summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/26564-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '26564-8.txt')
-rw-r--r--26564-8.txt21237
1 files changed, 21237 insertions, 0 deletions
diff --git a/26564-8.txt b/26564-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..190940a
--- /dev/null
+++ b/26564-8.txt
@@ -0,0 +1,21237 @@
+The Project Gutenberg EBook of Ivanhoe, by Walter Scott
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Ivanhoe
+
+Author: Walter Scott
+
+Editor: Jan ten Brink
+
+Translator: Mark Prager Lindo
+
+Release Date: September 9, 2008 [EBook #26564]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IVANHOE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Nieuwe Geïllustreerde Uitgave.
+
+ Meesterwerken van
+
+ Sir Walter Scott.
+
+ Ivanhoe.
+
+
+ Met gebruikmaking van de voortreffelijke vertaling
+
+ Van
+
+ Dr. M. P. Lindo.
+
+ Herzien en ingeleid
+
+ Door
+
+ Dr Jan ten Brink.
+
+
+ Rotterdam.--D. Bolle.
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Dat een meesterstuk van Sir Walter Scott opnieuw in het Nederlandsch
+wordt uitgegeven, schijnt mij een heugelijk teeken des tijds. Het
+eigenaardig kenmerk der laatste jaren dezer eeuw--de steeds toenemende
+dorst naar wijziging van het bestaande, naar het nog nooit vertoonde,
+naar heropwekking van het reeds verouderde--heeft in de anders zoo
+rustige republiek der letteren reeds onheils genoeg gebrouwen. De
+herinnering aan een fraai letterkundig kunstwerk, voor driekwart
+eeuw in het licht verschenen, doet nu bijna de uitwerking van een
+heilzaam geneesmiddel. Van harte gaarne verleende ik mijne hulp bij
+deze hernieuwde uitgaaf van den _Ivanhoe_ in onze taal.
+
+Kunstenaars als Walter Scott laten een diepen indruk na op tijdgenoot
+en nageslacht. De _historische roman_ in proza--als men pleegt te
+spreken--werd door hem in het leven geroepen, en vond bijval in geheel
+Europa. In Frankrijk, Duitschland, Nederland en Engeland staat na
+Walter Scott een heirleger van historische romanschrijvers op.
+
+Het gaat evenwel niet aan den grooten Schotsen verteller voor
+den schepper van een nieuw letterkundig genre te houden. Epische
+behandeling van historische stof is zoo oud als de beschaving. Het
+heldendicht is in zijn gebonden vorm, reeds een soort van historischen
+roman. Geschiedschrijvers als Thucydides en Xenophon, chroniqueurs als
+Ville-Hardouin en Froissart, maken door den levendigen dramatischen
+vorm van het verhaal, door de ingevlochten redevoeringen der
+aanvoerders, denzelfden indruk, als de historische-romanschrijvers uit
+de school van Walter Scott. Men zou kunnen beweren, dat de historische
+roman reeds in de XVIIe eeuw heeft bestaan, daar Mlle Madeleine de
+Scudéry in 1649 haar grooten heroïschen roman, _Le grand Cyrus_,
+begon, op welk boek Sir Walter Scott een beroep doet in het 31ste
+hoofdstuk van zijn _Ivanhoe_.
+
+Het ongemeene, het nieuwe in zijne _Waverley-Novels_ is, dat hij,
+_voor het eerst_ met wetenschappelijken ijver voor historie en
+archaeologie bezield, zich de taak oplegt een vervlogen tijdvak te
+doen herleven met al de kleuren van het oogenblik, met geschiedkundige
+juistheid van kostuum, architectuur, huisraad, zeden en gebruiken,
+maar vooral met historische juistheid in de voorstelling van
+karakters en denkbeelden, die in het gekozen tijdvak de maatschappij
+beheerschten. In dit opzicht schiep hij iets nieuws, en bezielde
+eene groote menigte van navolgers. In Engeland kwam Lord Lytton
+hem het dichtst nabij, in Frankrijk Alfred de Vigny en Victor Hugo
+(_Nôtre-Dame_, en _Quatrevingt-Treize_), in Duitschland Felix Dahn,
+George Ebers en Robert Hamerling, ten onzent mevrouw Bosboom-Toussaint,
+Mr. J. van Lennep, J. F. Oltmans en H. J. Schimmel. Denkt men bij de
+lezing van _Ivanhoe_ aan de beide laatsten, dan schijnt bij Oltmans
+de belegering van Loevestein eene verre navolging te leveren der
+belegering van Torquilstone, den geduchten burcht van Front-de-Boeuf,
+en bij Schimmel de heks op den toren van het Stichtsche kasteel aan
+het slot der eerste afdeeling van _Sinjeur Semeyns_, eenigermate te
+herinneren aan Ulrica, de Saksische heks, op de torens van Torquilstone
+luid juichend over den door haar gestichten brand.
+
+Walter Scott voltooide zijn _Ivanhoe_ in 1819, tijdens zijn 48ste
+levensjaar, terwijl hij aan een sleepende ongesteldheid leed, en
+een groot deel van dezen roman moest dicteeren. In Engeland overtrof
+de bijval, aan _Ivanhoe_ geschonken, al wat vroeger tot lof zijner
+voorafgaande kunstwerken gezegd was. Van de eerste editie, een
+prachtuitgaaf met vele illustratiën, die meer dan een pond sterling
+kostte, werden in zeer korten tijd 12000 exemplaren verkocht. (Zie
+Dr. Felix Eberty, _Walter Scott, Ein Lebensbild_. (1860) I. 343).
+
+Sedert 1819 tot heden is van de _Waverley-Novels_, van den _Ivanhoe_,
+een niet te tellen aantal drukken verschenen. Amerikaansche nadrukken
+voor 20 Amerikaansche centen, of Engelsche uitgaven voor een sixpence
+het deel, hebben Walter Scott toegang gegeven tot de onaanzienlijkste
+woningen--hij heeft in de beide halfronden ettelijken millioenen
+lezers het hart veroverd.
+
+De _Ivanhoe_ is zeer zeker eene zijner gelukkigste scheppingen. De stof
+is bij uitstek geschikt tot eene episch-dichterlijke behandeling. Het
+eind der XIIe eeuw in Engeland, tijdens de afwezigheid van den
+ridderkoning Richard Leeuwenhart, die ter kruisvaart is getogen,
+en heimelijk terugkeert--tijdens de samenzwering van Jan zonder
+Land, en de meer en meer verwilderende plattelandsbevolking, die,
+uitsluitend van Saksisch bloed, zich in de wouden als stroopers en
+wilddieven terugtrekt--dit alles bood de stof voor een epos in proza.
+
+Zij, die _Ivanhoe_ in de zorgelooze jongelingsjaren lazen, zullen voor
+hun leven eene onvergetelijke herinnering behouden hebben--zullen
+nimmer den statigen, epischen gang van het verhaal hebben vergeten,
+waarin tal van echt epische personen in den vollen glans der
+Normandische ridderlijke dapperheid te voorschijn treden.
+
+Voor _Ivanhoe_ heeft de auteur zich zeer degelijke historische studiën
+getroost. Hij kent vooral de middeleeuwsche chronijkschrijvers,
+en al de middeleeuwsche volkszangen door Bisschop Percy in zijne
+"_Reliques of English Poetry_" bijeengebracht. Hij doet het verschil
+der onderdrukte Saksische landbevolking en van den heerschenden
+Normandischen adel scherp uitkomen, en vermeit zich in het contrast van
+beider beschavingstoestanden. Aan de zijde van den valschen regent,
+later King John, teekent hij verschillende typen van Normandische
+edelen: Reginald Front-de-Boeuf, den ruwen geweldenaar, die voor
+geene gruwelen terugdeinst, als zij zijne hartstochten en zijne
+inhaligheid kunnen dienen,--Brian de Bois-Guilbert, den sceptischen
+Tempelier, die uit Palestina eene groote minachting voor de kerk
+en de geestelijkheid heeft medegebracht,--en Maurice de Bracy, den
+aanvoerder van eene bende lansknechten, die voor niets terugdeinzen,
+als de woeste huurlingen, welke Oltmans onder de vanen van Perrol
+met de roode hand in zijn _Schaapherder_ doet ten tooneele komen.
+
+Naast deze Normandische wereld staat de Saksische, die zich beweegt
+op het landgoed van Cedric, gezegd de Sakser, waar men kennis maakt
+met de laatste afstammelinge der Saksische koningen, Lady Rowena,
+met den geestigen nar Wamba, en den dienstman Gurth, Cedric's zoon
+Wilfrid,--die met Richard Leeuwenhart naar Palestina trok, en daarom
+door zijn vader als een slaaf der Normandische ridderidealen wordt
+afgesneden uit de familie--speelt als heer van Ivanhoe de hoofdrol
+in de tallooze tournooien en _joutes_, die het verhaal de hoogste
+levendigheid bijzetten.
+
+Juist hierin openbaart zich de nationaliteit van den
+auteur. Niet in Schotland speelt in _Ivanhoe_ de handeling,
+als elders bij Walter Scott, maar in Engeland, in de omstreken
+van York en Ashby-de-la-Zouche. Toch is het echt Schotsch-Engelsch
+levenselement--de strijd van man tegen man, de strijd, waarbij het op
+de oefening van spieren, op de kracht van den arm en de vlugheid van
+het geheele lichaam aankomt--voortdurend het hoofdonderwerp van het
+verhaal. _Ivanhoe_ is de aaneengeschakelde beschrijving van allerlei
+ridderlijke _sport_,--eerst het tournooi van Ashby-de-la-Zouche,
+dan de belegering van den burcht van Reginald Front-de-Boeuf, dan
+het godsgericht door de Tempeliers over de edele Jodin Rebekka,
+dochter van Izaäk van York gehouden.
+
+Het optreden van Richard Leeuwenhart, als Zwarte Ridder, zijne
+persoonlijke heldendaden en ongeloofelijke spierkracht in het hanteeren
+van zwaard, lans of strijdbijl--maken een boeienden epischen indruk,
+verhoogd door het waas van geheimzinnigheid, dat geruimen tijd den
+koning blijft omzweven. De Zwarte Ridder en zijne avonturen in het
+woud met de vrijbuiters van Robin Hood behooren tot de amusantste
+deelen der vertelling.
+
+Het eenige wat ons nu als verouderd zou kunnen voorkomen, zijn de vrij
+uitvoerige gesprekken, die tusschen de handelende personen dikwijls
+moeten dienen, om historische feiten of maatschappelijke toestanden
+uit het eind der XIIe eeuw in een helder licht te plaatsen. Maar juist
+in deze uitvoerigheid, in den breeden, langzamen gang van handeling en
+vertelling, schuilt de eigenaardigheid van Walter Scott's schrijftrant,
+die ten slotte zijne lezers in triomf meesleept naar het welvoorbereide
+slot.
+
+De tegenwoordige uitgaaf volgt de Nederlandsche vertaling van
+Dr. M. P. Lindo, die in 1872 te Leiden en Delft bij S. C. van
+Doesburgh en Joh. Ykema het licht zag. Hier en daar zijn noodzakelijke
+wijzigingen aangebracht, taal en stijl zijn doorgaande herzien. Een
+enkele maal is aan den voet der bladzijde eene kleine historische
+opheldering geplaatst.
