diff options
Diffstat (limited to '27335-8.txt')
| -rw-r--r-- | 27335-8.txt | 10474 |
1 files changed, 10474 insertions, 0 deletions
diff --git a/27335-8.txt b/27335-8.txt new file mode 100644 index 0000000..a9028af --- /dev/null +++ b/27335-8.txt @@ -0,0 +1,10474 @@ +The Project Gutenberg EBook of De grondbeginselen der Nederlandsche +spelling, by L. A. te Winkel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De grondbeginselen der Nederlandsche spelling + Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal + +Author: L. A. te Winkel + +Editor: M. de Vries + +Release Date: November 26, 2008 [EBook #27335] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRONDBEGINSELEN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net (This book was +produced from scanned images of public domain material +from the Google Print project.) + + + + + + + + + Regeling der spelling + Voor het + Woordenboek der Nederlandsche Taal. + + + + De echtheid der exemplaren blijkt uit de handteekening van den + bewerker. + + + + + Druk van D. Noothoven Van Goor. + + + + + + + De Grondbeginselen + Der + Nederlandsche Spelling. + + Regeling der Spelling + Voor het + Woordenboek der Nederlandsche Taal. + + + + Vanwege de redactie bewerkt + + Door + L. A. te Winkel. + + Derde druk, + + Herzien door + M. de Vries. + + + + Leiden, + D. Noothoven Van Goor. + + 1873. + + + + + + + + + Die art und weise wie wir unsere sprache mit buchstaben schreiben, + dies köstliche mittel das fliegende wort zu fassen, zu verbreiten + und ihm dauer zu sichern, musz allen völkern eine der wichtigsten + angelegenheiten sein, und die freude, welche eine vollkommne + schrift gewährt, trägt wesentlich dazu bei den stolz auf die + heimische sprache zu erhöhen und ihre ausbildung zu fördern. + + Jacob Grimm. + + + + + + +VOORBERICHT + +VOOR HET ONTWERP DER SPELLING. + + +Bij het naderen van den tijd, waarop de Redactie met de uitgave +van het Nederlandsch Woordenboek een aanvang hoopt te kunnen maken, +heeft zij zich verplicht geacht, vooraf nauwkeurig het spellingstelsel +te bepalen, dat in het Woordenboek zal worden gevolgd. Te midden der +vele twijfelingen en onzekerheden, die nog altijd in de spelling onzer +moedertaal bestaan, bij het verschil van gevoelen onzer taalkundige +schrijvers omtrent een aantal min of meer belangrijke punten, was +het volstrekt noodzakelijk een vast plan te beramen en voor alle +bijzondere gevallen eene bepaalde keuze te doen. Te meer gevoelde de +Redactie hare verplichting, om hierin met de uiterste behoedzaamheid en +niet dan na rijpe overweging te werk te gaan, omdat het Woordenboek, +dat zij eenmaal tot stand hoopt te brengen, uit den aard der zaak +niet zonder invloed zal blijven en derhalve aan de bewerkers eene +dubbele verantwoording oplegt. Het algemeene beginsel, dat bij deze +regeling der orthographie tot leidraad moest verstrekken, kon aan +geen twijfel onderhevig zijn. Het was aangewezen in het Ontwerp des +Woordenboeks, door den Voorzitter der Redactie in de vergadering van +het Derde Taal- en Letterkundig Congres te Brussel voorgedragen, +en door de algemeene goedkeuring bekrachtigd. Daarin was bepaald, +dat de in Noord-Nederland aangenomene spelling tot grondslag zou +worden gelegd, behoudens zoodanige wijzigingen, als de tegenwoordige +stand der wetenschap noodzakelijk scheen te vereischen. De Redactie +heeft gemeend, zich aan dat beginsel, als het meest practische en +bruikbare, te moeten houden. Overtuigd, dat groote veranderingen +in de spelling eener beschaafde en gevestigde taal, al mochten +zij op zich zelve wenschelijk zijn, toch nimmer kans hebben om +algemeen te worden aangenomen, en juist daardoor de zoo wenschelijke +eenparigheid en vastheid der taalvormen in dreigend gevaar brengen, +acht zij het boven alle bedenking raadzaam, de bestaande en erkende +spelling te eerbiedigen, voor zooverre zij met de uitspraken eener +gezonde taalkennis in overeenstemming is. Met nog sterkeren aandrang +dan bij de voordracht van het Ontwerp des Woordenboeks geschieden +kon, mag de Redactie dit beginsel thans aanbevelen, omdat de in +Noord-Nederland gebruikelijke spelling juist in de jaren, die sedert +het Brusselsche Congres verstreken, ook door de meeste letterkundigen +van Zuidelijk Nederland allengs is aangenomen, zoodat werkelijk, +in de hoofdpunten althans, in het geheele Nederlandsche taalgebied +eene tot dusverre ongekende eenparigheid is gevestigd. Het zou dwaas +en roekeloos zijn door gewaagde hervormingen die overeenstemming +te verbreken, en de eenheid der taal van Zuid en Noord ook in den +uiterlijken vorm--dat onschatbare voorrecht, dat zonder eenigen +dwang, maar alleen door vrije overtuiging en zucht tot verbroedering +langzaam verkregen werd--onbedacht en moedwillig op te offeren aan +onpractische stelselzucht of ontijdig nieuwigheidsbejag. En waarlijk, +bij de aanbeveling van het bestaande, als grondslag van de regeling +der spelling voor het Woordenboek, behoeft de Redactie aan hare +wetenschappelijke overtuiging geen geweld aan te doen, noch, in het +belang der eenparigheid, eenige antipathie te overwinnen. Integendeel +aarzelt zij niet te verklaren, dat werkelijk de aangenomene spelling +over het algemeen alle aanbeveling verdient. Bij herhaalde ernstige +overweging is het haar meer en meer gebleken, dat die spelling +inderdaad vele voortreffelijke eigenschappen bezit, en noch in +regelmaat noch in duidelijkheid voor die van eenige andere taal +behoeft onder te doen. Haar is althans geene nieuwere taal bekend, wier +orthographie de twee groote spellingbeginselen--overeenstemming met +de uitspraak en aanwijzing van de afleiding en den oorspronkelijken +vorm der woorden--op gelukkiger wijze vereenigd heeft weten te +eerbiedigen. Om niet te spreken van het Fransch en Engelsch, wier +spelling de willekeur zelve is, ook bij de vergelijking met het +Hoogduitsch is de verhouding geheel in ons voordeel, zelfs al wil +men de in Duitschland gebruikelijke schrijfwijze niet zoo gestreng +veroordeelen, als de grootste Duitsche taalkenner doet, die ronduit +verklaart: »Mich schmerzt es tief gefunden zu haben, dasz kein volk +unter allen, die mir bekannt sind, heute seine sprache so barbarisch +schreibt wie das deutsche. [1]" + +De taak der Redactie bestond derhalve niet in het ontwerpen van +een nieuw spellingstelsel, maar alleen in de overweging, welke +verbeteringen de bestaande spelling, bij de hoogte die de wetenschap +in onze dagen bereikt heeft, scheen te vereischen. Met dit doel +voor oogen, heeft de Redactie het geheele vraagstuk der spelling +aandachtig nagegaan en de geschilpunten zorgvuldig getoetst, met +inachtneming van alles, wat daarover sedert 1804 door onze taalkundigen +is geschreven. Vooral heeft zij getracht, die gebrekkige schrijfwijzen +te verbeteren, die op onjuiste woordafleidingen steunden, of waarbij +de in het stelsel zelf aangenomene beginselen en regels hetzij +verkeerdelijk, hetzij in het geheel niet waren toegepast. Om hierin +met te meerder zekerheid te werk te gaan en den strijd te vereffenen, +die zich hier en daar tusschen de verschillende spelregels voordeed, +heeft zij gemeend vóór alles de grondbeginselen der orthographie uit +de natuur en de bestemming van het schrift te moeten afleiden, ten +einde langs dezen weg des te juister hunne onderlinge verhouding te +bepalen. Immers, zoodra de hoogere of geringere waarde der algemeene +beginselen eenmaal is vastgesteld, behoeft men bij de waardeering +der bijzondere regels niet verlegen te staan met de vraag, welke +regel in dit of dat bijzonder geval gelden moet. Eerst derhalve de +algemeene regels na te gaan, te formuleeren en volgens hunne waarde +te rangschikken, en daarna de betwiste of twijfelachtige punten te +toetsen: ziedaar wat de Redactie zich voorstelde. Met gerustheid mag +zij verklaren, dat het haar streven geweest is, hare taak zoo objectief +mogelijk op te vatten en overal de strengste onzijdigheid te bewaren. + +In de volgende bladzijden worden de vruchten van ons +gemeenschappelijk overleg aan onze landgenooten aangeboden. Zij +bevatten de uitdrukking onzer eenparige, na zorgvuldig wikken en +wegen gevestigde overtuiging. De heldere uiteenzetting daarvan is +men verschuldigd aan ons geacht Medelid, Dr. Te Winkel, die aan ons +onderzoek het werkzaamste aandeel nam, en zich welwillend belastte +met de taak, de resultaten in een opzettelijk betoog voor te dragen, +dat vervolgens, in eendrachtige samenwerking met den ondergeteekende +herzien en aangevuld, ook de toestemming van ons hooggeschat Belgisch +Medelid, Prof. David, mocht verwerven. Aan niemand voorzeker kon de +taak om zulk een betoog te leveren beter toevertrouwd zijn dan aan den +schrijver van het werkje, De Nederlandsche Spelling getiteld, hetwelk +door onze taalkundigen en onderwijzers zoo gunstig is opgenomen, +dat binnen drie jaren reeds een derde druk noodzakelijk werd. In dat +werkje, ten behoeve van het onderwijs in onze vaderlandsche scholen +geschreven, had Dr. Te Winkel de algemeen aangenomene--zoogenaamde +Siegenbeeksche--spelling ontvouwd, met invlechting slechts, hier en +daar, van enkele critische aanmerkingen. Alleen een onverklaarbaar +misverstand heeft onlangs een hooggeleerd beoordeelaar--in het +beste onzer tijdschriften--kunnen verleiden tot de voorbarige en +door niets gerechtvaardigde meening, alsof dit werkje tevens het +spellingstelsel bevatte, »dat nu zeker ook tot grondslag gelegd +zal worden aan het Nederlandsch Woordenboek." Waar had ooit òf de +Redactie òf Dr. Te Winkel een woord gesproken, dat recht gaf tot +de onderstelling, alsof--in strijd met het vastgestelde Ontwerp--de +spelling van Siegenbeek zoogoed als onveranderd in het Woordenboek +zou worden gevolgd? Integendeel, het voornemen om in die spelling de +noodige verbeteringen aan te brengen, was in het openbaar duidelijk +uitgesproken. Doch het oogenblik, om zich van die belofte te kwijten +en van het ontworpen plan rekenschap te geven, achtte de Redactie +eerst thans gekomen, nu de uitgave van het Woordenboek begint te +naderen, en de onlangs gehoudene vergadering van het Zevende Taal- +en Letterkundig Congres haar eene geschikte aanleiding heeft geboden, +om--volgens de bepalingen van het Ontwerp--de resultaten van haar +onderzoek aan het oordeel van deskundigen te onderwerpen. Het is waar, +de afzonderlijke beraadslaging, die bij dat Congres was aangekondigd, +heeft geene plaats kunnen vinden: de drukke werkzaamheden, die drie +langdurige zittingen vulden, en meer nog de gulle gastvrijheid der +Bruggenaars, lieten geen tijd over voor eene rustige conferentie over +de spelling, waarvan trouwens de wijdloopige debatten over aa of ae +de leden reeds meer dan verzadigd hadden. Toch is die bijeenkomst +te Brugge, door hetgeen in kleinere kringen behandeld werd, ook voor +onze zaak niet onvruchtbaar gebleven. Van verschillende zijden mocht +de Redactie bedenkingen vernemen, die tot hernieuwde overweging +aanleiding gaven. Is daardoor aan den éénen kant de uitgave van +ons betoog misschien wat lang vertraagd, aan de andere zijde heeft +zeker het gehalte bij dat uitstel niet verloren. Ook verder houden +wij ons dringend aanbevolen voor al de aanmerkingen, die men ons +in het openbaar of schriftelijk zal willen mededeelen. Het zal +ons ernstig streven zijn, alles rijpelijk te onderzoeken en ook +op het gebied der spelling, dat van zooveel strijd getuige was, +te trachten naar de waarheid alleen; want--het is te recht in het +Ontwerp gezegd--»elke onwaarheid moet vroeg of laat te niet gaan, +maar de waarheid zal stellig zegevieren, en zij is het alleen, die +duurzame verzoening verzekert." + +Nog een paar opmerkingen tot juiste aanwijzing van het plan en den +inhoud dezer bladzijden. + +Daar de bestaande spelling, die als uitgangspunt werd aangenomen voor +de schrijfwijze in het Woordenboek te volgen, genoegzaam bekend is, +mocht het als overtollig en ontijdig worden beschouwd, ons geheele +spellingstelsel in alle bijzonderheden te ontvouwen. Men vindt hier +derhalve alleen eene ontwikkeling en waardeering der algemeene +grondbeginselen; eene opgave der verbeteringen die wenschelijk +schijnen; en eene herinnering van de onderscheidene schrijfwijzen, +waaromtrent onze letterkundigen in gevoelen verschillen, met +vermelding van de keuze, die de Redactie gemeend heeft daaruit te +moeten doen, en beknopte aanwijzing der redenen, die haar bij die +keuze hebben geleid. Zij heeft zich natuurlijk bepaald tot die +punten, die werkelijk betwist of twijfelachtig waren, en zich +niet opgehouden met de vermelding der talrijke feilen, die zoo +dikwijls ook door schrijvers van naam worden begaan, maar daarom +niet minder onverdedigbaar blijven. Uitwijden b.v. voor uitweiden, +ten aanhoore voor ten aanhooren, de verbogen deelwoorden gehaatte, +vergoodde, voor gehate, vergode, de verwarring van kindschheid en +kindsheid, of de onchristelijke spelling van kersfeest, kersnacht, +voor kerstfeest, kerstnacht, en dergelijke slordigheden meer, hoe +gewoon zij ook mogen zijn, het blijven feilen en niets meer. Zaken, +die bij alle deskundigen sedert lang uitgemaakt zijn, behoeven niet +meer geregeld te worden en lagen dus buiten onze beschouwing. + +Er waren echter eenige belangrijke punten, die, in Siegenbeek's +Verhandeling over de Spelling onaangeroerd gebleven en nooit door +eenig taalkenner opzettelijk behandeld, in zooverre tot weinig +geschil aanleiding hadden gegeven, maar niettemin eene bepaalde +regeling vereischten, om de groote verwarring, die daaromtrent--bij +het volslagen gemis aan eenig voorschrift of richtsnoer--tot dusverre +heerschte. Zoo b.v. de gewichtige vraag: welke woorden en uitdrukkingen +aaneen te schrijven? welke in hunne deelen gescheiden te laten? De +nauwkeurige overweging van dit omslachtig en ingewikkeld vraagstuk +heeft de Redactie tot eene bepaalde uitkomst geleid, die--naar +zij vertrouwt--niet zonder belangstelling ontvangen zal worden, +als eene bijdrage om in het schrijven onzer moedertaal regelmatig, +oordeelkundig en naar vaste beginselen te werk te gaan. + +Moge dan deze arbeid strekken om in het Woordenboek, met welks +bewerking de Redactie zich ijverig bezighoudt, het belangrijke +vraagstuk der spelling te regelen op eene wijze, aan de eischen der +wetenschap en de behoeften der practijk gelijkelijk voldoende. + + +Leiden, +23 Januari 1863. M. D. V. + + + + + + + +VOORBERICHT + +VOOR DE TWEEDE UITGAVE. + + +De volgende bladzijden behelzen de tweede--herziene en veel +vermeerderde--uitgave van het Ontwerp der Spelling, door de Redactie +van het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1863 in het licht +gezonden. Het Ontwerp is nu eene Regeling geworden, het voorloopige +plan in een bepaald besluit veranderd; want de tijd was daar, dat +onze spelling tot in alle bijzonderheden voorgoed moest worden +vastgesteld. Reeds is de eerste aflevering van het Woordenboek +verschenen; de tweede ligt bijna gereed. Onze landgenooten, die +onzen arbeid met hunne belangstelling vereeren, hebben dus reeds de +spelregelen kunnen opmerken, die door ons zijn aangenomen. Maar wij +zijn hun nader rekenschap verschuldigd van de beginselen, die ons +daarbij hebben geleid; bovenal van de wijzigingen, die wij sedert +de verschijning van ons eerste Ontwerp noodzakelijk of raadzaam +hebben geacht. + +Onze openlijke uitnoodiging, dat deskundigen ons hunne aanmerkingen en +bedenkingen op het voorgedragen spellingplan niet mochten onthouden, +is niet vruchteloos geweest. In verscheidene grootere en kleinere +geschriften, maandwerken, dagbladen enz. is het vraagstuk der +orthographie, dat een tijdlang gesluimerd had, met vernieuwden lust op +het tapijt gebracht en aan alle kanten besproken. Alle twijfelachtige +punten zijn opnieuw aan veelzijdige critiek onderworpen; de meest +verschillende meeningen hebben warme verdedigers gevonden; over +en weder is alles aangevoerd wat vóór of tegen te zeggen viel. Ook +aan belangrijke opmerkingen in bijzondere briefwisseling, van zeer +bevoegde handen, heeft het ons niet ontbroken. Van hoeveel invloed dit +alles geweest is, heeft reeds de eerste proeve van het Woordenboek +bewezen en zal in deze bladzijden nader blijken. Het spreekt wel +vanzelf, dat er onder de bedenkingen, die men geopperd heeft, veel +was waarmede wij ons niet konden vereenigen. Zoo het ergens moeilijk +is tot eenstemmigheid te geraken, het is vooral op het gebied der +orthographie, wier regeling, bij een zoo beperkt letterstelsel, een +aantal onoplosbare bezwaren medebrengt, en juist daardoor altijd tot +tegenstrijdige gevoelens aanleiding moet geven. De ervaring heeft het +ook nu weder op de afdoendste wijze getoond. Wat de een in ons Ontwerp +laakte, werd juist door den ander geprezen; de verandering, die dezen +het meest beviel, door genen het strengst afgekeurd. Reden genoeg om +uit eigen oogen te blijven zien en, met bedaarde overweging van alle +meeningen, naar niets anders te streven dan naar de waarheid alleen, +voor zooverre die althans in zaken van dezen aard bij benadering +kan worden bereikt. Daar kwam bij, dat het standpunt, waarop zich +onze geachte beoordeelaars plaatsten, niet altijd datgene was, +waarop wij behoorden vast te staan. Hun was het veelal om bijzondere +punten te doen, losse, op zich zelf staande vraagstukken omtrent de +schrijfwijze van deze of gene woorden, al naarmate eene geliefkoosde +overtuiging of gevestigde voorkeur medebracht; terwijl wij, die het +geheel behandelden, het gansche spellingstelsel in zijnen logischen +samenhang moesten beschouwen en alle bijzonderheden in onderling +verband aan algemeene beginselen toetsen. Bij iedere afzonderlijke +vraag moest ons de geheele reeks van soortgelijke vragen, en de band +die ze alle aaneenknoopt, voor oogen staan, ten einde te verhoeden, +dat nu eens deze, dan weder een andere maatstaf werd aangelegd, en +te zorgen, dat de eenheid in het geheele stelsel bewaard bleef. Moge +dan al onze keuze hier of daar bij den eersten aanblik inconsequent +schijnen, omdat zij wel eens strijdig is met den eenen of anderen +bijzonderen, maar ondergeschikten spelregel, bij nader inzien zal +zij blijken in overeenstemming te wezen met het geheel en met de +natuurlijke grondbeginselen der spelling, die uit het wezen en de +bestemming van het schrift noodwendig voortvloeien. Consequentie +in het geheel en volstrekte consequentie in alle onderdeelen zijn +onvereenigbaar bij elk stelsel, dat, gelijk de spelling eener taal, +niet door één allesomvattend brein is bepaald en geregeld, maar de +samenvoeging is van partieele meeningen omtrent bijzondere punten, +die zich naast elkander vestigden en eerst allengs zich tot een geheel +vereenigden, waarin uit den aard der zaak de innerlijke overeenstemming +niet volkomen zijn kon, omdat niemand het geheel overzag. Bij de +beslissing van dien innerlijken strijd was het onze overtuiging, +dat het bijzondere en ondergeschikte ook in de spelling voor het +algemeene en hoogere moest onderdoen. Doch juist bij die omvattende +beschouwing van het geheel en al zijne deelen was herhaald onderzoek en +rijp beraad een dubbel onmisbaar vereischte, en daartoe hebben ons de +vele opmerkingen, twijfelingen en bezwaren, die wij mochten vernemen, +overvloedige stof gegeven. Niets hebben wij ter zijde gelegd zonder +aandachtige overweging. Zoowel de grondbeginselen, waarvan ons Ontwerp +uitging, als de bijzondere stellingen, die het bevatte, hebben wij +nogmaals opzettelijk overdacht, nauwkeurig beproefd en met de gemaakte +bedenkingen vergeleken. Menige wijziging, menige zelfs van gewicht, +is daarvan het gevolg geweest; en met te meer grond durven wij ons +vleien, dat de nu voor het Woordenboek vastgestelde spelling aan hare +wetenschappelijke en practische bestemming zal mogen voldoen. + +Maar het was niet genoeg ons stelsel te herzien en te verbeteren, +het moest ook worden aangevuld door de behandeling van die vragen, +die tot hiertoe nooit opzettelijk werden beantwoord en toch voor +de regelmaat der spelling van groot gewicht zijn. Wij bedoelen +inzonderheid de scheiding der woorden bij het afbreken, en de keuze +der verbindingsletters tusschen de leden eener samenstelling. Bij +de eerste uitgave van ons Ontwerp was onze beraadslaging omtrent die +belangrijke punten nog niet geheel afgeloopen, zoodat wij het raadzaam +achtten ons daaromtrent eene nadere beslissing voor te behouden. Sedert +hebben wij het onderzoek geregeld voortgezet en tot een--zoo wij +hopen--bevredigend einde gebracht. De uitkomsten onzer overwegingen +bieden wij thans aan het publiek aan. Wij zijn er verre af te gelooven, +dat het ons gelukt zal zijn, vooral wat het ingewikkeld en netelig +vraagstuk der samengestelde woorden betreft, alle moeilijkheden +uit den weg te ruimen en de zaak te regelen op eene wijze, waarin +terstond iedereen genoegen zal nemen. Maar wie niet onbekend is met +de schromelijke verwarring, die op dit punt altijd geheerscht heeft, +wie het met ons betreurt dat een zoo gewichtig onderwerp tot dusverre +door schijnbaar onoverkomelijke bezwaren alle taalkenners afschrikte +en nooit ernstig behandeld werd, zal ten minste de poging goedkeuren, +die wij waagden, om het vraagstuk met moed aan te vatten en naar ons +beste weten op te lossen. Volkomen regelmaat en strikte consequentie +was uit den aard der zaak hier niet te bereiken. De vraag is alleen, +of de schikking, door ons ontworpen, zich aanbeveelt door billijke +inachtneming en behoedzame toepassing der grondbeginselen, die bij +eene verstandige spelling tot leiddraad moeten verstrekken. Zoo ja, +dan zal men wèl doen door zich over kleinigheden heen te zetten, die op +het eerste gezicht misschien vreemd kunnen schijnen, om liever de zaak +in haar geheel te beschouwen en de ordelijke regeling te erkennen, +die wij ook hier poogden te vestigen. Het wordt hoog tijd--voor +eene taal als de onze, die zoo onuitputtelijk vruchtbaar is in het +vormen van samenstellingen--dat er een einde kome aan die willekeur +en slordigheid in het schrijven van samengestelde woorden. Wie het +wèl met de taal meent, zal gaarne met ons medewerken om ook hier een +stelsel te doen aannemen, dat veroorlooft met helder bewustzijn een +vasten maatstaf te volgen. + +De zorgen, door ons aan de orthographie gewijd, hadden aanvankelijk +geen ander doel dan het bepalen der spelling ten dienste van het +Woordenboek. In dat werk, uit den aard bestemd om invloed te oefenen +op de ontwikkeling der taal, en dat derhalve aan zijne bearbeiders +eene zware verantwoordelijkheid oplegt, mochten wij niet gedachteloos +voortsukkelen in de eenmaal geijkte schrijfwijze, waarin eene halve +eeuw taalstudie talrijke gebreken en leemten had aangewezen, en die +eigenlijk aan niemand meer voldeed. Maar verder dan de behoeften van +het Woordenboek strekten zich onze bemoeiingen niet uit. In hoeverre +onze taalgenooten in Noord en Zuid onze spelling zouden goedkeuren: +of zij in ruimeren kring zou doordringen, misschien eenmaal de leuze +worden der zoo lang vergeefs gehoopte eenparigheid: dit alles moesten +wij geduldig aan den tijd overlaten. De uitkomst is nu reeds gunstiger +geweest dan wij immer dorsten vermoeden. Het algemeene verlangen om +eenmaal tot zekerheid en regelmaat te geraken, kwam onze pogingen te +gemoet, nog eer wij met den arbeid gereed waren. Men wenschte niets +liever dan verlost te worden van al dat weifelen en dobberen, dat +zooveel ongemak veroorzaakte en vooral belemmerend op het onderwijs +drukte. Bij die diepgevoelde behoefte viel aan ons Ontwerp eene +belangstelling ten deel, die wij te hooger waardeeren, omdat zij +reeds tot een belangrijk gevolg heeft geleid. De Belgische Regeering, +overtuigd van de noodzakelijkheid om de spelregels, in 1841 door +het Gentsche Taalcongres aangenomen, te doen herzien, heeft bij +Koninklijk Besluit van 25 Januari 1864 eene Commissie benoemd, +uit de voornaamste Vlaamsche taal- en letterkundigen bestaande, +en belast om de hervorming van het spellingstelsel te regelen. Die +Commissie stelde, als beginsel harer werkzaamheden vast, »dat men het +verschil van spelling, hetwelk al te lang onze taal in Vlaamsch en +Hollandsch heeft verdeeld, moest trachten te doen verdwijnen". Zij +nam het Ontwerp, door de Redactie van het Woordenboek in het licht +gegeven, tot leiddraad harer beraadslagingen, vereenigde zich in de +hoofdzaken met de regels, die daarin waren voorgedragen, en knoopte met +de Redactie eene briefwisseling aan ter nadere overweging van datgene, +waartegen zij bedenkingen had. Het verschil, dat meest ondergeschikte +punten betrof, werd spoedig vereffend en loste zich op in de meest +volkomene overeenstemming. Reeds heeft de Commissie, door de bekwame +pen van haren woordvoerder, Prof. Heremans, een even grondig als +sierlijk Verslag uitgebracht en openbaar gemaakt [2]; hare voorstellen +zijn bij Koninklijk Besluit van 21 November ll. bekrachtigd; de +nieuwe spelregels voor het onderwijs in de staatsscholen en voor de +stukken, van de Regeering uitgaande, vastgesteld, en reeds weinige +dagen daarna--met eene verrassende eenparigheid--door de Vlaamsche +schrijvers aangenomen en in de dagbladen ingevoerd. Zoo is dan nu +de eenheid van spelling tusschen Zuid en Noord, die men zoo lang als +eene volstrekte onmogelijkheid beschouwde en als eene hersenschim van +dweepzieke ijveraars uitkreet, na weinige jaren van verbroedering, +een werkelijk bestaand feit geworden; de eenheid der Nederlandsche +taal, die te lang in Vlaamsch en Hollandsch verdeeld scheen, +voorgoed en duurzaam gevestigd, door gelijkheid van spelling, +als door een uiterlijk merkteeken, gewaarborgd. Zoo hebben de +Congressen, waarin menigeen niets dan eene ijdele vertooning zag, +eene practische uitwerking gehad, die meer dan iets anders heilrijke +vruchten zal dragen voor de toekomst onzer taal. Alleen door oprechte +waarheidsliefde en onderlinge welwillendheid is dit verblijdend +resultaat tot stand gekomen: de hereeniging op taal- en letterkundig +gebied met onze broeders uit het Zuiden, die de staatkunde eenmaal +van ons gescheiden heeft. Om die hereeniging nader te bevestigen, is +het nu dubbel wenschelijk, dat ook in Noord-Nederland de onzekerheid +der orthographie weldra plaats make voor vastheid en regelmaat. Naar +de begrippen, hier te lande aangenomen, kan dit onderwerp niet door +de bemoeiing der Regeering worden geregeld. Vrijwillige instemming +moet alles beslissen. Maar reeds doen zich de voorteekenen op, +dat de eenparigheid ook hier niet zal uitblijven. Meer dan één +onzer voornaamste schrijvers heeft zich reeds met de spelling +van het Woordenboek vereenigd, en van alle zijden ontvangen wij de +blijken van de levendige belangstelling, die de zaak in den kring der +Nederlandsche onderwijzers heeft opgewekt. De bereidwilligheid, door +zoovelen betoond, om de voorgestelde wijzigingen in de spelling door +leer en voorbeeld ingang te doen vinden, legt ons de verplichting op +om van onzen kant, erkentelijk voor de goedkeuring aan onze pogingen +geschonken, de taak gemakkelijk te helpen maken door het leveren van +die practische hulpmiddelen, die voor het onderwijs en het algemeen +gebruik onontbeerlijk zijn. Wij hopen eerlang ten dienste der scholen +een beknopt overzicht te geven van de spelregelen, door ons voor het +Woordenboek aangenomen en in deze Verhandeling breedvoerig ontvouwd; +om daarna eene Woordenlijst voor de spelling te doen volgen, waarbij +men in ieder voorkomend geval zal kunnen te rade gaan. Eerst dan zal +onze orthographische werkzaamheid zijn afgeloopen, en zullen wij ons +voortaan onverdeeld aan de lexicographie kunnen wijden. De voldoening, +die de eene helft onzer taak ons zoo ruimschoots heeft opgeleverd, +geeft moed om in de andere, waarin de sympathie onzer landgenooten +ons niet minder krachtdadig steunt, met frisschen ijver te volharden. + + +Leiden, +4 Februari 1865. M. D. V. + + + + +Door de groote belangstelling van het publiek in de zaak der +spellingherziening is binnen weinige weken een herdruk onzer +Grondbeginselen noodzakelijk geworden. Wij hebben van deze gelegenheid +gebruik gemaakt, om hier en daar enkele uitdrukkingen te wijzigen, +en tevens bij een paar punten ons gevoelen nader te staven, naar +aanleiding der bedenkingen, onlangs van eene geachte zijde daartegen +in het midden gebracht, die voor 't overige deels in het jongste +stuk van den Taalgids breeder zijn beantwoord, deels in de volgende +nummers zullen beantwoord worden. Buiten dit weinige is deze uitgave +aan de vorige gelijk gebleven. + + +Leiden, +4 Juli 1865. M. D. V. + + + + +Deze derde druk is door mij opnieuw herzien, waar het noodig +scheen gewijzigd, en met de tweede uitgave van onze Woordenlijst in +overeenstemming gebracht. + + +Leiden, +30 Sept. 1872. M. D. V. + + + + + + +INHOUD. + + + +EERSTE AFDEELING. + +Over de natuur en het doel van het schrift, § 1-32 Blz. 1 +De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding, § 33-72 + » 11 + +TWEEDE AFDEELING. + +De bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen +bestaat » 33 + +De klinkers, § 73-91 » 33 +De medeklinkers, § 92-132 » 58 +De samenstellingen, § 133-212 » 116 + + Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven + worden? § 134-153 » 116 + Gebruik van het koppelteeken, § 154-160 » 135 + Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de + twee leden eener samenstelling? § 161-212 Blz. 139 + + De inlassching der verbindings-n, § 180-206 » 151 + + De verbindings-n achter substantieven als teeken + van den zwakken genitief, § 182-187 » 154 + als teeken van het meervoud, § 188-197 » 159 + achter bijvoeglijke woorden, § 198-201 » 172 + achter werkwoorden, § 202, 203 » 174 + als invoegsel voor de welluidendheid, § 204-206 + » 176 + De inlassching der verbindings-s, § 207-212 » 178 + + De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval + achter zelfstandige naamw., § 208 » 178 + als teeken van het meervoud, § 209 » 180 + als teeken van den tweeden naamval achter + bijvoeglijke woorden, § 210, 211 » 181 + als invoegsel voor de welluidendheid, achter + stammen van werkwoorden, § 212 » 181 + + Overzicht over de regels der samenstelling, § 213 » 182 + + De spelling der bastaardwoorden, § 214-256 » 186 + Over het verdeelen der woorden in lettergrepen, § 257-270 » 217 + +Toevoegsel (over de verkleinwoorden van samengetrokken vormen, +waaruit eene d is uitgestooten) » 227 +Naschrift » 229 +Zaakregister » 231 +Woordenlijst » 246 + + + + + + + +EERSTE AFDEELING. + + + +Over de natuur en het doel van het schrift. + +1. Het denken is eene werking en als zoodanig voorbijgaande. Gedachten +houden op te bestaan, zoodra zij gedacht zijn; men kan haar geene +duurzaamheid geven: ze kunnen alleen opnieuw gedacht, herhaald, +gereproduceerd worden. Ook door reproductie komen zij ter kennis +van anderen. Een hoorder is verplicht de gedachte van den spreker +bij zich zelven te denken, haar op zijne wijze te reproduceeren; +doet hij zulks niet, is hij afgetrokken, vormt hij bij zich zelven +andere gedachten, dan komen die van den spreker niet tot zijne +kennis. Het geheugen stelt ons dikwijls in staat eene gedachte van +vroeger te hernieuwen, maar ook even dikwijls schiet het daarin te +kort. Derhalve, wie later met volkomen zekerheid weten wil, wat hij +eenmaal heeft gedacht, zonder dat hij zich op het feilbaar geheugen +behoeft te verlaten, heeft een middel, een blijvend iets, noodig, dat +hem in staat stelt zijne vroegere gedachte opnieuw te denken. Is dit +op zich zelf bestaand middel, onder den vorm van een brief of boek, +vervoerbaar, dan kan het tevens voor afwezigen dienen als aanleiding +om zich dezelfde gedachten te vormen. Wanneer het middel in zichtbare +teekens bestaat, heet het schrift. + +2. De aanleiding tot reproductie van gedachten kan op twee wijzen +zichtbaar gegeven worden: a) door de voorstellingen, waaruit de +gedachten bestaan, deels naar de natuur deels symbolisch, af te +beelden; b) door de woorden, waarmede zij gedacht zijn, door teekens +voor te stellen. In het laatste geval heet het middel woordschrift +of eenvoudig schrift. + +Wanneer in het woordschrift eene geheele lettergreep door één teeken +voorgesteld wordt, noemt men het syllabenschrift; doch wanneer de +woordklanken in hunne ondeelbare bestanddeelen, in letterklanken, +opgelost, en iedere zoodanige letterklank door een afzonderlijk +teeken voorgesteld wordt, dan heeft men letterschrift. De meeste +beschaafde talen hebben letterschrift aangenomen, maar niet alle +hebben het beginsel consequent volgehouden. Daar het Nederlandsch +de x, die twee ondeelbare deelen, k en s, te gelijk voorstelt, niet +meer in echt Nederlandsche woorden bezigt, kan men zeggen, dat het +een zuiver letterschrift heeft. + +3. De eigenlijke woorden zijn klanken, d.i. golvingen der lucht, +die het trommelvlies doen trillen en zoodoende de gehoorzenuwen +aandoen; zij zijn dus ook werkingen, die evenmin als de gedachten +duurzaamheid hebben, maar telkens opnieuw geproduceerd moeten +worden. Het letterschrift is de aanwijzing, hoe een woordklank door +de spanning en beweging der spraakwerktuigen moet worden voortgebracht. + +4. Een woord behoeft niet altijd uitgesproken te worden: bij het stille +denken en het onhoorbare lezen stelt men zich den klank slechts voor, +gelijk men zich een geheel muziekstuk voorstellen kan. Dit voorstellen +is, als alle denken, insgelijks eene voorbijgaande werking, eene +werking van den geest, tot welker reproductie het letterschrift +evenzeer als tot het luide uitspreken aanleiding geeft. + +5. De zichtbare voorstelling van een woord door letterteekens +wordt insgelijks woord genoemd. Een woord komt derhalve onder drie +verschillende vormen voor: als werkelijke klank, als voorgestelde of +gedachte klank, en als afgebeelde of afgeteekende klank. Men heeft dus +gesprokene, gedachte en geschrevene woorden; de beteekenis, die in alle +drie de gevallen dezelfde is, maakt den gemeenschappelijken band uit, +welke de drie vormen of toestanden tot één zelfde woord maakt. + +De gesprokene woorden, de hoorbare klanken, zijn en blijven de +oorspronkelijke, eigenlijke woorden, waarvan de gedachte en geschrevene +bloote navolgingen of kopieën zijn. + +6. Daar het schrift de aanleiding moet zijn om de woordklanken te +reproduceeren, zal een geschreven woord moeten bestaan in de opgave van +al de bestanddeelen van den woordklank, gerangschikt in de volgorde, +waarin zij onder het uitspreken vereenigd worden. + +7. De natuur van het letterschrift brengt derhalve mede, dat het +doel van het schrijven, namelijk de reproductie van gedachten, +aanvankelijk althans, slechts langs eenen omweg bereikt wordt. Wie +leert lezen, moet het geschreven woord luide uitspreken, en eerst +de door hem uitgesproken en tevens door hem gehoorde klank verwekt +bij hem de daaraan verbonden voorstelling. Dezelfde noodzakelijkheid +om hardop te lezen blijft bestaan bij alle lieden, die slechts zelden +lezen. Een geoefend lezer echter behoeft dien omweg niet meer te maken: +een geschreven woord verwekt bij hem onmiddellijk de voorstelling van +den woordklank en tevens die van het bedoelde voorwerp, de bedoelde +hoedanigheid, werking of betrekking. De onmiddellijke verbinding van +het schrift met zijne beteekenis ontstaat nochtans bij ieder individu, +behalve bij doofstommen, eerst nadat de woordklank een geruimen tijd +het verbindende middel is geweest. + + Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord + met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van + personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot + stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen + letterschrift hebben kunnen uitdenken. + +8. De periode der woordschepping is reeds voor eeuwen gesloten; +nieuwe woorden worden alleen uit reeds bestaande stof gevormd. Het +leeren spreken van het kind bestaat dus in het leeren nabootsen van +de woordklanken, die het ouderen hoort uitbrengen, en het spreken van +ouderen is niets anders dan eene reproductie van dezelfde klanken, +is en blijft dus eene nabootsing. + +9. Daar nu de gehoor- en spraakorganen bij geene twee individuën +volkomen gelijk zijn, hoort ieder op zijne eigene wijze anderen de +woorden uitbrengen, en spreekt hij ze op zijne eigene wijze--soms +zeer gebrekkig--na. Vandaar dat de individuën aan hunne spraak +onderkenbaar zijn. + +10. Doch niettegenstaande dit persoonlijke onderscheid in het spreken, +bestaat er ten gevolge der nabootsing eene groote overeenstemming in de +uitspraak der inboorlingen van hetzelfde dorp, dezelfde stad, hetzelfde +gewest. Deze overeenkomst onderling en het verschil met de uitspraak +van verder afgelegen plaatsen en streken veroorzaken de onderscheiding +van de zoogenoemde plaatselijke en gewestelijke tongvallen, dialecten. + +11. Beschaafde lieden, die eene meer zorgvuldige opvoeding +hebben genoten, wier gehoor meer verfijnd, wier spraakorganen meer +geoefend zijn, spreken doorgaans zachter en lieflijker dan de minder +bevoorrechte standen. Daardoor komt bij hen het eigenaardige, dat den +tongval van de plaats hunner inwoning kenmerkt, minder scherp uit, +zoodat het verschil der dialecten grootendeels wegvalt. Op die wijze +ontstaat er eene zoogenaamde algemeene beschaafde uitspraak, die het +gansche land door, naast de gewestelijke, min of meer heerschende +is. En doordien beschaafde lieden, vooral in geschrifte, zich ten +behoeve der duidelijkheid doorgaans onthouden van woorden, die +uitsluitend in hunne woonplaats in gebruik en elders onbekend zijn, +vormt zich nevens de taal des volks een nieuwe taalvorm, waarin de +beschaafde uitspraak heerscht, en die als een afzonderlijk dialect, +dat der beschaafde standen, te beschouwen is. Voor zooverre dit dialect +zich in geschrifte openbaart, noemt men het de schrijf- of boekentaal. + +12. Wanneer zich in eene taal eenmaal zulk eene beschaafde uitspraak +heeft gevestigd, maakt het eigenaardige van een dialect, als het wat +sterk uitkomt, meestal een min of meer onaangenamen indruk op den +beschaafden hoorder; vooral wanneer in de plaats zijner geboorte of +langdurige inwoning een andere tongval heerscht. Deze omstandigheid +heeft bij alle beschaafde volken aan de beschaafde uitspraak eene +hooge waarde gegeven en de dialecten in dezelfde mate in achting doen +dalen. Uit zijnen aard staat het algemeene hooger dan het bijzondere +en moet het bijzondere voor het algemeene wijken, in de taal en de +taalkunde zoowel als in de maatschappij en de staathuishoudkunde. + +13. Eene zuivere uitspraak is verschillend van eene beschaafde +uitspraak. Sommige lieden kunnen uit hoofde van organische gebreken of +uit gemis aan oefening enkele bestanddeelen van woorden niet duidelijk +onderscheiden, en meestal ten gevolge daarvan, niet goed uitspreken; +dezen hebben dan eene gebrekkige uitspraak. Wie iederen letterklank +zoo uitbrengt, als door het meerendeel der natie geschiedt, heeft +eene zuivere uitspraak. Onbeschaafden kunnen in weerwil van ruwheid +en grofheid in hunne spraak eene zuivere, beschaafden omgekeerd +eene gebrekkige uitspraak hebben. Eene uitspraak kan, in zooverre +zij gebrekkig is, natuurlijk niet als een bestanddeel der algemeene +beschaafde uitspraak gerekend worden. + +14. Ofschoon het schrift, als de zichtbare voorstelling der spraak, +zich naar deze moet richten en van haar afhankelijk is, werkt het +desniettemin op haar terug en heeft het omgekeerd invloed op de spraak +en zelfs op de geheele taal. + +15. Immers, daar het schrift de woorden in hunne bestanddeelen ontleed +moet voorstellen, noodzaakt het in de eerste plaats den schrijver elk +woord, dat hij schrijven wil, in zijne deelen op te lossen en deze, +behoorlijk achter elkander gerangschikt, voor te stellen. Vervolgens +geeft het den lezer deel voor deel in de vereischte volgorde te zien, +en noodzaakt het hem die deelen zelf samen te voegen. Zoodoende +brengt het schrift de bestanddeelen en den vorm der woorden tot het +bewustzijn der lezers en schrijvers. Die bewuste kennis der deelen +maakt, dat men ze bepaalder articuleert, aan ieder beter zijn eisch +geeft, en dus ook duidelijker spreekt. + + Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner + bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met + groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen + door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen, + die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het + schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft. + +16. Daar men onder het lezen altijd min of meer overeenkomstig het +geschrevene uitspreekt, bevordert eene eenparige spelling, die met +de beschaafde uitspraak in overeenstemming is, noodwendig de eenheid +in het spreken en de uitbreiding der beschaafde uitspraak onder +de mindere standen. Omgekeerd kan het schrift ook strekken om de +uitspraak te bederven. + +17. Doordien het schrift iets voortdurends is, waarnaar men zich +in het lezen en daardoor ook in het spreken min of meer regelt, +geeft het meer bestendigheid aan de taal; het kan wel is waar de +langzame verandering, waaraan iedere levende taal onderworpen is, +niet verhinderen, maar het behoedt haar voor een al te snel verloop. + +18. Het schrift, een blijvend iets, geeft de woorden in verschillende +vormen, betrekkingen en opeenvolgingen te zien. Zoodoende stelt het +den belangstellende in staat die onderscheidene vormen, betrekkingen +en opeenvolgingen op zijn gemak te beschouwen en te vergelijken, +en de wetten op te merken, volgens welke de woorden veranderen, +gebruikt en gerangschikt worden. Blootelijk gedachte of gesproken +woorden kunnen niet worden vastgehouden en zijn daardoor moeilijker +waar te nemen en te vergelijken. + +19. Daar alle kennis van iets alleen kan worden verkregen door dat +iets met andere dingen te vergelijken, en alleen het schrift tot +eene behoorlijke vergelijking der woorden onderling in staat stelt, +moet het beschouwd worden als de aanleidende oorzaak tot het nadenken +over de taal en als de onmisbare voorwaarde van alle wetenschappelijke +taalkennis. + +20. De geest kan alleen gedachten die hij begrijpt in zich opnemen en +bewaren. Tot het rechte verstand eener gedachte is noodig, dat de geest +iedere voorstelling, die er in voorkomt, van alle andere onderscheidt, +en haar plaatst bij andere voorstellingen, die van denzelfden aard +zijn, haar kunnen ophelderen en duidelijk maken. Dit onderscheiden der +voorstellingen en haar opnemen in de klasse, waartoe zij behooren, +heet appercipieeren. Apperceptie is derhalve volstrekt noodig tot +het verstaan eener gedachte. + + Appercipieeren is de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het + dagelijksch leven nu eens leeren kennen, dan onderkennen, dan + herkennen heet. + + Daar een woord een klank is, waaraan eene beteekenis is verbonden, + en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het + eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen, + en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen. + +21. Het schrift, als iets zichtbaars, is aan de apperceptie der woorden +bevorderlijk, wanneer het hetzelfde woord steeds op dezelfde wijze +voorstelt, de gelijkluidende woorden verschillend spelt, en door +eene verstandige keus van letters aan andere woorden van verwante +beteekenis herinnert. + + Men denke hier aan lijden en leiden, nog en noch. De spelling + lijden met ij brengt min of meer in de gedachten al de + verschillende voorstellingen, die aan lijder, lijdzaam, lijdelijk + enz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het + woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt. + + Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren, + b.v. wanneer men lijden met ei spelt en zoodoende aan leiden, + leiding, leidsman, leidster doet denken. + +22. Indien aan het schrift een zoo groote invloed op de taal moet +toegeschreven worden, indien het ook het opnemen der gedachten kan +bevorderen of vertragen, dan verdient de wijze, hoe men schrijft, +een voorwerp van ernstige overweging uit te maken. + +23. De wijze waarop eene taal geschreven wordt, heet hare Spelling. Ook +het hoofddeel harer grammatica, dat de wetten en voorschriften bevat, +waaraan men bij het schrijven gehoorzaamt, wordt de Spelling genoemd. + + Door eene wet verstaat men in de wetenschappen niet een bevel, + door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule, + die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard + geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin + de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het + wezen en het doel van het schrijven voortvloeit. + +24. De spellingwetten zijn deels noodwendige uitvloeisels van het wezen +en de natuur van het schrift in het algemeen en van het eigenaardige +der bijzondere taal; deels bestaan zij in min of meer willekeurige +voorschriften, die door eene langdurige gewoonte (usus) kracht van +wet hebben gekregen en niet meer te veranderen zijn. De eerstgenoemde +soorten noemt men de algemeene, de laatste de bijzondere spelregels. + +25. Wanneer een aantal bijzondere regels onder éénen algemeeneren +of hoogeren regel kunnen gebracht worden, die kan worden beschouwd +als een aangenomen grondbeginsel waaruit de bijzondere regels zijn +afgeleid, dan verdient dat hoogere grondbeginsel insgelijks den naam +van algemeenen spelregel. + +26. Daar de spelling aanvankelijk voor een groot gedeelte van het +goeddunken der eerste schrijvers afhing, schijnen de bijzondere +spelregels naar willekeur veranderd en een spellingstelsel tot +een hoogen trap van volmaaktheid gebracht te kunnen worden. Dat +veranderen is echter inderdaad slechts mogelijk bij voorschriften, +die maar eenige weinige woorden betreffen, wier toepassing derhalve +hoogst zelden gevorderd wordt, en welke dientengevolge niet eens +helder in het bewustzijn van het volk liggen. Maar heeft een regel +een uitgebreid gebied, betreft hij een groot aantal woorden, is dus +zijne toepassing door gewoonte eene tweede natuur geworden, dan geeft +eene wijziging van dien regel aan het geheele schrift een ander, +een vreemd voorkomen, dat het oog kwetst, zoolang het er niet aan +gewend is; daarom zijn velen niet te bewegen om die verandering toe +te passen, dewijl dit gelijk zou staan met het afleggen eener oude +gewoonte. Veelomvattende hervormingen vinden nimmer ingang bij een +geheel volk, maar verdeelen de schrijvenden in partijen, en verbreken +of verhinderen de wenschelijke eenparigheid van spelling. + +27. De grammaticus heeft derhalve de spelling te beschouwen als een +bestaand en gegeven iets, waaraan hij niets wezenlijks vermag te +veranderen. Wil hij verstandig zijn, dan neemt hij de spelling aan, +die algemeen of door de groote meerderheid gevolgd wordt; omdat hij, +anders handelende, zijn doel toch missen en de zaak niet verbeteren, +maar veeleer verergeren zou. + +28. Een volkomen rationeel en consequent spellingstelsel is een +ideaal, hetwelk, verwezenlijkt, toch slechts zeer korten tijd zijne +hooge voortreffelijkheid zou behouden, doordien de taal onafgebroken +verandert, en de spelling die langzame veranderingen niet op den +voet volgen kan, vermits deze eerst na eenig tijdsverloop duidelijk +kenbaar worden. + +29. Doch het volgen van de bestaande spelling brengt niet noodwendig +mede, dat de grammaticus juist alle gebreken en onregelmatigheden +mede moet overnemen. Wanneer hij willekeurige uitzonderingen op +geldige regels opmerkt, onregelmatigheden in het schrijven van enkele +woorden, waarvoor geene reden, hoe ook genaamd, is te ontdekken, +maar die kennelijk aan onkunde of aan eene verkeerde toepassing van +verstandige en erkende regels zijn toe te schrijven, dan kan niemand +hem euvel duiden, dat hij zijn beter inzicht volgt. Dan is het veeleer +zijn plicht anderen op die weinige gebreken opmerkzaam te maken, +en door zijn voorbeeld mede te werken om het spellingstelsel zooveel +mogelijk te zuiveren. + +30. De meeste der hier bedoelde alleenstaande gebreken worden +aangetroffen in onopgemerkte, bijna vergeten woorden, die in de +algemeene schrijf- en boekentaal zelden worden gebruikt en daardoor +aan de aandacht der taalkundigen ontsnapt zijn. Die onregelmatigheden +zijn ontstaan òf doordien men den regel voorbijzag, waaronder het +woord behoort; òf doordien men, den aard van het woord miskennende, +een verkeerden regel volgde; òf doordien men den regel zelven verkeerd +opvatte en toepaste. De verbetering der spelling van zoodanige woorden, +waarbij òf geene òf eene verkeerde toepassing van regels plaats +had, kan aan geen bezwaar onderhevig zijn noch grooten tegenstand +vinden, omdat zij betrekkelijk weinig in getal zijn en, op weinige +uitzonderingen na, zelden gebruikt worden. + +31. Grootere moeilijkheden baren die woorden, die volstrekt niet +onopgemerkt zijn gebleven, maar wier schrijfwijze tot de betwiste +punten behoort. Hier moet de grammaticus eene keus doen; en wat zal +hem bij zijne keus besturen? Wanneer eene der beide verschillende +schrijfwijzen in eene der categorieën van de boven bedoelde +onopgemerkte woorden valt, wanneer òf het woord òf de regel verkeerd +is opgevat, dan behoeft hij niet te weifelen; maar hoe te handelen, +wanneer voor beide spellingen geldige redenen zijn aan te voeren? In +dit geval blijft er natuurlijk niets anders over, dan de tegenstrijdige +regels aan de algemeene spellingwetten te toetsen en die spelling aan +te nemen, welke blijkt door eene hoogere wet te worden voorgeschreven. + +32. Uit het gezegde volgt, dat het vóór alles noodzakelijk is de +algemeene spellingwetten of spelregels in oogenschouw te nemen en hunne +onderlinge verhouding op te maken en te bepalen. Dit kan geschieden, +wanneer men die wetten uit het wezen en de natuur der spelling afleidt. + + + + +De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding. + + +33. Het schrift is, als uitgedacht middel, een kunstproduct, dat +aanvankelijk door den wil des menschen bepaald werd en daarvan steeds +afhankelijk blijft. Als zoodanig reeds behoort het onderworpen te +worden aan de voorschriften der Aesthetica. Die onderwerping blijkt +eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, wanneer men in aanmerking +neemt, dat het schrift invloed heeft op de uitspraak en tevens de +zichtbare vorm is, waaronder een aantal voorwerpen van kunst (dit +woord in hoogeren zin genomen), namelijk alle voortbrengselen der +dichtkunst en der welsprekendheid, zich vertoonen. Het schrift kan +inderdaad bevorderlijk of hinderlijk zijn voor het verwekken van +het schoonheidsgevoel. + +34. Het is de bestemming van het schrift niet, het schoonheidsgevoel +te streelen, het bestaat eenig en alleen voor een practisch doel, +dat geheel buiten het schrift zelf ligt. Dit bepaalt de eischen, +die de aesthetica aan het schrift stellen mag. Doelmatigheid is +dientengevolge de eerste, de hoofdeigenschap, waaruit alle andere +moeten voortvloeien en waaraan zij moeten onderworpen zijn. + +35. De overige voorschriften der aesthetica, die niet alle rechtstreeks +uit de doelmatigheid kunnen afgeleid worden, zijn meer negatief dan +positief; zij verbieden slechts wat het schoonheidsgevoel kwetsen +kan. Dit nu wordt beleedigd, behalve reeds door ondoelmatigheid, ook +door onregelmatigheid, onwaarheid en wanluidendheid. Door onwaarheid +is hier te verstaan gebrek aan overeenstemming tusschen het afgebeelde +en de afbeelding, namelijk tusschen de woordklanken en het schrift; +ook de doelmatigheid vordert die overeenstemming. Het schrift kan +wel niet zelf wanluidend zijn, maar het kan aanleiding geven tot +eene onwelluidende uitspraak, wat natuurlijk zooveel doenlijk moet +vermeden worden. + +36. De aesthetica eischt derhalve van de spelling doelmatigheid, +regelmatigheid, waarheid en welluidendheid, dat wil zeggen +overeenstemming (harmonie) tusschen de middelen en het doel, tusschen +de middelen onderling, tusschen de afbeelding en het afgebeelde, +tusschen het schrift en eene welluidende uitspraak. + +37. Het doel van het schrift is het veroorzaken eener reproductie +van gedachten, dus het veroorzaken eener werking van den geest. De +aard van het doel verwijst derhalve de spelling naar de lessen, +die de Psychologie aangaande de reproductie der gedachten geeft. + +38. Wij hebben reeds boven gezien, dat gedachten niet begrepen, niet in +den geest opgenomen worden, wanneer de apperceptie der voorstellingen, +waaruit zij bestaan, achterwege blijft. De psychologie legt derhalve +aan de spelling, zal zij zoo doelmatig mogelijk zijn, als plicht op, +de apperceptie, zooveel in haar vermogen is, te bevorderen. + +39. Daar alle spreken eene nabootsing der beschaafde uitspraak +behoort te wezen, en het schrift in de eerste plaats de aanwijzing +tot het spreken is, moeten de geschreven woorden, zullen zij aan hun +doel beantwoorden, de beschaafde uitspraak vertegenwoordigen. Op dit +vereischte berust de spelregel, dien men den Regel der beschaafde +Uitspraak pleegt te noemen. + +40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden: + +Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor; d.i. geef door +letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden, +wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies +in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld, +het naastbijkomende letterteeken. + + a. De bedoeling der woorden beschaafd en zuiver is duidelijk.--De + beperking van den regel tot het volgen van de beschaafde + uitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast + de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen + en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene + plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan + de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere + voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene + slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal + zou begrepen worden.--Van vele woorden bestaat slechts ééne, + en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve + tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische + woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik, + maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden + uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden + zij--doorgaans bastaardwoorden--verschillend uitgebracht, + dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te + beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen, + dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr. contrefort), + bij de schoenmakers komfoor, komfoord of komfoort; volgens den + regel moet de laatste uitspraak, mv. komfoorten door de spelling + voorgesteld worden. + + b. Het woord zuiver moet dienen om aan eene uitspraak, die ten + gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters + verwisselt, weglaat of invoegt, en dus onzuiver is, allen invloed + op de spelling te ontzeggen. + + Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook + af te keuren, iets anders dan onzuiver spreken. Zoolang in + eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord + als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed + op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis + in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer + (Orthographie). + + Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt + zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene + spellingleer te doen gelden. + + c. De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit + het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd- + en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is + tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit + dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader + bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die + tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen. + + De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige + regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen. + +41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten +volgt, dat alleen zij beslist, en dat de andere dialecten slechts in +twijfelachtige gevallen eene raadgevende stem kunnen hebben. Wanneer +eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de +afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien +der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen +invloed oefenen. + + De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den + strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig + aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te + bevoorrechten, verbiedt de billijkheid. + +42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen +nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer +wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig, +dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor +te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de +spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak +blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduid worden. Het schrift stelt +dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan +uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele +eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna +onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken, +veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door +hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden. + + a. De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen + gevoelen, zijn de n en de zachte onder de zoogenaamde verwante + medeklinkers, met name de b, d, g, v, en z. + + b. De n klinkt geheel anders in zoon en mijn dan in tang en dank, + of in franje, kransje, hondje. + + c. De b, d, g, v, en z worden aan het einde eener lettergreep en + in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe + letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg als p, t, + ch, f en s luiden, de v en z meestal zelfs in f en s overgaan. Men + vergelijke been met schub, krab, hebt, hebzucht; daar met raad, + gids en blijdschap; goot met oog, oogtand en zegt; vel met diev + (dief), leevt (leeft) en ontvangen; zeel met leez (lees), vreezt + (vreest), raadzaam en ontzinken. + + d. De g wordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord + eene n voorafgaat, b.v. in tang, hij zingt. + + e. Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die + somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men + vergelijke de w in wijn, flauw, schuw en schuwer; de s in saai, + stijfsel en raadsel; de m in man, kom, hemd, en komt; de l in land, + stoel en melk; de f in fraai en straf; de i in inkt en koning. + +43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist +weder te geven, het is ook onnoodig en zou buitendien ondoelmatig zijn. + +Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken is onnoodig, omdat +men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de +uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het +ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij +het samenvoegende uitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid +te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der +elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat. + +Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het +bedoelde woord herkennen kan. + +44. Uit het gezegde in § 9 blijkt a priori, en de ondervinding leert +a posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener +taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die +uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze +pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten +behoeve van den vreemdeling. + +45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om +verschillende redenen ondoelmatig zijn. + +a. Zij zou voor velen het schrijven onmogelijk maken. Immers, indien +men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en +nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou +het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of +er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik +dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen +bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen. + +b. Het zou voor allen, zonder uitzondering, het schrijven en +lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der +vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden +ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de +veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan +het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten, +en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote +oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan +zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne +pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten +spreken om zich zelven te beluisteren, ten einde den waren klank +te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het +woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te +verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare +vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken. + +c. In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der +samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift +zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie +der woorden kan opleveren. + +46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist +behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om +een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak +gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die der +Gelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel +der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere +regels; daarom schrijft men b.v. koninklijk, afhankelijk, gezocht, +van koning, afhangen en zoeken; gracht voor graft, van graven. + +47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging +van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die +regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te +dienen. Vooreerst toch doet de doelmatigheid strengere eischen dan het +slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo +vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid +herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en +het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de +keus uit zoogenaamde gelijkluidende letterteekens moeten bepalen. De +Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder +zich, die hem verklaren en aanvullen. + + a. De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank + maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne + waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De + bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die + eischen. + + b. Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch + uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat + reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk + de i en y, c en k, c en s, x en ks; terwijl ph, th en qu door + ons gelijkgesteld worden met f, t en kw. Vervolgens zijn eenige + oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen + allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens, + voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te + weten de zachte e en o en de scherpe ee en oo, en de tweeklanken ij + en ei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde + letters bepalen. + + c. Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamde + verwante medeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten + voorkomen. De zachte, de b, d en g, worden dan verscherpt en + naderen zoozeer tot de scherpe, tot de p, t en ch, dat zij in de + uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn. + + d. Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen + klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van de a uit de + vergelijking van dàg met dágen; van de e, uit de, bèd en dégen; + van de i, uit pìn, títel en zandig enz. + + e. Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als + tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te + veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken + uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een + zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen. + + f. De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij + het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens + te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden + algemeenen spelregel, op dien der Gelijkvormigheid en dien der + Afleiding. + +48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de +exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds +denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe +een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden +herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel +anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonen +vorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst +na eenig weifelen plaats. Met de woorden is het evenzoo gelegen. Wie +het woord consequentie nooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal +eenige oogenblikken in twijfel staan, als hij konzekwency geschreven +vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene +spelregel, die der Gelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds +meer en meer is geëerbiedigd geworden. + +49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus: + +Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder +deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor +de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden. + +De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen +te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hun geheel, het laatste +hunne bestanddeelen betreft. De regel wordt dan: + +a. Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of +vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters. + +b. Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde +aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds +dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling +voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog +als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis +hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden. + + a. Overeenkomstig het voorschrift a) spelt men dag, des dags, ten + dage, dagen; glad, gladde, gladder, gladst; zeg, zegt, gezegd, + zeggen; niet dach, des dachs; glat, glatst; zech, zecht, gelijk + oudtijds wel placht te geschieden. + + b. Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft men vijlsel + van vijlen; verleiding van verleiden; raadzaam van raad, door + aanhechting van zaam; hoofddeel uit hoofd en deel; niet veilsel, + verlijden, raatsaam, hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de + laatste schrijfwijze zou belemmerd worden. + + c. Het voorschrift b) ontraadt te spellen weereld voor wereld, + Duidsch voor Duitsch, diedsch voor diets, begicht voor biecht, + omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere + regels aandruischt, en de woorden weer (man), died of duid (volk), + giën (zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis + door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt, + maar veeleer verduisterd zou worden. + + d. De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat" is aan beide deelen + gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde + Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven: andbacht voor ambacht en + ambt; heertog voor hertog; paarlemoeder voor paarlemoer; gezoekt, + gekoopt, voor gezocht, gekocht enz., omdat die vormen met de + uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn. + + e. Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels + dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding + noemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, de afleiding + in acht te nemen. De benaming Regel der Gelijkvormigheid verdient + echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den + regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het + in a) bedoelde omvat, hetwelk door den naam Regel der Afleiding + buitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste + uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel, + die werkelijk uitsluitend op de afleiding gegrond is. + + f. De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de + bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk + meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien + hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der + medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters + der veranderlijke woorden tot de verwante medeklinkers behooren, + en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of + verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk boven a en b. + +50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der +sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou +zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook +niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen, +die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers +aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe +gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik +der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom de t in ooit, voort, +voorts, want, de ch in doch, toch, enz. + + Door onverbuigbare woorden (indeclinabilia) worden hier + verstaan alleen die woorden, die van nature onverbuigbaar zijn, + als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels, + niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden, + als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende, + alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het + substantief was (cera) en het adjectief kwijt b.v. behooren niet + tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan. + +51. De doelmatigheid zou nog een anderen regel voorschrijven, wier +opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en +dien men den Regel der Onderscheiding zou kunnen noemen. Deze zou +eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden +(homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter +in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene +geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien +meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is +b.v. niet mogelijk arm (niet rijk) anders te schrijven dan arm +(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijn zugt (zware ademhaling) +te onderscheiden van zucht (begeerte), maar hoe dan zugt of zucht +(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken? Waaren (koopgoederen) +en (wij) waren zou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar de +aa strijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit +blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerste waren met ééne, +het tweede met twee a's te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding +der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch +belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu +toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik, +verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door +een anderen regel gevorderd wordt. B.v. delen (planken) en deelen +(gedeelten), beren (verscheurende dieren) en beeren (varkens), sleepen +(doen slepen) en slepen (gesleept worden). + +52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraak en die +der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk +uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere +spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk +van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de +algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een +programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen +kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel +behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen. + +53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband +staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen, +dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel, +beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels +willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien +men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties +behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van +gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar +die letters, opgenoemd in § 47, voor veler oor en mond volkomen +denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde +Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen +eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige, +zonder de letters zelve te bepalen. + +54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling +vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel +heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt, +den Regel der Afleiding kan noemen: + +Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of +de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog +duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene +andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken. + +55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld +hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te +werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu +met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige +als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier +nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden +toestand te eerbiedigen. + +56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan +van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen +door de spelling te onderscheiden; men denke aan weken, mv. van week, +en weeken, ww.; aan kolen en koolen, lijden en leiden. + +57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een +noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd, +veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen +moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in +strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak. + +58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de +spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie +niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het +raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden, +waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen, +mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware +uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden; +b.v. kerstmis voor kersmis, bestje voor besje, amechtig voor aamechtig, +slaphakken voor slabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het +volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op +dien grond is Dinsdag, oudtijds Disendag (verbasterd uit Diesdag), +van den krijgsgod Die, te verkiezen boven Dingsdag, dat ten onrechte +aan ding of geding doet denken. + +59. De laatst gestelde algemeene regel (die der Afleiding) is +natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleiding of oudere +vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen +regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of +onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven: +te weten den Regel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus +moeten luiden: + +Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men +overeenkomstig de analogie; d.i. de woorden wier spelling noch door +de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding +wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere, +wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op +overeenkomstige wijze gevormd zijn. + +60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift +voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der +grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in +strijd met een der vorige regels. + +61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele +twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de +eene of andere zijde doen overhellen. In § 14 is reeds aangemerkt, +dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan +afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst +leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook +later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van +den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf +geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in +de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft +dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en +gedwongene, dat wil zeggen onwelluidende, uitspraak. Waar de spelling +vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift +zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer +blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en +te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit +opzicht betere spelling mogelijk is, en--dit moet op den voorgrond +blijven--door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus, +waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet +gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen, +die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding +geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in +twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien +der Welluidendheid zou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt +te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van +het begrip, dat hier aan het woord welluidend moet gehecht worden. + +62. Het woord welluidend is hier natuurlijk niet in zijn algemeensten +zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer +eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het +beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het +zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te +hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en +dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van +eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van +een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt. + +Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling +zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander +doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer +bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke +andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men den +Regel der Welluidendheid in de volgende bewoordingen vervatten: + +Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan +geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat +rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak +het best vertegenwoordigt. + +63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende +redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de +duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene +letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer +gehoord worden. + + Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende + schrijfwijzen goed te keuren: thans, bijkans, Parijsche, Friesche, + wijste, frischte, meisje, handje enz., voor thands, bijkants, + Parijssche, Friessche, wijsste, frischste, meisjen, handtje enz. + +64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet +toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op +eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der +eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat in +straffen de beide f's gehoord worden, omdat strafen de uitspraak +strá-fen voorstelt; in geenszins wordt, hoewel niemand geens-zins +uitspreekt, de s toch gehoord, dewijl zij de volgende z verscherpt, +zoodat het woord als geensins luidt. + + + +65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe +men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven +aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar +die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het +schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte +noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe +regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het +toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere +of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene +ongewone spelling steeds een onaangenamen indruk maakt, dan blijkt de +onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eener +beperking van de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve, +gelijk reeds in § 27 en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien +een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling +in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan +ook reeds Siegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond, +een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te +beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik". Die regel, +of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden: + +De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk +in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der +gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende +en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal +woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin +terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels +volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven, +zoolang het gebruik niet vanzelf verandert. + +66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag +worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het +Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het +ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een +uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie +of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van +den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk, +en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd. + + a. Zoo is b.v. de spelling thans (uit te hande), met eene h, die + niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, en thands, met + eene d er in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef, + omdat men in hand eene h en eene d hoort. De ch in tusschen + is door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te + schrijven, in dit woord werkelijk eene ch uitsprak. Niet gewettigd + daarentegen is de schrijfwijze Dingsdag, als steunende op eene + valsche etymologie, die den Dinsdag voor den dag der rechtsgedingen + hield. Evenmin is de spelling te samen te verdedigen, ofschoon + men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts + eene verkeerde toepassing is der analogie met samenkomst, samenzijn + enz., waarin de s wettig is, als ontstaan zijnde uit tz. + + b. Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend + en den Regel van het Gebruik genoemd. Wel beschouwd echter voldoet + het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen + voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; het Gebruik + schrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men + eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt, + maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt. + +67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft, +vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet +roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal +moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele +omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van +het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet +willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe +spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch +voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband +staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet +worden aanbevolen. + +Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze +moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede +schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene +kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven. + + + +68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak +drieërlei spelling bestaat: + +1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak, naar of +volgens de uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde +Uitspraak voorgeschreven, b.v. die van al, as, bal, bast enz., welke +woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden; + +2. eene spelling, niet geheel volgens de uitspraak, niet juist zóó +door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar +met haar vereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak, +ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander, +vanzelve volgt; vergelijk § 42 en het slot van § 43. Tot deze soort +van spelling behooren b.v. abt, werelddeel, staatdame, geenszins; en + +3. eene spelling, gedeeltelijk volstrekt strijdig en onvereenigbaar +met de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt +gewild; b.v. menschen, tusschen, thans, vijftig, zestig. + + + +69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de +natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen. + +De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar het schrift +de reproductie der woordklanken ten doel heeft (zie § 2 en 3), is +een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans, +niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der +Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is de Natuurwet der +Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat +er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden, +geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen. + +De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk +de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks +spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak +wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der +Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te +verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs +wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt +zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde. + + a. Van tallooze woorden, als af, bel, doek, enz., waarvan geene + andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak + geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten + gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters; + b.v. van boekbindersknechten, kuipershandwerk, worden alleen de + ch en de d niet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven, + dewijl ook g en t daaraan zouden beantwoorden. + + b. De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond + en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt in dag + eene g, en in hoofddeel twee d's, alleen omdat men in dagen + eene g, en in hoofd en deel beide eene d hoort.--De Regel der + Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil twee e's in deelen + (gedeelten), doch ééne in delen (planken), alleen omdat die + woorden voorheen verschillend luidden, het eene dail, het andere + dil.--De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der + Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl + die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling, + dat het schrift de uitspraak voorstelt.--Zelfs in die gevallen, + waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren, + doet de uitspraak zich gelden. Men schrijft tusschen met eene + ch, en thans met eene h, alleen omdat men vroeger die ch en h + werkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der + uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen. + +70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels, +zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar +met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik +(vergel. § 68, nº, 3). + + Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak: abdij, + ambt, herberg, behendig, overtollig, gekocht, wierook, bruiloft, + hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleiding abtij, + andbacht, heerberg, behandig, overtallig, gekoopt, wijrook, + bruidloopt zou vorderen. + + Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde + Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste + alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het + geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om + de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen. + +71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt +gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit +gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle +afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden op +b, p, d, t, g en ch regelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet +strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden +en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is. + + Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder + meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen, + waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat + hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder + den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de + Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare + inachtneming nuttig is. + +72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk +en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een +anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit +zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat +slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden +wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke +eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt +is, die der Analogie en der Welluidendheid, vervullen geene onmisbare +behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen +van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam +verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der +bewoners getuigen. + +Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe, +omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel +der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt +o.a. de spelling der vele woorden, waarin ij's en ei's, en in opene +lettergrepen heldere e's en o's voorkomen. Dan moet de Regel der +Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar +al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid, +welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de +laatste rang overblijft. + +Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de +toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst +melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze +had leeren kennen. + + + + + + +TWEEDE AFDEELING. + + +Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen +bestaat. + + +Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en +28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in +Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft +aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het +overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze +Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, +die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van +de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene +spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil +van gevoelen bestaat. + + + +De klinkers. + +73. De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen geschiedt buiten +twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spelling aa +en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie +gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient +dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Aa stelt denzelfden zuiveren +klank voor, die door a wordt aangeduid. Bij ae is men geneigd te +denken aan de naar e trekkende uitspraak der landlieden in sommige +streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamsche a zou door ao moeten +afgebeeld worden. Vergelijk Taalgids, IV, blz. 54-64. + + + +74. De spelling blaauw, flaauw enz. stelt eene uitspraak voor, die niet +de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en +stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve +niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door +velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan +te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt +en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht +van bestaan heeft; vergelijk § 66. Wij schrijven derhalve blauw, +flauw, gauw, grauw, klauw, lauw, nauw, pauw, rauw, knauwen, krauwen +enz. met au. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de +gebruikelijke schrijfwijze dauw en kauw op, die meer in overeenstemming +is met de gewone uitspraak, welke veeleer ou dan aau doet hooren. + + + +75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der +taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der +e's en o's in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en Weiland +volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te +heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei +wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, +worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de +verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, +naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpe e en o van den +eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het +oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het +eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl +de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg +gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren +kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus +hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in +dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder +andere uit de wijze, waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te +gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van +gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijne Verhandeling +over de Spelling aan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al +die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in +de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne +getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór +en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming +zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; +maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, +waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, +ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen +woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden +onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk +bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen +toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak +niet zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector +zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil +tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en +steden. Volgens het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten, +menigte, smeeken, spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen, +personen en schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; +terwijl men in deze provincie zoowel poogen als pogen en te Rotterdam +zoowel tonen als toonen zou hooren [3]. Dat er ten opzichte van +andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene +dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek +van Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich +gehouden achtte een aantal woorden, als deren, kelen, nering, peren, +scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven, bogen, +boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen. + +Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de +werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land +door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en +steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag +kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel +zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te +zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan +verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat +in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke +gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den +verschillenden oorsprong der e's en o's. Door de onderzoekingen der +nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den +Indo-Germaanschen volksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen, a, +i en u (lees: oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e +en o, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken +ontstaan zijn; zie onder anderen Bopp, Vergl. Gramm. des Sanskrit, +Send etc. §§ 1-104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche +vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen +alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen +natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles +duisternis en verwarring [4]. Doch al wil men haar ook al niet voor +alle Indo-Germaansche talen als geldig erkennen, ten opzichte van +het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig +uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken +onze e's en o's ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men +dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal +woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken. + +De verschillende oorsprong der e's en o's is de oorzaak van +het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene +vergelijking der Nederlandsche woorden, waarin e's en o's voorkomen, +met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij +in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat de e en +o beide drieërlei oorsprong hebben: dat de e eene wijziging van i, +a of ai, en de o van u (oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange +heldere of opene e's en o's uit de enkelvoudige, oorspronkelijke +klinkers a, i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, +behalve natuurlijk in de gevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamde +zachtlange klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken +ai en au aan erkende scherplange e's en o's beantwoorden. + +Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in +de geschiedenis onzer e's en o's en in hare verwisseling met andere +klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe +het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei +wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte +en nog een zweem van een tweeklank hebben.--Vervolgens, waarom de +zachtlange é met a en i en met de korte è, en de zachtlange ó met de +korte ò afwisselt, b.v. in stad--steden, vagen--vegen, gift--geven, +nicht--neef, spel--spelen, gebed--gebeden; ik kom--zij komen, +lot--loten; en waarom de scherplange e's en o's met de tweeklanken ei +(ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in gereed en bereiden, breed +en verbreiden, boom en bouwen, troost en vertrouwen.--Die waarneming +eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde +woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat +men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde +gehouden heeft; b.v. beer (ursus) en beer (verres); deel (pars) en +deel (asser); klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven +en meerv. van kloof); toonen (lichaamsdeelen) en tonen (klanken). + +76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten +den oorsprong der e's en o's als grondbeginsel der vocaalspelling aan +te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten: + +De ware uitspraak der e's en o's is niet op te maken uit de vroegere +schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, +omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming +ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en +den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder +en zal waarschijnlijk eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in +sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde +beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen +is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en +onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de +uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot +dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van +klanken had plaats gehad. + +Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten +opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt +zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat +zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen +aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of +West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of +Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der e's en o's een feit, +dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, +of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van +zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel +het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring +zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in +(ik) weet en (wij) weten oorspronkelijk verschilden, dat de e van +het enkelvoud vroeger ai, die van het meervoud i was; en toch worden +beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch +scherp, als ei of ij, in ik weit, wij weiten; elders zacht, in ik +weet niet anders dan in wij weten. Welke stad of landstreek zou aan +de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen +of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den +oorsprong der e's en o's als grondslag aan, dan behoeft er geene keus +gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men +is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid +in de uitspraak meer maken, en die de onderscheiding der zachte en +scherpe e's en o's als een last beschouwen. + +Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere +landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel +zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van +andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar +een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, +zich in zijn studeervertrek van den oorsprong der e's en o's kan +vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal +komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene +of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de +woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe +met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en +waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van +zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en +naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong +der e's en o's een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op +alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige +uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor +alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer +gehoord wordt, toegankelijk is. + +Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare +waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van +gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong der e's en o's is +gegrond op het onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au, klanken, +die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en +verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer +onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele +gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong +der e's en o's te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls +de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde +beschouwing wezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij +opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat +raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in +overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere +talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aan beenen en boomen +scherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitsch +bein en baum zegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, +dat onze eigene voorouders eenmaal bain en baum hebben uitgesproken; de +spelling beenen en boomen berust derhalve inderdaad op verschijnselen +in onze eigene taal. Vergelijk hier Taalgids, VI, blz. 153 v. + +77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last +is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent +het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, +maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten +voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op de a +en u toe te passen, en b.v. naast va-der, za-del, u-ren enz. jaa-ren, +daa-den, wij vuu-ren enz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke +redenen bestaan als voor de spelling bree-de, boo-men enz. Aan +die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen +overeenkomstig den oorsprong der e's en o's tot de stamlettergrepen +wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den +klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij, +dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon +hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl +een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen +klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel -loos, +hetwelk in goddelóós, zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen +klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen -eeren; -eel en -ees, +die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen, Japanneezen. Tot +het tweede geval behoort -heid, mrv. -heden, dat nooit den vollen +klemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, +waarin de schrijfwijze -eelen reeds is aangenomen, en die van -eezen +meer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling +-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich +sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds door +Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men +bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; +dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het +Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) +gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog een tweeklank +was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld +van Bilderdijk te volgen. + + Een achtervoegsel -eet, welks bestaan door enkelen beweerd + wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op -eet + eindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort de e + tot den stam des woords, en kan alleen de t als achtervoegsel + worden beschouwd. Deze is in paracleet, poëet, profeet, en ook in + komeet en planeet, een overblijfsel van het Grieksche suffix -tês, + lat. -ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; in compleet, + concreet, discreet, secreet, van het Latijnsche suffix -tus, + -ta, -tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen -êtês, + -etus enz. bestaan, is bij de woorden op -eet niet de regel voor + de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De + Redactie schrijft daarom met ééne e: poëten, profeten, concrete, + complete enz.; en om gelijke redenen met ééne o; astronomen, + oeconomen, horoscopen, telescopen, philanthropen, misanthropen, + heliotropen, theologen, philologen, enz. waarin noom, scoop, + anthroop, troop en loog verbasteringen van geheele woorden, + niet van achtervoegsels zijn. + +78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond +wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de +achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel +is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de +verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe +e's en o's, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de +zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u +(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen +van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van +het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpe e's en o's, +dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt. + +Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat +het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en +in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, +wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat +de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, +onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan +zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de +verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. in thee, +vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts +den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, +ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. in waarheid, waarlijk, arbeid, +armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar +geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkele e in -heden, +meerv. van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp +is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit +achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen +steeds door ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels +-eel, -ief, -iet en -iek eene e in kast-el-ein, subject-iv-iteit, +Jezu-it-isme, f-abr-ik-ant. + +De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden +regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men +oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken, +namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende +uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede +verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt +zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid. + +79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de +achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk, omdat hij gemakkelijk +is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden +toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, +tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers +de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de +achtervoegsels niet toegepast kunnen worden. + +Vooreerst toch zou het meervoud van -heid, goth. haidus, mv. haidjus, +hd. heit, mv. -heiten, volgens die beginselen twee e's moeten +hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, +dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaan +aangenaamheeden, boosheeden, kinderachtigheeden en zoo vele andere +-heeden met twee e's te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens +door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de +Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen +te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de +gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is. + +De uitgangen -eeren en -eel zijn bastaardachtervoegsels; en de e's, +die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige +zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee +lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste +twee e's vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk +eene e men te doen heeft. Wij hebben -eeren, mnl. -ieren, uit het +Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg +bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. De e van regeeren +schijnt die te zijn van fr. régner; maar mnl. regnieren, waaruit +regeeren ontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming +van die e te denken; en die in concipieeren is toch wel niet de oi van +fr. concevoir, noch die van farceeren de i van farcir. Het Fransch, +waarin de e's trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot +leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten +gaan. Doch dit heeft vier uitgangen: -âre, -êre, -îre en -ere; daarin +zijn â, ê, en î samentrekkingen van de lettergreep aja (skr. aya); +maar -ere heeft eene e uit de korte i ontstaan. Dienovereenkomstig +zou men communiceeren, doceeren, recenseeren, farceeren enz. met ee, +maar defenderen, fingeren, absolveren enz. met e moeten spellen. Zou +het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te +willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan +leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch +werkwoord beantwoordt, b. v, met trotseeren, waardeeren, stoffeeren? + +Bij -eel zouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan de e in +dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte +Latijnsche e of i: doch in conditioneel, crimineel, inaugureel, +origineel eene lange a. Deze is in criminalis en inauguralis weder +de samentrekking van -aja-; maar wat is zij in conditionalis en +originalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welke e hebben +wij in houweel, tooneel, fluweel? Hier zou in elk geval wederom +eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten +plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage +niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil +de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet +twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel +anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachte e's en o's laat +hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds +als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen +strekken abdij, soldij, tyrannij, azijn, dolfijn, venijn, paradijs, +patrijs, saucijs, profijt, practijk, gelei, karwei, livrei, qualiteit, +quantiteit, sociëteit, fatsoen, katoen, kapoen en kapuin, aluin, abuis, +fornuis, advies, commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, +dat oe en ie voorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren +en -eel evenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen +vorm -ieren. Ook -eel werd wel als -iel uitgesproken, blijkens de +gemeenzame taal in oude kluchtspelen; en gatenplattiel, karviel, +nevens karveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de +werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uit profiteeren +naast profijt, kopieeren naast kopij, praktizeeren naast praktijk, +abuseeren naast abúís enz.; zij veranderen niet in tweeklanken, +waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf +naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong der e's, waarop +men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijft cement, +lat. caementum, planeten, lat. planêtae, evengoed met eene enkele e, +als ceder, lat. cedrus. + +Het achtervoegsel -ees, fr. -ais en -ois, is lat. -ensis, na afwerping +van -is en uitstooting van de n. Het Nederlandsch pleegt na de +uitstooting eener n de voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs +een tweeklank van te maken; blijkens kiekhoest, bij Kiliaan, naast +kinkhoest; muid, in IJselmuiden, naast mond, in IJselmonde; kluit +naast klont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch, +Portugies. De verlenging der e geschiedt dus ook hier volgens den +aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel. + +Het achtervoegsel -loos, goth. en onrd. -laus, ags. -leás, moet, ook +volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed +als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, +eene scherpe o (oo) hebben. Een achtervoegsel -loos, -loze, met de +zachte o, dat los zou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft +de adjectieven loos, looze en los, losse zoowel in uitspraak als in +beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om +de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen. + +Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de +regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd +plaats bij de spelling van -heden, wat niemand met twee e's wil, +en ook niet behoeft te willen, dewijl de spelling met eene enkele +e in de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de +taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen. + +80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen +beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, +en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn: + + beer (verscheurend dier), mv. beren, onderscheiden van beer + (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren; + + deel (plank en dorschvloer), mv. delen, onderscheiden van deel + (gedeelte), mv. deelen; + + deemoedig; + + deesem; + + dwepen; + + eega; + + heep (soort van handbijl), mv. hepen; + + keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde als keel + (lichaamsdeel); + + keren (vegen); + + kwee (vrucht); + + meren (een schip vastleggen); + + sleepen (voorttrekken), causatief van slepen (gesleept of + voortgetrokken worden); + + droog, droge, droger, drogen; + + hoonen; + + klooven (doen splijten), causatief van klieven (in den verouderden + zin van splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof en + verl. tijd van kluiven; + + koozen, liefkoozen; + + kroon, mv. kronen; + + sloof (voorschoot), mv. slooven, onderscheiden van sloof + (sukkelaarster), mv. sloven; + + toon (muziektoon), mv. tonen, onderscheiden van toonen (wijzen) + en toon (teen), mv. toonen; + + troon, mv. tronen; + + vroolijk; + + zoogen (laten zuigen), causatief van zuigen, onderscheiden van + wij zogen, verl. tijd van zuigen. + +Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat de e in heer (dominus) en +keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en +oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, +om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene +verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke +woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur +is geworden. + +Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de +vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het +geheele spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie +in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk +en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat +bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal +bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd +de enkele e en o te gebruiken. Vergelijk ook § 26. Maar terwijl de +practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare +voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, +dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den +oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste +eischen der wetenschap beantwoordt. + + a. De Redactie was vroeger van meening, dat de e in begeeren zacht + was. Zij grondde haar gevoelen op de i in ohd. giric, onrd. girug, + enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachte + e zou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het + ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls + voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne + verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht + op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat + die ì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, + de lange î is, die in den regel onze ij heeft opgeleverd, behalve + vóór eene r, waar zij zich in ie (vroeger een tweeklank) oploste: + vergelijk wierook voor wijrook van wij(d)en; gier (roofvogel), + nhd. geier, ohd. gîr; schier in Schiermonnikoog, Schieringer, + schierroek, enz., ohd. scîr enz. Doch kan î de stam van begeeren + niet zijn, dan moet het gair wezen, dat in goth. gairuni, gairnjan + enz. voorkomt en de echte tweeklank ai blijkt te zijn. + + Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is de ie in + gierig verklaard, maar ook de a in mnl. begaeren en nnl. gaarne, + naast begeeren, geerne en gierig; en de vormen in de verwante + talen blijken in overeenstemming te zijn. De e van begeeren is + derhalve scherp, als zijnde uit ai ontstaan, zoodat er van de + spelling met ééne e (begeren) geene sprake meer zijn kan. + + b. Ook zal men op bovenstaande lijst de woorden knoop, kloot + en zweep niet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons + gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen van + knoop hebben bestaan, wat onder andere uit ofri. cnop en cnâp + blijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze + scherpe o beantwoordt. De uitspraak met de scherpe o, waarop de + gebruikelijke spelling knoopen berust, kan derhalve niet als eene + verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die + als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak + veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier + te wijzigen; ze blijft daarom knoopen vastknoopen, ontknoopen + enz. schrijven. + + c. Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de + oorspronkelijke vormen van kloot en zweep. Indien men echter + die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd. sweif + (staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, + en is de spelling klooten en zweepen even wettig als kloten + en zwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in + beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde + geval bevinden als heeren en keeren. De Redactie acht zich dus + nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daarom klooten en + zweepen schrijven. + + + +81. Ofschoon de spelling wereld, eigenlijk wer-eld, de beschaafde +uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar +als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk § 41. Wareld +toch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met +de afleiding; en hetzelfde geldt van waereld, daar men ae in onze +taal steeds als de voorstelling eener lange a heeft aangemerkt en in +België nog veelal als zoodanig beschouwt. + +Om dezelfde reden is ook de spelling vaers voor vers te verwerpen. + + + +82. Om de boven in § 79 ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens +de volle ie te bezigen in de achtervoegsels -ief, -iek en -iet, +zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneer ie op het einde +der lettergreep komt, b.v. in motie-ven, substantie-ven, fabrie-ken, +republie-ken, Israëlie-ten, Mennonie-ten. Die spelling is buitendien +in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van -ier en +-ies in officie-ren, tuinie-ren, commie-zen, valie-zen. Daarentegen +acht zij ie te zwaar, en daarom eene enkele i voldoende, wanneer die +achtervoegsels geheel toonloos worden, in mot-i-veeren, Jezu-ït-isme, +fabr-ik-ant, muz-ik-ant, muz-ik-aal, republ-ik-ein. Vergelijk den +Regel der Welluidendheid § 61 en 62. + + + +83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoud oli-ën, trali-ën +enz., van olie, tralie enz., dewijl ie in deze en dergelijke woorden +geheel toonloos is; daarentegen knie-ën, spie-ën, drie-ën, waarin de +eerste, en reliquie-ën, genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den +vollen klemtoon heeft. Dat men voorheen kniën, spiën spelde, is daaraan +toe te schrijven, dat ie, uit iu (ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank +was, die nagenoeg tweelettergrepig, als ië, werd uitgesproken. Knie-en, +spie-en zou toen derhalve geluid hebben als kní-e-en, spí-e-en. Thans +echter is ie een zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v. ee, +zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de +hedendaagsche uitspraak; daarom knieën, spieën, evenals zeeën, tweeën; +en zoo ook analogieën, harmonieën, melodieën, reliquieën en genieën, +verschillend van geniën (géniën), meerv. van genius. + + + +84. Ofschoon de i in het achtervoegsel -isch denzelfden helderen +klank heeft als ie in -ief, -iek, -iet en -ier, geeft de Redactie +aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkele i verreweg de +voorkeur boven -iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon +mist, en i daarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter +dan bij het achtervoegsel -uw in schaduw, zwaluw, hetwelk evenzeer +toonloos is en door niemand met twee u's geschreven wordt. Vergelijk +den Regel der Welluidendheid § 61 en 62. + + Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ + behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en + een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is + elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop + noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste in + be-hóúd, ge-lóóf, ver-driét, de laatste in já-ren, há-mel, há-mer, + kó-ning, gróót-vader, hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den + regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als + het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een + eigenlijken klank hebben; b.v. de e in aarde, onl. irtha, in hamer, + ohd. hamar, in hemel, onl. himil; de u in Gorkum uit Goring-heim; + de i in het achtervoegsel -ig, goth. -ag en -eig. Enkele toonlooze + klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, + b.v. in hatelijk, beminnelijk enz. voor haatlijk, beminlijk enz. + + Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de + klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch + niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede + lettergrepen in py-ra-mide, mag-ne-tiseeren, mo-ti-veeren, + ge-o-graaf, no-tu-len, en de laatste in o-lie, me-nie, tra-lie, + Janua-ri, Ju-li, afgo-disch, nieuwmo-disch, scha-duw, zwa-luw + enz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw + zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak + hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over. + + Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze + klinkers. + + + +85. Het letterteeken ij stelde, gelijk men weet, oorspronkelijk +in gesloten lettergrepen, als mijn (miin), sijn (siin), de +lange i voor, die in opene, als mine, sine, door de enkele i werd +vertegenwoordigd. Het teeken j was dus in de genoemde en dergelijke +woorden een gewijzigde vorm van de letter i, die gelijkstond met de +tweede a, e, o en u in jaar, eed, room en vuur. Het verlengen door het +aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; +zoo schreef men ook vj, vij, viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge +had j in strijd met § 47, a. twee verschillende waarden, die van +vocaal in mijn (miin) en wijn (wiin), en die van consonant in jaer, +joc. Toen in het Nnl. de lange i in de uitspraak gelijk werd aan den +tweeklank ei, kwam de schrijfwijze ij geheel in strijd met de natuur +van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer door ii +afgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks +de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die +onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken +voor ij of IJ in zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusschen i j +en den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel +daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid +te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch +de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, +de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, +en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, +hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den +gewonen vorm van ij en IJ onzes ondanks te behouden. + + + +86. Volgens § 47, a. moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten +volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt +in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nog kolijk, katholijk, +fabrijk, muzijk enz. schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, +dat sommigen in die woorden werkelijk eene ij of ei laten hooren. Nu +zij in de beschaafde uitspraak den i-, niet den ei-klank hebben, +eischt de eerste grondregel koliek, katholiek, fabriek enz.; zoo +ook poëzie, harmonie, melodie enz. Den dichter blijve het echter +vrijgelaten naar goeddunken ook poëzij, harmonij enz. te schrijven, +omdat in die woorden op ie, die den klemtoon op de laatste syllabe +hebben, ook de uitspraak ij geoorloofd is. Zie § 40. + +Zoo schrijve men ook koffie, lat. coffea, evenals men schrijft balie, +falie, malie, tralie, olie, foelie, linie, kevie, merrie enz. + + Nog sterker dan de spelling muzijk voor muziek enz. is af te keuren + het gebruik van de ij in de plaats van de enkele korte i of y in + tweeklanken als aij, eij, oij, uij, oeij, voor ay, ey, oy, uy, oy, + of ai, ei enz. De ij heeft nooit als enkele i gegolden. Oudtijds + had zij de waarde van ii, thans stelt zij een tweeklank voor, die + als ei luidt; zoodat aij, hoe men het neme, niet anders opgevat + kàn worden, dan òf als a + ie, òf als a + ij (a + ei). Eene + spelling met aij enz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door + de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, + zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden + wordt. Gesteld dat iemand Van der Kruis heet, dan zijn van dien + naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, + te verdedigen: Kruis, Cruys of Cruyss; doch Cruijs kon voorheen + niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans + niet anders worden uitgesproken dan kru-ij-s (kru-eis); ij voor + y is dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling + van twee niet gelijkluidende letters, b.v. van r en l: cruij-s is + even ongeschikt om den klank kruis te vertegenwoordigen als kluis + of kruid zijn zou. Alleen de gewoonte van ij en y te verwarren + maakt, dat kruijs minder ongerijmd schijnt. + + + +87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn +(Januarii, Junii enz.), is de i-klank van een geheel anderen aard en +oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie +wenschelijk voor dien ook in de spelling van den uitgang -ie, welke +hier en daar nog als ië luidt, te blijven onderscheiden, en naar +Latijnsch gebruik Januari, Februari, Juni en Juli te schrijven. Deze +spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met +de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden. + + + +88. De afleiding eischt de vervanging van ei door ij in de woorden +malvezei, fr. malvoisie, en karwei (soort van zaad), fr. carvi, +onderscheiden van karwei (werk), fr. corvée. Daarentegen zal om +dezelfde reden de ij van sacristijn, fr. sacristain, ofschoon +in sacristij (fr. sacristie) op hare plaats, voor ei moeten +wijken. Derhalve malvezij, karwijzaad, sacristein, doch karweitje, +sacristij. + +Het woord dozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou +kunnen aanzien, moet zijne ij behouden. Niet uit het Fransch toch, +maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is +aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord niet doezijn, +maar dozijn, en sommige dialecten zeggen doziin, hetgeen op het +Middeleeuwsch-latijnsche docenum wijst, en het woord op ééne lijn +stelt met krijt, lat. creta; venijn, lat. venenum; tapijt, lat. tapete. + +IJzen en ijselijk hebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun +bestaan te danken aan een woord, dat goth. agis, ohd. egiso luidde, +en zouden uit dien hoofde, evenals zeil uit zegel, dweil uit dwegel +enz., met ei behooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk +geschiedde. Daar echter het grondwoord eis (vrees, schrik) al vroeg +vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude +rilling voelt, begon men aan eene verwantschap met ijs te denken, +en aan eizen de bepaalde beteekenis te hechten van koud worden, +van schrik verstijven. In de uitdrukking: het is om van te ijzen, +ziet het woord kennelijk op de kille huivering, die eene ontzettende +aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in +de uitspraak en spelling. In die gewesten, waar ij nog als i klinkt, +zegt men izen en iselik; en bij Kiliaan, Coornhert en anderen treft +men de beide spellingen, met ei en ij, nevens elkander aan. Het een +en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente" naast het oude, +nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd +heeft. Daar nu de spelling eizen, eiselijk niet zou kunnen strekken +om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende +de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden +om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de +niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een +verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, +en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het +nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens +den Regel der Uitspraak ijzen en ijselijk. + + + +89. Op grond van § 47, a en e verwerpt de Redactie de spelling van +by, my, hy, zy, dwingelandy, razerny enz. met y, omdat deze letter +in oorspronkelijk Grieksche woorden, als cylinder, Styx, Egypte, +reeds den gewonen i-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige +noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat de +ij-klank in bij, mij, hij slechts uit eene korte, niet uit eene lange +i ontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het +bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige +woorden, als thee, zoo, ook de e en o verdubbeld worden, ofschoon +zij eigenlijk zacht zijn. + + + +90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers +eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in +alle naamvallen van het meervoud eene s aan, voorafgegaan door het +uitlatingsteeken ('). Dus Maria's, Hebe's, Garibaldi's, Cicero's, +echo's; niet Mariaas, Hebees enz. Daar de verdubbeling der i niet meer +in gebruik is, zou men althans niet Garibaldiis, Paniniis, Rubiniis +kunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ook Mariaas, Hebees +enz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met +de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang +wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche +woorden in den regel door aa, ee enz. worden voorgesteld. De +welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik +van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den +klinker. Zie § 59, 61 en 62. + +Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen +wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft +de Redactie ook Bruining's, of Bruinings', naar gelang men den tweeden +naamval of het meervoud van Bruining of van Bruinings bedoelt. + + De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche + gemeene zelfstandige naamwoorden, als ga (samentr. van gade), + ra, vla (vlade). De a heeft in het meervoud dier woorden dezelfde + zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, + b.v. als in aas, baas, geraas. Daarom schrijven wij niet eega's, + ra's, vla's, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, + die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen + klinker voorschrijft: eegaas, raas, vlaas. + + + +91. De Redactie spelt aar (korenaar), haar (hoofdhaar), meer +(waterplas), door (van een ei), oor in oorsprong, oorzaak, niet air, +hair, meir, doir, oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door +de afleiding als door de uitspraak verworpen en door de duidelijkheid +niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er +geene reden te bedenken is, waarom men niet liever in air (ader), hair +(voornw.), meir (telw.), doir (voorzets.) enz. de verlenging door i +zou aanduiden. Daarentegen meent zij de spelling heir (legermacht) +en oir (erfgenaam) boven die van heer en oor te moeten verkiezen; +het eerste omdat heir de beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, +toch beter vertegenwoordigt dan heer; het laatste als verbastering +van het Fransche hoir. De spelling oor zou dit weinig gebruikelijke en +weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid +niet bevorderen. + + + +De medeklinkers. + +92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij +het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent +de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen. Moet men +zaaijen, zaaien, zajen of zaayen, hooijen, hooien, hoojen of hooyen +spellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort +in de genoemde woorden wel is waar eene j, maar slechts zeer flauw +en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, +b.v. in jaar, jong, gelijk blijkt uit de vergelijking van vleier, +vleijer met (een goed) hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, +daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en +gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aan bajert, dojer en +oojevaar of ooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de +zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong van zaaijen, +draaijen, naaijen, en op de afgeleide woorden zaad, draad, naad, +dan zouden za-jen, dra-jen, na-jen, de ware vormen zijn; zoo +ook stroo-jen, goth. strau-jan, too-jen, goth. tau-jan, boej en +boe-jen, lat. boja; daarentegen hooi-en, en kooi-en, om goth. havi +(hawi) en lat. cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel +niet. Verandert d in i of in j? Heeft men ro-jen of rooi-en, van roden; +do-jer of dooi-er, van doder; oojevaar of ooievaar, van oodevaar, te +spellen? En welke letter moet schuijeren hebben, dat hetzelfde woord +is als schuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo +goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk +maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven. + +De aangenomen spelling baai--baaijen, rei--reijen, hooi--hooijen +druischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen +woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende +lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. dat kwaad +eindigen zal op de d van kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op +de g en w, waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en vrou-wen +aanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd door baai, rei, boei +enz. Ware de j in de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar +evenzeer eischen in de onverbogene baaij, reij, boeij, omdat deze +woorden in het meervoud baai-jen, rei-jen, boei-jen worden. Deze +en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarin i +de laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen +beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet +zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden op ij. De ij toch is +ook een tweeklank, die op i uitgaat en dus in den verbogen toestand +eene volgende j zou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben +om bijjen, rijjen, vrijjen, vrijjer te schrijven. Het is dus niet te +loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken op i +onregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte +van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het +gebruik der enkele j hebben voorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, +wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan in bajen, drajen, haajen, +boejen, broejen, hoojen, loojen enz., maar niet in brejen, ejeren, +lejen, rejen, bujen, brujen, kujeren, schujeren enz. Ook handelt men +bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die met i-j, in strijd met +de afleiding, en brengt in een aantal woorden eene j, die er nooit +in bestaan heeft: b.v. in dojer of dooijer (doder), kojen of kooijen +(caveae), ojevaar of ooijevaar (oodevaar), rojen of rooijen (roden), +leijen (lage), reijen (rege), schuijeren (schuiren, schuren). In +sommige werkwoorden, als draaijen, naaijen, zaaijen, strooijen, +tooijen, behoort de j werkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de +spelling drajen, najen, zajen, stroojen, toojen eischen; maar dan +ook draaj, hij draajt, draajde, waartoe men wel niet licht besluiten +zou, te minder wanneer men bedenkt, dat de j in andere werkwoorden, +b.v. in maaijen, breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, +is er geene regelmatige spelling met de enkele j zoomin als met de i j +mogelijk, dan blijft alleen die met de enkele i overig, hetzij men die +door i of door y voorstelt. De j is eigenlijk ook geheel overtollig; +in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de +overgang van de i tot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet +sterker dan de flauwe j in zeeën, weeën, gedweeër, drieën, knieën, +en in uitdrukkingen als: in boei en band, Mooi Antje enz. De j is, +gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het +einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan +een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, +en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als de b in hembd en +de p in kompt; behoudt men haar, dan moeten ook deze b en p weder in +aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling +kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de +afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk +is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige +regelmatige schrijfwijze met de enkele i, en zulks te eer, omdat +de spelling baaien, breien, boeien, buien enz. sedert lang bij vele +onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner +van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen +dientengevolge bij de vormen op -ig en -ing niet eenparig handelden, +hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid +der j in die woorden duidelijk gevoelden [5]. De schrijfwijze baaien +enz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten +een trema op den klinker te zetten, die op i volgt, ten einde de +verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker +vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij +de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve +gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de +gewone i door de y, als zijnde ook eene i, te vervangen, en hooyen, +samenvloeying, opruying enz. te schrijven, waardoor de scheiding +der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat +plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam +acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen +mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteeken y aan de +meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om +het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in +de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft +ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de +reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewone i aan te nemen, +en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken op i, +te weten aai, ei, ooi, ui en oei, voorkomt, steeds met de gewone i, +zonder inlassching eener j, wanneer zij verlengd worden; derhalve: +aaien, baaien, beien, breien, hooien, kooien, buien, kruien, boeien, +knoeien, maaier, draaier, eieren, Beiersch, dooier, mooier, kruier, +opruier, boeier, knoeier, baaierd, ooievaar, opruiing, samenvloeiing +enz., evenals bijen, rijen, vrijer enz. + +In vreemde woorden, als bajonèt, sajèt, waar de klemtoon niet op de +a valt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder +omdat de spelling baaionet, saaiet niet alleen er vreemd uitzien, +maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou. + + + +93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling +van een paar woorden op -lei en -hande. Sommigen schrijven tweederlei, +tweederhande, driederlei, driederhande, anderen tweeërlei, tweeërhande, +drieërlei, drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met +of die zonder d? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling +weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling +door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt. + +De woorden op -lei en -hande, ofschoon thans als afleidingen te +beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een +bepalend woord, als één, twee, al, veel enz. met de zelfst. naamw. lei +(ofr. ley) en hand, die beide vrouwelijk zijn, en hier soort of +gesteldheid beteekenen. Eenerlei, eenerhande, allerlei, allerhande +staat gelijk met van ééne soort of gesteldheid, van alle soorten of +gesteldheden. Voorheen bezigde men ook goederhande voor van eene goede +soort; en zoo ook goedertiere, quadertiere, allertiere, velertiere, +menigertiere of -tieren, waarvan wij ons hedendaagsche goedertieren, +met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden +op -lei en -hande heeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met +een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende +woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, +die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op -halve en -wege), +geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeer +allerlei, voor aller leien, als in het enkelvoud eenerlei; daarentegen +eenerhande, met hand in den ouden meervoudsvorm op e, evengoed als +velerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2den naamval +aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op -er moeten +eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft: eener-, +geener-, eeniger-, meniger-, veler-, aller-, achter-, twintiger-, +honderder-, duizenderlei en -hande enz.; doch onregelmatig vierder-, +vijfder-, zesder-, zevender-, negender-, tienderlei en -hande enz., +omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal +geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis +dier woorden, en blijkt bovendien uit eenerlei, driederlei, achterlei, +twintigerlei, honderderlei, niet eersterlei, derderlei, achtsterlei, +twintigsterlei, honderdsterlei enz. De ingeschoven d is trouwens ook +niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze +lettergreep achter vloeiende letters, gelijk r en n zijn. Bij +vierderlei, zevenderlei, negenderlei, tienderlei enz. heeft hetzelfde +plaats als bij zwaarder, duurder, hoorder, scheerder, diender, boender, +spaanders enz., en bij vilder, helder, kelder, zolder enz. van villen, +hel, cellarium, solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, +ook eenderlei, alderhande, waarin aan de d wel geene beteekenis kan +gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel +ten onrechte de d ook achter andere letters dan vloeiende, namelijk +in vijfderlei, elfderlei, twaalfderlei en zesderlei heeft ingevoerd, +hebben evenwel eenerlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei, +duizenderlei enz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan +een practisch gemakkelijken regel: de achtervoegsels -lei en -hande +treden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet +bij driederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige +gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder de d, waarbij de +ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij +schrijft derhalve: tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande. + + + +94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den +geadspireerden keelklank vóór de t. Waar moet men cht spellen? waar +gt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, +afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eene g voorkomt, b.v. in klagt +van klagen, met g, de overige met ch behooren geschreven te worden, +meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van +sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten +minste onzeker. Ten andere is de g in sommige stamwoorden slechts eene +aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene +verzachting van de oorspronkelijke ch, b.v. in vliegen, wij zagen, wij +tegen, aangetogen en andere, zoodat door vlugt, gezigt, togt enz. toch +niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel +is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig +en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spelling regt, regter, +rigten, berigten, op eene verkeerde afleiding; geslacht (van slag, +soort), tucht, tuchtigen (van tiën, toog enz.), (be)tichten, van +(aan) tijgen, zouden evenzeer eene g vorderen als slagter, geslagt, +togt enz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in +strijd met ons taaleigen. + +Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel +stellen: + +De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord +blijvende en steeds onmiddellijk volgende t bevindt, welke tot dezelfde +lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, door ch +voorgesteld. Doch wanneer het woord eene g heeft, die, afwisselend, +nu al dan niet onmiddellijk door de t wordt gevolgd, of wanneer deze +tot de volgende lettergreep behoort, dan blijft de g onveranderd. + +Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten +aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat +hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste +medeklinker (eene zoogenaamde muta) reeds van oudsher onmiddellijk, +d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eene t gevolgd werd, dan +zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort +van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, +medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de +verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal in +ch overging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden +helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, +b.v. in stòtteren van stóóten, in verhèffen naast verhéven, plaats +vindt. Zoo ontstonden gràft en gràcht van gráven; schàft en schàcht +van scháven; echt van ehe; gìft (mnl. ook gìcht) van géven; plìcht van +plégen; kòcht en bruilòft van kóópen en lóópen; gewrocht van worken; +gezòcht, gerùcht en kluft van zóéken, róépen en klieven; vernuft voor +vernumbt van vernemen, vernomen. Doch men zegt en schrijft: hij graaft, +schaaft, geeft, pleegt, koopt, loopt, zoekt, roept, verneemt, niet +hij gracht, schacht, gift of gicht, enz., omdat deze zelfde woorden de +vormen graven, ik graaf, schaven, ik schaaf enz., zonder t, nevens zich +hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet +toe. Evenzoo zeggen en schrijven wij laagte, leegte, hoogte, drukte, +goedkoopte, diepte, niet lachte, lechte, hochte, druchte, goedkochte, +dichte, alleen omdat de t, tot de volgende lettergreep behoorende, +zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, +dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgende e ontbreekt, +daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de +vergelijking van luwte met lucht, ziekte met (water)zucht. Ook in de +woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker +werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, +is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat +de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere +klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uit abt (mnl. abbet), dat niet +in aft of acht is overgegaan; uit ambt (ambacht), niet aft, gelijk +vernuft zou doen verwachten; uit kreeft en ooft (bij Kiliaan krevet +en ovet), niet krecht en ocht; uit markt (lat. mercatus), niet marcht. + +Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij +ons ten regel stellen: + +De g blijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam +op eene g eindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van +-te gevormd van bijvoegl. naamw. op g uitgaande. + +Wij schrijven derhalve: dracht, jacht, klacht, macht, slachten +(dooden), geslacht (en gemaal), plecht, plechtig, licht (niet zwaar), +plicht, gewicht, gezicht, gedrocht, tocht, lucht, tucht, vlucht, zucht +(diepe ademhaling) evenzeer met ch, als nacht, geslacht (familie), +slachten (gelijken), echt, recht, licht(straal), lucht, vrucht +enz. Daarentegen: hij draagt, jaagt, vraagt, legt, zegt, pleegt, +weegt, droogt, zoogt, enz., en graagte, laagte, leegte, droogte, +hoogte, menigte enz. + +De verkorte eigennaam Aagt behoort ook de g te behouden, dewijl er +een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen +vorm Agatha vertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet +als Acht wordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der +medeklinkers in plaats heeft. + +De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw. bracht, gebracht, +mocht, van brengen en mogen, verkeeren in het geval, dat de ch +eischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang -de (-te) de e verloren, +ten gevolge waarvan de overblijvende t zich aan den voorgaanden +medeklinker heeft aangesloten. Bracht en mocht staan voor brachte en +mochte, en deze vormen voor bragde (of brengde) en moogde, gelijk de +analogie van zengde, leegde en zoogde zou medebrengen. De overgang der +regelmatig vereischte d in t bewijst voldingend de samensmelting en +dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit +dien hoofde: hij bracht, mocht, gebracht, nevens hij en gij brengt, +gij moogt. Evenzoo hij placht, oudtijds plach (plag), waarin de +bijgevoegde t met de sluitletter g evenzeer is samengesmolten als in +gedrocht voor gedrog. + +Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, +omdat de voorgenomen spelling beter dan die met g aan de uitspraak +beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, +terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs +en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij +de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers +de beteekenis van plecht, plechtig, gedrocht, tucht, tuchtigen wordt +niet opgehelderd door het verwijzen op plegen, (be)driegen en toog +(van tiën); men verstaat het woord macht niet beter, als men weet, dat +het van mogen komt, sedert dit de beteekenis van kunnen verloren heeft; +en de kracht van het woord plicht wordt vooral niet beter gevoeld als +men verneemt, dat plegen het grondwoord is, nu dit meest van moord +en roof gebezigd wordt.--Bij de meeste andere woorden is de g niet +toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bij dragt, +(de) jagt, klagt met g zal men misschien iets eerder aan dragen, +jagen en klagen denken, dan wanneer men dracht enz. schrijft; doch +geen onkundige zal vermoeden, dat (het) jacht, slachten en slachter, +aangezicht, vluchten en zuchten samenhangen met jagen, slaan (sloeg), +zien (zag), vliegen en zuigen, al spelt men die woorden ook met g; +evenmin als hij bij boeten en schuit aan baten en schieten denkt. Waar +zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts +eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De +toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve +geen nut aan; vergel. ook § 50. + + + +95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet de +ch na kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo +ja, hoe dan?--moet men kachel, kagchel of kachchel enz. schrijven? De +thans meest gebruikelijke spelling kagchel, rigchel, bogchel enz. is +onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden +verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, +doch verwante letterteekens, als g en ch, aan eene samenstelling +denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleen lichaam +uitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudige +g of k door den invloed der volgende l tot ch verscherpt is; +b.v. bochel van buigen, boog; tichel van tegel; kachel van kakel, +bij Kiliaan kaeckel. Lichaam, uit lijk en haam, door de spelling als +een samengesteld woord te kenmerken, en b.v. lich-haam te schrijven, +zou echter geheel nutteloos wezen, omdat in lich het woord lijk +toch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenals haam, +in deze samenstelling met eene beteekenis voorkomt, die thans bij de +meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is. + +Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling +door middel eener g bij de netste schrijvers steeds grooten weerzin +heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkele ch misschien leiden +kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die door gch +wordt vertegenwoordigd (vergel. § 61 en 62), dan meent zij aan die +schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en dus lichaam, kachel, +richel te moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze +niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeld lichchaam, +kachchel enz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde +nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot +dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de +minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in +gebruik is geweest [6]. + +Voor de spelling met de enkele ch pleit, behalve de welluidendheid, +ook nog de analogie met de meeste eigennamen, als Jochem, Kochem, +Lochem, Mechelen, Vechel, Zwichem; die met echel, en vooral die +met echo, welke woorden nooit met gch geschreven worden. Alleen +de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namen Rachel en Michiel +past er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met +de enkele ch aan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen +regel: De ch wordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eener g +verdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als +uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren: +Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór de ch den onvolkomen klank, +mee uitzondering van de eigennamen Rachel en Michiel. Vergel. het +opstel: De Spelling en het Lager Onderwijs, van den Heer J. A. van +Dijk, in den Taalgids, VI, blz. 73 vlgg. + + + +96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling der ch door middel +van de g is die der s in wasschen, flesschen, visschen, mosschen of +musschen, tusschen enz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt +gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet de s, maar de ch, +die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet +thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch +overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uit k ontstaan, werkelijk +gehoord werd. Toen men eerst visk, mosk, en later inderdaad visch, +mosch, d.i. met ch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de +meervouden vis-ken, vis-chen, mus-ken, mus-chen gesloten, en werd de +tweede s natuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eene +s is overgebleven, is hare verdubbeling in vis-sen, mus-sen evenzeer +noodig en regelmatig als in mos-sel, vroeger mos-chel. De dubbele +s levert dan ook niet het minste bezwaar op, kan nooit medewerken +om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van +de spelling vis-chen, mus-chen enz., die alleen strekken kan om de +thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke de ch in de genoemde en +dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is +buitendien te zeer gewoon de geheele sch bij de tweede lettergreep +te voegen, gelijk blijkt uit Pa-schen, zij he-schen, kre-schen, +gehe-schen, gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne +noodeloos met dubbelen klinker, Paas-chen, hees-chen, krees-chen, +gehees-chen en gekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve +geene enkele reden om de ééne s weg te laten, maar redenen te over +om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming +eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalve wasschen, lesschen, +wisschen, tusschen enz. schrijven met de dubbele s. + + + +97. Bilderdijk's spelling nogthands steunde op eene verkeerde +afleiding: nochtans is samengesteld uit nog en dan (mnl. nochtan of +nodan) met de adverbiale s, en heeft dus niets met thans of thands +(te hande) te maken. Aan de invoering eener h en d in dit woord valt +derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de +keuze tusschen nochtans en nogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam +oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding van nog (daarenboven, tot +nu toe) en noch (ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, +om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter in +nochtans de voorkeur aan de ch te moeten geven, vermits wel deze +scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van +dan in de t van tans heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons +gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen +niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak +behoort gevolgd te worden. + + + +98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert +lang koninklijk, aanvankelijk, afhankelijk, jonkheer, jonkvrouw, +sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spelling koninkrijk, jonkheid, +koninkje, woninkje, kettinkje en lankmoedig. Daarenboven zou de +schrijfwijze koningrijk, koningje, jongheid enz. bij voortduring +aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd +is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid +te laten gelden en in de genoemde woorden de g door de k te vervangen. + + + +99. Het gebruik der tongletters d en t, wanneer zij door eene s worden +gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat der g en ch vóór eene t, +waarover in § 94 is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel +gelijk. De taal eerbiedigt bij de s, nu althans, de grondvormen op d en +t meer dan voorheen die op ch en g, en zij handelt hier lang niet zoo +regelmatig als bij cht en gt. Oudtijds smolt de scherpe keelletter ch +geheel weg in de volgende s, b.v. in as, das, vlas, was, mest, zes, +wisselen, os, vos, uit achs, dachs enz.; de zachte keelletter g, +die als de Fransche gu werd uitgesproken, werd tot k verscherpt in +heks van hag, reeks van reghe, fluks van vlug; een heldere klinker +onderging soms ook verkorting, b.v. in dissel, hd. deichsel. + +Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór de s +staan. Ook deze smolten soms, b.v. in thans, volgens, bijkans enz. voor +thands, volgends, bijkants, in de s weg; doch geenszins altijd, +b.v. niet in bits, spits enz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de +eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v. spiets +en spies van mnl. spiet; klits en klis van klit; lits en lis, ook luts +en lus uitgesproken, van lat. licium; en in de volksspraak klussen, +mussen enz. naast klutsen en mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd +de klinker altijd verkort: maetselen werd wel is waar metselen, maar +naast ketsen hield kaatsen stand; koorts en rots bleven, naast het +vroegere kortse en rootse, de eenige gebruikelijke vormen; plaats, +schaats, taats, koets, toets, zijn nooit tot plats, kots enz. verkort +geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij +de t, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer +ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt men ds, waar de afleiding +ts zou hebben doen verwachten, b.v. in guds, ridsen, ridsig. + +Uit het een en ander blijkt, dat de woorden op ds en ts niet volkomen +parallel loopen met die op gt en cht; en dat de regel eenigszins +anders zal moeten luiden dan die in § 94. Daar de Regel der Uitspraak +hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar +de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot +aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst +is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten +tijde dat ch nog als tch (tsj), en c nog als ts luidde, met ts worden +geschreven; te weten koets in de beide beteekenissen, toets, flits, +rots, toorts, fr. couche en coche, touche, flèche, roche, torche; +plaats, rantsoen, fatsoen, fr. place, rançon, façon. Daarentegen +moet de fr. g, vroeger als dg (dzj) uitgesproken, bij ons ds worden, +namelijk in loods (houten gebouw), fr. loge. De afleiding eischt +stellig eene t in guts (holle beitel, waarmede onder andere ook goten +uitgehold worden) van goot; in ritsen, ritsig, verwant met wrijten, +alsmede in gutsen, uit het oudere gussen vervormd met ingevoegde +t. Ook is het thans verkieslijk aan knots de t van knotten te geven, +nu knodde en knodden verouderd zijn. In ridselen, ofschoon misschien +van rijden, heeft de d in allen gevalle geen nut meer, nu rijden +niet langer in de beteekenis van beven gebruikt wordt. Voor de +spelling kodsen bestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk +een klanknabootsend woord; en Kiliaan schreef reeds kotsen, Plantijn +kotzen. Loods (persoon) en gids behooren volgens de afleiding eene +d te hebben, als zijnde gevormd van looden en fr. guide. In smidse, +van smid, kan de s in geen geval geacht worden de d verscherpt te +hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de +spelling der overige woorden, als kaats, schaats, taats, schets, +scherts, koorts enz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, +òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit +verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, +waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied +is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen +regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond: + +Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze +de scherpe t; uitgezonderd in den 2den naamw. der woorden op d, +in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting van sch en +s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide +beteekenissen), gids en smidse. + +Wij schrijven derhalve trots, schertsen, plaats, schaats, toorts +enz.; maar Gods, des bloeds, goedsmoeds, steedsch en steeds, kindsch, +gindsch en ginds van gind(er), sinds van sed(ert). + + + +100. De woorden op -aard en -erd leveren geene moeilijkheid op; +zij vereischen zonder bedenking eene d. Het achtervoegsel -aard is +oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoord hard, dat oudtijds sterk +beteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen als hard draven, +loopen, werken. In samenstellingen beteekende het sterk als datgene, +of ten aanzien van datgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, +b.v. Beranhard, Burchard, Everhard, Wolfhard, sterk als een beer, +burg, ever, wolf; Ecgehard, Gêrhard, sterk met het zwaard, met de +speer; Meginhard, Reginhard, Snelhard, sterk in kracht, in raad +of list, in vlugheid; Sigihard, Wic-hard, sterk in de zege, in den +strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig +de h, evenals -helm, -hilde, -haftig, en soms -hande, b.v. Anselmus, +Willem, Machteld, deelachtig, en mnl. menigherande, voor Anshelmus, +Wilhelm, Machthilde, deelhaftig, menigerhande. Vandaar, dat men +naast eigennamen op -hard, mlat. hardus, ohd. -hart, oudtijds +vormen op -art en -aert aantreft, die thans op -ard, -erd en -ert +uitgaan. Zoo b.v. Athalhardus, Bernhardus, Burchardus, Everhardus, +Folchardus, Gêrhardus, Meginhardus, Reginhardus enz., mnl. Adelaert, +Bernaert, Burchaert, Everaert, Volcaert, Meinaert, Reinaert; thans +Allard en Aldert, Bernard, Everard en Evert, Volkert, Meindert, +Reindert. Daar de vormen op -hard, -hardus, ohd. hart, in overoude +stukken voorkomen, maar die op -ard, -aert en -erd alleen in latere, +zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, +en niet -hard uit -erd.--In het Mhd. werden met -hart ook gemeene +namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, als lügehart, sterk in +het liegen; naghart, knaaglustig; selphart, zelfzuchtig; slinchart, +slokop; trügenhart, sterk in het bedriegen; vrîhart, ongebondene. + +Uit de Duitsche talen ging hard in de Romaansche over, en werd daar, +met de in die talen gewone verstomming der h, ital. -ardo, als in +bastardo, codardo; fr. -ard, als in bâtard, couard, gaillard, grognard, +pendard, richard, viliard; zie Diez, Gramm. der Rom. Sprachen, II, +358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt +in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong +was, bepaald op den voorgrond. + +Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v. bastaert, cockaert, +viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, als behaghelaert, +bollaert, clappaert, dullaert, galghaert, gaepaert, grisaert (grijskop, +zie Horae Belg. VI, 98), loyaert, moyaert enz., alle woorden van +minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op -aert. Dat men +de h, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, +is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, +en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, +als bloodaard, dronkaard, gulzigaard, lafaard, veinsaard, wreedaard +enz.; zelfs rijkaard, van het onschuldige rijk, wordt in slechten +zin genomen; alleen grijsaard hield op een schimpnaam te zijn. + +Het achtervoegsel -erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan +-aert of -aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk +blijkt uit leperd, plomperd, stinkerd, die bij Kiliaan nog leepaerd, +plompaerd, stinckaerd luiden; en uit grijzerd, dat bij latere dichters +voorkomt. Kiliaan geeft naast luyaerd ook luyerdije op, hetwelk toont, +dat de verandering van -aard in -erd aan de werking van den klemtoon +moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der +eigennamen, b.v. de verandering van Everaert in Evert, en die van +bastaard in basterd stelt de zaak buiten allen twijfel. + +Sommigen zijn van gevoelen, dat -aard en -erd zouden ontstaan +zijn uit het achtervoegsel -er, waarachter men, ter versterking, +eerst eene t zou gevoegd hebben, zoodat -ert ontstond, hetwelk +vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot -aart, +zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat +wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, als grijzen, laffen, +rijken, snooden, met de beteekenis van grijs, laf, rijk, snood zijn; +dat grijsaard, lafaard, rijkaard enz. personen aanduiden, die bestendig +grijzen, laffen, rijken enz., die »niet in het werkelijk oogenblik, +maar bij aanhoudendheid de hoedanigheden van grijs enz. hebben". Dat +gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem +van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht +gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de +geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, +die, gelijk -er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop +der tijden geene versterking, maar omgekeerd verzwakking. Juist +het achtervoegsel -er levert er een sprekend en leerrijk voorbeeld +van. Dit luidde goth. -areis, b.v. in laisareis (leeraar), wullareis +(voller); het werd ohd. -arî, mhd. -ære, nhd. -er. In het Mnl. werd +het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in -ere, -er, en -re, +wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen +klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook de a, +en werd -are, -aer, of -ere, -eer, wanneer het door eene toonlooze +lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van +den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. in gokelare, loghenare +en loghenére, voghelare, persemére (woekeraar), enz., naast dienre, +leerre, speelre, backere, wever enz. Wij nemen hier dus eene steeds +voortgaande verzwakking waar, van -areis tot -arî, -are, -ere, +-er en -re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; +b.v. bij -dom, onl. -duom; bij -lijk, goth. -leiks, dat thans als lik +wordt uitgesproken; en bij -aard zelf, niet alleen in de eigennamen, +maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, +met het accent op -ard gevormd, ook in het Mnl. niet zelden den +klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, +of, als -erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, +in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom +tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal +op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, +van -er niet alleen -ert, maar zelfs -aart zou hebben gevormd. + +Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve, dienre, leerre, +sunder, in dienaar, leeraar, zondaar veranderd; daarbij had evenwel +geene versterking van -er tot -aar, geene vorming van een nieuw +achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling; -aar had nooit +opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op +-er, als bijter, blaffer, woorden op -erd hebben gevormd, indien -erd +niet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op -erd hebben +trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan -er niet eigen +is; zelfs lieverd en stouterd worden doorgaans schertsend gebezigd. + +Is het zeker, dat -aard en -erd uit hard ontstaan zijn, dan moeten +zij ook volgens de afleiding de d hebben, die de uitspraak er aan +toekent. Het meervoud van bastaard toch luidt niet alleen bastaards; +maar ook bastaarden, en daarnevens staat bastaardij; Kiliaan kent ook +een werkw. luyaerden en de zelfst. naamw. luyerdije, van luyaerd, +en mooyaerdije van mooyaerd. In Spanjaard, dat op eene andere wijs +gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed +kan gehad hebben, is de d gewaarborgd door het meerv. Spanjaarden, +naast Spanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat -aard +en -erd niets anders zijn dan -er, door eene tongletter versterkt, +ook dan nog zou de keus op de d moeten vallen; de taal zelve leert +door zwaarder, eerder, hoorder, duurder, gezagvoerder, dat zij, +waar de r versterking behoeft, de d en niet de t wil gebezigd hebben. + + + +101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen de d of t in het +zelfst. naamw. aard of aart. De afleidsels aardig, aarden en ontaarden +pleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding +en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer +zachte uitspraak buiten allen twijfel stellen. Aart en aartig zijn +germanismen, en niets meer. + + + +102. In rit, mv. ritten, bint, mv. binten, gebint, mv. gebinten, +bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de +stamwoorden rijden en binden buiten twijfel eene d hebben. Ridden +strijdt met de uitspraak, bindten en gebindten met alle regelmaat. De +verscherping der d is buitendien reeds lang algemeen erkend in met en +mits, nevens mede; in vaart, mnl. vaerde, waarvan nog koopvaardij; +in zat, mnl. sad, waarvan verzadigen; in klant, fr. chaland. Daarom +ook beeltenis, verbintenis, evengoed als ontstentenis van het oude +ontstanden (ontstaan d.i. ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzen +beeldtenis en verbindtenis doen ten onrechte aan eene afleiding met +-te denken. + +Indien met, mits en rit eene t hebben, dan bestaat er geene afdoende +reden voor medgezel en ridmeester met d, ofschoon met in het eerste +woord het bijwoord mede is. + + + +103. De afleiding pleit voor de spelling andwoord, door Bilderdijk en +anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd +van het oude voorzetsel and, hier als bijwoord gebruikt. Daar het +Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden +met scherpe medeklinkers te sluiten--op welken alleen in nog (adhuc) +ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt--en +de spelling met d de beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, +noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord +wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest +gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te +minder gerechtigd, dewijl wij dan, om consequent te blijven, ook de +t in met zouden moeten vervangen door de d, waarvoor niet slechts de +verwante talen, maar ook het bijw. mede, pleiten. Het argument, dat het +bijw. and de stam van het voornw. ander en het bijw. anders zou zijn, +waardoor de beteekenis van andwoord, als het andere of tweede woord, +kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en +wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken. + +Om dezelfde reden verdient ook de spelling Andwerpen voor Antwerpen +geene aanbeveling. + + + +104. Men zegt en schrijft gewoonlijk admiraal, admiraliteit enz.; +sommigen willen ammiraal, op grond dat de d slechts ten gevolge van een +misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem +onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het +woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm: amirael of ammirael en +admirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee +overgenomen. Het is het Arabische amir (emir) met een Latijnsch +achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat. admirari, +fr. admirer; vanhier de vormen: admiralis, admirabilis, admiratus, +admirant, admiraglio enz., die alle aan bewonderen doen denken. De +d is dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is +het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak +eischt dus het behoud der d, terwijl de overige regels hier niet in +aanmerking komen. Admiraal is wel niet meer noch minder welluidend dan +ammiraal of amiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, +waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan +worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en +der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der +Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woord amir en het Latijnsche +achtervoegsel -alis behooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, +en de vrees, dat iemand ten onzent admiraal van admirari of admirer +zal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt +natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door +het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding +gewaarschuwd. Luidde het admirabel, admirant of admiraat, dan kon +er grond voor die vrees bestaan; doch -aal is geen achtervoegsel +dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten der d +(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor +ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, doch amiraal +is evenmin Arabisch als admiraal. Wij zien daarom geene reden om het +thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den +hoogsten grondregel der spelling te verzaken. + + + +105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken +ook twee afzonderlijke letterteekens: de s voor den scherpen, de +z voor den zachten klank. De vroegere verwarring, toen s zoowel +zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van +het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodat +s thans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter +een langen klinker of tweeklank, b.v. in aassem, braassem, deessem, +geessel, kruissen, kruissigen, IJssel, zeissen, Pruissen enz., +eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met +de spelling laaffenis, raaffelen, weiffelen, oeffenen, schuiffelen, +twijffelen, voor lafenis, rafelen enz. Zij is dan ook later door +Siegenbeek zelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere +rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens is brasem, geesel, IJsel, +Pruisen enz. te blijven schrijven. + + + +106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde +woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande +vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve +evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na +tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in +lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men +den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom ééne k, t +en m voldoende in botteriken, monniken, perziken, kieviten, diemiten, +Gorkumer, Dokkumer, Bergumer. De schrijfwijze botterikken, Gorkummer, +staat gelijk met die van engellen, verbeterren, uitrekennen, zondiggen, +terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een +teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen. + +Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk op Arnhemmer, Haarlemmer +enz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos +wordt uitgesproken, en de è, hoe kort ook, toch den scherpen e-klank +behoudt [7]. + + + +107. Onze woordenboeken willen diefegge, als ware dit woord eene +samenstelling van dief met een zeker egge. Men heeft hier intusschen +met eene afleiding te doen. -egge toch is een achtervoegsel, hetwelk +voorheen doorgaans -igge-, soms ook wel -ege luidde, en meermalen +ter vervrouwelijking van mansnamen gebezigd werd, b.v. in makerigge, +vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker +begint, eischt de verandering van de f in v, wanneer de lange klank +voorafgaat; vergelijk gev-er, liev-erd. Derhalve ook dievegge, +evengoed als dieverij. Dat sommigen in dit woord de f laten hooren, +kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit +onkunde ontstaan is. Het herstel der v kan misschien strekken om aan +die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk § 58 en 66. + + + +108. In zamen, zamenkomst, zamenspraak enz. gebieden de afleiding en +de uitspraak de vervanging der z door de s. De z heeft daar de waarde +van tz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter +in aanmerking neemt, dat het grondwoord zamen luidt, terwijl ook in +gezamenlijk, inzamelen enz. de z duidelijk gehoord wordt, en dat men +in zestig en zeventig de z van zes en zeven steeds heeft behouden, +dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven van samen, +samenkomst enz. en daarnevens van gezamenlijk, verzamelen enz., de +onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze +bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te +behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele der s hebben +doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, +die, op voorgang van Bilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd +wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden +etymologischen grond steunt. In de uitdrukking te zamen toch werd de +toonlooze e van te weggelaten, waardoor eerst tzamen ontstond. Dit +had de verscherping van de z tot s ten gevolge: tsamen; eindelijk +werd de t overtollig gerekend, en dit gaf samen. + +Samen heeft dus de waarde van te zamen en verschilt derhalve werkelijk +in afleiding en beteekenis van het grondwoord zamen. De spelling met +s is uit dien hoofde de ware, overal waar samen de bijwoordelijke +uitdrukking te zamen vervangen moet, te weten aan het begin van +samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, +als in samenkomen, samenspreken, samenhangen, samenkomst, samenspraak, +samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het +grondwoord zamen vereischt wordt, als in gezamenlijk, bijeenzamelen, +verzamelen, verzameling enz., en dus ook in opzamelen, niet opsamelen, +hoewel de z daar ten gevolge van de werking der p vanzelve als +s klinkt. + +Evenmin zou de spelling te samen voor te zamen goed te keuren zijn, +ofschoon de gewone uitspraak ook daar de s laat hooren. Deze toch is +hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene +werking der voorafgaande t kan hier niet erkend worden. Zij bestaat +niet, zoolang de toonlooze e van te blijft; want men zegt te zoek, te +zuinig, te zuur, te duur, te geef; niet te soek, te suinig, te suur, +te tuur, te cheef. Te samen is derhalve niet anders te verklaren +en op te vatten, dan als te tzamen, met het dubbele voorzetsel, een +vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel. § 66. De Redactie +stelt zich daarom den volgenden regel: + + Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aan tzamen, te zamen, + wordt met s geschreven in composita, die er mede beginnen, als + ook wanneer het op zich zelf staat, behalve in te zamen. + +Van een geheel anderen aard is de vraag, of men feertig, fijftig, +sestig en seventig moet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke +uitspraak, welke in die woorden eene f en s laat hooren. Die scherpe +uitspraak steunt alleen bij seventig op een goeden grond, namelijk +insgelijks op eene voorheen wettig aanwezige t (tzeventig), die in +tachtig (eigenlijk t-acht-tig) gebleven is, en in tnegentig soms +nog wordt gehoord. Doch feertig, fijftig en sestig zijn wederom +gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooit +tfeertig en tfijftig uitgesproken of geschreven, en het verouderde +tsestig had de t ten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de +verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het +twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge +waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijk dertien, veertien +enz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande: +een, twee ... tien, elf, twaalf, maar ook de tientallen boven 60, +(= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe. Zestig behoort nog +tot de eerste helft der reeks van 120, die de t niet aannam; de t +van tsestig was derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke +hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een +dergelijk verschil is op te merken: dix, vingt, trente, quarante, +cinquante, soixante,--soixante-dix, quatre-vingts, quatre-vingt-dix, +six-vingts (120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding +duidelijk uit het Angelsaksisch: tyn (10), twentig (20), thritig +(30), feowertig (40), fiftig (50), sixtig (60),--hund-seofontig +(70), hund-eahtatig (80), hund-nigontig (90), hund-teontig (100), +hund-endlufontig (110), hund-twelftig (120). Hoogerop verandert de +uitdrukking: hund and thritig (130). Onze t van tseventig, tachtig +en tnegentig is derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dat hund +of van een dergelijk afgevallen woord. + +De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld +het misbruik, dat in de uitspraak van veertig, vijftig en zestig is +binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke +schrijfwijze bij zeventig te moeten behouden, te meer daar het +aanduiden der afgevallen t niet het geringste nut zou hebben. Ook +bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen dan feertig en +fijftig met f zou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; +maar met v: een en veertig, twee en veertig, drie en vijftig, enz. Wij +gaan derhalve voort, overeenkomstig den Regel der Gelijkvormigheid, +veertig, vijftig, zestig, zeventig met de zachte v en z te schrijven, +waardoor de verwantschap dezer woorden met vier, vijf, zes en zeven +ook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk § 67. + + + +109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in +overeenstemming met § 49 als regel aangenomen, dat in derivata +het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden +vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling +voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters +de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt +wordt. Zoo schrijft men staatdame, zitdag, potdeksel, oogtand, +vroegpreek, topzeil, praatvaar, raadzaal, raadzaam, hoofddeel, +misstap, ofschoon de uitspraak veeleer staaddame, ziddag, poddeksel, +oochtand, vroechpreek, topseil, praatfaar, raatsaal, raatsaam, +hoofdeel, mistap zou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of +weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder +het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het +onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg. § 43. Er +is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijk Bilderdijk deed, +in de twee woorden ontvangen en ontvonken eene inbreuk op dezen regel +te maken. De spelling ontfangen en ontfonken stelt de etymologie dezer +woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie van ontvallen, +ontveinzen, ontvlammen, ontvlieden, ontvluchten, ontvoeren, ontvouwen, +ontvreemden, ontzakken, ontzeggen, ontzinken enz., waarin niemand +de vervanging der v en z door f en s verlangt. De Redactie aarzelt +derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden de v, +die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden en ontvangen, +ontvonken te schrijven. + + + +110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk +alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die +nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den +eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de +woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer +men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer +verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in +het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij +spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de +spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den +echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte +vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding +of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo +schrijft men ambacht voor andbacht; kerspel voor kerkspel; leidsel voor +leidzeel; lichaam voor lijkhaam; misschien voor mag schiên; momboor +voor mondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het +taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording +der vraag: Moet men, naar de afleiding, jufvrouw spellen, of wel, +naar de uitspraak, juffrouw, gelijk Bilderdijk schreef en thans nog +velen schrijven? Omtrent juffer, mejuffer, kan geen twijfel bestaan: +het oude vere, ver (voor vrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier +aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar in +juffrouw, mejuffrouw, herkent men nog het subst. vrouw. Is het dus +niet raadzaam, daarin de v te behouden? Wij aarzelen niet, die vraag +ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in +het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, +dat zelfs een taalkenner als Bilderdijk het eerste deel volstrekt niet +verstond en juffrouw als eene verbastering van hofvrouw beschouwde +(Taal- en Dichtk. Versch. D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis +des woords was deze. Het oude joncvrouwe, joncvrouw, als joncfrouw +uitgesproken, verliep allengs tot jonfrouw, joffrouw, juffrouw. De +f ontstond derhalve uit de v door den verscherpenden invloed der +keelletter c of k, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort, +dat zoowel de c of k als de n wegvielen, waardoor nu de f verdubbeld +moest worden. Zal men nu de tweede f weder terugbrengen tot de +oude v, door jufvrouw te schrijven? Maar dan hangt die eerste f +geheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Die f is de +verdubbeling der oorspronkelijke v, nadat zij tot f verscherpt was; +van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd, +moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had de v alle +reden van bestaan verloren. Jufvrouw zou aan eene samenstelling uit +juf en vrouw doen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen +reeds, hoe zelfs Bilderdijk daardoor misleid werd. Maar schrijft men +juffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd: +de dubbele f stelt de samentrekking voor, die door de onderlinge +werking der oorspronkelijke v en der beide weggevallene medeklinkers +ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden +regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen +worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet +meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om +dezelfde reden hebben wij in § 97 aan nochtans boven nogtans de +voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstelling nog dan +in het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo is juffrouw, +in analogie met juffer, boven jufvrouw te verkiezen, en te meer omdat +het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene +gehuwde, van een meisje in tegenstelling van eene vrouw gebezigd wordt, +òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat +in het eerste geval het begrip van vrouw, in het tweede dat van jong, +in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te +maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende +deelen zich in eene eenheid hebben opgelost, die juist door de spelling +juffrouw ook voor het oog wordt voorgesteld [8]. + + + + +111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met +eene v begonnen, deze letter tot f verscherpt, om daardoor hetzij eene +verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk +geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; +b.v. in fladderen naast vledderen en vlederen, waarvan vledermuis; +in fleemen naast vleien; fluks van vlugs; fraai van fr. vrai; frisch +nevens versch; fijt, voorheen vijt. + +Ook bij de v van vonk heeft die verscherping plaats gehad in +het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van +oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve +overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak +volgende, het figuurlijke fonkelen met den scherpen medeklinker +schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt van vonkelen +in de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), +bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging +ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, +die door de afleiding gevorderd wordt. + + + +112. De toonlooze e, die in de meeste woorden op -ling, -lijk en -loos, +vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als in vreemdeling, +bloedeloos enz., staat zelden in verband met de etymologie dier +woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Die e is veelal +zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende +uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig +of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te +haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven +of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs +in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; +b.v. in eindlijk, eindloos, van einde, zeedlijk van zede, enz. Daar +die e onder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng +genomen volgens § 43 in het geheel niet behoeven geschreven te worden; +het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden +worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen +besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard +dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, +hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, +uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs +de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits +er gevallen zijn, waarin de bewuste e stellig nooit ontstaat en dus +ook nooit wordt geschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel +der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief +is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat. + +De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van +zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde +aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent +alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten der e achter de zachte +verwante medeklinkers b, d en g hunne verscherping tot p, t en ch of +tot k (in ng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich +verplicht het weglaten der e in prozastijl te ontraden bij woorden +als hebbelijkheid, onhebbelijk, dadelijk, deugdelijk, goddelijk, +lijdelijk, maagdelijk, verstandelijk, schadeloos, zendeling, dagelijks, +degelijk, mogelijk, belangeloos enz., die, zonder e geschreven, tot +de uitspraak onheplijk, daatlijk, moochlijk enz. aanleiding zouden +geven. Daarentegen kan het uitlaten der e achter stammen, eindigende +op eene g, die door den invloed der volgende l verscherpt is en als ch +wordt uitgesproken, b.v. genoeglijk, gezeglijk, heuglijk, ontzaglijk, +strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming +te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een +einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen +de gebruikelijke spelling genoegelijk, heugelijk, ontzaggelijk en de +uitspraak genoechelijk of genoechlijk, heuchlijk, ontzaglijk. + +Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het +volgende te moeten vaststellen: + +De achtervoegsels -lijk en -loos, en het achtervoegsel -ing, wanneer +dit van de euphonische l wordt voorafgegaan, nemen ter verbinding +met het stamwoord eene toonlooze e vóór zich, behalve in de vier +volgende gevallen: + +1) Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten -lijk, +-loos en -ling zich onmiddellijk aan: kwalijk, oolijk, vroolijk, +schadeloos, tweeling, drieling, zaailing, vrijling, kruiling. + +Bij analogie volgt hieruit, dat moeilijk en verfoeilijk te verkiezen +zijn boven moeielijk en verfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk +zonder e worden uitgesproken. Vrijelijk echter, waarin de e altijd +gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter +ook in de spelling. + +2) Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n, +voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, +heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als in doelloos, +balling, begeerlijk, bekoorlijk, waarloos, huurling, gemeenlijk, +aanzienlijk, gewoonlijk, aandoenlijk, fatsoenlijk, pijnlijk, toonloos, +groenling. Willeloos maakt geene uitzondering op dezen regel; het +is afgeleid van den ouderen vorm wille, die ook nog in willekeur en +willekeurig voorkomt. + +Waar de n voorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak +en spelling mèt of zònder e evenzeer goed te keuren. Men zegt en +schrijft beide: manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk, +zinlijk en zinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een +onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v. zinloos (zonder zin) +en zinneloos (krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de +spelling onderscheiden worden. + +3) De toonlooze e wordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen +op toonlooze lettergrepen, als: adellijk, middellijk, eigenlijk, +openlijk, eeniglijk, geduriglijk, koninklijk, teugelloos, ouderloos, +regeeringloosheid enz. + +4) Wanneer het grondwoord op eene g eindigt, die als ch wordt +uitgesproken, stelt de e eene uitspraak voor, met de werkelijke in +strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping der g ten +gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie: behaaglijk, bijvoeglijk, +genoeglijk, gevoeglijk, heuglijk, klaaglijk, ontzaglijk enz.; +daarentegen dagelijks, degelijk, mogelijk enz., in welke woorden de +g hare zachte uitspraak behoudt. + +Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijze òrdenlijk +of òrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen men ordene, orden (van +lat. ordo, ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereen +orde zonder n uitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalve +ordelijk, evenals eindelijk, zedelijk en redelijk, welk laatste +oorspronkelijk ook redenlijk werd geschreven, als van redene, reden +afgeleid. Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, +hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde +uitspraak orden heeft te danken, is ten gevolge van de wijziging +zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer +recht van bestaan heeft als zindelijk nevens zinnelijk of zinlijk. + + + +113. Daar het gewaande achtervoegsel -ling (zie de verhandeling +over -ing in Dr. De Jager's Archief, I, 101 en v.) niets anders +is dan het suffix -ing, voorafgegaan door eene euphonische l, en +deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord +reeds op l eindigt, schrijven wij hemeling enz. Het is bekend, dat +deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig +voorstander vond in Bilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik +van onbedachtzaamheid, de spelling heuvelling ontsnapte (III, blz. 10). + +Adellijk, middellijk en onmiddellijk moeten de dubbele l hebben, +als zijnde gevormd met het achtervoegsel -lijk van adel en middel. De +spelling adel-ijk steunde op de verkeerde meening, dat -lijk uit l-ig +zou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijze adelig met eene g wordt +door ohd. adallîh, mhd. adellich, weersproken, waarom ook Grimm met +anderen adelich met ch spelde, en de meer gebruikelijke met g voor +»falsch" verklaarde. De spelling midde-lijk is gegrond op de onjuiste +onderstelling, dat het grondwoord mid of midden zou wezen. Het +tegendeel blijkt overtuigend uit de spreekwijze zonder middel, +die eertijds in gebruik was, waar wij thans onmiddellijk bezigen +(zie Janssen en Van Dale, Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23). + + + +114. De woorden middeldeur, middellandsch, middellijf, middellijn, +middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot, +middelsoort, middelstand, middelweg, met middel samengesteld, +zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou +bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overige +midden te schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht +hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op -el te +laten eindigen, waaraan wij ringelduif, schorteldoek, vastelavond +e.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ook middeleeuwen, +Middelnederlandsch, middelpunt, middelrif enz. In één woord, het +is waar, wordt gewoonlijk de n uitgesproken: men zegt namelijk +middenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde +schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus +ook hier op grond der Analogie de l aan te nemen. + + + +115. Siegenbeek schreef, op voorgang van Huydecoper, in 1804 de +spelling eigenlijk, openlijk enz. voor. Toen zich echter eenige stemmen +voor de schrijfwijze eigentlijk, opentlijk, met eene ingelaschte t +lieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor +de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid +ging voort eigenlijk, wezenlijk enz. te schrijven, en slechts enkelen +volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling +te moeten aannemen, omdat die t niet tot het wezen dier woorden +behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, +noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij +beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, +die gelijkstaat met eene b in hembd of eene p in hij kompt, en met +de d in de minder edele woorden vilder, boender, diender (nevens het +edeler dienaar). Wanneer zij die t aannam, zou zij rekenen lijnrecht +aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar +beschaving en verfijning der uitspraak streeft. + +Om dezelfde redenen verwerpt zij ook de t in gantsch, gelijk Bilderdijk +schreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels. Gantsch +zonder t is zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding +in overeenstemming. + + + +116. Iemand en zijne ontkenning niemand, mnl. ieman en iemen, +bestaat uit ie en man in de thans verouderde beteekenis van mensch +in het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het +geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de +sluitende n, waartoe de taal zoowel de d als de t bezigt. De natuur +der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit +de uitspraak opgemaakt worden. Immers in mijnenthalve, ordentelijk, +erkentelijk, bekentenis komt eene ingelaschte t voor; doch arend, +oudt. aren; boender, diender, van boenen en dienen; hoenders van hoen; +zindelijk uit zinlijk; Hendrik, hd. Heinrich, hebben ter steuning der +n eene d. De regel der onverbuigbare woorden, die eene t zou gebieden, +kan hier ook niet worden toegepast; want iemand en niemand behooren +als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2de naamvallen +iemands en niemands ook werkelijk verbogen. Men is dus tot de +verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche +gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker, +die in de verbogene gehoord wordt. Blijkens Plantijn, Kiliaan, de +Staten-overzetters des Bijbels, De Decker en anderen, luidden de 3de +en 4de naamv. vroeger iemanden, niemanden, met eene d. Die vormen +zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het +bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog +algemeen iemant en niemant schrijven, evenals men want, leeft, legt, +leent, hoort met t spelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, +die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de +afleiding en ons taaleigen eene d zouden moeten hebben. + +De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene +gebruik af te wijken; zij schrijft iemand, niemand met eene d, welke +evenzeer gewettigd is als die van arend, mv. arenden. + +Ten mijnent, zijnent, harent, onzent, uwent, hunnent, hoewel uit +verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, +tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens +het algemeene gebruik met t geschreven. + + + +117. Volgens de afleiding zou ootmoed, ohd. ôthmuothi, oodmuati, +ags. eádhmôd, ouds. ôdhmuodi, bij Kiliaan nog oodmoed, eene d +moeten hebben, als bestaande uit ood, goth. auths, ohd. ôdi, aothi, +ags. eádh, ouds. ôdh, ôdhi (ledig, licht, gemakkelijk), dat noode heeft +opgeleverd, en verminkt ook voorkomt in oolijk, bij Kil. oodelick, +oyelick, oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen +der tongletter uit oolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is +geweest, namelijk eene d, uit th of dh ontstaan. Intusschen zou het +herstellen der d volstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor +ook de verwantschap met noode en oolijk blijken, die kennis zou voor +het publiek de beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Die +d zou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten +onrechte doen denken aan eene samenstelling met ood in kleinood, dat +schat beteekent, en het eerste lid van ooievaar, bij Kil. odevaer, +uitmaakt, en dat blijkens goth. aud, ohd. aot, ôt, ags. eád, ouds. ôd, +geheel anders dan het vorige ood luidde. + +Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer +dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke +spelling ootmoed met eene t de voorkeur. + + + +118. Omtrent, dat oorspronkelijk rondom, vervolgens in den omtrek, in +de nabijheid beteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk +gebezigd wordt, evenals omstreeks, eigenlijk in de omstreek, behoorde +volgens de afleiding op d uit te gaan. Het bestaat uit het voorzetsel +om, dat door trend nader bepaald wordt, gelijk bij door na in bijna, +omzetting van na bij. Trent, trend is een bijv. naamw., hier als +bijwoord gebezigd, en beteekent rond, blijkens ofri., deensch en +zweedsch trind, rond. In het Deensch dient trind, gelijk round in het +Engelsch, zoowel alleenstaande als door om gevolgd (trind, trind om), +als voorzetsel met den zin van rondom. Ook in het Oudfriesch stond om +nog achteraan: trind umbe, trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker +oorspronkelijk eene d was, blijkt uit ags. trendel, kring, cirkel; +uit eng. to trundle, draaien, en trendle, as of tap in een molen. Doch +het weder invoeren der vergeten d, die als sluitletter tot t verscherpt +is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, +dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom +geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te +doen gelden, en nutteloos eene uitzondering te maken op den regel, +dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan +dus voort omtrent met de door het Gebruik gewettigde t te schrijven, +evenals want, dat anders, blijkens onl. wanda, insgelijks zijne d +zou moeten terugnemen. + + + +119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal +woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zonder +n op het einde. Het weglaten der n was in de vorige eeuw nagenoeg +algemeen geworden. Bilderdijk meende, op etymologische gronden, die +den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten +aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Die n achter +-je is in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van +een meisjen of huisjen, nog minder van meisjens of huisjens hoort, +en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd. + +Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen +de dichters overtuigend. De e van het verkleinend achtervoegsel +vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig +vogeltje, elks behagen," hetgeen noch bij de pluralia op en, noch +bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt de n alleen dan, +wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden +klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal +wil, dat men de slot-n achter de toonlooze e maar flauw late hooren, +zouden de enkelvouden huisjen, kopjen, schoteltjen enz. op zich zelve +niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou de n +daarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden +in strijd met de meervouden huisjens, kopjens, schoteltjens, die, +zóó geschreven, naar analogie van kuikens, leugens, molens, het +duidelijk uitspreken der n zouden eischen. Deze letter zou derhalve +de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en +tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel. § 61 en 62. + +Ten opzichte van de woorden op -ken is de Redactie van een +ander gevoelen. Deze--de in België meest gebruikelijke--vorm der +verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van +Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, +en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den +bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde +vormen bezigt. Wij willen om die reden de n achter kindeken, jongsken, +dochterken enz. behouden, te meer daar zachtkens en allengskens haar +gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin -ken stijf +zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, jongske enz. + +De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel +-je eene t moet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen +verschil van gevoelen bij de woorden op d en m. Bilderdijk en vele +zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eene t in, en +schrijven: »handtjen, kladtjen, bloemtjen" enz.; terwijl de meeste +schrijvers aan handje, kladje, bloempje, boompje enz. de voorkeur +geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men +in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel -je is, +niet -tje; gelijk blijkt uit liefje, kluifje, boogje, leugje, vischje, +muschje, doekje, beekje, popje, reepje, lesje, kusje enz. + +Bilderdijk's spelling handtjen rustte op eene ongegronde +onderstelling. Hij meende, dat de d aan het einde van eene lettergreep, +op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; +het was bij hem »levendig, dat men hand altijd met een scheva +[eene toonlooze e] moet doen hooren, immers uitspreken." Spraakl., +blz. 213. Hand was derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, +nagenoeg hetzelfde als hande, en handtjen dus als handetjen. Spreekt +men zóó uit, dan is de t even onmisbaar als in kommetje, mannetje; doch +zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thans handtjen, hondtjen, +draadtjen enz. geschreven ziet, die leest, alsof er hantjen, hontjen, +draatjen enz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie in +moordjaar, landjonker de d zachter uitbrengt dan de t in straatjongen, +zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschen +pondje en pontje, wandje en wantje enz., en zal dus ook de spelling +handtjen enz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig +met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, +die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben. + +Wie daarentegen in moordjaar, landjonker de d even scherp uitbrengt +als de t in straatjongen, die neemt aan, dat de d, als zij sluitletter +wordt en niet gevolgd is door eene b of d, vanzelve in t overgaat, +gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem +is dus reeds vanzelve de t-klank aanwezig, en derhalve de inlassching +van het letterteeken t even overtollig, als het zijn zou in kanttje, +tenttje, punttje. Wie in handtje, kindtje de t noodzakelijk acht, +moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen +spelling handt, kindt enz., die dan evenzeer noodzakelijk is. + +In de gewone uitspraak is in de letterverbinding dt de d stom, +en klinkt hij wordt, bidt, antwoordt enz., als hij wort, bit, +antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, +dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken van gch, +waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe men handtje, +hondtje enz. ook neemt en uitspreekt, de t achter de d is òf strijdig +met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval +strijdig met de welluidendheid. + +De woorden op m, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de +gewone uitspraak eene p aan. Dit is een natuurlijk gevolg van de +wijze, waarop de m en p worden voortgebracht; beide vereischen het +sluiten der lippen. Wie boompje zegt, drukt ze bij de m op elkander, +en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om de p te +verkrijgen. Spreekt men boomtje uit, dan moet men voor de m de lippen +sluiten, voor de t ze weder openen en de tong te werk stellen. De p +ontstaat dus in bloempje als vanzelve, ten minste gemakkelijker dan de +t in bloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt. Bloempje is +uit dien hoofde natuurlijker dan bloemtje, en de p daarom te verkiezen +boven de t, tenzij men achter de m eene toonlooze e late hooren en +bloemetje of blommetje uitspreke, in welk geval de t, gelijk achter +alle klinkers, hare rechten doet gelden. + +De p klinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan +de t, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwante m. Er is +dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd +zou moeten worden. De reden, die Bilderdijk daarvoor aanvoerde, +was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroeger bloemptje, +boomptje enz. geschreven had, dat de p eene tusschenletter was, »alleen +uit de verbinding der m en t ontstaan", en die men »nu dwaaslijk met +wegwerping der t wilde behouden"; hij stelde bloempje gelijk met het +platte kompt en neempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de +spelling boomptje, bloemptje aan te wijzen, en Bilderdijk's beweren +onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid der t in het verkleinende +achtervoegsel. Doch dit luidt -je of -jen, niet -tje of -tjen. De +t en p worden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte +en zwakke j, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde +tenuis k had kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaam +Froukje, hetzelfde woord als Vrouwtje, en uit de werkwoorden boerkje, +het boerenbedrijf uitoefenen; briefkje, brieven schrijven, enz. De t +heeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis +als de p achter de m en de k in de genoemde Friesche woorden; zij +heeft louter euphonische waarde, gelijk de n in honing, diens, wiens +enz. De lipletter p staat derhalve in bloempje niet ten koste van +de t, maar is, gelijk ook juist kompt, neempt en dergelijke woorden +leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletter m, +evenals de tongletter t [9] van de tongletters l, n en r in stoeltje, +zoontje, deurtje, en als de keelletter k van de keelletter g, die in +de verbinding ng nog flauw met den klank der Fransche en Friesche +g gehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt men koninkje, woninkje, +rottinkje enz., terwijl wel nooit iemand koninktje zal uitgesproken +of geschreven hebben. De p is achter de m evenmin overtollig als de t +achter een klinker of vloeiende letter, omdat de j dan te zwak wordt +geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen om raamje, boomje +enz. te zeggen, evenmin als zeeje, koeje, stoelje, maanje, deurje. + +Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de +inlassching der t in verkleinwoorden, gevormd van woorden, die op d +eindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat die +t in allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende +uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat de p de eigenaardige +versterkingsletter der m is, door physiologische taalwetten gevorderd +en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent +zij te moeten schrijven draadje, handje enz. zonder t, en raampje, +boompje enz. met eene p, doch natuurlijk bloemetje en blommetje met +eene t achter de toonlooze e. Het behoeft echter wel niet vermeld +te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, +waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v., bloemtje te +schrijven, dat men nu eenmaal--te recht of te onrecht--als fijner en +kiescher aanmerkt. + +120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener +slot-n, betreft de woorden behalve, derhalve, weshalve, allenthalve, +mijnenthalve, zijnenthalve enz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook +deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene +eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het +substantief half, halve met een voorafgaand woord, hetwelk, zoo +het gebruik zulks gewild had, ook van halve gescheiden had kunnen +blijven. Halve beteekent zijde, kant, gelijk blijkt uit het 34ste vers +van den 67sten der Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit +ovir himel himeles te ôsterhalvon"; »Psallite Deo, qui ascendit super +coelum coeli ad orientem (ad partes orientales)". In alle verwante +talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, +die aan ons halve, als onder dien, welke aan ons half beantwoordt, +sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eene +n kan hebben en dat een genitief en datief singul.: dezer halven, +onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde +woorden te beoordeelen. + +Behalve bestaat uit het genoemde substantief en de praepositie bij, +mnl. bi, hier ten gevolge der samenkoppeling tot be verzwakt. Behalve +is dus eigenlijk bij halve, en beteekent zooveel als bij zijde, +ter zijde gezet, aan een kant gesteld, d.i. niet medegerekend. Het +Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv. pi halpo +(in parte, in secreto), en in het meerv. pi halpon (in partibus). In +het Oudnederl. luidde het woord behalvo en behalvon (Ps. LV, 10, en +verg, de Gloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene +afleiding door middel van een suffix -en, veelmin, gelijk Bilderdijk +wilde, aan een participium van een werkw. behalven of behalden te +denken is. Het voorzetsel bi, bij, regeerde oudtijds den dativus, +zoodat halve hier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men met +Bilderdijk en anderen behalven met eene n, of, in overeenstemming met +de beschaafde uitspraak, behalve te schrijven heeft, komt dus neder op +de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud van halve +te doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst +worden, zoo is het meervoud behalven volstrekt ondenkbaar, wanneer er +van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene +veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en +denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijze behalve zonder n, +de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet +slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis +des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen. + +De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle +daarin overeen, dat halve absoluut gebezigd is, zoodat vóór alles +moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen +wordt. De samenkoppelingen mijnentwege, onzentwege enz., die nagenoeg +hetzelfde beteekenen als mijnenthalve, onzenthalve, kunnen hier den +weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld met wege, datief +van weg. Daar nu halve in derhalve en weshalve blijkbaar in dezelfde +betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het +eerstgenoemde is der, evenals in dermate, derwijze, dus de derde +naamval van het aanwijz. voornw. die, congrueerende met halve: +dierhalve (van die zijde bezien). In weshalve daarentegen treft men +het relativum wat aan, in den genitief wes, die door halve geregeerd +wordt. Weshalve is dus zooveel als: beschouwd van de zooeven genoemde +zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud van halve +te denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor +alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden +en derhalve, weshalve te blijven schrijven. + +De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker +is het, dat allenthalve uit hoofde zijner beteekenis (van alle +kanten of van alle zijden) het meerv. van halve onderstelt, en dat +de vormen der bezittel. voornaamw. mijnen, zijnen, onzen, enz., +bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen +van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien +om in allenthalve, mijnenthalve enz. aan halve den meervoudsvorm +te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, +blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder +merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- +en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reeds halven met halve +verwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud +verwachten zou [10], en dat halve, misschien wel ten gevolge dier +verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand +woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan +geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou +hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van +de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder +raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te +brengen is met mijnenthalven en zijnenthalven, noch met harenthalven +en uwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat +de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet +gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowel allenthalve, +mijnenthalve, hunnenthalve enz., als behalve, derhalve en weshalve, +zonder n. Vergelijk hier de laatste zinsnede van § 67. + + + +121. Hetgeen bij behalve gezegd is, doet denken aan bezijden. Dit +woord komt zeker in zooverre met behalve overeen, dat het geene +afleiding met een achtervoegsel -en, maar eene samenkoppeling is; +immers het Ags. schreef de deelen gescheiden: be sîdan. De analogie +schijnt derhalve de spelling bezijde zonder n te vorderen. Wanneer +men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord +nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het +Eng. besides waarschijnlijk aan het meerv. van zijde moet gedacht +worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit +woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de +beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zij bezijden +schrijven. Zie ook hier § 67 aan het slot. + + + +122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de +uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het +schrift te herstellen. Daarom meent zij de d in thans en althans, +en evenzoo in de participiale vormen doorgaans, nopens, volgens, +wetens, willens enz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, +waarom wel niemand het gewone bijkans voor den oorspronkelijken vorm +bijkants zou wenschen te verruilen. De spelling thands, doorgaands +enz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch +deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner +beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn +om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te +handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen +geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het +allengs weglaten der d heeft trachten te vermijden. + +Dat in de woorden thans en althans de h wordt behouden, ofschoon die +mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen +met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het +een ander geval, omdat de h in deze woorden door het Gebruik altijd +erkend is geworden. Zie hier § 66, a. + + + +123. Van hetzelfde gevoelen als in § 122 zijn wij ten aanzien van de +stomme ch achter de s. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit +het gebruik haar reeds heeft verbannen, als harnas(ch), moss(ch)el, +het bijw. ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den +Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken. + +Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de +uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding +gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter +bijvoegl. naamw. eene ch voegde, wanneer die nooit met sch worden +geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat +de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, +soms door de achtervoeging eener bloote s, en dus niet altijd met +-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, +dat woorden als bits van bijten, spits van spit enz. niet stellig +tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de +genoemde en dergelijke woorden eene ch te geven, die in de uitspraak +niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij +blijven derhalve schrijven bits, dwars, spits, wars enz. + +Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eene ch is +ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven +derhalve torsen, oud-fransch torser, nevens tros, trossen, fr. trousse, +trousser. Alleen in heesch en gansch, waarin de ch tegen de afleiding +aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik +gewettigd, vermits de enkele s in de overige bijvoegl. naamw., +wanneer zij door een langen klinker of eene n wordt voorafgegaan, +in de verbuiging in z verandert, hetgeen niet geschiedt bij heesch +en gansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden: heesche, +gansche. Daarentegen dwaas, dwaze; boos, booze; vies, vieze; vuns, +vunze; lens, lenze. + +De ch heeft in losch (lynx) en het door Bilderdijk aangenomen wasch +(cera) evenmin reden van bestaan, als achter zes, os, vos, was +(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank +oudtijds niet achter, maar vóór de s plaats gevonden; zooals onder +andere blijkt uit hd. luchs, wachs, sechs, ochs, fuchs, wuchs. Wij +schrijven derhalve los en was. + + + +124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den +overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklanken +s en sch eindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone +uitspraak: wijste, frischte; anderen, op grond der Grammatica: wijsste, +frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke +superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, +kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook +hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de +keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammatica wijsste, +frischste eischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die +spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde +uitspraak, die geene poging doet om de twee s's te laten hooren, ten +andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers +in de onverbogen vormen twee s's willen brengen: het wijsst, het +frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den +geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze, in +eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men +haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende +uitspraak aanleiding geven. De s in het eene geval te bezigen en in +het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar +ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde +onregelmatigheid eischen. Men acht de enkele s evenzeer toereikend in +Friesche als in Friesch, van het znw. Fries, en zoo ook in Parijsche, +Boloneesche, Chineesche, Japaneesche, Siameesche enz.; terwijl men +er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen in trotsche, dat +door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw. trots. De +spelling wijst--wijste, boos--booste, loos--looste enz. is dus eer +regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijl frischte, malschte +enz., waarin de sch toch ook slechts als s klinkt, door de analogie +voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen +der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijze +booste, looste, wijste, frischte, malschte enz. de voorkeur. + + + +125. De schrijfwijze allezins, anderzins, eenigzins en veelzins +beantwoordt niet aan de uitspraak, die de spelling allesins, andersins, +eenigsins en veelsins zou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan +uit alles, anders, eenigs, veels, de sterke genitieven van al, ander, +eenig, veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis van +kant, richting, opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, +overeen met alles jaars, dat o.a. bij Hooft voorkomt, en met de +bijwoordelijke uitdrukkingen eensdeels, mijns inziens, goedsmoeds, +blootshoofds enz. De z heeft derhalve hare verscherping in de uitspraak +te danken aan de s, die men weglaat op voorgang van Siegenbeek, welke +haar evenwel in geenszins wilde behouden hebben. De afleiding en de +analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, +of ten minste de z van zin in s te veranderen: allesins, eenigsins. De +Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling +gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming +met geenszins, ook alleszins enz. te schrijven. Daardoor wordt tevens +aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van de s en z +maakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters +afzonderlijk uitspreekt: alles-zins, eenigs-zins. Niemand toch zegt +geens-zins, evenmin als dans-zaal, kruis-straf, mis-stap enz.; welke +woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, als geensins, +dansaal, kruistraf, mistap enz. luiden. De spelling allesins, +andersins, eenigsins, geensins en veelsins zou, in strijd met § 49, +geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welke +zin eene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen +dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Fransche sens in en tout +sens, de tous les sens. Derhalve alleszins, anderszins, eenigszins, +veelszins, evenals geenszins. + + + +126. De spelling verw, verwen, verwpot, verwwinkel enz., hoewel in +overeenstemming met de Middelnederlandsche vormen varuw en vaerwe, +wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de +bedoelde woorden, evenals in gerfkamer (van het verouderde gaerwen), +de w door de v (f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het +wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, +acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel +der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de +beschaafde uitspraak niet alleen verf, verfkwast, verfwinkel enz., +maar ook verven, verver, ververij enz. + +Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, de w van murw in v (f) +te veranderen. De uitspraak murf is verre van algemeen, ja klinkt +min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor +het oog het verband zou verbreken met vermurwen, hetwelk door niemand +als vermurven wordt uitgesproken. + + + +127. Het tweede lid der samenstellingen buskruid en rattenkruid (gelijk +men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden +van kruid (herba). Het doet ons veeleer denken aan stof, poeder, +dan aan een product van het kruiden- of plantenrijk. Wel is waar +hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk +de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen +hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen +[11]. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het +andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons +gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van +het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien +van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer +aan een kruid of gewas denken. Reeds daarom is het wenschelijk, het +onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar +komt bij, dat het woord in den zin van poeder nu, zoo al niet tot de +onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke +de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen +daarom in deze beteekenis de t te moeten bezigen, en schrijven dus +kruit (pulvis pyrius), buskruit en rattenkruit, ter onderscheiding van +kruid (herba), onkruid, nieskruid, wormkruid enz. Evenzoo schrijft men +algemeen schroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt, +ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks de d zou +vereischen; want schroot (bij Kiliaan schroode en schroye) is eene +afleiding van het oude werkwoord schroden (snijden), en beteekent +eigenlijk snijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk, +waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide +woorden schroodbeitel en schroodijzer, waarin de beteekenis van +schroden nog gevoeld wordt, is de d behouden gebleven; maar schroot, +door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en +daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed de t aangenomen. Op +dezelfde wijze behoort dan ook kruit van kruid gescheiden te worden, +nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden. + + + +128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraak +Dingsdag is stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke +beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, dat Diinsdach, +ook Disendach en Dinxendach schreef, was het spoor min of meer bijster; +en toen men eenmaal Dingsdag begon te spreken, dwaalde men geheel +af. Men beschouwde den Dingsdag als den dag der rechtsgedingen, +alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een +gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat +zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spelling Dingsdag +meer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, +evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar +eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van +den krijgsgod Mars; de Nederlandsche benaming is eene vertaling van +het lat. dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens +de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen, Diu of Dio hebben +geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naam Die luiden. Derhalve +ware Diesdag de regelmatige vertaling van dies Martis; doch het +gebruik heeft hier eene n ingeschoven, evenals in de genitieven van +die en wie, welke thans diens en wiens, maar oudtijds ook dies en +wies luidden. Die inschuiving der n had hier echter de verkorting der +voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest +(hd. keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden +en algemeen worden, omdat de god Die met zijnen eeredienst weldra +in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming +met hd. Dinstag en Diestag, bij ons Dinsdag, dat klaarblijkelijk veel +nader dan Dingsdag bij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere +hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook +nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijd +Dinsdag gezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het +meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook +buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewone Dijnsdag +nog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nog Dizendag. + +Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vorm +Dingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten +varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel +des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en +goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie +van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring +te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling als Dingsdag, die, +alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel +verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke +beteekenis des woords, en even onooglijk is als Woengsdag, gelijk +men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt. + + + +129. Het woord schepter, lat. sceptrum, fr. sceptre, vereischt +volgens den Regel der Uitspraak de ch. Het moge waar zijn, zooals +Bilderdijk en Wiselius verzekerden, dat in het begin dezer eeuw +nog algemeen septer, zonder den keelklank, werd uitgesproken; +het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van +den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en +sedert meest gebruikelijke spelling schepter; maar dàt de uitspraak +veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen de ch doet hooren, +is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons +bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenals schrijn(werker) van +lat. scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus +ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin de sch aan lat. sc +beantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, als schabel +(lat. scabellum) en schorpioen (lat. scorpio) enz. de ch toekent. + +Wie op de zachtere--naar het Fransch klinkende--uitspraak bijzonder +gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijze septer behouden: wij voor ons +nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaar schepter +aan. In allen gevalle is de derde vorm, scepter, bepaaldelijk af te +keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd. + + + +130. Bij de keus tusschen amt, ambt, en ampt, welke schrijfwijzen +alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men +niet in twijfel te staan. Amt voldoet minder goed dan een der beide +andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig +met de afleiding van ambacht, goth. andbahti, eene labiale muta flauw +gehoord wordt. Ampt, waarvoor de scherpe sluitletter t pleit, zou bij +analogie ook de spelling apt voor abt vorderen, welke niet slechts +in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar +dat woord ook onkenbaar maken en geheel van abdij en abdis scheiden +zou. De b in ambt daarentegen is zoowel door het Gebruik als door de +Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven. + + + +131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging +in de spelling van likteeken, als onvereenigbaar met de gewone +uitspraak. De k toch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, +onl. liictekin, mnl. lijcteken, lijcteeken, is aan de volgende t +gelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van +bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te +doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reeds Ten Kate het woord +ten onrechte van lijk (vleesch) afleidde, en als teeken in het vleesch +verklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te +gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, dat lik hier de stam +is van het mnl. werkwoord liken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, +zou zij uit de spelling kenbaar worden, lijkteeken zou vorderen. Daar +nu wel niemand verlangen zal voortaan lijkteeken te schrijven, dat +trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche +engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de +Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij +schrijven daarom dienovereenkomstig litteeken met tt, op gelijke wijze +als balling voor banling, en spalling, jong varken, voor spaanling, +van spanen (spenen), met twee l's worden geschreven. + + + +132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden in nog (etiam, +adhuc) evenzeer als in noch (nec) eene ch zouden eischen, meent de +Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig +voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, +niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet, nog (adhuc) met eene +g als eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op +den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe +sluitletters eindigen. + + + +Samenstellingen. + + +133. Ook met betrekking tot de samengestelde woorden en uitdrukkingen +doen zich twijfelingen voor, die invloed hebben op het schrijven, +en wier oplossing derhalve tot het gebied der Spelling behoort. Zij +betreffen: + +A. de vraag: Welke opeenvolgingen van woorden moeten als +samenstellingen beschouwd en als zoodanig verbonden worden? welke +moeten gescheiden blijven? + +B. de vraag omtrent de verbindingsletters, die in samengestelde +woorden de deelen aaneenhechten. + + + +A. Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven +worden? welke in hunne deelen gescheiden blijven? + + +134. Wanneer twee begrippen verbonden worden om vereenigd een nieuw +begrip te vormen, hetwelk als eene blijvende aanwinst wordt toegevoegd +aan den schat der begrippen en voorstellingen, in de taal uitgedrukt, +dan maken de woorden, welke die vereenigde begrippen aanduiden, een +samengesteld woord uit. Bij het uitspreken wordt alsdan gewoonlijk +op het eene woord zooveel meer, op het andere zooveel minder nadruk +gelegd, dat de klemtoon van het eene dien van het andere overheerscht, +en de uitspraak van beide wordt zoodanig versneld, dat de stem in +geen geval eene tusschenruimte tusschen de beide deelen openlaat; +vergelijk een kléínkind met een klein kind; vóór aan de straat +met vooráán. Die verandering in de uitspraak is voor het oor het +bewijs, dat de geest de voorstellingen tot eene eenheid verbonden +heeft. Het schrift geeft voor het oog blijk van die samenstelling +door de woorden aaneen te schrijven of door ze met een koppelteeken +(hyphen) te verbinden, b.v. grootvader, huisvriend, Fernambuc-hout; +het eerste is regel, het laatste uitzondering, waarvan later. + + Een samengesteld woord kan, het is waar, uit drie of meer woorden + bestaan; maar altijd blijft het eene verbinding van slechts twee + leden, die echter zelve weder door samenstelling kunnen ontstaan + zijn, b.v. boekdrukkers-gezel, avond-maaltijd, timmermans-werktuig, + godsdienst-oefening, avond-godsdienstoefening.--Of wel, een + der begrippen wordt uitgedrukt door een woord, hetwelk vóór + de samenstelling vergezeld was van andere, die er onmisbaar + bij behooren; b.v. in terzijdestelling (van ter zijde stellen) + en inderdaad (voor in de daad) kunnen ter bij zijde en de bij + daad niet worden gemist; doch zij maken blijkbaar geen derde + zelfstandig lid in de compositie uit. Zoo is b.v. desniettemin + op deze wijze ontstaan: te-min(der), niet-temin, des-niettemin. + +135. Wanneer twee woorden eene eigenlijke samenstelling uitmaken, dan +is hunne betrekking onderling van dien aard, dat bij eene ontbinding +of oplossing der samenstelling een der leden buiten syntactisch +verband geraakt, zoodat, om aan de eischen der Grammatica te voldoen, +de woorden omgezet of in vorm gewijzigd, of wel andere ingevoegd +moeten worden; b.v. zonnelicht--licht der zon; geldbeurs--beurs +voor geld; Godmensch--God en mensch, of goddelijk mensch; +driehonderd--driemaal honderd, of drie malen honderd; theeblad--blad, +waarop de benoodigdheden om thee te drinken geplaatst worden. Daaruit +vloeit onmiddellijk voort, dat woorden, waarbij zulk eene eigenlijke +samenstelling plaats vindt, noodwendig aaneen geschreven moeten worden, +omdat anders door het verbreken der betrekking een der leden alle +grammatische en logische beteekenis verliest, los in de lucht hangt +en eigenlijk niet meer verstaan wordt. Zoo zou b.v. de verbale stam +bewaar in bewaarscholen alle beteekenis verliezen, wanneer men schreef: +De bewaar scholen zijn inrichtingen van den jongsten tijd. + +136. Maar nevens de talrijke eigenlijke samenstellingen vindt men een +niet minder groot getal woorden en vooral uitdrukkingen, welke uit +deelen bestaan, die wel onderling hetzij grammatisch hetzij logisch +verbonden zijn, maar waarbij de band der deelen losser is, zoodat +men dien zonder merkelijke schade voor de duidelijkheid zou kunnen +verbreken. Deze zijn geene eigenlijke samenstellingen en verdienen +veeleer koppelingen te heeten. Bij deze nu kan het twijfelachtig +zijn, in hoeverre zij òf vereenigd òf gescheiden moeten worden; +en werkelijk handelt het Gebruik te dien opzichte zeer oneenparig, +zoodat wij verplicht zijn een leidend beginsel aan te nemen. Het is +hier echter de plaats niet om het onderwerp in zijn geheelen omvang +te onderzoeken; en men moet bekennen, dat het ook uit den aard der +zaak ondoenlijk zou zijn regels vast te stellen, die in alle gevallen +gelden, omdat 1º de consequente toepassing ook van het beste beginsel +toch altijd beperkt wordt door de eischen van den goeden smaak, die +zich vooral hier doen gelden, waar het alleen den uiterlijken vorm der +woorden betreft; en omdat 2º in vele gevallen een gevestigd gebruik +ook zijne rechten heeft, die men niet miskennen kan. Evenwel zijn de +algemeene beginselen, die hier gelden moeten, bij eenig nadenken wel +aan te wijzen. Na rijpe overweging meenen wij den hoofdregel, die in de +meeste twijfelachtige gevallen beslissen kan, aldus te moeten stellen: + +137. Samengestelde uitdrukkingen, die als een zelfstandig deel der +rede kunnen beschouwd worden, maken een onderscheiden geheel uit en +behooren als zoodanig aaneen geschreven te worden, in drie gevallen: + +1) Wanneer zij tot de eigenlijke samenstellingen behooren (zie § 135). + +2) Wanneer bij de vereeniging der deelen òf een van beide, òf beide +hunne beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip ie +vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukking eene andere +is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen +zou medebrengen. + +Zoo is b.v. iets goedmaken zooveel als iets herstellen; iets goed +maken zou beteekenen iets zoo vervaardigen, dat het goed is. Deug niet +zou de negatieve imperativus zijn van deugen, het bevel om slecht te +wezen; een deugniet daarentegen is een persoon die niet deugt. Een +boos wicht is een klein kind, en wel bepaaldelijk een meisje, dat +stout is; maar een booswicht is een volwassen manspersoon, die alle +deugd met voeten treedt. + +3) Wanneer de woorden verouderde grammatische vormen bevatten, die als +overblijfsels der oudheid in vroeger gevormde en door de overlevering +geijkte woorden kunnen geduld worden, doch die bij eene scheiding +der deelen eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den +tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken. + +Tot opheldering diene het woord goedsmoeds, waarin het adjectief goed +in den thans verouderden sterken genitief voorkomt. De uitdrukking +is ontstaan in den tijd, toen men regelmatig den tweeden naamval van +het enkelvoud ook aldus vormde: des goeds mans, ons liefs Heeren, +der heiliger Kerken, onser liever Vrouwen, des heiligs sacraments, +enz. Nu echter deze vorm van den genitief der bijvoeglijke naamwoorden +geheel verouderd is en als zoodanig niet meer verstaan wordt, kan goeds +niet langer als een op zich zelf staand woord gelden, maar behoort +goedsmoeds als eene door het Gebruik geijkte vereenigde uitdrukking, +als eene eenheid derhalve, te worden aangemerkt. + + + + +I. + +138. Volgens den eersten regel behooren aaneen geschreven te worden: + +1) Alle eigenlijke samenstellingen, waarbij, naar § 135, als men ze +oploste, invoeging, omzetting, of vormverandering van woorden zou +moeten plaats hebben: derhalve badplaats, bloeddorst, bloedgetuige, +bloedhond, bloedplakkaat, bloedschande, bloedschuld, bloedverwant, +bloedvlek, bloedworst, bloedwraak, bloedzuiger, boomvrucht, +bruggenhoofd, buitenlucht, geldbeurs, hongersnood, huishuur, +huurhuis, kaarsvet, menschenvrees, stiklucht, theeblad, theegoed, +zeedijk, zijmuur,--allerliefst, brandschoon, doofstom, huisbakken, +nagelvast,--elkander,--buikspreken, knikkebollen, koorddansen, +schaatsenrijden, watertanden, weggaan,--driehonderd, zestien enz. + + Men schrijft algemeen en te recht tweehonderd, driehonderd, + vijftienhonderd enz. aaneen; daarentegen gescheiden: + twee duizend, tien duizend, honderd duizend, ofschoon die + uitdrukkingen oogenschijnlijk insgelijks als tweemaal, tienmaal, + honderdmaal duizend zijn op te vatten. De verbinding van honderd + met het multipliceerende telwoord heeft geen bezwaar in, omdat + dit laatste (althans buiten de gemeenzame spreektaal) niet + hooger klimt dan negentien, en dus altijd slechts een- twee- of + drielettergrepig is. Bij duizend echter kan het tot 999 stijgen, + zoodat men door alles aaneen te schrijven niet zelden een zeer lang + veellettergrepig woord zou verkrijgen, hetwelk moeilijk te overzien + zou zijn. Niet fraai toch en niet gemakkelijk te lezen zijn woorden + als zevenhonderdzevenennegentigduizend en dergelijke. Het kan dus + niet bevreemden, dat het Gebruik zulke composities niet heeft + gewild en in die gevallen de telwoorden gescheiden houdt. Het + zou dan ook niet raadzaam zijn, hier het verstandige Gebruik te + trotseeren; te minder daar eene logisch en grammatisch juiste + opvatting mogelijk is, waardoor de gebruikelijke schrijfwijze + volkomen gerechtvaardigd wordt. Men beschouwe in alle dergelijke + gevallen duizend als substantief, gelijk millioen, dat steeds + als substantief wordt gebezigd, zonder daarom den meervoudsvorm + aan te nemen. Negenhonderd twee en veertig duizend is grammatisch + evengoed te wettigen als negenhonderd twee en veertig millioen, + indien men duizend slechts als een zelfst. naamwoord aanmerkt. + +139. 2) Alle zoodanige vereenigingen van woorden, die oorspronkelijk +door koppeling ontstaan zijn, doch allengs ware samenstellingen +zijn geworden en daarvan blijk geven door veranderden klemtoon +en onverbuigbaarheid van het eerste lid. Tot deze soort behoort +b.v. hoogepriester. Dit woord werd oorspronkelijk als twee +woorden beschouwd en als zoodanig gescheiden geschreven: de hóóge +priester, gelijk de hóóge geestelijkheid, een hóóg ambtenaar enz. De +Staten-overzetters des Bijbels begonnen er echter eene samenstelling +in te zien; zij hechtten de woorden aaneen, doch gingen soms nog +voort met hoog te verbuigen: des hoogenpriesters enz. Thans echter +blijft hooge steeds onveranderd, terwijl de klemtoon is versterkt +en zelfs op priester overgegaan: des hoogepríésters; twee zaken die +onwedersprekelijk bewijzen, dat het woord eene samenstelling is en +wel eene eigenlijke, dewijl hooge in des hooge priesters door het +gemis der n onmogelijk tot priester zou kunnen behooren en dus los +in de lucht zou hangen. + +Deze zelfde blijken van compositie vindt men in dollekèrvel, +edelgestéénte, hoogeschóól, koudescháál, koudvúúr, niewjáár, oudejáár, +roodekóól, roodáárde, zoetemèlk, zoutevìsch, zwartkrijt. Bij +kléínkind, mv. kléínkinderen, niet kleine kinderen, gróótvader, +gróótmoeder, óúdtante, blìndeman, dòlleman, gróótmeester, gróótvorst, +hóógaltaar, hóógambt, hóógmis, hóógtijd, gróótschrift, kléínschrift, +brúínkolen, smàldeel enz. is de klemtoon wel niet op het substantief +overgegaan, doch merkbaar versterkt, terwijl de onbuigbaarheid van +het adjectief de innige verbinding voldingend bewijst. Ook de titels +als Weledelgestreng, Edelgrootachtbaar (waarvan beneden), die uit +koppelingen ontstaan zijn, moeten, uit hoofde van de onverbuigbaarheid +der daarin voorkomende adjectieven, gedeeltelijk tot de eigenlijke +samenstellingen gerekend worden. + +Op dezelfde wijze zijn door koppeling ontstaan de adjectieven, +samengesteld met de als adverbia gebezigde praeposities door, in en +over; b.v. doordroog, dooreerlijk, doorgoed, doorkoud,--indroog, +ingierig, ingoed, ingoor, inlui,--overgroot, overklein, overoud, +overvet, overzoet, overzout enz. In het Middelnederlandsch schreef +men veelal gescheiden: dore sondech, over scone, over vrome, uut +scone enz.; daar echter door, in en over op zich zelve staande nooit +in de hier bedoelde beteekenis gebruikt worden, en dus in door goed, +in droog, over heet enz. buiten alle verband zouden staan, moeten de +genoemde en alle dergelijke verbindingen als eigenlijke samenstellingen +aangemerkt en noodwendig aaneen geschreven worden. + +140. 3) De woorden die, door middel van een suffix, van twee of meer op +zich zelve staande woorden zijn afgeleid, b.v. likeurstoker van likeur +en stoken. Daar het suffix -er het werkwoord stoken in een substantief +herleid heeft, kan het object likeur niet langer object blijven, +maar moet het noodwendig met stoker verbonden worden: likeurstoker, +of met een voorzetsel achteraan treden: stoker van likeuren. + +Tot deze klasse van woorden behooren een aantal substantieven op -er, +-ster en -ing, als: broodbakker, houthakker, kleedermaker, mijnwerker; +achtenveertiger (van 48 ponden of jaren), driedekker (van drie +dekken); wafelbakker, turftonster, huisbewaarster; houtverkooping, +landverhuring, terzijdestelling enz.; alsmede de infinitieven: het +inachtnemen, het terechtbrengen enz. + +Vervolgens vele adjectieven op -ig en -sch, als: viervoetig, van vier +voeten, zeshoekig, eenzijdig, stijfhoofdig; alledaagsch, bijderhandsch, +vanderhandsch, grootscheepsch, ouderwetsch, nieuwerwetsch, oudwijfsch, +nieuwmodisch, zoetemelksch. + +Ook behooren hiertoe alle samengestelde bijwoorden met de adverbiale +s; b.v. bijkan(t)s, buitendijks, desgelijks, dikwijls, insgelijks, +nochtans (van nog-dan), rechtstreeks, telkens (te-elkens), thans +(te-hands), toenmaals, veelmaals enz. Daarom behoort men insgelijks +aaneen te schrijven: bijtijds, buitentijds, intijds, tegoeds (of te +goed), terloops, tersluiks (of ter sluik), tevergeefs (of vergeefs), +vannieuws enz. Daar de adverbiale s reeds een alleenstaand substantief +of adjectief in een adverbium verandert, b.v. daags, deels, fluks +(van vlug), links, rechts, steeds enz., zouden de woorden tijds, +loops, sluiks, goeds enz., indien zij alleen konden staan, op zich +zelve reeds adverbiën moeten zijn, waardoor de voorzetsels bij, te, +van enz. overtollig zouden worden. + +Zelfs de woorden des en noods, tot adverbium vereenigd, behooren +verbonden te worden: desnoods. Deze uitdrukking toch is geen absolute +genitief, maar bestaat uit des, genitief van dat, door nood geregeerd; +men zeide voorheen algemeen en zegt thans nog wel: des nood zijnde +(daaraan behoefte zijnde), hetgeen uit misverstand eerst in des noods +zijnde overging, en vervolgens tot desnoods afgekort werd. + + + + +II. + +141. Wanneer bij de vereeniging van twee uitdrukkingen eene van +beide of beide hare beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw +begrip te vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukkingen +eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende +deelen zou medebrengen, wordt de graphische verbinding uit den aard +der zaak door de grammatica en de duidelijkheid geëischt. Immers +men heeft dan blijkbaar niet meer eene vereeniging van twee in den +geest duidelijk gescheiden begrippen, door de opeenvolgende woorden +uitgedrukt, maar eigenlijk een nieuw begrip, dat slechts door beide +vereenigd vertegenwoordigd wordt, zoodat het aaneenschrijven voor de +juiste opvatting noodzakelijk is. + +Tot dergelijke vereenigingen behooren: + +142. 1) Een aantal verba, verbonden met een substantief, adjectief of +adverbium van wijze, in welke de beteekenis der genoemde woorden of van +het verbum zelf is gewijzigd, als: gadeslaan, handhaven, huishouden, +raadplegen, rechtspreken, waarnemen, waarschuwen; gevangennemen, +goeddoen, goedmaken, goedvinden, hoogachten, kwijtraken, kwijtschelden, +liefhebben, loslaten, schadeloosstellen, vrijlaten, schoonmaken; +grootspreken, harddraven, hardrijden, liefkoozen, snelschrijven, +voortgaan, voortvaren, voortvloeien, weldoen enz. + +Waneer echter het eerste woord een substantief is, dat eene bepaling +bij zich nemen kan, dan is zulks een bewijs, dat ieder lid op zich +zelf blijft bestaan, en dat er derhalve geene samenstelling plaats +heeft; waaruit voortvloeit, dat de woorden in die gevallen niet aaneen +geschreven behooren te worden. Daarom moet b.v. acht geven en -- slaan, +staat maken, prijs stellen enz. gescheiden blijven, dewijl men zegt: +acht op iets geven, geene acht op iets slaan, geen staat op iets maken, +hoogen prijs op iets stellen. + +Daar de uitdrukkingen plaats nemen, -- hebben, -- vinden eene +dergelijke bepaling toelaten, als men b.v. zegt: Neem eene betere +plaats; Het heeft of vindt geene plaats enz., zoo behooren ook deze +woorden gescheiden te blijven. Alleen plaats grijpen, dat nooit eenige +bepaling toelaat en waarin grijpen overdrachtelijk wordt opgevat, +zou hierbuiten staan en, stipt genomen, aaneen geschreven moeten +worden. Wij erkennen echter gaarne, dat deze onderscheiding, hoezeer +ook grammatisch gegrond, in de practijk niet wel toepasselijk is, +en achten het niet raadzaam deze ééne uitdrukking van de vorige af +te zonderen. Wij blijven daarom plaats grijpen schrijven, evenals +plaats hebben, plaats vinden, plaats nemen. + + Bij samenstellingen van adjectieven handelt het gebruik + anders. Deze worden alleen dan gescheiden, wanneer zij + werkelijk eene bepaling bij zich hebben of in een der trappen + van vergelijking staan. Men schrijft hoogachten, goedmaken en + goedvinden aaneen, ofschoon zeer hoog achten, hooger achten, + zeer goed vinden, beter vinden, het best vinden, beter maken te + recht gescheiden blijven, zoowel om den vorm dier uitdrukkingen, + als omdat het gronddenkbeeld daarin kennelijk eene wijziging + heeft ondergaan. Hooger achten toch is eigenlijk de versterking + van hoog achten, niet van hoogachten. + +143. 