summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/26594-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '26594-8.txt')
-rw-r--r--26594-8.txt4268
1 files changed, 4268 insertions, 0 deletions
diff --git a/26594-8.txt b/26594-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..aa0da11
--- /dev/null
+++ b/26594-8.txt
@@ -0,0 +1,4268 @@
+Project Gutenberg's Twee Edellieden van Verona, by William Shakespeare
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Twee Edellieden van Verona
+
+Author: William Shakespeare
+
+Translator: Dr. L. A. J. Burgersdijk
+
+Release Date: September 11, 2008 [EBook #26594]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE EDELLIEDEN VAN VERONA ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE EDELLIEDEN VAN VERONA.
+
+
+PERSONEN:
+
+ De Hertog van Milaan, Silvia's vader.
+
+ Twee edellieden van Verona.
+ Valentijn,
+ Proteus.
+
+ Antonio, vader van Proteus.
+ Thurio, een dwaas mededinger van Valentijn.
+ Eglamour, begeleider van Silvia op haar vlucht.
+ Flink, een potsig dienaar van Valentijn.
+ Lans, een dergelijk dienaar van Proteus.
+ Panthino, bediende van Antonio.
+ De Waard, bij wien Julia vertoeft.
+ Bandieten.
+
+ Julia, bemind door Proteus.
+ Silvia, bemind door Valentijn.
+ Lucetta, Julia' s kamerjuffer.
+ Bedienden, Muzikanten.
+
+
+Het tooneel is nu in Verona, dan in Milaan, en ook op de grenzen
+van Mantua.
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Een plein in Verona.
+
+Valentijn en Proteus komen op.
+
+VALENTIJN. Staak vrij uw overreding, lieve Proteus;
+Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen.
+Ja, hield de liefde uw lente niet geketend
+Aan 't lieflijk lonken van uw aangebeed'ne,
+Dan drong ik u, veeleer te zaam met mij
+Der wijde wereld wond'ren te gaan zien,
+Dan zóó uw jeugd, in duffe droomerij
+En lendenlammen lediggang te slijten,
+Doch wijl gij mint,--blijf minnen, groei er in,
+Zooals mijn wensch zal zijn, als ik eens min.
+
+PROTEUS. Gij wilt dus gaan? Vaarwel mijn Valentijn!
+Denk aan uw Proteus, als gij op uw reizen
+Iets vreemds en recht opmerkenswaardigs ziet;
+Indien 't u goed gaat, rijze in u de wensch,
+Dat ik er bij waar'; zijt gij in gevaar,--
+Indien er ooit gevaren om u zweven,--
+Beveel uw nood dan aan mijn heil'ge beden,
+Want ik wil voor u bidden, Valentijn. 17
+
+VALENTIJN. En zeker bidden uit een liefdeboek?
+
+PROTEUS. Uit een geliefd boek, ja, zal 'k voor u bidden.
+
+VALENTIJN. Ja, uit een grondloos boek van diepe liefde,
+Hoe door den Hellespont Leander zwom.
+
+PROTEUS. Dat is een diep verhaal van dieper liefde;
+Hij stak in liefde meer dan schoenendiep.
+
+VALENTIJN. 't Is waar! in liefde steekt gij laarzendiep,
+En toch, nooit zwomt gij door den Hellespont.
+
+PROTEUS. Wat, laarzen? Pas geen Spaansche laars mij aan.
+
+VALENTIJN. Nu, 'k zeg, gij steekt in folterlaarzen.
+
+PROTEUS. Wat?
+
+VALENTIJN. Gij steekt in liefde, die voor smachten hoon,
+Met hartezuchten schuwe blikken koopt,
+Een oogwenk heils met twintig bange nachten,
+Bij zoete zege steeds een neêrlaag wint,
+Bij neêrlaag zure moeite als overwinst;
+Liefde is een dwaasheid, door vernuft gekocht,
+Of wel vernuft, door dwaasheid overmocht.
+
+PROTEUS. Gij stelt mij waarlijk als een dwaas ten toon.
+
+VALENTIJN. Gij stelt uzelven, vrees ik, dus ten toon.
+
+PROTEUS. Gij smaadt de liefde; en ik ben niet de Liefde.
+
+VALENTIJN. Liefde is uw meester, want die meestert u;
+En hij, die zoo het juk draagt van een dwaas,
+Zij, dunkt mij, bij de wijzen niet geboekt.
+
+PROTEUS. Toch staat geboekt: zooals in de' eêlsten knop
+De worm verterend huist, zoo kiest de liefde
+Verterend woning in den eêlsten geest.
+
+VALENTIJN. En 't staat geboekt: zooals de vroegste knop
+Verteerd wordt, voor 't ontluiken, door den worm,
+Zoo wordt de jonge en teed're geest door liefde
+Verkeerd in dwaasheid; in den knop verwelkt hij;
+Reeds bij het eerst ontluiken valt zijn groen
+Met al, wat ooit op vruchten kon doen hopen.
+Doch wat spil ik mijn tijd met raad aan u,
+Die u verpand hebt aan den minnewaan?
+Nog eens, vaarwel! want aan de haven wacht
+Mijn vader reeds om mij aan boord te brengen.
+
+PROTEUS. 'k Ga met u naar de haven, Valentijn.
+
+VALENTIJN. Neen, Proteus, laat ons hier nu afscheid nemen; 56
+Maar schrijf mij spoedig naar Milaan, hoe 't u
+Met uwe liefde gaat, en wat er verder
+Voor nieuws hier is in 't afzijn van uw vriend;
+En wacht van mij gelijk bezoek ten uwent.
+
+PROTEUS. Nu, alle heil geworde u in Milaan!
+
+VALENTIJN. Zoo u niet minder thuis! En nu, vaarwel!
+
+(Valentijn af.)
+
+PROTEUS. Hij jaagt naar eer en ik naar liefde; hij
+Verlaat zijn vrienden, om hen te verheffen;
+Ik, om de min, mijzelf, mijn vrienden, alles.
+Gij, Julia, hebt mij aan mijzelf ontvoerd,
+Zoodat ik niets studeer, mijn tijd verdoe,
+De wereld niets tel, goeden raad veracht,
+En, suf gedroomd, zwaarmoedig zucht en smacht.
+
+(Flink komt op.)
+
+FLINK. Vergun, heer Proteus, was mijn meester hier?
+
+PROTEUS. Hij ging juist heen, en naar Milaan aan boord.
+
+FLINK. Nu, twintig tegen een, dan is hij scheep,
+En ik, die van hem af geraakte, een schaap.
+
+PROTEUS. Ja, ja, niet zelden raakt een schaap verdwaald,
+Zoodra de scheper in het hoeden faalt.
+
+FLINK. Gij wilt dus zeggen, dat mijn meester een scheper is en ik
+een schaap?
+
+PROTEUS. Ja juist.
+
+FLINK. Dan zijn mijn horens zijn horens, of ik waak of slaap.
+
+PROTEUS. Een recht onnoozel antwoord, passend voor een schaap.
+
+FLINK. Dat maakt mij waarlijk weer tot schaap.
+
+PROTEUS. Juist, en uw meester tot scheper.
+
+FLINK. Neen, ik kan het tegenspreken met een sluitrede.
+
+PROTEUS. En ik maak mij sterk het met een andere te staven.
+
+FLINK. De scheper zoekt de schapen en niet het schaap den scheper;
+welnu, ik zoek mijn meester en niet mijn meester mij; derhalve:
+ik ben geen schaap.
+
+PROTEUS. Het schaap volgt om het voêr den scheper, de scheper niet
+om het eten 't schaap; gij volgt om loon uw meester, uw meester volgt
+u niet om loon; derhalve, gij zijt een schaap.
+
+FLINK. Nog eens zulk een sluitrede, en ik roep mè-è! 98
+
+PROTEUS. Maar hoor nu, hebt gij mijn brief aan Julia gegeven?
+
+FLINK. Ja, heer; ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar,
+een verkoren schaap; en zij, een verkoren schaap, gaf aan mij, een
+verloren schaap, niets voor mijn moeite.
+
+PROTEUS. Voor zooveel schapen is de weide wel wat te klein.
+
+FLINK. Als het veld overvol is, deedt gij het best, haar te kooien.
+
+PROTEUS. Neen, daar zijt gij aan 't dwalen; ik deed het best, u
+te schutten.
+
+FLINK. Mij beschutten, heer! met minder dan een pond voor het bezorgen
+van uw brief zal ik wel terecht komen.
+
+PROTEUS. Wat onzin! 'k meen, u in de schutkooi steken.
+
+FLINK. Mij in een kooi te steken? die vast op fooien reken!
+Die aan uw lief uw liefdebrief zoo schoon wist toe te steken!
+
+PROTEUS. Maar wat zeide zij? (Flink knikt.)
+Zij heeft geknikt, niet?
+
+FLINK. Niet geknikt? Ja.
+
+PROTEUS. Ja bij niet? dat is neen.
+
+FLINK. Gij verstaat mij verkeerd, heer; ik knikte, dat zij knikte;
+en gij vroegt mij, of zij niet geknikt had, en ik zeide van ja.
+
+PROTEUS. En niet-ja is neen.
+
+FLINK. Nu gij de moeite hebt gedaan, dit bijeen te lezen, moogt gij
+het voor uw moeite houden.
+
+PROTEUS. Neen, neen, ik neem het niet aan, en verlang meer van de
+briefbestelling te vernemen.
+
+FLINK. Nu, en ik verlang meer voor de briefbestelling te ontvangen
+en heb geen vrede met uw bestel.
+
+PROTEUS. Hoe zoo, kerel, geen vrede met mijn bestel?
+
+FLINK. Neen, heer, want ik bestelde den brief goed, en uw bestel zegt
+neen en telt mij niets toe voor mijn moeite.
+
+PROTEUS. Verduiveld, gij zijt bij de hand!
+
+FLINK. En toch kan mijn vlugge hand uw trage beurs niet machtig worden.
+
+PROTEUS. Kom, kom, doe mij kort en goed opening van de zaak; wat
+heeft zij gezegd?
+
+FLINK. Open dan uw beurs, opdat wij geld en nieuws gelijk oversteken.
+138
+
+PROTEUS. Nu man, daar hebt gij wat voor uw moeite; wat heeft zij
+gezegd?
+
+FLINK. Waarlijk, heer, ik geloof, dat gij niets van haar te hopen hebt.
+
+PROTEUS. Waarom? Hebt gij haar dit weten te ontlokken?
+
+FLINK. Neen, heer, ik heb haar volstrekt niets kunnen ontlokken; neen,
+zelfs geen onnoozelen dukaat voor het overbrengen van uw brief. En
+daar zij zoo hard voor mij was, die uwe gezindheid haar schriftelijk
+overbracht, vrees ik, dat zij even hard zal wezen voor u, als gij
+haar uwe gezindheid mondeling mededeelt. Geef haar als liefdepanden
+enkel steenen, want zij is zoo hard als staal.
+
+PROTEUS. Wat! heeft zij niets gezegd?
+
+FLINK. Neen, niet zooveel als: "Ziedaar, dat is voor uw moeite". Ik
+dank u, de grootte uwer mildheid erken ik aan deze grooten, en uit
+erkentelijkheid laat ik u in het vervolg uwe brieven zelf bestellen. En
+nu, heer, ga ik uwe groeten aan mijn meester overbrengen.
+
+PROTEUS. Ga, ga! gij zijt de veiligheid van 't schip!
+Zijt gij aan boord, dan kan het niet vergaan;
+Gij zijt voor droger dood aan land bestemd.--
+
+(Flink af.)
+
+Ik moet een beet'ren bode tot haar zenden,
+Mijn Julia, vrees ik, acht mijn regels niets,
+Die haar een knaap, zoo diep onwaardig, brengt.
+
+(Proteus af.)
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De tuin van Julia's woning.
+
+Julia en Lucetta komen op.
+
+JULIA. Maar nu, Lucetta, spreek; wij zijn alleen;
+Gij geeft mij dus den raad, verliefd te worden?
+
+LUCETTA. Ja, jonkvrouw, mits gij niet onachtzaam struikelt.
+
+JULIA. Wien uit den ganschen schoonen kring van heeren,
+Die daag'lijks met gesprekken om mij zwerven;
+Acht gij wel allermeest mijn liefde waard?
+
+LUCETTA. Ik bid u, noem hen op, dan geef ik u,
+Naar mijn onnoozel inzicht, mijne meening.
+
+JULIA. Wat dunkt u van den schoonen Eglamour?
+
+LUCETTA. Een ridder is hij, welbespraakt en fijn;
+Doch, waar' ik u, hij zou mijn man niet zijn.
+
+JULIA. Wat van dien rijken heer, Mercatio?
+
+LUCETTA. Goed van zijn geld, maar van hemzelf; zoo zoo.
+
+JULIA. En den beleefden Proteus, wat van hem?
+
+LUCETTA. Heer, heer! mijn dwaasheid brengt mij in de klem! 15
+
+JULIA. Komaan, wat schrikt en beeft gij bij zijn naam?
+
+LUCETTA. Vergeef mij, jonkvrouw, 't is, dat ik mij schaam,
+Dat ik, onwaardig schepsel, zoo losweg
+Mijn oordeel over hoofsche minnaars zeg.
+
+JULIA. Waarom van Proteus niet als van de rest?
+
+LUCETTA. Ja,--'k vind van vele goeden hem het best.
+
+JULIA. Om welke reden?
+
+LUCETTA. Ik heb geen and're, dan een meisjesreden:
+Ik vind hem zoo, omdat ik hem zoo vind.
+
+JULIA. Gij raadt mij, hem mijn liefde weg te schenken?
+
+LUCETTA. Ja, zoo gij haar niet weggeworpen acht.
+
+JULIA. Van al de rest, heeft hij mij nooit bestormd.
+
+LUCETTA. Van al de rest, mint hij u toch het meest.
+
+JULIA. Zijn zwijgen toont zijn koel en kil gemoed.
+
+LUCETTA. Het heimlijkst vuur brandt met den felsten gloed.
+
+JULIA. Hij mint niet, die door niets zijn min verraadt.
+
+LUCETTA. Hij mint niet, die er altijd door van praat.
+
+JULIA. O, las ik eens zijn hart!
+
+LUCETTA. Lees, jonkvrouw, dit papier.
+
+JULIA. "Aan Julia".--Spreek, van wien?
+
+LUCETTA. Dat vindt gij in den brief.
+
+JULIA. Nu zeg, wie gaf het u?
+
+LUCETTA. 't Was Valentijns trawant, en Proteus, denk ik, zond het.
+Hij zocht het u te geven, maar ik kwam juist daar aan,
+En nam het van hem over, vergeef mijn stout bestaan.
+
+JULIA. Nu, op mijn eer, een fraaie makelaarster!
+Gij waagt het, dart'le briefjes aan te nemen?
+Mijn jeugd, met and'ren fluist'rend, te belagen?
+Voorwaar, ik zeg u, 't is een prachtig ambt,
+En gij, zoo dunkt mij, voor dien post geknipt.
+Hier, neem den brief; bezorg hem fluks terug,
+Of, hoort gij, kom mij nooit meer onder de oogen.
+
+LUCETTA. Een minpleidooi verdient eer loon dan haat. 48
+
+JULIA. Kom, gaat gij?
+
+LUCETTA. Goed; pleeg met uzelve raad.
+
+(Lucetta af.)
+
+JULIA. Had ik dien brief toch even ingezien!
+Doch haar terug te roepen, en haar dat,
+Waarom ik keef, te vragen, gaat niet aan.
+Hoe dwaas! zij weet, dat ik een meisje ben,
+En dwingt den brief mij niet ter lezing op!
+Zij weet toch, meisjes zeggen zedig "neen",
+Maar wenschen, dat de vrager "ja" versta.
+Foei, foei! hoe grillig is die dwaze liefde!
+Die als een kregel kind de voedster krabt,
+En dan vol deemoed fluks de roede kust.
+Hoe vinnig keef ik daar Lucetta weg,
+Toen ik haar innig gaarne bij mij hield;
+Hoe toornig plooide ik mijn gelaat tot rimpels,
+Terwijl de vreugd mijn hart tot lachen dwong!
+Mijn boete zij: ik roep Lucetta weer
+En vraag haar voor mijn dwazen streek vergiff'nis.
+Heidaar! Lucetta!
+
+(Lucetta komt terug.)
+
+LUCETTA. Wat verlangt gij, jonkvrouw?
+
+JULIA. Is 't nog geen etenstijd?
+
+LUCETTA. Ik wenschte 't wel.
+Opdat ge uw moed mocht koelen op uw maal,
+En niet op uwe maagd.
+
+(Lucetta laat den brief vallen en raapt hem weer op.)
+
+JULIA. Wat hebt gij daar behoedzaam opgeraapt?
+
+LUCETTA. Ik? niets.
+
+JULIA. Gij buktet toch, waarom?
+
+LUCETTA. Om een papier,
+Dat mij ontviel.
+
+JULIA. En dat papier is niets?
+
+LUCETTA. 't Is iets, dat mij niet aangaat.
+
+JULIA. Zoo laat voor hen het liggen, wien het aangaat.
+
+LUCETTA. Het zal, voor wie het aangaat, wis niet liegen,
+Tenzij men, wat het meldt, valsch uit wil leggen.
+
+JULIA. Een liefje schreef u wis daar iets op rijm.
+
+LUCETTA. Geef gij, mejonkvrouw, mij de wijs, opdat
+Ik 't zing'; gij zet wel meer iets op muziek.
+
+JULIA. Een niets zet ik geen waarde bij; ik dank;
+Dus zing 't maar op de wijs van "Luchte liefde".
+
+LUCETTA. 't Is veel te wichtig voor zoo lucht een wijs. 84
+
+JULIA. Zoo wichtig? daarbij hoort een zware stem.
+
+LUCETTA. Toch niet; het klonk wel goed, als gij het zongt.
+
+JULIA. En waarom gij niet?
+
+LUCETTA. 't Is voor mij te hoog.
+
+JULIA. Laat zien uw vers.
+
+(Zij neemt Lucetta den brief af.)
+
+ O, gij ondeugend nest!
+
+(Zij maakt een toornig gebaar.)
+
+LUCETTA. Vat goed den toon, als gij het uit wilt zingen;
+Maar toch, die toon is lang niet naar mijn zin.
+
+JULIA. Niet naar uw zin?
+
+LUCETTA. Neen, jonkvrouw, veel te schril.
+
+JULIA. Vrijpostig nest!
+
+LUCETTA. O, nu zijt gij te laag;
+Gij dempt de hooge stem door dof gebrom;
+En bij uw zang ontbreekt nog de tenoor.
+
+JULIA. Die gaat door uw gebas geheel verloren.
+
+LUCETTA. Ja, 'k zong voor Proteus de partij wat laag.
+
+JULIA (leest den brief). Neen, 'k laat door al die praatjes mij
+niet kwellen.--
+O foei, een stapel liefdes-eeden!--Daar!--
+
+(Zij verscheurt den brief.)
+
+Gij, ga nu heen, en laat die stukken liggen;
+Zocht gij ze weer bijeen, het zou mij erg'ren.
+
+LUCETTA (onder 't heengaan). Zij houdt zich boos; maar 't deed haar
+innig goed,
+Als zulk een brief haar nog eens erg'ren kwam.
+
+(Lucetta af.)
+
+JULIA. Neen, kwam nog maar die zelfde brief mij erg'ren!
+Haathanden, gij! die liefdewoorden stukrijt!
+Den zoeten honig rooft gij, booze wespen,
+En steekt de bijen, die hem leev'ren, dood!
+'k Wil boete doen en ieder stukje kussen.
+Wat staat daar? "Zoete Julia?"--Bitt're Julia!
+Ik werp tot straf voor uw ondankbaarheid
+Uw naam hier op den harden grond en treed
+Uw wreeden trots verachtend in het stof.