+
+Het schijnt mij, dat er gerust eene proeve kan genomen worden met het
+opnieuw popularizeeren van Walter Scott voor Nederlandsche lezers. In
+Engeland blijkt de belangstelling in den auteur der _Waverley-Novels_
+uit de vele geschriften, die nog telkens aan zijn leven en geschriften
+worden gewijd. In 1878 verscheen de monographie van Hutton, _Sir Walter
+Scott_, in de verzameling onder den titel van _English men of Letters_
+bekend; in 1884 schreef een Schotsch geleerde, Gilfillan, een nieuw
+_Life of Sir Walter Scott_. In Duitschland werd zijn leven geschreven
+door Dr. Felix Eberty (1860) en door Elze (1864)--en nog niet lang
+geleden (1884) gaf een Schotsch predikant (Dickson) een boek uit over
+het gebruik, dat Walter Scott van den Bijbel heeft gemaakt. (_The
+Bible in Waverley or Sir Walter Scott's use of the Sacred Scriptures_).
+
+In dit opzicht deelt Walter Scott het lot van groote auteurs--men heeft
+betoogd, dat Shakespeare een bijzonder scherpzinnig botanist was,
+en van Cervantes beweerde nog in 1842 een bekend Spaansch medicus,
+Don Antonio Hernandez Morejon, dat hij een doorkneed patholoog en
+psychiatricus geweest was, daar hij anders zijn held Don Quixote niet
+zoo wetenschappelijk juist had kunnen schilderen.
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Zoo spraken ze, onderwijl de herder voor den nacht
+ Het vette zwijnenheir van 't veld weer huiswaarts bracht,
+ Dat, onder luid geschreeuw en lastig tegenstreven,
+ Een ieder naar zijn kot, met moeite werd gedreven.
+
+ Odyssee.
+
+
+In die aangename streken van het schoone Engeland, welke door de
+rivier de Don bespoeld worden, strekte zich in vroegere tijden een
+woud uit, dat het grootste gedeelte van de schoone bergen en dalen
+bedekte, die tusschen Sheffield en de bekoorlijke stad Doncaster
+liggen. De overblijfselen van dit uitgestrekte bosch zijn nog te
+zien rondom de prachtige kasteelen van Wentworth, Warncliffe-Park
+en Rotherham. Dáár spookte, in de aloude tijden, de fabelachtige
+"Draak van Wantley"; dáár werden vele van de wanhopigste gevechten
+geleverd, gedurende de burgeroorlogen tusschen de Witte en de Roode
+Roos; en daar bloeiden ook oudtijds die benden dappere vrijbuiters,
+wier daden in de Engelsche liederen zoo algemeen beroemd geworden zijn.
+
+Dit is het hoofdtooneel van onze geschiedenis; de tijd, waarin dit
+voorvalt, is tegen het einde van de Regeering van Richard I, toen
+zijn terugkomst uit eene langdurige gevangenschap eerder gewenscht
+dan verwacht werd door zijne wanhopige onderdanen, die intusschen aan
+allerhande afpersingen van ondergeschikte dwingelanden blootgesteld
+waren. De edelen, wier macht uitermate groot geworden was onder het
+bewind van Steffen, en welke het beleid van Hendrik II slechts in
+zekere mate aan de kroon onderworpen had, leverden zich nu weder, met
+de grootste stoutheid, aan hunne vorige losbandigheid over; de zwakke
+pogingen van den Engelschen Raad van Staat verachtende, versterkten
+zij hunne kasteelen, vermeerderden het getal hunner afhangelingen,
+maakten allen in het rond tot hunne vasallen, en spanden alle krachten
+in, om zich aan het hoofd eener macht te plaatsen, die hen in staat
+zou stellen, eene rol te spelen in de volksonlusten, welke men scheen
+te moeten duchten.
+
+De toestand van den minderen adel, of der _Franklins_, zooals zij
+genoemd werden, welke, door de wet en den geest der Engelsche
+staatsinrichting, het recht hadden bevrijd te blijven van de
+dwingelandij der leenheeren, werd thans bijzonder hachelijk. Zoo
+zij zich onder de bescherming van één der kleine koningen in
+hunne nabuurschap stelden, eenigen leendienst bij hem aannamen,
+of wederzijdsche overeenkomsten van bondgenootschap en bescherming
+sloten, en hem in zijn ondernemingen ondersteunden,--hetgeen zij vrij
+algemeen deden--konden zij, op deze wijze, inderdaad eene korte rust
+koopen. Maar dit geschiedde ten koste van die onafhankelijkheid,
+welke zoo dierbaar is aan ieder Engelsch hart, en met het zekere
+vooruitzicht, om als strijdmakker in iederen vermetelen tocht gewikkeld
+te worden, welken de eerzucht van hun beschermer hen mocht doen
+ondernemen. Van den anderen kant waren de middelen tot knevelarij en
+onderdrukking, welke de groote edelen bezaten, van zulk een aard en
+zoo talrijk, dat hun nooit een voorwendsel, en zelden de wil ontbrak,
+om hunne minder machtige naburen, die zich aan hun gezag te onttrekken
+trachtten, en voor hun bescherming, in tijden van gevaar, op eigen
+vreedzaam gedrag en de wetten des lands vertrouwden, te kwellen en
+zelfs tot het uiterste te vervolgen.
+
+Één omstandigheid, die grootendeels strekte om de dwingelandij der
+edelen en het lijden der mindere standen te verergeren, ontsproot uit
+de gevolgen van de Verovering, door Willem, Hertog van Normandië. Vier
+geslachten waren niet voldoende geweest om het bloed der Normandiërs
+en Angelsaksers te vermengen, of door een gemeenschappelijke taal
+en belangen twee vijandige stammen te vereenigen, waarvan de één nog
+steeds met den hoogmoed des zegepraals bezield was, terwijl de andere
+onder al de gevolgen der nederlaag zuchtte. Door den slag bij Hastings
+was de macht volkomen in de handen der Normandische edelen geraakt,
+en, zooals onze geschiedschrijvers verzekeren, gebruikten zij die met
+geen groote gematigdheid. Het geheele geslacht der Saksische vorsten
+en edelen was, met weinige of geene uitzonderingen, uitgeroeid,
+of van hun erfdeel beroofd; ook was het getal gering van hen, die
+nog erven bezaten in het land hunner voorvaderen, en die geteld
+konden worden onder de grondbezitters van de tweede, of van eene
+nog mindere klasse. De koninklijke staatkunde werkte sedert lang,
+om door alle, zoowel wettige als onwettige, middelen de kracht te
+fnuiken van een gedeelte der bevolking, hetwelk te recht geoordeeld
+werd, den meest ingewortelden haat tegen zijne overwinnaars te
+koesteren. Alle vorsten van den Normandischen stam hadden de grootste
+partijdigheid voor hunne Normandische onderdanen aan den dag gelegd:
+de jacht wetten en vele andere, die geheel onbekend waren bij den
+zachteren en vrijeren geest der Saksische staatsinrichting, waren den
+onderworpen inwoners opgelegd, als het ware om gewicht te geven aan
+de boeien, waarin zij door het leenstelsel geklonken waren. Aan het
+Hof, en in de kasteelen der groote edelen, waar men de pracht en de
+weelde van het Hof navolgde, was het Normandisch-Fransch de eenige
+gebruikelijke taal, welke ook in de pleitreden en vonnissen bij de
+gerechtshoven gebezigd werd. In het kort, het Fransch was de taal der
+eer, der ridderschap, en zelfs der gerechtigheid, terwijl het veel
+meer manhaftige en krachtige Angelsaksisch aan de landlieden en het
+gemeen, die geen anderen tongval kenden, overgelaten werd. Intusschen
+werd door het noodzakelijke verkeer tusschen de grondeigenaars en hun
+minderen, welke den grond bebouwden, langzamerhand een tongval gevormd,
+die het midden uitmaakte tusschen het Fransch en het Angelsaksisch,
+en in welken zij zich wederkeerig verstaanbaar konden maken; hieruit
+ontstond trapsgewijs de tegenwoordige Engelsche taal, waarin de spraak
+der overwinnaars en die der overwonnenen zoo schoon ineen gesmolten
+zijn, en welke later zoo rijkelijk vermeerderd werd door alles wat
+men aan de klassieke talen, en aan die, welke de zuidelijke natiën van
+Europa spreken, ontleend heeft. Ik heb het noodig geoordeeld, dit kort
+overzicht te geven van den toenmaligen staat van zaken, ter algemeene
+onderrichting van den lezer, die anders wellicht zou vergeten, dat,
+ofschoon geen groote geschiedkundige gebeurtenissen, zooals oorlog
+of opstand, het bestaan van de Angelsaksers als een afzonderlijk
+volk, na de regeering van Willem II kenmerken, de groote nationale
+geschillen evenwel, tusschen hen en hun overwinnaars, de herinnering
+aan hetgeen zij vroeger geweest, en waartoe zij nu gebracht waren,
+de wonden openhielden, welke de verovering geslagen had, tot onder de
+regeering van Eduard III, en een scheidsmuur oprichtten tusschen de
+afstammelingen van de Normandische overwinnaars en van de overwonnen
+Saksers.
+
+De ondergaande zon bestraalde een van de grasrijke, opene plekken
+van het woud, waarvan wij in het begin van dit hoofdstuk gesproken
+hebben. Honderden van breede, kortstammige eiken, die wellicht
+den deftigen optocht der Romeinsche legioenen aanschouwd hadden,
+strekten hunne breede, knoestige takken uit boven een zacht tapijt
+van het heerlijkste groen. Op sommige plaatsen waren ze afgewisseld
+door beuken, hulst en kreupelhout van verschillende soorten, zoo
+dicht, dat ze de schuinsche stralen der ondergaande zon geheel
+onderschepten. Op andere plekken waren openingen in het hout, die
+vergezichten opleverden, in welker kronkelpaden het oog zich gaarne
+verdiepte, terwijl de verbeelding ze beschouwde als de wegen, die tot
+nog wildere tooneelen in het eenzame woud leidden. Hier flikkerden
+de roode stralen der zon met een gebroken en flauwer licht, dat
+gedeeltelijk de dorre takken en bemoste stammen der boomen, en ginds,
+meer schitterend, de open plekken bescheen. Een groote ruimte, in het
+midden van dit grasplein, scheen vroeger toegewijd te zijn geweest aan
+de godsdienstplechtigheden der Druïden; want op den top van een heuvel,
+die zoo regelmatig van vorm was, dat hij door kunst opgericht scheen,
+stond nog een gedeelte van een kring van ruwe, onbewerkte, ontzaglijk
+groote steenen. Zeven er van waren overeind; de overigen, van hunne
+plaatsen verwijderd, waarschijnlijk door den ijver van eenige nieuw
+bekeerde Christenen, lagen gedeeltelijk omvergeworpen in het rond,
+en gedeeltelijk op de helling van den heuvel. Slechts één groote
+steen had zijn weg tot den voet er van gevonden, en, door den loop
+van een kleine beek te stremmen, welke langzaam in de diepte rondom
+de hoogte kronkelde, verwekte hij een zacht gemurmel in het vreedzame
+en anders stille water.
