere ogni valore" + + +hetgeen rijmt op Dante's beginregel: + + + "A ciascun alma presa e gentil core" + + +Analogie in onze litteratuur: het sonnet van P. C. Hooft aan +C. Huigens: "Men voedde Achilles op met mergh uit Leeuwenschonken", +dat aanleiding gaf tot een reeks van sonnetten van andere dichters +op dezelfde rijmklanken. + +[28] De ware beteekenis. Verschillende commentatoren hebben hierin +weer iets "duisters" gezien. Bedoeld wordt natuurlijk: "nu Beatrice +gestorven is (wat heel Florence weet) en inderdaad door de Liefde +zelf ten hemel is gedragen, waarheen zij mijn brandend hart heeft +meegenomen." + +Een andere vraag is of Dante, toen hij dit sonnet schreef, reeds aan +dezen uitleg dacht, m. a. w. of hij een voorgevoel van Beatrice's +vroegen dood had. Het is opvallend dat alleen in het later toegevoegde +proza ervan gewaagd wordt dat Amor hemelwaarts vliedt. Had dus, +toen Dante het sonnet schreef, Amor's plotseling opkomend verdriet +een andere reden? Melodia onderstelt dat de oorzaak van Amor's of +Dante's verdriet is de verloving of het huwelijk van Bice met Simone +dei Bardi, en dat dit sonnet is een "voorspelling nà het feit", zooals +men er zoovele aantreft in de Commedia. Aanvankelijk slaapt Beatrice, +d. w. z. zij is onbewust van Dante's liefde; dan bemerkt zij haar +en schijnt haar, na vele pogingen van Dante's kant, te beantwoorden +door haren groet (zij eet het hart werkelijk op "schuchter, schoon +gehoorzaam, paventosa umilmente"), maar verlooft zich ten slotte toch +met een ander. Deze verklaring lijkt mij zeer aannemelijk voorzoover +het een verloving of het vooruitzicht daarvan betreft; dat Beatrice +reeds gehuwd was vòòr Dante haar tot zijn Vrouwe koos, acht ik niet +waarschijnlijk. (Zie aanteekening 34-36). + +[29] De koningin der glorie: Maria. Dante wil hier Beatrice's vereering +voor de Moeder Gods aanduiden. Dikwijls gebruikt hij voor Maria en +Beatrice gelijksoortige woorden; het is bovenal Beatrice's nederigheid +en ootmoed (umiltate) welke hij verheerlijkt en waardoor zij na haren +dood zal stralen "onder het teeken van Maria" (§ XXVIII) in dien +hemel waar: "hoogst gebenedeid Maria troont onder de nedrigst-vromen" +(sonnet XXXIV). + +[30] Een scherm der waarheid, (schermo). De methode om de liefde voor +hun "dame" te verbergen door liefde voor eene andere te veinzen, werd +onder de troubadours en oudere Italiaansche dichters herhaaldelijk +toegepast. Zij houdt natuurlijk verband met het feit dat de "dame" +meestal gehuwd was met een ander. Voorbeelden bij Folquet de Marseille, +Arnaldo Daniello, Guittone il Torraca. + +[31] Serventese. (Provençaals: sirventes) Een gedicht in terzinen, +door een halven regel aan elkaar verbonden, naar het schema +AAAb--BBBc. Meestal van politiek-religieusen inhoud, maar ook wel +lyrisch. + +Het dichten van een lofzang op een aantal vrouwen eener stad of +streek tegelijk, was bij de oude troubadours niet zeldzaam. Dat +Dante er juist zestig uitkiest heeft zonder twijfel een of andere, +met zijn getallenmystiek in verband staande reden. Verschillende +commentatoren meenen dat de Vrouwe die Dante tot scherm diende in +dit verloren gedicht genoemd werd onder nummer dertig en dat op hààr +de raadselachtige uitdrukking slaat: "en zij die 't dertigst stond" +in Dante's sonnet: "Guido, ik wou" (Zie