+Hier staat: "de door de Min gewonde Proteus";
+Gij arme, kranke naam! mijn boezem zij
+Uw bed, totdat uw wonde gansch geheeld is;
+Ik drenk, doordring haar met een balsemkus.
+
+(Zij steekt het stukje in haar borstzak.)
+
+Twee-, driemaal staat hier Proteus' naam; o wind!
+Wees kalm en blaas geen enkel woordje weg,
+Totdat ik ieder enkel woord gespeld heb,
+Mijn naam slechts niet; dien draag een wervelwind
+Naar een afgrijslijk steile, ruwe klip,
+En stort' hem in de gramme baren neer! 122
+In éénen regel, zie, zijn naam tweemaal;
+"De mijm'raar Proteus, diep onzaal'ge Proteus,
+Aan de engel Julia";--dit scheur ik er af;
+Doch neen, dat niet, daar hij mijn naam zoo aardig
+Met zijne weeklachtnamen heeft gepaard;
+Ik wil ze vouwen, de' eenen op den and'ren;--
+Kust nu, omarmt u, kijft, doet wat gij wilt.
+
+(Lucetta komt weder op.)
+
+LUCETTA. Mejonkvrouw,
+Het eten is gereed, uw vader wacht.
+
+JULIA. Goed, gaan wij dan.
+
+LUCETTA. Wat! mogen hier die snippers blijven klappen?
+
+JULIA. Houdt gij ze in eere, goed, neem ze op en meê.
+
+LUCETTA. Zoo goed naamt gij 't niet op, toen ik ze u meebracht.
+Toch raap ik ze op; zij mochten koude vatten.
+
+JULIA. Ik zie recht goed, dat gij ze diep vereert.
+
+LUCETTA. Ja goed, mejonkvrouw, zeg maar, wat gij ziet;
+Maar ik zie ook, al denkt ge, dat ik dommel.
+
+JULIA. Kom, vlug wat! wilt gij gaan?
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in Antonio's huis.
+
+Antonio en Panthino komen op.
+
+ANTONIO. Panthino, zeg mij, welk een diep gesprek
+Hadt gij daar straks in 't klooster met mijn broeder?
+
+PANTHINO. Hij sprak van Proteus, van zijn neef, uw zoon.
+
+ANTONIO. En wat?
+
+PANTHINO. Hij stond verbaasd, dat uw genade
+Hem hier zijn jeugd verdroomen laat, terwijl
+Zoo menig ander, van gering'ren stand,
+Zijn zoon om rang en eer de wereld inzendt,
+Hetzij in de' oorlog om fortuin te zoeken,
+Hetzij om verre landen op te sporen,
+Hetzij naar scholen, waar geleerdheid huist.
+Voor de eene of and're loopbaan, of voor allen
+Was naar zijn oordeel Proteus recht geschikt;
+Hij vroeg mij, dat ik bij u aan zou dringen,
+Dat hij niet langer thuis zijn tijd verdroom';
+Het zou hem in zijn ouderdom nog rouwen,
+Wanneer hij in zijn jeugd niet had gereisd.
+
+ANTONIO. Gij hebt geen sterken aandrang noodig, 't was
+De gansche maand reeds niet uit mijn gedachten;
+Ik overwoog reeds lang zijn tijdverlies,
+En hoe hij nooit een deeg'lijk man wordt, als
+De wereld hem niet schudt en mondig maakt;
+Ervaring wordt door vlijt en moeite erlangd,
+En door den snellen gang des tijds gerijpt.
+Doch spreek, waar zou ik best hem henen zenden?
+
+PANTHINO. Het is gewis uw edelheid bewust,
+Dat thans zijn vriend, de jonge Valentijn,
+Zich in Milaan bevindt aan 's keizers hof?
+
+ANTONIO. Ik weet het, ja. 28
+
+PANTHINO. Als dan uw edelheid daarheen hem zond.
+Daar leert hem 't steekspel lans en zwaard hanteeren,
+Hij hoort er hoofsche taal, gaat om met de' adel;
+Ja, iedere oef'ning heeft hij steeds voor oogen,
+Die met zijn jeugd en zijn geboorte strookt.
+
+ANTONIO. Uw raad behaagt mij, hij is wel doordacht;
+En tot bewijs, hoezeer hij mij behaagt,
+Leg ik hem met den meesten spoed ten uitvoer,
+En maak van de' eersten besten weg gebruik,
+Om Proteus naar des keizers hof te zenden.
+
+PANTHINO. Vergun, op morgen reeds zijn Don Alfonso
+En and're hoogst aanzienlijke edellieden
+Reisvaardig om den keizer te begroeten,
+En hem hun diensten need'rig aan te bieden.
+
+ANTONIO. Voortreff'lijk; Proteus reize met hen mee;--
+En, als geroepen--; daadlijk hoor' hij 't nieuws.
+
+(Proteus komt op, een brief lezende.)
+
+PROTEUS. Zoet leven! zoete reeg'len! zoete liefde!
+Dit is haar hand, het werktuig van haar hart,
+Dit is haar liefdeseed, haar eerepand.
+O, dat nu onze vaders, door hun bijval,
+De zaligheid van onze min bezeeg'len!
+O engel Julia!
+
+ANTONIO. Zoo, gij daar? wat voor brief zijt gij aan 't lezen?
+
+PROTEUS. Vergeef mij, 't zijn een woord of twee, waarin
+Mij Valentijn zijn vriendegroeten zendt;
+Een vriend, die bij hem was, bracht dit mij over.
+
+ANTONIO. Geef mij den brief en laat mij 't nieuws eens zien.
+
+PROTEUS. Er staat geen nieuws in, heer; hij schrijft alleen,
+Dat hij gelukkig leeft, veel vrienden rijk is,
+En daag'lijks hooger stijgt in 's keizers gunst;
+Hij wenscht mij bij zich om zijn heil te deelen.
+
+ANTONIO. En gij, stemt gij ook met zijn wenschen in?
+
+PROTEUS. Ik hang, heer, enkel af van uwen wil,
+En geenszins van de wenschen van mijn vriend.
+
+ANTONIO. Mijn wil stemt vrij wel in met zijnen wensch.
+
+(Proteus kijkt verwonderd op.)
+
+Sta niet verbaasd, dat ik zoo snel besluit,
+Want wat ik wil, dat wil ik; daarmeê uit.
+Ik heb besloten, dat gij een'gen tijd
+Met Valentijn aan 's keizers hof zult toeven;
+Wat hem wordt toegelegd door zijn verwanten,
+Diezelfde som ontvangt ook gij van mij.
+Wees gij nu morgen voor de reis gereed;
+Geen tegenwerping; 't is mijn vaste wil.
+
+PROTEUS. Zoo snel, heer, kan ik niet reisvaardig zijn;
+Ik bid u, overweeg een dag of twee.
+
+ANTONIO. Wat mocht ontbreken, wordt u nagezonden;
+Dus geen vertraging; morgen moet gij gaan.--
+Kom mee, Panthino, ik behoef uw hulp
+Om spoed te maken met die reis.
+
+(Antonio en Panthino af.)
+
+PROTEUS. Zoo bleef ik, bang voor branden, ver van 't vuur,
+Maar stortte me in de zee, waar ik verdronk.
+Mijn vader wilde ik Julia's brief niet toonen,
+Uit vreeze voor belemm'ring in mijn liefde,
+Maar, met behulp juist van mijn eigen uitvlucht,
+Belemmert hij veel meer dan ooit mijn liefde.
+O, hoe gelijkt toch deze liefdelente
+Op eens Aprildags onbetrouwb're pracht;
+In volle schoonheid straalt de zon een oogwenk,
+Daar komt een wolk en 't is stikdonk're nacht!
+
+(Panthino komt weder op.)
+
+PANTHINO. Uw vader, heer, verlangt met u te spreken,
+En hij is zeer gehaast; ik bid u, ga.
+
+PROTEUS. Helaas, zoo is 't; al wil mijn hart ook breken,
+Al klopt het "neen", ik moet toch zeggen "ja".
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Milaan. Een kamer in 's Hertogs paleis.
+
+Valentijn en Flink komen op.
+
+FLINK. Uw handschoen, heer.
+
+VALENTIJN. De mijne heb ik aan, die hoort mij niet.
+
+FLINK. Als gij hem ziet, heer, zingt ge een ander lied.
+
+VALENTIJN. Laat zien!--ja geef; 't is mijn bezit, mijn buit!--
+Lief sieraad, dat een godd'lijk iets omsluit!
+Ach Silvia! Silvia!
+
+FLINK. Jonkvrouw Silvia! jonkvrouw Silvia!
+
+VALENTIJN. Wat moet dat, knaap?
+
+FLINK. Zij is niet te beroepen, heer.
+
+VALENTIJN. Wie gaf u last, knaap, haar te roepen?
+
+FLINK. Uw edelheid zelf, of ik begreep het verkeerd. 10
+
+VALENTIJN. Genoeg; gij zijt toch altijd te voorbarig.
+
+FLINK. En laatst werd ik bekeven, omdat ik altijd te langzaam was.
+
+VALENTIJN. Loop heen, gij! Zeg mij, kent gij jonkvrouw Silvia?
+
+FLINK. Waar uw edelheid op verliefd is?
+
+VALENTIJN. En, hoe weet gij, dat ik verliefd ben?
+
+FLINK. Hoe? wel, aan deze bijzondere kenteekenen. Vooreerst hebt gij
+geleerd, evenals uw vriend Proteus uw armen over elkaâr te slaan
+als een onvergenoegde; u aan een liefdeliedje te goed te doen als
+een roodborstje; in uw eentje rond te wandelen als iemand, die de
+pest heeft gehad; te zuchten als een schooljongen, die zijn A-B-boek
+verloren heeft; te weenen als een jonge meid, die haar grootmoeder
+begraven heeft; te vasten als iemand, die de hongerkuur moet doorstaan;
+te waken als iemand, die voor diefstal beducht is; met een grienstem
+te spreken als een bedelaar op Allerheiligen. Vroeger waart ge gewoon,
+bij het lachen als een haan te kraaien; bij uw wandelen als een leeuw
+te stappen; niet te vasten, dan dadelijk na den maaltijd; en niet
+treurig te kijken, dan als gij geldgebrek hadt; maar nu heeft een
+liefje u zoo veranderd, dat, als ik u aanzie, ik u nauwelijks voor
+mijn meester kan houden.
+
+VALENTIJN. En is dat alles in mij op te merken?
+
+FLINK. Iedereen merkt het op buiten u.
+
+VALENTIJN. Buiten mij? onmoog'lijk.
+
+FLINK. Buiten u? Niets is zekerder, want buiten u is en zal niemand
+zoo argeloos zijn; maar gij zijt zoo buiten uzelf van die dwaasheden,
+dat die dwaasheden in u zijn en door u heenschijnen als het water in
+een urinaal, zoodat geen oog u kan aanzien, of het wordt een dokter,
+die uw kwaal herkent. 43
+
+VALENTIJN. Maar zeg mij, kent gij mijn jonkvrouw Silvia?
+
+FLINK. Die, waar gij zoo op staart, als zij aan tafel zit?
+
+VALENTIJN. Hebt gij dat opgemerkt? die meen ik, ja.
+
+FLINK. Neen, heer, ik ken haar niet.
+
+VALENTIJN. Wat? kent gij haar door mijn aanstaren en toch kent gij
+haar niet?
+
+FLINK. Is zij niet verbazend leelijk, heer?
+
+VALENTIJN. Neen, knaap, zij is schoon, maar met meer dan met schoonheid
+begunstigd.
+
+FLINK. Nu, heer, dit weet ik zeer goed.
+
+VALENTIJN. Wat weet gij?
+
+FLINK. Dat zij niet zoozeer schoon is, als wel, door u, begunstigd.
+
+VALENTIJN. Ik acht haar schoonheid uitgelezen, maar haar andere
+gaven onvolprezen.
+
+FLINK. Ja, omdat de eerste geschilderd is en het andere buiten
+schatting blijft.
+
+VALENTIJN. Wat geschilderd, en waarom buiten schatting?
+
+FLINK. Wel, heer, zij schildert zich zoo om mooi te zijn, dat niemand
+haar schoonheid kan schatten.
+
+VALENTIJN. Waar houdt gij mij dan voor? ik schat haar schoonheid
+zeer hoog.
+
+FLINK. Gij hebt haar nooit gezien, sinds zij zoo misvormd is geworden.
+
+VALENTIJN. Sinds wanneer is zij misvormd geworden?
+
+FLINK. Van 't oogenblik af, dat gij verliefd op haar werdt.
+
+VALENTIJN. Ik werd op haar verliefd van 't oogenblik af, dat ik haar
+zag, en ik zie haar nog steeds even schoon.
+
+FLINK. Als gij op haar verliefd zijt, kunt gij haar niet zien.
+
+VALENTIJN. Waarom niet?
+
+FLINK. Omdat de liefde blind is. O, hadt gij mijn oogen, of hadden
+uw oogen nog de scherpte van vroeger, toen gij uw vriend Proteus den
+mantel placht uit te vegen, omdat hij zijn hoosbanden vergat vast
+te maken!
+
+VALENTIJN. Wat zou ik dan zien? 80
+
+FLINK. Uw eigen tegenwoordige dwaasheid en haar verbazende leelijkheid;
+want toen hij verliefd was, kon hij zijn hoosbanden niet zien vast
+te strikken, en gij kunt, sinds gij verliefd zijt, uwe hozen niet
+zien aan te trekken.
+
+VALENTIJN. Dan zijt gij, knaap, naar het schijnt, ook verliefd,
+want gisteren morgen kondt gij mijn schoenen niet zien te poetsen.
+
+FLINK. Dat is ook zoo, heer; ik was verliefd op mijn bed. Ik ben u
+dankbaar, dat gij mij de ooren gewasschen hebt om mijn verliefdheid,
+want dit geeft mij te meer hart om u door te halen voor de uwe.
+
+VALENTIJN. Kort en goed, ik ga geheel in liefde voor haar op.
+
+FLINK. Dan wenschte ik wel, dat gij ondergingt, want dan was het met
+uw verliefdheid uit.
+
+VALENTIJN. Gisteren avond droeg zij mij op, eenige regels te schrijven
+aan iemand, dien zij bemint.
+
+FLINK. En hebt gij het gedaan?
+
+VALENTIJN. Ja zeker.
+
+FLINK. En hebt gij ze niet kreupel geschreven?
+
+VALENTIJN. Neen, knaap, zoo goed als ik maar kan.--Stil! daar komt
+zij aan.
+
+FLINK (ter zijde). O prachtig marionettenspel! o uitnemende
+draadpop! Zoo dadelijk gaat hij haar eigen rol voor haar opzeggen.
+
+(Silvia komt op.)
+
+VALENTIJN. Mejonkvrouw en gebiedster, duizend goede morgens!
+
+FLINK (ter zijde). O, ik wensch u goede nacht; een millioen
+plichtplegingen volgt.
+
+SILVIA. Heer Valentijn, mijn dienaar, u twee duizend.
+
+Flink (ter zijde). Hij moest haar intrest geven en zij is 't,
+die het hèm doet.
+
+VALENTIJN. 'k Volbracht uw last en heb uw brief geschreven
+Aan uw geheimen, nameloozen vriend;
+Ik deed het recht ongaarne, doch ik deed het,
+Alleen uit plichtsgevoel voor u, gebiedster.
+
+(Hij stelt haar een brief ter hand.)
+
+SILVIA. Dank, eed'le dienaar!--'t Is een schrijversproefstuk.
+
+VALENTIJN. Geloof mij, jonkvrouw, 't ging mij moeilijk af;
+Want onbewust, aan wien het was gericht,
+Schreef ik als in den blinde, zeer onzeker.
+
+SILVIA. Dus, zoo veel moeite denkt gij al teveel?
+
+VALENTIJN. Neen, jonkvrouw, is 't u dienstig, ik zal schrijven,
+Zoo gij 't gebiedt, wel duizendmaal zoo veel;
+En toch,--121
+
+SILVIA. 't Is fraai gezegd. Ik gis nu wel, wat volgt;
+En toch, ik zeg het niet;--en toch, 't behoeft niet;--
+En toch, neem dit terug;--en toch, ik dank u
+En roep voortaan uw diensten niet meer in.
+
+FLINK (ter zijde). En toch, dat zult gij wel, en toch, en toch,--
+
+VALENTIJN. Wat meent gij, jonkvrouw? vindt gij dit niet goed?
+
+SILVIA. O ja, 't zijn regels, keurig in hun soort,
+Maar toch, ongaarne deedt gij 't, neem ze weer;
+Neem, neem het.
+
+VALENTIJN. Jonkvrouw, 't is voor u geschreven.
+
+SILVIA. Ja, ja, gij schreeft dit, heer, op mijn verzoek;
+Maar ik begeer het niet; het is voor u;
+Ik had nog meer gevoel er in gewenscht.
+
+VALENTIJN. Beveel slechts, en ik schrijf een and'ren brief.
+
+SILVIA. Zoo lees ook, is hij af, hem voor mij over;
+Bevalt hij u, nu goed; zoo niet, ook goed.
+
+VALENTIJN. En als hij, jonkvrouw, mij bevalt, wat dan?
+
+SILVIA. Bevalt hij u, wel, houd hem voor uw moeite.
+En nu, mijn dienaar, goeden morgen!
+
+(Silvia af.)
+
+FLINK. O diepverholen scherts, onzichtbaar, nooit in 't licht
+Gelijk op een toren het haantje, de neus op iemands gezicht!
+Mijn heer maakt haar het hof, zij neemt hem in de leer;
+Zijn les is, hoe de leerling haar meester wordt en heer.
+O allerliefste nieuwe vond, haar zelve tot nut en gerief,
+Dat mijn meester, haar tot schrijver, zichzelven moet schrijven
+een brief!
+
+VALENTIJN. Hoe is het, man, wat praat gij met uzelf?
+
+FLINK. Ik maakte een rijmpje, heer; het praten is aan u.
+
+VALENTIJN. Het praten?
+
+FLINK. Ja, om de woordvoerder te zijn voor jonkvrouw Silvia.
+
+VALENTIJN. Tot wien? 153
+
+FLINK. Tot uzelf. Overdrachtelijk maakt zij u het hof.
+
+VALENTIJN. Overdrachtelijk?
+
+FLINK. Of letterlijk, moest ik zeggen, door een brief.
+
+VALENTIJN. Wel, heeft zij dan aan mij geschreven?
+
+FLINK. Waarom zou zij dat, als zij u aan uzelf heeft doen
+schrijven? Wat! merkt gij de grap nog niet?
+
+VALENTIJN. Geloof mij, neen.
+
+FLINK. 't Is van u niet te gelooven, heer; maar hebt gij dan haar
+ernst niet opgemerkt?
+
+VALENTIJN. Neen, niets van ernst, dan juist een toornig woord.
+
+FLINK. Wel, zij heeft u een brief gegeven.
+
+VALENTIJN. Den brief, door mij geschreven aan haar vriend.
+
+FLINK. En dien brief heeft zij besteld en daarmee uit.
+
+VALENTIJN. O ware 't inderdaad niets ergers!
+
+FLINK. Ik sta u borg, zoo is het, en niet anders;
+Gij schreeft wel vaak aan haar een brief, maar zij, uit zedigheid,
+Of moog'lijk wel uit tijdsgebrek, gaf zelf u geen bescheid;
+Of, bang, dat, zoo ze een bode nam, er niets geheim zou blijven,
+Heeft zij recht slim haar lief geleerd, haar liefste een brief te
+schrijven.
+
+Ik praat daar als een boek, want ik heb dit uit een boek.--Wat staat
+gij te mijmeren, heer? 't is etenstijd.
+
+VALENTIJN. Ik heb gegeten.
+
+FLINK. Ja, maar hoor toch, heer; al kan de kameleon Liefde van de
+lucht leven, ik ben iemand, die mijn spijs en drank moet hebben,
+en verlang naar een maal. O wees niet als uw gebiedster! laat u
+bewegen! laat u bewegen!