2) De talrijke klasse van werkwoorden met zoogenaamde +scheidbare en onscheidbare voorzetsels, als aangeven, achterstaan, +bijblijven, bovendrijven, doordringen, omslaan, opkomen, onderloopen, +overloopen, tegenspreken, uitmunten, voorstellen; aanschouwen, +doorzoeken, omsingelen, onderstellen, overwinteren enz. In deze +en alle dergelijke woorden toch heeft niet slechts het voorzetsel +zijne beheersching losgelaten, en is het in een bijwoord veranderd, +maar ook de beteekenis van het verbum is meestal òf geheel gewijzigd, +òf ten minste zoo ver op den achtergrond getreden, dat er een nieuw +begrip is ontstaan. Om dezelfde laatstgenoemde reden worden ook de +adverbia, die eene richting uitdrukken, met het verbum verbonden, +als: achterovervallen, afkomen, bijeenvoegen, heengaan, medenemen, +misloopen, rechtuitgaan, terugbrengen, toesnellen, samenstellen, +voorbijsnellen, vooruitloopen, wederbrengen, wedergeven enz. + +144. 3) De bijvoeglijke naamwoorden vergezeld van de bijwoorden wel, +vol en al in de beteekenis van zeer, b.v. weldoend, welbespraakt, +welgeboren, welzalig, volkomen, volmaakt, volzalig, algoed, aloud, +alwijs enz., vermits die bijwoorden hier in eene gewijzigde beteekenis +staan. + +Hetzelfde wat van vol en wel gezegd is, geldt ook van zeer, alsmede van +hoog en edel, wanneer deze in titels als adverbia gebruikt worden. Al +die woorden verliezen dan de beteekenis, die zij op zich zelve staande +hebben, en behooren dus met het volgende ware of als substantief +gebezigde adjectief verbonden te worden. Daarom schrijft men het +regelmatigst: Weledel, Weledelgeboren, Hoogwelgeboren, Hooggeboren, +Edelachtbaar, Grootedelachtbaar, Zeergeleerd, Hooggeleerd, Weleerwaard, +Hoogeerwaard, Zeergestreng enz. Vergelijk § 139. + + Composita met het zelfst. voornaamw. al, als: alwetend, + alvermogend, alziend, behooren tot de eigenlijke samenstellingen, + dewijl bij eene ontbinding der deelen al in alles zou moeten + veranderd worden: alles wetend, alles vermogend.--Almachtig is + gevormd van almacht (vermogen om alles te doen.) + +145. 4) De benamingen van kleuren, uit twee adjectieven bestaande, +hetzij het eerste in een adverbium verandert, als b.v. hooggeel, +lichtbruin, donkerbruin, hetzij het, gelijk in zwartbont en roodbont, +een waar adjectief blijft. Hier toch ontstaat een nieuw begrip; +donkerrood, lichtgeel beteekenen niet hetzelfde als donker rood en +licht geel, welke laatste uitdrukkingen ook voor comparatie vatbaar +zijn: donkerder rood, zeer donker rood; terwijl daarentegen zeer +donkerrood, zeer lichtgeel natuurlijk niet bestaan. Vergelijk de +aanmerking in § 142. + +146. 5) De pronomina: degene, diegene, hetwelk, dezulke, dezelve en +dezelfde. Daar het graphisch verbinden van twee woorden, waarvan het +eerste zijne gewone verbuiging behoudt, strijdig kan geacht worden met +het strenge begrip van samenstelling, hebben Bilderdijk en anderen +het aaneenschrijven der genoemde uitdrukkingen veroordeeld. Deze +vereischen dus eene toetsing aan de gestelde beginselen. + +Gene geeft, als het op zich zelf staat, te kennen, dat het bedoelde +voorwerp zich op eenigen afstand van den spreker bevindt, en onderstelt +altijd eene tegenstelling met iets anders, dat dichter bij is; ook +wordt het in die opvatting nooit van het lidwoord vergezeld. Degene +en hetgene (of hetgeen) daarentegen beteekenen, dat de aangeduide +personen en zaken door een volgenden bijzin bepaald worden, en drukken +dus een geheel eigenaardig begrip uit, hetwelk bij geene mogelijkheid +uit de beide woorden op zich zelve kan worden opgemaakt. Hier bestaat +dus, zoozeer als bij eenig ander woord, eene afdoende reden om, het +gebruik volgende, verbonden te schrijven: degene, desgenen, dengene; +hetgeen of hetgene.--Diegene en datgene verschillen van degene en +hetgeen alleen door meerderen nadruk, maar bevinden zich overigens +in hetzelfde geval en worden dus insgelijks te recht aaneen geschreven. + +In hetwelk heeft het lidwoord het blijkbaar alle beteekenis verloren, +daar hetwelk volstrekt niets méér zegt dan het bloote welk, evenals het +ouderwetsche dewelke niets méér beteekent dan het gewone welke. Toen +zich nog in de vorige eeuw dewelke en hetwelk door grooteren nadruk +van welke, welk onderscheidden, hadden artikel en relatief beide +kracht, en kon het verbinden misschien met recht veroordeeld worden; +thans is hetwelk ongetwijfeld als eene koppeling te beschouwen en, +gelijk het gebruik wil, in één woord te schrijven: hetwelk. + +In dezulke, van zaken gebezigd, komt zulk in zijne gewone opvatting +(als zoodanig) voor; dezulken echter, van personen gezegd, beteekent +doorgaans niet: zij, die zóó zijn, maar: zij, die zóó doen. De regel +zou derhalve eischen, dat de woorden in het eene geval gescheiden, +in het andere verbonden geschreven werden. Intusschen blijkt het +verschil niet altijd even duidelijk en loopen de beide beteekenissen +soms ineen. Het komt ons niet raadzaam voor in enkele gevallen eene +onderscheiding te maken, die niet altijd kan worden toegepast en +die steeds in eene spitsvondigheid bestaat. Daarom zien wij geene +voldoende reden om bij dit woord van het gebruik af te wijken, en +schrijven wij derhalve steeds verbonden: dezulke, dezulken. + +Zelf drukt absolute identiteit uit, en kan het best door in eigen +persoon omschreven worden. Dit begrip echter staat bij dezelve, +hetzelve zoo ver op den achtergrond, dat het niet meer merkbaar is. Wie +zich dus nog van de genoemde persoonlijke voornaamwoorden mocht +willen bedienen, zou geene reden hebben om ze anders dan verbonden +te schrijven: dezelve, hetzelve. + +Eenigszins anders is het gelegen met dezelfde en hetzelfde: het +lidwoord behoudt daarin zijne kracht, en zelfde, een versterkte +vorm van zelf doet het begrip van absolute identiteit ten sterkste +uitkomen. Men kan dus een oogenblik in bedenking staan, of die +uitdrukkingen wel als composita te beschouwen zijn. Wanneer men +echter in aanmerking neemt, dat zij voor het taalgevoel inderdaad een +ondeelbaar begrip uitdrukken, en dat het woord zelfde in de beteekenis +van absolute identiteit nooit op zich zelf staat, dan zal men zeker +geen genoegzamen grond vinden om bij die woorden van het gebruik af +te wijken. De Redactie blijft derhalve schrijven: dezelfde, hetzelfde. + +Het lidwoord een is nooit aan een volgend woord verbonden geworden; +daarom schrijft men gescheiden: eene zekere soort, een zeker gevoel, +en dus ook een zelfde geval, een zelfde begrip, waarin zelfde geene +absolute identiteit, als in dezelfde, maar slechts eene relatieve, +slechts volkomene gelijkheid ten opzichte van de eene of andere +hoedanigheid, uitdrukt. + + Ook in mijns gelijke, zijns gelijke, haars gelijke enz. behouden + de woorden mijns, zijns enz., die de objectieve genitieven + zijn van de personalia ik, hij enz. en door gelijke geregeerd + worden, geheel en al hunne eigene beteekenis, evenzeer als dit + gesubstantiveerde adjectief. Er is dus evenmin reden om mijns + enz. aan gelijke te hechten, als om mijner en onzer aan erbarmen, + gedenken of schamen te verbinden in: Hij heeft zich mijner erbarmd; + Wil mijner gedenken; »Zoo zullen we Uwer ons nooit schamen" enz. + +De gebruikelijke verbinding van mijn en heer in den beleefdheidstitel +Mijnheer steunt op goeden grond, daar mijn in die samenstelling zijne +beteekenis verloren heeft, en om die reden in de overeenkomstige +woorden Mevrouw en Mejuffrouw tot me verzwakt is. Het meervoud Mijne +heeren echter kan niet als compositum beschouwd worden, vermits mijne +daarin, strijdig met het vereischte van samengestelde woorden, zijne +verbuiging behoudt. + +147. 6) De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee adverbia, +waarvan het eene, ten gevolge der vereeniging, zijne beteekenis +gewijzigd heeft, als: weleer, veeleer, dusverre, hoeverre, zooverre, +zoolang, evenlang, evenzeer, zoozeer, evenveel, hoeveel, zooveel enz., +verschillend van veel eer, hoe ver, zoo lang, zoo zeer enz. + +Hiertoe behooren vanzelve ook die uitdrukkingen, waarin het tweede +lid een voorzetsel is, als bijwoord gebezigd, b.v. kortom, linksom, +middenin, nabij, rechtsom, rechtuit, rondom, ronduit; achteraan, +achterin, achterop, achterover, achteruit; bovenaan, bovenop, bovenuit; +onderaan, onderin, onderuit; tusschenin, vooraan, voorin, vooronder, +voorover, vooruit; voortaan enz. Ook af was oorspronkelijk een +voorzetsel en verkeert dus in hetzelfde geval; derhalve insgelijks: +achteraf, kortaf, linksaf, rechtsaf, vooraf enz. + +Hier is natuurlijk geene sprake van het geval, waarin eene ware +praepositie door een adverbium voorafgegaan wordt. Alsdan toch +behouden beide woorden hunne eigene beteekenis, en zou het verbinden +ten onrechte plaats hebben. Daarom schrijft men gescheiden: midden +in den tuin; boven op den zolder; het water liep er onder uit. + +148. 7) De uitdrukkingen, bestaande uit de bijwoorden van plaats hier, +daar en waar, wanneer deze, gepaard met een in bijwoord veranderd +voorzetsel, de waarde hebben van een voornaamwoord, dat door een +voorzetsel beheerscht wordt, als: hieraan (aan dit), hieraf (van dit), +daardoor (door dat), daarmede (met dat), waartoe (tot hetwelk) enz. + +Ten opzichte van de bijwoorden ergens, nergens, overal en er, tot +hetzelfde doel met een voorzetsel vereenigd, maakt het Gebruik eene +uitzondering. Men schrijft gescheiden: ergens aan, nergens door, +overal bij, er bij, er van, er uit enz., hetgeen blijkbaar daaraan is +toe te schrijven, dat zoodanige uitdrukkingen met overal, ergens en +nergens alleen in gemeenzamen stijl voorkomen en meer gesproken dan +geschreven worden; en dat er meestal door tusscheninstaande woorden +van zijn voorzetsel gescheiden is: Men had er nooit aan gedacht; +Hij zou er in dat geval toch toe besloten hebben. + +149. 8) De bijwoordelijke uitdrukkingen, die bestaan uit een +voorzetsel, gevolgd + +a) van een zelfstandig naamwoord, dat in die verbinding nimmer een +bepalend woord bij zich neemt, wanneer òf dit zelfst. naamw. òf +het voorzetsel zijne beteekenis wijzigt, als: achterwege, onderweg, +overeind, bijgeval (door een toeval), integendeel, inzonderheid enz. + +b) van een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord, wanneer een der +genoemde woorden of wel het voorzetsel zelve zijne beteekenis heeft +gewijzigd; als: overdwars, overlang, overluid, opnieuw, vanhier, +vandaar, vanwaar, voorwaar, voorzeker, voorgoed (verschillend van +van hier, van daar, van waar, voor zeker, voor goed, in welke laatste +uitdrukkingen de beide bijeenbehoorende woorden hunne kracht behouden). + +c) van de zelfstandige voornaamwoorden al en een: bovenal (boven +alles), vooral, overal, aaneen, achtereen, bijeen, dooreen, opeen, +uiteen. + +Het voorzetsel te maakt hier natuurlijk eene uitzondering, zoowel +wanneer het alleen staat, als wanneer het met de datieven der +lidwoorden de en het tot ter of ten is samengesmolten. Eene der +gewone functies toch van te is juist het vormen van bijwoordelijke +uitdrukkingen, terwijl andere zulks slechts bij uitzondering +doen. Men schrijft daarom gescheiden: te huis, te land, te water, +ter zee, ten hove, ten dage, ter ure, te paard, te scheep, te voet, +ter been; te koop, te huur, te geef, ter leen, te kijk, te grabbel, +te zoek, te berge, te pas, te onpas, te rade, te recht, te onrecht, +ten onrechte, ten eerste, ten tweede, ten laatste enz. + + Daar het lidwoord en het voornaamw. zelfde, volgens § 146, steeds + aaneen geschreven worden, en er geene reden bestaat om ze te + scheiden, wanneer er eene samentrekking met te plaats heeft, + maken uitdrukkingen als tenzelfden tijde, terzelfder tijd, + terzelfder plaats, terzelfder ure enz. natuurlijk uitzonderingen + op dezen regel. + +In terstond, terug en terdege of terdeeg worden stond, rug en deeg +niet meer in hunne eigenlijke beteekenis opgevat; vandaar dat +die uitdrukkingen als samenstellingen te beschouwen zijn en dus +aaneenverbonden behooren geschreven te worden. Hetzelfde geldt, wel +is waar, ook bij te berge, maar die uitdrukking staat uitsluitend bij +slechts één werkwoord: te berge rijzen; hare bijwoordelijke natuur +wordt dus nagenoeg niet gevoeld, wat bij de andere drie wel degelijk +het geval is. Terstond en terdege toch kunnen bij ieder verbum gevoegd +worden, en terug dient om de beteekenis van een vrij aanzienlijk +getal verba te wijzigen: terugbrengen, -deinzen, -eischen, -gaan, +-geven, -houden, -roepen, -vragen, -zenden enz. De gevallen staan +dus geenszins gelijk; weshalve wij geene voldoende reden zien om hier +van het gevestigde gebruik af te wijken. Wij schrijven dus te berge +in twee woorden, maar terstond, terug en terdege of terdeeg aaneen. + +De uitdrukkingen te leur en te loor, met het thans verouderde +substantief leur of loor gevormd, komen op zich zelve nooit voor, +maar de eerste alleen in verbinding met het werkwoord stellen, de +tweede alleen met gaan, en bij die verbinding nemen de vereenigde +uitdrukkingen eene nieuwe beteekenis aan, zoodat hier werkelijk eene +eenheid ontstaat en dus samenstelling plaats heeft. Volgens § 141 +behoren deze uitdrukkingen derhalve, als te zamen een nieuw begrip +vertegenwoordigende, aaneen geschreven te worden: teleurstellen, +teloorgaan. + +Van bij geldt nagenoeg hetzelfde als van te. In het Middelnederlandsch +werd het regelmatig gebezigd voor door, evenals het Engelsche by. Deze +beteekenis, hoewel zeldzamer, is nog niet geheel verouderd, blijkens de +uitdrukkingen: bij besluit, bij missive, bij een schrijven, bij eene +verordening, bij reglement enz. Daarom moet bij in uitdrukkingen als: +bij toeval, bij erfenis, bij uitzondering, bij loting, bij verkiezing +enz. evenzeer geacht worden zijne eigenlijke beteekenis te hebben als +in: bij ontstentenis, bij gebrek enz. Bijgeval echter wordt te recht +aaneen geschreven, omdat geval daar in de min gewone beteekenis van +toeval voorkomt. + +150. 9) Onder de praepositionale uitdrukkingen alleen tegenover, +rondom, niettegenstaande en ingevolge. De overige, bestaande uit een +voorzetsel, gevolgd van een substantief, blijven in overeenstemming +met § 142 gescheiden, omdat dit substantief zelf eene bepaling +eischt, bestaande uit eenen genitief of uit een ander voorzetsel +met zijne eigene beheersching; b.v. in geval van nood, naar mate +van zijne bekwaamheid; en zoo ook door middel van, uit hoofde van, +in overeenstemming met, in betrekking tot enz., terwijl men zegt +ingevolge dezen nood, niet van dezen nood of dezes noods. Derhalve ook: +uit kracht, door toedoen, door bemiddeling, naar gelang, naar luid, +op hoop, in spijt, ten spijt, ten behoeve, ten gevalle, ten aanzien, +ten overstaan, ten aanhooren, ten aanschouwen enz. + + Natuurlijk kan er nog minder sprake zijn om die woorden aaneen + te schrijven, wanneer het substantief een artikel, pronomen + of adjectief bij zich heeft; b.v. als men zegt: naar de mate + zijner bekwaamheden, door het krachtigste middel van overreding, + in volkomene overeenstemming met zijne bedoelingen, in nauwe + betrekking tot uw welzijn enz. In zulke gevallen behoudt ieder + woord zijne eigene grammaticale waarde, en vervalt het begrip + van een samengesteld voorzetsel geheel. + +151. 10) Alle uitdrukkingen, die de waarde van een voegwoord hebben, +en waarin de beteekenis van ieder deel niet volkomen duidelijk +uitkomt; b.v. alhoewel, alsmede, alsof, bijaldien, derhalve, dewijl, +doordien, evenals, ingeval, naarmate, nademaal, tenware, tenzij, +hoezeer, hoewel, zooals, zoodat, zoowel enz., en zoo ook daarenboven, +daarentegen, desniettegenstaande, desniettemin. Wanneer echter ieder +deel zijne eigene kracht kennelijk behoudt, worden zij niet graphisch +verbonden. Daarom schrijft men gescheiden: niet alleen.... maar +ook, nu eens.... dan eens, vanhier dat, vandaar dat, dan dat. Zoo +scheidt men ook: zoolang als, zoodra als; want zoolang en zoodra zijn +alleen reeds als voegwoorden in gebruik, en derhalve, wanneer zij +door als gevolgd worden, veeleer als bijwoorden dan als voegwoorden +te beschouwen. Vergelijk b.v. Zoolang hij ziek is, kan van de zaak +niets komen, met: Hij zal afwezig blijven, zoolang als zijn broeder +ziek is. Wanneer nadat en voordat een bijwoord ter versterking vóór +zich bekomen, worden voor en na, in overeenstemming met § 145, van +dat gescheiden: lang voor dat, lang na dat. + + Uit deze en de vorige § volgt dat het voegwoord naarmate ook + graphisch onderscheiden is van het praepositionale naar mate: + Hij werd nederiger, naarmate zijn aanzien steeg. Hij zal naar mate + (of naar de mate) van zijne diensten beloond worden. + +152. 11) Van de tusschenwerpsels worden helaas en eilieve aaneen +geschreven, en te recht, omdat laas, mnl. laes, lacy, op zich +zelf verouderd is, en lieve niet meer als een vocatief gedacht +wordt. Daarentegen behoort och of, hoewel de conjunctie of daar +de verouderde beteekenis van indien heeft, vaneen geschreven te +worden, vermits anders de constructie der volgende woorden niet te +rechtvaardigen is; vergelijk b.v.: Och, of (indien) gij mij gelooven +wildet (hoe zou ik mij verheugen). + + + + +III. + +153. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met verouderde +grammatische vormen, worden aaneen geschreven, omdat die woorden +bij eene scheiding eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij +bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen +maken. Hiertoe behooren: + +1) de uitdrukkingen, waarin het eerste lid in den sterken manlijken +of onzijdigen genitief voorkomt, als: goedsmoeds, droogsvoets, +blootsvoets, blootshoofds, heelshuids, luidskeels (ook luidkeels) enz. + +2) de uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd door +een sterken manlijken of onzijdigen genitief, als: binnenshuis, +buitenshuis, binnenslands, buitenslands, binnensmonds, binnensrands, +binnenstijds, enz. + +3) de uitdrukkingen, waarin de d van het zoogenaamde bepalende +lidwoord door den invloed van den slotmedeklinker van het voorafgaande +voorzetsel tot t verscherpt wordt of met dien medeklinker ineensmelt, +als: metterdaad, mettertijd, metterwoon, uitermate. + +4) de uitdrukkingen, bestaande uit een substantief, dat bepaald wordt +door dèr, dès en wès, verouderde vormen van de voornaamwoorden die en +wat, hetzij beide eene bijstelling uitmaken, als: derhalve, dermate, +destijds, hetzij het eerste door het tweede geregeerd wordt, als: +desbevoegd, deskundige, weshalve. + +5) de uitdrukkingen, bestaande uit een adjectief in den sterken +genitief op -er, gevolgd van een substantief in oneigenlijken zin +genomen, als: allerwegen, halverwegen (verschillend van halfweg), +gewapenderhand, langzamerhand, gelukkigerwijze, toevalligerwijze; +hand en wijze worden bijna als suffixen opgevat. + +Een genitiefvorm op -er klinkt, uit hoofde van zijne overeenkomst +met de zeer gewone comparatiefvormen, minder vreemd dan die op -s +in bloots, goeds, heels enz. Dit schijnt de reden te zijn, waarom +het Gebruik de verbinding niet noodig acht, wanneer het substantief +zijne eigenlijke beteekenis behoudt, als in onverrichter zake, ouder +gewoonte, zaliger gedachtenis enz. Hieruit is het ook te verklaren, +waarom met luider stem, in aller ijl, te gelijker tijd, niet aaneen +geschreven worden, maar wel inderdaad, waarin daad niet in den +eigenlijken zin wordt opgevat. + + + +Het gebruik van het koppelteeken. + + +154. Wanneer een der opgenoemde regels het graphisch verbinden +van woorden vordert, doch het werkelijk aaneenschrijven een woord +opleveren zou van een te vreemd en zonderling voorkomen, of dat uit +hoofde zijner lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de +deelen door een koppelteeken (hyphen) vereenigd. + +155. Men bezigt uit dien hoofde het koppelteeken: + +1) Wanneer in een compositum eigennamen of van eigennamen gevormde +adjectieven voorkomen, als: + +a) in de benamingen van koopwaren, waarin het eerste lid de naam +is van de landstreek of de plaats, die de waar oplevert, of vanwaar +zij uitgevoerd wordt, b.v. Baai-tabak, Cayenne-peper, Java-koffie, +Manilla-sigaren, Riga-balsem, Smyrna-vijgen, Zuidzee-traan enz. + +Deze schrijfwijze heeft voornamelijk ten doel, den eigennaam duidelijk +te doen uitkomen. Wanneer deze echter in de uitspraak onherkenbaar +misvormd is, kan het doel door de scheiding niet meer bereikt worden, +en schrijft men de deelen werkelijk aaneen; b.v. sinaasappel, voor +Messina's-appel, enz. + +b) in de zelfstandige naamwoorden, waarvan het eerste lid een adjectief +is, gevormd van een eigennaam, als: Berlijnsch-blauw, Engelsch-zout, +Friesch-groen, Pruisisch-zuur enz. + +c) in de bijvoeglijke naamwoorden, bestaande uit de koppeling van twee +adjectieven, die van eigennamen zijn afgeleid, als: Engelsch-Russisch, +Fransch-Engelsch, Franco-Gallisch, Indisch-Europeesch, Indo-Germaansch +enz. + +156. 2) Wanneer titels van personen, in burgerlijke, rechterlijke of +militaire betrekkingen, bestaan + +a) uit twee bastaardwoorden, als: adjunct-commies, adspirant-ingenieur, +ambassadeur-plenipotentiaris, gouverneur-generaal, minister-resident, +procureur-crimineel, politie-commissaris, substituut-griffier, +auditeur-militair, admiraal-generaal, luitenant-generaal, +luitenant-kolonel, sergeant-majoor. + +b) uit een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, wanneer beide +reeds op zich zelve titels zijn, of wanneer het tweede een adjectief +is, dat dan, strijdig met ons taaleigen, achter het substantief komt: +grootmeester-nationaal, kapitein-kwartiermeester, kapitein-geweldiger, +staten-generaal, raad-pensionaris enz. + +157. 3) Wanneer geographische eigennamen bestaan uit een eigennaam +en een bijvoegl. naamwoord of een bijwoord, als: Groot-Britannië, +Klein-Azië, Nieuw-Holland, Nieuw-York, Rood-Rusland, Wit-Rusland, +Noord-Brabant, Zuid-Holland, Achter-Indië, Voor-Indië, Beneden-Egypte. + + Het koppelteeken wordt natuurlijk niet gebezigd, wanneer het + tweede lid der samenstelling een gemeen zelfst. naamw. is; + dus niet in Amazonenrivier, Noordzee, Zuiderzee, Oostzee, + Oostergoo, Westergoo, Westland, Opsterland, Salland, Teisterbant, + Hartsgebergte, Reuzengebergte. + +158. 4) Wanneer een bijvoeglijk woord, hetzij een adjectief, een +lidwoord of een voornw., alleen betrekking heeft op het eerste +lid eener volgende samenstelling, niet op dit woord in zijn geheel +genomen. In dit geval wordt het bijvoeglijke woord door een hyphen +met het compositum verbonden, als: bolvormige-driehoeksmeting, +platte-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, 's-Gravendeel, 's-Gravenhage, +groot-zegelbewaarder, 's-Heerenberg, 's-Hertogenbosch, +Mijns-Heerenland, oude-kleerkoop, klein-kinderschooltje, +oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, rijnsche-wijnflesch, +desolate-boedelkamer, Beiersch-bierbrouwerij, Groene-weeshuis (naar +de kleeding der weezen), St.-Catharinagasthuis, Heilige-Geestgasthuis, +Lieve-Vrouwenkerk enz. + +159. Omtrent het schrijven der telwoorden zou men in twijfel kunnen +staan, in hoeverre zij al of niet verbonden moeten worden. Raadpleegt +men het gewone gebruik, dan vindt men een telwoord alleen dàn graphisch +aan een volgend gehecht, wanneer het de waarde van een multiplicatief +adverbium heeft; b.v. twee in tweehonderd (tweemaal honderd); +ook worden dertien, veertien, vijftien enz. tot negentien aaneen +geschreven; in alle andere gevallen laat men de deelen gescheiden. Men +schrijft b.v. zeshonderd negen en veertig duizend vijfhonderd +negentien, zes en twintig enz. Daar echter ook het langste telwoord +een zelfstandig deel eener rede uitmaakt, doet zich de vraag voor, +of dit gebruik niet is af te keuren, en of niet alle bestanddeelen +van een samengesteld telwoord ten minste door koppelteekens behooren +vereenigd te worden. Bij eene nadere beschouwing echter laat zich +de vraag niet anders dan ontkennend beantwoorden, omdat in zulke +vereenigingen al de vereischten eener compositie ontbreken, namelijk +een overheerschende klemtoon, de duidelijke samenvatting der leden +in ééne voorstelling, en de wijziging der beteekenis van ten minste +één lid. Zoo zoekt men b.v. in driehonderd vier en vijftig millióén +zevenhonderd drie en zestig dúízend negenhonderd acht en zéventig +vergeefs naar een woord, dat door zijn sterkeren nadruk al de overige +woorden overheerscht en tot een geheel verbindt. Men hoort kennelijk +drie hoofdaccenten, namelijk op millioen, duizend en zeventig; deze +zijn even sterk en bewijzen mede, wat iedereen trouwens bij zich +zelven kan waarnemen, dat de geest het geheele getal niet in eens +omvat, maar het zich achtereenvolgens in drie gedeelten voorstelt, +die men zelfs, zonder eenig nadeel voor de duidelijkheid, door +komma's zou kunnen scheiden. Eindelijk, ieder woord wordt in deze en +dergelijke verbindingen in zijne gewone beteekenis opgevat, behalve +dat de getallen, die in vereeniging met honderd als multiplicativa +staan (tweehonderd, achttienhonderd), door de ellips van maal of +malen eene gewijzigde kracht bekomen, ten blijke waarvan zij dan ook +met dit woord graphisch verbonden zijn. De Redactie ziet derhalve +geene overwegende reden, om hier van de algemeene gewoonte af te +wijken, die ten overvloede door het overeenstemmend Gebruik in alle +beschaafde talen gewettigd wordt. Zij laat dus al de bestanddeelen +van een samengesteld telwoord gescheiden, behalve tien en honderd, +die aan het onmiddellijk voorgaande gehecht worden: dertien, veertien, +vijftien, negentien; tweehonderd, zevenhonderd, zeventienhonderd enz. + +160. Meer grond bestaat er voor het graphisch verbinden der +bestanddeelen van samengestelde ranggetallen, als b.v. drie en +twintigste, vier honderd en zevende, zeshonderd vier en negentigste. In +deze en dergelijke uitdrukkingen worden de verschillende leden door +het afleidingssuffix -de of -ste, aan het laatste lid gehecht, tot +een geheel verbonden, zoodat zij, in den tegenwoordigen toestand +der taal, tot die soort van eigenlijke samenstellingen behooren, +waarover in § 140 gehandeld is. Intusschen pleiten gedeeltelijk +dezelfde redenen, die in de vorige § zijn aangevoerd, hier tegen de +verbinding der bestanddeelen. Men heeft dergelijke samengestelde +uitdrukkingen dan ook nooit als eigenlijke composita beschouwd, +hetgeen daaruit blijkt, dat men oudtijds de suffixen -de en -ste, ten +minste achter de hoofdbestanddeelen, herhaalde, en b.v. schreef: het +hondertste ende tiende jaer; drie dusentste vierhonderdste ende seven +ende tachtigste. Daarom achten wij het ongeraden, met de bedoelde +uitdrukkingen zoo geheel anders te handelen dan met de eigenlijke +getallen, en, in strijd met het gevestigde Gebruik in onze en andere +beschaafde talen, wanstaltige woordvormen voor te staan, die het +oog dikwijls niet zou kunnen overzien. Wij aarzelen derhalve niet, +ten opzichte der ranggetallen eene uitzondering op den regel van § +140 te maken en voort te gaan met gescheiden te schrijven: negen en +zeventigste, vijfhonderd dertiende, enz. + + + + +B. Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de leden eener +samenstelling? + + +161. De tweede onzekerheid bij het schrijven van samengestelde +woorden betreft den vorm van het eerste lid, die uit de uitspraak niet +altijd duidelijk blijkt, hetgeen bij vele tot verschil in spelling +aanleiding geeft. Zoo schrijven b.v. sommigen pereboom en tarwebrood, +anderen perenboom en tarwenbrood. De Leer der Spelling moet hier +uitspraak doen. + +De onzekerheid spruit uit verschillende oorzaken voort; het is +van belang die te kennen. Ook bij dit onderzoek is het noodig het +onderscheid in het oog te houden tusschen de eigenlijke samenstellingen +en de samenkoppelingen, van welke echter, gelijk reeds is aangemerkt, +sommige later voor oor en oog in eigenlijke samenstellingen zijn +overgegaan; vergelijk § 135 en 139. Deze verandering van vorm en +nog andere redenen, die straks ter sprake komen, maken ook het +onderscheiden van oudere en jongere samenstellingen noodzakelijk. + +De letters, ten opzichte waarvan onzekerheid en verschil bestaat, +noemt men verbindingsklanken of verbindingsletters. Beginnen wij met +te onderzoeken, wat men er door te verstaan heeft, welke letters zoo +te noemen zijn. + +162. De woordstammen, d.i. de woorden, van alle buigingsuitgangen +ontdaan, waren in den oudsten toestand der Indo-Germaansche talen +tweeërlei: vocalisch, uitgaande op een der korte klinkers a, i en u +(oe); of consonantisch, eindigende op eene n, voorafgegaan door eene +korte a, of door eene lange î of û (goth. ei of ô). Bij het vormen +van eigenlijke samenstellingen werd het eerste lid oorspronkelijk, +indien het een vocalischen stam had, in zijn onveranderden stamvorm +voor het tweede lid gevoegd; was het consonantisch, dan werd de n +afgeworpen, en de voorafgaande lange klinker verkort. Dientengevolge +eindigde het eerste lid der eigenlijke samenstellingen op weinige +uitzonderingen na--kennelijk alle onregelmatigheden--steeds op een +der korte klinkers a, i of u (oe). Daar nu deze klinkers een deel van +het eerste lid uitmaken, kon er toen bij eigenlijke samenstellingen +geene sprake zijn van opzettelijk ter verbinding ingevoegde letters. + +Uit deze waarneming vloeit nog iets voort. Indien het eerste lid in +zulke composita voorkwam in zijn stamvorm, zonder eenig teeken dat +eene betrekking aanduidde, dan is het zeker, dat men oorspronkelijk +bij het samenstellen volstrekt niet dacht aan de verhouding van het +eerste lid tot het tweede, maar het aan den hoorder overliet zich +die verhouding daarbij te denken. + +163. Het begrip van samenkoppeling sluit reeds uit zich zelf het +aanwezig zijn van verbindingsklanken uit. Eene koppeling bestaat in +het aaneenhechten van twee, soms van meer woorden, die in de rede +op elkander volgen; daarom komt het eerste lid natuurlijk niet in +zijn stamvorm voor, maar, zoo het een verbuigbaar woord is, in een +vorm waarin het in de rede zelfstandig kan optreden; een naamwoord +derhalve in een naamval van het enkel- of meervoud, een werkwoord +in de onbepaalde of in de gebiedende wijs. Zoo heeft b.v. het woord +God in godsdienst den vorm van den 2den, in godebehaaglijk dien van +den 3den, in godverheerlijkend dien van den 4den naamval, omdat +die woorden vereenigingen zijn van de uitdrukkingen Gods dienst, +Gode behaaglijk, God verheerlijkend. Het werkwoord spelen staat +in spelevaren in de onbepaalde wijs, doch met onderdrukte n, omdat +dit woord eene verbinding is van spelen varen (verg. lezen leeren); +in vergeet-mij-nietje staat vergeten in de gebiedende wijs. + +164. Doch bestonden er oorspronkelijk geene verbindingsklanken, +verschillende oorzaken hebben samengewerkt om hun bestaan eerst te +onderstellen, en later werkelijk zulke letters in te voegen. Daar +de woordstammen onveranderd natuurlijk alleen in samenstellingen +voorkwamen, maar in de verbogen vormen, onder welke zij in de rede +optraden, allerlei wijzigingen ondergingen, geraakte de natuur van +de eindklinkers der stammen spoedig in vergetelheid, en begon men ze +voor opzettelijk ingevoegde klanken, voor bloote verbindingsletters, +aan te zien. Zij werden allengs zwakker uitgesproken, en gingen +ten laatste in de toonlooze e over. Zoo ontstonden b.v. dageraad, +nachtegaal, bruidegom van de stammen daga, nahta, bruthi. Wanneer men +deze woorden vergelijkt met de later gevormde dagboek, nachtverblijf, +bruidleidster, enz., dan krijgt de toonlooze e, ofschoon een deel van +het eerste lid zijnde, het voorkomen van eene ingevoegde letter zonder +beteekenis of reden van bestaan, van een blooten verbindingsklank. Haar +aanwezen bewijst intusschen, dat de genoemde woorden tot de oudste +samenstellingen behooren, uit den tijd, toen men de woordstammen daga, +nahta en bruthi nog kende. + +165. Even willekeurig schijnt de toonlooze e in vele samenstellingen, +wier eerste lid vroeger op dezen thans afgesleten klinker eindigde, +b.v. in wiegelied, harteleed, bruggegeld, ruggegraat, willekeur enz., +van de verouderde vormen wiege, harte, brugge, rugge, wille. + +166. Bij samenkoppelingen hebben andere oorzaken gewerkt om letters, +die inderdaad tot het eerste lid behooren, als ingevoegd te doen +beschouwen. De tweede naamval, die thans alleen in het enkelvoud van +het manlijke en onzijdige geslacht een kenmerkenden uitgang heeft (-s, +-es, -n of -en), nam voorheen ook bij zwakke vrouwelijke woorden, +als vrouwe, kerke, eere, eene -n aan: der vrouwen, der kerken, der +eeren. Het meervoud, dat thans in alle naamvallen op eene -n of eene +-s eindigt, ging vroeger bij alle sterk verbogen woorden op -e uit +(in den 3den naamval op -en): honde, geite, dinghe, of bij sommige +onzijdige op -er: kinder, kalver. Het was dus natuurlijk, dat men, +toen er geene vrouwelijke genitieven op -n, geene meervouden op -e +of -er meer bestonden, de -n, -e of -er in woorden als vrouwenkleed, +eerenprijs, paardeboonen, kinderkamer, raderwerk enz. voor ingevoegde +letters aanzag. + +Voorheen vormde men, naar het schijnt meest van werkwoorden, +adjectieven op -el, als behaghel, krijgel, schamel, vergetel, vermetel, +verstandel. Zij werden vooral in samenstellingen en afleidingen +gebezigd, als in schamelheid, vergetelheid, vermetelheid. Was nu zulk +een adjectief buiten gebruik geraakt en vergeten, dan kreeg -el in +eene samenstelling het voorkomen van willekeurig ingevoegd te zijn, +b.v. in schorselwoensdag, schortelkleed, schrikkeljaar, schrikkelmaand, +troostelbier enz. + +167. Toen men nu eenmaal van het bestaan van verbindingsklanken +meende overtuigd te zijn, was het natuurlijk dat men bij het vormen +van nieuwe composita, als op het gevoel af, naar bestaande modellen +te werk ging en dikwijls geheel ten onrechte letters invoegde. Op +die wijze ontstonden, naar het voorbeeld van koningsmoord, +vaderlandsliefde, kindskind, de composita jongelingsvereeniging, +belegeringswerken, vrijheidsliefde, dochtersman, waardoor de s in +composita ook achter vrouwelijke substantieven allengs het teeken van +den tweeden naamval werd; naar ganzemarkt, paardekooper, hoenderhok, +waarin het eerste lid een meervoud voorstelde, ook andere waarbij men +aan een enkelvoud dacht, als ganzepen, paardestaart, hoenderei; naar +krijgsman, krijgstuig ook leidsman, scheidsmuur; naar schorteldoek, +schrikkeljaar ook ringelduif, noteltere (noteboom). + +Dientengevolge heeft men thans het volste recht om van +verbindingsklanken te spreken; en, daar het niet altijd met zekerheid +kan bepaald worden, of eene letter tot het voorste lid behoort, +of slechts ingelascht is, zullen wij ook de wettig aanwezige onder +den naam van verbindingsklanken of -letters begrijpen. Onder deze +benamingen worden derhalve hier verstaan de letters -e, -n, -s, +-el, -en en -er, voorkomende in het midden van samenstellingen, +en niet behoorende tot den hedendaagschen stam van het eerste lid; +dus b.v. de e in dageraad, de s in wolfsklauw, de lettergreep el in +schorteldoek, en in menschenbloed, er in hoenderhok, omdat de stammen +der eerste leden thans dag, wolf, schort, mensch, hoen luiden. + +168. Moest het vermelde noodwendig de strekking hebben om den +vorm onzer composita onzeker te maken, er kwam nog de bekende +eigenaardigheid van het Nederlandsch bij, dat wij de n achter +eene toonlooze e slechts zeer flauw uitspreken en soms geheel +onderdrukken. Daarom kan het gehoor alleen niet meer beslissen, of +men pere- of perenboom te schrijven heeft; daardoor hebben sommige +infinitieven, b.v. ruilen in ruilebuiten, spelen in spelevaren, +hunne n verloren. Dat onderdrukken had natuurlijk het meest plaats +in dagelijksche woorden, die men vaker hoorde uitspreken, dan men ze +geschreven zag. In het omgekeerde geval bleef de n bestaan. Dit ziet +men onder andere aan het zeldzaam voorkomende eerenprijs (naam eener +plant), dat men in de woordenboeken met eene n geschreven vindt, +naast het meer gebruikelijke eereprijs, in den eigenlijken zin van +het woord genomen. + +169. Er is nog meer dat het bepalen van den vorm der composita moeilijk +maakt. In de vroegste tijden reeds ging men, schijnbaar althans, met +willekeur te werk, en vormde men, zonder eenig merkbaar onderscheid +in de beteekenis te stellen, nu eens eigenlijke samenstellingen, dan +eens koppelingen. De namen van de dagen der week leveren merkwaardige +voorbeelden van die schijnbare regelloosheid op. Zondag, Maandag, +Donderdag, Vrijdag, Zaterdag zijn eigenlijke samenstellingen, ofschoon +het eerste lid, blijkens lat. dies Solis, Lunae enz., stellig in de +betrekking van den genitief staat. Daarentegen zijn Dinsdag (Dies dach, +dag van den god Die) en Woensdag (Wodans dach), meer overeenkomstig +met de Latijnsche voorbeelden dies Martis en dies Mercurii, slechts +koppelingen. Die ongelijkheid, ofschoon zij waarschijnlijk hare +oorzaken heeft, laat zich thans niet meer verklaren. Men zal zulks +moeten erkennen, als men bedenkt, dat men in het Middelnederlandsch +zoowel Manendach, met den zwakken genitief van mane, als Maendach, +Donresdach (Donderdag) naast Donredach en Vriendach of Vrijndach +naast Vridach aantreft. Ook later ging men--voor ons verstand ten +minste--niet regelmatiger te werk. Zoo geeft, om slechts iets te +noemen, Kiliaan sonnenschijn op, als eene koppeling van schijn met +den zwakken genitivus sonnen; maar daarentegen maenschijn, als eene +echte samenstelling van maen en schijn. + +170. Hier komt nog bij, dat de taal thans stellig naar +andere beginselen te werk gaat en meer naar duidelijkheid +streeft. Bepaaldelijk wil zij den vorm van het meervoud, waar +het begrip het denkbeeld van een meervoud medebrengt, terwijl +men zich oudtijds met den stamvorm vergenoegde. Dit blijkt +b.v. uit de vergelijking van de nieuwere woorden beeldengalerij, +krankzinnigengesticht, woordenboek enz. met de oudere beeldhouwer, +weeshuis, woordboeck enz. + +171. Uit deze waarnemingen, beschouwd in verband met het +onderdrukken der n, volgt, dat men bij het verklaren en bepalen der +verbindingsletters, althans in de bijzondere gevallen, weinig of +geen licht kan vinden bij onze Ouden, omdat dezen, oogenschijnlijk +ten minste, zonder regelmaat te werk gingen. Zoo laat zich +b.v. niet uitmaken, of ons hedendaagsche zonneschijn en maneschijn +samenstellingen zijn van zon en maan in hun verouderden vorm sonne +en mane, dan wel koppelingen, bloote aanhechtingen van schijn aan de +zwakke genitieven sonnen en manen, met dezelfde onderdrukking der n, +die b.v. in spele(n)varen heeft plaats gehad. + +172. Te midden echter van al die schijnbare onregelmatigheden +straalt een beginsel door, dat thans nog geldt, te weten het streven +naar welluidendheid, of liever, negatief gesproken, het zoeken om +onwelluidende vormen te vermijden. + +Ontegenzeglijk klinkt het samentreffen van sommige medeklinkers +nagenoeg even onaangenaam, als zulks algemeen erkend wordt van de +onmiddellijke opeenvolging van twee klinkers, waarvoor men zelfs +opzettelijk een naam, hiatus, gaping, heeft uitgedacht. Sommige +verbindingsletters hebben dan ook buiten tegenspraak geen ander +doel, dan het vermijden van zulk een wanluidend samentreffen, en niet +zelden strekt de e alleen om twee medeklinkers, de n om twee klinkers +te scheiden. + +173. Even zeker is het, dat buitengewoon lange samenstellingen +onwelluidend zijn en daarom door de taal zooveel mogelijk vermeden +worden. Dit blijkt duidelijk uit woorden als jongelingsvereeniging, +vondelingshuis en dergelijke, voor jongelingenvereeniging, +vondelingenhuis: vormen, die men niet gebruikt, omdat zij ééne +lettergreep langer zijn, ofschoon zij door de analogie van +boerenbedrijf, ziekenhuis enz. zouden gevorderd worden. + +174. Van het tegenwoordige standpunt beschouwd, schijnt het alleszins +wenschelijk dat er regels gesteld worden, die volstrekte regelmatigheid +in de samenstellingen brengen, en waarbij men de beteekenis en de +onderlinge verhouding der leden niet voorbijziet. Uit alles echter +moet gebleken zijn, dat zulks geheel ondoenlijk is. Een aantal woorden +uit vroegeren tijd, samengesteld naar thans onbekende beginselen, of +schijnbaar tegen alle beginselen aan, hebben een vasten vorm gekregen, +die nu niet meer te veranderen is, b.v. eierdop, eierschaal. Aan het +stellen van algemeene regels, voor eene geheel consequente en tevens +logisch juiste compositie, is derhalve niet te denken, dewijl zulks +onvermijdelijk eene wijziging in den vorm van een zeer groot aantal +woorden ten gevolge zou moeten hebben, die, zoo zij daardoor ook +al niet geheel onkenbaar werden, dan toch een al te zonderlingen +indruk maken zouden. Wien toch zou het niet bevreemden dagraad, +bruidsgom en nachtgaal geschreven te vinden, ofschoon deze woorden in +overeenstemming zouden zijn met dagboek, dagregister, dagreis enz., +met bruidsdagen, bruidstranen, bruidsgift, bruidsgoed enz., en met +nachtgewaad, nachtgoed, nachtkaars enz. + +Logisch juist zijn de woorden ziekenhuis, oude-mannenhuis, +invalidenhuis, kinderhuis (met het oude meervoud kinder); minder goed +zijn weeshuis en duifhuis, hoewel te rechtvaardigen, als gevormd naar +de oorspronkelijke wijze van samenstellen; geheel onverdedigbaar is +daarentegen vondelingshuis. Doch wie zou zijne goedkeuring willen +hechten aan een regel, die voorschreef met strikt logische juistheid +kinderenhuis, vondelingenhuis, weezenhuis te schrijven, en duifhuis +door duivenhuis te vervangen, ten einde het met duivenhok en duiventil +in overeenstemming te brengen? + +175. Is het stellen van algemeen geldige regels voor het vormen van +composita volstrekt onmogelijk, het is gelukkig ook niet noodig. De +Spelling heeft alleen te bepalen, hoe de gesproken woorden, haar +door de Etymologie of het Gebruik kant en klaar geleverd, behooren +geschreven te worden. Zij behoeft zich dus slechts te bemoeien met +die samenstellingen, wier vorm niet duidelijk uit de uitspraak blijkt, +en waarvan dientengevolge verschillende schrijfwijzen bestaan. + +176. Doch ook zóó genomen heeft de zaak nog vele bezwaren in. Het +aantal der onzekere vormen is groot en bestaat uit verschillende +soorten; en daarnevens bevinden zich verscheidene woorden, tot +dezelfde soorten behoorende, die steeds onveranderlijk op dezelfde +wijze geschreven worden, wier vormen dus wel degelijk bepaald zijn, +maar naar verschillende en tegenstrijdige beginselen. Zoo schrijft +men onveranderlijk sterrekunde en instrumentmaker, met sterre en +instrument in den enkelvoudigen stamvorm; daarentegen, evenzeer +onveranderlijk, volkenkunde en sigarenmaker, met volk en sigaar +in den meervoudsvorm. Het is duidelijk, dat er geen regel bestaan +kàn, waarin beiderlei vormen gelijkelijk passen. Welke regels +men dus ook voor de onzekere vormen aanneme, er blijven altijd +eenige woorden over, die, zoo men te hunnen opzichte het Gebruik +wil blijven eerbiedigen, noodwendig buiten de regels vallen. Men +zou de zoodanige als uitzonderingen kunnen beschouwen en vermelden, +indien de uitspraak en spelling van alle even zeker ware als die van +de vier bovengenoemde, of indien er eenig herkenningsteeken bij die +uitzonderingen bestond. Daar dit echter in geenen deele het geval is, +en men toch wel niet verlangen kan, dat wij geheel beginselloos te +werk gaan, zoo blijft ons niets anders over, dan 1º. eenige regels aan +te nemen, die, zoo weinig mogelijk met het oude gebruik strijdende, +op de hedendaagsche richting der taal gegrond zijn, en daardoor recht +geven tot de verwachting, dat nieuwe woorden dienovereenkomstig zullen +gevormd worden; en 2º. de weinige woorden, wier vorm door het Gebruik +anders bepaald is, met die regels in overeenstemming te brengen. Uit +het aangevoerde toch moet niet slechts de onmogelijkheid gebleken +zijn van dit te vermijden, maar ook evenzeer de wenschelijkheid, +dat er eenmaal een einde kome aan de bestaande wanorde in het stuk +der compositie, en dat men daarbij duidelijk bewuste verstandige +beginselen volge. Wij voor ons ten minste rekenen ons verplicht +daarnaar te streven. + +177. Het is duidelijk, dat de Spelling ook bij het stellen van zulke +regels, althans in de eerste plaats, behoort te werk te gaan naar +dezelfde beginselen, die bij het schrijven der grondwoorden gelden, +voor zooverre die hier van toepassing kunnen zijn. De Regels der +Gelijkvormigheid (§ 49) en der Afleiding (§ 54) bepalen den vorm der te +verbinden woorden, doch zwijgen natuurlijk van de verbindingsletters; +en daar men geheel van de onderstelling uitgaat, dat de Uitspraak niet +beslist, zullen voornamelijk de Analogie (§ 59) en de Welluidendheid +(§ 62) moeten geraadpleegd worden. + +In één opzicht zal men genoodzaakt zijn van de aangenomen gewone +beginselen af te wijken: aan het Gebruik zullen hier aan de eene zijde +minder, aan de andere meer rechten moeten toegekend worden. Nergens +had dit vrijer spel dan in het stuk der compositie, waar zoovele +verschillende beginselen golden, en aanleiding gaven om de meest +uiteenloopende richtingen aan te nemen. Zal er eenige regelmaat in het +schrijven der samenstellingen bestaan, dan zal men soms van het Gebruik +moeten afwijken, zonder te kunnen bewijzen dat het volstrekt verkeerd +is, terwijl men het in andere gevallen zal moeten eerbiedigen, ofschoon +het moeilijk kan gerechtvaardigd worden; vergel. hier § 66. Zoo is de +spelling zedeleer en sterrekunde op zich zelve geheel wettig, als eene +samenstelling met den stamvorm zede en sterre; maar de Analogie en de +hedendaagsche richting der taal eischen zedenleer en sterrenkunde; +hier kunnen wij het Gebruik niet langer laten gelden. Daarentegen +zijn de gewone vormen eierdop, eierschaal (bij Kiliaan nog ey-dop, +ey-schale) verkeerd, en het meervoud door niets goed te maken; doch +wie zal nu eidop, eischaal willen geschreven zien? + +178. Daar de bemoeiingen der Spelling zich niet verder behoeven uit +te strekken dan tot die verbindingsletters, die in de uitspraak niet +duidelijk worden gehoord, is het klaar, dat alle onderzoekingen zich +hier bepalen tot de n en de s. Men kan alleen onzeker zijn, of eene +toonlooze e al of niet door n gevolgd, en of eene s of z, waarmede +het tweede lid begint, al of niet door eene s wordt voorafgegaan; +b.v. of men konijnen- of konijnehaar, dorps- of dorp-schuit, eenigs- +of eenig-zins te schrijven heeft. Omtrent de overige letters, over +het al of niet aanwezig zijn van e en er, en van s, niet door s of +z gevolgd, beslist de Uitspraak. + +Ten einde onder de duizenden samengestelde woorden niet geheel in +den blinde rond te tasten, zal het dienstig zijn vooraf na te gaan, +onder welke soort van samenstellingen de vermelde onzekerheden +worden aangetroffen. Bij dat onderzoek zullen wij het veiligst te +werk gaan, indien wij achtereenvolgens die woordsoorten uitmonsteren, +bij welke eene inlassching van verbindingsletters niet denkbaar is, +of in elk geval verkeerd zou wezen. Daar de verbindingsletters steeds +òf werkelijk uitgangen van het eerste lid zijn, òf als zoodanig worden +aangemerkt, zal men de samenstellingen naar de natuur van het eerste +lid in soorten of klassen moeten onderscheiden. + +Alleen een voegwoord kan niet het eerste lid eener samenstelling +uitmaken; alle andere rededeelen, zelfs het lidwoord van bepaaldheid, +b.v. in dewijl, en de tusschenwerpsels ei en he in eilaas en helaas, +treden als eerste leden van composita op. Voor zooverre echter de +samenstellingen met onverbuigbare woorden beginnen, is het duidelijk, +dat er geene sprake van verbindingsletters kan wezen. Immers vermits +deze letters steeds werkelijke of gewaande buigingsuitgangen zijn, +ontbrak bij de woorden, die met indeclinabilia, met bijwoorden, +voorzetsels of tusschenwerpsels beginnen, de aanleiding tot +het aanwezig zijn of tot het ontstaan van verbindingsletters +geheel en al. Men treft er onder dezulke dan ook geene aan, zelfs +niet waar de welluidendheid ze zou kunnen vorderen. Men schrijft +algemeen medearbeider, medeërfgenaam, medeïngezetene, medeoorzaak, +medeüitverkorene, waarin niemand ter wegneming van den hiatus eene n +invoegt; eene waarneming, die bewijst, dat ook die verbindingsletters, +die blootelijk voor de welluidendheid strekken, toch naar de analogie +der buigingsletters ontstaan zijn. + +De met onverbuigbare woorden aanvangende samenstellingen leveren +derhalve ten opzichte der verbindingsletters geene onzekerheden op; +deze zijn dus alleen denkbaar bij die soorten van composita, wier +eerste lid verbuigbaar is. Doch ook van deze vallen terstond een paar +soorten weg, waarover men zich niet verder te bekommeren heeft. De +hoofdgetallen blijven in de eigenlijke samenstellingen onveranderd, +en staan in zooverre gelijk met de onverbuigbare woorden. Men zegt en +schrijft driewerf, viermaal, vijfhoek, zeskantig, driesprong, tiental, +honderdvoud, duizendvoudig enz. De vormen op -en, als tweeën, drieën, +vieren enz., komen slechts alleenstaande, nooit in samenstellingen +voor; het gewone vierendeel is eene verbasterde uitspraak voor +vierdedeel. Er bestond dus ook nooit aanleiding tot het ontstaan +eener verbindings-n, zelfs niet ten gevalle der welluidendheid, hier +evenmin als bij de indeclinabilia; men zegt tweeoogig en driearmig, +niet tweenoogig en drienarmig. De vrouwelijke genitiefvorm op -er +treedt slechts voor -lei en -hande in eenerlei, tweeërhande enz. en +baart geene twijfelingen. Van de telwoorden blijven derhalve alleen +die weinige ter nadere behandeling over, die, als geen en veel, +op de wijze van bijvoeglijke woorden verbogen worden. + +Ook de zelfstandige voornaamwoorden vallen buiten het +onderzoek. Van deze komt alleen zelf als het eerste lid in +samenstellingen voor. Ofschoon men het voorheen wel eens eene s +gaf, en b.v. soms zelfsbedrog schreef, in het hedendaagsche gebruik +blijft het onveranderlijk zelf: zelfbeschuldiging, zelfvertrouwen, +zelfverloochening enz. + +179. Uit het aangevoerde volgt, dat alle twijfelachtige gevallen +moeten gezocht worden onder woorden, aanvangende met zelfstandige +naamwoorden, werkwoorden of bijvoeglijke woorden, te weten +lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden +en onbepaalde telwoorden. Deze waarneming stelt ons in staat om +over den aard der verbindings-s en -n te oordelen. De n zal achter +zelfstandige naamwoorden òf het teeken moeten zijn van den zwakken +genitief, òf dat van het meervoud; achter bijvoeglijke woorden een +naamvalsuitgang; achter werkwoorden het teeken van den infinitief; +òf zij zal bloot euphonisch moeten wezen, wat achter allerlei woorden, +behalve indeclinabilia, kan plaats hebben. De s kan achter zelfstandige +naamwoorden den genitief of het meervoud aanduiden; achter bijvoeglijke +woorden zal zij het teeken van den sterken genitief wezen; òf zij zal +achter beide soorten als euphonisch zijn te beschouwen; achter stammen +van werkwoorden zal zij slechts de laatstgenoemde waarde kunnen hebben. + +Beginnen wij met het onderzoek naar + + + +De inlassching der verbindings-n. + +180. Uit de vorige § vloeit voort, dat men bij het oordeelen +over de noodzakelijkheid of overtolligheid der verbindingsletters +volstrekt noodig heeft te weten, tot welke soort van woorden het +eerste lid behoort. In de meeste gevallen is dit niet moeilijk te +bepalen. Een werkwoord, al staat het in den stamvorm, laat zich +door zijne beteekenis in den regel duidelijk genoeg onderkennen; +doch substantieven en adjectieven zijn niet altijd zoo gemakkelijk +te onderscheiden. Met name is dit het geval met de stoffelijke +bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige, waarvan zij gevormd zijn +door aanhechting van het achtervoegsel -en, welks n in het dagelijksch +leven zelden duidelijk uitgesproken, maar meestal geheel onderdrukt +wordt. Dit maakt, dat men op het gehoor af niet kan onderscheiden, of +men in samenstellingen met zelfstandige naamwoorden of met stoffelijke +adjectieven te doen heeft; of men b.v. tarwen- of tarwebrood, rijsten- +of rijstebrij moet schrijven. Daar de uitspraak hier niet beslist, +en de beteekenis, oppervlakkig beschouwd, beide schrijfwijzen schijnt +te wettigen, zal de analogie moeten geraadpleegd worden. Men heeft te +vragen, of er andere samenstellingen bestaan, waarvan het eerste lid +stellig en buiten allen twijfel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord +is. Bij onderzoek blijkt, dat er geen enkel zoodanig woord is te +vinden, maar integendeel een aantal, waarin het eerste lid uit +een zelfstandig naamwoord bestaat, dat de plaats bekleedt van een +stoffelijk bijvoeglijk naamw., of althans hetzelfde uitdrukt. Zoo +spreekt men van blik-, hout-, ijzer-, koper- en tinwaren; van +hout-, ijzer-, koper- en zilverwerk; van goud-, ijzer-, koper- en +zilverdraad; van goud- en zilverlaken; van goudguldens en zilvergeld; +van stroohoeden; van steen- en suikergoed; van pleisterbeelden; +van steen- en zandwegen; van steenrotsen, stroodaken en turfmuren; +van amandeltaarten, honingkoeken en peperkoek; terwijl er geen enkel +compositum met gouden, zilveren enz. is aan te wijzen. Hieruit blijkt +duidelijk genoeg, dat onze taal geene samenstellingen met stoffelijke +bijvoeglijke naamwoorden kent. + +Dit liet zich reeds a priori voorzien. Het Nederlandsch toch, +ofschoon zoozeer als eenige taal het vermogen bezittende om samen +te stellen, maakt evenwel van dat vermogen slechts met tact en +wijze spaarzaamheid gebruik. Het vormt geene samenstellingen, +waaraan geene behoefte is; het koppelt daarom ook geen adjectief aan +het volgende substantief, wanneer er geen nieuw begrip ontstaat, +verschillende van dat, wat de woorden onvereenigd reeds zouden +uitdrukken. Composita als aequatoriaalcirkel, gymnasiaalonderwijs, +proportionaalpasser, privaatlessen enz. zijn germanismen, even +grof als privaataudientie, privaatleven, existentiaaloordeelen +en dergelijke. Een compositum goudenhorloge kon niet ontstaan, +omdat gouden horloge volkomen hetzelfde uitdrukt. Men kan derhalve +in de uitspraak roggenbrood, tarwenbrood enz., geene stoffelijke +bijvoeglijke naamwoorden erkennen. Het moge wezen, dat roggebrood, +tarwebrood enz. ontstaan zijn door het samenkoppelen van roggen +brood, tarwen brood enz., ten gevolge waarvan sommigen roggenbrood +en zelfs roggembrood uitspreken; maar nu de gevoelens verdeeld zijn, +moet het taaleigen beslissen. Het is uit dien hoofde raadzaam te +schrijven: boekweitebrood, gerstebrood, roggebrood, tarwebrood, +als samenstellingen met boekweit (oudtijds boeckweyte), gerst +(oudt. gerste), rogge en tarwe; en zoo ook rijstebrij, rijstepap, +gelijk haverbrij, gortpap, meelpap, van rijst (oudt. rijs) met eene +ingelaschte e of te naar het voorbeeld der overige samenstellingen, die +meestal drielettergrepig zijn. Wie in sommige der opgenoemde woorden +de n zou willen laten hooren, zou de woorden moeten scheiden en roggen +brood, weiten pannekoeken enz. schrijven, dewijl de n zich ook niet +als teeken van den zwakken genitivus laat rechtvaardigen, vermits +de taal de betrekking tusschen de stof en het daaruit vervaardigde +nooit door een 2den naamval uitdrukt. Daarentegen schrijve men: +boonenbrood, kanenbrood, gruttenbrij, frambozenkoekjes, erwtensoep, +omdat deze gevormd zijn van de meervouden boonen, kanen, grutten, +frambozen, erwten. + +Verder volgt hieruit, dat men, van aarden vaatwerk en van een kunstweg +sprekende, overeenkomstig het bijna algemeene gebruik, aardewerk en +aardebaan zeggen moet; niet aardenwerk, aardenbaan, ofschoon deze +vormen, taalkundig nooit te verdedigen, wel door eene ongeoorloofde +samenkoppeling met aarden kunnen ontstaan zijn. + +181. Indien het zeker is, dat men in die gevallen, waarin de zin +desnoods een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zou toelaten, met een +zelfstandig naamw. te doen heeft, dan lijdt het wel geen twijfel, +dat zulks nog veeleer het geval is bij woorden, in wier beteekenis +slechts met moeite die van een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in +te wringen is. In dit geval verkeeren de boomnamen, samengesteld met +een woord, dat reeds op zich zelf een boomnaam is, b.v. berkeboom, +beukeboom enz. Een berkeboom is toch wel bezwaarlijk op te vatten +als een berken of berkenhouten boom, gelijkstaande met berken bezem, +berken roede. Daarom treft men in berke-, beuke-, denne-, eike-, +elze-, essche-, ijpe-, sparre- en wilgeboom, waarin sommigen eene n +schrijven, evengoed als in abeel-, ceder-, olm-, palm- en pijnboom, +en in lindeboom, waarin nooit eene n gehoord wordt, geene bijvoeglijke +naamwoorden aan, maar de boomnamen in hun ouden vorm berke, beuke, +denne, eike enz., uit den tijd toen zij, gelijk linde nog, op e +uitgingen. Daar boom in berkeboom als het ware de appositie is van +berk, en beide leden derhalve in gelijke betrekking staan, is de n +ook niet als teeken van den zwakken genitief te verdedigen. + + De woorden grenen en vuren, die in onze taal den grondvorm missen, + maar rechtstreeks zijn afgeleid van Noordsche benamingen van + denneboomen, zijn wel stoffelijke bijvoegl. naamwoorden; doch daar + de grondvormen bij ons onbekend zijn, kunnen zij niet anders dan + als Nederlandsche grondwoorden beschouwd worden, die als zoodanig + in de samenstelling onveranderlijk zijn. + + + + +De n achter substantieven als teeken van den zwakken genitief. + + +182. De n kan als teeken van den genitief gewettigd schijnen achter de +substantieven der zwakke declinatie, dat wil zeggen achter dezulke, +die in den 2den naamval van het enkelvoud n of en aannemen, en die +zich voorheen ook daardoor onderscheidden, dat zij in alle naamvallen +van het meervoud op en uitgingen, terwijl die der sterke declinatie +e of s aannamen. Deze zijn, behalve het onzijdige hart (des harten), +louter manlijke persoonsnamen; te weten alle die op e eindigen, +als bode, erve, getuige; de als persoonsnamen gebezigde bijvoeglijke +naamwoorden: arme, bediende, blinde, gedaagde, gevangene, kreupele, +lamme, rijke, overste, zieke enz., waartoe ook die behooren, welke +de e hebben afgeworpen, als dwaas (des dwazen), gek, vrek, zot, en +eindelijk nog graaf, heer, mensch, paus, prins en vorst, die voorheen, +op paus na, insgelijks op e uitgingen, en gedeeltelijk soms nog met +e geschreven worden, als grave, heere, mensche. + +183. De zwakke declinatie was oudtijds veel talrijker en bevatte niet +slechts nog andere manlijke en onzijdige substantieven, die thans +sterk verbogen worden, maar ook vrouwelijke, die nu alle verbuiging +hebben verloren. + +Tot de manlijke behoorden nog andere persoonsnamen, als hertog, jood, +profeet, slaaf, soldaat;--diernamen als aap, beer, bul of bol, draak, +haan, haas, os, pauw; en namen van levenlooze dingen, als gaard, +naam, wil. Deze gingen insgelijks meest op de toonlooze e uit: jode, +profete, slave, ape, bere, bolle, drake, hane, hase, osse, paeuwe, +gaerde, name, wille enz. + +Ook de onzijdige ooge en oore werden oorspronkelijk zwak verbogen, +ten gevolge waarvan zij eerst vrouwelijk werden, om later, na afwerping +der e, tot het onzijdige geslacht terug te keeren. + +Grooter was de klasse der vrouwelijke zwakke substantieven, waartoe +vrouwe, coninginne, deure, eere, kerke, mane, sonne e.a. behoorden. + +184. De verbuiging der genoemde woorden veranderde natuurlijk niet +plotseling en op eenmaal; zij bleef lang tusschen zwak en sterk +dobberen, zoodat men zelfs bij eenen en denzelfden schrijver nevens +elkander des profeets en des profeten, des leeuws en des leeuwen, +des osses en des ossen, der vrouwe en der vrouwen, der aerde en der +aerden, der eere en der eeren enz. aantreft. + +Het langst hield de zwakke vorm stand, wanneer het regeerende +substantief of een ander innig verbonden woord op den genitief +volgde. Zoo leest men bij dezelfde schrijvers: eens profeten sone, des +leeuwen muyl, des profeten Jeremia enz., naast: de stemme eens fellen +leeuws, Ahia des profeets enz., waar de omgekeerde woordschikking +plaats heeft. + +185. Uit constructiën als de eerstgenoemde, waarin de genitief vóór het +beheerschende woord staat, b.v. eens profeten sone, eens vorsten telg, +eens heeren knecht, des prinsen vlag, eens bullen pees, eens hanen +poot, eens leeuwen muil, eens ossen tong enz., konden lichtelijk +door koppeling composita ontstaan, als profetenzoon, vorstentelg, +heerenknecht, prinsenvlag, bullenpees, hanenpoot, leeuwenmuil, +ossentong enz.; op dezelfde wijze als Godszoon, bokspoot, hondstand, +wolfshonger enz. uit Gods zoon, eens boks poot, eens honds tand, eens +wolfs honger. Zeker is het dat sommige samenstellingen werkelijk aan +zulk eene koppeling haar ontstaan te danken hebben, b.v. 