Aanhangsel). + +[32] Dit gedicht, evenals het tweede sonnet in § VIII, is eigenlijk een +ballade, op een overeenkomstige, maar nog kunstiger wijze gebouwd dan +het gewone sonnet, doordat de kwatrijnen met twee en de terzinen met +één drievoetigen regel verrijkt werden, zonder dat evenwel door deze +toevoeging nieuwe rijmklanken werden ingevoerd. Het gedicht is hierdoor +zoowel kunstiger van rijm als bevalliger van rythmiek geworden. + +[33] Gij allen die over weg gaat, schouwt het aan en ziet of eene +smart zij gelijk mijne smart. (Klaagliederen van Jeremia I. 12). + +[34] Dante wil hier zeggen dat hij in de laatste terzine +oogenschijnlijk bedroeft is over het vertrek van zijn "scherm", in +werkelijkheid echter om iets anders, waarschijnlijk de hopeloosheid +zijner liefde voor Beatrice. + +[35] Volgens sommige commentatoren zijn hier bedoeld de twee laatste +regels van het tweede sonnet. Zij luiden in het Italiaansch: + + + Chi non merta salute, + Non speri mai d'aver sua compagnia. + + +hetgeen letterlijk vertaald is: + + + Wie niet het heil verdient + Hope nooit haar gezelschap te hebben. + + +Dat met haar gezelschap dat van Beatrice bedoeld zou zijn is inderdaad +zeer gezocht. Rossetti meent dat Dante te verstaan wil geven dat +diegene die het gezelschap der gestorven vriendin had genoten, dat +wil dus zeggen Beatrice, den hemel waardig was. Hij vertaalt: + + + Whoso deserves not Heaven + May never hope to have her company. + + +Ik waag een andere, m. i. zeer eenvoudige verklaring, berustend op +Dante's dubbelzinnig gebruik van het woord "salute". De, làter door +Dante verzonnen, verborgen bedoeling zou dan zijn: "Wie zoo slecht +is dat hij niet den groet (van Beatrice) verdient, hope nooit in den +hemel (d. i. in het gezelschap der gestorven vriendin) te komen. + +Het is echter ook mogelijk dat de duistere woorden alleen slaan op +de terzinen van het éérste sonnet. De Liefde in "tastbare gedaant" +toch is dan Beatrice zelf. (verg. Aanteekening 46) + +[36] O lage Dood. Morte villana. Het woord "villana" heeft hier +de oude beteekenis van boersch, wreed, laag, in tegenstelling met +"gentile", edel. + +"mors, villaine ies, en toi n'a gentillece" (provençaalsch lied). + +[37] Gebeurde er iets. Verschillende uitdrukkingen (o.a. het verplichte +van den tocht, het rijden in gezelschap van velen gedurende een +geheelen dag) wijzen er op dat hier sprake is van een militaire +expeditie. Inderdaad zond Florence tijdens een oorlogje, van 1285 +tot April 1286 gevoerd tusschen Sienna en Arezzo, een troepje ruiters +uit om de Sienneezen te helpen. + +[38] Mijn zoon, het is tijd dat wij onze voorwendselen ter zijde +stellen. + +[39] Ik ben gelijk het middelpunt van eenen cirkel, tot hetwelk alle +deelen van den omtrek zich gelijkelijk verhouden; gij echter zijt +niet aldus. + +[40] Ik ben gelijk etc. Over deze zinsnede is heel wat gestreden. De +meest aannemelijke opvatting lijkt mij die van Proto. Volgens deze +is de beteekenis: Ik, de Liefde, ("die de Zon en de andere sterren +beweegt", laatste regel van het Paradijs) ben het eene, onveranderlijke +kernpunt van alle deugden, en evenver verwijderd van de ontelbare +zonden die buiten mij liggen. Ook gij, Dante, staat nog buiten dit +middelpunt; daarom ween ik om u en zie ik in dat het tijd voor u is +om het onwaardige geveins dat