+
+Twee gedaanten verlevendigden dit landschap; zij hadden in hunne
+kleeding en in hun uiterlijk dat wilde en ruwe voorkomen, hetwelk in
+die vroege tijden eigen was aan de boschbewoners van het westelijk
+gedeelte van het graafschap York. De oudste dier mannen had een stroef,
+woest en norsch gelaat. Zijn kleeding was zoo eenvoudig mogelijk;
+zij bestond uit een nauw wambuis met mouwen, gemaakt uit de gelooide
+huid van een dier, waarop men het haar gelaten had, dat echter op
+zoo vele plaatsen was afgesleten, dat het moeielijk zou geweest zijn
+uit het weinige overgeblevene te onderscheiden, aan welk soort van
+dier het behoord had. Dit eenvoudige kleed reikte van de keel tot
+op de knieën, en was de eenige dekking van het geheele lichaam; er
+was aan den kraag geen ruimere opening dan noodig was om het hoofd
+door te steken, waaruit men besluiten kan, dat het aangetrokken
+werd door het over het hoofd en de schouders te halen, op de wijze
+van een hedendaagsch hemd, of een oude maliënkolder. Sandalen, met
+riemen van wildzwijnsleer vastgebonden, beschermden de voeten, en een
+soort van rol van dun leder was kunstig om de beenen geslingerd tot
+boven de kuit, de knieën bloot latende, gelijk die van een Schotschen
+bergbewoner. Om het wambuis nog nauwer om het lichaam te doen sluiten,
+was het om het middel door een breeden lederen gordel vastgebonden, met
+een metalen gesp bevestigd; aan de eene zijde daarvan hing een soort
+van zak, en aan de andere een ramshoren, met een mondstuk voorzien,
+om op te blazen. In denzelfden gordel hing een van die lange, breede,
+scherp gepunte en tweesnijdende messen, met een hoornen hecht, die in
+de nabuurschap gemaakt werden, en die, zelfs in deze vroege tijden,
+den naam van Sheffieldmessen droegen. Zijn hoofd was ongedekt en alleen
+beschermd door zijn eigen dik haar, ongekamd en woest, en door de zon
+donkerrood verbrand, eene tegenstelling opleverende met zijn baard,
+die de wangen bedekte, en licht geel van kleur was. Er is nog slechts
+één gedeelte van zijne kleeding over, dat te merkwaardig was om met
+stilzwijgen voorbij gegaan te worden; het was een metalen ring, op
+den halsband van een hond gelijkende, maar zonder eenige opening,
+en om zijn hals vastgeklonken, los genoeg, dat de ademhaling niet
+belemmerd werd, en toch zoo vast, dat hij niet anders dan met behulp
+van de vijl kon afgenomen worden. Op dezen zonderlingen halsband
+was met Saksische letters het volgende opschrift gesneden: "Gurth,
+de zoon van Beowulf, geboren lijfeigene van Cedric van Rotherwood."
+
+Naast dezen zwijnenhoeder, want dit was het beroep van Gurth, zat
+op een der omgevallen gedenkteekenen der Druïden een man, die tien
+jaren jonger scheen, en wiens kleeding, schoon nagenoeg van hetzelfde
+maaksel als die van zijn makker, uit betere stoffen vervaardigd was,
+en een zonderlinger voorkomen had. Zijn buis was purperkleurig,
+en men had beproefd om wonderbaarlijke sieraden in verschillende
+kleuren er op te schilderen. Behalve dit buis droeg hij een korten
+mantel, die hem nauwelijks tot op de helft van het bovenbeen hing; dit
+kleedingstuk was van karmozijnrood laken, vrij bemorst, met hooggeel
+omzet; en daar hij het, naar verkiezing, van den eenen schouder op
+den anderen, of geheel om zich heenslaan kon, zoo maakte de wijdte,
+bij de lengte vergeleken, dat het er wonderlijk uitzag. Hij had dunne
+zilveren armbanden, en een halsband van hetzelfde metaal, met het
+opschrift: "Wamba, de zoon van Weetniet, lijfeigene van Cedric van
+Rotherwood." Deze man droeg dezelfde soort van sandalen als zijn
+makker; maar, in plaats van met lederen riemen, waren zijn beenen
+bedekt met een soort van slobkousen, waarvan de eene rood en de andere
+geel was. Hij was ook voorzien van een kap, met schelletjes behangen,
+omtrent zoo groot als die, welke men de valken aandoet; ze klonken
+zoo dikwijls hij liet hoofd draaide, en daar hij zelden één minuut in
+dezelfde houding bleef, was het geluid bijna onophoudelijk. Rondom
+de kap was een stijve lederen band, van boven uitgesneden in den
+vorm eener kroon, terwijl er een lange puntige zak uit verrees,
+en op den schouder nederviel, gelijk een ouderwetsche slaapmuts, of
+de hoofdbedekking onzer huzaren. Aan dit gedeelte der kap waren de
+belletjes bevestigd, die bij den aard van zijn hoofdsieraad, en de
+half domme, half schrandere uitdrukking van zijn gelaat, genoegzaam
+aanduidden, dat hij tot die narren of potsenmakers behoorde, welke
+in de woningen der rijken gehouden werden, om de verveling van de
+langdurige uren te verkorten, welke men verplicht was binnenshuis
+door te brengen. Hij droeg, evenals zijn makker, een zak, aan den
+gordel vastgemaakt, maar hij had noch horen noch mes, daar men hem
+waarschijnlijk beschouwde als behoorende tot een klasse, aan welke het
+gevaarlijk is, scherpe werktuigen toe te vertrouwen. Inplaats daarvan
+was hij met een houten zwaard voorzien, op het wapen gelijkende,
+waarmede Harlekijn zijn wonderen op het hedendaagsche tooneel verricht.
+
+Het uiterlijk voorkomen van deze twee mannen vormde nauwelijks een
+sterker contrast dan hun gelaat en gedrag. Dat van den lijfeigene
+was treurig en stug; zijn blikken waren naar den grond geslagen,
+met een uitdrukking van groote moedeloosheid, welke men bijna voor
+wezenloosheid zou gehouden hebben, had niet het vuur, hetwelk van tot
+tijd tot tijd in zijn beloopen oog schitterde, getoond, dat er onder
+den schijn van sombere neerslachtigheid het besef schuilde van zijn
+slaafschen stand en het verlangen, om zich daaraan te onttrekken. De
+blikken van Wamba daarentegen duidden, zooals gewoonlijk bij menschen
+van zijn aard, een soort van ledige nieuwsgierigheid en eene rustelooze
+beweeglijkheid aan, te gelijk met de uiterste zelfvoldoening over zijn
+stand en uiterlijk. Hun gesprek werd in het Angelsaksisch gevoerd,
+hetwelk, zooals wij gezegd hebben, algemeen door de geringere klassen
+gesproken werd, met uitzondering van de Normandische soldaten en de
+afhangelingen, welke de groote leenheeren onmiddellijk omringden. Maar,
+daar hun gesprek in het oorspronkelijke den lezer niet zeer
+verstaanbaar zou zijn, geven wij hem daarvan de volgende vertaling:
+
+"Dat de vloek van St. Withold die helsche zwijnen treffe!" bromde
+de zwijnenhoeder, nadat hij uit al zijn macht op zijn horen geblazen
+had, om de verstrooide kudde te verzamelen, welke, ofschoon ze zijn
+geroep met even welluidende tonen beantwoordde, zich echter in het
+geheel niet haastte om zich van het heerlijkste gastmaal van beuken
+en eikels, waarvan ze vet werd, te verwijderen, of om de moerassige
+oevers van de beek te verlaten, waar eenigen, half in modder gedompeld,
+op hun gemak uitgestrekt lagen, zonder zich in het minste om de stem
+van den herder te bekreunen. "De vloek van St. Withold treffe hen en
+mij!" zeide Gurth; "zoo de tweebeenige wolf er vóór het vallen van
+den nacht niet eenigen van wegpakt, dan heet ik geen Gurth! Hier,
+Fangs! Fangs!" riep hij met alle geweld een ruigharigen wolfachtigen
+hond toe, een soort van kreupele basterd, half bul- half windhond,
+die rondliep alsof hij zijn meester bijstaan wilde, om de weêrspannige
+varkens bijeen te verzamelen; maar welke inderdaad, hetzij dat hij
+de teekens van den zwijnenhoeder verkeerdelijk begreep, hetzij uit
+onkunde, of uit moedwillige boosaardigheid, ze slechts van den éénen
+kant naar den anderen dreef, en het kwaad verergerde, dat hij had
+moeten verhelpen. "Dat de duivel u de tanden uitrukke," riep Gurth,
+"en dat de booze den boschwachter hale, die onzen honden de voorste
+klauwen afsnijdt, en ze voor hun werk ongeschikt maakt [1]. Wamba! sta
+op en help me, als gij een brave kerel zijt, loop om den berg heen,
+om hun den wind af te winnen, en als gij dat gedaan hebt, kunt ge ze
+even gemakkelijk voor u uitdrijven als onschuldige lammeren."
+
+"Waarachtig," zei Wamba, zonder van de plaats te gaan, "ik heb mijn
+beenen geraadpleegd, en ze zijn volkomen van gevoelen, dat het een
+daad van hoogverraad, zoowel tegen mijn hoogen persoon als tegen mijn
+koninklijke kleeding zou zijn, mijn bont pak door deze moerassen te
+sleepen; daarom, Gurth, raad ik je, Fangs terug te roepen, en de kudde
+aan het noodlot over te laten, want, als ze een troep rondtrekkende
+soldaten, vrijbuiters of pelgrims ontmoet, kan het niet missen of
+ze is vóór den morgen in Normandiërs veranderd, tot uw groot gemak
+en verlichting."
+
+"De zwijnen in Normandiërs veranderd, tot mijne verlichting!" hervatte
+Gurth; "verklaar me dat, Wamba, want mijn brein is te suf en mijn
+geest te geplaagd, om raadsels op te lossen."
+
+"Wel, hoe noemt ge die knorrende beesten, die dáár op vier pooten
+rondloopen?" vroeg Wamba.
+
+"Zwijnen, nar, zwijnen," antwoordde de hoeder: "ieder gek weet dat."
+
+"En zwijn is goed Saksisch," zei de nar; "maar hoe noemen de groote
+lui het zwijn als het geslacht, gevild, afgehouwen en aan de pooten
+opgehangen is, evenals een landsverrader?"
+
+"_Porc!_ hernam de zwijnenhoeder.
+
+"Ik ben blij, dat ieder gek dat ook weet," zei Wamba, "en _porc_, denk
+ik, is goed Normandisch-Fransch. Zoolang het beest leeft, en door een
+Saksischen lijfeigene gehoed wordt, heeft het een Saksischen naam;
+maar liet wordt een Normandiër en _porc_ genoemd, zoodra het in het
+kasteel gebracht wordt, om den edelen tot een maaltijd te dienen. Hoe
+vindt ge dat, vriend Gurth?"
+
+"Het is maar al te waar, vriend Wamba," hernam Gurth, "hoewel het in
+uw zotshoofd is opgekomen."
+
+"Wel, ik kan je nog meer zeggen," vervolgde Wamba op denzelfden toon;
+"daar is de oude, deftige Stier, die houdt zijn Saksischen naam,
+zoolang hij onder de zorg van lijfeigenen staat, maar hij wordt een
+_Boeuf_, een volbloed Fransch heer, als hij voor de hoogaanzienlijke
+kinnebakken komt, die hem moeten verteren. Mijnheer Kalf wordt op
+deze wijze _Monsieur le Veau_; hij is een Sakser, als hij oppassing
+noodig heeft, en wordt een Normandiër, zoodra hij een voorwerp van
+genot wordt."