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Verona. Een vertrek in Julia's huis.
+
+Proteus en Julia komen op.
+
+PROTEUS. Wees kalm, wees kalm, mijn lieve Julia!
+
+JULIA. Ik moet, ik kan er niets aan doen.
+
+PROTEUS. Zoodra 't mij moog'lijk is, keer ik terug.
+
+JULIA. Is ommekeer u vreemd, te vroeger keert gij. Hier, neem, en
+blijf uw Julia steeds gedenken.
+
+(Zij geeft hem een ring.)
+
+PROTEUS. Dank! maar in ruil, neem dit, en leef in hoop.
+
+(Hij geeft haar een ring.)
+
+JULIA. En zegel met een heil'gen kus den koop.
+
+PROTEUS. Hier is mijn hand, als pand van eeuw'ge trouw; 8
+Glipt mij op een'gen dag een uur voorbij,
+Waarin ik niet om u, mijn Julia, zucht,
+Dan straffe voor vergetelheid in liefde
+Mij 't volgend uur met zware ramp en nood!
+Mijn vader wacht mij reeds; neen, antwoord niet!
+Het is nu vloed; 'k meen niet uw tranenvloed;
+Die vloed zou mij voorbij mijn tijd doen toeven.
+Julia, vaarwel!--
+
+(Julia af.)
+
+ Zij ging? en sprak geen woord?
+Ja, zoo doet trouwe liefde; zwijgen moet zij,
+Want daden zijn de tooi der trouw, niet woorden.
+
+(Panthino komt op.)
+
+PANTHINO. Gij wordt gewacht, heer.
+
+PROTEUS. Ga; ik kom, ik kom!--
+Ach, scheiden, scheiden maakt gelieven stom!
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een straat.
+
+Lans komt op met een hond aan een touw.
+
+LANS. Neen, ik heb zeker in een uur niet gedaan met schreien; al de
+Lansen hebben dit zelfde gebrek. Ik heb mijn proportie ontvangen als
+de verloopen zoon, en ga met signore Proteus naar het keizershof. Ik
+geloof, dat Krab, mijn hond, wel de hardvochtigste hond is van alle
+honden op Gods aardbodem: mijn moeder aan het schreien, mijn vader aan
+het jammeren, mijn zuster aan het grienen, onze meid aan 't janken,
+onze kat aan 't handenwringen, en heel ons huis in de grootste
+ontsteltenis,--maar dat wreedaardige beest,--het vergoot zelfs geen
+enkelen traan! Hij is een steen, een echte keisteen, en er zit in hem
+niet meer medelijden dan in een hond; een jood zou geweend hebben, als
+hij ons afscheid gezien had; ja, mijn grootje, die geen oogen heeft,
+ziet ge, schreide haar oogen blind bij mijn vertrek. Wacht, ik zal
+u eens vertoonen hoe het toeging. Deze schoen is mijn vader;--neen,
+neen, die linkerschoen is mijn moeder;--neen, dat gaat toch ook niet,
+evenmin;--ja toch, zoo is het, die is het meest versleten. Die schoen,
+met dat gaatje, is mijn moeder, en deze hier is mijn vader. Voor den
+duivel, ja, zoo is het. Nu, vriend, die stok is mijn zuster, want,
+ziet ge, ze is zoo wit als een lelie en zoo dun als een wilgerijs; die
+hoed is Naan, onze meid; ik ben de hond;--neen, de hond is zichzelf
+en ik ben de hond;--och, de hond, dat ben ik, en ik ben mijzelf: ja,
+ja, zoo is 't. Nu ga ik naar mijn vader; "Vader, uw zegen"; nu kan die
+schoen geen woord spreken van wege het schreien; nu ga ik mijn vader
+kussen; goed, hij schreit al door. Nu ga ik naar mijn moeder;--o, kon
+zij nu maar spreken als een radelooze vrouw!--goed, ik kus haar; ha,
+daar is het, mijn moeders adem op en top! Nu ga ik naar mijn zuster;
+let eens op, hoe zij bulkt! Nu, de hond vergiet al dien tijd door
+geen enkelen traan, en spreekt geen woord; maar ziet eens, hoe ik
+het stof vastleg met mijn tranen.
+
+(Panthino komt op.)
+
+PANTHINO. Lans, vlug, vlug, scheep! uw meester is lang aan boord,
+en gij zult hem moeten naroeien. Wat is er? waarom schreit gij,
+man? Vooruit, gij ezel; de vloed ontgaat u, als gij sammelt; het
+tij verloopt.
+
+LANS. Mijnentwege mag het mij ontloopen, ik laat het betijen, want
+hardvochtiger is er niet; de vloed komt nooit!
+
+PANTHINO. De vloed komt nooit?
+
+LANS. Neen, geen tranenvloed bij het tuig aan dit touw, bij Krab
+mijn hond.
+
+PANTHINO. Zwijg, kerel, ik zeg, dat de vloed u ontgaat; en als de
+vloed u ontgaat, dan ontgaat u de reis; en als de reis u ontgaat,
+dan verliest gij uw meester; en als gij uw meester verliest, dan
+verliest gij uw dienst; en als gij uw dienst verliest,--Waarom houdt
+gij mijn mond dicht?
+
+LANS. Ik ben bang, dat gij uw tong nog verliest.
+
+PANTHINO. Hoe zou ik mijn tong verliezen?
+
+LANS. Door dat gesnap.
+
+PANTHINO. Dan is 't door dien Krab.
+
+LANS. Het tij verliezen, en de reis, en mijn meester en mijn
+dienst,--en dit tuig behouden! Wel, man, geloof mij, als de stroom
+droog was, zou ik in staat zijn hem met mijn tranen weer te vullen;
+en als de wind was gaan liggen, zou ik de boot met mijn zuchten
+kunnen voortblazen.
+
+PANTHINO. Kom mee, kerel, kom nu; ik ben uitgestuurd, omdat gij niet
+kwaamt opdagen.
+
+LANS. Wel, man, daag mij dan uit, als gij durft.
+
+PANTHINO. Wilt gij komen of niet?
+
+LANS. Ja, ik kom.
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Milaan. Een zaal in het paleis van den Hertog.
+
+Valentijn, Silvia, Thurio en Flink komen op.
+
+SILVIA. Dienaar!
+
+VALENTIJN. Gebiedster!
+
+FLINK. Meester, Signore Thurio kijkt u donker aan.
+
+VALENTIJN. Ja, knaap, uit liefde.
+
+FLINK. Maar niet tot u.
+
+VALENTIJN. Tot mijn gebiedster dan.
+
+FLINK. Gij moest hem eens op 't jak komen.
+
+(Flink af.)
+
+SILVIA (tot Valentijn). Dienaar, gij zijt ontstemd.
+
+VALENTIJN. In waarheid, jonkvrouw, ik heb er den schijn van.
+
+THURIO. Gij schijnt dus, wat gij niet zijt?
+
+VALENTIJN. Misschien wel.
+
+THURIO. Dat doen namaaksels.
+
+VALENTIJN. Dat doet gij.
+
+THURIO. Wat schijn ik dan, dat ik niet ben?
+
+VALENTIJN. Wijs.
+
+THURIO. Welk bewijs hebt gij voor het tegendeel?
+
+VALENTIJN. Uw dwaasheid.
+
+THURIO. En waarin ziet gij mijn dwaasheid?
+
+VALENTIJN. In uw baaitje.
+
+THURIO. Mijn baaitje! een dubbel gevoerd wambuis!
+
+VALENTIJN. Goed, dan moogt gij een verdubbelde dwaas zijn.
+
+THURIO. Wat!
+
+SILVIA. Wat, Signore Thurio, toornig? gij verandert van kleur?
+
+VALENTIJN. Laat hem maar, jonkvrouw; hij is een soort van kameleon.
+
+THURIO. Die meer lust heeft, zich aan uw bloed te goed te doen,
+dan in uw lucht te leven.
+
+VALENTIJN. Gij hebt gesproken, heer.
+
+THURIO. En gedaan ook, heer, voor ditmaal.
+
+VALENTIJN. Ik ken dat, heer; gij hebt altijd gedaan, eer gij begonnen
+zijt. 32
+
+SILVIA. Een fraai geweervuur van woorden, edele heeren; en wakker
+losgebrand!
+
+VALENTIJN. Dat is zoo, jonkvrouw, dank aan wie het gaf.
+
+SILVIA. Wie is dat, dienaar?
+
+VALENTIJN. Gijzelf, lieve jonkvrouw, gij toch gaaft het vuur. Signore
+Thurio borgt zijn geest van uwer edelheid blikken, en verspilt,
+wat hij borgt, recht minzaam in uw tegenwoordigheid.
+
+THURIO. Als gij, heer, u aan een woordenwisseling met mij waagt,
+zal ik al uw geest bankroet maken.
+
+VALENTIJN. Ik weet wel, heer, gij hebt een schatkist vol woorden,
+en, naar ik geloof, geen andere munt om uw dienaars te betalen,
+want men mag uit hun kale livereien vermoeden, dat zij van uw kale
+woorden moeten leven.
+
+SILVIA. Genoeg, edele heeren, niet meer! Daar komt mijn vader.
+
+(De Hertog komt op.)
+
+HERTOG. Zoo, dochter Silvia, wel wordt gij bestormd!
+Heer Valentijn, uw vader is gezond;
+Wat zoudt gij zeggen van een brief van huis,
+Vol goede tijding?
+
+VALENTIJN. Recht dankbaar, vorst, zal ik
+Voor ieder blij bericht van ginds mij toonen.
+
+HERTOG. Nu, kent gij Don Antonio, uwen landsman?
+
+VALENTIJN. Ja, beste vorst, ik ken dien edelman,
+Als hoog in waarde en aanzien, en die tevens
+Niet onverdiend zijn schoonen naam bezit.
+
+HERTOG. En heeft hij niet een zoon?
+
+VALENTIJN. Ja, beste vorst, een zoon, die wel verdient,
+Dat elk hem, als zijn' vader, acht en eert.
+
+HERTOG. Gij kent hem goed?
+
+VALENTIJN. Ik ken hem als mijzelven, want wij gingen
+Van kindsbeen af te zamen op en neer;
+Ikzelf was traag, een doeniet, die de gunst
+Des eed'len tijds verzuimde, om mijnen leeftijd
+In der volmaaktheid eng'lenkleed te hullen,
+Terwijl Signore Proteus,--want zoo heet hij,--
+Zich altijd ieder uur ten nutte maakte;
+In jaren jong, doch in ervaring oud, 69
+Met overjeugdig brein, doch rijp in oordeel,
+Is hij, kortom,--want hoe ik hem ook prijze,
+Mijn lof schiet bij zijn waarde ver te kort--
+Volkomen, zoo van lichaam als van geest,
+Door alles, wat een edelman kan aad'len.
+
+HERTOG. Voorwaar, hij is, rechtvaardigt hij uw lof,
+De liefde waardig van een keizerin,
+En in eens keizers raadzaal op zijn plaats.
+Welnu, die edelman kwam juist tot mij,
+Door mannen van gezag mij aanbevolen,
+Om een'gen tijd te toeven aan mijn hof.
+Ik denk, dat u die tijding welkom is.
+
+VALENTIJN. Als iets mij hier te wenschen bleef, hij was 't.
+
+HERTOG. Zoo heet hem naar zijn waarde welkom hier.
+'k Zeg, Silvia, dit tot u, en u, heer Thurio;--
+Want Valentijn heb ik niet aan te manen.
+Ik zend hem oogenblikk'lijk naar u toe.
+
+(De Hertog af.)
+
+VALENTIJN (tot Silvia). 't Is, jonkvrouw, de edelman, die, naar
+ik zeide,
+Met mij gegaan waar', had niet zijn gebiedster
+Hem de oogen in kristallen blik geboeid.
+
+SILVIA. Dan liet zij zeker nu zijn oogen vrij,
+En eischte een ander pand van trouw er voor.
+
+VALENTIJN. Neen, zeker, 'k gis, zij hield ze nog in boei.
+
+SILVIA. Dan waar' hij immers blind; en is hij blind,
+Hoe vond hij dan zijn weg naar hier tot u?
+
+VALENTIJN. O, Liefde heeft wel twintig oogenparen.
+
+THURIO. Toch zegt men: Liefde heeft geen enkel oog.
+
+VALENTIJN. Voor zulke minnaars, ja, als gij zijt, Thurio;
+Voor wat haar niet behaagt, sluit ze allen toe.
+
+(Proteus komt op.)
+
+SILVIA. Genoeg! genoeg!--Hier komt uw edelman.
+
+VALENTIJN. Welkom, mijn Proteus!--Geef, mejonkvrouw, 'k bid u,
+Dit welkom kracht door uw bijzond're gunst.
+
+SILVIA. Zijn waarde waarborgt hem zijn welkom hier.
+Als hij 't is, waar gij vaak bericht van wenschtet.
+
+VALENTIJN. Hij is 't, gebiedster. Kies hem, eed'le jonkvrouw,
+Om met mij aan uw dienst zich toe te wijden.
+
+SILVIA. 'k Ben geen gebiedster, zulk een dienaar waardig. 106
+
+PROTEUS. Ik, eed'le jonkvrouw, ben te onwaardig dienaar,
+Dan dat uw hoogheid mij een blik vereer'.
+
+VALENTIJN. O, staakt dit spreken van onwaardigheid!
+Neem, eed'le jonkvrouw, hem als dienaar aan.
+
+PROTEUS. Mijn een'ge roem zal wezen, u te dienen.
+
+SILVIA. Geen dienaar derft zijn loon. Dus, dienaar! ik,
+Onwaardige gebiedster, heet u welkom.
+
+PROTEUS. Wie buiten u zoo spreekt, verweer' zijn leven!
+
+SILVIA. Die welkom heet?
+
+PROTEUS. Die u onwaardig heet.
+
+(Een Dienaar komt op.)
+
+DIENAAR. De vorst, uw vader, jonkvrouw, wil u spreken.
+
+SILVIA. Ik kom onmidd'lijk.--
+
+(Dienaar af.)
+
+ Kom, Signore Thurio,
+Verzel mij.--Nogmaals welkom, nieuwe dienaar;
+'k Verlaat u, dat gij 't nieuws van huis bespreekt,
+En hoop u, is dit afgedaan, te zien.
+
+PROTEUS. Wij wachten samen op uw edelheid.
+
+(Silvia en Thurio af.)
+
+VALENTIJN. Nu, spreek, hoe gaat het allen ginds te huis?
+
+PROTEUS. Al de uwen goed; zij laten zeer u groeten.
+
+VALENTIJN. En ook bij u is 't wel?
+
+PROTEUS. Gezond en wel.
+
+VALENTIJN. Hoe gaat het uw gebiedster, en uw liefde?
+
+PROTEUS. Als ik van liefde sprak, gingt gij aan 't geeuwen;
+Ik weet, van liefdepraatjes houdt gij niet.
+
+VALENTIJN. Dat was zoo, Proteus, anders is het nu.
+Zwaar moest ik boeten, dat ik Amor smaadde;
+Zijn hooge vorstenwil heeft mij gestraft,
+Met bitter vasten, met berouwvol stenen,
+Met tranen 's nachts, met hartezuchten daags;
+Als straffe voor mijn smaad heeft Amor mij
+Den slaap verjaagd van de onderworpen oogen,
+Hen wakers bij mijn harteleed gemaakt.
+Mijn Proteus! Amor is een machtig heerscher;
+Zoo ben ik thans zijn slaaf, dat ik belijd:
+Geen leed komt zijne tuchtiging nabij,
+Maar ook, geen and're vreugd op aard zijn dienst!
+Thans, geen gesprek meer, dan van liefde alleen;
+Mijn ochtend-, middag-, avondmaal, mijn slaap,
+Ja, alles is mij 't enkel woordje "Liefde".
+
+PROTEUS. Genoeg; ik lees uw noodlot in uw oog.
+En zij was de afgod, die ge aldus vereert?
+
+VALENTIJN. Ja, zij; en is zij niet een hemelsche engel? 145
+
+PROTEUS. Neen, maar zij is een stoff'lijk evenbeeld.
+
+VALENTIJN. O, noem haar godd'lijk.
+
+PROTEUS. Vleien wil 'k haar niet.
+
+VALENTIJN. O, vlei dan mij, want lof verrukt de liefde.
+
+PROTEUS. Mij gaaft gij, toen ik krank was, bitt're pillen,
+En ik verorden u dezelfde kuur.
+
+VALENTIJN. Spreek dan toch waarheid; noem haar, zoo niet godd'lijk,
+Een macht, een overheid uit de eng'lenschaar,
+Het hoogste wezen, dat op aarde leeft.
+
+PROTEUS. Op Julia na.
+
+VALENTIJN. Mijn waarde, op niemand na,
+Tenzij gij mijne keus te na wilt komen.
+
+PROTEUS. Moet ik niet eer mijn liefste hooger stellen?
+
+VALENTIJN. Ik help u om haar hooger te doen stijgen;
+Eén voorrecht boven allen zij haar deel:
+Mijn liefste's sleep te dragen, opdat de aarde,
+Laag stof, aan haar gewaad geen kus ontsteel',
+En, door zoo groote gunst van trots vervuld,
+Geen zomerknop meer voede en zwellen doe,
+En ruwen winter eeuwig duren laat.
+
+PROTEUS. O, welk een grootspraak is dit, Valentijn!
+
+VALENTIJN. Vergeef mij, Proteus; wat ik zeg, is niets
+Bij haar; wat waarde heeft, wordt niets bij haar;
+Ze is eenig.
+
+PROTEUS. Nu, zoo laat haar eenig blijven.
+
+VALENTIJN. Om heel de wereld niet. Vriend, ze is de mijne,
+En ik, nu 'k dit juweel bezit, zoo rijk
+Als twintig zeeën, ware 't zand ook paarlen,
+Het water nectar, louter goud de rotsen.
+Vergeef mij, dat ik thans aan u niet denk;
+Gij ziet, hoe mij mijn liefde gansch vervult.
+Die dwaas, mijn mededinger, dien haar vader,
+Alleen omdat hij rijk is, voor haar wenscht,
+Is met haar meegegaan; ik moet hen volgen,
+Want liefde is vol, niet waar? van ijverzucht.
+
+PROTEUS. En zij mint u? 178
+
+VALENTIJN. Ja, en wij zijn verloofd; nog meer, het uur
+Van 't huw'lijk en het sluwe plan ter vlucht
+Bepaald, hoe ik haar venster moet beklimmen,
+De touwen ladder klaar, en alle midd'len
+Tot mijn geluk ontworpen, afgesproken.
+Kom, beste Proteus, met mij op mijn kamer,
+Om met uw goeden raad mij bij te staan.
+
+PROTEUS. Ga gij vooruit, ik zal den weg wel vragen;
+Ik moet nu naar de reede, om van mijn reisgoed
+Nog iets te ontschepen, dat ik noodig heb,
+Maar dan ben ik terstond tot uwen dienst.
+
+VALENTIJN. Gij zult u haasten?
+
+PROTEUS. Zeker.
+
+(Valentijn af.)
+
+Gelijk een gloed een and'ren gloed verdringt,
+Een spijker met geweld een and'ren uitdrijft,
+Zoo is de heug'nis van mijn vroeg're min
+Nu door een nieuwen aanblik gansch verdoofd.
+Is 't nu mijn oog, de lof van Valentijn,
+Haar hooge waarde, of mijne valsche wuftheid,
+Die mij, gansch reed'loos, zulke reed'nen ingeeft?
+Schoon is zij, schoon ook Julia, die ik min,--
+Neen minde, want mijn min is weggesmolten,
+En toont, zooals een wassen beeld bij 't vuur,
+Geen spoor meer van de vroeg're wezenstrekken.
