summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/27335-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '27335-8.txt')
-rw-r--r--27335-8.txt10474
1 files changed, 10474 insertions, 0 deletions
diff --git a/27335-8.txt b/27335-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..a9028af
--- /dev/null
+++ b/27335-8.txt
@@ -0,0 +1,10474 @@
+The Project Gutenberg EBook of De grondbeginselen der Nederlandsche
+spelling, by L. A. te Winkel
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De grondbeginselen der Nederlandsche spelling
+ Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal
+
+Author: L. A. te Winkel
+
+Editor: M. de Vries
+
+Release Date: November 26, 2008 [EBook #27335]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRONDBEGINSELEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Regeling der spelling
+ Voor het
+ Woordenboek der Nederlandsche Taal.
+
+
+
+ De echtheid der exemplaren blijkt uit de handteekening van den
+ bewerker.
+
+
+
+
+ Druk van D. Noothoven Van Goor.
+
+
+
+
+
+
+ De Grondbeginselen
+ Der
+ Nederlandsche Spelling.
+
+ Regeling der Spelling
+ Voor het
+ Woordenboek der Nederlandsche Taal.
+
+
+
+ Vanwege de redactie bewerkt
+
+ Door
+ L. A. te Winkel.
+
+ Derde druk,
+
+ Herzien door
+ M. de Vries.
+
+
+
+ Leiden,
+ D. Noothoven Van Goor.
+
+ 1873.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Die art und weise wie wir unsere sprache mit buchstaben schreiben,
+ dies köstliche mittel das fliegende wort zu fassen, zu verbreiten
+ und ihm dauer zu sichern, musz allen völkern eine der wichtigsten
+ angelegenheiten sein, und die freude, welche eine vollkommne
+ schrift gewährt, trägt wesentlich dazu bei den stolz auf die
+ heimische sprache zu erhöhen und ihre ausbildung zu fördern.
+
+ Jacob Grimm.
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+VOOR HET ONTWERP DER SPELLING.
+
+
+Bij het naderen van den tijd, waarop de Redactie met de uitgave
+van het Nederlandsch Woordenboek een aanvang hoopt te kunnen maken,
+heeft zij zich verplicht geacht, vooraf nauwkeurig het spellingstelsel
+te bepalen, dat in het Woordenboek zal worden gevolgd. Te midden der
+vele twijfelingen en onzekerheden, die nog altijd in de spelling onzer
+moedertaal bestaan, bij het verschil van gevoelen onzer taalkundige
+schrijvers omtrent een aantal min of meer belangrijke punten, was
+het volstrekt noodzakelijk een vast plan te beramen en voor alle
+bijzondere gevallen eene bepaalde keuze te doen. Te meer gevoelde de
+Redactie hare verplichting, om hierin met de uiterste behoedzaamheid en
+niet dan na rijpe overweging te werk te gaan, omdat het Woordenboek,
+dat zij eenmaal tot stand hoopt te brengen, uit den aard der zaak
+niet zonder invloed zal blijven en derhalve aan de bewerkers eene
+dubbele verantwoording oplegt. Het algemeene beginsel, dat bij deze
+regeling der orthographie tot leidraad moest verstrekken, kon aan
+geen twijfel onderhevig zijn. Het was aangewezen in het Ontwerp des
+Woordenboeks, door den Voorzitter der Redactie in de vergadering van
+het Derde Taal- en Letterkundig Congres te Brussel voorgedragen,
+en door de algemeene goedkeuring bekrachtigd. Daarin was bepaald,
+dat de in Noord-Nederland aangenomene spelling tot grondslag zou
+worden gelegd, behoudens zoodanige wijzigingen, als de tegenwoordige
+stand der wetenschap noodzakelijk scheen te vereischen. De Redactie
+heeft gemeend, zich aan dat beginsel, als het meest practische en
+bruikbare, te moeten houden. Overtuigd, dat groote veranderingen
+in de spelling eener beschaafde en gevestigde taal, al mochten
+zij op zich zelve wenschelijk zijn, toch nimmer kans hebben om
+algemeen te worden aangenomen, en juist daardoor de zoo wenschelijke
+eenparigheid en vastheid der taalvormen in dreigend gevaar brengen,
+acht zij het boven alle bedenking raadzaam, de bestaande en erkende
+spelling te eerbiedigen, voor zooverre zij met de uitspraken eener
+gezonde taalkennis in overeenstemming is. Met nog sterkeren aandrang
+dan bij de voordracht van het Ontwerp des Woordenboeks geschieden
+kon, mag de Redactie dit beginsel thans aanbevelen, omdat de in
+Noord-Nederland gebruikelijke spelling juist in de jaren, die sedert
+het Brusselsche Congres verstreken, ook door de meeste letterkundigen
+van Zuidelijk Nederland allengs is aangenomen, zoodat werkelijk,
+in de hoofdpunten althans, in het geheele Nederlandsche taalgebied
+eene tot dusverre ongekende eenparigheid is gevestigd. Het zou dwaas
+en roekeloos zijn door gewaagde hervormingen die overeenstemming
+te verbreken, en de eenheid der taal van Zuid en Noord ook in den
+uiterlijken vorm--dat onschatbare voorrecht, dat zonder eenigen
+dwang, maar alleen door vrije overtuiging en zucht tot verbroedering
+langzaam verkregen werd--onbedacht en moedwillig op te offeren aan
+onpractische stelselzucht of ontijdig nieuwigheidsbejag. En waarlijk,
+bij de aanbeveling van het bestaande, als grondslag van de regeling
+der spelling voor het Woordenboek, behoeft de Redactie aan hare
+wetenschappelijke overtuiging geen geweld aan te doen, noch, in het
+belang der eenparigheid, eenige antipathie te overwinnen. Integendeel
+aarzelt zij niet te verklaren, dat werkelijk de aangenomene spelling
+over het algemeen alle aanbeveling verdient. Bij herhaalde ernstige
+overweging is het haar meer en meer gebleken, dat die spelling
+inderdaad vele voortreffelijke eigenschappen bezit, en noch in
+regelmaat noch in duidelijkheid voor die van eenige andere taal
+behoeft onder te doen. Haar is althans geene nieuwere taal bekend, wier
+orthographie de twee groote spellingbeginselen--overeenstemming met
+de uitspraak en aanwijzing van de afleiding en den oorspronkelijken
+vorm der woorden--op gelukkiger wijze vereenigd heeft weten te
+eerbiedigen. Om niet te spreken van het Fransch en Engelsch, wier
+spelling de willekeur zelve is, ook bij de vergelijking met het
+Hoogduitsch is de verhouding geheel in ons voordeel, zelfs al wil
+men de in Duitschland gebruikelijke schrijfwijze niet zoo gestreng
+veroordeelen, als de grootste Duitsche taalkenner doet, die ronduit
+verklaart: »Mich schmerzt es tief gefunden zu haben, dasz kein volk
+unter allen, die mir bekannt sind, heute seine sprache so barbarisch
+schreibt wie das deutsche. [1]"
+
+De taak der Redactie bestond derhalve niet in het ontwerpen van
+een nieuw spellingstelsel, maar alleen in de overweging, welke
+verbeteringen de bestaande spelling, bij de hoogte die de wetenschap
+in onze dagen bereikt heeft, scheen te vereischen. Met dit doel
+voor oogen, heeft de Redactie het geheele vraagstuk der spelling
+aandachtig nagegaan en de geschilpunten zorgvuldig getoetst, met
+inachtneming van alles, wat daarover sedert 1804 door onze taalkundigen
+is geschreven. Vooral heeft zij getracht, die gebrekkige schrijfwijzen
+te verbeteren, die op onjuiste woordafleidingen steunden, of waarbij
+de in het stelsel zelf aangenomene beginselen en regels hetzij
+verkeerdelijk, hetzij in het geheel niet waren toegepast. Om hierin
+met te meerder zekerheid te werk te gaan en den strijd te vereffenen,
+die zich hier en daar tusschen de verschillende spelregels voordeed,
+heeft zij gemeend vóór alles de grondbeginselen der orthographie uit
+de natuur en de bestemming van het schrift te moeten afleiden, ten
+einde langs dezen weg des te juister hunne onderlinge verhouding te
+bepalen. Immers, zoodra de hoogere of geringere waarde der algemeene
+beginselen eenmaal is vastgesteld, behoeft men bij de waardeering
+der bijzondere regels niet verlegen te staan met de vraag, welke
+regel in dit of dat bijzonder geval gelden moet. Eerst derhalve de
+algemeene regels na te gaan, te formuleeren en volgens hunne waarde
+te rangschikken, en daarna de betwiste of twijfelachtige punten te
+toetsen: ziedaar wat de Redactie zich voorstelde. Met gerustheid mag
+zij verklaren, dat het haar streven geweest is, hare taak zoo objectief
+mogelijk op te vatten en overal de strengste onzijdigheid te bewaren.
+
+In de volgende bladzijden worden de vruchten van ons
+gemeenschappelijk overleg aan onze landgenooten aangeboden. Zij
+bevatten de uitdrukking onzer eenparige, na zorgvuldig wikken en
+wegen gevestigde overtuiging. De heldere uiteenzetting daarvan is
+men verschuldigd aan ons geacht Medelid, Dr. Te Winkel, die aan ons
+onderzoek het werkzaamste aandeel nam, en zich welwillend belastte
+met de taak, de resultaten in een opzettelijk betoog voor te dragen,
+dat vervolgens, in eendrachtige samenwerking met den ondergeteekende
+herzien en aangevuld, ook de toestemming van ons hooggeschat Belgisch
+Medelid, Prof. David, mocht verwerven. Aan niemand voorzeker kon de
+taak om zulk een betoog te leveren beter toevertrouwd zijn dan aan den
+schrijver van het werkje, De Nederlandsche Spelling getiteld, hetwelk
+door onze taalkundigen en onderwijzers zoo gunstig is opgenomen,
+dat binnen drie jaren reeds een derde druk noodzakelijk werd. In dat
+werkje, ten behoeve van het onderwijs in onze vaderlandsche scholen
+geschreven, had Dr. Te Winkel de algemeen aangenomene--zoogenaamde
+Siegenbeeksche--spelling ontvouwd, met invlechting slechts, hier en
+daar, van enkele critische aanmerkingen. Alleen een onverklaarbaar
+misverstand heeft onlangs een hooggeleerd beoordeelaar--in het
+beste onzer tijdschriften--kunnen verleiden tot de voorbarige en
+door niets gerechtvaardigde meening, alsof dit werkje tevens het
+spellingstelsel bevatte, »dat nu zeker ook tot grondslag gelegd
+zal worden aan het Nederlandsch Woordenboek." Waar had ooit òf de
+Redactie òf Dr. Te Winkel een woord gesproken, dat recht gaf tot
+de onderstelling, alsof--in strijd met het vastgestelde Ontwerp--de
+spelling van Siegenbeek zoogoed als onveranderd in het Woordenboek
+zou worden gevolgd? Integendeel, het voornemen om in die spelling de
+noodige verbeteringen aan te brengen, was in het openbaar duidelijk
+uitgesproken. Doch het oogenblik, om zich van die belofte te kwijten
+en van het ontworpen plan rekenschap te geven, achtte de Redactie
+eerst thans gekomen, nu de uitgave van het Woordenboek begint te
+naderen, en de onlangs gehoudene vergadering van het Zevende Taal-
+en Letterkundig Congres haar eene geschikte aanleiding heeft geboden,
+om--volgens de bepalingen van het Ontwerp--de resultaten van haar
+onderzoek aan het oordeel van deskundigen te onderwerpen. Het is waar,
+de afzonderlijke beraadslaging, die bij dat Congres was aangekondigd,
+heeft geene plaats kunnen vinden: de drukke werkzaamheden, die drie
+langdurige zittingen vulden, en meer nog de gulle gastvrijheid der
+Bruggenaars, lieten geen tijd over voor eene rustige conferentie over
+de spelling, waarvan trouwens de wijdloopige debatten over aa of ae
+de leden reeds meer dan verzadigd hadden. Toch is die bijeenkomst
+te Brugge, door hetgeen in kleinere kringen behandeld werd, ook voor
+onze zaak niet onvruchtbaar gebleven. Van verschillende zijden mocht
+de Redactie bedenkingen vernemen, die tot hernieuwde overweging
+aanleiding gaven. Is daardoor aan den éénen kant de uitgave van
+ons betoog misschien wat lang vertraagd, aan de andere zijde heeft
+zeker het gehalte bij dat uitstel niet verloren. Ook verder houden
+wij ons dringend aanbevolen voor al de aanmerkingen, die men ons
+in het openbaar of schriftelijk zal willen mededeelen. Het zal
+ons ernstig streven zijn, alles rijpelijk te onderzoeken en ook
+op het gebied der spelling, dat van zooveel strijd getuige was,
+te trachten naar de waarheid alleen; want--het is te recht in het
+Ontwerp gezegd--»elke onwaarheid moet vroeg of laat te niet gaan,
+maar de waarheid zal stellig zegevieren, en zij is het alleen, die
+duurzame verzoening verzekert."
+
+Nog een paar opmerkingen tot juiste aanwijzing van het plan en den
+inhoud dezer bladzijden.
+
+Daar de bestaande spelling, die als uitgangspunt werd aangenomen voor
+de schrijfwijze in het Woordenboek te volgen, genoegzaam bekend is,
+mocht het als overtollig en ontijdig worden beschouwd, ons geheele
+spellingstelsel in alle bijzonderheden te ontvouwen. Men vindt hier
+derhalve alleen eene ontwikkeling en waardeering der algemeene
+grondbeginselen; eene opgave der verbeteringen die wenschelijk
+schijnen; en eene herinnering van de onderscheidene schrijfwijzen,
+waaromtrent onze letterkundigen in gevoelen verschillen, met
+vermelding van de keuze, die de Redactie gemeend heeft daaruit te
+moeten doen, en beknopte aanwijzing der redenen, die haar bij die
+keuze hebben geleid. Zij heeft zich natuurlijk bepaald tot die
+punten, die werkelijk betwist of twijfelachtig waren, en zich
+niet opgehouden met de vermelding der talrijke feilen, die zoo
+dikwijls ook door schrijvers van naam worden begaan, maar daarom
+niet minder onverdedigbaar blijven. Uitwijden b.v. voor uitweiden,
+ten aanhoore voor ten aanhooren, de verbogen deelwoorden gehaatte,
+vergoodde, voor gehate, vergode, de verwarring van kindschheid en
+kindsheid, of de onchristelijke spelling van kersfeest, kersnacht,
+voor kerstfeest, kerstnacht, en dergelijke slordigheden meer, hoe
+gewoon zij ook mogen zijn, het blijven feilen en niets meer. Zaken,
+die bij alle deskundigen sedert lang uitgemaakt zijn, behoeven niet
+meer geregeld te worden en lagen dus buiten onze beschouwing.
+
+Er waren echter eenige belangrijke punten, die, in Siegenbeek's
+Verhandeling over de Spelling onaangeroerd gebleven en nooit door
+eenig taalkenner opzettelijk behandeld, in zooverre tot weinig
+geschil aanleiding hadden gegeven, maar niettemin eene bepaalde
+regeling vereischten, om de groote verwarring, die daaromtrent--bij
+het volslagen gemis aan eenig voorschrift of richtsnoer--tot dusverre
+heerschte. Zoo b.v. de gewichtige vraag: welke woorden en uitdrukkingen
+aaneen te schrijven? welke in hunne deelen gescheiden te laten? De
+nauwkeurige overweging van dit omslachtig en ingewikkeld vraagstuk
+heeft de Redactie tot eene bepaalde uitkomst geleid, die--naar
+zij vertrouwt--niet zonder belangstelling ontvangen zal worden,
+als eene bijdrage om in het schrijven onzer moedertaal regelmatig,
+oordeelkundig en naar vaste beginselen te werk te gaan.
+
+Moge dan deze arbeid strekken om in het Woordenboek, met welks
+bewerking de Redactie zich ijverig bezighoudt, het belangrijke
+vraagstuk der spelling te regelen op eene wijze, aan de eischen der
+wetenschap en de behoeften der practijk gelijkelijk voldoende.
+
+
+Leiden,
+23 Januari 1863. M. D. V.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+VOOR DE TWEEDE UITGAVE.
+
+
+De volgende bladzijden behelzen de tweede--herziene en veel
+vermeerderde--uitgave van het Ontwerp der Spelling, door de Redactie
+van het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1863 in het licht
+gezonden. Het Ontwerp is nu eene Regeling geworden, het voorloopige
+plan in een bepaald besluit veranderd; want de tijd was daar, dat
+onze spelling tot in alle bijzonderheden voorgoed moest worden
+vastgesteld. Reeds is de eerste aflevering van het Woordenboek
+verschenen; de tweede ligt bijna gereed. Onze landgenooten, die
+onzen arbeid met hunne belangstelling vereeren, hebben dus reeds de
+spelregelen kunnen opmerken, die door ons zijn aangenomen. Maar wij
+zijn hun nader rekenschap verschuldigd van de beginselen, die ons
+daarbij hebben geleid; bovenal van de wijzigingen, die wij sedert
+de verschijning van ons eerste Ontwerp noodzakelijk of raadzaam
+hebben geacht.
+
+Onze openlijke uitnoodiging, dat deskundigen ons hunne aanmerkingen en
+bedenkingen op het voorgedragen spellingplan niet mochten onthouden,
+is niet vruchteloos geweest. In verscheidene grootere en kleinere
+geschriften, maandwerken, dagbladen enz. is het vraagstuk der
+orthographie, dat een tijdlang gesluimerd had, met vernieuwden lust op
+het tapijt gebracht en aan alle kanten besproken. Alle twijfelachtige
+punten zijn opnieuw aan veelzijdige critiek onderworpen; de meest
+verschillende meeningen hebben warme verdedigers gevonden; over
+en weder is alles aangevoerd wat vóór of tegen te zeggen viel. Ook
+aan belangrijke opmerkingen in bijzondere briefwisseling, van zeer
+bevoegde handen, heeft het ons niet ontbroken. Van hoeveel invloed dit
+alles geweest is, heeft reeds de eerste proeve van het Woordenboek
+bewezen en zal in deze bladzijden nader blijken. Het spreekt wel
+vanzelf, dat er onder de bedenkingen, die men geopperd heeft, veel
+was waarmede wij ons niet konden vereenigen. Zoo het ergens moeilijk
+is tot eenstemmigheid te geraken, het is vooral op het gebied der
+orthographie, wier regeling, bij een zoo beperkt letterstelsel, een
+aantal onoplosbare bezwaren medebrengt, en juist daardoor altijd tot
+tegenstrijdige gevoelens aanleiding moet geven. De ervaring heeft het
+ook nu weder op de afdoendste wijze getoond. Wat de een in ons Ontwerp
+laakte, werd juist door den ander geprezen; de verandering, die dezen
+het meest beviel, door genen het strengst afgekeurd. Reden genoeg om
+uit eigen oogen te blijven zien en, met bedaarde overweging van alle
+meeningen, naar niets anders te streven dan naar de waarheid alleen,
+voor zooverre die althans in zaken van dezen aard bij benadering
+kan worden bereikt. Daar kwam bij, dat het standpunt, waarop zich
+onze geachte beoordeelaars plaatsten, niet altijd datgene was,
+waarop wij behoorden vast te staan. Hun was het veelal om bijzondere
+punten te doen, losse, op zich zelf staande vraagstukken omtrent de
+schrijfwijze van deze of gene woorden, al naarmate eene geliefkoosde
+overtuiging of gevestigde voorkeur medebracht; terwijl wij, die het
+geheel behandelden, het gansche spellingstelsel in zijnen logischen
+samenhang moesten beschouwen en alle bijzonderheden in onderling
+verband aan algemeene beginselen toetsen. Bij iedere afzonderlijke
+vraag moest ons de geheele reeks van soortgelijke vragen, en de band
+die ze alle aaneenknoopt, voor oogen staan, ten einde te verhoeden,
+dat nu eens deze, dan weder een andere maatstaf werd aangelegd, en
+te zorgen, dat de eenheid in het geheele stelsel bewaard bleef. Moge
+dan al onze keuze hier of daar bij den eersten aanblik inconsequent
+schijnen, omdat zij wel eens strijdig is met den eenen of anderen
+bijzonderen, maar ondergeschikten spelregel, bij nader inzien zal
+zij blijken in overeenstemming te wezen met het geheel en met de
+natuurlijke grondbeginselen der spelling, die uit het wezen en de
+bestemming van het schrift noodwendig voortvloeien. Consequentie
+in het geheel en volstrekte consequentie in alle onderdeelen zijn
+onvereenigbaar bij elk stelsel, dat, gelijk de spelling eener taal,
+niet door één allesomvattend brein is bepaald en geregeld, maar de
+samenvoeging is van partieele meeningen omtrent bijzondere punten,
+die zich naast elkander vestigden en eerst allengs zich tot een geheel
+vereenigden, waarin uit den aard der zaak de innerlijke overeenstemming
+niet volkomen zijn kon, omdat niemand het geheel overzag. Bij de
+beslissing van dien innerlijken strijd was het onze overtuiging,
+dat het bijzondere en ondergeschikte ook in de spelling voor het
+algemeene en hoogere moest onderdoen. Doch juist bij die omvattende
+beschouwing van het geheel en al zijne deelen was herhaald onderzoek en
+rijp beraad een dubbel onmisbaar vereischte, en daartoe hebben ons de
+vele opmerkingen, twijfelingen en bezwaren, die wij mochten vernemen,
+overvloedige stof gegeven. Niets hebben wij ter zijde gelegd zonder
+aandachtige overweging. Zoowel de grondbeginselen, waarvan ons Ontwerp
+uitging, als de bijzondere stellingen, die het bevatte, hebben wij
+nogmaals opzettelijk overdacht, nauwkeurig beproefd en met de gemaakte
+bedenkingen vergeleken. Menige wijziging, menige zelfs van gewicht,
+is daarvan het gevolg geweest; en met te meer grond durven wij ons
+vleien, dat de nu voor het Woordenboek vastgestelde spelling aan hare
+wetenschappelijke en practische bestemming zal mogen voldoen.
+
+Maar het was niet genoeg ons stelsel te herzien en te verbeteren,
+het moest ook worden aangevuld door de behandeling van die vragen,
+die tot hiertoe nooit opzettelijk werden beantwoord en toch voor
+de regelmaat der spelling van groot gewicht zijn. Wij bedoelen
+inzonderheid de scheiding der woorden bij het afbreken, en de keuze
+der verbindingsletters tusschen de leden eener samenstelling. Bij
+de eerste uitgave van ons Ontwerp was onze beraadslaging omtrent die
+belangrijke punten nog niet geheel afgeloopen, zoodat wij het raadzaam
+achtten ons daaromtrent eene nadere beslissing voor te behouden. Sedert
+hebben wij het onderzoek geregeld voortgezet en tot een--zoo wij
+hopen--bevredigend einde gebracht. De uitkomsten onzer overwegingen
+bieden wij thans aan het publiek aan. Wij zijn er verre af te gelooven,
+dat het ons gelukt zal zijn, vooral wat het ingewikkeld en netelig
+vraagstuk der samengestelde woorden betreft, alle moeilijkheden
+uit den weg te ruimen en de zaak te regelen op eene wijze, waarin
+terstond iedereen genoegen zal nemen. Maar wie niet onbekend is met
+de schromelijke verwarring, die op dit punt altijd geheerscht heeft,
+wie het met ons betreurt dat een zoo gewichtig onderwerp tot dusverre
+door schijnbaar onoverkomelijke bezwaren alle taalkenners afschrikte
+en nooit ernstig behandeld werd, zal ten minste de poging goedkeuren,
+die wij waagden, om het vraagstuk met moed aan te vatten en naar ons
+beste weten op te lossen. Volkomen regelmaat en strikte consequentie
+was uit den aard der zaak hier niet te bereiken. De vraag is alleen,
+of de schikking, door ons ontworpen, zich aanbeveelt door billijke
+inachtneming en behoedzame toepassing der grondbeginselen, die bij
+eene verstandige spelling tot leiddraad moeten verstrekken. Zoo ja,
+dan zal men wèl doen door zich over kleinigheden heen te zetten, die op
+het eerste gezicht misschien vreemd kunnen schijnen, om liever de zaak
+in haar geheel te beschouwen en de ordelijke regeling te erkennen,
+die wij ook hier poogden te vestigen. Het wordt hoog tijd--voor
+eene taal als de onze, die zoo onuitputtelijk vruchtbaar is in het
+vormen van samenstellingen--dat er een einde kome aan die willekeur
+en slordigheid in het schrijven van samengestelde woorden. Wie het
+wèl met de taal meent, zal gaarne met ons medewerken om ook hier een
+stelsel te doen aannemen, dat veroorlooft met helder bewustzijn een
+vasten maatstaf te volgen.
+
+De zorgen, door ons aan de orthographie gewijd, hadden aanvankelijk
+geen ander doel dan het bepalen der spelling ten dienste van het
+Woordenboek. In dat werk, uit den aard bestemd om invloed te oefenen
+op de ontwikkeling der taal, en dat derhalve aan zijne bearbeiders
+eene zware verantwoordelijkheid oplegt, mochten wij niet gedachteloos
+voortsukkelen in de eenmaal geijkte schrijfwijze, waarin eene halve
+eeuw taalstudie talrijke gebreken en leemten had aangewezen, en die
+eigenlijk aan niemand meer voldeed. Maar verder dan de behoeften van
+het Woordenboek strekten zich onze bemoeiingen niet uit. In hoeverre
+onze taalgenooten in Noord en Zuid onze spelling zouden goedkeuren:
+of zij in ruimeren kring zou doordringen, misschien eenmaal de leuze
+worden der zoo lang vergeefs gehoopte eenparigheid: dit alles moesten
+wij geduldig aan den tijd overlaten. De uitkomst is nu reeds gunstiger
+geweest dan wij immer dorsten vermoeden. Het algemeene verlangen om
+eenmaal tot zekerheid en regelmaat te geraken, kwam onze pogingen te
+gemoet, nog eer wij met den arbeid gereed waren. Men wenschte niets
+liever dan verlost te worden van al dat weifelen en dobberen, dat
+zooveel ongemak veroorzaakte en vooral belemmerend op het onderwijs
+drukte. Bij die diepgevoelde behoefte viel aan ons Ontwerp eene
+belangstelling ten deel, die wij te hooger waardeeren, omdat zij
+reeds tot een belangrijk gevolg heeft geleid. De Belgische Regeering,
+overtuigd van de noodzakelijkheid om de spelregels, in 1841 door
+het Gentsche Taalcongres aangenomen, te doen herzien, heeft bij
+Koninklijk Besluit van 25 Januari 1864 eene Commissie benoemd,
+uit de voornaamste Vlaamsche taal- en letterkundigen bestaande,
+en belast om de hervorming van het spellingstelsel te regelen. Die
+Commissie stelde, als beginsel harer werkzaamheden vast, »dat men het
+verschil van spelling, hetwelk al te lang onze taal in Vlaamsch en
+Hollandsch heeft verdeeld, moest trachten te doen verdwijnen". Zij
+nam het Ontwerp, door de Redactie van het Woordenboek in het licht
+gegeven, tot leiddraad harer beraadslagingen, vereenigde zich in de
+hoofdzaken met de regels, die daarin waren voorgedragen, en knoopte met
+de Redactie eene briefwisseling aan ter nadere overweging van datgene,
+waartegen zij bedenkingen had. Het verschil, dat meest ondergeschikte
+punten betrof, werd spoedig vereffend en loste zich op in de meest
+volkomene overeenstemming. Reeds heeft de Commissie, door de bekwame
+pen van haren woordvoerder, Prof. Heremans, een even grondig als
+sierlijk Verslag uitgebracht en openbaar gemaakt [2]; hare voorstellen
+zijn bij Koninklijk Besluit van 21 November ll. bekrachtigd; de
+nieuwe spelregels voor het onderwijs in de staatsscholen en voor de
+stukken, van de Regeering uitgaande, vastgesteld, en reeds weinige
+dagen daarna--met eene verrassende eenparigheid--door de Vlaamsche
+schrijvers aangenomen en in de dagbladen ingevoerd. Zoo is dan nu
+de eenheid van spelling tusschen Zuid en Noord, die men zoo lang als
+eene volstrekte onmogelijkheid beschouwde en als eene hersenschim van
+dweepzieke ijveraars uitkreet, na weinige jaren van verbroedering,
+een werkelijk bestaand feit geworden; de eenheid der Nederlandsche
+taal, die te lang in Vlaamsch en Hollandsch verdeeld scheen,
+voorgoed en duurzaam gevestigd, door gelijkheid van spelling,
+als door een uiterlijk merkteeken, gewaarborgd. Zoo hebben de
+Congressen, waarin menigeen niets dan eene ijdele vertooning zag,
+eene practische uitwerking gehad, die meer dan iets anders heilrijke
+vruchten zal dragen voor de toekomst onzer taal. Alleen door oprechte
+waarheidsliefde en onderlinge welwillendheid is dit verblijdend
+resultaat tot stand gekomen: de hereeniging op taal- en letterkundig
+gebied met onze broeders uit het Zuiden, die de staatkunde eenmaal
+van ons gescheiden heeft. Om die hereeniging nader te bevestigen, is
+het nu dubbel wenschelijk, dat ook in Noord-Nederland de onzekerheid
+der orthographie weldra plaats make voor vastheid en regelmaat. Naar
+de begrippen, hier te lande aangenomen, kan dit onderwerp niet door
+de bemoeiing der Regeering worden geregeld. Vrijwillige instemming
+moet alles beslissen. Maar reeds doen zich de voorteekenen op,
+dat de eenparigheid ook hier niet zal uitblijven. Meer dan één
+onzer voornaamste schrijvers heeft zich reeds met de spelling
+van het Woordenboek vereenigd, en van alle zijden ontvangen wij de
+blijken van de levendige belangstelling, die de zaak in den kring der
+Nederlandsche onderwijzers heeft opgewekt. De bereidwilligheid, door
+zoovelen betoond, om de voorgestelde wijzigingen in de spelling door
+leer en voorbeeld ingang te doen vinden, legt ons de verplichting op
+om van onzen kant, erkentelijk voor de goedkeuring aan onze pogingen
+geschonken, de taak gemakkelijk te helpen maken door het leveren van
+die practische hulpmiddelen, die voor het onderwijs en het algemeen
+gebruik onontbeerlijk zijn. Wij hopen eerlang ten dienste der scholen
+een beknopt overzicht te geven van de spelregelen, door ons voor het
+Woordenboek aangenomen en in deze Verhandeling breedvoerig ontvouwd;
+om daarna eene Woordenlijst voor de spelling te doen volgen, waarbij
+men in ieder voorkomend geval zal kunnen te rade gaan. Eerst dan zal
+onze orthographische werkzaamheid zijn afgeloopen, en zullen wij ons
+voortaan onverdeeld aan de lexicographie kunnen wijden. De voldoening,
+die de eene helft onzer taak ons zoo ruimschoots heeft opgeleverd,
+geeft moed om in de andere, waarin de sympathie onzer landgenooten
+ons niet minder krachtdadig steunt, met frisschen ijver te volharden.
+
+
+Leiden,
+4 Februari 1865. M. D. V.
+
+
+
+
+Door de groote belangstelling van het publiek in de zaak der
+spellingherziening is binnen weinige weken een herdruk onzer
+Grondbeginselen noodzakelijk geworden. Wij hebben van deze gelegenheid
+gebruik gemaakt, om hier en daar enkele uitdrukkingen te wijzigen,
+en tevens bij een paar punten ons gevoelen nader te staven, naar
+aanleiding der bedenkingen, onlangs van eene geachte zijde daartegen
+in het midden gebracht, die voor 't overige deels in het jongste
+stuk van den Taalgids breeder zijn beantwoord, deels in de volgende
+nummers zullen beantwoord worden. Buiten dit weinige is deze uitgave
+aan de vorige gelijk gebleven.
+
+
+Leiden,
+4 Juli 1865. M. D. V.
+
+
+
+
+Deze derde druk is door mij opnieuw herzien, waar het noodig
+scheen gewijzigd, en met de tweede uitgave van onze Woordenlijst in
+overeenstemming gebracht.
+
+
+Leiden,
+30 Sept. 1872. M. D. V.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+
+EERSTE AFDEELING.
+
+Over de natuur en het doel van het schrift, § 1-32 Blz. 1
+De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding, § 33-72
+ » 11
+
+TWEEDE AFDEELING.
+
+De bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen
+bestaat » 33
+
+De klinkers, § 73-91 » 33
+De medeklinkers, § 92-132 » 58
+De samenstellingen, § 133-212 » 116
+
+ Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven
+ worden? § 134-153 » 116
+ Gebruik van het koppelteeken, § 154-160 » 135
+ Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de
+ twee leden eener samenstelling? § 161-212 Blz. 139
+
+ De inlassching der verbindings-n, § 180-206 » 151
+
+ De verbindings-n achter substantieven als teeken
+ van den zwakken genitief, § 182-187 » 154
+ als teeken van het meervoud, § 188-197 » 159
+ achter bijvoeglijke woorden, § 198-201 » 172
+ achter werkwoorden, § 202, 203 » 174
+ als invoegsel voor de welluidendheid, § 204-206
+ » 176
+ De inlassching der verbindings-s, § 207-212 » 178
+
+ De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval
+ achter zelfstandige naamw., § 208 » 178
+ als teeken van het meervoud, § 209 » 180
+ als teeken van den tweeden naamval achter
+ bijvoeglijke woorden, § 210, 211 » 181
+ als invoegsel voor de welluidendheid, achter
+ stammen van werkwoorden, § 212 » 181
+
+ Overzicht over de regels der samenstelling, § 213 » 182
+
+ De spelling der bastaardwoorden, § 214-256 » 186
+ Over het verdeelen der woorden in lettergrepen, § 257-270 » 217
+
+Toevoegsel (over de verkleinwoorden van samengetrokken vormen,
+waaruit eene d is uitgestooten) » 227
+Naschrift » 229
+Zaakregister » 231
+Woordenlijst » 246
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE AFDEELING.
+
+
+
+Over de natuur en het doel van het schrift.
+
+1. Het denken is eene werking en als zoodanig voorbijgaande. Gedachten
+houden op te bestaan, zoodra zij gedacht zijn; men kan haar geene
+duurzaamheid geven: ze kunnen alleen opnieuw gedacht, herhaald,
+gereproduceerd worden. Ook door reproductie komen zij ter kennis
+van anderen. Een hoorder is verplicht de gedachte van den spreker
+bij zich zelven te denken, haar op zijne wijze te reproduceeren;
+doet hij zulks niet, is hij afgetrokken, vormt hij bij zich zelven
+andere gedachten, dan komen die van den spreker niet tot zijne
+kennis. Het geheugen stelt ons dikwijls in staat eene gedachte van
+vroeger te hernieuwen, maar ook even dikwijls schiet het daarin te
+kort. Derhalve, wie later met volkomen zekerheid weten wil, wat hij
+eenmaal heeft gedacht, zonder dat hij zich op het feilbaar geheugen
+behoeft te verlaten, heeft een middel, een blijvend iets, noodig, dat
+hem in staat stelt zijne vroegere gedachte opnieuw te denken. Is dit
+op zich zelf bestaand middel, onder den vorm van een brief of boek,
+vervoerbaar, dan kan het tevens voor afwezigen dienen als aanleiding
+om zich dezelfde gedachten te vormen. Wanneer het middel in zichtbare
+teekens bestaat, heet het schrift.
+
+2. De aanleiding tot reproductie van gedachten kan op twee wijzen
+zichtbaar gegeven worden: a) door de voorstellingen, waaruit de
+gedachten bestaan, deels naar de natuur deels symbolisch, af te
+beelden; b) door de woorden, waarmede zij gedacht zijn, door teekens
+voor te stellen. In het laatste geval heet het middel woordschrift
+of eenvoudig schrift.
+
+Wanneer in het woordschrift eene geheele lettergreep door één teeken
+voorgesteld wordt, noemt men het syllabenschrift; doch wanneer de
+woordklanken in hunne ondeelbare bestanddeelen, in letterklanken,
+opgelost, en iedere zoodanige letterklank door een afzonderlijk
+teeken voorgesteld wordt, dan heeft men letterschrift. De meeste
+beschaafde talen hebben letterschrift aangenomen, maar niet alle
+hebben het beginsel consequent volgehouden. Daar het Nederlandsch
+de x, die twee ondeelbare deelen, k en s, te gelijk voorstelt, niet
+meer in echt Nederlandsche woorden bezigt, kan men zeggen, dat het
+een zuiver letterschrift heeft.
+
+3. De eigenlijke woorden zijn klanken, d.i. golvingen der lucht,
+die het trommelvlies doen trillen en zoodoende de gehoorzenuwen
+aandoen; zij zijn dus ook werkingen, die evenmin als de gedachten
+duurzaamheid hebben, maar telkens opnieuw geproduceerd moeten
+worden. Het letterschrift is de aanwijzing, hoe een woordklank door
+de spanning en beweging der spraakwerktuigen moet worden voortgebracht.
+
+4. Een woord behoeft niet altijd uitgesproken te worden: bij het stille
+denken en het onhoorbare lezen stelt men zich den klank slechts voor,
+gelijk men zich een geheel muziekstuk voorstellen kan. Dit voorstellen
+is, als alle denken, insgelijks eene voorbijgaande werking, eene
+werking van den geest, tot welker reproductie het letterschrift
+evenzeer als tot het luide uitspreken aanleiding geeft.
+
+5. De zichtbare voorstelling van een woord door letterteekens
+wordt insgelijks woord genoemd. Een woord komt derhalve onder drie
+verschillende vormen voor: als werkelijke klank, als voorgestelde of
+gedachte klank, en als afgebeelde of afgeteekende klank. Men heeft dus
+gesprokene, gedachte en geschrevene woorden; de beteekenis, die in alle
+drie de gevallen dezelfde is, maakt den gemeenschappelijken band uit,
+welke de drie vormen of toestanden tot één zelfde woord maakt.
+
+De gesprokene woorden, de hoorbare klanken, zijn en blijven de
+oorspronkelijke, eigenlijke woorden, waarvan de gedachte en geschrevene
+bloote navolgingen of kopieën zijn.
+
+6. Daar het schrift de aanleiding moet zijn om de woordklanken te
+reproduceeren, zal een geschreven woord moeten bestaan in de opgave van
+al de bestanddeelen van den woordklank, gerangschikt in de volgorde,
+waarin zij onder het uitspreken vereenigd worden.
+
+7. De natuur van het letterschrift brengt derhalve mede, dat het
+doel van het schrijven, namelijk de reproductie van gedachten,
+aanvankelijk althans, slechts langs eenen omweg bereikt wordt. Wie
+leert lezen, moet het geschreven woord luide uitspreken, en eerst
+de door hem uitgesproken en tevens door hem gehoorde klank verwekt
+bij hem de daaraan verbonden voorstelling. Dezelfde noodzakelijkheid
+om hardop te lezen blijft bestaan bij alle lieden, die slechts zelden
+lezen. Een geoefend lezer echter behoeft dien omweg niet meer te maken:
+een geschreven woord verwekt bij hem onmiddellijk de voorstelling van
+den woordklank en tevens die van het bedoelde voorwerp, de bedoelde
+hoedanigheid, werking of betrekking. De onmiddellijke verbinding van
+het schrift met zijne beteekenis ontstaat nochtans bij ieder individu,
+behalve bij doofstommen, eerst nadat de woordklank een geruimen tijd
+het verbindende middel is geweest.
+
+ Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord
+ met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van
+ personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot
+ stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen
+ letterschrift hebben kunnen uitdenken.
+
+8. De periode der woordschepping is reeds voor eeuwen gesloten;
+nieuwe woorden worden alleen uit reeds bestaande stof gevormd. Het
+leeren spreken van het kind bestaat dus in het leeren nabootsen van
+de woordklanken, die het ouderen hoort uitbrengen, en het spreken van
+ouderen is niets anders dan eene reproductie van dezelfde klanken,
+is en blijft dus eene nabootsing.
+
+9. Daar nu de gehoor- en spraakorganen bij geene twee individuën
+volkomen gelijk zijn, hoort ieder op zijne eigene wijze anderen de
+woorden uitbrengen, en spreekt hij ze op zijne eigene wijze--soms
+zeer gebrekkig--na. Vandaar dat de individuën aan hunne spraak
+onderkenbaar zijn.
+
+10. Doch niettegenstaande dit persoonlijke onderscheid in het spreken,
+bestaat er ten gevolge der nabootsing eene groote overeenstemming in de
+uitspraak der inboorlingen van hetzelfde dorp, dezelfde stad, hetzelfde
+gewest. Deze overeenkomst onderling en het verschil met de uitspraak
+van verder afgelegen plaatsen en streken veroorzaken de onderscheiding
+van de zoogenoemde plaatselijke en gewestelijke tongvallen, dialecten.
+
+11. Beschaafde lieden, die eene meer zorgvuldige opvoeding
+hebben genoten, wier gehoor meer verfijnd, wier spraakorganen meer
+geoefend zijn, spreken doorgaans zachter en lieflijker dan de minder
+bevoorrechte standen. Daardoor komt bij hen het eigenaardige, dat den
+tongval van de plaats hunner inwoning kenmerkt, minder scherp uit,
+zoodat het verschil der dialecten grootendeels wegvalt. Op die wijze
+ontstaat er eene zoogenaamde algemeene beschaafde uitspraak, die het
+gansche land door, naast de gewestelijke, min of meer heerschende
+is. En doordien beschaafde lieden, vooral in geschrifte, zich ten
+behoeve der duidelijkheid doorgaans onthouden van woorden, die
+uitsluitend in hunne woonplaats in gebruik en elders onbekend zijn,
+vormt zich nevens de taal des volks een nieuwe taalvorm, waarin de
+beschaafde uitspraak heerscht, en die als een afzonderlijk dialect,
+dat der beschaafde standen, te beschouwen is. Voor zooverre dit dialect
+zich in geschrifte openbaart, noemt men het de schrijf- of boekentaal.
+
+12. Wanneer zich in eene taal eenmaal zulk eene beschaafde uitspraak
+heeft gevestigd, maakt het eigenaardige van een dialect, als het wat
+sterk uitkomt, meestal een min of meer onaangenamen indruk op den
+beschaafden hoorder; vooral wanneer in de plaats zijner geboorte of
+langdurige inwoning een andere tongval heerscht. Deze omstandigheid
+heeft bij alle beschaafde volken aan de beschaafde uitspraak eene
+hooge waarde gegeven en de dialecten in dezelfde mate in achting doen
+dalen. Uit zijnen aard staat het algemeene hooger dan het bijzondere
+en moet het bijzondere voor het algemeene wijken, in de taal en de
+taalkunde zoowel als in de maatschappij en de staathuishoudkunde.
+
+13. Eene zuivere uitspraak is verschillend van eene beschaafde
+uitspraak. Sommige lieden kunnen uit hoofde van organische gebreken of
+uit gemis aan oefening enkele bestanddeelen van woorden niet duidelijk
+onderscheiden, en meestal ten gevolge daarvan, niet goed uitspreken;
+dezen hebben dan eene gebrekkige uitspraak. Wie iederen letterklank
+zoo uitbrengt, als door het meerendeel der natie geschiedt, heeft
+eene zuivere uitspraak. Onbeschaafden kunnen in weerwil van ruwheid
+en grofheid in hunne spraak eene zuivere, beschaafden omgekeerd
+eene gebrekkige uitspraak hebben. Eene uitspraak kan, in zooverre
+zij gebrekkig is, natuurlijk niet als een bestanddeel der algemeene
+beschaafde uitspraak gerekend worden.
+
+14. Ofschoon het schrift, als de zichtbare voorstelling der spraak,
+zich naar deze moet richten en van haar afhankelijk is, werkt het
+desniettemin op haar terug en heeft het omgekeerd invloed op de spraak
+en zelfs op de geheele taal.
+
+15. Immers, daar het schrift de woorden in hunne bestanddeelen ontleed
+moet voorstellen, noodzaakt het in de eerste plaats den schrijver elk
+woord, dat hij schrijven wil, in zijne deelen op te lossen en deze,
+behoorlijk achter elkander gerangschikt, voor te stellen. Vervolgens
+geeft het den lezer deel voor deel in de vereischte volgorde te zien,
+en noodzaakt het hem die deelen zelf samen te voegen. Zoodoende
+brengt het schrift de bestanddeelen en den vorm der woorden tot het
+bewustzijn der lezers en schrijvers. Die bewuste kennis der deelen
+maakt, dat men ze bepaalder articuleert, aan ieder beter zijn eisch
+geeft, en dus ook duidelijker spreekt.
+
+ Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner
+ bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met
+ groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen
+ door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen,
+ die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het
+ schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft.
+
+16. Daar men onder het lezen altijd min of meer overeenkomstig het
+geschrevene uitspreekt, bevordert eene eenparige spelling, die met
+de beschaafde uitspraak in overeenstemming is, noodwendig de eenheid
+in het spreken en de uitbreiding der beschaafde uitspraak onder
+de mindere standen. Omgekeerd kan het schrift ook strekken om de
+uitspraak te bederven.
+
+17. Doordien het schrift iets voortdurends is, waarnaar men zich
+in het lezen en daardoor ook in het spreken min of meer regelt,
+geeft het meer bestendigheid aan de taal; het kan wel is waar de
+langzame verandering, waaraan iedere levende taal onderworpen is,
+niet verhinderen, maar het behoedt haar voor een al te snel verloop.
+
+18. Het schrift, een blijvend iets, geeft de woorden in verschillende
+vormen, betrekkingen en opeenvolgingen te zien. Zoodoende stelt het
+den belangstellende in staat die onderscheidene vormen, betrekkingen
+en opeenvolgingen op zijn gemak te beschouwen en te vergelijken,
+en de wetten op te merken, volgens welke de woorden veranderen,
+gebruikt en gerangschikt worden. Blootelijk gedachte of gesproken
+woorden kunnen niet worden vastgehouden en zijn daardoor moeilijker
+waar te nemen en te vergelijken.
+
+19. Daar alle kennis van iets alleen kan worden verkregen door dat
+iets met andere dingen te vergelijken, en alleen het schrift tot
+eene behoorlijke vergelijking der woorden onderling in staat stelt,
+moet het beschouwd worden als de aanleidende oorzaak tot het nadenken
+over de taal en als de onmisbare voorwaarde van alle wetenschappelijke
+taalkennis.
+
+20. De geest kan alleen gedachten die hij begrijpt in zich opnemen en
+bewaren. Tot het rechte verstand eener gedachte is noodig, dat de geest
+iedere voorstelling, die er in voorkomt, van alle andere onderscheidt,
+en haar plaatst bij andere voorstellingen, die van denzelfden aard
+zijn, haar kunnen ophelderen en duidelijk maken. Dit onderscheiden der
+voorstellingen en haar opnemen in de klasse, waartoe zij behooren,
+heet appercipieeren. Apperceptie is derhalve volstrekt noodig tot
+het verstaan eener gedachte.
+
+ Appercipieeren is de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het
+ dagelijksch leven nu eens leeren kennen, dan onderkennen, dan
+ herkennen heet.
+
+ Daar een woord een klank is, waaraan eene beteekenis is verbonden,
+ en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het
+ eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen,
+ en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen.
+
+21. Het schrift, als iets zichtbaars, is aan de apperceptie der woorden
+bevorderlijk, wanneer het hetzelfde woord steeds op dezelfde wijze
+voorstelt, de gelijkluidende woorden verschillend spelt, en door
+eene verstandige keus van letters aan andere woorden van verwante
+beteekenis herinnert.
+
+ Men denke hier aan lijden en leiden, nog en noch. De spelling
+ lijden met ij brengt min of meer in de gedachten al de
+ verschillende voorstellingen, die aan lijder, lijdzaam, lijdelijk
+ enz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het
+ woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt.
+
+ Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren,
+ b.v. wanneer men lijden met ei spelt en zoodoende aan leiden,
+ leiding, leidsman, leidster doet denken.
+
+22. Indien aan het schrift een zoo groote invloed op de taal moet
+toegeschreven worden, indien het ook het opnemen der gedachten kan
+bevorderen of vertragen, dan verdient de wijze, hoe men schrijft,
+een voorwerp van ernstige overweging uit te maken.
+
+23. De wijze waarop eene taal geschreven wordt, heet hare Spelling. Ook
+het hoofddeel harer grammatica, dat de wetten en voorschriften bevat,
+waaraan men bij het schrijven gehoorzaamt, wordt de Spelling genoemd.
+
+ Door eene wet verstaat men in de wetenschappen niet een bevel,
+ door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule,
+ die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard
+ geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin
+ de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het
+ wezen en het doel van het schrijven voortvloeit.
+
+24. De spellingwetten zijn deels noodwendige uitvloeisels van het wezen
+en de natuur van het schrift in het algemeen en van het eigenaardige
+der bijzondere taal; deels bestaan zij in min of meer willekeurige
+voorschriften, die door eene langdurige gewoonte (usus) kracht van
+wet hebben gekregen en niet meer te veranderen zijn. De eerstgenoemde
+soorten noemt men de algemeene, de laatste de bijzondere spelregels.
+
+25. Wanneer een aantal bijzondere regels onder éénen algemeeneren
+of hoogeren regel kunnen gebracht worden, die kan worden beschouwd
+als een aangenomen grondbeginsel waaruit de bijzondere regels zijn
+afgeleid, dan verdient dat hoogere grondbeginsel insgelijks den naam
+van algemeenen spelregel.
+
+26. Daar de spelling aanvankelijk voor een groot gedeelte van het
+goeddunken der eerste schrijvers afhing, schijnen de bijzondere
+spelregels naar willekeur veranderd en een spellingstelsel tot
+een hoogen trap van volmaaktheid gebracht te kunnen worden. Dat
+veranderen is echter inderdaad slechts mogelijk bij voorschriften,
+die maar eenige weinige woorden betreffen, wier toepassing derhalve
+hoogst zelden gevorderd wordt, en welke dientengevolge niet eens
+helder in het bewustzijn van het volk liggen. Maar heeft een regel
+een uitgebreid gebied, betreft hij een groot aantal woorden, is dus
+zijne toepassing door gewoonte eene tweede natuur geworden, dan geeft
+eene wijziging van dien regel aan het geheele schrift een ander,
+een vreemd voorkomen, dat het oog kwetst, zoolang het er niet aan
+gewend is; daarom zijn velen niet te bewegen om die verandering toe
+te passen, dewijl dit gelijk zou staan met het afleggen eener oude
+gewoonte. Veelomvattende hervormingen vinden nimmer ingang bij een
+geheel volk, maar verdeelen de schrijvenden in partijen, en verbreken
+of verhinderen de wenschelijke eenparigheid van spelling.
+
+27. De grammaticus heeft derhalve de spelling te beschouwen als een
+bestaand en gegeven iets, waaraan hij niets wezenlijks vermag te
+veranderen. Wil hij verstandig zijn, dan neemt hij de spelling aan,
+die algemeen of door de groote meerderheid gevolgd wordt; omdat hij,
+anders handelende, zijn doel toch missen en de zaak niet verbeteren,
+maar veeleer verergeren zou.
+
+28. Een volkomen rationeel en consequent spellingstelsel is een
+ideaal, hetwelk, verwezenlijkt, toch slechts zeer korten tijd zijne
+hooge voortreffelijkheid zou behouden, doordien de taal onafgebroken
+verandert, en de spelling die langzame veranderingen niet op den
+voet volgen kan, vermits deze eerst na eenig tijdsverloop duidelijk
+kenbaar worden.
+
+29. Doch het volgen van de bestaande spelling brengt niet noodwendig
+mede, dat de grammaticus juist alle gebreken en onregelmatigheden
+mede moet overnemen. Wanneer hij willekeurige uitzonderingen op
+geldige regels opmerkt, onregelmatigheden in het schrijven van enkele
+woorden, waarvoor geene reden, hoe ook genaamd, is te ontdekken,
+maar die kennelijk aan onkunde of aan eene verkeerde toepassing van
+verstandige en erkende regels zijn toe te schrijven, dan kan niemand
+hem euvel duiden, dat hij zijn beter inzicht volgt. Dan is het veeleer
+zijn plicht anderen op die weinige gebreken opmerkzaam te maken,
+en door zijn voorbeeld mede te werken om het spellingstelsel zooveel
+mogelijk te zuiveren.
+
+30. De meeste der hier bedoelde alleenstaande gebreken worden
+aangetroffen in onopgemerkte, bijna vergeten woorden, die in de
+algemeene schrijf- en boekentaal zelden worden gebruikt en daardoor
+aan de aandacht der taalkundigen ontsnapt zijn. Die onregelmatigheden
+zijn ontstaan òf doordien men den regel voorbijzag, waaronder het
+woord behoort; òf doordien men, den aard van het woord miskennende,
+een verkeerden regel volgde; òf doordien men den regel zelven verkeerd
+opvatte en toepaste. De verbetering der spelling van zoodanige woorden,
+waarbij òf geene òf eene verkeerde toepassing van regels plaats
+had, kan aan geen bezwaar onderhevig zijn noch grooten tegenstand
+vinden, omdat zij betrekkelijk weinig in getal zijn en, op weinige
+uitzonderingen na, zelden gebruikt worden.
+
+31. Grootere moeilijkheden baren die woorden, die volstrekt niet
+onopgemerkt zijn gebleven, maar wier schrijfwijze tot de betwiste
+punten behoort. Hier moet de grammaticus eene keus doen; en wat zal
+hem bij zijne keus besturen? Wanneer eene der beide verschillende
+schrijfwijzen in eene der categorieën van de boven bedoelde
+onopgemerkte woorden valt, wanneer òf het woord òf de regel verkeerd
+is opgevat, dan behoeft hij niet te weifelen; maar hoe te handelen,
+wanneer voor beide spellingen geldige redenen zijn aan te voeren? In
+dit geval blijft er natuurlijk niets anders over, dan de tegenstrijdige
+regels aan de algemeene spellingwetten te toetsen en die spelling aan
+te nemen, welke blijkt door eene hoogere wet te worden voorgeschreven.
+
+32. Uit het gezegde volgt, dat het vóór alles noodzakelijk is de
+algemeene spellingwetten of spelregels in oogenschouw te nemen en hunne
+onderlinge verhouding op te maken en te bepalen. Dit kan geschieden,
+wanneer men die wetten uit het wezen en de natuur der spelling afleidt.
+
+
+
+
+De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding.
+
+
+33. Het schrift is, als uitgedacht middel, een kunstproduct, dat
+aanvankelijk door den wil des menschen bepaald werd en daarvan steeds
+afhankelijk blijft. Als zoodanig reeds behoort het onderworpen te
+worden aan de voorschriften der Aesthetica. Die onderwerping blijkt
+eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, wanneer men in aanmerking
+neemt, dat het schrift invloed heeft op de uitspraak en tevens de
+zichtbare vorm is, waaronder een aantal voorwerpen van kunst (dit
+woord in hoogeren zin genomen), namelijk alle voortbrengselen der
+dichtkunst en der welsprekendheid, zich vertoonen. Het schrift kan
+inderdaad bevorderlijk of hinderlijk zijn voor het verwekken van
+het schoonheidsgevoel.
+
+34. Het is de bestemming van het schrift niet, het schoonheidsgevoel
+te streelen, het bestaat eenig en alleen voor een practisch doel,
+dat geheel buiten het schrift zelf ligt. Dit bepaalt de eischen,
+die de aesthetica aan het schrift stellen mag. Doelmatigheid is
+dientengevolge de eerste, de hoofdeigenschap, waaruit alle andere
+moeten voortvloeien en waaraan zij moeten onderworpen zijn.
+
+35. De overige voorschriften der aesthetica, die niet alle rechtstreeks
+uit de doelmatigheid kunnen afgeleid worden, zijn meer negatief dan
+positief; zij verbieden slechts wat het schoonheidsgevoel kwetsen
+kan. Dit nu wordt beleedigd, behalve reeds door ondoelmatigheid, ook
+door onregelmatigheid, onwaarheid en wanluidendheid. Door onwaarheid
+is hier te verstaan gebrek aan overeenstemming tusschen het afgebeelde
+en de afbeelding, namelijk tusschen de woordklanken en het schrift;
+ook de doelmatigheid vordert die overeenstemming. Het schrift kan
+wel niet zelf wanluidend zijn, maar het kan aanleiding geven tot
+eene onwelluidende uitspraak, wat natuurlijk zooveel doenlijk moet
+vermeden worden.
+
+36. De aesthetica eischt derhalve van de spelling doelmatigheid,
+regelmatigheid, waarheid en welluidendheid, dat wil zeggen
+overeenstemming (harmonie) tusschen de middelen en het doel, tusschen
+de middelen onderling, tusschen de afbeelding en het afgebeelde,
+tusschen het schrift en eene welluidende uitspraak.
+
+37. Het doel van het schrift is het veroorzaken eener reproductie
+van gedachten, dus het veroorzaken eener werking van den geest. De
+aard van het doel verwijst derhalve de spelling naar de lessen,
+die de Psychologie aangaande de reproductie der gedachten geeft.
+
+38. Wij hebben reeds boven gezien, dat gedachten niet begrepen, niet in
+den geest opgenomen worden, wanneer de apperceptie der voorstellingen,
+waaruit zij bestaan, achterwege blijft. De psychologie legt derhalve
+aan de spelling, zal zij zoo doelmatig mogelijk zijn, als plicht op,
+de apperceptie, zooveel in haar vermogen is, te bevorderen.
+
+39. Daar alle spreken eene nabootsing der beschaafde uitspraak
+behoort te wezen, en het schrift in de eerste plaats de aanwijzing
+tot het spreken is, moeten de geschreven woorden, zullen zij aan hun
+doel beantwoorden, de beschaafde uitspraak vertegenwoordigen. Op dit
+vereischte berust de spelregel, dien men den Regel der beschaafde
+Uitspraak pleegt te noemen.
+
+40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden:
+
+Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor; d.i. geef door
+letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden,
+wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies
+in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld,
+het naastbijkomende letterteeken.
+
+ a. De bedoeling der woorden beschaafd en zuiver is duidelijk.--De
+ beperking van den regel tot het volgen van de beschaafde
+ uitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast
+ de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen
+ en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene
+ plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan
+ de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere
+ voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene
+ slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal
+ zou begrepen worden.--Van vele woorden bestaat slechts ééne,
+ en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve
+ tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische
+ woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik,
+ maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden
+ uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden
+ zij--doorgaans bastaardwoorden--verschillend uitgebracht,
+ dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te
+ beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen,
+ dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr. contrefort),
+ bij de schoenmakers komfoor, komfoord of komfoort; volgens den
+ regel moet de laatste uitspraak, mv. komfoorten door de spelling
+ voorgesteld worden.
+
+ b. Het woord zuiver moet dienen om aan eene uitspraak, die ten
+ gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters
+ verwisselt, weglaat of invoegt, en dus onzuiver is, allen invloed
+ op de spelling te ontzeggen.
+
+ Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook
+ af te keuren, iets anders dan onzuiver spreken. Zoolang in
+ eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord
+ als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed
+ op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis
+ in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer
+ (Orthographie).
+
+ Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt
+ zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene
+ spellingleer te doen gelden.
+
+ c. De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit
+ het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd-
+ en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is
+ tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit
+ dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader
+ bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die
+ tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.
+
+ De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige
+ regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.
+
+41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten
+volgt, dat alleen zij beslist, en dat de andere dialecten slechts in
+twijfelachtige gevallen eene raadgevende stem kunnen hebben. Wanneer
+eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de
+afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien
+der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen
+invloed oefenen.
+
+ De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den
+ strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig
+ aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te
+ bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.
+
+42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen
+nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer
+wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig,
+dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor
+te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de
+spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak
+blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduid worden. Het schrift stelt
+dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan
+uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele
+eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna
+onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken,
+veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door
+hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.
+
+ a. De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen
+ gevoelen, zijn de n en de zachte onder de zoogenaamde verwante
+ medeklinkers, met name de b, d, g, v, en z.
+
+ b. De n klinkt geheel anders in zoon en mijn dan in tang en dank,
+ of in franje, kransje, hondje.
+
+ c. De b, d, g, v, en z worden aan het einde eener lettergreep en
+ in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe
+ letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg als p, t,
+ ch, f en s luiden, de v en z meestal zelfs in f en s overgaan. Men
+ vergelijke been met schub, krab, hebt, hebzucht; daar met raad,
+ gids en blijdschap; goot met oog, oogtand en zegt; vel met diev
+ (dief), leevt (leeft) en ontvangen; zeel met leez (lees), vreezt
+ (vreest), raadzaam en ontzinken.
+
+ d. De g wordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord
+ eene n voorafgaat, b.v. in tang, hij zingt.
+
+ e. Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die
+ somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men
+ vergelijke de w in wijn, flauw, schuw en schuwer; de s in saai,
+ stijfsel en raadsel; de m in man, kom, hemd, en komt; de l in land,
+ stoel en melk; de f in fraai en straf; de i in inkt en koning.
+
+43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist
+weder te geven, het is ook onnoodig en zou buitendien ondoelmatig zijn.
+
+Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken is onnoodig, omdat
+men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de
+uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het
+ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij
+het samenvoegende uitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid
+te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der
+elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.
