diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:30:58 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:30:58 -0700 |
| commit | f0359717b90b32494761b1e21a902357e8b8f527 (patch) | |
| tree | a1742eede3b2e31edf5c780a605cf53142aa0af2 /26594-8.txt | |
Diffstat (limited to '26594-8.txt')
| -rw-r--r-- | 26594-8.txt | 4268 |
1 files changed, 4268 insertions, 0 deletions
diff --git a/26594-8.txt b/26594-8.txt new file mode 100644 index 0000000..aa0da11 --- /dev/null +++ b/26594-8.txt @@ -0,0 +1,4268 @@ +Project Gutenberg's Twee Edellieden van Verona, by William Shakespeare + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Twee Edellieden van Verona + +Author: William Shakespeare + +Translator: Dr. L. A. J. Burgersdijk + +Release Date: September 11, 2008 [EBook #26594] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE EDELLIEDEN VAN VERONA *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + + + +TWEE EDELLIEDEN VAN VERONA. + + +PERSONEN: + + De Hertog van Milaan, Silvia's vader. + + Twee edellieden van Verona. + Valentijn, + Proteus. + + Antonio, vader van Proteus. + Thurio, een dwaas mededinger van Valentijn. + Eglamour, begeleider van Silvia op haar vlucht. + Flink, een potsig dienaar van Valentijn. + Lans, een dergelijk dienaar van Proteus. + Panthino, bediende van Antonio. + De Waard, bij wien Julia vertoeft. + Bandieten. + + Julia, bemind door Proteus. + Silvia, bemind door Valentijn. + Lucetta, Julia' s kamerjuffer. + Bedienden, Muzikanten. + + +Het tooneel is nu in Verona, dan in Milaan, en ook op de grenzen +van Mantua. + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een plein in Verona. + +Valentijn en Proteus komen op. + +VALENTIJN. Staak vrij uw overreding, lieve Proteus; +Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen. +Ja, hield de liefde uw lente niet geketend +Aan 't lieflijk lonken van uw aangebeed'ne, +Dan drong ik u, veeleer te zaam met mij +Der wijde wereld wond'ren te gaan zien, +Dan zóó uw jeugd, in duffe droomerij +En lendenlammen lediggang te slijten, +Doch wijl gij mint,--blijf minnen, groei er in, +Zooals mijn wensch zal zijn, als ik eens min. + +PROTEUS. Gij wilt dus gaan? Vaarwel mijn Valentijn! +Denk aan uw Proteus, als gij op uw reizen +Iets vreemds en recht opmerkenswaardigs ziet; +Indien 't u goed gaat, rijze in u de wensch, +Dat ik er bij waar'; zijt gij in gevaar,-- +Indien er ooit gevaren om u zweven,-- +Beveel uw nood dan aan mijn heil'ge beden, +Want ik wil voor u bidden, Valentijn. 17 + +VALENTIJN. En zeker bidden uit een liefdeboek? + +PROTEUS. Uit een geliefd boek, ja, zal 'k voor u bidden. + +VALENTIJN. Ja, uit een grondloos boek van diepe liefde, +Hoe door den Hellespont Leander zwom. + +PROTEUS. Dat is een diep verhaal van dieper liefde; +Hij stak in liefde meer dan schoenendiep. + +VALENTIJN. 't Is waar! in liefde steekt gij laarzendiep, +En toch, nooit zwomt gij door den Hellespont. + +PROTEUS. Wat, laarzen? Pas geen Spaansche laars mij aan. + +VALENTIJN. Nu, 'k zeg, gij steekt in folterlaarzen. + +PROTEUS. Wat? + +VALENTIJN. Gij steekt in liefde, die voor smachten hoon, +Met hartezuchten schuwe blikken koopt, +Een oogwenk heils met twintig bange nachten, +Bij zoete zege steeds een neêrlaag wint, +Bij neêrlaag zure moeite als overwinst; +Liefde is een dwaasheid, door vernuft gekocht, +Of wel vernuft, door dwaasheid overmocht. + +PROTEUS. Gij stelt mij waarlijk als een dwaas ten toon. + +VALENTIJN. Gij stelt uzelven, vrees ik, dus ten toon. + +PROTEUS. Gij smaadt de liefde; en ik ben niet de Liefde. + +VALENTIJN. Liefde is uw meester, want die meestert u; +En hij, die zoo het juk draagt van een dwaas, +Zij, dunkt mij, bij de wijzen niet geboekt. + +PROTEUS. Toch staat geboekt: zooals in de' eêlsten knop +De worm verterend huist, zoo kiest de liefde +Verterend woning in den eêlsten geest. + +VALENTIJN. En 't staat geboekt: zooals de vroegste knop +Verteerd wordt, voor 't ontluiken, door den worm, +Zoo wordt de jonge en teed're geest door liefde +Verkeerd in dwaasheid; in den knop verwelkt hij; +Reeds bij het eerst ontluiken valt zijn groen +Met al, wat ooit op vruchten kon doen hopen. +Doch wat spil ik mijn tijd met raad aan u, +Die u verpand hebt aan den minnewaan? +Nog eens, vaarwel! want aan de haven wacht +Mijn vader reeds om mij aan boord te brengen. + +PROTEUS. 'k Ga met u naar de haven, Valentijn. + +VALENTIJN. Neen, Proteus, laat ons hier nu afscheid nemen; 56 +Maar schrijf mij spoedig naar Milaan, hoe 't u +Met uwe liefde gaat, en wat er verder +Voor nieuws hier is in 't afzijn van uw vriend; +En wacht van mij gelijk bezoek ten uwent. + +PROTEUS. Nu, alle heil geworde u in Milaan! + +VALENTIJN. Zoo u niet minder thuis! En nu, vaarwel! + +(Valentijn af.) + +PROTEUS. Hij jaagt naar eer en ik naar liefde; hij +Verlaat zijn vrienden, om hen te verheffen; +Ik, om de min, mijzelf, mijn vrienden, alles. +Gij, Julia, hebt mij aan mijzelf ontvoerd, +Zoodat ik niets studeer, mijn tijd verdoe, +De wereld niets tel, goeden raad veracht, +En, suf gedroomd, zwaarmoedig zucht en smacht. + +(Flink komt op.) + +FLINK. Vergun, heer Proteus, was mijn meester hier? + +PROTEUS. Hij ging juist heen, en naar Milaan aan boord. + +FLINK. Nu, twintig tegen een, dan is hij scheep, +En ik, die van hem af geraakte, een schaap. + +PROTEUS. Ja, ja, niet zelden raakt een schaap verdwaald, +Zoodra de scheper in het hoeden faalt. + +FLINK. Gij wilt dus zeggen, dat mijn meester een scheper is en ik +een schaap? + +PROTEUS. Ja juist. + +FLINK. Dan zijn mijn horens zijn horens, of ik waak of slaap. + +PROTEUS. Een recht onnoozel antwoord, passend voor een schaap. + +FLINK. Dat maakt mij waarlijk weer tot schaap. + +PROTEUS. Juist, en uw meester tot scheper. + +FLINK. Neen, ik kan het tegenspreken met een sluitrede. + +PROTEUS. En ik maak mij sterk het met een andere te staven. + +FLINK. De scheper zoekt de schapen en niet het schaap den scheper; +welnu, ik zoek mijn meester en niet mijn meester mij; derhalve: +ik ben geen schaap. + +PROTEUS. Het schaap volgt om het voêr den scheper, de scheper niet +om het eten 't schaap; gij volgt om loon uw meester, uw meester volgt +u niet om loon; derhalve, gij zijt een schaap. + +FLINK. Nog eens zulk een sluitrede, en ik roep mè-è! 98 + +PROTEUS. Maar hoor nu, hebt gij mijn brief aan Julia gegeven? + +FLINK. Ja, heer; ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, +een verkoren schaap; en zij, een verkoren schaap, gaf aan mij, een +verloren schaap, niets voor mijn moeite. + +PROTEUS. Voor zooveel schapen is de weide wel wat te klein. + +FLINK. Als het veld overvol is, deedt gij het best, haar te kooien. + +PROTEUS. Neen, daar zijt gij aan 't dwalen; ik deed het best, u +te schutten. + +FLINK. Mij beschutten, heer! met minder dan een pond voor het bezorgen +van uw brief zal ik wel terecht komen. + +PROTEUS. Wat onzin! 'k meen, u in de schutkooi steken. + +FLINK. Mij in een kooi te steken? die vast op fooien reken! +Die aan uw lief uw liefdebrief zoo schoon wist toe te steken! + +PROTEUS. Maar wat zeide zij? (Flink knikt.) +Zij heeft geknikt, niet? + +FLINK. Niet geknikt? Ja. + +PROTEUS. Ja bij niet? dat is neen. + +FLINK. Gij verstaat mij verkeerd, heer; ik knikte, dat zij knikte; +en gij vroegt mij, of zij niet geknikt had, en ik zeide van ja. + +PROTEUS. En niet-ja is neen. + +FLINK. Nu gij de moeite hebt gedaan, dit bijeen te lezen, moogt gij +het voor uw moeite houden. + +PROTEUS. Neen, neen, ik neem het niet aan, en verlang meer van de +briefbestelling te vernemen. + +FLINK. Nu, en ik verlang meer voor de briefbestelling te ontvangen +en heb geen vrede met uw bestel. + +PROTEUS. Hoe zoo, kerel, geen vrede met mijn bestel? + +FLINK. Neen, heer, want ik bestelde den brief goed, en uw bestel zegt +neen en telt mij niets toe voor mijn moeite. + +PROTEUS. Verduiveld, gij zijt bij de hand! + +FLINK. En toch kan mijn vlugge hand uw trage beurs niet machtig worden. + +PROTEUS. Kom, kom, doe mij kort en goed opening van de zaak; wat +heeft zij gezegd? + +FLINK. Open dan uw beurs, opdat wij geld en nieuws gelijk oversteken. +138 + +PROTEUS. Nu man, daar hebt gij wat voor uw moeite; wat heeft zij +gezegd? + +FLINK. Waarlijk, heer, ik geloof, dat gij niets van haar te hopen hebt. + +PROTEUS. Waarom? Hebt gij haar dit weten te ontlokken? + +FLINK. Neen, heer, ik heb haar volstrekt niets kunnen ontlokken; neen, +zelfs geen onnoozelen dukaat voor het overbrengen van uw brief. En +daar zij zoo hard voor mij was, die uwe gezindheid haar schriftelijk +overbracht, vrees ik, dat zij even hard zal wezen voor u, als gij +haar uwe gezindheid mondeling mededeelt. Geef haar als liefdepanden +enkel steenen, want zij is zoo hard als staal. + +PROTEUS. Wat! heeft zij niets gezegd? + +FLINK. Neen, niet zooveel als: "Ziedaar, dat is voor uw moeite". Ik +dank u, de grootte uwer mildheid erken ik aan deze grooten, en uit +erkentelijkheid laat ik u in het vervolg uwe brieven zelf bestellen. En +nu, heer, ga ik uwe groeten aan mijn meester overbrengen. + +PROTEUS. Ga, ga! gij zijt de veiligheid van 't schip! +Zijt gij aan boord, dan kan het niet vergaan; +Gij zijt voor droger dood aan land bestemd.-- + +(Flink af.) + +Ik moet een beet'ren bode tot haar zenden, +Mijn Julia, vrees ik, acht mijn regels niets, +Die haar een knaap, zoo diep onwaardig, brengt. + +(Proteus af.) + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Aldaar. De tuin van Julia's woning. + +Julia en Lucetta komen op. + +JULIA. Maar nu, Lucetta, spreek; wij zijn alleen; +Gij geeft mij dus den raad, verliefd te worden? + +LUCETTA. Ja, jonkvrouw, mits gij niet onachtzaam struikelt. + +JULIA. Wien uit den ganschen schoonen kring van heeren, +Die daag'lijks met gesprekken om mij zwerven; +Acht gij wel allermeest mijn liefde waard? + +LUCETTA. Ik bid u, noem hen op, dan geef ik u, +Naar mijn onnoozel inzicht, mijne meening. + +JULIA. Wat dunkt u van den schoonen Eglamour? + +LUCETTA. Een ridder is hij, welbespraakt en fijn; +Doch, waar' ik u, hij zou mijn man niet zijn. + +JULIA. Wat van dien rijken heer, Mercatio? + +LUCETTA. Goed van zijn geld, maar van hemzelf; zoo zoo. + +JULIA. En den beleefden Proteus, wat van hem? + +LUCETTA. Heer, heer! mijn dwaasheid brengt mij in de klem! 15 + +JULIA. Komaan, wat schrikt en beeft gij bij zijn naam? + +LUCETTA. Vergeef mij, jonkvrouw, 't is, dat ik mij schaam, +Dat ik, onwaardig schepsel, zoo losweg +Mijn oordeel over hoofsche minnaars zeg. + +JULIA. Waarom van Proteus niet als van de rest? + +LUCETTA. Ja,--'k vind van vele goeden hem het best. + +JULIA. Om welke reden? + +LUCETTA. Ik heb geen and're, dan een meisjesreden: +Ik vind hem zoo, omdat ik hem zoo vind. + +JULIA. Gij raadt mij, hem mijn liefde weg te schenken? + +LUCETTA. Ja, zoo gij haar niet weggeworpen acht. + +JULIA. Van al de rest, heeft hij mij nooit bestormd. + +LUCETTA. Van al de rest, mint hij u toch het meest. + +JULIA. Zijn zwijgen toont zijn koel en kil gemoed. + +LUCETTA. Het heimlijkst vuur brandt met den felsten gloed. + +JULIA. Hij mint niet, die door niets zijn min verraadt. + +LUCETTA. Hij mint niet, die er altijd door van praat. + +JULIA. O, las ik eens zijn hart! + +LUCETTA. Lees, jonkvrouw, dit papier. + +JULIA. "Aan Julia".--Spreek, van wien? + +LUCETTA. Dat vindt gij in den brief. + +JULIA. Nu zeg, wie gaf het u? + +LUCETTA. 't Was Valentijns trawant, en Proteus, denk ik, zond het. +Hij zocht het u te geven, maar ik kwam juist daar aan, +En nam het van hem over, vergeef mijn stout bestaan. + +JULIA. Nu, op mijn eer, een fraaie makelaarster! +Gij waagt het, dart'le briefjes aan te nemen? +Mijn jeugd, met and'ren fluist'rend, te belagen? +Voorwaar, ik zeg u, 't is een prachtig ambt, +En gij, zoo dunkt mij, voor dien post geknipt. +Hier, neem den brief; bezorg hem fluks terug, +Of, hoort gij, kom mij nooit meer onder de oogen. + +LUCETTA. Een minpleidooi verdient eer loon dan haat. 48 + +JULIA. Kom, gaat gij? + +LUCETTA. Goed; pleeg met uzelve raad. + +(Lucetta af.) + +JULIA. Had ik dien brief toch even ingezien! +Doch haar terug te roepen, en haar dat, +Waarom ik keef, te vragen, gaat niet aan. +Hoe dwaas! zij weet, dat ik een meisje ben, +En dwingt den brief mij niet ter lezing op! +Zij weet toch, meisjes zeggen zedig "neen", +Maar wenschen, dat de vrager "ja" versta. +Foei, foei! hoe grillig is die dwaze liefde! +Die als een kregel kind de voedster krabt, +En dan vol deemoed fluks de roede kust. +Hoe vinnig keef ik daar Lucetta weg, +Toen ik haar innig gaarne bij mij hield; +Hoe toornig plooide ik mijn gelaat tot rimpels, +Terwijl de vreugd mijn hart tot lachen dwong! +Mijn boete zij: ik roep Lucetta weer +En vraag haar voor mijn dwazen streek vergiff'nis. +Heidaar! Lucetta! + +(Lucetta komt terug.) + +LUCETTA. Wat verlangt gij, jonkvrouw? + +JULIA. Is 't nog geen etenstijd? + +LUCETTA. Ik wenschte 't wel. +Opdat ge uw moed mocht koelen op uw maal, +En niet op uwe maagd. + +(Lucetta laat den brief vallen en raapt hem weer op.) + +JULIA. Wat hebt gij daar behoedzaam opgeraapt? + +LUCETTA. Ik? niets. + +JULIA. Gij buktet toch, waarom? + +LUCETTA. Om een papier, +Dat mij ontviel. + +JULIA. En dat papier is niets? + +LUCETTA. 't Is iets, dat mij niet aangaat. + +JULIA. Zoo laat voor hen het liggen, wien het aangaat. + +LUCETTA. Het zal, voor wie het aangaat, wis niet liegen, +Tenzij men, wat het meldt, valsch uit wil leggen. + +JULIA. Een liefje schreef u wis daar iets op rijm. + +LUCETTA. Geef gij, mejonkvrouw, mij de wijs, opdat +Ik 't zing'; gij zet wel meer iets op muziek. + +JULIA. Een niets zet ik geen waarde bij; ik dank; +Dus zing 't maar op de wijs van "Luchte liefde". + +LUCETTA. 't Is veel te wichtig voor zoo lucht een wijs. 84 + +JULIA. Zoo wichtig? daarbij hoort een zware stem. + +LUCETTA. Toch niet; het klonk wel goed, als gij het zongt. + +JULIA. En waarom gij niet? + +LUCETTA. 't Is voor mij te hoog. + +JULIA. Laat zien uw vers. + +(Zij neemt Lucetta den brief af.) + + O, gij ondeugend nest! + +(Zij maakt een toornig gebaar.) + +LUCETTA. Vat goed den toon, als gij het uit wilt zingen; +Maar toch, die toon is lang niet naar mijn zin. + +JULIA. Niet naar uw zin? + +LUCETTA. Neen, jonkvrouw, veel te schril. + +JULIA. Vrijpostig nest! + +LUCETTA. O, nu zijt gij te laag; +Gij dempt de hooge stem door dof gebrom; +En bij uw zang ontbreekt nog de tenoor. + +JULIA. Die gaat door uw gebas geheel verloren. + +LUCETTA. Ja, 'k zong voor Proteus de partij wat laag. + +JULIA (leest den brief). Neen, 'k laat door al die praatjes mij +niet kwellen.-- +O foei, een stapel liefdes-eeden!--Daar!-- + +(Zij verscheurt den brief.) + +Gij, ga nu heen, en laat die stukken liggen; +Zocht gij ze weer bijeen, het zou mij erg'ren. + +LUCETTA (onder 't heengaan). Zij houdt zich boos; maar 't deed haar +innig goed, +Als zulk een brief haar nog eens erg'ren kwam. + +(Lucetta af.) + +JULIA. Neen, kwam nog maar die zelfde brief mij erg'ren! +Haathanden, gij! die liefdewoorden stukrijt! +Den zoeten honig rooft gij, booze wespen, +En steekt de bijen, die hem leev'ren, dood! +'k Wil boete doen en ieder stukje kussen. +Wat staat daar? "Zoete Julia?"