+Mij dunkt, voor Valentijn ook ben ik koud,
+En ik bemin hem niet zooals eertijds;
+Doch veel, ja al te veel min ik zijn schoone,
+Daarom bemin ik hem zoo weinig meer.
+Hoe zal ik, meer haar kennend, haar vergoden,
+Als ik niet kennend, haar reeds zóó bemin?
+Thans zag ik nog alleen haar beelt'nis; die
+Heeft reeds mijn licht der rede dof geschenen;
+Doch als ik eens haar volle waarde erken,
+Dan helpt geen rede meer en ik word blind.
+Kan ik mijn dolend minnen teug'len, goed;
+Zoo niet, geen rust, eer zij me als gade groet.
+
+(Proteus af.)
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een straat.
+
+Flink en Lans komen op, en ontmoeten elkander.
+
+FLINK. Lans! op mijn eerlijkheid, welkom in Milaan!
+
+LANS. Doe geen valschen eed, beste jongen, want ik ben niet welkom. Ik
+reken dit altijd: een mensch is niet eer verloren, dan als hij gehangen
+wordt, en ook niet eer ergens welkom, dan als hij een zeker gelag
+heeft betaald, en de waardin zegt: "welkom!"
+
+FLINK. Kom dan, gij zotskap, ik wil dadelijk met u naar 't bierhuis,
+waar gij voor een gelag van vijf stuivers wel vijf duizend welkoms
+zult hebben. Maar, kerel, hoe was het afscheid van uw meester en
+jonkvrouw Julia?
+
+LANS. Nu, nadat zij in allen ernst het eens geworden waren, zijn zij
+recht teeder in scherts gescheiden.
+
+FLINK. Maar zal zij hem trouwen?
+
+LANS. Neen.
+
+FLINK. Wat dan? zal hij haar trouwen?
+
+LANS. Ook niet.
+
+FLINK. Wat, is het met hen niet in orde?
+
+LANS. Wel zeker, zij zijn alle beiden zoo gezond als een visch.
+
+FLINK. Nu, hoe staat het dan met hen?
+
+LANS. Wel, als het bij hem goed staat, dan staat het goed voor haar.
+
+FLINK. Wat zijt gij toch voor een ezel! Er is bij u nergens achter
+te komen.
+
+LANS. Wat zijt gij toch voor een domkop, dat gij dat niet kunt. Mijn
+stok kan er wel achter komen.
+
+FLINK. Wat gij zegt!
+
+LANS. Ja, en wat ik doe ook. Zie maar, nu leun ik, en mijn stok is
+achter mij.
+
+FLINK. Ja, 't is waar, hij staat achter u.
+
+LANS. Nu er achter komen en er achter zijn is een en hetzelfde.
+
+FLINK. Maar zeg mij nu in allen ernst, komt het tot een huwelijk?
+
+LANS. Vraag het mijn hond: als hij "ja" zegt, dan gebeurt het; als
+hij kwispelstaart en niets zegt, dan gebeurt het.
+
+FLINK. Dus het gebeurt op alle manieren.
+
+LANS. Zulk een geheim zult gij nooit uit mij krijgen, dan door een
+gelijkenis.
+
+FLINK. Mij goed, als ik het er zoo maar uitkrijg.--Maar, Lans, wat zegt
+ge er van, dat mijn meester op een verbazende manier is aangeschoten?
+
+LANS. Ik heb hem nooit anders gekend.
+
+FLINK. Dan hoe?
+
+LANS. Dat hij van hemel noch aarde weet, zooals gij daar zelf zegt.
+
+FLINK. Wel, gij gevloekte ezel, gij vat mij niet.
+
+LANS. Wel, zotskap, ik had u niet te vatten; ik moest uw meester
+vatten.
+
+FLINK. Ik zeg u, mijn meester staat van verliefdheid in vuur en vlam.
+
+LANS. Nu, ik zeg u, mijnentwege mag hij in zijn verliefdheid
+verbranden. Als gij met mij naar het bierhuis wilt gaan, kom dan;
+zoo niet, dan zijt gij een Hebreër, een Jood, en niet waard een
+Christenmensch te heeten.
+
+FLINK. Waarom?
+
+LANS. Omdat gij niet zooveel christelijke liefde in u hebt, dat gij
+een christenmensch een glas bier gunt. Wilt gij gaan?
+
+FLINK. Tot uw dienst.
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een kamer in het paleis.
+
+Proteus komt op.
+
+PROTEUS. Verlaat ik mijne Julia, 'k ben meineedig;
+Bemin ik schoone Silvia, 'k ben meineedig;
+Verraad ik mijnen vriend, 'k ben zwaar meineedig;
+Dezelfde macht, die tot den eed mij dreef,
+Zet thans mij tot driedubb'len meineed aan.
+Min drong mij tot den eed, Min dringt tot meineed.
+O, Min, indien gij, zoet verlokkend, zondigt,
+Leer mij, verleide, ook, hoe ik dat ontschuldig.
+'k Heb eerst een flikk'rend sterretje aangebeden,
+Thans kniel ik voor een hemelsch zonnelicht.
+Beraad mag onberaden eeden breken;
+Hij mist verstand, die moed mist, om 't verstand
+Te leeren, kwaad voor 't beet're te verruilen.--
+Foei, goddelooze tong! Hààr kwaad te noemen,
+Die gij met twintigduizend heiligste eeden
+Als 't hoogste goed der aard geprezen hebt!
+Liefde op te geven, waag ik niet, en 'k doe het;
+Mijn liefde gaat te loor, zoo 'k liefde zoek.
+Julia verlies ik; Valentijn verlies ik;
+Behoud ik hen, dan ga ik zelf te loor;
+Verlies ik hen, dan vind ik, door 't verlies,
+Voor Valentijn mijzelf, voor Julia Silvia.
+Ik ben mijzelven liever dan een vriend,
+Want liefde blijft zichzelve steeds het hoogst.
+En Silvia--ja, bij God, die schoon haar schiep,--
+Maakt Julia tot moorin nu in mijn oog.
+Vergeten wil ik thans, dat Julia leeft,
+'k Wil denken, dat mijn liefde voor haar dood is;
+En Valentijn wil ik een vijand reek'nen,
+Nu ik naar Silvia's zoeter vriendschap smacht.
+Mijzelven kan ik nu geen trouwe houden,
+Bega ik geen verraad aan Valentijn;--
+Met touwen ladder hoopt hij deze nacht
+Het venster van de hemelsche in te klimmen;
+Hij deelde 't mij, zijn mededinger, mee!
+Ik geef terstond haar vader nu bericht,
+Hoe zij, vermomd, te zamen willen vluchten;
+Die zal, vol woede, Valentijn verbannen,
+Want Thurio, wenscht hij, zal zijn dochter huwen.
+Is Valentijn van hier, dan zal ik Thurio's
+Onnoozel doen door sluwheid wel verijd'len.
+O Liefde! hebt gij 't plan mij ingegeven,
+Zoo leen me ook vleugels om naar 't doel te streven!
+
+(Proteus af.)
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Verona. Een vertrek in Julia's huis.
+
+Julia en Lucetta komen op.
+
+JULIA. Geef raad, Lucetta; help mij, beste meid;
+En ik bezweer u, bij uw lieve vriendschap,
+Zoo waar gij 't zakboek zijt, waar al mijn denken
+In opgeteekend en gegriffeld wordt,
+Leer gij mij, wijs me een passend middel aan,
+Om, zonder dat mijn naam iets lijdt, een reis
+Naar mijn geliefden Proteus te ondernemen.
+
+LUCETTA. Ach, zeer vermoeiend is die reis en lang!
+
+JULIA. Een waarlijk vrome pelgrim wordt niet moede,
+Met zwakke schreden landen af te meten;
+Veel minder zij, wie liefde vleug'len leent,
+En die haar vlucht naar een zoo dierb'ren man,
+Zoo godd'lijk eenig als mijn Proteus, richt.
+
+LUCETTA. Wacht liever, totdat Proteus wederkeert.
+
+JULIA. O, is zijn blik mijn zielevoedsel niet?
+Heb deernis met den honger, die mij kwelt,
+Nu ik zoo lang naar voedsel smachten moet.
+O, kendet gij der liefde macht in ons,
+Eer ondernaamt gij vuur met sneeuw te ontsteken,
+Dan liefdevuur met woorden uit te dooven.
+
+LUCETTA. Uw laaien liefdegloed wil ik niet dooven,
+Maar slechts van 't vuur de wilde woestheid teuglen,
+Aleer 't der rede perken overslaat.
+
+JULIA. Hoe meer gij teug'len wilt, te feller vlamt het.
+Gij weet, het beekje glijdt met zacht gemurmel,
+En bruist, als 't wordt gestremd, onstuimig op;
+Maar als zijn schoone loop niet wordt gestuit,
+Dan maakt het zacht muziek met bonte steentjes,
+En groet met zoeten kus elk wieg'lend riet,
+Waarlangs de verre pelgrimstocht het voert.
+Zoo ruischt het voort, in meen'ge bocht zich kronk'lend,
+Steeds dart'lend, naar den wilden oceaan;
+Dus laat mij gaan en houd mijn loop niet tegen;
+'k Zal rustig voortgaan als een kalme stroom,
+En ied're moede tred zal mij een lust zijn,
+Tot mij de laatste bij mijn liefste brengt;
+Daar vind ik rust, zooals, na 's levens stormen,
+Een zaal'ge geest die in 't Elysium vindt.
+
+LUCETTA. Nu dan, in welk gewaad wilt gij de reis doen? 39
+
+JULIA. Niet als een meisje, want ik wil voorkomen,
+Dat mij oneerb're mannen ruw bejeeg'nen.
+Bezorg mij dus, melieve, een net gewaad,
+Geheel zooals een edelknaap het draagt.
+
+LUCETTA. Dan, jonkvrouw, moet ge uw haar terdege korten.
+
+JULIA. Neen, kind, dat bind ik op met zijden snoeren,
+Met twintig fraai bedachte liefdeknoopen;
+Zoo iets bijzonders staat een jonkman wel,
+Zelfs aan een rijp'ren dan ik schijnen zal.
+
+LUCETTA. Hoe moet de snit zijn van uw broek, mejonkvrouw?
+
+JULIA. Dat klinkt zoo fraai, als:--"Zeg mij, edel heer,
+Hoe wijd wilt gij uw hoepelrok wel dragen?"
+Kies gij de snit, die u het best bevalt.
+
+LUCETTA. Dan moet zij wezen, jonkvrouw, met een klep.
+
+JULIA. O foei, Lucetta, dat zal leelijk staan.
+
+LUCETTA. Een pofbroek, jonkvrouw, is geen speld thans waard,
+Ontbreekt de klep, om spelden op te steken.
+
+JULIA. Hebt gij mij lief, bezorg mij dan, Lucetta,
+Wat gij het meest geschikt en passend acht.
+Maar zeg mij, meid, wat zal de wereld zeggen,
+Als ik zoo luchtig weg die reis aanvaard?
+Ik vrees, het zal mij zeer in opspraak brengen.
+
+LUCETTA. Als gij dit ducht, blijf dan te huis, ga niet.
+
+JULIA. Neen, neen, dat wil ik niet.
+
+LUCETTA. Laat dan de wereld praten en ga heen.
+Roemt Proteus uwe reis, wanneer gij komt,
+Dan lake u hier wie wil, wanneer gij weg zijt,
+Ik vrees slechts, dat gij hem niet welkom zijt.
+
+JULIA. O dit, Lucetta, is mijn minste zorg;
+Want duizend eeden en een zee van tranen,
+En blijken van oneindig groote liefde
+Zijn borgen, dat ik Proteus welkom ben.
+
+LUCETTA. Dat alles staat ten dienste aan valsche mannen.
+
+JULIA. Slechts laagheid maakt een laag gebruik er van!
+Maar Proteus' wieg bescheen een ster van trouwe.
+Zijn woord is eed, zijn eed orakeltaal,
+Zijn liefde waar, zijn denken rein, zijn tranen
+Steeds boden van zijn hart, zijn hart zoo ver
+Van elk bedrog, als de aarde is van den hemel.
+
+LUCETTA. Zoo blijk' hij, bid ik, als gij tot hem komt.
+
+JULIA. Doe hem, hebt gij mij lief, zulk onrecht niet,
+Van aan zijn trouw te twijf'len; wenscht gij, dat
+Ik u genegen ben, wees hem genegen;
+En ga nu mede, daadlijk, naar mijn kamer,
+Om op te teek'nen, wat ik voor mijn reis,
+Mijn reize van verlangst, behoeven zal.
+'k Vertrouw u in mijn afzijn alles toe,
+Mijn huis en goed, mijn land, mijn goeden naam;
+Maar vraag in ruil: bespoedig mijn vertrek.
+Neen, antwoord niet, terstond aan 't werk getogen!
+Mijn eigen dralen wekt mijn ongeduld.
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Milaan. Een voorzaal in 's Hertogs paleis.
+
+De Hertog, Thurio en Proteus komen op.
+
+HERTOG. Heer Thurio, laat ons eenigen tijd alleen,
+Wij hebben iets vertrouw'lijks te bespreken.
+
+(Thurio af.)
+
+Nu, Proteus, spreek, en zeg mij wat gij wenscht.
+
+PROTEUS. Doorluchtig heer, wat ik moet openbaren,
+Gebiedt de wet der vriendschap mij te helen;
+Maar roep ik voor mijn geest de groote goedheid,
+Door u aan mij, onwaardige, betoond,
+Dan spoort mijn plicht mij aan, u mee te deelen,
+Wat mij geen goed ter wereld hadde ontlokt.
+Weet, eed'le vorst, dat Valentijn, mijn vriend,
+U deze nacht uw dochter wil ontstelen;
+Ikzelf werd deelgenoot van 't plan gemaakt.
+Ik weet, voor Thurio hebt gij haar bestemd,
+Die door uw schoone dochter wordt gehaat,
+En als zij nu aldus u werd ontroofd,
+Waar' 't op uw jaren u een zware slag.
+Dies dreef mijn plicht mij aan, dat ik veeleer
+Mijn vriend verkoos te stuiten in zijn opzet,
+Dan door 't verhelen, u een last van kommer
+Op 't hoofd te hoopen, die, niet afgewend,
+U voor den tijd ten grave buigen zou. 21
+
+HERTOG. Ik dank u, Proteus, voor uw trouwe zorg;
+Eisch ied'ren dank van mij mijn leven lang.
+'k Heb zelf reeds dikwijls beider min bespeurd,
+Als zij wellicht in diepen slaap mij waanden;
+En nam ook vaak mij voor, aan Valentijn
+Mijn hof en haren omgang te verbieden,
+Maar, duchtend, dat mijn argwaan dwalen mocht
+En zoo den jongling schreeuwend onrecht doen,--
+Een overijling, die ik altijd meed,--
+Bleef ik hem gunstig aanzien, tot ikzelf
+Ontdekte, wat door u mij wordt gemeld;
+En,--hieruit blijke u, dat ik vreeze voedde,
+Bewust, hoe teed're jeugd verleidbaar is,--
+Ik laat haar op een hoogen toren slapen,
+Waarvan ikzelf den sleutel bij mij draag,
+En daarom is 't onmoog'lijk haar te schaken.
+
+PROTEUS. Weet, eed'le vorst, toch werd een plan gesmeed, 38
+Hoe hij haar kamervenster zal beklimmen,
+En langs een koorden ladder haar gaan halen;
+De jonge minnaar ging daar juist op uit
+En komt er daad'lijk dezen weg mee langs;
+Zoo 't u behaagt, gij kunt hem licht betrappen.
+Doch doe dit zoo behendig, beste vorst,
+Dat niemand ooit vermoedt, dat ik het aanbracht,
+Want liefde jegens u, geen haat voor hem,
+Dreef mij, dit plan mijns vriends u te openbaren.
+
+HERTOG. 'k Geef u mijn woord, hij zal het nooit vermoeden,
+Dat gij mij een'gen wenk gegeven hebt.
+
+PROTEUS. Vaarwel, mijn vorst; ik hoor hem daar reeds komen.
+
+(Proteus af.)
+
+(Valentijn komt op.)
+
+HERTOG. Zoo, Signor Valentijn, waarheen zoo ijlings?
+
+VALENTIJN. Vergun mij, uw Genade, een bode wacht,
+Om brieven aan de mijnen mee te nemen,
+En daarom haast ik mij hem die te brengen.
+
+HERTOG. Zij zijn dus van gewicht?
+
+VALENTIJN. Hun inhoud is alleen, dat ik gezond ben
+En aan uw hof mij recht gelukkig voel.
+
+HERTOG. Nu, dan geen haast, maar toef een wijl bij mij;
+Ik heb u in vertrouwen 't een en ander,
+Dat van nabij mij aangaat, mee te deelen.
+'t Is u niet onbekend, dat ik mijn dochter
+Met Thurio, mijnen vriend, verloven wil.
+
+VALENTIJN. Dit weet ik, heer; en, zeker, die partij
+Waar' rijk en eervol; bovendien verdient
+De man door ridderdeugd en eed'len aard
+Ten volle een gade als uwe schoone dochter.
+Heer, kunt ge in haar geen liefde tot hem wekken?
+
+HERTOG. Volstrekt niet; ze is weerspannig, geem'lijk, nukkig, 68
+Trotsch, stug, onwillig, zonder plichtsbesef;
+Zij houdt niet in het oog, dat zij mijn kind,
+En mij als vader eerbied schuldig is;
+En, 'k wil 't u zeggen, dit trotseeren heeft--
+'k Heb lang geweifeld--haar mijn liefde ontroofd;
+En dacht ik vroeger 't overschot mijns levens,
+Door hare kinderzorg verpleegd, te slijten,
+Nu is 't mijn vast besluit, een vrouw te nemen;
+En hààr mag houden, wie haar hebben wil;
+En moog' haar schoonheid dan haar bruidsgift zijn;
+Want mij, en wat ik heb, zij telt het niet.
+
+VALENTIJN. Wat wenscht gij, vorst, dat ik in deze doe?
+
+HERTOG. Er leeft een jonkvrouw hier in deze stad,
+Die mij behaagt; doch, schuw en keurig, acht zij
+Mijn oudemans-welsprekendheid als niets;
+En daarom wensch ik u mij tot een raadsman,--
+Want lang verleerde ik reeds mijn hof te maken;
+Ook is 't gebruik veranderd na mijn tijd;--
+Hoe ik het aan moet leggen, dat haar oog,
+Haar zonnenoog, mij met haar gunst bestraal'.
+
+VALENTIJN. Helpt spreken niet, zoo win haar door geschenken;
+Een stom juweel heeft zwijgend redekunst,
+En wint vaak, eer dan woorden, vrouwengunst.
+
+HERTOG. Wat ik haar zond, versmaadde zij verstoord.
+
+VALENTIJN. Een vrouw versmaadt soms, wat haar 't meest bekoort.
+Zend haar iets anders, geef haar zoo niet op,
+Want eerste smaad voert later liefde in top.
+Blikt zij verstoord, 't is niet, dat zij u haat,
+Zoo spoort ze u aan, dat gij geen rust haar laat.
+En kijft zij, daarom zendt zij u niet heen,
+Een vrouw wordt dol, houdt gij haar neen voor neen.
+Laat u de deur niet wijzen, wat ze ook zegg',
+Want zegt zij: "ga!" dan meent zij niet: "ga weg!"
+Vlei, prijs haar, roem haar gaven; ziet zij zwart,
+Verklaar toch, dat haar blankheid eng'len tart.
+'k Zeg, heeft een man een tong, hij is geen man,
+Als hem zijn tong geen vrouw veroov'ren kan.
+
+HERTOG. Doch die ik meen beloofden haar verwanten
+Reeds aan een jong en waardig edelman;
+Zij wordt voor mannenomgang streng behoed,
+Zoodat bij dag geen man haar naad'ren kan.