+
+Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het
+bedoelde woord herkennen kan.
+
+44. Uit het gezegde in § 9 blijkt a priori, en de ondervinding leert
+a posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener
+taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die
+uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze
+pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten
+behoeve van den vreemdeling.
+
+45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om
+verschillende redenen ondoelmatig zijn.
+
+a. Zij zou voor velen het schrijven onmogelijk maken. Immers, indien
+men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en
+nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou
+het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of
+er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik
+dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen
+bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.
+
+b. Het zou voor allen, zonder uitzondering, het schrijven en
+lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der
+vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden
+ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de
+veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan
+het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten,
+en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote
+oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan
+zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne
+pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten
+spreken om zich zelven te beluisteren, ten einde den waren klank
+te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het
+woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te
+verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare
+vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.
+
+c. In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der
+samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift
+zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie
+der woorden kan opleveren.
+
+46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist
+behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om
+een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak
+gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die der
+Gelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel
+der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere
+regels; daarom schrijft men b.v. koninklijk, afhankelijk, gezocht,
+van koning, afhangen en zoeken; gracht voor graft, van graven.
+
+47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging
+van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die
+regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te
+dienen. Vooreerst toch doet de doelmatigheid strengere eischen dan het
+slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo
+vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid
+herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en
+het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de
+keus uit zoogenaamde gelijkluidende letterteekens moeten bepalen. De
+Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder
+zich, die hem verklaren en aanvullen.
+
+ a. De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank
+ maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne
+ waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De
+ bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die
+ eischen.
+
+ b. Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch
+ uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat
+ reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk
+ de i en y, c en k, c en s, x en ks; terwijl ph, th en qu door
+ ons gelijkgesteld worden met f, t en kw. Vervolgens zijn eenige
+ oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen
+ allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens,
+ voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te
+ weten de zachte e en o en de scherpe ee en oo, en de tweeklanken ij
+ en ei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde
+ letters bepalen.
+
+ c. Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamde
+ verwante medeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten
+ voorkomen. De zachte, de b, d en g, worden dan verscherpt en
+ naderen zoozeer tot de scherpe, tot de p, t en ch, dat zij in de
+ uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.
+
+ d. Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen
+ klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van de a uit de
+ vergelijking van dàg met dágen; van de e, uit de, bèd en dégen;
+ van de i, uit pìn, títel en zandig enz.
+
+ e. Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als
+ tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te
+ veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken
+ uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een
+ zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.
+
+ f. De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij
+ het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens
+ te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden
+ algemeenen spelregel, op dien der Gelijkvormigheid en dien der
+ Afleiding.
+
+48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de
+exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds
+denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe
+een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden
+herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel
+anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonen
+vorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst
+na eenig weifelen plaats. Met de woorden is het evenzoo gelegen. Wie
+het woord consequentie nooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal
+eenige oogenblikken in twijfel staan, als hij konzekwency geschreven
+vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene
+spelregel, die der Gelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds
+meer en meer is geëerbiedigd geworden.
+
+49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus:
+
+Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder
+deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor
+de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.
+
+De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen
+te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hun geheel, het laatste
+hunne bestanddeelen betreft. De regel wordt dan:
+
+a. Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of
+vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.
+
+b. Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde
+aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds
+dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling
+voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog
+als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis
+hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.
+
+ a. Overeenkomstig het voorschrift a) spelt men dag, des dags, ten
+ dage, dagen; glad, gladde, gladder, gladst; zeg, zegt, gezegd,
+ zeggen; niet dach, des dachs; glat, glatst; zech, zecht, gelijk
+ oudtijds wel placht te geschieden.
+
+ b. Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft men vijlsel
+ van vijlen; verleiding van verleiden; raadzaam van raad, door
+ aanhechting van zaam; hoofddeel uit hoofd en deel; niet veilsel,
+ verlijden, raatsaam, hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de
+ laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.
+
+ c. Het voorschrift b) ontraadt te spellen weereld voor wereld,
+ Duidsch voor Duitsch, diedsch voor diets, begicht voor biecht,
+ omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere
+ regels aandruischt, en de woorden weer (man), died of duid (volk),
+ giën (zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis
+ door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt,
+ maar veeleer verduisterd zou worden.
+
+ d. De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat" is aan beide deelen
+ gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde
+ Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven: andbacht voor ambacht en
+ ambt; heertog voor hertog; paarlemoeder voor paarlemoer; gezoekt,
+ gekoopt, voor gezocht, gekocht enz., omdat die vormen met de
+ uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.
+
+ e. Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels
+ dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding
+ noemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, de afleiding
+ in acht te nemen. De benaming Regel der Gelijkvormigheid verdient
+ echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den
+ regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het
+ in a) bedoelde omvat, hetwelk door den naam Regel der Afleiding
+ buitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste
+ uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel,
+ die werkelijk uitsluitend op de afleiding gegrond is.
+
+ f. De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de
+ bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk
+ meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien
+ hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der
+ medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters
+ der veranderlijke woorden tot de verwante medeklinkers behooren,
+ en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of
+ verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk boven a en b.
+
+50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der
+sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou
+zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook
+niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen,
+die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers
+aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe
+gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik
+der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom de t in ooit, voort,
+voorts, want, de ch in doch, toch, enz.
+
+ Door onverbuigbare woorden (indeclinabilia) worden hier
+ verstaan alleen die woorden, die van nature onverbuigbaar zijn,
+ als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels,
+ niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden,
+ als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende,
+ alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het
+ substantief was (cera) en het adjectief kwijt b.v. behooren niet
+ tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.
+
+51. De doelmatigheid zou nog een anderen regel voorschrijven, wier
+opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en
+dien men den Regel der Onderscheiding zou kunnen noemen. Deze zou
+eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden
+(homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter
+in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene
+geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien
+meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is
+b.v. niet mogelijk arm (niet rijk) anders te schrijven dan arm
+(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijn zugt (zware ademhaling)
+te onderscheiden van zucht (begeerte), maar hoe dan zugt of zucht
+(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken? Waaren (koopgoederen)
+en (wij) waren zou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar de
+aa strijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit
+blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerste waren met ééne,
+het tweede met twee a's te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding
+der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch
+belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu
+toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik,
+verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door
+een anderen regel gevorderd wordt. B.v. delen (planken) en deelen
+(gedeelten), beren (verscheurende dieren) en beeren (varkens), sleepen
+(doen slepen) en slepen (gesleept worden).
+
+52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraak en die
+der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk
+uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere
+spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk
+van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de
+algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een
+programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen
+kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel
+behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.
+
+53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband
+staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen,
+dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel,
+beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels
+willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien
+men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties
+behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van
+gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar
+die letters, opgenoemd in § 47, voor veler oor en mond volkomen
+denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde
+Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen
+eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige,
+zonder de letters zelve te bepalen.
+
+54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling
+vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel
+heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt,
+den Regel der Afleiding kan noemen:
+
+Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of
+de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog
+duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene
+andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.
+
+55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld
+hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te
+werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu
+met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige
+als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier
+nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden
+toestand te eerbiedigen.
+
+56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan
+van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen
+door de spelling te onderscheiden; men denke aan weken, mv. van week,
+en weeken, ww.; aan kolen en koolen, lijden en leiden.
+
+57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een
+noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd,
+veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen
+moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in
+strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.
+
+58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de
+spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie
+niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het
+raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden,
+waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen,
+mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware
+uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden;
+b.v. kerstmis voor kersmis, bestje voor besje, amechtig voor aamechtig,
+slaphakken voor slabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het
+volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op
+dien grond is Dinsdag, oudtijds Disendag (verbasterd uit Diesdag),
+van den krijgsgod Die, te verkiezen boven Dingsdag, dat ten onrechte
+aan ding of geding doet denken.
+
+59. De laatst gestelde algemeene regel (die der Afleiding) is
+natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleiding of oudere
+vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen
+regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of
+onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven:
+te weten den Regel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus
+moeten luiden:
+
+Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men
+overeenkomstig de analogie; d.i. de woorden wier spelling noch door
+de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding
+wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere,
+wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op
+overeenkomstige wijze gevormd zijn.
+
+60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift
+voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der
+grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in
+strijd met een der vorige regels.
+
+61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele
+twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de
+eene of andere zijde doen overhellen. In § 14 is reeds aangemerkt,
+dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan
+afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst
+leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook
+later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van
+den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf
+geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in
+de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft
+dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en
+gedwongene, dat wil zeggen onwelluidende, uitspraak. Waar de spelling
+vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift
+zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer
+blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en
+te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit
+opzicht betere spelling mogelijk is, en--dit moet op den voorgrond
+blijven--door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus,
+waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet
+gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen,
+die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding
+geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in
+twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien
+der Welluidendheid zou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt
+te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van
+het begrip, dat hier aan het woord welluidend moet gehecht worden.
+
+62. Het woord welluidend is hier natuurlijk niet in zijn algemeensten
+zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer
+eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het
+beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het
+zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te
+hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en
+dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van
+eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van
+een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.
+
+Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling
+zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander
+doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer
+bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke
+andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men den
+Regel der Welluidendheid in de volgende bewoordingen vervatten:
+
+Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan
+geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat
+rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak
+het best vertegenwoordigt.
+
+63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende
+redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de
+duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene
+letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer
+gehoord worden.
+
+ Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende
+ schrijfwijzen goed te keuren: thans, bijkans, Parijsche, Friesche,
+ wijste, frischte, meisje, handje enz., voor thands, bijkants,
+ Parijssche, Friessche, wijsste, frischste, meisjen, handtje enz.
+
+64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet
+toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op
+eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der
+eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat in
+straffen de beide f's gehoord worden, omdat strafen de uitspraak
+strá-fen voorstelt; in geenszins wordt, hoewel niemand geens-zins
+uitspreekt, de s toch gehoord, dewijl zij de volgende z verscherpt,
+zoodat het woord als geensins luidt.
+
+
+
+65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe
+men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven
+aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar
+die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het
+schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte
+noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe
+regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het
+toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere
+of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene
+ongewone spelling steeds een onaangenamen indruk maakt, dan blijkt de
+onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eener
+beperking van de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve,
+gelijk reeds in § 27 en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien
+een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling
+in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan
+ook reeds Siegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond,
+een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te
+beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik". Die regel,
+of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:
+
+De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk
+in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der
+gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende
+en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal
+woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin
+terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels
+volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven,
+zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.
+
+66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag
+worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het
+Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het
+ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een
+uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie
+of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van
+den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk,
+en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.
+
+ a. Zoo is b.v. de spelling thans (uit te hande), met eene h, die
+ niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, en thands, met
+ eene d er in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef,
+ omdat men in hand eene h en eene d hoort. De ch in tusschen
+ is door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te
+ schrijven, in dit woord werkelijk eene ch uitsprak. Niet gewettigd
+ daarentegen is de schrijfwijze Dingsdag, als steunende op eene
+ valsche etymologie, die den Dinsdag voor den dag der rechtsgedingen
+ hield. Evenmin is de spelling te samen te verdedigen, ofschoon
+ men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts
+ eene verkeerde toepassing is der analogie met samenkomst, samenzijn
+ enz., waarin de s wettig is, als ontstaan zijnde uit tz.
+
+ b. Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend
+ en den Regel van het Gebruik genoemd. Wel beschouwd echter voldoet
+ het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen
+ voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; het Gebruik
+ schrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men
+ eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt,
+ maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.
+
+67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft,
+vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet
+roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal
+moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele
+omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van
+het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet
+willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe
+spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch
+voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband
+staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet
+worden aanbevolen.
+
+Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze
+moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede
+schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene
+kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.
+
+
+
+68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak
+drieërlei spelling bestaat:
+
+1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak, naar of
+volgens de uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde
+Uitspraak voorgeschreven, b.v. die van al, as, bal, bast enz., welke
+woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;
+
+2. eene spelling, niet geheel volgens de uitspraak, niet juist zóó
+door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar
+met haar vereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak,
+ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander,
+vanzelve volgt; vergelijk § 42 en het slot van § 43. Tot deze soort
+van spelling behooren b.v. abt, werelddeel, staatdame, geenszins; en
+
+3. eene spelling, gedeeltelijk volstrekt strijdig en onvereenigbaar
+met de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt
+gewild; b.v. menschen, tusschen, thans, vijftig, zestig.
+
+
+
+69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de
+natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.
+
+De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar het schrift
+de reproductie der woordklanken ten doel heeft (zie § 2 en 3), is
+een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans,
+niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der
+Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is de Natuurwet der
+Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat
+er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden,
+geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.
+
+De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk
+de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks
+spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak
+wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der
+Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te
+verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs
+wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt
+zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.
+
+ a. Van tallooze woorden, als af, bel, doek, enz., waarvan geene
+ andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak
+ geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten
+ gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters;
+ b.v. van boekbindersknechten, kuipershandwerk, worden alleen de
+ ch en de d niet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven,
+ dewijl ook g en t daaraan zouden beantwoorden.
+
+ b. De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond
+ en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt in dag
+ eene g, en in hoofddeel twee d's, alleen omdat men in dagen
+ eene g, en in hoofd en deel beide eene d hoort.--De Regel der
+ Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil twee e's in deelen
+ (gedeelten), doch ééne in delen (planken), alleen omdat die
+ woorden voorheen verschillend luidden, het eene dail, het andere
+ dil.--De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der
+ Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl
+ die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling,
+ dat het schrift de uitspraak voorstelt.--Zelfs in die gevallen,
+ waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren,
+ doet de uitspraak zich gelden. Men schrijft tusschen met eene
+ ch, en thans met eene h, alleen omdat men vroeger die ch en h
+ werkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der
+ uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.
+
+70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels,
+zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar
+met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik
+(vergel. § 68, nº, 3).
+
+ Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak: abdij,
+ ambt, herberg, behendig, overtollig, gekocht, wierook, bruiloft,
+ hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleiding abtij,
+ andbacht, heerberg, behandig, overtallig, gekoopt, wijrook,
+ bruidloopt zou vorderen.
+
+ Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde
+ Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste
+ alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het
+ geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om
+ de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.
+
+71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt
+gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit
+gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle
+afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden op
+b, p, d, t, g en ch regelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet
+strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden
+en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.
+
+ Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder
+ meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen,
+ waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat
+ hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder
+ den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de
+ Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare
+ inachtneming nuttig is.
+
+72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk
+en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een
+anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit
+zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat
+slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden
+wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke
+eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt
+is, die der Analogie en der Welluidendheid, vervullen geene onmisbare
+behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen
+van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam
+verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der
+bewoners getuigen.
+
+Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe,
+omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel
+der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt
+o.a. de spelling der vele woorden, waarin ij's en ei's, en in opene
+lettergrepen heldere e's en o's voorkomen. Dan moet de Regel der
+Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar
+al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid,
+welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de
+laatste rang overblijft.
+
+Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de
+toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst
+melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze
+had leeren kennen.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE AFDEELING.
+
+
+Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen
+bestaat.
+
+
+Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en
+28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in
+Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft
+aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het
+overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze
+Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen,
+die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van
+de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene
+spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil
+van gevoelen bestaat.
+
+
+
+De klinkers.
+
+73. De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen geschiedt buiten
+twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spelling aa
+en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie
+gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient
+dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Aa stelt denzelfden zuiveren
+klank voor, die door a wordt aangeduid. Bij ae is men geneigd te
+denken aan de naar e trekkende uitspraak der landlieden in sommige
+streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamsche a zou door ao moeten
+afgebeeld worden. Vergelijk Taalgids, IV, blz. 54-64.
+
+
+
+74. De spelling blaauw, flaauw enz. stelt eene uitspraak voor, die niet
+de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en
+stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve
+niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door
+velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan
+te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt
+en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht
+van bestaan heeft; vergelijk § 66. Wij schrijven derhalve blauw,
+flauw, gauw, grauw, klauw, lauw, nauw, pauw, rauw, knauwen, krauwen
+enz. met au. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de
+gebruikelijke schrijfwijze dauw en kauw op, die meer in overeenstemming
+is met de gewone uitspraak, welke veeleer ou dan aau doet hooren.
+
+
+
+75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der
+taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der
+e's en o's in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en Weiland
+volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te
+heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei
+wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank,
+worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de
+verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte,
+naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpe e en o van den
+eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het
+oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het
+eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl
+de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg
+gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren
+kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus
+hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in
+dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder
+andere uit de wijze, waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te
+gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van
+gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijne Verhandeling
+over de Spelling aan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al
+die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in
+de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne
+getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór
+en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming
+zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot;
+maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag,
+waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest,
+ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen
+woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden
+onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk
+bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen
+toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak
+niet zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector
+zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil
+tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en
+steden. Volgens het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten,
+menigte, smeeken, spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen,
+personen en schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken;
+terwijl men in deze provincie zoowel poogen als pogen en te Rotterdam
+zoowel tonen als toonen zou hooren [3]. Dat er ten opzichte van
+andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene
+dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek
+van Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich
+gehouden achtte een aantal woorden, als deren, kelen, nering, peren,
+scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven, bogen,
+boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen.
+
+Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de
+werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land
+door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en
+steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag
+kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel
+zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te
+zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan
+verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat
+in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke
+gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den
+verschillenden oorsprong der e's en o's. Door de onderzoekingen der
+nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den
+Indo-Germaanschen volksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen, a,
+i en u (lees: oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e
+en o, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken
+ontstaan zijn; zie onder anderen Bopp, Vergl. Gramm. des Sanskrit,
+Send etc. §§ 1-104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche
+vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen
+alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen
+natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles
+duisternis en verwarring [4]. Doch al wil men haar ook al niet voor
+alle Indo-Germaansche talen als geldig erkennen, ten opzichte van
+het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig
+uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken
+onze e's en o's ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men
+dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal
+woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.
+
+De verschillende oorsprong der e's en o's is de oorzaak van
+het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene
+vergelijking der Nederlandsche woorden, waarin e's en o's voorkomen,
+met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij
+in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat de e en
+o beide drieërlei oorsprong hebben: dat de e eene wijziging van i,
+a of ai, en de o van u (oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange
+heldere of opene e's en o's uit de enkelvoudige, oorspronkelijke
+klinkers a, i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen,
+behalve natuurlijk in de gevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamde
+zachtlange klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken
+ai en au aan erkende scherplange e's en o's beantwoorden.
+
+Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in
+de geschiedenis onzer e's en o's en in hare verwisseling met andere
+klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe
+het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei
+wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte
+en nog een zweem van een tweeklank hebben.--Vervolgens, waarom de
+zachtlange é met a en i en met de korte è, en de zachtlange ó met de
+korte ò afwisselt, b.v. in stad--steden, vagen--vegen, gift--geven,
+nicht--neef, spel--spelen, gebed--gebeden; ik kom--zij komen,
+lot--loten; en waarom de scherplange e's en o's met de tweeklanken ei
+(ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in gereed en bereiden, breed
+en verbreiden, boom en bouwen, troost en vertrouwen.--Die waarneming
+eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde
+woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat
+men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde
+gehouden heeft; b.v. beer (ursus) en beer (verres); deel (pars) en
+deel (asser); klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven
+en meerv. van kloof); toonen (lichaamsdeelen) en tonen (klanken).
+
+76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten
+den oorsprong der e's en o's als grondbeginsel der vocaalspelling aan
+te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:
+
+De ware uitspraak der e's en o's is niet op te maken uit de vroegere
+schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten,
+omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming
+ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en
+den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder
+en zal waarschijnlijk eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in
+sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde
+beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen
+is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en
+onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de
+uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot
+dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van
+klanken had plaats gehad.
+
+Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten
+opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt
+zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat
+zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen
+aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of
+West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of
+Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der e's en o's een feit,
+dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect,
+of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van
+zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel
+het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring
+zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in
+(ik) weet en (wij) weten oorspronkelijk verschilden, dat de e van
+het enkelvoud vroeger ai, die van het meervoud i was; en toch worden
+beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch
+scherp, als ei of ij, in ik weit, wij weiten; elders zacht, in ik
+weet niet anders dan in wij weten. Welke stad of landstreek zou aan
+de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen
+of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den
+oorsprong der e's en o's als grondslag aan, dan behoeft er geene keus
+gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men
+is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid
+in de uitspraak meer maken, en die de onderscheiding der zachte en
+scherpe e's en o's als een last beschouwen.
+
+Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere
+landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel
+zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van
+andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar
+een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil,
+zich in zijn studeervertrek van den oorsprong der e's en o's kan
+vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal
+komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene
+of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de
+woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe
+met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en
+waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van
+zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en
+naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong
+der e's en o's een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op
+alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige
+uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor
+alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer
+gehoord wordt, toegankelijk is.
+
+Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare
+waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van
+gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong der e's en o's is
+gegrond op het onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au, klanken,
+die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en
+verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer
+onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele
+gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong
+der e's en o's te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls
+de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde
+beschouwing wezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij
+opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat
+raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in
+overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere
+talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aan beenen en boomen
+scherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitsch
+bein en baum zegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten,
+dat onze eigene voorouders eenmaal bain en baum hebben uitgesproken; de
+spelling beenen en boomen berust derhalve inderdaad op verschijnselen
+in onze eigene taal. Vergelijk hier Taalgids, VI, blz. 153 v.
+
+77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last
+is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent
+het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen,
+maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten
+voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op de a
+en u toe te passen, en b.v. naast va-der, za-del, u-ren enz. jaa-ren,
+daa-den, wij vuu-ren enz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke
+redenen bestaan als voor de spelling bree-de, boo-men enz. Aan
+die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen
+overeenkomstig den oorsprong der e's en o's tot de stamlettergrepen
+wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den
+klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,
+dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon
+hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl
+een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen
+klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel -loos,
+hetwelk in goddelóós, zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen
+klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen -eeren; -eel en -ees,
+die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen, Japanneezen. Tot
+het tweede geval behoort -heid, mrv. -heden, dat nooit den vollen
+klemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik,
+waarin de schrijfwijze -eelen reeds is aangenomen, en die van -eezen
+meer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling
+-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich
+sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds door
+Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men
+bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken;
+dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het
+Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch)
+gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog een tweeklank
+was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld
+van Bilderdijk te volgen.
+
+ Een achtervoegsel -eet, welks bestaan door enkelen beweerd
+ wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op -eet
+ eindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort de e
+ tot den stam des woords, en kan alleen de t als achtervoegsel
+ worden beschouwd. Deze is in paracleet, poëet, profeet, en ook in
+ komeet en planeet, een overblijfsel van het Grieksche suffix -tês,
+ lat. -ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; in compleet,
+ concreet, discreet, secreet, van het Latijnsche suffix -tus,
+ -ta, -tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen -êtês,
+ -etus enz. bestaan, is bij de woorden op -eet niet de regel voor
+ de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De
+ Redactie schrijft daarom met ééne e: poëten, profeten, concrete,
+ complete enz.; en om gelijke redenen met ééne o; astronomen,
+ oeconomen, horoscopen, telescopen, philanthropen, misanthropen,
+ heliotropen, theologen, philologen, enz. waarin noom, scoop,
+ anthroop, troop en loog verbasteringen van geheele woorden,
+ niet van achtervoegsels zijn.
+
+78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond
+wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de
+achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel
+is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de
+verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe
+e's en o's, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de
+zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u
+(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen
+van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van
+het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpe e's en o's,
+dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.
+
+Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat
+het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en
+in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon,
+wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat
+de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken,
+onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan
+zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de
+verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. in thee,
+vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts
+den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer,
+ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. in waarheid, waarlijk, arbeid,
+armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar
+geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkele e in -heden,
+meerv. van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp
+is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit
+achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen
+steeds door ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels
+-eel, -ief, -iet en -iek eene e in kast-el-ein, subject-iv-iteit,
+Jezu-it-isme, f-abr-ik-ant.
+
+De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden
+regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men
+oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken,
+namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende
+uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede
+verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt
+zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.
+
+79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de
+achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk, omdat hij gemakkelijk
+is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden
+toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan,
+tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers
+de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de
+achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.
+
+Vooreerst toch zou het meervoud van -heid, goth. haidus, mv. haidjus,
+hd. heit, mv. -heiten, volgens die beginselen twee e's moeten
+hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik,
+dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaan
+aangenaamheeden, boosheeden, kinderachtigheeden en zoo vele andere
+-heeden met twee e's te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens
+door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de
+Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen
+te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de
+gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.
+
+De uitgangen -eeren en -eel zijn bastaardachtervoegsels; en de e's,
+die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige
+zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee
+lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste
+twee e's vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk
+eene e men te doen heeft. Wij hebben -eeren, mnl. -ieren, uit het
+Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg
+bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. De e van regeeren
+schijnt die te zijn van fr. régner; maar mnl. regnieren, waaruit
+regeeren ontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming
+van die e te denken; en die in concipieeren is toch wel niet de oi van
+fr. concevoir, noch die van farceeren de i van farcir. Het Fransch,
+waarin de e's trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot
+leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten
+gaan. Doch dit heeft vier uitgangen: -âre, -êre, -îre en -ere; daarin
+zijn â, ê, en î samentrekkingen van de lettergreep aja (skr. aya);
+maar -ere heeft eene e uit de korte i ontstaan. Dienovereenkomstig
+zou men communiceeren, doceeren, recenseeren, farceeren enz. met ee,
+maar defenderen, fingeren, absolveren enz. met e moeten spellen. Zou
+het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te
+willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan
+leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch
+werkwoord beantwoordt, b. v, met trotseeren, waardeeren, stoffeeren?
+
+Bij -eel zouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan de e in
+dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte
+Latijnsche e of i: doch in conditioneel, crimineel, inaugureel,
+origineel eene lange a. Deze is in criminalis en inauguralis weder
+de samentrekking van -aja-; maar wat is zij in conditionalis en
+originalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welke e hebben
+wij in houweel, tooneel, fluweel? Hier zou in elk geval wederom
+eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten
+plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage
+niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil
+de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet
+twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel
+anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachte e's en o's laat
+hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds
+als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen
+strekken abdij, soldij, tyrannij, azijn, dolfijn, venijn, paradijs,
+patrijs, saucijs, profijt, practijk, gelei, karwei, livrei, qualiteit,
+quantiteit, sociëteit, fatsoen, katoen, kapoen en kapuin, aluin, abuis,
+fornuis, advies, commies, enz., waarbij men in het oog moet houden,
+dat oe en ie voorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren
+en -eel evenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen
+vorm -ieren. Ook -eel werd wel als -iel uitgesproken, blijkens de
+gemeenzame taal in oude kluchtspelen; en gatenplattiel, karviel,
+nevens karveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de
+werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uit profiteeren
+naast profijt, kopieeren naast kopij, praktizeeren naast praktijk,
+abuseeren naast abúís enz.; zij veranderen niet in tweeklanken,
+waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf
+naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong der e's, waarop
+men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijft cement,
+lat. caementum, planeten, lat. planêtae, evengoed met eene enkele e,
+als ceder, lat. cedrus.
+
+Het achtervoegsel -ees, fr. -ais en -ois, is lat. -ensis, na afwerping
+van -is en uitstooting van de n. Het Nederlandsch pleegt na de
+uitstooting eener n de voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs
+een tweeklank van te maken; blijkens kiekhoest, bij Kiliaan, naast
+kinkhoest; muid, in IJselmuiden, naast mond, in IJselmonde; kluit
+naast klont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,
+Portugies. De verlenging der e geschiedt dus ook hier volgens den
+aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.
+
+Het achtervoegsel -loos, goth. en onrd. -laus, ags. -leás, moet, ook
+volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed
+als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels,
+eene scherpe o (oo) hebben. Een achtervoegsel -loos, -loze, met de
+zachte o, dat los zou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft
+de adjectieven loos, looze en los, losse zoowel in uitspraak als in
+beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om
+de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.
+
+Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de
+regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd
+plaats bij de spelling van -heden, wat niemand met twee e's wil,
+en ook niet behoeft te willen, dewijl de spelling met eene enkele
+e in de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de
+taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.
+
+80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen
+beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering,
+en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:
+
+ beer (verscheurend dier), mv. beren, onderscheiden van beer
+ (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren;
+
+ deel (plank en dorschvloer), mv. delen, onderscheiden van deel
+ (gedeelte), mv. deelen;
+
+ deemoedig;
+
+ deesem;
+
+ dwepen;
+
+ eega;
+
+ heep (soort van handbijl), mv. hepen;
+
+ keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde als keel
+ (lichaamsdeel);
+
+ keren (vegen);
+
+ kwee (vrucht);
+
+ meren (een schip vastleggen);
+
+ sleepen (voorttrekken), causatief van slepen (gesleept of
+ voortgetrokken worden);
+
+ droog, droge, droger, drogen;
+
+ hoonen;
+
+ klooven (doen splijten), causatief van klieven (in den verouderden
+ zin van splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof en
+ verl. tijd van kluiven;
+
+ koozen, liefkoozen;
+
+ kroon, mv. kronen;
+
+ sloof (voorschoot), mv. slooven, onderscheiden van sloof
+ (sukkelaarster), mv. sloven;
+
+ toon (muziektoon), mv. tonen, onderscheiden van toonen (wijzen)
+ en toon (teen), mv. toonen;
+
+ troon, mv. tronen;
+
+ vroolijk;
+
+ zoogen (laten zuigen), causatief van zuigen, onderscheiden van
+ wij zogen, verl. tijd van zuigen.
+
+Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat de e in heer (dominus) en
+keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en
+oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend,
+om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene
+verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke
+woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur
+is geworden.
+
+Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de
+vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het
+geheele spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie
+in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk
+en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat
+bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal
+bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd
+de enkele e en o te gebruiken. Vergelijk ook § 26. Maar terwijl de
+practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare
+voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan,
+dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den
+oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste
+eischen der wetenschap beantwoordt.
+
+ a. De Redactie was vroeger van meening, dat de e in begeeren zacht
+ was. Zij grondde haar gevoelen op de i in ohd. giric, onrd. girug,
+ enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachte
+ e zou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het
+ ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls
+ voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne
+ verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht
+ op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat
+ die ì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt,
+ de lange î is, die in den regel onze ij heeft opgeleverd, behalve
+ vóór eene r, waar zij zich in ie (vroeger een tweeklank) oploste:
+ vergelijk wierook voor wijrook van wij(d)en; gier (roofvogel),
+ nhd. geier, ohd. gîr; schier in Schiermonnikoog, Schieringer,
+ schierroek, enz., ohd. scîr enz. Doch kan î de stam van begeeren
+ niet zijn, dan moet het gair wezen, dat in goth. gairuni, gairnjan
+ enz. voorkomt en de echte tweeklank ai blijkt te zijn.
+
+ Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is de ie in
+ gierig verklaard, maar ook de a in mnl. begaeren en nnl. gaarne,
+ naast begeeren, geerne en gierig; en de vormen in de verwante
+ talen blijken in overeenstemming te zijn. De e van begeeren is
+ derhalve scherp, als zijnde uit ai ontstaan, zoodat er van de
+ spelling met ééne e (begeren) geene sprake meer zijn kan.
+
+ b. Ook zal men op bovenstaande lijst de woorden knoop, kloot
+ en zweep niet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons
+ gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen van
+ knoop hebben bestaan, wat onder andere uit ofri. cnop en cnâp
+ blijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze
+ scherpe o beantwoordt. De uitspraak met de scherpe o, waarop de
+ gebruikelijke spelling knoopen berust, kan derhalve niet als eene
+ verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die
+ als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak
+ veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier
+ te wijzigen; ze blijft daarom knoopen vastknoopen, ontknoopen
+ enz. schrijven.
+
+ c. Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de
+ oorspronkelijke vormen van kloot en zweep. Indien men echter
+ die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd. sweif
+ (staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan,
+ en is de spelling klooten en zweepen even wettig als kloten
+ en zwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in
+ beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde
+ geval bevinden als heeren en keeren. De Redactie acht zich dus
+ nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daarom klooten en
+ zweepen schrijven.
+
+
+
+81. Ofschoon de spelling wereld, eigenlijk wer-eld, de beschaafde
+uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar
+als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk § 41. Wareld
+toch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met
+de afleiding; en hetzelfde geldt van waereld, daar men ae in onze
+taal steeds als de voorstelling eener lange a heeft aangemerkt en in
+België nog veelal als zoodanig beschouwt.
+
+Om dezelfde reden is ook de spelling vaers voor vers te verwerpen.
+
+
+
+82. Om de boven in § 79 ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens
+de volle ie te bezigen in de achtervoegsels -ief, -iek en -iet,
+zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneer ie op het einde
+der lettergreep komt, b.v. in motie-ven, substantie-ven, fabrie-ken,
+republie-ken, Israëlie-ten, Mennonie-ten. Die spelling is buitendien
+in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van -ier en
+-ies in officie-ren, tuinie-ren, commie-zen, valie-zen. Daarentegen
+acht zij ie te zwaar, en daarom eene enkele i voldoende, wanneer die
+achtervoegsels geheel toonloos worden, in mot-i-veeren, Jezu-ït-isme,
+fabr-ik-ant, muz-ik-ant, muz-ik-aal, republ-ik-ein. Vergelijk den
+Regel der Welluidendheid § 61 en 62.
+
+
+
+83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoud oli-ën, trali-ën
+enz., van olie, tralie enz., dewijl ie in deze en dergelijke woorden
+geheel toonloos is; daarentegen knie-ën, spie-ën, drie-ën, waarin de
+eerste, en reliquie-ën, genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den
+vollen klemtoon heeft. Dat men voorheen kniën, spiën spelde, is daaraan
+toe te schrijven, dat ie, uit iu (ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank
+was, die nagenoeg tweelettergrepig, als ië, werd uitgesproken. Knie-en,
+spie-en zou toen derhalve geluid hebben als kní-e-en, spí-e-en. Thans
+echter is ie een zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v. ee,
+zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de
+hedendaagsche uitspraak; daarom knieën, spieën, evenals zeeën, tweeën;
+en zoo ook analogieën, harmonieën, melodieën, reliquieën en genieën,
+verschillend van geniën (géniën), meerv. van genius.
+
+
+
+84. Ofschoon de i in het achtervoegsel -isch denzelfden helderen
+klank heeft als ie in -ief, -iek, -iet en -ier, geeft de Redactie
+aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkele i verreweg de
+voorkeur boven -iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon
+mist, en i daarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter
+dan bij het achtervoegsel -uw in schaduw, zwaluw, hetwelk evenzeer
+toonloos is en door niemand met twee u's geschreven wordt. Vergelijk
+den Regel der Welluidendheid § 61 en 62.
+
+ Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§
+ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en
+ een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is
+ elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop
+ noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste in
+ be-hóúd, ge-lóóf, ver-driét, de laatste in já-ren, há-mel, há-mer,
+ kó-ning, gróót-vader, hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den
+ regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als
+ het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een
+ eigenlijken klank hebben; b.v. de e in aarde, onl. irtha, in hamer,
+ ohd. hamar, in hemel, onl. himil; de u in Gorkum uit Goring-heim;
+ de i in het achtervoegsel -ig, goth. -ag en -eig. Enkele toonlooze
+ klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers,
+ b.v. in hatelijk, beminnelijk enz. voor haatlijk, beminlijk enz.
+
+ Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de
+ klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch
+ niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede
+ lettergrepen in py-ra-mide, mag-ne-tiseeren, mo-ti-veeren,
+ ge-o-graaf, no-tu-len, en de laatste in o-lie, me-nie, tra-lie,
+ Janua-ri, Ju-li, afgo-disch, nieuwmo-disch, scha-duw, zwa-luw
+ enz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw
+ zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak
+ hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.
+
+ Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze
+ klinkers.
+
+
+
+85. Het letterteeken ij stelde, gelijk men weet, oorspronkelijk
+in gesloten lettergrepen, als mijn (miin), sijn (siin), de
+lange i voor, die in opene, als mine, sine, door de enkele i werd
+vertegenwoordigd. Het teeken j was dus in de genoemde en dergelijke
+woorden een gewijzigde vorm van de letter i, die gelijkstond met de
+tweede a, e, o en u in jaar, eed, room en vuur. Het verlengen door het
+aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve;
+zoo schreef men ook vj, vij, viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge
+had j in strijd met § 47, a. twee verschillende waarden, die van
+vocaal in mijn (miin) en wijn (wiin), en die van consonant in jaer,
+joc. Toen in het Nnl. de lange i in de uitspraak gelijk werd aan den
+tweeklank ei, kwam de schrijfwijze ij geheel in strijd met de natuur
+van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer door ii
+afgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks
+de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die
+onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken
+voor ij of IJ in zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusschen i j
+en den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel
+daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid
+te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch
+de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden,
+de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden,
+en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren,
+hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den
+gewonen vorm van ij en IJ onzes ondanks te behouden.
+
+
+
+86. Volgens § 47, a. moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten
+volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt
+in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nog kolijk, katholijk,
+fabrijk, muzijk enz. schrijft, en door die spelling aanleiding geeft,
+dat sommigen in die woorden werkelijk eene ij of ei laten hooren. Nu
+zij in de beschaafde uitspraak den i-, niet den ei-klank hebben,
+eischt de eerste grondregel koliek, katholiek, fabriek enz.; zoo
+ook poëzie, harmonie, melodie enz. Den dichter blijve het echter
+vrijgelaten naar goeddunken ook poëzij, harmonij enz. te schrijven,
+omdat in die woorden op ie, die den klemtoon op de laatste syllabe
+hebben, ook de uitspraak ij geoorloofd is. Zie § 40.
+
+Zoo schrijve men ook koffie, lat. coffea, evenals men schrijft balie,
+falie, malie, tralie, olie, foelie, linie, kevie, merrie enz.
+
+ Nog sterker dan de spelling muzijk voor muziek enz. is af te keuren
+ het gebruik van de ij in de plaats van de enkele korte i of y in
+ tweeklanken als aij, eij, oij, uij, oeij, voor ay, ey, oy, uy, oy,
+ of ai, ei enz. De ij heeft nooit als enkele i gegolden. Oudtijds
+ had zij de waarde van ii, thans stelt zij een tweeklank voor, die
+ als ei luidt; zoodat aij, hoe men het neme, niet anders opgevat
+ kàn worden, dan òf als a + ie, òf als a + ij (a + ei). Eene
+ spelling met aij enz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door
+ de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen,
+ zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden
+ wordt. Gesteld dat iemand Van der Kruis heet, dan zijn van dien
+ naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters,
+ te verdedigen: Kruis, Cruys of Cruyss; doch Cruijs kon voorheen
+ niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans
+ niet anders worden uitgesproken dan kru-ij-s (kru-eis); ij voor
+ y is dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling
+ van twee niet gelijkluidende letters, b.v. van r en l: cruij-s is
+ even ongeschikt om den klank kruis te vertegenwoordigen als kluis
+ of kruid zijn zou. Alleen de gewoonte van ij en y te verwarren
+ maakt, dat kruijs minder ongerijmd schijnt.
+
+
+
+87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn
+(Januarii, Junii enz.), is de i-klank van een geheel anderen aard en
+oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie
+wenschelijk voor dien ook in de spelling van den uitgang -ie, welke
+hier en daar nog als ië luidt, te blijven onderscheiden, en naar
+Latijnsch gebruik Januari, Februari, Juni en Juli te schrijven. Deze
+spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met
+de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.
+
+
+
+88. De afleiding eischt de vervanging van ei door ij in de woorden
+malvezei, fr. malvoisie, en karwei (soort van zaad), fr. carvi,
+onderscheiden van karwei (werk), fr. corvée. Daarentegen zal om
+dezelfde reden de ij van sacristijn, fr. sacristain, ofschoon
+in sacristij (fr. sacristie) op hare plaats, voor ei moeten
+wijken. Derhalve malvezij, karwijzaad, sacristein, doch karweitje,
+sacristij.
+
+Het woord dozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou
+kunnen aanzien, moet zijne ij behouden. Niet uit het Fransch toch,
+maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is
+aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord niet doezijn,
+maar dozijn, en sommige dialecten zeggen doziin, hetgeen op het
+Middeleeuwsch-latijnsche docenum wijst, en het woord op ééne lijn
+stelt met krijt, lat. creta; venijn, lat. venenum; tapijt, lat. tapete.
+
+IJzen en ijselijk hebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun
+bestaan te danken aan een woord, dat goth. agis, ohd. egiso luidde,
+en zouden uit dien hoofde, evenals zeil uit zegel, dweil uit dwegel
+enz., met ei behooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk
+geschiedde. Daar echter het grondwoord eis (vrees, schrik) al vroeg
+vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude
+rilling voelt, begon men aan eene verwantschap met ijs te denken,
+en aan eizen de bepaalde beteekenis te hechten van koud worden,
+van schrik verstijven. In de uitdrukking: het is om van te ijzen,
+ziet het woord kennelijk op de kille huivering, die eene ontzettende
+aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in
+de uitspraak en spelling. In die gewesten, waar ij nog als i klinkt,
+zegt men izen en iselik; en bij Kiliaan, Coornhert en anderen treft
+men de beide spellingen, met ei en ij, nevens elkander aan. Het een
+en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente" naast het oude,
+nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd
+heeft. Daar nu de spelling eizen, eiselijk niet zou kunnen strekken
+om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende
+de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden
+om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de
+niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een
+verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is,
+en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het
+nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens
+den Regel der Uitspraak ijzen en ijselijk.
+
+
+
+89. Op grond van § 47, a en e verwerpt de Redactie de spelling van
+by, my, hy, zy, dwingelandy, razerny enz. met y, omdat deze letter
+in oorspronkelijk Grieksche woorden, als cylinder, Styx, Egypte,
+reeds den gewonen i-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige
+noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat de
+ij-klank in bij, mij, hij slechts uit eene korte, niet uit eene lange
+i ontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het
+bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige
+woorden, als thee, zoo, ook de e en o verdubbeld worden, ofschoon
+zij eigenlijk zacht zijn.
+
+
+
+90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers
+eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in
+alle naamvallen van het meervoud eene s aan, voorafgegaan door het
+uitlatingsteeken ('). Dus Maria's, Hebe's, Garibaldi's, Cicero's,
+echo's; niet Mariaas, Hebees enz. Daar de verdubbeling der i niet meer
+in gebruik is, zou men althans niet Garibaldiis, Paniniis, Rubiniis
+kunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ook Mariaas, Hebees
+enz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met
+de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang
+wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche
+woorden in den regel door aa, ee enz. worden voorgesteld. De
+welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik
+van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den
+klinker. Zie § 59, 61 en 62.
+
+Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen
+wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft
+de Redactie ook Bruining's, of Bruinings', naar gelang men den tweeden
+naamval of het meervoud van Bruining of van Bruinings bedoelt.
+
+ De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche
+ gemeene zelfstandige naamwoorden, als ga (samentr. van gade),
+ ra, vla (vlade). De a heeft in het meervoud dier woorden dezelfde
+ zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen,
+ b.v. als in aas, baas, geraas. Daarom schrijven wij niet eega's,
+ ra's, vla's, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch,
+ die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen
+ klinker voorschrijft: eegaas, raas, vlaas.
+
+
+
+91. De Redactie spelt aar (korenaar), haar (hoofdhaar), meer
+(waterplas), door (van een ei), oor in oorsprong, oorzaak, niet air,
+hair, meir, doir, oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door
+de afleiding als door de uitspraak verworpen en door de duidelijkheid
+niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er
+geene reden te bedenken is, waarom men niet liever in air (ader), hair
+(voornw.), meir (telw.), doir (voorzets.) enz. de verlenging door i
+zou aanduiden. Daarentegen meent zij de spelling heir (legermacht)
+en oir (erfgenaam) boven die van heer en oor te moeten verkiezen;
+het eerste omdat heir de beschaafde uitspraak, hoewel niet juist,
+toch beter vertegenwoordigt dan heer; het laatste als verbastering
+van het Fransche hoir. De spelling oor zou dit weinig gebruikelijke en
+weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid
+niet bevorderen.
+
+
+
+De medeklinkers.
+
+92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij
+het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent
+de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen. Moet men
+zaaijen, zaaien, zajen of zaayen, hooijen, hooien, hoojen of hooyen
+spellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort
+in de genoemde woorden wel is waar eene j, maar slechts zeer flauw
+en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord,
+b.v. in jaar, jong, gelijk blijkt uit de vergelijking van vleier,
+vleijer met (een goed) hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin,
+daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en
+gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aan bajert, dojer en
+oojevaar of ooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de
+zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong van zaaijen,
+draaijen, naaijen, en op de afgeleide woorden zaad, draad, naad,
+dan zouden za-jen, dra-jen, na-jen, de ware vormen zijn; zoo
+ook stroo-jen, goth. strau-jan, too-jen, goth. tau-jan, boej en
+boe-jen, lat. boja; daarentegen hooi-en, en kooi-en, om goth. havi
+(hawi) en lat. cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel
+niet. Verandert d in i of in j? Heeft men ro-jen of rooi-en, van roden;
+do-jer of dooi-er, van doder; oojevaar of ooievaar, van oodevaar, te
+spellen? En welke letter moet schuijeren hebben, dat hetzelfde woord
+is als schuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo
+goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk
+maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.
+
+De aangenomen spelling baai--baaijen, rei--reijen, hooi--hooijen
+druischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen
+woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende
+lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. dat kwaad
+eindigen zal op de d van kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op
+de g en w, waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en vrou-wen
+aanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd door baai, rei, boei
+enz. Ware de j in de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar
+evenzeer eischen in de onverbogene baaij, reij, boeij, omdat deze
+woorden in het meervoud baai-jen, rei-jen, boei-jen worden. Deze
+en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarin i
+de laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen
+beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet
+zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden op ij. De ij toch is
+ook een tweeklank, die op i uitgaat en dus in den verbogen toestand
+eene volgende j zou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben
+om bijjen, rijjen, vrijjen, vrijjer te schrijven. Het is dus niet te
+loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken op i
+onregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte
+van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het
+gebruik der enkele j hebben voorgeslagen, niet bedenkende, dat deze,
+wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan in bajen, drajen, haajen,
+boejen, broejen, hoojen, loojen enz., maar niet in brejen, ejeren,
+lejen, rejen, bujen, brujen, kujeren, schujeren enz. Ook handelt men
+bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die met i-j, in strijd met
+de afleiding, en brengt in een aantal woorden eene j, die er nooit
+in bestaan heeft: b.v. in dojer of dooijer (doder), kojen of kooijen
+(caveae), ojevaar of ooijevaar (oodevaar), rojen of rooijen (roden),
+leijen (lage), reijen (rege), schuijeren (schuiren, schuren). In
+sommige werkwoorden, als draaijen, naaijen, zaaijen, strooijen,
+tooijen, behoort de j werkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de
+spelling drajen, najen, zajen, stroojen, toojen eischen; maar dan
+ook draaj, hij draajt, draajde, waartoe men wel niet licht besluiten
+zou, te minder wanneer men bedenkt, dat de j in andere werkwoorden,
+b.v. in maaijen, breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch,
+is er geene regelmatige spelling met de enkele j zoomin als met de i j
+mogelijk, dan blijft alleen die met de enkele i overig, hetzij men die
+door i of door y voorstelt. De j is eigenlijk ook geheel overtollig;
+in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de
+overgang van de i tot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet
+sterker dan de flauwe j in zeeën, weeën, gedweeër, drieën, knieën,
+en in uitdrukkingen als: in boei en band, Mooi Antje enz. De j is,
+gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het
+einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan
+een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen,
+en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als de b in hembd en
+de p in kompt; behoudt men haar, dan moeten ook deze b en p weder in
+aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling
+kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de
+afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk
+is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige
+regelmatige schrijfwijze met de enkele i, en zulks te eer, omdat
+de spelling baaien, breien, boeien, buien enz. sedert lang bij vele
+onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner
+van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen
+dientengevolge bij de vormen op -ig en -ing niet eenparig handelden,
+hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid
+der j in die woorden duidelijk gevoelden [5]. De schrijfwijze baaien
+enz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten
+een trema op den klinker te zetten, die op i volgt, ten einde de
+verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker
+vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij
+de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve
+gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de
+gewone i door de y, als zijnde ook eene i, te vervangen, en hooyen,
+samenvloeying, opruying enz. te schrijven, waardoor de scheiding
+der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat
+plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam
+acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen
+mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteeken y aan de
+meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om
+het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in
+de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft
+ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de
+reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewone i aan te nemen,
+en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken op i,
+te weten aai, ei, ooi, ui en oei, voorkomt, steeds met de gewone i,
+zonder inlassching eener j, wanneer zij verlengd worden; derhalve:
+aaien, baaien, beien, breien, hooien, kooien, buien, kruien, boeien,
+knoeien, maaier, draaier, eieren, Beiersch, dooier, mooier, kruier,
+opruier, boeier, knoeier, baaierd, ooievaar, opruiing, samenvloeiing
+enz., evenals bijen, rijen, vrijer enz.
+
+In vreemde woorden, als bajonèt, sajèt, waar de klemtoon niet op de
+a valt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder
+omdat de spelling baaionet, saaiet niet alleen er vreemd uitzien,
+maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.
+
+
+
+93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling
+van een paar woorden op -lei en -hande. Sommigen schrijven tweederlei,
+tweederhande, driederlei, driederhande, anderen tweeërlei, tweeërhande,
+drieërlei, drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met
+of die zonder d? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling
+weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling
+door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.
+
+De woorden op -lei en -hande, ofschoon thans als afleidingen te
+beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een
+bepalend woord, als één, twee, al, veel enz. met de zelfst. naamw. lei
+(ofr. ley) en hand, die beide vrouwelijk zijn, en hier soort of
+gesteldheid beteekenen. Eenerlei, eenerhande, allerlei, allerhande
+staat gelijk met van ééne soort of gesteldheid, van alle soorten of
+gesteldheden. Voorheen bezigde men ook goederhande voor van eene goede
+soort; en zoo ook goedertiere, quadertiere, allertiere, velertiere,
+menigertiere of -tieren, waarvan wij ons hedendaagsche goedertieren,
+met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden
+op -lei en -hande heeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met
+een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende
+woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen,
+die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op -halve en -wege),
+geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeer
+allerlei, voor aller leien, als in het enkelvoud eenerlei; daarentegen
+eenerhande, met hand in den ouden meervoudsvorm op e, evengoed als
+velerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2den naamval
+aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op -er moeten
+eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft: eener-,
+geener-, eeniger-, meniger-, veler-, aller-, achter-, twintiger-,
+honderder-, duizenderlei en -hande enz.; doch onregelmatig vierder-,
+vijfder-, zesder-, zevender-, negender-, tienderlei en -hande enz.,
+omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal
+geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis
+dier woorden, en blijkt bovendien uit eenerlei, driederlei, achterlei,
+twintigerlei, honderderlei, niet eersterlei, derderlei, achtsterlei,
+twintigsterlei, honderdsterlei enz. De ingeschoven d is trouwens ook
+niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze
+lettergreep achter vloeiende letters, gelijk r en n zijn. Bij
+vierderlei, zevenderlei, negenderlei, tienderlei enz. heeft hetzelfde
+plaats als bij zwaarder, duurder, hoorder, scheerder, diender, boender,
+spaanders enz., en bij vilder, helder, kelder, zolder enz. van villen,
+hel, cellarium, solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel,
+ook eenderlei, alderhande, waarin aan de d wel geene beteekenis kan
+gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel
+ten onrechte de d ook achter andere letters dan vloeiende, namelijk
+in vijfderlei, elfderlei, twaalfderlei en zesderlei heeft ingevoerd,
+hebben evenwel eenerlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei,
+duizenderlei enz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan
+een practisch gemakkelijken regel: de achtervoegsels -lei en -hande
+treden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet
+bij driederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige
+gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder de d, waarbij de
+ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij
+schrijft derhalve: tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande.
+
+
+
+94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den
+geadspireerden keelklank vóór de t. Waar moet men cht spellen? waar
+gt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden,
+afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eene g voorkomt, b.v. in klagt
+van klagen, met g, de overige met ch behooren geschreven te worden,
+meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van
+sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten
+minste onzeker. Ten andere is de g in sommige stamwoorden slechts eene
+aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene
+verzachting van de oorspronkelijke ch, b.v. in vliegen, wij zagen, wij
+tegen, aangetogen en andere, zoodat door vlugt, gezigt, togt enz. toch
+niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel
+is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig
+en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spelling regt, regter,
+rigten, berigten, op eene verkeerde afleiding; geslacht (van slag,
+soort), tucht, tuchtigen (van tiën, toog enz.), (be)tichten, van
+(aan) tijgen, zouden evenzeer eene g vorderen als slagter, geslagt,
+togt enz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in
+strijd met ons taaleigen.
+
+Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel
+stellen:
+
+De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord
+blijvende en steeds onmiddellijk volgende t bevindt, welke tot dezelfde
+lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, door ch
+voorgesteld. Doch wanneer het woord eene g heeft, die, afwisselend,
+nu al dan niet onmiddellijk door de t wordt gevolgd, of wanneer deze
+tot de volgende lettergreep behoort, dan blijft de g onveranderd.
+
+Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten
+aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat
+hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste
+medeklinker (eene zoogenaamde muta) reeds van oudsher onmiddellijk,
+d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eene t gevolgd werd, dan
+zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort
+van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten,
+medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de
+verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal in
+ch overging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden
+helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling,
+b.v. in stòtteren van stóóten, in verhèffen naast verhéven, plaats
+vindt. Zoo ontstonden gràft en gràcht van gráven; schàft en schàcht
+van scháven; echt van ehe; gìft (mnl. ook gìcht) van géven; plìcht van
+plégen; kòcht en bruilòft van kóópen en lóópen; gewrocht van worken;
+gezòcht, gerùcht en kluft van zóéken, róépen en klieven; vernuft voor
+vernumbt van vernemen, vernomen. Doch men zegt en schrijft: hij graaft,
+schaaft, geeft, pleegt, koopt, loopt, zoekt, roept, verneemt, niet
+hij gracht, schacht, gift of gicht, enz., omdat deze zelfde woorden de
+vormen graven, ik graaf, schaven, ik schaaf enz., zonder t, nevens zich
+hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet
+toe. Evenzoo zeggen en schrijven wij laagte, leegte, hoogte, drukte,
+goedkoopte, diepte, niet lachte, lechte, hochte, druchte, goedkochte,
+dichte, alleen omdat de t, tot de volgende lettergreep behoorende,
+zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten,
+dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgende e ontbreekt,
+daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de
+vergelijking van luwte met lucht, ziekte met (water)zucht. Ook in de
+woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker
+werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen,
+is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat
+de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere
+klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uit abt (mnl. abbet), dat niet
+in aft of acht is overgegaan; uit ambt (ambacht), niet aft, gelijk
+vernuft zou doen verwachten; uit kreeft en ooft (bij Kiliaan krevet
+en ovet), niet krecht en ocht; uit markt (lat. mercatus), niet marcht.
+
+Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij
+ons ten regel stellen:
+
+De g blijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam
+op eene g eindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van
+-te gevormd van bijvoegl. naamw. op g uitgaande.
+
+Wij schrijven derhalve: dracht, jacht, klacht, macht, slachten
+(dooden), geslacht (en gemaal), plecht, plechtig, licht (niet zwaar),
+plicht, gewicht, gezicht, gedrocht, tocht, lucht, tucht, vlucht, zucht
+(diepe ademhaling) evenzeer met ch, als nacht, geslacht (familie),
+slachten (gelijken), echt, recht, licht(straal), lucht, vrucht
+enz. Daarentegen: hij draagt, jaagt, vraagt, legt, zegt, pleegt,
+weegt, droogt, zoogt, enz., en graagte, laagte, leegte, droogte,
+hoogte, menigte enz.
+
+De verkorte eigennaam Aagt behoort ook de g te behouden, dewijl er
+een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen
+vorm Agatha vertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet
+als Acht wordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der
+medeklinkers in plaats heeft.
+
+De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw. bracht, gebracht,
+mocht, van brengen en mogen, verkeeren in het geval, dat de ch
+eischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang -de (-te) de e verloren,
+ten gevolge waarvan de overblijvende t zich aan den voorgaanden
+medeklinker heeft aangesloten. Bracht en mocht staan voor brachte en
+mochte, en deze vormen voor bragde (of brengde) en moogde, gelijk de
+analogie van zengde, leegde en zoogde zou medebrengen. De overgang der
+regelmatig vereischte d in t bewijst voldingend de samensmelting en
+dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit
+dien hoofde: hij bracht, mocht, gebracht, nevens hij en gij brengt,
+gij moogt. Evenzoo hij placht, oudtijds plach (plag), waarin de
+bijgevoegde t met de sluitletter g evenzeer is samengesmolten als in
+gedrocht voor gedrog.
+
+Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan,
+omdat de voorgenomen spelling beter dan die met g aan de uitspraak
+beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt,
+terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs
+en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij
+de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers
+de beteekenis van plecht, plechtig, gedrocht, tucht, tuchtigen wordt
+niet opgehelderd door het verwijzen op plegen, (be)driegen en toog
+(van tiën); men verstaat het woord macht niet beter, als men weet, dat
+het van mogen komt, sedert dit de beteekenis van kunnen verloren heeft;
+en de kracht van het woord plicht wordt vooral niet beter gevoeld als
+men verneemt, dat plegen het grondwoord is, nu dit meest van moord
+en roof gebezigd wordt.--Bij de meeste andere woorden is de g niet
+toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bij dragt,
+(de) jagt, klagt met g zal men misschien iets eerder aan dragen,
+jagen en klagen denken, dan wanneer men dracht enz. schrijft; doch
+geen onkundige zal vermoeden, dat (het) jacht, slachten en slachter,
+aangezicht, vluchten en zuchten samenhangen met jagen, slaan (sloeg),
+zien (zag), vliegen en zuigen, al spelt men die woorden ook met g;
+evenmin als hij bij boeten en schuit aan baten en schieten denkt. Waar
+zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts
+eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De
+toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve
+geen nut aan; vergel. ook § 50.
+
+
+
+95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet de
+ch na kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo
+ja, hoe dan?--moet men kachel, kagchel of kachchel enz. schrijven? De
+thans meest gebruikelijke spelling kagchel, rigchel, bogchel enz. is
+onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden
+verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende,
+doch verwante letterteekens, als g en ch, aan eene samenstelling
+denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleen lichaam
+uitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudige
+g of k door den invloed der volgende l tot ch verscherpt is;
+b.v. bochel van buigen, boog; tichel van tegel; kachel van kakel,
+bij Kiliaan kaeckel. Lichaam, uit lijk en haam, door de spelling als
+een samengesteld woord te kenmerken, en b.v. lich-haam te schrijven,
+zou echter geheel nutteloos wezen, omdat in lich het woord lijk
+toch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenals haam,
+in deze samenstelling met eene beteekenis voorkomt, die thans bij de
+meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.
+
+Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling
+door middel eener g bij de netste schrijvers steeds grooten weerzin
+heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkele ch misschien leiden
+kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die door gch
+wordt vertegenwoordigd (vergel. § 61 en 62), dan meent zij aan die
+schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en dus lichaam, kachel,
+richel te moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze
+niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeld lichchaam,
+kachchel enz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde
+nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot
+dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de
+minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in
+gebruik is geweest [6].
+
+Voor de spelling met de enkele ch pleit, behalve de welluidendheid,
+ook nog de analogie met de meeste eigennamen, als Jochem, Kochem,
+Lochem, Mechelen, Vechel, Zwichem; die met echel, en vooral die
+met echo, welke woorden nooit met gch geschreven worden. Alleen
+de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namen Rachel en Michiel
+past er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met
+de enkele ch aan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen
+regel: De ch wordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eener g
+verdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als
+uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:
+Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór de ch den onvolkomen klank,
+mee uitzondering van de eigennamen Rachel en Michiel. Vergel. het
+opstel: De Spelling en het Lager Onderwijs, van den Heer J. A. van
+Dijk, in den Taalgids, VI, blz. 73 vlgg.