+
+"Bij St. Dunstan," antwoordde Gurth, "ge spreekt droevige waarheid; er
+is ons weinig meer overgelaten dan de lucht, die wij inademen, en deze
+zelfs schijnt men ons nauwelijks te gunnen, en alleen om ons in staat
+te stellen den arbeid, welken zij ons opleggen, te verrichten. Het
+schoonste en vetste is voor hunne tafel; de beminnelijkste wordt hunne
+bruid; de besten en braafsten moeten strijden voor vreemde meesters,
+en hun gebeente verbleekt in verafgelegen landen, terwijl slechts
+weinigen te huis overblijven, die den wil of de macht hebben den
+ongelukkigen Sakser te beschermen. God zegene onzen heer Cedric; hij
+heeft gehandeld als iemand, die zijn man staan durft; maar Reginald
+Front-de-Boeuf komt zelf in deze streken, en wij zullen weldra zien,
+hoe weinig Cedric's moeite baten zal.--Hier, hier!" riep hij weder,
+de stem verheffende; "pak aan! pak aan! goed zoo! goed zoo! Fangs! je
+hebt ze nu allen voor je; drijf ze maar voort, jongen!"
+
+"Gurth," zei de nar, "ik geloof, dat gij mij voor een gek houdt,
+anders zoudt gij niet zoo vermetel het hoofd in mijn mond steken. Één
+wenk aan Reginald Front-de-Boeuf, of Filips de Malvoisin, dat ge
+kwaad van de Normandiërs gesproken hebt, en ge zijt een verloren
+zwijnenhoeder,--zij hangen u op aan den eersten besten boom, als een
+schrikbeeld voor alle lasteraars van groote heeren."
+
+"Hond, dat ge zijt, ge zoudt mij toch niet willen verraden," hernam
+Gurth, "na mij verleid te hebben, zulke onvoorzichtige dingen te
+zeggen?"
+
+"Je verraden!" antwoordde de nar; "neen, dat ware een wijze streek;
+een gek weet zich niet half zoo goed te redden;--maar stil, wie komt
+daar?" zeide hij, naar een getrappel als van verscheidene paarden
+luisterende, hetwelk hoorbaar begon te worden.
+
+"Wat is er ons aan gelegen?" hervatte Gurth, die nu zijn kudde vóór
+zich gekregen had, en ze met behulp van Fangs langs een van die lange
+donkere lanen dreef, welke wij reeds getracht hebben te beschrijven.
+
+"Maar ik moet de ruiters zien," antwoordde Wamba; "misschien komen
+zij uit het land der Feeën, met een boodschap van koning Oberon."
+
+"Verwenschte nar!" riep de zwijnenhoeder uit, "hoe durft gij van
+dergelijke dingen spreken, terwijl een verschrikkelijk onweder in
+de nabijheid woedt? Hoor, hoe de donder rommelt! En nooit zag ik in
+den zomer den regen in zulke dikke, zware druppelen uit de wolken
+vallen. De eiken kraken ook, niettegenstaande de windstilte, met
+hun groote takken, alsof zij een storm verkondigden. Ge kunt wel
+verstandig zijn, zoo ge maar wilt; geloof mij nu, en laten we ons
+naar huis spoeden, voordat de storm begint te woeden, want het zal
+een verschrikkelijke nacht worden!"
+
+Wamba scheen de kracht van deze redeneering te beseffen, en volgde zijn
+makker, die zijn tocht begon na een grooten stok opgenomen te hebben,
+die op het gras naast hem lag. Deze tweede Eumaeus [2] haastte zich nu
+door de laan te komen, met behulp van Fangs, de geheele luidruchtige
+kudde vóór zich heen drijvende.
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Toen kwam er een monnik, een heer zeer geprezen,
+ Een vriend van de jacht en van 't horengeschal,
+ Zoo kloek en ervaren, een abt kon hij wezen;
+ Ook hield hij veel kostbare paarden op stal;
+ En gaf hij zijn moedigen klepper de sporen,
+ Men kon op de winden het zweepgeklap hooren,
+ Zoo duidelijk en klaar als de klok der kapel,
+ Waarbij hij vertoefde in zijn eenzame cel.
+
+ Chaucer.
+
+
+In weerwil van het herhaalde vermanen en knorren van zijn makker,
+kon Wamba, die de ruiters hoorde naderen, niet nalaten bij ieder
+geschikt voorwendsel onderweg stil te staan; nu eens plukte hij van
+een hazelnotenstruik eenige der halfrijpe vruchten, dan keerde hij
+zich om, ten einde het een of ander boerenmeisje, dat hen tegenkwam,
+na te zien. De ruiters haalden hen derhalve spoedig in. Zij waren
+tien in getal van welken de beide voorsten mannen van aanzien, en de
+anderen hun volgelingen schenen te zijn. Het was niet moeielijk het
+karakter en den stand van één dezer mannen te onderscheiden. Hij was
+klaarblijkelijk een geestelijke van hoogen rang; zijne kleeding was
+die van een Cisterciënser monnik, maar uit veel fijner stof gemaakt,
+dan die, welke zijne orde gebruiken mocht. Mantel en kap waren van
+het beste Vlaamsche laken, en vielen in ruime en bevallige plooien
+rondom een schoone, hoewel eenigszins zwaarlijvige, gestalte. Zijn
+gelaat droeg evenmin den stempel van zelfverloochening, als zijn kleed
+minachting aanduidde van wereldsche pracht. Zijn trekken hadden mooi
+kunnen genoemd worden, had niet, onder zijne neerhangende oogleden,
+die gedempte, zinnelijke gloed geschitterd, welke den voorzichtigen
+wellusteling doet kennen. In andere opzichten hadden ambt en stand hem
+eene gemakkelijke heerschappij over zijn gelaat geleerd, hetwelk hij
+naar welgevallen een plechtigen ernst kon doen aannemen, ofschoon
+zijne natuurlijke uitdrukking goedaardig, gezellig en toegevend
+was. Ten spijt van kloosterregels, en de bevelen van pausen en
+kerkvergaderingen, waren de mouwen van dezen prelaat gevoerd en omzet
+met rijk bont; zijn mantel was om den hals met een gouden gespje
+vastgemaakt, en de geheele kleeding, eigen aan zijne orde, evenzeer
+verfraaid en opgesierd, als die eener schoone kwakersvrouw van onze
+dagen, die de gewone kleederdracht van hare sekte behoudende, aan de
+eenvoudigheid daarvan, door de keus der stoffen en door de wijze van
+ze te schikken, een zekeren schijn van aanlokkelijke coquetterie geeft,
+welke maar al te veel van wereldsche ijdelheid getuigt.
+
+Deze waardige dienaar der kerk reed op een makken, welgemesten
+muilezel, welks tuig zeer prachtig, en welks toom, volgens de gewoonte
+van dien tijd, met zilveren schelletjes versierd was. Hierop zat
+hij geenszins met de linkschheid van den kloosterbroeder, maar met
+al de gemakkelijke losheid van een geoefenden ruiter. Het scheen,
+inderdaad, dat een zoo nederig dier als een muilezel, hoe mooi
+ook en hoe goed gewend aan een aangenamen en gemakkelijken gang,
+door den dapperen monnik alleen op reis gebruikt werd; want een
+leekebroeder, die onder zijn gevolg was, leidde tot zijn gebruik
+bij andere gelegenheden een van de schoonste Andalusische hengsten,
+welke de kooplieden in dien tijd met groote moeite en veel gevaar,
+ten behoeve der rijken en aanzienlijken, overbrachten. De zadel en
+het tuig van dit prachtige rijpaard waren bedekt met een lange deken,
+die bijna op den grond hing, en waarop mijters, kruisen en andere
+kerkelijke sieraden prachtig geborduurd waren. Een ander leekebroeder
+leidde een tweeden gewonen muilezel, waarschijnlijk met het goed van
+zijn meester beladen; en daarachter reden twee monniken van dezelfde
+orde, maar van minderen rang, te zamen schertsende en pratende,
+zonder zich veel aan de andere leden van het reisgezelschap te storen.
+
+De reismakker van den prelaat was een man van over de veertig jaren,
+rank, mager, maar sterk, groot en gespierd; eene athletische gedaante,
+aan welke lange vermoeienissen en aanhoudende oefeningen geene
+van de tengere deelen van het menschelijke lichaam overgelaten,
+maar het geheel in vel, beenderen en spieren herschapen hadden,
+die duizenden moeilijkheden reeds doorstaan hadden, en in staat
+waren er nog duizenden anderen te ondergaan. Zijn hoofd was bedekt
+met een fluweelen muts, met bont omzet, van het fatsoen door de
+Franschen _mortier_ genoemd, wegens de overeenkomst met den vorm
+van een omgekeerden vijzel. Zijn gelaat was dus geheel zichtbaar,
+en de uitdrukking er van wel berekend om een zeker ontzag, zoo niet
+vrees, aan vreemden in te boezemen. Zijn van natuur sterk geteekende
+gelaatstrekken waren bijna zwart gebrand als die van een neger,
+door gedurig aan de hitte van een brandende zon blootgesteld te
+zijn, en schenen gewoonlijk te sluimeren, als het ware, nadat de
+storm der driften uitgewoed had; maar de opgezwollen aderen op het
+voorhoofd, de snelheid waarmede de bovenlip en de dikke zwarte
+knevels bij de geringste aandoening trilden, gaven duidelijk te
+kennen, dat het onweder gemakkelijk weder opgewekt kon worden. Zijne
+stoute, doordringende, donkere oogen verrieden bij iederen blik de
+geschiedenis van overwonnen moeielijkheden en getrotseerde gevaren,
+en schenen tegenstand aan zijn wenschen uit te lokken, om zich het
+genot te verschaffen dien door geoefenden moed en vasten wil uit den
+weg te ruimen. Een diep litteeken, boven de wenkbrauw, vergrootte nog
+de strengheid van zijn gelaat, en verleende een dreigende uitdrukking
+aan een zijner oogen, hetwelk bij dezelfde gelegenheid licht gekwetst
+werd, en waarmede hij nu, schoon goed, toch een weinig scheel zag.
+
+Het bovenkleed van dezen ruiter was, wat de snede betreft, gelijk aan
+dat van zijn reisgezel: een lange kloostermantel; maar de scharlaken
+kleur toonde, dat hij niet tot een der vier gewone monnikenorden
+behoorde. Op den rechter schouder van den mantel was een kruis van
+bijzonderen vorm met wit laken geborduurd. Dit opperkleed bedekte iets,
+dat op het eerste gezicht niet daarmede in overeenstemming scheen,
+namelijk een maliënkolder met mouwen en handschoenen van denzelfden
+aard, zeer kunstig bewerkt en gevlochten, en even zoo buigzaam aan
+het lichaam als die, welke op den weefstoel uit zachtere stoffen
+gemaakt worden. Het bovenste gedeelte zijner dijen, zoo ver de
+plooien van zijn mantel ze bloot lieten, was ook daarmede bedekt;
+de knieën en voeten waren beschermd door dunne stalen plaatjes,
+netjes in elkander gevoegd; en dergelijke schenen, welke van den
+enkel tot de knie reikten, beschermden voortreffelijk de beenen,
+en voltooiden des ruiters wapenrusting. In den gordel droeg hij een
+langen, tweesnijdenden dolk, welke zijn eenig wapen was.