's-Gravenhage, +'s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, eerenprijs (naam eener plant); +het afgekorte lidwoord 's (voor des), het voornaamw. mijns en het +gemis van het meerv. van eer of eere stellen zulks buiten twijfel. Men +mag dus veilig aannemen, dat ten minste eenige der bovengenoemde, +misschien alle, en nog vele andere koppelingen enkelvoudige genitieven +bevatten. Doch even zeker is het, dat men daarbij, behalve bij +eigennamen, gelijk de bovengenoemde van lidwoorden of voornaamwoorden +vergezeld, thans niet meer aan een tweeden naamval denkt; de uitspraak +der meest gebruikelijke woorden leert zulks duidelijk. Men zegt toch +algemeen zonder n: bullepees, hanekam, hanepoot, haneveer, hazesprong, +ossetong, pauweveer; niet bullenpees, hanenkam enz., ofschoon men +daarnevens wel degelijk van bokspooten, hondstanden, lamsbouten, +ramshorens en arendsneuzen spreekt, waarin ontwijfelbaar de sterke +genitivus gehoord wordt. De oorzaak is klaarblijkelijk daarin gelegen, +dat de zwakke genitieven zeldzaam geworden en uit de omgangstaal geheel +verbannen zijn, en nu alleen nog in hoogeren stijl worden gebezigd. Het +is een gevolg van de richting, die onze taal in de laatste eeuwen +heeft genomen. De zwakke genitief leeft niet meer in het bewustzijn +des volks, hij is verouderd; de sterke heeft zijne plaats ingenomen +op weinige uitzonderingen na, die tot den deftigen stijl behooren, +welke gaarne eenigszins verouderde uitdrukkingen bezigt. Er staat +eene andere richting tegenover, namelijk het toenemen der n van het +meervoud. In het Middelnederlandsch eindigden alle sterke substantieven +in het meervoud slechts op eene e: honde, hande enz., thans alle op +en. In de 17de eeuw nog gingen de gesubstantiveerde adjectieven, als +arme, rijke enz., in het meervoud op e uit, thans insgelijks op en: +de armen enz. De n van het meervoud is dus toegenomen, naarmate die +van den zwakken genitief verminderd is. Aan de vereenigde werking der +beide richtingen is het toe te schrijven, dat men de n in de composita +niet meer als het teeken van den genitief, maar als den uitgang van +het meervoud aanmerkt. Duidelijk blijkt zulks uit die samenstellingen, +waarin het eerste lid een vroeger zwak verbogen substantief is, die +dus de n behoorden te hebben, maar ze door s hebben vervangen, als: +naamsverwisseling, wilskracht, hartstocht, hartsvriendin, eershalve, +maansverduistering, vrouwspersoon, zonsondergang enz. Neemt men hierbij +in aanmerking, dat, niettegenstaande alle vrouwelijke woorden thans +onverbogen blijven, er toch in composita een groot aantal worden +aangetroffen, waarin s de betrekking van den genitief uitdrukt, +als in deugdsbetrachting, krachtsontwikkeling, liefdesverklaring, +stadspoort, vriendschapsbetuiging, waarheidsliefde, zielsverdriet, +zuinigheidsmaatregel; en dat er volstrekt geene samenstellingen als +deurenpost, kerkentoren, manenschijn, stedenpoort, zonnenstraal +enz. bestaan, ofschoon men daarin met recht de n van den 2den +naamval zou verwachten, dan moet men wel besluiten, dat de taal +in samenstellingen geene n meer als teeken van den 2den naamval +beschouwt. Maar dan zou het ook eene miskenning van hare geschiedenis +wezen, indien men thans nog in composita eene twijfelachtige n wilde +schrijven, alleen op grond, dat zij de betrekking van een enkelvoudigen +genitivus moest aanduiden. + +186. Uit het aangevoerde volgt, dat de samenstellingen met het +enkelvoudige hart geene n behooren te hebben. Men zegt algemeen: +hartediefje, harteleed, hartelust; en de woorden hartstocht en +hartsvriendin bewijzen voldingend, dat men zelfs bij dit woord, +ofschoon het werkelijk nog zwak verbogen wordt, in composita niet meer +aan den zwakken genitief denkt. Daarom is hartewensch de eenige thans +consequente vorm, hoewel men nu en dan nog wel hartenwensch gespeld +ziet. De vormen met harten- verwekken kennelijk de gedachte aan een +meervoud, gelijk b.v. hartenaas, hartenheer in het kaartspel. + +187. Doch alhoewel het zeker is, dat de taal thans het invoegen eener +twijfelachtige n niet wettigt, indien er in het geheel geen andere +grond voor bestaat dan het uitdrukken van een genitief, die niet meer +gevoeld wordt, even zeker is het, dat zij die invoeging niet verbiedt, +wanneer daarvoor andere redenen aan te voeren zijn. + +In geen geval zal iemand de n willen missen in 's-Gravendeel, +'s-Gravenhage, 's-Heerenberg, 's-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland en +dergelijke namen, in welke hare beteekenis ten gevolge der voorafgaande +genitieven 's en mijns duidelijk wordt gevoeld. Maar er zijn ook +andere gevallen, waarin men eene n zal willen schrijven, ofschoon +zij alleen kan beschouwd worden als teeken van een enkelvoudigen +2den naamval, waarvan men zich niet duidelijk bewust is. Er bestaan +namelijk eenige woorden met dubbele beteekenis, die in de eene, in de +oneigenlijke opvatting, als teeken van het meervoud eene n eischen, +welke in de eigenlijke slechts den 2den naamval van het enkelvoud +kan vertegenwoordigen. De overdrachtelijke opvatting dier woorden, +dus hun vorm met n, is de gewone; de eigenlijke, die strikt genomen de +n zou kunnen missen, komt uit haren aard slechts hoogst zelden voor, +terwijl het voor de duidelijkheid onverschillig is en dus nutteloos en +spitsvondig zou zijn de beide opvattingen door verschil in spelling +te onderscheiden. Daar nu de n in de bedoelde woorden als teeken van +den zwakken genitief grammatisch volkomen gerechtvaardigd is, zoo +hebben daar de Analogie en het in § 67 aangemerkte volle kracht. Zie +over deze woorden beneden § 194. + +Kan de hoedanigheid van teeken van den zwakken genitief eene voldoende +reden zijn om eene n te schrijven, waar de Analogie daarvoor pleit; +zij is geen voldoende grond voor haar behoud, waar de Analogie haar +verwerpt. Dit is het geval bij eerenprijs als plantnaam. Het is wel +niet denkbaar, dat men de plant (veronica) zal verwarren met een +eereprijs als eerbewijs; de onderscheiding door de spelling is dus +volstrekt nutteloos en daarom af te keuren. Wij schrijven uit dien +hoofde eereprijs zonder n in de beide opvattingen van het woord, +naar analogie van eereboog, eerelid, eereplaats, eerepoort, eerepost, +eerezetel enz. + + + + +De n achter substantieven als het teeken van het meervoud. + + +188. Daar in eigenlijke samenstellingen het eerste lid oorspronkelijk +in den stamvorm, dus noch in het enkelvoud noch in het meervoud +voorkwam, behooren alle samenstellingen met een meervoudig eerste +lid noodwendig tot de nieuwere tijden. Doordien er nu een aantal +composita gevonden worden, die een meervoud onderstellen, maar wier +eerste lid desniettemin enkelvoudig is, b.v. geweermaker, pijlkoker, +patroontasch, weeshuis enz., heeft men wel eens getwijfeld aan het +bestaan van eigenlijke samenstellingen, wier eerste lid meervoudig +is. Er worden er evenwel genoeg gevonden, die niet twijfelachtig +zijn. Niemand toch denkt er aan, in plaats van kinderschooltje, +kalverliefde, eierkorf, raderwerk, lucifersdoosje, huisjesmelker, +meisjesgek, sigarenkoker, krankzinnigengesticht enz., kindschooltje, +eikorf enz. te zeggen en te schrijven; en toch, -er duidt steeds, en de +s en en duiden in de genoemde woorden ontegenzeglijk het meervoud aan. + +Het aanwezig zijn van samenstellingen met een meervoud, die +voorheen onmogelijk waren, en die meestal eerst in de jongste +tijden gevormd zijn, bewijst--wat in zoovele andere opzichten +blijkt--dat de taal ook bij het samenstellen al meer en meer het +begrip op den voorgrond schuift, en de duidelijkheid wil bevorderen, +al kan zulks ook slechts geschieden met opoffering der oudere vormen +en taalregels. Men heeft hierin een wenk te zien, dien men bij het +kiezen tusschen verschillende schrijfwijzen moet gehoorzamen, ook dan +zelfs, wanneer het Gebruik in een enkel geval stellig nog het oudere +voortrekt. Wij nemen daarom als regel aan, dat die samenstellingen, +eigenlijke zoowel als koppelingen, wier eerste lid noodwendig als +de aanduiding eener veelheid moet opgevat worden, in twijfelachtige +gevallen den meervoudsvorm vereischen, dat wil zeggen, achter de +toonlooze e eene n als teeken van het meervoud moeten hebben. Wij +schrijven volgens dat beginsel met eene n: bessensap, biezenkistje, +boekenkast, boekenrek, boekenstalletje, brievenbesteller, brievenpost, +brillenslijper, broekenstof (en broekstof), dennenwoud, dievenbende, +druivennat, druiventros, duitendief, duiventil, eendenkooi, eikenbosch, +engelenkoor, gortenteller, grappenmaker, hanengevecht, heldenschaar, +hemdenlinnen, hertenkamp, hoedenmaker, ijpenlaan, jodenbuurt, +kleerenmaker (en kleermaker), koekenbakker, kousenwever, mandenmaker, +messenmaker, muggenzifter, pottenbakker, pottenkast, pruikenmaker, +rozenkrans, sigarenfabriek, snarenspeeltuig, stoelendraaier, +stokkenknecht, woordenboek, woordenlijst enz., omdat bij die woorden +steeds aan eene veelheid wordt gedacht, en b.v. eene kast, waarin, +onder andere dingen, één boek wordt geborgen, geene boeke- noch +boekenkast heet, noch een grofsmid, die voor eigen gebruik een mes +vervaardigt, dientengevolge een messe- of messenmaker wordt. De meeste +der opgenoemde woorden worden trouwens algemeen met eene n gespeld; +er kan geene reden bestaan om voor diegene, die men gewoonlijk anders +schrijft, eene uitzondering te maken. + + Onder de opgenoemde woorden zullen die op -maker (-makerij) + en dergelijke den meesten aanstoot geven. Men ziet ze op + uithangborden en in andere opschriften doorgaans, hoewel met + loffelijke uitzonderingen, zonder n geschreven. Wanneer men + echter in aanmerking neemt, dat die spelling òf dagteekent uit + den tijd, toen de woorden der sterke declinatie in het meervoud + nog op e uitgingen, een gebruik dat feitelijk afgeschaft is; òf + dat zij een gevolg is van het onderdrukken der n in de uitspraak, + hetgeen slechts misbruik kan heeten; maar dat de e in verreweg de + meeste gevallen niet anders dan als het teeken van het meervoud + kan beschouwd worden: dan is het rationeel die spelling te volgen, + welke de taal sedert een paar eeuwen buiten de samenstelling als + regel heeft aangenomen. + +189. Ingevolge dit beginsel schrijven wij, tegen het algemeene +gebruik aan, zedenkunde, zedenleer, sterrenkunde met den +meervoudsvorm. Ofschoon de vormen zedeleer en sterrekunde verdedigd +kunnen worden als eigenlijke samenstellingen met zede en sterre in +den stamvorm, en dus gelijkstaande met dierkunde, boekvertrek enz., +zouden wij meenen de nieuwere richting in de taal te miskennen, +indien wij hier, het Gebruik volgende, het eenvoudige, bij dierkunde, +weeshuis en dergelijke niet, maar hier zeer goed aanwendbare middel +versmaadden, om aan het woord den vorm te geven, die thans vereischt +wordt, en dien men stellig kiezen zou, indien het woord niet reeds +bestond, maar nog eerst gevormd moest worden; gelijk blijkt uit de +jongere woorden plantenkunde, volkenkunde, warenkennis. + + Deze regel, hoezeer ook schijnbaar algemeen, neemt nochtans + niet alle ongelijkheid weg; er blijven naast de genoemde en + dergelijke woorden een aantal bestaan, wier eerste lid wel altijd + den enkelvoudigen vorm zal behouden, b.v. hoefsmid, geweermaker, + pijlkoker, zwaardveger enz. Bepaaldelijk behooren hiertoe alle, + die op de toonlooze lettergrepen -el, -em, -en en -er uitgaan, als: + ketelboeter, orgelmaker, bezembinder, wagenmaker, leugendichter, + ankersmid, spijkerfabriek. Wie zou deze en dergelijke woorden, wier + vorm trouwens door de uitspraak niet twijfelachtig gelaten wordt, + in gewerenmaker, zwaardenveger, ketelsboeter enz., willen veranderd + hebben? Hoevensmid, hoewel het woord een meervoud onderstelt, + zou het begrip vooral niet beter uitdrukken dan hoefsmid. + +190. Van een aantal woorden is het niet twijfelachtig, dat het eerste +lid enkelvoudig gedacht wordt, b.v. bijleman (sappeur), bakkebaard, +brilleglas, bruggegeld, druivepit, galgebrok, hertebeest, lampeglas, +messescheede, mollevel, notedop, pruimesteen, ruggemerg, slippedrager, +spillebeen, tinnegieter, enz.--Dezulke bekomen natuurlijk geene n, +tenzij deze door de euphonie ter vermijding van den hiatus geëischt +wordt, b.v. geitenoog, ganzenei, brillenhuisje enz., waarvan beneden. + +191. Uit de twee vorige §§ volgt, dat vele substantieven als eerste +leden van composita stellig nu eens in het enkelvoud, dan eens in het +meervoud behooren te staan; zoo b.v. paard in paardekop, paardestaart, +en paardenmarkt, paardenkooper. Niet altijd echter ligt het even klaar +voor oogen, welke vorm vereischt wordt, vermits niet zelden zoowel het +enkel- als het meervoud denkbaar is. Heeft men b.v. kurketrekker of +kurkentrekker te schrijven? is het een werktuig om telkens slechts de +kurk van ééne flesch, of om de kurken van alle voorkomende flesschen +te trekken? Zulke vragen, waarop de beteekenis geen beslissend antwoord +geven kan, doen zich vele voor; hoe de spelling van zulke woorden in te +richten? Wij meenen hier twee hoofdgevallen te moeten onderscheiden: +het woord in quaestie kan in dagelijksch gebruik zijn, en zijn vorm +om zoo te zeggen nagenoeg vaststaan; het kan ook tot de meer zeldzaam +voorkomende behooren. In het laatste geval is de spelling doorgaans nog +dobberend, en kan men dus vrijer handelen en de beginselen onbeschroomd +toepassen; in het eerste is men minder vrij en half genoodzaakt de +spelling, zooveel zonder verzaking van beginselen mogelijk is, met +het Gebruik in overeenstemming te laten. Om die redenen meenen wij +het volgende in het oog te moeten houden: + +192. Aan woorden, het dagelijksch leven en de huishouding betreffende, +die elk oogenblik in ieders mond komen, zet eene nooit of zelden +uitgesproken n een voorkomen van deftigheid en stijfheid bij, +strijdig met hunne beteekenis. Om die reden meenen wij de invoeging +der n in zoodanige woorden zooveel mogelijk te moeten vermijden, en +het enkelvoud te erkennen, waar de beteekenis zulks maar eenigszins +toelaat. Zoo schrijven wij b.v. flesschebakje, omdat het telkens voor +slechts ééne flesch dient, en om dergelijke reden ook: hondeketting, +kurketrekker, kurketang, pennemes, pijpedop, pijpewroeter, pruikebol, +mutsebol, hoededoos enz. Waar het enkelvoud echter geheel tegen de +natuurlijke opvatting strijdt, gelooven wij den meervoudsvorm ook bij +zulke dagelijksche woorden te moeten aannemen, en b.v. flesschenrek, +kurkenmandje, pennenkoker, naaldenkoker, speldenkussen, messenmandje, +pijpenlade, pijpenmandje enz. te schrijven. + + Men moge deze onderscheiding spitsvondig noemen, in de Spelling, + zal zij niet geheel beginselloos en willekeurig zijn, is men niet + zelden gedwongen onderscheidingen in het oog te houden, die op zich + zelve geene of slechts geringe waarde hebben; vergelijk § 67. Wij + aarzelen hier te minder op de beschrevene wijze te werk te gaan, + daar wij in dezen voorgangers hebben in de Fransche grammatici, + die bij composita op gelijke wijze handelen, en die, voor zooverre + ons bekend is, geene afkeuring hebben ondervonden. Men denke hier + aan het verschil in de spelling van chauffe-lit, porte-bougie, + tire-balle, tire-bouchon, serre-tête enz., en van chauffe-pieds, + essuie-mains, porte-clefs, tire-bottes, serre-papiers enz. + +193. In sommige gevallen, waarin de beteekenis strikt genomen de +beide getallen toelaat, wil het Gebruik den meervoudsvorm. Dit heeft +plaats bij samenstellingen, wier eerste lid een persoonsnaam is, +die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, als: boer, heer, +slaaf, vrouw en dergelijke. Ofschoon een boerenzoon de zoon is van +éénen boer, eene soldatenmonteering de monteering van éénen soldaat, +eene vrouwenmuts de muts van ééne vrouw, schrijft men toch deze +woorden steeds met eene n. Evenzeer zegt en schrijft men nagenoeg +algemeen: bodenloon, boerenbedrijf, boerendochter, boerenhofstede, +boerenwoning, heerendienst, heerenhuis, heerenknecht, heldenarm, +heldendaad, heldenmoed, maagdenhart, maagdenschenner, matrozenhoed, +matrozenlied, matrozenpak, meidendienst, meidendracht, slavenaard, +slavenarbeid, slavendienst, slavenwerk, soldatenkind, soldatenvrouw, +studentenhaver, studentenlied, vorstenkroon, vorstentelg, vorstenzoon, +vrouwenhand, vrouwenhemd, vrouwenkleed, vrouwenrok enz. Kennelijk +denkt men hierbij aan het meervoud, aan den geheelen stand, door het +meervoudige eerste lid vertegenwoordigd. Boerenwoning wordt opgevat +als woning, gelijk iemand uit den boerenstand bewoont; vrouwenrok +als rok, gelijk de vrouwen dragen. Menschenbloed, vorstentelg mogen +oorspronkelijk beteekend hebben: bloed van een mensch, telg of kind +van een vorst, thans worden die uitdrukkingen opgevat als bloed van +een individu van het genus menschen, als telg van een geslacht van +vorsten.--Ongetwijfeld heeft de verbuiging tot de vestiging van dit +gebruik medegewerkt. De genoemde woorden toch vormen hun meervoud +uitsluitend met en, zoodat de s het meervoud in die samenstellingen +niet vertegenwoordigen kan. Daarentegen nemen dezulke, die hun meervoud +òf alleen met s òf met s en en beide vormen, als: jongen--jongens, +kok--koks, meisje--meisjes, knecht--knechts en knechten, man--mans +en mannen, officier--officiers en officieren, smid--smids en smeden +enz., in zulke samenstellingen doorgaans de s aan: jongenspak, +jongenswerk, knechtsdienst, knechtslivrei, koksmaat, kokswerk, +kuipersambacht, kuipersboor, manshand, mansrok, meisjeskleeren, +meisjesstem, officiersepaulet, officiersuniform, sergeantsvrouw, +smidsknecht, smidswerk, smidswinkel enz. + + a. Zulke samenstellingen met s behooren veelal tot den + dagelijkschen stijl. Komt een woord alleen in meer deftigen + stijl voor, dan heeft het eerste lid den meervoudsvorm op en, + als: mannenmoed, officiereneer, knechtenaard. + +Op grond dezer waarneming stellen wij ons den volgenden regel: +De samenstellingen, wier eerste lid een een- of tweelettergrepige +persoonsnaam is, die zijn meervoud uitsluitend met en vormt, hebben +het eerste lid in den meervoudsvorm, zoodra het begrip de voorstelling +van veelheid slechts toelaat, d.i. zoodra het eerste lid gedacht +kan worden den geheelen stand te vertegenwoordigen. Volgens dezen +regel schrijven wij ook: boerinnenjak, -muts, gekkenpraat (praat +zooals die van gekken), maagdenpalm, maagdenwas, boeren-, heeren-, +prinsessenboonen, prinsessenbier enz., ofschoon het Gebruik hier soms +dobbert of zelfs het omgekeerde wil. + + b. De regel bevat twee beperkingen. Hij sluit vooreerst de + woorden van meer dan twee lettergrepen uit, als: jongeling, + kweekeling, komediant, muzikant, predikant en dergelijke, + ofschoon zij hun meervoud door achtervoeging van en maken. Men + zegt niet: jongelingendroomen, jongelingenjaren, komediantenvrouw, + predikantenkostuum, predikantenzoon, maar met s: komediantsvrouw, + predikantskostuum, predikantszoon enz. Blijkbaar is het de + Welluidendheid, die noodelooze lange samenstellingen afkeurt, + maar die het meervoud slechts toelaat, waar het onvermijdelijk + is, b.v. bij komediantentroep, predikantenvereeniging en + dergelijke. Men zegt zelfs jongelingsvereeniging, ofschoon + jongelingenvereeniging zou te verkiezen zijn. Zie hier § + 173. Alleen de meerlettergrepige vrouwennamen op -in, als koningin, + hertogin, maken uitzonderingen. Zij volgen de analogie van boerin: + koninginnenkroon enz. + + c. De tweede beperking is uitgedrukt in de woorden: »zoodra het + begrip de voorstelling eener veelheid toelaat." Immers, waar dit + het geval niet is, is de meervoudsvorm ook niet in gebruik. Daarom + zegt men niet vrouwenpersoon, maar vrouwspersoon. Alleen + schrijve men Lieve-Vrouwenkerk en Lieve-Vrouwen-bedstroo, omdat + die woorden, ofschoon het begrip van een enkelvoud bevattende, + voorheen naar de zwakke verbuiging van vrouwe gevormd zijn, en + in de beschaafde uitspraak de n, als teeken van den genitief, + kennelijk hebben behouden. + +194. Nagenoeg in hetzelfde geval als de woorden van persoonsnamen, +gevormd, verkeeren sommige samenstellingen, wier eerste lid een +manlijke diernaam is. Ook deze hebben in sommige gevallen den +meervoudsvorm. Het Gebruik handelt hier echter minder eenparig. Zoo +zegt en schrijft men vrij algemeen: apengezicht, berenklauw, +drakenbloed, elpenbeen, leeuwenbek; doch nooit bullenpees, hanenkam, +hanenveer, hazensprong, kattenkwaad, koeienkop, muizenkeutel, +pauwenveer, vlooienbeet. Stellig is ook hier de declinatie de oorzaak +van het bestaan der n, want men zegt arendsneus, bokspoot, boksbaard +(plant), hondstong (plant), hondstanden (hoektanden), wolfshonger, +wolfsklauw (plant) enz., van arend, bok, hond enz., welke steeds tot +de sterke declinatie behoord hebben. Ofschoon het waarschijnlijk is, +dat sommige dier composita met n oorspronkelijk koppelingen van zwakke +enkelvoudige genitieven waren, zoo kunnen zij volgens § 185 thans +niet meer als zoodanig erkend worden, maar is het een vereischte, +dat men ten minste aan het meervoud denken kan. De schrijfwijzen +hanenkam, het woord in den oneigenlijken zin genomen, mollenpoot, +paardenstaart, zijn dus reeds uit dien hoofde verwerpelijk, omdat +de beteekenis het enkelvoud van haan, mol en paard onderstelt. De +meeste woorden, waarin het Gebruik de n wil, laten trouwens ook, +evenals de composita met persoonsnamen (waarvan in de vorige §), +inderdaad toe aan het meervoud te denken, en hebben daarbij meest een +overdrachtelijken zin. Zoo beteekent apengezicht nooit, immers hoogst +zelden, het gezicht van eenen aap, maar wel het gelaat van een mensch; +het woord kan dus opgevat worden als gezicht, gelijkende op dat van +apen in het algemeen. Evenzoo verstaat men door berenklauw zelden +den klauw van een beer, maar doorgaans òf eene plant, òf den poot +van een of ander meubel, die den vorm heeft van eenen klauw zooals +die van beren; door drakenbloed eene soort van hars, door leeuwenbek +eene bloem. Niet alle woorden echter nemen overdrachtelijk gebezigd +de n aan; zoo b.v. niet hanekam (bloem), rattestaart (ronde vijl). De +oorzaken van die uitzonderingen zijn verschillend. Vooreerst is het +zeker, dat 1º. de woorden, waarachter het Gebruik de n stellig wil, +manlijk zijn en voorheen zwak werden verbogen, als aap, beer enz., zie +boven § 183, waardoor alle vrouwelijke en onzijdige, en ook de voorheen +sterke manlijke, worden buitengesloten; en dat 2º. het aanwezig zijn +eener s het teeken is, dat een woord òf steeds sterk is geweest, òf dat +zijn zwakke vorm in vergetelheid is geraakt. Vervolgens, dat 3º. de +n in dagelijksche, veel gebruikte woorden te deftig klinkt. Nemen +wij bij dat alles ook de Analogie in aanmerking, dan meenen wij, in +overeenstemming met den regel voor de samenstellingen met persoonsnamen +in de vorige §, den volgenden regel te moeten stellen: + +Samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene +composita met s vormt, nemen eene n als teeken van het meervoud aan, +wanneer zij gewoonlijk, hetzij eigenlijk hetzij overdrachtelijk, +gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele +geslacht, de geheele diersoort, denkt. Zij behouden de n volgens § +187 ook wanneer zij--wat zelden het geval is--in eene eigenlijke +opvatting voorkomen, waarin de n slechts als het teeken van den +enkelvoudigen 2den naamval kan beschouwd worden. + +Volgens dezen regel schrijven wij: apengezicht, apenkuur, apenliefde, +berenjong, berenklauw (plant, of poot van een meubel), drakenbloed +(hars), hazenlip, hazenmond (gebrekkige vorming van lip of mond), +hazenslaap, leeuwenbek (bloem), leeuwenkop (versiersel), leeuwenwelp, +stierenkop (hoofdig of norsch mensch) enz., naar analogie van +menschenkind, heerendienst, boerenzoon, vorstentelg enz. Wij behouden +die spelling op grond der Analogie ook dan, wanneer apengezicht, +berenklauw, leeuwenkop in hunne eigenlijke beteekenis genomen worden +voor gezicht van een aap, klauw van een beer, kop van een leeuw, +omdat deze laatste opvatting tot de zeldzame uitzonderingen behoort. + +Daarentegen schrijven wij zonder n: kattekwaad, paardevoet (gebrekkig +gevormde menschenvoet), rattestaart (vijl), omdat kat, paard en rat +niet manlijk zijn;--bokkesprong, mollepoot, omdat de s van bokspoot +en molshoop verbieden aan de zwakke declinatie te denken. Zoo ook +hanekam (bloem), haneveer (twistziek mensch), omdat beide woorden +evenzeer in hun eigenlijken zin in gebruik zijn, waarin zij buiten +alle tegenspraak de al te deftige n hebben uitgeworpen, die daarin +slechts als het teeken van den enkelvoudigen 2den naamval, niet als +teeken van het meervoud kan beschouwd worden. Nagenoeg in hetzelfde +geval verkeert hanepooten, slecht schrift, ofschoon het woord zelden +in eigenlijken zin wordt genomen; de niet twijfelachtige uitspraak +van de overige samenstellingen met haan, als hanebalk, haneschree, +hanespoor, hanetred, maakt het niet raadzaam in hanepoot de Analogie +te verlaten. Hanengekraai, voor gekraai der gezamenlijke hanen eener +buurt, vereischt, gelijk ieder gevoelt, de n van het meervoud. + +Men vergete vooral niet, dat het buitensluiten der vrouwelijke en +onzijdige woorden geene betrekking heeft tot die gevallen, waarin de +n als meervoudsvorm of voor de Welluidendheid volstrekt gevorderd +wordt; b.v. kattengeslacht, eendenkooi, koeienhaar, paardenras, +zwijnenaard enz. + +195. Evenzoo is het gelegen met kruidkundige, dus wetenschappelijke +benamingen, waarin de meervoudsvorm de natuurlijkste is. De spelling +van zoodanige woorden staat doorgaans niet vast, zoodat men daarbij +geheel vrij is in zijne keus. Bedenkt men bovendien, dat gebrekkige +benamingen nergens aanstootelijker zijn dan in de wetenschappen, +dan zal men niet aarzelen die vormen te kiezen, die de aard der zaak +vereischt. De botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam +is, moeten in twee soorten onderscheiden worden: zij zijn òf +overdrachtelijk gebezigde namen van lichaamsdeelen, als ganzetong; +òf zij geven te kennen, dat de plant in de eene of andere, hetzij +wezenlijke, hetzij gewaande, betrekking tot eene diersoort staat, als +slangenkruid. In het eerste geval zal niemand bij eenig nadenken den +meervoudsvorm verkiezen, wanneer deze niet door den voorgaanden regel +(§ 194) voorgeschreven wordt; in het tweede geval zal ieder dien als +den meest gepasten aanmerken, dewijl men dan kennelijk het oog heeft op +het geheele geslacht, niet op een enkel individu. Daarom schrijven wij: +ganzetong, ganzevoet, kattestaart, paardestaart, slangekop enz. zonder +n; daarentegen biggenkruid, duivenkervel, eendenkroos, geitenblad, +hazendistel, kattendoorn, konijnenblad, muizengerst, paardenbloem, +paddenstoel, slangenbloem, slangenwortel enz. met n. + +196. Eene afzonderlijke behandeling verdienen de boomnamen, wier +eerste lid de vrucht aanduidt, die zij opleveren. Beide getallen zijn +hier te dulden, en het meervoud schijnt het natuurlijkste. Die woorden +behooren echter tot de dagelijksche uitdrukkingen, die in elken stijl +te pas komen, maar veel meer in den gewonen dan in den verhevenen; +het boven in § 192 aangevoerde is hier dus van toepassing. De vraag +is derhalve, of het begrip van het enkelvoud van het eerste lid met +de beteekenis van het geheele woord kan vereenigd worden; en het +antwoord luidt bevestigend. Men zegt: een appel, een abrikoos, een +peer, een perzik, een blauwe en een witte druif enz., voor appelboom, +abrikozeboom, pereboom enz., daarbij aan de anders vrouwelijke woorden +abrikoos, peer, perzik enz. het manlijk geslacht toekennende. Men +kan hier dus aannemen, dat tusschen abrikoos, appel enz. en boom +dezelfde verhouding bestaat als tusschen berk, eik enz. en boom, in +berkeboom, eikeboom enz. (zie boven, § 181). De spelling besseboom, +druiveboom, kerseboom, krenteboom, noteboom, pereboom, pruimeboom, +vijgeboom, met het enkelvoud van de verouderde vormen besse, druive, +kerse, corinte, note, pere, pruime, vijge, is dus op zich zelve +beschouwd gewettigd. Men zal haar voor de verkieslijkste houden, +als men bedenkt, dat zij niet alleen in overeenstemming is met de +gebruikelijke uitspraak, maar ook met de schrijfwijze van andere +dergelijke boomnamen, waar het eerste lid boven allen twijfel in het +enkelvoud staat, als: amandelboom, appelboom, citroenboom, dadelboom +(dadelpalm), granaatboom, kastanjeboom, oranjeboom (niet kastanjes- +en oranjesboom), mispelboom, olijfboom. Het enkelvoud is dan ook +vanouds, wel niet de volstrekt eenige, maar toch de meest gebruikelijke +vorm geweest. Kiliaan, hoewel hij peere, pruyme en vijghe opgeeft, +schrijft peerboom, pruymboom, vijghboom, en zoo ook kersseboom, +notboom; Plantijn: kerseboom, noteboom, pereboom, perzeboom, pruymboom, +vijgeboom of vijchboom, van het enkelvoudige kerse, note, pere, perze, +pruyme, vijge. + +Uit het aangevoerde volgt, dat men bij analogie ook rozeboom, +syringeboom, tulpeboom enz. zal behooren te spellen. Immers men zegt, +van de boomen sprekende: Hier staan rozen, dat is een syring, enz. + +197. Er zijn ook woorden, wier beteekenis stellig niet altijd dezelfde +is, maar die het eene oogenblik op een enkel-, het andere op een +meervoud zien, terwijl daarbij doorgaans nog een derde geval denkbaar +is, waarin men aangaande het ware getal in onzekerheid verkeert. Een +voorbeeld zal de zaak ophelderen. Eene hoeveelheid vleesch of leder +kan afkomstig zijn van één of meer dieren. In het eerste geval zal +men zich juist uitdrukken door geitevleesch en schapeleder, in het +tweede door geitenvleesch en schapenleder te schrijven; ook kan het +geval zich voordoen, dat men aangaande de herkomst in het onzekere +is. Hoe moet men met zoodanige woorden handelen? moet men hun een +onveranderlijken vorm toekennen, of mag men gebruik maken van het +middel om, zulks verkiezende, telkens de juiste beteekenis aan te +duiden? Wij behoeven met ons antwoord niet lang verlegen te staan. Waar +onzekerheid van het Gebruik en dobbering van de Spelling als het ware +vanzelve een gemakkelijk middel aan de hand geven om juistheid in stijl +te bevorderen en den rijkdom der taal te vermeerderen, achten wij ons +niet gerechtigd dat te verwerpen. Van zulke woorden rekenen wij ons +verplicht den dubbelen vorm te erkennen. Doch daarmede ontstaan de +vragen: hoe moet men handelen, als het getal onzeker is? en onder +welken vorm moeten zoodanige woorden in een woordenboek vermeld +worden? Slechts in weinige gevallen zal het moeilijk zijn in dezen +te beslissen. Doorgaans zal het voor de hand liggen, welke opvatting +de gewone, en dus welke spelling de verkieslijkste is. In gevallen +van onzekerheid zal de meest gewone vorm in het woordenboek worden +opgegeven, met vermelding van den bijvorm, die, waar bijzondere +nauwkeurigheid wordt vereischt, den schrijver buitendien ten +dienste staat. Ook het onderscheid tusschen dagelijksche en meer +deftige woorden zal tot de beslissing kunnen bijdragen. Zoo zal men +ongetwijfeld bij de huishoudelijke woorden schapevleesch, geiteleder, +aan den enkelvoudigen vorm zonder n de voorkeur geven, vooral wanneer +men bedenkt, dat men in de overeenkomstige woorden kalfsvleesch, +lamsvleesch, rundvleesch, hartsleder, kalfsleder stellig het enkelvoud +aantreft. Daardoor wordt echter niemand het recht betwist om, als +hij zulks noodig acht, schapenvleesch te spellen. + +Natuurlijk zal men omgekeerd te werk gaan, waar de beteekenis +gewoonlijk het begrip van het meervoud medebrengt. Zoo zal men in +gewone gevallen aan kippenloop, paardenstal, duivenslag, zwanendrift +enz. de voorkeur geven boven kippeloop, paardestal, al liep er ook +geene enkele kip in den loop, en al ware de stal maar voor één paard +ingericht. Doch wie dit laatste in een bijzonder geval volstrekt wil +doen uitkomen, schrijve alsdan paardestal. + + Het beginsel, in deze § door ons aangenomen, hetwelk van woorden + als schapevleesch, geitevleesch, paardenstal enz. een dubbelen vorm + toelaat, is schijnbaar in strijd met § 194, waarin wij meenden de + n in apengezicht, berenklauw enz. te moeten schrijven, ook dan, + wanneer die woorden, in hun eigenlijken zin genomen, het gezicht + van eenen werkelijken aap, den klauw van eenen werkelijken beer + aanduiden. Bij eene nadere beschouwing zal men bevinden, dat de + gevallen niet gelijkstaan. Bij een apengezicht zal niemand aan het + gezicht van twee of drie apen denken, terwijl de n grammaticaal + door de voormalige zwakke verbuiging van aap gerechtvaardigd + is. De vorm is onberispelijk, en er is geene verkeerde opvatting te + vreezen. Bij schapenvleesch en dergelijke woorden is alles geheel + anders. De n achter schaap, dat steeds sterk verbogen werd, is niet + anders te verklaren dan als teeken van het meervoud, en kan dus + niet toegelaten worden in uitdrukkingen, waarbij men volstrekt aan + het enkelvoud denkt, b.v. als men zegt: Mag ik u nog een stukje + schapevleesch aanbieden? Omgekeerd zou men den meervoudsvorm + niet gaarne missen, als men, de geheele soort bedeelende, zegt: + schapenvleesch is voor sommige gestellen nadeelig. + + + + +De n achter bijvoeglijke woorden. + + +198. Bij de lidwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden, +en bij de telwoorden, die als bijvoeglijke voornaamwoorden worden +verbogen, zijn ten opzichte van de n twijfelingen denkbaar; doch bij +eene nadere beschouwing blijkt, dat er inderdaad geene bestaan. + +Alle samenstellingen, waarvan het eerste lid een bijvoeglijk woord +is, zijn koppelingen. Zij zijn in twee hoofdsoorten te onderscheiden, +naar gelang het laatste lid een substantief of een verbum is. + +199. Wanneer het laatste lid een substantief en het woord in zijn +geheel genomen insgelijks een substantief is, b.v. bij hoogepriester, +hoogeschool, grootvader, kleinkind, dan wordt het bijvoeglijke woord, +steeds een adjectief, aangemerkt als in den 1sten naamval voorgevoegd +te zijn, en blijft het den nominatiefvorm onveranderd behouden, +in welken naamval de geheele samenstelling ook te staan kome. Wij +zeggen thans niet meer des hoogenpriesters, maar des hoogepriesters, +evenals des grootmeesters. Van de inlassching eener n in woorden +als blindeman, hoogepriester, hoogeschool, wittebrood, roodekool, +zoutevisch enz. kan derhalve geene sprake zijn. Alleen één woord +maakt eene uitzondering, te weten: goedendag, als benaming van een +middeleeuwsch wapentuig. Dit woord is echter eene koppeling van den +groet: goeden dag! waarin de beide woorden in den 4den naamval staan, +en de n dus door de etymologie vereischt wordt. + +200. Wanneer het laatste lid een substantief, maar het woord in +zijn geheel genomen een bijwoord of een voegwoord is, dan staat +de gansche uitdrukking in den 2den of in den 4den naamval, en dan +behoort het eerste lid den vorm te hebben, dien geslacht en naamval +eischen. Dus zal men moeten schrijven: grootendeels en meerendeels, +samentrekking van meererendeels (2de naamval onzijdig), dewijl (4de +naamval vrouwelijk). Soms echter is het eerste lid in den stamvorm +voorgevoegd, en dan kan er geene sprake zijn van eene ingelaschte n; +b.v. bij eenmaal, menigmaal, veeltijds enz. Twijfelingen bestaan +hier niet. + +201. Wanneer het laatste lid een verbum is, dan staat het bijvoeglijke +woord in den regel praedicatief, hetgeen zeggen wil, dat het thans +onverbuigbaar is. In dit geval kan er dus weder geene sprake zijn van +het inlasschen eener n, die niet reeds tot den stam van het adjectief +behoort. Het gebruik leert zulks dan ook duidelijk: het heet steeds +goedmaken, onverschillig of men eenen misstap, eene fout of een +verlies goedmaakt. De samenstellingen goedendag-, goedennacht-, +goedenmorgenzeggen enz. verkeeren in een ander geval. Goed is +daarin het attribuut van dag, nacht enz., welke woorden in den 4den +naamv. staan en de overeenstemming van het adjectief goed vorderen. + + + + +De n achter werkwoorden. + + +202. De werkwoorden komen in eigenlijke samenstelling in den regel in +den stamvorm voor, b.v. in breekbeitel, droogoven, eetlepel, hangijzer, +jaagpad, koopvrouw, loopbaan, schrijfpen enz. Moeilijker is het uit +te maken, met welken vorm men te doen heeft bij sommige koppelingen +van geheele uitdrukkingen, tot den gemeenzamen stijl behoorende: als +bedilal (bedil al, bedil alles), deugniet, doeniet, durfal, flapuit, +hangop, houvast, kwistgoed, praatgraag, roerom, slokop, spilpenning, +stokebrand, waaghals, weetniet enz. In sommige schijnt het werkwoord +in de gebiedende wijs te staan, b.v. in kruidje-roer-mij-niet +(lat. noli me tangere), in Pakaan (hondennaam), in roerom, sladood, +vergeet-me-nietje. Bij dezulke wier stam op t eindigt, als kwistgoed, +praatgraag, weetniet, zou men aan den 3den pers. van het enkelvoud +kunnen denken, indien niet andere, als bedilal (niet bediltal), +deugniet enz., wier beteekenis met de genoemde overeenkomt, zulks +verboden. Intusschen blijkt duidelijk genoeg, dat men hier niet met +den infinitief te doen heeft, en dat de toonlooze e in brekebeen, +brekespel, drinkebroer, huilebalk, likkebaard, schendekeuken, +stokebrand enz. geene verkorting van den infinitiefuitgang is. + +Wanneer men sommige der laatstgenoemde woorden vergelijkt met +kijk-in-de-pot, spring-in-'t-veld, stortenbeker (stort den beker), +en met verscheidene Hoogduitsche eigennamen, als Haszenpflug (hasze +den Pflug), Hebenstreit (hebe den Streit), Leidenfrost (leide den +Frost) enz., dan wordt het waarschijnlijk, dat men brekebeen als +breek de been (voor beenen), hangebast als hang de bast (d.i. strop), +likkebaard als lik den baard, schendekeuken als schend de keuken +enz. op te vatten heeft. Deze verklaring gaat echter niet altijd op, +b.v. niet bij brekespel. Of is dit breketspel (breek het spel)? En hoe +moeten drinkebroer e.a. worden opgevat? Is hier de e alleen ingevoegd +om de ophooping van medeklinkers te voorkomen? In deze en dergelijke +onzekerheden zal niemand het raadzaam achten de n, die het manlijk +geslacht van baard en brand schijnt te vorderen, te herstellen, en +voortaan likkenbaard, stokenbrand te schrijven, te minder daar men bij +brekespel, drinkebroer, huilebalk e.a. altijd in het onzekere blijft, +zonder door den vorm een verstandigen zin te kunnen uitdrukken. + + Nu en dan hoort men deugeniet uitspreken, doch gewoonlijk + deugniet. Wanneer men bedenkt, dat niet geen substantief is, + zoodat hier aan geen uitgestooten lidwoord, noch aan eenig + tusschenbeidekomend woord te denken valt, en dat die samenstelling + volkomen gelijkstaat met doeniet, durfniet, weetniet, dan ziet men, + dat deugniet zonder e de regelmatige vorm is. + +203. Meer reden schijnt er te bestaan voor het herstellen der n in +die werkwoorden, wier eerste lid eene onbepaalde wijs is, zooals +in koekeloeren, ruilebuiten, spelemeien, spelevaren. Bedenkt men +echter, dat de n aan de drie eerste toch nog niet hun waren vorm: +koeken (kijken) en loeren, ruilen en buiten, spelen en meien zou +teruggeven, zoodat koekenloeren enz. toch niet duidelijker zou wezen +dan koekeloeren enz.; dat het begrip spelevaren ook niet volkomen +juist door spelen varen uitgedrukt wordt: dan ziet men geene voldoende +reden om woorden, waarbij de weglating der n in de uitspraak niet +twijfelachtig is en omtrent wier spelling geen verschil bestaat, +door het weder invoegen der uitgestooten letter een deftig voorkomen +te geven, dat in strijd zou zijn met hunne weinig deftige beteekenis. + + + +De n als invoegsel voor de welluidendheid. + + +204. De verbindings-n heeft bloot euphonische waarde, wanneer zij, +van het hedendaagsche standpunt bezien, met de beteekenis van het woord +in geen verband staat, en louter dient om een wanluidend samentreffen +van twee letters te voorkomen. Van dien aard is de n in galgenaas en +tarwenoogst, vergeleken met galgebrok en tarwemeel. + +De euphonische n strekt ter vermijding van den hiatus of de gaping, +d.i. van het ophouden der stem tusschen twee klinkers. Zij wordt dus +vooreerst ingelascht achter eene toonlooze e, waarop onmiddellijk +een andere klinker zou moeten volgen, b.v. in duive-n-ei. De h, +die eene zeer verzwakte ch is, ofschoon nog altijd een medeklinker, +wordt niet toereikend geacht om de gaping tusschen twee klinkers +aan te vullen. Vandaar dat sommige onzer beste schrijvers in de +17de eeuw en nog later achter het lidwoord de en achter andere +bijvoeglijke woorden op e uitgaande, niet slechts voor een klinker, +maar ook voor eene h, eene euphonische n voegden, en b.v. den oorlog, +den hond schreven, ook wanneer deze woorden in den eersten naamval +stonden. Daar nu de h steeds onmiddellijk vóór een klinker komt, +vereischen de samenstellingen, wier eerste lid op eene toonlooze e +eindigt, en wier tweede met h begint, insgelijks de inlassching der n; +b.v. dasse-n-huid, eike-n-hout. + +205. Wanneer men het aangevoerde in aanmerking neemt, zal men den +volgenden regel stellen: Wanneer de toonlooze e gevolgd wordt door een +klinker of eene h, dan eischt de Welluidendheid de inlassching eener n. + +Dienovereenkomstig schrijven wij: duivenei, eendenei, ganzenei, +galgenaas, geitenoog, bruggenhoofd, dassenhaar, dassenhol, ganzenhagel, +hondenhok, slakkenhuisje, berkenhout, beukenhout, eikenhout enz. + + Daar mede, als bijwoord, tot de indeclinabilia behoort, welke soort + van woorden nooit verbindingsletters toelaten (zie § 178), kan men + de gebruikelijke spelling medearbeider, medeërfgenaam, medeoorzaak + enz. niet als uitzondering op bovenstaanden regel beschouwen. + +206. De samenstellingen met kerk vereischen eene afzonderlijke +behandeling. Kerk, mnl. kerke, werd oudtijds zwak verbogen, der +kerken, en daardoor ontstonden kerkenraad, kerkenorde, uit welk +laatste door onderdrukking der n kerkeorde. Deze vorm laat zich +volgens onze regels niet rechtvaardigen: de welluidendheid eischt òf +kerkenorde, òf kerkorde, overeenstemmende met kerkaltaar, kerkorgel, +kerkuil. Daar men thans geen zwakken genitief meer erkent (zie § 185), +kan kerkenraad alleen een meervoud bevatten, en een raad beteekenen, +die meer dan ééne kerk betreft. Hecht men er, gelijk gewoonlijk plaats +heeft, dien zin niet aan, dan is volgens den hedendaagschen toestand +der taal alleen kerkeraad te rechtvaardigen. + + + + + +Over de verbindings-s. + + +207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan +niet eene verbindings-s aanwezig is, wanneer het tweede lid begint +met eene s, of met eene z, die scherp (als s) wordt uitgesproken; +b.v. in dorpsschout, varkensziekte, baatzucht. Wanneer de z zacht +klinkt, gelijk in hondeziekte, geelzucht, waterzucht, zal niemand +het aanzijn eener s (hondesziekte, waterszucht) vermoeden. + +In nog een geval bestaat er geen grond om eene s te onderstellen, +namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. in stuifzand, +drijfzand, waarin de z door den invloed der voorgaande f +verscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille +der welluidendheid achter verbale stammen eene s inlascht in de +gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te +onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, +hetzij een bijvoeglijk woord. + +Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, +dat ss en sz op zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de +inlassching eener s, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en +door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk +is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat de s alleen +dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten +duidelijkste blijkt. + + + +De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige +naamwoorden. + + +208. De verbindings-s treedt als teeken van den 2den naamval +in samenstellingen niet slechts achter manlijke en onzijdige +substantieven, als in timmermansgereedschap, bakkersoven, +levensbericht, kindskind, maar ook achter vrouwelijke, als zusterskind, +dochtersman, stadspoort, vrijheidsboom, zielsverdriet enz.; vergelijk +§ 185. + +Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand +doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de +betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud +moet wezen. + +Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met de s spaarzaam +moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere +overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in +de betrekking van den genitief de s verlangt. Zoo leeren b.v. de +woorden bakkersnering, bakkersoven, bakkerswinkel, dorpsbestuur, +dorpsherberg, dorpsleeraar, krijgsmansdeugd, krijgsmanseed, +sergeantsrang, sergeantsuniform, sergeantsvrouw, stadsmuur, +stadspoort, stadswal, vollersambacht, vollerskuip, varkensoog, +varkensvleesch, varkensribbetje, veiligheidskaart, vrijheidsliefde, +zuinigheidsmaatregel, landschapshuis, landschapsvergadering, +burgerschapsrechten, vriendschapsband enz., dat de woorden bakker, +dorp, krijgsman, officier, sergeant, stad enz., en die op -heid +en -schap in de betrekking van den genitief de s vorderen, en dat +men derhalve ook bakkersschotel (houten werktuig), dorpsschool, +krijgsmansstand, sergeantsstrepen, stadsschout, varkensstal, +varkensziekte, waarheidszucht, landschapsschrijver te spellen heeft. + +Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te +letten, blijkt uit landschapschilder, waar landschap een meervoud +landschappen vertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van +het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen om +landschapsschilder te schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in +gebruik is en die overeenkomen zou met landschapsschrijver. + + + + + +De verbindings-s als teeken van het meervoud. + + +209. Moet men spaarzaam zijn met de s van den 2den naamval, nog +meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbele s, en +evenzoo sz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter +eene liquida, l, m, n of r, voorafgegaan door eene toonlooze e; +d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans met +s vormen. De woorden op -el, -em, -en en -er behouden daarom, gelijk +reeds vroeger is aangemerkt (§ 189, aanm.), den enkelvoudigen vorm, +ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men +zegt en schrijft: appelmand, sleutelbos, bezembinder, leugenbeest, +wagenmaker, letterkast, letterzetter (niet appelsmand enz.), en +evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v. burgerrecht, +burgerwapening, dragonderregiment, ridderorde, rooverbende, +ruiterbende, ruiterzalf enz. Neemt men zulks in aanmerking, dan +zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om +achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eene s in te lasschen, +die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven +derhalve ankersmid, burgerstand, burgersociëteit, cijferschrift, +dragonderstal, kachelsmid, letterspecie, leugenstoffeerder, +priesterschaar, priesterschap, ridderstand, ruiterstal, vezelstof, +zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt +en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen. + +Anders is het gelegen met het achtervoegsel -ier, dat den vollen +klemtoon heeft. Het vordert de s van het meervoud, gelijk blijkt +uit: officierstafel, officiersvereeniging, kanonnierskazerne, +pontonnierscompagnie enz.; daarom zal men ook kurassiersstal, +officierssociëteit enz. schrijven. + + + + + +De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke +woorden. + + +210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een +bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, +dan kan de s alleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke +dan ook het tweede lid staat, b.v. in blootshoofds. + +Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid +met s of z begint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de +spelling goedschiks en goedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de +geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, +overeenkomende met blootshoofds, goedsmoeds, gewapenderhand, maar dat +het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, als veeltijds, +droogvoets, de s kennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene +afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord +te bezwaren met eene s, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt. + +211. Anders is het gelegen met woorden, waarin zin het tweede lid is, +voorafgegaan door een bepalend woord, als alleszins, eenigszins enz., +waarvan reeds boven gehandeld is. De z heeft daarin hare verscherping +te danken aan de s van het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt +zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt men alle-zins, +geen-zins enz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. De +s is derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven, § 125. + + + + +De verbindings-s als euphonische letter achter stammen van werkwoorden. + + +212. De verbindings-s had in de tot hiertoe behandelde gevallen, op +weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis. Deze mist zij +natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk +b.v. in leidsvrouw, scheidsman, raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen +om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men +niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van +een werkwoord is, en wier tweede met s of z begint, b.v. in hebzucht, +eene s te schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank +voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, +dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalve +leidstèr (leidstar), evengoed als het afgeleide leidster, zonder s, +niettegenstaande leidsman en leidsvrouw eene s hebben. + + + + +Overzicht over de regels voor de samenstelling. + + +213. De grondbeginselen en regels, die wij bij het schrijven van +samengestelde woorden in het oog houden, komen derhalve kortelijk +hierop neder: + +I. In samenstellingen, wier eerste lid een onverbuigbaar woord +(indeclinabile, zie § 50, aanm.) is, komen geene verbindingsletters +voor, zoomin ten behoeve der Welluidendheid als om eenige andere reden +(§ 178). Geen der volgende regels is derhalve daarop toepasselijk. Wij +schrijven dus zonder n: medearbeider, medeërfgenaam, medehelper, +medehulp. + +II. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden komen niet als eerste +lid in samenstellingen voor. Composita als aardenwerk, tarwenbrood, +roggenbrood, gerstenpap enz., voor aardewerk, roggebrood enz., bestaan +er niet (§ 180), evenmin als berkenboom, eikenboom enz. (§ 181). + + Het behoeft nauwelijks aangemerkt te worden, dat verbindingen van + een adjectief met het eerste lid eener samenstelling, door het + koppelteeken aangeduid, als oude-mannenhuis enz. (§ 158), niet tot + de eigenlijke samenstellingen te rekenen zijn, en dus buiten dezen + regel vallen. Het adjectief blijft daar op zich zelf als adjectief + bestaan; niets verhindert dus om desnoods gouden-horlogemaker, + koperen-balansenfabriek, zijden-kousenfabrikant enz. te schrijven, + ofschoon zulke verbindingen niet fraai zijn te noemen. + +III. De n achter de toonlooze e dient in samenstellingen òf 1º. tot +vermijding van den hiatus; òf 2º. achter zelfstandige naamwoorden +ter aanduiding van het meervoud; òf 3º. achter bijvoeglijke woorden +ter uitdrukking van eenen naamval. De zwakke genitief wordt in +samenstellingen niet meer gevoeld: het is dus geene afdoende reden +voor het inlasschen eener n, dat zij den enkelvoudigen 2den naamval +zou moeten uitdrukken (§ 172 en 185). + +IV. Samenstellingen, wier tweede lid met eenen klinker of eene h +begint, krijgen achter eene toonlooze e eene n ter vermijding van +den hiatus; b.v. ganzenei, hondenhaar (§ 204 en 205). + +V. De samenstellingen, wier eerste lid een zelfstandig naamwoord is, +zijn vierderlei: + + 1º het eerste lid brengt noodwendig de voorstelling van een + meervoud mede; b.v. in heldenschaar, eikenlaan (§ 188); + +2º het eerste lid vertegenwoordigt noodwendig een enkelvoud, b.v. in +druivepit, tinnegieter (§ 190); + +3º het eerste lid is, te gelijker tijd, voor tweeërlei opvatting +vatbaar, kan èn als enkel- èn als meervoudig gedacht worden; b.v. in +kurketrekker, mutsebol (§ 191 en 192); + +4º het eerste lid kan, bij afwisseling, nu een enkel-, dan een meervoud +voorstellen; b.v. in schapevleesch en schapenvleesch (§ 197). + + A) Met n achter de toonlooze e worden geschreven + + a) al de woorden, bedoeld in nº. 1 (§ 188); + + b) van de woorden, bedoeld in nº 3: + + a) de samenstellingen, wier eerste lid een één- of + tweelettergrepige persoonsnaam is; alsmede de woorden + op -in of -inne, -es of -esse, die meerlettergrepig + zijn; b.v. boerendochter, heldendaad, vrouwenkleed, + koninginnenmantel (§ 193); + + b) de samenstellingen, wier eerste lid een manlijke + diernaam is, die geene composita met s vormt; + b.v. apengezicht, berenklauw (§ 194); + + g) botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is, + onverschillig manlijk, vrouwelijk of onzijdig, wanneer + de samenstelling geen lichaamsdeel aanduidt, maar op de + geheele diersoort ziet; b.v. duivenkervel, slangenkruid + (§ 195). + + B) Zonder n achter de toonlooze e worden geschreven + + a) al de woorden, bedoeld in nº 2, tenzij de n door Regel IV + voor de welluidendheid gevorderd wordt (§ 190); + + b) van de woorden, bedoeld in nº 3: + + a) die, welke het dagelijksch leven en de huishouding + betreffen, b.v. pennemes, kurketang (§ 192); + + b) namen van boomen, wier eerste lid de naam is eener + vrucht of eener bloem, b.v. pereboom, tulpeboom (§ 196). + + C) Naar gelang der omstandigheden worden afwisselend zonder of + met n geschreven de woorden, bedoeld in nº 4 (§ 197). + +VI. Bij samenstellingen, wier eerste lid een bijvoeglijk woord is, +komen geene twijfelachtige gevallen voor; de spraakkunst beslist +ondubbelzinnig het al of niet aanwezig zijn eener n (§ 198-201). In +woorden, wier eerste lid een werkwoord is, wordt nooit eene n +ingelascht (§ 202 en 203). + +VII. De verbindings-s dient in samenstellingen, wier eerste lid een +naamwoord is, òf als teeken van den tweeden naamval van het enkelvoud, +òf als teeken van het meervoud (§ 208-211). In de weinige woorden, +waarin zij achter een werkwoord voorkomt, staat zij alleen om den +wille der welluidendheid (§ 212). + +VIII. Eene verbindings-s is alleen twijfelachtig in samengestelde +woorden, wier tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp +(als s) wordt uitgesproken (§ 207). + + A) Eene twijfelachtige s wordt ingevoegd + + a) als teeken van den 2den naamval enkelvoud: + + a) in samenstellingen, wier eerste lid een substantief + is, dat in niet twijfelachtige gevallen eene s aanneemt; + b.v. in dorpsschool, om de analogie van dorpsbestuur, + dorpsherberg, dorpsleeraar, dorpsonderwijzer (§ 208); + + b) in de samenstellingen met het woord zin, als alleszins, + eenigszins enz. (§ 125 en 211); + + b) als teeken van het meervoud in samenstellingen, wier + eerste lid een persoonsnaam is, die op -ier eindigt, als + kanonnierskazerne (§ 209). + + B) Eene twijfelachtige s wordt niet ingevoegd in de volgende + gevallen: + + a) niet in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is, + dat op -el, -em, -en of -er eindigt, wanneer de s zou moeten + dienen om het meervoud te vertegenwoordigen; b.v. niet in + burgerstand (§ 209); + + b) niet in absolute genitieven, als goedschiks, niet + goedsschiks (§ 210); + + c) niet achter werkwoorden, b.v. leidstar, niet leidsstar + (§ 212). + + + + +De spelling der bastaardwoorden. + +214. Evenals ieder beschaafd volk bezigen wij een aantal woorden, die +niet in den boezem onzer eigene taal ontstaan, maar bij onderscheidene +gelegenheden uit andere talen ontleend zijn. Die vreemde woorden +vervallen vanzelve in drie klassen: 1) de zoodanige, die geheel +Nederlandsch geworden, met het volle burgerrecht begiftigd, als het +ware genaturaliseerd zijn; 2) de woorden, die geheel vreemd zijn +gebleven; en 3) de woorden, die tusschen deze beide soorten in staan, +d.i. de eigenlijk gezegde bastaardwoorden. + +215. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die, meestal sedert +onheuglijke tijden bij ons in gebruik, hun vreemden vorm geheel en al +hebben afgelegd, in alle opzichten, in klemtoon zoowel als in klank, +aan echte Nederlandsche woorden gelijk zijn geworden, en wier derivata +op Nederlandsche wijze gevormd zijn. Deze schijnen geene uitheemsche +bestanddeelen, geene vreemde voor- noch achtervoegsels te bevatten, +en onderscheiden zich in niets van oorspronkelijke Nederlandsche +woorden dan door hunne afkomst en het gemis van Nederlandsche +verwanten in opklimmende linie. Tot de zoodanige behoort b.v. kerk, +gr. kyriakon. Dit woord verschilt in vorm niet van berk, merk en +werk, het heeft echt Nederlandsche afstammelingen: kerkje, kerksch, +kerkelijk, moederkerk, kerkdeur enz., maar kyrios, het grondwoord +waarvan kyriakon gevormd is, ligt buiten het Nederlandsche taalgebied. + +Het grootste aantal der tot deze klasse behoorende woorden is +eenlettergrepig, als: aas (gewicht), ark, beest, beurs, boei, bres, +brief, bul (open brief), dom(kerk), feest, fijn, fraai, gom, graad, +inkt, kaap, kaars, kaart, kaas, kalk, kelk, kers, keurs, klaar, klerk, +kleur, kluis, koers, koets, koor, koord, korst, kous, krent, kroon, +kroot, kruin, kruis, kuur, kwart, lamp, lans, leek, lijn, mijl, munt, +nis, paar, paard, paars, part, peer, pen, pers, pijl, pijn, pil, +plaats, plein, pleit, pluim, pool, poort, poos, pop, post, preek, +prent, proef, prooi, proost, rest, saus, sein, soep, stool, straal, +taart, test, tijm, toer, toets, toon, toorts, trein, troef, troon, +vlam, vork, wijl (sluier). + +Een groot aantal andere is tweelettergrepig met den klemtoon op de +eerste syllabe, onverschillig of deze reeds in den oorspronkelijken +vorm den klemtoon had of dien eerst in het Nederlandsch gekregen +heeft. De tweede lettergreep is dan meestal geheel of nagenoeg +toonloos, waardoor zoodanige woorden het voorkomen hebben van +Nederlandsche woorden met een achtervoegsel. Hiertoe behooren: bijbel, +duivel, engel, fakkel, kamer, kamfer, kanker, karper, keizer, kerker, +ketter, kevie, kluister, konkel, koppel, kouter, kussen, lelie, +letter, menie, mijter, mode, monnik, mosterd, neger, olie, orde, +orgel, pauze, peper, perzik, priester, regel, rente, sekse, sekte, +singel, sintel, spiegel, suiker, tafel, tegel, tempel, tichel, tijger, +toren, zegen(wensch), zemel enz. + +Verplaatsing van den klemtoon is geschied bij deken (decanus), kansel, +kelder, kemel, kervel, keten, keuken, kolder, schotel, venster, +vijver, zegen (vischnet), zolder en andere. Genoemde woorden komen +in vorm overeen met de echt Nederlandsche teugel, hamer, naaister, +lomperd, koude, merrie. + +Zeldzaam zijn de tweelettergrepige, die, gelijk beschuit, bestel en +vernis, het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met praefixen, +als bedrog, verval. Andere gelijken weder op andere wijzen naar echt +Nederlandsche woorden: zoo hebben bakelaar en kandelaar denzelfden +vorm als kakelaar en wandelaar. Weder andere hebben den schijn van +composita, als aalmoes, altaar, bisschop, luipaard, meerkat, pelgrim, +die uiterlijk niet verschillen van aschschop enz. + +216. De tweede klasse bestaat uit woorden, wier uitspraak en +accentuatie niet in het geringste veranderd of gewijzigd is, en die +juist zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken. Hiertoe behooren +b.v.: facto, jure, incognito, partim, passim, raptim, totaliter, +generaliter, pro, contra, ergo, idem, item, punctum, anno, datum, +primo, secundo, medio, ultimo, lustrum, grammatica, logica, physica, +centrum, hypotenusa, praesens, praeteritum, participium, banco, bon, +bruto, franco, netto, tarra, debet, credit, a costi, whist, spadille, +manille, quadrille, basta, ponto, misère, budget, bonbon, bureau, +blanc-manger, bougie, cadeau, chapeau, chenille, conservatoire, douche, +eau de Cologne, joujou, shawl of châle, savoir-vivre, souper, diner, +carte-blanche, vaudeville enz. + +217. De derde klasse bestaat uit woorden, die in de uitspraak +eene geringere of grootere wijziging hebben ondergaan, welke +echter niet voldoende is om hun het uitheemsch voorkomen geheel te +ontnemen. Zoodanige woorden zijn door die wijziging gerukt uit de +taal, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, en zijn in zekeren zin +Nederlandsch geworden; doch het overblijfsel van de vreemde uitspraak +of van den vreemden vorm verhindert, ze gelijk te stellen met echt +Nederlandsche woorden en ze in de eerste klasse te rangschikken. Zij +behooren dus eigenlijk eenigermate aan twee talen, waarom men ze niet +ongepast bastaardwoorden kan noemen. + +Wanneer woorden der tweede klasse op Nederlandsche wijze worden +verbogen of een Nederlandsch affix bekomen, al blijft hun vorm voor +het overige onaangetast, dan treden zij natuurlijk in de klasse der +bastaardwoorden; b.v. bougies, bons, datums, items, paternosters, +doctors of doctoren, bònnetje, cadeaus, cadeautjes, itempjes, +militairen, militaire macht enz. + +218. De veranderingen, die de eigenlijke bastaardwoorden ondergaan +hebben, bepalen zich in den regel tot het uiteinde van het +woord. Soms wordt de vreemde uitgang geheel weggelaten, b.v. in +praefix, lat. praefixum; instinct, lat. instinctum; soms wordt +die uitgang slechts gewijzigd, b.v. in linie, lat. linea; olie, +lat. oleum; citroen, fr. citron; meloen, fr. melon; consequent, +nu eens lat. consequens, dan eens lat. consequenter; syllogisme, +gr. syllogismos. Het afwerpen of wijzigen van den uitgang heeft niet +zelden ook eene wijziging der voorgaande lettergreep ten gevolge: +b.v. in titel, lat. titulus; artikel, lat. articulus; vocaal, +lat. vocalis; systeem, gr. systêma; republiek, fr. république; +sigaar, sp. cigarro.