+
+
+
+96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling der ch door middel
+van de g is die der s in wasschen, flesschen, visschen, mosschen of
+musschen, tusschen enz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt
+gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet de s, maar de ch,
+die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet
+thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch
+overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uit k ontstaan, werkelijk
+gehoord werd. Toen men eerst visk, mosk, en later inderdaad visch,
+mosch, d.i. met ch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de
+meervouden vis-ken, vis-chen, mus-ken, mus-chen gesloten, en werd de
+tweede s natuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eene
+s is overgebleven, is hare verdubbeling in vis-sen, mus-sen evenzeer
+noodig en regelmatig als in mos-sel, vroeger mos-chel. De dubbele
+s levert dan ook niet het minste bezwaar op, kan nooit medewerken
+om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van
+de spelling vis-chen, mus-chen enz., die alleen strekken kan om de
+thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke de ch in de genoemde en
+dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is
+buitendien te zeer gewoon de geheele sch bij de tweede lettergreep
+te voegen, gelijk blijkt uit Pa-schen, zij he-schen, kre-schen,
+gehe-schen, gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne
+noodeloos met dubbelen klinker, Paas-chen, hees-chen, krees-chen,
+gehees-chen en gekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve
+geene enkele reden om de ééne s weg te laten, maar redenen te over
+om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming
+eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalve wasschen, lesschen,
+wisschen, tusschen enz. schrijven met de dubbele s.
+
+
+
+97. Bilderdijk's spelling nogthands steunde op eene verkeerde
+afleiding: nochtans is samengesteld uit nog en dan (mnl. nochtan of
+nodan) met de adverbiale s, en heeft dus niets met thans of thands
+(te hande) te maken. Aan de invoering eener h en d in dit woord valt
+derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de
+keuze tusschen nochtans en nogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam
+oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding van nog (daarenboven, tot
+nu toe) en noch (ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond,
+om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter in
+nochtans de voorkeur aan de ch te moeten geven, vermits wel deze
+scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van
+dan in de t van tans heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons
+gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen
+niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak
+behoort gevolgd te worden.
+
+
+
+98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert
+lang koninklijk, aanvankelijk, afhankelijk, jonkheer, jonkvrouw,
+sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spelling koninkrijk, jonkheid,
+koninkje, woninkje, kettinkje en lankmoedig. Daarenboven zou de
+schrijfwijze koningrijk, koningje, jongheid enz. bij voortduring
+aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd
+is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid
+te laten gelden en in de genoemde woorden de g door de k te vervangen.
+
+
+
+99. Het gebruik der tongletters d en t, wanneer zij door eene s worden
+gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat der g en ch vóór eene t,
+waarover in § 94 is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel
+gelijk. De taal eerbiedigt bij de s, nu althans, de grondvormen op d en
+t meer dan voorheen die op ch en g, en zij handelt hier lang niet zoo
+regelmatig als bij cht en gt. Oudtijds smolt de scherpe keelletter ch
+geheel weg in de volgende s, b.v. in as, das, vlas, was, mest, zes,
+wisselen, os, vos, uit achs, dachs enz.; de zachte keelletter g,
+die als de Fransche gu werd uitgesproken, werd tot k verscherpt in
+heks van hag, reeks van reghe, fluks van vlug; een heldere klinker
+onderging soms ook verkorting, b.v. in dissel, hd. deichsel.
+
+Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór de s
+staan. Ook deze smolten soms, b.v. in thans, volgens, bijkans enz. voor
+thands, volgends, bijkants, in de s weg; doch geenszins altijd,
+b.v. niet in bits, spits enz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de
+eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v. spiets
+en spies van mnl. spiet; klits en klis van klit; lits en lis, ook luts
+en lus uitgesproken, van lat. licium; en in de volksspraak klussen,
+mussen enz. naast klutsen en mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd
+de klinker altijd verkort: maetselen werd wel is waar metselen, maar
+naast ketsen hield kaatsen stand; koorts en rots bleven, naast het
+vroegere kortse en rootse, de eenige gebruikelijke vormen; plaats,
+schaats, taats, koets, toets, zijn nooit tot plats, kots enz. verkort
+geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij
+de t, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer
+ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt men ds, waar de afleiding
+ts zou hebben doen verwachten, b.v. in guds, ridsen, ridsig.
+
+Uit het een en ander blijkt, dat de woorden op ds en ts niet volkomen
+parallel loopen met die op gt en cht; en dat de regel eenigszins
+anders zal moeten luiden dan die in § 94. Daar de Regel der Uitspraak
+hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar
+de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot
+aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst
+is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten
+tijde dat ch nog als tch (tsj), en c nog als ts luidde, met ts worden
+geschreven; te weten koets in de beide beteekenissen, toets, flits,
+rots, toorts, fr. couche en coche, touche, flèche, roche, torche;
+plaats, rantsoen, fatsoen, fr. place, rançon, façon. Daarentegen
+moet de fr. g, vroeger als dg (dzj) uitgesproken, bij ons ds worden,
+namelijk in loods (houten gebouw), fr. loge. De afleiding eischt
+stellig eene t in guts (holle beitel, waarmede onder andere ook goten
+uitgehold worden) van goot; in ritsen, ritsig, verwant met wrijten,
+alsmede in gutsen, uit het oudere gussen vervormd met ingevoegde
+t. Ook is het thans verkieslijk aan knots de t van knotten te geven,
+nu knodde en knodden verouderd zijn. In ridselen, ofschoon misschien
+van rijden, heeft de d in allen gevalle geen nut meer, nu rijden
+niet langer in de beteekenis van beven gebruikt wordt. Voor de
+spelling kodsen bestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk
+een klanknabootsend woord; en Kiliaan schreef reeds kotsen, Plantijn
+kotzen. Loods (persoon) en gids behooren volgens de afleiding eene
+d te hebben, als zijnde gevormd van looden en fr. guide. In smidse,
+van smid, kan de s in geen geval geacht worden de d verscherpt te
+hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de
+spelling der overige woorden, als kaats, schaats, taats, schets,
+scherts, koorts enz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is,
+òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit
+verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken,
+waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied
+is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen
+regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:
+
+Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze
+de scherpe t; uitgezonderd in den 2den naamw. der woorden op d,
+in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting van sch en
+s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide
+beteekenissen), gids en smidse.
+
+Wij schrijven derhalve trots, schertsen, plaats, schaats, toorts
+enz.; maar Gods, des bloeds, goedsmoeds, steedsch en steeds, kindsch,
+gindsch en ginds van gind(er), sinds van sed(ert).
+
+
+
+100. De woorden op -aard en -erd leveren geene moeilijkheid op;
+zij vereischen zonder bedenking eene d. Het achtervoegsel -aard is
+oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoord hard, dat oudtijds sterk
+beteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen als hard draven,
+loopen, werken. In samenstellingen beteekende het sterk als datgene,
+of ten aanzien van datgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt,
+b.v. Beranhard, Burchard, Everhard, Wolfhard, sterk als een beer,
+burg, ever, wolf; Ecgehard, Gêrhard, sterk met het zwaard, met de
+speer; Meginhard, Reginhard, Snelhard, sterk in kracht, in raad
+of list, in vlugheid; Sigihard, Wic-hard, sterk in de zege, in den
+strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig
+de h, evenals -helm, -hilde, -haftig, en soms -hande, b.v. Anselmus,
+Willem, Machteld, deelachtig, en mnl. menigherande, voor Anshelmus,
+Wilhelm, Machthilde, deelhaftig, menigerhande. Vandaar, dat men
+naast eigennamen op -hard, mlat. hardus, ohd. -hart, oudtijds
+vormen op -art en -aert aantreft, die thans op -ard, -erd en -ert
+uitgaan. Zoo b.v. Athalhardus, Bernhardus, Burchardus, Everhardus,
+Folchardus, Gêrhardus, Meginhardus, Reginhardus enz., mnl. Adelaert,
+Bernaert, Burchaert, Everaert, Volcaert, Meinaert, Reinaert; thans
+Allard en Aldert, Bernard, Everard en Evert, Volkert, Meindert,
+Reindert. Daar de vormen op -hard, -hardus, ohd. hart, in overoude
+stukken voorkomen, maar die op -ard, -aert en -erd alleen in latere,
+zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn,
+en niet -hard uit -erd.--In het Mhd. werden met -hart ook gemeene
+namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, als lügehart, sterk in
+het liegen; naghart, knaaglustig; selphart, zelfzuchtig; slinchart,
+slokop; trügenhart, sterk in het bedriegen; vrîhart, ongebondene.
+
+Uit de Duitsche talen ging hard in de Romaansche over, en werd daar,
+met de in die talen gewone verstomming der h, ital. -ardo, als in
+bastardo, codardo; fr. -ard, als in bâtard, couard, gaillard, grognard,
+pendard, richard, viliard; zie Diez, Gramm. der Rom. Sprachen, II,
+358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt
+in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong
+was, bepaald op den voorgrond.
+
+Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v. bastaert, cockaert,
+viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, als behaghelaert,
+bollaert, clappaert, dullaert, galghaert, gaepaert, grisaert (grijskop,
+zie Horae Belg. VI, 98), loyaert, moyaert enz., alle woorden van
+minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op -aert. Dat men
+de h, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde,
+is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort,
+en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis,
+als bloodaard, dronkaard, gulzigaard, lafaard, veinsaard, wreedaard
+enz.; zelfs rijkaard, van het onschuldige rijk, wordt in slechten
+zin genomen; alleen grijsaard hield op een schimpnaam te zijn.
+
+Het achtervoegsel -erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan
+-aert of -aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk
+blijkt uit leperd, plomperd, stinkerd, die bij Kiliaan nog leepaerd,
+plompaerd, stinckaerd luiden; en uit grijzerd, dat bij latere dichters
+voorkomt. Kiliaan geeft naast luyaerd ook luyerdije op, hetwelk toont,
+dat de verandering van -aard in -erd aan de werking van den klemtoon
+moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der
+eigennamen, b.v. de verandering van Everaert in Evert, en die van
+bastaard in basterd stelt de zaak buiten allen twijfel.
+
+Sommigen zijn van gevoelen, dat -aard en -erd zouden ontstaan
+zijn uit het achtervoegsel -er, waarachter men, ter versterking,
+eerst eene t zou gevoegd hebben, zoodat -ert ontstond, hetwelk
+vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot -aart,
+zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat
+wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, als grijzen, laffen,
+rijken, snooden, met de beteekenis van grijs, laf, rijk, snood zijn;
+dat grijsaard, lafaard, rijkaard enz. personen aanduiden, die bestendig
+grijzen, laffen, rijken enz., die »niet in het werkelijk oogenblik,
+maar bij aanhoudendheid de hoedanigheden van grijs enz. hebben". Dat
+gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem
+van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht
+gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de
+geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels,
+die, gelijk -er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop
+der tijden geene versterking, maar omgekeerd verzwakking. Juist
+het achtervoegsel -er levert er een sprekend en leerrijk voorbeeld
+van. Dit luidde goth. -areis, b.v. in laisareis (leeraar), wullareis
+(voller); het werd ohd. -arî, mhd. -ære, nhd. -er. In het Mnl. werd
+het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in -ere, -er, en -re,
+wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen
+klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook de a,
+en werd -are, -aer, of -ere, -eer, wanneer het door eene toonlooze
+lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van
+den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. in gokelare, loghenare
+en loghenére, voghelare, persemére (woekeraar), enz., naast dienre,
+leerre, speelre, backere, wever enz. Wij nemen hier dus eene steeds
+voortgaande verzwakking waar, van -areis tot -arî, -are, -ere,
+-er en -re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken;
+b.v. bij -dom, onl. -duom; bij -lijk, goth. -leiks, dat thans als lik
+wordt uitgesproken; en bij -aard zelf, niet alleen in de eigennamen,
+maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen,
+met het accent op -ard gevormd, ook in het Mnl. niet zelden den
+klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen,
+of, als -erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid,
+in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom
+tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal
+op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende,
+van -er niet alleen -ert, maar zelfs -aart zou hebben gevormd.
+
+Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve, dienre, leerre,
+sunder, in dienaar, leeraar, zondaar veranderd; daarbij had evenwel
+geene versterking van -er tot -aar, geene vorming van een nieuw
+achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling; -aar had nooit
+opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op
+-er, als bijter, blaffer, woorden op -erd hebben gevormd, indien -erd
+niet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op -erd hebben
+trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan -er niet eigen
+is; zelfs lieverd en stouterd worden doorgaans schertsend gebezigd.
+
+Is het zeker, dat -aard en -erd uit hard ontstaan zijn, dan moeten
+zij ook volgens de afleiding de d hebben, die de uitspraak er aan
+toekent. Het meervoud van bastaard toch luidt niet alleen bastaards;
+maar ook bastaarden, en daarnevens staat bastaardij; Kiliaan kent ook
+een werkw. luyaerden en de zelfst. naamw. luyerdije, van luyaerd,
+en mooyaerdije van mooyaerd. In Spanjaard, dat op eene andere wijs
+gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed
+kan gehad hebben, is de d gewaarborgd door het meerv. Spanjaarden,
+naast Spanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat -aard
+en -erd niets anders zijn dan -er, door eene tongletter versterkt,
+ook dan nog zou de keus op de d moeten vallen; de taal zelve leert
+door zwaarder, eerder, hoorder, duurder, gezagvoerder, dat zij,
+waar de r versterking behoeft, de d en niet de t wil gebezigd hebben.
+
+
+
+101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen de d of t in het
+zelfst. naamw. aard of aart. De afleidsels aardig, aarden en ontaarden
+pleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding
+en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer
+zachte uitspraak buiten allen twijfel stellen. Aart en aartig zijn
+germanismen, en niets meer.
+
+
+
+102. In rit, mv. ritten, bint, mv. binten, gebint, mv. gebinten,
+bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de
+stamwoorden rijden en binden buiten twijfel eene d hebben. Ridden
+strijdt met de uitspraak, bindten en gebindten met alle regelmaat. De
+verscherping der d is buitendien reeds lang algemeen erkend in met en
+mits, nevens mede; in vaart, mnl. vaerde, waarvan nog koopvaardij;
+in zat, mnl. sad, waarvan verzadigen; in klant, fr. chaland. Daarom
+ook beeltenis, verbintenis, evengoed als ontstentenis van het oude
+ontstanden (ontstaan d.i. ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzen
+beeldtenis en verbindtenis doen ten onrechte aan eene afleiding met
+-te denken.
+
+Indien met, mits en rit eene t hebben, dan bestaat er geene afdoende
+reden voor medgezel en ridmeester met d, ofschoon met in het eerste
+woord het bijwoord mede is.
+
+
+
+103. De afleiding pleit voor de spelling andwoord, door Bilderdijk en
+anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd
+van het oude voorzetsel and, hier als bijwoord gebruikt. Daar het
+Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden
+met scherpe medeklinkers te sluiten--op welken alleen in nog (adhuc)
+ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt--en
+de spelling met d de beteekenis van het woord niet duidelijker maakt,
+noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord
+wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest
+gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te
+minder gerechtigd, dewijl wij dan, om consequent te blijven, ook de
+t in met zouden moeten vervangen door de d, waarvoor niet slechts de
+verwante talen, maar ook het bijw. mede, pleiten. Het argument, dat het
+bijw. and de stam van het voornw. ander en het bijw. anders zou zijn,
+waardoor de beteekenis van andwoord, als het andere of tweede woord,
+kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en
+wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.
+
+Om dezelfde reden verdient ook de spelling Andwerpen voor Antwerpen
+geene aanbeveling.
+
+
+
+104. Men zegt en schrijft gewoonlijk admiraal, admiraliteit enz.;
+sommigen willen ammiraal, op grond dat de d slechts ten gevolge van een
+misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem
+onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het
+woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm: amirael of ammirael en
+admirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee
+overgenomen. Het is het Arabische amir (emir) met een Latijnsch
+achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat. admirari,
+fr. admirer; vanhier de vormen: admiralis, admirabilis, admiratus,
+admirant, admiraglio enz., die alle aan bewonderen doen denken. De
+d is dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is
+het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak
+eischt dus het behoud der d, terwijl de overige regels hier niet in
+aanmerking komen. Admiraal is wel niet meer noch minder welluidend dan
+ammiraal of amiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten,
+waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan
+worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en
+der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der
+Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woord amir en het Latijnsche
+achtervoegsel -alis behooren tot talen, slechts aan geleerden bekend,
+en de vrees, dat iemand ten onzent admiraal van admirari of admirer
+zal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt
+natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door
+het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding
+gewaarschuwd. Luidde het admirabel, admirant of admiraat, dan kon
+er grond voor die vrees bestaan; doch -aal is geen achtervoegsel
+dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten der d
+(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor
+ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, doch amiraal
+is evenmin Arabisch als admiraal. Wij zien daarom geene reden om het
+thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den
+hoogsten grondregel der spelling te verzaken.
+
+
+
+105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken
+ook twee afzonderlijke letterteekens: de s voor den scherpen, de
+z voor den zachten klank. De vroegere verwarring, toen s zoowel
+zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van
+het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodat
+s thans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter
+een langen klinker of tweeklank, b.v. in aassem, braassem, deessem,
+geessel, kruissen, kruissigen, IJssel, zeissen, Pruissen enz.,
+eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met
+de spelling laaffenis, raaffelen, weiffelen, oeffenen, schuiffelen,
+twijffelen, voor lafenis, rafelen enz. Zij is dan ook later door
+Siegenbeek zelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere
+rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens is brasem, geesel, IJsel,
+Pruisen enz. te blijven schrijven.
+
+
+
+106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde
+woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande
+vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve
+evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na
+tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in
+lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men
+den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom ééne k, t
+en m voldoende in botteriken, monniken, perziken, kieviten, diemiten,
+Gorkumer, Dokkumer, Bergumer. De schrijfwijze botterikken, Gorkummer,
+staat gelijk met die van engellen, verbeterren, uitrekennen, zondiggen,
+terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een
+teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.
+
+Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk op Arnhemmer, Haarlemmer
+enz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos
+wordt uitgesproken, en de è, hoe kort ook, toch den scherpen e-klank
+behoudt [7].
+
+
+
+107. Onze woordenboeken willen diefegge, als ware dit woord eene
+samenstelling van dief met een zeker egge. Men heeft hier intusschen
+met eene afleiding te doen. -egge toch is een achtervoegsel, hetwelk
+voorheen doorgaans -igge-, soms ook wel -ege luidde, en meermalen
+ter vervrouwelijking van mansnamen gebezigd werd, b.v. in makerigge,
+vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker
+begint, eischt de verandering van de f in v, wanneer de lange klank
+voorafgaat; vergelijk gev-er, liev-erd. Derhalve ook dievegge,
+evengoed als dieverij. Dat sommigen in dit woord de f laten hooren,
+kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit
+onkunde ontstaan is. Het herstel der v kan misschien strekken om aan
+die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk § 58 en 66.
+
+
+
+108. In zamen, zamenkomst, zamenspraak enz. gebieden de afleiding en
+de uitspraak de vervanging der z door de s. De z heeft daar de waarde
+van tz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter
+in aanmerking neemt, dat het grondwoord zamen luidt, terwijl ook in
+gezamenlijk, inzamelen enz. de z duidelijk gehoord wordt, en dat men
+in zestig en zeventig de z van zes en zeven steeds heeft behouden,
+dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven van samen,
+samenkomst enz. en daarnevens van gezamenlijk, verzamelen enz., de
+onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze
+bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te
+behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele der s hebben
+doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen,
+die, op voorgang van Bilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd
+wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden
+etymologischen grond steunt. In de uitdrukking te zamen toch werd de
+toonlooze e van te weggelaten, waardoor eerst tzamen ontstond. Dit
+had de verscherping van de z tot s ten gevolge: tsamen; eindelijk
+werd de t overtollig gerekend, en dit gaf samen.
+
+Samen heeft dus de waarde van te zamen en verschilt derhalve werkelijk
+in afleiding en beteekenis van het grondwoord zamen. De spelling met
+s is uit dien hoofde de ware, overal waar samen de bijwoordelijke
+uitdrukking te zamen vervangen moet, te weten aan het begin van
+samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd,
+als in samenkomen, samenspreken, samenhangen, samenkomst, samenspraak,
+samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het
+grondwoord zamen vereischt wordt, als in gezamenlijk, bijeenzamelen,
+verzamelen, verzameling enz., en dus ook in opzamelen, niet opsamelen,
+hoewel de z daar ten gevolge van de werking der p vanzelve als
+s klinkt.
+
+Evenmin zou de spelling te samen voor te zamen goed te keuren zijn,
+ofschoon de gewone uitspraak ook daar de s laat hooren. Deze toch is
+hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene
+werking der voorafgaande t kan hier niet erkend worden. Zij bestaat
+niet, zoolang de toonlooze e van te blijft; want men zegt te zoek, te
+zuinig, te zuur, te duur, te geef; niet te soek, te suinig, te suur,
+te tuur, te cheef. Te samen is derhalve niet anders te verklaren
+en op te vatten, dan als te tzamen, met het dubbele voorzetsel, een
+vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel. § 66. De Redactie
+stelt zich daarom den volgenden regel:
+
+ Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aan tzamen, te zamen,
+ wordt met s geschreven in composita, die er mede beginnen, als
+ ook wanneer het op zich zelf staat, behalve in te zamen.
+
+Van een geheel anderen aard is de vraag, of men feertig, fijftig,
+sestig en seventig moet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke
+uitspraak, welke in die woorden eene f en s laat hooren. Die scherpe
+uitspraak steunt alleen bij seventig op een goeden grond, namelijk
+insgelijks op eene voorheen wettig aanwezige t (tzeventig), die in
+tachtig (eigenlijk t-acht-tig) gebleven is, en in tnegentig soms
+nog wordt gehoord. Doch feertig, fijftig en sestig zijn wederom
+gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooit
+tfeertig en tfijftig uitgesproken of geschreven, en het verouderde
+tsestig had de t ten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de
+verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het
+twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge
+waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijk dertien, veertien
+enz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:
+een, twee ... tien, elf, twaalf, maar ook de tientallen boven 60,
+(= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe. Zestig behoort nog
+tot de eerste helft der reeks van 120, die de t niet aannam; de t
+van tsestig was derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke
+hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een
+dergelijk verschil is op te merken: dix, vingt, trente, quarante,
+cinquante, soixante,--soixante-dix, quatre-vingts, quatre-vingt-dix,
+six-vingts (120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding
+duidelijk uit het Angelsaksisch: tyn (10), twentig (20), thritig
+(30), feowertig (40), fiftig (50), sixtig (60),--hund-seofontig
+(70), hund-eahtatig (80), hund-nigontig (90), hund-teontig (100),
+hund-endlufontig (110), hund-twelftig (120). Hoogerop verandert de
+uitdrukking: hund and thritig (130). Onze t van tseventig, tachtig
+en tnegentig is derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dat hund
+of van een dergelijk afgevallen woord.
+
+De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld
+het misbruik, dat in de uitspraak van veertig, vijftig en zestig is
+binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke
+schrijfwijze bij zeventig te moeten behouden, te meer daar het
+aanduiden der afgevallen t niet het geringste nut zou hebben. Ook
+bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen dan feertig en
+fijftig met f zou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan;
+maar met v: een en veertig, twee en veertig, drie en vijftig, enz. Wij
+gaan derhalve voort, overeenkomstig den Regel der Gelijkvormigheid,
+veertig, vijftig, zestig, zeventig met de zachte v en z te schrijven,
+waardoor de verwantschap dezer woorden met vier, vijf, zes en zeven
+ook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk § 67.
+
+
+
+109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in
+overeenstemming met § 49 als regel aangenomen, dat in derivata
+het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden
+vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling
+voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters
+de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt
+wordt. Zoo schrijft men staatdame, zitdag, potdeksel, oogtand,
+vroegpreek, topzeil, praatvaar, raadzaal, raadzaam, hoofddeel,
+misstap, ofschoon de uitspraak veeleer staaddame, ziddag, poddeksel,
+oochtand, vroechpreek, topseil, praatfaar, raatsaal, raatsaam,
+hoofdeel, mistap zou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of
+weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder
+het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het
+onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg. § 43. Er
+is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijk Bilderdijk deed,
+in de twee woorden ontvangen en ontvonken eene inbreuk op dezen regel
+te maken. De spelling ontfangen en ontfonken stelt de etymologie dezer
+woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie van ontvallen,
+ontveinzen, ontvlammen, ontvlieden, ontvluchten, ontvoeren, ontvouwen,
+ontvreemden, ontzakken, ontzeggen, ontzinken enz., waarin niemand
+de vervanging der v en z door f en s verlangt. De Redactie aarzelt
+derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden de v,
+die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden en ontvangen,
+ontvonken te schrijven.
+
+
+
+110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk
+alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die
+nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den
+eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de
+woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer
+men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer
+verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in
+het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij
+spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de
+spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den
+echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte
+vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding
+of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo
+schrijft men ambacht voor andbacht; kerspel voor kerkspel; leidsel voor
+leidzeel; lichaam voor lijkhaam; misschien voor mag schiên; momboor
+voor mondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het
+taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording
+der vraag: Moet men, naar de afleiding, jufvrouw spellen, of wel,
+naar de uitspraak, juffrouw, gelijk Bilderdijk schreef en thans nog
+velen schrijven? Omtrent juffer, mejuffer, kan geen twijfel bestaan:
+het oude vere, ver (voor vrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier
+aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar in
+juffrouw, mejuffrouw, herkent men nog het subst. vrouw. Is het dus
+niet raadzaam, daarin de v te behouden? Wij aarzelen niet, die vraag
+ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in
+het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit,
+dat zelfs een taalkenner als Bilderdijk het eerste deel volstrekt niet
+verstond en juffrouw als eene verbastering van hofvrouw beschouwde
+(Taal- en Dichtk. Versch. D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis
+des woords was deze. Het oude joncvrouwe, joncvrouw, als joncfrouw
+uitgesproken, verliep allengs tot jonfrouw, joffrouw, juffrouw. De
+f ontstond derhalve uit de v door den verscherpenden invloed der
+keelletter c of k, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort,
+dat zoowel de c of k als de n wegvielen, waardoor nu de f verdubbeld
+moest worden. Zal men nu de tweede f weder terugbrengen tot de
+oude v, door jufvrouw te schrijven? Maar dan hangt die eerste f
+geheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Die f is de
+verdubbeling der oorspronkelijke v, nadat zij tot f verscherpt was;
+van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd,
+moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had de v alle
+reden van bestaan verloren. Jufvrouw zou aan eene samenstelling uit
+juf en vrouw doen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen
+reeds, hoe zelfs Bilderdijk daardoor misleid werd. Maar schrijft men
+juffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd:
+de dubbele f stelt de samentrekking voor, die door de onderlinge
+werking der oorspronkelijke v en der beide weggevallene medeklinkers
+ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden
+regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen
+worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet
+meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om
+dezelfde reden hebben wij in § 97 aan nochtans boven nogtans de
+voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstelling nog dan
+in het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo is juffrouw,
+in analogie met juffer, boven jufvrouw te verkiezen, en te meer omdat
+het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene
+gehuwde, van een meisje in tegenstelling van eene vrouw gebezigd wordt,
+òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat
+in het eerste geval het begrip van vrouw, in het tweede dat van jong,
+in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te
+maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende
+deelen zich in eene eenheid hebben opgelost, die juist door de spelling
+juffrouw ook voor het oog wordt voorgesteld [8].
+
+
+
+
+111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met
+eene v begonnen, deze letter tot f verscherpt, om daardoor hetzij eene
+verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk
+geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken;
+b.v. in fladderen naast vledderen en vlederen, waarvan vledermuis;
+in fleemen naast vleien; fluks van vlugs; fraai van fr. vrai; frisch
+nevens versch; fijt, voorheen vijt.
+
+Ook bij de v van vonk heeft die verscherping plaats gehad in
+het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van
+oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve
+overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak
+volgende, het figuurlijke fonkelen met den scherpen medeklinker
+schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt van vonkelen
+in de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden),
+bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging
+ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling,
+die door de afleiding gevorderd wordt.
+
+
+
+112. De toonlooze e, die in de meeste woorden op -ling, -lijk en -loos,
+vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als in vreemdeling,
+bloedeloos enz., staat zelden in verband met de etymologie dier
+woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Die e is veelal
+zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende
+uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig
+of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te
+haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven
+of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs
+in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden;
+b.v. in eindlijk, eindloos, van einde, zeedlijk van zede, enz. Daar
+die e onder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng
+genomen volgens § 43 in het geheel niet behoeven geschreven te worden;
+het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden
+worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen
+besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard
+dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie,
+hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus,
+uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs
+de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits
+er gevallen zijn, waarin de bewuste e stellig nooit ontstaat en dus
+ook nooit wordt geschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel
+der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief
+is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.
+
+De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van
+zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde
+aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent
+alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten der e achter de zachte
+verwante medeklinkers b, d en g hunne verscherping tot p, t en ch of
+tot k (in ng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich
+verplicht het weglaten der e in prozastijl te ontraden bij woorden
+als hebbelijkheid, onhebbelijk, dadelijk, deugdelijk, goddelijk,
+lijdelijk, maagdelijk, verstandelijk, schadeloos, zendeling, dagelijks,
+degelijk, mogelijk, belangeloos enz., die, zonder e geschreven, tot
+de uitspraak onheplijk, daatlijk, moochlijk enz. aanleiding zouden
+geven. Daarentegen kan het uitlaten der e achter stammen, eindigende
+op eene g, die door den invloed der volgende l verscherpt is en als ch
+wordt uitgesproken, b.v. genoeglijk, gezeglijk, heuglijk, ontzaglijk,
+strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming
+te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een
+einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen
+de gebruikelijke spelling genoegelijk, heugelijk, ontzaggelijk en de
+uitspraak genoechelijk of genoechlijk, heuchlijk, ontzaglijk.
+
+Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het
+volgende te moeten vaststellen:
+
+De achtervoegsels -lijk en -loos, en het achtervoegsel -ing, wanneer
+dit van de euphonische l wordt voorafgegaan, nemen ter verbinding
+met het stamwoord eene toonlooze e vóór zich, behalve in de vier
+volgende gevallen:
+
+1) Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten -lijk,
+-loos en -ling zich onmiddellijk aan: kwalijk, oolijk, vroolijk,
+schadeloos, tweeling, drieling, zaailing, vrijling, kruiling.
+
+Bij analogie volgt hieruit, dat moeilijk en verfoeilijk te verkiezen
+zijn boven moeielijk en verfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk
+zonder e worden uitgesproken. Vrijelijk echter, waarin de e altijd
+gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter
+ook in de spelling.
+
+2) Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n,
+voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank,
+heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als in doelloos,
+balling, begeerlijk, bekoorlijk, waarloos, huurling, gemeenlijk,
+aanzienlijk, gewoonlijk, aandoenlijk, fatsoenlijk, pijnlijk, toonloos,
+groenling. Willeloos maakt geene uitzondering op dezen regel; het
+is afgeleid van den ouderen vorm wille, die ook nog in willekeur en
+willekeurig voorkomt.
+
+Waar de n voorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak
+en spelling mèt of zònder e evenzeer goed te keuren. Men zegt en
+schrijft beide: manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk,
+zinlijk en zinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een
+onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v. zinloos (zonder zin)
+en zinneloos (krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de
+spelling onderscheiden worden.
+
+3) De toonlooze e wordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen
+op toonlooze lettergrepen, als: adellijk, middellijk, eigenlijk,
+openlijk, eeniglijk, geduriglijk, koninklijk, teugelloos, ouderloos,
+regeeringloosheid enz.
+
+4) Wanneer het grondwoord op eene g eindigt, die als ch wordt
+uitgesproken, stelt de e eene uitspraak voor, met de werkelijke in
+strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping der g ten
+gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie: behaaglijk, bijvoeglijk,
+genoeglijk, gevoeglijk, heuglijk, klaaglijk, ontzaglijk enz.;
+daarentegen dagelijks, degelijk, mogelijk enz., in welke woorden de
+g hare zachte uitspraak behoudt.
+
+Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijze òrdenlijk
+of òrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen men ordene, orden (van
+lat. ordo, ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereen
+orde zonder n uitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalve
+ordelijk, evenals eindelijk, zedelijk en redelijk, welk laatste
+oorspronkelijk ook redenlijk werd geschreven, als van redene, reden
+afgeleid. Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep,
+hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde
+uitspraak orden heeft te danken, is ten gevolge van de wijziging
+zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer
+recht van bestaan heeft als zindelijk nevens zinnelijk of zinlijk.
+
+
+
+113. Daar het gewaande achtervoegsel -ling (zie de verhandeling
+over -ing in Dr. De Jager's Archief, I, 101 en v.) niets anders
+is dan het suffix -ing, voorafgegaan door eene euphonische l, en
+deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord
+reeds op l eindigt, schrijven wij hemeling enz. Het is bekend, dat
+deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig
+voorstander vond in Bilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik
+van onbedachtzaamheid, de spelling heuvelling ontsnapte (III, blz. 10).
+
+Adellijk, middellijk en onmiddellijk moeten de dubbele l hebben,
+als zijnde gevormd met het achtervoegsel -lijk van adel en middel. De
+spelling adel-ijk steunde op de verkeerde meening, dat -lijk uit l-ig
+zou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijze adelig met eene g wordt
+door ohd. adallîh, mhd. adellich, weersproken, waarom ook Grimm met
+anderen adelich met ch spelde, en de meer gebruikelijke met g voor
+»falsch" verklaarde. De spelling midde-lijk is gegrond op de onjuiste
+onderstelling, dat het grondwoord mid of midden zou wezen. Het
+tegendeel blijkt overtuigend uit de spreekwijze zonder middel,
+die eertijds in gebruik was, waar wij thans onmiddellijk bezigen
+(zie Janssen en Van Dale, Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).
+
+
+
+114. De woorden middeldeur, middellandsch, middellijf, middellijn,
+middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot,
+middelsoort, middelstand, middelweg, met middel samengesteld,
+zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou
+bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overige
+midden te schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht
+hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op -el te
+laten eindigen, waaraan wij ringelduif, schorteldoek, vastelavond
+e.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ook middeleeuwen,
+Middelnederlandsch, middelpunt, middelrif enz. In één woord, het
+is waar, wordt gewoonlijk de n uitgesproken: men zegt namelijk
+middenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde
+schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus
+ook hier op grond der Analogie de l aan te nemen.
+
+
+
+115. Siegenbeek schreef, op voorgang van Huydecoper, in 1804 de
+spelling eigenlijk, openlijk enz. voor. Toen zich echter eenige stemmen
+voor de schrijfwijze eigentlijk, opentlijk, met eene ingelaschte t
+lieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor
+de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid
+ging voort eigenlijk, wezenlijk enz. te schrijven, en slechts enkelen
+volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling
+te moeten aannemen, omdat die t niet tot het wezen dier woorden
+behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert,
+noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij
+beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak,
+die gelijkstaat met eene b in hembd of eene p in hij kompt, en met
+de d in de minder edele woorden vilder, boender, diender (nevens het
+edeler dienaar). Wanneer zij die t aannam, zou zij rekenen lijnrecht
+aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar
+beschaving en verfijning der uitspraak streeft.
+
+Om dezelfde redenen verwerpt zij ook de t in gantsch, gelijk Bilderdijk
+schreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels. Gantsch
+zonder t is zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding
+in overeenstemming.
+
+
+
+116. Iemand en zijne ontkenning niemand, mnl. ieman en iemen,
+bestaat uit ie en man in de thans verouderde beteekenis van mensch
+in het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het
+geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de
+sluitende n, waartoe de taal zoowel de d als de t bezigt. De natuur
+der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit
+de uitspraak opgemaakt worden. Immers in mijnenthalve, ordentelijk,
+erkentelijk, bekentenis komt eene ingelaschte t voor; doch arend,
+oudt. aren; boender, diender, van boenen en dienen; hoenders van hoen;
+zindelijk uit zinlijk; Hendrik, hd. Heinrich, hebben ter steuning der
+n eene d. De regel der onverbuigbare woorden, die eene t zou gebieden,
+kan hier ook niet worden toegepast; want iemand en niemand behooren
+als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2de naamvallen
+iemands en niemands ook werkelijk verbogen. Men is dus tot de
+verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche
+gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,
+die in de verbogene gehoord wordt. Blijkens Plantijn, Kiliaan, de
+Staten-overzetters des Bijbels, De Decker en anderen, luidden de 3de
+en 4de naamv. vroeger iemanden, niemanden, met eene d. Die vormen
+zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het
+bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog
+algemeen iemant en niemant schrijven, evenals men want, leeft, legt,
+leent, hoort met t spelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan,
+die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de
+afleiding en ons taaleigen eene d zouden moeten hebben.
+
+De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene
+gebruik af te wijken; zij schrijft iemand, niemand met eene d, welke
+evenzeer gewettigd is als die van arend, mv. arenden.
+
+Ten mijnent, zijnent, harent, onzent, uwent, hunnent, hoewel uit
+verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen,
+tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens
+het algemeene gebruik met t geschreven.
+
+
+
+117. Volgens de afleiding zou ootmoed, ohd. ôthmuothi, oodmuati,
+ags. eádhmôd, ouds. ôdhmuodi, bij Kiliaan nog oodmoed, eene d
+moeten hebben, als bestaande uit ood, goth. auths, ohd. ôdi, aothi,
+ags. eádh, ouds. ôdh, ôdhi (ledig, licht, gemakkelijk), dat noode heeft
+opgeleverd, en verminkt ook voorkomt in oolijk, bij Kil. oodelick,
+oyelick, oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen
+der tongletter uit oolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is
+geweest, namelijk eene d, uit th of dh ontstaan. Intusschen zou het
+herstellen der d volstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor
+ook de verwantschap met noode en oolijk blijken, die kennis zou voor
+het publiek de beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Die
+d zou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten
+onrechte doen denken aan eene samenstelling met ood in kleinood, dat
+schat beteekent, en het eerste lid van ooievaar, bij Kil. odevaer,
+uitmaakt, en dat blijkens goth. aud, ohd. aot, ôt, ags. eád, ouds. ôd,
+geheel anders dan het vorige ood luidde.
+
+Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer
+dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke
+spelling ootmoed met eene t de voorkeur.
+
+
+
+118. Omtrent, dat oorspronkelijk rondom, vervolgens in den omtrek, in
+de nabijheid beteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk
+gebezigd wordt, evenals omstreeks, eigenlijk in de omstreek, behoorde
+volgens de afleiding op d uit te gaan. Het bestaat uit het voorzetsel
+om, dat door trend nader bepaald wordt, gelijk bij door na in bijna,
+omzetting van na bij. Trent, trend is een bijv. naamw., hier als
+bijwoord gebezigd, en beteekent rond, blijkens ofri., deensch en
+zweedsch trind, rond. In het Deensch dient trind, gelijk round in het
+Engelsch, zoowel alleenstaande als door om gevolgd (trind, trind om),
+als voorzetsel met den zin van rondom. Ook in het Oudfriesch stond om
+nog achteraan: trind umbe, trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker
+oorspronkelijk eene d was, blijkt uit ags. trendel, kring, cirkel;
+uit eng. to trundle, draaien, en trendle, as of tap in een molen. Doch
+het weder invoeren der vergeten d, die als sluitletter tot t verscherpt
+is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen,
+dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom
+geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te
+doen gelden, en nutteloos eene uitzondering te maken op den regel,
+dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan
+dus voort omtrent met de door het Gebruik gewettigde t te schrijven,
+evenals want, dat anders, blijkens onl. wanda, insgelijks zijne d
+zou moeten terugnemen.
+
+
+
+119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal
+woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zonder
+n op het einde. Het weglaten der n was in de vorige eeuw nagenoeg
+algemeen geworden. Bilderdijk meende, op etymologische gronden, die
+den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten
+aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Die n achter
+-je is in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van
+een meisjen of huisjen, nog minder van meisjens of huisjens hoort,
+en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.
+
+Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen
+de dichters overtuigend. De e van het verkleinend achtervoegsel
+vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig
+vogeltje, elks behagen," hetgeen noch bij de pluralia op en, noch
+bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt de n alleen dan,
+wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden
+klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal
+wil, dat men de slot-n achter de toonlooze e maar flauw late hooren,
+zouden de enkelvouden huisjen, kopjen, schoteltjen enz. op zich zelve
+niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou de n
+daarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden
+in strijd met de meervouden huisjens, kopjens, schoteltjens, die,
+zóó geschreven, naar analogie van kuikens, leugens, molens, het
+duidelijk uitspreken der n zouden eischen. Deze letter zou derhalve
+de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en
+tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel. § 61 en 62.
+
+Ten opzichte van de woorden op -ken is de Redactie van een
+ander gevoelen. Deze--de in België meest gebruikelijke--vorm der
+verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van
+Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen,
+en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den
+bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde
+vormen bezigt. Wij willen om die reden de n achter kindeken, jongsken,
+dochterken enz. behouden, te meer daar zachtkens en allengskens haar
+gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin -ken stijf
+zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, jongske enz.
+
+De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel
+-je eene t moet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen
+verschil van gevoelen bij de woorden op d en m. Bilderdijk en vele
+zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eene t in, en
+schrijven: »handtjen, kladtjen, bloemtjen" enz.; terwijl de meeste
+schrijvers aan handje, kladje, bloempje, boompje enz. de voorkeur
+geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men
+in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel -je is,
+niet -tje; gelijk blijkt uit liefje, kluifje, boogje, leugje, vischje,
+muschje, doekje, beekje, popje, reepje, lesje, kusje enz.
+
+Bilderdijk's spelling handtjen rustte op eene ongegronde
+onderstelling. Hij meende, dat de d aan het einde van eene lettergreep,
+op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin;
+het was bij hem »levendig, dat men hand altijd met een scheva
+[eene toonlooze e] moet doen hooren, immers uitspreken." Spraakl.,
+blz. 213. Hand was derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden,
+nagenoeg hetzelfde als hande, en handtjen dus als handetjen. Spreekt
+men zóó uit, dan is de t even onmisbaar als in kommetje, mannetje; doch
+zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thans handtjen, hondtjen,
+draadtjen enz. geschreven ziet, die leest, alsof er hantjen, hontjen,
+draatjen enz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie in
+moordjaar, landjonker de d zachter uitbrengt dan de t in straatjongen,
+zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschen
+pondje en pontje, wandje en wantje enz., en zal dus ook de spelling
+handtjen enz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig
+met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid,
+die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.
+
+Wie daarentegen in moordjaar, landjonker de d even scherp uitbrengt
+als de t in straatjongen, die neemt aan, dat de d, als zij sluitletter
+wordt en niet gevolgd is door eene b of d, vanzelve in t overgaat,
+gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem
+is dus reeds vanzelve de t-klank aanwezig, en derhalve de inlassching
+van het letterteeken t even overtollig, als het zijn zou in kanttje,
+tenttje, punttje. Wie in handtje, kindtje de t noodzakelijk acht,
+moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen
+spelling handt, kindt enz., die dan evenzeer noodzakelijk is.
+
+In de gewone uitspraak is in de letterverbinding dt de d stom,
+en klinkt hij wordt, bidt, antwoordt enz., als hij wort, bit,
+antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk,
+dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken van gch,
+waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe men handtje,
+hondtje enz. ook neemt en uitspreekt, de t achter de d is òf strijdig
+met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval
+strijdig met de welluidendheid.
+
+De woorden op m, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de
+gewone uitspraak eene p aan. Dit is een natuurlijk gevolg van de
+wijze, waarop de m en p worden voortgebracht; beide vereischen het
+sluiten der lippen. Wie boompje zegt, drukt ze bij de m op elkander,
+en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om de p te
+verkrijgen. Spreekt men boomtje uit, dan moet men voor de m de lippen
+sluiten, voor de t ze weder openen en de tong te werk stellen. De p
+ontstaat dus in bloempje als vanzelve, ten minste gemakkelijker dan de
+t in bloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt. Bloempje is
+uit dien hoofde natuurlijker dan bloemtje, en de p daarom te verkiezen
+boven de t, tenzij men achter de m eene toonlooze e late hooren en
+bloemetje of blommetje uitspreke, in welk geval de t, gelijk achter
+alle klinkers, hare rechten doet gelden.
+
+De p klinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan
+de t, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwante m. Er is
+dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd
+zou moeten worden. De reden, die Bilderdijk daarvoor aanvoerde,
+was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroeger bloemptje,
+boomptje enz. geschreven had, dat de p eene tusschenletter was, »alleen
+uit de verbinding der m en t ontstaan", en die men »nu dwaaslijk met
+wegwerping der t wilde behouden"; hij stelde bloempje gelijk met het
+platte kompt en neempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de
+spelling boomptje, bloemptje aan te wijzen, en Bilderdijk's beweren
+onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid der t in het verkleinende
+achtervoegsel. Doch dit luidt -je of -jen, niet -tje of -tjen. De
+t en p worden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte
+en zwakke j, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde
+tenuis k had kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaam
+Froukje, hetzelfde woord als Vrouwtje, en uit de werkwoorden boerkje,
+het boerenbedrijf uitoefenen; briefkje, brieven schrijven, enz. De t
+heeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis
+als de p achter de m en de k in de genoemde Friesche woorden; zij
+heeft louter euphonische waarde, gelijk de n in honing, diens, wiens
+enz. De lipletter p staat derhalve in bloempje niet ten koste van
+de t, maar is, gelijk ook juist kompt, neempt en dergelijke woorden
+leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletter m,
+evenals de tongletter t [9] van de tongletters l, n en r in stoeltje,
+zoontje, deurtje, en als de keelletter k van de keelletter g, die in
+de verbinding ng nog flauw met den klank der Fransche en Friesche
+g gehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt men koninkje, woninkje,
+rottinkje enz., terwijl wel nooit iemand koninktje zal uitgesproken
+of geschreven hebben. De p is achter de m evenmin overtollig als de t
+achter een klinker of vloeiende letter, omdat de j dan te zwak wordt
+geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen om raamje, boomje
+enz. te zeggen, evenmin als zeeje, koeje, stoelje, maanje, deurje.
+
+Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de
+inlassching der t in verkleinwoorden, gevormd van woorden, die op d
+eindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat die
+t in allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende
+uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat de p de eigenaardige
+versterkingsletter der m is, door physiologische taalwetten gevorderd
+en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent
+zij te moeten schrijven draadje, handje enz. zonder t, en raampje,
+boompje enz. met eene p, doch natuurlijk bloemetje en blommetje met
+eene t achter de toonlooze e. Het behoeft echter wel niet vermeld
+te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om,
+waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v., bloemtje te
+schrijven, dat men nu eenmaal--te recht of te onrecht--als fijner en
+kiescher aanmerkt.
+
+120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener
+slot-n, betreft de woorden behalve, derhalve, weshalve, allenthalve,
+mijnenthalve, zijnenthalve enz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook
+deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene
+eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het
+substantief half, halve met een voorafgaand woord, hetwelk, zoo
+het gebruik zulks gewild had, ook van halve gescheiden had kunnen
+blijven. Halve beteekent zijde, kant, gelijk blijkt uit het 34ste vers
+van den 67sten der Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit
+ovir himel himeles te ôsterhalvon"; »Psallite Deo, qui ascendit super
+coelum coeli ad orientem (ad partes orientales)". In alle verwante
+talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm,
+die aan ons halve, als onder dien, welke aan ons half beantwoordt,
+sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eene
+n kan hebben en dat een genitief en datief singul.: dezer halven,
+onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde
+woorden te beoordeelen.
+
+Behalve bestaat uit het genoemde substantief en de praepositie bij,
+mnl. bi, hier ten gevolge der samenkoppeling tot be verzwakt. Behalve
+is dus eigenlijk bij halve, en beteekent zooveel als bij zijde,
+ter zijde gezet, aan een kant gesteld, d.i. niet medegerekend. Het
+Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv. pi halpo
+(in parte, in secreto), en in het meerv. pi halpon (in partibus). In
+het Oudnederl. luidde het woord behalvo en behalvon (Ps. LV, 10, en
+verg, de Gloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene
+afleiding door middel van een suffix -en, veelmin, gelijk Bilderdijk
+wilde, aan een participium van een werkw. behalven of behalden te
+denken is. Het voorzetsel bi, bij, regeerde oudtijds den dativus,
+zoodat halve hier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men met
+Bilderdijk en anderen behalven met eene n, of, in overeenstemming met
+de beschaafde uitspraak, behalve te schrijven heeft, komt dus neder op
+de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud van halve
+te doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst
+worden, zoo is het meervoud behalven volstrekt ondenkbaar, wanneer er
+van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene
+veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en
+denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijze behalve zonder n,
+de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet
+slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis
+des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.
+
+De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle
+daarin overeen, dat halve absoluut gebezigd is, zoodat vóór alles
+moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen
+wordt. De samenkoppelingen mijnentwege, onzentwege enz., die nagenoeg
+hetzelfde beteekenen als mijnenthalve, onzenthalve, kunnen hier den
+weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld met wege, datief
+van weg. Daar nu halve in derhalve en weshalve blijkbaar in dezelfde
+betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het
+eerstgenoemde is der, evenals in dermate, derwijze, dus de derde
+naamval van het aanwijz. voornw. die, congrueerende met halve:
+dierhalve (van die zijde bezien). In weshalve daarentegen treft men
+het relativum wat aan, in den genitief wes, die door halve geregeerd
+wordt. Weshalve is dus zooveel als: beschouwd van de zooeven genoemde
+zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud van halve
+te denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor
+alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden
+en derhalve, weshalve te blijven schrijven.
+
+De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker
+is het, dat allenthalve uit hoofde zijner beteekenis (van alle
+kanten of van alle zijden) het meerv. van halve onderstelt, en dat
+de vormen der bezittel. voornaamw. mijnen, zijnen, onzen, enz.,
+bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen
+van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien
+om in allenthalve, mijnenthalve enz. aan halve den meervoudsvorm
+te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds,
+blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder
+merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel-
+en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reeds halven met halve
+verwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud
+verwachten zou [10], en dat halve, misschien wel ten gevolge dier
+verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand
+woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan
+geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou
+hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van
+de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder
+raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te
+brengen is met mijnenthalven en zijnenthalven, noch met harenthalven
+en uwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat
+de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet
+gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowel allenthalve,
+mijnenthalve, hunnenthalve enz., als behalve, derhalve en weshalve,
+zonder n. Vergelijk hier de laatste zinsnede van § 67.
+
+
+
+121. Hetgeen bij behalve gezegd is, doet denken aan bezijden. Dit
+woord komt zeker in zooverre met behalve overeen, dat het geene
+afleiding met een achtervoegsel -en, maar eene samenkoppeling is;
+immers het Ags. schreef de deelen gescheiden: be sîdan. De analogie
+schijnt derhalve de spelling bezijde zonder n te vorderen. Wanneer
+men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord
+nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het
+Eng. besides waarschijnlijk aan het meerv. van zijde moet gedacht
+worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit
+woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de
+beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zij bezijden
+schrijven. Zie ook hier § 67 aan het slot.
+
+
+
+122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de
+uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het
+schrift te herstellen. Daarom meent zij de d in thans en althans,
+en evenzoo in de participiale vormen doorgaans, nopens, volgens,
+wetens, willens enz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden,
+waarom wel niemand het gewone bijkans voor den oorspronkelijken vorm
+bijkants zou wenschen te verruilen. De spelling thands, doorgaands
+enz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch
+deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner
+beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn
+om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te
+handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen
+geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het
+allengs weglaten der d heeft trachten te vermijden.
+
+Dat in de woorden thans en althans de h wordt behouden, ofschoon die
+mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen
+met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het
+een ander geval, omdat de h in deze woorden door het Gebruik altijd
+erkend is geworden. Zie hier § 66, a.
+
+
+
+123. Van hetzelfde gevoelen als in § 122 zijn wij ten aanzien van de
+stomme ch achter de s. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit
+het gebruik haar reeds heeft verbannen, als harnas(ch), moss(ch)el,
+het bijw. ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den
+Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.
+
+Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de
+uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding
+gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter
+bijvoegl. naamw. eene ch voegde, wanneer die nooit met sch worden
+geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat
+de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn,
+soms door de achtervoeging eener bloote s, en dus niet altijd met
+-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten,
+dat woorden als bits van bijten, spits van spit enz. niet stellig
+tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de
+genoemde en dergelijke woorden eene ch te geven, die in de uitspraak
+niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij
+blijven derhalve schrijven bits, dwars, spits, wars enz.
+
+Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eene ch is
+ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven
+derhalve torsen, oud-fransch torser, nevens tros, trossen, fr. trousse,
+trousser. Alleen in heesch en gansch, waarin de ch tegen de afleiding
+aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik
+gewettigd, vermits de enkele s in de overige bijvoegl. naamw.,
+wanneer zij door een langen klinker of eene n wordt voorafgegaan,
+in de verbuiging in z verandert, hetgeen niet geschiedt bij heesch
+en gansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden: heesche,
+gansche. Daarentegen dwaas, dwaze; boos, booze; vies, vieze; vuns,
+vunze; lens, lenze.
+
+De ch heeft in losch (lynx) en het door Bilderdijk aangenomen wasch
+(cera) evenmin reden van bestaan, als achter zes, os, vos, was
+(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank
+oudtijds niet achter, maar vóór de s plaats gevonden; zooals onder
+andere blijkt uit hd. luchs, wachs, sechs, ochs, fuchs, wuchs. Wij
+schrijven derhalve los en was.
+
+
+
+124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den
+overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklanken
+s en sch eindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone
+uitspraak: wijste, frischte; anderen, op grond der Grammatica: wijsste,
+frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke
+superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn,
+kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook
+hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de
+keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammatica wijsste,
+frischste eischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die
+spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde
+uitspraak, die geene poging doet om de twee s's te laten hooren, ten
+andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers
+in de onverbogen vormen twee s's willen brengen: het wijsst, het
+frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den
+geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze, in
+eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men
+haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende
+uitspraak aanleiding geven. De s in het eene geval te bezigen en in
+het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar
+ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde
+onregelmatigheid eischen. Men acht de enkele s evenzeer toereikend in
+Friesche als in Friesch, van het znw. Fries, en zoo ook in Parijsche,
+Boloneesche, Chineesche, Japaneesche, Siameesche enz.; terwijl men
+er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen in trotsche, dat
+door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw. trots. De
+spelling wijst--wijste, boos--booste, loos--looste enz. is dus eer
+regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijl frischte, malschte
+enz., waarin de sch toch ook slechts als s klinkt, door de analogie
+voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen
+der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijze
+booste, looste, wijste, frischte, malschte enz. de voorkeur.
+
+
+
+125. De schrijfwijze allezins, anderzins, eenigzins en veelzins
+beantwoordt niet aan de uitspraak, die de spelling allesins, andersins,
+eenigsins en veelsins zou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan
+uit alles, anders, eenigs, veels, de sterke genitieven van al, ander,
+eenig, veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis van
+kant, richting, opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft,
+overeen met alles jaars, dat o.a. bij Hooft voorkomt, en met de
+bijwoordelijke uitdrukkingen eensdeels, mijns inziens, goedsmoeds,
+blootshoofds enz. De z heeft derhalve hare verscherping in de uitspraak
+te danken aan de s, die men weglaat op voorgang van Siegenbeek, welke
+haar evenwel in geenszins wilde behouden hebben. De afleiding en de
+analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen,
+of ten minste de z van zin in s te veranderen: allesins, eenigsins. De
+Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling
+gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming
+met geenszins, ook alleszins enz. te schrijven. Daardoor wordt tevens
+aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van de s en z
+maakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters
+afzonderlijk uitspreekt: alles-zins, eenigs-zins. Niemand toch zegt
+geens-zins, evenmin als dans-zaal, kruis-straf, mis-stap enz.; welke
+woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, als geensins,
+dansaal, kruistraf, mistap enz. luiden. De spelling allesins,
+andersins, eenigsins, geensins en veelsins zou, in strijd met § 49,
+geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welke
+zin eene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen
+dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Fransche sens in en tout
+sens, de tous les sens. Derhalve alleszins, anderszins, eenigszins,
+veelszins, evenals geenszins.
+
+
+
+126. De spelling verw, verwen, verwpot, verwwinkel enz., hoewel in
+overeenstemming met de Middelnederlandsche vormen varuw en vaerwe,
+wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de
+bedoelde woorden, evenals in gerfkamer (van het verouderde gaerwen),
+de w door de v (f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het
+wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt,
+acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel
+der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de
+beschaafde uitspraak niet alleen verf, verfkwast, verfwinkel enz.,
+maar ook verven, verver, ververij enz.
+
+Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, de w van murw in v (f)
+te veranderen. De uitspraak murf is verre van algemeen, ja klinkt
+min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor
+het oog het verband zou verbreken met vermurwen, hetwelk door niemand
+als vermurven wordt uitgesproken.
+
+
+
+127. Het tweede lid der samenstellingen buskruid en rattenkruid (gelijk
+men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden
+van kruid (herba). Het doet ons veeleer denken aan stof, poeder,
+dan aan een product van het kruiden- of plantenrijk. Wel is waar
+hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk
+de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen
+hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen
+[11]. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het
+andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons
+gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van
+het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien
+van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer
+aan een kruid of gewas denken. Reeds daarom is het wenschelijk, het
+onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar
+komt bij, dat het woord in den zin van poeder nu, zoo al niet tot de
+onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke
+de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen
+daarom in deze beteekenis de t te moeten bezigen, en schrijven dus
+kruit (pulvis pyrius), buskruit en rattenkruit, ter onderscheiding van
+kruid (herba), onkruid, nieskruid, wormkruid enz. Evenzoo schrijft men
+algemeen schroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt,
+ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks de d zou
+vereischen; want schroot (bij Kiliaan schroode en schroye) is eene
+afleiding van het oude werkwoord schroden (snijden), en beteekent
+eigenlijk snijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk,
+waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide
+woorden schroodbeitel en schroodijzer, waarin de beteekenis van
+schroden nog gevoeld wordt, is de d behouden gebleven; maar schroot,
+door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en
+daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed de t aangenomen. Op
+dezelfde wijze behoort dan ook kruit van kruid gescheiden te worden,
+nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.
+
+
+
+128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraak
+Dingsdag is stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke
+beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, dat Diinsdach,
+ook Disendach en Dinxendach schreef, was het spoor min of meer bijster;
+en toen men eenmaal Dingsdag begon te spreken, dwaalde men geheel
+af. Men beschouwde den Dingsdag als den dag der rechtsgedingen,
+alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een
+gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat
+zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spelling Dingsdag
+meer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers,
+evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar
+eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van
+den krijgsgod Mars; de Nederlandsche benaming is eene vertaling van
+het lat. dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens
+de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen, Diu of Dio hebben
+geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naam Die luiden. Derhalve
+ware Diesdag de regelmatige vertaling van dies Martis; doch het
+gebruik heeft hier eene n ingeschoven, evenals in de genitieven van
+die en wie, welke thans diens en wiens, maar oudtijds ook dies en
+wies luidden. Die inschuiving der n had hier echter de verkorting der
+voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest
+(hd. keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden
+en algemeen worden, omdat de god Die met zijnen eeredienst weldra
+in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming
+met hd. Dinstag en Diestag, bij ons Dinsdag, dat klaarblijkelijk veel
+nader dan Dingsdag bij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere
+hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook
+nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijd
+Dinsdag gezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het
+meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook
+buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewone Dijnsdag
+nog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nog Dizendag.
+
+Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vorm
+Dingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten
+varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel
+des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en
+goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie
+van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring
+te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling als Dingsdag, die,
+alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel
+verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke
+beteekenis des woords, en even onooglijk is als Woengsdag, gelijk
+men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.
+
+
+
+129. Het woord schepter, lat. sceptrum, fr. sceptre, vereischt
+volgens den Regel der Uitspraak de ch. Het moge waar zijn, zooals
+Bilderdijk en Wiselius verzekerden, dat in het begin dezer eeuw
+nog algemeen septer, zonder den keelklank, werd uitgesproken;
+het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van
+den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en
+sedert meest gebruikelijke spelling schepter; maar dàt de uitspraak
+veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen de ch doet hooren,
+is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons
+bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenals schrijn(werker) van
+lat. scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus
+ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin de sch aan lat. sc
+beantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, als schabel
+(lat. scabellum) en schorpioen (lat. scorpio) enz. de ch toekent.
+
+Wie op de zachtere--naar het Fransch klinkende--uitspraak bijzonder
+gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijze septer behouden: wij voor ons
+nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaar schepter
+aan. In allen gevalle is de derde vorm, scepter, bepaaldelijk af te
+keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.
+
+
+
+130. Bij de keus tusschen amt, ambt, en ampt, welke schrijfwijzen
+alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men
+niet in twijfel te staan. Amt voldoet minder goed dan een der beide
+andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig
+met de afleiding van ambacht, goth. andbahti, eene labiale muta flauw
+gehoord wordt. Ampt, waarvoor de scherpe sluitletter t pleit, zou bij
+analogie ook de spelling apt voor abt vorderen, welke niet slechts
+in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar
+dat woord ook onkenbaar maken en geheel van abdij en abdis scheiden
+zou. De b in ambt daarentegen is zoowel door het Gebruik als door de
+Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.