+
+Hij reed niet op een muilezel, gelijk zijn reisgenoot, maar op
+een sterk reispaard, om zijn schoon strijdros te sparen, dat een
+schildknaap leidde, geheel voor den slag toegerust, met een beschermend
+metalen hoofdstel, waarvan een korte stalen punt vooruit stak. Aan de
+eene zijde van den zadel hing een korte strijdbijl, rijk gedamasceerd;
+aan de andere des ruiters gepluimde helm en stormkap met een lang
+slagzwaard, zooals de ridders toen algemeen gebruikten. Een tweede
+schildknaap droeg zijns meesters lans, aan welker punt een vlagje
+fladderde, waarop een kruis van denzelfden vorm als dat op zijn
+mantel geborduurd was. Hij droeg ook zijn klein driehoekig schild,
+breed genoeg van boven om de borst te beschermen, en van daar spits
+toeloopende. Het was met een scharlaken kleed bedekt, dat verhinderde
+de daarop staande spreuk te lezen.
+
+Deze twee schildknapen werden gevolgd door twee bedienden, wier
+bruine gezichten, witte tulbanden en Oostersche kleeding toonden,
+dat zij inboorlingen waren van eenig ver afgelegen Oostersch land
+[3]. Het geheele voorkomen van dezen krijgsman en zijn gevolg was
+woest en vreemd, de kleeding van zijne schildknapen was buitengewoon
+prachtig, en zijne Oostersche bedienden droegen zilveren halsbanden,
+en ringen van hetzelfde metaal om hunne zwartbruine armen en beenen;
+de eerste waren naakt van den elleboog af, en de laatste van de kuit
+tot aan den enkel. Hunne kleederen waren van geborduurde zijde en
+gaven den rijkdom en het aanzien van hun meester te kennen; te gelijk
+leverden zij een treffend contrast met den krijgshaftigen eenvoud van
+zijne eigene kleeding op. Zij waren gewapend met kromme sabels, wier
+gevest en scheede met goud ingelegd waren, terwijl Turksche dolken
+van een prachtiger maaksel daarnaast hingen. Ieder van hen had vóór
+zich op den zadel een bundel pijlen, of werpspiesen, omtrent vier
+voet lang, met scherpe stalen punten, een wapen dat zeer gebruikelijk
+was bij de Saracenen en dat nog herdacht wordt in de krijgsoefening
+"_El Djerid_" genoemd, die nog in eenige Oostersche landen in zwang is.
+
+De paarden van deze bedienden waren in voorkomen even vreemd als
+hunne ruiters; ze waren van Saraceenschen oorsprong, en dus van
+Arabisch ras, en hunne fijne, tengere leden, dunne manen en lichte,
+vrije bewegingen waren in sterke tegenstelling met de groote, zware
+paarden, die in Vlaanderen en Normandië gefokt werden, om de van top
+tot teen zwaar gewapende krijgslieden te dragen, en welke, naast deze
+Oostersche paarden, als lichaam en schaduw bij elkander stonden.
+
+Het zonderlinge voorkomen van deze ruiters verwekte niet alleen de
+nieuwsgierigheid van Wamba, maar zelfs die van zijn minder levendigen
+metgezel. Den monnik herkende hij terstond voor den Prior van de
+Abdij van Jorvaulx, overal in het rond welbekend als een liefhebber
+van de jacht, van goede sier, en, zoo de faam hem geen onrecht deed,
+van andere wereldsche vermaken, die nog minder bestaanbaar waren met
+zijne kloostergeloften.
+
+Zoo los waren evenwel de begrippen in die tijden, ten opzichte van het
+gedrag der wereldlijke zoowel als der klooster-geestelijkheid, dat de
+Prior Aymer een goeden naam had in de nabuurschap zijner abdij. Zijn
+open en vroolijk karakter, en de gereedheid, met welke hij den aflaat
+voor alle kleinere zonden schonk, maakte hem tot een gunsteling bij den
+adel en de overige aanzienlijken, met velen van welke hij vermaagschapt
+was, daar hij van een aanzienlijk Normandisch geslacht afstamde. De
+vrouwen, in het bijzonder, waren niet geneigd al te nauwgezet het
+gedrag van een man na te gaan, die een verklaarde bewonderaar van
+haar geslacht was, en die vele middelen bezat om de verveling te
+verdrijven, welke zoo gemakkelijk in de zalen en priëelen van een oud
+ridderkasteel insloop. De Prior gaf zich over aan het jachtvermaak
+met meer dan gewonen ijver, en men erkende algemeen, dat hij de best
+afgerichte valken en de snelste windhonden van het _North-Riding_
+bezat; een omstandigheid, die hem tot een groote aanbeveling bij den
+jongen adel strekte. Bij oudere menschen had hij eene andere rol te
+spelen, welke hij in geval van nood met groote deftigheid te vervullen
+wist. Zijn kennis van boeken, hoe oppervlakkig ook, was voldoende
+om hunne onwetendheid achting voor zijne gewaande geleerdheid in te
+boezemen; en de ernst van zijne houding en taal, met den hoogen toon,
+waarop hij van het gezag der kerk en harer priesters sprak, gaf hun
+geen mindere overtuiging van zijne heiligheid. Zelfs de geringere
+klassen, de strengste vitters van het gedrag hunner meerderen, waren
+toegevend voor de zwakheden van Prior Aymer. Hij was mild van aard;
+en de liefdadigheid, zoo als men weet, bedekt eene menigte van zonden,
+ook in een anderen zin dan dien, in welken de Heilige Schrift dit
+verkondigt. De inkomsten van het klooster, waarvan een groot gedeelte
+te zijner beschikking stond, terwijl zij hem middelen verschaften
+voor zijn eigene, zeer aanmerkelijke uitgaven, vergunden hem tevens
+geschenken onder de boeren uit te deelen, waarmede hij dikwijls de
+behoeften der onderdrukten te hulp kwam. Zoo Prior Aymer al te grooten
+ijver voor de jacht toonde, en te lang aan tafel zat,--zoo men Prior
+Aymer met het krieken van den dag de achterdeur van de abdij zag
+inkomen, naar huis sluipende van de eene of andere bijeenkomst, welke
+in de uren der duisternis had plaats gehad, dan haalde men slechts
+de schouders op, en verzoende zich met zijn ongeregeld gedrag door de
+overweging, dat vele zijner makkers hetzelfde deden, en volstrekt geene
+goede hoedanigheden bezaten, om daartegen op te wegen. Prior Aymer en
+zijn karakter waren dus aan onze twee lijfeigenen wel bekend, die hem
+met linkschen eerbied groetten en daarentegen met zijn "_Benedecite,
+mes fils_," vereerd werden.
+
+Maar het zonderlinge voorkomen van zijn reisgenoot en diens
+bedienden trok hunne aandacht, en verwekte hunne verwondering zoo,
+dat ze nauwelijks de vraag van den Prior van Jorvaulx hoorden:
+"of ze eenige herberg in de nabuurschap kenden;" zoo zeer waren zij
+verrast door het half kloosterlijk en half krijgshaftig uiterlijk
+van den zwartverbranden vreemdeling, en door de zonderlinge kleeding
+en wapenen van zijn Oostersche bedienden. Het is ook waarschijnlijk,
+dat de taal, in welke de zegen uitgedeeld en de vraag gedaan werd,
+onaangenaam, schoon vermoedelijk niet onverstaanbaar, in de ooren
+der Saksische boeren klonk.
+
+"Ik vroeg u, mijne kinderen," zei de Prior, zijn stem verheffende,
+en de _lingua Franca_, of gemengde taal, gebruikende, in welke
+de Normandiërs en Saksers met elkander spraken, "of er hier in de
+nabijheid eenig goed mensch woont, die voor Godsloon, en uit eerbied
+voor de heilige moederkerk, twee van haar nederigste dienaren met hun
+gevolg, voor een enkelen nacht zou willen opnemen en verkwikken?" Dit
+zeide hij op een toon van gewicht, die slecht overeenkwam met de
+nederige woorden, welke hij goedvond te gebruiken.
+
+"Twee der nederigste dienaren der heilige moederkerk!" herhaalde Wamba
+bij zichzelven,--maar hoewel een nar, droeg hij zorg, zijn aanmerking
+niet te doen hooren,--"dan zou ik wel eens willen zien hoe hare
+kasteleinen, keldermeesters en voornaamste dienaren er uitzien!" Na
+deze stille aanmerking op des Priors gezegde, sloeg hij de oogen
+op en antwoordde op de gedane vraag: "Zoo de eerwaarde vaders een
+goed onthaal en een zacht bed begeeren, kunnen ze, in een paar uren,
+naar de abdij van Brinxworth komen, waar hun rang hun de eervolste
+ontvangst verzekert; of zoo ze liever den avond in boetedoeningen
+willen doorbrengen, kunnen ze gindsche woeste laan afrijden, welke
+naar de kluis van Copmanhurst leidt, waar een vroom kluizenaar zeker
+gaarne zijn hut en zijn gebeden met hen zal deelen."
+
+"Goede vriend," zeide de Prior, het hoofd over beide voorstellen
+schuddende, "zoo het eindeloos geluid uwer schelletjes uw verstand niet
+verward had, zoudt gij wel weten, dat _Clericus clericum non decimat_,
+dat wil zeggen: wij geestelijken verlangen geene gastvrijheid van
+onze gelijken, maar zoeken liever die der leeken op, om hun dus de
+gelegenheid te geven God te vereeren door zijn uitverkoren dienaren
+te helpen en te ondersteunen."
+
+"'t Is waar," hervatte Wamba, "dat, ofschoon ik maar een ezel ben, ik
+de eer geniet schellen te dragen, even goed als uw muilezel, eerwaarde
+heer; ik dacht echter, dat de liefdadigheid van de moederkerk en hare
+dienaren bij zich zelve moest beginnen, evenals andere liefdadigheid."
+
+"Zwijg met uwe onbeschaamdheid, kerel!" viel de gewapende ruiter
+in, Wamba's gesnap op een trotschen en gebiedenden toon afbrekende,
+"en zeg ons, of gij den weg weet naar--hoe noemt ge uw _Franklin_,
+Prior Aymer?"
+
+"Cedric," hernam deze; "Cedric den Sakser.--Zeg mij, vriend, zijn we
+dicht bij zijn woning, en kunt ge ons den weg wijzen?"
+
+"De weg zal moeielijk te vinden zijn," antwoordde Gurth, die nu voor
+het eerst sprak, "en Cedric's huisgezin begeeft zich vroeg ter ruste."
+
+"Bah! spreek mij daar niet van!" zei de krijgsman; "ze kunnen
+gemakkelijk weer opstaan om in de behoeften te voorzien van reizigers
+als wij, die ons niet zullen vernederen om de gastvrijheid af te
+smeeken, die wij het recht hebben te vorderen."
+
+"Ik weet niet," hernam Gurth op een knorrigen toon, "of ik den
+weg naar het huis van mijn meester wijzen moet aan lieden, die de
+gastvrijheid, welke de meesten gaarne als een gunst aannemen, als
+een recht vorderen."
+
+"Durft gij mij tegenspreken, slaaf!" riep de krijgsman; en zijn paard
+de sporen gevende, liet hij het een sprong over den weg maken, terwijl
+hij de zweep ophief om de onbeschaamdheid van den boer te kastijden.
+
+Gurth wierp hem een woesten en wraakgierigen blik toe, en sloeg met
+een woedende, schoon aarzelende, beweging de hand aan het hecht van
+zijn mes; maar Prior Aymer, die zijn muilezel tusschen zijn reisgenoot
+en den zwijnenhoeder dreef, belette de voorgenomen gewelddadigheid.