+
+VALENTIJN. Welnu, dan zou ik haar bij nacht bezoeken.
+
+HERTOG. De deur is toe, de sleutel goed bewaard,
+Zoodat geen mensch haar 's nachts genaken kan.
+
+VALENTIJN. En wat belet haar venster te beklimmen? 112
+
+HERTOG. Hoog is haar kamer, verre van den grond;
+De muur zoo steil, dat niemand dien beklimt,
+Dan wie zijn leven roekloos wagen wil.
+
+VALENTIJN. Nu, met een ladder, hecht van touw gemaakt,
+Met een paar haken, die men vast kan werpen,
+Beklimt men eener tweede Hero toren,
+Zoo maar Leander stout het wagen durft.
+
+HERTOG. Nu, spreek, zoo waar gij aad'lijk bloed bezit,
+Waar kan ik zulk een ladder mij verschaffen?
+
+VALENTIJN. Wanneer behoeft gij die? Meld dit mij, heer.
+
+HERTOG. Deze eigen nacht, want Liefde is als een kind,
+Dat haakt naar alles, wat bereikbaar is.
+
+VALENTIJN. Te zeven uren breng ik u zulk een ladder.
+
+HERTOG. Doch hoor,--ik ga geheel alleen tot haar,--
+Hoe krijg ik best die ladder daar ter plaatse?
+
+VALENTIJN. Zij is niet zwaar, en onder elken mantel,
+Mits die niet al te kort zij, licht te bergen.
+
+HERTOG. Een mantel, zooals de uwe, waar' dus goed?
+
+VALENTIJN. O ja, mijn vorst.
+
+HERTOG. Zoo laat me uw mantel zien,
+Ik schaf er mij een aan van zulk een lengte.
+
+VALENTIJN. O, ied're mantel kan u dienen, heer.
+
+HERTOG. Hoe hang ik zulk een mantel mij wel om'?
+Ik bid u, laat mij dien van u beproeven.--
+Wat is dat voor een brief? Aan wie?--"Aan Silvia"!
+En hier een werktuig, juist als ik behoef.
+Ik ben zoo vrij het zegel te verbreken.
+(Hij leest.) "Bij Silvia toeven nacht op nacht mijn brieven;
+ Ik doe ze vliegen op mijn wenk als slaven;
+O, kon hun meester zoo de ruimte klieven,
+ Hij zou zijn ziele, waar zij slapen, laven!
+Aan 't reine hart ontvangt gij mijn gezanten;
+ En ik, de koning, die hen zond, moet lijden,
+Dat gij uw gunsten schenkt aan mijn trawanten;
+ Ik vloek hen, wijl ikzelf hen moet benijden,
+Ik vloek mijzelf, dat ik dit nooit bedacht,
+Hun 't heil doe smaken, waar ikzelf naar smacht."--
+Wat volgt nog? 150
+"Doch ik bevrijd u, Silvia, deze nacht."
+Zoo staat er; en die ladder moest u dienen.
+Gij Phaëton, gij and're Merops-zoon,
+Verstout ge u 's hemels zonnespan te mennen
+En de aard te blaak'ren in uw euvelmoed?
+Grijpt gij naar sterren, wijl zij u bestralen?
+Van hier, verwaten dief! vermeet'le slaaf!
+Vlei uws gelijken met uw zoete lachjes,
+En acht het mijn genade,--en onverdiend,--
+Een gunst, dat gij heelhuids van hier ontkomt;
+Dank hier mij meer voor dan voor alle gunsten,
+Die ik maar al te rijk'lijk u bewees;
+Doch toeft gij lang'ren tijd op mijn gebied,
+Dan gij behoeft om met den meesten spoed
+Ons vorstlijk hof te ontvluchten, dan, ik zweer het,
+Dan overtreft mijn gramschap ver de liefde,
+Die 'k ooit mijn dochter toedroeg of uzelf.
+Vertrek! en zwijg! geen uitvlucht of verschooning;
+Maar ijlings, hebt ge uw leven lief, van hier!
+
+(De Hertog af.)
+
+VALENTIJN. Waarom niet dood, in plaats van sparend folt'ren?
+Want sterven is verbanning van mijzelven;
+En Silvia is mijzelf; van haar verbannen,
+Is zelf van zelf; het is verbanningsdood!
+Welk licht is licht, is Silvia mij onzichtbaar?
+Wat vreugd is vreugd, is Silvia niet aanwezig?
+Tenzij ik als aanwezig haar kan denken
+En teer van 't schijnbeeld harer heerlijkheid.
+Tenzij ik in de nacht bij Silvia ben,
+Huist geen muziek meer in den nachtegaal;
+Tenzij ik op den dag mijn Silvia zie,
+Is er geen dag, om iets te zien, voor mij.
+Zij is mijn wezen; ik houd op te zijn,
+Tenzij haar lieflijke invloed mij bestraal',
+Verwarme en koest're, mij in 't leven houd'.
+Mijn vlucht ontvlucht den doodsdoem, niet den dood;
+Vertoef ik hier, dan wacht ik slechts den dood,
+Maar vlucht ik heen, dan vlucht ik weg van 't leven.
+
+(Proteus en Lans komen op.)
+
+PROTEUS. Loop, loop, knaap, loop en spoor hem op!
+
+LANS. Waar ik hem weet! waar ik hem weet!
+
+PROTEUS. Wat ziet gij?
+
+LANS. Den haas, dien wij jagen; geen haar op zijn hoofd, of 't is
+een Valentijn.
+
+PROTEUS. Gij daar, Valentijn?
+
+VALENTIJN. Neen.
+
+PROTEUS. Wie dan? zijn geest?
+
+VALENTIJN. Ook niet.
+
+PROTEUS. Wat dan?
+
+VALENTIJN. Niets.
+
+LANS. Kan niets spreken? Moet het er op los, meester?
+
+PROTEUS. Waar wilt gij op los?
+
+LANS. Op niets. 201
+
+PROTEUS. Schurk, houd op.
+
+LANS. Nu, heer, ik ga op niets los; ik bid u,--
+
+PROTEUS. Stil, knaap, houd op!--Vriend Valentijn, een woord!
+
+VALENTIJN. Mijn oor is vol; 't is doof voor goede tijding;
+Zoo is 't van booze tijding reeds vervuld.
+
+PROTEUS. 'k Begraaf in somber zwijgen dan de mijne,
+Want ze is wanluidend, ruw en slecht; 'k zeg niets.
+
+VALENTIJN. Is Silvia dood?
+
+PROTEUS. Niets, Valentijn.
+
+VALENTIJN. Niets-Valentijn, dit ben ik, is zij engel.--
+Heeft Silvia mij verzaakt?
+
+PROTEUS. Niets, Valentijn.
+
+VALENTIJN. Niets-Valentijn, dat ware ik, als zij 't deed.
+Spreek dan, uw nieuws?
+
+LANS. Er is omgeroepen, heer, dat gij geballast zijt.
+
+PROTEUS. Gebannen zijt,--ja, ja, dat is het nieuws,--
+Van hier, van Silvia, en van mij, uw vriend.
+
+VALENTIJN. O, deze smart heb ik alreeds geproefd,
+En nu zal de overdaad mij overladen.
+Weet Silvia reeds, dat ik verbannen ben?
+
+PROTEUS. Ach ja; en haar ontstroomde bij het vonnis,--
+Dat, blijft het onherroepen, scherp u dreigt,--
+Een zee van vloeib're parels, held're tranen;
+Die stortte ze aan haars vaders wreede voeten;
+Zelf zeeg ze in deemoed knielend voor hem neer,
+En wrong de handen, ach, zoo marmerwit,
+Als waren zij door 't plotsling wee verbleekt,
+Maar zuchten, steunen, zilv'ren tranenvloed,
+Gebogen knieën, kuisch geheven armen,
+Niets, niets verweekt des harden vaders hart;
+Neen, grijpt men Valentijn, dan moet hij sterven.
+En dan, haar voorspraak heeft hem zoo vergramd,
+Toen ze om herroeping van het vonnis smeekte,
+Dat hij beval, zeer nauw haar op te sluiten,
+Met scherpe dreiging, zoo ze ontsnapping waagt.
+
+VALENTIJN. Niets meer, tenzij het eerste, dat gij spreekt,
+De macht bezitte 't leven mij te ontnemen;
+Zoo ja, dan bid ik, blaas het mij in 't oor,
+Als graflied, dat mijn eindloos wee doet einden.
+
+PROTEUS. Klaag niet om wat gij niet verhelpen kunt; 241
+Poog te verhelpen wat u klagen doet.
+De tijd verwekt en voedstert al wat goed is.
+Al blijft gij hier, uw liefste ziet gij niet;
+En ook, uw blijven snijdt uw leven af.
+Eens minnaars staf is Hopen; neem dien met u,
+En zwaai hem, zoo de Wanhoop u besluipt.
+Hoe ver ge ook zijt, door brieven kunt gij hier zijn;
+Zend die aan mij, dan zorg ik, dat zij rusten
+Bij uw geliefde en aan haar blanken boezem.
+'t Is nu geen tijd tot smalen op het lot;
+Kom, ik geleid u door de poort der stad,
+En spreek voor 't scheiden alles met u af,
+Wat ik voor uwe liefde hier kan doen.
+Denk, zoo niet om uzelf, om Silvia's wil,
+Aan 't fel gevaar, dat dreigt, en laat ons gaan!
+
+VALENTIJN. Ik bid u, Lans, ziet gij mijn dienaar, zeg hem,
+Ten spoedigste aan de Noorderpoort te komen.
+
+PROTEUS. Ga, knaap, en zoek hem op.--
+Kom, Valentijn.
+
+VALENTIJN. Ach, dierb're Silvia! arme Valentijn!
+
+(Valentijn en Proteus af.)
+
+LANS. Ik ben slechts een domme kerel, ziet gij, maar ik heb toch
+het verstand om te merken, dat mijn meester een soort van schurk is;
+maar dat doet er niet toe, als hij maar geen dubbele schurk is. Die
+man moet nog geboren worden, die weet, dat ik verliefd ben; en toch,
+ik ben verliefd; maar geen span paarden zal mij dit uit mijn gemoed
+rukken, en ook niet, op wie ik verliefd ben; en toch, het is een vrouw;
+maar wat voor een vrouw, wil ik mijzelf niet eens vertellen; en toch,
+het is een melkmeisje; en toch, het is geen meisje, want ze heeft
+al peten aan het werk gezet; en toch is het een meisje, want zij is
+het melkmeisje van haar meester en zij dient om loon. Zij verstaat
+meer kunststukjes dan een hond, die te water gaat, en dat is veel
+voor een eenvoudig christenmensch. Hier is de invidiaris van haar
+eigenschappen. (Hij haalt een papier voor den dag.) "Imprimis,
+Zij kan halen en dragen." Wel, een paard kan niet meer doen; neen,
+een paard gaat niet halen, het draagt alleen; daarom is zij beter
+dan een knol. "Item, Zij kan melken," ziet eens, een beminnelijke
+deugd in een meisje, dat schoone handen heeft.
+
+(Flink komt op.)
+
+FLINK. Zoo hoe gaat het, sinjeur Lans? Is er van uw heerschap ook
+wat nieuws te hooren?
+
+LANS. Wel, mijn heerschap is met uw heerschap aan het rondzwalken.
+282
+
+FLINK. Och, uw oude kwaal, woordverdraaiing! Zeg, is er geen nieuws
+in dat papier daar van u?
+
+LANS. Het zwartste nieuws, dat ge ooit gehoord hebt.
+
+FLINK. Hoe zoo, kerel? zoo erg zwart?
+
+LANS. Wel, zoo zwart als inkt.
+
+FLINK. Laat het mij eens lezen.
+
+LANS. Foei, schaam u, botterik, gij kunt niet eens lezen.
+
+FLINK. Gelogen; of ik het kan!
+
+LANS. Ik wil u toetsen. Vertel mij dus: wie heeft u bij uw moeder
+verwekt?
+
+FLINK. Wel, de zoon van mijn grootvader.
+
+LANS. O ongeletterde dagdief! het was de zoon van uw grootmoeder. Dat
+is een bewijs, dat gij niet lezen kunt.
+
+FLINK. Kom, dwaas, komaan; toets mij met uw papier.
+
+LANS. Daar, en toon door Sint-Nicolaas u flink!
+
+FLINK. "Imprimis: Zij kan melken."
+
+LANS. Ja, dat kan zij.
+
+FLINK. "Item: Zij brouwt goed bier."
+
+LANS. En daar vandaan het zeggen: "Gods zegen hier; gij brouwt
+goed bier."
+
+FLINK. "Item: Zij kan naaien."
+
+LANS. Dat wil zeggen: voor scheuren weet zij raad, met naald en draad.
+
+FLINK. "Item: Zij kan breien."
+
+LANS. Breit zij mij kousen en ik kan schoenen koopen,
+Dan zal ik niet op sloffen moeten loopen.
+
+FLINK. "Item: Zij kan wasschen en boenen."
+
+LANS. Een bijzonder groote deugd; dan behoeft zij niet gewasschen en
+geboend te worden.
+
+FLINK. "Item: Zij kan spinnen."
+
+LANS. Dan kan ik het rad van Fortuin laten rollen, als zij er haar
+levensonderhoud van kan afspinnen.
+
+FLINK. "Item: Zij heeft vele naamlooze deugden."
+
+LANS. Dat is zooveel als basterddeugden, die haar vader niet kennen
+en daarom geen naam hebben.
+
+FLINK. "Hier volgen haar ondeugden."
+
+LANS. Haar deugden dicht op de hielen.
+
+FLINK. "Item: Zij is niet wel nuchter te kussen, van wege haar adem." 327
+
+LANS. Nu, dat gebrek is door een ontbijt te verhelpen. Lees door.
+
+FLINK. "Item: Zij is een lekkerbek."
+
+LANS. Dat maakt haar onlekkeren adem weer goed.
+
+FLINK. "Item: Zij praat in haar slaap."
+
+LANS. Dat hindert niet, als zij maar niet slaapt in haar praat.
+
+FLINK. "Item: Zij is langzaam in het spreken."
+
+LANS. O schurk, die dat bij haar ondeugden zette! Langzaam in het
+spreken is bij een vrouw een eenige deugd. Ik bid u schrap dat uit
+en zet het bij haar deugden bovenaan.
+
+FLINK. "Item: Zij is ijdel."
+
+LANS. Dat ook door; dat is haar door Eva vermaakt en haar niet te
+ontnemen.
+
+FLINK. "Item: Zij heeft geen tanden!"
+
+LANS. Dat hindert ook niet, want ik ben dol op korstjes.
+
+FLINK. "Item: Zij is bits."
+
+LANS. Nu, dan is het maar goed, dat zij geen tanden heeft om te bijten.
+
+FLINK. "Item: Zij vindt een slokje overheerlijk."
+
+LANS. Als haar slokje goed is, dan moet zij het doen; en als zij
+het niet doet, doe ik het; want als iets overheerlijk is, moet het
+gezegd worden.
+
+FLINK. "Item: Zij is al te mild."
+
+LANS. Met haar woorden, is onmoog'lijk, want wij hebben hier zwart op
+wit, dat zij daar langzaam mee is; met haar beurs zal zij het niet
+wezen, want die zal ik dicht houden; nu kan zij het nog met iets
+anders zijn, maar daar kan ik niet aan doen. Verder maar.
+
+FLINK. "Item: Zij heeft meer haar dan verstand, en meer gebreken
+dan haren, en meer geld dan gebreken."
+
+LANS. Houd op; ik wil haar hebben: zij was mijn en niet mijn, twee-
+of driemaal in dat laatste artikel. Lees dat nog eens.
+
+FLINK. "Item: Zij heeft meer haar dan verstand,"--
+
+LANS. Meer haar dan verstand,--dat mag wel: ik wil het bewijzen: het
+deksel van het zoutvat overdekt het zout, en daarom is het meer dan
+het zout; het haar, dat het verstand bedekt, is meer dan het verstand,
+want het grootere overdekt het kleinere. Wat volgt?
+
+FLINK. "En meer gebreken dan haren,--"
+
+LANS. Dat is verschrikk'lijk; o, stond dat er niet!
+
+FLINK. "En meer geld dan gebreken." 376
+
+LANS. O, dat woord maakt de gebreken bekoorlijk! Goed ik wil haar
+hebben; en als wij een paar worden, zooals geen ding onmoog'lijk is,--
+
+FLINK. Wat dan?
+
+LANS. Wel, dan zal ik u vertellen,--dat uw meester aan de Noorderpoort
+op u wacht.
+
+FLINK. Op mij?
+
+LANS. Op u! ja, wat zijt gij er voor een? Hij heeft op een beteren
+kerel dan gij zijt, gewacht.
+
+FLINK. En moet ik naar hem toe gaan?
+
+LANS. Gij moet naar hem toe rennen, want gij hebt zoo lang gewacht,
+dat gaan bijna niet meer helpen kan.
+
+FLINK. Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd? naar den duivel
+met uw minnebrieven!
+
+(Flink af.)
+
+LANS. Nu zal hij klop krijgen, omdat hij mijn brief gelezen heeft! Een
+onbeschaamde vlegel, die in een andermans geheimen dringt!--Ik loop
+hem na, om mij in de tuchtiging van dien kerel te verkneukelen!
+
+(Lans af.)
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een kamer in 's Hertogs paleis.
+
+De Hertog en Thurio komen op; later Proteus.
+
+HERTOG. Beminnen zal ze u, Thurio, twijfel niet,
+Nu Valentijn van haar verbannen is.
+
+THURIO. Na zijn verbanning haat zij mij nog meer,
+Wil niets meer van mij weten, hoont mij zoo,
+Dat ik den moed geheel heb opgegeven.
+
+HERTOG. Zwak is die liefdesindruk, als een letter,
+In 't ijs getrokken; schijn' de zon een uur,
+Zij is verwaterd, ied're trek verdwenen.
+Een weinig tijds smelt haar bevroren geest;
+Dan is die lage Valentijn vergeten.--
+Zoo, gij daar, Proteus? Is uw landgenoot
+Op 't uitgevaardigd hoog bevel vertrokken?
+
+PROTEUS. Vertrokken, heer en vorst.
+
+HERTOG. Zijn heengaan heeft mijn dochter diep bedroefd.
+
+PROTEUS. Een weinig tijds, heer, doet die droef'nis sterven.
+
+HERTOG. Dit wacht ik ook, maar Thurio denkt van neen.
+Proteus, ik heb een goeden dunk van u;
+En dit,--gij gaaft mij proeven van uw ijver,--
+Is oorzaak dat ik verder u vertrouw. 19
+
+PROTEUS. Niet langer, dan ik trouw blijf aan uw hoogheid,
+Zij 't leven mij gegund, en bij uw hoogheid.
+
+HERTOG. 't Is u bekend, hoe gaarne ik een verloving
+Tot stand bracht tusschen Thurio en mijn dochter.
+
+PROTEUS. Ik weet het, heer.
+
+HERTOG. En toch is u niet onbekend, vermoed ik,
+Hoe zij zich tegen mijnen wil verzet.
+
+PROTEUS. Toen Valentijn nog hier was, deed zij 't, heer.
+
+HERTOG. Zij is van die verkeerdheid niet bekeerd.
+Hoe doen wij 't meisje Valentijns verliefdheid
+Vergeten en op Thurio verlieven?
+
+PROTEUS. Het zekerst door belast'ring; Valentijn
+Zij trouwloos, laf gebleken, laag van afkomst;
+Drie dingen, diep verfoeid door elke vrouw.
+
+HERTOG. Goed, maar zij denkt gewis, dat haat dit ingeeft.
+
+PROTEUS. Ja, zoo een vijand dit getuignis geeft;
+Daarom zij 't haar omstandig meegedeeld
+Door iemand, die haar als zijn vriend bekend is.
+
+HERTOG. Gij moet dus die belast'ring op u nemen.