+
+
+
+131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging
+in de spelling van likteeken, als onvereenigbaar met de gewone
+uitspraak. De k toch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm,
+onl. liictekin, mnl. lijcteken, lijcteeken, is aan de volgende t
+gelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van
+bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te
+doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reeds Ten Kate het woord
+ten onrechte van lijk (vleesch) afleidde, en als teeken in het vleesch
+verklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te
+gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, dat lik hier de stam
+is van het mnl. werkwoord liken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding,
+zou zij uit de spelling kenbaar worden, lijkteeken zou vorderen. Daar
+nu wel niemand verlangen zal voortaan lijkteeken te schrijven, dat
+trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche
+engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de
+Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij
+schrijven daarom dienovereenkomstig litteeken met tt, op gelijke wijze
+als balling voor banling, en spalling, jong varken, voor spaanling,
+van spanen (spenen), met twee l's worden geschreven.
+
+
+
+132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden in nog (etiam,
+adhuc) evenzeer als in noch (nec) eene ch zouden eischen, meent de
+Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig
+voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is,
+niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet, nog (adhuc) met eene
+g als eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op
+den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe
+sluitletters eindigen.
+
+
+
+Samenstellingen.
+
+
+133. Ook met betrekking tot de samengestelde woorden en uitdrukkingen
+doen zich twijfelingen voor, die invloed hebben op het schrijven,
+en wier oplossing derhalve tot het gebied der Spelling behoort. Zij
+betreffen:
+
+A. de vraag: Welke opeenvolgingen van woorden moeten als
+samenstellingen beschouwd en als zoodanig verbonden worden? welke
+moeten gescheiden blijven?
+
+B. de vraag omtrent de verbindingsletters, die in samengestelde
+woorden de deelen aaneenhechten.
+
+
+
+A. Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven
+worden? welke in hunne deelen gescheiden blijven?
+
+
+134. Wanneer twee begrippen verbonden worden om vereenigd een nieuw
+begrip te vormen, hetwelk als eene blijvende aanwinst wordt toegevoegd
+aan den schat der begrippen en voorstellingen, in de taal uitgedrukt,
+dan maken de woorden, welke die vereenigde begrippen aanduiden, een
+samengesteld woord uit. Bij het uitspreken wordt alsdan gewoonlijk
+op het eene woord zooveel meer, op het andere zooveel minder nadruk
+gelegd, dat de klemtoon van het eene dien van het andere overheerscht,
+en de uitspraak van beide wordt zoodanig versneld, dat de stem in
+geen geval eene tusschenruimte tusschen de beide deelen openlaat;
+vergelijk een kléínkind met een klein kind; vóór aan de straat
+met vooráán. Die verandering in de uitspraak is voor het oor het
+bewijs, dat de geest de voorstellingen tot eene eenheid verbonden
+heeft. Het schrift geeft voor het oog blijk van die samenstelling
+door de woorden aaneen te schrijven of door ze met een koppelteeken
+(hyphen) te verbinden, b.v. grootvader, huisvriend, Fernambuc-hout;
+het eerste is regel, het laatste uitzondering, waarvan later.
+
+ Een samengesteld woord kan, het is waar, uit drie of meer woorden
+ bestaan; maar altijd blijft het eene verbinding van slechts twee
+ leden, die echter zelve weder door samenstelling kunnen ontstaan
+ zijn, b.v. boekdrukkers-gezel, avond-maaltijd, timmermans-werktuig,
+ godsdienst-oefening, avond-godsdienstoefening.--Of wel, een
+ der begrippen wordt uitgedrukt door een woord, hetwelk vóór
+ de samenstelling vergezeld was van andere, die er onmisbaar
+ bij behooren; b.v. in terzijdestelling (van ter zijde stellen)
+ en inderdaad (voor in de daad) kunnen ter bij zijde en de bij
+ daad niet worden gemist; doch zij maken blijkbaar geen derde
+ zelfstandig lid in de compositie uit. Zoo is b.v. desniettemin
+ op deze wijze ontstaan: te-min(der), niet-temin, des-niettemin.
+
+135. Wanneer twee woorden eene eigenlijke samenstelling uitmaken, dan
+is hunne betrekking onderling van dien aard, dat bij eene ontbinding
+of oplossing der samenstelling een der leden buiten syntactisch
+verband geraakt, zoodat, om aan de eischen der Grammatica te voldoen,
+de woorden omgezet of in vorm gewijzigd, of wel andere ingevoegd
+moeten worden; b.v. zonnelicht--licht der zon; geldbeurs--beurs
+voor geld; Godmensch--God en mensch, of goddelijk mensch;
+driehonderd--driemaal honderd, of drie malen honderd; theeblad--blad,
+waarop de benoodigdheden om thee te drinken geplaatst worden. Daaruit
+vloeit onmiddellijk voort, dat woorden, waarbij zulk eene eigenlijke
+samenstelling plaats vindt, noodwendig aaneen geschreven moeten worden,
+omdat anders door het verbreken der betrekking een der leden alle
+grammatische en logische beteekenis verliest, los in de lucht hangt
+en eigenlijk niet meer verstaan wordt. Zoo zou b.v. de verbale stam
+bewaar in bewaarscholen alle beteekenis verliezen, wanneer men schreef:
+De bewaar scholen zijn inrichtingen van den jongsten tijd.
+
+136. Maar nevens de talrijke eigenlijke samenstellingen vindt men een
+niet minder groot getal woorden en vooral uitdrukkingen, welke uit
+deelen bestaan, die wel onderling hetzij grammatisch hetzij logisch
+verbonden zijn, maar waarbij de band der deelen losser is, zoodat
+men dien zonder merkelijke schade voor de duidelijkheid zou kunnen
+verbreken. Deze zijn geene eigenlijke samenstellingen en verdienen
+veeleer koppelingen te heeten. Bij deze nu kan het twijfelachtig
+zijn, in hoeverre zij òf vereenigd òf gescheiden moeten worden;
+en werkelijk handelt het Gebruik te dien opzichte zeer oneenparig,
+zoodat wij verplicht zijn een leidend beginsel aan te nemen. Het is
+hier echter de plaats niet om het onderwerp in zijn geheelen omvang
+te onderzoeken; en men moet bekennen, dat het ook uit den aard der
+zaak ondoenlijk zou zijn regels vast te stellen, die in alle gevallen
+gelden, omdat 1º de consequente toepassing ook van het beste beginsel
+toch altijd beperkt wordt door de eischen van den goeden smaak, die
+zich vooral hier doen gelden, waar het alleen den uiterlijken vorm der
+woorden betreft; en omdat 2º in vele gevallen een gevestigd gebruik
+ook zijne rechten heeft, die men niet miskennen kan. Evenwel zijn de
+algemeene beginselen, die hier gelden moeten, bij eenig nadenken wel
+aan te wijzen. Na rijpe overweging meenen wij den hoofdregel, die in de
+meeste twijfelachtige gevallen beslissen kan, aldus te moeten stellen:
+
+137. Samengestelde uitdrukkingen, die als een zelfstandig deel der
+rede kunnen beschouwd worden, maken een onderscheiden geheel uit en
+behooren als zoodanig aaneen geschreven te worden, in drie gevallen:
+
+1) Wanneer zij tot de eigenlijke samenstellingen behooren (zie § 135).
+
+2) Wanneer bij de vereeniging der deelen òf een van beide, òf beide
+hunne beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip ie
+vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukking eene andere
+is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen
+zou medebrengen.
+
+Zoo is b.v. iets goedmaken zooveel als iets herstellen; iets goed
+maken zou beteekenen iets zoo vervaardigen, dat het goed is. Deug niet
+zou de negatieve imperativus zijn van deugen, het bevel om slecht te
+wezen; een deugniet daarentegen is een persoon die niet deugt. Een
+boos wicht is een klein kind, en wel bepaaldelijk een meisje, dat
+stout is; maar een booswicht is een volwassen manspersoon, die alle
+deugd met voeten treedt.
+
+3) Wanneer de woorden verouderde grammatische vormen bevatten, die als
+overblijfsels der oudheid in vroeger gevormde en door de overlevering
+geijkte woorden kunnen geduld worden, doch die bij eene scheiding
+der deelen eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den
+tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken.
+
+Tot opheldering diene het woord goedsmoeds, waarin het adjectief goed
+in den thans verouderden sterken genitief voorkomt. De uitdrukking
+is ontstaan in den tijd, toen men regelmatig den tweeden naamval van
+het enkelvoud ook aldus vormde: des goeds mans, ons liefs Heeren,
+der heiliger Kerken, onser liever Vrouwen, des heiligs sacraments,
+enz. Nu echter deze vorm van den genitief der bijvoeglijke naamwoorden
+geheel verouderd is en als zoodanig niet meer verstaan wordt, kan goeds
+niet langer als een op zich zelf staand woord gelden, maar behoort
+goedsmoeds als eene door het Gebruik geijkte vereenigde uitdrukking,
+als eene eenheid derhalve, te worden aangemerkt.
+
+
+
+
+I.
+
+138. Volgens den eersten regel behooren aaneen geschreven te worden:
+
+1) Alle eigenlijke samenstellingen, waarbij, naar § 135, als men ze
+oploste, invoeging, omzetting, of vormverandering van woorden zou
+moeten plaats hebben: derhalve badplaats, bloeddorst, bloedgetuige,
+bloedhond, bloedplakkaat, bloedschande, bloedschuld, bloedverwant,
+bloedvlek, bloedworst, bloedwraak, bloedzuiger, boomvrucht,
+bruggenhoofd, buitenlucht, geldbeurs, hongersnood, huishuur,
+huurhuis, kaarsvet, menschenvrees, stiklucht, theeblad, theegoed,
+zeedijk, zijmuur,--allerliefst, brandschoon, doofstom, huisbakken,
+nagelvast,--elkander,--buikspreken, knikkebollen, koorddansen,
+schaatsenrijden, watertanden, weggaan,--driehonderd, zestien enz.
+
+ Men schrijft algemeen en te recht tweehonderd, driehonderd,
+ vijftienhonderd enz. aaneen; daarentegen gescheiden:
+ twee duizend, tien duizend, honderd duizend, ofschoon die
+ uitdrukkingen oogenschijnlijk insgelijks als tweemaal, tienmaal,
+ honderdmaal duizend zijn op te vatten. De verbinding van honderd
+ met het multipliceerende telwoord heeft geen bezwaar in, omdat
+ dit laatste (althans buiten de gemeenzame spreektaal) niet
+ hooger klimt dan negentien, en dus altijd slechts een- twee- of
+ drielettergrepig is. Bij duizend echter kan het tot 999 stijgen,
+ zoodat men door alles aaneen te schrijven niet zelden een zeer lang
+ veellettergrepig woord zou verkrijgen, hetwelk moeilijk te overzien
+ zou zijn. Niet fraai toch en niet gemakkelijk te lezen zijn woorden
+ als zevenhonderdzevenennegentigduizend en dergelijke. Het kan dus
+ niet bevreemden, dat het Gebruik zulke composities niet heeft
+ gewild en in die gevallen de telwoorden gescheiden houdt. Het
+ zou dan ook niet raadzaam zijn, hier het verstandige Gebruik te
+ trotseeren; te minder daar eene logisch en grammatisch juiste
+ opvatting mogelijk is, waardoor de gebruikelijke schrijfwijze
+ volkomen gerechtvaardigd wordt. Men beschouwe in alle dergelijke
+ gevallen duizend als substantief, gelijk millioen, dat steeds
+ als substantief wordt gebezigd, zonder daarom den meervoudsvorm
+ aan te nemen. Negenhonderd twee en veertig duizend is grammatisch
+ evengoed te wettigen als negenhonderd twee en veertig millioen,
+ indien men duizend slechts als een zelfst. naamwoord aanmerkt.
+
+139. 2) Alle zoodanige vereenigingen van woorden, die oorspronkelijk
+door koppeling ontstaan zijn, doch allengs ware samenstellingen
+zijn geworden en daarvan blijk geven door veranderden klemtoon
+en onverbuigbaarheid van het eerste lid. Tot deze soort behoort
+b.v. hoogepriester. Dit woord werd oorspronkelijk als twee
+woorden beschouwd en als zoodanig gescheiden geschreven: de hóóge
+priester, gelijk de hóóge geestelijkheid, een hóóg ambtenaar enz. De
+Staten-overzetters des Bijbels begonnen er echter eene samenstelling
+in te zien; zij hechtten de woorden aaneen, doch gingen soms nog
+voort met hoog te verbuigen: des hoogenpriesters enz. Thans echter
+blijft hooge steeds onveranderd, terwijl de klemtoon is versterkt
+en zelfs op priester overgegaan: des hoogepríésters; twee zaken die
+onwedersprekelijk bewijzen, dat het woord eene samenstelling is en
+wel eene eigenlijke, dewijl hooge in des hooge priesters door het
+gemis der n onmogelijk tot priester zou kunnen behooren en dus los
+in de lucht zou hangen.
+
+Deze zelfde blijken van compositie vindt men in dollekèrvel,
+edelgestéénte, hoogeschóól, koudescháál, koudvúúr, niewjáár, oudejáár,
+roodekóól, roodáárde, zoetemèlk, zoutevìsch, zwartkrijt. Bij
+kléínkind, mv. kléínkinderen, niet kleine kinderen, gróótvader,
+gróótmoeder, óúdtante, blìndeman, dòlleman, gróótmeester, gróótvorst,
+hóógaltaar, hóógambt, hóógmis, hóógtijd, gróótschrift, kléínschrift,
+brúínkolen, smàldeel enz. is de klemtoon wel niet op het substantief
+overgegaan, doch merkbaar versterkt, terwijl de onbuigbaarheid van
+het adjectief de innige verbinding voldingend bewijst. Ook de titels
+als Weledelgestreng, Edelgrootachtbaar (waarvan beneden), die uit
+koppelingen ontstaan zijn, moeten, uit hoofde van de onverbuigbaarheid
+der daarin voorkomende adjectieven, gedeeltelijk tot de eigenlijke
+samenstellingen gerekend worden.
+
+Op dezelfde wijze zijn door koppeling ontstaan de adjectieven,
+samengesteld met de als adverbia gebezigde praeposities door, in en
+over; b.v. doordroog, dooreerlijk, doorgoed, doorkoud,--indroog,
+ingierig, ingoed, ingoor, inlui,--overgroot, overklein, overoud,
+overvet, overzoet, overzout enz. In het Middelnederlandsch schreef
+men veelal gescheiden: dore sondech, over scone, over vrome, uut
+scone enz.; daar echter door, in en over op zich zelve staande nooit
+in de hier bedoelde beteekenis gebruikt worden, en dus in door goed,
+in droog, over heet enz. buiten alle verband zouden staan, moeten de
+genoemde en alle dergelijke verbindingen als eigenlijke samenstellingen
+aangemerkt en noodwendig aaneen geschreven worden.
+
+140. 3) De woorden die, door middel van een suffix, van twee of meer op
+zich zelve staande woorden zijn afgeleid, b.v. likeurstoker van likeur
+en stoken. Daar het suffix -er het werkwoord stoken in een substantief
+herleid heeft, kan het object likeur niet langer object blijven,
+maar moet het noodwendig met stoker verbonden worden: likeurstoker,
+of met een voorzetsel achteraan treden: stoker van likeuren.
+
+Tot deze klasse van woorden behooren een aantal substantieven op -er,
+-ster en -ing, als: broodbakker, houthakker, kleedermaker, mijnwerker;
+achtenveertiger (van 48 ponden of jaren), driedekker (van drie
+dekken); wafelbakker, turftonster, huisbewaarster; houtverkooping,
+landverhuring, terzijdestelling enz.; alsmede de infinitieven: het
+inachtnemen, het terechtbrengen enz.
+
+Vervolgens vele adjectieven op -ig en -sch, als: viervoetig, van vier
+voeten, zeshoekig, eenzijdig, stijfhoofdig; alledaagsch, bijderhandsch,
+vanderhandsch, grootscheepsch, ouderwetsch, nieuwerwetsch, oudwijfsch,
+nieuwmodisch, zoetemelksch.
+
+Ook behooren hiertoe alle samengestelde bijwoorden met de adverbiale
+s; b.v. bijkan(t)s, buitendijks, desgelijks, dikwijls, insgelijks,
+nochtans (van nog-dan), rechtstreeks, telkens (te-elkens), thans
+(te-hands), toenmaals, veelmaals enz. Daarom behoort men insgelijks
+aaneen te schrijven: bijtijds, buitentijds, intijds, tegoeds (of te
+goed), terloops, tersluiks (of ter sluik), tevergeefs (of vergeefs),
+vannieuws enz. Daar de adverbiale s reeds een alleenstaand substantief
+of adjectief in een adverbium verandert, b.v. daags, deels, fluks
+(van vlug), links, rechts, steeds enz., zouden de woorden tijds,
+loops, sluiks, goeds enz., indien zij alleen konden staan, op zich
+zelve reeds adverbiën moeten zijn, waardoor de voorzetsels bij, te,
+van enz. overtollig zouden worden.
+
+Zelfs de woorden des en noods, tot adverbium vereenigd, behooren
+verbonden te worden: desnoods. Deze uitdrukking toch is geen absolute
+genitief, maar bestaat uit des, genitief van dat, door nood geregeerd;
+men zeide voorheen algemeen en zegt thans nog wel: des nood zijnde
+(daaraan behoefte zijnde), hetgeen uit misverstand eerst in des noods
+zijnde overging, en vervolgens tot desnoods afgekort werd.
+
+
+
+
+II.
+
+141. Wanneer bij de vereeniging van twee uitdrukkingen eene van
+beide of beide hare beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw
+begrip te vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukkingen
+eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende
+deelen zou medebrengen, wordt de graphische verbinding uit den aard
+der zaak door de grammatica en de duidelijkheid geëischt. Immers
+men heeft dan blijkbaar niet meer eene vereeniging van twee in den
+geest duidelijk gescheiden begrippen, door de opeenvolgende woorden
+uitgedrukt, maar eigenlijk een nieuw begrip, dat slechts door beide
+vereenigd vertegenwoordigd wordt, zoodat het aaneenschrijven voor de
+juiste opvatting noodzakelijk is.
+
+Tot dergelijke vereenigingen behooren:
+
+142. 1) Een aantal verba, verbonden met een substantief, adjectief of
+adverbium van wijze, in welke de beteekenis der genoemde woorden of van
+het verbum zelf is gewijzigd, als: gadeslaan, handhaven, huishouden,
+raadplegen, rechtspreken, waarnemen, waarschuwen; gevangennemen,
+goeddoen, goedmaken, goedvinden, hoogachten, kwijtraken, kwijtschelden,
+liefhebben, loslaten, schadeloosstellen, vrijlaten, schoonmaken;
+grootspreken, harddraven, hardrijden, liefkoozen, snelschrijven,
+voortgaan, voortvaren, voortvloeien, weldoen enz.
+
+Waneer echter het eerste woord een substantief is, dat eene bepaling
+bij zich nemen kan, dan is zulks een bewijs, dat ieder lid op zich
+zelf blijft bestaan, en dat er derhalve geene samenstelling plaats
+heeft; waaruit voortvloeit, dat de woorden in die gevallen niet aaneen
+geschreven behooren te worden. Daarom moet b.v. acht geven en -- slaan,
+staat maken, prijs stellen enz. gescheiden blijven, dewijl men zegt:
+acht op iets geven, geene acht op iets slaan, geen staat op iets maken,
+hoogen prijs op iets stellen.
+
+Daar de uitdrukkingen plaats nemen, -- hebben, -- vinden eene
+dergelijke bepaling toelaten, als men b.v. zegt: Neem eene betere
+plaats; Het heeft of vindt geene plaats enz., zoo behooren ook deze
+woorden gescheiden te blijven. Alleen plaats grijpen, dat nooit eenige
+bepaling toelaat en waarin grijpen overdrachtelijk wordt opgevat,
+zou hierbuiten staan en, stipt genomen, aaneen geschreven moeten
+worden. Wij erkennen echter gaarne, dat deze onderscheiding, hoezeer
+ook grammatisch gegrond, in de practijk niet wel toepasselijk is,
+en achten het niet raadzaam deze ééne uitdrukking van de vorige af
+te zonderen. Wij blijven daarom plaats grijpen schrijven, evenals
+plaats hebben, plaats vinden, plaats nemen.
+
+ Bij samenstellingen van adjectieven handelt het gebruik
+ anders. Deze worden alleen dan gescheiden, wanneer zij
+ werkelijk eene bepaling bij zich hebben of in een der trappen
+ van vergelijking staan. Men schrijft hoogachten, goedmaken en
+ goedvinden aaneen, ofschoon zeer hoog achten, hooger achten,
+ zeer goed vinden, beter vinden, het best vinden, beter maken te
+ recht gescheiden blijven, zoowel om den vorm dier uitdrukkingen,
+ als omdat het gronddenkbeeld daarin kennelijk eene wijziging
+ heeft ondergaan. Hooger achten toch is eigenlijk de versterking
+ van hoog achten, niet van hoogachten.
+
+143. 2) De talrijke klasse van werkwoorden met zoogenaamde
+scheidbare en onscheidbare voorzetsels, als aangeven, achterstaan,
+bijblijven, bovendrijven, doordringen, omslaan, opkomen, onderloopen,
+overloopen, tegenspreken, uitmunten, voorstellen; aanschouwen,
+doorzoeken, omsingelen, onderstellen, overwinteren enz. In deze
+en alle dergelijke woorden toch heeft niet slechts het voorzetsel
+zijne beheersching losgelaten, en is het in een bijwoord veranderd,
+maar ook de beteekenis van het verbum is meestal òf geheel gewijzigd,
+òf ten minste zoo ver op den achtergrond getreden, dat er een nieuw
+begrip is ontstaan. Om dezelfde laatstgenoemde reden worden ook de
+adverbia, die eene richting uitdrukken, met het verbum verbonden,
+als: achterovervallen, afkomen, bijeenvoegen, heengaan, medenemen,
+misloopen, rechtuitgaan, terugbrengen, toesnellen, samenstellen,
+voorbijsnellen, vooruitloopen, wederbrengen, wedergeven enz.
+
+144. 3) De bijvoeglijke naamwoorden vergezeld van de bijwoorden wel,
+vol en al in de beteekenis van zeer, b.v. weldoend, welbespraakt,
+welgeboren, welzalig, volkomen, volmaakt, volzalig, algoed, aloud,
+alwijs enz., vermits die bijwoorden hier in eene gewijzigde beteekenis
+staan.
+
+Hetzelfde wat van vol en wel gezegd is, geldt ook van zeer, alsmede van
+hoog en edel, wanneer deze in titels als adverbia gebruikt worden. Al
+die woorden verliezen dan de beteekenis, die zij op zich zelve staande
+hebben, en behooren dus met het volgende ware of als substantief
+gebezigde adjectief verbonden te worden. Daarom schrijft men het
+regelmatigst: Weledel, Weledelgeboren, Hoogwelgeboren, Hooggeboren,
+Edelachtbaar, Grootedelachtbaar, Zeergeleerd, Hooggeleerd, Weleerwaard,
+Hoogeerwaard, Zeergestreng enz. Vergelijk § 139.
+
+ Composita met het zelfst. voornaamw. al, als: alwetend,
+ alvermogend, alziend, behooren tot de eigenlijke samenstellingen,
+ dewijl bij eene ontbinding der deelen al in alles zou moeten
+ veranderd worden: alles wetend, alles vermogend.--Almachtig is
+ gevormd van almacht (vermogen om alles te doen.)
+
+145. 4) De benamingen van kleuren, uit twee adjectieven bestaande,
+hetzij het eerste in een adverbium verandert, als b.v. hooggeel,
+lichtbruin, donkerbruin, hetzij het, gelijk in zwartbont en roodbont,
+een waar adjectief blijft. Hier toch ontstaat een nieuw begrip;
+donkerrood, lichtgeel beteekenen niet hetzelfde als donker rood en
+licht geel, welke laatste uitdrukkingen ook voor comparatie vatbaar
+zijn: donkerder rood, zeer donker rood; terwijl daarentegen zeer
+donkerrood, zeer lichtgeel natuurlijk niet bestaan. Vergelijk de
+aanmerking in § 142.
+
+146. 5) De pronomina: degene, diegene, hetwelk, dezulke, dezelve en
+dezelfde. Daar het graphisch verbinden van twee woorden, waarvan het
+eerste zijne gewone verbuiging behoudt, strijdig kan geacht worden met
+het strenge begrip van samenstelling, hebben Bilderdijk en anderen
+het aaneenschrijven der genoemde uitdrukkingen veroordeeld. Deze
+vereischen dus eene toetsing aan de gestelde beginselen.
+
+Gene geeft, als het op zich zelf staat, te kennen, dat het bedoelde
+voorwerp zich op eenigen afstand van den spreker bevindt, en onderstelt
+altijd eene tegenstelling met iets anders, dat dichter bij is; ook
+wordt het in die opvatting nooit van het lidwoord vergezeld. Degene
+en hetgene (of hetgeen) daarentegen beteekenen, dat de aangeduide
+personen en zaken door een volgenden bijzin bepaald worden, en drukken
+dus een geheel eigenaardig begrip uit, hetwelk bij geene mogelijkheid
+uit de beide woorden op zich zelve kan worden opgemaakt. Hier bestaat
+dus, zoozeer als bij eenig ander woord, eene afdoende reden om, het
+gebruik volgende, verbonden te schrijven: degene, desgenen, dengene;
+hetgeen of hetgene.--Diegene en datgene verschillen van degene en
+hetgeen alleen door meerderen nadruk, maar bevinden zich overigens
+in hetzelfde geval en worden dus insgelijks te recht aaneen geschreven.
+
+In hetwelk heeft het lidwoord het blijkbaar alle beteekenis verloren,
+daar hetwelk volstrekt niets méér zegt dan het bloote welk, evenals het
+ouderwetsche dewelke niets méér beteekent dan het gewone welke. Toen
+zich nog in de vorige eeuw dewelke en hetwelk door grooteren nadruk
+van welke, welk onderscheidden, hadden artikel en relatief beide
+kracht, en kon het verbinden misschien met recht veroordeeld worden;
+thans is hetwelk ongetwijfeld als eene koppeling te beschouwen en,
+gelijk het gebruik wil, in één woord te schrijven: hetwelk.
+
+In dezulke, van zaken gebezigd, komt zulk in zijne gewone opvatting
+(als zoodanig) voor; dezulken echter, van personen gezegd, beteekent
+doorgaans niet: zij, die zóó zijn, maar: zij, die zóó doen. De regel
+zou derhalve eischen, dat de woorden in het eene geval gescheiden,
+in het andere verbonden geschreven werden. Intusschen blijkt het
+verschil niet altijd even duidelijk en loopen de beide beteekenissen
+soms ineen. Het komt ons niet raadzaam voor in enkele gevallen eene
+onderscheiding te maken, die niet altijd kan worden toegepast en
+die steeds in eene spitsvondigheid bestaat. Daarom zien wij geene
+voldoende reden om bij dit woord van het gebruik af te wijken, en
+schrijven wij derhalve steeds verbonden: dezulke, dezulken.
+
+Zelf drukt absolute identiteit uit, en kan het best door in eigen
+persoon omschreven worden. Dit begrip echter staat bij dezelve,
+hetzelve zoo ver op den achtergrond, dat het niet meer merkbaar is. Wie
+zich dus nog van de genoemde persoonlijke voornaamwoorden mocht
+willen bedienen, zou geene reden hebben om ze anders dan verbonden
+te schrijven: dezelve, hetzelve.
+
+Eenigszins anders is het gelegen met dezelfde en hetzelfde: het
+lidwoord behoudt daarin zijne kracht, en zelfde, een versterkte
+vorm van zelf doet het begrip van absolute identiteit ten sterkste
+uitkomen. Men kan dus een oogenblik in bedenking staan, of die
+uitdrukkingen wel als composita te beschouwen zijn. Wanneer men
+echter in aanmerking neemt, dat zij voor het taalgevoel inderdaad een
+ondeelbaar begrip uitdrukken, en dat het woord zelfde in de beteekenis
+van absolute identiteit nooit op zich zelf staat, dan zal men zeker
+geen genoegzamen grond vinden om bij die woorden van het gebruik af
+te wijken. De Redactie blijft derhalve schrijven: dezelfde, hetzelfde.
+
+Het lidwoord een is nooit aan een volgend woord verbonden geworden;
+daarom schrijft men gescheiden: eene zekere soort, een zeker gevoel,
+en dus ook een zelfde geval, een zelfde begrip, waarin zelfde geene
+absolute identiteit, als in dezelfde, maar slechts eene relatieve,
+slechts volkomene gelijkheid ten opzichte van de eene of andere
+hoedanigheid, uitdrukt.
+
+ Ook in mijns gelijke, zijns gelijke, haars gelijke enz. behouden
+ de woorden mijns, zijns enz., die de objectieve genitieven
+ zijn van de personalia ik, hij enz. en door gelijke geregeerd
+ worden, geheel en al hunne eigene beteekenis, evenzeer als dit
+ gesubstantiveerde adjectief. Er is dus evenmin reden om mijns
+ enz. aan gelijke te hechten, als om mijner en onzer aan erbarmen,
+ gedenken of schamen te verbinden in: Hij heeft zich mijner erbarmd;
+ Wil mijner gedenken; »Zoo zullen we Uwer ons nooit schamen" enz.
+
+De gebruikelijke verbinding van mijn en heer in den beleefdheidstitel
+Mijnheer steunt op goeden grond, daar mijn in die samenstelling zijne
+beteekenis verloren heeft, en om die reden in de overeenkomstige
+woorden Mevrouw en Mejuffrouw tot me verzwakt is. Het meervoud Mijne
+heeren echter kan niet als compositum beschouwd worden, vermits mijne
+daarin, strijdig met het vereischte van samengestelde woorden, zijne
+verbuiging behoudt.
+
+147. 6) De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee adverbia,
+waarvan het eene, ten gevolge der vereeniging, zijne beteekenis
+gewijzigd heeft, als: weleer, veeleer, dusverre, hoeverre, zooverre,
+zoolang, evenlang, evenzeer, zoozeer, evenveel, hoeveel, zooveel enz.,
+verschillend van veel eer, hoe ver, zoo lang, zoo zeer enz.
+
+Hiertoe behooren vanzelve ook die uitdrukkingen, waarin het tweede
+lid een voorzetsel is, als bijwoord gebezigd, b.v. kortom, linksom,
+middenin, nabij, rechtsom, rechtuit, rondom, ronduit; achteraan,
+achterin, achterop, achterover, achteruit; bovenaan, bovenop, bovenuit;
+onderaan, onderin, onderuit; tusschenin, vooraan, voorin, vooronder,
+voorover, vooruit; voortaan enz. Ook af was oorspronkelijk een
+voorzetsel en verkeert dus in hetzelfde geval; derhalve insgelijks:
+achteraf, kortaf, linksaf, rechtsaf, vooraf enz.
+
+Hier is natuurlijk geene sprake van het geval, waarin eene ware
+praepositie door een adverbium voorafgegaan wordt. Alsdan toch
+behouden beide woorden hunne eigene beteekenis, en zou het verbinden
+ten onrechte plaats hebben. Daarom schrijft men gescheiden: midden
+in den tuin; boven op den zolder; het water liep er onder uit.
+
+148. 7) De uitdrukkingen, bestaande uit de bijwoorden van plaats hier,
+daar en waar, wanneer deze, gepaard met een in bijwoord veranderd
+voorzetsel, de waarde hebben van een voornaamwoord, dat door een
+voorzetsel beheerscht wordt, als: hieraan (aan dit), hieraf (van dit),
+daardoor (door dat), daarmede (met dat), waartoe (tot hetwelk) enz.
+
+Ten opzichte van de bijwoorden ergens, nergens, overal en er, tot
+hetzelfde doel met een voorzetsel vereenigd, maakt het Gebruik eene
+uitzondering. Men schrijft gescheiden: ergens aan, nergens door,
+overal bij, er bij, er van, er uit enz., hetgeen blijkbaar daaraan is
+toe te schrijven, dat zoodanige uitdrukkingen met overal, ergens en
+nergens alleen in gemeenzamen stijl voorkomen en meer gesproken dan
+geschreven worden; en dat er meestal door tusscheninstaande woorden
+van zijn voorzetsel gescheiden is: Men had er nooit aan gedacht;
+Hij zou er in dat geval toch toe besloten hebben.
+
+149. 8) De bijwoordelijke uitdrukkingen, die bestaan uit een
+voorzetsel, gevolgd
+
+a) van een zelfstandig naamwoord, dat in die verbinding nimmer een
+bepalend woord bij zich neemt, wanneer òf dit zelfst. naamw. òf
+het voorzetsel zijne beteekenis wijzigt, als: achterwege, onderweg,
+overeind, bijgeval (door een toeval), integendeel, inzonderheid enz.
+
+b) van een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord, wanneer een der
+genoemde woorden of wel het voorzetsel zelve zijne beteekenis heeft
+gewijzigd; als: overdwars, overlang, overluid, opnieuw, vanhier,
+vandaar, vanwaar, voorwaar, voorzeker, voorgoed (verschillend van
+van hier, van daar, van waar, voor zeker, voor goed, in welke laatste
+uitdrukkingen de beide bijeenbehoorende woorden hunne kracht behouden).
+
+c) van de zelfstandige voornaamwoorden al en een: bovenal (boven
+alles), vooral, overal, aaneen, achtereen, bijeen, dooreen, opeen,
+uiteen.
+
+Het voorzetsel te maakt hier natuurlijk eene uitzondering, zoowel
+wanneer het alleen staat, als wanneer het met de datieven der
+lidwoorden de en het tot ter of ten is samengesmolten. Eene der
+gewone functies toch van te is juist het vormen van bijwoordelijke
+uitdrukkingen, terwijl andere zulks slechts bij uitzondering
+doen. Men schrijft daarom gescheiden: te huis, te land, te water,
+ter zee, ten hove, ten dage, ter ure, te paard, te scheep, te voet,
+ter been; te koop, te huur, te geef, ter leen, te kijk, te grabbel,
+te zoek, te berge, te pas, te onpas, te rade, te recht, te onrecht,
+ten onrechte, ten eerste, ten tweede, ten laatste enz.
+
+ Daar het lidwoord en het voornaamw. zelfde, volgens § 146, steeds
+ aaneen geschreven worden, en er geene reden bestaat om ze te
+ scheiden, wanneer er eene samentrekking met te plaats heeft,
+ maken uitdrukkingen als tenzelfden tijde, terzelfder tijd,
+ terzelfder plaats, terzelfder ure enz. natuurlijk uitzonderingen
+ op dezen regel.
+
+In terstond, terug en terdege of terdeeg worden stond, rug en deeg
+niet meer in hunne eigenlijke beteekenis opgevat; vandaar dat
+die uitdrukkingen als samenstellingen te beschouwen zijn en dus
+aaneenverbonden behooren geschreven te worden. Hetzelfde geldt, wel
+is waar, ook bij te berge, maar die uitdrukking staat uitsluitend bij
+slechts één werkwoord: te berge rijzen; hare bijwoordelijke natuur
+wordt dus nagenoeg niet gevoeld, wat bij de andere drie wel degelijk
+het geval is. Terstond en terdege toch kunnen bij ieder verbum gevoegd
+worden, en terug dient om de beteekenis van een vrij aanzienlijk
+getal verba te wijzigen: terugbrengen, -deinzen, -eischen, -gaan,
+-geven, -houden, -roepen, -vragen, -zenden enz. De gevallen staan
+dus geenszins gelijk; weshalve wij geene voldoende reden zien om hier
+van het gevestigde gebruik af te wijken. Wij schrijven dus te berge
+in twee woorden, maar terstond, terug en terdege of terdeeg aaneen.
+
+De uitdrukkingen te leur en te loor, met het thans verouderde
+substantief leur of loor gevormd, komen op zich zelve nooit voor,
+maar de eerste alleen in verbinding met het werkwoord stellen, de
+tweede alleen met gaan, en bij die verbinding nemen de vereenigde
+uitdrukkingen eene nieuwe beteekenis aan, zoodat hier werkelijk eene
+eenheid ontstaat en dus samenstelling plaats heeft. Volgens § 141
+behoren deze uitdrukkingen derhalve, als te zamen een nieuw begrip
+vertegenwoordigende, aaneen geschreven te worden: teleurstellen,
+teloorgaan.
+
+Van bij geldt nagenoeg hetzelfde als van te. In het Middelnederlandsch
+werd het regelmatig gebezigd voor door, evenals het Engelsche by. Deze
+beteekenis, hoewel zeldzamer, is nog niet geheel verouderd, blijkens de
+uitdrukkingen: bij besluit, bij missive, bij een schrijven, bij eene
+verordening, bij reglement enz. Daarom moet bij in uitdrukkingen als:
+bij toeval, bij erfenis, bij uitzondering, bij loting, bij verkiezing
+enz. evenzeer geacht worden zijne eigenlijke beteekenis te hebben als
+in: bij ontstentenis, bij gebrek enz. Bijgeval echter wordt te recht
+aaneen geschreven, omdat geval daar in de min gewone beteekenis van
+toeval voorkomt.
+
+150. 9) Onder de praepositionale uitdrukkingen alleen tegenover,
+rondom, niettegenstaande en ingevolge. De overige, bestaande uit een
+voorzetsel, gevolgd van een substantief, blijven in overeenstemming
+met § 142 gescheiden, omdat dit substantief zelf eene bepaling
+eischt, bestaande uit eenen genitief of uit een ander voorzetsel
+met zijne eigene beheersching; b.v. in geval van nood, naar mate
+van zijne bekwaamheid; en zoo ook door middel van, uit hoofde van,
+in overeenstemming met, in betrekking tot enz., terwijl men zegt
+ingevolge dezen nood, niet van dezen nood of dezes noods. Derhalve ook:
+uit kracht, door toedoen, door bemiddeling, naar gelang, naar luid,
+op hoop, in spijt, ten spijt, ten behoeve, ten gevalle, ten aanzien,
+ten overstaan, ten aanhooren, ten aanschouwen enz.
+
+ Natuurlijk kan er nog minder sprake zijn om die woorden aaneen
+ te schrijven, wanneer het substantief een artikel, pronomen
+ of adjectief bij zich heeft; b.v. als men zegt: naar de mate
+ zijner bekwaamheden, door het krachtigste middel van overreding,
+ in volkomene overeenstemming met zijne bedoelingen, in nauwe
+ betrekking tot uw welzijn enz. In zulke gevallen behoudt ieder
+ woord zijne eigene grammaticale waarde, en vervalt het begrip
+ van een samengesteld voorzetsel geheel.
+
+151. 10) Alle uitdrukkingen, die de waarde van een voegwoord hebben,
+en waarin de beteekenis van ieder deel niet volkomen duidelijk
+uitkomt; b.v. alhoewel, alsmede, alsof, bijaldien, derhalve, dewijl,
+doordien, evenals, ingeval, naarmate, nademaal, tenware, tenzij,
+hoezeer, hoewel, zooals, zoodat, zoowel enz., en zoo ook daarenboven,
+daarentegen, desniettegenstaande, desniettemin. Wanneer echter ieder
+deel zijne eigene kracht kennelijk behoudt, worden zij niet graphisch
+verbonden. Daarom schrijft men gescheiden: niet alleen.... maar
+ook, nu eens.... dan eens, vanhier dat, vandaar dat, dan dat. Zoo
+scheidt men ook: zoolang als, zoodra als; want zoolang en zoodra zijn
+alleen reeds als voegwoorden in gebruik, en derhalve, wanneer zij
+door als gevolgd worden, veeleer als bijwoorden dan als voegwoorden
+te beschouwen. Vergelijk b.v. Zoolang hij ziek is, kan van de zaak
+niets komen, met: Hij zal afwezig blijven, zoolang als zijn broeder
+ziek is. Wanneer nadat en voordat een bijwoord ter versterking vóór
+zich bekomen, worden voor en na, in overeenstemming met § 145, van
+dat gescheiden: lang voor dat, lang na dat.
+
+ Uit deze en de vorige § volgt dat het voegwoord naarmate ook
+ graphisch onderscheiden is van het praepositionale naar mate:
+ Hij werd nederiger, naarmate zijn aanzien steeg. Hij zal naar mate
+ (of naar de mate) van zijne diensten beloond worden.
+
+152. 11) Van de tusschenwerpsels worden helaas en eilieve aaneen
+geschreven, en te recht, omdat laas, mnl. laes, lacy, op zich
+zelf verouderd is, en lieve niet meer als een vocatief gedacht
+wordt. Daarentegen behoort och of, hoewel de conjunctie of daar
+de verouderde beteekenis van indien heeft, vaneen geschreven te
+worden, vermits anders de constructie der volgende woorden niet te
+rechtvaardigen is; vergelijk b.v.: Och, of (indien) gij mij gelooven
+wildet (hoe zou ik mij verheugen).
+
+
+
+
+III.
+
+153. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met verouderde
+grammatische vormen, worden aaneen geschreven, omdat die woorden
+bij eene scheiding eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij
+bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen
+maken. Hiertoe behooren:
+
+1) de uitdrukkingen, waarin het eerste lid in den sterken manlijken
+of onzijdigen genitief voorkomt, als: goedsmoeds, droogsvoets,
+blootsvoets, blootshoofds, heelshuids, luidskeels (ook luidkeels) enz.
+
+2) de uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd door
+een sterken manlijken of onzijdigen genitief, als: binnenshuis,
+buitenshuis, binnenslands, buitenslands, binnensmonds, binnensrands,
+binnenstijds, enz.
+
+3) de uitdrukkingen, waarin de d van het zoogenaamde bepalende
+lidwoord door den invloed van den slotmedeklinker van het voorafgaande
+voorzetsel tot t verscherpt wordt of met dien medeklinker ineensmelt,
+als: metterdaad, mettertijd, metterwoon, uitermate.
+
+4) de uitdrukkingen, bestaande uit een substantief, dat bepaald wordt
+door dèr, dès en wès, verouderde vormen van de voornaamwoorden die en
+wat, hetzij beide eene bijstelling uitmaken, als: derhalve, dermate,
+destijds, hetzij het eerste door het tweede geregeerd wordt, als:
+desbevoegd, deskundige, weshalve.
+
+5) de uitdrukkingen, bestaande uit een adjectief in den sterken
+genitief op -er, gevolgd van een substantief in oneigenlijken zin
+genomen, als: allerwegen, halverwegen (verschillend van halfweg),
+gewapenderhand, langzamerhand, gelukkigerwijze, toevalligerwijze;
+hand en wijze worden bijna als suffixen opgevat.
+
+Een genitiefvorm op -er klinkt, uit hoofde van zijne overeenkomst
+met de zeer gewone comparatiefvormen, minder vreemd dan die op -s
+in bloots, goeds, heels enz. Dit schijnt de reden te zijn, waarom
+het Gebruik de verbinding niet noodig acht, wanneer het substantief
+zijne eigenlijke beteekenis behoudt, als in onverrichter zake, ouder
+gewoonte, zaliger gedachtenis enz. Hieruit is het ook te verklaren,
+waarom met luider stem, in aller ijl, te gelijker tijd, niet aaneen
+geschreven worden, maar wel inderdaad, waarin daad niet in den
+eigenlijken zin wordt opgevat.
+
+
+
+Het gebruik van het koppelteeken.
+
+
+154. Wanneer een der opgenoemde regels het graphisch verbinden
+van woorden vordert, doch het werkelijk aaneenschrijven een woord
+opleveren zou van een te vreemd en zonderling voorkomen, of dat uit
+hoofde zijner lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de
+deelen door een koppelteeken (hyphen) vereenigd.
+
+155. Men bezigt uit dien hoofde het koppelteeken:
+
+1) Wanneer in een compositum eigennamen of van eigennamen gevormde
+adjectieven voorkomen, als:
+
+a) in de benamingen van koopwaren, waarin het eerste lid de naam
+is van de landstreek of de plaats, die de waar oplevert, of vanwaar
+zij uitgevoerd wordt, b.v. Baai-tabak, Cayenne-peper, Java-koffie,
+Manilla-sigaren, Riga-balsem, Smyrna-vijgen, Zuidzee-traan enz.
+
+Deze schrijfwijze heeft voornamelijk ten doel, den eigennaam duidelijk
+te doen uitkomen. Wanneer deze echter in de uitspraak onherkenbaar
+misvormd is, kan het doel door de scheiding niet meer bereikt worden,
+en schrijft men de deelen werkelijk aaneen; b.v. sinaasappel, voor
+Messina's-appel, enz.
+
+b) in de zelfstandige naamwoorden, waarvan het eerste lid een adjectief
+is, gevormd van een eigennaam, als: Berlijnsch-blauw, Engelsch-zout,
+Friesch-groen, Pruisisch-zuur enz.
+
+c) in de bijvoeglijke naamwoorden, bestaande uit de koppeling van twee
+adjectieven, die van eigennamen zijn afgeleid, als: Engelsch-Russisch,
+Fransch-Engelsch, Franco-Gallisch, Indisch-Europeesch, Indo-Germaansch
+enz.
+
+156. 2) Wanneer titels van personen, in burgerlijke, rechterlijke of
+militaire betrekkingen, bestaan
+
+a) uit twee bastaardwoorden, als: adjunct-commies, adspirant-ingenieur,
+ambassadeur-plenipotentiaris, gouverneur-generaal, minister-resident,
+procureur-crimineel, politie-commissaris, substituut-griffier,
+auditeur-militair, admiraal-generaal, luitenant-generaal,
+luitenant-kolonel, sergeant-majoor.
+
+b) uit een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, wanneer beide
+reeds op zich zelve titels zijn, of wanneer het tweede een adjectief
+is, dat dan, strijdig met ons taaleigen, achter het substantief komt:
+grootmeester-nationaal, kapitein-kwartiermeester, kapitein-geweldiger,
+staten-generaal, raad-pensionaris enz.
+
+157. 3) Wanneer geographische eigennamen bestaan uit een eigennaam
+en een bijvoegl. naamwoord of een bijwoord, als: Groot-Britannië,
+Klein-Azië, Nieuw-Holland, Nieuw-York, Rood-Rusland, Wit-Rusland,
+Noord-Brabant, Zuid-Holland, Achter-Indië, Voor-Indië, Beneden-Egypte.
+
+ Het koppelteeken wordt natuurlijk niet gebezigd, wanneer het
+ tweede lid der samenstelling een gemeen zelfst. naamw. is;
+ dus niet in Amazonenrivier, Noordzee, Zuiderzee, Oostzee,
+ Oostergoo, Westergoo, Westland, Opsterland, Salland, Teisterbant,
+ Hartsgebergte, Reuzengebergte.
+
+158. 4) Wanneer een bijvoeglijk woord, hetzij een adjectief, een
+lidwoord of een voornw., alleen betrekking heeft op het eerste
+lid eener volgende samenstelling, niet op dit woord in zijn geheel
+genomen. In dit geval wordt het bijvoeglijke woord door een hyphen
+met het compositum verbonden, als: bolvormige-driehoeksmeting,
+platte-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, 's-Gravendeel, 's-Gravenhage,
+groot-zegelbewaarder, 's-Heerenberg, 's-Hertogenbosch,
+Mijns-Heerenland, oude-kleerkoop, klein-kinderschooltje,
+oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, rijnsche-wijnflesch,
+desolate-boedelkamer, Beiersch-bierbrouwerij, Groene-weeshuis (naar
+de kleeding der weezen), St.-Catharinagasthuis, Heilige-Geestgasthuis,
+Lieve-Vrouwenkerk enz.
+
+159. Omtrent het schrijven der telwoorden zou men in twijfel kunnen
+staan, in hoeverre zij al of niet verbonden moeten worden. Raadpleegt
+men het gewone gebruik, dan vindt men een telwoord alleen dàn graphisch
+aan een volgend gehecht, wanneer het de waarde van een multiplicatief
+adverbium heeft; b.v. twee in tweehonderd (tweemaal honderd);
+ook worden dertien, veertien, vijftien enz. tot negentien aaneen
+geschreven; in alle andere gevallen laat men de deelen gescheiden. Men
+schrijft b.v. zeshonderd negen en veertig duizend vijfhonderd
+negentien, zes en twintig enz. Daar echter ook het langste telwoord
+een zelfstandig deel eener rede uitmaakt, doet zich de vraag voor,
+of dit gebruik niet is af te keuren, en of niet alle bestanddeelen
+van een samengesteld telwoord ten minste door koppelteekens behooren
+vereenigd te worden. Bij eene nadere beschouwing echter laat zich
+de vraag niet anders dan ontkennend beantwoorden, omdat in zulke
+vereenigingen al de vereischten eener compositie ontbreken, namelijk
+een overheerschende klemtoon, de duidelijke samenvatting der leden
+in ééne voorstelling, en de wijziging der beteekenis van ten minste
+één lid. Zoo zoekt men b.v. in driehonderd vier en vijftig millióén
+zevenhonderd drie en zestig dúízend negenhonderd acht en zéventig
+vergeefs naar een woord, dat door zijn sterkeren nadruk al de overige
+woorden overheerscht en tot een geheel verbindt. Men hoort kennelijk
+drie hoofdaccenten, namelijk op millioen, duizend en zeventig; deze
+zijn even sterk en bewijzen mede, wat iedereen trouwens bij zich
+zelven kan waarnemen, dat de geest het geheele getal niet in eens
+omvat, maar het zich achtereenvolgens in drie gedeelten voorstelt,
+die men zelfs, zonder eenig nadeel voor de duidelijkheid, door
+komma's zou kunnen scheiden. Eindelijk, ieder woord wordt in deze en
+dergelijke verbindingen in zijne gewone beteekenis opgevat, behalve
+dat de getallen, die in vereeniging met honderd als multiplicativa
+staan (tweehonderd, achttienhonderd), door de ellips van maal of
+malen eene gewijzigde kracht bekomen, ten blijke waarvan zij dan ook
+met dit woord graphisch verbonden zijn. De Redactie ziet derhalve
+geene overwegende reden, om hier van de algemeene gewoonte af te
+wijken, die ten overvloede door het overeenstemmend Gebruik in alle
+beschaafde talen gewettigd wordt. Zij laat dus al de bestanddeelen
+van een samengesteld telwoord gescheiden, behalve tien en honderd,
+die aan het onmiddellijk voorgaande gehecht worden: dertien, veertien,
+vijftien, negentien; tweehonderd, zevenhonderd, zeventienhonderd enz.
+
+160. Meer grond bestaat er voor het graphisch verbinden der
+bestanddeelen van samengestelde ranggetallen, als b.v. drie en
+twintigste, vier honderd en zevende, zeshonderd vier en negentigste. In
+deze en dergelijke uitdrukkingen worden de verschillende leden door
+het afleidingssuffix -de of -ste, aan het laatste lid gehecht, tot
+een geheel verbonden, zoodat zij, in den tegenwoordigen toestand
+der taal, tot die soort van eigenlijke samenstellingen behooren,
+waarover in § 140 gehandeld is. Intusschen pleiten gedeeltelijk
+dezelfde redenen, die in de vorige § zijn aangevoerd, hier tegen de
+verbinding der bestanddeelen. Men heeft dergelijke samengestelde
+uitdrukkingen dan ook nooit als eigenlijke composita beschouwd,
+hetgeen daaruit blijkt, dat men oudtijds de suffixen -de en -ste, ten
+minste achter de hoofdbestanddeelen, herhaalde, en b.v. schreef: het
+hondertste ende tiende jaer; drie dusentste vierhonderdste ende seven
+ende tachtigste. Daarom achten wij het ongeraden, met de bedoelde
+uitdrukkingen zoo geheel anders te handelen dan met de eigenlijke
+getallen, en, in strijd met het gevestigde Gebruik in onze en andere
+beschaafde talen, wanstaltige woordvormen voor te staan, die het
+oog dikwijls niet zou kunnen overzien. Wij aarzelen derhalve niet,
+ten opzichte der ranggetallen eene uitzondering op den regel van §
+140 te maken en voort te gaan met gescheiden te schrijven: negen en
+zeventigste, vijfhonderd dertiende, enz.
+
+
+
+
+B. Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de leden eener
+samenstelling?
+
+
+161. De tweede onzekerheid bij het schrijven van samengestelde
+woorden betreft den vorm van het eerste lid, die uit de uitspraak niet
+altijd duidelijk blijkt, hetgeen bij vele tot verschil in spelling
+aanleiding geeft. Zoo schrijven b.v. sommigen pereboom en tarwebrood,
+anderen perenboom en tarwenbrood. De Leer der Spelling moet hier
+uitspraak doen.
+
+De onzekerheid spruit uit verschillende oorzaken voort; het is
+van belang die te kennen. Ook bij dit onderzoek is het noodig het
+onderscheid in het oog te houden tusschen de eigenlijke samenstellingen
+en de samenkoppelingen, van welke echter, gelijk reeds is aangemerkt,
+sommige later voor oor en oog in eigenlijke samenstellingen zijn
+overgegaan; vergelijk § 135 en 139. Deze verandering van vorm en
+nog andere redenen, die straks ter sprake komen, maken ook het
+onderscheiden van oudere en jongere samenstellingen noodzakelijk.
+
+De letters, ten opzichte waarvan onzekerheid en verschil bestaat,
+noemt men verbindingsklanken of verbindingsletters. Beginnen wij met
+te onderzoeken, wat men er door te verstaan heeft, welke letters zoo
+te noemen zijn.
+
+162. De woordstammen, d.i. de woorden, van alle buigingsuitgangen
+ontdaan, waren in den oudsten toestand der Indo-Germaansche talen
+tweeërlei: vocalisch, uitgaande op een der korte klinkers a, i en u
+(oe); of consonantisch, eindigende op eene n, voorafgegaan door eene
+korte a, of door eene lange î of û (goth. ei of ô). Bij het vormen
+van eigenlijke samenstellingen werd het eerste lid oorspronkelijk,
+indien het een vocalischen stam had, in zijn onveranderden stamvorm
+voor het tweede lid gevoegd; was het consonantisch, dan werd de n
+afgeworpen, en de voorafgaande lange klinker verkort. Dientengevolge
+eindigde het eerste lid der eigenlijke samenstellingen op weinige
+uitzonderingen na--kennelijk alle onregelmatigheden--steeds op een
+der korte klinkers a, i of u (oe). Daar nu deze klinkers een deel van
+het eerste lid uitmaken, kon er toen bij eigenlijke samenstellingen
+geene sprake zijn van opzettelijk ter verbinding ingevoegde letters.
+
+Uit deze waarneming vloeit nog iets voort. Indien het eerste lid in
+zulke composita voorkwam in zijn stamvorm, zonder eenig teeken dat
+eene betrekking aanduidde, dan is het zeker, dat men oorspronkelijk
+bij het samenstellen volstrekt niet dacht aan de verhouding van het
+eerste lid tot het tweede, maar het aan den hoorder overliet zich
+die verhouding daarbij te denken.
+
+163. Het begrip van samenkoppeling sluit reeds uit zich zelf het
+aanwezig zijn van verbindingsklanken uit. Eene koppeling bestaat in
+het aaneenhechten van twee, soms van meer woorden, die in de rede
+op elkander volgen; daarom komt het eerste lid natuurlijk niet in
+zijn stamvorm voor, maar, zoo het een verbuigbaar woord is, in een
+vorm waarin het in de rede zelfstandig kan optreden; een naamwoord
+derhalve in een naamval van het enkel- of meervoud, een werkwoord
+in de onbepaalde of in de gebiedende wijs. Zoo heeft b.v. het woord
+God in godsdienst den vorm van den 2den, in godebehaaglijk dien van
+den 3den, in godverheerlijkend dien van den 4den naamval, omdat
+die woorden vereenigingen zijn van de uitdrukkingen Gods dienst,
+Gode behaaglijk, God verheerlijkend. Het werkwoord spelen staat
+in spelevaren in de onbepaalde wijs, doch met onderdrukte n, omdat
+dit woord eene verbinding is van spelen varen (verg. lezen leeren);
+in vergeet-mij-nietje staat vergeten in de gebiedende wijs.
+
+164. Doch bestonden er oorspronkelijk geene verbindingsklanken,
+verschillende oorzaken hebben samengewerkt om hun bestaan eerst te
+onderstellen, en later werkelijk zulke letters in te voegen. Daar
+de woordstammen onveranderd natuurlijk alleen in samenstellingen
+voorkwamen, maar in de verbogen vormen, onder welke zij in de rede
+optraden, allerlei wijzigingen ondergingen, geraakte de natuur van
+de eindklinkers der stammen spoedig in vergetelheid, en begon men ze
+voor opzettelijk ingevoegde klanken, voor bloote verbindingsletters,
+aan te zien. Zij werden allengs zwakker uitgesproken, en gingen
+ten laatste in de toonlooze e over. Zoo ontstonden b.v. dageraad,
+nachtegaal, bruidegom van de stammen daga, nahta, bruthi. Wanneer men
+deze woorden vergelijkt met de later gevormde dagboek, nachtverblijf,
+bruidleidster, enz., dan krijgt de toonlooze e, ofschoon een deel van
+het eerste lid zijnde, het voorkomen van eene ingevoegde letter zonder
+beteekenis of reden van bestaan, van een blooten verbindingsklank. Haar
+aanwezen bewijst intusschen, dat de genoemde woorden tot de oudste
+samenstellingen behooren, uit den tijd, toen men de woordstammen daga,
+nahta en bruthi nog kende.
+
+165. Even willekeurig schijnt de toonlooze e in vele samenstellingen,
+wier eerste lid vroeger op dezen thans afgesleten klinker eindigde,
+b.v. in wiegelied, harteleed, bruggegeld, ruggegraat, willekeur enz.,
+van de verouderde vormen wiege, harte, brugge, rugge, wille.
+
+166. Bij samenkoppelingen hebben andere oorzaken gewerkt om letters,
+die inderdaad tot het eerste lid behooren, als ingevoegd te doen
+beschouwen. De tweede naamval, die thans alleen in het enkelvoud van
+het manlijke en onzijdige geslacht een kenmerkenden uitgang heeft (-s,
+-es, -n of -en), nam voorheen ook bij zwakke vrouwelijke woorden,
+als vrouwe, kerke, eere, eene -n aan: der vrouwen, der kerken, der
+eeren. Het meervoud, dat thans in alle naamvallen op eene -n of eene
+-s eindigt, ging vroeger bij alle sterk verbogen woorden op -e uit
+(in den 3den naamval op -en): honde, geite, dinghe, of bij sommige
+onzijdige op -er: kinder, kalver. Het was dus natuurlijk, dat men,
+toen er geene vrouwelijke genitieven op -n, geene meervouden op -e
+of -er meer bestonden, de -n, -e of -er in woorden als vrouwenkleed,
+eerenprijs, paardeboonen, kinderkamer, raderwerk enz. voor ingevoegde
+letters aanzag.
+
+Voorheen vormde men, naar het schijnt meest van werkwoorden,
+adjectieven op -el, als behaghel, krijgel, schamel, vergetel, vermetel,
+verstandel. Zij werden vooral in samenstellingen en afleidingen
+gebezigd, als in schamelheid, vergetelheid, vermetelheid. Was nu zulk
+een adjectief buiten gebruik geraakt en vergeten, dan kreeg -el in
+eene samenstelling het voorkomen van willekeurig ingevoegd te zijn,
+b.v. in schorselwoensdag, schortelkleed, schrikkeljaar, schrikkelmaand,
+troostelbier enz.
+
+167. Toen men nu eenmaal van het bestaan van verbindingsklanken
+meende overtuigd te zijn, was het natuurlijk dat men bij het vormen
+van nieuwe composita, als op het gevoel af, naar bestaande modellen
+te werk ging en dikwijls geheel ten onrechte letters invoegde. Op
+die wijze ontstonden, naar het voorbeeld van koningsmoord,
+vaderlandsliefde, kindskind, de composita jongelingsvereeniging,
+belegeringswerken, vrijheidsliefde, dochtersman, waardoor de s in
+composita ook achter vrouwelijke substantieven allengs het teeken van
+den tweeden naamval werd; naar ganzemarkt, paardekooper, hoenderhok,
+waarin het eerste lid een meervoud voorstelde, ook andere waarbij men
+aan een enkelvoud dacht, als ganzepen, paardestaart, hoenderei; naar
+krijgsman, krijgstuig ook leidsman, scheidsmuur; naar schorteldoek,
+schrikkeljaar ook ringelduif, noteltere (noteboom).
+
+Dientengevolge heeft men thans het volste recht om van
+verbindingsklanken te spreken; en, daar het niet altijd met zekerheid
+kan bepaald worden, of eene letter tot het voorste lid behoort,
+of slechts ingelascht is, zullen wij ook de wettig aanwezige onder
+den naam van verbindingsklanken of -letters begrijpen. Onder deze
+benamingen worden derhalve hier verstaan de letters -e, -n, -s,
+-el, -en en -er, voorkomende in het midden van samenstellingen,
+en niet behoorende tot den hedendaagschen stam van het eerste lid;
+dus b.v. de e in dageraad, de s in wolfsklauw, de lettergreep el in
+schorteldoek, en in menschenbloed, er in hoenderhok, omdat de stammen
+der eerste leden thans dag, wolf, schort, mensch, hoen luiden.