--Somtijds echter bepaalt de geheele verandering +zich tot de wijziging van de uitspraak der eindlettergreep, zonder dat +zulks eene verandering in de spelling teweegbrengt; b.v. in officier, +fr. officier. + +Bij woorden, uit levende talen ontleend, heeft echter niet zelden ook +eene wijziging in het lichaam van het woord plaats; b.v. in grenadier +en genie, waarin niet slechts de uitgangen ier en ie anders klinken +dan in fr. grenadier en génie, maar ook de g van gre en de e van +ge; vermicelli wordt bij ons doorgaans uitgesproken als vermiselli, +zelden als in het Italiaansch: vermitsjelli. + +219. Dergelijke wijzigingen zijn echter verre van toereikend om in alle +gevallen aan een vreemd woord het voorkomen van een echt Nederlandsch +te geven. Niet zelden blijft er desniettegenstaande een vreemde +klank in over, b.v. in genie, logement, sergeant enz.; zoo ook in +artikel, titel, citer, die, om geheel Nederlandsch te kunnen heeten, +in artijkel, tijtel en sijter hadden behooren te veranderen, gelijk +onder andere met bijbel, mijter, tijger heeft plaats gehad. Zelfs het +zoo gebruikelijke cijfer kan niet als volkomen Nederlandsch beschouwd +worden, vermits de f van het lat. cifra niet in v is overgegaan, +en de uitgang -fer wel achter korte, als b.v. blaffer, keffer, +koffer, duffer, maar nooit achter lange klinkers of tweeklanken +voorkomt. In dit geval toch treft men alleen -ver aan: b.v. in +braver, gever, liever, grover, zuiver, ijver, stijver enz. In de +meeste gevallen blijft de accentuatie van het bastaardwoord zijn +vreemden oorsprong verraden. Hoogst zelden toch treedt de klemtoon +in meerlettergrepige woorden op de eerste syllabe over, waardoor +zij, gelijk aalmoes, altaar, kandelaar, olifant, het voorkomen van +Nederlandsche composita, of, gelijk ketel, schotel, venster, van +Nederlandsche derivata verkrijgen. Blijft de klemtoon op de tweede +of derde lettergreep rusten, als b.v. in probléém, publiék, orkáán, +diáken, epìstel, convocátie, execútie, dan worden zij terstond als +vreemde woorden herkend, te meer daar de klemtoon in meerlettergrepige +bastaardwoorden zelden die van echt Nederlandsche in kracht evenaart; +vergelijk b.v. evangelie, publicatie, met overmoedig, onderdanig. Ten +gevolge van een en ander onderkent men oogenblikkelijk diameter, +circulatie, evangelist enz. als vreemde woorden. + +220. Ook nog op eene andere wijze openbaart zich niet zelden de +vreemde herkomst en natuur der bastaardwoorden, namelijk uit de +onmogelijkheid om op Nederlandsche wijze derivata te vormen. Wanneer +men het deminutief-suffix uitzondert, dat zelfs achter woorden der +tweede klasse kan treden, b.v. in bureautje, assessortje, dan is +men doorgaans genoodzaakt van de zoogenaamde bastaardachtervoegsels +gebruik te maken. Tiran of tyran b.v. levert niet op: tyransch, +tyrannelijk, tyranschap, noch het werkwoord tyrannen, maar +tyranniek, tyrannij, tyranniseeren; souverein niet souvereinschap, +maar souvereiniteit. Dikwijls komt daarbij de oudere, minder sterk +gewijzigde vorm weder te voorschijn; b.v. in apostolisch of apostoliek +van apostel; diaconie, diaconaal van diaken; of liever, apostoliek, +diaconie, diaconaal zijn niet afgeleid van apostel en diaken, maar zijn +de--onafhankelijk van apostel en diaken--overgenomen vreemde woorden +apostolicus, diaconia, diaconalis; gelijk systematisch en syntactisch +niet in den boezem onzer taal gevormd zijn van systeem en syntaxe, +maar van de adjectieven systematicus, syntacticus. Hetzelfde heeft +plaats bij titulair, commissaris, commissionnair, die niet van titel +en commissie zijn gevormd. + +Zelfs woorden, die men anders tot de eerste klasse zou brengen, +blijven op deze wijze van hunne vreemde herkomst getuigen; b.v. abt, +doordien het niet abdesse, maar abdis, lat. abbatissa, geeft; fout door +foutief; klant door klandizie; cirkel door circulatie en circulaire; +cel door cellulair; cent zelfs door centesimaal, terwijl het niet +één Nederlandsch derivaat heeft. + +221. De spelling der woorden, die stellig tot de eerste klasse +behooren, levert weinig zwarigheden op. Die woorden worden +beschouwd als genaturaliseerd, als geheel verdietscht en met het +volle burgerrecht begiftigd. Zij worden daarom nagenoeg algemeen als +oorspronkelijke Nederlandsche woorden geschreven. Niemand spelt thans +meer caars, caart, cleur, clooster, coster, coucen, cruis, groupe, +persic, punct, train, troupe, enz. De Redactie meent overeenkomstig +dit gebruik als beginsel te moeten aannemen, dat de Nederlandsche +spelling in al die woorden behoort gevolgd te worden, ook in die, +waaromtrent de gevoelens min of meer verdeeld zijn. Zij schrijft +derhalve sieren en singel met eene s, en troon zonder h, ofschoon +sommigen nog aan cieren, cieraad, cingel en throon de voorkeur +geven. Deze woorden toch worden geheel als Nederlandsche behandeld +en verbogen, treden met echt Nederlandsche in compositie en vormen +derivata op Nederlandsche wijze: opsieren, versieren, sierplant, +sieraden, sieradiën (gelijk kleinoodiën, dat echt Nederlandsch is); +omsingelen; onttronen, hemeltroon, troonopvolger, enz. + +222. De woorden cedel (blijkens den ouderen vorm cedul het Fransche +cédule, en niet naar het lat. schedula gevormd), ceder, lat. cedrus, +en cijns, lat. census, geven bedenking, of zij al of niet tot de eerste +klasse moeten gebracht worden. Zij zijn volkomen Nederlandsch van +klank en hebben geene vreemd klinkende derivaten. Cedel wordt zelfs +saamgetrokken tot ceêl, en helpt gedenkcedel, huurceêl, ceêlmaker +enz. vormen; ceder komt voor in cederachtig, cederboom, cederhout, +cijns in cijnsbaar, cijnsplichtig; alleen de c verraadt de vreemde +herkomst. Volgens de Analogie behooren die woorden derhalve tot de +eerste klasse en zou de c door de s moeten worden vervangen. Hier staat +echter tegenover, dat zij steeds zonder uitzondering met c geschreven +en daarom ook alleen onder dien vorm bekend zijn; dat zelfs het zoo +gewone ceêl altijd zijne c behouden heeft; dat de cederboomen en het +cederhout te weinig populair zijn om onder de veranderde vormen seder, +sederen, sederhout terstond herkend te worden; en dat cijns weinig +meer wordt gebruikt, maar een historisch woord is geworden, dat dus +een vasten vorm heeft aangenomen. Wanneer wij dat alles bedenken, +achten wij het niet raadzaam in strijd met het heerschende gebruik eene +spelling te veranderen, waaromtrent nooit verschil van gevoelen heeft +bestaan, om eene andere aan te nemen, die door velen niet terstond +begrepen zou worden. Wij beschouwen daarom de genoemde woorden als +bastaardwoorden, die door hunne spelling van hun vreemden oorsprong +getuigenis geven, en blijven schrijven: cedel (ceêl), ceder, cijns. + +223. De spelling van de woorden der tweede klasse levert in het geheel +geene bedenkingen op. Het ligt in den aard der zaak, dat vreemde +woorden, die in de uitspraak geenerlei wijziging hebben ondergaan, +hunne oorspronkelijke spelling, de zichtbare voorstelling hunner +uitspraak, onveranderd behooren te behouden. + +224. Veel grooter zijn de bezwaren, verbonden aan het bepalen van +de spelling der woorden, die de derde klasse uitmaken. Daaromtrent +toch zijn de gevoelens zoo verdeeld, dat men bezwaarlijk volkomene +overeenstemming tusschen twee schrijvers ontdekken zal. Wanneer men +echter niet in bijzonderheden treedt, dan kan men in het zoozeer +verschillend gebruik twee hoofdrichtingen onderscheiden, die, van +twee tegenovergestelde uitersten uitgaande, nagenoeg lijnrecht tegen +elkander inloopen. Men kan ze gevoeglijk de oudere en de nieuwere +richting noemen. + +225. De oudere dagteekent van 1804, en heeft zich tot beginsel gesteld, +dat de bastaardwoorden over het algemeen hunne oorspronkelijke spelling +behooren te behouden. Zij wil alleen de uitgangen overeenkomstig +het Nederlandsche spraakgebruik gewijzigd hebben, en maakt geene +uitzonderingen dan alleen ten opzichte van die woorden, welke, onder +alle standen der maatschappij in gebruik, door allen op Nederlandsche +wijze geschreven worden. Deze richting laat derhalve verschillende +vreemde schrijfwijzen te midden van de inheemsche bestaan, onderstelt +in den lezer de kennis der vreemde spelling en uitspraak, en duldt +vele uitzonderingen; doch deze zijn geene noodwendige uitvloeisels +van het aangenomen beginsel, maar worden alle door buitenliggende +omstandigheden veroorzaakt. + +226. De nieuwere richting, nagenoeg veertig jaren jonger, heeft +zich ten doel gesteld de spelling der vreemde woonden zoodanig in te +richten, dat de Nederlander de kennis der vreemde taal voor de juiste +uitspraak ontberen kan. Zij gaat kennelijk uit van de onderstelling, +dat men alleen dan recht heeft een vreemd woord te bezigen, wanneer het +geschikt is om zóó geschreven te worden, dat de lezende Nederlander, +toegerust met de kennis van de spelling en uitspraak zijner eigene +taal, aan de doode letter de levende uitspraak kan teruggeven en zich +de beteekenis herinneren. + +Ook deze richting heeft hare uitzonderingen, vermits wij een aantal +vreemde woorden bezigen, wier klank niet kan worden afgebeeld, indien +men onze letters uitsluitend op Nederlandsche wijze wil uitspreken, +terwijl een aantal andere in Nederlandsch gewaad gestoken volstrekt +onherkenbaar zouden zijn. Deze uitzonderingen vloeien uit het +aangenomen beginsel zelf voort, hetwelk dus niet vol te houden is; +daarentegen worden de uitzonderingen op de oudere richting regelmatige +toepassingen van het hier aangenomen beginsel. + +227. Beide richtingen hebben hare voor- en nadeelen, die de Redactie, +genoodzaakt eene keus te doen, onderling heeft te vergelijken en aan +de algemeene spellingbeginselen, in de Eerste Afdeeling ontvouwd, +te toetsen. + +228. De oudere richting beveelt zich door de volgende voordeelen aan: + +1) De spelling der vreemde woorden en bastaardwoorden behoeft +niet gezocht en eerst door nieuwe, afzonderlijke regels bepaald +te worden. Zij is gegeven: wat het hoofddeel der woorden aangaat, +door de vreemde spelling; wat de uitgangen betreft, door de gewone +Nederlandsche spelregels. + +2) De spelling stelt uit haren aard de ware uitspraak getrouw voor. Men +kent deze òf onmiddellijk door het beoefenen der vreemde taal, +waaruit het woord ontleend is, òf bij overlevering van anderen die +haar kennen. De vreemde taal en de vreemde spelling zijn en blijven +dus altijd de kenbronnen der uitspraak. De vreemde spelling stelt +natuurlijk steeds de juiste uitspraak voor, hetgeen de Nederlandsche +in vele gevallen slechts zeer gebrekkig kan doen; de ware uitspraak van +sherry, chocolade, machine, genie, ingenieur, sergeant, patrouilleeren, +compagnon, wordt slechts onjuist en eenigszins plomp door sjerrie, +sjokolade, masjine, zjenie, inzjenieur, serzjant, patroeljeeren, +kompanjon of kompanion afgebeeld. Zelfs onze oe schijnt te lang en +te zwaar voor de Fransche ou, in gouverneur en souverein. + +3) De oorspronkelijke spelling blijft wijzen op de etymologie der +woorden. Zij verscheurt den band niet, die het woord verbindt met +zijne verwanten in de oorspronkelijke taal, waarin het is ontstaan en +zijne beteekenis heeft gekregen, en waarin het eigenlijk leeft. Zij +behoudt dus al de voordeelen, die eene verwijzing op de etymologie +kan opleveren voor allen, die de vreemde taal verstaan; en dezen +maken de meerderheid uit dergenen, die zich het meest van vreemde +woorden en bastaardwoorden bedienen. + +4) Die richting brengt uit zich zelve geene uitzonderingen mede; +de bestaande zijn gevolgen van het Gebruik, van oorzaken buiten het +stelsel zelf gelegen. Zij kan dus met het volste recht gezegd worden +van een beginsel uit te gaan, dat, op zich zelf genomen, consequent +zou kunnen toegepast worden. + +229. De voordeelen aan de nieuwere richting, aan het spellen op meer +Nederlandsche wijze, verbonden, zijn de volgende: + +1) Daardoor wordt het uitspreken en spellen van een aantal woorden +voor den minkundige, die de vreemde taal niet kent, gemakkelijk +gemaakt. Althans de meeste woorden uit de doode talen, uit het Grieksch +en Latijn, ontleend, kunnen door de Nederlandsche spelling zóó worden +voorgesteld, als de Nederlander gewoon is ze uit te spreken. + +2) Daardoor wordt in vele gevallen het contrast opgeheven tusschen de +Nederlandsche en de vreemde spelling, die niet zelden in hetzelfde +woord vereenigd aangetroffen worden: een contrast, dat op zich zelf +geen nut heeft, en dus tegen den goeden smaak schijnt aan te druischen, +dewijl het de eenheid en regelmatigheid verbreekt. + +3) Wanneer vreemde woorden op Nederlandsche wijze worden geschreven, +bekomen zij een meer Nederlandsch voorkomen en worden eenigermate in +de taal ingelijfd. + +4) De uitzonderingen op de toepassing van het beginsel der oudere +richting vallen dan in den regel, houden op uitzonderingen te +zijn. Daardoor is de nieuwere richting ontslagen van de moeilijke +taak om naar de redenen te zoeken welke die uitzonderingen wettigen, +en den regel te bepalen waarvan zij afhangen. + +230. Wanneer de Redactie de voordeelen der beide richtingen vergelijkt +en aan de beginselen eener gezonde orthographie toetst, dan kan zij +niet aarzelen aan de oudere de voorkeur te geven; vooral wanneer +zij bedenkt, dat alles, wat voor deze richting pleit, een bezwaar +tegen de andere uitmaakt. De oudere toch is in overeenstemming met de +beide groote spellingbeginselen, die in onze taal meer dan in eenige +andere worden gehuldigd en op prijs gesteld: juiste voorstelling der +uitspraak en verwijzing op de etymologie en de verwante woorden. De +nieuwere verloochent het laatste als het ware uit principe, en is +niet in staat aan het eerste te voldoen. Daar een aantal klanken +in de vreemde woorden, uit levende talen genomen, niet dan plomp +en onvolkomen op Nederlandsche wijze kunnen voorgesteld worden, +is het nieuwere stelsel van nature en reeds a priori gebrekkig, +brengt het een aantal gebreken met zich, die het in vele gevallen +buiten staat stellen het beoogde doel te bereiken. Daar de spelling +op Nederlandsche wijze uit haren aard de verwijzing op de etymologie +verwaarloost, versmaadt zij roekeloos een krachtig hulpmiddel ter +bevordering der duidelijkheid; terwijl zij omgekeerd den minkundige +bij het eene of andere bastaardwoord niet zelden geheel ten onrechte +aan eene verwantschap met Nederlandsche woorden doet denken, waardoor +het rechte verstand van het woord voor hem belemmerd wordt. Het +woord compascuum b.v. is zeker voor den onkundige onverstaanbaar; +de latinist echter begrijpt het terstond; doch deze zal zich wel +eenige oogenblikken moeten bezinnen, wanneer hij kompaskuüm geschreven +vindt. De onkundige begrijpt het woord onder deze spelling evenmin, +maar maakt zich nu een geheel verkeerd, duister begrip, dewijl hij +natuurlijk aan iets denkt, dat op een kompas betrekking heeft. Zal +dit vooroordeel hem niet in den weg staan, als hij uit het verband +van den zin de beteekenis van het hem onbekende vreemde woord tracht +op te maken? Zal het hem bij diftong, vokaal, instinkt, dialekt, +longroem (eng. longroom) enz. beter gaan? + +De nieuwere richting berooft zich zelve ook van het voordeel, om +gelijkluidende of schijnbaar gelijkluidende woorden door de spelling +te onderscheiden, b.v. korporaal en corporaal (altaardoek), dokter +en doctor, kanòn en cánon, enz. + +231. De oudere richting vindt hare spelling zoogoed als gegeven: +de nieuwere moet de hare nog vaststellen en kan daarbij dikwijls +niet anders dan willekeurig te werk gaan. De schrijvers, die der +laatste toegedaan zijn, handelen dan ook geenszins eenparig; men vindt +geschreven: kompanjon, kompagnon en kompanion; konzekwent, konsekwent +en konsequent; kurzief en kursief, enz. Hoe moet het zijn? Wie en wat +zal hier beslissen? Van de oplossing van deze en dergelijke vragen is +de oudere richting ontslagen; zij weet, dat het Fransch en Latijn de +schrijfwijzen: compagnon, consequent, consonant, cursief enz. vorderen. + +232. De voordeelen der nieuwere richting zijn meer denkbeeldig dan +wezenlijk. Het eerstgenoemde punt blijkt, bij eene nadere beschouwing, +veeleer op last dan op gemak uit te loopen. Zij, ten wier behoeve +de meer Nederlandsche spelling zou moeten strekken, worden er niet +door gebaat; voor de anderen, die er geene behoefte aan hebben, +is zij een groot bezwaar. Kon en wilde men alle vreemde woorden +volgens de gewone regels der Nederlandsche spelling behandelen, +dan zou zulks zeker in zooverre verkieslijk zijn, dat de kennis der +vreemde talen kon ontbeerd worden. Wij hebben echter boven gezien, +dat er een aantal gevallen bestaan, waarin de uitspraak niet door +Nederlandsche letters kan voorgesteld worden. Doch, wat meer zegt, +zelfs de sterkste voorstanders der nieuwere richting zijn niet gezind +de Nederlandsche spelregels geheel en al toe te passen, zelfs niet +in vele gevallen, waarin dit zeer goed mogelijk zou zijn. En te +recht, want vele woorden zouden dan een al te vreemd en zonderling +voorkomen krijgen. Niemand heeft nog willen schrijven: tema, tee, +teorie, ekzamineeren, eksekuutsie, suksessie, okkazie, publiseeren, +publikaatsie, konsiënsie, inkwizietsie, sistema, higrometer, sienisch +(voor cynisch), scheptisch (voor sceptisch), tietel, artiekel, viziete, +sieter (voor citer), kado, buro, odekolonje, soepjee (voor souspied) +enz., ofschoon die schrijfwijzen door onze spelregels zouden gevorderd +worden en de vreemde uitspraak vrij goed vertegenwoordigen. De geheele +vervorming, die men verlangt, komt hoofdzakelijk hierop neder, dat +men de ph door f; de c, als zij den keelklank heeft, door k; en de +s, wanneer zij zacht luidt, door z wil vervangen hebben; b.v. in +filozoof, fyzika, konzonant enz. Over de vervanging van qu en de +Fransche ou door kw en oe blijken de gevoelens verdeeld te zijn; en +slechts zeer enkelen schrijven -nion en -nie in de plaats van -gnon en +-gnie. Daarentegen wil men over het algemeen de th en y in Grieksche +woorden; de x; de enkele i, ook ter voorstelling van den i-klank in +lettergrepen met den vollen klemtoon; en de c ter aanduiding van den +sisklank behouden hebben, op grond, dat genoemde letters evengoed +als de t, i, ks en s tot het Nederlandsche alphabet behooren. Die +gewenschte vervorming blijft dus in elk geval zeer beperkt, laat in +een aantal woorden den vreemden vorm bestaan, en handelt bovendien +inconsequent. De th is immers evenzeer vreemd als de ph. Men zegge +toch niet: »de th is eene Nederlandsche letter, gelijk blijkt uit +thans en althans, terwijl de ph in geen enkel Nederlandsch woord +voorkomt". Men bedriegt zich dan ten opzichte der eerstgenoemde. In +de geheel exceptioneele woorden thans en althans, uit te hande en al +te hande, heeft men de gewone t van te en de stom geworden h van hand, +terwijl de th in theorie en de ph in physica beide vertegenwoordigers +zijn van de enkelvoudige Grieksche letters th en f. Beide staan dus +op ééne lijn; de th is niet meer Nederlandsch dan de ph.--Indien de +c werkelijk evenzeer Nederlandsch is als de k en s, dan bestaat er +ook geene reden om haar te weren uit woorden als consonant en logica, +waar zij als k luidt. Stelt men het omgekeerde, beschouwt men haar als +vreemd, dan moet zij ook als sisklank verworpen worden uit koncert en +citroen; en wil men haar slechts éénen klank, dien van s, toestaan, +dan zou men ook akcent, akces, akcident, sukces moeten schrijven, +wat te recht niemand verlangt. + +Bij die gedeeltelijke vervorming blijft steeds eenige kennis van +vreemde talen noodzakelijk. De minkundige zal altijd moeten weten, +dat artikel, titel, visite en machine uit den vreemde zijn overgenomen; +dat in het Grieksch thermometer met th, hypotenusa met t, synode met y +en citer met i geschreven wordt, wil hij geen gevaar loopen artiekel, +tietel, viziete, masjiene, termometer, hipothenuza, sinode, sieter +te spellen. + +233. Uit het aangevoerde blijkt duidelijk genoeg, dat het der +nieuwere richting aan een consequent toepasbaar beginsel ontbreekt, +en dat de onkundige er volstrekt niet door geholpen wordt. Doch, +wat erger is, zij noodzaakt de Nederlandsche grammatica een aantal +ingewikkelde spelregels te ontwerpen, die het verschillend gebruik +van de Nederlandsche letters c en s, i, ie en y, th en t, qu en kw +bepalen. Deze zou rekenschap moeten geven, waarom zij nu eens c, +dan s; nu i, dan ie of y; nu th of qu, dan t of kw wilde geschreven +hebben. Die regels zouden dan ten laatste toch wijzen op het +verschil in den oorsprong der woorden, op het onderscheid tusschen +in- en uitheemsch, en alle zouden eenige kennis der vreemde talen +onderstellen. De spelling kategorie, ethika, filozofie en fyzika +vereischt evenzeer bekendheid met het Grieksche taaleigen, of het +zoeken in een woordenboek, als die van categorie, ethica, philosophie +en physica. + +Het schijnbare gemak blijkt dus inderdaad een last te zijn. De +minkundigen, die zich bijna niet bedienen van vreemde woorden, welker +spelling niet geheel inheemsch is geworden, zijn er niet mede gebaat; +terwijl zij, die het meest van vreemde woorden gebruik maken en veelal +de oorspronkelijke spelling kennen, nu noodeloos bezwaard worden met +het aanleeren van regels ter bepaling, hoe en in welke gevallen de +vreemde spelling moet gewijzigd worden. + +234. Het tweede der bovengenoemde voordeelen verplaatst ons op +het gebied der Aesthetica. Aan hare eischen zou inderdaad meer +voldaan worden, indien het contrast tusschen de inheemsche en +de verschillende vreemde spellingen kon worden opgeheven, omdat +die tegenstellingen volstrekt geen nut hebben, niet dienen om de +verschillende schrijfwijzen wederzijds op te helderen of fraaier +te doen uitkomen. Daar echter de vreemde spelling niet kan worden +geweerd uit al die woorden, waarin vreemde klanken voorkomen, welke +niet door het Nederlandsche letterschrift kunnen vertegenwoordigd +worden, is het middel niet toereikend om de kwaal te genezen; wèl +beschouwd, verergert het haar veeleer. Immers nu ontstaat tusschen +de in- en uitheemsche spelling eene derde, eene bastaardspelling, +b.v. in koncert, koncentrisch, konzequent. Doch, wat meer zegt, er +wordt zoodoende een nieuw contrast geschapen tusschen de natuur en den +vorm van het woord, dat zeker niet schoon is, en juist aan diegenen +den grootsten aanstoot geeft, die zich het meest van vreemde woorden +bedienen. Over den smaak valt wel is waar weinig te twisten, maar +de Aesthetica leert toch grondstellingen, die door allen gereedelijk +aangenomen worden. Het is boven allen twijfel verheven, dat waarheid, +d.i. hier overeenstemming tusschen uiterlijk en innerlijk, eene +noodwendige voorwaarde voor het schoone is. Eene kerk in den vorm +van een woonhuis, en een woonhuis in den vorm eener kerk, kùnnen +niet schoon zijn. Alleen wansmaak kon behagen scheppen in melkkannen, +die apen, of in palmboomen, die zwanen of pauwen voorstelden; en een +reukfleschje in den vorm van een beeldje, al is dit ook nog zoo fraai +gevormd, is leelijk in het oog van ieder, die slechts een weinig over +het wezen der schoonheid heeft nagedacht. Evenzeer strijdig met den +goeden smaak is het spellen op Nederlandsche wijze van woorden, die +door hun klank en vorm beide protesteeren tegen het kleed, dat men +hun heeft aangetrokken en dat hun niet past, omdat het niet voor hen +gemaakt is. Er ligt, wèl beschouwd, iets plomps in de spelling koncert +of konsert, filozoof, fyzikus, konsequent of konzekwent, ekwipaadje, +kwantiteit, enz., hetwelk den beschaafde en geletterde ergert, zoolang +zijn oog niet aan het zien van zulke smakelooze schrijfwijzen gewend +is. Dit is dan ook wel eene der voornaamste redenen, waarom dit +stelsel nooit meer dan enkele voorstanders gevonden heeft. + +235. Ook het derde der gewaande voordeelen komt bij eenig nadenken op +zeer weinig uit. Welk nut kan er gelegen zijn in het geven van een meer +Nederlandsch voorkomen aan een vreemd woord, hetwelk zijne afkomst +blijft verraden? Wanneer klank en samenstelling uitheemsch zijn, +kan de spelling daaraan niets veranderen. De Latijnsche praefixen +prae- en con- of com- worden geene Nederlandsche voorvoegsels, +wanneer men prepozitie, preseptor, konditie, kompozitie met e en +k schrijft. Apoteoze, analieze, fizionomie, mizantroop, zofema, +ekwipaadje, epolet, cadó, plató enz., zijn bedorven en nauwlijks +verstaanbaar Grieksch en Fransch, maar geen grein meer Nederlandsch +dan apotheose, analyse, physionomie, misanthroop, sophema, equipage, +epaulet, cadeau, plateau enz. + +De eenige beteekenis, die men aan die inheemsche inkleeding hechten +kan, bestaat hierin, dat zij een blijk is, dat het woord veel +door Nederlanders wordt gebruikt. Doch welk nut is in dat vertoon +gelegen? Zal de schrijver er door willen te kennen geven, dat hij +zich gerechtigd acht het woord te bezigen? Wil hij daarmede den lezer +het paspoort laten zien, opdat deze den bastaard ongehinderd late +voorbijgaan? Aangenomen, dat dit eenig practisch nut had, wie zal +dan nog bepalen, of een woord lang en algemeen genoeg in gebruik is +geweest om dat gedeeltelijke burgerrecht deelachtig te worden? Wat +zal bij de beoordeeling de maatstaf zijn? Uiterlijke kenteekenen +ontbreken hier. Geheel vreemde woorden, die volstrekt geene verandering +ondergaan hebben en die niemand zou willen verdietschen, vereenigen +zich in samenstelling met echt Nederlandsche, als in successierechten, +epauletknoop, verjaarcadeau enz., en nemen zelfs Nederlandsche voor- +en achtervoegsels aan, b.v. onsystematisch, cadeautje, geanalyseerd, +enz. Compositie en derivatie met Nederlandsche woorden en affixen +rechtigen derhalve niet tot eene geheel Nederlandsche spelling. + +236. Het geven van een Nederlandsch voorkomen aan vreemde woorden +is eene mystificatie, die, niet slechts uit een theoretisch maar ook +uit een practisch oogpunt bezien, te veroordeelen is en blijft. Het +spreekt wel vanzelf, dat de grammatica, die de natuur zoowel als +het gebruik der woorden wil kennen, theoretisch eene spelling moet +afkeuren, die de afkomst en niet zelden ook de beteekenis der woorden +verduistert. Maar ook van het practisch standpunt beschouwd, verdient +de vreemde spelling de voorkeur. Deze waarschuwt den minkundige, +dat hij geene pogingen behoeft aan te wenden om het vreemd gespelde +woord uit zijne moedertaal te verklaren, en snijdt tevens zooveel +mogelijk alle zinspeling op minder kiesche zaken af, die soms door +eene veranderde schrijfwijze wordt uitgelokt, en waartoe onze mindere +stand wel eenigszins geneigd is. + +237. Eindelijk het voordeel, daarin gelegen, dat de uitzonderingen +op de oudere richting in de nieuwere regelmatigheden zijn, wordt +theoretisch en practisch meer dan opgewogen door de uitzonderingen +op de laatstgenoemde. Immers de eerste hebben haar bestaan alleen +te danken aan het Gebruik, maar vloeien niet uit het aangenomen +beginsel zelf voort. De nieuwere richting daarentegen is met talrijke +uitzonderingen geboren; en deze noodwendige worden nog grootelijks +vermeerderd door het aantal gevallen, waarin men het beginsel zou +kunnen toepassen, maar niet toepassen wil, om de al te zonderlinge en +onverstaanbare vormen, die eene volstrekte consequentie zou opleveren. + +238. Wanneer men dit alles wèl overweegt, kan men bij de keuze tusschen +de twee richtingen niet verlegen staan. Ongetwijfeld moet men die +spelling verkiezen, die als het ware gegeven is en in gereedheid ligt, +en die getrouw blijft aan de twee groote spellingbeginselen, welke +het Nederlandsch bij het schrijven zijner eigene woorden huldigt, +boven de andere, welke die beginselen, deels uit noodzaak, deels +uit principe, verzaakt, de uitspraak niet zelden onjuist afbeeldt, +de etymologie verloochent, en strijdig is met den goeden smaak: eene +spelling, die niet is gegeven, maar volgens willekeurig aan te nemen +beginselen nog moet worden bepaald en vastgesteld, en die daarbij +uit zich zelve genoodzaakt is een aantal uitzonderingen toe te laten. + +239. De Redactie ziet echter geenszins de groote bezwaren voorbij, +die ook op den weg der oudere richting gelegen zijn. Deze is wel niet +uit zich zelve genoodzaakt uitzonderingen te maken, maar wordt door +het Gebruik gedwongen er een aantal te erkennen. Immers, het zou eene +vruchtelooze poging zijn, indien men in woorden als kwartier, kapitaal, +kazerne, kompas en dergelijke de oorspronkelijke spelling trachtte +te herstellen. Intusschen is het nog niemand gelukt de grenslijn +te trekken, waar de vreemde spelling ophoudt en de Nederlandsche +begint. Bij eenig nadenken wordt het dan ook duidelijk, dat die +grens uit den aard der zaak niet te trekken is; of, om duidelijker te +spreken, er zijn een aantal vreemde woorden in gebruik, waarvan het +ondoenlijk is, op redelijke gronden en in consequente overeenstemming +met andere dergelijke, te bepalen aan welke zijde der linie zij zich +bevinden. Men wordt van de waarheid hiervan overtuigd, wanneer men +bedenkt, dat er woorden zijn, die, niet slechts door verschillende +personen, maar zelfs door een en denzelfden persoon, naar gelang +der omstandigheden, verschillend worden uitgesproken. Hoe zou er +in de spelling vastheid en gelijkmatigheid kunnen bestaan, waar de +uitspraak wankel en veranderlijk is? Een paar voorbeelden zullen +toereikend zijn, om den lezer verscheidene andere te herinneren. Een +beschaafd man zal in gezelschap spreken van keurig geslepene karaffen; +maar als hij een glas water verlangt, zegt hij zonder bezwaar tot den +knecht: geef mij de kraf eens aan! Hij zal u op de sociëteit vragen: +hebt gij dat bericht in de courant gelezen? en als gij ontkennend +antwoordt, roept hij terstond om de krant. In een wetenschappelijk +congres spreekt men over de beste wijze om cichorei te telen, maar +in een winkel bestelt men suikerij. + +Doch vooral bestaat zulk een verschil in de uitspraak derzelfde +woorden bij lieden van verschillende beschaving. Een vischwijf, +met haars gelijke in krakeel, zal deze een kanalje, een karonje, +en hare woning een kavalje schelden; de trotsche aristocraat ziet +met minachting neder op het canaille en rapaille. De brouwersknecht +kent gijl, de verver konzenielje; de wetenschappelijke man spreekt +van chijl en cochenille; en zoo wisselt de uitspraak der vreemde +woorden telkens af, al naarmate de beschaving van den spreker of de +eisch der omstandigheden medebrengt. + +240. Wanneer de uitspraak van dezelfde woorden van allerlei +omstandigheden en inzonderheid van den smaak, niet van de woorden zelve +afhangt, moet de spelling uit haren aard nog veel onzekerder zijn, en +zal de een aan de oorspronkelijke, de ander aan eene meer Nederlandsche +de voorkeur geven, zonder altijd redenen voor zijne schrijfwijze te +kunnen aanvoeren. De Redactie, van wie wel niet het onmogelijke kan +gevergd worden, erkent dan ook gaarne, dat zij buiten machte is vaste +regels te stellen, die in ieder geval kunnen voldoen. Zij acht hare +taak vervuld, wanneer zij het grondbeginsel, waarvan zij uitgaat, +zoo nauwkeurig mogelijk omschrijft, en in het algemeen de richting +bepaalt, die zij bij de uitzonderingen meent te moeten volgen. + +Na rijpe overweging, acht zij het grondbeginsel aldus te moeten +formuleeren: + +241. Bastaardwoorden, ontleend uit talen, die het Latijnsche [d.i. hier +hetzelfde als het Nederlandsche [12]] letterschrift bezigen, +worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne +uitspraak onveranderd is gebleven. Waar deze echter gewijzigd is, en de +oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding geven +zou, wordt de spelling in zooverre op Nederlandsche wijze veranderd. + +De wijziging der uitspraak heeft plaats 1) aan het einde der woorden, +2) in het lichaam van het woord. + +242. 1) De wijziging aan het einde der woorden heeft meestal +haren oorsprong te danken aan de noodzakelijkheid om de woorden op +Nederlandsche wijze te verbuigen. Zij bestaat doorgaans in het afkappen +der laatste lettergreep, ten gevolge waarvan dikwijls eene wijziging +in de spelling der voorlaatste noodzakelijk wordt. Zoo is b.v. praefix +het Lat. praefixum, evangelist het Lat. evangelista, publicist het +Fransche publiciste, trompet het Fransche trompette. Daar de klinker +in de voorlaatste lettergreep der genoemde vreemde woorden geene +verandering in de uitspraak ondergaat, blijven praefix, evangelist, +publicist en trompet voor het overige onveranderd. Anders is het, +wanneer advocatus, particula, problema en publique de laatste syllabe +verliezen; de a en e moeten alsdan in advocaat en probleem noodwendig +verdubbeld worden; de u van particula gaat in de toonlooze e over, +en dit maakt weder de verandering van c in k noodzakelijk, waardoor de +vorm partikel ontstaat; de uitgang -ique moet, na afwerping zijner e, +bij ons -iek worden: publiek. + +In sommige woorden schijnt de verbastering van den uitgang niet op +deze wijze verklaard te kunnen worden. Zoo laat de vorm sociëteit zich +schijnbaar evenmin van lat. societas als van fr. société afleiden. In +zulke gevallen moet men niet uit het oog verliezen, dat Latijnsche +woorden niet altijd in den nominatiefvorm zijn overgenomen, maar dat +dikwijls een verbogen naamval ten grondslag ligt. Dit heeft plaats +bij sociëteit, majesteit, sextant enz., lat. societas--societatis, +majestas--majestatis, sextans--sextantis, enz.; vanhier de t in +deze en dergelijke woorden. Ook de meervouden tangenten, secanten, +van tangens en secans, zijn op die wijze te verklaren. + +Niet altijd echter is de laatste lettergreep van het vreemde woord +afgeknot; dikwijls is alleen de uitspraak veranderd. Zoo zijn +b.v. palais, laquai, souverain, livrée, général, profit, in paleis, +lakei, souverein, livrei, generaal, profijt enz. overgegaan. + +Door deze en dergelijke veranderingen zijn de bekende bastaarduitgangen +-aal, -aan, -aat, -ant, -eel, -eeren, -eet, -ent, -et, -ief, -iek, +-iel, -iet, -ijn, -ijt, -oen, -oor, -uut en andere ontstaan, die +geheel op Nederlandsche wijze behandeld worden. Alleen de uitgangen +-air en -oir der Fransche adjectieven behouden hunne vreemde ai en oi, +b.v. in militair, stationnair, transitoir, executoir enz. + + Ter voorkoming van misverstand zij aangemerkt, dat hier + gesproken wordt van uitgangen in het algemeen, d.i. van klanken + waarop woorden uitgaan, en niet van achtervoegsels (suffixen), + d.i. bepaalde uitgangen, die achter bestaande woorden gevoegd + worden om nieuwe woorden te vormen. Niet al de genoemde uitgangen + zijn achtervoegsels, of zijn het altijd. Zoo zijn -aat en -iet + suffixen in optimaat en Israëliet, maar niet in praecipitaat en + chrysoliet. Een achtervoegsel -eet bestaat niet, evenmin als -noom, + -anthroop of -troop achtervoegsels zijn; vergelijk de aanmerking + op § 77. + +243. Het bastaardachtervoegsel -aadje vereischt eene afzonderlijke +overweging. Het is uit het Fransch ontleend ten tijde dat -age +(Ital. -aggio, Lat. -aticum: zie Diez, Gramm. der Roman. Sprachen, +2de uitg., D. II, bl. 288 vlg.) in die taal nog, op Italiaansche +wijze, als aadzje luidde. Die uitspraak heerschte toen ook bij ons, +maar kon slechts gebrekkig in Nederlandsch schrift worden uitgedrukt; +vandaar de verschillende schrijfwijzen: pelgrimaedse, pelgrimagie, +pelgrimaedje. Thans, nu wij in dat en alle dergelijke woorden, evenmin +als de Franschen, eene d laten hooren, is de spelling pelgrimaadje, +stellaadje enz. buiten alle verhouding met de uitspraak geraakt, +terwijl zij soms aanleiding geeft, dat zoodanige woorden geheel +letterlijk overeenkomstig hun vorm worden uitgesproken. Daar de +uitspraak g als zj toch plaats vindt in de Nederlandsche woorden genie, +logement, gage, gelei, horloge enz., en dus bij ons niet onbekend is, +en iedereen ook gewoon is college, manege, engagement, menage, courage, +courtage te schrijven, bestaat er inderdaad geene overwegende reden, +om de zonderlinge spelling -aadje te behouden. Wij aarzelen daarom +niet eene schrijfwijze te laten varen, die eene geheel verouderde +uitspraak tot grondslag heeft, maar met de hedendaagsche in strijd is, +sinds lang velen tot aanstoot en ergernis heeft gestrekt, en nooit +consequent is toegepast. Wij meenen derhalve te moeten schrijven: +bagage, lekkage, pelgrimage, slijtage, stellage, stoffage, tuigage +enz.; en evenzoo: page. Zóó vervalt ook vanzelf de ongelijkheid in +de spelling van passaadje en passagier enz. + +244. 2) Veranderingen in het lichaam der woorden, ter voorkoming +eener ongewone uitspraak, hebben bijna uitsluitend in Fransche +woorden plaats. Zij bestaan voornamelijk in het weglaten der accenten, +b.v. in genie, ingenieur, fr. génie, ingénieur, waarin de Fransche é +voor de toonlooze e heeft plaats gemaakt. Zoo is ook de uitspraak der +Fransche g in garnison, guitare, guide voor de gewone Nederlandsche +geweken. Daarom laat men de u in gitaar enz. weg. + +Om gelijke reden schrijft men pleizier of plezier voor plaisíer, en +seizoen voor saisoen, dewijl de ai, op Fransche wijze uitgesproken, +in deze woorden niet meer in gebruik is. + +245. Eene bijzondere aanmerking moet gemaakt worden betreffende de +woorden, die uit het Grieksch ontleend zijn. Deze namelijk worden wel +in de oorspronkelijke taal met een ander letterschrift geschreven, +doch dit is voor ons geheel onverschillig, omdat de meeste dier +woorden door het kanaal van het Latijn tot onze kennis zijn gekomen +en, dienovereenkomstig, op Latijnsche wijze uitgesproken en gespeld +worden. Wij zeggen niet: hupoteinoeza, sustema, fuzikè, euangelion, +oikonomia, Makedonia, Kimoon, Platoon, Thrazuboelos, Aiguptos, hetairen +enz.; maar wij spreken die woorden uit, overeenkomstig den vorm, dien +zij in het Latijn bekomen: hypotenusa, systema, physica, evangelium +(of evangelie), oeconomia (of oeconomie), Macedonië, Cimon, Plato, +Thrasybulus, Egypte (of Aegypte), hetaeren enz. + +Eene consequente spelling op Grieksche wijze is derhalve zoogoed als +onmogelijk; en deze wordt trouwens ook door niemand verlangd. Doch +hoewel de Latijnsche schrijfwijze als maatstaf en regel voor de +Grieksche beschouwd wordt, maken sommigen eene uitzondering ten +opzichte van de k en f, die zij niet door de Latijnsche c en ph, +maar door k en f teruggegeven willen hebben; zij schrijven daarom +theokratie, fyzika of fysika, filosofie of filozofie. Deze spelling, +uit welk oogpunt ook beschouwd, is inconsequent en maakt noodeloos +inbreuk op den--anders algemeenen--regel. Geschiedt zulks om de +spelling meer met het Grieksche spraakgebruik overeen te brengen, +dan wordt de f verkeerd aangewend, dewijl f zoo ooit, zeker niet te +allen tijde de waarde van f gehad heeft. Is het om aan de woorden een +meer Nederlandsch voorkomen te geven, waarom dan de th en de y ter +uitdrukking van de th en y behouden, terwijl de enkele t en i de gewone +uitspraak dier letters even goed zouden voorstellen? Die spelling is +dus inderdaad slechts eene nuttelooze en willekeurige afwijking van de +regelmaat, waarop men weder uitzonderingen zou moeten maken. Immers +het bezigen van k, waar het Grieksch eene k heeft, is niet vol te +houden. Vele woorden, welker uitspraak bij ons vaststaat, eischen +volstrekt de c, als: Bucephalus, Centaur, Cepheus, Cerberus, Cilicië, +Cyprus, Cyrus, Macedonië enz. In Cekrops, cykloop en andere zouden +c en k om dezelfde letter te vertegenwoordigen naast elkander staan; +en wie zou Bakchus of Bakkhus willen schrijven? En toch, elke andere +spelling: Bacchus of Bachus, ware dan eene nieuwe onregelmatigheid, +eene willekeurige uitzondering op eene uitzondering.--Evenmin laat +de f zich consequent bezigen. Men zal toch aan Sappho wel niet +den Hoogduitschachtigen vorm Sapfo willen geven. Men verlangt de +f voornamelijk om den wille der uitspraak. Nu is het wel niet te +ontkennen, dat ph, waar men eene f moet laten hooren, tot verkeerdheden +aanleiding kan geven; doch het is evenzeer waar, dat het Nederlandsch +als grondbeginsel aangenomen heeft, geen erkenden spelregel, waartoe +ook die der Analogie behoort, te verzaken, alleen om eene verkeerde +uitspraak te voorkomen [13]. Men kan béken als bekèn, béving als +bevìng, voorkómen als vóórkomen, wéderroepen als wederróépen, +óverkomen als overkómen uitspreken; dit is echter nooit als eene +afdoende reden beschouwd, om die woorden te spellen op eene wijze, die +met geldige regels in strijd is; b.v. niet beeken, beeving, voorkoomen +enz. Men zou dus niet gerechtvaardigd zijn, indien men op den algemeen +uitvoerbaren regel: Grieksche woorden volgen de Latijnsche spelling, +alleen om den wille eener mogelijke verkeerde uitspraak uitzonderingen +ging maken. Indien men zich zulks veroorloofde ten opzichte der ph, +men zou het ook in andere gevallen als beginsel moeten erkennen; en +waar zou dat heen? Wie zich ergert aan de uitspraak catalógus, ódeon, +spèctator, eene wanspraak veel algemeener dan potografie en pizika, +zou met hetzelfde recht cataalogus, odeeon, spectaator enz. kunnen +eischen: spellingen, die wel niemand verlangt, en die ook niet fraai +zouden zijn, maar zeker den lof van consequentie zouden verdienen. De +Redactie kan dan ook geene enkele geldige reden bedenken, om ten +aanzien der twee genoemde letters anders te handelen, dan zij in de +overige gevallen genoodzaakt is te doen. Zij meent derhalve den regel: +Grieksche woorden worden op Latijnsche wijze gespeld, consequent te +moeten volgen, en schrijft dus ook: academie, theocratie, physica, +orthographie, philosophie enz. + +246. De uit het Grieksch ontleende bastaardwoorden zijn, wat de +uitgangen betreft, aan denzelfden regel als de overige onderworpen; +zie § 242. Zoo schrijve men: biograaf, photograaf, telegraaf, +telescoop, philanthroop, philosoof, basilisk, apocrief, acustiek, +cliniek, diptiek, synoniem, proseliet, apostel, diaken, scaphander enz. + +Het zou inconsequent, onregelmatig en zelfs onnatuurlijk zijn, +indien men de eindlettergrepen, die ten gevolge van het afvallen +der Grieksche of Grieksch-Latijnsche uitgangen eene wijziging +in de spelling moeten ondergaan, en daarmede aan de Nederlandsche +spellingwetten worden onderworpen, nog gedeeltelijk op Grieksche wijze +schreef. Wanneer men van basiliscus -us of -os afsnijdt, moet de c +in het meervoud basilisken natuurlijk in k veranderen; het enkelvoud +wil dan, volgens den erkenden regel, ook de k in basilisk. Trouwens +niemand schrijft basilisc, evenmin als grotesq, naar fr. grotesque, +of grottesc, naar ital. grottesco. Is die onderwerping aan de +Nederlandsche spelregels in sommige gevallen onvermijdelijk, dan +eischt de Analogie haar ook in die gevallen, waar twijfel schijnt +te bestaan. Hiertoe behooren de woorden op -aaf, -ief- en -oof, als +geograaf, telegraaf, apocrief, philosoof enz. De Grieksch-Latijnsche +woorden geographus, apocryphus en philosophus, na afwerping van -us: +geograph, apocryph en philosoph, eischen de verdubbeling der a en o, +en de verandering van de niet verdubbelbare y in ie; dus geograaf, +apocrief en philosoof, of geograaph, apocrieph, philosooph. Die +dubbele a en o en de ie zijn vreemd aan het Grieksche en Latijnsche +taaleigen, maar zijn geheel Nederlandsch; de tweede a en o valt +zelfs in het meervoud, op Nederlandsche wijze, weder uit. Een +en ander bewijst, dat die uitgangen als Nederlandsch beschouwd +moeten worden. De vreemde ph nu maakt, vooral in verbogen vormen, +als geographen, apocriephe, eene vreemde vertooning, omdat zij in +strijd is met de letters, waartusschen zij staat. Hare vervanging +door f is derhalve even natuurlijk als consequent, en is tevens +in overeenstemming met het Gebruik, dat kennelijk aan geografen, +apocriefe enz. boven geographen en apocriephe de voorkeur geeft. Ook +is zij in volmaakte overeenstemming met de vervanging van th door t in +aëroliet, chrysoliet enz., lat.-gr. aërolithus, chrysolithus, waarin +het Gebruik, klaarblijkelijk om dezelfde redenen, geene th achter de ie +wil.--Triumf of triomf, lat. triumphus, en nimf, lat. nympha, hebben, +als dichterlijke woorden, reeds om eene andere reden eene f; zie § 251. + +In biographie, ethnographie, philosophie enz. echter zijn de +lettergrepen graph en soph onaangetast gebleven, en bevindt de ph zich +niet tusschen bepaaldelijk Nederlandsche letters; hier bestaat dus +geene reden voor het bezigen der f. Geographie enz. is niet gevormd +van ndl. geograaf, evenmin als diaconie en apostolisch van ndl. diaken +en apostel; maar het is eene verbastering van het lat.-gr. geographia, +gelijk diaconie en apostolisch van diaconia en apostolicus. Geografie +enz. te schrijven omdat geograaf eene f heeft, zou even onnatuurlijk +zijn, als wanneer men lietograaf (uit lithographns) met ie wilde +schrijven, omdat lat.-gr. lithus in aëroliet en chrysoliet in -liet +verandert. + +247. Eene afzonderlijke beschouwing eischt de spelling van het +woord telegrafist, dat zich in een geheel ander geval bevindt dan +geographie en dergelijke. Het is niet gevormd van een Grieksch woord +telegraphistes, gelijk evangelist van euangelistes; de naam zou moeten +zijn telegraaf, gelijk bibliograaf, biograaf, ethnograaf, geograaf, +historiograaf, stenograaf, tachygraaf enz. Daar telegraaf echter +reeds als de benaming van het werktuig of de inrichting gebezigd +werd, en men derhalve voor de personen, aan zulk eene inrichting +verbonden, een anderen vorm noodig had, heeft men, strijdig met het +Grieksche taaleigen, het woord telegrafist gevormd, dat in zooverre +als Nederlandsch kan worden beschouwd, omdat wij met het achtervoegsel +-ist ook van Nederlandsche woorden persoonsnamen maken, b.v. bloemist, +fluitist, orgelist, klokkenist. De vorm telegrafist is trouwens ook +de gebruikelijke. + +248. De spelling geographie enz. beslist insgelijks de keuze +tusschen geographisch en geografisch enz. Bij geographische of +biographische woordenboeken, bij ethnographische verhandelingen en +topographische kaarten denkt men aan de kennis, uit die woordenboeken, +verhandelingen of kaarten te putten; bij een stenographisch bericht +en een photographisch portret aan datgene, dat stenographie en +photographie heet: de schrijver of kunstenaar, de geograaf of +photograaf, komt daarbij wel niet in aanmerking, staat ten minste ver +op den achtergrond. De hier bedoelde woorden zijn derhalve gevormd van +de woorden biographie, geographie enz., gelijk historisch van historie +komt; zij moeten dus ongetwijfeld eene ph hebben. Wat telegraphisch +betreft, ofschoon dit, blijkens de beteekenis, niet van telegraphie, +maar van telegraaf is afgeleid, is het toch gevormd in overeenstemming +met de boven genoemde woorden. Het is dus niet raadzaam, het in de +spelling daarvan te scheiden. De analogie eischt ook hier de ph. + +249. Bezaten wij een ww. geographeeren, het zou gevormd zijn van het +Grieksch geôgrafeô. Van dezelfde vorming zouden photographeeren, +lithographeeren enz. wezen, indien de daaraan beantwoordende vormen +in het Grieksch bestonden. Die woorden kunnen dus geacht worden +onmiddellijk uit die taal overgenomen te zijn, gelijk photographie, +lithographie enz. om de analogie van geographie, gr. geôgrafia. De +lettergreep graph blijft daarin insgelijks onveranderd. Hier bestaan +dus dezelfde redenen voor het behoud der ph, als bij geographie en +andere op -phie, weshalve photographeeren, lithographeeren enz. de +regelmatige vormen zijn. + +250. Na de opgave der grondbeginselen, die de Redactie bij het +schrijven der bastaardwoorden voornemens is te volgen, blijft haar nog +overig de gevallen te omschrijven, waarin zij meent, dat het algemeen +Gebruik het spellen op Nederlandsche wijze volstrekt vordert, en +die derhalve als onvermijdelijke uitzonderingen op de gegeven regels +moeten beschouwd worden. + +Wanneer men de woorden der beide eerste klassen vergelijkt, dan ziet +men, dat die, welke begrippen uitdrukken, die onder alle rangen en +standen der maatschappij gangbaar zijn, een geheel Nederlandsch gewaad +hebben aangenomen; terwijl die, welke hun vreemden vorm onveranderd +hebben behouden, slechts in hoogere standen, in bijzondere kringen, +of door lieden van wetenschappelijke vorming gebruikt worden. Deze +waarneming geeft het richtsnoer aan de hand, dat bij het spellen +der bastaardwoorden tot leiddraad strekken kan. Uitdrukkingen, +bepaaldelijk meer door hoogere standen gebezigd of betrekking hebbende +op personen en verhoudingen, tot die standen behoorende; benamingen +van voorwerpen van weelde; termen, uitsluitend gebruikelijk in +wetenschappen, of in kunsten en beroepen die eene wetenschappelijke +voorbereiding vereischen, worden geschreven overeenkomstig de boven +opgegeven regels. Benamingen daarentegen van alledaagsche voorwerpen; +uitdrukkingen van denkbeelden, onder alle standen gangbaar; namen +van zaken, voorkomende in ambachten en beroepen, door minkundigen +uitgeoefend, worden, zooveel de uitspraak het toelaat, op Nederlandsche +wijze geschreven. + +Wanneer men het Gebruik gadeslaat, ziet men, dat het werkelijk +doorgaans zóó handelt. Immers men schrijft meestal overeenkomstig de +vreemde spelling: dejeuneeren, soupeeren, incommodeeren, receptie, +felicitatie, discretie, canapé, candelaber (of candelabre), lorgnet, +specerij, vermicelli, macaroni, morilles, philosophie, physica, logica, +categorie, maçonnerie, loge, concreet, abstract, scrupel, lancet, +pincet, bistouri, crayon, aquarel, pose, silhouet, photographie, +tachygraaf enz.; daarentegen dukaat, biljart, biljet, kapel, kapelaan, +knaster, kamfer, kapitaal, karakter, karwats, kwartier, kazerne, +kasteel, kastelein, likeur, ons (gewicht), kamperfoelie, peterselie, +postiljon, stukadoor, kastrol, karkas, loods (houten gebouw), penseel, +vermiljoen, traktaatje, traktement enz. + +Met het oog op die onderscheiding schrijven wij advocaat evenzeer +met eene c als procureur, gelijk bij dit laatste woord gewoonlijk +geschiedt. Die woorden toch duiden personen aan uit den aanzienlijken +stand; en reeds de goede smaak eischt die spelling in de combinatie: +N.N., Advocaat en Procureur. + +251. Eene bijzondere opmerking moet hier gemaakt worden omtrent +enkele woorden, die wel tot eene hoogere klasse van denkbeelden +behooren, maar eene eigenaardige populariteit hebben verkregen door +het veelvuldig gebruik in de poëzie, die uit haren aard afkeerig is +van het gebruik van eigenlijk vreemde woorden, als niet passende in +den hoogeren stijl. Die woorden derhalve, die in de poëtische taal +voorgoed zijn aangenomen, zijn daardoor vanzelf als Nederlandsche +gestempeld. Zoodanige zijn: poëzie of poëzij zelf, nimf, porfier, +saffier, zéfir of zefiér enz. De analogie zou de vreemde spelling +poësie, nymf, porphier, sapphier, zephyr of zephier vereischen; doch +zij hebben van onze dichters het burgerrecht verkregen, dat hun op +de inheemsche spelling aanspraak geeft. + +252. Tot de woorden, aan het slot van § 250 genoemd, behooren ook die, +welke in onze taal hunne beteekenis gewijzigd hebben, en daardoor +inderdaad eigenlijk Nederlandsch geworden zijn. Zoo wordt te recht +veelal geschreven: dokter (voor geneesheer), kommies (voor beambte +bij de belastingen, fr. douanier), komedie (voor schouwburg), lokaal +(voor vertrek, zaal), spektakel enz.; ofschoon men daarnevens, bij +eene andere opvatting der woorden, de echte spelling behoudt in doctor +(als wetenschappelijken titel ook in andere faculteiten), commies (voor +ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen, fr. commis), +comedie (soort van drama), locaal (adjectief), de Spectator, enz. Zoo +schijnt het evenzeer raadzaam, kritiek (hachelijk) te onderscheiden van +critiek (oordeelkunde) en critisch (oordeelkundig). De onderscheiding +moge bij den eersten aanblik eene spitsvondigheid schijnen--en in +het gebruik wordt zij zeker tot dusverre niet in acht genomen--, toch +steunt zij op een wezenlijk beginsel en kan niet onverschillig zijn +voor een schrijver, die met oordeel te werk gaat, en een gewijzigden +woordvorm te recht aanmerkt als een geschikt middel om den lezer de +wijziging van een begrip te doen opmerken. + +253. Ten gevolge van den invloed, dien het zoo uiteenloopend gebruik +op de woorden oefent, is er soms een verschil ontstaan tusschen de +spelling der stamwoorden en hunne afleidsels; b.v. bij cánon (regel), +canoniek en kanunnik; klasse, classis en classicaal; krediet en credit; +koerier en courant; konserf en conservatief; lier en lyrisch; klerk en +clericaal; sekuur en securiteit; orgel (organon) en organist (minder +gewoon orgelist), enz. Vergelijkt men deze en dergelijke verschillen +in de spelling, dan zal men daarin eene nieuwe bevestiging zien van +den boven in § 250 gestelden regel. + +254. Eindelijk nog eene opmerking, die bij het schrijven van enkele +woorden in het oog moet gehouden worden. Wij bezigen eenige Latijnsche +bastaardwoorden, die in dubbelen vorm in de taal bestaan, maar +op twee verschillende wijzen worden geschreven, doordien de eene +vorm onmiddellijk aan het Latijn ontleend is, terwijl de andere +middellijk uit het Fransch tot ons is gekomen. In die gevallen +is de Latijnsche vorm de wetenschappelijke, de Fransche de gewone +en dagelijksche. Hierop grondt zich het verschil in spelling van +praesens en present, van praeses en president, van praeparaten en +preparatieven, van oeconomie en economie, phoenix en feniks, dioecese +en diocese, procurator en procureur, secunde en seconde, nummer en +nommer, fundament en fondement, familie en famielje, subject en sujet +(als in: een slecht of gemeen sujet), enz. + +255. Dat wij bij wetenschappelijke benamingen aan de Latijnsche +en Latijnsch-Grieksche vormen de voorkeur geven, blijkt o.a. ook +daaruit, dat wij, overeenkomstig het oorspronkelijke Grieksche +woord chêmeia, in chemie eene e uitspreken en schrijven, en niet +eene i, gelijk fr. chimie zou medebrengen. Daarom schrijft de +Redactie acustiek met eene u en hypotenusa met eene t, dewijl de +regelmatige Latijnsche vormen dier woorden (acustica en hypotenusa) +die letters hebben. De gewone spelling acoustiek steunt op de Fransche +schrijfwijze acoustique, en hypothenusa op het voorheen gebruikelijke +hypothénuse, welke laatste spelling echter bepaald verkeerd was en +dan ook later te recht door hypoténuse is vervangen.--De niet geheel +ongewone spelling autheur, authoriteit en cathegorie, voor auteur, +autoriteit of auctoriteit en categorie, heeft volstrekt niets ter +verontschuldiging, evenmin als die van de eigennamen Anthonius en +Margaretha, voor Antonius en Margareta. + +256. Ziedaar hetgeen de Redactie, na rijpe overweging, gemeend heeft +te moeten vaststellen voor de door haar te volgen spelling, voor +zooverre het ingewikkeld en veelbetwist vraagstuk der bastaardwoorden +betreft. Zij vleit zich, dat hare beschouwing den lezer de overtuiging +zal hebben gegeven, dat men aan den eenen kant ook hier een leidend +beginsel kan volgen, in overeenstemming met de algemeene gronden van +taal en spelling; maar aan de andere zijde, dat voorschriften, die +alles tot in de minste bijzonderheden regelen, hier even onbestaanbaar +zijn als overal elders, waar de beslissing van allerlei omstandigheden +afhangt en derhalve, in elk bijzonder geval, alleen door oordeel en +smaak kan worden bepaald. + + + +Over het verdeelen der woorden in lettergrepen. + +257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen +geeft het antwoord op de vraag: tot welke lettergreep moeten, bij +het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot +de voorgaande of tot de volgende lettergreep? + +Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en +bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze +laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en +samengestelde woorden. + + a) Door tusschenletters worden hier verstaan alle medeklinkers, + die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken + staan. Beginletters noemen wij alle medeklinkers, die zich aan + het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank + bevinden; sluitletters alle medeklinkers, die aan het einde van + een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo + zijn b.v. de g in dagen, de r en b in arbeid, de r, t en s in + koortsen tusschenletters: in strandt zijn s, t en r begin-, n, + d en t sluitletters. + + b) Onder afgeleide woorden begrijpen wij hier ook de zoogenaamde + middelwoorden, ook wel onechte stammen geheeten, d.i. dezulke, + die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen van + afgeleide woorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden + gevormd zijn, b.v. gezond, hagel e.a. Zij worden geheel als de + overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen + dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie + bekend wordt, houden zij op middelwoorden te zijn en gaan zij in + de klasse der afleidingen over. + +258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, +maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige +uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de +volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft: + +259. I. Wanneer in niet samengestelde woorden tusschen twee +opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan +behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. in dra-gen, e-ten, +ho-pen, u-ren, za-lig, wa-sem enz. + +De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil +hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééne a en u, dikwijls +ook van eene e en o, wanneer deze in het onverbogene woord of het +grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou +zij den dubbelen klinker eischen in draag-en, eet-en, hoop-en, uur-en, +zaal-ig, waas-em enz., evenzeer als in draag, eet, hoop, uur, zaal, +waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.--Vervolgens +door de verdubbeling der tusschenletter in woorden als heb-ben, +had-den, zon-nig, ken-ner enz., die onnoodig zou wezen, indien in +heb-en, had-en, zon-ig, ken-er enz. de enkele tusschenletter tot +de eerste lettergreep behoorde.--Eindelijk door de verandering der +uitspraak in dàg--dágen, bevèl--bevélen, slòt--slóten, en door den +overgang der f en s van woorden als brief, buis, lees, lief enz. in +de v en z van brie-ven, bui-zen, le-zer, lie-ve, hetgeen bewijst, +dat zij als beginletters worden aangemerkt. + +260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene +volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande +daarmede te sluiten.--De ingelaschte d in bevrij(d)en, belij(d)en, +vlie(d)en, wij(d)en, na(d)er (van na) e.a.; de k in bijker en +kooiker van bij en (eenden)kooi; de woorden weldoe(n)er, opzie(n)er, +voorgan(g)er, voorstan(d)er, van doe-n, zie-n, gaa-n, staa-n; de +flauwe j, die in zee-en, thee-en gehoord wordt; de als j klinkende i +in koei-en, vlooi-en (van koe en vloo), bewijzen, dat onze taal eene +volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl +daarentegen leiband, scheikunde, gelui, zijweg, van leiden, scheiden, +luiden, zijde; leelijk van leed, kwalijk van kwaad, schielijk van +schier toonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten. + +261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in +woorden, die niet samengesteld zijn noch afgeleid door middel van +een achtervoegsel, dat gelijk -de, -ste, met een medeklinker begint, +dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede +tot de volgende lettergreep; b.v. in bul-ten, hel-den, kas-ten, +mel-ken, bul-tig. + +Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, +blijkt vooreerst uit de spelling naal-den, paar-den, vaar-dig, +huur-der enz. met den dubbelen klinker, die anders geheel +overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden als +hànden, hèlden, hìnden, hònden, hùlde; en uit de verdubbeling der +medeklinkers in kat-ten, bel-len, min-naar, kop-pig enz., welke in +het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen. + +Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend +wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd +door den overgang der f en s tot v en z in woorden als kalf--kalven, +erf--erven, baars--baarzen, els--elzen, zalf--zalven, hals--halzen enz. + +262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der +woorden met de tusschenletters ng. De eigenaardige uitspraak van +dezen klank deed den schijn ontstaan, alsof ng slechts één enkele +medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. De ng +is, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde +gutturale n, die in den-ken en zin-ken gehoord wordt, met de g in haar +oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Fransche g, als in +grand, guerre enz.). Moge al de uitspraak allengs zijn gewijzigd, +zoodat de g bijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen +wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, +gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij +het afbreken ongescheiden te laten. Stelde ng inderdaad een gewonen +enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en § 260, +ta-ngen, ze-ngen, to-ngen enz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, +en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen +enkel woord treft men vóór ng een helderen klinker aan, gelijk de +á é, ó in tá-kel, zé-gel, bó-gen; men vindt uitsluitend een kort +afgebrokenen, als in tàk, zèg, dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, +dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat +wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, +ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat de n en g niet +beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwens ng +laat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de +schrijfwijze ta-ngen enz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegen +ding-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in § 260 omschreven, +dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen, +di-ngen en ding-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleen din-gen is +met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor +de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de +kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling +betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen. + + a) Vreest men nochtans door het scheiden der n en g (han-gen) de + bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde + men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen + zonder groot bezwaar geschieden kan. Vangen, vanger, brengen, + brenger zijn geen langer woorden dan langst, vangst, op-brengst, + waarbij geene scheiding mogelijk is. + + b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woorden kachel, echo, + richel, tichel enz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling + der ch wil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet + beschouwd worden. Men scheide bij deze woorden de lettergrepen + liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd + zal uitspreken. De ch bij de eerste lettergreep te voegen en + lach-en, lich-aam af te breken, is volgens regel I slechts een + tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spelling + lach-chen enz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, + aan eene bestaande toegevoegd. + +263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der +Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te +bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der +deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook +bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet +men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter +in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus: eer-ambt, +mein-eed, uit-een, haard-asch enz., en niet, gelijk de twee vorige +grondbeginselen zouden medebrengen, ee-rambt, mei-need, ui-teen, +haar-dasch enz. + +Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spelling kwab-aal, +bedil-al, slok-op, al-om, veel-al, wel-eer, niet kwab-baal, bedil-lal, +slok-kop, al-lom, ve-lal (naast ve-len), wel-leer enz. + + a) Alleen en wanneer met verdubbelde l en n maken hier + uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet + meer als samenstellingen van al en een, wan en eer herkent. + + b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van + regel II vrij algemeen in aar-daker en aar-dappel de d, en in + el-kander en mal-kander de k bij de volgende lettergreep voegt, + zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde + woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom + af: aard-aker, aard-appel, elk-ander, malk-ander (uit manlijk, + d.i. ieder, en ander). + +264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig, +bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn +met (onscheidbare) voorvoegsels, als be-, ge-, her-, on- enz., welke +eigenlijk samenstellingen zijn, geheel op de wijze der composita +behandeld. Men scheidt aldus: be-dwelmen, ge-dragen, her-overen, +on-eens, ont-erven, wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen +zouden vorderen: bèd-welmen, gèd-ragen, hé-roveren, ò-neens, on-terven, +wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel. + + Al onze voorvoegsels be-, er-, ge-, her-, on-, ont-, oor- en wan- + zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De + daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat + die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, + als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener + beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is + de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde + woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen + beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze + spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste + betreft, nog steeds daartoe behooren. + +265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels -achtig, +-haft, -haftig, -schap en -zaam gevormd, zijn oorspronkelijk composita, +en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus: +aap-achtig, bok-achtig, snap-achtig, wit-achtig, held-haftig, +partij-schap, voogdij-schap, moei-zaam. Dat de taal zulks eischt, +blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier +de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zou a-pachtig, +bok-kachtig, snap-pachtig, wit-tachtig uitspreken en schrijven. + +De woorden op -aard zijn insgelijks samenstellingen (zie § 100) +en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken +daarom aldus af: bast-aard, dronk-aard, woest-aard, wreed-aard +enz., niet bas-taard, dron-kaard, wree-daard enz.; en schrijven +dienovereenkomstig: grijs-aard, laf-aard, niet grij-zaard, +laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormde +grijnzaard en veinzaard kunnen niet anders dan als afleidingen +beschouwd, gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard, vein-zaard). + +266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware +achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede +beginnen, als: -d, -t, -s, -sch, -st, -de, -te, -se, -ster, gaat +de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft +in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij +de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of +met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de +twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt +men aldus: klach-ten van klach-t, slach-ter, deug-den van deug-d, +lood-sen van lood-s, lief-de, hoog-te, vre-de, vee-te, smid-se +enz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit +twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij -st, +-sch en het vervrouwelijkende -ster. Ook bij -sch, dat thans als +eene enkele s luidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel +I en II: vlee-schelijk, ei-schen, groot-sche. De gebruikelijke +scheiding gedwee-ste, mee-ste, mooi-ste, fraai-ste, lui-ste, en +naai-ster, brei-ster, vrij-ster, vlei-ster, is in strijd met regel +II, die gedwees-te, naais-ter enz. eischen zou; maar zij bewijst ten +klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk, +in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling +behandelt. Hieruit volgt, dat men ook bang-ste, hard-ste, hoog-ste, +en bak-ster, zang-ster zal moeten scheiden, waarin drie of vier +tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II +zwijgen.