--Bitt're Julia! +Ik werp tot straf voor uw ondankbaarheid +Uw naam hier op den harden grond en treed +Uw wreeden trots verachtend in het stof. +Hier staat: "de door de Min gewonde Proteus"; +Gij arme, kranke naam! mijn boezem zij +Uw bed, totdat uw wonde gansch geheeld is; +Ik drenk, doordring haar met een balsemkus. + +(Zij steekt het stukje in haar borstzak.) + +Twee-, driemaal staat hier Proteus' naam; o wind! +Wees kalm en blaas geen enkel woordje weg, +Totdat ik ieder enkel woord gespeld heb, +Mijn naam slechts niet; dien draag een wervelwind +Naar een afgrijslijk steile, ruwe klip, +En stort' hem in de gramme baren neer! 122 +In éénen regel, zie, zijn naam tweemaal; +"De mijm'raar Proteus, diep onzaal'ge Proteus, +Aan de engel Julia";--dit scheur ik er af; +Doch neen, dat niet, daar hij mijn naam zoo aardig +Met zijne weeklachtnamen heeft gepaard; +Ik wil ze vouwen, de' eenen op den and'ren;-- +Kust nu, omarmt u, kijft, doet wat gij wilt. + +(Lucetta komt weder op.) + +LUCETTA. Mejonkvrouw, +Het eten is gereed, uw vader wacht. + +JULIA. Goed, gaan wij dan. + +LUCETTA. Wat! mogen hier die snippers blijven klappen? + +JULIA. Houdt gij ze in eere, goed, neem ze op en meê. + +LUCETTA. Zoo goed naamt gij 't niet op, toen ik ze u meebracht. +Toch raap ik ze op; zij mochten koude vatten. + +JULIA. Ik zie recht goed, dat gij ze diep vereert. + +LUCETTA. Ja goed, mejonkvrouw, zeg maar, wat gij ziet; +Maar ik zie ook, al denkt ge, dat ik dommel. + +JULIA. Kom, vlug wat! wilt gij gaan? + +(Beiden af.) + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in Antonio's huis. + +Antonio en Panthino komen op. + +ANTONIO. Panthino, zeg mij, welk een diep gesprek +Hadt gij daar straks in 't klooster met mijn broeder? + +PANTHINO. Hij sprak van Proteus, van zijn neef, uw zoon. + +ANTONIO. En wat? + +PANTHINO. Hij stond verbaasd, dat uw genade +Hem hier zijn jeugd verdroomen laat, terwijl +Zoo menig ander, van gering'ren stand, +Zijn zoon om rang en eer de wereld inzendt, +Hetzij in de' oorlog om fortuin te zoeken, +Hetzij om verre landen op te sporen, +Hetzij naar scholen, waar geleerdheid huist. +Voor de eene of and're loopbaan, of voor allen +Was naar zijn oordeel Proteus recht geschikt; +Hij vroeg mij, dat ik bij u aan zou dringen, +Dat hij niet langer thuis zijn tijd verdroom'; +Het zou hem in zijn ouderdom nog rouwen, +Wanneer hij in zijn jeugd niet had gereisd. + +ANTONIO. Gij hebt geen sterken aandrang noodig, 't was +De gansche maand reeds niet uit mijn gedachten; +Ik overwoog reeds lang zijn tijdverlies, +En hoe hij nooit een deeg'lijk man wordt, als +De wereld hem niet schudt en mondig maakt; +Ervaring wordt door vlijt en moeite erlangd, +En door den snellen gang des tijds gerijpt. +Doch spreek, waar zou ik best hem henen zenden? + +PANTHINO. Het is gewis uw edelheid bewust, +Dat thans zijn vriend, de jonge Valentijn, +Zich in Milaan bevindt aan 's keizers hof? + +ANTONIO. Ik weet het, ja. 28 + +PANTHINO. Als dan uw edelheid daarheen hem zond. +Daar leert hem 't steekspel lans en zwaard hanteeren, +Hij hoort er hoofsche taal, gaat om met de' adel; +Ja, iedere oef'ning heeft hij steeds voor oogen, +Die met zijn jeugd en zijn geboorte strookt. + +ANTONIO. Uw raad behaagt mij, hij is wel doordacht; +En tot bewijs, hoezeer hij mij behaagt, +Leg ik hem met den meesten spoed ten uitvoer, +En maak van de' eersten besten weg gebruik, +Om Proteus naar des keizers hof te zenden. + +PANTHINO. Vergun, op morgen reeds zijn Don Alfonso +En and're hoogst aanzienlijke edellieden +Reisvaardig om den keizer te begroeten, +En hem hun diensten need'rig aan te bieden. + +ANTONIO. Voortreff'lijk; Proteus reize met hen mee;-- +En, als geroepen--; daadlijk hoor' hij 't nieuws. + +(Proteus komt op, een brief lezende.) + +PROTEUS. Zoet leven! zoete reeg'len! zoete liefde! +Dit is haar hand, het werktuig van haar hart, +Dit is haar liefdeseed, haar eerepand. +O, dat nu onze vaders, door hun bijval, +De zaligheid van onze min bezeeg'len! +O engel Julia! + +ANTONIO. Zoo, gij daar? wat voor brief zijt gij aan 't lezen? + +PROTEUS. Vergeef mij, 't zijn een woord of twee, waarin +Mij Valentijn zijn vriendegroeten zendt; +Een vriend, die bij hem was, bracht dit mij over. + +ANTONIO. Geef mij den brief en laat mij 't nieuws eens zien. + +PROTEUS. Er staat geen nieuws in, heer; hij schrijft alleen, +Dat hij gelukkig leeft, veel vrienden rijk is, +En daag'lijks hooger stijgt in 's keizers gunst; +Hij wenscht mij bij zich om zijn heil te deelen. + +ANTONIO. En gij, stemt gij ook met zijn wenschen in? + +PROTEUS. Ik hang, heer, enkel af van uwen wil, +En geenszins van de wenschen van mijn vriend. + +ANTONIO. Mijn wil stemt vrij wel in met zijnen wensch. + +(Proteus kijkt verwonderd op.) + +Sta niet verbaasd, dat ik zoo snel besluit, +Want wat ik wil, dat wil ik; daarmeê uit. +Ik heb besloten, dat gij een'gen tijd +Met Valentijn aan 's keizers hof zult toeven; +Wat hem wordt toegelegd door zijn verwanten, +Diezelfde som ontvangt ook gij van mij. +Wees gij nu morgen voor de reis gereed; +Geen tegenwerping; 't is mijn vaste wil. + +PROTEUS. Zoo snel, heer, kan ik niet reisvaardig zijn; +Ik bid u, overweeg een dag of twee. + +ANTONIO. Wat mocht ontbreken, wordt u nagezonden; +Dus geen vertraging; morgen moet gij gaan.-- +Kom mee, Panthino, ik behoef uw hulp +Om spoed te maken met die reis. + +(Antonio en Panthino af.) + +PROTEUS. Zoo bleef ik, bang voor branden, ver van 't vuur, +Maar stortte me in de zee, waar ik verdronk. +Mijn vader wilde ik Julia's brief niet toonen, +Uit vreeze voor belemm'ring in mijn liefde, +Maar, met behulp juist van mijn eigen uitvlucht, +Belemmert hij veel meer dan ooit mijn liefde. +O, hoe gelijkt toch deze liefdelente +Op eens Aprildags onbetrouwb're pracht; +In volle schoonheid straalt de zon een oogwenk, +Daar komt een wolk en 't is stikdonk're nacht! + +(Panthino komt weder op.) + +PANTHINO. Uw vader, heer, verlangt met u te spreken, +En hij is zeer gehaast; ik bid u, ga. + +PROTEUS. Helaas, zoo is 't; al wil mijn hart ook breken, +Al klopt het "neen", ik moet toch zeggen "ja". + +(Beiden af.) + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Milaan. Een kamer in 's Hertogs paleis. + +Valentijn en Flink komen op. + +FLINK. Uw handschoen, heer. + +VALENTIJN. De mijne heb ik aan, die hoort mij niet. + +FLINK. Als gij hem ziet, heer, zingt ge een ander lied. + +VALENTIJN. Laat zien!--ja geef; 't is mijn bezit, mijn buit!-- +Lief sieraad, dat een godd'lijk iets omsluit! +Ach Silvia! Silvia! + +FLINK. Jonkvrouw Silvia! jonkvrouw Silvia! + +VALENTIJN. Wat moet dat, knaap? + +FLINK. Zij is niet te beroepen, heer. + +VALENTIJN. Wie gaf u last, knaap, haar te roepen? + +FLINK. Uw edelheid zelf, of ik begreep het verkeerd. 10 + +VALENTIJN. Genoeg; gij zijt toch altijd te voorbarig. + +FLINK. En laatst werd ik bekeven, omdat ik altijd te langzaam was. + +VALENTIJN. Loop heen, gij! Zeg mij, kent gij jonkvrouw Silvia? + +FLINK. Waar uw edelheid op verliefd is? + +VALENTIJN. En, hoe weet gij, dat ik verliefd ben? + +FLINK. Hoe? wel, aan deze bijzondere kenteekenen. Vooreerst hebt gij +geleerd, evenals uw vriend Proteus uw armen over elkaâr te slaan +als een onvergenoegde; u aan een liefdeliedje te goed te doen als +een roodborstje; in uw eentje rond te wandelen als iemand, die de +pest heeft gehad; te zuchten als een schooljongen, die zijn A-B-boek +verloren heeft; te weenen als een jonge meid, die haar grootmoeder +begraven heeft; te vasten als iemand, die de hongerkuur moet doorstaan; +te waken als iemand, die voor diefstal beducht is; met een grienstem +te spreken als een bedelaar op Allerheiligen. Vroeger waart ge gewoon, +bij het lachen als een haan te kraaien; bij uw wandelen als een leeuw +te stappen; niet te vasten, dan dadelijk na den maaltijd; en niet +treurig te kijken, dan als gij geldgebrek hadt; maar nu heeft een +liefje u zoo veranderd, dat, als ik u aanzie, ik u nauwelijks voor +mijn meester kan houden. + +VALENTIJN. En is dat alles in mij op te merken? + +FLINK. Iedereen merkt het op buiten u. + +VALENTIJN. Buiten mij? onmoog'lijk. + +FLINK. Buiten u? Niets is zekerder, want buiten u is en zal niemand +zoo argeloos zijn; maar gij zijt zoo buiten uzelf van die dwaasheden, +dat die dwaasheden in u zijn en door u heenschijnen als het water in +een urinaal, zoodat geen oog u kan aanzien, of het wordt een dokter, +die uw kwaal herkent. 43 + +VALENTIJN. Maar zeg mij, kent gij mijn jonkvrouw Silvia? + +FLINK. Die, waar gij zoo op staart, als zij aan tafel zit? + +VALENTIJN. Hebt gij dat opgemerkt? die meen ik, ja. + +FLINK. Neen, heer, ik ken haar niet. + +VALENTIJN. Wat? kent gij haar door mijn aanstaren en toch kent gij +haar niet? + +FLINK. Is zij niet verbazend leelijk, heer? + +VALENTIJN. Neen, knaap, zij is schoon, maar met meer dan met schoonheid +begunstigd. + +FLINK. Nu, heer, dit weet ik zeer goed. + +VALENTIJN. Wat weet gij? + +FLINK. Dat zij niet zoozeer schoon is, als wel, door u, begunstigd. + +VALENTIJN. Ik acht haar schoonheid uitgelezen, maar haar andere +gaven onvolprezen. + +FLINK. Ja, omdat de eerste geschilderd is en het andere buiten +schatting blijft. + +VALENTIJN. Wat geschilderd, en waarom buiten schatting? + +FLINK. Wel, heer, zij schildert zich zoo om mooi te zijn, dat niemand +haar schoonheid kan schatten. + +VALENTIJN. Waar houdt gij mij dan voor? ik schat haar schoonheid +zeer hoog. + +FLINK. Gij hebt haar nooit gezien, sinds zij zoo misvormd is geworden. + +VALENTIJN. Sinds wanneer is zij misvormd geworden? + +FLINK. Van 't oogenblik af, dat gij verliefd op haar werdt. + +VALENTIJN. Ik werd op haar verliefd van 't oogenblik af, dat ik haar +zag, en ik zie haar nog steeds even schoon. + +FLINK. Als gij op haar verliefd zijt, kunt gij haar niet zien. + +VALENTIJN. Waarom niet? + +FLINK. Omdat de liefde blind is. O, hadt gij mijn oogen, of hadden +uw oogen nog de scherpte van vroeger, toen gij uw vriend Proteus den +mantel placht uit te vegen, omdat hij zijn hoosbanden vergat vast +te maken! + +VALENTIJN. Wat zou ik dan zien? 80 + +FLINK. Uw eigen tegenwoordige dwaasheid en haar verbazende leelijkheid; +want toen hij verliefd was, kon hij zijn hoosbanden niet zien vast +te strikken, en gij kunt, sinds gij verliefd zijt, uwe hozen niet +zien aan te trekken. + +VALENTIJN. Dan zijt gij, knaap, naar het schijnt, ook verliefd, +want gisteren morgen kondt gij mijn schoenen niet zien te poetsen. + +FLINK. Dat is ook zoo, heer; ik was verliefd op mijn bed. Ik ben u +dankbaar, dat gij mij de ooren gewasschen hebt om mijn verliefdheid, +want dit geeft mij te meer hart om u door te halen voor de uwe. + +VALENTIJN. Kort en goed, ik ga geheel in liefde voor haar op. + +FLINK. Dan wenschte ik wel, dat gij ondergingt, want dan was het met +uw verliefdheid uit. + +VALENTIJN. Gisteren avond droeg zij mij op, eenige regels te schrijven +aan iemand, dien zij bemint. + +FLINK. En hebt gij het gedaan? + +VALENTIJN. Ja zeker. + +FLINK. En hebt gij ze niet kreupel geschreven? + +VALENTIJN. Neen, knaap, zoo goed als ik maar kan.--Stil! daar komt +zij aan. + +FLINK (ter zijde). O prachtig marionettenspel! o uitnemende +draadpop! Zoo dadelijk gaat hij haar eigen rol voor haar opzeggen. + +(Silvia komt op.) + +VALENTIJN. Mejonkvrouw en gebiedster, duizend goede morgens! + +FLINK (ter zijde). O, ik wensch u goede nacht; een millioen +plichtplegingen volgt. + +SILVIA. Heer Valentijn, mijn dienaar, u twee duizend. + +Flink (ter zijde). Hij moest haar intrest geven en zij is 't, +die het hèm doet. + +VALENTIJN. 'k Volbracht uw last en heb uw brief geschreven +Aan uw geheimen, nameloozen vriend; +Ik deed het recht ongaarne, doch ik deed het, +Alleen uit plichtsgevoel voor u, gebiedster. + +(Hij stelt haar een brief ter hand.) + +SILVIA. Dank, eed'le dienaar!--'t Is een schrijversproefstuk. + +VALENTIJN. Geloof mij, jonkvrouw, 't ging mij moeilijk af; +Want onbewust, aan wien het was gericht, +Schreef ik als in den blinde, zeer onzeker. + +SILVIA. Dus, zoo veel moeite denkt gij al teveel? + +VALENTIJN. Neen, jonkvrouw, is 't u dienstig, ik zal schrijven, +Zoo gij 't gebiedt, wel duizendmaal zoo veel; +En toch,--121 + +SILVIA. 't Is fraai gezegd. Ik gis nu wel, wat volgt; +En toch, ik zeg het niet;--en toch, 't behoeft niet;-- +En toch, neem dit terug;--en toch, ik dank u +En roep voortaan uw diensten niet meer in. + +FLINK (ter zijde). En toch, dat zult gij wel, en toch, en toch,-- + +VALENTIJN. Wat meent gij, jonkvrouw? vindt gij dit niet goed? + +SILVIA. O ja, 't zijn regels, keurig in hun soort, +Maar toch, ongaarne deedt gij 't, neem ze weer; +Neem, neem het. + +VALENTIJN. Jonkvrouw, 't is voor u geschreven. + +SILVIA. Ja, ja, gij schreeft dit, heer, op mijn verzoek; +Maar ik begeer het niet; het is voor u; +Ik had nog meer gevoel er in gewenscht. + +VALENTIJN. Beveel slechts, en ik schrijf een and'ren brief. + +SILVIA. Zoo lees ook, is hij af, hem voor mij over; +Bevalt hij u, nu goed; zoo niet, ook goed. + +VALENTIJN. En als hij, jonkvrouw, mij bevalt, wat dan? + +SILVIA. Bevalt hij u, wel, houd hem voor uw moeite. +En nu, mijn dienaar, goeden morgen! + +(Silvia af.) + +FLINK. O diepverholen scherts, onzichtbaar, nooit in 't licht +Gelijk op een toren het haantje, de neus op iemands gezicht! +Mijn heer maakt haar het hof, zij neemt hem in de leer; +Zijn les is, hoe de leerling haar meester wordt en heer. +O allerliefste nieuwe vond, haar zelve tot nut en gerief, +Dat mijn meester, haar tot schrijver, zichzelven moet schrijven +een brief! + +VALENTIJN. Hoe is het, man, wat praat gij met uzelf? + +FLINK. Ik maakte een rijmpje, heer; het praten is aan u. + +VALENTIJN. Het praten? + +FLINK. Ja, om de woordvoerder te zijn voor jonkvrouw Silvia. + +VALENTIJN. Tot wien? 153 + +FLINK. Tot uzelf. Overdrachtelijk maakt zij u het hof. + +VALENTIJN. Overdrachtelijk? + +FLINK. Of letterlijk, moest ik zeggen, door een brief. + +VALENTIJN. Wel, heeft zij dan aan mij geschreven? + +FLINK. Waarom zou zij dat, als zij u aan uzelf heeft doen +schrijven? Wat! merkt gij de grap nog niet? + +VALENTIJN. Geloof mij, neen. + +FLINK. 't Is van u niet te gelooven, heer; maar hebt gij dan haar +ernst niet opgemerkt? + +VALENTIJN. Neen, niets van ernst, dan juist een toornig woord. + +FLINK. Wel, zij heeft u een brief gegeven. + +VALENTIJN. Den brief, door mij geschreven aan haar vriend. + +FLINK. En dien brief heeft zij besteld en daarmee uit. + +VALENTIJN. O ware 't inderdaad niets ergers! + +FLINK. Ik sta u borg, zoo is het, en niet anders; +Gij schreeft wel vaak aan haar een brief, maar zij, uit zedigheid, +Of moog'lijk wel uit tijdsgebrek, gaf zelf u geen bescheid; +Of, bang, dat, zoo ze een bode nam, er niets geheim zou blijven, +Heeft zij recht slim haar lief geleerd, haar liefste een brief te +schrijven. + +Ik praat daar als een boek, want ik heb dit uit een boek.--Wat staat +gij te mijmeren, heer? 't is etenstijd. + +VALENTIJN. Ik heb gegeten. + +FLINK. Ja, maar hoor toch, heer; al kan de kameleon Liefde van de +lucht leven, ik ben iemand, die mijn spijs en drank moet hebben, +en verlang naar een maal. O wees niet als uw gebiedster! laat u +bewegen! laat u bewegen! + +(Beiden af.) + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Verona. Een vertrek in Julia's huis. + +Proteus en Julia komen op. + +PROTEUS. Wees kalm, wees kalm, mijn lieve Julia! + +JULIA. Ik moet, ik kan er niets aan doen. + +PROTEUS. Zoodra 't mij moog'lijk is, keer ik terug. + +JULIA. Is ommekeer u vreemd, te vroeger keert gij. Hier, neem, en +blijf uw Julia steeds gedenken. + +(Zij geeft hem een ring.) + +PROTEUS. Dank! maar in ruil, neem dit, en leef in hoop. + +(Hij geeft haar een ring.) + +JULIA. En zegel met een heil'gen kus den koop. + +PROTEUS. Hier is mijn hand, als pand van eeuw'ge trouw; 8 +Glipt mij op een'gen dag een uur voorbij, +Waarin ik niet om u, mijn Julia, zucht, +Dan straffe voor vergetelheid in liefde +Mij 't volgend uur met zware ramp en nood! +Mijn vader wacht mij reeds; neen, antwoord niet! +Het is nu vloed; 'k meen niet uw tranenvloed; +Die vloed zou mij voorbij mijn tijd doen toeven. +Julia, vaarwel!-- + +(Julia af.) + + Zij ging? en sprak geen woord? +Ja, zoo doet trouwe liefde; zwijgen moet zij, +Want daden zijn de tooi der trouw, niet woorden. + +(Panthino komt op.) + +PANTHINO. Gij wordt gewacht, heer. + +PROTEUS. Ga; ik kom, ik kom!-- +Ach, scheiden, scheiden maakt gelieven stom! + +(Beiden af.) + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een straat. + +Lans komt op met een hond aan een touw. + +LANS. Neen, ik heb zeker in een uur niet gedaan met schreien; al de +Lansen hebben dit zelfde gebrek. Ik heb mijn proportie ontvangen als +de verloopen zoon, en ga met signore Proteus naar het keizershof. Ik +geloof, dat Krab, mijn hond, wel de hardvochtigste hond is van alle +honden op Gods aardbodem: mijn moeder aan het schreien, mijn vader aan +het jammeren, mijn zuster aan het grienen, onze meid aan 't janken, +onze kat aan 't handenwringen, en heel ons huis in de grootste +ontsteltenis,--maar dat wreedaardige beest,--het vergoot zelfs geen +enkelen traan! Hij is een steen, een echte keisteen, en er zit in hem +niet meer medelijden dan in een hond; een jood zou geweend hebben, als +hij ons afscheid gezien had; ja, mijn grootje, die geen oogen heeft, +ziet ge, schreide haar oogen blind bij mijn vertrek. Wacht, ik zal +u eens vertoonen hoe het toeging. Deze schoen is mijn vader;--neen, +neen, die linkerschoen is mijn moeder;--neen, dat gaat toch ook niet, +evenmin;--ja toch, zoo is het, die is het meest versleten. Die schoen, +met dat gaatje, is mijn moeder, en deze hier is mijn vader. Voor den +duivel, ja, zoo is het. Nu, vriend, die stok is mijn zuster, want, +ziet ge, ze is zoo wit als een lelie en zoo dun als een wilgerijs; die +hoed is Naan, onze meid; ik ben de hond;--neen, de hond is zichzelf +en ik ben de hond;--och, de hond, dat ben ik, en ik ben mijzelf: ja, +ja, zoo is 't. Nu ga ik naar mijn vader; "Vader, uw zegen"; nu kan die +schoen geen woord spreken van wege het schreien; nu ga ik mijn vader +kussen; goed, hij schreit al door. Nu ga ik naar mijn moeder;--o, kon +zij nu maar spreken als een radelooze vrouw!