+
+168. Moest het vermelde noodwendig de strekking hebben om den
+vorm onzer composita onzeker te maken, er kwam nog de bekende
+eigenaardigheid van het Nederlandsch bij, dat wij de n achter
+eene toonlooze e slechts zeer flauw uitspreken en soms geheel
+onderdrukken. Daarom kan het gehoor alleen niet meer beslissen, of
+men pere- of perenboom te schrijven heeft; daardoor hebben sommige
+infinitieven, b.v. ruilen in ruilebuiten, spelen in spelevaren,
+hunne n verloren. Dat onderdrukken had natuurlijk het meest plaats
+in dagelijksche woorden, die men vaker hoorde uitspreken, dan men ze
+geschreven zag. In het omgekeerde geval bleef de n bestaan. Dit ziet
+men onder andere aan het zeldzaam voorkomende eerenprijs (naam eener
+plant), dat men in de woordenboeken met eene n geschreven vindt,
+naast het meer gebruikelijke eereprijs, in den eigenlijken zin van
+het woord genomen.
+
+169. Er is nog meer dat het bepalen van den vorm der composita moeilijk
+maakt. In de vroegste tijden reeds ging men, schijnbaar althans, met
+willekeur te werk, en vormde men, zonder eenig merkbaar onderscheid
+in de beteekenis te stellen, nu eens eigenlijke samenstellingen, dan
+eens koppelingen. De namen van de dagen der week leveren merkwaardige
+voorbeelden van die schijnbare regelloosheid op. Zondag, Maandag,
+Donderdag, Vrijdag, Zaterdag zijn eigenlijke samenstellingen, ofschoon
+het eerste lid, blijkens lat. dies Solis, Lunae enz., stellig in de
+betrekking van den genitief staat. Daarentegen zijn Dinsdag (Dies dach,
+dag van den god Die) en Woensdag (Wodans dach), meer overeenkomstig
+met de Latijnsche voorbeelden dies Martis en dies Mercurii, slechts
+koppelingen. Die ongelijkheid, ofschoon zij waarschijnlijk hare
+oorzaken heeft, laat zich thans niet meer verklaren. Men zal zulks
+moeten erkennen, als men bedenkt, dat men in het Middelnederlandsch
+zoowel Manendach, met den zwakken genitief van mane, als Maendach,
+Donresdach (Donderdag) naast Donredach en Vriendach of Vrijndach
+naast Vridach aantreft. Ook later ging men--voor ons verstand ten
+minste--niet regelmatiger te werk. Zoo geeft, om slechts iets te
+noemen, Kiliaan sonnenschijn op, als eene koppeling van schijn met
+den zwakken genitivus sonnen; maar daarentegen maenschijn, als eene
+echte samenstelling van maen en schijn.
+
+170. Hier komt nog bij, dat de taal thans stellig naar
+andere beginselen te werk gaat en meer naar duidelijkheid
+streeft. Bepaaldelijk wil zij den vorm van het meervoud, waar
+het begrip het denkbeeld van een meervoud medebrengt, terwijl
+men zich oudtijds met den stamvorm vergenoegde. Dit blijkt
+b.v. uit de vergelijking van de nieuwere woorden beeldengalerij,
+krankzinnigengesticht, woordenboek enz. met de oudere beeldhouwer,
+weeshuis, woordboeck enz.
+
+171. Uit deze waarnemingen, beschouwd in verband met het
+onderdrukken der n, volgt, dat men bij het verklaren en bepalen der
+verbindingsletters, althans in de bijzondere gevallen, weinig of
+geen licht kan vinden bij onze Ouden, omdat dezen, oogenschijnlijk
+ten minste, zonder regelmaat te werk gingen. Zoo laat zich
+b.v. niet uitmaken, of ons hedendaagsche zonneschijn en maneschijn
+samenstellingen zijn van zon en maan in hun verouderden vorm sonne
+en mane, dan wel koppelingen, bloote aanhechtingen van schijn aan de
+zwakke genitieven sonnen en manen, met dezelfde onderdrukking der n,
+die b.v. in spele(n)varen heeft plaats gehad.
+
+172. Te midden echter van al die schijnbare onregelmatigheden
+straalt een beginsel door, dat thans nog geldt, te weten het streven
+naar welluidendheid, of liever, negatief gesproken, het zoeken om
+onwelluidende vormen te vermijden.
+
+Ontegenzeglijk klinkt het samentreffen van sommige medeklinkers
+nagenoeg even onaangenaam, als zulks algemeen erkend wordt van de
+onmiddellijke opeenvolging van twee klinkers, waarvoor men zelfs
+opzettelijk een naam, hiatus, gaping, heeft uitgedacht. Sommige
+verbindingsletters hebben dan ook buiten tegenspraak geen ander
+doel, dan het vermijden van zulk een wanluidend samentreffen, en niet
+zelden strekt de e alleen om twee medeklinkers, de n om twee klinkers
+te scheiden.
+
+173. Even zeker is het, dat buitengewoon lange samenstellingen
+onwelluidend zijn en daarom door de taal zooveel mogelijk vermeden
+worden. Dit blijkt duidelijk uit woorden als jongelingsvereeniging,
+vondelingshuis en dergelijke, voor jongelingenvereeniging,
+vondelingenhuis: vormen, die men niet gebruikt, omdat zij ééne
+lettergreep langer zijn, ofschoon zij door de analogie van
+boerenbedrijf, ziekenhuis enz. zouden gevorderd worden.
+
+174. Van het tegenwoordige standpunt beschouwd, schijnt het alleszins
+wenschelijk dat er regels gesteld worden, die volstrekte regelmatigheid
+in de samenstellingen brengen, en waarbij men de beteekenis en de
+onderlinge verhouding der leden niet voorbijziet. Uit alles echter
+moet gebleken zijn, dat zulks geheel ondoenlijk is. Een aantal woorden
+uit vroegeren tijd, samengesteld naar thans onbekende beginselen, of
+schijnbaar tegen alle beginselen aan, hebben een vasten vorm gekregen,
+die nu niet meer te veranderen is, b.v. eierdop, eierschaal. Aan het
+stellen van algemeene regels, voor eene geheel consequente en tevens
+logisch juiste compositie, is derhalve niet te denken, dewijl zulks
+onvermijdelijk eene wijziging in den vorm van een zeer groot aantal
+woorden ten gevolge zou moeten hebben, die, zoo zij daardoor ook
+al niet geheel onkenbaar werden, dan toch een al te zonderlingen
+indruk maken zouden. Wien toch zou het niet bevreemden dagraad,
+bruidsgom en nachtgaal geschreven te vinden, ofschoon deze woorden in
+overeenstemming zouden zijn met dagboek, dagregister, dagreis enz.,
+met bruidsdagen, bruidstranen, bruidsgift, bruidsgoed enz., en met
+nachtgewaad, nachtgoed, nachtkaars enz.
+
+Logisch juist zijn de woorden ziekenhuis, oude-mannenhuis,
+invalidenhuis, kinderhuis (met het oude meervoud kinder); minder goed
+zijn weeshuis en duifhuis, hoewel te rechtvaardigen, als gevormd naar
+de oorspronkelijke wijze van samenstellen; geheel onverdedigbaar is
+daarentegen vondelingshuis. Doch wie zou zijne goedkeuring willen
+hechten aan een regel, die voorschreef met strikt logische juistheid
+kinderenhuis, vondelingenhuis, weezenhuis te schrijven, en duifhuis
+door duivenhuis te vervangen, ten einde het met duivenhok en duiventil
+in overeenstemming te brengen?
+
+175. Is het stellen van algemeen geldige regels voor het vormen van
+composita volstrekt onmogelijk, het is gelukkig ook niet noodig. De
+Spelling heeft alleen te bepalen, hoe de gesproken woorden, haar
+door de Etymologie of het Gebruik kant en klaar geleverd, behooren
+geschreven te worden. Zij behoeft zich dus slechts te bemoeien met
+die samenstellingen, wier vorm niet duidelijk uit de uitspraak blijkt,
+en waarvan dientengevolge verschillende schrijfwijzen bestaan.
+
+176. Doch ook zóó genomen heeft de zaak nog vele bezwaren in. Het
+aantal der onzekere vormen is groot en bestaat uit verschillende
+soorten; en daarnevens bevinden zich verscheidene woorden, tot
+dezelfde soorten behoorende, die steeds onveranderlijk op dezelfde
+wijze geschreven worden, wier vormen dus wel degelijk bepaald zijn,
+maar naar verschillende en tegenstrijdige beginselen. Zoo schrijft
+men onveranderlijk sterrekunde en instrumentmaker, met sterre en
+instrument in den enkelvoudigen stamvorm; daarentegen, evenzeer
+onveranderlijk, volkenkunde en sigarenmaker, met volk en sigaar
+in den meervoudsvorm. Het is duidelijk, dat er geen regel bestaan
+kàn, waarin beiderlei vormen gelijkelijk passen. Welke regels
+men dus ook voor de onzekere vormen aanneme, er blijven altijd
+eenige woorden over, die, zoo men te hunnen opzichte het Gebruik
+wil blijven eerbiedigen, noodwendig buiten de regels vallen. Men
+zou de zoodanige als uitzonderingen kunnen beschouwen en vermelden,
+indien de uitspraak en spelling van alle even zeker ware als die van
+de vier bovengenoemde, of indien er eenig herkenningsteeken bij die
+uitzonderingen bestond. Daar dit echter in geenen deele het geval is,
+en men toch wel niet verlangen kan, dat wij geheel beginselloos te
+werk gaan, zoo blijft ons niets anders over, dan 1º. eenige regels aan
+te nemen, die, zoo weinig mogelijk met het oude gebruik strijdende,
+op de hedendaagsche richting der taal gegrond zijn, en daardoor recht
+geven tot de verwachting, dat nieuwe woorden dienovereenkomstig zullen
+gevormd worden; en 2º. de weinige woorden, wier vorm door het Gebruik
+anders bepaald is, met die regels in overeenstemming te brengen. Uit
+het aangevoerde toch moet niet slechts de onmogelijkheid gebleken
+zijn van dit te vermijden, maar ook evenzeer de wenschelijkheid,
+dat er eenmaal een einde kome aan de bestaande wanorde in het stuk
+der compositie, en dat men daarbij duidelijk bewuste verstandige
+beginselen volge. Wij voor ons ten minste rekenen ons verplicht
+daarnaar te streven.
+
+177. Het is duidelijk, dat de Spelling ook bij het stellen van zulke
+regels, althans in de eerste plaats, behoort te werk te gaan naar
+dezelfde beginselen, die bij het schrijven der grondwoorden gelden,
+voor zooverre die hier van toepassing kunnen zijn. De Regels der
+Gelijkvormigheid (§ 49) en der Afleiding (§ 54) bepalen den vorm der te
+verbinden woorden, doch zwijgen natuurlijk van de verbindingsletters;
+en daar men geheel van de onderstelling uitgaat, dat de Uitspraak niet
+beslist, zullen voornamelijk de Analogie (§ 59) en de Welluidendheid
+(§ 62) moeten geraadpleegd worden.
+
+In één opzicht zal men genoodzaakt zijn van de aangenomen gewone
+beginselen af te wijken: aan het Gebruik zullen hier aan de eene zijde
+minder, aan de andere meer rechten moeten toegekend worden. Nergens
+had dit vrijer spel dan in het stuk der compositie, waar zoovele
+verschillende beginselen golden, en aanleiding gaven om de meest
+uiteenloopende richtingen aan te nemen. Zal er eenige regelmaat in het
+schrijven der samenstellingen bestaan, dan zal men soms van het Gebruik
+moeten afwijken, zonder te kunnen bewijzen dat het volstrekt verkeerd
+is, terwijl men het in andere gevallen zal moeten eerbiedigen, ofschoon
+het moeilijk kan gerechtvaardigd worden; vergel. hier § 66. Zoo is de
+spelling zedeleer en sterrekunde op zich zelve geheel wettig, als eene
+samenstelling met den stamvorm zede en sterre; maar de Analogie en de
+hedendaagsche richting der taal eischen zedenleer en sterrenkunde;
+hier kunnen wij het Gebruik niet langer laten gelden. Daarentegen
+zijn de gewone vormen eierdop, eierschaal (bij Kiliaan nog ey-dop,
+ey-schale) verkeerd, en het meervoud door niets goed te maken; doch
+wie zal nu eidop, eischaal willen geschreven zien?
+
+178. Daar de bemoeiingen der Spelling zich niet verder behoeven uit
+te strekken dan tot die verbindingsletters, die in de uitspraak niet
+duidelijk worden gehoord, is het klaar, dat alle onderzoekingen zich
+hier bepalen tot de n en de s. Men kan alleen onzeker zijn, of eene
+toonlooze e al of niet door n gevolgd, en of eene s of z, waarmede
+het tweede lid begint, al of niet door eene s wordt voorafgegaan;
+b.v. of men konijnen- of konijnehaar, dorps- of dorp-schuit, eenigs-
+of eenig-zins te schrijven heeft. Omtrent de overige letters, over
+het al of niet aanwezig zijn van e en er, en van s, niet door s of
+z gevolgd, beslist de Uitspraak.
+
+Ten einde onder de duizenden samengestelde woorden niet geheel in
+den blinde rond te tasten, zal het dienstig zijn vooraf na te gaan,
+onder welke soort van samenstellingen de vermelde onzekerheden
+worden aangetroffen. Bij dat onderzoek zullen wij het veiligst te
+werk gaan, indien wij achtereenvolgens die woordsoorten uitmonsteren,
+bij welke eene inlassching van verbindingsletters niet denkbaar is,
+of in elk geval verkeerd zou wezen. Daar de verbindingsletters steeds
+òf werkelijk uitgangen van het eerste lid zijn, òf als zoodanig worden
+aangemerkt, zal men de samenstellingen naar de natuur van het eerste
+lid in soorten of klassen moeten onderscheiden.
+
+Alleen een voegwoord kan niet het eerste lid eener samenstelling
+uitmaken; alle andere rededeelen, zelfs het lidwoord van bepaaldheid,
+b.v. in dewijl, en de tusschenwerpsels ei en he in eilaas en helaas,
+treden als eerste leden van composita op. Voor zooverre echter de
+samenstellingen met onverbuigbare woorden beginnen, is het duidelijk,
+dat er geene sprake van verbindingsletters kan wezen. Immers vermits
+deze letters steeds werkelijke of gewaande buigingsuitgangen zijn,
+ontbrak bij de woorden, die met indeclinabilia, met bijwoorden,
+voorzetsels of tusschenwerpsels beginnen, de aanleiding tot
+het aanwezig zijn of tot het ontstaan van verbindingsletters
+geheel en al. Men treft er onder dezulke dan ook geene aan, zelfs
+niet waar de welluidendheid ze zou kunnen vorderen. Men schrijft
+algemeen medearbeider, medeërfgenaam, medeïngezetene, medeoorzaak,
+medeüitverkorene, waarin niemand ter wegneming van den hiatus eene n
+invoegt; eene waarneming, die bewijst, dat ook die verbindingsletters,
+die blootelijk voor de welluidendheid strekken, toch naar de analogie
+der buigingsletters ontstaan zijn.
+
+De met onverbuigbare woorden aanvangende samenstellingen leveren
+derhalve ten opzichte der verbindingsletters geene onzekerheden op;
+deze zijn dus alleen denkbaar bij die soorten van composita, wier
+eerste lid verbuigbaar is. Doch ook van deze vallen terstond een paar
+soorten weg, waarover men zich niet verder te bekommeren heeft. De
+hoofdgetallen blijven in de eigenlijke samenstellingen onveranderd,
+en staan in zooverre gelijk met de onverbuigbare woorden. Men zegt en
+schrijft driewerf, viermaal, vijfhoek, zeskantig, driesprong, tiental,
+honderdvoud, duizendvoudig enz. De vormen op -en, als tweeën, drieën,
+vieren enz., komen slechts alleenstaande, nooit in samenstellingen
+voor; het gewone vierendeel is eene verbasterde uitspraak voor
+vierdedeel. Er bestond dus ook nooit aanleiding tot het ontstaan
+eener verbindings-n, zelfs niet ten gevalle der welluidendheid, hier
+evenmin als bij de indeclinabilia; men zegt tweeoogig en driearmig,
+niet tweenoogig en drienarmig. De vrouwelijke genitiefvorm op -er
+treedt slechts voor -lei en -hande in eenerlei, tweeërhande enz. en
+baart geene twijfelingen. Van de telwoorden blijven derhalve alleen
+die weinige ter nadere behandeling over, die, als geen en veel,
+op de wijze van bijvoeglijke woorden verbogen worden.
+
+Ook de zelfstandige voornaamwoorden vallen buiten het
+onderzoek. Van deze komt alleen zelf als het eerste lid in
+samenstellingen voor. Ofschoon men het voorheen wel eens eene s
+gaf, en b.v. soms zelfsbedrog schreef, in het hedendaagsche gebruik
+blijft het onveranderlijk zelf: zelfbeschuldiging, zelfvertrouwen,
+zelfverloochening enz.
+
+179. Uit het aangevoerde volgt, dat alle twijfelachtige gevallen
+moeten gezocht worden onder woorden, aanvangende met zelfstandige
+naamwoorden, werkwoorden of bijvoeglijke woorden, te weten
+lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden
+en onbepaalde telwoorden. Deze waarneming stelt ons in staat om
+over den aard der verbindings-s en -n te oordelen. De n zal achter
+zelfstandige naamwoorden òf het teeken moeten zijn van den zwakken
+genitief, òf dat van het meervoud; achter bijvoeglijke woorden een
+naamvalsuitgang; achter werkwoorden het teeken van den infinitief;
+òf zij zal bloot euphonisch moeten wezen, wat achter allerlei woorden,
+behalve indeclinabilia, kan plaats hebben. De s kan achter zelfstandige
+naamwoorden den genitief of het meervoud aanduiden; achter bijvoeglijke
+woorden zal zij het teeken van den sterken genitief wezen; òf zij zal
+achter beide soorten als euphonisch zijn te beschouwen; achter stammen
+van werkwoorden zal zij slechts de laatstgenoemde waarde kunnen hebben.
+
+Beginnen wij met het onderzoek naar
+
+
+
+De inlassching der verbindings-n.
+
+180. Uit de vorige § vloeit voort, dat men bij het oordeelen
+over de noodzakelijkheid of overtolligheid der verbindingsletters
+volstrekt noodig heeft te weten, tot welke soort van woorden het
+eerste lid behoort. In de meeste gevallen is dit niet moeilijk te
+bepalen. Een werkwoord, al staat het in den stamvorm, laat zich
+door zijne beteekenis in den regel duidelijk genoeg onderkennen;
+doch substantieven en adjectieven zijn niet altijd zoo gemakkelijk
+te onderscheiden. Met name is dit het geval met de stoffelijke
+bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige, waarvan zij gevormd zijn
+door aanhechting van het achtervoegsel -en, welks n in het dagelijksch
+leven zelden duidelijk uitgesproken, maar meestal geheel onderdrukt
+wordt. Dit maakt, dat men op het gehoor af niet kan onderscheiden, of
+men in samenstellingen met zelfstandige naamwoorden of met stoffelijke
+adjectieven te doen heeft; of men b.v. tarwen- of tarwebrood, rijsten-
+of rijstebrij moet schrijven. Daar de uitspraak hier niet beslist,
+en de beteekenis, oppervlakkig beschouwd, beide schrijfwijzen schijnt
+te wettigen, zal de analogie moeten geraadpleegd worden. Men heeft te
+vragen, of er andere samenstellingen bestaan, waarvan het eerste lid
+stellig en buiten allen twijfel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
+is. Bij onderzoek blijkt, dat er geen enkel zoodanig woord is te
+vinden, maar integendeel een aantal, waarin het eerste lid uit
+een zelfstandig naamwoord bestaat, dat de plaats bekleedt van een
+stoffelijk bijvoeglijk naamw., of althans hetzelfde uitdrukt. Zoo
+spreekt men van blik-, hout-, ijzer-, koper- en tinwaren; van
+hout-, ijzer-, koper- en zilverwerk; van goud-, ijzer-, koper- en
+zilverdraad; van goud- en zilverlaken; van goudguldens en zilvergeld;
+van stroohoeden; van steen- en suikergoed; van pleisterbeelden;
+van steen- en zandwegen; van steenrotsen, stroodaken en turfmuren;
+van amandeltaarten, honingkoeken en peperkoek; terwijl er geen enkel
+compositum met gouden, zilveren enz. is aan te wijzen. Hieruit blijkt
+duidelijk genoeg, dat onze taal geene samenstellingen met stoffelijke
+bijvoeglijke naamwoorden kent.
+
+Dit liet zich reeds a priori voorzien. Het Nederlandsch toch,
+ofschoon zoozeer als eenige taal het vermogen bezittende om samen
+te stellen, maakt evenwel van dat vermogen slechts met tact en
+wijze spaarzaamheid gebruik. Het vormt geene samenstellingen,
+waaraan geene behoefte is; het koppelt daarom ook geen adjectief aan
+het volgende substantief, wanneer er geen nieuw begrip ontstaat,
+verschillende van dat, wat de woorden onvereenigd reeds zouden
+uitdrukken. Composita als aequatoriaalcirkel, gymnasiaalonderwijs,
+proportionaalpasser, privaatlessen enz. zijn germanismen, even
+grof als privaataudientie, privaatleven, existentiaaloordeelen
+en dergelijke. Een compositum goudenhorloge kon niet ontstaan,
+omdat gouden horloge volkomen hetzelfde uitdrukt. Men kan derhalve
+in de uitspraak roggenbrood, tarwenbrood enz., geene stoffelijke
+bijvoeglijke naamwoorden erkennen. Het moge wezen, dat roggebrood,
+tarwebrood enz. ontstaan zijn door het samenkoppelen van roggen
+brood, tarwen brood enz., ten gevolge waarvan sommigen roggenbrood
+en zelfs roggembrood uitspreken; maar nu de gevoelens verdeeld zijn,
+moet het taaleigen beslissen. Het is uit dien hoofde raadzaam te
+schrijven: boekweitebrood, gerstebrood, roggebrood, tarwebrood,
+als samenstellingen met boekweit (oudtijds boeckweyte), gerst
+(oudt. gerste), rogge en tarwe; en zoo ook rijstebrij, rijstepap,
+gelijk haverbrij, gortpap, meelpap, van rijst (oudt. rijs) met eene
+ingelaschte e of te naar het voorbeeld der overige samenstellingen, die
+meestal drielettergrepig zijn. Wie in sommige der opgenoemde woorden
+de n zou willen laten hooren, zou de woorden moeten scheiden en roggen
+brood, weiten pannekoeken enz. schrijven, dewijl de n zich ook niet
+als teeken van den zwakken genitivus laat rechtvaardigen, vermits
+de taal de betrekking tusschen de stof en het daaruit vervaardigde
+nooit door een 2den naamval uitdrukt. Daarentegen schrijve men:
+boonenbrood, kanenbrood, gruttenbrij, frambozenkoekjes, erwtensoep,
+omdat deze gevormd zijn van de meervouden boonen, kanen, grutten,
+frambozen, erwten.
+
+Verder volgt hieruit, dat men, van aarden vaatwerk en van een kunstweg
+sprekende, overeenkomstig het bijna algemeene gebruik, aardewerk en
+aardebaan zeggen moet; niet aardenwerk, aardenbaan, ofschoon deze
+vormen, taalkundig nooit te verdedigen, wel door eene ongeoorloofde
+samenkoppeling met aarden kunnen ontstaan zijn.
+
+181. Indien het zeker is, dat men in die gevallen, waarin de zin
+desnoods een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zou toelaten, met een
+zelfstandig naamw. te doen heeft, dan lijdt het wel geen twijfel,
+dat zulks nog veeleer het geval is bij woorden, in wier beteekenis
+slechts met moeite die van een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in
+te wringen is. In dit geval verkeeren de boomnamen, samengesteld met
+een woord, dat reeds op zich zelf een boomnaam is, b.v. berkeboom,
+beukeboom enz. Een berkeboom is toch wel bezwaarlijk op te vatten
+als een berken of berkenhouten boom, gelijkstaande met berken bezem,
+berken roede. Daarom treft men in berke-, beuke-, denne-, eike-,
+elze-, essche-, ijpe-, sparre- en wilgeboom, waarin sommigen eene n
+schrijven, evengoed als in abeel-, ceder-, olm-, palm- en pijnboom,
+en in lindeboom, waarin nooit eene n gehoord wordt, geene bijvoeglijke
+naamwoorden aan, maar de boomnamen in hun ouden vorm berke, beuke,
+denne, eike enz., uit den tijd toen zij, gelijk linde nog, op e
+uitgingen. Daar boom in berkeboom als het ware de appositie is van
+berk, en beide leden derhalve in gelijke betrekking staan, is de n
+ook niet als teeken van den zwakken genitief te verdedigen.
+
+ De woorden grenen en vuren, die in onze taal den grondvorm missen,
+ maar rechtstreeks zijn afgeleid van Noordsche benamingen van
+ denneboomen, zijn wel stoffelijke bijvoegl. naamwoorden; doch daar
+ de grondvormen bij ons onbekend zijn, kunnen zij niet anders dan
+ als Nederlandsche grondwoorden beschouwd worden, die als zoodanig
+ in de samenstelling onveranderlijk zijn.
+
+
+
+
+De n achter substantieven als teeken van den zwakken genitief.
+
+
+182. De n kan als teeken van den genitief gewettigd schijnen achter de
+substantieven der zwakke declinatie, dat wil zeggen achter dezulke,
+die in den 2den naamval van het enkelvoud n of en aannemen, en die
+zich voorheen ook daardoor onderscheidden, dat zij in alle naamvallen
+van het meervoud op en uitgingen, terwijl die der sterke declinatie
+e of s aannamen. Deze zijn, behalve het onzijdige hart (des harten),
+louter manlijke persoonsnamen; te weten alle die op e eindigen,
+als bode, erve, getuige; de als persoonsnamen gebezigde bijvoeglijke
+naamwoorden: arme, bediende, blinde, gedaagde, gevangene, kreupele,
+lamme, rijke, overste, zieke enz., waartoe ook die behooren, welke
+de e hebben afgeworpen, als dwaas (des dwazen), gek, vrek, zot, en
+eindelijk nog graaf, heer, mensch, paus, prins en vorst, die voorheen,
+op paus na, insgelijks op e uitgingen, en gedeeltelijk soms nog met
+e geschreven worden, als grave, heere, mensche.
+
+183. De zwakke declinatie was oudtijds veel talrijker en bevatte niet
+slechts nog andere manlijke en onzijdige substantieven, die thans
+sterk verbogen worden, maar ook vrouwelijke, die nu alle verbuiging
+hebben verloren.
+
+Tot de manlijke behoorden nog andere persoonsnamen, als hertog, jood,
+profeet, slaaf, soldaat;--diernamen als aap, beer, bul of bol, draak,
+haan, haas, os, pauw; en namen van levenlooze dingen, als gaard,
+naam, wil. Deze gingen insgelijks meest op de toonlooze e uit: jode,
+profete, slave, ape, bere, bolle, drake, hane, hase, osse, paeuwe,
+gaerde, name, wille enz.
+
+Ook de onzijdige ooge en oore werden oorspronkelijk zwak verbogen,
+ten gevolge waarvan zij eerst vrouwelijk werden, om later, na afwerping
+der e, tot het onzijdige geslacht terug te keeren.
+
+Grooter was de klasse der vrouwelijke zwakke substantieven, waartoe
+vrouwe, coninginne, deure, eere, kerke, mane, sonne e.a. behoorden.
+
+184. De verbuiging der genoemde woorden veranderde natuurlijk niet
+plotseling en op eenmaal; zij bleef lang tusschen zwak en sterk
+dobberen, zoodat men zelfs bij eenen en denzelfden schrijver nevens
+elkander des profeets en des profeten, des leeuws en des leeuwen,
+des osses en des ossen, der vrouwe en der vrouwen, der aerde en der
+aerden, der eere en der eeren enz. aantreft.
+
+Het langst hield de zwakke vorm stand, wanneer het regeerende
+substantief of een ander innig verbonden woord op den genitief
+volgde. Zoo leest men bij dezelfde schrijvers: eens profeten sone, des
+leeuwen muyl, des profeten Jeremia enz., naast: de stemme eens fellen
+leeuws, Ahia des profeets enz., waar de omgekeerde woordschikking
+plaats heeft.
+
+185. Uit constructiën als de eerstgenoemde, waarin de genitief vóór het
+beheerschende woord staat, b.v. eens profeten sone, eens vorsten telg,
+eens heeren knecht, des prinsen vlag, eens bullen pees, eens hanen
+poot, eens leeuwen muil, eens ossen tong enz., konden lichtelijk
+door koppeling composita ontstaan, als profetenzoon, vorstentelg,
+heerenknecht, prinsenvlag, bullenpees, hanenpoot, leeuwenmuil,
+ossentong enz.; op dezelfde wijze als Godszoon, bokspoot, hondstand,
+wolfshonger enz. uit Gods zoon, eens boks poot, eens honds tand, eens
+wolfs honger. Zeker is het dat sommige samenstellingen werkelijk aan
+zulk eene koppeling haar ontstaan te danken hebben, b.v. 's-Gravenhage,
+'s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, eerenprijs (naam eener plant);
+het afgekorte lidwoord 's (voor des), het voornaamw. mijns en het
+gemis van het meerv. van eer of eere stellen zulks buiten twijfel. Men
+mag dus veilig aannemen, dat ten minste eenige der bovengenoemde,
+misschien alle, en nog vele andere koppelingen enkelvoudige genitieven
+bevatten. Doch even zeker is het, dat men daarbij, behalve bij
+eigennamen, gelijk de bovengenoemde van lidwoorden of voornaamwoorden
+vergezeld, thans niet meer aan een tweeden naamval denkt; de uitspraak
+der meest gebruikelijke woorden leert zulks duidelijk. Men zegt toch
+algemeen zonder n: bullepees, hanekam, hanepoot, haneveer, hazesprong,
+ossetong, pauweveer; niet bullenpees, hanenkam enz., ofschoon men
+daarnevens wel degelijk van bokspooten, hondstanden, lamsbouten,
+ramshorens en arendsneuzen spreekt, waarin ontwijfelbaar de sterke
+genitivus gehoord wordt. De oorzaak is klaarblijkelijk daarin gelegen,
+dat de zwakke genitieven zeldzaam geworden en uit de omgangstaal geheel
+verbannen zijn, en nu alleen nog in hoogeren stijl worden gebezigd. Het
+is een gevolg van de richting, die onze taal in de laatste eeuwen
+heeft genomen. De zwakke genitief leeft niet meer in het bewustzijn
+des volks, hij is verouderd; de sterke heeft zijne plaats ingenomen
+op weinige uitzonderingen na, die tot den deftigen stijl behooren,
+welke gaarne eenigszins verouderde uitdrukkingen bezigt. Er staat
+eene andere richting tegenover, namelijk het toenemen der n van het
+meervoud. In het Middelnederlandsch eindigden alle sterke substantieven
+in het meervoud slechts op eene e: honde, hande enz., thans alle op
+en. In de 17de eeuw nog gingen de gesubstantiveerde adjectieven, als
+arme, rijke enz., in het meervoud op e uit, thans insgelijks op en:
+de armen enz. De n van het meervoud is dus toegenomen, naarmate die
+van den zwakken genitief verminderd is. Aan de vereenigde werking der
+beide richtingen is het toe te schrijven, dat men de n in de composita
+niet meer als het teeken van den genitief, maar als den uitgang van
+het meervoud aanmerkt. Duidelijk blijkt zulks uit die samenstellingen,
+waarin het eerste lid een vroeger zwak verbogen substantief is, die
+dus de n behoorden te hebben, maar ze door s hebben vervangen, als:
+naamsverwisseling, wilskracht, hartstocht, hartsvriendin, eershalve,
+maansverduistering, vrouwspersoon, zonsondergang enz. Neemt men hierbij
+in aanmerking, dat, niettegenstaande alle vrouwelijke woorden thans
+onverbogen blijven, er toch in composita een groot aantal worden
+aangetroffen, waarin s de betrekking van den genitief uitdrukt,
+als in deugdsbetrachting, krachtsontwikkeling, liefdesverklaring,
+stadspoort, vriendschapsbetuiging, waarheidsliefde, zielsverdriet,
+zuinigheidsmaatregel; en dat er volstrekt geene samenstellingen als
+deurenpost, kerkentoren, manenschijn, stedenpoort, zonnenstraal
+enz. bestaan, ofschoon men daarin met recht de n van den 2den
+naamval zou verwachten, dan moet men wel besluiten, dat de taal
+in samenstellingen geene n meer als teeken van den 2den naamval
+beschouwt. Maar dan zou het ook eene miskenning van hare geschiedenis
+wezen, indien men thans nog in composita eene twijfelachtige n wilde
+schrijven, alleen op grond, dat zij de betrekking van een enkelvoudigen
+genitivus moest aanduiden.
+
+186. Uit het aangevoerde volgt, dat de samenstellingen met het
+enkelvoudige hart geene n behooren te hebben. Men zegt algemeen:
+hartediefje, harteleed, hartelust; en de woorden hartstocht en
+hartsvriendin bewijzen voldingend, dat men zelfs bij dit woord,
+ofschoon het werkelijk nog zwak verbogen wordt, in composita niet meer
+aan den zwakken genitief denkt. Daarom is hartewensch de eenige thans
+consequente vorm, hoewel men nu en dan nog wel hartenwensch gespeld
+ziet. De vormen met harten- verwekken kennelijk de gedachte aan een
+meervoud, gelijk b.v. hartenaas, hartenheer in het kaartspel.
+
+187. Doch alhoewel het zeker is, dat de taal thans het invoegen eener
+twijfelachtige n niet wettigt, indien er in het geheel geen andere
+grond voor bestaat dan het uitdrukken van een genitief, die niet meer
+gevoeld wordt, even zeker is het, dat zij die invoeging niet verbiedt,
+wanneer daarvoor andere redenen aan te voeren zijn.
+
+In geen geval zal iemand de n willen missen in 's-Gravendeel,
+'s-Gravenhage, 's-Heerenberg, 's-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland en
+dergelijke namen, in welke hare beteekenis ten gevolge der voorafgaande
+genitieven 's en mijns duidelijk wordt gevoeld. Maar er zijn ook
+andere gevallen, waarin men eene n zal willen schrijven, ofschoon
+zij alleen kan beschouwd worden als teeken van een enkelvoudigen
+2den naamval, waarvan men zich niet duidelijk bewust is. Er bestaan
+namelijk eenige woorden met dubbele beteekenis, die in de eene, in de
+oneigenlijke opvatting, als teeken van het meervoud eene n eischen,
+welke in de eigenlijke slechts den 2den naamval van het enkelvoud
+kan vertegenwoordigen. De overdrachtelijke opvatting dier woorden,
+dus hun vorm met n, is de gewone; de eigenlijke, die strikt genomen de
+n zou kunnen missen, komt uit haren aard slechts hoogst zelden voor,
+terwijl het voor de duidelijkheid onverschillig is en dus nutteloos en
+spitsvondig zou zijn de beide opvattingen door verschil in spelling
+te onderscheiden. Daar nu de n in de bedoelde woorden als teeken van
+den zwakken genitief grammatisch volkomen gerechtvaardigd is, zoo
+hebben daar de Analogie en het in § 67 aangemerkte volle kracht. Zie
+over deze woorden beneden § 194.
+
+Kan de hoedanigheid van teeken van den zwakken genitief eene voldoende
+reden zijn om eene n te schrijven, waar de Analogie daarvoor pleit;
+zij is geen voldoende grond voor haar behoud, waar de Analogie haar
+verwerpt. Dit is het geval bij eerenprijs als plantnaam. Het is wel
+niet denkbaar, dat men de plant (veronica) zal verwarren met een
+eereprijs als eerbewijs; de onderscheiding door de spelling is dus
+volstrekt nutteloos en daarom af te keuren. Wij schrijven uit dien
+hoofde eereprijs zonder n in de beide opvattingen van het woord,
+naar analogie van eereboog, eerelid, eereplaats, eerepoort, eerepost,
+eerezetel enz.
+
+
+
+
+De n achter substantieven als het teeken van het meervoud.
+
+
+188. Daar in eigenlijke samenstellingen het eerste lid oorspronkelijk
+in den stamvorm, dus noch in het enkelvoud noch in het meervoud
+voorkwam, behooren alle samenstellingen met een meervoudig eerste
+lid noodwendig tot de nieuwere tijden. Doordien er nu een aantal
+composita gevonden worden, die een meervoud onderstellen, maar wier
+eerste lid desniettemin enkelvoudig is, b.v. geweermaker, pijlkoker,
+patroontasch, weeshuis enz., heeft men wel eens getwijfeld aan het
+bestaan van eigenlijke samenstellingen, wier eerste lid meervoudig
+is. Er worden er evenwel genoeg gevonden, die niet twijfelachtig
+zijn. Niemand toch denkt er aan, in plaats van kinderschooltje,
+kalverliefde, eierkorf, raderwerk, lucifersdoosje, huisjesmelker,
+meisjesgek, sigarenkoker, krankzinnigengesticht enz., kindschooltje,
+eikorf enz. te zeggen en te schrijven; en toch, -er duidt steeds, en de
+s en en duiden in de genoemde woorden ontegenzeglijk het meervoud aan.
+
+Het aanwezig zijn van samenstellingen met een meervoud, die
+voorheen onmogelijk waren, en die meestal eerst in de jongste
+tijden gevormd zijn, bewijst--wat in zoovele andere opzichten
+blijkt--dat de taal ook bij het samenstellen al meer en meer het
+begrip op den voorgrond schuift, en de duidelijkheid wil bevorderen,
+al kan zulks ook slechts geschieden met opoffering der oudere vormen
+en taalregels. Men heeft hierin een wenk te zien, dien men bij het
+kiezen tusschen verschillende schrijfwijzen moet gehoorzamen, ook dan
+zelfs, wanneer het Gebruik in een enkel geval stellig nog het oudere
+voortrekt. Wij nemen daarom als regel aan, dat die samenstellingen,
+eigenlijke zoowel als koppelingen, wier eerste lid noodwendig als
+de aanduiding eener veelheid moet opgevat worden, in twijfelachtige
+gevallen den meervoudsvorm vereischen, dat wil zeggen, achter de
+toonlooze e eene n als teeken van het meervoud moeten hebben. Wij
+schrijven volgens dat beginsel met eene n: bessensap, biezenkistje,
+boekenkast, boekenrek, boekenstalletje, brievenbesteller, brievenpost,
+brillenslijper, broekenstof (en broekstof), dennenwoud, dievenbende,
+druivennat, druiventros, duitendief, duiventil, eendenkooi, eikenbosch,
+engelenkoor, gortenteller, grappenmaker, hanengevecht, heldenschaar,
+hemdenlinnen, hertenkamp, hoedenmaker, ijpenlaan, jodenbuurt,
+kleerenmaker (en kleermaker), koekenbakker, kousenwever, mandenmaker,
+messenmaker, muggenzifter, pottenbakker, pottenkast, pruikenmaker,
+rozenkrans, sigarenfabriek, snarenspeeltuig, stoelendraaier,
+stokkenknecht, woordenboek, woordenlijst enz., omdat bij die woorden
+steeds aan eene veelheid wordt gedacht, en b.v. eene kast, waarin,
+onder andere dingen, één boek wordt geborgen, geene boeke- noch
+boekenkast heet, noch een grofsmid, die voor eigen gebruik een mes
+vervaardigt, dientengevolge een messe- of messenmaker wordt. De meeste
+der opgenoemde woorden worden trouwens algemeen met eene n gespeld;
+er kan geene reden bestaan om voor diegene, die men gewoonlijk anders
+schrijft, eene uitzondering te maken.
+
+ Onder de opgenoemde woorden zullen die op -maker (-makerij)
+ en dergelijke den meesten aanstoot geven. Men ziet ze op
+ uithangborden en in andere opschriften doorgaans, hoewel met
+ loffelijke uitzonderingen, zonder n geschreven. Wanneer men
+ echter in aanmerking neemt, dat die spelling òf dagteekent uit
+ den tijd, toen de woorden der sterke declinatie in het meervoud
+ nog op e uitgingen, een gebruik dat feitelijk afgeschaft is; òf
+ dat zij een gevolg is van het onderdrukken der n in de uitspraak,
+ hetgeen slechts misbruik kan heeten; maar dat de e in verreweg de
+ meeste gevallen niet anders dan als het teeken van het meervoud
+ kan beschouwd worden: dan is het rationeel die spelling te volgen,
+ welke de taal sedert een paar eeuwen buiten de samenstelling als
+ regel heeft aangenomen.
+
+189. Ingevolge dit beginsel schrijven wij, tegen het algemeene
+gebruik aan, zedenkunde, zedenleer, sterrenkunde met den
+meervoudsvorm. Ofschoon de vormen zedeleer en sterrekunde verdedigd
+kunnen worden als eigenlijke samenstellingen met zede en sterre in
+den stamvorm, en dus gelijkstaande met dierkunde, boekvertrek enz.,
+zouden wij meenen de nieuwere richting in de taal te miskennen,
+indien wij hier, het Gebruik volgende, het eenvoudige, bij dierkunde,
+weeshuis en dergelijke niet, maar hier zeer goed aanwendbare middel
+versmaadden, om aan het woord den vorm te geven, die thans vereischt
+wordt, en dien men stellig kiezen zou, indien het woord niet reeds
+bestond, maar nog eerst gevormd moest worden; gelijk blijkt uit de
+jongere woorden plantenkunde, volkenkunde, warenkennis.
+
+ Deze regel, hoezeer ook schijnbaar algemeen, neemt nochtans
+ niet alle ongelijkheid weg; er blijven naast de genoemde en
+ dergelijke woorden een aantal bestaan, wier eerste lid wel altijd
+ den enkelvoudigen vorm zal behouden, b.v. hoefsmid, geweermaker,
+ pijlkoker, zwaardveger enz. Bepaaldelijk behooren hiertoe alle,
+ die op de toonlooze lettergrepen -el, -em, -en en -er uitgaan, als:
+ ketelboeter, orgelmaker, bezembinder, wagenmaker, leugendichter,
+ ankersmid, spijkerfabriek. Wie zou deze en dergelijke woorden, wier
+ vorm trouwens door de uitspraak niet twijfelachtig gelaten wordt,
+ in gewerenmaker, zwaardenveger, ketelsboeter enz., willen veranderd
+ hebben? Hoevensmid, hoewel het woord een meervoud onderstelt,
+ zou het begrip vooral niet beter uitdrukken dan hoefsmid.
+
+190. Van een aantal woorden is het niet twijfelachtig, dat het eerste
+lid enkelvoudig gedacht wordt, b.v. bijleman (sappeur), bakkebaard,
+brilleglas, bruggegeld, druivepit, galgebrok, hertebeest, lampeglas,
+messescheede, mollevel, notedop, pruimesteen, ruggemerg, slippedrager,
+spillebeen, tinnegieter, enz.--Dezulke bekomen natuurlijk geene n,
+tenzij deze door de euphonie ter vermijding van den hiatus geëischt
+wordt, b.v. geitenoog, ganzenei, brillenhuisje enz., waarvan beneden.
+
+191. Uit de twee vorige §§ volgt, dat vele substantieven als eerste
+leden van composita stellig nu eens in het enkelvoud, dan eens in het
+meervoud behooren te staan; zoo b.v. paard in paardekop, paardestaart,
+en paardenmarkt, paardenkooper. Niet altijd echter ligt het even klaar
+voor oogen, welke vorm vereischt wordt, vermits niet zelden zoowel het
+enkel- als het meervoud denkbaar is. Heeft men b.v. kurketrekker of
+kurkentrekker te schrijven? is het een werktuig om telkens slechts de
+kurk van ééne flesch, of om de kurken van alle voorkomende flesschen
+te trekken? Zulke vragen, waarop de beteekenis geen beslissend antwoord
+geven kan, doen zich vele voor; hoe de spelling van zulke woorden in te
+richten? Wij meenen hier twee hoofdgevallen te moeten onderscheiden:
+het woord in quaestie kan in dagelijksch gebruik zijn, en zijn vorm
+om zoo te zeggen nagenoeg vaststaan; het kan ook tot de meer zeldzaam
+voorkomende behooren. In het laatste geval is de spelling doorgaans nog
+dobberend, en kan men dus vrijer handelen en de beginselen onbeschroomd
+toepassen; in het eerste is men minder vrij en half genoodzaakt de
+spelling, zooveel zonder verzaking van beginselen mogelijk is, met
+het Gebruik in overeenstemming te laten. Om die redenen meenen wij
+het volgende in het oog te moeten houden:
+
+192. Aan woorden, het dagelijksch leven en de huishouding betreffende,
+die elk oogenblik in ieders mond komen, zet eene nooit of zelden
+uitgesproken n een voorkomen van deftigheid en stijfheid bij,
+strijdig met hunne beteekenis. Om die reden meenen wij de invoeging
+der n in zoodanige woorden zooveel mogelijk te moeten vermijden, en
+het enkelvoud te erkennen, waar de beteekenis zulks maar eenigszins
+toelaat. Zoo schrijven wij b.v. flesschebakje, omdat het telkens voor
+slechts ééne flesch dient, en om dergelijke reden ook: hondeketting,
+kurketrekker, kurketang, pennemes, pijpedop, pijpewroeter, pruikebol,
+mutsebol, hoededoos enz. Waar het enkelvoud echter geheel tegen de
+natuurlijke opvatting strijdt, gelooven wij den meervoudsvorm ook bij
+zulke dagelijksche woorden te moeten aannemen, en b.v. flesschenrek,
+kurkenmandje, pennenkoker, naaldenkoker, speldenkussen, messenmandje,
+pijpenlade, pijpenmandje enz. te schrijven.
+
+ Men moge deze onderscheiding spitsvondig noemen, in de Spelling,
+ zal zij niet geheel beginselloos en willekeurig zijn, is men niet
+ zelden gedwongen onderscheidingen in het oog te houden, die op zich
+ zelve geene of slechts geringe waarde hebben; vergelijk § 67. Wij
+ aarzelen hier te minder op de beschrevene wijze te werk te gaan,
+ daar wij in dezen voorgangers hebben in de Fransche grammatici,
+ die bij composita op gelijke wijze handelen, en die, voor zooverre
+ ons bekend is, geene afkeuring hebben ondervonden. Men denke hier
+ aan het verschil in de spelling van chauffe-lit, porte-bougie,
+ tire-balle, tire-bouchon, serre-tête enz., en van chauffe-pieds,
+ essuie-mains, porte-clefs, tire-bottes, serre-papiers enz.
+
+193. In sommige gevallen, waarin de beteekenis strikt genomen de
+beide getallen toelaat, wil het Gebruik den meervoudsvorm. Dit heeft
+plaats bij samenstellingen, wier eerste lid een persoonsnaam is,
+die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, als: boer, heer,
+slaaf, vrouw en dergelijke. Ofschoon een boerenzoon de zoon is van
+éénen boer, eene soldatenmonteering de monteering van éénen soldaat,
+eene vrouwenmuts de muts van ééne vrouw, schrijft men toch deze
+woorden steeds met eene n. Evenzeer zegt en schrijft men nagenoeg
+algemeen: bodenloon, boerenbedrijf, boerendochter, boerenhofstede,
+boerenwoning, heerendienst, heerenhuis, heerenknecht, heldenarm,
+heldendaad, heldenmoed, maagdenhart, maagdenschenner, matrozenhoed,
+matrozenlied, matrozenpak, meidendienst, meidendracht, slavenaard,
+slavenarbeid, slavendienst, slavenwerk, soldatenkind, soldatenvrouw,
+studentenhaver, studentenlied, vorstenkroon, vorstentelg, vorstenzoon,
+vrouwenhand, vrouwenhemd, vrouwenkleed, vrouwenrok enz. Kennelijk
+denkt men hierbij aan het meervoud, aan den geheelen stand, door het
+meervoudige eerste lid vertegenwoordigd. Boerenwoning wordt opgevat
+als woning, gelijk iemand uit den boerenstand bewoont; vrouwenrok
+als rok, gelijk de vrouwen dragen. Menschenbloed, vorstentelg mogen
+oorspronkelijk beteekend hebben: bloed van een mensch, telg of kind
+van een vorst, thans worden die uitdrukkingen opgevat als bloed van
+een individu van het genus menschen, als telg van een geslacht van
+vorsten.--Ongetwijfeld heeft de verbuiging tot de vestiging van dit
+gebruik medegewerkt. De genoemde woorden toch vormen hun meervoud
+uitsluitend met en, zoodat de s het meervoud in die samenstellingen
+niet vertegenwoordigen kan. Daarentegen nemen dezulke, die hun meervoud
+òf alleen met s òf met s en en beide vormen, als: jongen--jongens,
+kok--koks, meisje--meisjes, knecht--knechts en knechten, man--mans
+en mannen, officier--officiers en officieren, smid--smids en smeden
+enz., in zulke samenstellingen doorgaans de s aan: jongenspak,
+jongenswerk, knechtsdienst, knechtslivrei, koksmaat, kokswerk,
+kuipersambacht, kuipersboor, manshand, mansrok, meisjeskleeren,
+meisjesstem, officiersepaulet, officiersuniform, sergeantsvrouw,
+smidsknecht, smidswerk, smidswinkel enz.
+
+ a. Zulke samenstellingen met s behooren veelal tot den
+ dagelijkschen stijl. Komt een woord alleen in meer deftigen
+ stijl voor, dan heeft het eerste lid den meervoudsvorm op en,
+ als: mannenmoed, officiereneer, knechtenaard.
+
+Op grond dezer waarneming stellen wij ons den volgenden regel:
+De samenstellingen, wier eerste lid een een- of tweelettergrepige
+persoonsnaam is, die zijn meervoud uitsluitend met en vormt, hebben
+het eerste lid in den meervoudsvorm, zoodra het begrip de voorstelling
+van veelheid slechts toelaat, d.i. zoodra het eerste lid gedacht
+kan worden den geheelen stand te vertegenwoordigen. Volgens dezen
+regel schrijven wij ook: boerinnenjak, -muts, gekkenpraat (praat
+zooals die van gekken), maagdenpalm, maagdenwas, boeren-, heeren-,
+prinsessenboonen, prinsessenbier enz., ofschoon het Gebruik hier soms
+dobbert of zelfs het omgekeerde wil.
+
+ b. De regel bevat twee beperkingen. Hij sluit vooreerst de
+ woorden van meer dan twee lettergrepen uit, als: jongeling,
+ kweekeling, komediant, muzikant, predikant en dergelijke,
+ ofschoon zij hun meervoud door achtervoeging van en maken. Men
+ zegt niet: jongelingendroomen, jongelingenjaren, komediantenvrouw,
+ predikantenkostuum, predikantenzoon, maar met s: komediantsvrouw,
+ predikantskostuum, predikantszoon enz. Blijkbaar is het de
+ Welluidendheid, die noodelooze lange samenstellingen afkeurt,
+ maar die het meervoud slechts toelaat, waar het onvermijdelijk
+ is, b.v. bij komediantentroep, predikantenvereeniging en
+ dergelijke. Men zegt zelfs jongelingsvereeniging, ofschoon
+ jongelingenvereeniging zou te verkiezen zijn. Zie hier §
+ 173. Alleen de meerlettergrepige vrouwennamen op -in, als koningin,
+ hertogin, maken uitzonderingen. Zij volgen de analogie van boerin:
+ koninginnenkroon enz.
+
+ c. De tweede beperking is uitgedrukt in de woorden: »zoodra het
+ begrip de voorstelling eener veelheid toelaat." Immers, waar dit
+ het geval niet is, is de meervoudsvorm ook niet in gebruik. Daarom
+ zegt men niet vrouwenpersoon, maar vrouwspersoon. Alleen
+ schrijve men Lieve-Vrouwenkerk en Lieve-Vrouwen-bedstroo, omdat
+ die woorden, ofschoon het begrip van een enkelvoud bevattende,
+ voorheen naar de zwakke verbuiging van vrouwe gevormd zijn, en
+ in de beschaafde uitspraak de n, als teeken van den genitief,
+ kennelijk hebben behouden.
+
+194. Nagenoeg in hetzelfde geval als de woorden van persoonsnamen,
+gevormd, verkeeren sommige samenstellingen, wier eerste lid een
+manlijke diernaam is. Ook deze hebben in sommige gevallen den
+meervoudsvorm. Het Gebruik handelt hier echter minder eenparig. Zoo
+zegt en schrijft men vrij algemeen: apengezicht, berenklauw,
+drakenbloed, elpenbeen, leeuwenbek; doch nooit bullenpees, hanenkam,
+hanenveer, hazensprong, kattenkwaad, koeienkop, muizenkeutel,
+pauwenveer, vlooienbeet. Stellig is ook hier de declinatie de oorzaak
+van het bestaan der n, want men zegt arendsneus, bokspoot, boksbaard
+(plant), hondstong (plant), hondstanden (hoektanden), wolfshonger,
+wolfsklauw (plant) enz., van arend, bok, hond enz., welke steeds tot
+de sterke declinatie behoord hebben. Ofschoon het waarschijnlijk is,
+dat sommige dier composita met n oorspronkelijk koppelingen van zwakke
+enkelvoudige genitieven waren, zoo kunnen zij volgens § 185 thans
+niet meer als zoodanig erkend worden, maar is het een vereischte,
+dat men ten minste aan het meervoud denken kan. De schrijfwijzen
+hanenkam, het woord in den oneigenlijken zin genomen, mollenpoot,
+paardenstaart, zijn dus reeds uit dien hoofde verwerpelijk, omdat
+de beteekenis het enkelvoud van haan, mol en paard onderstelt. De
+meeste woorden, waarin het Gebruik de n wil, laten trouwens ook,
+evenals de composita met persoonsnamen (waarvan in de vorige §),
+inderdaad toe aan het meervoud te denken, en hebben daarbij meest een
+overdrachtelijken zin. Zoo beteekent apengezicht nooit, immers hoogst
+zelden, het gezicht van eenen aap, maar wel het gelaat van een mensch;
+het woord kan dus opgevat worden als gezicht, gelijkende op dat van
+apen in het algemeen. Evenzoo verstaat men door berenklauw zelden
+den klauw van een beer, maar doorgaans òf eene plant, òf den poot
+van een of ander meubel, die den vorm heeft van eenen klauw zooals
+die van beren; door drakenbloed eene soort van hars, door leeuwenbek
+eene bloem. Niet alle woorden echter nemen overdrachtelijk gebezigd
+de n aan; zoo b.v. niet hanekam (bloem), rattestaart (ronde vijl). De
+oorzaken van die uitzonderingen zijn verschillend. Vooreerst is het
+zeker, dat 1º. de woorden, waarachter het Gebruik de n stellig wil,
+manlijk zijn en voorheen zwak werden verbogen, als aap, beer enz., zie
+boven § 183, waardoor alle vrouwelijke en onzijdige, en ook de voorheen
+sterke manlijke, worden buitengesloten; en dat 2º. het aanwezig zijn
+eener s het teeken is, dat een woord òf steeds sterk is geweest, òf dat
+zijn zwakke vorm in vergetelheid is geraakt. Vervolgens, dat 3º. de
+n in dagelijksche, veel gebruikte woorden te deftig klinkt. Nemen
+wij bij dat alles ook de Analogie in aanmerking, dan meenen wij, in
+overeenstemming met den regel voor de samenstellingen met persoonsnamen
+in de vorige §, den volgenden regel te moeten stellen:
+
+Samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene
+composita met s vormt, nemen eene n als teeken van het meervoud aan,
+wanneer zij gewoonlijk, hetzij eigenlijk hetzij overdrachtelijk,
+gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele
+geslacht, de geheele diersoort, denkt. Zij behouden de n volgens §
+187 ook wanneer zij--wat zelden het geval is--in eene eigenlijke
+opvatting voorkomen, waarin de n slechts als het teeken van den
+enkelvoudigen 2den naamval kan beschouwd worden.
+
+Volgens dezen regel schrijven wij: apengezicht, apenkuur, apenliefde,
+berenjong, berenklauw (plant, of poot van een meubel), drakenbloed
+(hars), hazenlip, hazenmond (gebrekkige vorming van lip of mond),
+hazenslaap, leeuwenbek (bloem), leeuwenkop (versiersel), leeuwenwelp,
+stierenkop (hoofdig of norsch mensch) enz., naar analogie van
+menschenkind, heerendienst, boerenzoon, vorstentelg enz. Wij behouden
+die spelling op grond der Analogie ook dan, wanneer apengezicht,
+berenklauw, leeuwenkop in hunne eigenlijke beteekenis genomen worden
+voor gezicht van een aap, klauw van een beer, kop van een leeuw,
+omdat deze laatste opvatting tot de zeldzame uitzonderingen behoort.
+
+Daarentegen schrijven wij zonder n: kattekwaad, paardevoet (gebrekkig
+gevormde menschenvoet), rattestaart (vijl), omdat kat, paard en rat
+niet manlijk zijn;--bokkesprong, mollepoot, omdat de s van bokspoot
+en molshoop verbieden aan de zwakke declinatie te denken. Zoo ook
+hanekam (bloem), haneveer (twistziek mensch), omdat beide woorden
+evenzeer in hun eigenlijken zin in gebruik zijn, waarin zij buiten
+alle tegenspraak de al te deftige n hebben uitgeworpen, die daarin
+slechts als het teeken van den enkelvoudigen 2den naamval, niet als
+teeken van het meervoud kan beschouwd worden. Nagenoeg in hetzelfde
+geval verkeert hanepooten, slecht schrift, ofschoon het woord zelden
+in eigenlijken zin wordt genomen; de niet twijfelachtige uitspraak
+van de overige samenstellingen met haan, als hanebalk, haneschree,
+hanespoor, hanetred, maakt het niet raadzaam in hanepoot de Analogie
+te verlaten. Hanengekraai, voor gekraai der gezamenlijke hanen eener
+buurt, vereischt, gelijk ieder gevoelt, de n van het meervoud.
+
+Men vergete vooral niet, dat het buitensluiten der vrouwelijke en
+onzijdige woorden geene betrekking heeft tot die gevallen, waarin de
+n als meervoudsvorm of voor de Welluidendheid volstrekt gevorderd
+wordt; b.v. kattengeslacht, eendenkooi, koeienhaar, paardenras,
+zwijnenaard enz.
+
+195. Evenzoo is het gelegen met kruidkundige, dus wetenschappelijke
+benamingen, waarin de meervoudsvorm de natuurlijkste is. De spelling
+van zoodanige woorden staat doorgaans niet vast, zoodat men daarbij
+geheel vrij is in zijne keus. Bedenkt men bovendien, dat gebrekkige
+benamingen nergens aanstootelijker zijn dan in de wetenschappen,
+dan zal men niet aarzelen die vormen te kiezen, die de aard der zaak
+vereischt. De botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam
+is, moeten in twee soorten onderscheiden worden: zij zijn òf
+overdrachtelijk gebezigde namen van lichaamsdeelen, als ganzetong;
+òf zij geven te kennen, dat de plant in de eene of andere, hetzij
+wezenlijke, hetzij gewaande, betrekking tot eene diersoort staat, als
+slangenkruid. In het eerste geval zal niemand bij eenig nadenken den
+meervoudsvorm verkiezen, wanneer deze niet door den voorgaanden regel
+(§ 194) voorgeschreven wordt; in het tweede geval zal ieder dien als
+den meest gepasten aanmerken, dewijl men dan kennelijk het oog heeft op
+het geheele geslacht, niet op een enkel individu. Daarom schrijven wij:
+ganzetong, ganzevoet, kattestaart, paardestaart, slangekop enz. zonder
+n; daarentegen biggenkruid, duivenkervel, eendenkroos, geitenblad,
+hazendistel, kattendoorn, konijnenblad, muizengerst, paardenbloem,
+paddenstoel, slangenbloem, slangenwortel enz. met n.
+
+196. Eene afzonderlijke behandeling verdienen de boomnamen, wier
+eerste lid de vrucht aanduidt, die zij opleveren. Beide getallen zijn
+hier te dulden, en het meervoud schijnt het natuurlijkste. Die woorden
+behooren echter tot de dagelijksche uitdrukkingen, die in elken stijl
+te pas komen, maar veel meer in den gewonen dan in den verhevenen;
+het boven in § 192 aangevoerde is hier dus van toepassing. De vraag
+is derhalve, of het begrip van het enkelvoud van het eerste lid met
+de beteekenis van het geheele woord kan vereenigd worden; en het
+antwoord luidt bevestigend. Men zegt: een appel, een abrikoos, een
+peer, een perzik, een blauwe en een witte druif enz., voor appelboom,
+abrikozeboom, pereboom enz., daarbij aan de anders vrouwelijke woorden
+abrikoos, peer, perzik enz. het manlijk geslacht toekennende. Men
+kan hier dus aannemen, dat tusschen abrikoos, appel enz. en boom
+dezelfde verhouding bestaat als tusschen berk, eik enz. en boom, in
+berkeboom, eikeboom enz. (zie boven, § 181). De spelling besseboom,
+druiveboom, kerseboom, krenteboom, noteboom, pereboom, pruimeboom,
+vijgeboom, met het enkelvoud van de verouderde vormen besse, druive,
+kerse, corinte, note, pere, pruime, vijge, is dus op zich zelve
+beschouwd gewettigd. Men zal haar voor de verkieslijkste houden,
+als men bedenkt, dat zij niet alleen in overeenstemming is met de
+gebruikelijke uitspraak, maar ook met de schrijfwijze van andere
+dergelijke boomnamen, waar het eerste lid boven allen twijfel in het
+enkelvoud staat, als: amandelboom, appelboom, citroenboom, dadelboom
+(dadelpalm), granaatboom, kastanjeboom, oranjeboom (niet kastanjes-
+en oranjesboom), mispelboom, olijfboom. Het enkelvoud is dan ook
+vanouds, wel niet de volstrekt eenige, maar toch de meest gebruikelijke
+vorm geweest. Kiliaan, hoewel hij peere, pruyme en vijghe opgeeft,
+schrijft peerboom, pruymboom, vijghboom, en zoo ook kersseboom,
+notboom; Plantijn: kerseboom, noteboom, pereboom, perzeboom, pruymboom,
+vijgeboom of vijchboom, van het enkelvoudige kerse, note, pere, perze,
+pruyme, vijge.