+
+PROTEUS. En dit zou ik ongaarne doen, mijn vorst;
+Het is een taak, een edelman onwaardig,
+Vooral zoo dit zijn boezemvriend moet treffen.
+
+HERTOG. Zoo hem uw voorspraak niet van nut kan zijn,
+Kan hem uw achterklap ook nimmer deren;
+Daarom kunt gij gerust die taak aanvaarden,
+Waartoe gij door uw vriend wordt aangezocht.
+
+PROTEUS. 'k Geef mij gewonnen, heer. Zoo 'k iets vermag
+Door wat ik in zijn nadeel zeggen zal,
+Dan zal zij zeker hem niet lang meer minnen.
+Doch wordt haar liefde uit Valentijn gewied,
+'t Volgt niet, dat die in Thurio wort'len zal.
+
+THURIO. Tracht daarom hare liefde van hem af
+En daad'lijk op mijn kluwen op te winden,
+Eer ze in de war raak' en voor niemand deug';
+En dit gebeur', door mij niet min te prijzen,
+Dan gij ten nadeel spreekt van Valentijn.
+
+HERTOG. En, Proteus, hierin kunnen we u vertrouwen, 56
+Omdat ons Valentijn heeft meegedeeld,
+Hoe ge aan de Liefde trouw gezworen hebt;
+En nimmer af zult vallen of verand'ren.
+Om dezen waarborg zult gij toegang hebben
+Tot Silvia, dat gij vrij'lijk met haar spreekt.
+Wel is zij stug, zwaarmoedig, zeer bedrukt,
+Maar u zal ze om uws vriends wil gaarne zien;
+Bepraat haar dus nu zoo, dat Valentijn
+Van haar gehaat worde en mijn vriend bemind.
+
+PROTEUS. Ik zal 't beproeven, doen wat ik vermag.
+Doch Thurio, gij moet feller haar bestoken;
+Lijmroeden leggen, lokken moet gij haar
+Door fraai gerijmde, klagende sonnetten,
+Met eeden van uw hulde zwaar bevracht.
+
+HERTOG. Ja, goed bedacht;
+Groot is van 't Godskind Poëzie de macht.
+
+PROTEUS. Zeg dit: op 't outer van haar schoonheid offert
+Gij uwe tranen, zuchten, en uw hart.
+Schrijf tot uw inkt verdroogt, en maak hem dan
+Weer met uw tranen vloeibaar; menig dicht
+Vol diep gevoel tuig' van uw hart; besnaard
+Met dichterspezen was de luit van Orpheus,
+Wiens gouden tonen staal en steen verweekten,
+Den tijger temden, woeste Leviathans
+Uit de' afgrond lokten tot een dans aan strand.
+Na zulke hartverscheurende elegieën
+Genaakt gij 't venster uwer liefste 's nachts
+Met lieflijke muziek en heft daarbij
+Een roerend klaaglied aan; de doodsche nacht
+Maakt zulke liefdeklachten dubbel roerend.
+Of dit, of niets verovert u haar hart.
+
+HERTOG. Dit voorschrift toont, dat gij het hof gemaakt hebt.
+
+THURIO. En 'k voer uw raad deze eigen nacht nog uit.
+Daarom, mijn beste Proteus, gij mijn gids,
+Begeven wij terstond ons naar de stad,
+En zoeken daar bedreven muzikanten.
+Ik heb een minnedicht, dat dienen kan,
+En daarmee zij uw goede raad beproefd!
+
+HERTOG. Aan 't werk, gij heeren!
+
+PROTEUS. Tot slapenstijd, mijn vorst, staan we u ten dienst,
+En zorgen dan vol ijver voor ons plan.
+
+HERTOG. Neen, daad'lijk nu aan 't werk! Ik laat u vrij.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Een woud, tusschen Milaan en Verona.
+
+Eenige Bandieten komen op.
+
+EERSTE BANDIET. Staat, mannen, staat; ik zie een reiziger.
+
+TWEEDE BANDIET. Al waar' 't een tiental, deinst niet, slaat ze neer.
+
+(Valentijn en Flink treden op.)
+
+DERDE BANDIET. Sta, heer, en lever uit al wat gij hebt,
+Of gij wordt neergelegd en uitgeschud.
+
+FLINK. Wij zijn verloren, heer; dat zijn de schurken,
+Waar alle reizigers beducht voor zijn.
+
+VALENTIJN. Mijn vrienden,--
+
+EERSTE BANDIET. Wat vriend! dat zijn wij niet; noem vrij ons vijand.
+
+TWEEDE BANDIET. Stil, laat hem spreken!
+
+DERDE BANDIET. Ja, bij mijn baard, hij is een flinke kerel.
+
+VALENTIJN. Zoo weet dan, ik heb weinig te verliezen.
+Ik ben een man, door 't ongeluk bestookt;
+Mijn rijkdom zijn mijn poov're kleed'ren hier,
+En als gij daarvan mij ontblooten wilt,
+Dan neemt gij al mijn have en goed mij af.
+
+TWEEDE BANDIET. Waar reist gij heen?
+
+VALENTIJN. Naar Verona. 17
+
+EERSTE BANDIET. Van waar komt gij?
+
+VALENTIJN. Van Milaan.
+
+DERDE BANDIET. Hebt gij daar lang vertoefd?
+
+VALENTIJN. Ruim zestien maanden, en ik ware er nog,
+Zoo niet een heilloos lot mij had gedwarsboomd.
+
+EERSTE BANDIET. Hoe zoo, werdt gij verbannen?
+
+VALENTIJN. Verbannen, ja.
+
+TWEEDE BANDIET. Om welk vergrijp?
+
+VALENTIJN. Om een, dat ik met wroeging thans vermeld.
+Ik doodde een man, wiens dood mij zeer berouwt;
+Schoon, ik versloeg hem in manhaften strijd,
+En niet door booze list of laag verraad.
+
+EERSTE BANDIET. Wel, geen berouw, indien het zoo zich toedroeg.
+En om zoo kleine schuld werdt gij verbannen?
+
+VALENTIJN. Ja, en verheugd er zoo nog af te komen.
+
+TWEEDE BANDIET. Verstaat gij talen? 33
+
+VALENTIJN. Gewis, dit dank ik aan mijn jonglingsreizen;
+'t Ware anders menigmaal mij slecht vergaan.
+
+DERDE BANDIET. Bij Robin Hood's gemesten paters kruintje,
+Die borst mocht hoofd zijn onzer woeste bende.
+
+EERSTE BANDIET. Wij willen hem.--Gij mannen, hier; een woord!
+
+FLINK. Heer, sluit u bij hen aan;
+'t Is recht fatsoenlijk stelen, wat zij doen.
+
+VALENTIJN. Stil, schurk!
+
+TWEEDE BANDIET. Spreek: hebt gij iets, waar gij op reek'nen kunt?
+
+VALENTIJN. 'k Heb niets dan wat het lot mij brengt.
+
+DERDE BANDIET. Weet, een'gen onder ons zijn edellieden,
+Die de overmoed der teugellooze jeugd
+Uit de gemeenschap stiet van eerb're lieden;
+Zoo werd ikzelf verbannen uit Verona,
+Wijl ik beproefde een jonkvrouw daar te schaken,
+Die rijk was en den hertog na verwant.
+
+TWEEDE BANDIET. En ik uit Mantua, om een edelman,
+Wien ik in drift een dolk in 't harte stiet.
+
+EERSTE BANDIET. En ik om even zulk een klein vergrijp.
+Doch nu ter zake; die belijd'nis strekte
+Slechts om ons rooverleven u te ontschuldigen;
+En daar wij zien, dat gij met kloeken bouw
+Begaafd zijt, en, zooals gijzelf daar meldt,
+De talen spreekt, kortom, geheel de man,
+Die ons bij dit beroep recht welkom ware,--
+
+TWEEDE BANDIET. En dan vooral, wijl gij een balling zijt,
+Daarom voornaam'lijk spreken wij tot u.
+Neemt gij ons voorstel aan, ons hoofd te zijn,
+En met ons van den nood een deugd te maken,
+En in de wildernis, als wij, te leven?
+
+DERDE BANDIET. Wat zegt gij? wilt gij een der onzen zijn?
+Sla toe en word de hoofdman van ons allen;
+Dan doen we u hulde en volgen uw bevelen,
+En eeren u als onzen heer en vorst. 67
+
+EERSTE BANDIET. Maar als gij onze gunst versmaadt, dan sterft gij.
+
+TWEEDE BANDIET. Gij leeft niet, dat gij op ons aanbod pocht.
+
+VALENTIJN. 'k Neem 't aanbod aan en wil met u hier leven;
+Doch op beding, dat gij steeds zwakke vrouwen
+En arme zwervers spaart, hen nimmer deert.
+
+DERDE BANDIET. Wijzelf verfoeien zulk een laag bedrijf.
+Kom nu, wij brengen u tot onze schare,
+En toonen u den buit, door ons vergaârd,
+Die, als wijzelf, tot uw beschikking sta.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Milaan. Open plaats voor 's Hertogs paleis, onder Silvia's
+kamervenster.
+
+Proteus komt op.
+
+PROTEUS. Reeds was ik trouwloos jegens Valentijn;
+Nu moet ik Thurio 't eigen onrecht doen;
+Want onder 't mom, dat ik zijn voorspraak ben,
+Verwierf ik toegang voor mijn eigen liefde.
+Doch Silvia is te schoon, te trouw, te heilig,
+Dan dat mijn waard'loos aanbod haar verleidt.
+Betuig ik mijn genegenheid en trouwe,
+Dan werpt zij mij mijn valsche vriendschap voor;
+Bezweer ik de eeuw'ge macht van hare schoonheid,
+Dan zegt zij mij, te denken, hoe ik de' eed
+Van trouw aan Julia, die ik minde, brak.
+En toch, trots al haar rassche booze woorden,
+Meer dan genoeg om alle hoop te dooven,--
+Hoe meer zij mijne liefde van zich stoot,
+Groeit die te meer en vleit haar kwisp'lend steeds.
+Doch Thurio komt; wij moeten aan haar venster
+Nu avondtonen ruischen in haar oor.
+
+(Thurio komt op, met Muzikanten.)
+
+THURIO. Zoo, Proteus, zijt gij ons vooruitgeslopen?
+
+PROTEUS. Ja, waarde Thurio, want gij weet, de liefde
+Wil binnensluipen, waar zij niet kan gaan.
+
+THURIO. Ja, maar ik hoop, heer, hier bemint gij niet.
+
+PROTEUS. Ik doe het, heer, want anders ware ik elders.
+
+THURIO. Wie, Silvia?
+
+PROTEUS. Silvia, ja,--om uwentwille.
+
+THURIO. Ik dank u voor uw liefde.--Heeren, thans
+Gestemd, en 't lied dan lustig aangeheven. 25
+
+(De Waard en Julia komen op, op den achtergrond; Julia in
+pageskleeding.)
+
+WAARD. Nu, mijn jonge gast, mij dunkt, gij
+zijt mankeliek; mag ik vragen, waarom?
+
+JULIA. Och, goede vriend, wijl ik niet lustig zijn kan.
+
+WAARD. Kom, kom, wij zullen u wel lustig
+maken. Ik wil u brengen, waar gij muziek zult
+hooren en den edelman zien, waar gij naar gevraagd
+hebt.
+
+JULIA. En zal ik hem ook hooren spreken?
+
+WAARD. Ja, dat zult gij.
+
+JULIA. Dat zal muziek zijn.
+
+(De muziek begint.)
+
+WAARD. Luister, luister!
+
+JULIA. Is hij daarbij?
+
+WAARD. Ja, maar stil, laat ons luisteren!
+
+(Lied.)
+
+Wie is Silvia? wat is zij?
+ De jong'lingschap omzwiert haar.--
+Heilig, schoon en wijs is zij;
+ Door 's Hemels gunst versiert haar
+Al wat roem geeft en waardij.
+
+Even goed is zij als schoon;
+ Dit schenkt haar alvermogen;
+Amor koos haar oog ter woon
+ En ziet nu door haar oogen,
+Zit, niet blind meer, daar ten troon.
+
+Zingt dus Silvia, roemt haar macht
+ En weêrgâlooze waarde,
+'t Liefste schoon, de rijkste pracht,
+ Den roem der glanslooze aarde!
+Huldekransen haar gebracht!
+
+WAARD. Hoe is het? zijt gij nog treuriger dan te voren? Hoe is het,
+jonkman? Is de muziek u niet goed genoeg?
+
+JULIA. Misgeraden; de muzikant is mij niet goed genoeg.
+
+WAARD. Hoe zoo, mijn beste knaap?
+
+JULIA. Hij speelt valsch, vadertje.
+
+WAARD. Hoe zoo? is het instrument valsch besnaard?
+
+JULIA. Dat niet, maar hij speelt zoo valsch, dat hij de snaren van
+mijn hart pijn doet.
+
+WAARD. Gij zijt fijn van gehoor.
+
+JULIA. O, ik wilde, dat ik doof was, want dit doet mijn hart zoo
+bonzen.
+
+WAARD. Ik merk het wel, gij houdt niet van muziek.
+
+JULIA. Volstrekt niet, als zij zoo snerpend is.
+
+WAARD. Hoor, welk een mooie overgang in die muziek! 68
+
+JULIA. Juist, die overgang doet mij zeer.
+
+WAARD. Gij zoudt wenschen, dat zij aldoor hetzelfde speelden?
+
+JULIA. Dat een hetzelfde door bleef spelen, wenschte ik.--
+Maar zeg, die Proteus, vriend, waar wij van spraken,
+Heeft hij met deze jonkvrouw veel verkeer?
+
+WAARD. Ik zeg u, wat Lans, zijn knecht, mij gezegd heeft:--hij bemint
+haar zoo, dat de kerfstok vol is.
+
+JULIA. Waar is Lans?
+
+WAARD. Zijn hond gaan zoeken, dien hij morgen, op bevel van zijn
+meester, aan de jonkvrouw ten geschenke moet gaan brengen.
+
+JULIA. Stil, stil, ter zijde; het gezelschap gaat heen.
+
+PROTEUS. Wees niet bekommerd, Thurio; pleiten zal ik,
+Dat gij mijn sluwheid hooglijk roemen zult.
+
+THURIO. Waar vind ik u?
+
+PROTEUS. Bij den Gregorius-put.
+
+THURIO. Vaarwel!
+
+(Thurio af, met de Muzikanten.)
+
+(Silvia verschijnt aan haar venster.)
+
+PROTEUS. Uwe Edelheid een goeden avond, jonkvrouw!
+
+SILVIA. Mijn dank voor uw muziekbegroeting, heeren!
+Wie is het, die daar sprak?
+
+PROTEUS. O, kendet gij zijns harten zuiv're trouw,
+Gij leerdet ras hem aan de stem te kennen.
+
+SILVIA. Signore Proteus, als ik het wel heb.
+
+PROTEUS. Ja, Proteus, eed'le jonkvrouw, en uw dienaar.
+
+SILVIA. Wat wilt gij hier?
+
+PROTEUS. Eenswillend zijn met u.
+
+SILVIA. Dit staat aan u; niets anders is mijn wil,
+Dan dat gij daad'lijk u ter ruste spoedt.
+Gij loos, meineedig, valsch en trouwloos man!
+Gelooft gij mij zoo ijdel, zoo onnoozel,
+Dat mij uw vleitaal ooit verlokken zou,
+Hoe menigeen uw eeden ook bedrogen?
+Keer huiswaarts en doe boete aan uw geliefde.
+Ik, bij die bleeke koningin der nacht,
+Ik, verre van uw smeeken te verhooren,
+Veracht u om uw schand'lijk aanzoek diep,
+En ben geneigd mijzelve te verwijten,
+Dat ik nog zooveel tijd aan u verspil. 104
+
+PROTEUS. Ja, ik erken, geliefde, ik minde een jonkvrouw,
+Doch zij is dood.
+
+JULIA (ter zijde). Ik kon hem logenstraffen,
+'k Weet zeker, dat zij niet begraven is.
+
+SILVIA. Dit moog' zoo zijn, maar Valentijn, uw vriend,
+Hij leeft nog, en met hem,--gij zijt getuige,--
+Ben ik verloofd; en schaamt gij u niet diep,
+Door uwen boozen aandrang hem te krenken?
+
+PROTEUS. 'k Hoor, dat ook Valentijn gestorven is.
+
+SILVIA. Zoo reken mij het ook, want in zijn graf
+Is, weet dit, mijne liefde meebegraven.
+
+PROTEUS. Vergun mij, dierb're, uit de aard die op te raak'len.
+
+SILVIA. Ga, rakel uit uw liefste's graf de hare,
+Of--dat er de uwe meebegraven zij!
+
+JULIA (ter zijde). Hij heeft dat niet gehoord.
+
+PROTEUS. Mejonkvrouw, blijft uw hart zoo onvermurwbaar,
+Sta aan mijn liefde toch uw beelt'nis toe,
+De beelt'nis, die in uwe kamer hangt;
+Tot haar wil ik dan spreken, zuchten, weenen;
+Want daar gij 't wezen van uw heerlijk zelf
+Hebt weggeschonken, ben ik slechts een schim,
+En wil uw schaduw trouwe liefde wijden.
+
+JULIA (ter zijde). Ja, waar' ze een werk'lijk wezen, gij bedroogt het,
+Dat het een schim wierd, zooals ik het ben.
+
+SILVIA. 'k Ben recht ongaarne, heer, uw afgodsbeeld;
+Doch daar het met uw valschheid strookt, dat gij
+Voor schimmen knielt, een ijdel beeld aanbidt,
+Zoo laat het morgen ochtend bij mij halen.
+En nu, slaap wel!
+
+PROTEUS. Als arme zondaars doen,
+Wie 't halsgericht den and'ren morgen wacht.
+
+(Proteus en Silvia af.)
+
+JULIA. Waard, gaat gij mede?
+
+WAARD. 'k Was op mijn woord, daar vast in slaap geraakt.
+
+JULIA. Waar woont die heer, die Proteus? zeg mij dit.
+
+WAARD. Wel, in mijn huis. Ik geloof waarachtig, dat het bijna dag is.
+
+JULIA. Dat niet; maar toch, het was de langste nacht,
+Die ik doorwaakte, en zeker ook de bangste.
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar.
+
+Eglamour komt op.
+
+EGLAMOUR. 't Is nu het uur, dat jonkvrouw Silvia mij
+Hier heeft ontboden om haar wensch te hooren.
+Voor iets gewichtigs eischt zij wis mijn dienst.
+Mejonkvrouw! jonkvrouw!
+
+(Silvia verschijnt weder aan haar venster.)
+
+SILVIA. Wie roept daar?
+
+EGLAMOUR. Iemand, die uw dienaar is,
+Een vriend, die uw bevelen komt vernemen.
+
+SILVIA. Heer Eglamour, veel duizend goede morgens!
+
+EGLAMOUR. Niet minder, eed'le jonkvrouw, wensch ik u.
+Naar uw vereerende opdracht kom ik hier
+In 't morgenuur vernemen, welken dienst
+Het u behaagd heeft aan mij op te dragen.
+
+SILVIA. O Eglamour, gij zijt een edelman,--
+Neen, 't is geen vleitaal, die ik spreek, ik zweer het,--
+Wijs, dapper, diepgevoelend, waarlijk ridder.
+'t Is u niet onbekend, wat diepe neiging
+Ik voor den balling Valentijn steeds voed,
+Noch, hoe mijn vader tot een echt mij dringt
+Met de' ijd'len Thurio, dien mijn ziel verfoeit.
+Gij hebt bemind; ik hoorde zelve u zeggen,
+Dat nooit een leed zoo diep uw harte trof,
+Als toen uw dierbare uitverkoor'ne stierf,
+Wier graf uw eed van eeuw'ge trouw vernam.