--goed, ik kus haar; ha, +daar is het, mijn moeders adem op en top! Nu ga ik naar mijn zuster; +let eens op, hoe zij bulkt! Nu, de hond vergiet al dien tijd door +geen enkelen traan, en spreekt geen woord; maar ziet eens, hoe ik +het stof vastleg met mijn tranen. + +(Panthino komt op.) + +PANTHINO. Lans, vlug, vlug, scheep! uw meester is lang aan boord, +en gij zult hem moeten naroeien. Wat is er? waarom schreit gij, +man? Vooruit, gij ezel; de vloed ontgaat u, als gij sammelt; het +tij verloopt. + +LANS. Mijnentwege mag het mij ontloopen, ik laat het betijen, want +hardvochtiger is er niet; de vloed komt nooit! + +PANTHINO. De vloed komt nooit? + +LANS. Neen, geen tranenvloed bij het tuig aan dit touw, bij Krab +mijn hond. + +PANTHINO. Zwijg, kerel, ik zeg, dat de vloed u ontgaat; en als de +vloed u ontgaat, dan ontgaat u de reis; en als de reis u ontgaat, +dan verliest gij uw meester; en als gij uw meester verliest, dan +verliest gij uw dienst; en als gij uw dienst verliest,--Waarom houdt +gij mijn mond dicht? + +LANS. Ik ben bang, dat gij uw tong nog verliest. + +PANTHINO. Hoe zou ik mijn tong verliezen? + +LANS. Door dat gesnap. + +PANTHINO. Dan is 't door dien Krab. + +LANS. Het tij verliezen, en de reis, en mijn meester en mijn +dienst,--en dit tuig behouden! Wel, man, geloof mij, als de stroom +droog was, zou ik in staat zijn hem met mijn tranen weer te vullen; +en als de wind was gaan liggen, zou ik de boot met mijn zuchten +kunnen voortblazen. + +PANTHINO. Kom mee, kerel, kom nu; ik ben uitgestuurd, omdat gij niet +kwaamt opdagen. + +LANS. Wel, man, daag mij dan uit, als gij durft. + +PANTHINO. Wilt gij komen of niet? + +LANS. Ja, ik kom. + +(Beiden af.) + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Milaan. Een zaal in het paleis van den Hertog. + +Valentijn, Silvia, Thurio en Flink komen op. + +SILVIA. Dienaar! + +VALENTIJN. Gebiedster! + +FLINK. Meester, Signore Thurio kijkt u donker aan. + +VALENTIJN. Ja, knaap, uit liefde. + +FLINK. Maar niet tot u. + +VALENTIJN. Tot mijn gebiedster dan. + +FLINK. Gij moest hem eens op 't jak komen. + +(Flink af.) + +SILVIA (tot Valentijn). Dienaar, gij zijt ontstemd. + +VALENTIJN. In waarheid, jonkvrouw, ik heb er den schijn van. + +THURIO. Gij schijnt dus, wat gij niet zijt? + +VALENTIJN. Misschien wel. + +THURIO. Dat doen namaaksels. + +VALENTIJN. Dat doet gij. + +THURIO. Wat schijn ik dan, dat ik niet ben? + +VALENTIJN. Wijs. + +THURIO. Welk bewijs hebt gij voor het tegendeel? + +VALENTIJN. Uw dwaasheid. + +THURIO. En waarin ziet gij mijn dwaasheid? + +VALENTIJN. In uw baaitje. + +THURIO. Mijn baaitje! een dubbel gevoerd wambuis! + +VALENTIJN. Goed, dan moogt gij een verdubbelde dwaas zijn. + +THURIO. Wat! + +SILVIA. Wat, Signore Thurio, toornig? gij verandert van kleur? + +VALENTIJN. Laat hem maar, jonkvrouw; hij is een soort van kameleon. + +THURIO. Die meer lust heeft, zich aan uw bloed te goed te doen, +dan in uw lucht te leven. + +VALENTIJN. Gij hebt gesproken, heer. + +THURIO. En gedaan ook, heer, voor ditmaal. + +VALENTIJN. Ik ken dat, heer; gij hebt altijd gedaan, eer gij begonnen +zijt. 32 + +SILVIA. Een fraai geweervuur van woorden, edele heeren; en wakker +losgebrand! + +VALENTIJN. Dat is zoo, jonkvrouw, dank aan wie het gaf. + +SILVIA. Wie is dat, dienaar? + +VALENTIJN. Gijzelf, lieve jonkvrouw, gij toch gaaft het vuur. Signore +Thurio borgt zijn geest van uwer edelheid blikken, en verspilt, +wat hij borgt, recht minzaam in uw tegenwoordigheid. + +THURIO. Als gij, heer, u aan een woordenwisseling met mij waagt, +zal ik al uw geest bankroet maken. + +VALENTIJN. Ik weet wel, heer, gij hebt een schatkist vol woorden, +en, naar ik geloof, geen andere munt om uw dienaars te betalen, +want men mag uit hun kale livereien vermoeden, dat zij van uw kale +woorden moeten leven. + +SILVIA. Genoeg, edele heeren, niet meer! Daar komt mijn vader. + +(De Hertog komt op.) + +HERTOG. Zoo, dochter Silvia, wel wordt gij bestormd! +Heer Valentijn, uw vader is gezond; +Wat zoudt gij zeggen van een brief van huis, +Vol goede tijding? + +VALENTIJN. Recht dankbaar, vorst, zal ik +Voor ieder blij bericht van ginds mij toonen. + +HERTOG. Nu, kent gij Don Antonio, uwen landsman? + +VALENTIJN. Ja, beste vorst, ik ken dien edelman, +Als hoog in waarde en aanzien, en die tevens +Niet onverdiend zijn schoonen naam bezit. + +HERTOG. En heeft hij niet een zoon? + +VALENTIJN. Ja, beste vorst, een zoon, die wel verdient, +Dat elk hem, als zijn' vader, acht en eert. + +HERTOG. Gij kent hem goed? + +VALENTIJN. Ik ken hem als mijzelven, want wij gingen +Van kindsbeen af te zamen op en neer; +Ikzelf was traag, een doeniet, die de gunst +Des eed'len tijds verzuimde, om mijnen leeftijd +In der volmaaktheid eng'lenkleed te hullen, +Terwijl Signore Proteus,--want zoo heet hij,-- +Zich altijd ieder uur ten nutte maakte; +In jaren jong, doch in ervaring oud, 69 +Met overjeugdig brein, doch rijp in oordeel, +Is hij, kortom,--want hoe ik hem ook prijze, +Mijn lof schiet bij zijn waarde ver te kort-- +Volkomen, zoo van lichaam als van geest, +Door alles, wat een edelman kan aad'len. + +HERTOG. Voorwaar, hij is, rechtvaardigt hij uw lof, +De liefde waardig van een keizerin, +En in eens keizers raadzaal op zijn plaats. +Welnu, die edelman kwam juist tot mij, +Door mannen van gezag mij aanbevolen, +Om een'gen tijd te toeven aan mijn hof. +Ik denk, dat u die tijding welkom is. + +VALENTIJN. Als iets mij hier te wenschen bleef, hij was 't. + +HERTOG. Zoo heet hem naar zijn waarde welkom hier. +'k Zeg, Silvia, dit tot u, en u, heer Thurio;-- +Want Valentijn heb ik niet aan te manen. +Ik zend hem oogenblikk'lijk naar u toe. + +(De Hertog af.) + +VALENTIJN (tot Silvia). 't Is, jonkvrouw, de edelman, die, naar +ik zeide, +Met mij gegaan waar', had niet zijn gebiedster +Hem de oogen in kristallen blik geboeid. + +SILVIA. Dan liet zij zeker nu zijn oogen vrij, +En eischte een ander pand van trouw er voor. + +VALENTIJN. Neen, zeker, 'k gis, zij hield ze nog in boei. + +SILVIA. Dan waar' hij immers blind; en is hij blind, +Hoe vond hij dan zijn weg naar hier tot u? + +VALENTIJN. O, Liefde heeft wel twintig oogenparen. + +THURIO. Toch zegt men: Liefde heeft geen enkel oog. + +VALENTIJN. Voor zulke minnaars, ja, als gij zijt, Thurio; +Voor wat haar niet behaagt, sluit ze allen toe. + +(Proteus komt op.) + +SILVIA. Genoeg! genoeg!--Hier komt uw edelman. + +VALENTIJN. Welkom, mijn Proteus!--Geef, mejonkvrouw, 'k bid u, +Dit welkom kracht door uw bijzond're gunst. + +SILVIA. Zijn waarde waarborgt hem zijn welkom hier. +Als hij 't is, waar gij vaak bericht van wenschtet. + +VALENTIJN. Hij is 't, gebiedster. Kies hem, eed'le jonkvrouw, +Om met mij aan uw dienst zich toe te wijden. + +SILVIA. 'k Ben geen gebiedster, zulk een dienaar waardig. 106 + +PROTEUS. Ik, eed'le jonkvrouw, ben te onwaardig dienaar, +Dan dat uw hoogheid mij een blik vereer'. + +VALENTIJN. O, staakt dit spreken van onwaardigheid! +Neem, eed'le jonkvrouw, hem als dienaar aan. + +PROTEUS. Mijn een'ge roem zal wezen, u te dienen. + +SILVIA. Geen dienaar derft zijn loon. Dus, dienaar! ik, +Onwaardige gebiedster, heet u welkom. + +PROTEUS. Wie buiten u zoo spreekt, verweer' zijn leven! + +SILVIA. Die welkom heet? + +PROTEUS. Die u onwaardig heet. + +(Een Dienaar komt op.) + +DIENAAR. De vorst, uw vader, jonkvrouw, wil u spreken. + +SILVIA. Ik kom onmidd'lijk.-- + +(Dienaar af.) + + Kom, Signore Thurio, +Verzel mij.--Nogmaals welkom, nieuwe dienaar; +'k Verlaat u, dat gij 't nieuws van huis bespreekt, +En hoop u, is dit afgedaan, te zien. + +PROTEUS. Wij wachten samen op uw edelheid. + +(Silvia en Thurio af.) + +VALENTIJN. Nu, spreek, hoe gaat het allen ginds te huis? + +PROTEUS. Al de uwen goed; zij laten zeer u groeten. + +VALENTIJN. En ook bij u is 't wel? + +PROTEUS. Gezond en wel. + +VALENTIJN. Hoe gaat het uw gebiedster, en uw liefde? + +PROTEUS. Als ik van liefde sprak, gingt gij aan 't geeuwen; +Ik weet, van liefdepraatjes houdt gij niet. + +VALENTIJN. Dat was zoo, Proteus, anders is het nu. +Zwaar moest ik boeten, dat ik Amor smaadde; +Zijn hooge vorstenwil heeft mij gestraft, +Met bitter vasten, met berouwvol stenen, +Met tranen 's nachts, met hartezuchten daags; +Als straffe voor mijn smaad heeft Amor mij +Den slaap verjaagd van de onderworpen oogen, +Hen wakers bij mijn harteleed gemaakt. +Mijn Proteus! Amor is een machtig heerscher; +Zoo ben ik thans zijn slaaf, dat ik belijd: +Geen leed komt zijne tuchtiging nabij, +Maar ook, geen and're vreugd op aard zijn dienst! +Thans, geen gesprek meer, dan van liefde alleen; +Mijn ochtend-, middag-, avondmaal, mijn slaap, +Ja, alles is mij 't enkel woordje "Liefde". + +PROTEUS. Genoeg; ik lees uw noodlot in uw oog. +En zij was de afgod, die ge aldus vereert? + +VALENTIJN. Ja, zij; en is zij niet een hemelsche engel? 145 + +PROTEUS. Neen, maar zij is een stoff'lijk evenbeeld. + +VALENTIJN. O, noem haar godd'lijk. + +PROTEUS. Vleien wil 'k haar niet. + +VALENTIJN. O, vlei dan mij, want lof verrukt de liefde. + +PROTEUS. Mij gaaft gij, toen ik krank was, bitt're pillen, +En ik verorden u dezelfde kuur. + +VALENTIJN. Spreek dan toch waarheid; noem haar, zoo niet godd'lijk, +Een macht, een overheid uit de eng'lenschaar, +Het hoogste wezen, dat op aarde leeft. + +PROTEUS. Op Julia na. + +VALENTIJN. Mijn waarde, op niemand na, +Tenzij gij mijne keus te na wilt komen. + +PROTEUS. Moet ik niet eer mijn liefste hooger stellen? + +VALENTIJN. Ik help u om haar hooger te doen stijgen; +Eén voorrecht boven allen zij haar deel: +Mijn liefste's sleep te dragen, opdat de aarde, +Laag stof, aan haar gewaad geen kus ontsteel', +En, door zoo groote gunst van trots vervuld, +Geen zomerknop meer voede en zwellen doe, +En ruwen winter eeuwig duren laat. + +PROTEUS. O, welk een grootspraak is dit, Valentijn! + +VALENTIJN. Vergeef mij, Proteus; wat ik zeg, is niets +Bij haar; wat waarde heeft, wordt niets bij haar; +Ze is eenig. + +PROTEUS. Nu, zoo laat haar eenig blijven. + +VALENTIJN. Om heel de wereld niet. Vriend, ze is de mijne, +En ik, nu 'k dit juweel bezit, zoo rijk +Als twintig zeeën, ware 't zand ook paarlen, +Het water nectar, louter goud de rotsen. +Vergeef mij, dat ik thans aan u niet denk; +Gij ziet, hoe mij mijn liefde gansch vervult. +Die dwaas, mijn mededinger, dien haar vader, +Alleen omdat hij rijk is, voor haar wenscht, +Is met haar meegegaan; ik moet hen volgen, +Want liefde is vol, niet waar? van ijverzucht. + +PROTEUS. En zij mint u? 178 + +VALENTIJN. Ja, en wij zijn verloofd; nog meer, het uur +Van 't huw'lijk en het sluwe plan ter vlucht +Bepaald, hoe ik haar venster moet beklimmen, +De touwen ladder klaar, en alle midd'len +Tot mijn geluk ontworpen, afgesproken. +Kom, beste Proteus, met mij op mijn kamer, +Om met uw goeden raad mij bij te staan. + +PROTEUS. Ga gij vooruit, ik zal den weg wel vragen; +Ik moet nu naar de reede, om van mijn reisgoed +Nog iets te ontschepen, dat ik noodig heb, +Maar dan ben ik terstond tot uwen dienst. + +VALENTIJN. Gij zult u haasten? + +PROTEUS. Zeker. + +(Valentijn af.) + +Gelijk een gloed een and'ren gloed verdringt, +Een spijker met geweld een and'ren uitdrijft, +Zoo is de heug'nis van mijn vroeg're min +Nu door een nieuwen aanblik gansch verdoofd. +Is 't nu mijn oog, de lof van Valentijn, +Haar hooge waarde, of mijne valsche wuftheid, +Die mij, gansch reed'loos, zulke reed'nen ingeeft? +Schoon is zij, schoon ook Julia, die ik min,-- +Neen minde, want mijn min is weggesmolten, +En toont, zooals een wassen beeld bij 't vuur, +Geen spoor meer van de vroeg're wezenstrekken. +Mij dunkt, voor Valentijn ook ben ik koud, +En ik bemin hem niet zooals eertijds; +Doch veel, ja al te veel min ik zijn schoone, +Daarom bemin ik hem zoo weinig meer. +Hoe zal ik, meer haar kennend, haar vergoden, +Als ik niet kennend, haar reeds zóó bemin? +Thans zag ik nog alleen haar beelt'nis; die +Heeft reeds mijn licht der rede dof geschenen; +Doch als ik eens haar volle waarde erken, +Dan helpt geen rede meer en ik word blind. +Kan ik mijn dolend minnen teug'len, goed; +Zoo niet, geen rust, eer zij me als gade groet. + +(Proteus af.) + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een straat. + +Flink en Lans komen op, en ontmoeten elkander. + +FLINK. Lans! op mijn eerlijkheid, welkom in Milaan! + +LANS. Doe geen valschen eed, beste jongen, want ik ben niet welkom. Ik +reken dit altijd: een mensch is niet eer verloren, dan als hij gehangen +wordt, en ook niet eer ergens welkom, dan als hij een zeker gelag +heeft betaald, en de waardin zegt: "welkom!" + +FLINK. Kom dan, gij zotskap, ik wil dadelijk met u naar 't bierhuis, +waar gij voor een gelag van vijf stuivers wel vijf duizend welkoms +zult hebben. Maar, kerel, hoe was het afscheid van uw meester en +jonkvrouw Julia? + +LANS. Nu, nadat zij in allen ernst het eens geworden waren, zijn zij +recht teeder in scherts gescheiden. + +FLINK. Maar zal zij hem trouwen? + +LANS. Neen. + +FLINK. Wat dan? zal hij haar trouwen? + +LANS. Ook niet. + +FLINK. Wat, is het met hen niet in orde? + +LANS. Wel zeker, zij zijn alle beiden zoo gezond als een visch. + +FLINK. Nu, hoe staat het dan met hen? + +LANS. Wel, als het bij hem goed staat, dan staat het goed voor haar. + +FLINK. Wat zijt gij toch voor een ezel! Er is bij u nergens achter +te komen. + +LANS. Wat zijt gij toch voor een domkop, dat gij dat niet kunt. Mijn +stok kan er wel achter komen. + +FLINK. Wat gij zegt! + +LANS. Ja, en wat ik doe ook. Zie maar, nu leun ik, en mijn stok is +achter mij. + +FLINK. Ja, 't is waar, hij staat achter u. + +LANS. Nu er achter komen en er achter zijn is een en hetzelfde. + +FLINK. Maar zeg mij nu in allen ernst, komt het tot een huwelijk? + +LANS. Vraag het mijn hond: als hij "ja" zegt, dan gebeurt het; als +hij kwispelstaart en niets zegt, dan gebeurt het. + +FLINK. Dus het gebeurt op alle manieren. + +LANS. Zulk een geheim zult gij nooit uit mij krijgen, dan door een +gelijkenis. + +FLINK. Mij goed, als ik het er zoo maar uitkrijg.--Maar, Lans, wat zegt +ge er van, dat mijn meester op een verbazende manier is aangeschoten? + +LANS. Ik heb hem nooit anders gekend. + +FLINK. Dan hoe? + +LANS. Dat hij van hemel noch aarde weet, zooals gij daar zelf zegt. + +FLINK. Wel, gij gevloekte ezel, gij vat mij niet. + +LANS. Wel, zotskap, ik had u niet te vatten; ik moest uw meester +vatten. + +FLINK. Ik zeg u, mijn meester staat van verliefdheid in vuur en vlam. + +LANS. Nu, ik zeg u, mijnentwege mag hij in zijn verliefdheid +verbranden. Als gij met mij naar het bierhuis wilt gaan, kom dan; +zoo niet, dan zijt gij een Hebreër, een Jood, en niet waard een +Christenmensch te heeten. + +FLINK. Waarom? + +LANS. Omdat gij niet zooveel christelijke liefde in u hebt, dat gij +een christenmensch een glas bier gunt. Wilt gij gaan? + +FLINK. Tot uw dienst. + +(Beiden af.) + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een kamer in het paleis. + +Proteus komt op. + +PROTEUS. Verlaat ik mijne Julia, 'k ben meineedig; +Bemin ik schoone Silvia, 'k ben meineedig; +Verraad ik mijnen vriend, 'k ben zwaar meineedig; +Dezelfde macht, die tot den eed mij dreef, +Zet thans mij tot driedubb'len meineed aan. +Min drong mij tot den eed, Min dringt tot meineed. +O, Min, indien gij, zoet verlokkend, zondigt, +Leer mij, verleide, ook, hoe ik dat ontschuldig. +'k Heb eerst een flikk'rend sterretje aangebeden, +Thans kniel ik voor een hemelsch zonnelicht. +Beraad mag onberaden eeden breken; +Hij mist verstand, die moed mist, om 't verstand +Te leeren, kwaad voor 't beet're te verruilen.