u tot zonde verleidt, te laten varen +en u alleen te richten tot Beatrice, de "vernietigster van alle +kwaad en koningin der deugd", die zelf "Liefde" zou moeten heeten, +"zoozeer gelijkt zij mij" (§ XXIV). + +[41] In de volkstaal. Hieruit blijkt dat Dante, toen hij dit schreef, +het Latijn nog niet gemakkelijk verstond. Dante zegt zelf dat hij +eerst nà den dood van Beatrice ernstig begon het Latijn te bestudeeren +en wel het eerst het boek der "Vertroosting" van Boëtius en "Over +de vriendschap" van Cicero, welke lectuur hem echter zeer moeilijk +viel. (Conv. II. 13) + +[42] Maar tooi hen met zoete harmonie. Dit beteekent: "laat het +lied op muziek zetten", gelijk voor minnedichten, vooral ballades, +veel geschiedde. + +[43] De namen richten zich naar de dingen. + +[44] De namen richten zich naar de dingen. Leuze der scholastieke +Nominalisten, in tegenstelling met de leer der Realisten, volgens +welken de begrippen een reëel, werkelijk bestaan hadden op zichzelf. + +[45] Naar welke plaats ik werd medegenomen. Volgens de Florentijnsche +verordening op huwelijks- en begrafenisplechtigheden mocht elk +genoodigde één vriend meebrengen, een edelman echter vier en een +rechter of arts twee. + +[46] Mij toevertrouwend etc. Fidandomi nella persona, laquale un +suo amico al estremità della vita condotto avea. Letterlijk: mij +toevertrouwend aan dien persoon, die (of dien) eenen (of een) zijner +vrienden naar het uiterste eind des levens geleid had.--Het komt mij +voor dat deze tusschenzin alleen reden van bestaan heeft wanneer die +tweede vriend Dante zelf is. De zin, die anders volkomen overbodig, +ja misplaatst ware, is ironisch bedoeld. "Ik vertrouwde mij toe aan +een man die nota bene alleen reeds door mij hierheen te brengen mijn +leven in gevaar bracht." Ook Rossetti vat het aldus op en vertaalt: +Who yet was leading his friend to the last verge of life. De ironie +wordt nog duidelijker wanneer men aanneemt dat Cavalcanti, voor wien +immers Dante de Vita Nuova schrijft, zelf de bewuste geleider was. + +[47] Enkele commentatoren, ook Rossetti, meenen dat Dante in deze +paragraaf spreekt over de bruiloft van Beatrice zelf, die immers +waarschijnlijk juist in dezen tijd, omstreeks 1287, huwde met Simone +dei Bardi. Het is in de hoofsche poëzie geen gebruik ooit over het +huwelijk der aangebedene te spreken. Des te waarschijnlijker lijkt +het mij dat Dante er toch op deze wijze een toespeling op maakte. + +Een argument voor de juistheid dezer opvatting is dunkt mij ook het +antwoord dat Dante geeft aan zijn bezorgden vriend: "Ik heb mijn +voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet kan terug gaan +al wilde men". Men heeft deze duistere woorden willen verklaren +met een onnoozel: "ik was op het punt te sterven, ik was alhaast +in de andere wereld." Het komt mij voor dat deze woorden een geheel +andere en zeer diepe beteekenis hebben. Zij willen zeggen dat voor +Dante een nieuwe levensfase begon en de vroegere onherroepelijk +is afgesloten. (Zie ook § XVII de "nieuwe stof" die hij wil gaan +behandelen) Na Beatrice's huwelijk toch is hij wel gedwongen tot +een zuiver ideëele liefde. Ofschoon haar huwelijk den dichter Dante +de gewenschte exaltatie eener geestelijke liefde bracht, moest zij +den màn zeker pijn doen. Vandaar Dante's buitengewone verwarring en +ontroering. Andere argumenten in 35 en 36. + +[48] Spotteden zij over mij. De bespotting van den minnaar door zijn +"dame" is een geliefd thema bij de oude troubadours en ook bij Dante's +tijdgenooten, o. a. Cino da Pistoia: + + + "Zoo ge de klagelijke stem kondet hooren + Van mijne zuchten, wanneer zij mij verlaten, + Zoudt ge mijn gelaat en kleur niet bespotten, + Die ik geheel verwissel wanneer ik in uwe nabijheid ben." + + +Hoe kon Beatrice, de zoo deemoedige en zachte, zoo wreed zijn Dante +te bespotten? Wellicht spotten alleen de andere vrouwen en heeft +zìj slechts geglimlacht, zooals ieder mensch, ook de edelste, zonder +leedvermaak kan glimlachen om het jammerlijk figuur van een wanhopig +verliefde. Of is de bespotting een beeldspraak voor het feit van haar +huwelijk met een man dien zij hoogstwaarschijnlijk slechts op bevel +van haar vader, uit politieke of commercieele overwegingen, trouwde, +gelijk in dien tijd gewoonte was? + +[49] Geloovende te moeten zwijgen, en "ofschoon ik mij daarna nooit +meer (onmiddellijk) tot haar richtte." Ook deze zinnen pleiten sterk +voor de juistheid van het vermoeden omtrent Beatrice's huwelijk. Het +ware al heel verwonderlijk als Dante plotseling, eigenlijk zonder +motief, het bezingen zijner Vrouwe gestaakt had; maar het kan +niet verwonderen dat hij in zijn eerste smart meende nu ook maar +voorgoed te moeten "afsluiten", en evenmin dat hij dan later toch dit +voornemen weer ontrouw wordt. Dat hij de drie sonnetten waarin hij +zijn wanhopigen toestand schildert, in strijd met de chevallereske +kieschheid, tot haarzelf richt, bewijst dat zij de vrucht zijn van een +buitengewoon sterke ontroering. Dat hij haar echter, na dien eersten +storm, niet meer direct aanspreekt, wordt eveneens door haar huwelijk, +waardoor dit nog onbetamelijker, zooniet gevaarlijk wordt, verklaard. + +Ten slotte is het opvallend dat de gedichten die nu volgen van een +geheel anderen geest zijn dan de vorigen; zij behandelen inderdaad een +"nieuwe en edeler stof"; zij zijn zuivere lofzangen, zonder verborgen +bijbedoeling. Zij prijzen alleen, zij vragen niets. (Zie Inleiding.) + +[50] Val welke eene. d'Ancona meent dat deze dame, wier vraag het +oogenblik van de ideëele verandering der figuur van Beatrice en +van het nieuwe karakter van Dante's volgende poëzie aanduidt, de +latere Mathilde van het Paradijs is. In verband met de voorgaande +aanteekeningen wijs ik er op dat die vraag echter hoogstens een +medewerkende aanleiding tot Dante's bewustwording der vergeestelijking +zijner liefde kon zijn. De ware oorzaak van den grooten omkeer in +zijn gemoed, van zijn stijgen boven de subjektieve klacht uit tot de +objectieve verheerlijking, is de uitkomst eener innerlijke evolutie +die wel door een schokkend feit, zooals haar huwelijk, maar niet door +een opmerking eener vreemde dame kon worden teweeg gebracht. + +[51] Hunne woorden zag uitgaan. Mi parea vedere le loro parole uscire +mischiate di sospiri. De commentatoren die Dante willen verbeteren +door vedere te vertalen met hooren, doen den dichter onrecht. + +Dante verstond de woorden der pratende vrouwen niet, maar zag hen +spreken en zuchten en juist dit zien bracht hem op die wonderbaar +schoone vergelijking van den regen met sneeuw vermengd. + +[52] Niet tot alle vrouwen. Dante neemt het woord "donna" in zijn +meer beperkte beteekenis, waarin het adjectief "gentile", edel, +lieflijk als het ware ligt opgesloten. (evenals bij ons: "dame" het +begrip "wel opgevoed" insluit.) De vrouw-zonder-meer toch is volgens +Dante's spreekwijze niet in staat de liefde te kennen. Alleen de +Deugd, de Gentilezza, schenkt haar daartoe het vermogen. De eerste +regel der canzone is dus in Dante's taal: "Gij edele vrouwen, die de +deugd bezit." + +[53] Over de beteekenis dezer canzone als eerste oorspronkelijke +"meesterproef" zie mijn Inleiding. + +[54] En die eens spreken zal etc. Deze regels hebben tot een geheele +litteratuur aanleiding gegeven. Mij lijkt de meest voor de hand +liggende, maar zeer betwiste verklaring, nl.: dat Dante hier een +toespeling maakt op zijn later werk "de Hel", zeer aannemelijk. Waarom +zou hij niet reeds tijdens het schrijven dier canzone hebben +rondgeloopen met het vage denkbeeld--voor dien tijd niet eens zoo +oorspronkelijk--later een tocht door de Hel te beschrijven? + +[55] De wijze dichter. Guido Guinizelli. Zie Inleiding en Aanhangsel. + +[56] De verwekker. Folco di Ricovero Portinari, gestorven 31 December +1289. Hij was een aanzienlijk, rijk en vrijgevig man, o.a. stichter +van een hospitaal. + +[57] Volgens gebruik. Volgens de Florentijnsche verordening kwamen +de vrouwelijke bloedverwanten en buren in het sterfhuis bijeen, +terwijl de andere leeddragenden zich er vòòr verzamelden. + +[58] Hosanna in den Hooge. + +[59] Door zeer nauwe verwantschap. Blijkbaar bedoelt Dante een +zijner zusters. + +[60] Giovanna, Monna Vanna, was de "dame" van Cavalcanti. Het geven +van een bijnaam (provençaalsch "senhal" = signal, teeken) was een oud +troubadoursgebruik. Dante past het hier toe om, volgens zijn symboliek, +Beatrice met de Deugd of hoogste Liefde te vereenzelvigen. Inderdaad +kan in verscheidene gedichten het woord: "Liefde" of "Amor" door +"Beatrice" worden vervangen, bv. + + + Klaagt al wie mint nu ge Amor zelf hoort klagen...., + + +en: + + + Over der doode lieflijk beeld gebogen + Zag 'k weenen hem (de Liefde) in tastbare gedaant. + (§ VIII) + +en: + + + van Liefde spreken nu al mijn gedachten.... (§ XIII) + + +en: + + + Dikwerf wanneer 'k bepeins het vreemd gedragen + Waartoe mij Amor dwingt.... (§ XVI) + + +[61] Ik ben de stem des roependen in de woestijn; bereidt den weg +des Heeren. (Matheus III, 3.) + +[62] Zekere woorden verzwijgend. Namelijk de woordspeling waarbij Monna +Vanna slechts een voorloopster schijnt van nog grootere schoonheid. Aan +de vergelijking met Johannes den Dooper als voorlooper van het ware +Licht, zal Dante bij het schrijven van het sonnet wel niet hebben +gedacht (zie Inleiding). Toen Dante het proza schreef wist hij dat +Cavalcanti's liefde voor Monna Vanna inmiddels was bekoeld en kon +hij spreken zonder zijn vriend te kwetsen. + +[63] Monna Vanna en Monna Bice. Monna is de populaire verkorting van +Madonna. Gevolgd door den voornaam duidt het woord alleen gehuwde +vrouwen aan. + +[64] Volgens den filosoof. "De" filosoof in de middeleeuwen is steeds +Aristoteles. Dante haalt hem waarschijnlijk aan uit de tweede hand. + +[65] De taal van "oc". Dante onderscheidde de Romaansche talen naar +hun bevestigend bijwoord, in het provençaalsch "oc", in het oud-fransch +"oil", in het Italiaansch "si". + +[66] Ouder