+
+Uit het aangevoerde volgt, dat men bij analogie ook rozeboom,
+syringeboom, tulpeboom enz. zal behooren te spellen. Immers men zegt,
+van de boomen sprekende: Hier staan rozen, dat is een syring, enz.
+
+197. Er zijn ook woorden, wier beteekenis stellig niet altijd dezelfde
+is, maar die het eene oogenblik op een enkel-, het andere op een
+meervoud zien, terwijl daarbij doorgaans nog een derde geval denkbaar
+is, waarin men aangaande het ware getal in onzekerheid verkeert. Een
+voorbeeld zal de zaak ophelderen. Eene hoeveelheid vleesch of leder
+kan afkomstig zijn van één of meer dieren. In het eerste geval zal
+men zich juist uitdrukken door geitevleesch en schapeleder, in het
+tweede door geitenvleesch en schapenleder te schrijven; ook kan het
+geval zich voordoen, dat men aangaande de herkomst in het onzekere
+is. Hoe moet men met zoodanige woorden handelen? moet men hun een
+onveranderlijken vorm toekennen, of mag men gebruik maken van het
+middel om, zulks verkiezende, telkens de juiste beteekenis aan te
+duiden? Wij behoeven met ons antwoord niet lang verlegen te staan. Waar
+onzekerheid van het Gebruik en dobbering van de Spelling als het ware
+vanzelve een gemakkelijk middel aan de hand geven om juistheid in stijl
+te bevorderen en den rijkdom der taal te vermeerderen, achten wij ons
+niet gerechtigd dat te verwerpen. Van zulke woorden rekenen wij ons
+verplicht den dubbelen vorm te erkennen. Doch daarmede ontstaan de
+vragen: hoe moet men handelen, als het getal onzeker is? en onder
+welken vorm moeten zoodanige woorden in een woordenboek vermeld
+worden? Slechts in weinige gevallen zal het moeilijk zijn in dezen
+te beslissen. Doorgaans zal het voor de hand liggen, welke opvatting
+de gewone, en dus welke spelling de verkieslijkste is. In gevallen
+van onzekerheid zal de meest gewone vorm in het woordenboek worden
+opgegeven, met vermelding van den bijvorm, die, waar bijzondere
+nauwkeurigheid wordt vereischt, den schrijver buitendien ten
+dienste staat. Ook het onderscheid tusschen dagelijksche en meer
+deftige woorden zal tot de beslissing kunnen bijdragen. Zoo zal men
+ongetwijfeld bij de huishoudelijke woorden schapevleesch, geiteleder,
+aan den enkelvoudigen vorm zonder n de voorkeur geven, vooral wanneer
+men bedenkt, dat men in de overeenkomstige woorden kalfsvleesch,
+lamsvleesch, rundvleesch, hartsleder, kalfsleder stellig het enkelvoud
+aantreft. Daardoor wordt echter niemand het recht betwist om, als
+hij zulks noodig acht, schapenvleesch te spellen.
+
+Natuurlijk zal men omgekeerd te werk gaan, waar de beteekenis
+gewoonlijk het begrip van het meervoud medebrengt. Zoo zal men in
+gewone gevallen aan kippenloop, paardenstal, duivenslag, zwanendrift
+enz. de voorkeur geven boven kippeloop, paardestal, al liep er ook
+geene enkele kip in den loop, en al ware de stal maar voor één paard
+ingericht. Doch wie dit laatste in een bijzonder geval volstrekt wil
+doen uitkomen, schrijve alsdan paardestal.
+
+ Het beginsel, in deze § door ons aangenomen, hetwelk van woorden
+ als schapevleesch, geitevleesch, paardenstal enz. een dubbelen vorm
+ toelaat, is schijnbaar in strijd met § 194, waarin wij meenden de
+ n in apengezicht, berenklauw enz. te moeten schrijven, ook dan,
+ wanneer die woorden, in hun eigenlijken zin genomen, het gezicht
+ van eenen werkelijken aap, den klauw van eenen werkelijken beer
+ aanduiden. Bij eene nadere beschouwing zal men bevinden, dat de
+ gevallen niet gelijkstaan. Bij een apengezicht zal niemand aan het
+ gezicht van twee of drie apen denken, terwijl de n grammaticaal
+ door de voormalige zwakke verbuiging van aap gerechtvaardigd
+ is. De vorm is onberispelijk, en er is geene verkeerde opvatting te
+ vreezen. Bij schapenvleesch en dergelijke woorden is alles geheel
+ anders. De n achter schaap, dat steeds sterk verbogen werd, is niet
+ anders te verklaren dan als teeken van het meervoud, en kan dus
+ niet toegelaten worden in uitdrukkingen, waarbij men volstrekt aan
+ het enkelvoud denkt, b.v. als men zegt: Mag ik u nog een stukje
+ schapevleesch aanbieden? Omgekeerd zou men den meervoudsvorm
+ niet gaarne missen, als men, de geheele soort bedeelende, zegt:
+ schapenvleesch is voor sommige gestellen nadeelig.
+
+
+
+
+De n achter bijvoeglijke woorden.
+
+
+198. Bij de lidwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden,
+en bij de telwoorden, die als bijvoeglijke voornaamwoorden worden
+verbogen, zijn ten opzichte van de n twijfelingen denkbaar; doch bij
+eene nadere beschouwing blijkt, dat er inderdaad geene bestaan.
+
+Alle samenstellingen, waarvan het eerste lid een bijvoeglijk woord
+is, zijn koppelingen. Zij zijn in twee hoofdsoorten te onderscheiden,
+naar gelang het laatste lid een substantief of een verbum is.
+
+199. Wanneer het laatste lid een substantief en het woord in zijn
+geheel genomen insgelijks een substantief is, b.v. bij hoogepriester,
+hoogeschool, grootvader, kleinkind, dan wordt het bijvoeglijke woord,
+steeds een adjectief, aangemerkt als in den 1sten naamval voorgevoegd
+te zijn, en blijft het den nominatiefvorm onveranderd behouden,
+in welken naamval de geheele samenstelling ook te staan kome. Wij
+zeggen thans niet meer des hoogenpriesters, maar des hoogepriesters,
+evenals des grootmeesters. Van de inlassching eener n in woorden
+als blindeman, hoogepriester, hoogeschool, wittebrood, roodekool,
+zoutevisch enz. kan derhalve geene sprake zijn. Alleen één woord
+maakt eene uitzondering, te weten: goedendag, als benaming van een
+middeleeuwsch wapentuig. Dit woord is echter eene koppeling van den
+groet: goeden dag! waarin de beide woorden in den 4den naamval staan,
+en de n dus door de etymologie vereischt wordt.
+
+200. Wanneer het laatste lid een substantief, maar het woord in
+zijn geheel genomen een bijwoord of een voegwoord is, dan staat
+de gansche uitdrukking in den 2den of in den 4den naamval, en dan
+behoort het eerste lid den vorm te hebben, dien geslacht en naamval
+eischen. Dus zal men moeten schrijven: grootendeels en meerendeels,
+samentrekking van meererendeels (2de naamval onzijdig), dewijl (4de
+naamval vrouwelijk). Soms echter is het eerste lid in den stamvorm
+voorgevoegd, en dan kan er geene sprake zijn van eene ingelaschte n;
+b.v. bij eenmaal, menigmaal, veeltijds enz. Twijfelingen bestaan
+hier niet.
+
+201. Wanneer het laatste lid een verbum is, dan staat het bijvoeglijke
+woord in den regel praedicatief, hetgeen zeggen wil, dat het thans
+onverbuigbaar is. In dit geval kan er dus weder geene sprake zijn van
+het inlasschen eener n, die niet reeds tot den stam van het adjectief
+behoort. Het gebruik leert zulks dan ook duidelijk: het heet steeds
+goedmaken, onverschillig of men eenen misstap, eene fout of een
+verlies goedmaakt. De samenstellingen goedendag-, goedennacht-,
+goedenmorgenzeggen enz. verkeeren in een ander geval. Goed is
+daarin het attribuut van dag, nacht enz., welke woorden in den 4den
+naamv. staan en de overeenstemming van het adjectief goed vorderen.
+
+
+
+
+De n achter werkwoorden.
+
+
+202. De werkwoorden komen in eigenlijke samenstelling in den regel in
+den stamvorm voor, b.v. in breekbeitel, droogoven, eetlepel, hangijzer,
+jaagpad, koopvrouw, loopbaan, schrijfpen enz. Moeilijker is het uit
+te maken, met welken vorm men te doen heeft bij sommige koppelingen
+van geheele uitdrukkingen, tot den gemeenzamen stijl behoorende: als
+bedilal (bedil al, bedil alles), deugniet, doeniet, durfal, flapuit,
+hangop, houvast, kwistgoed, praatgraag, roerom, slokop, spilpenning,
+stokebrand, waaghals, weetniet enz. In sommige schijnt het werkwoord
+in de gebiedende wijs te staan, b.v. in kruidje-roer-mij-niet
+(lat. noli me tangere), in Pakaan (hondennaam), in roerom, sladood,
+vergeet-me-nietje. Bij dezulke wier stam op t eindigt, als kwistgoed,
+praatgraag, weetniet, zou men aan den 3den pers. van het enkelvoud
+kunnen denken, indien niet andere, als bedilal (niet bediltal),
+deugniet enz., wier beteekenis met de genoemde overeenkomt, zulks
+verboden. Intusschen blijkt duidelijk genoeg, dat men hier niet met
+den infinitief te doen heeft, en dat de toonlooze e in brekebeen,
+brekespel, drinkebroer, huilebalk, likkebaard, schendekeuken,
+stokebrand enz. geene verkorting van den infinitiefuitgang is.
+
+Wanneer men sommige der laatstgenoemde woorden vergelijkt met
+kijk-in-de-pot, spring-in-'t-veld, stortenbeker (stort den beker),
+en met verscheidene Hoogduitsche eigennamen, als Haszenpflug (hasze
+den Pflug), Hebenstreit (hebe den Streit), Leidenfrost (leide den
+Frost) enz., dan wordt het waarschijnlijk, dat men brekebeen als
+breek de been (voor beenen), hangebast als hang de bast (d.i. strop),
+likkebaard als lik den baard, schendekeuken als schend de keuken
+enz. op te vatten heeft. Deze verklaring gaat echter niet altijd op,
+b.v. niet bij brekespel. Of is dit breketspel (breek het spel)? En hoe
+moeten drinkebroer e.a. worden opgevat? Is hier de e alleen ingevoegd
+om de ophooping van medeklinkers te voorkomen? In deze en dergelijke
+onzekerheden zal niemand het raadzaam achten de n, die het manlijk
+geslacht van baard en brand schijnt te vorderen, te herstellen, en
+voortaan likkenbaard, stokenbrand te schrijven, te minder daar men bij
+brekespel, drinkebroer, huilebalk e.a. altijd in het onzekere blijft,
+zonder door den vorm een verstandigen zin te kunnen uitdrukken.
+
+ Nu en dan hoort men deugeniet uitspreken, doch gewoonlijk
+ deugniet. Wanneer men bedenkt, dat niet geen substantief is,
+ zoodat hier aan geen uitgestooten lidwoord, noch aan eenig
+ tusschenbeidekomend woord te denken valt, en dat die samenstelling
+ volkomen gelijkstaat met doeniet, durfniet, weetniet, dan ziet men,
+ dat deugniet zonder e de regelmatige vorm is.
+
+203. Meer reden schijnt er te bestaan voor het herstellen der n in
+die werkwoorden, wier eerste lid eene onbepaalde wijs is, zooals
+in koekeloeren, ruilebuiten, spelemeien, spelevaren. Bedenkt men
+echter, dat de n aan de drie eerste toch nog niet hun waren vorm:
+koeken (kijken) en loeren, ruilen en buiten, spelen en meien zou
+teruggeven, zoodat koekenloeren enz. toch niet duidelijker zou wezen
+dan koekeloeren enz.; dat het begrip spelevaren ook niet volkomen
+juist door spelen varen uitgedrukt wordt: dan ziet men geene voldoende
+reden om woorden, waarbij de weglating der n in de uitspraak niet
+twijfelachtig is en omtrent wier spelling geen verschil bestaat,
+door het weder invoegen der uitgestooten letter een deftig voorkomen
+te geven, dat in strijd zou zijn met hunne weinig deftige beteekenis.
+
+
+
+De n als invoegsel voor de welluidendheid.
+
+
+204. De verbindings-n heeft bloot euphonische waarde, wanneer zij,
+van het hedendaagsche standpunt bezien, met de beteekenis van het woord
+in geen verband staat, en louter dient om een wanluidend samentreffen
+van twee letters te voorkomen. Van dien aard is de n in galgenaas en
+tarwenoogst, vergeleken met galgebrok en tarwemeel.
+
+De euphonische n strekt ter vermijding van den hiatus of de gaping,
+d.i. van het ophouden der stem tusschen twee klinkers. Zij wordt dus
+vooreerst ingelascht achter eene toonlooze e, waarop onmiddellijk
+een andere klinker zou moeten volgen, b.v. in duive-n-ei. De h,
+die eene zeer verzwakte ch is, ofschoon nog altijd een medeklinker,
+wordt niet toereikend geacht om de gaping tusschen twee klinkers
+aan te vullen. Vandaar dat sommige onzer beste schrijvers in de
+17de eeuw en nog later achter het lidwoord de en achter andere
+bijvoeglijke woorden op e uitgaande, niet slechts voor een klinker,
+maar ook voor eene h, eene euphonische n voegden, en b.v. den oorlog,
+den hond schreven, ook wanneer deze woorden in den eersten naamval
+stonden. Daar nu de h steeds onmiddellijk vóór een klinker komt,
+vereischen de samenstellingen, wier eerste lid op eene toonlooze e
+eindigt, en wier tweede met h begint, insgelijks de inlassching der n;
+b.v. dasse-n-huid, eike-n-hout.
+
+205. Wanneer men het aangevoerde in aanmerking neemt, zal men den
+volgenden regel stellen: Wanneer de toonlooze e gevolgd wordt door een
+klinker of eene h, dan eischt de Welluidendheid de inlassching eener n.
+
+Dienovereenkomstig schrijven wij: duivenei, eendenei, ganzenei,
+galgenaas, geitenoog, bruggenhoofd, dassenhaar, dassenhol, ganzenhagel,
+hondenhok, slakkenhuisje, berkenhout, beukenhout, eikenhout enz.
+
+ Daar mede, als bijwoord, tot de indeclinabilia behoort, welke soort
+ van woorden nooit verbindingsletters toelaten (zie § 178), kan men
+ de gebruikelijke spelling medearbeider, medeërfgenaam, medeoorzaak
+ enz. niet als uitzondering op bovenstaanden regel beschouwen.
+
+206. De samenstellingen met kerk vereischen eene afzonderlijke
+behandeling. Kerk, mnl. kerke, werd oudtijds zwak verbogen, der
+kerken, en daardoor ontstonden kerkenraad, kerkenorde, uit welk
+laatste door onderdrukking der n kerkeorde. Deze vorm laat zich
+volgens onze regels niet rechtvaardigen: de welluidendheid eischt òf
+kerkenorde, òf kerkorde, overeenstemmende met kerkaltaar, kerkorgel,
+kerkuil. Daar men thans geen zwakken genitief meer erkent (zie § 185),
+kan kerkenraad alleen een meervoud bevatten, en een raad beteekenen,
+die meer dan ééne kerk betreft. Hecht men er, gelijk gewoonlijk plaats
+heeft, dien zin niet aan, dan is volgens den hedendaagschen toestand
+der taal alleen kerkeraad te rechtvaardigen.
+
+
+
+
+
+Over de verbindings-s.
+
+
+207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan
+niet eene verbindings-s aanwezig is, wanneer het tweede lid begint
+met eene s, of met eene z, die scherp (als s) wordt uitgesproken;
+b.v. in dorpsschout, varkensziekte, baatzucht. Wanneer de z zacht
+klinkt, gelijk in hondeziekte, geelzucht, waterzucht, zal niemand
+het aanzijn eener s (hondesziekte, waterszucht) vermoeden.
+
+In nog een geval bestaat er geen grond om eene s te onderstellen,
+namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. in stuifzand,
+drijfzand, waarin de z door den invloed der voorgaande f
+verscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille
+der welluidendheid achter verbale stammen eene s inlascht in de
+gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te
+onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief,
+hetzij een bijvoeglijk woord.
+
+Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden,
+dat ss en sz op zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de
+inlassching eener s, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en
+door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk
+is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat de s alleen
+dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten
+duidelijkste blijkt.
+
+
+
+De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige
+naamwoorden.
+
+
+208. De verbindings-s treedt als teeken van den 2den naamval
+in samenstellingen niet slechts achter manlijke en onzijdige
+substantieven, als in timmermansgereedschap, bakkersoven,
+levensbericht, kindskind, maar ook achter vrouwelijke, als zusterskind,
+dochtersman, stadspoort, vrijheidsboom, zielsverdriet enz.; vergelijk
+§ 185.
+
+Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand
+doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de
+betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud
+moet wezen.
+
+Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met de s spaarzaam
+moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere
+overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in
+de betrekking van den genitief de s verlangt. Zoo leeren b.v. de
+woorden bakkersnering, bakkersoven, bakkerswinkel, dorpsbestuur,
+dorpsherberg, dorpsleeraar, krijgsmansdeugd, krijgsmanseed,
+sergeantsrang, sergeantsuniform, sergeantsvrouw, stadsmuur,
+stadspoort, stadswal, vollersambacht, vollerskuip, varkensoog,
+varkensvleesch, varkensribbetje, veiligheidskaart, vrijheidsliefde,
+zuinigheidsmaatregel, landschapshuis, landschapsvergadering,
+burgerschapsrechten, vriendschapsband enz., dat de woorden bakker,
+dorp, krijgsman, officier, sergeant, stad enz., en die op -heid
+en -schap in de betrekking van den genitief de s vorderen, en dat
+men derhalve ook bakkersschotel (houten werktuig), dorpsschool,
+krijgsmansstand, sergeantsstrepen, stadsschout, varkensstal,
+varkensziekte, waarheidszucht, landschapsschrijver te spellen heeft.
+
+Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te
+letten, blijkt uit landschapschilder, waar landschap een meervoud
+landschappen vertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van
+het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen om
+landschapsschilder te schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in
+gebruik is en die overeenkomen zou met landschapsschrijver.
+
+
+
+
+
+De verbindings-s als teeken van het meervoud.
+
+
+209. Moet men spaarzaam zijn met de s van den 2den naamval, nog
+meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbele s, en
+evenzoo sz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter
+eene liquida, l, m, n of r, voorafgegaan door eene toonlooze e;
+d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans met
+s vormen. De woorden op -el, -em, -en en -er behouden daarom, gelijk
+reeds vroeger is aangemerkt (§ 189, aanm.), den enkelvoudigen vorm,
+ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men
+zegt en schrijft: appelmand, sleutelbos, bezembinder, leugenbeest,
+wagenmaker, letterkast, letterzetter (niet appelsmand enz.), en
+evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v. burgerrecht,
+burgerwapening, dragonderregiment, ridderorde, rooverbende,
+ruiterbende, ruiterzalf enz. Neemt men zulks in aanmerking, dan
+zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om
+achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eene s in te lasschen,
+die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven
+derhalve ankersmid, burgerstand, burgersociëteit, cijferschrift,
+dragonderstal, kachelsmid, letterspecie, leugenstoffeerder,
+priesterschaar, priesterschap, ridderstand, ruiterstal, vezelstof,
+zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt
+en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.
+
+Anders is het gelegen met het achtervoegsel -ier, dat den vollen
+klemtoon heeft. Het vordert de s van het meervoud, gelijk blijkt
+uit: officierstafel, officiersvereeniging, kanonnierskazerne,
+pontonnierscompagnie enz.; daarom zal men ook kurassiersstal,
+officierssociëteit enz. schrijven.
+
+
+
+
+
+De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke
+woorden.
+
+
+210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een
+bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord,
+dan kan de s alleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke
+dan ook het tweede lid staat, b.v. in blootshoofds.
+
+Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid
+met s of z begint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de
+spelling goedschiks en goedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de
+geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is,
+overeenkomende met blootshoofds, goedsmoeds, gewapenderhand, maar dat
+het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, als veeltijds,
+droogvoets, de s kennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene
+afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord
+te bezwaren met eene s, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.
+
+211. Anders is het gelegen met woorden, waarin zin het tweede lid is,
+voorafgegaan door een bepalend woord, als alleszins, eenigszins enz.,
+waarvan reeds boven gehandeld is. De z heeft daarin hare verscherping
+te danken aan de s van het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt
+zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt men alle-zins,
+geen-zins enz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. De
+s is derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven, § 125.
+
+
+
+
+De verbindings-s als euphonische letter achter stammen van werkwoorden.
+
+
+212. De verbindings-s had in de tot hiertoe behandelde gevallen, op
+weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis. Deze mist zij
+natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk
+b.v. in leidsvrouw, scheidsman, raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen
+om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men
+niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van
+een werkwoord is, en wier tweede met s of z begint, b.v. in hebzucht,
+eene s te schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank
+voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en,
+dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalve
+leidstèr (leidstar), evengoed als het afgeleide leidster, zonder s,
+niettegenstaande leidsman en leidsvrouw eene s hebben.
+
+
+
+
+Overzicht over de regels voor de samenstelling.
+
+
+213. De grondbeginselen en regels, die wij bij het schrijven van
+samengestelde woorden in het oog houden, komen derhalve kortelijk
+hierop neder:
+
+I. In samenstellingen, wier eerste lid een onverbuigbaar woord
+(indeclinabile, zie § 50, aanm.) is, komen geene verbindingsletters
+voor, zoomin ten behoeve der Welluidendheid als om eenige andere reden
+(§ 178). Geen der volgende regels is derhalve daarop toepasselijk. Wij
+schrijven dus zonder n: medearbeider, medeërfgenaam, medehelper,
+medehulp.
+
+II. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden komen niet als eerste
+lid in samenstellingen voor. Composita als aardenwerk, tarwenbrood,
+roggenbrood, gerstenpap enz., voor aardewerk, roggebrood enz., bestaan
+er niet (§ 180), evenmin als berkenboom, eikenboom enz. (§ 181).
+
+ Het behoeft nauwelijks aangemerkt te worden, dat verbindingen van
+ een adjectief met het eerste lid eener samenstelling, door het
+ koppelteeken aangeduid, als oude-mannenhuis enz. (§ 158), niet tot
+ de eigenlijke samenstellingen te rekenen zijn, en dus buiten dezen
+ regel vallen. Het adjectief blijft daar op zich zelf als adjectief
+ bestaan; niets verhindert dus om desnoods gouden-horlogemaker,
+ koperen-balansenfabriek, zijden-kousenfabrikant enz. te schrijven,
+ ofschoon zulke verbindingen niet fraai zijn te noemen.
+
+III. De n achter de toonlooze e dient in samenstellingen òf 1º. tot
+vermijding van den hiatus; òf 2º. achter zelfstandige naamwoorden
+ter aanduiding van het meervoud; òf 3º. achter bijvoeglijke woorden
+ter uitdrukking van eenen naamval. De zwakke genitief wordt in
+samenstellingen niet meer gevoeld: het is dus geene afdoende reden
+voor het inlasschen eener n, dat zij den enkelvoudigen 2den naamval
+zou moeten uitdrukken (§ 172 en 185).
+
+IV. Samenstellingen, wier tweede lid met eenen klinker of eene h
+begint, krijgen achter eene toonlooze e eene n ter vermijding van
+den hiatus; b.v. ganzenei, hondenhaar (§ 204 en 205).
+
+V. De samenstellingen, wier eerste lid een zelfstandig naamwoord is,
+zijn vierderlei:
+
+ 1º het eerste lid brengt noodwendig de voorstelling van een
+ meervoud mede; b.v. in heldenschaar, eikenlaan (§ 188);
+
+2º het eerste lid vertegenwoordigt noodwendig een enkelvoud, b.v. in
+druivepit, tinnegieter (§ 190);
+
+3º het eerste lid is, te gelijker tijd, voor tweeërlei opvatting
+vatbaar, kan èn als enkel- èn als meervoudig gedacht worden; b.v. in
+kurketrekker, mutsebol (§ 191 en 192);
+
+4º het eerste lid kan, bij afwisseling, nu een enkel-, dan een meervoud
+voorstellen; b.v. in schapevleesch en schapenvleesch (§ 197).
+
+ A) Met n achter de toonlooze e worden geschreven
+
+ a) al de woorden, bedoeld in nº. 1 (§ 188);
+
+ b) van de woorden, bedoeld in nº 3:
+
+ a) de samenstellingen, wier eerste lid een één- of
+ tweelettergrepige persoonsnaam is; alsmede de woorden
+ op -in of -inne, -es of -esse, die meerlettergrepig
+ zijn; b.v. boerendochter, heldendaad, vrouwenkleed,
+ koninginnenmantel (§ 193);
+
+ b) de samenstellingen, wier eerste lid een manlijke
+ diernaam is, die geene composita met s vormt;
+ b.v. apengezicht, berenklauw (§ 194);
+
+ g) botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is,
+ onverschillig manlijk, vrouwelijk of onzijdig, wanneer
+ de samenstelling geen lichaamsdeel aanduidt, maar op de
+ geheele diersoort ziet; b.v. duivenkervel, slangenkruid
+ (§ 195).
+
+ B) Zonder n achter de toonlooze e worden geschreven
+
+ a) al de woorden, bedoeld in nº 2, tenzij de n door Regel IV
+ voor de welluidendheid gevorderd wordt (§ 190);
+
+ b) van de woorden, bedoeld in nº 3:
+
+ a) die, welke het dagelijksch leven en de huishouding
+ betreffen, b.v. pennemes, kurketang (§ 192);
+
+ b) namen van boomen, wier eerste lid de naam is eener
+ vrucht of eener bloem, b.v. pereboom, tulpeboom (§ 196).
+
+ C) Naar gelang der omstandigheden worden afwisselend zonder of
+ met n geschreven de woorden, bedoeld in nº 4 (§ 197).
+
+VI. Bij samenstellingen, wier eerste lid een bijvoeglijk woord is,
+komen geene twijfelachtige gevallen voor; de spraakkunst beslist
+ondubbelzinnig het al of niet aanwezig zijn eener n (§ 198-201). In
+woorden, wier eerste lid een werkwoord is, wordt nooit eene n
+ingelascht (§ 202 en 203).
+
+VII. De verbindings-s dient in samenstellingen, wier eerste lid een
+naamwoord is, òf als teeken van den tweeden naamval van het enkelvoud,
+òf als teeken van het meervoud (§ 208-211). In de weinige woorden,
+waarin zij achter een werkwoord voorkomt, staat zij alleen om den
+wille der welluidendheid (§ 212).
+
+VIII. Eene verbindings-s is alleen twijfelachtig in samengestelde
+woorden, wier tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp
+(als s) wordt uitgesproken (§ 207).
+
+ A) Eene twijfelachtige s wordt ingevoegd
+
+ a) als teeken van den 2den naamval enkelvoud:
+
+ a) in samenstellingen, wier eerste lid een substantief
+ is, dat in niet twijfelachtige gevallen eene s aanneemt;
+ b.v. in dorpsschool, om de analogie van dorpsbestuur,
+ dorpsherberg, dorpsleeraar, dorpsonderwijzer (§ 208);
+
+ b) in de samenstellingen met het woord zin, als alleszins,
+ eenigszins enz. (§ 125 en 211);
+
+ b) als teeken van het meervoud in samenstellingen, wier
+ eerste lid een persoonsnaam is, die op -ier eindigt, als
+ kanonnierskazerne (§ 209).
+
+ B) Eene twijfelachtige s wordt niet ingevoegd in de volgende
+ gevallen:
+
+ a) niet in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is,
+ dat op -el, -em, -en of -er eindigt, wanneer de s zou moeten
+ dienen om het meervoud te vertegenwoordigen; b.v. niet in
+ burgerstand (§ 209);
+
+ b) niet in absolute genitieven, als goedschiks, niet
+ goedsschiks (§ 210);
+
+ c) niet achter werkwoorden, b.v. leidstar, niet leidsstar
+ (§ 212).
+
+
+
+
+De spelling der bastaardwoorden.
+
+214. Evenals ieder beschaafd volk bezigen wij een aantal woorden, die
+niet in den boezem onzer eigene taal ontstaan, maar bij onderscheidene
+gelegenheden uit andere talen ontleend zijn. Die vreemde woorden
+vervallen vanzelve in drie klassen: 1) de zoodanige, die geheel
+Nederlandsch geworden, met het volle burgerrecht begiftigd, als het
+ware genaturaliseerd zijn; 2) de woorden, die geheel vreemd zijn
+gebleven; en 3) de woorden, die tusschen deze beide soorten in staan,
+d.i. de eigenlijk gezegde bastaardwoorden.
+
+215. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die, meestal sedert
+onheuglijke tijden bij ons in gebruik, hun vreemden vorm geheel en al
+hebben afgelegd, in alle opzichten, in klemtoon zoowel als in klank,
+aan echte Nederlandsche woorden gelijk zijn geworden, en wier derivata
+op Nederlandsche wijze gevormd zijn. Deze schijnen geene uitheemsche
+bestanddeelen, geene vreemde voor- noch achtervoegsels te bevatten,
+en onderscheiden zich in niets van oorspronkelijke Nederlandsche
+woorden dan door hunne afkomst en het gemis van Nederlandsche
+verwanten in opklimmende linie. Tot de zoodanige behoort b.v. kerk,
+gr. kyriakon. Dit woord verschilt in vorm niet van berk, merk en
+werk, het heeft echt Nederlandsche afstammelingen: kerkje, kerksch,
+kerkelijk, moederkerk, kerkdeur enz., maar kyrios, het grondwoord
+waarvan kyriakon gevormd is, ligt buiten het Nederlandsche taalgebied.
+
+Het grootste aantal der tot deze klasse behoorende woorden is
+eenlettergrepig, als: aas (gewicht), ark, beest, beurs, boei, bres,
+brief, bul (open brief), dom(kerk), feest, fijn, fraai, gom, graad,
+inkt, kaap, kaars, kaart, kaas, kalk, kelk, kers, keurs, klaar, klerk,
+kleur, kluis, koers, koets, koor, koord, korst, kous, krent, kroon,
+kroot, kruin, kruis, kuur, kwart, lamp, lans, leek, lijn, mijl, munt,
+nis, paar, paard, paars, part, peer, pen, pers, pijl, pijn, pil,
+plaats, plein, pleit, pluim, pool, poort, poos, pop, post, preek,
+prent, proef, prooi, proost, rest, saus, sein, soep, stool, straal,
+taart, test, tijm, toer, toets, toon, toorts, trein, troef, troon,
+vlam, vork, wijl (sluier).
+
+Een groot aantal andere is tweelettergrepig met den klemtoon op de
+eerste syllabe, onverschillig of deze reeds in den oorspronkelijken
+vorm den klemtoon had of dien eerst in het Nederlandsch gekregen
+heeft. De tweede lettergreep is dan meestal geheel of nagenoeg
+toonloos, waardoor zoodanige woorden het voorkomen hebben van
+Nederlandsche woorden met een achtervoegsel. Hiertoe behooren: bijbel,
+duivel, engel, fakkel, kamer, kamfer, kanker, karper, keizer, kerker,
+ketter, kevie, kluister, konkel, koppel, kouter, kussen, lelie,
+letter, menie, mijter, mode, monnik, mosterd, neger, olie, orde,
+orgel, pauze, peper, perzik, priester, regel, rente, sekse, sekte,
+singel, sintel, spiegel, suiker, tafel, tegel, tempel, tichel, tijger,
+toren, zegen(wensch), zemel enz.
+
+Verplaatsing van den klemtoon is geschied bij deken (decanus), kansel,
+kelder, kemel, kervel, keten, keuken, kolder, schotel, venster,
+vijver, zegen (vischnet), zolder en andere. Genoemde woorden komen
+in vorm overeen met de echt Nederlandsche teugel, hamer, naaister,
+lomperd, koude, merrie.
+
+Zeldzaam zijn de tweelettergrepige, die, gelijk beschuit, bestel en
+vernis, het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met praefixen,
+als bedrog, verval. Andere gelijken weder op andere wijzen naar echt
+Nederlandsche woorden: zoo hebben bakelaar en kandelaar denzelfden
+vorm als kakelaar en wandelaar. Weder andere hebben den schijn van
+composita, als aalmoes, altaar, bisschop, luipaard, meerkat, pelgrim,
+die uiterlijk niet verschillen van aschschop enz.
+
+216. De tweede klasse bestaat uit woorden, wier uitspraak en
+accentuatie niet in het geringste veranderd of gewijzigd is, en die
+juist zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken. Hiertoe behooren
+b.v.: facto, jure, incognito, partim, passim, raptim, totaliter,
+generaliter, pro, contra, ergo, idem, item, punctum, anno, datum,
+primo, secundo, medio, ultimo, lustrum, grammatica, logica, physica,
+centrum, hypotenusa, praesens, praeteritum, participium, banco, bon,
+bruto, franco, netto, tarra, debet, credit, a costi, whist, spadille,
+manille, quadrille, basta, ponto, misère, budget, bonbon, bureau,
+blanc-manger, bougie, cadeau, chapeau, chenille, conservatoire, douche,
+eau de Cologne, joujou, shawl of châle, savoir-vivre, souper, diner,
+carte-blanche, vaudeville enz.
+
+217. De derde klasse bestaat uit woorden, die in de uitspraak
+eene geringere of grootere wijziging hebben ondergaan, welke
+echter niet voldoende is om hun het uitheemsch voorkomen geheel te
+ontnemen. Zoodanige woorden zijn door die wijziging gerukt uit de
+taal, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, en zijn in zekeren zin
+Nederlandsch geworden; doch het overblijfsel van de vreemde uitspraak
+of van den vreemden vorm verhindert, ze gelijk te stellen met echt
+Nederlandsche woorden en ze in de eerste klasse te rangschikken. Zij
+behooren dus eigenlijk eenigermate aan twee talen, waarom men ze niet
+ongepast bastaardwoorden kan noemen.
+
+Wanneer woorden der tweede klasse op Nederlandsche wijze worden
+verbogen of een Nederlandsch affix bekomen, al blijft hun vorm voor
+het overige onaangetast, dan treden zij natuurlijk in de klasse der
+bastaardwoorden; b.v. bougies, bons, datums, items, paternosters,
+doctors of doctoren, bònnetje, cadeaus, cadeautjes, itempjes,
+militairen, militaire macht enz.
+
+218. De veranderingen, die de eigenlijke bastaardwoorden ondergaan
+hebben, bepalen zich in den regel tot het uiteinde van het
+woord. Soms wordt de vreemde uitgang geheel weggelaten, b.v. in
+praefix, lat. praefixum; instinct, lat. instinctum; soms wordt
+die uitgang slechts gewijzigd, b.v. in linie, lat. linea; olie,
+lat. oleum; citroen, fr. citron; meloen, fr. melon; consequent,
+nu eens lat. consequens, dan eens lat. consequenter; syllogisme,
+gr. syllogismos. Het afwerpen of wijzigen van den uitgang heeft niet
+zelden ook eene wijziging der voorgaande lettergreep ten gevolge:
+b.v. in titel, lat. titulus; artikel, lat. articulus; vocaal,
+lat. vocalis; systeem, gr. systêma; republiek, fr. république;
+sigaar, sp. cigarro.--Somtijds echter bepaalt de geheele verandering
+zich tot de wijziging van de uitspraak der eindlettergreep, zonder dat
+zulks eene verandering in de spelling teweegbrengt; b.v. in officier,
+fr. officier.
+
+Bij woorden, uit levende talen ontleend, heeft echter niet zelden ook
+eene wijziging in het lichaam van het woord plaats; b.v. in grenadier
+en genie, waarin niet slechts de uitgangen ier en ie anders klinken
+dan in fr. grenadier en génie, maar ook de g van gre en de e van
+ge; vermicelli wordt bij ons doorgaans uitgesproken als vermiselli,
+zelden als in het Italiaansch: vermitsjelli.
+
+219. Dergelijke wijzigingen zijn echter verre van toereikend om in alle
+gevallen aan een vreemd woord het voorkomen van een echt Nederlandsch
+te geven. Niet zelden blijft er desniettegenstaande een vreemde
+klank in over, b.v. in genie, logement, sergeant enz.; zoo ook in
+artikel, titel, citer, die, om geheel Nederlandsch te kunnen heeten,
+in artijkel, tijtel en sijter hadden behooren te veranderen, gelijk
+onder andere met bijbel, mijter, tijger heeft plaats gehad. Zelfs het
+zoo gebruikelijke cijfer kan niet als volkomen Nederlandsch beschouwd
+worden, vermits de f van het lat. cifra niet in v is overgegaan,
+en de uitgang -fer wel achter korte, als b.v. blaffer, keffer,
+koffer, duffer, maar nooit achter lange klinkers of tweeklanken
+voorkomt. In dit geval toch treft men alleen -ver aan: b.v. in
+braver, gever, liever, grover, zuiver, ijver, stijver enz. In de
+meeste gevallen blijft de accentuatie van het bastaardwoord zijn
+vreemden oorsprong verraden. Hoogst zelden toch treedt de klemtoon
+in meerlettergrepige woorden op de eerste syllabe over, waardoor
+zij, gelijk aalmoes, altaar, kandelaar, olifant, het voorkomen van
+Nederlandsche composita, of, gelijk ketel, schotel, venster, van
+Nederlandsche derivata verkrijgen. Blijft de klemtoon op de tweede
+of derde lettergreep rusten, als b.v. in probléém, publiék, orkáán,
+diáken, epìstel, convocátie, execútie, dan worden zij terstond als
+vreemde woorden herkend, te meer daar de klemtoon in meerlettergrepige
+bastaardwoorden zelden die van echt Nederlandsche in kracht evenaart;
+vergelijk b.v. evangelie, publicatie, met overmoedig, onderdanig. Ten
+gevolge van een en ander onderkent men oogenblikkelijk diameter,
+circulatie, evangelist enz. als vreemde woorden.
+
+220. Ook nog op eene andere wijze openbaart zich niet zelden de
+vreemde herkomst en natuur der bastaardwoorden, namelijk uit de
+onmogelijkheid om op Nederlandsche wijze derivata te vormen. Wanneer
+men het deminutief-suffix uitzondert, dat zelfs achter woorden der
+tweede klasse kan treden, b.v. in bureautje, assessortje, dan is
+men doorgaans genoodzaakt van de zoogenaamde bastaardachtervoegsels
+gebruik te maken. Tiran of tyran b.v. levert niet op: tyransch,
+tyrannelijk, tyranschap, noch het werkwoord tyrannen, maar
+tyranniek, tyrannij, tyranniseeren; souverein niet souvereinschap,
+maar souvereiniteit. Dikwijls komt daarbij de oudere, minder sterk
+gewijzigde vorm weder te voorschijn; b.v. in apostolisch of apostoliek
+van apostel; diaconie, diaconaal van diaken; of liever, apostoliek,
+diaconie, diaconaal zijn niet afgeleid van apostel en diaken, maar zijn
+de--onafhankelijk van apostel en diaken--overgenomen vreemde woorden
+apostolicus, diaconia, diaconalis; gelijk systematisch en syntactisch
+niet in den boezem onzer taal gevormd zijn van systeem en syntaxe,
+maar van de adjectieven systematicus, syntacticus. Hetzelfde heeft
+plaats bij titulair, commissaris, commissionnair, die niet van titel
+en commissie zijn gevormd.
+
+Zelfs woorden, die men anders tot de eerste klasse zou brengen,
+blijven op deze wijze van hunne vreemde herkomst getuigen; b.v. abt,
+doordien het niet abdesse, maar abdis, lat. abbatissa, geeft; fout door
+foutief; klant door klandizie; cirkel door circulatie en circulaire;
+cel door cellulair; cent zelfs door centesimaal, terwijl het niet
+één Nederlandsch derivaat heeft.
+
+221. De spelling der woorden, die stellig tot de eerste klasse
+behooren, levert weinig zwarigheden op. Die woorden worden
+beschouwd als genaturaliseerd, als geheel verdietscht en met het
+volle burgerrecht begiftigd. Zij worden daarom nagenoeg algemeen als
+oorspronkelijke Nederlandsche woorden geschreven. Niemand spelt thans
+meer caars, caart, cleur, clooster, coster, coucen, cruis, groupe,
+persic, punct, train, troupe, enz. De Redactie meent overeenkomstig
+dit gebruik als beginsel te moeten aannemen, dat de Nederlandsche
+spelling in al die woorden behoort gevolgd te worden, ook in die,
+waaromtrent de gevoelens min of meer verdeeld zijn. Zij schrijft
+derhalve sieren en singel met eene s, en troon zonder h, ofschoon
+sommigen nog aan cieren, cieraad, cingel en throon de voorkeur
+geven. Deze woorden toch worden geheel als Nederlandsche behandeld
+en verbogen, treden met echt Nederlandsche in compositie en vormen
+derivata op Nederlandsche wijze: opsieren, versieren, sierplant,
+sieraden, sieradiën (gelijk kleinoodiën, dat echt Nederlandsch is);
+omsingelen; onttronen, hemeltroon, troonopvolger, enz.
+
+222. De woorden cedel (blijkens den ouderen vorm cedul het Fransche
+cédule, en niet naar het lat. schedula gevormd), ceder, lat. cedrus,
+en cijns, lat. census, geven bedenking, of zij al of niet tot de eerste
+klasse moeten gebracht worden. Zij zijn volkomen Nederlandsch van
+klank en hebben geene vreemd klinkende derivaten. Cedel wordt zelfs
+saamgetrokken tot ceêl, en helpt gedenkcedel, huurceêl, ceêlmaker
+enz. vormen; ceder komt voor in cederachtig, cederboom, cederhout,
+cijns in cijnsbaar, cijnsplichtig; alleen de c verraadt de vreemde
+herkomst. Volgens de Analogie behooren die woorden derhalve tot de
+eerste klasse en zou de c door de s moeten worden vervangen. Hier staat
+echter tegenover, dat zij steeds zonder uitzondering met c geschreven
+en daarom ook alleen onder dien vorm bekend zijn; dat zelfs het zoo
+gewone ceêl altijd zijne c behouden heeft; dat de cederboomen en het
+cederhout te weinig populair zijn om onder de veranderde vormen seder,
+sederen, sederhout terstond herkend te worden; en dat cijns weinig
+meer wordt gebruikt, maar een historisch woord is geworden, dat dus
+een vasten vorm heeft aangenomen. Wanneer wij dat alles bedenken,
+achten wij het niet raadzaam in strijd met het heerschende gebruik eene
+spelling te veranderen, waaromtrent nooit verschil van gevoelen heeft
+bestaan, om eene andere aan te nemen, die door velen niet terstond
+begrepen zou worden. Wij beschouwen daarom de genoemde woorden als
+bastaardwoorden, die door hunne spelling van hun vreemden oorsprong
+getuigenis geven, en blijven schrijven: cedel (ceêl), ceder, cijns.
+
+223. De spelling van de woorden der tweede klasse levert in het geheel
+geene bedenkingen op. Het ligt in den aard der zaak, dat vreemde
+woorden, die in de uitspraak geenerlei wijziging hebben ondergaan,
+hunne oorspronkelijke spelling, de zichtbare voorstelling hunner
+uitspraak, onveranderd behooren te behouden.
+
+224. Veel grooter zijn de bezwaren, verbonden aan het bepalen van
+de spelling der woorden, die de derde klasse uitmaken. Daaromtrent
+toch zijn de gevoelens zoo verdeeld, dat men bezwaarlijk volkomene
+overeenstemming tusschen twee schrijvers ontdekken zal. Wanneer men
+echter niet in bijzonderheden treedt, dan kan men in het zoozeer
+verschillend gebruik twee hoofdrichtingen onderscheiden, die, van
+twee tegenovergestelde uitersten uitgaande, nagenoeg lijnrecht tegen
+elkander inloopen. Men kan ze gevoeglijk de oudere en de nieuwere
+richting noemen.
+
+225. De oudere dagteekent van 1804, en heeft zich tot beginsel gesteld,
+dat de bastaardwoorden over het algemeen hunne oorspronkelijke spelling
+behooren te behouden. Zij wil alleen de uitgangen overeenkomstig
+het Nederlandsche spraakgebruik gewijzigd hebben, en maakt geene
+uitzonderingen dan alleen ten opzichte van die woorden, welke, onder
+alle standen der maatschappij in gebruik, door allen op Nederlandsche
+wijze geschreven worden. Deze richting laat derhalve verschillende
+vreemde schrijfwijzen te midden van de inheemsche bestaan, onderstelt
+in den lezer de kennis der vreemde spelling en uitspraak, en duldt
+vele uitzonderingen; doch deze zijn geene noodwendige uitvloeisels
+van het aangenomen beginsel, maar worden alle door buitenliggende
+omstandigheden veroorzaakt.
+
+226. De nieuwere richting, nagenoeg veertig jaren jonger, heeft
+zich ten doel gesteld de spelling der vreemde woonden zoodanig in te
+richten, dat de Nederlander de kennis der vreemde taal voor de juiste
+uitspraak ontberen kan. Zij gaat kennelijk uit van de onderstelling,
+dat men alleen dan recht heeft een vreemd woord te bezigen, wanneer het
+geschikt is om zóó geschreven te worden, dat de lezende Nederlander,
+toegerust met de kennis van de spelling en uitspraak zijner eigene
+taal, aan de doode letter de levende uitspraak kan teruggeven en zich
+de beteekenis herinneren.
+
+Ook deze richting heeft hare uitzonderingen, vermits wij een aantal
+vreemde woorden bezigen, wier klank niet kan worden afgebeeld, indien
+men onze letters uitsluitend op Nederlandsche wijze wil uitspreken,
+terwijl een aantal andere in Nederlandsch gewaad gestoken volstrekt
+onherkenbaar zouden zijn. Deze uitzonderingen vloeien uit het
+aangenomen beginsel zelf voort, hetwelk dus niet vol te houden is;
+daarentegen worden de uitzonderingen op de oudere richting regelmatige
+toepassingen van het hier aangenomen beginsel.
+
+227. Beide richtingen hebben hare voor- en nadeelen, die de Redactie,
+genoodzaakt eene keus te doen, onderling heeft te vergelijken en aan
+de algemeene spellingbeginselen, in de Eerste Afdeeling ontvouwd,
+te toetsen.
+
+228. De oudere richting beveelt zich door de volgende voordeelen aan:
+
+1) De spelling der vreemde woorden en bastaardwoorden behoeft
+niet gezocht en eerst door nieuwe, afzonderlijke regels bepaald
+te worden. Zij is gegeven: wat het hoofddeel der woorden aangaat,
+door de vreemde spelling; wat de uitgangen betreft, door de gewone
+Nederlandsche spelregels.
+
+2) De spelling stelt uit haren aard de ware uitspraak getrouw voor. Men
+kent deze òf onmiddellijk door het beoefenen der vreemde taal,
+waaruit het woord ontleend is, òf bij overlevering van anderen die
+haar kennen. De vreemde taal en de vreemde spelling zijn en blijven
+dus altijd de kenbronnen der uitspraak. De vreemde spelling stelt
+natuurlijk steeds de juiste uitspraak voor, hetgeen de Nederlandsche
+in vele gevallen slechts zeer gebrekkig kan doen; de ware uitspraak van
+sherry, chocolade, machine, genie, ingenieur, sergeant, patrouilleeren,
+compagnon, wordt slechts onjuist en eenigszins plomp door sjerrie,
+sjokolade, masjine, zjenie, inzjenieur, serzjant, patroeljeeren,
+kompanjon of kompanion afgebeeld. Zelfs onze oe schijnt te lang en
+te zwaar voor de Fransche ou, in gouverneur en souverein.
+
+3) De oorspronkelijke spelling blijft wijzen op de etymologie der
+woorden. Zij verscheurt den band niet, die het woord verbindt met
+zijne verwanten in de oorspronkelijke taal, waarin het is ontstaan en
+zijne beteekenis heeft gekregen, en waarin het eigenlijk leeft. Zij
+behoudt dus al de voordeelen, die eene verwijzing op de etymologie
+kan opleveren voor allen, die de vreemde taal verstaan; en dezen
+maken de meerderheid uit dergenen, die zich het meest van vreemde
+woorden en bastaardwoorden bedienen.
+
+4) Die richting brengt uit zich zelve geene uitzonderingen mede;
+de bestaande zijn gevolgen van het Gebruik, van oorzaken buiten het
+stelsel zelf gelegen. Zij kan dus met het volste recht gezegd worden
+van een beginsel uit te gaan, dat, op zich zelf genomen, consequent
+zou kunnen toegepast worden.
+
+229. De voordeelen aan de nieuwere richting, aan het spellen op meer
+Nederlandsche wijze, verbonden, zijn de volgende:
+
+1) Daardoor wordt het uitspreken en spellen van een aantal woorden
+voor den minkundige, die de vreemde taal niet kent, gemakkelijk
+gemaakt. Althans de meeste woorden uit de doode talen, uit het Grieksch
+en Latijn, ontleend, kunnen door de Nederlandsche spelling zóó worden
+voorgesteld, als de Nederlander gewoon is ze uit te spreken.
+
+2) Daardoor wordt in vele gevallen het contrast opgeheven tusschen de
+Nederlandsche en de vreemde spelling, die niet zelden in hetzelfde
+woord vereenigd aangetroffen worden: een contrast, dat op zich zelf
+geen nut heeft, en dus tegen den goeden smaak schijnt aan te druischen,
+dewijl het de eenheid en regelmatigheid verbreekt.
+
+3) Wanneer vreemde woorden op Nederlandsche wijze worden geschreven,
+bekomen zij een meer Nederlandsch voorkomen en worden eenigermate in
+de taal ingelijfd.
+
+4) De uitzonderingen op de toepassing van het beginsel der oudere
+richting vallen dan in den regel, houden op uitzonderingen te
+zijn. Daardoor is de nieuwere richting ontslagen van de moeilijke
+taak om naar de redenen te zoeken welke die uitzonderingen wettigen,
+en den regel te bepalen waarvan zij afhangen.
+
+230. Wanneer de Redactie de voordeelen der beide richtingen vergelijkt
+en aan de beginselen eener gezonde orthographie toetst, dan kan zij
+niet aarzelen aan de oudere de voorkeur te geven; vooral wanneer
+zij bedenkt, dat alles, wat voor deze richting pleit, een bezwaar
+tegen de andere uitmaakt. De oudere toch is in overeenstemming met de
+beide groote spellingbeginselen, die in onze taal meer dan in eenige
+andere worden gehuldigd en op prijs gesteld: juiste voorstelling der
+uitspraak en verwijzing op de etymologie en de verwante woorden. De
+nieuwere verloochent het laatste als het ware uit principe, en is
+niet in staat aan het eerste te voldoen. Daar een aantal klanken
+in de vreemde woorden, uit levende talen genomen, niet dan plomp
+en onvolkomen op Nederlandsche wijze kunnen voorgesteld worden,
+is het nieuwere stelsel van nature en reeds a priori gebrekkig,
+brengt het een aantal gebreken met zich, die het in vele gevallen
+buiten staat stellen het beoogde doel te bereiken. Daar de spelling
+op Nederlandsche wijze uit haren aard de verwijzing op de etymologie
+verwaarloost, versmaadt zij roekeloos een krachtig hulpmiddel ter
+bevordering der duidelijkheid; terwijl zij omgekeerd den minkundige
+bij het eene of andere bastaardwoord niet zelden geheel ten onrechte
+aan eene verwantschap met Nederlandsche woorden doet denken, waardoor
+het rechte verstand van het woord voor hem belemmerd wordt. Het
+woord compascuum b.v. is zeker voor den onkundige onverstaanbaar;
+de latinist echter begrijpt het terstond; doch deze zal zich wel
+eenige oogenblikken moeten bezinnen, wanneer hij kompaskuüm geschreven
+vindt. De onkundige begrijpt het woord onder deze spelling evenmin,
+maar maakt zich nu een geheel verkeerd, duister begrip, dewijl hij
+natuurlijk aan iets denkt, dat op een kompas betrekking heeft. Zal
+dit vooroordeel hem niet in den weg staan, als hij uit het verband
+van den zin de beteekenis van het hem onbekende vreemde woord tracht
+op te maken? Zal het hem bij diftong, vokaal, instinkt, dialekt,
+longroem (eng. longroom) enz. beter gaan?
+
+De nieuwere richting berooft zich zelve ook van het voordeel, om
+gelijkluidende of schijnbaar gelijkluidende woorden door de spelling
+te onderscheiden, b.v. korporaal en corporaal (altaardoek), dokter
+en doctor, kanòn en cánon, enz.
+
+231. De oudere richting vindt hare spelling zoogoed als gegeven:
+de nieuwere moet de hare nog vaststellen en kan daarbij dikwijls
+niet anders dan willekeurig te werk gaan. De schrijvers, die der
+laatste toegedaan zijn, handelen dan ook geenszins eenparig; men vindt
+geschreven: kompanjon, kompagnon en kompanion; konzekwent, konsekwent
+en konsequent; kurzief en kursief, enz. Hoe moet het zijn? Wie en wat
+zal hier beslissen? Van de oplossing van deze en dergelijke vragen is
+de oudere richting ontslagen; zij weet, dat het Fransch en Latijn de
+schrijfwijzen: compagnon, consequent, consonant, cursief enz. vorderen.
+
+232. De voordeelen der nieuwere richting zijn meer denkbeeldig dan
+wezenlijk. Het eerstgenoemde punt blijkt, bij eene nadere beschouwing,
+veeleer op last dan op gemak uit te loopen. Zij, ten wier behoeve
+de meer Nederlandsche spelling zou moeten strekken, worden er niet
+door gebaat; voor de anderen, die er geene behoefte aan hebben,
+is zij een groot bezwaar. Kon en wilde men alle vreemde woorden
+volgens de gewone regels der Nederlandsche spelling behandelen,
+dan zou zulks zeker in zooverre verkieslijk zijn, dat de kennis der
+vreemde talen kon ontbeerd worden. Wij hebben echter boven gezien,
+dat er een aantal gevallen bestaan, waarin de uitspraak niet door
+Nederlandsche letters kan voorgesteld worden. Doch, wat meer zegt,
+zelfs de sterkste voorstanders der nieuwere richting zijn niet gezind
+de Nederlandsche spelregels geheel en al toe te passen, zelfs niet
+in vele gevallen, waarin dit zeer goed mogelijk zou zijn. En te
+recht, want vele woorden zouden dan een al te vreemd en zonderling
+voorkomen krijgen. Niemand heeft nog willen schrijven: tema, tee,
+teorie, ekzamineeren, eksekuutsie, suksessie, okkazie, publiseeren,
+publikaatsie, konsiënsie, inkwizietsie, sistema, higrometer, sienisch
+(voor cynisch), scheptisch (voor sceptisch), tietel, artiekel, viziete,
+sieter (voor citer), kado, buro, odekolonje, soepjee (voor souspied)
+enz., ofschoon die schrijfwijzen door onze spelregels zouden gevorderd
+worden en de vreemde uitspraak vrij goed vertegenwoordigen. De geheele
+vervorming, die men verlangt, komt hoofdzakelijk hierop neder, dat
+men de ph door f; de c, als zij den keelklank heeft, door k; en de
+s, wanneer zij zacht luidt, door z wil vervangen hebben; b.v. in
+filozoof, fyzika, konzonant enz. Over de vervanging van qu en de
+Fransche ou door kw en oe blijken de gevoelens verdeeld te zijn; en
+slechts zeer enkelen schrijven -nion en -nie in de plaats van -gnon en
+-gnie. Daarentegen wil men over het algemeen de th en y in Grieksche
+woorden; de x; de enkele i, ook ter voorstelling van den i-klank in
+lettergrepen met den vollen klemtoon; en de c ter aanduiding van den
+sisklank behouden hebben, op grond, dat genoemde letters evengoed
+als de t, i, ks en s tot het Nederlandsche alphabet behooren. Die
+gewenschte vervorming blijft dus in elk geval zeer beperkt, laat in
+een aantal woorden den vreemden vorm bestaan, en handelt bovendien
+inconsequent. De th is immers evenzeer vreemd als de ph. Men zegge
+toch niet: »de th is eene Nederlandsche letter, gelijk blijkt uit
+thans en althans, terwijl de ph in geen enkel Nederlandsch woord
+voorkomt". Men bedriegt zich dan ten opzichte der eerstgenoemde. In
+de geheel exceptioneele woorden thans en althans, uit te hande en al
+te hande, heeft men de gewone t van te en de stom geworden h van hand,
+terwijl de th in theorie en de ph in physica beide vertegenwoordigers
+zijn van de enkelvoudige Grieksche letters th en f. Beide staan dus
+op ééne lijn; de th is niet meer Nederlandsch dan de ph.--Indien de
+c werkelijk evenzeer Nederlandsch is als de k en s, dan bestaat er
+ook geene reden om haar te weren uit woorden als consonant en logica,
+waar zij als k luidt. Stelt men het omgekeerde, beschouwt men haar als
+vreemd, dan moet zij ook als sisklank verworpen worden uit koncert en
+citroen; en wil men haar slechts éénen klank, dien van s, toestaan,
+dan zou men ook akcent, akces, akcident, sukces moeten schrijven,
+wat te recht niemand verlangt.
+
+Bij die gedeeltelijke vervorming blijft steeds eenige kennis van
+vreemde talen noodzakelijk. De minkundige zal altijd moeten weten,
+dat artikel, titel, visite en machine uit den vreemde zijn overgenomen;
+dat in het Grieksch thermometer met th, hypotenusa met t, synode met y
+en citer met i geschreven wordt, wil hij geen gevaar loopen artiekel,
+tietel, viziete, masjiene, termometer, hipothenuza, sinode, sieter
+te spellen.
+
+233. Uit het aangevoerde blijkt duidelijk genoeg, dat het der
+nieuwere richting aan een consequent toepasbaar beginsel ontbreekt,
+en dat de onkundige er volstrekt niet door geholpen wordt. Doch,
+wat erger is, zij noodzaakt de Nederlandsche grammatica een aantal
+ingewikkelde spelregels te ontwerpen, die het verschillend gebruik
+van de Nederlandsche letters c en s, i, ie en y, th en t, qu en kw
+bepalen. Deze zou rekenschap moeten geven, waarom zij nu eens c,
+dan s; nu i, dan ie of y; nu th of qu, dan t of kw wilde geschreven
+hebben. Die regels zouden dan ten laatste toch wijzen op het
+verschil in den oorsprong der woorden, op het onderscheid tusschen
+in- en uitheemsch, en alle zouden eenige kennis der vreemde talen
+onderstellen. De spelling kategorie, ethika, filozofie en fyzika
+vereischt evenzeer bekendheid met het Grieksche taaleigen, of het
+zoeken in een woordenboek, als die van categorie, ethica, philosophie
+en physica.
+
+Het schijnbare gemak blijkt dus inderdaad een last te zijn. De
+minkundigen, die zich bijna niet bedienen van vreemde woorden, welker
+spelling niet geheel inheemsch is geworden, zijn er niet mede gebaat;
+terwijl zij, die het meest van vreemde woorden gebruik maken en veelal
+de oorspronkelijke spelling kennen, nu noodeloos bezwaard worden met
+het aanleeren van regels ter bepaling, hoe en in welke gevallen de
+vreemde spelling moet gewijzigd worden.