-- +Foei, goddelooze tong! Hààr kwaad te noemen, +Die gij met twintigduizend heiligste eeden +Als 't hoogste goed der aard geprezen hebt! +Liefde op te geven, waag ik niet, en 'k doe het; +Mijn liefde gaat te loor, zoo 'k liefde zoek. +Julia verlies ik; Valentijn verlies ik; +Behoud ik hen, dan ga ik zelf te loor; +Verlies ik hen, dan vind ik, door 't verlies, +Voor Valentijn mijzelf, voor Julia Silvia. +Ik ben mijzelven liever dan een vriend, +Want liefde blijft zichzelve steeds het hoogst. +En Silvia--ja, bij God, die schoon haar schiep,-- +Maakt Julia tot moorin nu in mijn oog. +Vergeten wil ik thans, dat Julia leeft, +'k Wil denken, dat mijn liefde voor haar dood is; +En Valentijn wil ik een vijand reek'nen, +Nu ik naar Silvia's zoeter vriendschap smacht. +Mijzelven kan ik nu geen trouwe houden, +Bega ik geen verraad aan Valentijn;-- +Met touwen ladder hoopt hij deze nacht +Het venster van de hemelsche in te klimmen; +Hij deelde 't mij, zijn mededinger, mee! +Ik geef terstond haar vader nu bericht, +Hoe zij, vermomd, te zamen willen vluchten; +Die zal, vol woede, Valentijn verbannen, +Want Thurio, wenscht hij, zal zijn dochter huwen. +Is Valentijn van hier, dan zal ik Thurio's +Onnoozel doen door sluwheid wel verijd'len. +O Liefde! hebt gij 't plan mij ingegeven, +Zoo leen me ook vleugels om naar 't doel te streven! + +(Proteus af.) + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Verona. Een vertrek in Julia's huis. + +Julia en Lucetta komen op. + +JULIA. Geef raad, Lucetta; help mij, beste meid; +En ik bezweer u, bij uw lieve vriendschap, +Zoo waar gij 't zakboek zijt, waar al mijn denken +In opgeteekend en gegriffeld wordt, +Leer gij mij, wijs me een passend middel aan, +Om, zonder dat mijn naam iets lijdt, een reis +Naar mijn geliefden Proteus te ondernemen. + +LUCETTA. Ach, zeer vermoeiend is die reis en lang! + +JULIA. Een waarlijk vrome pelgrim wordt niet moede, +Met zwakke schreden landen af te meten; +Veel minder zij, wie liefde vleug'len leent, +En die haar vlucht naar een zoo dierb'ren man, +Zoo godd'lijk eenig als mijn Proteus, richt. + +LUCETTA. Wacht liever, totdat Proteus wederkeert. + +JULIA. O, is zijn blik mijn zielevoedsel niet? +Heb deernis met den honger, die mij kwelt, +Nu ik zoo lang naar voedsel smachten moet. +O, kendet gij der liefde macht in ons, +Eer ondernaamt gij vuur met sneeuw te ontsteken, +Dan liefdevuur met woorden uit te dooven. + +LUCETTA. Uw laaien liefdegloed wil ik niet dooven, +Maar slechts van 't vuur de wilde woestheid teuglen, +Aleer 't der rede perken overslaat. + +JULIA. Hoe meer gij teug'len wilt, te feller vlamt het. +Gij weet, het beekje glijdt met zacht gemurmel, +En bruist, als 't wordt gestremd, onstuimig op; +Maar als zijn schoone loop niet wordt gestuit, +Dan maakt het zacht muziek met bonte steentjes, +En groet met zoeten kus elk wieg'lend riet, +Waarlangs de verre pelgrimstocht het voert. +Zoo ruischt het voort, in meen'ge bocht zich kronk'lend, +Steeds dart'lend, naar den wilden oceaan; +Dus laat mij gaan en houd mijn loop niet tegen; +'k Zal rustig voortgaan als een kalme stroom, +En ied're moede tred zal mij een lust zijn, +Tot mij de laatste bij mijn liefste brengt; +Daar vind ik rust, zooals, na 's levens stormen, +Een zaal'ge geest die in 't Elysium vindt. + +LUCETTA. Nu dan, in welk gewaad wilt gij de reis doen? 39 + +JULIA. Niet als een meisje, want ik wil voorkomen, +Dat mij oneerb're mannen ruw bejeeg'nen. +Bezorg mij dus, melieve, een net gewaad, +Geheel zooals een edelknaap het draagt. + +LUCETTA. Dan, jonkvrouw, moet ge uw haar terdege korten. + +JULIA. Neen, kind, dat bind ik op met zijden snoeren, +Met twintig fraai bedachte liefdeknoopen; +Zoo iets bijzonders staat een jonkman wel, +Zelfs aan een rijp'ren dan ik schijnen zal. + +LUCETTA. Hoe moet de snit zijn van uw broek, mejonkvrouw? + +JULIA. Dat klinkt zoo fraai, als:--"Zeg mij, edel heer, +Hoe wijd wilt gij uw hoepelrok wel dragen?" +Kies gij de snit, die u het best bevalt. + +LUCETTA. Dan moet zij wezen, jonkvrouw, met een klep. + +JULIA. O foei, Lucetta, dat zal leelijk staan. + +LUCETTA. Een pofbroek, jonkvrouw, is geen speld thans waard, +Ontbreekt de klep, om spelden op te steken. + +JULIA. Hebt gij mij lief, bezorg mij dan, Lucetta, +Wat gij het meest geschikt en passend acht. +Maar zeg mij, meid, wat zal de wereld zeggen, +Als ik zoo luchtig weg die reis aanvaard? +Ik vrees, het zal mij zeer in opspraak brengen. + +LUCETTA. Als gij dit ducht, blijf dan te huis, ga niet. + +JULIA. Neen, neen, dat wil ik niet. + +LUCETTA. Laat dan de wereld praten en ga heen. +Roemt Proteus uwe reis, wanneer gij komt, +Dan lake u hier wie wil, wanneer gij weg zijt, +Ik vrees slechts, dat gij hem niet welkom zijt. + +JULIA. O dit, Lucetta, is mijn minste zorg; +Want duizend eeden en een zee van tranen, +En blijken van oneindig groote liefde +Zijn borgen, dat ik Proteus welkom ben. + +LUCETTA. Dat alles staat ten dienste aan valsche mannen. + +JULIA. Slechts laagheid maakt een laag gebruik er van! +Maar Proteus' wieg bescheen een ster van trouwe. +Zijn woord is eed, zijn eed orakeltaal, +Zijn liefde waar, zijn denken rein, zijn tranen +Steeds boden van zijn hart, zijn hart zoo ver +Van elk bedrog, als de aarde is van den hemel. + +LUCETTA. Zoo blijk' hij, bid ik, als gij tot hem komt. + +JULIA. Doe hem, hebt gij mij lief, zulk onrecht niet, +Van aan zijn trouw te twijf'len; wenscht gij, dat +Ik u genegen ben, wees hem genegen; +En ga nu mede, daadlijk, naar mijn kamer, +Om op te teek'nen, wat ik voor mijn reis, +Mijn reize van verlangst, behoeven zal. +'k Vertrouw u in mijn afzijn alles toe, +Mijn huis en goed, mijn land, mijn goeden naam; +Maar vraag in ruil: bespoedig mijn vertrek. +Neen, antwoord niet, terstond aan 't werk getogen! +Mijn eigen dralen wekt mijn ongeduld. + +(Beiden af.) + + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Milaan. Een voorzaal in 's Hertogs paleis. + +De Hertog, Thurio en Proteus komen op. + +HERTOG. Heer Thurio, laat ons eenigen tijd alleen, +Wij hebben iets vertrouw'lijks te bespreken. + +(Thurio af.) + +Nu, Proteus, spreek, en zeg mij wat gij wenscht. + +PROTEUS. Doorluchtig heer, wat ik moet openbaren, +Gebiedt de wet der vriendschap mij te helen; +Maar roep ik voor mijn geest de groote goedheid, +Door u aan mij, onwaardige, betoond, +Dan spoort mijn plicht mij aan, u mee te deelen, +Wat mij geen goed ter wereld hadde ontlokt. +Weet, eed'le vorst, dat Valentijn, mijn vriend, +U deze nacht uw dochter wil ontstelen; +Ikzelf werd deelgenoot van 't plan gemaakt. +Ik weet, voor Thurio hebt gij haar bestemd, +Die door uw schoone dochter wordt gehaat, +En als zij nu aldus u werd ontroofd, +Waar' 't op uw jaren u een zware slag. +Dies dreef mijn plicht mij aan, dat ik veeleer +Mijn vriend verkoos te stuiten in zijn opzet, +Dan door 't verhelen, u een last van kommer +Op 't hoofd te hoopen, die, niet afgewend, +U voor den tijd ten grave buigen zou. 21 + +HERTOG. Ik dank u, Proteus, voor uw trouwe zorg; +Eisch ied'ren dank van mij mijn leven lang. +'k Heb zelf reeds dikwijls beider min bespeurd, +Als zij wellicht in diepen slaap mij waanden; +En nam ook vaak mij voor, aan Valentijn +Mijn hof en haren omgang te verbieden, +Maar, duchtend, dat mijn argwaan dwalen mocht +En zoo den jongling schreeuwend onrecht doen,-- +Een overijling, die ik altijd meed,-- +Bleef ik hem gunstig aanzien, tot ikzelf +Ontdekte, wat door u mij wordt gemeld; +En,--hieruit blijke u, dat ik vreeze voedde, +Bewust, hoe teed're jeugd verleidbaar is,-- +Ik laat haar op een hoogen toren slapen, +Waarvan ikzelf den sleutel bij mij draag, +En daarom is 't onmoog'lijk haar te schaken. + +PROTEUS. Weet, eed'le vorst, toch werd een plan gesmeed, 38 +Hoe hij haar kamervenster zal beklimmen, +En langs een koorden ladder haar gaan halen; +De jonge minnaar ging daar juist op uit +En komt er daad'lijk dezen weg mee langs; +Zoo 't u behaagt, gij kunt hem licht betrappen. +Doch doe dit zoo behendig, beste vorst, +Dat niemand ooit vermoedt, dat ik het aanbracht, +Want liefde jegens u, geen haat voor hem, +Dreef mij, dit plan mijns vriends u te openbaren. + +HERTOG. 'k Geef u mijn woord, hij zal het nooit vermoeden, +Dat gij mij een'gen wenk gegeven hebt. + +PROTEUS. Vaarwel, mijn vorst; ik hoor hem daar reeds komen. + +(Proteus af.) + +(Valentijn komt op.) + +HERTOG. Zoo, Signor Valentijn, waarheen zoo ijlings? + +VALENTIJN. Vergun mij, uw Genade, een bode wacht, +Om brieven aan de mijnen mee te nemen, +En daarom haast ik mij hem die te brengen. + +HERTOG. Zij zijn dus van gewicht? + +VALENTIJN. Hun inhoud is alleen, dat ik gezond ben +En aan uw hof mij recht gelukkig voel. + +HERTOG. Nu, dan geen haast, maar toef een wijl bij mij; +Ik heb u in vertrouwen 't een en ander, +Dat van nabij mij aangaat, mee te deelen. +'t Is u niet onbekend, dat ik mijn dochter +Met Thurio, mijnen vriend, verloven wil. + +VALENTIJN. Dit weet ik, heer; en, zeker, die partij +Waar' rijk en eervol; bovendien verdient +De man door ridderdeugd en eed'len aard +Ten volle een gade als uwe schoone dochter. +Heer, kunt ge in haar geen liefde tot hem wekken? + +HERTOG. Volstrekt niet; ze is weerspannig, geem'lijk, nukkig, 68 +Trotsch, stug, onwillig, zonder plichtsbesef; +Zij houdt niet in het oog, dat zij mijn kind, +En mij als vader eerbied schuldig is; +En, 'k wil 't u zeggen, dit trotseeren heeft-- +'k Heb lang geweifeld--haar mijn liefde ontroofd; +En dacht ik vroeger 't overschot mijns levens, +Door hare kinderzorg verpleegd, te slijten, +Nu is 't mijn vast besluit, een vrouw te nemen; +En hààr mag houden, wie haar hebben wil; +En moog' haar schoonheid dan haar bruidsgift zijn; +Want mij, en wat ik heb, zij telt het niet. + +VALENTIJN. Wat wenscht gij, vorst, dat ik in deze doe? + +HERTOG. Er leeft een jonkvrouw hier in deze stad, +Die mij behaagt; doch, schuw en keurig, acht zij +Mijn oudemans-welsprekendheid als niets; +En daarom wensch ik u mij tot een raadsman,-- +Want lang verleerde ik reeds mijn hof te maken; +Ook is 't gebruik veranderd na mijn tijd;-- +Hoe ik het aan moet leggen, dat haar oog, +Haar zonnenoog, mij met haar gunst bestraal'. + +VALENTIJN. Helpt spreken niet, zoo win haar door geschenken; +Een stom juweel heeft zwijgend redekunst, +En wint vaak, eer dan woorden, vrouwengunst. + +HERTOG. Wat ik haar zond, versmaadde zij verstoord. + +VALENTIJN. Een vrouw versmaadt soms, wat haar 't meest bekoort. +Zend haar iets anders, geef haar zoo niet op, +Want eerste smaad voert later liefde in top. +Blikt zij verstoord, 't is niet, dat zij u haat, +Zoo spoort ze u aan, dat gij geen rust haar laat. +En kijft zij, daarom zendt zij u niet heen, +Een vrouw wordt dol, houdt gij haar neen voor neen. +Laat u de deur niet wijzen, wat ze ook zegg', +Want zegt zij: "ga!" dan meent zij niet: "ga weg!" +Vlei, prijs haar, roem haar gaven; ziet zij zwart, +Verklaar toch, dat haar blankheid eng'len tart. +'k Zeg, heeft een man een tong, hij is geen man, +Als hem zijn tong geen vrouw veroov'ren kan. + +HERTOG. Doch die ik meen beloofden haar verwanten +Reeds aan een jong en waardig edelman; +Zij wordt voor mannenomgang streng behoed, +Zoodat bij dag geen man haar naad'ren kan. + +VALENTIJN. Welnu, dan zou ik haar bij nacht bezoeken. + +HERTOG. De deur is toe, de sleutel goed bewaard, +Zoodat geen mensch haar 's nachts genaken kan. + +VALENTIJN. En wat belet haar venster te beklimmen? 112 + +HERTOG. Hoog is haar kamer, verre van den grond; +De muur zoo steil, dat niemand dien beklimt, +Dan wie zijn leven roekloos wagen wil. + +VALENTIJN. Nu, met een ladder, hecht van touw gemaakt, +Met een paar haken, die men vast kan werpen, +Beklimt men eener tweede Hero toren, +Zoo maar Leander stout het wagen durft. + +HERTOG. Nu, spreek, zoo waar gij aad'lijk bloed bezit, +Waar kan ik zulk een ladder mij verschaffen? + +VALENTIJN. Wanneer behoeft gij die? Meld dit mij, heer. + +HERTOG. Deze eigen nacht, want Liefde is als een kind, +Dat haakt naar alles, wat bereikbaar is. + +VALENTIJN. Te zeven uren breng ik u zulk een ladder. + +HERTOG. Doch hoor,--ik ga geheel alleen tot haar,-- +Hoe krijg ik best die ladder daar ter plaatse? + +VALENTIJN. Zij is niet zwaar, en onder elken mantel, +Mits die niet al te kort zij, licht te bergen. + +HERTOG. Een mantel, zooals de uwe, waar' dus goed? + +VALENTIJN. O ja, mijn vorst. + +HERTOG. Zoo laat me uw mantel zien, +Ik schaf er mij een aan van zulk een lengte. + +VALENTIJN. O, ied're mantel kan u dienen, heer. + +HERTOG. Hoe hang ik zulk een mantel mij wel om'? +Ik bid u, laat mij dien van u beproeven.-- +Wat is dat voor een brief? Aan wie?--"Aan Silvia"! +En hier een werktuig, juist als ik behoef. +Ik ben zoo vrij het zegel te verbreken. +(Hij leest.) "Bij Silvia toeven nacht op nacht mijn brieven; + Ik doe ze vliegen op mijn wenk als slaven; +O, kon hun meester zoo de ruimte klieven, + Hij zou zijn ziele, waar zij slapen, laven! +Aan 't reine hart ontvangt gij mijn gezanten; + En ik, de koning, die hen zond, moet lijden, +Dat gij uw gunsten schenkt aan mijn trawanten; + Ik vloek hen, wijl ikzelf hen moet benijden, +Ik vloek mijzelf, dat ik dit nooit bedacht, +Hun 't heil doe smaken, waar ikzelf naar smacht."-- +Wat volgt nog? 150 +"Doch ik bevrijd u, Silvia, deze nacht." +Zoo staat er; en die ladder moest u dienen. +Gij Phaëton, gij and're Merops-zoon, +Verstout ge u 's hemels zonnespan te mennen +En de aard te blaak'ren in uw euvelmoed? +Grijpt gij naar sterren, wijl zij u bestralen? +Van hier, verwaten dief! vermeet'le slaaf! +Vlei uws gelijken met uw zoete lachjes, +En acht het mijn genade,--en onverdiend,-- +Een gunst, dat gij heelhuids van hier ontkomt; +Dank hier mij meer voor dan voor alle gunsten, +Die ik maar al te rijk'lijk u bewees; +Doch toeft gij lang'ren tijd op mijn gebied, +Dan gij behoeft om met den meesten spoed +Ons vorstlijk hof te ontvluchten, dan, ik zweer het, +Dan overtreft mijn gramschap ver de liefde, +Die 'k ooit mijn dochter toedroeg of uzelf. +Vertrek! en zwijg! geen uitvlucht of verschooning; +Maar ijlings, hebt ge uw leven lief, van hier! + +(De Hertog af.) + +VALENTIJN. Waarom niet dood, in plaats van sparend folt'ren? +Want sterven is verbanning van mijzelven; +En Silvia is mijzelf; van haar verbannen, +Is zelf van zelf; het is verbanningsdood! +Welk licht is licht, is Silvia mij onzichtbaar? +Wat vreugd is vreugd, is Silvia niet aanwezig? +Tenzij ik als aanwezig haar kan denken +En teer van 't schijnbeeld harer heerlijkheid. +Tenzij ik in de nacht bij Silvia ben, +Huist geen muziek meer in den nachtegaal; +Tenzij ik op den dag mijn Silvia zie, +Is er geen dag, om iets te zien, voor mij. +Zij is mijn wezen; ik houd op te zijn, +Tenzij haar lieflijke invloed mij bestraal', +Verwarme en koest're, mij in 't leven houd'. +Mijn vlucht ontvlucht den doodsdoem, niet den dood; +Vertoef ik hier, dan wacht ik slechts den dood, +Maar vlucht ik heen, dan vlucht ik weg van 't leven. + +(Proteus en Lans komen op.) + +PROTEUS. Loop, loop, knaap, loop en spoor hem op! + +LANS. Waar ik hem weet! waar ik hem weet! + +PROTEUS. Wat ziet gij? + +LANS. Den haas, dien wij jagen; geen haar op zijn hoofd, of 't is +een Valentijn. + +PROTEUS. Gij daar, Valentijn? + +VALENTIJN. Neen. + +PROTEUS. Wie dan? zijn geest? + +VALENTIJN. Ook niet. + +PROTEUS. Wat dan? + +VALENTIJN. Niets. + +LANS. Kan niets spreken? Moet het er op los, meester? + +PROTEUS. Waar wilt gij op los? + +LANS. Op niets. 201 + +PROTEUS. Schurk, houd op. + +LANS. Nu, heer, ik ga op niets los; ik bid u,-- + +PROTEUS. Stil, knaap, houd op!--Vriend Valentijn, een woord! + +VALENTIJN. Mijn oor is vol; 't is doof voor goede tijding; +Zoo is 't van booze tijding reeds vervuld. + +PROTEUS. 'k Begraaf in somber zwijgen dan de mijne, +Want ze is wanluidend, ruw en slecht; 'k zeg niets. + +VALENTIJN. Is Silvia dood? + +PROTEUS. Niets, Valentijn. + +VALENTIJN. Niets-Valentijn, dit ben ik, is zij engel.-- +Heeft Silvia mij verzaakt? + +PROTEUS. Niets, Valentijn. + +VALENTIJN. Niets-Valentijn, dat ware ik, als zij 't deed. +Spreek dan, uw nieuws? + +LANS. Er is omgeroepen, heer, dat gij geballast zijt. + +PROTEUS. Gebannen zijt,--ja, ja, dat is het nieuws,-- +Van hier, van Silvia, en van mij, uw vriend. + +VALENTIJN. O, deze smart heb ik alreeds geproefd, +En nu zal de overdaad mij overladen. +Weet Silvia reeds, dat ik verbannen ben? + +PROTEUS. Ach ja; en haar ontstroomde bij het vonnis,-- +Dat, blijft het onherroepen, scherp u dreigt,-- +Een zee van vloeib're parels, held're tranen; +Die stortte ze aan haars vaders wreede voeten; +Zelf zeeg ze in deemoed knielend voor hem neer, +En wrong de handen, ach, zoo marmerwit, +Als waren zij door 't plotsling wee verbleekt, +Maar zuchten, steunen, zilv'ren tranenvloed, +Gebogen knieën, kuisch geheven armen, +Niets, niets verweekt des harden vaders hart; +Neen, grijpt men Valentijn, dan moet hij sterven. +En dan, haar voorspraak heeft hem zoo vergramd, +Toen ze om herroeping van het vonnis smeekte, +Dat hij beval, zeer nauw haar op te sluiten, +Met scherpe dreiging, zoo ze ontsnapping waagt. + +VALENTIJN. Niets meer, tenzij het eerste, dat gij spreekt, +De macht bezitte 't leven mij te ontnemen; +Zoo ja, dan bid ik, blaas het mij in 't oor, +Als graflied, dat mijn eindloos wee doet einden. + +PROTEUS. Klaag niet om wat gij niet verhelpen kunt; 241 +Poog te verhelpen wat u klagen doet. +De tijd verwekt en voedstert al wat goed is. +Al blijft gij hier, uw liefste ziet gij niet; +En ook, uw blijven snijdt uw leven af. +Eens minnaars staf is Hopen; neem dien met u, +En zwaai hem, zoo de Wanhoop u besluipt. +Hoe ver ge ook zijt, door brieven kunt gij hier zijn; +Zend die aan mij, dan zorg ik, dat zij rusten +Bij uw geliefde en aan haar blanken boezem. +'t Is nu geen tijd tot smalen op het lot; +Kom, ik geleid u door de poort der stad, +En spreek voor 't scheiden alles met u af, +Wat ik voor uwe liefde hier kan doen. +Denk, zoo niet om uzelf, om Silvia's wil, +Aan 't fel gevaar, dat dreigt, en laat ons gaan! + +VALENTIJN. Ik bid u, Lans, ziet gij mijn dienaar, zeg hem, +Ten spoedigste aan de Noorderpoort te komen. + +PROTEUS. Ga, knaap, en zoek hem op.