+
+"Neen, bij de heilige Maria, broeder Brian! ge moet niet denken,
+dat ge thans in Palestina zijt, heerschende over heidensche Turken
+en ongeloovige Saraceenen; wij, eilanders, houden niet van slagen,
+behalve van die der heilige moederkerk, welke de kinderen kastijdt,
+die ze lief heeft. Wijs mij, goede vriend," zeide hij tot Wamba,
+zijn verzoek door een kleine zilveren munt ondersteunende, "den weg
+naar de woning van Cedric den Sakser; gij kent hem voorzeker, en het
+is uw plicht den reiziger terecht te helpen, zelfs al ware zijn stand
+minder heilig dan de onze."
+
+"Waarlijk, eerwaarde vader!" antwoordde de nar, "het Saraceensche
+hoofd van uwen zeer eerbiedwaardigen reisgezel heeft mij van schrik
+den weg naar huis doen vergeten.--Ik ben er niet eens zeker van,
+of ik er heden avond zelf wel komen zal."
+
+"Kom, kom," zei de Abt, "gij kunt het ons wijzen, als gij maar
+wilt. Deze eerwaarde broeder is zijn geheele leven bezig geweest met
+tegen de Saraceenen ter verlossing van het Heilige Graf te vechten;
+hij is van de orde der Tempelridders, van welke gij misschien wel
+zult gehoord hebben; hij is half monnik en half soldaat."
+
+"Als hij maar half monnik is," zei de nar, "moest hij niet geheel
+en al onredelijk zijn tegenover degenen, welke hij op weg ontmoet,
+al haasten zij zich ook niet om vragen te beantwoorden, die hen in
+het geheel niet raken."
+
+"Ik vergeef u uwe geestigheid," hervatte de Abt, "op voorwaarde,
+dat gij mij den weg naar Cedric's huis toont."
+
+"Nu dan," antwoordde Wamba, "de eerwaarde heeren moeten dit pad houden,
+tot ze aan het vervallen kruis komen, dat nauwelijks ter lengte van een
+el boven den grond uitsteekt; draait dan links om, want daar kruisen
+zich vier paden, en ik hoop, dat ge een schuilplaats zult vinden,
+eer de storm opkomt."
+
+De Abt bedankte zijn wijzen raadgever; en de ruiters, hun paarden de
+sporen gevende, ijlden voort als menschen, die verlangen de herberg
+te bereiken, voor het uitbarsten van een nachtelijk onweder. Toen
+het paardengetrappel verstomde, zeide Gurth tot zijn makker: "als de
+eerwaarde vaders den weg volgen, dien gij hun zoo wijselijk aangewezen
+hebt, zullen ze heden avond moeielijk Rotherwood bereiken."
+
+"Neen," zei de nar grijnzende, "maar ze kunnen, als het goed gaat,
+Sheffield bereiken, en dat is een even geschikte plaats voor hen. Ik
+ben zulk een slecht jager niet, dat ik den hond zou wijzen, waar het
+wild ligt, als ik niet wil, dat hij er jacht op maakt."
+
+"Ge hebt gelijk," zeide Gurth; "het zou verkeerd zijn, als Aymer
+jonkvrouw Rowena zag; en het ware mogelijk nog erger, als Cedric,
+gelijk zeer waarschijnlijk is, met dezen krijgshaftigen monnik in
+twist geraakte. Maar laten wij, als trouwe dienaren, hooren, zien
+en zwijgen."
+
+Wij keeren tot de ruiters terug, die weldra de lijfeigenen verre
+achter zich gelaten hadden, en het volgende gesprek hielden in de
+Normandisch-Fransche taal, waarvan zich de hoogere standen algemeen
+bedienden, met uitzondering van die weinigen, welke nog op hunne
+Saksische afkomst roem droegen.
+
+"Wat verbeelden zich toch die kerels met hunne halsstarrige
+onbeschaamdheid," zei de Tempelier tot den Cisterciënser, "en waarom
+weerhieldt ge mij, toen ik ze kastijden wilde?"
+
+"Waarlijk, broeder Brian," hernam de Prior, "wat den één aangaat,
+kan ik moeielijk de reden opgeven, waarom een nar niet als een gek zou
+praten; en de andere boer is van dat woeste, ruwe, ongetemde geslacht,
+waarvan men nog velen vindt, zooals ik u dikwerf gezegd heb, onder de
+afstammelingen der overwonnen Saksers, en die er het grootste behagen
+in scheppen, op alle mogelijke wijze hun afkeer van de overwinnaars
+te toonen."
+
+"Ik zou hun de beleefdheid wel schielijk met slagen geleerd hebben,"
+merkte Brian aan; "ik ben gewoon met zulk volk om te gaan: onze
+Turksche gevangenen zijn trotsch en onbuigzaam als Odin zelf; maar
+een verblijf van twee maanden in mijn huis, onder de tucht van mijn
+opziener, maakt hen nederig, ootmoedig, gedienstig en gehoorzaam. Maar,
+Heer Prior, men moet zich voor vergif en dolk bij hen wachten, want
+als men hun er de minste gelegenheid toe geeft gebruiken zij beiden
+zonder omslag."
+
+"Goed," hernam Prior Aymer, "ieder land heeft zijn gewoonten en zeden;
+en behalve dat wij, door dezen kerel te slaan, den weg naar Cedric's
+woning niet zouden vernomen hebben, zou het zeker een twist tusschen
+u en hem veroorzaakt hebben, zoodra wij bij hem aankwamen. Herinner
+u, wat ik u gezegd heb: deze rijke _Franklin_ is trotsch, stout,
+achterdochtig en oploopend, een tegenstander van den adel, en zelfs van
+zijn buren, Reginald Front-de-Boeuf en Philip de Malvoisin, die toch
+waarlijk geen kinderen zijn, om het er tegen op te nemen. Hij verdedigt
+de voorrechten van zijn stam zoo stoutmoedig, en is zoo trotsch op
+zijne lijnrechte afkomst van Hereward, een beroemd voorvechter der
+_Heptarchie_, dat hij algemeen Cedric _de Sakser_ genoemd wordt; en
+hij stelt er roem in tot dit volk te behooren, terwijl vele anderen
+trachten hunne afkomst te verbergen, uit vrees van het _vae victis_,
+dat is, van het lot der overwonnenen, te moeten ondergaan."
+
+"Prior Aymer," zei de Tempelier, "gij zijt een man van de wereld, een
+kenner van echte schoonheid, en even ervaren als een minnezanger in
+alle zaken de liefde betreffende; maar ik moet al eene buitengewone
+schoonheid in die beroemde Rowena verwachten, om op te wegen tegen
+de zelfverloochening en het geduld, die ik noodig heb, om zulk een
+oproerigen boer te vleien, als gij haren vader Cedric beschreven hebt."
+
+"Cedric is haar vader niet," hervatte de Prior; "hij is slechts
+een verre bloedverwant van haar; zij stamt van hooger bloed af, dan
+zelfs dat, waarop hij aanspraak maakt. Tot haren voogd heeft hij zich,
+naar ik meen, zelf aangesteld; maar zijne pupil is hem even dierbaar,
+als een eigen kind. Over hare schoonheid zult gij weldra oordeelen;
+en wanneer de blankheid van haar kleur en de gebiedende, maar zachte
+uitdrukking van een teeder blauw oog de zwartgelokte meisjes van
+Palestina, ja zelfs de _houris_ uit het paradijs van den ouden Mahomed,
+niet uit uw geheugen verdrijven, zoo ben ik een ongeloovige en geen
+echte zoon der Kerk."
+
+"Wordt uwe geroemde schoonheid," zei de Tempelier, "te licht in de
+schaal bevonden, dan weet gij onze weddenschap!"
+
+"Mijn gouden halsketen tegen tien vaten Chios-wijn!" hernam de Prior;
+"ze zijn de mijne, even zeker, alsof ze reeds in de gewelven van het
+klooster lagen, onder bewaring van den ouden keldermeester Dennis."
+
+"En ik zal zelf rechter zijn," zei de Tempelier, "en alleen veroordeeld
+worden als ik beken, dat ik sedert Pinkster een jaar zulk een mooi
+meisje niet gezien heb. Zoo luidt onze overeenkomst, niet waar?--Prior,
+uw halsketen loopt gevaar; ik zal ze over mijn ringkraag dragen bij
+het tournooi te Ashby-de-la-Zouche."
+
+"Win ze eerlijk," antwoordde de Prior, "en draag ze wanneer ge
+wilt. Ik zal uw uitspraak vertrouwen, op uw woord als ridder en
+geestelijke. Maar, broeder! volg mijn raad: gewen u aan wat meer
+beleefdheid, dan die waaraan gij tot hiertoe bij het heerschen over
+ongeloovige gevangenen en Oostersche slaven gewoon zijt. Als Cedric
+de Sakser zich beleedigd voelt,--en hij is zeer licht geraakt;--dan is
+hij er de man naar, om ons, zonder eerbied voor uwe ridderschap, voor
+mijn hoog ambt en de heiligheid van beiden, het huis uit te zetten,
+en ons op het veld bij de leeuweriken te laten slapen, al ware het
+ook middernacht. Pas ook op, met welke oogen gij Rowena aanziet; hij
+bewaakt haar met angstige zorg en als hij daaromtrent den minsten
+argwaan opvat, zijn wij verloren. Men zegt, dat hij zijn eenigen
+zoon uit zijn huis verbannen heeft, omdat hij met verliefde oogen
+deze schoone durfde aanzien, die, naar het schijnt, op een afstand
+mag vereerd, maar niet anders genaderd worden, dan met de gedachten,
+welke wij bij het altaar der Moeder Gods medebrengen."
+
+"Nu, gij hebt al genoeg gezegd," hernam de Tempelier; "ik zal mij voor
+één avond inhouden, en mij zoo zachtzinnig als een meisje gedragen,
+waar wat de vrees betreft, dat hij ons met geweld verjagen zou;
+voor dergelijke beleediging zullen ik zelf, mijn schildknapen, en
+Abdalla en Hamet u beschermen. Vrees niet, wij zijn sterk genoeg,
+om ons met geweld kwartier te verschaffen!"
+
+"Wij moeten het zoo ver niet laten komen," antwoordde de Prior;
+"maar hier is het vervallen kruis, waarvan de nar gesproken heeft,
+en de nacht is zoo duister, dat wij nauwelijks zien kunnen, welken
+weg te volgen. Hij heeft ons, meen ik, gezegd, wij moesten links gaan?"
+
+"Rechts," zeide Brian, "voor zoo ver ik mij herinneren kan."
+
+"Links--zeker links; ik herinner mij, dat hij met zijn houten zwaard
+daarheen wees."
+
+"Ja! maar hij hield het zwaard in de linker hand, en wees over zijn
+lichaam heen," hervatte de Tempelier.
+
+Ieder bleef hardnekkig bij zijn meening, gelijk meestal gebeurt in
+dergelijke gevallen. Men beriep zich op het gevolg; maar de bedienden
+waren te ver af geweest, om Wamba's aanwijzingen te hooren. Eindelijk
+bespeurde Brian iets, hetwelk hem eerst in de schemering ontgaan
+was. "Hier ligt aan den voet van het kruis iemand die slaapt, of dood
+is.--Hugo, stoot hem aan met uwe lans." Nauwelijks was dit geschied,
+of de gedaante rees op, in goed Fransch uitroepende: "Wie gij ook
+zijn moogt, het is onbeleefd mij in mijne overpeinzingen te storen."