--Alleen de woorden naas-te (overtreffende trap van na) en +bes-te (voor betste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd: +de eerste door de spelling met de dubbele a, ter voorkoming van +de uitspraak nàste; de tweede doordien de scheiding be-ste tot de +uitspraak bé-ste aanleiding zou geven. + +267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den +vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveel met de uitspraak +overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar +dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met de t, +p en s, die in sommige verkleinwoorden vóór -je en -ken (of -ke) +ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel +dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig; +en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande +lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus +verdeelt: stoel-tje, zoon-tje, boom-pje, bloem-pje, jong-ske(n), +penning-ske(n), doek-ske(n), enz. + +Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende +het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking van +oor-tje (klein oor) en oort-je (geldswaarde), van buur-tje (buurman) +en buurt-je (kleine buurt), van vaâr-tje (vadertje) en vaart-je +(kleine vaart), van zee-tje (kleine zee) en zeet-je (zitje). + + In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, + pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep + te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou + geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien + grond de verdeeling bloem-pje, jong-sken te verwerpen. Men bedenke + echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, + die thans met sch beginnen, voorheen met sk aanvingen; en dat pj + zich even gemakkelijk laat uitspreken als tj, blijkens Friesch + pjuuk (piek, schaatsenrijdershaak,) naast tjalk, tjilpen enz. De + uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene + wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier + volle kracht kan hebben. + +268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der +achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als -er, -ig, -ier enz., +anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat +eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet +eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te +voegen, b.v. verra-der, bin-der, tui-nier, toch-tig, zan-dig enz. Hier +gelden dus regel I en II. + + Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, + volgen de regels I en II; dus: we-reld, niet weer-eld, ofschoon + uit weer en ald; lie-verd, niet lief-erd, ofschoon -erd hetzelfde + woord is als -aard in grijsaard. + +269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het +verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en +die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne +etymologie bij het algemeen onbekend is, als: ambt, arts, koorts, +toorts, ernst, hengst, erwt, schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk +vreemde woorden, als toorts (fr. torche), venster (lat. fenestra); +deels afgeleide, als vor-st (van voor), worst (van wirren of werren, in +de war brengen, en vroeger ook vermengen); ambt is eene samentrekkhig +van ambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij +het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk +goede regels te vinden zijn.--Vooreerst is het natuurlijk, dat men +tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet +gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geene bt, +ft, wt. Daaruit volgt, dat men amb-ten, schurf-tig, erw-ten afbreekt, +niet am-bten, schur-ftig, er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen +zou.--Bij artsen, ertsen, schertsen, koortsen, toortsen enz. kan +men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschen art-sen, +koort-sen en ar-tsen, koor-tsen, daar de ts, blijkens de verouderde +schrijfwijzen tsamen, tsestig, tseventig, tsidderen, zich aan het +begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter +bedenkt, dat de taal die woorden thans zonder t wil uitgesproken +hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zij ts +voor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeeling art-sen, +schert-sen, koort-sen zonder aarzelen de voorkeur geven.--Onder de +woorden met st, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, als +angst, korst enz., zijn er eenige met t, niet met st, gevormd. Zeker +is zulks het geval met (wij) dorsten (durfden), waarschijnlijk ook met +dorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen met st, als angst, +ernst, worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft: +ang-stig, ern-stig, wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst, +en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde +wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen; +dus ven-ster, un-ster, glin-steren, heng-sten, hal-ster, bor-stel, +dor-sten, evenzeer als dien-sten, gun-sten, kun-sten, win-sten, +toekom-stig, van de bekende grondwoorden dienen, gunnen, kunnen, +winnen, komen. + +270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als: ábrikoos, ágrimonie, +Acropolis, Abraham, Acra, Adriaan, Aglaja, Atropos enz., waarin eene +vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat +men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk, +en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep, +zoodat men scheidt: a-brikoos, a-grimonie, A-braham enz. + + Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, + wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida + een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bij a-dren voor aderen, + vo-glen, ne-drig. Anderen schrijven aadren, vooglen, needrig, + hetgeen de scheiding aad-ren, voog-len enz. onderstelt. + + + + + +Toevoegsel, in te lasschen tusschen § 119 en 120. [14] + + +In de verkleinwoorden, afgeleid van samengetrokken vormen, in +welke eene d is uitgestooten, is men tot dusverre gewoon geweest +die d in de spelling te herstellen. Men schrijft laadje, slaadje, +bedsteedje, sleedje, zoodje, zijdje, luidjes, van lade, salade, +bedstede, slede, zode, zijde, luiden (lieden). Aan de wettigheid +van die schrijfwijze werd nooit getwijfeld: zij scheen als vanzelf +aangewezen. En toch berustte zij op een misverstand, dat men +slechts behoeft op te merken, om er terstond de onjuistheid van in te +zien. De regelmatige verkleining van de genoemde woorden zou ladetje, +saladetje, bedstedetje, sledetje enz. zijn; doch die vormen heeft de +taal niet gewild, zij waren te slepend voor woorden van meestal zeer +alledaagsche beteekenis. Evenals de spreektaal in de grondwoorden +bijna uitsluitend de samengetrokken vormen la, sla, bedstee, slee, +zoo, zij, lui (van mnl. luide, liede) bezigt, deed men hetzelfde bij +de vorming der verkleinwoorden, die dus niet van de oorspronkelijke, +maar van de samengetrokken vormen zijn afgeleid. In die samentrekkingen +was de d van lade, slede enz. voorgoed verdwenen. Er kan geen de +minste reden bestaan om die d terug te roepen, en laadje, sleedje +enz. te schrijven. Die vormen zouden op grondwoorden als laad, +sleed enz. wijzen, die niet bestaan. De tongletter, die in de +genoemde verkleinwoorden gehoord wordt, is derhalve niet de d van +de oorspronkelijke woorden, maar de t, die noodzakelijk ingelascht +moest worden in deminutieven van woorden als la, slee, zoo, zij, alle +op klinkers uitgaande. Evenals van pa, ma, zee, ei, lei, kneu, bij, +bui enz. de verkleinwoorden paatje, maatje, zeetje, eitje, leitje, +kneutje, bijtje, buitje enz. luiden, behooren ook de van la, slee +enz. afgeleide met de t geschreven te worden. De Redactie aarzelt +dan ook niet eene spelling te laten varen, die op geenerlei wijze +te rechtvaardigen is, en schrijft daarom naar den eisch der taal: +laatje, slaatje, bedsteetje, sleetje, zootje, zijtje, luitjes enz. + + + + + +Naschrift. + + +Wij zijn aan het einde van ons onderzoek gekomen. De vraagstukken +in onze Nederlandsche spelling, die vroeger of later verschil +van gevoelen hebben uitgelokt, of die tot dusverre tot twijfel en +onzekerheid aanleiding gaven, maar nooit opzettelijk werden beantwoord, +hebben wij achtereenvolgens behandeld. Wij hebben alles getoetst +aan de algemeene beginselen, die tot leiddraad moesten verstrekken, +alle punten in onderlingen samenhang beschouwd, en getracht onze +keuze zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen zoowel met de +behoeften der practijk als met de eischen der wetenschap. Gaarne +erkennen wij, dat ons onderzoek niet al de moeilijkheden uit den weg +heeft geruimd, die aan het zoo ingewikkeld leerstuk der orthographie +onafscheidelijk zijn verbonden. De rijke verscheidenheid van klanken, +die eene levende taal bezit, met het geringe aantal letterteekenen, +waarover men te beschikken heeft, altijd nauwkeurig af te beelden, en +daarbij tevens de eischen in acht te nemen, die zoowel de afstamming +der woorden en hunne onderlinge verwantschap, als de betamelijke +eerbied voor het gevestigd gebruik kan doen gelden: ziedaar zeker +eene taak, die met onoplosbare bezwaren gepaard gaat. Maar wij durven +ons vleien, dat onze arbeid de zaak toch een stap verder gebracht +heeft; dat in de door ons aangenomen spelling talrijke gebreken zijn +opgeruimd, en de tot hiertoe in ons vaderland gevolgde schrijfwijze +zeker heeft aangewonnen in nauwkeurigheid, zuiverheid, regelmaat en +consequentie. De moeilijkheden, die de spelling in de practijk en bij +het onderwijs blijft opleveren, mogen dan onvermijdelijk wezen: het is +reeds veel gewonnen, indien wij er in geslaagd zijn die aanmerkelijk te +verminderen. Men houde hierbij wel in het oog, dat die moeilijkheden +niet alleen in ons Nederlandsch bestaan. Schijnt wellicht, bij eene +oppervlakkige beschouwing, in andere talen de spelling eenvoudiger +en gemakkelijker, het is ook inderdaad niet meer dan schijn. Zoodra +men de orthographie van het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch +vooral, nauwkeurig overweegt, ontdekt men overal inconsequentie, +gemis van regelmaat, verwarring en willekeur: gebreken, die alleen +daarom minder sterk in het oog vallen, omdat zij nooit behoorlijk +in het licht zijn gesteld, terwijl men veelal lijdelijk berust in +het eenmaal aangenomen gebruik, door het wetgevend gezag van enkele +taalgeleerden of door den voorgang der beste schrijvers bepaald. Dat +gebruik kent men uit leerboeken of woordenlijsten, die men raadpleegt +zonder zich om gronden en beginselen, om regelmaat of verwarring, +te bekommeren. Ook onze Nederlandsche spelling kan op dezelfde +wijze uit gelijksoortige hulpboeken worden gekend, en reeds in +zooverre staat onze taal bij vreemde niet achter. Maar zij heeft dit +boven andere vooruit, dat hare schrijfwijze--langdurig onderzocht, +veelzijdig besproken en telkens opnieuw beproefd--met bewustzijn +uit erkende en deugdelijke beginselen is afgeleid en naar een vasten +maatstaf geregeld; dat zij weet wat zij doet, en waarom zij zóó en +niet anders handelt. Waarlijk, een voorrecht, dat wij wel op prijs +mogen stellen! Indien eene verstandige spelling gunstig getuigt van +de denkkracht der natie, dan zal voorzeker die onzer moedertaal niet +tegen ons volk getuigen. + + + + + + + +Zaakregister. + + +De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst. + + + +A, is een der drie oorspronkelijke klinkers, blz. 37, + + heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38, + wordt in geslotene lettergrepen door verdubbeling verlengd 73. + + +Aaneen te schrijven of te verbinden zijn: + + eigenlijke samenstellingen, waarbij, indien men ze oploste, + invoeging, omzetting of vormverandering zou moeten plaats hebben, + 138, + eigenlijke samenstellingen, uit koppelingen ontstaan 139, + woorden, door middel van een achtervoegsel afgeleid 140, + werkw., verbonden met zelfst. nw., bijv. nw. en bijw., + + wanneer, wanneer niet 142, + met zoogenaamde scheidbare en onscheidbare voorzetsels en bijw. van + richting 143, + + bijv. nw. met de bijw. wel, vol en al 144, + + benamingen van kleuren 145, + + voornaamw., welke 146, + telw., welke 138, aanm. + bijw., welke 147-149, + voorzets., welke 150, + voegw., welke 151, + tusschenw., welke 152, + titels, welke 139, 144. + + +aau, zie au. + +Achtervoegsel of suffix heet elke achter een woord gevoegde letter of +lettergreep, die geen op zich zelf bestaand woord is, en niet dient om +te verbuigen of te vervoegen, maar om een nieuw woord te vormen. Ook +woorden, die ter vorming van nieuwe woorden achtergevoegd worden, +en òf in het geheel niet meer, òf niet meer zóó geschreven, op zich +zelve staande in gebruik zijn, worden tot de achtervoegsels gerekend; +b.v. -schap, -zaam, -aard, -erd; zie 100, 265; + + waarin verschillend van een uitgang 242, aanm.; + welke bij het afbreken der woorden in hun geheel worden afgescheiden + 265-267, welke niet 268; + -aadje, zie hier -age, + -aard en -erd, niet -aart, -ert 100, + -age, niet -aadje 243, + -eel, -eele, -eelen 77, 79; wanneer -el- blz. 44, + -eeren, niet -eren 77, 79, + -ees, -eezen, niet -ezen 77, 79, + -el, in bijv. nw. en in samenstellingen 166, 167, + -eet, -ete, -eten, geen achtervoegsel 77, aanm., + -er, soms een blijk van samenstelling 140, + -erd, zie hier -aard, + -heid, mv. -heden 77-79, + -ie, wanneer in het mv. i-en (iën), wanneer ie-en (ieën) 83, + -ief, -ieve, -ieven, wordt soms -iv-, 82, + -iek, -ieke, -ieken niet -ijk 86; wordt soms -ik- 82, + -iet, -iete, -ieten, wordt soms -it- 82, + -ig, soms een blijk van samenstelling 140, + -ijk, wanneer te verwerpen en in -iek te veranderen 86, + -ing, soms een blijk van samenstelling 140, + + wanneer -ing te bezigen en niet -ling 113, + + -isch, waarom niet -iesch 84, + -je, niet -jen 119, + -ken en -ke 119, + -lijk, neemt soms eene toonlooze e vóór zich; wanneer 112, + -ling, een samengesteld achtervoegsel 113, + -loos, -looze, niet -loze 77, 79; neemt soms eene toonlooze e vóór + zich; wanneer 112, + -pje 119, + -s, achter bijw. een blijk van samenstelling 140, + -sch, hoe te schrijven achter woorden op s 124; is soms een blijk + van samenstelling 140, + -ster, soms een blijk van samenstelling 109, + -tje, niet te bezigen achter woorden op d 119. + + +ae, waarom niet gebezigd in de plaats van aa 73, + + waarom niet als voorstelling van den klank tusschen a en e in wereld + en vers 81. + + +Aesthetica of Schoonheidsleer, hare eischen aan de Spelling 36, + + vordert vooral waarheid, d.i. overeenstemming tusschen uiterlijk + en innerlijk 234. + + +Affix (aanvoegsel) heet elke letter of lettergreep, welke ter vorming +van een nieuw woord vóór of achter een bestaand woord gevoegd wordt, +wanneer die op zich zelve geen woord is, òf, zóó geschreven, niet +meer als zoodanig gebruikt wordt. Affix is dus de algemeene benaming, +die voorvoegsel of praefix en achtervoegsel of suffix omvat; zie +deze woorden. + +Afleiding, + + Regel der Afleiding, hoe hij luidt 54; staat gewoonlijk beneden dien + der Beschaafde Uitspraak 57; in welke bijzondere gevallen niet 58; + zijn rang en waarde 72; + afleiding + + der woorden op -hande en -lei 93, + op -halve 120, + der achtervoegsels -aard en -erd 100, + van admiraal 104, + van Dinsdag 128, + van kruit 127, + van litteeken 131, + van nochtans 97, + van omtrent 118, + van ootmoed 117, + van samen 108. + + + +ai, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe e's +zijn ontstaan, blz. 39. + +Apperceptie en appercipieeren, wat 20; kan door de spelling worden +bevorderd 21. + +au, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe o's +zijn ontstaan, blz. 39, + + de schrijfwijze au is geschikter ter voorstelling van den thans + bedoelden tweeklank dan aau 74. + + +Bastaarduitgangen, welke en hoe te spellen 242, 246, + + -age, niet -aadje 243, + -eet, -ete, -eten, 77, aanm., + -loog, -loge, -logen 77, aanm., + -noom, -nomen 77, aanm., + -oop, -open 77, aanm., + -scoop, -scopen 77, aanm. + + +Bastaardwoorden, wat 214, 217, + + hoe ontstaan 218, + waaraan te onderkennen 219, 220, + hoe te spellen 242-250. + + +Beginletters, wat 257, a. + +Beschaafde Uitspraak, wat 11; moet door het schrift vertegenwoordigd +worden 39, doch kan nooit volkomen juist worden voorgesteld 42. + + Regel der Beschaafde Uitspraak, hoe hij luidt 40; zijne + verhouding tot de dialecten 41; is de grondregel der spelling 40, + c en 69; overheerscht alle andere regels 46, 70, doch moet door + andere regels aangevuld worden 47. + + +Boekentaal, zie Schrijftaal. + +C, te bezigen in Grieksche woorden ter vervanging der k 245. + + waarom te behouden in cijfer 219, in cel, cent en cirkel 220, + in cedel, ceder, cijns 222. + + +ch, wordt niet verdubbeld 95, + + de stomme ch achter s, in welke woorden te behouden, uit welke weg + te laten 123. + + +cht, wanneer te bezigen, wanneer gt 94. + + +D, niet in te lasschen in drieërhande, drieërlei, tweeërhande, +tweeërlei 93. + + niet t, te bezigen als sluitletter van de achtervoegsels -aard en + -erd 100, en van het znw. aard 101, + te behouden in admiraal 104, + + in iemand en niemand 116, + + te vervangen door t in buskruit en rattenkruit 127, + is in t overgegaan in sommige woorden, die daarom met t, niet met + dt moeten geschreven worden 102, + niet te herstellen in thans, althans, doorgaans, nopens, volgens + enz. 122. + + +Dialecten, wat zij zijn en hoe zij ontstaan 10; hebben in de spelling +slechts eene raadgevende stem 41; zijn ontoereikend om de spelling +met e en o of ee en oo te bepalen 75. + +ds, wanneer te bezigen, wanneer ts 99. + + +E, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37: +de zachte uit a of i, de scherpe uit ai, blz. 38 en 39, + + als verbindingsletter in samenstellingen, hoe ontstaan 164-166, + wanneer de toonlooze e in te voegen in de woorden op -lijk, -ling + en -loos 112. + + +F, gaat over in v in dievegge 107, + + vervangt ph in de bastaarduitgangen -aaf, -ief, -oof 246; doch niet + in het lichaam der Grieksche woorden 245. + + +G, te behouden in nog (tot hiertoe, bovendien) 132. + +Gaping, zie Hiatus. + +Gebruik (het), in samenstellingen 177. + + Regel van het Gebruik, hoe hij luidt 65; beperking van den regel 66; + is geen eigenlijke spelregel 66, b. + + +Gelijkvormigheid in de spelling, wat 48; strekt ter bevordering der +apperceptie 49, f. + + Regel der Gelijkvormigheid, hoe hij luidt 49; is grootendeels + dezelfde als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding + noemde 49, e; zijne strekking 49, f; is in rang de tweede algemeene + spelregel 71. + + +Genitief (zwakke), wat 182, + + komt in samenstellingen slechts zelden voor 185-187; in welke + 185, 194. + + +gt, wanneer te bezigen, wanneer cht 94. + +H, niet te bezigen in nochtans 97, noch in troon 221, noch in Antonius, +Margareta, hypotenusa 255. + +Hiatus, of gaping, wat 172, + + wordt in samenstellingen vermeden door het invoegen van eene n + 204, 205. + + +I, is een der oorspronkelijke klinkers, blz. 37. + + heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38. + vervangt soms ie in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82. + + +ie, stelt een te langen klank voor om in het achtervoegsel -isch +gebezigd te kunnen worden 84, + + gaat soms over in i in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82. + + +IJ, oorsprong en waarde 85, + + te veranderen in ie in het achtervoegsel -iek (-ijk) en in koffie, + melodie, poëzie 86; + + in i in Januari, Juni enz. 87; + in ei in sacristein en karwei (werk) 88; + + moet ei vervangen in malvezij en karwij (zaad) 88; + moet blijven in dozijn, ijzen, ijselijk 88, in bij, hij, wij, zij, + razernij enz. 89; + niet te bezigen in de plaats van y in de tweeklanken ay, ey, oey, + uy 86, aanm. + + +Indeclinabilia, zie Woorden (onveranderlijke). + +J, hare waarde in het samengestelde letterteeken ij 85, + + niet meer te bezigen achter de tweeklanken aai, ei, ooi, ui, oei 92. + + +K, niet te verdubbelen achter de toonlooze i 106, + + te vervangen door t in litteeken voor likteeken 131. + + +Klemtoon, als kenmerk van bastaardwoorden 219; + + verandering van den klemtoon, een blijk van samenstelling 134, 139. + + +Koppelingen, wat 136, 1372 en 163, + + hoe zij in eigenlijke samenstellingen kunnen overgaan 139. + + +Koppelteeken, (gebruik van het) + + in woorden van eigennamen gevormd 155 en 157, + in titels 156, + achter bijvoeglijke woorden 158, + wordt niet gebezigd in hoofd- en ranggetallen 159, 160. + + +L, niet te bezigen vóór het gewaande achtervoegsel -ling 113. + +Letterschrift, wat 2, 3; + + ons letterschrift beantwoordt niet aan alle eischen 47, a-d. + + +M, niet te verdubbelen achter de toonlooze u 106. + +Meervoudsvorm der woorden op -ie 83, + + der vreemde eigennamen op heldere of lange klinkers 90, + der Nederl. woorden op a 90, aanm. + + +Middelwoorden, wat 257, b. + +N, niet te schrijven achter de verkleinwoorden op -je, -pje, -tje 119, +blz. 98, + + noch in ordelijk, voor ordenlijk, blz. 93. + wanneer achter -ke 119, blz. 99, + in de uitspraak onderdrukt in sommige samenstellingen 168, 203, + als verbindingsletter, zie Verbindings-n. + + +ng, geen enkelvoudige medeklinker, en daarom bij het afbreken der +woorden te scheiden 262, + + niet te bezigen in Dinsdag 128. + + +O, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37: +de zachte uit den oorspronkelijken klinker u (oe), de scherpe meestal +uit au, blz. 38 en 39. + +Onverbuigbaarheid van een op zich zelf verbuigbaar woord, een kenmerk +van samenstelling 139. + +Oorsprong der e's en o's 75; waarom dezen aan te nemen tot grondslag +voor het spellen 76, + + der toonlooze e in sommige samenstellingen 164-166, + der ij 85, + der lettergrepen -el- en -er- in sommige samenstellingen 166. + + +Overtreffende trap der woorden op -s en -sch, hoe te schrijven 124. + +P, ingelascht in verkleinwoorden, gevormd van woorden op m 119, +blz. 101. + +ph, te bezigen in bastaardwoorden uit het Grieksch ontleend 245, +behalve in de uitgangen -aaf, -ief, -oof 246. + +Praefix, zie Voorvoegsel. + +Psychologie, wat zij van het schrift eischt 38. + +Regels voor het verdeelen der woorden in lettergrepen. + + regels voor de niet samengestelde woorden + + met ééne tusschenletter 259, + met twee opeenvolgende tusschenletters 261; + + voor de samengestelde woorden 263; + voor de woorden met voorvoegsels 264, + + met de onechte achtervoegsels -aard, -achtig, -haft, -haftig, + -schap en -zaam, 265, + met de ware achtervoegsels, die met een medeklinker beginnen 266, + met de ware achtervoegsels, die met een klinker beginnen 268; + + voor de woorden met meer dan twee tusschenletters, die niet onder + de vorige regels vallen 269; + voor de vreemde woorden 270; + voor het aaneenschrijven der woorden, zie Aaneen; + voor het gebruik van het koppelteeken, zie Koppelteeken. + + +Reproductie der gedachten en woorden, hoe teweeg te brengen 1, 3, 4; + + is het doel van het schrift 7. + + +S, achter een langen klinker of tweeklank niet te verdubbelen 105; + + in te lasschen in de woorden, samengesteld met zins 125; + als verbindingsletter, zie Verbindings-s. + + +Samenstelling, wat 134; + + het Nederlandsch maakt een verstandig gebruik van het vermogen om + samen te stellen 180; + oudere en nieuwere samenstelling 161, + oudere, hoedanig 162, + nieuwere, hoedanig 167, 170, + eigenlijke samenstellingen, wat 135, + + moeten aaneen geschreven worden 138; + + overzicht der regels voor de samenstelling 213; + van welke samenstellingen de vorm onzeker 178, 179; + lange samenst. welluidendheidshalve vermeden 193, b; + met middel, niet midden 114; + spelling der samengestelde woorden op -boom 181, 196, + + van andere kruidkundige benamingen 195. + + + +sch, verdubbeld door het voorvoegen eener s 96; + + wanneer gebezigd 123. + + +Schrift, zijn doel 1, + + onmisbaar voor de rechte kennis eener taal 19. + + +Schrijf- of Boekentaal, wat 11; + + waarom hooger geacht dan andere dialecten 12. + + +Sluitletters, wat 257, a. + +Spelling (de), wat 23; + + nut eener eenparige spelling 16; + hoe de spelling te beschouwen 26-28; + eene volmaakte spelling niet bestaanbaar 28; + van welke soort van woorden eene verandering der spelling mogelijk + 30; + drieërlei spelling: volgens de uitspraak, vereenigbaar met de + uitspraak, strijdig met de uitspraak 68; + spelling der onveranderlijke woorden (indeclinabilia) 50, + + der verkleinwoorden 119 en blz. 227, + der vreemde woorden, die geheel Nederlandsch zijn geworden 221, + der eigenlijke vreemde woorden 223, + der vreemde woorden, bij dichters in gebruik 251, + der bastaardwoorden 224-256; + + tweeërlei richting in de spelling der bastaardwoorden 224, + oudere richting, hoedanig 225, welke hare voordeelen 228, + nieuwe richting, hoedanig 226, welke hare voordeelen 229, + vergelijking der beide richtingen 230-237, + waarom de oudere richting te verkiezen 238. + + +Spelregels, wanneer niet te veranderen 26. + + algemeene spelregels, wat 24, 25, + + waarom onmisbaar 31, 32, + hunne natuurlijke volgorde en onderlinge verhouding 69-72; + + regel der beschaafde uitspraak 40, zie nader bij Beschaafde + uitspraak: + + der gelijkvormigheid 49, zie nader bij Gelijkvormigheid; + der onderscheiding, wat hij eischt 51; + der afleiding 54, zie nader bij Afleiding; + der analogie 59; + der welluidendheid 62, zie nader bij Welluidendheid; + van het gebruik 55, zie nader bij Gebruik, + + bijzondere spelregels, wat 24, 25, 65. + regel voor het spellen der achtervoegsels met den vollen klemtoon, + als -eeren, -eel, -ees, -loos 77; + + voor het gebruik van cht en gt 94, + + van ds en ts 99, + van samen en zamen 108, + van de toonlooze e in woorden op -lijk, -ling en -loos 112. + + der verbindings-n, zie Verbindings-n, + der verbindings-s, zie Verbindings-s; + + regel voor het aaneenschrijven der samengestelde woorden, zie Aaneen; + + voor de keus tusschen den enkel- en den meervoudsvorm van het + eerste lid eener samenstelling 188-197; + voor de keus tusschen den Latijnschen en den Franschen vorm van + een bastaardwoord 254; + voor de samenstellingen, wier eerste lid is + + een persoonsnaam, die een geheelen stand vertegenwoordigt 193, + de naam van een dier 194, 195, 197, + de naam van een boom 181, + de naam van eene vrucht of eene bloem 196; + + voor het spellen der Grieksche woorden, blz. 207 vlgg. + + der bastaardwoorden 241, 242, + der bastaarduitgangen 242, 246. + + + + +Stoffelijke bijvoegl. naamw., komen niet voor als eerste lid eener +samenstelling 180, 181. + +T, te bezigen in kruit (poeder), buskruit en rattenkruit 127; + + bij voorkeur niet in te lasschen in woorden op -lijk, noch in + gansch 115, + niet in verkleinw., gevormd van woorden op d, blz. 99; + moet in sommige woorden, als rit, gebint, beeltenis enz., de d + vervangen 102; zoo ook in antwoord 103, en ootmoed 117; + niet te verdubbelen achter een toonloozen klinker 106. + + +Titels, welke aaneen te schrijven 139, 144. + +Tongvallen, zie Dialecten. + +Toonlooze klinkers en lettergrepen, wat 84, aanm. + +ts, wanneer te bezigen, wanneer ds 99. + +Tusschenletters, wat 257, a. + +Uitgangen, wat, en waarin verschillend van achtervoegsels 242, aanm., + + -eet, -loog, -noom, -scoop, -throop, -troop zijn, zoo men wil, + uitgangen, maar geene achtervoegsels 77, aanm., + -aat, -iet, [**aal, iel?] soms achtervoegsels, soms niet 242, aanm. + + +Uitlatingsteeken (ecthlipsis), zijn gebruik bij vreemde woorden 90. + +V, tot f verscherpt in fonkelen e.a. 114, maar niet in ontvangen en +ontvonken 109; + + vervangt de w in verf, verven enz. 126. + + +Verbindingsklanken of -letters, in samenstellingen, welke 167, + + bestonden oorspronkelijk niet 162, 163, + hoe ontstaan 164-167, + van welke het gebruik onzeker 178. + + +Verbindings-n, als teeken van den zwakken genitief thans slechts in +weinige gevallen in gebruik 185-187, + + in welke 185, 194; + als teeken van het meervoud, in welke gevallen 188, 189, 191-195, + 197; + als teeken van een verbogen naamval 198-201; + als invoegsel voor de welluidendheid 204, 205; + komt niet voor in samenstellingen, wier eerste lid is + + een onverbuigbaar woord 178, + een werkwoord 202, 203. + + + +Verbindings-s, als teeken van den 2den naamval, + + achter zelfst. naamw. 208, + achter bijvoegl. woorden 210, 125; + als teeken van het meervoud 209; + als invoegsel voor de welluidendheid 212. + + +Verdubbeling der a en u 73, + + der e en o 75-80, + der k 106, + der m 1O6, + der sch 96, + der t 106; + de ch wordt niet verdubbeld 95. + + +Verkleinwoorden, hoe te spellen 119 en blz. 227. + +Verlenging der a en u door verdubbeling 73, + + der woorden op aai, ei, ooi, ui, oei 92. + + +Voorvoegsel of praefix heet elke vóór een woord gevoegde letter of +lettergreep, die onder dien vorm niet meer als woord op zich zelf +in gebruik is; b.v. de g in g-lijden van lijden, be, voor bij, in +bezitten; zie ook 264, aanm.; + + wordt bij het afbreken der woorden, indien het eene lettergreep + uitmaakt, in zijn geheel afgescheiden 264. + + +W, in verf, verven enz. door de v te vervangen, doch niet in murw 126. + +Welluidendheid, wat in 't algemeen in de taal 62; + + wordt in samenstellingen in acht genomen 172, 204, 205; + regel der welluidendheid 62, zijn rang en waarde 72. + + +Wetten, in de wetenschappen, wat 23, aanm. + +Woorden, genaturaliseerde, wat, en waarin nog steeds verschillend +van echt Nederlandsche 215; + + onverbuigbare of onveranderlijke, wat en hoe te spellen 50; + samengestelde, zie Samenstelling; + vreemde, worden bastaardwoorden door het aannemen van de + Nederl. verbuiging of van een Nederl. affix 217, + door het afwerpen van den vreemden uitgang 218. + + +Zwakke genitief, wat 182, 183, + + wordt in samenstellingen niet meer verstaan, en is dientengevolge + zeldzaam geworden 185; + in welke samenstellingen volstrekt te behouden 187, + in welke te dulden 194. + + + + + + + + +Lijst der woorden, wier spelling opzettelijk behandeld is. + + +De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst. + + + +aaien 92. +aandoenlijk 112. +aanvankelijk 98. +aanzienlijk 112. +aar (korenaar) 91. +aard (natuur) 101. +aardebaan, blz. 153. +aardewerk, blz. 153. +aardig 101. +abrikozeboom 196. +abstract 250. +academie, blz. 210. +achtereen 149. +Achter-Indië 157. +acht geven 142. +achthonderd 159. +acht slaan 142. +acustiek 255, 246. +adellijk 113. +adjunct-commies 156, a. +admiraal 104. +admiraal-generaal 156, a. +adspirant-ingenieur 156, a. +advocaat 250. +aequatoriaalcirkel, verwerpelijk germanisme, blz. 152. +aëroliet 246, aërolieten 82. +afhankelijk 98. +Algoede 144. +alhoewel 151. +allenthalve 120. +allerwegen 153. +alleszins 125. +aloud 144. +alsmede 151. +alsof 151. +althans 122. +alwijs 144. +Amazonenrivier 157, aanm. +ambassadeur-plenipotentiaris 156. +ambt 130. +anderszins 125. +ankersmid 209. +Antonius 255. +Antwerpen 103. +antwoord 103. +apengezicht 194. +apenkuur 194. +apenliefde 194. +apocrief, apocriefe 246. +aquarel 250. +asem 105. +astronoom, astronomen 77, aanm. +auditeur-militair 156. +autoriteit of auctoriteit 255. +baaien 92. +baaierd 92. +Baai-tabak 155 a. +bagage 243. +bajonet 92. +bakkersschotel 208. +balie 86, mv. baliën 83. +basilisk 246. +bastaard 100. +bedsteetje, blz. 227. +beeltenis 102. +beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren, blz. 48. +beer (verscheurend dier), mv. beren, blz. 48. +begeeren 80, a. +behalve 120. +bei, mv. beien 92. +Beiersch 92. +Beiersch-bierbrouwerij 158. +belangeloos 112, belangelooze 79. +beminlijk en beminnelijk 112. +Beneden-Egypte 157. +berenjong 194. +berenklauw 194. +Bergumer 106. +berkeboom 181. +berkenhout 205. +Berlijnsch-blauw 155, b. +besseboom 196. +bessensap 188. +beukeboom 181. +beukenhout 205. +bezijden 121. +biggenkruid 195. +bij 89. +bijaldien 151. +bijderhandsch 140. +bijeen 149, c. +bijeenzamelen 108. +bijgeval 149, a. +bijleman 190. +bijtijds 140. +biljart 250. +biljet 250. +binnenshuis 153. +binnenskamers 153. +binnenslands 153. +binnensmonds 153. +binnenstijds 153. +bint 102. +biograaf 246. +biographie 246. +biographisch 248. +bistouri 250. +bits 123. +blauw 74. +blindeman, des blindemans 139. +bloemetje 119. +bloem-pje 119, 267. +blommetje 119. +blootshoofds 153. +blootsvoets 153. +bochel 95. +bodenloon 193. +boeien, boeier 92. +boekenkast 188. +boekenrek 188. +boekenstalletje 188. +boerenbedrijf 193. +boerenboonen 193. +boerendochter 193. +boerenhofstede 193. +boerenwoning 193. +boerinnenjak 193. +boerinnenmuts 193. +bokkesprong 194. +bolvormige-driehoeksmeting 158. +boom-pje 119, 267. +boonenbrood, blz. 153. +boos, overtreffende trap booste 124. +botterik, botteriken 106. +bovenal 149, c. +bovenop en boven op 147. +brasem 105. +breien 92. +brengen, ik bracht, gebracht 94. +brievenbesteller 188. +brievenpost 188. +brilleglas 190. +brillenhuisje 204. +brillenslijper 188. +broekenstof of broekstof 188. +bruggegeld 190. +bruggenhoofd 205. +bruinkolen 139. +buien 92. +buitendijks 140. +buitenshuis 153. +buitenslands 153. +buitentijds 140 en buitenstijds 153. +burgerstand 209. +buskruit 127. +Cayenne-peper 155, a. +canaille en kanalje 239. +canapé, canapé's 250, 90. +candelaber of candelabre 250. +canoniek 253. +categorie, 233, 255. +catholiek, catholieken of katholiek enz. 86. +cedel, ceêl 222. +ceder 222. +cel 220. +cent 220. +chemie 255. +chijl 239. +chrysoliet, chrysolieten 246, 82. +Cicero, Cicero's 90. +cichorei 239. +cijfer 219. +cijferschrift 209. +cijns 222. +cirkel 220. +classicaal 253. +classis 253. +clericaal 253. +cliniek 246. +cochenille 239. +comedie (blijspel), verschillend van komedie (schouwburg) 252. +commies (ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen), +verschillend van kommies (ambtenaar bij de belastingen) 252. +compascuum 230. +compleet, complete, blz. 43. +concreet, concrete, blz. 43 en § 250. +conservatief 253. +courant en krant 239. +crayon 250. +credit (term in het Italiaansch boekhouden), verschillend van krediet +(vertrouwen) 253. +critiek (oordeelkunde), verschillend van kritiek (hachelijk) 252. +critisch (oordeelkundig) 252. +daaraan, daarbij, daardoor 148. +daarenboven 151. +daarentegen 151. +daarin, daarmede enz. 148. +dadelijk 112. +dagelijks 112. +dassenhaar 205. +dassenhol 205. +dassenhuid 204. +dauw 74. +deel (gedeelte), mv. deelen, blz. 48. +deel (plank en dorschvloer), mv. delen, blz. 48. +deemoedig, blz. 48. +deesem, 105 en blz. 48. +degelijk 112. +degene, blz. 127. +dejeuneeren 250. +denneboom 181. +dennenwoud 188. +derhalve 120, 153. +dermate 153. +dertienhonderd enz. 159. +deskundige 153. +desniettegenstaande 151. +desniettemin 151. +desnoods 140. +desolate-boedelkamer 158. +destijds 153. +deugdelijk 112. +deugniet 202, aanm. +dezelfde, blz. 128. +dezelve, blz. 128. +dezulke, blz. 127. +diaconie, blz. 211. +diaken 246. +diegene, blz. 127. +diemit, diemiten 106. +dievegge 107. +dievenbende 188. +Dinsdag 128. +diptiek 246. +discretie 250. +dochterken en dochterke, blz. 99. +doctor (titel), verschillend van dokter (geneesheer) 252. +Dokkumer 106. +dokter (geneesheer), verschillend van doctor (titel) 252. +dolle-hondsbeet 158. +dollekervel 139. +dolleman 139. +donkerblauw, donkerrood enz., verschillend van donker blauw, donker +rood 145. +dooier (van een ei) 92. +door, dooren (van een ei) 91. +doordien 151. +doordroog 139. +dooreen 149, c. +dooreerlijk 139. +doorgaans 122. +doorgoed, doorkoud enz. 139. +door middel van 150. +dorpsschool 208. +dorpsschout 208. +dozijn 88. +draadje, blz. 100. +draaier 92. +dragonderstal 209. +drakenbloed, blz. 167. +drieërhande 93. +drieërlei 93. +driehonderd 159. +droog, droge, droger, drogen, blz. 48. +droogvoets of droogsvoets 153. +druiveboom 196. +druivennat 188. +druiventros 188. +druivepit 190. +duitendief 188. +duivenei 205. +duivenkervel 195. +duivenslag 197. +duiventil 188. +dukaat 250. +dwepen, blz. 48. +dwingelandij 89. +echel 95. +echo 95, mv. echo's 90. +economie en oeconomie 254. +Edelachtbaar 144, 139. +edelgesteente 139. +Edelgrootachtbaar 144, 139. +eega, blz. 48, mv. eegaas 90, aanm. +een, eene, een zelfde, blz. 128. +eendenei 205. +eendenkooi 188. +eendenkroos 195. +eenigszins 125. +eereprijs 187. +ei, mv. eieren 92. +eigenlijk 112, 115. +eikeboom 181. +eikenbosch 188. +eikenhout 205. +eilieve 152. +elfhonderd 159. +elzeboom 181. +engelenkoor 188. +Engelsch-Russisch 155, c. +Engelsch-zout 155, b. +er aan, er bij, er door enz. 148. +ergens aan, ergens bij, ergens door enz. 148. +erwtensoep, blz. 153. +ethnographie 246. +ethnographisch 248. +evenals 151. +evenzeer 147. +executoir 242. +fabriek, fabrieken 82, 86. +fabrikant 82. +falie, mv. faliën 86, 83. +familie en famielje 254. +fatsoen 99. +fatsoenlijk 112. +Februari 87. +felicitatie 250. +feniks en phoenix 254. +flauw 74. +flesch, mv. flesschen 96. +flesschebakje 192. +flesschenrek 188, 192. +flits 99. +foelie 86. +fondement en fundament 254. +fonkelen, in overdrachtelijken zin, 111. +frambozenkoekje 188. +Franco-Gallisch 155, c. +Fransch-Engelsch 155, c. +Friesch-groen 155, b. +frisch, overtreff. trap frischte 124. +fundament en fondement 254. +gadeslaan 142. +galgebrok 190. +galgenaas 205. +gansch 115, 123. +ganzenei 205. +ganzenhagel 205. +ganzetong (plant) 195. +ganzevoet (plant) 195. +Garibaldi's 90. +gauw 74. +gebindten, zie gebint. +gebint, gebinten 102. +geenszins 125. +geesel 105. +geheschen 96. +geiteleer en geitenleer of -leder 197. +geitenblad 195. +geitenoog 190, 205. +geitevleesch en geitenvleesch 197. +gekkenpraat 193. +gekreschen 96. +gelijke (mijns, uws enz.) 146, aanm. +gelukkigerwijze 153. +gemeenlijk 112. +genie, mv. genieën 83. +genius, mv. geniën 83. +genoeglijk 112. +geograaf 246. +geographie 245. +geographisch 248. +gerstebrood, blz. 153. +gevangennemen 142. +gevoeglijk 112. +gewapenderhand 153. +gewicht 94. +gewoonlijk 112. +gezamenlijk 108, 112, 115. +gezeglijk 112. +gezicht 94. +gids 99. +gijl 239. +gindsch 99. +gitaar 244. +goddelijk 112. +goeddoen 142. +goedendag (wapentuig) 199. +goedendagzeggen enz. 201. +goedmaken 142. +goedschiks 210. +goedsmoeds 153. +goedvinden 142. +Gorkumer 106. +gortenteller 188. +gouverneur 228. +gouverneur-generaal 156, a. +grappenmaker 188. +grauw 74. +'s-Gravendeel, 's-Gravenhage, 's-Gravenland 158. +grenen 181, aanm. +grijnzaard 265. +grijsaard 100, 265. +groenling 112. +Groot-Britannië 157. +Grootedelachtbaar 144. +grootmeester-nationaal 156, b. +grootschrift, verschillend van groot schrift 139. +grootspreken 142. +groot-zegelbewaarder 158. +gruttenbrij, blz. 153. +guds, zie guts. +guts 99. +gutsen 99. +gymnasiaalonderwijs, verwerpelijk germanisme, blz. 152. +haar (hoofdhaar) 91. +haars gelijke, zie gelijke. +halverwegen 153. +handhaven 142. +handje 119. +hanebalk 194. +hanekam 194. +hanengekraai 194. +hanengevecht 188. +hanepoot 194. +haneschree 194. +hanespoor 194. +hanetred 194. +haneveer 194. +harddraven, hardrijden, verschillend van hard draven, hard rijden 142. +harenthalve 120. +harmonie, bij dichters ook +harmonij 86. +hartediefje, harteleed, hartelust, hartewensch 186. +hartenaas, hartenboer, hartenheer enz. 186, 188. +Hartsgebergte 157, aanm. +hazendistel 195. +hazenlip 194. +hazenmond 194. +hazenslaap 194. +hebbelijkheid 112. +Hebe's 90. +heelshuids 153. +heep, hepen, blz. 48. +'s-Heerenberg 158. +heerenboonen 193. +heerendienst 193. +heerenhuis 193. +heerenknecht 193. +heesch 123. +Heilige-Geestgasthuis 158. +heir (legermacht), mv. heiren 91. +helaas 152. +heldenarm 193. +heldendaad 193. +heldenmoed 193. +heldenschaar 188. +heliotroop, heliotropen 77, aanm. +hemdenlinnen 188. +hemeling 113. +hertebeest 190. +hertenkamp 188. +'s-Hertogenbosch 158. +hetwelk, blz. 127. +heuglijk 112. +hieraan, hieraf, hierbij, hierdoor enz. 148. +hij 89. +hoededoos 192. +hoedenmaker 188. +hoeverre, verschillend van hoe ver 147. +hoewel (voegw.), verschillend van hoe wel 151. +hoezeer (voegw.), verschillend van hoe zeer 151. +hondeketting 192. +hondenhok 205. +hondje 119. +hoogachten, verschillend van hoog achten 142. +hoogaltaar 139. +Hoogeerwaard 139, 144. +hoogepriester, des hoogepriesters 139. +hoogeschool 139. +Hooggeboren 139, 144. +hooggeel 145.[**.verwijderd] +Hooggeleerd 139, 144. +hoogte 94. +Hoogwelgeboren 139, 144. +hooien 92. +hoonen, blz. 48. +horoscoop, horoscopen 77, aanm. +huishouden 142. +hunnenthalve 120. +huns gelijke, zie gelijke. +hypotenusa, hypotenusa's 255, 90. +iemand 116. +ijpeboom 181. +ijpenlaan 188. +IJsel 105. +ijselijk 88. +ijzen 88. +ijzeren-spoorweg 158. +in aller ijl 153, aanm. +incommodeeren 250. +Indisch-Europeesch 155, c. +Indo-Germaansch 155, c. +indroog 139. +ingeval (voegw.) 151. +in geval van (uitdrukking met de waarde van een voorzetsel) 150. +ingevolge 150. +ingierig, ingoed, ingoor, inlui enz. 139. +integendeel 149 a. +intijds 140. +inzonderheid 149 a. +Israëliet, Israëlieten 82. +Januari 87. +Java-koffie 155, a. +jezuïet, jezuïeten, jezuïtisme 82. +Jodenbuurt 188. +jongsken en jongske, blz. 99. +jonkheer 98. +jonkheid 98. +jonkvrouw 98. +juffer 110. +juffrouw 110. +Juli 87. +Juni 87. +kaatsen 99. +kachel 95. +kachelsmid 209. +kamfer 250. +kamperfoelie 250. +kanalje en canaille 239. +kanenbrood, blz. 153. +kanonnierskazerne 209. +kanunnik 253. +kapel 250. +kapelaan 250. +kapitaal 239, 250. +kapitein-geweldiger 156, b. +kapitein-kwartiermeester 156, b. +karaf en kraf 239. +karakter 250. +karkas 250. +karonje 239. +karwats 250. +karwei (werk) 88. +karwij (zaad) 88. +kastanjeboom 196. +kasteel, kasteelen 250. +kastelein 250. +kastrol 250. +katholiek, katholieken en catholiek, catholieken 86. +kattendoorn of -doren 195. +kattengeslacht 194. +kattestaart 195. +kauw 74. +kavalje 239. +kazerne 239. +keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde woord als keel +(lichaamsdeel), blz. 48. +keren (vegen), blz. 48. +kerkenorde of kerkorde 206. +kerkeraad 206. +kerseboom 196. +kettinkje 98. +kevie 86. +kievit, kieviten 106. +kindeken en kindeke, blz. 99. +kindsch 99. +kippenloop 197. +klaaglijk 112. +klacht 94. +klasse, maar classis, classicaal 253. +klauw 74. +kleerenmaker en kleermaker 188. +Klein-Azië 157. +klein-kinderschooltje 158. +kleinschrift, verschillend van klein schrift 139. +klerk, maar clericaal 253. +kloot (wereldkloot), mv. klooten of kloten 80, c. +klooven (doen splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof, +en van wij kloven, onvolm: verl. tijd van kluiven, blz. 48. +klotsen,[** , weg?] 99. +knaster 250. +knauwen 74. +knie, knieën 83. +knods, zie knots.[**formatting gecorrigeerd] +knoeien, knoeier 92. +knoop, knoopen 80, b. +knots 99. +koeiekop 194. +koeienhaar 205. +koekeloeren 203. +koekenbakker 188. +koerier 253. +koets 99. +koffie 86. +koliek 86. +komedie (schouwburg), verschillend van comedie (soort van tooneelspel) +252. +komeet, kometen 77, aanm. +kommies (ambtenaar bij de belastingen), verschillend van commies +(ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen) 252. +kompas 239. +konijnenblad 195. +koninginnenkroon, -mantel enz. 193. +koninkje 98. +koninklijk 112. +koninkrijk 98. +konserf, maar conservatief 253. +konzenielje, maar cochenille 239. +kooien 92. +koozen (liefkoozen), blz. 48. +koudeschaal 139. +koudvuur 139. +kousenwever 188. +krant en courant 239. +krauwen 74. +krediet (vertrouwen), verschillend van credit (term in het boekhouden) +255. +krenteboom 196. +krijgsmansstand 208. +krijt 88. +kritiek (hachelijk), verschillend van critiek (oordeelkunde) 252. +kroon, kronen, blz. 48. +kruid (plant), onderscheiden van kruit (poeder) 127. +kruien, kruier 92. +kruisen 105. +kruisigen 105. +kruit (poeder), onderscheiden van kruid (plant) 127. +kuchen 95. +kurassiersstal 209. +kurkenmandje 192. +kurketang 192. +kurketrekker 192. +kwartier 239, 250. +kwee (soort van vrucht), mv. kweeën, blz. 48. +kwijtraken 142. +kwijtschelden 142. +laagte 94. +laatje, blz. 227. +lakei 242. +lampeglas 190. +lancet 250. +landschapschilder 208. +landschapsschrijver 208. +langzamerhand 153. +lankmoedig 98. +lauw 74. +leeperd 100. +leeuwenbek 194. +leeuwenkop 194. +leeuwenwelp 194. +leidstar, leidstèr 212.[**leidster?] +lekkage 243. +letterspecie 209. +lichaam 95. +licht (daglicht) 94. +licht (niet zwaar) 94. +lichtblauw, lichtbruin, lichtgeel enz., verschillend van licht blauw, +licht bruin, licht geel enz. 145. +liefhebben 142. +liefkoozen 142. +Lieve-Vrouwen-bedstroo, 193, c. +Lieve-Vrouwenkerk 158, 193, c. +lijdelijk 112. +likeur 250. +likkebaard 202. +likteeken, zie litteeken. +lindeboom 181. +lindenhout 205. +linie, mv. liniën 83. +lithographeeren 249. +litteeken 131. +livrei 242. +locaal (bijv. naamw.), verschillend van lokaal (vertrek, zaal) 252. +loge 250. +logica 250. +lokaal (vertrek, zaal), verschillend van locaal (bijv. naamw.) 252. +lomperd 100. +loods (man) 99. +loods (houten gebouw) 99, 250. +loos, loozer, looste 124. +lorgnet 250. +los (lynx) 123. +loslaten, verschillend van los laten 142. +luidskeels en luidkeels 153. +luitenant-generaal 156, a. +luitjes, blz. 227. +maagdelijk 112. +maagdenhart 193. +maagdenpalm 193. +maagdenschenner 193. +maagdenwas 193. +maaier 92. +macaroni 250. +macht 94 [*94?]. +maçonnerie 250. +malie, mv. maliën 83. +malvezei 88. +mandenmaker 188. +Manilla-sigaren 155. +mannelijk en manlijk 112. +mannenmoed 193. +Margareta 255. +Maria's 90. +matrozenhoed 193. +matrozenlied 193. +matrozenpak 193. +medearbeider 205. +medeërfgenaam 205. +medeoorzaak 205. +meer (waterplas) 91. +meidendienst 193. +meidendracht 193. +melodie, melodieën, bij dichters ook melodij 86, 83. +menigte 94. +Mennoniet, Mennonieten 82. +menschenbloed 193. +merrie, mv. merries en merriën 86. +messenmaker 188. +messenmandje 192. +messescheede 190. +metgezel 102. +metterdaad 153. +mettertijd 153. +metterwoon 153. +middeleeuwen 114. +middelevenredig 114. +middellijk 113. +Middelnederlandsch 114. +middelpunt 114. +middelrif 114. +middenin, verschillend van midden in 147. +mij 89. +mijnenthalve 120. +Mijnheer, mv. Mijne heeren, blz. 129. +mijns gelijke, zie gelijke. +Mijns-Heerenland 158. +militair 242. +minister-resident 156, a. +misanthroop, misanthropen 77, aanm. +moeilijk 112. +mogelijk 112. +mogen, moogt, mocht, 94. +mollepoot 190, 194. +mollevel 190, 194. +monnik, monniken 106. +mooi, mooier 92. +morille 250. +mosch, mosschen of musch, musschen 96. +motief, mv. motieven, doch motiveeren 82. +muggenzifter 188. +muizengerst 195. +murw 126. +musch, musschen of mosch, mosschen 96. +mutsebol 192. +muziek 86, doch muzikaal, muzikant 82. +naaldenkoker 192. +naar gelang van, naar luid van, naar mate van 150, doch naarmate +(voegw.) 151. +nademaal 151. +nauw 74. +negenhonderd 159. +nergens aan, nergens bij, nergens door enz. 148. +niemand 116. +nieskruid 127. +niettegenstaande 150. +Nieuw-Holland 157. +nieuwjaar, verschillend van een nieuw jaar 139. +Nieuw-York 157. +nimf 251. +noch (ook niet) 132. +nochtans 97. +nog (tot hiertoe, daarenboven) 132. +nommer en nummer 254. +Noord-Brabant 157. +Noord-Holland 157. +Noordzee 157, aanm. +nopens 122. +noteboom 196. +notedop 190. +nummer en nommer 254. +och of 152. +oeconomie en economie 254,[** .?] +oeconoom, oeconomen 77.[*,?] aanm. +officierstafel 209. +officiersvereeniging 209. +oir (erfgenaam) 91. +olie, oliën 83. +omtrent 118. +ondershands 153. +onderuit, verschillend van onder uit 147. +onhebbelijk 112. +onkruid 127. +ons (gewicht) 250. +ons gelijke, zie gelijke. +ontstentenis 102. +ontvangen 109. +ontvonken 109. +ontzaglijk 112. +onverrichter zake 153, aanm. +onzenthalve 120. +ooievaar 92. +oorsprong 91. +oorzaak 91. +Oostergoo 157, aanm. +Oostzee 157, aanm. +ootmoed 117. +opeen 149, c. +openlijk 112, 115. +opnieuw 149. +opruien, opruier, opruiing 92. +Opsterland 157, aanm. +opzamelen 108. +oranjeboom 196. +ordelijk 112. +ordentelijk 112. +orthographie 245, 246. +oudejaar, verschillend van het oude jaar 139. +oude-kleerkoop 158. +oude-mannenhuis 158. +ouder gewoonte 153, aanm. +overal aan, overal bij, overal door enz. 148. +overdwars, overlang enz. 149. +overgroot, overklein, overoud, overvet enz. 139. +Overijsel 105. +paardekop 191. +paardenbloem 195. +paardenkooper 191. +paardenmarkt 191. +paardenras 194. +paardenstal 197. +paardestaart 191. +paardevoet 194. +paddenstoel 195. +page 243. +paleis 242. +Paschen 96. +passage 243. +pauw 74. +pelgrimage 243. +pennemes 192. +pennenkoker 192. +penseel 250. +pereboom 196. +perzik, perziken 106. +perzikeboom 196. +philanthroop, philanthropen 246 en blz. 43. +philoloog, philologen, blz. 43. +philosoof, philosofen 246. +philosophie 246. +phoenix en feniks 254. +photograaf 246. +photographeeren 249. +photographie 246. +photographisch 248. +physica 245. +pijnlijk 112. +pijpedop 192. +pijpenlade 192. +pijpenmandje 192. +pijpewroeter 192. +pincet 250. +plaats 99. +plaats grijpen, plaats hebben, plaats nemen 142. +planeet, planeten 77, aanm. +platte-driehoeksmeting 158. +plechtig 94. +plegen, ik placht 94. +pleizier of plezier 244. +poëet, poëten 77, aanm. +poëzie, bij dichters ook poëzij, 86, 251. +politie-commissaris 156, a. +pontonnierscompagnie 209. +porfier 251. +pose 250. +postiljon 250. +pottenbakker 188. +pottenkast 188. +praeparaat 254. +praesens, doch present 254. +praeses, doch president 254. +preparatieven 254. +present, doch praesens 254. +president, doch praeses 254. +priesterschaar 209. +prinsessenbier 193. +prinsessenboonen 193. +procurator 254. +procureur 250. +procureur-crimineel 156, a. +profeet, profeten 77, aanm. +profijt 242. +proseliet, proselieten 246. +pruikebol 192. +pruikenmaker 188. +pruimesteen 190. +Pruisen 105. +Pruisisch-zuur 155 b. +ra, raas 90, aanm. +raad-pensionaris 156 b. +raadplegen 142. +raam-pje 119, 267. +rantsoen 99. +rattenkruit 127. +rattestaart (ronde vijl) 194. +rauw 74. +razernij 89. +receptie 250. +recht 94. +rechter 94. +rechtspreken 142. +redelijk 112. +reliquie, reliquieën 83. +republiek, republieken 82. +republikein 82. +Reuzengebergte 157, aanm. +richel 95. +ridderstand 209. +ridselen, zie ritselen. +Riga-balsem 155, a. +rijnsche-wijnflesch 158. +rijstebrij, blz. 153. +rit 102. +ritmeester 102. +ritselen 99. +roggebrood, blz. 153. +rondom 150. +roodaarde 139. +roodbont 145. +roodekool 139. +Rood-Rusland 157. +rots 99. +rozeboom 196. +rozenkrans 188. +ruggemerg 190. +ruilebuiten 203. +ruiterstal 209. +sacristein 88. +sacristij 88. +saffier 251. +sajet 92. +Salland 157. +samen (te zamen) 108. +samenhangen, -hang 108. +samenkomen, -komst 108. +samenspreken, -spraak 108. +samenvloeiing 92. +scaphander 246. +schaats 99. +schadeloos 112. +schadeloosstellen 142. +schapeleer en schapenleer 197. +schapevleesch en schapenvleesch 197. +schendekeuken 202. +schepter 129. +scherts 99. +schoonmaken 142. +schroot 127. +scrupel 250. +seconde en secunde 254. +securiteit, doch sekuur 253. +seizoen 244. +sekuur, doch securiteit 253. +sergeant-majoor 156, a. +sergeantsstrepen 208. +sieraad 221. +sieren 221. +sigaar 250. +sigarenfabriek 188. +silhouet 250. +sinaasappel 155. +sinds 99. +singel 221. +slaatje, blz. 227. +slakkenhuisje 205. +slangekop 195. +slangenbloem, -wortel 195. +slavenaard, -arbeid, -dienst, -werk 193. +sleepen (voorttrekken), verschillend van slepen (gesleept of +voortgetrokken worden), blz. 48. +sleetje, blz. 227. +slijtage 243. +slippedrager 190. +sloof (voorschoot), mv. slooven, verschillend van sloof +(sukkelaarster), mv. sloven, blz. 48. +smaldeel 139. +smidse 99. +Smyrna-vijgen 155, a. +snarenspeeltuig 188. +snelschrijven, verschillend van snel schrijven 142. +soldatenkind, -lied, -vrouw 193. +soupeeren 250. +souverein 228, no. 2. +Spanjaard 100. +sparreboom 181. +specerij 250. +spectator 252. +spektakel 252. +speldenkussen 192. +spelemeien 203. +spelevaren 203. +spie, spieën 83. +spillebeen 190. +spits, zelfst. en bijvoegl. nw. 123. +sprinkhaan 98. +stadsschout 208. +staten-generaal 156, b. +stationnair 242. +St.-Catharinagasthuis 158. +steeds 99. +steedsch 99. +stellage 243. +stenographisch 248. +sterrenkunde 189. +stierenkop 194. +St.-Janskerk 158. +stoelendraaier 188. +stoffage 243. +stokebrand 202. +stokkenknecht 188. +studentenlied 193. +stukadoor 250. +subject en sujet 254. +substantief, substantieven 82, 86. +substituut-griffier 156, a. +suikerij en cichorei 239. +sujet en subject 254. +synoniem, synoniemen 246. +syringeboom 196. +tachygraaf 245, 246. +tapijt 88. +tarwebrood, blz. 153. +te gelijker tijd 153, aanm. +tegenover 150. +tegoeds of te goed 140. +Teisterbant 157, aanm. +te land, te voet, te paard enz. 149. +telegraaf 246. +telegrafist 247. +telegraphisch 248. +telescoop 246, mv. telescopen 77, aanm. +teleurstellen 149[**.] +telkens 140. +Teloorgaan 149. [*hoofdletter?] +ten hove, ten onrechte enz. 149, aanm. +tenware 151. +tenzelfden 149, aanm. +tenzij 151. +terdege, terdeeg 149. +ter leen, ter zee enz. 149. +terloops 140. +tersluiks of ter sluik 140. +terstond 149. +terug 149. +terugbrengen, -deinzen enz. 149. +terzelfder 149, aanm. +tevergeefs of vergeefs 140. +thans 122. +theocratie 245. +theoloog, theologen 77, aanm. +tichel 95. +tinnegieter 190. +tocht 94. +toets 99. +toevalligerwijze 153, no. 5. +toon (muziektoon), mv. tonen, verschillend van toonen (wijzen) en toon +(teen), mv. toonen, blz. 48. +toonloos 112. +toorts 99. +topographie 246. +topographisch 248. +torsen 123. +traktaatje 250. +traktement 250. +tralie, mv. tralies en traliën 83. +transitoir 242. +triomf en triumf 246, 251. +troon, tronen 221 en blz. 48. +trots (zelfst. nw.) 99. +trotsch (bijv. nw.) 124. +tucht 94. +tuigage 243. +tulpeboom 196. +tusschen 96. +tusschenin 147. +twaalfhonderd 159. +twee, tweeën 83. +tweeërhande 93. +tweeërlei 93. +tweehonderd 159. +uiteen 149. +uitermate 153, no. 3. +uit hoofde van 150. +uws gelijke, zie gelijke. +vandaar, vanhier 149, b. +vanderhandsch 140. +vannieuws 140. +varkensstal 208. +varkensziekte 208. +veeleer en veel eer 147. +veelszins 125. +veinzaard 100, 265. +venijn 88. +verbintenis 102. +verf, verfpot, verfwinkel 126. +vergeefs of tevergeefs 140. +vermicelli 250. +vermiljoen 250. +vermurwen 126. +vers 81. +verstandelijk 112. +verven, verver 126. +verzamelen, verzameling 108. +vierhonderd 159. +vijfhonderd 159. +vijgeboom 196. +visch, visschen 96. +vla, vlaas 90, aanm. +volgens 122. +volzalig 144. +vonkelen (in eigenlijken zin) 111. +vooraan, voorin, vooronder, voorover, vooruit 147. +vooral, voorgoed, voorwaar, voorzeker 149 b. +Voor-Indië 157. +voorshands 153, no. 2. +vorstenkroon, -telg, -zoon 193. +vrijlaten, verschillend van vrij laten 142. +vroolijk, blz. 49. +vrouwenhand, -hemd, -kleed, -rok 193. +vuren(hout) 181, aanm. +waarheidszucht 208. +was (van bijen) 123. +wasch, wasschen 96. +welbespraakt, weldoend 144. +Weledel, Weledelgeboren, + + + +De laatste bladzijde van dit boek ontbreekt in het ons ter beschikking +staande exemplaar. Indien u toegang heeft tot deze bladzijde, wordt +u verzocht een scan hiervan naar Project Gutenberg te sturen. + + + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] J. Grimm, Ueber das pedantische in der deutschen sprache, in +de Philol. und hist. Abhandlungen der Kon. Academie te Berlijn, +1847, bl. 203 (Kleinere Schriften, I, 348). In de Inleiding op +het »Deutsches Wörterbuch", bl. LIV, zegt hij niet minder sterk: +»In den letzten drei jahrhunderten trägt die deutsche schreibung +so schwankende und schimpfliche unfolgerichtigkeit an sich, wie +sie in keiner andern sprache jemals statt gefunden hat, und nichts +hält schwerer als diesen zustand zu heilen." Over de Nederlandsche +spelling velt hij een veel gunstiger oordeel (D. Gramm. I3, bl. 323 en +elders). Tegenover de onbillijke geringschatting, die onze spelling +zoo dikwijls van landgenooten te verduwen had, mag op dergelijke +getuigenissen van Grimm wel eens worden gewezen. + +[2] Dat het hoofdstuk »Bastaardwoorden" in het Verslag van +Prof. Heremans niet volkomen eensluidend is met deze Regeling der +Nederlandsche Spelling, maar met het Ontwerp, is niet toe te schrijven +aan verschil van gevoelen, maar daaraan, dat dit gedeelte tijdens de +uitgave van het »Verslag" nog niet geheel was afgedrukt. Daardoor was +het ons ondoenlijk geweest den Gentschen Hoogleeraar de wijzigingen +en invoegingen in den tekst tot in alle bijzonderheden mede te deelen, +gelijk tot dusverre door het toezenden der afgedrukte bladen geschied +was. + +[3] Uit het Verslag der Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg., +blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op +verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in +Noord-Nederland. + +[4] Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote +hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen +gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens +voor, die thans als e en o worden uitgesproken, doch uit alles +blijkt ten klaarste, dat e vroeger ai en o vroeger au geweest is; +zie Bopp, Vergleichende Grammatik. § 2. Reeds eene vergelijking der +letterteekens voor âi = aai en âu = aau met die voor ê = ai en ô = +au leert dit duidelijk. + +In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die op epsilon +en Omega gelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift door e en o +voorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met de e's en o's in +de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langen +i-klank voorstelde, beantwoordt onze lange â in daad, jaar, slaap; en +de Friesche ie in died, jier, sliep; aan het tweede onze oe in boek, +goed, stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken, +meestal uit ia en ua, soms ook uit ai en au samengesmolten zijn. + +Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geene e's noch o's bezat, blijkt +uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers +dan a, i en u voorkomen; zie U. W. Dieterich, Runen-sprachschatz, +blz. X. + +Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, dat Ulfila door ai en au +onze e- en o-klanken heeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de +wijze, waarop hij in Grieksche woorden e en o heeft weergegeven. Dit +heeft echter niet verhinderd, dat Grimm, dien iedereen wel voor +den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is +voortgegaan ai en au als ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige +jaar is door F. Dietrich in een afzonderlijk werkje, Die Aussprache +des Gothischen, aangetoond, dat ai en au ook nog lang na Ulfila echte +tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord +en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval +wijzigden, en dat het aannemen van ai = e en au = o toch volstrekt niet +toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren. + +Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige +van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten, +en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk, +dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het +Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze +spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men +tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth. a te gelijker tijd +als a, e en au,--i als i, e, ei, ê, u en ch,--u als ou, o, ô enz. klonk. + +Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men +zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en +Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men +in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van +de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten, +als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak, +en niet naar grammatische regels, te werk gingen. + +[5] In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken +op u, als blauw, eeuw, ruw, nieuw, rouw, enz. Daarbij gaat men +geheel regelmatig te werk, en schrijft men de w zoowel in de +onverbogene als in de verbogen vormen: blauw--blauwe enz., en niet +zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één: +leeuw, lat. leo, is de w een overgangsletter en van lateren oorsprong; +vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de +stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk de j in drajen enz. slechts +een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van de w +op het einde der lettergrepen, b. v. in uw, ruw, schuw, mouw, rouw, +enz., die niet volkomen hetzelfde klinken als u, nu, kou en zou +(verkortingen van koude en zoude, waarin de w niet behoort). Het een +en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijze baaien +enz. ten opzichte van de w niet van de gewone spelling zijn afgeweken. + +[6] Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig +voorstander der gch leert, dat men de beide letters, de g zoowel als de +ch, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard der g den keelklank +zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs tot ch te verscherpen +(Tijdspiegel van Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een +hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de +enkele ch zal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus +met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.--De +bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden als lachen enz., +met de enkele ch geschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer +bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk +hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn +om de gch te behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan, +die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan +eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk +de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt, +dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v. bèdstéde spelt, +de drie e's op drie verschillende wijzen uit: è, é en e. Hij zal dus +dienovereenkomstig l, à, ch, e, n zeggen, en zoodoende ook zonder g den +juisten klank treffen, evengoed als hij d, à, g, dag zegt, en niet d, +á, g, hetgeen daag zou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden. + +[7] Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt +betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraak Háárlem en +Arnhem in de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde +uitspraak wordt zeer zeker Haarlèm en Arnhèm gezegd. In den laatsten +naam klinkt de è wel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft +toch altijd eene è en daalt niet tot eene geheel toonlooze e. Zoo +spreekt men ook wel degelijk van den Hààrlèmmer Hout, niet van den +Hààrlëmer Hout. + +[8] Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie +lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aan +juffrouw, in de tweede (§ 110) aan jufvrouw, en nu in de derde keert +zij tot juffrouw terug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil +van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook +in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben +kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen; +in de tweede had ik aan den aandrang van Te Winkel moeten toegeven, +op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling +geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid, +terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs +het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging +mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne +tegenwoordige mederedacteuren, Dr. Verwijs en Dr. Cosijn, eenstemmig +met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der +Redactie te herstellen en de spelling met ff voorgoed aan te nemen. + +M. D. V. + +[9] Men noemt de t doorgaans eene tandletter. Wanneer men echter +bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel +van de tong vereischt wordt, dan zal men de benaming tongletter in +het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten. + +[10] Zoo vindt men b.v. »van Gods halven" in Maerlant's +Spieg. Hist. III, 7, 25, 76; »van minen halven" in Serrure's +Vad. Mus. I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen +zou zijn. + +[11] Zie Hildebrand, Deutsches Wörterbuch, op Kraut, en Beckering +Vinckers in Taal- en Letterb. III. 125 vlgg. + +[12] Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die +de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander +letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch +vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de +vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk +ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met +woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen: +zie beneden, § 245. + +[13] De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijze lachen, +lichaam enz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid, +dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander +geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat +medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet +door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand +wil het regelmatige lachchen, lichchaam, evenmin zij die lagchen, +als zij die lachen voorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en +onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid +beslissen, omdat andere zwegen. + +[14] Om geene verandering te brengen in de nommers der paragrafen, +wordt dit toevoegsel afzonderlijk achteraan geplaatst. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De grondbeginselen der Nederlandsche +spelling, by L. A. te Winkel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRONDBEGINSELEN *** + +***** This file should be named 27335-8.txt or 27335-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/7/3/3/27335/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net (This book was +produced from scanned images of public domain material +from the Google Print project.) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