-- +Kom, Valentijn. + +VALENTIJN. Ach, dierb're Silvia! arme Valentijn! + +(Valentijn en Proteus af.) + +LANS. Ik ben slechts een domme kerel, ziet gij, maar ik heb toch +het verstand om te merken, dat mijn meester een soort van schurk is; +maar dat doet er niet toe, als hij maar geen dubbele schurk is. Die +man moet nog geboren worden, die weet, dat ik verliefd ben; en toch, +ik ben verliefd; maar geen span paarden zal mij dit uit mijn gemoed +rukken, en ook niet, op wie ik verliefd ben; en toch, het is een vrouw; +maar wat voor een vrouw, wil ik mijzelf niet eens vertellen; en toch, +het is een melkmeisje; en toch, het is geen meisje, want ze heeft +al peten aan het werk gezet; en toch is het een meisje, want zij is +het melkmeisje van haar meester en zij dient om loon. Zij verstaat +meer kunststukjes dan een hond, die te water gaat, en dat is veel +voor een eenvoudig christenmensch. Hier is de invidiaris van haar +eigenschappen. (Hij haalt een papier voor den dag.) "Imprimis, +Zij kan halen en dragen." Wel, een paard kan niet meer doen; neen, +een paard gaat niet halen, het draagt alleen; daarom is zij beter +dan een knol. "Item, Zij kan melken," ziet eens, een beminnelijke +deugd in een meisje, dat schoone handen heeft. + +(Flink komt op.) + +FLINK. Zoo hoe gaat het, sinjeur Lans? Is er van uw heerschap ook +wat nieuws te hooren? + +LANS. Wel, mijn heerschap is met uw heerschap aan het rondzwalken. +282 + +FLINK. Och, uw oude kwaal, woordverdraaiing! Zeg, is er geen nieuws +in dat papier daar van u? + +LANS. Het zwartste nieuws, dat ge ooit gehoord hebt. + +FLINK. Hoe zoo, kerel? zoo erg zwart? + +LANS. Wel, zoo zwart als inkt. + +FLINK. Laat het mij eens lezen. + +LANS. Foei, schaam u, botterik, gij kunt niet eens lezen. + +FLINK. Gelogen; of ik het kan! + +LANS. Ik wil u toetsen. Vertel mij dus: wie heeft u bij uw moeder +verwekt? + +FLINK. Wel, de zoon van mijn grootvader. + +LANS. O ongeletterde dagdief! het was de zoon van uw grootmoeder. Dat +is een bewijs, dat gij niet lezen kunt. + +FLINK. Kom, dwaas, komaan; toets mij met uw papier. + +LANS. Daar, en toon door Sint-Nicolaas u flink! + +FLINK. "Imprimis: Zij kan melken." + +LANS. Ja, dat kan zij. + +FLINK. "Item: Zij brouwt goed bier." + +LANS. En daar vandaan het zeggen: "Gods zegen hier; gij brouwt +goed bier." + +FLINK. "Item: Zij kan naaien." + +LANS. Dat wil zeggen: voor scheuren weet zij raad, met naald en draad. + +FLINK. "Item: Zij kan breien." + +LANS. Breit zij mij kousen en ik kan schoenen koopen, +Dan zal ik niet op sloffen moeten loopen. + +FLINK. "Item: Zij kan wasschen en boenen." + +LANS. Een bijzonder groote deugd; dan behoeft zij niet gewasschen en +geboend te worden. + +FLINK. "Item: Zij kan spinnen." + +LANS. Dan kan ik het rad van Fortuin laten rollen, als zij er haar +levensonderhoud van kan afspinnen. + +FLINK. "Item: Zij heeft vele naamlooze deugden." + +LANS. Dat is zooveel als basterddeugden, die haar vader niet kennen +en daarom geen naam hebben. + +FLINK. "Hier volgen haar ondeugden." + +LANS. Haar deugden dicht op de hielen. + +FLINK. "Item: Zij is niet wel nuchter te kussen, van wege haar adem." 327 + +LANS. Nu, dat gebrek is door een ontbijt te verhelpen. Lees door. + +FLINK. "Item: Zij is een lekkerbek." + +LANS. Dat maakt haar onlekkeren adem weer goed. + +FLINK. "Item: Zij praat in haar slaap." + +LANS. Dat hindert niet, als zij maar niet slaapt in haar praat. + +FLINK. "Item: Zij is langzaam in het spreken." + +LANS. O schurk, die dat bij haar ondeugden zette! Langzaam in het +spreken is bij een vrouw een eenige deugd. Ik bid u schrap dat uit +en zet het bij haar deugden bovenaan. + +FLINK. "Item: Zij is ijdel." + +LANS. Dat ook door; dat is haar door Eva vermaakt en haar niet te +ontnemen. + +FLINK. "Item: Zij heeft geen tanden!" + +LANS. Dat hindert ook niet, want ik ben dol op korstjes. + +FLINK. "Item: Zij is bits." + +LANS. Nu, dan is het maar goed, dat zij geen tanden heeft om te bijten. + +FLINK. "Item: Zij vindt een slokje overheerlijk." + +LANS. Als haar slokje goed is, dan moet zij het doen; en als zij +het niet doet, doe ik het; want als iets overheerlijk is, moet het +gezegd worden. + +FLINK. "Item: Zij is al te mild." + +LANS. Met haar woorden, is onmoog'lijk, want wij hebben hier zwart op +wit, dat zij daar langzaam mee is; met haar beurs zal zij het niet +wezen, want die zal ik dicht houden; nu kan zij het nog met iets +anders zijn, maar daar kan ik niet aan doen. Verder maar. + +FLINK. "Item: Zij heeft meer haar dan verstand, en meer gebreken +dan haren, en meer geld dan gebreken." + +LANS. Houd op; ik wil haar hebben: zij was mijn en niet mijn, twee- +of driemaal in dat laatste artikel. Lees dat nog eens. + +FLINK. "Item: Zij heeft meer haar dan verstand,"-- + +LANS. Meer haar dan verstand,--dat mag wel: ik wil het bewijzen: het +deksel van het zoutvat overdekt het zout, en daarom is het meer dan +het zout; het haar, dat het verstand bedekt, is meer dan het verstand, +want het grootere overdekt het kleinere. Wat volgt? + +FLINK. "En meer gebreken dan haren,--" + +LANS. Dat is verschrikk'lijk; o, stond dat er niet! + +FLINK. "En meer geld dan gebreken." 376 + +LANS. O, dat woord maakt de gebreken bekoorlijk! Goed ik wil haar +hebben; en als wij een paar worden, zooals geen ding onmoog'lijk is,-- + +FLINK. Wat dan? + +LANS. Wel, dan zal ik u vertellen,--dat uw meester aan de Noorderpoort +op u wacht. + +FLINK. Op mij? + +LANS. Op u! ja, wat zijt gij er voor een? Hij heeft op een beteren +kerel dan gij zijt, gewacht. + +FLINK. En moet ik naar hem toe gaan? + +LANS. Gij moet naar hem toe rennen, want gij hebt zoo lang gewacht, +dat gaan bijna niet meer helpen kan. + +FLINK. Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd? naar den duivel +met uw minnebrieven! + +(Flink af.) + +LANS. Nu zal hij klop krijgen, omdat hij mijn brief gelezen heeft! Een +onbeschaamde vlegel, die in een andermans geheimen dringt!--Ik loop +hem na, om mij in de tuchtiging van dien kerel te verkneukelen! + +(Lans af.) + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een kamer in 's Hertogs paleis. + +De Hertog en Thurio komen op; later Proteus. + +HERTOG. Beminnen zal ze u, Thurio, twijfel niet, +Nu Valentijn van haar verbannen is. + +THURIO. Na zijn verbanning haat zij mij nog meer, +Wil niets meer van mij weten, hoont mij zoo, +Dat ik den moed geheel heb opgegeven. + +HERTOG. Zwak is die liefdesindruk, als een letter, +In 't ijs getrokken; schijn' de zon een uur, +Zij is verwaterd, ied're trek verdwenen. +Een weinig tijds smelt haar bevroren geest; +Dan is die lage Valentijn vergeten.-- +Zoo, gij daar, Proteus? Is uw landgenoot +Op 't uitgevaardigd hoog bevel vertrokken? + +PROTEUS. Vertrokken, heer en vorst. + +HERTOG. Zijn heengaan heeft mijn dochter diep bedroefd. + +PROTEUS. Een weinig tijds, heer, doet die droef'nis sterven. + +HERTOG. Dit wacht ik ook, maar Thurio denkt van neen. +Proteus, ik heb een goeden dunk van u; +En dit,--gij gaaft mij proeven van uw ijver,-- +Is oorzaak dat ik verder u vertrouw. 19 + +PROTEUS. Niet langer, dan ik trouw blijf aan uw hoogheid, +Zij 't leven mij gegund, en bij uw hoogheid. + +HERTOG. 't Is u bekend, hoe gaarne ik een verloving +Tot stand bracht tusschen Thurio en mijn dochter. + +PROTEUS. Ik weet het, heer. + +HERTOG. En toch is u niet onbekend, vermoed ik, +Hoe zij zich tegen mijnen wil verzet. + +PROTEUS. Toen Valentijn nog hier was, deed zij 't, heer. + +HERTOG. Zij is van die verkeerdheid niet bekeerd. +Hoe doen wij 't meisje Valentijns verliefdheid +Vergeten en op Thurio verlieven? + +PROTEUS. Het zekerst door belast'ring; Valentijn +Zij trouwloos, laf gebleken, laag van afkomst; +Drie dingen, diep verfoeid door elke vrouw. + +HERTOG. Goed, maar zij denkt gewis, dat haat dit ingeeft. + +PROTEUS. Ja, zoo een vijand dit getuignis geeft; +Daarom zij 't haar omstandig meegedeeld +Door iemand, die haar als zijn vriend bekend is. + +HERTOG. Gij moet dus die belast'ring op u nemen. + +PROTEUS. En dit zou ik ongaarne doen, mijn vorst; +Het is een taak, een edelman onwaardig, +Vooral zoo dit zijn boezemvriend moet treffen. + +HERTOG. Zoo hem uw voorspraak niet van nut kan zijn, +Kan hem uw achterklap ook nimmer deren; +Daarom kunt gij gerust die taak aanvaarden, +Waartoe gij door uw vriend wordt aangezocht. + +PROTEUS. 'k Geef mij gewonnen, heer. Zoo 'k iets vermag +Door wat ik in zijn nadeel zeggen zal, +Dan zal zij zeker hem niet lang meer minnen. +Doch wordt haar liefde uit Valentijn gewied, +'t Volgt niet, dat die in Thurio wort'len zal. + +THURIO. Tracht daarom hare liefde van hem af +En daad'lijk op mijn kluwen op te winden, +Eer ze in de war raak' en voor niemand deug'; +En dit gebeur', door mij niet min te prijzen, +Dan gij ten nadeel spreekt van Valentijn. + +HERTOG. En, Proteus, hierin kunnen we u vertrouwen, 56 +Omdat ons Valentijn heeft meegedeeld, +Hoe ge aan de Liefde trouw gezworen hebt; +En nimmer af zult vallen of verand'ren. +Om dezen waarborg zult gij toegang hebben +Tot Silvia, dat gij vrij'lijk met haar spreekt. +Wel is zij stug, zwaarmoedig, zeer bedrukt, +Maar u zal ze om uws vriends wil gaarne zien; +Bepraat haar dus nu zoo, dat Valentijn +Van haar gehaat worde en mijn vriend bemind. + +PROTEUS. Ik zal 't beproeven, doen wat ik vermag. +Doch Thurio, gij moet feller haar bestoken; +Lijmroeden leggen, lokken moet gij haar +Door fraai gerijmde, klagende sonnetten, +Met eeden van uw hulde zwaar bevracht. + +HERTOG. Ja, goed bedacht; +Groot is van 't Godskind Poëzie de macht. + +PROTEUS. Zeg dit: op 't outer van haar schoonheid offert +Gij uwe tranen, zuchten, en uw hart. +Schrijf tot uw inkt verdroogt, en maak hem dan +Weer met uw tranen vloeibaar; menig dicht +Vol diep gevoel tuig' van uw hart; besnaard +Met dichterspezen was de luit van Orpheus, +Wiens gouden tonen staal en steen verweekten, +Den tijger temden, woeste Leviathans +Uit de' afgrond lokten tot een dans aan strand. +Na zulke hartverscheurende elegieën +Genaakt gij 't venster uwer liefste 's nachts +Met lieflijke muziek en heft daarbij +Een roerend klaaglied aan; de doodsche nacht +Maakt zulke liefdeklachten dubbel roerend. +Of dit, of niets verovert u haar hart. + +HERTOG. Dit voorschrift toont, dat gij het hof gemaakt hebt. + +THURIO. En 'k voer uw raad deze eigen nacht nog uit. +Daarom, mijn beste Proteus, gij mijn gids, +Begeven wij terstond ons naar de stad, +En zoeken daar bedreven muzikanten. +Ik heb een minnedicht, dat dienen kan, +En daarmee zij uw goede raad beproefd! + +HERTOG. Aan 't werk, gij heeren! + +PROTEUS. Tot slapenstijd, mijn vorst, staan we u ten dienst, +En zorgen dan vol ijver voor ons plan. + +HERTOG. Neen, daad'lijk nu aan 't werk! Ik laat u vrij. + +(Allen af.) + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een woud, tusschen Milaan en Verona. + +Eenige Bandieten komen op. + +EERSTE BANDIET. Staat, mannen, staat; ik zie een reiziger. + +TWEEDE BANDIET. Al waar' 't een tiental, deinst niet, slaat ze neer. + +(Valentijn en Flink treden op.) + +DERDE BANDIET. Sta, heer, en lever uit al wat gij hebt, +Of gij wordt neergelegd en uitgeschud. + +FLINK. Wij zijn verloren, heer; dat zijn de schurken, +Waar alle reizigers beducht voor zijn. + +VALENTIJN. Mijn vrienden,-- + +EERSTE BANDIET. Wat vriend! dat zijn wij niet; noem vrij ons vijand. + +TWEEDE BANDIET. Stil, laat hem spreken! + +DERDE BANDIET. Ja, bij mijn baard, hij is een flinke kerel. + +VALENTIJN. Zoo weet dan, ik heb weinig te verliezen. +Ik ben een man, door 't ongeluk bestookt; +Mijn rijkdom zijn mijn poov're kleed'ren hier, +En als gij daarvan mij ontblooten wilt, +Dan neemt gij al mijn have en goed mij af. + +TWEEDE BANDIET. Waar reist gij heen? + +VALENTIJN. Naar Verona. 17 + +EERSTE BANDIET. Van waar komt gij? + +VALENTIJN. Van Milaan. + +DERDE BANDIET. Hebt gij daar lang vertoefd? + +VALENTIJN. Ruim zestien maanden, en ik ware er nog, +Zoo niet een heilloos lot mij had gedwarsboomd. + +EERSTE BANDIET. Hoe zoo, werdt gij verbannen? + +VALENTIJN. Verbannen, ja. + +TWEEDE BANDIET. Om welk vergrijp? + +VALENTIJN. Om een, dat ik met wroeging thans vermeld. +Ik doodde een man, wiens dood mij zeer berouwt; +Schoon, ik versloeg hem in manhaften strijd, +En niet door booze list of laag verraad. + +EERSTE BANDIET. Wel, geen berouw, indien het zoo zich toedroeg. +En om zoo kleine schuld werdt gij verbannen? + +VALENTIJN. Ja, en verheugd er zoo nog af te komen. + +TWEEDE BANDIET. Verstaat gij talen? 33 + +VALENTIJN. Gewis, dit dank ik aan mijn jonglingsreizen; +'t Ware anders menigmaal mij slecht vergaan. + +DERDE BANDIET. Bij Robin Hood's gemesten paters kruintje, +Die borst mocht hoofd zijn onzer woeste bende. + +EERSTE BANDIET. Wij willen hem.--Gij mannen, hier; een woord! + +FLINK. Heer, sluit u bij hen aan; +'t Is recht fatsoenlijk stelen, wat zij doen. + +VALENTIJN. Stil, schurk! + +TWEEDE BANDIET. Spreek: hebt gij iets, waar gij op reek'nen kunt? + +VALENTIJN. 'k Heb niets dan wat het lot mij brengt. + +DERDE BANDIET. Weet, een'gen onder ons zijn edellieden, +Die de overmoed der teugellooze jeugd +Uit de gemeenschap stiet van eerb're lieden; +Zoo werd ikzelf verbannen uit Verona, +Wijl ik beproefde een jonkvrouw daar te schaken, +Die rijk was en den hertog na verwant. + +TWEEDE BANDIET. En ik uit Mantua, om een edelman, +Wien ik in drift een dolk in 't harte stiet. + +EERSTE BANDIET. En ik om even zulk een klein vergrijp. +Doch nu ter zake; die belijd'nis strekte +Slechts om ons rooverleven u te ontschuldigen; +En daar wij zien, dat gij met kloeken bouw +Begaafd zijt, en, zooals gijzelf daar meldt, +De talen spreekt, kortom, geheel de man, +Die ons bij dit beroep recht welkom ware,-- + +TWEEDE BANDIET. En dan vooral, wijl gij een balling zijt, +Daarom voornaam'lijk spreken wij tot u. +Neemt gij ons voorstel aan, ons hoofd te zijn, +En met ons van den nood een deugd te maken, +En in de wildernis, als wij, te leven? + +DERDE BANDIET. Wat zegt gij? wilt gij een der onzen zijn? +Sla toe en word de hoofdman van ons allen; +Dan doen we u hulde en volgen uw bevelen, +En eeren u als onzen heer en vorst. 67 + +EERSTE BANDIET. Maar als gij onze gunst versmaadt, dan sterft gij. + +TWEEDE BANDIET. Gij leeft niet, dat gij op ons aanbod pocht. + +VALENTIJN. 'k Neem 't aanbod aan en wil met u hier leven; +Doch op beding, dat gij steeds zwakke vrouwen +En arme zwervers spaart, hen nimmer deert. + +DERDE BANDIET. Wijzelf verfoeien zulk een laag bedrijf. +Kom nu, wij brengen u tot onze schare, +En toonen u den buit, door ons vergaârd, +Die, als wijzelf, tot uw beschikking sta. + +(Allen af.) + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Milaan. Open plaats voor 's Hertogs paleis, onder Silvia's +kamervenster. + +Proteus komt op. + +PROTEUS. Reeds was ik trouwloos jegens Valentijn; +Nu moet ik Thurio 't eigen onrecht doen; +Want onder 't mom, dat ik zijn voorspraak ben, +Verwierf ik toegang voor mijn eigen liefde. +Doch Silvia is te schoon, te trouw, te heilig, +Dan dat mijn waard'loos aanbod haar verleidt. +Betuig ik mijn genegenheid en trouwe, +Dan werpt zij mij mijn valsche vriendschap voor; +Bezweer ik de eeuw'ge macht van hare schoonheid, +Dan zegt zij mij, te denken, hoe ik de' eed +Van trouw aan Julia, die ik minde, brak. +En toch, trots al haar rassche booze woorden, +Meer dan genoeg om alle hoop te dooven,-- +Hoe meer zij mijne liefde van zich stoot, +Groeit die te meer en vleit haar kwisp'lend steeds. +Doch Thurio komt; wij moeten aan haar venster +Nu avondtonen ruischen in haar oor. + +(Thurio komt op, met Muzikanten.) + +THURIO. Zoo, Proteus, zijt gij ons vooruitgeslopen? + +PROTEUS. Ja, waarde Thurio, want gij weet, de liefde +Wil binnensluipen, waar zij niet kan gaan. + +THURIO. Ja, maar ik hoop, heer, hier bemint gij niet. + +PROTEUS. Ik doe het, heer, want anders ware ik elders. + +THURIO. Wie, Silvia? + +PROTEUS. Silvia, ja,--om uwentwille. + +THURIO. Ik dank u voor uw liefde.