dan 150 jaren. Dit is slechts juist wat het Italiaansch +betreft, de provençaalsche poëzie begint reeds tusschen het jaar 1000 +en 1050. + +[67] Om van de Liefde te spreken. Hier meent dus Dante nog dat de +volkstaal alleen voor het minnedicht geschikt is; ook in het Convitto +stelt Dante het Latijn nog steeds boven de volkstaal; eerst in zijn +"De vulgari eloquio" slaat zijn waardeering om. + +[68] Virgilius, Horatius, Ovidius en Lucanus behooren tot de dichters +die Dante het meest bewonderde. (Hel IV. 90) + +[69] Aeolus, u verleende.... (Aenëide I, 65). + +[70] Wat gij, koningin, wenscht.... (Aenëide I, 76). + +[71] Harde Dardaneërs.... (Aenëide III, 94). + +[72] Veel, o Rome, hebt ge te danken aan de wapenen uwer burgers +(Pharsalus I, 47). + +[73] Noem mij, o Muze, den man. (Epistola ad Pisones V. 141). + +[74] Middelen tegen de liefde. + +[75] Oorlog bereiden zij mij, zie ik, zoo sprak zij.... (Remedia +Amoris V. 2). + +[76] Deze ééne stanza der zoogenaamde canzone vormt een gesloten +geheel. De bouw is, behoudens de ééne verkorte regel, volkomen die +van een sonnet. Het lijkt mij daarom zeer waarschijnlijk dat Dante +dit sonnet achteraf, wegens het samenvallen van zijn ontstaan met +Beatrice's dood, voor een plotseling afgebroken canzone heeft willen +doen doorgaan. + +[77] Hoe zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! Zij is als eene +weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen. (Klaagliederen +van Jeremia I. 1). + +[78] Deze derde reden heeft tot heel wat onderstellingen aanleiding +gegeven. Aannemelijk lijkt mij dat Dante wil zeggen: door haar op +waardige wijze in haar hemelsche heerlijkheid af te beelden, zou ik +mijzelf min of meer een brevet van heiligheid geven. + +[79] Een anderen uitlegger (chiosatore, glossateur) Cina da Pistoia, +die eene canzone schreef om Dante te troosten over het verlies van +Beatrice. (Zie Aanhangsel) + +[80] De kalender van Arabië. Beatrice stierf in den avond van +8 Juni 1290. Volgens Arabische dagverdeeling begon de dag na +zonsondergang. Dante roept die dagverdeeling dus te hulp om den datum +8 te kunnen veranderen in 9, en den Syrischen kalender opdat Juni de +9de maand zou zijn. + +Tisirin de eerste. Er zijn namelijk twee maanden welke dien naam +dragen. + +Het volmaakte getal = 10. + +[81] Dante's kabalistische negen-fantasie, overigens geheel naar +de mode des tijds, komt alleen voor in het proza. Blijkbaar heeft +hij dus in den tijd waarin hij de gedichten schreef nog niet aan dit +quasi-mystieke verband gedacht. De behoefte om het wezen van Beatrice +te vergeheimzinnigen en zijn liefde tot haar te vergoddelijken is +eerst nà haar dood, zooniet ontstaan, dan toch sterker geworden. Als +Beatrice niet gestorven was, zou Dante stellig vroeger of later haar +dood hebben "verzonnen". + +[82] Aan de voornaamste burgers. A li principi de la terra. Volgens +sommigen "aan de vorsten der aarde". Maar "terra" wordt door Dante +herhaaldelijk als "stad" gebruikt en met "principi" kan hij, onder de +suggestie van het "principes" in zijn Latijnschen brief, "principali" +bedoeld hebben, d.w.z. de aanzienlijksten. De uitbreiding van zijn +smart over de geheele stad (zie ook § XL) is in Dante's toestand +verklaarbaar, vooral waar hij herhaaldelijk gewaagd van haar algemeene +bemindheid; doch een brief aan