+
+"Wij wilden u slechts den weg naar Rotherwood, de woonplaats van
+Cedric den Sakser vragen," zei de Prior.
+
+"Ik ga er zelf heen," hernam de vreemdeling; "en als ik een paard
+had, zou ik uw gids zijn; want de weg is wat moeielijk te vinden,
+schoon mij volkomen bekend."
+
+"Gij zult dank en belooning verdienen," hervatte de Prior, "zoo
+gij ons veilig bij Cedric brengt." Hierop deed hij een van zijne
+bedienden zijn eigen ros, dat tot hiertoe gemend werd, bestijgen,
+en liet het paard waarop deze gereden had, aan den vreemdeling geven,
+die tot gids dienen wilde.
+
+Hun leidsman sloeg een anderen weg in, dan dien, welken Wamba
+hun had aangewezen, om hen op het dwaalspoor te brengen. Het pad
+leidde weldra dieper door het woud, en over menige beek, die door
+de omringende moerassen dikwerf moeielijk te naderen was; maar de
+vreemdeling scheen, als door instinkt, den veiligsten grond en de
+beste plaatsen tot den overtocht te kennen; en, door voorzichtigheid
+en oplettendheid, bracht hij het reisgezelschap in een breedere laan,
+dan ze nog gezien hadden; en op een groot, laag, onregelmatig gebouw
+wijzende, dat aan het einde daarvan stond, zeide hij tot den Prior:
+"Ginds is Rotherwood, de woning van Cedric den Sakser."
+
+Dit was eene blijde tijding voor Aymer, wiens zenuwen niet van
+de sterkste waren, en die zooveel angst en onrust op den weg door
+de gevaarlijke moerassen doorstaan had, dat hij nog niet eens de
+gelegenheid had gehad, eene enkele vraag aan zijn gids te doen. Zich
+nu weder verlicht, en dicht bij een schuilplaats ziende, begon zijn
+nieuwsgierigheid te ontwaken, en hij vroeg den leidsman, wie en wat
+hij was?
+
+"Een pelgrim, zoo even uit het Heilige Land teruggekeerd!" was het
+antwoord.
+
+"Ge hadt daar liever moeten blijven, om voor het Heilige Graf te
+strijden!" zei de Tempelier.
+
+"Zeker, eerwaarde heer ridder," hervatte de pelgrim, wien het voorkomen
+van den Tempelier geheel niet vreemd scheen; "maar wanneer zij, die
+door hun eed verplicht zijn, de Heilige Stad te veroveren, zoo ver van
+het tooneel hunner plichten rondreizen, kunt gij u dan verwonderen,
+dat een vreedzame landman, zooals ik, een voornemen opgaf, waarvan
+zij afgezien hebben?"
+
+De Tempelier wilde een toornig antwoord geven, maar de Prior viel
+hem in de rede, en betuigde opnieuw zijne verbazing, dat hun gids,
+na eene lange afwezigheid, zoo goed den weg door het woud kende.
+
+"Ik ben in deze streken geboren!" antwoordde hij; en reeds stonden zij
+voor Cedric's woning;--een laag, onregelmatig gebouw, verscheidene
+plaatsen, of omheiningen, omvattende, en zich over een groote
+ruimte uitstrekkende. Schoon de grootte daarvan den rijkdom van den
+bezitter bewees, verschilde het zeer van de hooge, met torens bezette,
+kasteelachtige gebouwen, door de Normandische edelen bewoond; welke
+bouworde toen in geheel Engeland algemeen was geworden. Rotherwood
+was intusschen niet zonder verdedigingsmiddelen: geen gebouw kon
+die ook in deze onrustige tijden missen, zonder gevaar te loopen op
+een schoonen morgen uitgeplunderd en verbrand te worden. Een diepe
+gracht omringde het geheele huis, en werd door een naburigen stroom
+met water voorzien. Dubbele palissaden van puntige balken, welke het
+nabij gelegen woud opleverde, verdedigden den buiten- en binnenkant der
+gracht. Er was een ingang, ten westen, door de buitenste palissaden,
+welke door een ophaalbrug met een soortgelijke opening aan den
+binnenkant in gemeenschap stond. Men had nog daarenboven deze ingangen
+door vooruitspringende hoeken beschermd, van welke zij, in geval van
+nood, door boogschutters en slingeraars konden bestreken worden.
+
+Vóór dezen ingang blies de Tempelier luid op zijn horen, want de regen,
+die lang gedreigd had, begon nu met geweld te vallen.
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Toen (droevige hulp), is de Sakser gekomen
+ Van Duitschlands verwijderde kusten en stroomen,
+ Roodwangig, blondharig, blauwoogig en sterk.--
+
+ Thomson's "Vrijheid."
+
+
+In eene zaal, wier hoogte volstrekt niet in evenredigheid was met haar
+buitengewone lengte en breedte, stond een lange, eikenhouten tafel, uit
+ruw behouwen planken gemaakt, die nauwelijks eenigszins afgeschaafd
+waren, gereed voor het avondmaal van Cedric den Sakser. Het dak,
+bestaande uit balken en dwarshouten, beschermde alleen door een laag
+planken en stroo dit vertrek voor de buitenlucht. Er was aan iedere
+zijde van de zaal een groote stookplaats; maar daar de schoorsteenen
+op zeer lompe wijze gebouwd waren, kwam er ten minste evenveel rook
+in het vertrek, als er uit. De gedurige damp, hierdoor veroorzaakt,
+had de dwarshouten en balken van de lage zaal met een zwart vernis
+van roet overtrokken. Langs de muren van de kamer hingen jacht-
+en krijgsgereedschappen en aan iederen hoek waren vleugeldeuren,
+welke toegang tot andere deelen van het uitgestrekte gebouw verleenden.
+
+Het overige van het huis getuigde van de ruwe eenvoudigheid van den
+Saksentijd, die Cedric ijverig trachtte staande te houden. De vloer
+bestond uit aarde, met kalk vermengd, vast gestampt, evenals onze
+hedendaagsche dorschvloeren. Omtrent een vierde van de lengte van
+het vertrek was de vloer één voet verhoogd, en deze ruimte, welke
+men _daïs_ noemde, werd alleen door de hoofdleden van het gezin en
+de aanzienlijke bezoekers betreden.
+
+Voor hen bestemd, was een tafel met een scharlaken kleed bedekt, dwars
+op dezen _daïs_ geplaatst; van welker midden de langere en lagere
+tafel uitging, aan welke de bedienden en minderen beneden in de zaal
+zaten. Het geheel had de gedaante van een T., of van een dier oude
+eettafels, welke, naar hetzelfde plan gemaakt, nog in de oude Collegiën
+van Oxford en Cambridge te zien zijn. Zware stoelen en zetels van
+uitgesneden eikenhout stonden op de hoogte, en boven deze zitplaatsen
+en de tafel, was een verhemelte van linnenstof uitgespannen, dat
+diende om de aanzienlijke personen, welke deze eereplaats bekleedden,
+eenigszins tegen het weder en den regen te beschermen, die op sommige
+plekken zich een weg baande door het slecht gebouwde dak.
+
+De muren van dit bovenste gedeelte der zaal, zoo ver zich de _daïs_
+uitstrekte, waren met tapijten of gordijnen bedekt, en op den vloer lag
+een kleed; deze waren met proeven van weef- en borduurkunst versierd,
+in schitterende, of liever bonte kleuren. Boven de lagere rij tafels,
+was het dak, zooals reeds gezegd is, niet bedekt; de grof bepleisterde
+muren waren naakt gelaten, en de ruwe aarden vloer was zonder kleed;
+de tafel was ongedekt, en lompe, zware banken bekleedden de plaats
+van stoelen.
+
+Aan het midden van de bovenste tafel stonden twee stoelen, hooger dan
+de anderen, voor den meester en de meesteres van het gezin, welke
+het voorzitterschap bij de maaltijden bekleedden, en hiervan hun
+Saksischen eeretitel ontleenden van: "de Brooduitdeelers." Bij ieder
+van deze stoelen behoorde een voetenbankje, fraai uitgesneden en met
+ivoor ingelegd, een blijk van onderscheiding, die hun toekwam. Een
+dezer zitplaatsen was bezet door Cedric den Sakser, die, schoon in
+rang slechts een _Thane_, of, zooals de Normandiërs hem noemden, een
+_Franklin_, bij het vertragen van zijn avondeten een driftig ongeduld
+toonde, hetwelk een Londenschen raadsheer van den ouderen of lateren
+tijd eer zou aangedaan hebben. Men kon inderdaad uit de gelaatstrekken
+van den huisheer opmaken, dat hij van oprechten maar driftigen en
+opvliegenden aard was. Hij was niet boven de middelmatige grootte,
+maar hij had breede schouders, lange armen, en was sterk gebouwd,
+als een man, gewoon aan de vermoeienissen van den strijd en van de
+jacht; zijn gezicht was fraai gevormd, breed, met groote blauwe oogen,
+opene en oprechte trekken en mooie tanden, en drukte tegelijk die soort
+van goede luim uit, welke dikwijls met een oploopend, driftig gemoed
+gepaard gaat. Hoogmoed en ijverzucht waren in zijn oog te lezen; want
+hij had zijn leven doorgebracht met rechten te handhaven, die gedurig
+werden aangevallen; en zijn vurige, moedige en standvastige aard was
+altijd door de bijzondere tijdsomstandigheden wakker gehouden. Zijn
+lang, geel haar was gescheiden midden op het voorhoofd, en aan beide
+zijden tot over de schouders neergekamd; het was nog weinig grijs,
+ofschoon Cedric reeds zijn zestigste jaar naderde.
+
+Zijn kleeding bestond uit een gewaad van donkergroene kleur, aan den
+hals en de opslagen bezet met een zekere soort van bont, _minever_
+genoemd, dat niet zoo kostbaar was als het hermelijn, en, naar
+men meent uit grijze konijnevellen gemaakt werd. Dit gewaad hing,
+zonder toegeknoopt te zijn, over een nauwen scharlaken lijfrok, die
+dicht om het lichaam sloot; hij droeg een broek van dezelfde kleur,
+die echter niet verder dan boven de knie ging, welke bloot was. Zijn
+voeten waren met sandalen bedekt, van vorm dezelfde als die der boeren,
+maar van fijner maaksel, en van voren met gouden haken vastgemaakt. Hij
+droeg gouden armbanden en een breede halsketen van hetzelfde kostbare
+metaal. Om zijn middel sloot een rijk versierde gordel, waarin een
+kort, recht, tweesnijdend zwaard, met scherpe punt, bijna loodrecht
+aan zijn zijde hing. Achter zijn stoel hing een scharlaken mantel met
+pels gevoerd, en een rijk geborduurde muts van dezelfde stof, die de
+kleeding van den rijken landheer voltooiden, als hij uitging. Een
+korte jachtspies, met een breede, scherpe stalen punt, leunde ook
+tegen den rug van zijn stoel, welke hem, naar omstandigheden, tot
+wandelstaf, of wapen diende. Verscheidene bedienden, wier kleeding
+trapsgewijs afdaalde van de rijke kleeding van den meester tot de grove
+en eenvoudige dracht van Gurth, den zwijnenhoeder, volgden de wenken
+van den Saksischen heer en wachtten op zijne bevelen. Twee of drie
+dienaren van hoogeren rang stonden achter hun meester op den _daïs_;
+de overigen waren in het benedenste gedeelte van de zaal. Nog waren er
+onderdanen van anderen aard; namelijk eenige groote, ruige windhonden,
+zooals men toen op de wolven- en hertenjacht gebruikte; even zoovele
+groote honden van sterk, gespierd ras, met dikke halzen, groote
+koppen en lange ooren; en een paar van die kleinere dieren, welke men
+dashonden noemt. Allen keken met ongeduld uit naar het avondeten,
+maar met de aan hun ras eigene gelaatkunde, wachtten zij zich wel
+het knorrige stilzwijgen van hun meester te storen, waarschijnlijk
+uit vrees voor een wit knuppeltje, hetwelk naast Cedric's bord lag,
+om zijn viervoetige lijfeigenen in orde te houden. Slechts een oude,
+grijze wolfhond had zich, met de vermetelheid van een gunsteling,
+dicht bij den stoel van Cedric nedergelegd, en zocht van tijd tot
+tijd zijn opmerkzaamheid te trekken, door zijn grooten ruigen kop
+op zijns meesters knie, of zijn neus in diens hand te leggen. Maar
+zelfs deze werd teruggedreven met het strenge bevel: "Weg, Balder,
+weg! ik ben in geene stemming voor gekheden!"