--Heeren, thans +Gestemd, en 't lied dan lustig aangeheven. 25 + +(De Waard en Julia komen op, op den achtergrond; Julia in +pageskleeding.) + +WAARD. Nu, mijn jonge gast, mij dunkt, gij +zijt mankeliek; mag ik vragen, waarom? + +JULIA. Och, goede vriend, wijl ik niet lustig zijn kan. + +WAARD. Kom, kom, wij zullen u wel lustig +maken. Ik wil u brengen, waar gij muziek zult +hooren en den edelman zien, waar gij naar gevraagd +hebt. + +JULIA. En zal ik hem ook hooren spreken? + +WAARD. Ja, dat zult gij. + +JULIA. Dat zal muziek zijn. + +(De muziek begint.) + +WAARD. Luister, luister! + +JULIA. Is hij daarbij? + +WAARD. Ja, maar stil, laat ons luisteren! + +(Lied.) + +Wie is Silvia? wat is zij? + De jong'lingschap omzwiert haar.-- +Heilig, schoon en wijs is zij; + Door 's Hemels gunst versiert haar +Al wat roem geeft en waardij. + +Even goed is zij als schoon; + Dit schenkt haar alvermogen; +Amor koos haar oog ter woon + En ziet nu door haar oogen, +Zit, niet blind meer, daar ten troon. + +Zingt dus Silvia, roemt haar macht + En weêrgâlooze waarde, +'t Liefste schoon, de rijkste pracht, + Den roem der glanslooze aarde! +Huldekransen haar gebracht! + +WAARD. Hoe is het? zijt gij nog treuriger dan te voren? Hoe is het, +jonkman? Is de muziek u niet goed genoeg? + +JULIA. Misgeraden; de muzikant is mij niet goed genoeg. + +WAARD. Hoe zoo, mijn beste knaap? + +JULIA. Hij speelt valsch, vadertje. + +WAARD. Hoe zoo? is het instrument valsch besnaard? + +JULIA. Dat niet, maar hij speelt zoo valsch, dat hij de snaren van +mijn hart pijn doet. + +WAARD. Gij zijt fijn van gehoor. + +JULIA. O, ik wilde, dat ik doof was, want dit doet mijn hart zoo +bonzen. + +WAARD. Ik merk het wel, gij houdt niet van muziek. + +JULIA. Volstrekt niet, als zij zoo snerpend is. + +WAARD. Hoor, welk een mooie overgang in die muziek! 68 + +JULIA. Juist, die overgang doet mij zeer. + +WAARD. Gij zoudt wenschen, dat zij aldoor hetzelfde speelden? + +JULIA. Dat een hetzelfde door bleef spelen, wenschte ik.-- +Maar zeg, die Proteus, vriend, waar wij van spraken, +Heeft hij met deze jonkvrouw veel verkeer? + +WAARD. Ik zeg u, wat Lans, zijn knecht, mij gezegd heeft:--hij bemint +haar zoo, dat de kerfstok vol is. + +JULIA. Waar is Lans? + +WAARD. Zijn hond gaan zoeken, dien hij morgen, op bevel van zijn +meester, aan de jonkvrouw ten geschenke moet gaan brengen. + +JULIA. Stil, stil, ter zijde; het gezelschap gaat heen. + +PROTEUS. Wees niet bekommerd, Thurio; pleiten zal ik, +Dat gij mijn sluwheid hooglijk roemen zult. + +THURIO. Waar vind ik u? + +PROTEUS. Bij den Gregorius-put. + +THURIO. Vaarwel! + +(Thurio af, met de Muzikanten.) + +(Silvia verschijnt aan haar venster.) + +PROTEUS. Uwe Edelheid een goeden avond, jonkvrouw! + +SILVIA. Mijn dank voor uw muziekbegroeting, heeren! +Wie is het, die daar sprak? + +PROTEUS. O, kendet gij zijns harten zuiv're trouw, +Gij leerdet ras hem aan de stem te kennen. + +SILVIA. Signore Proteus, als ik het wel heb. + +PROTEUS. Ja, Proteus, eed'le jonkvrouw, en uw dienaar. + +SILVIA. Wat wilt gij hier? + +PROTEUS. Eenswillend zijn met u. + +SILVIA. Dit staat aan u; niets anders is mijn wil, +Dan dat gij daad'lijk u ter ruste spoedt. +Gij loos, meineedig, valsch en trouwloos man! +Gelooft gij mij zoo ijdel, zoo onnoozel, +Dat mij uw vleitaal ooit verlokken zou, +Hoe menigeen uw eeden ook bedrogen? +Keer huiswaarts en doe boete aan uw geliefde. +Ik, bij die bleeke koningin der nacht, +Ik, verre van uw smeeken te verhooren, +Veracht u om uw schand'lijk aanzoek diep, +En ben geneigd mijzelve te verwijten, +Dat ik nog zooveel tijd aan u verspil. 104 + +PROTEUS. Ja, ik erken, geliefde, ik minde een jonkvrouw, +Doch zij is dood. + +JULIA (ter zijde). Ik kon hem logenstraffen, +'k Weet zeker, dat zij niet begraven is. + +SILVIA. Dit moog' zoo zijn, maar Valentijn, uw vriend, +Hij leeft nog, en met hem,--gij zijt getuige,-- +Ben ik verloofd; en schaamt gij u niet diep, +Door uwen boozen aandrang hem te krenken? + +PROTEUS. 'k Hoor, dat ook Valentijn gestorven is. + +SILVIA. Zoo reken mij het ook, want in zijn graf +Is, weet dit, mijne liefde meebegraven. + +PROTEUS. Vergun mij, dierb're, uit de aard die op te raak'len. + +SILVIA. Ga, rakel uit uw liefste's graf de hare, +Of--dat er de uwe meebegraven zij! + +JULIA (ter zijde). Hij heeft dat niet gehoord. + +PROTEUS. Mejonkvrouw, blijft uw hart zoo onvermurwbaar, +Sta aan mijn liefde toch uw beelt'nis toe, +De beelt'nis, die in uwe kamer hangt; +Tot haar wil ik dan spreken, zuchten, weenen; +Want daar gij 't wezen van uw heerlijk zelf +Hebt weggeschonken, ben ik slechts een schim, +En wil uw schaduw trouwe liefde wijden. + +JULIA (ter zijde). Ja, waar' ze een werk'lijk wezen, gij bedroogt het, +Dat het een schim wierd, zooals ik het ben. + +SILVIA. 'k Ben recht ongaarne, heer, uw afgodsbeeld; +Doch daar het met uw valschheid strookt, dat gij +Voor schimmen knielt, een ijdel beeld aanbidt, +Zoo laat het morgen ochtend bij mij halen. +En nu, slaap wel! + +PROTEUS. Als arme zondaars doen, +Wie 't halsgericht den and'ren morgen wacht. + +(Proteus en Silvia af.) + +JULIA. Waard, gaat gij mede? + +WAARD. 'k Was op mijn woord, daar vast in slaap geraakt. + +JULIA. Waar woont die heer, die Proteus? zeg mij dit. + +WAARD. Wel, in mijn huis. Ik geloof waarachtig, dat het bijna dag is. + +JULIA. Dat niet; maar toch, het was de langste nacht, +Die ik doorwaakte, en zeker ook de bangste. + +(Beiden af.) + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. + +Eglamour komt op. + +EGLAMOUR. 't Is nu het uur, dat jonkvrouw Silvia mij +Hier heeft ontboden om haar wensch te hooren. +Voor iets gewichtigs eischt zij wis mijn dienst. +Mejonkvrouw! jonkvrouw! + +(Silvia verschijnt weder aan haar venster.) + +SILVIA. Wie roept daar? + +EGLAMOUR. Iemand, die uw dienaar is, +Een vriend, die uw bevelen komt vernemen. + +SILVIA. Heer Eglamour, veel duizend goede morgens! + +EGLAMOUR. Niet minder, eed'le jonkvrouw, wensch ik u. +Naar uw vereerende opdracht kom ik hier +In 't morgenuur vernemen, welken dienst +Het u behaagd heeft aan mij op te dragen. + +SILVIA. O Eglamour, gij zijt een edelman,-- +Neen, 't is geen vleitaal, die ik spreek, ik zweer het,-- +Wijs, dapper, diepgevoelend, waarlijk ridder. +'t Is u niet onbekend, wat diepe neiging +Ik voor den balling Valentijn steeds voed, +Noch, hoe mijn vader tot een echt mij dringt +Met de' ijd'len Thurio, dien mijn ziel verfoeit. +Gij hebt bemind; ik hoorde zelve u zeggen, +Dat nooit een leed zoo diep uw harte trof, +Als toen uw dierbare uitverkoor'ne stierf, +Wier graf uw eed van eeuw'ge trouw vernam. +Heer Eglamour, ik wil naar Valentijn, +Naar Mantua, waar hij, zoo hoor ik, toeft; +En daar de wegen hoogst onveilig zijn, +Zoo vraag ik, steunend op uw eer en trouw, +Dat gij mij op de reis geleiden wilt. +Neen, wijs mij op mijns vaders gramschap niet; +Denk aan mijn leed slechts, eener vrouwe leed, +En hoe ik recht heb om van hier te vluchten, +Ten einde een hoogst onheil'gen echt te ontgaan, +Door hemel beide en 't lot met vloek bedreigd. +Ik smeek u uit het diepste van een hart, +Zoo vol van kommer als de zee van zand, +Dat gij als mijn geleider mij verzelt; +Zoo niet, dat gij verzwijgt, wat ik u zeide, +Opdat ik 't wagen moog', alleen te gaan. + +EGLAMOUR. Mejonkvrouw, ik beklaag uw liefdekommer, +En weet, hij geldt een deugdrijk edelman; +Ik ben daarom bereid u te verzellen; +En luttel acht ik wat mij treffen kan, +Maar wensch te meer van harte u alle heil. +Wanneer wenscht gij te gaan? + +SILVIA. Deze' eigen avond. + +EGLAMOUR. Waar vind ik u? + +SILVIA. In broeder Patrick's cel, +Waarheen ik, als ter biecht, mij zal begeven. + +EGLAMOUR. Ik zal er zijn, mejonkvrouw. +Thans goeden morgen, lieve jonkvrouw. + +SILVIA. Dank; goeden morgen, ridder Eglamour. + +(Beiden af.) + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Aldaar. + +Lans komt op, met zijn hond. + +LANS. Als een mensch zijn dienaar zich hondsch tegen hem gedraagt, +ziet ge, dat is hard; een, dien ik van kindsbeen af heb opgebracht, +een, dien ik voor verdrinken bewaard heb, toen drie of vier van +zijn blinde broeders of zusters er aan moesten gelooven! Ik heb hem +afgericht, juist zooals iemand, die zich voorneemt: "Zoo wil ik een +hond africhten." Ik werd gestuurd om hem ten geschenke te brengen +van mijn meester aan juffer Silvia, en ik had nog nauwelijks een +voet in de eetzaal, of hij vliegt me naar haar bord en steelt haar +kapoenepootje. O, het is een kwaad ding, als een hond zich niet in +ieder gezelschap weet te gedragen! Ik zou willen, om zoo te zeggen, +dat een, die op zich neemt een hond te zijn, dan, als het ware, ook +in allen deele een hond was. Als ik niet meer verstand had gehad dan +hij, en het vergrijp, dat hij begaan had, niet op mij had genomen, +was hij, dit geloof ik zeker, er voor gehangen; zoo waar ik leef, +hij was er om koud geweest; oordeelt zelf. Hij dringt me zich daar in +het gezelschap van drie of vier voorname honden onder de tafel van +den hertog, en is me daar, met verlof, nog geen hondenpisje lang, +of de geheele zaal ruikt hem. "Naar buiten met den hond!" roept de +een; "Wat is dat voor een mormeldier?" zegt de ander; "Ranselt hem +de deur uit!" zegt een derde; "Hangt hem op!" zegt de hertog. Ik, +die de lucht van vroeger kende, wist dadelijk, dat het Krab was, +en ik ga me naar den man van de hondenzweep; "Vriend", zeg ik, +"gij zijt van plan dien hond daar te ranselen?" "Ja waarachtig, +dat ben ik", zegt hij. "Dan doet gij hem groot onrecht", zeg ik, +"ik was het, die dat je weet wel, deed." Hij maakt me geen verdere +praatjes meer, maar zweept mij de kamer uit. Hoe veel meesters +zouden dit voor hun dienaar doen? Ja, ik kan er een eed op doen, +ik heb in het voetblok gezeten voor worsten, die hij gestolen had, +anders was hij er om afgemaakt; ik heb te pronk gestaan voor ganzen, +die hij gedood had, anders had hij er voor moeten bloeden; aan dat +alles denk jij nu volstrekt niet meer.--Ja, en daar denk ik weer +aan den streek, dien je mij gespeeld hebt, toen ik afscheid nam van +jonkvrouw Silvia. Heb ik je niet altijd gelast, op mij te letten, +en even zoo te doen als ik? Wanneer heb je mij ooit mijn been zien +oplichten en wateren tegen een dame haar hoepelrok? Heb je ooit zulk +een streek van mij gezien? 43 + +(Proteus en Julia komen op.) + +PROTEUS. Sebastiaan heet gij? Nu, gij staat mij aan, +En 'k zal terstond u met een dienst belasten. + +JULIA. Met wat gij wilt; doen zal ik wat ik kan. + +PROTEUS. Dat hoop ik, knaap.--(Tot Lans.) Gij liederlijke lummel! +Waar hebt gij sedert gist'ren rondgedwaald? + +LANS. Wel, heer, ik heb aan juffer Silvia den hond gebracht, zooals +gij mij bevolen hadt. + +PROTEUS. En wat zegt zij wel van mijn klein juweel? + +LANS. Wel, zij zegt, uw hond was een mormeldier, en laat u weten, +dat een hondsche dank goed genoeg is voor zulk een geschenk. + +PROTEUS. Zij nam den hond toch aan? + +LANS. Neen, integendeel, hier heb ik hem weer meegebracht. + +PROTEUS. Wat! heb je dien haar van mij aangeboden? + +LANS. Ja, heer; het andere eekhoorntje werd mij op de markt door de +knapen van den hondenslager ontstolen; en toen heb ik haar mijn eigen +hond gebracht, die zoo groot is als tien van de uwen en daarom een +zooveel grooter geschenk. + +PROTEUS. Ga, pak u weg en breng mijn hond terug, +Of kom mij nimmer weder onder de oogen! +Weg, zeg ik! Blijft gij staan om mij te tergen? +Gij knaap, die mij aldoor te schande maakt! + +(Lans af.) + +Sebastiaan, 'k heb u in dienst genomen, +Ten deele, wijl ik mij een jonkman wensch, +Die met verstand kan doen, wat ik hem opdraag, +Want op dien lummel is geen staat te maken; +Doch meest, wijl uw gelaat en uw manieren,-- +Indien mijn zienerskunst mij niet bedriegt,-- +Van goeden stand, geluk en trouw getuigen; +Deswegen, weet dit, nam ik u in dienst. +Ga nu terstond, neem dezen ring met u, +En stel aan jonkvrouw Silvia dien ter hand; +Die mij hem gaf, zij heeft mij zeer bemind. + +JULIA. Gij haar wis niet, dat gij haar pand zoo wegschenkt; +Of is zij dood? 80 + +PROTEUS. Dat niet; ik denk, zij leeft. + +JULIA. Helaas! + +PROTEUS. Wat roept gij daar "Helaas"? + +JULIA. Ik kan niet anders doen dan haar beklagen. + +PROTEUS. Waarom beklaagt gij haar? + +JULIA. 'k Verbeeld mij, zij beminde u evenzeer, +Als gij uw jonkvrouw Silvia nu bemint. +Zij droomt van hem, die hare min vergat; +Gij dweept met haar, die uwe min verwerpt. +Wat leed, dat min zoo tegen min zich kant! +Zie, dit bedenkend, riep ik uit: helaas! + +PROTEUS. Nu, geef haar dezen ring met dezen brief;-- +Zie, ginds, dàt is haar kamer.--Zeg mijn jonkvrouw, +Dat ik 't beloofde hemelsch beeld haar vraag. +En breng mij spoedig 't antwoord; op mijn kamer +Zult gij mij vinden, treurig en alleen. + +(Proteus af.) + +JULIA. Die boodschap, hoeveel vrouwen brachten ze over? +Ach, arme Proteus, gij hebt daar een vos +Als herder uwer lamm'ren aangesteld! +Ach, ik zottin! waarom beklaag ik hem, +Die uit den grond zijns harten mij versmaadt? +Omdat hij haar bemint, versmaadt hij mij; +Omdat ik hem bemin, beklaag ik hem. +Den ring hier schonk ikzelf hem bij ons afscheid, +Opdat hij mijner liefde steeds gedacht; +En ach, nu moet ik,--ik onzaalge bode!-- +Gaan vragen wat ik niet erlangen wil, +Gaan brengen wat ikzelf geweigerd wensch, +Gaan roemen, wien ik als ontrouw gesmaad wensch! +Ik ben mijn heer een trouw en echt verloofde, +Doch kan hem niet een trouwe dienaar zijn, +Of aan mijzelve pleeg ik boos verraad. +Toch wil ik voor hem smeeken, doch zoo koud, +Als ik,--God weet het,--hare weig'ring wensch. + +(Silvia komt op, met Gevolg.) + +Mejonkvrouw, goeden dag! Ik bid u, help mij, +Dat ik de jonkvrouw Silvia spreken kan. + +SILVIA. Zoo ik het waar', wat zoudt gij van haar willen? + +JULIA. Zoo gij het zijt, dat gij geduldig aanhoort, +Wat ik als boodschap overbrengen moet. + +SILVIA. Van wien? + +JULIA. Mejonkvrouw, van mijn heer, Signore Proteus. + +SILVIA. Hij zendt om een portret u hier, niet waar? + +JULIA. Zoo is 't, mejonkvrouw. 121 + +SILVIA. Ga, Ursula, en haal hier mijn portret. + +(Er wordt een portret gebracht.) + +Gij, breng dit aan uw heer, doch meld hem dit: +Die Julia, die zijn wufte zin vergeet, +Zou beter, dan die schim, zijn kamer sieren. + +JULIA. Wil, jonkvrouw, dezen brief van hem doorlezen.-- +Vergeef mij jonkvrouw, uit verstrooidheid reikte ik +U daar een brief, dien ik niet geven mocht; +Dit is het schrijven voor uw edelheid. + +SILVIA. Ik bid u, laat mij de' andren nog eens zien. + +JULIA. Dit mag niet zijn; vergeef mij, beste jonkvrouw. + +SILVIA. Daar, neem dit weer! +Ik wil het schrijven van uw heer niet inzien, +'k Weet, met geloften is het opgepropt, +Met nieuw verzonnen eeden; maar hij breekt die, +Zoo ras als ik hier zijn papier verscheur. + +JULIA. Hij zendt uw edelheid ook dezen ring. + +SILVIA. Te schand'lijker van hem, dien mij te zenden; +Wel duizendmaal heb ik hem hooren zeggen, +Dat hem zijn Julia dien bij 't afscheid gaf. +Maar hebb' zijn valsche vinger dien ontwijd, +De mijne zal zijn Julia zoo niet krenken. + +JULIA. Zij dankt u. + +SILVIA. Wat zegt gij? + +JULIA. Ik dank u, dat gij deel neemt in haar lot; +Die arme maagd! mijn meester krenkt haar diep. + +SILVIA. Gij kent haar dus? + +JULIA. Bijna zoo goed als ik mijzelven ken; +'k Verzeker u, bij 't denken aan haar leed, +Heb ik wel honderdmaal om haar geschreid. + +SILVIA. Zij weet dus, dat haar Proteus trouwloos werd? + +JULIA. Ik denk van ja, en dat zij daarom treurt. + +SILVIA. En is zij niet zeer schoon? + +JULIA. Zij was veel schooner, jonkvrouw, dan zij is. +Zoo lang zij dacht, dat haar mijn heer beminde, +Was zij, zoo meen ik, even schoon als gij; +Maar sinds zij niet meer in den spiegel ziet, +En 't masker, dat de zonne weerde, wegwierp, +Verkleurt de lucht de rozen van haar wangen, +En rooft aan haar gelaat zijn lelieblank; +En werd zij even bruin, als ik het ben. + +SILVIA. Hoe groot was zij? 162 + +JULIA. Van mijne lengte; want op Pinkst'ren werd +Er door het jonge volk tooneel gespeeld, +En viel aan mij de vrouwerol te beurt; +Men stak mij in een kleed van jonkvrouw Julia; +En dit zat mij naar aller oordeel zoo, +Alsof het voor mijzelven was gemaakt; +Zij moet dus juist van mijne lengte zijn. +Ik bracht haar toen in allen ernst aan 't weenen, +Want inderdaad, aandoenlijk was mijn rol. +'k Was Ariadne, die haar wanhoop uit +Om Theseus' vlucht en schand'lijk laag verraad; +Ik speelde zoo natuurlijk in mijn tranen, +Dat, diep geroerd, mijn arme meesteres +Recht bitter weende; en sterven wil ik hier, +Voelde ik niet in mijn hart haar kommer mee! + +SILVIA. Zij is u dank verschuldigd, lieve jong'ling.