de "vorsten der aarde" ware slechts +belachelijk. + +[83] Hier wordt Beatrice voor het eerst in een voor publiciteit +bestemd gedicht bij den naam genoemd. + +[84] Vergelijk Americ de Belenoi: + + + Mas dieus vos a mandat a se venir + Quar saubes luy e joy e pretz servir. + + +[85] Vol van genade: piena di grazia. Vergelijking met Maria (Ave +Maria, gratia plena). + +[86] Nauw verbonden. Hoogstwaarschijnlijk Beatrice's broeder Manetto, +van wien althans bekend is dat hij met Cavalcanti bevriend was. Wetend, +dat niemand de nagedachtenis zijner zuster zoo zou kunnen eeren als +Dante, durfde hij hem uit kieschheid toch niet direkt het verzoek +daartoe te doen. + +[87] Een engel teekende. Juist in dezen tijd begon de teeken- en +schilderkunst in Florence tot bloei te komen. Cimabue (1240-1302). Of +Dante deze kunst ernstig beoefend heeft of alleen als dilettant, +is niet uit te maken. Opmerkelijk is wel dat Dante, die als alle +welgestelde Florentijnen tot een bepaald gilde moest behooren, werd +ingeschreven bij dat der "medici e speciali" onder welke laatste +rubriek o.a. ook de schilders vielen. + +[88] Twee beginkwatrijnen. Waarschijnlijk had Dante het sonnet reeds +geschreven met het tweede begin, toen de gedachte bij hem opkwam +het aan zijn aanzienlijke bezoekers op te dragen. Verlenging van +een sonnet door aanhanging van een of meer terzinen (z.g. "staart", +sonetto caudato) komt in de Italiaansche poëzie meer voor. + +[89] Wie deze "Vrouwe aan het venster" was is niet bekend. Sommigen +meenen een zekere Lisette (zie Aanhangsel), anderen Gemma Donati, met +wie Dante huwde. Enkelen, die blijkbaar noch van dichters, noch van +liefde en de verteedering van het medelijden begrip hebben, gelooven +dat zij niemand anders was dan de.... "filosofie", welke hem van de +contemplatie van het "geloof" afhield. Het moge waar zijn dat Dante +ook deze liefde achteraf deze symbolische beteekenis heeft gegeven, +oorspronkelijk moet zij een even reëelen grondslag hebben gehad als +zijn liefde voor Beatrice zelf. + +[90] Sommige commentatoren meenen dat deze paragraaf eigenlijk behoort +te worden ingelascht tusschen XXXIII en XXXIV. Immers Dante's woorden +tot de pelgrims over de "stad der rouwe" klinken veel natuurlijker +wanneer zij werden gesproken kort nadat Dante zijn brief aan "de +aanzienlijke burgers" had geschreven. Bovendien zouden de beginwoorden +"Dopo questa tribulazione" bezwaarlijk kunnen slaan op Dante's avontuur +met de "Vrouwe aan het Venster", wel echter zijn zij volkomen op +hun plaats onmiddellijk na Beatrice's dood. Ik voer hiertegen echter +aan dat het woord tribulazione (door mij vertaald met "beproeving" +misschien nog juister weer te geven door "verzoeking") ook voorkomt in +§ XXXVIII, dus juist wel slaande op bedoelde episode. Voorts valt te +bedenken dat de aanschouwing der zg. Veronica voor de middeleeuwsche +geloovigen gold als een voorproefje van de aanschouwing van Christus +in den hemel, en dat in het volgende sonnet Dante's pelgrimgeest zich +inderdaad tot den hemel verheft om er Beatrice te aanschouwen. Het +is natuurlijk wel mogelijk dat ook dit sonnet eerder werd geschreven +dan die aan de "deernisvolle Vrouwe", maar zéker behoort het het +slotgedicht te zijn en is Dante dan opzettelijk van de chronologische +volgorde afgeweken. De evenwichtige