+
+234. Het tweede der bovengenoemde voordeelen verplaatst ons op
+het gebied der Aesthetica. Aan hare eischen zou inderdaad meer
+voldaan worden, indien het contrast tusschen de inheemsche en
+de verschillende vreemde spellingen kon worden opgeheven, omdat
+die tegenstellingen volstrekt geen nut hebben, niet dienen om de
+verschillende schrijfwijzen wederzijds op te helderen of fraaier
+te doen uitkomen. Daar echter de vreemde spelling niet kan worden
+geweerd uit al die woorden, waarin vreemde klanken voorkomen, welke
+niet door het Nederlandsche letterschrift kunnen vertegenwoordigd
+worden, is het middel niet toereikend om de kwaal te genezen; wèl
+beschouwd, verergert het haar veeleer. Immers nu ontstaat tusschen
+de in- en uitheemsche spelling eene derde, eene bastaardspelling,
+b.v. in koncert, koncentrisch, konzequent. Doch, wat meer zegt, er
+wordt zoodoende een nieuw contrast geschapen tusschen de natuur en den
+vorm van het woord, dat zeker niet schoon is, en juist aan diegenen
+den grootsten aanstoot geeft, die zich het meest van vreemde woorden
+bedienen. Over den smaak valt wel is waar weinig te twisten, maar
+de Aesthetica leert toch grondstellingen, die door allen gereedelijk
+aangenomen worden. Het is boven allen twijfel verheven, dat waarheid,
+d.i. hier overeenstemming tusschen uiterlijk en innerlijk, eene
+noodwendige voorwaarde voor het schoone is. Eene kerk in den vorm
+van een woonhuis, en een woonhuis in den vorm eener kerk, kùnnen
+niet schoon zijn. Alleen wansmaak kon behagen scheppen in melkkannen,
+die apen, of in palmboomen, die zwanen of pauwen voorstelden; en een
+reukfleschje in den vorm van een beeldje, al is dit ook nog zoo fraai
+gevormd, is leelijk in het oog van ieder, die slechts een weinig over
+het wezen der schoonheid heeft nagedacht. Evenzeer strijdig met den
+goeden smaak is het spellen op Nederlandsche wijze van woorden, die
+door hun klank en vorm beide protesteeren tegen het kleed, dat men
+hun heeft aangetrokken en dat hun niet past, omdat het niet voor hen
+gemaakt is. Er ligt, wèl beschouwd, iets plomps in de spelling koncert
+of konsert, filozoof, fyzikus, konsequent of konzekwent, ekwipaadje,
+kwantiteit, enz., hetwelk den beschaafde en geletterde ergert, zoolang
+zijn oog niet aan het zien van zulke smakelooze schrijfwijzen gewend
+is. Dit is dan ook wel eene der voornaamste redenen, waarom dit
+stelsel nooit meer dan enkele voorstanders gevonden heeft.
+
+235. Ook het derde der gewaande voordeelen komt bij eenig nadenken op
+zeer weinig uit. Welk nut kan er gelegen zijn in het geven van een meer
+Nederlandsch voorkomen aan een vreemd woord, hetwelk zijne afkomst
+blijft verraden? Wanneer klank en samenstelling uitheemsch zijn,
+kan de spelling daaraan niets veranderen. De Latijnsche praefixen
+prae- en con- of com- worden geene Nederlandsche voorvoegsels,
+wanneer men prepozitie, preseptor, konditie, kompozitie met e en
+k schrijft. Apoteoze, analieze, fizionomie, mizantroop, zofema,
+ekwipaadje, epolet, cadó, plató enz., zijn bedorven en nauwlijks
+verstaanbaar Grieksch en Fransch, maar geen grein meer Nederlandsch
+dan apotheose, analyse, physionomie, misanthroop, sophema, equipage,
+epaulet, cadeau, plateau enz.
+
+De eenige beteekenis, die men aan die inheemsche inkleeding hechten
+kan, bestaat hierin, dat zij een blijk is, dat het woord veel
+door Nederlanders wordt gebruikt. Doch welk nut is in dat vertoon
+gelegen? Zal de schrijver er door willen te kennen geven, dat hij
+zich gerechtigd acht het woord te bezigen? Wil hij daarmede den lezer
+het paspoort laten zien, opdat deze den bastaard ongehinderd late
+voorbijgaan? Aangenomen, dat dit eenig practisch nut had, wie zal
+dan nog bepalen, of een woord lang en algemeen genoeg in gebruik is
+geweest om dat gedeeltelijke burgerrecht deelachtig te worden? Wat
+zal bij de beoordeeling de maatstaf zijn? Uiterlijke kenteekenen
+ontbreken hier. Geheel vreemde woorden, die volstrekt geene verandering
+ondergaan hebben en die niemand zou willen verdietschen, vereenigen
+zich in samenstelling met echt Nederlandsche, als in successierechten,
+epauletknoop, verjaarcadeau enz., en nemen zelfs Nederlandsche voor-
+en achtervoegsels aan, b.v. onsystematisch, cadeautje, geanalyseerd,
+enz. Compositie en derivatie met Nederlandsche woorden en affixen
+rechtigen derhalve niet tot eene geheel Nederlandsche spelling.
+
+236. Het geven van een Nederlandsch voorkomen aan vreemde woorden
+is eene mystificatie, die, niet slechts uit een theoretisch maar ook
+uit een practisch oogpunt bezien, te veroordeelen is en blijft. Het
+spreekt wel vanzelf, dat de grammatica, die de natuur zoowel als
+het gebruik der woorden wil kennen, theoretisch eene spelling moet
+afkeuren, die de afkomst en niet zelden ook de beteekenis der woorden
+verduistert. Maar ook van het practisch standpunt beschouwd, verdient
+de vreemde spelling de voorkeur. Deze waarschuwt den minkundige,
+dat hij geene pogingen behoeft aan te wenden om het vreemd gespelde
+woord uit zijne moedertaal te verklaren, en snijdt tevens zooveel
+mogelijk alle zinspeling op minder kiesche zaken af, die soms door
+eene veranderde schrijfwijze wordt uitgelokt, en waartoe onze mindere
+stand wel eenigszins geneigd is.
+
+237. Eindelijk het voordeel, daarin gelegen, dat de uitzonderingen
+op de oudere richting in de nieuwere regelmatigheden zijn, wordt
+theoretisch en practisch meer dan opgewogen door de uitzonderingen
+op de laatstgenoemde. Immers de eerste hebben haar bestaan alleen
+te danken aan het Gebruik, maar vloeien niet uit het aangenomen
+beginsel zelf voort. De nieuwere richting daarentegen is met talrijke
+uitzonderingen geboren; en deze noodwendige worden nog grootelijks
+vermeerderd door het aantal gevallen, waarin men het beginsel zou
+kunnen toepassen, maar niet toepassen wil, om de al te zonderlinge en
+onverstaanbare vormen, die eene volstrekte consequentie zou opleveren.
+
+238. Wanneer men dit alles wèl overweegt, kan men bij de keuze tusschen
+de twee richtingen niet verlegen staan. Ongetwijfeld moet men die
+spelling verkiezen, die als het ware gegeven is en in gereedheid ligt,
+en die getrouw blijft aan de twee groote spellingbeginselen, welke
+het Nederlandsch bij het schrijven zijner eigene woorden huldigt,
+boven de andere, welke die beginselen, deels uit noodzaak, deels
+uit principe, verzaakt, de uitspraak niet zelden onjuist afbeeldt,
+de etymologie verloochent, en strijdig is met den goeden smaak: eene
+spelling, die niet is gegeven, maar volgens willekeurig aan te nemen
+beginselen nog moet worden bepaald en vastgesteld, en die daarbij
+uit zich zelve genoodzaakt is een aantal uitzonderingen toe te laten.
+
+239. De Redactie ziet echter geenszins de groote bezwaren voorbij,
+die ook op den weg der oudere richting gelegen zijn. Deze is wel niet
+uit zich zelve genoodzaakt uitzonderingen te maken, maar wordt door
+het Gebruik gedwongen er een aantal te erkennen. Immers, het zou eene
+vruchtelooze poging zijn, indien men in woorden als kwartier, kapitaal,
+kazerne, kompas en dergelijke de oorspronkelijke spelling trachtte
+te herstellen. Intusschen is het nog niemand gelukt de grenslijn
+te trekken, waar de vreemde spelling ophoudt en de Nederlandsche
+begint. Bij eenig nadenken wordt het dan ook duidelijk, dat die
+grens uit den aard der zaak niet te trekken is; of, om duidelijker te
+spreken, er zijn een aantal vreemde woorden in gebruik, waarvan het
+ondoenlijk is, op redelijke gronden en in consequente overeenstemming
+met andere dergelijke, te bepalen aan welke zijde der linie zij zich
+bevinden. Men wordt van de waarheid hiervan overtuigd, wanneer men
+bedenkt, dat er woorden zijn, die, niet slechts door verschillende
+personen, maar zelfs door een en denzelfden persoon, naar gelang
+der omstandigheden, verschillend worden uitgesproken. Hoe zou er
+in de spelling vastheid en gelijkmatigheid kunnen bestaan, waar de
+uitspraak wankel en veranderlijk is? Een paar voorbeelden zullen
+toereikend zijn, om den lezer verscheidene andere te herinneren. Een
+beschaafd man zal in gezelschap spreken van keurig geslepene karaffen;
+maar als hij een glas water verlangt, zegt hij zonder bezwaar tot den
+knecht: geef mij de kraf eens aan! Hij zal u op de sociëteit vragen:
+hebt gij dat bericht in de courant gelezen? en als gij ontkennend
+antwoordt, roept hij terstond om de krant. In een wetenschappelijk
+congres spreekt men over de beste wijze om cichorei te telen, maar
+in een winkel bestelt men suikerij.
+
+Doch vooral bestaat zulk een verschil in de uitspraak derzelfde
+woorden bij lieden van verschillende beschaving. Een vischwijf,
+met haars gelijke in krakeel, zal deze een kanalje, een karonje,
+en hare woning een kavalje schelden; de trotsche aristocraat ziet
+met minachting neder op het canaille en rapaille. De brouwersknecht
+kent gijl, de verver konzenielje; de wetenschappelijke man spreekt
+van chijl en cochenille; en zoo wisselt de uitspraak der vreemde
+woorden telkens af, al naarmate de beschaving van den spreker of de
+eisch der omstandigheden medebrengt.
+
+240. Wanneer de uitspraak van dezelfde woorden van allerlei
+omstandigheden en inzonderheid van den smaak, niet van de woorden zelve
+afhangt, moet de spelling uit haren aard nog veel onzekerder zijn, en
+zal de een aan de oorspronkelijke, de ander aan eene meer Nederlandsche
+de voorkeur geven, zonder altijd redenen voor zijne schrijfwijze te
+kunnen aanvoeren. De Redactie, van wie wel niet het onmogelijke kan
+gevergd worden, erkent dan ook gaarne, dat zij buiten machte is vaste
+regels te stellen, die in ieder geval kunnen voldoen. Zij acht hare
+taak vervuld, wanneer zij het grondbeginsel, waarvan zij uitgaat,
+zoo nauwkeurig mogelijk omschrijft, en in het algemeen de richting
+bepaalt, die zij bij de uitzonderingen meent te moeten volgen.
+
+Na rijpe overweging, acht zij het grondbeginsel aldus te moeten
+formuleeren:
+
+241. Bastaardwoorden, ontleend uit talen, die het Latijnsche [d.i. hier
+hetzelfde als het Nederlandsche [12]] letterschrift bezigen,
+worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne
+uitspraak onveranderd is gebleven. Waar deze echter gewijzigd is, en de
+oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding geven
+zou, wordt de spelling in zooverre op Nederlandsche wijze veranderd.
+
+De wijziging der uitspraak heeft plaats 1) aan het einde der woorden,
+2) in het lichaam van het woord.
+
+242. 1) De wijziging aan het einde der woorden heeft meestal
+haren oorsprong te danken aan de noodzakelijkheid om de woorden op
+Nederlandsche wijze te verbuigen. Zij bestaat doorgaans in het afkappen
+der laatste lettergreep, ten gevolge waarvan dikwijls eene wijziging
+in de spelling der voorlaatste noodzakelijk wordt. Zoo is b.v. praefix
+het Lat. praefixum, evangelist het Lat. evangelista, publicist het
+Fransche publiciste, trompet het Fransche trompette. Daar de klinker
+in de voorlaatste lettergreep der genoemde vreemde woorden geene
+verandering in de uitspraak ondergaat, blijven praefix, evangelist,
+publicist en trompet voor het overige onveranderd. Anders is het,
+wanneer advocatus, particula, problema en publique de laatste syllabe
+verliezen; de a en e moeten alsdan in advocaat en probleem noodwendig
+verdubbeld worden; de u van particula gaat in de toonlooze e over,
+en dit maakt weder de verandering van c in k noodzakelijk, waardoor de
+vorm partikel ontstaat; de uitgang -ique moet, na afwerping zijner e,
+bij ons -iek worden: publiek.
+
+In sommige woorden schijnt de verbastering van den uitgang niet op
+deze wijze verklaard te kunnen worden. Zoo laat de vorm sociëteit zich
+schijnbaar evenmin van lat. societas als van fr. société afleiden. In
+zulke gevallen moet men niet uit het oog verliezen, dat Latijnsche
+woorden niet altijd in den nominatiefvorm zijn overgenomen, maar dat
+dikwijls een verbogen naamval ten grondslag ligt. Dit heeft plaats
+bij sociëteit, majesteit, sextant enz., lat. societas--societatis,
+majestas--majestatis, sextans--sextantis, enz.; vanhier de t in
+deze en dergelijke woorden. Ook de meervouden tangenten, secanten,
+van tangens en secans, zijn op die wijze te verklaren.
+
+Niet altijd echter is de laatste lettergreep van het vreemde woord
+afgeknot; dikwijls is alleen de uitspraak veranderd. Zoo zijn
+b.v. palais, laquai, souverain, livrée, général, profit, in paleis,
+lakei, souverein, livrei, generaal, profijt enz. overgegaan.
+
+Door deze en dergelijke veranderingen zijn de bekende bastaarduitgangen
+-aal, -aan, -aat, -ant, -eel, -eeren, -eet, -ent, -et, -ief, -iek,
+-iel, -iet, -ijn, -ijt, -oen, -oor, -uut en andere ontstaan, die
+geheel op Nederlandsche wijze behandeld worden. Alleen de uitgangen
+-air en -oir der Fransche adjectieven behouden hunne vreemde ai en oi,
+b.v. in militair, stationnair, transitoir, executoir enz.
+
+ Ter voorkoming van misverstand zij aangemerkt, dat hier
+ gesproken wordt van uitgangen in het algemeen, d.i. van klanken
+ waarop woorden uitgaan, en niet van achtervoegsels (suffixen),
+ d.i. bepaalde uitgangen, die achter bestaande woorden gevoegd
+ worden om nieuwe woorden te vormen. Niet al de genoemde uitgangen
+ zijn achtervoegsels, of zijn het altijd. Zoo zijn -aat en -iet
+ suffixen in optimaat en Israëliet, maar niet in praecipitaat en
+ chrysoliet. Een achtervoegsel -eet bestaat niet, evenmin als -noom,
+ -anthroop of -troop achtervoegsels zijn; vergelijk de aanmerking
+ op § 77.
+
+243. Het bastaardachtervoegsel -aadje vereischt eene afzonderlijke
+overweging. Het is uit het Fransch ontleend ten tijde dat -age
+(Ital. -aggio, Lat. -aticum: zie Diez, Gramm. der Roman. Sprachen,
+2de uitg., D. II, bl. 288 vlg.) in die taal nog, op Italiaansche
+wijze, als aadzje luidde. Die uitspraak heerschte toen ook bij ons,
+maar kon slechts gebrekkig in Nederlandsch schrift worden uitgedrukt;
+vandaar de verschillende schrijfwijzen: pelgrimaedse, pelgrimagie,
+pelgrimaedje. Thans, nu wij in dat en alle dergelijke woorden, evenmin
+als de Franschen, eene d laten hooren, is de spelling pelgrimaadje,
+stellaadje enz. buiten alle verhouding met de uitspraak geraakt,
+terwijl zij soms aanleiding geeft, dat zoodanige woorden geheel
+letterlijk overeenkomstig hun vorm worden uitgesproken. Daar de
+uitspraak g als zj toch plaats vindt in de Nederlandsche woorden genie,
+logement, gage, gelei, horloge enz., en dus bij ons niet onbekend is,
+en iedereen ook gewoon is college, manege, engagement, menage, courage,
+courtage te schrijven, bestaat er inderdaad geene overwegende reden,
+om de zonderlinge spelling -aadje te behouden. Wij aarzelen daarom
+niet eene schrijfwijze te laten varen, die eene geheel verouderde
+uitspraak tot grondslag heeft, maar met de hedendaagsche in strijd is,
+sinds lang velen tot aanstoot en ergernis heeft gestrekt, en nooit
+consequent is toegepast. Wij meenen derhalve te moeten schrijven:
+bagage, lekkage, pelgrimage, slijtage, stellage, stoffage, tuigage
+enz.; en evenzoo: page. Zóó vervalt ook vanzelf de ongelijkheid in
+de spelling van passaadje en passagier enz.
+
+244. 2) Veranderingen in het lichaam der woorden, ter voorkoming
+eener ongewone uitspraak, hebben bijna uitsluitend in Fransche
+woorden plaats. Zij bestaan voornamelijk in het weglaten der accenten,
+b.v. in genie, ingenieur, fr. génie, ingénieur, waarin de Fransche é
+voor de toonlooze e heeft plaats gemaakt. Zoo is ook de uitspraak der
+Fransche g in garnison, guitare, guide voor de gewone Nederlandsche
+geweken. Daarom laat men de u in gitaar enz. weg.
+
+Om gelijke reden schrijft men pleizier of plezier voor plaisíer, en
+seizoen voor saisoen, dewijl de ai, op Fransche wijze uitgesproken,
+in deze woorden niet meer in gebruik is.
+
+245. Eene bijzondere aanmerking moet gemaakt worden betreffende de
+woorden, die uit het Grieksch ontleend zijn. Deze namelijk worden wel
+in de oorspronkelijke taal met een ander letterschrift geschreven,
+doch dit is voor ons geheel onverschillig, omdat de meeste dier
+woorden door het kanaal van het Latijn tot onze kennis zijn gekomen
+en, dienovereenkomstig, op Latijnsche wijze uitgesproken en gespeld
+worden. Wij zeggen niet: hupoteinoeza, sustema, fuzikè, euangelion,
+oikonomia, Makedonia, Kimoon, Platoon, Thrazuboelos, Aiguptos, hetairen
+enz.; maar wij spreken die woorden uit, overeenkomstig den vorm, dien
+zij in het Latijn bekomen: hypotenusa, systema, physica, evangelium
+(of evangelie), oeconomia (of oeconomie), Macedonië, Cimon, Plato,
+Thrasybulus, Egypte (of Aegypte), hetaeren enz.
+
+Eene consequente spelling op Grieksche wijze is derhalve zoogoed als
+onmogelijk; en deze wordt trouwens ook door niemand verlangd. Doch
+hoewel de Latijnsche schrijfwijze als maatstaf en regel voor de
+Grieksche beschouwd wordt, maken sommigen eene uitzondering ten
+opzichte van de k en f, die zij niet door de Latijnsche c en ph,
+maar door k en f teruggegeven willen hebben; zij schrijven daarom
+theokratie, fyzika of fysika, filosofie of filozofie. Deze spelling,
+uit welk oogpunt ook beschouwd, is inconsequent en maakt noodeloos
+inbreuk op den--anders algemeenen--regel. Geschiedt zulks om de
+spelling meer met het Grieksche spraakgebruik overeen te brengen,
+dan wordt de f verkeerd aangewend, dewijl f zoo ooit, zeker niet te
+allen tijde de waarde van f gehad heeft. Is het om aan de woorden een
+meer Nederlandsch voorkomen te geven, waarom dan de th en de y ter
+uitdrukking van de th en y behouden, terwijl de enkele t en i de gewone
+uitspraak dier letters even goed zouden voorstellen? Die spelling is
+dus inderdaad slechts eene nuttelooze en willekeurige afwijking van de
+regelmaat, waarop men weder uitzonderingen zou moeten maken. Immers
+het bezigen van k, waar het Grieksch eene k heeft, is niet vol te
+houden. Vele woorden, welker uitspraak bij ons vaststaat, eischen
+volstrekt de c, als: Bucephalus, Centaur, Cepheus, Cerberus, Cilicië,
+Cyprus, Cyrus, Macedonië enz. In Cekrops, cykloop en andere zouden
+c en k om dezelfde letter te vertegenwoordigen naast elkander staan;
+en wie zou Bakchus of Bakkhus willen schrijven? En toch, elke andere
+spelling: Bacchus of Bachus, ware dan eene nieuwe onregelmatigheid,
+eene willekeurige uitzondering op eene uitzondering.--Evenmin laat
+de f zich consequent bezigen. Men zal toch aan Sappho wel niet
+den Hoogduitschachtigen vorm Sapfo willen geven. Men verlangt de
+f voornamelijk om den wille der uitspraak. Nu is het wel niet te
+ontkennen, dat ph, waar men eene f moet laten hooren, tot verkeerdheden
+aanleiding kan geven; doch het is evenzeer waar, dat het Nederlandsch
+als grondbeginsel aangenomen heeft, geen erkenden spelregel, waartoe
+ook die der Analogie behoort, te verzaken, alleen om eene verkeerde
+uitspraak te voorkomen [13]. Men kan béken als bekèn, béving als
+bevìng, voorkómen als vóórkomen, wéderroepen als wederróépen,
+óverkomen als overkómen uitspreken; dit is echter nooit als eene
+afdoende reden beschouwd, om die woorden te spellen op eene wijze, die
+met geldige regels in strijd is; b.v. niet beeken, beeving, voorkoomen
+enz. Men zou dus niet gerechtvaardigd zijn, indien men op den algemeen
+uitvoerbaren regel: Grieksche woorden volgen de Latijnsche spelling,
+alleen om den wille eener mogelijke verkeerde uitspraak uitzonderingen
+ging maken. Indien men zich zulks veroorloofde ten opzichte der ph,
+men zou het ook in andere gevallen als beginsel moeten erkennen; en
+waar zou dat heen? Wie zich ergert aan de uitspraak catalógus, ódeon,
+spèctator, eene wanspraak veel algemeener dan potografie en pizika,
+zou met hetzelfde recht cataalogus, odeeon, spectaator enz. kunnen
+eischen: spellingen, die wel niemand verlangt, en die ook niet fraai
+zouden zijn, maar zeker den lof van consequentie zouden verdienen. De
+Redactie kan dan ook geene enkele geldige reden bedenken, om ten
+aanzien der twee genoemde letters anders te handelen, dan zij in de
+overige gevallen genoodzaakt is te doen. Zij meent derhalve den regel:
+Grieksche woorden worden op Latijnsche wijze gespeld, consequent te
+moeten volgen, en schrijft dus ook: academie, theocratie, physica,
+orthographie, philosophie enz.
+
+246. De uit het Grieksch ontleende bastaardwoorden zijn, wat de
+uitgangen betreft, aan denzelfden regel als de overige onderworpen;
+zie § 242. Zoo schrijve men: biograaf, photograaf, telegraaf,
+telescoop, philanthroop, philosoof, basilisk, apocrief, acustiek,
+cliniek, diptiek, synoniem, proseliet, apostel, diaken, scaphander enz.
+
+Het zou inconsequent, onregelmatig en zelfs onnatuurlijk zijn,
+indien men de eindlettergrepen, die ten gevolge van het afvallen
+der Grieksche of Grieksch-Latijnsche uitgangen eene wijziging
+in de spelling moeten ondergaan, en daarmede aan de Nederlandsche
+spellingwetten worden onderworpen, nog gedeeltelijk op Grieksche wijze
+schreef. Wanneer men van basiliscus -us of -os afsnijdt, moet de c
+in het meervoud basilisken natuurlijk in k veranderen; het enkelvoud
+wil dan, volgens den erkenden regel, ook de k in basilisk. Trouwens
+niemand schrijft basilisc, evenmin als grotesq, naar fr. grotesque,
+of grottesc, naar ital. grottesco. Is die onderwerping aan de
+Nederlandsche spelregels in sommige gevallen onvermijdelijk, dan
+eischt de Analogie haar ook in die gevallen, waar twijfel schijnt
+te bestaan. Hiertoe behooren de woorden op -aaf, -ief- en -oof, als
+geograaf, telegraaf, apocrief, philosoof enz. De Grieksch-Latijnsche
+woorden geographus, apocryphus en philosophus, na afwerping van -us:
+geograph, apocryph en philosoph, eischen de verdubbeling der a en o,
+en de verandering van de niet verdubbelbare y in ie; dus geograaf,
+apocrief en philosoof, of geograaph, apocrieph, philosooph. Die
+dubbele a en o en de ie zijn vreemd aan het Grieksche en Latijnsche
+taaleigen, maar zijn geheel Nederlandsch; de tweede a en o valt
+zelfs in het meervoud, op Nederlandsche wijze, weder uit. Een
+en ander bewijst, dat die uitgangen als Nederlandsch beschouwd
+moeten worden. De vreemde ph nu maakt, vooral in verbogen vormen,
+als geographen, apocriephe, eene vreemde vertooning, omdat zij in
+strijd is met de letters, waartusschen zij staat. Hare vervanging
+door f is derhalve even natuurlijk als consequent, en is tevens
+in overeenstemming met het Gebruik, dat kennelijk aan geografen,
+apocriefe enz. boven geographen en apocriephe de voorkeur geeft. Ook
+is zij in volmaakte overeenstemming met de vervanging van th door t in
+aëroliet, chrysoliet enz., lat.-gr. aërolithus, chrysolithus, waarin
+het Gebruik, klaarblijkelijk om dezelfde redenen, geene th achter de ie
+wil.--Triumf of triomf, lat. triumphus, en nimf, lat. nympha, hebben,
+als dichterlijke woorden, reeds om eene andere reden eene f; zie § 251.
+
+In biographie, ethnographie, philosophie enz. echter zijn de
+lettergrepen graph en soph onaangetast gebleven, en bevindt de ph zich
+niet tusschen bepaaldelijk Nederlandsche letters; hier bestaat dus
+geene reden voor het bezigen der f. Geographie enz. is niet gevormd
+van ndl. geograaf, evenmin als diaconie en apostolisch van ndl. diaken
+en apostel; maar het is eene verbastering van het lat.-gr. geographia,
+gelijk diaconie en apostolisch van diaconia en apostolicus. Geografie
+enz. te schrijven omdat geograaf eene f heeft, zou even onnatuurlijk
+zijn, als wanneer men lietograaf (uit lithographns) met ie wilde
+schrijven, omdat lat.-gr. lithus in aëroliet en chrysoliet in -liet
+verandert.
+
+247. Eene afzonderlijke beschouwing eischt de spelling van het
+woord telegrafist, dat zich in een geheel ander geval bevindt dan
+geographie en dergelijke. Het is niet gevormd van een Grieksch woord
+telegraphistes, gelijk evangelist van euangelistes; de naam zou moeten
+zijn telegraaf, gelijk bibliograaf, biograaf, ethnograaf, geograaf,
+historiograaf, stenograaf, tachygraaf enz. Daar telegraaf echter
+reeds als de benaming van het werktuig of de inrichting gebezigd
+werd, en men derhalve voor de personen, aan zulk eene inrichting
+verbonden, een anderen vorm noodig had, heeft men, strijdig met het
+Grieksche taaleigen, het woord telegrafist gevormd, dat in zooverre
+als Nederlandsch kan worden beschouwd, omdat wij met het achtervoegsel
+-ist ook van Nederlandsche woorden persoonsnamen maken, b.v. bloemist,
+fluitist, orgelist, klokkenist. De vorm telegrafist is trouwens ook
+de gebruikelijke.
+
+248. De spelling geographie enz. beslist insgelijks de keuze
+tusschen geographisch en geografisch enz. Bij geographische of
+biographische woordenboeken, bij ethnographische verhandelingen en
+topographische kaarten denkt men aan de kennis, uit die woordenboeken,
+verhandelingen of kaarten te putten; bij een stenographisch bericht
+en een photographisch portret aan datgene, dat stenographie en
+photographie heet: de schrijver of kunstenaar, de geograaf of
+photograaf, komt daarbij wel niet in aanmerking, staat ten minste ver
+op den achtergrond. De hier bedoelde woorden zijn derhalve gevormd van
+de woorden biographie, geographie enz., gelijk historisch van historie
+komt; zij moeten dus ongetwijfeld eene ph hebben. Wat telegraphisch
+betreft, ofschoon dit, blijkens de beteekenis, niet van telegraphie,
+maar van telegraaf is afgeleid, is het toch gevormd in overeenstemming
+met de boven genoemde woorden. Het is dus niet raadzaam, het in de
+spelling daarvan te scheiden. De analogie eischt ook hier de ph.
+
+249. Bezaten wij een ww. geographeeren, het zou gevormd zijn van het
+Grieksch geôgrafeô. Van dezelfde vorming zouden photographeeren,
+lithographeeren enz. wezen, indien de daaraan beantwoordende vormen
+in het Grieksch bestonden. Die woorden kunnen dus geacht worden
+onmiddellijk uit die taal overgenomen te zijn, gelijk photographie,
+lithographie enz. om de analogie van geographie, gr. geôgrafia. De
+lettergreep graph blijft daarin insgelijks onveranderd. Hier bestaan
+dus dezelfde redenen voor het behoud der ph, als bij geographie en
+andere op -phie, weshalve photographeeren, lithographeeren enz. de
+regelmatige vormen zijn.
+
+250. Na de opgave der grondbeginselen, die de Redactie bij het
+schrijven der bastaardwoorden voornemens is te volgen, blijft haar nog
+overig de gevallen te omschrijven, waarin zij meent, dat het algemeen
+Gebruik het spellen op Nederlandsche wijze volstrekt vordert, en
+die derhalve als onvermijdelijke uitzonderingen op de gegeven regels
+moeten beschouwd worden.
+
+Wanneer men de woorden der beide eerste klassen vergelijkt, dan ziet
+men, dat die, welke begrippen uitdrukken, die onder alle rangen en
+standen der maatschappij gangbaar zijn, een geheel Nederlandsch gewaad
+hebben aangenomen; terwijl die, welke hun vreemden vorm onveranderd
+hebben behouden, slechts in hoogere standen, in bijzondere kringen,
+of door lieden van wetenschappelijke vorming gebruikt worden. Deze
+waarneming geeft het richtsnoer aan de hand, dat bij het spellen
+der bastaardwoorden tot leiddraad strekken kan. Uitdrukkingen,
+bepaaldelijk meer door hoogere standen gebezigd of betrekking hebbende
+op personen en verhoudingen, tot die standen behoorende; benamingen
+van voorwerpen van weelde; termen, uitsluitend gebruikelijk in
+wetenschappen, of in kunsten en beroepen die eene wetenschappelijke
+voorbereiding vereischen, worden geschreven overeenkomstig de boven
+opgegeven regels. Benamingen daarentegen van alledaagsche voorwerpen;
+uitdrukkingen van denkbeelden, onder alle standen gangbaar; namen
+van zaken, voorkomende in ambachten en beroepen, door minkundigen
+uitgeoefend, worden, zooveel de uitspraak het toelaat, op Nederlandsche
+wijze geschreven.
+
+Wanneer men het Gebruik gadeslaat, ziet men, dat het werkelijk
+doorgaans zóó handelt. Immers men schrijft meestal overeenkomstig de
+vreemde spelling: dejeuneeren, soupeeren, incommodeeren, receptie,
+felicitatie, discretie, canapé, candelaber (of candelabre), lorgnet,
+specerij, vermicelli, macaroni, morilles, philosophie, physica, logica,
+categorie, maçonnerie, loge, concreet, abstract, scrupel, lancet,
+pincet, bistouri, crayon, aquarel, pose, silhouet, photographie,
+tachygraaf enz.; daarentegen dukaat, biljart, biljet, kapel, kapelaan,
+knaster, kamfer, kapitaal, karakter, karwats, kwartier, kazerne,
+kasteel, kastelein, likeur, ons (gewicht), kamperfoelie, peterselie,
+postiljon, stukadoor, kastrol, karkas, loods (houten gebouw), penseel,
+vermiljoen, traktaatje, traktement enz.
+
+Met het oog op die onderscheiding schrijven wij advocaat evenzeer
+met eene c als procureur, gelijk bij dit laatste woord gewoonlijk
+geschiedt. Die woorden toch duiden personen aan uit den aanzienlijken
+stand; en reeds de goede smaak eischt die spelling in de combinatie:
+N.N., Advocaat en Procureur.
+
+251. Eene bijzondere opmerking moet hier gemaakt worden omtrent
+enkele woorden, die wel tot eene hoogere klasse van denkbeelden
+behooren, maar eene eigenaardige populariteit hebben verkregen door
+het veelvuldig gebruik in de poëzie, die uit haren aard afkeerig is
+van het gebruik van eigenlijk vreemde woorden, als niet passende in
+den hoogeren stijl. Die woorden derhalve, die in de poëtische taal
+voorgoed zijn aangenomen, zijn daardoor vanzelf als Nederlandsche
+gestempeld. Zoodanige zijn: poëzie of poëzij zelf, nimf, porfier,
+saffier, zéfir of zefiér enz. De analogie zou de vreemde spelling
+poësie, nymf, porphier, sapphier, zephyr of zephier vereischen; doch
+zij hebben van onze dichters het burgerrecht verkregen, dat hun op
+de inheemsche spelling aanspraak geeft.
+
+252. Tot de woorden, aan het slot van § 250 genoemd, behooren ook die,
+welke in onze taal hunne beteekenis gewijzigd hebben, en daardoor
+inderdaad eigenlijk Nederlandsch geworden zijn. Zoo wordt te recht
+veelal geschreven: dokter (voor geneesheer), kommies (voor beambte
+bij de belastingen, fr. douanier), komedie (voor schouwburg), lokaal
+(voor vertrek, zaal), spektakel enz.; ofschoon men daarnevens, bij
+eene andere opvatting der woorden, de echte spelling behoudt in doctor
+(als wetenschappelijken titel ook in andere faculteiten), commies (voor
+ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen, fr. commis),
+comedie (soort van drama), locaal (adjectief), de Spectator, enz. Zoo
+schijnt het evenzeer raadzaam, kritiek (hachelijk) te onderscheiden van
+critiek (oordeelkunde) en critisch (oordeelkundig). De onderscheiding
+moge bij den eersten aanblik eene spitsvondigheid schijnen--en in
+het gebruik wordt zij zeker tot dusverre niet in acht genomen--, toch
+steunt zij op een wezenlijk beginsel en kan niet onverschillig zijn
+voor een schrijver, die met oordeel te werk gaat, en een gewijzigden
+woordvorm te recht aanmerkt als een geschikt middel om den lezer de
+wijziging van een begrip te doen opmerken.
+
+253. Ten gevolge van den invloed, dien het zoo uiteenloopend gebruik
+op de woorden oefent, is er soms een verschil ontstaan tusschen de
+spelling der stamwoorden en hunne afleidsels; b.v. bij cánon (regel),
+canoniek en kanunnik; klasse, classis en classicaal; krediet en credit;
+koerier en courant; konserf en conservatief; lier en lyrisch; klerk en
+clericaal; sekuur en securiteit; orgel (organon) en organist (minder
+gewoon orgelist), enz. Vergelijkt men deze en dergelijke verschillen
+in de spelling, dan zal men daarin eene nieuwe bevestiging zien van
+den boven in § 250 gestelden regel.
+
+254. Eindelijk nog eene opmerking, die bij het schrijven van enkele
+woorden in het oog moet gehouden worden. Wij bezigen eenige Latijnsche
+bastaardwoorden, die in dubbelen vorm in de taal bestaan, maar
+op twee verschillende wijzen worden geschreven, doordien de eene
+vorm onmiddellijk aan het Latijn ontleend is, terwijl de andere
+middellijk uit het Fransch tot ons is gekomen. In die gevallen
+is de Latijnsche vorm de wetenschappelijke, de Fransche de gewone
+en dagelijksche. Hierop grondt zich het verschil in spelling van
+praesens en present, van praeses en president, van praeparaten en
+preparatieven, van oeconomie en economie, phoenix en feniks, dioecese
+en diocese, procurator en procureur, secunde en seconde, nummer en
+nommer, fundament en fondement, familie en famielje, subject en sujet
+(als in: een slecht of gemeen sujet), enz.
+
+255. Dat wij bij wetenschappelijke benamingen aan de Latijnsche
+en Latijnsch-Grieksche vormen de voorkeur geven, blijkt o.a. ook
+daaruit, dat wij, overeenkomstig het oorspronkelijke Grieksche
+woord chêmeia, in chemie eene e uitspreken en schrijven, en niet
+eene i, gelijk fr. chimie zou medebrengen. Daarom schrijft de
+Redactie acustiek met eene u en hypotenusa met eene t, dewijl de
+regelmatige Latijnsche vormen dier woorden (acustica en hypotenusa)
+die letters hebben. De gewone spelling acoustiek steunt op de Fransche
+schrijfwijze acoustique, en hypothenusa op het voorheen gebruikelijke
+hypothénuse, welke laatste spelling echter bepaald verkeerd was en
+dan ook later te recht door hypoténuse is vervangen.--De niet geheel
+ongewone spelling autheur, authoriteit en cathegorie, voor auteur,
+autoriteit of auctoriteit en categorie, heeft volstrekt niets ter
+verontschuldiging, evenmin als die van de eigennamen Anthonius en
+Margaretha, voor Antonius en Margareta.
+
+256. Ziedaar hetgeen de Redactie, na rijpe overweging, gemeend heeft
+te moeten vaststellen voor de door haar te volgen spelling, voor
+zooverre het ingewikkeld en veelbetwist vraagstuk der bastaardwoorden
+betreft. Zij vleit zich, dat hare beschouwing den lezer de overtuiging
+zal hebben gegeven, dat men aan den eenen kant ook hier een leidend
+beginsel kan volgen, in overeenstemming met de algemeene gronden van
+taal en spelling; maar aan de andere zijde, dat voorschriften, die
+alles tot in de minste bijzonderheden regelen, hier even onbestaanbaar
+zijn als overal elders, waar de beslissing van allerlei omstandigheden
+afhangt en derhalve, in elk bijzonder geval, alleen door oordeel en
+smaak kan worden bepaald.
+
+
+
+Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.
+
+257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen
+geeft het antwoord op de vraag: tot welke lettergreep moeten, bij
+het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot
+de voorgaande of tot de volgende lettergreep?
+
+Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en
+bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze
+laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en
+samengestelde woorden.
+
+ a) Door tusschenletters worden hier verstaan alle medeklinkers,
+ die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken
+ staan. Beginletters noemen wij alle medeklinkers, die zich aan
+ het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank
+ bevinden; sluitletters alle medeklinkers, die aan het einde van
+ een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo
+ zijn b.v. de g in dagen, de r en b in arbeid, de r, t en s in
+ koortsen tusschenletters: in strandt zijn s, t en r begin-, n,
+ d en t sluitletters.
+
+ b) Onder afgeleide woorden begrijpen wij hier ook de zoogenaamde
+ middelwoorden, ook wel onechte stammen geheeten, d.i. dezulke,
+ die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen van
+ afgeleide woorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden
+ gevormd zijn, b.v. gezond, hagel e.a. Zij worden geheel als de
+ overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen
+ dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie
+ bekend wordt, houden zij op middelwoorden te zijn en gaan zij in
+ de klasse der afleidingen over.
+
+258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs,
+maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige
+uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de
+volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:
+
+259. I. Wanneer in niet samengestelde woorden tusschen twee
+opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan
+behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. in dra-gen, e-ten,
+ho-pen, u-ren, za-lig, wa-sem enz.
+
+De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil
+hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééne a en u, dikwijls
+ook van eene e en o, wanneer deze in het onverbogene woord of het
+grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou
+zij den dubbelen klinker eischen in draag-en, eet-en, hoop-en, uur-en,
+zaal-ig, waas-em enz., evenzeer als in draag, eet, hoop, uur, zaal,
+waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.--Vervolgens
+door de verdubbeling der tusschenletter in woorden als heb-ben,
+had-den, zon-nig, ken-ner enz., die onnoodig zou wezen, indien in
+heb-en, had-en, zon-ig, ken-er enz. de enkele tusschenletter tot
+de eerste lettergreep behoorde.--Eindelijk door de verandering der
+uitspraak in dàg--dágen, bevèl--bevélen, slòt--slóten, en door den
+overgang der f en s van woorden als brief, buis, lees, lief enz. in
+de v en z van brie-ven, bui-zen, le-zer, lie-ve, hetgeen bewijst,
+dat zij als beginletters worden aangemerkt.
+
+260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene
+volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande
+daarmede te sluiten.--De ingelaschte d in bevrij(d)en, belij(d)en,
+vlie(d)en, wij(d)en, na(d)er (van na) e.a.; de k in bijker en
+kooiker van bij en (eenden)kooi; de woorden weldoe(n)er, opzie(n)er,
+voorgan(g)er, voorstan(d)er, van doe-n, zie-n, gaa-n, staa-n; de
+flauwe j, die in zee-en, thee-en gehoord wordt; de als j klinkende i
+in koei-en, vlooi-en (van koe en vloo), bewijzen, dat onze taal eene
+volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl
+daarentegen leiband, scheikunde, gelui, zijweg, van leiden, scheiden,
+luiden, zijde; leelijk van leed, kwalijk van kwaad, schielijk van
+schier toonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.
+
+261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in
+woorden, die niet samengesteld zijn noch afgeleid door middel van
+een achtervoegsel, dat gelijk -de, -ste, met een medeklinker begint,
+dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede
+tot de volgende lettergreep; b.v. in bul-ten, hel-den, kas-ten,
+mel-ken, bul-tig.
+
+Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort,
+blijkt vooreerst uit de spelling naal-den, paar-den, vaar-dig,
+huur-der enz. met den dubbelen klinker, die anders geheel
+overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden als
+hànden, hèlden, hìnden, hònden, hùlde; en uit de verdubbeling der
+medeklinkers in kat-ten, bel-len, min-naar, kop-pig enz., welke in
+het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.
+
+Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend
+wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd
+door den overgang der f en s tot v en z in woorden als kalf--kalven,
+erf--erven, baars--baarzen, els--elzen, zalf--zalven, hals--halzen enz.
+
+262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der
+woorden met de tusschenletters ng. De eigenaardige uitspraak van
+dezen klank deed den schijn ontstaan, alsof ng slechts één enkele
+medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. De ng
+is, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde
+gutturale n, die in den-ken en zin-ken gehoord wordt, met de g in haar
+oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Fransche g, als in
+grand, guerre enz.). Moge al de uitspraak allengs zijn gewijzigd,
+zoodat de g bijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen
+wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters,
+gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij
+het afbreken ongescheiden te laten. Stelde ng inderdaad een gewonen
+enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en § 260,
+ta-ngen, ze-ngen, to-ngen enz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand,
+en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen
+enkel woord treft men vóór ng een helderen klinker aan, gelijk de
+á é, ó in tá-kel, zé-gel, bó-gen; men vindt uitsluitend een kort
+afgebrokenen, als in tàk, zèg, dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk,
+dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat
+wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven,
+ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat de n en g niet
+beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwens ng
+laat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de
+schrijfwijze ta-ngen enz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegen
+ding-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in § 260 omschreven,
+dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,
+di-ngen en ding-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleen din-gen is
+met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor
+de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de
+kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling
+betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.
+
+ a) Vreest men nochtans door het scheiden der n en g (han-gen) de
+ bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde
+ men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen
+ zonder groot bezwaar geschieden kan. Vangen, vanger, brengen,
+ brenger zijn geen langer woorden dan langst, vangst, op-brengst,
+ waarbij geene scheiding mogelijk is.
+
+ b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woorden kachel, echo,
+ richel, tichel enz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling
+ der ch wil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet
+ beschouwd worden. Men scheide bij deze woorden de lettergrepen
+ liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd
+ zal uitspreken. De ch bij de eerste lettergreep te voegen en
+ lach-en, lich-aam af te breken, is volgens regel I slechts een
+ tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spelling
+ lach-chen enz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn,
+ aan eene bestaande toegevoegd.
+
+263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der
+Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te
+bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der
+deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook
+bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet
+men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter
+in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus: eer-ambt,
+mein-eed, uit-een, haard-asch enz., en niet, gelijk de twee vorige
+grondbeginselen zouden medebrengen, ee-rambt, mei-need, ui-teen,
+haar-dasch enz.
+
+Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spelling kwab-aal,
+bedil-al, slok-op, al-om, veel-al, wel-eer, niet kwab-baal, bedil-lal,
+slok-kop, al-lom, ve-lal (naast ve-len), wel-leer enz.
+
+ a) Alleen en wanneer met verdubbelde l en n maken hier
+ uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet
+ meer als samenstellingen van al en een, wan en eer herkent.
+
+ b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van
+ regel II vrij algemeen in aar-daker en aar-dappel de d, en in
+ el-kander en mal-kander de k bij de volgende lettergreep voegt,
+ zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde
+ woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom
+ af: aard-aker, aard-appel, elk-ander, malk-ander (uit manlijk,
+ d.i. ieder, en ander).
+
+264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig,
+bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn
+met (onscheidbare) voorvoegsels, als be-, ge-, her-, on- enz., welke
+eigenlijk samenstellingen zijn, geheel op de wijze der composita
+behandeld. Men scheidt aldus: be-dwelmen, ge-dragen, her-overen,
+on-eens, ont-erven, wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen
+zouden vorderen: bèd-welmen, gèd-ragen, hé-roveren, ò-neens, on-terven,
+wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.
+
+ Al onze voorvoegsels be-, er-, ge-, her-, on-, ont-, oor- en wan-
+ zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De
+ daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat
+ die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm,
+ als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener
+ beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is
+ de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde
+ woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen
+ beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze
+ spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste
+ betreft, nog steeds daartoe behooren.
+
+265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels -achtig,
+-haft, -haftig, -schap en -zaam gevormd, zijn oorspronkelijk composita,
+en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:
+aap-achtig, bok-achtig, snap-achtig, wit-achtig, held-haftig,
+partij-schap, voogdij-schap, moei-zaam. Dat de taal zulks eischt,
+blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier
+de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zou a-pachtig,
+bok-kachtig, snap-pachtig, wit-tachtig uitspreken en schrijven.
+
+De woorden op -aard zijn insgelijks samenstellingen (zie § 100)
+en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken
+daarom aldus af: bast-aard, dronk-aard, woest-aard, wreed-aard
+enz., niet bas-taard, dron-kaard, wree-daard enz.; en schrijven
+dienovereenkomstig: grijs-aard, laf-aard, niet grij-zaard,
+laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormde
+grijnzaard en veinzaard kunnen niet anders dan als afleidingen
+beschouwd, gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard, vein-zaard).
+
+266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware
+achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede
+beginnen, als: -d, -t, -s, -sch, -st, -de, -te, -se, -ster, gaat
+de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft
+in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij
+de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of
+met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de
+twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt
+men aldus: klach-ten van klach-t, slach-ter, deug-den van deug-d,
+lood-sen van lood-s, lief-de, hoog-te, vre-de, vee-te, smid-se
+enz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit
+twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij -st,
+-sch en het vervrouwelijkende -ster. Ook bij -sch, dat thans als
+eene enkele s luidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel
+I en II: vlee-schelijk, ei-schen, groot-sche. De gebruikelijke
+scheiding gedwee-ste, mee-ste, mooi-ste, fraai-ste, lui-ste, en
+naai-ster, brei-ster, vrij-ster, vlei-ster, is in strijd met regel
+II, die gedwees-te, naais-ter enz. eischen zou; maar zij bewijst ten
+klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk,
+in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling
+behandelt. Hieruit volgt, dat men ook bang-ste, hard-ste, hoog-ste,
+en bak-ster, zang-ster zal moeten scheiden, waarin drie of vier
+tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II
+zwijgen.--Alleen de woorden naas-te (overtreffende trap van na) en
+bes-te (voor betste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd:
+de eerste door de spelling met de dubbele a, ter voorkoming van
+de uitspraak nàste; de tweede doordien de scheiding be-ste tot de
+uitspraak bé-ste aanleiding zou geven.
+
+267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den
+vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveel met de uitspraak
+overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar
+dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met de t,
+p en s, die in sommige verkleinwoorden vóór -je en -ken (of -ke)
+ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel
+dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig;
+en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande
+lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus
+verdeelt: stoel-tje, zoon-tje, boom-pje, bloem-pje, jong-ske(n),
+penning-ske(n), doek-ske(n), enz.
+
+Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende
+het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking van
+oor-tje (klein oor) en oort-je (geldswaarde), van buur-tje (buurman)
+en buurt-je (kleine buurt), van vaâr-tje (vadertje) en vaart-je
+(kleine vaart), van zee-tje (kleine zee) en zeet-je (zitje).
+
+ In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn,
+ pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep
+ te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou
+ geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien
+ grond de verdeeling bloem-pje, jong-sken te verwerpen. Men bedenke
+ echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden,
+ die thans met sch beginnen, voorheen met sk aanvingen; en dat pj
+ zich even gemakkelijk laat uitspreken als tj, blijkens Friesch
+ pjuuk (piek, schaatsenrijdershaak,) naast tjalk, tjilpen enz. De
+ uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene
+ wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier
+ volle kracht kan hebben.
+
+268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der
+achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als -er, -ig, -ier enz.,
+anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat
+eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet
+eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te
+voegen, b.v. verra-der, bin-der, tui-nier, toch-tig, zan-dig enz. Hier
+gelden dus regel I en II.
+
+ Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is,
+ volgen de regels I en II; dus: we-reld, niet weer-eld, ofschoon
+ uit weer en ald; lie-verd, niet lief-erd, ofschoon -erd hetzelfde
+ woord is als -aard in grijsaard.
+
+269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het
+verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en
+die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne
+etymologie bij het algemeen onbekend is, als: ambt, arts, koorts,
+toorts, ernst, hengst, erwt, schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk
+vreemde woorden, als toorts (fr. torche), venster (lat. fenestra);
+deels afgeleide, als vor-st (van voor), worst (van wirren of werren, in
+de war brengen, en vroeger ook vermengen); ambt is eene samentrekkhig
+van ambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij
+het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk
+goede regels te vinden zijn.--Vooreerst is het natuurlijk, dat men
+tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet
+gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geene bt,
+ft, wt. Daaruit volgt, dat men amb-ten, schurf-tig, erw-ten afbreekt,
+niet am-bten, schur-ftig, er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen
+zou.--Bij artsen, ertsen, schertsen, koortsen, toortsen enz. kan
+men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschen art-sen,
+koort-sen en ar-tsen, koor-tsen, daar de ts, blijkens de verouderde
+schrijfwijzen tsamen, tsestig, tseventig, tsidderen, zich aan het
+begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter
+bedenkt, dat de taal die woorden thans zonder t wil uitgesproken
+hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zij ts
+voor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeeling art-sen,
+schert-sen, koort-sen zonder aarzelen de voorkeur geven.--Onder de
+woorden met st, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, als
+angst, korst enz., zijn er eenige met t, niet met st, gevormd. Zeker
+is zulks het geval met (wij) dorsten (durfden), waarschijnlijk ook met
+dorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen met st, als angst,
+ernst, worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:
+ang-stig, ern-stig, wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst,
+en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde
+wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen;
+dus ven-ster, un-ster, glin-steren, heng-sten, hal-ster, bor-stel,
+dor-sten, evenzeer als dien-sten, gun-sten, kun-sten, win-sten,
+toekom-stig, van de bekende grondwoorden dienen, gunnen, kunnen,
+winnen, komen.
+
+270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als: ábrikoos, ágrimonie,
+Acropolis, Abraham, Acra, Adriaan, Aglaja, Atropos enz., waarin eene
+vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat
+men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk,
+en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep,
+zoodat men scheidt: a-brikoos, a-grimonie, A-braham enz.
+
+ Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden,
+ wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida
+ een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bij a-dren voor aderen,
+ vo-glen, ne-drig. Anderen schrijven aadren, vooglen, needrig,
+ hetgeen de scheiding aad-ren, voog-len enz. onderstelt.
+
+
+
+
+
+Toevoegsel, in te lasschen tusschen § 119 en 120. [14]
+
+
+In de verkleinwoorden, afgeleid van samengetrokken vormen, in
+welke eene d is uitgestooten, is men tot dusverre gewoon geweest
+die d in de spelling te herstellen. Men schrijft laadje, slaadje,
+bedsteedje, sleedje, zoodje, zijdje, luidjes, van lade, salade,
+bedstede, slede, zode, zijde, luiden (lieden). Aan de wettigheid
+van die schrijfwijze werd nooit getwijfeld: zij scheen als vanzelf
+aangewezen. En toch berustte zij op een misverstand, dat men
+slechts behoeft op te merken, om er terstond de onjuistheid van in te
+zien. De regelmatige verkleining van de genoemde woorden zou ladetje,
+saladetje, bedstedetje, sledetje enz. zijn; doch die vormen heeft de
+taal niet gewild, zij waren te slepend voor woorden van meestal zeer
+alledaagsche beteekenis. Evenals de spreektaal in de grondwoorden
+bijna uitsluitend de samengetrokken vormen la, sla, bedstee, slee,
+zoo, zij, lui (van mnl. luide, liede) bezigt, deed men hetzelfde bij
+de vorming der verkleinwoorden, die dus niet van de oorspronkelijke,
+maar van de samengetrokken vormen zijn afgeleid. In die samentrekkingen
+was de d van lade, slede enz. voorgoed verdwenen. Er kan geen de
+minste reden bestaan om die d terug te roepen, en laadje, sleedje
+enz. te schrijven. Die vormen zouden op grondwoorden als laad,
+sleed enz. wijzen, die niet bestaan. De tongletter, die in de
+genoemde verkleinwoorden gehoord wordt, is derhalve niet de d van
+de oorspronkelijke woorden, maar de t, die noodzakelijk ingelascht
+moest worden in deminutieven van woorden als la, slee, zoo, zij, alle
+op klinkers uitgaande. Evenals van pa, ma, zee, ei, lei, kneu, bij,
+bui enz. de verkleinwoorden paatje, maatje, zeetje, eitje, leitje,
+kneutje, bijtje, buitje enz. luiden, behooren ook de van la, slee
+enz. afgeleide met de t geschreven te worden. De Redactie aarzelt
+dan ook niet eene spelling te laten varen, die op geenerlei wijze
+te rechtvaardigen is, en schrijft daarom naar den eisch der taal:
+laatje, slaatje, bedsteetje, sleetje, zootje, zijtje, luitjes enz.
+
+
+
+
+
+Naschrift.
+
+
+Wij zijn aan het einde van ons onderzoek gekomen. De vraagstukken
+in onze Nederlandsche spelling, die vroeger of later verschil
+van gevoelen hebben uitgelokt, of die tot dusverre tot twijfel en
+onzekerheid aanleiding gaven, maar nooit opzettelijk werden beantwoord,
+hebben wij achtereenvolgens behandeld. Wij hebben alles getoetst
+aan de algemeene beginselen, die tot leiddraad moesten verstrekken,
+alle punten in onderlingen samenhang beschouwd, en getracht onze
+keuze zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen zoowel met de
+behoeften der practijk als met de eischen der wetenschap. Gaarne
+erkennen wij, dat ons onderzoek niet al de moeilijkheden uit den weg
+heeft geruimd, die aan het zoo ingewikkeld leerstuk der orthographie
+onafscheidelijk zijn verbonden. De rijke verscheidenheid van klanken,
+die eene levende taal bezit, met het geringe aantal letterteekenen,
+waarover men te beschikken heeft, altijd nauwkeurig af te beelden, en
+daarbij tevens de eischen in acht te nemen, die zoowel de afstamming
+der woorden en hunne onderlinge verwantschap, als de betamelijke
+eerbied voor het gevestigd gebruik kan doen gelden: ziedaar zeker
+eene taak, die met onoplosbare bezwaren gepaard gaat. Maar wij durven
+ons vleien, dat onze arbeid de zaak toch een stap verder gebracht
+heeft; dat in de door ons aangenomen spelling talrijke gebreken zijn
+opgeruimd, en de tot hiertoe in ons vaderland gevolgde schrijfwijze
+zeker heeft aangewonnen in nauwkeurigheid, zuiverheid, regelmaat en
+consequentie. De moeilijkheden, die de spelling in de practijk en bij
+het onderwijs blijft opleveren, mogen dan onvermijdelijk wezen: het is
+reeds veel gewonnen, indien wij er in geslaagd zijn die aanmerkelijk te
+verminderen. Men houde hierbij wel in het oog, dat die moeilijkheden
+niet alleen in ons Nederlandsch bestaan. Schijnt wellicht, bij eene
+oppervlakkige beschouwing, in andere talen de spelling eenvoudiger
+en gemakkelijker, het is ook inderdaad niet meer dan schijn. Zoodra
+men de orthographie van het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch
+vooral, nauwkeurig overweegt, ontdekt men overal inconsequentie,
+gemis van regelmaat, verwarring en willekeur: gebreken, die alleen
+daarom minder sterk in het oog vallen, omdat zij nooit behoorlijk
+in het licht zijn gesteld, terwijl men veelal lijdelijk berust in
+het eenmaal aangenomen gebruik, door het wetgevend gezag van enkele
+taalgeleerden of door den voorgang der beste schrijvers bepaald. Dat
+gebruik kent men uit leerboeken of woordenlijsten, die men raadpleegt
+zonder zich om gronden en beginselen, om regelmaat of verwarring,
+te bekommeren. Ook onze Nederlandsche spelling kan op dezelfde
+wijze uit gelijksoortige hulpboeken worden gekend, en reeds in
+zooverre staat onze taal bij vreemde niet achter. Maar zij heeft dit
+boven andere vooruit, dat hare schrijfwijze--langdurig onderzocht,
+veelzijdig besproken en telkens opnieuw beproefd--met bewustzijn
+uit erkende en deugdelijke beginselen is afgeleid en naar een vasten
+maatstaf geregeld; dat zij weet wat zij doet, en waarom zij zóó en
+niet anders handelt. Waarlijk, een voorrecht, dat wij wel op prijs
+mogen stellen! Indien eene verstandige spelling gunstig getuigt van
+de denkkracht der natie, dan zal voorzeker die onzer moedertaal niet
+tegen ons volk getuigen.
+
+
+
+
+
+
+
+Zaakregister.
+
+
+De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst.
+
+
+
+A, is een der drie oorspronkelijke klinkers, blz. 37,
+
+ heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38,
+ wordt in geslotene lettergrepen door verdubbeling verlengd 73.
+
+
+Aaneen te schrijven of te verbinden zijn:
+
+ eigenlijke samenstellingen, waarbij, indien men ze oploste,
+ invoeging, omzetting of vormverandering zou moeten plaats hebben,
+ 138,
+ eigenlijke samenstellingen, uit koppelingen ontstaan 139,
+ woorden, door middel van een achtervoegsel afgeleid 140,
+ werkw., verbonden met zelfst. nw., bijv. nw. en bijw.,
+
+ wanneer, wanneer niet 142,
+ met zoogenaamde scheidbare en onscheidbare voorzetsels en bijw. van
+ richting 143,
+
+ bijv. nw. met de bijw. wel, vol en al 144,
+
+ benamingen van kleuren 145,
+
+ voornaamw., welke 146,
+ telw., welke 138, aanm.
+ bijw., welke 147-149,
+ voorzets., welke 150,
+ voegw., welke 151,
+ tusschenw., welke 152,
+ titels, welke 139, 144.
+
+
+aau, zie au.
+
+Achtervoegsel of suffix heet elke achter een woord gevoegde letter of
+lettergreep, die geen op zich zelf bestaand woord is, en niet dient om
+te verbuigen of te vervoegen, maar om een nieuw woord te vormen. Ook
+woorden, die ter vorming van nieuwe woorden achtergevoegd worden,
+en òf in het geheel niet meer, òf niet meer zóó geschreven, op zich
+zelve staande in gebruik zijn, worden tot de achtervoegsels gerekend;
+b.v. -schap, -zaam, -aard, -erd; zie 100, 265;
+
+ waarin verschillend van een uitgang 242, aanm.;
+ welke bij het afbreken der woorden in hun geheel worden afgescheiden
+ 265-267, welke niet 268;
+ -aadje, zie hier -age,
+ -aard en -erd, niet -aart, -ert 100,
+ -age, niet -aadje 243,
+ -eel, -eele, -eelen 77, 79; wanneer -el- blz. 44,
+ -eeren, niet -eren 77, 79,
+ -ees, -eezen, niet -ezen 77, 79,
+ -el, in bijv. nw. en in samenstellingen 166, 167,
+ -eet, -ete, -eten, geen achtervoegsel 77, aanm.,
+ -er, soms een blijk van samenstelling 140,
+ -erd, zie hier -aard,
+ -heid, mv. -heden 77-79,
+ -ie, wanneer in het mv. i-en (iën), wanneer ie-en (ieën) 83,
+ -ief, -ieve, -ieven, wordt soms -iv-, 82,
+ -iek, -ieke, -ieken niet -ijk 86; wordt soms -ik- 82,
+ -iet, -iete, -ieten, wordt soms -it- 82,
+ -ig, soms een blijk van samenstelling 140,
+ -ijk, wanneer te verwerpen en in -iek te veranderen 86,
+ -ing, soms een blijk van samenstelling 140,
+
+ wanneer -ing te bezigen en niet -ling 113,
+
+ -isch, waarom niet -iesch 84,
+ -je, niet -jen 119,
+ -ken en -ke 119,
+ -lijk, neemt soms eene toonlooze e vóór zich; wanneer 112,
+ -ling, een samengesteld achtervoegsel 113,
+ -loos, -looze, niet -loze 77, 79; neemt soms eene toonlooze e vóór
+ zich; wanneer 112,
+ -pje 119,
+ -s, achter bijw. een blijk van samenstelling 140,
+ -sch, hoe te schrijven achter woorden op s 124; is soms een blijk
+ van samenstelling 140,
+ -ster, soms een blijk van samenstelling 109,
+ -tje, niet te bezigen achter woorden op d 119.