-- +Die arme jonkvrouw! troostloos en verlaten!-- +Ikzelf moet weenen, denk ik aan uw woorden. +Hier, jonkman, neem mijn beurs; ik geef u die +Om uwer jonkvrouw wil, die gij zoo lief hebt. +Vaarwel! + +(Silvia met haar Gevolg af.) + +JULIA. En danken zal ze u, leert gij eens haar kennen.-- +Een eed'le jonkvrouw, lieflijk, zacht en schoon! +Mijns meesters aanzoek, wacht ik, laat haar koud, +Daar mijn meest'resse's liefde haar zoo roert. +Ach, wat kan liefde beuz'len met zichzelf! +Hier is haar beelt'nis. Laat mij zien: mij dunkt, +Met zulk een kapsel ware mijn gelaat +Volstrekt niet minder lieflijk dan het hare; +En toch, de schilder vleide haar wel iets, +Tenzij ik al te zeer mijzelve vlei. +Haar lokken zijn lichtbruin, de mijne blond; +Maakt dit nu voor zijn liefde zulk verschil, +Dan koop ik mij een haartooi van die kleur. +Haar oog is blauw als glas, het mijne is 't ook, +Ja, doch haar voorhoofd laag, het mijne hoog. +Wat kan het zijn, dat hem in haar behaagt, +En hem niet ook in mij behagen moest, +Waar' niet de dwaze Liefde een blinde god? +Kom, schaduw, kom, en neem die schaduw op, +Uw mededingster! O gij zielloos beeld, +Gij wordt gekust, vereerd, bemind, vergood; +En ware er zin in zijn afgoderij, +Zijn godsbeeld ware, in plaats van u, mijn wezen. +'k Wil om uw meesteres u goed behand'len, +Zij deed het mij; want anders, bij den Hemel! +'k Had u de stikziende oogen uitgekrabd, +Om van mijns meesters liefde u te berooven. + +(Julia af.) + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Milaan. Een klooster. + +Eglamour komt op. + +EGLAMOUR. De zon verguldt den westerhemel reeds, +En 't is omstreeks dit uur, dat Silvia mij +Bij broeder Patrick's cel ontmoeten zou. +Zij blijft niet uit; verliefden houden woord, +Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen; +Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed. + +(Silvia komt op.) + +Daar komt zij reeds.--Mejonkvrouw, goeden avond! + +SILVIA. Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour, +Terstond door de achterpoort van 't klooster voort; +Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na. + +EGLAMOUR. Ducht niets; wij spoeden ons naar 't woud, en daar, +Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar. + +(Beiden af.) + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een kamer in 's Hertogs paleis. + +Thurio, Proteus en Julia komen op. + +THURIO. Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans? + +PROTEUS. Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maar +Zij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen. + +THURIO. Wat? dat mijn been te lang is? + +PROTEUS. Neen, te dun. + +THURIO. Dan draag ik laarzen, die het ronder maken. + +JULIA (ter zijde). Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen. + +THURIO. Hoe vindt zij mijn gelaat? + +PROTEUS. Als blank papier. + +THURIO. Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart. 10 + +PROTEUS. Doch paar'len noemt men blank; en 't zeggen is, +Een zwart man is een paarl in 't oog der schoonen. + +JULIA (ter zijde). Ja, van die parels, die het oog verduistren, +Die 'k niet wil zien, en waar ik 't oog voor sluit. + +THURIO. En hoe bevalt haar mijn gesprek? + +PROTEUS. Slecht, als gij over oorlog spreekt. + +THURIO. Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede? + +JULIA (ter zijde). Nog beter, als gij haar met vrede laat. + +THURIO. Wat zegt zij van mijn moed? + +PROTEUS. O, heer, daarover is zij niet in twijfel. + +JULIA (ter zijde). Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is. + +THURIO. Wat zegt zij van mijn afkomst? + +PROTEUS. Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald. + +JULIA (ter zijde). Van edelman tot zotskap, ja voorwaar. + +THURIO. En spreekt zij van mijn landerijen? + +PROTEUS. Ja, maar met leedbetuiging. + +THURIO. En waarom? + +JULIA (ter zijde). Dat zulk een ezel die bezit. + +PROTEUS. Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht. + +JULIA. Daar komt de hertog. + +(De Hertog komt op.) + +HERTOG. Hoe is 't, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio? +Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour? + +THURIO. Ik niet. + +PROTEUS. Noch ik. + +HERTOG. En mijne dochter? + +PROTEUS. Ook niet. + +HERTOG. Nu, dan, +Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn, +En dan is Eglamour haar metgezel. +Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet, +Toen hij door 't woud ging en gebeden las; +Hem kende hij, en dacht dat zij het was, +Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker; +Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze' avond +Ter biecht te willen gaan, maar was er niet. +Dit alles saam bevestigt hare vlucht. +Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen, +Terstond te paard, en vindt mij aan den voet +Des bergs, waar langs zijn helling zich de weg +Naar Mantua wendt, want daarheen vloden zij. +Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras. + +(De Hertog af.) + +THURIO. Dat noem ik toch een dwaze deerne, die +'t Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt. +Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten, +Dan op de dolle Silvia nog verliefd. + +(Thurio af.) + +PROTEUS. Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd, +Dan op haar helper Eglamour verbitterd. + +(Proteus af.) + +JULIA. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde; +Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde. + +(Julia af.) + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Het woud tusschen Milaan en Mantua. + +Bandieten komen op, met Silvia. + +EERSTE BANDIET. Kom, kom; +Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman. + +SILVIA. Mij leerden duizend andere ongevallen +Ook dit nu met gelatenheid te dragen. + +TWEEDE BANDIET. Komt, brengt haar weg. + +EERSTE BANDIET. Waar is die edelman, die bij haar was? + +DERDE BANDIET. Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte; +Doch Mozes en Valerius volgen hem. +Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoom +Van 't woud; laat ons den vlucht'ling achtervolgen; +Het bosch is afgezet; hij kan niet weg. + +EERSTE BANDIET. Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u. +Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw, +Die hij ooit smaad of schande lijden deed. + +SILVIA. O Valentijn, om u draag ik dit leed. + +(Allen af.) + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van 't woud. + +Valentijn komt op. + +VALENTIJN. Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen! +Deez' donkere eenzaamheid, dit stille woud, +Behaagt mij meer dan rijke woel'ge steden. +Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien, +Om aan het klagend lied des nachtegaals +Mijn jammertonen en mijn wee te huwen. +O gij, wier woning in mijn boezem is, +Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten, +Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt, +Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was. +O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht! +Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!-- +Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden? +Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen, +Zijn wis een armen zwerver op het spoor, +Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar, +Altijd hun lust tot ruw geweld te teug'len. +Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn? + +(Hij wijkt ter zijde.) + +(Proteus, Silvia en Julia komen op.) + +PROTEUS. Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,--19 +Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;-- +Ik waagde 't leven en ontrukte u hem +Die eer en liefde u zou ontwrongen hebben. +Gun mij als loon een enk'len teed'ren blik; +Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken, +En minder nog dan dit kunt gij niet geven. + +VALENTIJN (ter zijde). Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor? +Leen, Liefde, mij 't geduld om kalm te blijven. + +SILVIA. Ellendige en onzaal'ge, die ik ben! + +PROTEUS. Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam; +Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht. + +SILVIA. Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig. + +Julia (ter zijde). En mij, wanneer hij u nabij wil zijn. + +SILVIA. Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen, +'k Had liever 't ondier tot ontbijt gestrekt, +Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde. +Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin, +Wiens leven ik zou koest'ren als mijn ziele; +En evenzoo,--daar meer onmooglijk is,-- +Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus. +Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan. + +PROTEUS. Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde, +Niet voor een enk'len zachten blik bestaan! +O oude vloek der liefde, dat den man +De vrouw, die hij bemint, niet minnen kan! + +SILVIA. Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan! +Doorlees van Julia 't hart, uw eerstbeminde; +Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken, +Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eed +Verkeert ge in meineed en zweert dien aan mij. +U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen, +Wat erger is dan geen; veel beter geen, +Dan trouw in 't meervoud; altijd één te veel. +Gij huich'laar bij uw trouwsten vriend! + +PROTEUS. Wie kent, +Waar 't liefde geldt, een vriend? + +SILVIA. Slechts Proteus niet. + +PROTEUS. Nu, zoo der overreding zachte geest +U niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ik +Op krijgsmanswijs u met mijn arm veroov'ren, +U tegen liefdes innigst wezen minnen, +U dwingen,--59 + +SILVIA. Hemel! + +PROTEUS. Dwingen, mijn te zijn. + +VALENTIJN (vooruittredend). Ellend'ling, weg van haar die ruwe hand! +Gij vriend van boos gehalte! + +PROTEUS. Valentijn! + +VALENTIJN. Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,-- +Ja, zoo is nu een vriend,--gij aartsverrader! +Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oog +Kon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen: +"Ik heb een vriend"; gij zoudt mij logenstraffen. +Wie is betrouwbaar, als de rechterhand +Meineedig wordt aan 't harte? Proteus, +Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen, +Doch heel de wereld vreemd'ling mij moet zijn. +O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd, +Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt! + +PROTEUS. Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.-- +Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouw +Als losgeld voor zoo zware schuld volstaat, +Dan bied ik 't hier; voorwaar mijn smart is groot, +Zoo groot als mijn vergrijp. + +VALENTIJN. Ik ben voldaan; +En reken u op nieuw een eerlijk man. +Wien boete niet verzoent, behoort ten hemel +Noch aarde; beide kan berouw verteed'ren, +En de Eeuw'ge heft hen op, die zich verneed'ren. +En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu: +Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u. + +JULIA. O, ik onzaal'ge! + +(Zij zijgt neder.) + +PROTEUS. Zie, wat schort mijn knaap? + +VALENTIJN. Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek'nen? +Zie op, en spreek! + +JULIA. O heer, mijn meester gaf mij +Een ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen; +En ik verzuimde 't uit onachtzaamheid. + +PROTEUS. Waar is die ring, knaap? + +JULIA. Hier, hier is hij, heer. + +(Zij geeft hem een ring.) + +PROTEUS. Geef, laat mij zien. +Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf. 93 + +JULIA. O heer, vergeef mij; 'k gaf u den verkeerden; +Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt. + +(Zij toont een anderen ring.) + +PROTEUS. Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring? +Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen. + +JULIA. En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven, +En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht. + +PROTEUS. Wat! Julia! + +JULIA. Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden, +Die ze alle diep in 't harte heeft bewaard; +Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed! +O Proteus, deze kleeding doe u blozen; +Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleed +Mij hullen moest, indien ten minste schaamte +Bij valsche liefde woont! +Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed, +Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed. + +PROTEUS. De man zijn eed! 't is waar; o was de man +Steeds trouw, hij waar' volmaakt; die eene feil +Wekt tal van zonden, maakt hem ziende blind; +Ontrouw valt af, eer 't minnen recht begint. +Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet, +Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet? + +VALENTIJN. Komt, elk van u reik' mij de hand! +Gun mij 't geluk, dat ik den heilvreê sluit; +De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit. + +PROTEUS. Tuig, Hemel, 'k ben aan 't einddoel mijner wenschen! + +JULIA. En ik der mijne! + +(Bandieten komen op, met den Hertog en Thurio.) + +BANDIETEN. Een vangst, een vangst! een vangst! + +VALENTIJN. Laat af! laat af! De hertog is 't, de vorst!-- +Sta uw genade een man in ongenade +Een welkomst toe, den balling Valentijn. + +HERTOG. Wat, Valentijn! + +THURIO. Mijn Silvia daar! de mijne! + +VALENTIJN. Thurio, terug, of gij omarmt den dood. +Blijf buiten het bereik van mijnen toorn. +Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij 't waagt, +Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij; +Nu, waag het, roer haar met een vinger aan, +Mijn liefste met een enk'len ademtocht! + +THURIO. Heer Valentijn, zij is mij onverschillig. +Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje, +Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil; +Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u. + +HERTOG. Des te nietswaardiger en laag zijt gij, +Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt, +En dan op zulk een wijs haar op te geven. +Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht, +Ik juich uw moed toe, Valentijn, en reken +De liefde u waardig van een keizerin. +Daarom, al wat mij griefde zij vergeten; +Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug. +Uw onbetwistb're waarde geeft u aanspraak +Op nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn, +Gij zijt een edelman van besten bloede; +Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard. + +VALENTIJN. Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig. +Ik bid u thans, ter wille van uw dochter, +Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag. + +HERTOG. 'k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil. + +VALENTIJN. Die mannen hier, met wie ik heb geleefd, +Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid. +Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben, +En roep hen uit hun ballingschap terug. +Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd, +Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst. + +HERTOG. Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun; +Geef hun een werkkring zooals gij hen kent. +Doch gaan wij; ied're wanklank zij verdoofd +Door blij gejuich en ongekende feesten. + +VALENTIJN. En onderweg beproeve mijn verhaal +Bij uw genade een glimlach uit te lokken. +Wat dunkt u van deze' edelknaap, mijn vorst? + +HERTOG. De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost. + +VALENTIJN. Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap. + +HERTOG. Wat wilt gij daarmee zeggen? + +VALENTIJN. Behaagt het u, dan deel ik onder 't gaan +U zaken mee, die u verbazen zullen.