+Heer Eglamour, ik wil naar Valentijn,
+Naar Mantua, waar hij, zoo hoor ik, toeft;
+En daar de wegen hoogst onveilig zijn,
+Zoo vraag ik, steunend op uw eer en trouw,
+Dat gij mij op de reis geleiden wilt.
+Neen, wijs mij op mijns vaders gramschap niet;
+Denk aan mijn leed slechts, eener vrouwe leed,
+En hoe ik recht heb om van hier te vluchten,
+Ten einde een hoogst onheil'gen echt te ontgaan,
+Door hemel beide en 't lot met vloek bedreigd.
+Ik smeek u uit het diepste van een hart,
+Zoo vol van kommer als de zee van zand,
+Dat gij als mijn geleider mij verzelt;
+Zoo niet, dat gij verzwijgt, wat ik u zeide,
+Opdat ik 't wagen moog', alleen te gaan.
+
+EGLAMOUR. Mejonkvrouw, ik beklaag uw liefdekommer,
+En weet, hij geldt een deugdrijk edelman;
+Ik ben daarom bereid u te verzellen;
+En luttel acht ik wat mij treffen kan,
+Maar wensch te meer van harte u alle heil.
+Wanneer wenscht gij te gaan?
+
+SILVIA. Deze' eigen avond.
+
+EGLAMOUR. Waar vind ik u?
+
+SILVIA. In broeder Patrick's cel,
+Waarheen ik, als ter biecht, mij zal begeven.
+
+EGLAMOUR. Ik zal er zijn, mejonkvrouw.
+Thans goeden morgen, lieve jonkvrouw.
+
+SILVIA. Dank; goeden morgen, ridder Eglamour.
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar.
+
+Lans komt op, met zijn hond.
+
+LANS. Als een mensch zijn dienaar zich hondsch tegen hem gedraagt,
+ziet ge, dat is hard; een, dien ik van kindsbeen af heb opgebracht,
+een, dien ik voor verdrinken bewaard heb, toen drie of vier van
+zijn blinde broeders of zusters er aan moesten gelooven! Ik heb hem
+afgericht, juist zooals iemand, die zich voorneemt: "Zoo wil ik een
+hond africhten." Ik werd gestuurd om hem ten geschenke te brengen
+van mijn meester aan juffer Silvia, en ik had nog nauwelijks een
+voet in de eetzaal, of hij vliegt me naar haar bord en steelt haar
+kapoenepootje. O, het is een kwaad ding, als een hond zich niet in
+ieder gezelschap weet te gedragen! Ik zou willen, om zoo te zeggen,
+dat een, die op zich neemt een hond te zijn, dan, als het ware, ook
+in allen deele een hond was. Als ik niet meer verstand had gehad dan
+hij, en het vergrijp, dat hij begaan had, niet op mij had genomen,
+was hij, dit geloof ik zeker, er voor gehangen; zoo waar ik leef,
+hij was er om koud geweest; oordeelt zelf. Hij dringt me zich daar in
+het gezelschap van drie of vier voorname honden onder de tafel van
+den hertog, en is me daar, met verlof, nog geen hondenpisje lang,
+of de geheele zaal ruikt hem. "Naar buiten met den hond!" roept de
+een; "Wat is dat voor een mormeldier?" zegt de ander; "Ranselt hem
+de deur uit!" zegt een derde; "Hangt hem op!" zegt de hertog. Ik,
+die de lucht van vroeger kende, wist dadelijk, dat het Krab was,
+en ik ga me naar den man van de hondenzweep; "Vriend", zeg ik,
+"gij zijt van plan dien hond daar te ranselen?" "Ja waarachtig,
+dat ben ik", zegt hij. "Dan doet gij hem groot onrecht", zeg ik,
+"ik was het, die dat je weet wel, deed." Hij maakt me geen verdere
+praatjes meer, maar zweept mij de kamer uit. Hoe veel meesters
+zouden dit voor hun dienaar doen? Ja, ik kan er een eed op doen,
+ik heb in het voetblok gezeten voor worsten, die hij gestolen had,
+anders was hij er om afgemaakt; ik heb te pronk gestaan voor ganzen,
+die hij gedood had, anders had hij er voor moeten bloeden; aan dat
+alles denk jij nu volstrekt niet meer.--Ja, en daar denk ik weer
+aan den streek, dien je mij gespeeld hebt, toen ik afscheid nam van
+jonkvrouw Silvia. Heb ik je niet altijd gelast, op mij te letten,
+en even zoo te doen als ik? Wanneer heb je mij ooit mijn been zien
+oplichten en wateren tegen een dame haar hoepelrok? Heb je ooit zulk
+een streek van mij gezien? 43
+
+(Proteus en Julia komen op.)
+
+PROTEUS. Sebastiaan heet gij? Nu, gij staat mij aan,
+En 'k zal terstond u met een dienst belasten.
+
+JULIA. Met wat gij wilt; doen zal ik wat ik kan.
+
+PROTEUS. Dat hoop ik, knaap.--(Tot Lans.) Gij liederlijke lummel!
+Waar hebt gij sedert gist'ren rondgedwaald?
+
+LANS. Wel, heer, ik heb aan juffer Silvia den hond gebracht, zooals
+gij mij bevolen hadt.
+
+PROTEUS. En wat zegt zij wel van mijn klein juweel?
+
+LANS. Wel, zij zegt, uw hond was een mormeldier, en laat u weten,
+dat een hondsche dank goed genoeg is voor zulk een geschenk.
+
+PROTEUS. Zij nam den hond toch aan?
+
+LANS. Neen, integendeel, hier heb ik hem weer meegebracht.
+
+PROTEUS. Wat! heb je dien haar van mij aangeboden?
+
+LANS. Ja, heer; het andere eekhoorntje werd mij op de markt door de
+knapen van den hondenslager ontstolen; en toen heb ik haar mijn eigen
+hond gebracht, die zoo groot is als tien van de uwen en daarom een
+zooveel grooter geschenk.
+
+PROTEUS. Ga, pak u weg en breng mijn hond terug,
+Of kom mij nimmer weder onder de oogen!
+Weg, zeg ik! Blijft gij staan om mij te tergen?
+Gij knaap, die mij aldoor te schande maakt!
+
+(Lans af.)
+
+Sebastiaan, 'k heb u in dienst genomen,
+Ten deele, wijl ik mij een jonkman wensch,
+Die met verstand kan doen, wat ik hem opdraag,
+Want op dien lummel is geen staat te maken;
+Doch meest, wijl uw gelaat en uw manieren,--
+Indien mijn zienerskunst mij niet bedriegt,--
+Van goeden stand, geluk en trouw getuigen;
+Deswegen, weet dit, nam ik u in dienst.
+Ga nu terstond, neem dezen ring met u,
+En stel aan jonkvrouw Silvia dien ter hand;
+Die mij hem gaf, zij heeft mij zeer bemind.
+
+JULIA. Gij haar wis niet, dat gij haar pand zoo wegschenkt;
+Of is zij dood? 80
+
+PROTEUS. Dat niet; ik denk, zij leeft.
+
+JULIA. Helaas!
+
+PROTEUS. Wat roept gij daar "Helaas"?
+
+JULIA. Ik kan niet anders doen dan haar beklagen.
+
+PROTEUS. Waarom beklaagt gij haar?
+
+JULIA. 'k Verbeeld mij, zij beminde u evenzeer,
+Als gij uw jonkvrouw Silvia nu bemint.
+Zij droomt van hem, die hare min vergat;
+Gij dweept met haar, die uwe min verwerpt.
+Wat leed, dat min zoo tegen min zich kant!
+Zie, dit bedenkend, riep ik uit: helaas!
+
+PROTEUS. Nu, geef haar dezen ring met dezen brief;--
+Zie, ginds, dàt is haar kamer.--Zeg mijn jonkvrouw,
+Dat ik 't beloofde hemelsch beeld haar vraag.
+En breng mij spoedig 't antwoord; op mijn kamer
+Zult gij mij vinden, treurig en alleen.
+
+(Proteus af.)
+
+JULIA. Die boodschap, hoeveel vrouwen brachten ze over?
+Ach, arme Proteus, gij hebt daar een vos
+Als herder uwer lamm'ren aangesteld!
+Ach, ik zottin! waarom beklaag ik hem,
+Die uit den grond zijns harten mij versmaadt?
+Omdat hij haar bemint, versmaadt hij mij;
+Omdat ik hem bemin, beklaag ik hem.
+Den ring hier schonk ikzelf hem bij ons afscheid,
+Opdat hij mijner liefde steeds gedacht;
+En ach, nu moet ik,--ik onzaalge bode!--
+Gaan vragen wat ik niet erlangen wil,
+Gaan brengen wat ikzelf geweigerd wensch,
+Gaan roemen, wien ik als ontrouw gesmaad wensch!
+Ik ben mijn heer een trouw en echt verloofde,
+Doch kan hem niet een trouwe dienaar zijn,
+Of aan mijzelve pleeg ik boos verraad.
+Toch wil ik voor hem smeeken, doch zoo koud,
+Als ik,--God weet het,--hare weig'ring wensch.
+
+(Silvia komt op, met Gevolg.)
+
+Mejonkvrouw, goeden dag! Ik bid u, help mij,
+Dat ik de jonkvrouw Silvia spreken kan.
+
+SILVIA. Zoo ik het waar', wat zoudt gij van haar willen?
+
+JULIA. Zoo gij het zijt, dat gij geduldig aanhoort,
+Wat ik als boodschap overbrengen moet.
+
+SILVIA. Van wien?
+
+JULIA. Mejonkvrouw, van mijn heer, Signore Proteus.
+
+SILVIA. Hij zendt om een portret u hier, niet waar?
+
+JULIA. Zoo is 't, mejonkvrouw. 121
+
+SILVIA. Ga, Ursula, en haal hier mijn portret.
+
+(Er wordt een portret gebracht.)
+
+Gij, breng dit aan uw heer, doch meld hem dit:
+Die Julia, die zijn wufte zin vergeet,
+Zou beter, dan die schim, zijn kamer sieren.
+
+JULIA. Wil, jonkvrouw, dezen brief van hem doorlezen.--
+Vergeef mij jonkvrouw, uit verstrooidheid reikte ik
+U daar een brief, dien ik niet geven mocht;
+Dit is het schrijven voor uw edelheid.
+
+SILVIA. Ik bid u, laat mij de' andren nog eens zien.
+
+JULIA. Dit mag niet zijn; vergeef mij, beste jonkvrouw.
+
+SILVIA. Daar, neem dit weer!
+Ik wil het schrijven van uw heer niet inzien,
+'k Weet, met geloften is het opgepropt,
+Met nieuw verzonnen eeden; maar hij breekt die,
+Zoo ras als ik hier zijn papier verscheur.
+
+JULIA. Hij zendt uw edelheid ook dezen ring.
+
+SILVIA. Te schand'lijker van hem, dien mij te zenden;
+Wel duizendmaal heb ik hem hooren zeggen,
+Dat hem zijn Julia dien bij 't afscheid gaf.
+Maar hebb' zijn valsche vinger dien ontwijd,
+De mijne zal zijn Julia zoo niet krenken.
+
+JULIA. Zij dankt u.
+
+SILVIA. Wat zegt gij?
+
+JULIA. Ik dank u, dat gij deel neemt in haar lot;
+Die arme maagd! mijn meester krenkt haar diep.
+
+SILVIA. Gij kent haar dus?
+
+JULIA. Bijna zoo goed als ik mijzelven ken;
+'k Verzeker u, bij 't denken aan haar leed,
+Heb ik wel honderdmaal om haar geschreid.
+
+SILVIA. Zij weet dus, dat haar Proteus trouwloos werd?
+
+JULIA. Ik denk van ja, en dat zij daarom treurt.
+
+SILVIA. En is zij niet zeer schoon?
+
+JULIA. Zij was veel schooner, jonkvrouw, dan zij is.
+Zoo lang zij dacht, dat haar mijn heer beminde,
+Was zij, zoo meen ik, even schoon als gij;
+Maar sinds zij niet meer in den spiegel ziet,
+En 't masker, dat de zonne weerde, wegwierp,
+Verkleurt de lucht de rozen van haar wangen,
+En rooft aan haar gelaat zijn lelieblank;
+En werd zij even bruin, als ik het ben.
+
+SILVIA. Hoe groot was zij? 162
+
+JULIA. Van mijne lengte; want op Pinkst'ren werd
+Er door het jonge volk tooneel gespeeld,
+En viel aan mij de vrouwerol te beurt;
+Men stak mij in een kleed van jonkvrouw Julia;
+En dit zat mij naar aller oordeel zoo,
+Alsof het voor mijzelven was gemaakt;
+Zij moet dus juist van mijne lengte zijn.
+Ik bracht haar toen in allen ernst aan 't weenen,
+Want inderdaad, aandoenlijk was mijn rol.
+'k Was Ariadne, die haar wanhoop uit
+Om Theseus' vlucht en schand'lijk laag verraad;
+Ik speelde zoo natuurlijk in mijn tranen,
+Dat, diep geroerd, mijn arme meesteres
+Recht bitter weende; en sterven wil ik hier,
+Voelde ik niet in mijn hart haar kommer mee!
+
+SILVIA. Zij is u dank verschuldigd, lieve jong'ling.--
+Die arme jonkvrouw! troostloos en verlaten!--
+Ikzelf moet weenen, denk ik aan uw woorden.
+Hier, jonkman, neem mijn beurs; ik geef u die
+Om uwer jonkvrouw wil, die gij zoo lief hebt.
+Vaarwel!
+
+(Silvia met haar Gevolg af.)
+
+JULIA. En danken zal ze u, leert gij eens haar kennen.--
+Een eed'le jonkvrouw, lieflijk, zacht en schoon!
+Mijns meesters aanzoek, wacht ik, laat haar koud,
+Daar mijn meest'resse's liefde haar zoo roert.
+Ach, wat kan liefde beuz'len met zichzelf!
+Hier is haar beelt'nis. Laat mij zien: mij dunkt,
+Met zulk een kapsel ware mijn gelaat
+Volstrekt niet minder lieflijk dan het hare;
+En toch, de schilder vleide haar wel iets,
+Tenzij ik al te zeer mijzelve vlei.
+Haar lokken zijn lichtbruin, de mijne blond;
+Maakt dit nu voor zijn liefde zulk verschil,
+Dan koop ik mij een haartooi van die kleur.
+Haar oog is blauw als glas, het mijne is 't ook,
+Ja, doch haar voorhoofd laag, het mijne hoog.
+Wat kan het zijn, dat hem in haar behaagt,
+En hem niet ook in mij behagen moest,
+Waar' niet de dwaze Liefde een blinde god?
+Kom, schaduw, kom, en neem die schaduw op,
+Uw mededingster! O gij zielloos beeld,
+Gij wordt gekust, vereerd, bemind, vergood;
+En ware er zin in zijn afgoderij,
+Zijn godsbeeld ware, in plaats van u, mijn wezen.
+'k Wil om uw meesteres u goed behand'len,
+Zij deed het mij; want anders, bij den Hemel!
+'k Had u de stikziende oogen uitgekrabd,
+Om van mijns meesters liefde u te berooven.
+
+(Julia af.)
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Milaan. Een klooster.
+
+Eglamour komt op.
+
+EGLAMOUR. De zon verguldt den westerhemel reeds,
+En 't is omstreeks dit uur, dat Silvia mij
+Bij broeder Patrick's cel ontmoeten zou.
+Zij blijft niet uit; verliefden houden woord,
+Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen;
+Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.
+
+(Silvia komt op.)
+
+Daar komt zij reeds.--Mejonkvrouw, goeden avond!
+
+SILVIA. Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour,
+Terstond door de achterpoort van 't klooster voort;
+Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.
+
+EGLAMOUR. Ducht niets; wij spoeden ons naar 't woud, en daar,
+Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een kamer in 's Hertogs paleis.
+
+Thurio, Proteus en Julia komen op.
+
+THURIO. Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?
+
+PROTEUS. Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maar
+Zij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.
+
+THURIO. Wat? dat mijn been te lang is?
+
+PROTEUS. Neen, te dun.
+
+THURIO. Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.
+
+JULIA (ter zijde). Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.
+
+THURIO. Hoe vindt zij mijn gelaat?
+
+PROTEUS. Als blank papier.
+
+THURIO. Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart. 10
+
+PROTEUS. Doch paar'len noemt men blank; en 't zeggen is,
+Een zwart man is een paarl in 't oog der schoonen.
+
+JULIA (ter zijde). Ja, van die parels, die het oog verduistren,
+Die 'k niet wil zien, en waar ik 't oog voor sluit.
+
+THURIO. En hoe bevalt haar mijn gesprek?
+
+PROTEUS. Slecht, als gij over oorlog spreekt.
+
+THURIO. Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?
+
+JULIA (ter zijde). Nog beter, als gij haar met vrede laat.
+
+THURIO. Wat zegt zij van mijn moed?
+
+PROTEUS. O, heer, daarover is zij niet in twijfel.
+
+JULIA (ter zijde). Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.
+
+THURIO. Wat zegt zij van mijn afkomst?
+
+PROTEUS. Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.
+
+JULIA (ter zijde). Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.
+
+THURIO. En spreekt zij van mijn landerijen?
+
+PROTEUS. Ja, maar met leedbetuiging.
+
+THURIO. En waarom?
+
+JULIA (ter zijde). Dat zulk een ezel die bezit.
+
+PROTEUS. Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.
+
+JULIA. Daar komt de hertog.
+
+(De Hertog komt op.)
+
+HERTOG. Hoe is 't, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio?
+Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?
+
+THURIO. Ik niet.
+
+PROTEUS. Noch ik.
+
+HERTOG. En mijne dochter?
+
+PROTEUS. Ook niet.
+
+HERTOG. Nu, dan,
+Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn,
+En dan is Eglamour haar metgezel.
+Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet,
+Toen hij door 't woud ging en gebeden las;
+Hem kende hij, en dacht dat zij het was,
+Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker;
+Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze' avond
+Ter biecht te willen gaan, maar was er niet.
+Dit alles saam bevestigt hare vlucht.
+Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen,
+Terstond te paard, en vindt mij aan den voet
+Des bergs, waar langs zijn helling zich de weg
+Naar Mantua wendt, want daarheen vloden zij.
+Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.
+
+(De Hertog af.)
+
+THURIO. Dat noem ik toch een dwaze deerne, die
+'t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt.
+Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten,
+Dan op de dolle Silvia nog verliefd.
+
+(Thurio af.)
+
+PROTEUS. Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd,
+Dan op haar helper Eglamour verbitterd.
+
+(Proteus af.)
+
+JULIA. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde;
+Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.
+
+(Julia af.)
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Het woud tusschen Milaan en Mantua.
+
+Bandieten komen op, met Silvia.
+
+EERSTE BANDIET. Kom, kom;
+Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.
+
+SILVIA. Mij leerden duizend andere ongevallen
+Ook dit nu met gelatenheid te dragen.
+
+TWEEDE BANDIET. Komt, brengt haar weg.
+
+EERSTE BANDIET. Waar is die edelman, die bij haar was?
+
+DERDE BANDIET. Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte;
+Doch Mozes en Valerius volgen hem.
+Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoom
+Van 't woud; laat ons den vlucht'ling achtervolgen;
+Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.
+
+EERSTE BANDIET. Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u.
+Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw,
+Die hij ooit smaad of schande lijden deed.
+
+SILVIA. O Valentijn, om u draag ik dit leed.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van 't woud.
+
+Valentijn komt op.
+
+VALENTIJN. Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen!
+Deez' donkere eenzaamheid, dit stille woud,
+Behaagt mij meer dan rijke woel'ge steden.
+Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien,
+Om aan het klagend lied des nachtegaals
+Mijn jammertonen en mijn wee te huwen.
+O gij, wier woning in mijn boezem is,
+Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten,
+Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt,
+Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was.
+O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht!
+Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!--
+Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden?
+Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen,
+Zijn wis een armen zwerver op het spoor,
+Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar,
+Altijd hun lust tot ruw geweld te teug'len.
+Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?
+
+(Hij wijkt ter zijde.)
+
+(Proteus, Silvia en Julia komen op.)
+
+PROTEUS. Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,--19
+Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;--
+Ik waagde 't leven en ontrukte u hem
+Die eer en liefde u zou ontwrongen hebben.
+Gun mij als loon een enk'len teed'ren blik;
+Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken,
+En minder nog dan dit kunt gij niet geven.
+
+VALENTIJN (ter zijde). Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor?
+Leen, Liefde, mij 't geduld om kalm te blijven.
+
+SILVIA. Ellendige en onzaal'ge, die ik ben!
+
+PROTEUS. Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam;
+Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.
+
+SILVIA. Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.
+
+Julia (ter zijde). En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.
+
+SILVIA. Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen,
+'k Had liever 't ondier tot ontbijt gestrekt,
+Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde.
+Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin,
+Wiens leven ik zou koest'ren als mijn ziele;
+En evenzoo,--daar meer onmooglijk is,--
+Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus.
+Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.
+
+PROTEUS. Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde,
+Niet voor een enk'len zachten blik bestaan!
+O oude vloek der liefde, dat den man
+De vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!
+
+SILVIA. Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan!
+Doorlees van Julia 't hart, uw eerstbeminde;
+Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken,
+Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eed
+Verkeert ge in meineed en zweert dien aan mij.
+U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen,
+Wat erger is dan geen; veel beter geen,
+Dan trouw in 't meervoud; altijd één te veel.
+Gij huich'laar bij uw trouwsten vriend!
+
+PROTEUS. Wie kent,
+Waar 't liefde geldt, een vriend?
+
+SILVIA. Slechts Proteus niet.
+
+PROTEUS. Nu, zoo der overreding zachte geest
+U niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ik
+Op krijgsmanswijs u met mijn arm veroov'ren,
+U tegen liefdes innigst wezen minnen,
+U dwingen,--59
+
+SILVIA. Hemel!
+
+PROTEUS. Dwingen, mijn te zijn.
+
+VALENTIJN (vooruittredend). Ellend'ling, weg van haar die ruwe hand!
+Gij vriend van boos gehalte!
+
+PROTEUS. Valentijn!
+
+VALENTIJN. Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,--
+Ja, zoo is nu een vriend,--gij aartsverrader!
+Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oog
+Kon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen:
+"Ik heb een vriend"; gij zoudt mij logenstraffen.
+Wie is betrouwbaar, als de rechterhand
+Meineedig wordt aan 't harte? Proteus,
+Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen,
+Doch heel de wereld vreemd'ling mij moet zijn.
+O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd,
+Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!
+
+PROTEUS. Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.--
+Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouw
+Als losgeld voor zoo zware schuld volstaat,
+Dan bied ik 't hier; voorwaar mijn smart is groot,
+Zoo groot als mijn vergrijp.
+
+VALENTIJN. Ik ben voldaan;
+En reken u op nieuw een eerlijk man.
+Wien boete niet verzoent, behoort ten hemel
+Noch aarde; beide kan berouw verteed'ren,
+En de Eeuw'ge heft hen op, die zich verneed'ren.
+En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu:
+Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.
+
+JULIA. O, ik onzaal'ge!
+
+(Zij zijgt neder.)
+
+PROTEUS. Zie, wat schort mijn knaap?
+
+VALENTIJN. Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek'nen?
+Zie op, en spreek!
+
+JULIA. O heer, mijn meester gaf mij
+Een ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen;
+En ik verzuimde 't uit onachtzaamheid.
+
+PROTEUS. Waar is die ring, knaap?
+
+JULIA. Hier, hier is hij, heer.
+
+(Zij geeft hem een ring.)
+
+PROTEUS. Geef, laat mij zien.
+Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf. 93
+
+JULIA. O heer, vergeef mij; 'k gaf u den verkeerden;
+Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.
+
+(Zij toont een anderen ring.)
+
+PROTEUS. Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring?
+Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.
+
+JULIA. En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven,
+En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.
+
+PROTEUS. Wat! Julia!
+
+JULIA. Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden,
+Die ze alle diep in 't harte heeft bewaard;
+Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed!
+O Proteus, deze kleeding doe u blozen;
+Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleed
+Mij hullen moest, indien ten minste schaamte
+Bij valsche liefde woont!
+Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed,
+Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.
+
+PROTEUS. De man zijn eed! 't is waar; o was de man
+Steeds trouw, hij waar' volmaakt; die eene feil
+Wekt tal van zonden, maakt hem ziende blind;
+Ontrouw valt af, eer 't minnen recht begint.
+Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet,
+Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?
+
+VALENTIJN. Komt, elk van u reik' mij de hand!
+Gun mij 't geluk, dat ik den heilvreê sluit;
+De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.
+
+PROTEUS. Tuig, Hemel, 'k ben aan 't einddoel mijner wenschen!
+
+JULIA. En ik der mijne!
+
+(Bandieten komen op, met den Hertog en Thurio.)
+
+BANDIETEN. Een vangst, een vangst! een vangst!
+
+VALENTIJN. Laat af! laat af! De hertog is 't, de vorst!--
+Sta uw genade een man in ongenade
+Een welkomst toe, den balling Valentijn.
+
+HERTOG. Wat, Valentijn!
+
+THURIO. Mijn Silvia daar! de mijne!
+
+VALENTIJN. Thurio, terug, of gij omarmt den dood.
+Blijf buiten het bereik van mijnen toorn.
+Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij 't waagt,
+Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij;
+Nu, waag het, roer haar met een vinger aan,
+Mijn liefste met een enk'len ademtocht!
+
+THURIO. Heer Valentijn, zij is mij onverschillig.
+Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje,
+Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil;
+Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.
+
+HERTOG. Des te nietswaardiger en laag zijt gij,
+Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt,
+En dan op zulk een wijs haar op te geven.
+Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht,
+Ik juich uw moed toe, Valentijn, en reken
+De liefde u waardig van een keizerin.
+Daarom, al wat mij griefde zij vergeten;
+Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug.
+Uw onbetwistb're waarde geeft u aanspraak
+Op nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn,
+Gij zijt een edelman van besten bloede;
+Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.
+
+VALENTIJN. Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig.
+Ik bid u thans, ter wille van uw dochter,
+Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.
+
+HERTOG. 'k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.
+
+VALENTIJN. Die mannen hier, met wie ik heb geleefd,
+Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid.
+Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben,
+En roep hen uit hun ballingschap terug.
+Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd,
+Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.
+
+HERTOG. Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun;
+Geef hun een werkkring zooals gij hen kent.
+Doch gaan wij; ied're wanklank zij verdoofd
+Door blij gejuich en ongekende feesten.
+
+VALENTIJN. En onderweg beproeve mijn verhaal
+Bij uw genade een glimlach uit te lokken.
+Wat dunkt u van deze' edelknaap, mijn vorst?
+
+HERTOG. De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.
+
+VALENTIJN. Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.
+
+HERTOG. Wat wilt gij daarmee zeggen?
+
+VALENTIJN. Behaagt het u, dan deel ik onder 't gaan
+U zaken mee, die u verbazen zullen.--
+Kom, Proteus, dit moog' heel uw boete zijn,
+De onthulling van uw liefdes aan te hooren;
+Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn;
+Één feest, één huis, één onderling geluk.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave
+van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt
+uit de vermelding er van door Francis Meres in zijn _Palladis Tamia_
+(zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige
+jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw,
+het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op
+de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns
+optreden, op de overeenstemming met gedachten, in "Venus en Adonis"
+en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste
+overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker
+der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan "de Klucht
+der vergissingen" en "Veel gemin, geen gewin" is ondertusschen niet
+wel uit te maken.
+
+Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit
+stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks
+ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De
+geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten
+vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den
+herdersroman _La Diana_, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor
+[1], een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang
+maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen
+gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel, _The
+history of Felix and Philiomena_, getrokken en ten hove opgevoerd
+te zijn.--Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman
+ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius'
+Shakespeare-uitgave.
+
+Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote
+moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel
+van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in
+zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men,
+het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn
+versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen
+te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk
+zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen,
+een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare
+voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar
+het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te
+Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld,
+dat hij naar Julia's hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour
+getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in
+eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd;
+hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en
+door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers
+overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste
+bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen,
+het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer
+en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft,
+zegt hij: "Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien"; Julia geeft aan
+Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van
+den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den
+ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later
+haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch
+om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend
+Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus
+schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af,
+en deze heeft niets hiertegen te zeggen.
+
+Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden,
+die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer
+versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan
+'s keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want
+tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van
+Valentijn, dat zij de liefde eener _keizerin_ waardig zijn; van
+den laatste, dat hij in den raad eens _keizers_ op zijn plaats zou
+wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot
+verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des
+hertogs aan Valentijn, die van het _koninklijk_ hof verbannen wordt;
+de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer
+argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.--Dat
+de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als
+Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.--In het
+oorspronkelijk stuk was Silvia's portret zeker van meer beteekenis en
+werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour
+was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de
+reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd
+opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom
+bereid is, haar aan Proteus af te staan.--Julia zal waarschijnlijk een
+brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd
+hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.--Wat er van dit alles
+zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door
+de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk
+afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij
+er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid
+des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk,
+dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien
+was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde
+hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven
+rollen weder trachten samen te stellen.
+
+
+
+I. 1. 2. _Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen._ Die niet
+verder ziet dan de muren van zijn huis. In 't Engelsch: _Homekeeping
+youth have ever homely wits._
+
+I. 1. 17. _Want ik wil voor u bidden, Valentijn._ _For I will be thy
+beadsman, Valentine._ Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand
+te doen.
+
+I. 1. 27. _Wat, laarzen?_ enz. In 't Engelsch is hier een drievoudige
+woordspeling met _boots_, laarzen, _to give the boots_, belachelijk
+maken, en _to boot_, baten, bevoordeelen.--De Spaansche laarzen,
+hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.
+
+I. 1. 53. _Want aan de haven wacht_ enz. In 't Engelsch staat _at
+the road_, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als
+een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzen genoeg, dat
+Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was;
+men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De
+toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen
+staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor
+zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn
+toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van
+personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor
+den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens
+klinken van _ship_ en _sheep_ (schip en schaap) aanleiding tot een
+woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen
+vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam;
+bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van
+Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de
+dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin
+van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de
+voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich
+in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den
+tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters
+behoeft men niet te denken.
+
+I. 1. 101. _Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een
+verkoren schaap._ In 't Engelsch: _I, a lost mutton, gave your letter
+to her, a laced mutton._ Een woordspeling met _lost_ en _laced_,
+waarbij men bedenke, dat in Sh.'s tijd de _a_ in _laced_ nog niet
+met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst van _lost_
+en _laced_ toen grooter was dan thans. _Laced_ beteekent eigenlijk
+gevangen of vastgehouden, daar het substantief _lace_ of _strik_
+(in 't Latijn _laqueus_) of ook een _net_ beteekent, zoodat _laced_
+een goede tegenstelling met _lost_ vormt. Men denke dus niet aan een
+met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve men _laced mutton_
+de beteekenis van "licht vrouwspersoon",--want al is Flink, die woedend
+is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een
+uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven,
+zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren.
+
+I. 1. 110. _U te schutten_, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met
+zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woord _pound_
+in de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald
+vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna
+het woord _pinfold_, schaapskooi, in _pin_, een speld, een waardeloos
+ding, en _fold_. Daarop volgt weer de samenvoeging van _nod_, knikken,
+met het voornaamwoord _I_, ik, of het bevestigende _ay_, ja, tot
+_noddy_, onnoozele bloed.--In het origineel voegde Theobald achter
+het zeggen: _But what said she?_ als waarschijnlijk uitgevallen,
+de woorden: _Did she nod?_ welke op blz. 160 ook in de vertaling
+zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbare _noddy_ door een andere
+woordspeling vervangen worden.
+
+I. 1. 152. _De grootte uwer mildheid_ enz. Hier heeft het Engelsch
+een woordspeling met _testify_, betuigen, en _testern_, met een
+_tester_,--een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een
+kop, _testa_, _tête_, op gestempeld was,--begiftigen, een woord van
+Sh.'s maaksel.
+
+I. 1. 156. _Gij zijt de veiligheid van 't schip._ Op het zeggen, dat
+wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den
+"Storm", I. 1. 30.
+
+I. 2. 55. _Meisjes zeggen zedig neen._ Een Engelsch spreekwoord zegt:
+_Maids say nay, and take it_, "meisjes zeggen neen en tasten toe".
+
+I. 2. 83. _Luchte liefde._ Een lied, "Light o' love" beginnend, waarop
+gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt
+genoemd in "Veel leven om niets", III. 4. 44, waar gezegd wordt:
+"zing gij het, dan zal ik dansen".--In het volgende worden allerlei
+uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin
+opgevat; zoo beteekent _burden_ zoowel "refrein" als "last", _base_
+"basstem" en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ook
+_prison base_ of _prison bars_ geheeten, waarbij _to bid the base_,
+het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden;
+men zie "Venus en Adonis" reg. 303 en "Cymbeline" V 3. 19.
+
+I. 2. 114. _Mijn boezem zij uw bed._ De dames hadden voor aan haar
+keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop
+gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250.
+
+I. 2. 137. _Dat gij ze diep vereert._ Er staat: _you have a month mind
+to them_, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige,
+voorbijgaande verlangens heeft.
+
+II. 1. 2. _Die hoort mij niet._ In 't Engelsch is een woordspeling
+met _on_ en _one_, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken.
+
+II. 1. 26. _Als een bedelaar op Allerheiligen._ Op Allerheiligen liepen
+bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken,
+_soulcakes_, als het loon hunner gebeden voor de dooden.--Voor het
+_stappen als een leeuw_ staat in 't oorspronkelijke: "als een der
+leeuwen", waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower
+voor den geest bracht.
+
+II. 1. 79. _Zijn hoosbanden._ Het vergeten der hoosbanden wordt door
+Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie
+"Elk wat wils" (_As you like it_), III. 2. 397; men vergelijke ook
+"Hamlet" II. 1. 80.--Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn
+zelfs vergat zijn hozen aan te trekken.
+
+II. 1. 106. _Heer Valentijn, mijn dienaar._ In Sh.'s tijd werden
+de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster, _Madam_
+of _Mistress_, vaak _servant_ genoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde
+beteekent als _lover_.
+
+II. 3. 4. _De verloopen zoon._ In 't Engelsch zegt Lans _prodigious_
+voor _prodigal_ en _imperials_ voor _emperor's_ of _imperial_.--De
+naam van den hond, _Crab_, beteekent wilde appel.
+
+II. 3. 39. _Het tij verloopt._ Het Engelsch heeft hier een woordspeling
+met _tide_, "getij" en _tied_, de vastgebondene (de hond).
+
+II. 4. 152. _Een macht, een overheid._ Van een hoogen rang in de
+engelenschaar; zie Paulus' Brief aan de Romeinen, VIII. 38.
+
+II. 4. 192. _Gelijk een gloed een and'ren gloed verdringt._ Men vindt
+dezelfde beelden in "Coriolanus", IV. 7. 54.
+
+II. 4. 196. _Is 't nu mijn oog._ Het Engelsch is hier onvolledig;
+_Is it mine or_ enz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet
+worden met Warburton: _Is it mine eye or_ enz. dan, met Malone,
+_Is it her mien or_ enz.
+
+II. 4. 201. _Zooals een wassen beeld bij 't vuur._ Men vergelijke
+"Koning Jan" V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door
+toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het
+beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen.
+
+II. 5. 1. _Welkom in Milaan._ In den tekst der folio-uitgave staat
+Padua, zooals in III. 1. 81 en V. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is
+mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast
+bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar 't kan ook aan
+een omwerker liggen.
+
+II. 5. 61. _Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt._ In 't
+Engelsch: _As to go to the ale with a Christian._ "Ale" beteekent
+_bier_, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de
+hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd,
+aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de
+opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats
+en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen: _Lamb-ale_,
+_Bride-ale_, _Church-ale_, _Whitesun-ale_.--Als Flink met Lans niet
+naar een _Ale_, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen
+christenmensch.
+
+II. 7. 53. _Met een klep._ In 't Engelsch staat: _with a codpiece_,
+wat aldus verklaard kan worden: "a part of the male dress, very
+indelicately conspicuous in the poet's time". Het werd nog al sterk
+opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen,
+waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken
+wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen,
+zie "Winteravondsprookje", IV. 4. 623.
+
+III. 1. 81. _Hier in deze stad._ In den tekst staat: _in Verona here_.
+
+III. 1. 153. _Gij Phaëton, gij and're Merops-zoon._ De vertaling is
+hier niet letterlijk; er staat eigenlijk: "Wat! Phaëton,--want gij
+zijt Merops' zoon".--Phaëton was de zoon van Helios, den Zonnegod,
+en van Clymene, die met den koning Merops, in Aethiopië, gehuwd was;
+deze was dus Phaëton's aardsche vader te noemen. De tusschenzin _want_
+enz. kan eenvoudig beteekenen: "want gij _zijt_ inderdaad een Phaëton",
+en dan is de vertaling op blz. 175 zeer juist. Wil men er uit lezen:
+"want gij zijt een zoon van Merops, niet van den zonnegod, maar van
+een mensch, dus van een lage afkomst",--dan moet de hier gegeven,
+meer letterlijke vertaling gevolgd worden; deze verklaring komt mij
+echter vrij gezocht voor en het "want", _for_, past er slecht bij;
+de eerste schijnt mij de ware te zijn.
+
+III. 1. 263. _Dubbele schurk._ In meer dan één opzicht een schurk.
+
+III. 1. 300. _Toon door Sint Nikolaas u flink._ Sint Nikolaas was
+de beschermheilige der scholieren en moest daarom Flink in 't lezen
+bijstaan. De legende verhaalt, dat hij reeds als knaap bisschop werd.
+
+III. 1. 307. _Zij kan naaien._ In 't Engelsch: _she can sew_, waarvoor
+in de folio-uitgave _sowe_ geschreven wordt, zoodat de volgende
+vraag _can she so_ het woord herhaalt. Hier moest de vertaler zich
+anders helpen; evenzoo bij het volgende, waar het woord _stock_
+eerst in de beteekenis van "kapitaal", "geld", daarna in die van
+"sok", wordt opgevat.
+
+IV. 1. 36. _Bij Robin Hood's_ enz. De bandiet zweert bij de kale kruin
+van broeder Tuck, den priester en biechtvader van den gevierden roover
+en wilddief Robin Hood, van Sherwoodforest, die aan iederen Engelschman
+bekend was en die ook in Scott's Ivanhoe voorkomt. Zie boven blz. 190.
+
+IV. 2. 76. _Dat de kerfstok vol is._ Dat het niet meer te berekenen is.
+
+IV. 4. 39. _Toen ik van jonkvrouw Silvia afscheid nam._ Steevens
+achtte het beter hier Julia te lezen in plaats van Silvia. Het schijnt
+inderdaad, dat Lans aan een vroeger afscheid dacht.
+
+IV. 4. 60. _Door de knapen van den hondenslager._ Er staat eigenlijk
+"door de knapen van den beul", "_the hangman's boys_". Sommigen
+verkiezen _the hangman boys_, waarbij _hangman_ als adjectief beschouwd
+wordt, zoodat het beteekenen zou: de ellendige, schurkachtige jongens,
+de galgenbrokken.
+
+V. 4. 129. _Geheel Milaan beschermt u niet._ In 't Engelsch staat:
+_Verona shall not hold thee._ Zie boven de aanteekening op II. 5. 1.
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Bij de verbranding van de boeken van Don Quichotte wordt deze
+roman gevonden, maar blijft, op aanraden van den geestelijke, gespaard.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Twee Edellieden van Verona, by William Shakespeare
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE EDELLIEDEN VAN VERONA ***
+
+***** This file should be named 26594-8.txt or 26594-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/6/5/9/26594/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.