compositie van het werk eischt +dat het eindigt met juist dìt sonnet, waarin een "nieuw begrip, +in leed geboren" Dante's geest opvoert tot de hoogste contemplatie. + +[91] In dien tijd. In Rome werd ieder jaar in de maand Januari de +zg. Veronica (vera icona, waarachtige beeltenis) rondgedragen en +gedurende de heilige week in de St. Pieterskerk ter bezichtiging +gesteld. Het heette de afdruk van Jezus' gelaat in den sluier der +heilige Veronica, welken zij hem, toen hij den Calvariënberg beklom, +had gereikt om zich het zweet af te wisschen. + +[92] Het huis van Galizia. Het heiligdom van den apostel Jacobus in +de Spaansche provincie Galizia. + +[93] Boven die sfeer. Dat wil zeggen buiten het Primum mobile, in het +Empyreum dus. (Zie aanteekening 1.) In de Divina Commedia aanschouwt +Dante in eigen persoon Beatrice, hier is het nog slechts zijn "zucht" +d.w.z. zijn verzen, welke tot die hoogte vermag te stijgen. + +[94] Een wonderbaarlijk gezicht. Zeer waarschijnlijk was onder het +schrijven van den prozatekst het plan in Dante gerijpt om de behandelde +stof nog eens, maar op veel grootscher wijze, te herhalen. Reeds de +canzone in § XIX bevat, zooals reeds werd opgemerkt, waarschijnlijk +een toespeling op zijn tocht door de Hel. + +[95] Beijver ik mij. Studio wordt hier zonder twijfel ook door Dante +bedoeld in den zin van "studeeren", als intellektueele voorbereiding. + +[96] Die gezegend is door alle eeuwen. + +[97] Vergelijk Dante's canzone in § XIX: Een engel roept... + + + + + + + + + + + +Bij ons zijn verschenen en in elken boekhandel te verkrijgen: + +Dante's Divina Commedia: + + +De Hel. In proza vertaald door Dr. H.J. Boeken. 3e druk. + +Ingenaaid f 0.55 Carton 0.70 Linnen 0.85 Keurb. 1.15 + +Louteringsberg. Als boven. (2e druk). + +Ingenaaid f 0.55 Carton 0.70 Linnen 0.85 Keurb. 1.15 + +Het Paradijs. Als boven. Dit derde deel bevat 2 illustraties, een +inleiding en als de beide andere deelen een aantal aanteekeningen. (2e +druk). + +Ing. f 0.55 Cart. 0.70 Linn. 0.85 Keurb. 1.15 + + Dante's beroemd gedicht tot een goed Nederlandsch te maken is al + vaak beproefd. De uitkomsten wettigen geheel de bescheidenheid van + den dichter en classicus Dr. Boeken om het liever in Nederlandsch + proza weer te geven. + +Prof. Henri Hauvette, Dante. Inleiding tot de studie van de Divina +Commedia. + +Ingenaaid f 0.65 Carton 0.80 Linnen 0.95 + + Sinds we, in onze Bibliotheek, den grooten middeleeuwsch + Italiaanschen Dichter: Dante Alighieri met zijn Goddelijke Komedie + in Dr. H.J. Boeken's vertaling opnamen, hebben we uitgezien + naar een werk over den Dichter, zijn tijd en zijn kunst, dat als + inleiding zou kunnen dienen tot de studie van dat groote werk, + en den gretigen lezer daarin inwijden. Onze keuze viel op het + werk van den Franschen hoogleeraar Henri Hauvette, dat W. Davids + voor ons vertaalde. + +"Er gaat een sterke aansporing van uit, om Dante's onvolprezen +kunstwerk te gaan lezen." + + +Dr. J. L. Walch in het Vaderland. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Nieuwe Leven, by Dante Alighieri + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET NIEUWE LEVEN *** + +***** This file should be named 28029-8.txt or 28029-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/8/0/2/28029/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