-- +Kom, Proteus, dit moog' heel uw boete zijn, +De onthulling van uw liefdes aan te hooren; +Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn; +Één feest, één huis, één onderling geluk. + +(Allen af.) + + + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave +van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt +uit de vermelding er van door Francis Meres in zijn _Palladis Tamia_ +(zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige +jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw, +het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op +de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns +optreden, op de overeenstemming met gedachten, in "Venus en Adonis" +en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste +overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker +der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan "de Klucht +der vergissingen" en "Veel gemin, geen gewin" is ondertusschen niet +wel uit te maken. + +Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit +stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks +ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De +geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten +vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den +herdersroman _La Diana_, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor +[1], een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang +maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen +gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel, _The +history of Felix and Philiomena_, getrokken en ten hove opgevoerd +te zijn.--Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman +ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius' +Shakespeare-uitgave. + +Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote +moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel +van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in +zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men, +het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn +versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen +te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk +zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen, +een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare +voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar +het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te +Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld, +dat hij naar Julia's hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour +getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in +eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd; +hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en +door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers +overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste +bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen, +het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer +en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft, +zegt hij: "Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien"; Julia geeft aan +Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van +den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den +ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later +haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch +om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend +Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus +schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af, +en deze heeft niets hiertegen te zeggen. + +Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden, +die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer +versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan +'s keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want +tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van +Valentijn, dat zij de liefde eener _keizerin_ waardig zijn; van +den laatste, dat hij in den raad eens _keizers_ op zijn plaats zou +wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot +verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des +hertogs aan Valentijn, die van het _koninklijk_ hof verbannen wordt; +de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer +argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.--Dat +de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als +Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.--In het +oorspronkelijk stuk was Silvia's portret zeker van meer beteekenis en +werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour +was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de +reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd +opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom +bereid is, haar aan Proteus af te staan.--Julia zal waarschijnlijk een +brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd +hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.--Wat er van dit alles +zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door +de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk +afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij +er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid +des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk, +dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien +was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde +hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven +rollen weder trachten samen te stellen. + + + +I. 1. 2. _Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen._ Die niet +verder ziet dan de muren van zijn huis. In 't Engelsch: _Homekeeping +youth have ever homely wits._ + +I. 1. 17. _Want ik wil voor u bidden, Valentijn._ _For I will be thy +beadsman, Valentine._ Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand +te doen. + +I. 1. 27. _Wat, laarzen?_ enz. In 't Engelsch is hier een drievoudige +woordspeling met _boots_, laarzen, _to give the boots_, belachelijk +maken, en _to boot_, baten, bevoordeelen.--De Spaansche laarzen, +hier genoemd, zijn het bekende foltertuig. + +I. 1. 53. _Want aan de haven wacht_ enz. In 't Engelsch staat _at +the road_, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als +een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzen genoeg, dat +Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was; +men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De +toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen +staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor +zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn +toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van +personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor +den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens +klinken van _ship_ en _sheep_ (schip en schaap) aanleiding tot een +woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen +vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam; +bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van +Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de +dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin +van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de +voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich +in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den +tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters +behoeft men niet te denken. + +I. 1. 101. _Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een +verkoren schaap._ In 't Engelsch: _I, a lost mutton, gave your letter +to her, a laced mutton._ Een woordspeling met _lost_ en _laced_, +waarbij men bedenke, dat in Sh.'s tijd de _a_ in _laced_ nog niet +met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst van _lost_ +en _laced_ toen grooter was dan thans. _Laced_ beteekent eigenlijk +gevangen of vastgehouden, daar het substantief _lace_ of _strik_ +(in 't Latijn _laqueus_) of ook een _net_ beteekent, zoodat _laced_ +een goede tegenstelling met _lost_ vormt. Men denke dus niet aan een +met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve men _laced mutton_ +de beteekenis van "licht vrouwspersoon",--want al is Flink, die woedend +is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een +uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven, +zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren. + +I. 1. 110. _U te schutten_, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met +zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woord _pound_ +in de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald +vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna +het woord _pinfold_, schaapskooi, in _pin_, een speld, een waardeloos +ding, en _fold_. Daarop volgt weer de samenvoeging van _nod_, knikken, +met het voornaamwoord _I_, ik, of het bevestigende _ay_, ja, tot +_noddy_, onnoozele bloed.--In het origineel voegde Theobald achter +het zeggen: _But what said she?_ als waarschijnlijk uitgevallen, +de woorden: _Did she nod?_ welke op blz. 160 ook in de vertaling +zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbare _noddy_ door een andere +woordspeling vervangen worden. + +I. 1. 152. _De grootte uwer mildheid_ enz. Hier heeft het Engelsch +een woordspeling met _testify_, betuigen, en _testern_, met een +_tester_,--een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een +kop, _testa_, _tête_, op gestempeld was,--begiftigen, een woord van +Sh.'s maaksel. + +I. 1. 156. _Gij zijt de veiligheid van 't schip._ Op het zeggen, dat +wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den +"Storm", I. 1. 30. + +I. 2. 55. _Meisjes zeggen zedig neen._ Een Engelsch spreekwoord zegt: +_Maids say nay, and take it_, "meisjes zeggen neen en tasten toe". + +I. 2. 83. _Luchte liefde._ Een lied, "Light o' love" beginnend, waarop +gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt +genoemd in "Veel leven om niets", III. 4. 44, waar gezegd wordt: +"zing gij het, dan zal ik dansen".--In het volgende worden allerlei +uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin +opgevat; zoo beteekent _burden_ zoowel "refrein" als "last", _base_ +"basstem" en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ook +_prison base_ of _prison bars_ geheeten, waarbij _to bid the base_, +het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden; +men zie "Venus en Adonis" reg. 303 en "Cymbeline" V 3. 19. + +I. 2. 114. _Mijn boezem zij uw bed._ De dames hadden voor aan haar +keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop +gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250. + +I. 2. 137. _Dat gij ze diep vereert._ Er staat: _you have a month mind +to them_, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige, +voorbijgaande verlangens heeft. + +II. 1. 2. _Die hoort mij niet._ In 't Engelsch is een woordspeling +met _on_ en _one_, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken. + +II. 1. 26. _Als een bedelaar op Allerheiligen._ Op Allerheiligen liepen +bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken, +_soulcakes_, als het loon hunner gebeden voor de dooden.--Voor het +_stappen als een leeuw_ staat in 't oorspronkelijke: "als een der +leeuwen", waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower +voor den geest bracht. + +II. 1. 79. _Zijn hoosbanden._ Het vergeten der hoosbanden wordt door +Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie +"Elk wat wils" (_As you like it_), III. 2. 397; men vergelijke ook +"Hamlet" II. 1. 80.--Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn +zelfs vergat zijn hozen aan te trekken. + +II. 1. 106. _Heer Valentijn, mijn dienaar._ In Sh.'s tijd werden +de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster, _Madam_ +of _Mistress_, vaak _servant_ genoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde +beteekent als _lover_. + +II. 3. 4. _De verloopen zoon._ In 't Engelsch zegt Lans _prodigious_ +voor _prodigal_ en _imperials_ voor _emperor's_ of _imperial_.--De +naam van den hond, _Crab_, beteekent wilde appel. + +II. 3. 39. _Het tij verloopt._ Het Engelsch heeft hier een woordspeling +met _tide_, "getij" en _tied_, de vastgebondene (de hond). + +II. 4. 152. _Een macht, een overheid._ Van een hoogen rang in de +engelenschaar; zie Paulus' Brief aan de Romeinen, VIII. 38. + +II. 4. 192. _Gelijk een gloed een and'ren gloed verdringt._ Men vindt +dezelfde beelden in "Coriolanus", IV. 7. 54. + +II. 4. 196. _Is 't nu mijn oog._ Het Engelsch is hier onvolledig; +_Is it mine or_ enz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet +worden met Warburton: _Is it mine eye or_ enz. dan, met Malone, +_Is it her mien or_ enz. + +II. 4. 201. _Zooals een wassen beeld bij 't vuur._ Men vergelijke +"Koning Jan" V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door +toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het +beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen. + +II. 5. 1. _Welkom in Milaan._ In den tekst der folio-uitgave staat +Padua, zooals in III. 1. 81 en V. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is +mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast +bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar 't kan ook aan +een omwerker liggen. + +II. 5. 61. _Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt._ In 't +Engelsch: _As to go to the ale with a Christian._ "Ale" beteekent +_bier_, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de +hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd, +aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de +opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats +en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen: _Lamb-ale_, +_Bride-ale_, _Church-ale_, _Whitesun-ale_.--Als Flink met Lans niet +naar een _Ale_, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen +christenmensch. + +II. 7. 53. _Met een klep._ In 't Engelsch staat: _with a codpiece_, +wat aldus verklaard kan worden: "a part of the male dress, very +indelicately conspicuous in the poet's time". Het werd nog al sterk +opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen, +waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken +wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen, +zie "Winteravondsprookje", IV. 4. 623. + +III. 1. 81. _Hier in deze stad._ In den tekst staat: _in Verona here_. + +III. 1. 153. _Gij Phaëton, gij and're Merops-zoon._ De vertaling is +hier niet letterlijk; er staat eigenlijk: "Wat! Phaëton,--want gij +zijt Merops' zoon".--Phaëton was de zoon van Helios, den Zonnegod, +en van Clymene, die met den koning Merops, in Aethiopië, gehuwd was; +deze was dus Phaëton's aardsche vader te noemen. De tusschenzin _want_ +enz. kan eenvoudig beteekenen: "want gij _zijt_ inderdaad een Phaëton", +en dan is de vertaling op blz. 175 zeer juist. Wil men er uit lezen: +"want gij zijt een zoon van Merops, niet van den zonnegod, maar van +een mensch, dus van een lage afkomst",--dan moet de hier gegeven, +meer letterlijke vertaling gevolgd worden; deze verklaring komt mij +echter vrij gezocht voor en het "want", _for_, past er slecht bij; +de eerste schijnt mij de ware te zijn. + +III. 1. 263. _Dubbele schurk._ In meer dan één opzicht een schurk. + +III. 1. 300. _Toon door Sint Nikolaas u flink._ Sint Nikolaas was +de beschermheilige der scholieren en moest daarom Flink in 't lezen +bijstaan. De legende verhaalt, dat hij reeds als knaap bisschop werd. + +III. 1. 307. _Zij kan naaien._ In 't Engelsch: _she can sew_, waarvoor +in de folio-uitgave _sowe_ geschreven wordt, zoodat de volgende +vraag _can she so_ het woord herhaalt. Hier moest de vertaler zich +anders helpen; evenzoo bij het volgende, waar het woord _stock_ +eerst in de beteekenis van "kapitaal", "geld", daarna in die van +"sok", wordt opgevat. + +IV. 1. 36. _Bij Robin Hood's_ enz. De bandiet zweert bij de kale kruin +van broeder Tuck, den priester en biechtvader van den gevierden roover +en wilddief Robin Hood, van Sherwoodforest, die aan iederen Engelschman +bekend was en die ook in Scott's Ivanhoe voorkomt. Zie boven blz. 190. + +IV. 2. 76. _Dat de kerfstok vol is._ Dat het niet meer te berekenen is. + +IV. 4. 39. _Toen ik van jonkvrouw Silvia afscheid nam._ Steevens +achtte het beter hier Julia te lezen in plaats van Silvia. Het schijnt +inderdaad, dat Lans aan een vroeger afscheid dacht. + +IV. 4. 60. _Door de knapen van den hondenslager._ Er staat eigenlijk +"door de knapen van den beul", "_the hangman's boys_". Sommigen +verkiezen _the hangman boys_, waarbij _hangman_ als adjectief beschouwd +wordt, zoodat het beteekenen zou: de ellendige, schurkachtige jongens, +de galgenbrokken. + +V. 4. 129. _Geheel Milaan beschermt u niet._ In 't Engelsch staat: +_Verona shall not hold thee._ Zie boven de aanteekening op II. 5. 1. + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Bij de verbranding van de boeken van Don Quichotte wordt deze +roman gevonden, maar blijft, op aanraden van den geestelijke, gespaard. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Twee Edellieden van Verona, by William Shakespeare + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE EDELLIEDEN VAN VERONA *** + +***** This file should be named 26594-8.txt or 26594-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/6/5/9/26594/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