+
+
+ae, waarom niet gebezigd in de plaats van aa 73,
+
+ waarom niet als voorstelling van den klank tusschen a en e in wereld
+ en vers 81.
+
+
+Aesthetica of Schoonheidsleer, hare eischen aan de Spelling 36,
+
+ vordert vooral waarheid, d.i. overeenstemming tusschen uiterlijk
+ en innerlijk 234.
+
+
+Affix (aanvoegsel) heet elke letter of lettergreep, welke ter vorming
+van een nieuw woord vóór of achter een bestaand woord gevoegd wordt,
+wanneer die op zich zelve geen woord is, òf, zóó geschreven, niet
+meer als zoodanig gebruikt wordt. Affix is dus de algemeene benaming,
+die voorvoegsel of praefix en achtervoegsel of suffix omvat; zie
+deze woorden.
+
+Afleiding,
+
+ Regel der Afleiding, hoe hij luidt 54; staat gewoonlijk beneden dien
+ der Beschaafde Uitspraak 57; in welke bijzondere gevallen niet 58;
+ zijn rang en waarde 72;
+ afleiding
+
+ der woorden op -hande en -lei 93,
+ op -halve 120,
+ der achtervoegsels -aard en -erd 100,
+ van admiraal 104,
+ van Dinsdag 128,
+ van kruit 127,
+ van litteeken 131,
+ van nochtans 97,
+ van omtrent 118,
+ van ootmoed 117,
+ van samen 108.
+
+
+
+ai, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe e's
+zijn ontstaan, blz. 39.
+
+Apperceptie en appercipieeren, wat 20; kan door de spelling worden
+bevorderd 21.
+
+au, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe o's
+zijn ontstaan, blz. 39,
+
+ de schrijfwijze au is geschikter ter voorstelling van den thans
+ bedoelden tweeklank dan aau 74.
+
+
+Bastaarduitgangen, welke en hoe te spellen 242, 246,
+
+ -age, niet -aadje 243,
+ -eet, -ete, -eten, 77, aanm.,
+ -loog, -loge, -logen 77, aanm.,
+ -noom, -nomen 77, aanm.,
+ -oop, -open 77, aanm.,
+ -scoop, -scopen 77, aanm.
+
+
+Bastaardwoorden, wat 214, 217,
+
+ hoe ontstaan 218,
+ waaraan te onderkennen 219, 220,
+ hoe te spellen 242-250.
+
+
+Beginletters, wat 257, a.
+
+Beschaafde Uitspraak, wat 11; moet door het schrift vertegenwoordigd
+worden 39, doch kan nooit volkomen juist worden voorgesteld 42.
+
+ Regel der Beschaafde Uitspraak, hoe hij luidt 40; zijne
+ verhouding tot de dialecten 41; is de grondregel der spelling 40,
+ c en 69; overheerscht alle andere regels 46, 70, doch moet door
+ andere regels aangevuld worden 47.
+
+
+Boekentaal, zie Schrijftaal.
+
+C, te bezigen in Grieksche woorden ter vervanging der k 245.
+
+ waarom te behouden in cijfer 219, in cel, cent en cirkel 220,
+ in cedel, ceder, cijns 222.
+
+
+ch, wordt niet verdubbeld 95,
+
+ de stomme ch achter s, in welke woorden te behouden, uit welke weg
+ te laten 123.
+
+
+cht, wanneer te bezigen, wanneer gt 94.
+
+
+D, niet in te lasschen in drieërhande, drieërlei, tweeërhande,
+tweeërlei 93.
+
+ niet t, te bezigen als sluitletter van de achtervoegsels -aard en
+ -erd 100, en van het znw. aard 101,
+ te behouden in admiraal 104,
+
+ in iemand en niemand 116,
+
+ te vervangen door t in buskruit en rattenkruit 127,
+ is in t overgegaan in sommige woorden, die daarom met t, niet met
+ dt moeten geschreven worden 102,
+ niet te herstellen in thans, althans, doorgaans, nopens, volgens
+ enz. 122.
+
+
+Dialecten, wat zij zijn en hoe zij ontstaan 10; hebben in de spelling
+slechts eene raadgevende stem 41; zijn ontoereikend om de spelling
+met e en o of ee en oo te bepalen 75.
+
+ds, wanneer te bezigen, wanneer ts 99.
+
+
+E, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37:
+de zachte uit a of i, de scherpe uit ai, blz. 38 en 39,
+
+ als verbindingsletter in samenstellingen, hoe ontstaan 164-166,
+ wanneer de toonlooze e in te voegen in de woorden op -lijk, -ling
+ en -loos 112.
+
+
+F, gaat over in v in dievegge 107,
+
+ vervangt ph in de bastaarduitgangen -aaf, -ief, -oof 246; doch niet
+ in het lichaam der Grieksche woorden 245.
+
+
+G, te behouden in nog (tot hiertoe, bovendien) 132.
+
+Gaping, zie Hiatus.
+
+Gebruik (het), in samenstellingen 177.
+
+ Regel van het Gebruik, hoe hij luidt 65; beperking van den regel 66;
+ is geen eigenlijke spelregel 66, b.
+
+
+Gelijkvormigheid in de spelling, wat 48; strekt ter bevordering der
+apperceptie 49, f.
+
+ Regel der Gelijkvormigheid, hoe hij luidt 49; is grootendeels
+ dezelfde als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding
+ noemde 49, e; zijne strekking 49, f; is in rang de tweede algemeene
+ spelregel 71.
+
+
+Genitief (zwakke), wat 182,
+
+ komt in samenstellingen slechts zelden voor 185-187; in welke
+ 185, 194.
+
+
+gt, wanneer te bezigen, wanneer cht 94.
+
+H, niet te bezigen in nochtans 97, noch in troon 221, noch in Antonius,
+Margareta, hypotenusa 255.
+
+Hiatus, of gaping, wat 172,
+
+ wordt in samenstellingen vermeden door het invoegen van eene n
+ 204, 205.
+
+
+I, is een der oorspronkelijke klinkers, blz. 37.
+
+ heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38.
+ vervangt soms ie in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.
+
+
+ie, stelt een te langen klank voor om in het achtervoegsel -isch
+gebezigd te kunnen worden 84,
+
+ gaat soms over in i in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.
+
+
+IJ, oorsprong en waarde 85,
+
+ te veranderen in ie in het achtervoegsel -iek (-ijk) en in koffie,
+ melodie, poëzie 86;
+
+ in i in Januari, Juni enz. 87;
+ in ei in sacristein en karwei (werk) 88;
+
+ moet ei vervangen in malvezij en karwij (zaad) 88;
+ moet blijven in dozijn, ijzen, ijselijk 88, in bij, hij, wij, zij,
+ razernij enz. 89;
+ niet te bezigen in de plaats van y in de tweeklanken ay, ey, oey,
+ uy 86, aanm.
+
+
+Indeclinabilia, zie Woorden (onveranderlijke).
+
+J, hare waarde in het samengestelde letterteeken ij 85,
+
+ niet meer te bezigen achter de tweeklanken aai, ei, ooi, ui, oei 92.
+
+
+K, niet te verdubbelen achter de toonlooze i 106,
+
+ te vervangen door t in litteeken voor likteeken 131.
+
+
+Klemtoon, als kenmerk van bastaardwoorden 219;
+
+ verandering van den klemtoon, een blijk van samenstelling 134, 139.
+
+
+Koppelingen, wat 136, 1372 en 163,
+
+ hoe zij in eigenlijke samenstellingen kunnen overgaan 139.
+
+
+Koppelteeken, (gebruik van het)
+
+ in woorden van eigennamen gevormd 155 en 157,
+ in titels 156,
+ achter bijvoeglijke woorden 158,
+ wordt niet gebezigd in hoofd- en ranggetallen 159, 160.
+
+
+L, niet te bezigen vóór het gewaande achtervoegsel -ling 113.
+
+Letterschrift, wat 2, 3;
+
+ ons letterschrift beantwoordt niet aan alle eischen 47, a-d.
+
+
+M, niet te verdubbelen achter de toonlooze u 106.
+
+Meervoudsvorm der woorden op -ie 83,
+
+ der vreemde eigennamen op heldere of lange klinkers 90,
+ der Nederl. woorden op a 90, aanm.
+
+
+Middelwoorden, wat 257, b.
+
+N, niet te schrijven achter de verkleinwoorden op -je, -pje, -tje 119,
+blz. 98,
+
+ noch in ordelijk, voor ordenlijk, blz. 93.
+ wanneer achter -ke 119, blz. 99,
+ in de uitspraak onderdrukt in sommige samenstellingen 168, 203,
+ als verbindingsletter, zie Verbindings-n.
+
+
+ng, geen enkelvoudige medeklinker, en daarom bij het afbreken der
+woorden te scheiden 262,
+
+ niet te bezigen in Dinsdag 128.
+
+
+O, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37:
+de zachte uit den oorspronkelijken klinker u (oe), de scherpe meestal
+uit au, blz. 38 en 39.
+
+Onverbuigbaarheid van een op zich zelf verbuigbaar woord, een kenmerk
+van samenstelling 139.
+
+Oorsprong der e's en o's 75; waarom dezen aan te nemen tot grondslag
+voor het spellen 76,
+
+ der toonlooze e in sommige samenstellingen 164-166,
+ der ij 85,
+ der lettergrepen -el- en -er- in sommige samenstellingen 166.
+
+
+Overtreffende trap der woorden op -s en -sch, hoe te schrijven 124.
+
+P, ingelascht in verkleinwoorden, gevormd van woorden op m 119,
+blz. 101.
+
+ph, te bezigen in bastaardwoorden uit het Grieksch ontleend 245,
+behalve in de uitgangen -aaf, -ief, -oof 246.
+
+Praefix, zie Voorvoegsel.
+
+Psychologie, wat zij van het schrift eischt 38.
+
+Regels voor het verdeelen der woorden in lettergrepen.
+
+ regels voor de niet samengestelde woorden
+
+ met ééne tusschenletter 259,
+ met twee opeenvolgende tusschenletters 261;
+
+ voor de samengestelde woorden 263;
+ voor de woorden met voorvoegsels 264,
+
+ met de onechte achtervoegsels -aard, -achtig, -haft, -haftig,
+ -schap en -zaam, 265,
+ met de ware achtervoegsels, die met een medeklinker beginnen 266,
+ met de ware achtervoegsels, die met een klinker beginnen 268;
+
+ voor de woorden met meer dan twee tusschenletters, die niet onder
+ de vorige regels vallen 269;
+ voor de vreemde woorden 270;
+ voor het aaneenschrijven der woorden, zie Aaneen;
+ voor het gebruik van het koppelteeken, zie Koppelteeken.
+
+
+Reproductie der gedachten en woorden, hoe teweeg te brengen 1, 3, 4;
+
+ is het doel van het schrift 7.
+
+
+S, achter een langen klinker of tweeklank niet te verdubbelen 105;
+
+ in te lasschen in de woorden, samengesteld met zins 125;
+ als verbindingsletter, zie Verbindings-s.
+
+
+Samenstelling, wat 134;
+
+ het Nederlandsch maakt een verstandig gebruik van het vermogen om
+ samen te stellen 180;
+ oudere en nieuwere samenstelling 161,
+ oudere, hoedanig 162,
+ nieuwere, hoedanig 167, 170,
+ eigenlijke samenstellingen, wat 135,
+
+ moeten aaneen geschreven worden 138;
+
+ overzicht der regels voor de samenstelling 213;
+ van welke samenstellingen de vorm onzeker 178, 179;
+ lange samenst. welluidendheidshalve vermeden 193, b;
+ met middel, niet midden 114;
+ spelling der samengestelde woorden op -boom 181, 196,
+
+ van andere kruidkundige benamingen 195.
+
+
+
+sch, verdubbeld door het voorvoegen eener s 96;
+
+ wanneer gebezigd 123.
+
+
+Schrift, zijn doel 1,
+
+ onmisbaar voor de rechte kennis eener taal 19.
+
+
+Schrijf- of Boekentaal, wat 11;
+
+ waarom hooger geacht dan andere dialecten 12.
+
+
+Sluitletters, wat 257, a.
+
+Spelling (de), wat 23;
+
+ nut eener eenparige spelling 16;
+ hoe de spelling te beschouwen 26-28;
+ eene volmaakte spelling niet bestaanbaar 28;
+ van welke soort van woorden eene verandering der spelling mogelijk
+ 30;
+ drieërlei spelling: volgens de uitspraak, vereenigbaar met de
+ uitspraak, strijdig met de uitspraak 68;
+ spelling der onveranderlijke woorden (indeclinabilia) 50,
+
+ der verkleinwoorden 119 en blz. 227,
+ der vreemde woorden, die geheel Nederlandsch zijn geworden 221,
+ der eigenlijke vreemde woorden 223,
+ der vreemde woorden, bij dichters in gebruik 251,
+ der bastaardwoorden 224-256;
+
+ tweeërlei richting in de spelling der bastaardwoorden 224,
+ oudere richting, hoedanig 225, welke hare voordeelen 228,
+ nieuwe richting, hoedanig 226, welke hare voordeelen 229,
+ vergelijking der beide richtingen 230-237,
+ waarom de oudere richting te verkiezen 238.
+
+
+Spelregels, wanneer niet te veranderen 26.
+
+ algemeene spelregels, wat 24, 25,
+
+ waarom onmisbaar 31, 32,
+ hunne natuurlijke volgorde en onderlinge verhouding 69-72;
+
+ regel der beschaafde uitspraak 40, zie nader bij Beschaafde
+ uitspraak:
+
+ der gelijkvormigheid 49, zie nader bij Gelijkvormigheid;
+ der onderscheiding, wat hij eischt 51;
+ der afleiding 54, zie nader bij Afleiding;
+ der analogie 59;
+ der welluidendheid 62, zie nader bij Welluidendheid;
+ van het gebruik 55, zie nader bij Gebruik,
+
+ bijzondere spelregels, wat 24, 25, 65.
+ regel voor het spellen der achtervoegsels met den vollen klemtoon,
+ als -eeren, -eel, -ees, -loos 77;
+
+ voor het gebruik van cht en gt 94,
+
+ van ds en ts 99,
+ van samen en zamen 108,
+ van de toonlooze e in woorden op -lijk, -ling en -loos 112.
+
+ der verbindings-n, zie Verbindings-n,
+ der verbindings-s, zie Verbindings-s;
+
+ regel voor het aaneenschrijven der samengestelde woorden, zie Aaneen;
+
+ voor de keus tusschen den enkel- en den meervoudsvorm van het
+ eerste lid eener samenstelling 188-197;
+ voor de keus tusschen den Latijnschen en den Franschen vorm van
+ een bastaardwoord 254;
+ voor de samenstellingen, wier eerste lid is
+
+ een persoonsnaam, die een geheelen stand vertegenwoordigt 193,
+ de naam van een dier 194, 195, 197,
+ de naam van een boom 181,
+ de naam van eene vrucht of eene bloem 196;
+
+ voor het spellen der Grieksche woorden, blz. 207 vlgg.
+
+ der bastaardwoorden 241, 242,
+ der bastaarduitgangen 242, 246.
+
+
+
+
+Stoffelijke bijvoegl. naamw., komen niet voor als eerste lid eener
+samenstelling 180, 181.
+
+T, te bezigen in kruit (poeder), buskruit en rattenkruit 127;
+
+ bij voorkeur niet in te lasschen in woorden op -lijk, noch in
+ gansch 115,
+ niet in verkleinw., gevormd van woorden op d, blz. 99;
+ moet in sommige woorden, als rit, gebint, beeltenis enz., de d
+ vervangen 102; zoo ook in antwoord 103, en ootmoed 117;
+ niet te verdubbelen achter een toonloozen klinker 106.
+
+
+Titels, welke aaneen te schrijven 139, 144.
+
+Tongvallen, zie Dialecten.
+
+Toonlooze klinkers en lettergrepen, wat 84, aanm.
+
+ts, wanneer te bezigen, wanneer ds 99.
+
+Tusschenletters, wat 257, a.
+
+Uitgangen, wat, en waarin verschillend van achtervoegsels 242, aanm.,
+
+ -eet, -loog, -noom, -scoop, -throop, -troop zijn, zoo men wil,
+ uitgangen, maar geene achtervoegsels 77, aanm.,
+ -aat, -iet, [**aal, iel?] soms achtervoegsels, soms niet 242, aanm.
+
+
+Uitlatingsteeken (ecthlipsis), zijn gebruik bij vreemde woorden 90.
+
+V, tot f verscherpt in fonkelen e.a. 114, maar niet in ontvangen en
+ontvonken 109;
+
+ vervangt de w in verf, verven enz. 126.
+
+
+Verbindingsklanken of -letters, in samenstellingen, welke 167,
+
+ bestonden oorspronkelijk niet 162, 163,
+ hoe ontstaan 164-167,
+ van welke het gebruik onzeker 178.
+
+
+Verbindings-n, als teeken van den zwakken genitief thans slechts in
+weinige gevallen in gebruik 185-187,
+
+ in welke 185, 194;
+ als teeken van het meervoud, in welke gevallen 188, 189, 191-195,
+ 197;
+ als teeken van een verbogen naamval 198-201;
+ als invoegsel voor de welluidendheid 204, 205;
+ komt niet voor in samenstellingen, wier eerste lid is
+
+ een onverbuigbaar woord 178,
+ een werkwoord 202, 203.
+
+
+
+Verbindings-s, als teeken van den 2den naamval,
+
+ achter zelfst. naamw. 208,
+ achter bijvoegl. woorden 210, 125;
+ als teeken van het meervoud 209;
+ als invoegsel voor de welluidendheid 212.
+
+
+Verdubbeling der a en u 73,
+
+ der e en o 75-80,
+ der k 106,
+ der m 1O6,
+ der sch 96,
+ der t 106;
+ de ch wordt niet verdubbeld 95.
+
+
+Verkleinwoorden, hoe te spellen 119 en blz. 227.
+
+Verlenging der a en u door verdubbeling 73,
+
+ der woorden op aai, ei, ooi, ui, oei 92.
+
+
+Voorvoegsel of praefix heet elke vóór een woord gevoegde letter of
+lettergreep, die onder dien vorm niet meer als woord op zich zelf
+in gebruik is; b.v. de g in g-lijden van lijden, be, voor bij, in
+bezitten; zie ook 264, aanm.;
+
+ wordt bij het afbreken der woorden, indien het eene lettergreep
+ uitmaakt, in zijn geheel afgescheiden 264.
+
+
+W, in verf, verven enz. door de v te vervangen, doch niet in murw 126.
+
+Welluidendheid, wat in 't algemeen in de taal 62;
+
+ wordt in samenstellingen in acht genomen 172, 204, 205;
+ regel der welluidendheid 62, zijn rang en waarde 72.
+
+
+Wetten, in de wetenschappen, wat 23, aanm.
+
+Woorden, genaturaliseerde, wat, en waarin nog steeds verschillend
+van echt Nederlandsche 215;
+
+ onverbuigbare of onveranderlijke, wat en hoe te spellen 50;
+ samengestelde, zie Samenstelling;
+ vreemde, worden bastaardwoorden door het aannemen van de
+ Nederl. verbuiging of van een Nederl. affix 217,
+ door het afwerpen van den vreemden uitgang 218.
+
+
+Zwakke genitief, wat 182, 183,
+
+ wordt in samenstellingen niet meer verstaan, en is dientengevolge
+ zeldzaam geworden 185;
+ in welke samenstellingen volstrekt te behouden 187,
+ in welke te dulden 194.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Lijst der woorden, wier spelling opzettelijk behandeld is.
+
+
+De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst.
+
+
+
+aaien 92.
+aandoenlijk 112.
+aanvankelijk 98.
+aanzienlijk 112.
+aar (korenaar) 91.
+aard (natuur) 101.
+aardebaan, blz. 153.
+aardewerk, blz. 153.
+aardig 101.
+abrikozeboom 196.
+abstract 250.
+academie, blz. 210.
+achtereen 149.
+Achter-Indië 157.
+acht geven 142.
+achthonderd 159.
+acht slaan 142.
+acustiek 255, 246.
+adellijk 113.
+adjunct-commies 156, a.
+admiraal 104.
+admiraal-generaal 156, a.
+adspirant-ingenieur 156, a.
+advocaat 250.
+aequatoriaalcirkel, verwerpelijk germanisme, blz. 152.
+aëroliet 246, aërolieten 82.
+afhankelijk 98.
+Algoede 144.
+alhoewel 151.
+allenthalve 120.
+allerwegen 153.
+alleszins 125.
+aloud 144.
+alsmede 151.
+alsof 151.
+althans 122.
+alwijs 144.
+Amazonenrivier 157, aanm.
+ambassadeur-plenipotentiaris 156.
+ambt 130.
+anderszins 125.
+ankersmid 209.
+Antonius 255.
+Antwerpen 103.
+antwoord 103.
+apengezicht 194.
+apenkuur 194.
+apenliefde 194.
+apocrief, apocriefe 246.
+aquarel 250.
+asem 105.
+astronoom, astronomen 77, aanm.
+auditeur-militair 156.
+autoriteit of auctoriteit 255.
+baaien 92.
+baaierd 92.
+Baai-tabak 155 a.
+bagage 243.
+bajonet 92.
+bakkersschotel 208.
+balie 86, mv. baliën 83.
+basilisk 246.
+bastaard 100.
+bedsteetje, blz. 227.
+beeltenis 102.
+beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren, blz. 48.
+beer (verscheurend dier), mv. beren, blz. 48.
+begeeren 80, a.
+behalve 120.
+bei, mv. beien 92.
+Beiersch 92.
+Beiersch-bierbrouwerij 158.
+belangeloos 112, belangelooze 79.
+beminlijk en beminnelijk 112.
+Beneden-Egypte 157.
+berenjong 194.
+berenklauw 194.
+Bergumer 106.
+berkeboom 181.
+berkenhout 205.
+Berlijnsch-blauw 155, b.
+besseboom 196.
+bessensap 188.
+beukeboom 181.
+beukenhout 205.
+bezijden 121.
+biggenkruid 195.
+bij 89.
+bijaldien 151.
+bijderhandsch 140.
+bijeen 149, c.
+bijeenzamelen 108.
+bijgeval 149, a.
+bijleman 190.
+bijtijds 140.
+biljart 250.
+biljet 250.
+binnenshuis 153.
+binnenskamers 153.
+binnenslands 153.
+binnensmonds 153.
+binnenstijds 153.
+bint 102.
+biograaf 246.
+biographie 246.
+biographisch 248.
+bistouri 250.
+bits 123.
+blauw 74.
+blindeman, des blindemans 139.
+bloemetje 119.
+bloem-pje 119, 267.
+blommetje 119.
+blootshoofds 153.
+blootsvoets 153.
+bochel 95.
+bodenloon 193.
+boeien, boeier 92.
+boekenkast 188.
+boekenrek 188.
+boekenstalletje 188.
+boerenbedrijf 193.
+boerenboonen 193.
+boerendochter 193.
+boerenhofstede 193.
+boerenwoning 193.
+boerinnenjak 193.
+boerinnenmuts 193.
+bokkesprong 194.
+bolvormige-driehoeksmeting 158.
+boom-pje 119, 267.
+boonenbrood, blz. 153.
+boos, overtreffende trap booste 124.
+botterik, botteriken 106.
+bovenal 149, c.
+bovenop en boven op 147.
+brasem 105.
+breien 92.
+brengen, ik bracht, gebracht 94.
+brievenbesteller 188.
+brievenpost 188.
+brilleglas 190.
+brillenhuisje 204.
+brillenslijper 188.
+broekenstof of broekstof 188.
+bruggegeld 190.
+bruggenhoofd 205.
+bruinkolen 139.
+buien 92.
+buitendijks 140.
+buitenshuis 153.
+buitenslands 153.
+buitentijds 140 en buitenstijds 153.
+burgerstand 209.
+buskruit 127.
+Cayenne-peper 155, a.
+canaille en kanalje 239.
+canapé, canapé's 250, 90.
+candelaber of candelabre 250.
+canoniek 253.
+categorie, 233, 255.
+catholiek, catholieken of katholiek enz. 86.
+cedel, ceêl 222.
+ceder 222.
+cel 220.
+cent 220.
+chemie 255.
+chijl 239.
+chrysoliet, chrysolieten 246, 82.
+Cicero, Cicero's 90.
+cichorei 239.
+cijfer 219.
+cijferschrift 209.
+cijns 222.
+cirkel 220.
+classicaal 253.
+classis 253.
+clericaal 253.
+cliniek 246.
+cochenille 239.
+comedie (blijspel), verschillend van komedie (schouwburg) 252.
+commies (ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen),
+verschillend van kommies (ambtenaar bij de belastingen) 252.
+compascuum 230.
+compleet, complete, blz. 43.
+concreet, concrete, blz. 43 en § 250.
+conservatief 253.
+courant en krant 239.
+crayon 250.
+credit (term in het Italiaansch boekhouden), verschillend van krediet
+(vertrouwen) 253.
+critiek (oordeelkunde), verschillend van kritiek (hachelijk) 252.
+critisch (oordeelkundig) 252.
+daaraan, daarbij, daardoor 148.
+daarenboven 151.
+daarentegen 151.
+daarin, daarmede enz. 148.
+dadelijk 112.
+dagelijks 112.
+dassenhaar 205.
+dassenhol 205.
+dassenhuid 204.
+dauw 74.
+deel (gedeelte), mv. deelen, blz. 48.
+deel (plank en dorschvloer), mv. delen, blz. 48.
+deemoedig, blz. 48.
+deesem, 105 en blz. 48.
+degelijk 112.
+degene, blz. 127.
+dejeuneeren 250.
+denneboom 181.
+dennenwoud 188.
+derhalve 120, 153.
+dermate 153.
+dertienhonderd enz. 159.
+deskundige 153.
+desniettegenstaande 151.
+desniettemin 151.
+desnoods 140.
+desolate-boedelkamer 158.
+destijds 153.
+deugdelijk 112.
+deugniet 202, aanm.
+dezelfde, blz. 128.
+dezelve, blz. 128.
+dezulke, blz. 127.
+diaconie, blz. 211.
+diaken 246.
+diegene, blz. 127.
+diemit, diemiten 106.
+dievegge 107.
+dievenbende 188.
+Dinsdag 128.
+diptiek 246.
+discretie 250.
+dochterken en dochterke, blz. 99.
+doctor (titel), verschillend van dokter (geneesheer) 252.
+Dokkumer 106.
+dokter (geneesheer), verschillend van doctor (titel) 252.
+dolle-hondsbeet 158.
+dollekervel 139.
+dolleman 139.
+donkerblauw, donkerrood enz., verschillend van donker blauw, donker
+rood 145.
+dooier (van een ei) 92.
+door, dooren (van een ei) 91.
+doordien 151.
+doordroog 139.
+dooreen 149, c.
+dooreerlijk 139.
+doorgaans 122.
+doorgoed, doorkoud enz. 139.
+door middel van 150.
+dorpsschool 208.
+dorpsschout 208.
+dozijn 88.
+draadje, blz. 100.
+draaier 92.
+dragonderstal 209.
+drakenbloed, blz. 167.
+drieërhande 93.
+drieërlei 93.
+driehonderd 159.
+droog, droge, droger, drogen, blz. 48.
+droogvoets of droogsvoets 153.
+druiveboom 196.
+druivennat 188.
+druiventros 188.
+druivepit 190.
+duitendief 188.
+duivenei 205.
+duivenkervel 195.
+duivenslag 197.
+duiventil 188.
+dukaat 250.
+dwepen, blz. 48.
+dwingelandij 89.
+echel 95.
+echo 95, mv. echo's 90.
+economie en oeconomie 254.
+Edelachtbaar 144, 139.
+edelgesteente 139.
+Edelgrootachtbaar 144, 139.
+eega, blz. 48, mv. eegaas 90, aanm.
+een, eene, een zelfde, blz. 128.
+eendenei 205.
+eendenkooi 188.
+eendenkroos 195.
+eenigszins 125.
+eereprijs 187.
+ei, mv. eieren 92.
+eigenlijk 112, 115.
+eikeboom 181.
+eikenbosch 188.
+eikenhout 205.
+eilieve 152.
+elfhonderd 159.
+elzeboom 181.
+engelenkoor 188.
+Engelsch-Russisch 155, c.
+Engelsch-zout 155, b.
+er aan, er bij, er door enz. 148.
+ergens aan, ergens bij, ergens door enz. 148.
+erwtensoep, blz. 153.
+ethnographie 246.
+ethnographisch 248.
+evenals 151.
+evenzeer 147.
+executoir 242.
+fabriek, fabrieken 82, 86.
+fabrikant 82.
+falie, mv. faliën 86, 83.
+familie en famielje 254.
+fatsoen 99.
+fatsoenlijk 112.
+Februari 87.
+felicitatie 250.
+feniks en phoenix 254.
+flauw 74.
+flesch, mv. flesschen 96.
+flesschebakje 192.
+flesschenrek 188, 192.
+flits 99.
+foelie 86.
+fondement en fundament 254.
+fonkelen, in overdrachtelijken zin, 111.
+frambozenkoekje 188.
+Franco-Gallisch 155, c.
+Fransch-Engelsch 155, c.
+Friesch-groen 155, b.
+frisch, overtreff. trap frischte 124.
+fundament en fondement 254.
+gadeslaan 142.
+galgebrok 190.
+galgenaas 205.
+gansch 115, 123.
+ganzenei 205.
+ganzenhagel 205.
+ganzetong (plant) 195.
+ganzevoet (plant) 195.
+Garibaldi's 90.
+gauw 74.
+gebindten, zie gebint.
+gebint, gebinten 102.
+geenszins 125.
+geesel 105.
+geheschen 96.
+geiteleer en geitenleer of -leder 197.
+geitenblad 195.
+geitenoog 190, 205.
+geitevleesch en geitenvleesch 197.
+gekkenpraat 193.
+gekreschen 96.
+gelijke (mijns, uws enz.) 146, aanm.
+gelukkigerwijze 153.
+gemeenlijk 112.
+genie, mv. genieën 83.
+genius, mv. geniën 83.
+genoeglijk 112.
+geograaf 246.
+geographie 245.
+geographisch 248.
+gerstebrood, blz. 153.
+gevangennemen 142.
+gevoeglijk 112.
+gewapenderhand 153.
+gewicht 94.
+gewoonlijk 112.
+gezamenlijk 108, 112, 115.
+gezeglijk 112.
+gezicht 94.
+gids 99.
+gijl 239.
+gindsch 99.
+gitaar 244.
+goddelijk 112.
+goeddoen 142.
+goedendag (wapentuig) 199.
+goedendagzeggen enz. 201.
+goedmaken 142.
+goedschiks 210.
+goedsmoeds 153.
+goedvinden 142.
+Gorkumer 106.
+gortenteller 188.
+gouverneur 228.
+gouverneur-generaal 156, a.
+grappenmaker 188.
+grauw 74.
+'s-Gravendeel, 's-Gravenhage, 's-Gravenland 158.
+grenen 181, aanm.
+grijnzaard 265.
+grijsaard 100, 265.
+groenling 112.
+Groot-Britannië 157.
+Grootedelachtbaar 144.
+grootmeester-nationaal 156, b.
+grootschrift, verschillend van groot schrift 139.
+grootspreken 142.
+groot-zegelbewaarder 158.
+gruttenbrij, blz. 153.
+guds, zie guts.
+guts 99.
+gutsen 99.
+gymnasiaalonderwijs, verwerpelijk germanisme, blz. 152.
+haar (hoofdhaar) 91.
+haars gelijke, zie gelijke.
+halverwegen 153.
+handhaven 142.
+handje 119.
+hanebalk 194.
+hanekam 194.
+hanengekraai 194.
+hanengevecht 188.
+hanepoot 194.
+haneschree 194.
+hanespoor 194.
+hanetred 194.
+haneveer 194.
+harddraven, hardrijden, verschillend van hard draven, hard rijden 142.
+harenthalve 120.
+harmonie, bij dichters ook
+harmonij 86.
+hartediefje, harteleed, hartelust, hartewensch 186.
+hartenaas, hartenboer, hartenheer enz. 186, 188.
+Hartsgebergte 157, aanm.
+hazendistel 195.
+hazenlip 194.
+hazenmond 194.
+hazenslaap 194.
+hebbelijkheid 112.
+Hebe's 90.
+heelshuids 153.
+heep, hepen, blz. 48.
+'s-Heerenberg 158.
+heerenboonen 193.
+heerendienst 193.
+heerenhuis 193.
+heerenknecht 193.
+heesch 123.
+Heilige-Geestgasthuis 158.
+heir (legermacht), mv. heiren 91.
+helaas 152.
+heldenarm 193.
+heldendaad 193.
+heldenmoed 193.
+heldenschaar 188.
+heliotroop, heliotropen 77, aanm.
+hemdenlinnen 188.
+hemeling 113.
+hertebeest 190.
+hertenkamp 188.
+'s-Hertogenbosch 158.
+hetwelk, blz. 127.
+heuglijk 112.
+hieraan, hieraf, hierbij, hierdoor enz. 148.
+hij 89.
+hoededoos 192.
+hoedenmaker 188.
+hoeverre, verschillend van hoe ver 147.
+hoewel (voegw.), verschillend van hoe wel 151.
+hoezeer (voegw.), verschillend van hoe zeer 151.
+hondeketting 192.
+hondenhok 205.
+hondje 119.
+hoogachten, verschillend van hoog achten 142.
+hoogaltaar 139.
+Hoogeerwaard 139, 144.
+hoogepriester, des hoogepriesters 139.
+hoogeschool 139.
+Hooggeboren 139, 144.
+hooggeel 145.[**.verwijderd]
+Hooggeleerd 139, 144.
+hoogte 94.
+Hoogwelgeboren 139, 144.
+hooien 92.
+hoonen, blz. 48.
+horoscoop, horoscopen 77, aanm.
+huishouden 142.
+hunnenthalve 120.
+huns gelijke, zie gelijke.
+hypotenusa, hypotenusa's 255, 90.
+iemand 116.
+ijpeboom 181.
+ijpenlaan 188.
+IJsel 105.
+ijselijk 88.
+ijzen 88.
+ijzeren-spoorweg 158.
+in aller ijl 153, aanm.
+incommodeeren 250.
+Indisch-Europeesch 155, c.
+Indo-Germaansch 155, c.
+indroog 139.
+ingeval (voegw.) 151.
+in geval van (uitdrukking met de waarde van een voorzetsel) 150.
+ingevolge 150.
+ingierig, ingoed, ingoor, inlui enz. 139.
+integendeel 149 a.
+intijds 140.
+inzonderheid 149 a.
+Israëliet, Israëlieten 82.
+Januari 87.
+Java-koffie 155, a.
+jezuïet, jezuïeten, jezuïtisme 82.
+Jodenbuurt 188.
+jongsken en jongske, blz. 99.
+jonkheer 98.
+jonkheid 98.
+jonkvrouw 98.
+juffer 110.
+juffrouw 110.
+Juli 87.
+Juni 87.
+kaatsen 99.
+kachel 95.
+kachelsmid 209.
+kamfer 250.
+kamperfoelie 250.
+kanalje en canaille 239.
+kanenbrood, blz. 153.
+kanonnierskazerne 209.
+kanunnik 253.
+kapel 250.
+kapelaan 250.
+kapitaal 239, 250.
+kapitein-geweldiger 156, b.
+kapitein-kwartiermeester 156, b.
+karaf en kraf 239.
+karakter 250.
+karkas 250.
+karonje 239.
+karwats 250.
+karwei (werk) 88.
+karwij (zaad) 88.
+kastanjeboom 196.
+kasteel, kasteelen 250.
+kastelein 250.
+kastrol 250.
+katholiek, katholieken en catholiek, catholieken 86.
+kattendoorn of -doren 195.
+kattengeslacht 194.
+kattestaart 195.
+kauw 74.
+kavalje 239.
+kazerne 239.
+keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde woord als keel
+(lichaamsdeel), blz. 48.
+keren (vegen), blz. 48.
+kerkenorde of kerkorde 206.
+kerkeraad 206.
+kerseboom 196.
+kettinkje 98.
+kevie 86.
+kievit, kieviten 106.
+kindeken en kindeke, blz. 99.
+kindsch 99.
+kippenloop 197.
+klaaglijk 112.
+klacht 94.
+klasse, maar classis, classicaal 253.
+klauw 74.
+kleerenmaker en kleermaker 188.
+Klein-Azië 157.
+klein-kinderschooltje 158.
+kleinschrift, verschillend van klein schrift 139.
+klerk, maar clericaal 253.
+kloot (wereldkloot), mv. klooten of kloten 80, c.
+klooven (doen splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof,
+en van wij kloven, onvolm: verl. tijd van kluiven, blz. 48.
+klotsen,[** , weg?] 99.
+knaster 250.
+knauwen 74.
+knie, knieën 83.
+knods, zie knots.[**formatting gecorrigeerd]
+knoeien, knoeier 92.
+knoop, knoopen 80, b.
+knots 99.
+koeiekop 194.
+koeienhaar 205.
+koekeloeren 203.
+koekenbakker 188.
+koerier 253.
+koets 99.
+koffie 86.
+koliek 86.
+komedie (schouwburg), verschillend van comedie (soort van tooneelspel)
+252.
+komeet, kometen 77, aanm.
+kommies (ambtenaar bij de belastingen), verschillend van commies
+(ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen) 252.
+kompas 239.
+konijnenblad 195.
+koninginnenkroon, -mantel enz. 193.
+koninkje 98.
+koninklijk 112.
+koninkrijk 98.
+konserf, maar conservatief 253.
+konzenielje, maar cochenille 239.
+kooien 92.
+koozen (liefkoozen), blz. 48.
+koudeschaal 139.
+koudvuur 139.
+kousenwever 188.
+krant en courant 239.
+krauwen 74.
+krediet (vertrouwen), verschillend van credit (term in het boekhouden)
+255.
+krenteboom 196.
+krijgsmansstand 208.
+krijt 88.
+kritiek (hachelijk), verschillend van critiek (oordeelkunde) 252.
+kroon, kronen, blz. 48.
+kruid (plant), onderscheiden van kruit (poeder) 127.
+kruien, kruier 92.
+kruisen 105.
+kruisigen 105.
+kruit (poeder), onderscheiden van kruid (plant) 127.
+kuchen 95.
+kurassiersstal 209.
+kurkenmandje 192.
+kurketang 192.
+kurketrekker 192.
+kwartier 239, 250.
+kwee (soort van vrucht), mv. kweeën, blz. 48.
+kwijtraken 142.
+kwijtschelden 142.
+laagte 94.
+laatje, blz. 227.
+lakei 242.
+lampeglas 190.
+lancet 250.
+landschapschilder 208.
+landschapsschrijver 208.
+langzamerhand 153.
+lankmoedig 98.
+lauw 74.
+leeperd 100.
+leeuwenbek 194.
+leeuwenkop 194.
+leeuwenwelp 194.
+leidstar, leidstèr 212.[**leidster?]
+lekkage 243.
+letterspecie 209.
+lichaam 95.
+licht (daglicht) 94.
+licht (niet zwaar) 94.
+lichtblauw, lichtbruin, lichtgeel enz., verschillend van licht blauw,
+licht bruin, licht geel enz. 145.
+liefhebben 142.
+liefkoozen 142.
+Lieve-Vrouwen-bedstroo, 193, c.
+Lieve-Vrouwenkerk 158, 193, c.
+lijdelijk 112.
+likeur 250.
+likkebaard 202.
+likteeken, zie litteeken.
+lindeboom 181.
+lindenhout 205.
+linie, mv. liniën 83.
+lithographeeren 249.
+litteeken 131.
+livrei 242.
+locaal (bijv. naamw.), verschillend van lokaal (vertrek, zaal) 252.
+loge 250.
+logica 250.
+lokaal (vertrek, zaal), verschillend van locaal (bijv. naamw.) 252.
+lomperd 100.
+loods (man) 99.
+loods (houten gebouw) 99, 250.
+loos, loozer, looste 124.
+lorgnet 250.
+los (lynx) 123.
+loslaten, verschillend van los laten 142.
+luidskeels en luidkeels 153.
+luitenant-generaal 156, a.
+luitjes, blz. 227.
+maagdelijk 112.
+maagdenhart 193.
+maagdenpalm 193.
+maagdenschenner 193.
+maagdenwas 193.
+maaier 92.
+macaroni 250.
+macht 94 [*94?].
+maçonnerie 250.
+malie, mv. maliën 83.
+malvezei 88.
+mandenmaker 188.
+Manilla-sigaren 155.
+mannelijk en manlijk 112.
+mannenmoed 193.
+Margareta 255.
+Maria's 90.
+matrozenhoed 193.
+matrozenlied 193.
+matrozenpak 193.
+medearbeider 205.
+medeërfgenaam 205.
+medeoorzaak 205.
+meer (waterplas) 91.
+meidendienst 193.
+meidendracht 193.
+melodie, melodieën, bij dichters ook melodij 86, 83.
+menigte 94.
+Mennoniet, Mennonieten 82.
+menschenbloed 193.
+merrie, mv. merries en merriën 86.
+messenmaker 188.
+messenmandje 192.
+messescheede 190.
+metgezel 102.
+metterdaad 153.
+mettertijd 153.
+metterwoon 153.
+middeleeuwen 114.
+middelevenredig 114.
+middellijk 113.
+Middelnederlandsch 114.
+middelpunt 114.
+middelrif 114.
+middenin, verschillend van midden in 147.
+mij 89.
+mijnenthalve 120.
+Mijnheer, mv. Mijne heeren, blz. 129.
+mijns gelijke, zie gelijke.
+Mijns-Heerenland 158.
+militair 242.
+minister-resident 156, a.
+misanthroop, misanthropen 77, aanm.
+moeilijk 112.
+mogelijk 112.
+mogen, moogt, mocht, 94.
+mollepoot 190, 194.
+mollevel 190, 194.
+monnik, monniken 106.
+mooi, mooier 92.
+morille 250.
+mosch, mosschen of musch, musschen 96.
+motief, mv. motieven, doch motiveeren 82.
+muggenzifter 188.
+muizengerst 195.
+murw 126.
+musch, musschen of mosch, mosschen 96.
+mutsebol 192.
+muziek 86, doch muzikaal, muzikant 82.
+naaldenkoker 192.
+naar gelang van, naar luid van, naar mate van 150, doch naarmate
+(voegw.) 151.
+nademaal 151.
+nauw 74.
+negenhonderd 159.
+nergens aan, nergens bij, nergens door enz. 148.
+niemand 116.
+nieskruid 127.
+niettegenstaande 150.
+Nieuw-Holland 157.
+nieuwjaar, verschillend van een nieuw jaar 139.
+Nieuw-York 157.
+nimf 251.
+noch (ook niet) 132.
+nochtans 97.
+nog (tot hiertoe, daarenboven) 132.
+nommer en nummer 254.
+Noord-Brabant 157.
+Noord-Holland 157.
+Noordzee 157, aanm.
+nopens 122.
+noteboom 196.
+notedop 190.
+nummer en nommer 254.
+och of 152.
+oeconomie en economie 254,[** .?]
+oeconoom, oeconomen 77.[*,?] aanm.
+officierstafel 209.
+officiersvereeniging 209.
+oir (erfgenaam) 91.
+olie, oliën 83.
+omtrent 118.
+ondershands 153.
+onderuit, verschillend van onder uit 147.
+onhebbelijk 112.
+onkruid 127.
+ons (gewicht) 250.
+ons gelijke, zie gelijke.
+ontstentenis 102.
+ontvangen 109.
+ontvonken 109.
+ontzaglijk 112.
+onverrichter zake 153, aanm.
+onzenthalve 120.
+ooievaar 92.
+oorsprong 91.
+oorzaak 91.
+Oostergoo 157, aanm.
+Oostzee 157, aanm.
+ootmoed 117.
+opeen 149, c.
+openlijk 112, 115.
+opnieuw 149.
+opruien, opruier, opruiing 92.
+Opsterland 157, aanm.
+opzamelen 108.
+oranjeboom 196.
+ordelijk 112.
+ordentelijk 112.
+orthographie 245, 246.
+oudejaar, verschillend van het oude jaar 139.
+oude-kleerkoop 158.
+oude-mannenhuis 158.
+ouder gewoonte 153, aanm.
+overal aan, overal bij, overal door enz. 148.
+overdwars, overlang enz. 149.
+overgroot, overklein, overoud, overvet enz. 139.
+Overijsel 105.
+paardekop 191.
+paardenbloem 195.
+paardenkooper 191.
+paardenmarkt 191.
+paardenras 194.
+paardenstal 197.
+paardestaart 191.
+paardevoet 194.
+paddenstoel 195.
+page 243.
+paleis 242.
+Paschen 96.
+passage 243.
+pauw 74.
+pelgrimage 243.
+pennemes 192.
+pennenkoker 192.
+penseel 250.
+pereboom 196.
+perzik, perziken 106.
+perzikeboom 196.
+philanthroop, philanthropen 246 en blz. 43.
+philoloog, philologen, blz. 43.
+philosoof, philosofen 246.
+philosophie 246.
+phoenix en feniks 254.
+photograaf 246.
+photographeeren 249.
+photographie 246.
+photographisch 248.
+physica 245.
+pijnlijk 112.
+pijpedop 192.
+pijpenlade 192.
+pijpenmandje 192.
+pijpewroeter 192.
+pincet 250.
+plaats 99.
+plaats grijpen, plaats hebben, plaats nemen 142.
+planeet, planeten 77, aanm.
+platte-driehoeksmeting 158.
+plechtig 94.
+plegen, ik placht 94.
+pleizier of plezier 244.
+poëet, poëten 77, aanm.
+poëzie, bij dichters ook poëzij, 86, 251.
+politie-commissaris 156, a.
+pontonnierscompagnie 209.
+porfier 251.
+pose 250.
+postiljon 250.
+pottenbakker 188.
+pottenkast 188.
+praeparaat 254.
+praesens, doch present 254.
+praeses, doch president 254.
+preparatieven 254.
+present, doch praesens 254.
+president, doch praeses 254.
+priesterschaar 209.
+prinsessenbier 193.
+prinsessenboonen 193.
+procurator 254.
+procureur 250.
+procureur-crimineel 156, a.
+profeet, profeten 77, aanm.
+profijt 242.
+proseliet, proselieten 246.
+pruikebol 192.
+pruikenmaker 188.
+pruimesteen 190.
+Pruisen 105.
+Pruisisch-zuur 155 b.
+ra, raas 90, aanm.
+raad-pensionaris 156 b.
+raadplegen 142.
+raam-pje 119, 267.
+rantsoen 99.
+rattenkruit 127.
+rattestaart (ronde vijl) 194.
+rauw 74.
+razernij 89.
+receptie 250.
+recht 94.
+rechter 94.
+rechtspreken 142.
+redelijk 112.
+reliquie, reliquieën 83.
+republiek, republieken 82.
+republikein 82.
+Reuzengebergte 157, aanm.
+richel 95.
+ridderstand 209.
+ridselen, zie ritselen.
+Riga-balsem 155, a.
+rijnsche-wijnflesch 158.
+rijstebrij, blz. 153.
+rit 102.
+ritmeester 102.
+ritselen 99.
+roggebrood, blz. 153.
+rondom 150.
+roodaarde 139.
+roodbont 145.
+roodekool 139.
+Rood-Rusland 157.
+rots 99.
+rozeboom 196.
+rozenkrans 188.
+ruggemerg 190.
+ruilebuiten 203.
+ruiterstal 209.
+sacristein 88.
+sacristij 88.
+saffier 251.
+sajet 92.
+Salland 157.
+samen (te zamen) 108.
+samenhangen, -hang 108.
+samenkomen, -komst 108.
+samenspreken, -spraak 108.
+samenvloeiing 92.
+scaphander 246.
+schaats 99.
+schadeloos 112.
+schadeloosstellen 142.
+schapeleer en schapenleer 197.
+schapevleesch en schapenvleesch 197.
+schendekeuken 202.
+schepter 129.
+scherts 99.
+schoonmaken 142.
+schroot 127.
+scrupel 250.
+seconde en secunde 254.
+securiteit, doch sekuur 253.
+seizoen 244.
+sekuur, doch securiteit 253.
+sergeant-majoor 156, a.
+sergeantsstrepen 208.
+sieraad 221.
+sieren 221.
+sigaar 250.
+sigarenfabriek 188.
+silhouet 250.
+sinaasappel 155.
+sinds 99.
+singel 221.
+slaatje, blz. 227.
+slakkenhuisje 205.
+slangekop 195.
+slangenbloem, -wortel 195.
+slavenaard, -arbeid, -dienst, -werk 193.
+sleepen (voorttrekken), verschillend van slepen (gesleept of
+voortgetrokken worden), blz. 48.
+sleetje, blz. 227.
+slijtage 243.
+slippedrager 190.
+sloof (voorschoot), mv. slooven, verschillend van sloof
+(sukkelaarster), mv. sloven, blz. 48.
+smaldeel 139.
+smidse 99.
+Smyrna-vijgen 155, a.
+snarenspeeltuig 188.
+snelschrijven, verschillend van snel schrijven 142.
+soldatenkind, -lied, -vrouw 193.
+soupeeren 250.
+souverein 228, no. 2.
+Spanjaard 100.
+sparreboom 181.
+specerij 250.
+spectator 252.
+spektakel 252.
+speldenkussen 192.
+spelemeien 203.
+spelevaren 203.
+spie, spieën 83.
+spillebeen 190.
+spits, zelfst. en bijvoegl. nw. 123.
+sprinkhaan 98.
+stadsschout 208.
+staten-generaal 156, b.
+stationnair 242.
+St.-Catharinagasthuis 158.
+steeds 99.
+steedsch 99.
+stellage 243.
+stenographisch 248.
+sterrenkunde 189.
+stierenkop 194.
+St.-Janskerk 158.
+stoelendraaier 188.
+stoffage 243.
+stokebrand 202.
+stokkenknecht 188.
+studentenlied 193.
+stukadoor 250.
+subject en sujet 254.
+substantief, substantieven 82, 86.
+substituut-griffier 156, a.
+suikerij en cichorei 239.
+sujet en subject 254.
+synoniem, synoniemen 246.
+syringeboom 196.
+tachygraaf 245, 246.
+tapijt 88.
+tarwebrood, blz. 153.
+te gelijker tijd 153, aanm.
+tegenover 150.
+tegoeds of te goed 140.
+Teisterbant 157, aanm.
+te land, te voet, te paard enz. 149.
+telegraaf 246.
+telegrafist 247.
+telegraphisch 248.
+telescoop 246, mv. telescopen 77, aanm.
+teleurstellen 149[**.]
+telkens 140.
+Teloorgaan 149. [*hoofdletter?]
+ten hove, ten onrechte enz. 149, aanm.
+tenware 151.
+tenzelfden 149, aanm.
+tenzij 151.
+terdege, terdeeg 149.
+ter leen, ter zee enz. 149.
+terloops 140.
+tersluiks of ter sluik 140.
+terstond 149.
+terug 149.
+terugbrengen, -deinzen enz. 149.
+terzelfder 149, aanm.
+tevergeefs of vergeefs 140.
+thans 122.
+theocratie 245.
+theoloog, theologen 77, aanm.
+tichel 95.
+tinnegieter 190.
+tocht 94.
+toets 99.
+toevalligerwijze 153, no. 5.
+toon (muziektoon), mv. tonen, verschillend van toonen (wijzen) en toon
+(teen), mv. toonen, blz. 48.
+toonloos 112.
+toorts 99.
+topographie 246.
+topographisch 248.
+torsen 123.
+traktaatje 250.
+traktement 250.
+tralie, mv. tralies en traliën 83.
+transitoir 242.
+triomf en triumf 246, 251.
+troon, tronen 221 en blz. 48.
+trots (zelfst. nw.) 99.
+trotsch (bijv. nw.) 124.
+tucht 94.
+tuigage 243.
+tulpeboom 196.
+tusschen 96.
+tusschenin 147.
+twaalfhonderd 159.
+twee, tweeën 83.
+tweeërhande 93.
+tweeërlei 93.
+tweehonderd 159.
+uiteen 149.
+uitermate 153, no. 3.
+uit hoofde van 150.
+uws gelijke, zie gelijke.
+vandaar, vanhier 149, b.
+vanderhandsch 140.
+vannieuws 140.
+varkensstal 208.
+varkensziekte 208.
+veeleer en veel eer 147.
+veelszins 125.
+veinzaard 100, 265.
+venijn 88.
+verbintenis 102.
+verf, verfpot, verfwinkel 126.
+vergeefs of tevergeefs 140.
+vermicelli 250.
+vermiljoen 250.
+vermurwen 126.
+vers 81.
+verstandelijk 112.
+verven, verver 126.
+verzamelen, verzameling 108.
+vierhonderd 159.
+vijfhonderd 159.
+vijgeboom 196.
+visch, visschen 96.
+vla, vlaas 90, aanm.
+volgens 122.
+volzalig 144.
+vonkelen (in eigenlijken zin) 111.
+vooraan, voorin, vooronder, voorover, vooruit 147.
+vooral, voorgoed, voorwaar, voorzeker 149 b.
+Voor-Indië 157.
+voorshands 153, no. 2.
+vorstenkroon, -telg, -zoon 193.
+vrijlaten, verschillend van vrij laten 142.
+vroolijk, blz. 49.
+vrouwenhand, -hemd, -kleed, -rok 193.
+vuren(hout) 181, aanm.
+waarheidszucht 208.
+was (van bijen) 123.
+wasch, wasschen 96.
+welbespraakt, weldoend 144.
+Weledel, Weledelgeboren,
+
+
+
+De laatste bladzijde van dit boek ontbreekt in het ons ter beschikking
+staande exemplaar. Indien u toegang heeft tot deze bladzijde, wordt
+u verzocht een scan hiervan naar Project Gutenberg te sturen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] J. Grimm, Ueber das pedantische in der deutschen sprache, in
+de Philol. und hist. Abhandlungen der Kon. Academie te Berlijn,
+1847, bl. 203 (Kleinere Schriften, I, 348). In de Inleiding op
+het »Deutsches Wörterbuch", bl. LIV, zegt hij niet minder sterk:
+»In den letzten drei jahrhunderten trägt die deutsche schreibung
+so schwankende und schimpfliche unfolgerichtigkeit an sich, wie
+sie in keiner andern sprache jemals statt gefunden hat, und nichts
+hält schwerer als diesen zustand zu heilen." Over de Nederlandsche
+spelling velt hij een veel gunstiger oordeel (D. Gramm. I3, bl. 323 en
+elders). Tegenover de onbillijke geringschatting, die onze spelling
+zoo dikwijls van landgenooten te verduwen had, mag op dergelijke
+getuigenissen van Grimm wel eens worden gewezen.
+
+[2] Dat het hoofdstuk »Bastaardwoorden" in het Verslag van
+Prof. Heremans niet volkomen eensluidend is met deze Regeling der
+Nederlandsche Spelling, maar met het Ontwerp, is niet toe te schrijven
+aan verschil van gevoelen, maar daaraan, dat dit gedeelte tijdens de
+uitgave van het »Verslag" nog niet geheel was afgedrukt. Daardoor was
+het ons ondoenlijk geweest den Gentschen Hoogleeraar de wijzigingen
+en invoegingen in den tekst tot in alle bijzonderheden mede te deelen,
+gelijk tot dusverre door het toezenden der afgedrukte bladen geschied
+was.
+
+[3] Uit het Verslag der Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg.,
+blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op
+verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in
+Noord-Nederland.
+
+[4] Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote
+hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen
+gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens
+voor, die thans als e en o worden uitgesproken, doch uit alles
+blijkt ten klaarste, dat e vroeger ai en o vroeger au geweest is;
+zie Bopp, Vergleichende Grammatik. § 2. Reeds eene vergelijking der
+letterteekens voor âi = aai en âu = aau met die voor ê = ai en ô =
+au leert dit duidelijk.
+
+In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die op epsilon
+en Omega gelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift door e en o
+voorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met de e's en o's in
+de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langen
+i-klank voorstelde, beantwoordt onze lange â in daad, jaar, slaap; en
+de Friesche ie in died, jier, sliep; aan het tweede onze oe in boek,
+goed, stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken,
+meestal uit ia en ua, soms ook uit ai en au samengesmolten zijn.
+
+Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geene e's noch o's bezat, blijkt
+uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers
+dan a, i en u voorkomen; zie U. W. Dieterich, Runen-sprachschatz,
+blz. X.
+
+Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, dat Ulfila door ai en au
+onze e- en o-klanken heeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de
+wijze, waarop hij in Grieksche woorden e en o heeft weergegeven. Dit
+heeft echter niet verhinderd, dat Grimm, dien iedereen wel voor
+den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is
+voortgegaan ai en au als ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige
+jaar is door F. Dietrich in een afzonderlijk werkje, Die Aussprache
+des Gothischen, aangetoond, dat ai en au ook nog lang na Ulfila echte
+tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord
+en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval
+wijzigden, en dat het aannemen van ai = e en au = o toch volstrekt niet
+toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.
+
+Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige
+van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten,
+en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk,
+dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het
+Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze
+spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men
+tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth. a te gelijker tijd
+als a, e en au,--i als i, e, ei, ê, u en ch,--u als ou, o, ô enz. klonk.
+
+Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men
+zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en
+Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men
+in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van
+de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten,
+als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak,
+en niet naar grammatische regels, te werk gingen.
+
+[5] In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken
+op u, als blauw, eeuw, ruw, nieuw, rouw, enz. Daarbij gaat men
+geheel regelmatig te werk, en schrijft men de w zoowel in de
+onverbogene als in de verbogen vormen: blauw--blauwe enz., en niet
+zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één:
+leeuw, lat. leo, is de w een overgangsletter en van lateren oorsprong;
+vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de
+stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk de j in drajen enz. slechts
+een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van de w
+op het einde der lettergrepen, b. v. in uw, ruw, schuw, mouw, rouw,
+enz., die niet volkomen hetzelfde klinken als u, nu, kou en zou
+(verkortingen van koude en zoude, waarin de w niet behoort). Het een
+en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijze baaien
+enz. ten opzichte van de w niet van de gewone spelling zijn afgeweken.
+
+[6] Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig
+voorstander der gch leert, dat men de beide letters, de g zoowel als de
+ch, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard der g den keelklank
+zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs tot ch te verscherpen
+(Tijdspiegel van Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een
+hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de
+enkele ch zal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus
+met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.--De
+bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden als lachen enz.,
+met de enkele ch geschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer
+bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk
+hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn
+om de gch te behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan,
+die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan
+eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk
+de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt,
+dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v. bèdstéde spelt,
+de drie e's op drie verschillende wijzen uit: è, é en e. Hij zal dus
+dienovereenkomstig l, à, ch, e, n zeggen, en zoodoende ook zonder g den
+juisten klank treffen, evengoed als hij d, à, g, dag zegt, en niet d,
+á, g, hetgeen daag zou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.
+
+[7] Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt
+betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraak Háárlem en
+Arnhem in de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde
+uitspraak wordt zeer zeker Haarlèm en Arnhèm gezegd. In den laatsten
+naam klinkt de è wel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft
+toch altijd eene è en daalt niet tot eene geheel toonlooze e. Zoo
+spreekt men ook wel degelijk van den Hààrlèmmer Hout, niet van den
+Hààrlëmer Hout.
+
+[8] Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie
+lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aan
+juffrouw, in de tweede (§ 110) aan jufvrouw, en nu in de derde keert
+zij tot juffrouw terug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil
+van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook
+in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben
+kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen;
+in de tweede had ik aan den aandrang van Te Winkel moeten toegeven,
+op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling
+geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid,
+terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs
+het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging
+mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne
+tegenwoordige mederedacteuren, Dr. Verwijs en Dr. Cosijn, eenstemmig
+met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der
+Redactie te herstellen en de spelling met ff voorgoed aan te nemen.
+
+M. D. V.
+
+[9] Men noemt de t doorgaans eene tandletter. Wanneer men echter
+bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel
+van de tong vereischt wordt, dan zal men de benaming tongletter in
+het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.
+
+[10] Zoo vindt men b.v. »van Gods halven" in Maerlant's
+Spieg. Hist. III, 7, 25, 76; »van minen halven" in Serrure's
+Vad. Mus. I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen
+zou zijn.
+
+[11] Zie Hildebrand, Deutsches Wörterbuch, op Kraut, en Beckering
+Vinckers in Taal- en Letterb. III. 125 vlgg.
+
+[12] Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die
+de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander
+letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch
+vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de
+vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk
+ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met
+woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen:
+zie beneden, § 245.
+
+[13] De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijze lachen,
+lichaam enz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid,
+dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander
+geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat
+medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet
+door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand
+wil het regelmatige lachchen, lichchaam, evenmin zij die lagchen,
+als zij die lachen voorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en
+onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid
+beslissen, omdat andere zwegen.
+
+[14] Om geene verandering te brengen in de nommers der paragrafen,
+wordt dit toevoegsel afzonderlijk achteraan geplaatst.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De grondbeginselen der Nederlandsche
+spelling, by L. A. te Winkel
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRONDBEGINSELEN ***
+
+***** This file should be named 27335-8.txt or 27335-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/7/3/3/27335/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.