+
+Cedric was werkelijk, gelijk reeds aangemerkt is, niet in de beste
+luim. Jonkvrouw Rowena, die naar den avonddienst in een verafgelegen
+kerk geweest was, keerde zooeven terug en verkleedde zich, daar zij
+door den regen overvallen was. Er was nog geen bericht van Gurth en
+zijn kudde, welke reeds lang uit het bosch hadden moeten terug zijn; en
+zoo groot was de onveiligheid van allen eigendom, dat hun wegblijven
+zeer goed veroorzaakt kon zijn door een aanval der vrijbuiters,
+waarvan het naburige bosch wemelde, of door de gewelddadigheid van
+den een of anderen naburigen edele, die, van zijne macht bewust, de
+wetten van eigendom even weinig achtte. Het verlies zou van belang
+geweest zijn, daar een groot gedeelte van den huiselijken rijkdom
+der Saksische eigenaars uit talrijke kudden varkens bestond, vooral
+in de boschstreken, waar deze dieren gemakkelijk voedsel vonden.
+
+Behalve deze redenen tot bezorgdheid, verlangde de Saksische _Thane_
+ook naar de tegenwoordigheid van zijn gunsteling Wamba, wiens grappen,
+hoe slecht die ook waren, als een soort van prikkel dienden bij zijn
+avondmaal en bij de lange teugen wijn, die hij daarbij gebruikte. Voeg
+bij dit alles, dat Cedric sedert den middag niet gegeten had, en dat
+het gewoon uur voor het avondmaal reeds lang voorbij was,--op zich
+zelf reeds eene reden tot toorn voor landjonkers van ouden en lateren
+tijd. Zijn ongenoegen uitte zich door enkele afgebrokene woorden,
+deels in zich zelven geprutteld, en deels tegen de bedienden, die
+rondom hem stonden, en bijzonder tegen zijn schenker, die hem van
+tijd tot tijd, om hem bedaard te houden, een zilveren beker, met wijn
+gevuld, aanbood. "Waar blijft Jonkvrouw Rowena?" vroeg hij.
+
+"Zij verandert alleen van hoofdtooi," antwoordde eene vrouwelijke
+bediende, met al het zelfvertrouwen, waarmede de kamenier van de
+lievelingsdochter gewoonlijk den vader van een hedendaagsch gezin
+antwoordt: "Gij zoudt toch niet willen, dat zij met kap en mantel
+aan tafel kwam? En geene dame in het geheele graafschap is vlugger
+bij het kleeden dan mijne meesteres."
+
+Dit ontegensprekelijke gezegde lokte een soort van toestemmend
+"hm!" van den kant des Saksers uit, met het bijvoegsel: "Ik hoop,
+dat zij mooi weer zal kiezen, den eersten keer, dat zij weder in de
+St. Janskerk wil gaan bidden;--maar wat, in 's duivels," vervolgde
+hij tot den schenker, de stem verheffende, alsof hij gelukkig was eene
+afleiding voor zijn ontevredenheid te vinden, zonder dat hij behoefde
+te vreezen tegengesproken te worden, "wat houdt, in 's duivels naam,
+Gurth zoo lang in het veld op? Ik vrees, dat wij slechte tijding van
+de kudde zullen krijgen; hij was anders een getrouwe en voorzichtige
+herder, en ik had hem tot iets beters bestemd: misschien zou ik hem
+tot een mijner knechts [4] gemaakt hebben."
+
+Oswald, de schenker, hernam bescheiden, "dat het nauwelijks een uur
+geleden was, dat de klok het sein voor het uitdoen van het licht
+geluid had;" een slecht gekozene verontschuldiging, daar zij gewag
+maakte van een onderwerp, dat zoo onaangenaam voor Saksische ooren was.
+
+"De duivel hale de klok," riep Cedric uit, "en den wreeden bastaard,
+die het ingevoerd heeft, en den lagen slaaf, die het met een Saksische
+tong aan een Saksisch oor noemt! De klok!" ging hij na eene stilte
+voort, "ja, de klok, welke brave menschen verplicht het licht uit
+te blusschen, opdat dieven en roovers hunne daden in het duistere
+verrichten kunnen! Ja, die klok;--Reginald Front-de-Boeuf en Phillippe
+de Malvoisin kennen het gebruik er van even goed, als Willem de
+Bastaard zelf, of eenig ander Normandisch gelukzoeker, die bij Hastings
+vocht. Ik zal vermoedelijk hooren, dat mijn eigendom is weggevoerd,
+om de uitgehongerde bandieten, die zij alleen door roof en diefstal
+kunnen onderhouden, van den hongerdood te redden; dat mijn getrouwe
+slaaf vermoord is, en mijne kudden gestolen zijn;--en Wamba--waar is
+Wamba? Heeft niet iemand gezegd, dat hij met Gurth was uitgegaan?"
+
+Oswald beantwoordde deze vraag toestemmend.
+
+"Wel--het wordt hoe langer hoe mooier! Hij is weggekaapt--de Saksische
+nar--om den Normandischen heer te dienen. Gekken zijn wij inderdaad
+allen, dat wij hun onderworpen zijn, en geschiktere voorwerpen voor
+hunne verachting en hun spot, dan zij, die maar met een half verstand
+geboren waren. Maar ik zal mij wreken," voegde hij er bij, toornig
+over het veronderstelde onrecht, terwijl hij van zijn stoel opsprong
+en zijn jachtspies greep: "ik zal mijne klachten voor den grooten raad
+brengen, ik heb vrienden, ik heb aanhangers--man tegen man zal ik den
+Normandiër in het strijdperk roepen; laat hem komen in staal en harnas,
+en al wat den lafhartigen moed kan inboezemen; ik heb zulk een spies,
+als deze, wel door een borstwering heen geworpen, driemaal zoo dik als
+hunne schilden!--Misschien houden zij mij voor oud, maar zij zullen
+ondervinden, dat, ofschoon ik alleen en kinderloos ben, het bloed van
+Hereward nog door Cedric's aderen stroomt.--Ach Wilfrid! Wilfrid!" riep
+hij op zachteren toon, "hadt gij uw onverstandigen hartstocht kunnen
+beheerschen, dan stond uw vader niet in zijn ouderdom verlaten daar,
+gelijk de eenzame eik, die zijn geknakte en onbeschermde takken tegen
+de volle woede van den storm uitbreidt!" Deze herinnering scheen
+zijn toorn in droefheid te veranderen. Zijn jachtspies neêrzettende,
+nam hij weder plaats, sloeg de oogen naar den grond, en scheen geheel
+in zwaarmoedige gedachten verzonken.
+
+Uit deze overpeinzing werd Cedric plotseling gewekt door het geluid
+van een horen, hetwelk beantwoord werd door het luidruchtig gehuil en
+geblaf van alle honden in de zaal, en wel twintig of dertig anderen
+in het overige gedeelte van het gebouw. Met behulp van den witten
+stok, en van de bedienden, werd er spoedig een einde gemaakt aan
+dit hondengeschreeuw.
+
+"Naar de poort, knapen!" zeide de Sakser haastig, zoodra het gedruisch
+in zoo verre bedaard was, dat de bedienden zijn stem verstaan
+konden. "Gaat hooren, welke tijding ons die horen brengt;--denkelijk
+verkondigt men ons de eene of andere gewelddadigheid en rooverij op
+mijn gebied."
+
+Een der bedienden, die in minder dan drie minuten teruggekeerd was,
+meldde "dat de Prior Aymer van Jorvaulx, en de edele Ridder Brian de
+Bois-Guilbert, Kommandeur van de krijgshaftige en eerwaardige orde der
+Tempelieren, met een klein gevolg, gastvrijheid en huisvesting voor
+den nacht verzochten, daar zij op weg waren naar een tournooi, dat
+over twee dagen niet ver van Ashby-de-la-Zouche gehouden zou worden.
+
+"Aymer, Prior Aymer? Brian de Bois-Guilbert?" bromde Cedric; "beide
+Normandiërs; maar Normandiër of Sakser, de gastvrijheid van Rotherwood
+moet niet geschonden worden; zij zijn welkom, daar zij goed gevonden
+hebben hier aan te kloppen,--maar het zou mij nog meer welkom geweest
+zijn, als zij verder gereden waren. Het zou echter beneden mij zijn,
+over huisvesting voor een enkelen nacht en een avondmaal te morren; als
+gasten zullen zelfs Normandiërs hun onbeschaamdheid beteugelen.--Ga,
+Hundebert," zei hij tot een soort van _Major-domus_, die achter
+hem stond met een witten staf; "ga, neem zes der bedienden mede,
+en breng de vreemdelingen in het gastenvertrek. Zie naar hun paarden
+en muilezels, en zorg, dat het hun gevolg aan niets ontbreke. Geef
+hun andere kleederen, als zij die begeeren, vuur, en water om zich
+te wasschen, en wijn en bier. Zeg aan de koks, dat zij schielijk
+nog iets bij ons avondeten gereed moeten maken; en opdoen, wanneer
+die vreemdelingen gereed zijn om er aan deel te nemen. Zeg hun,
+Hundebert, dat Cedric zelf hen verwelkomen zou, zoo hij niet eene
+gelofte gedaan had nooit verder dan drie stappen van den _daïs_
+van zijn zaal iemand te gemoet te gaan, die niet van het koninklijk
+Saksische bloed is. Ga heen! Verzorg hen goed; laten wij hen niet
+in hun hoogmoed doen zeggen: de Saksische boer heeft tegelijk zijne
+armoede en zijne gierigheid getoond."
+
+De _Major-domus_ vertrok met verscheidene bedienden, om de bevelen van
+zijn meester ten uitvoer te brengen. "Prior Aymer?" herhaalde Cedric,
+Oswald aanziende: "de broeder, zoo ik mij niet vergis, van Giles de
+Mauleverer, thans heer van Middleham?"
+
+Oswald bevestigde dit eerbiedig.
+
+"Zijn broeder woont op het landgoed, en heeft het vaderlijke erfdeel
+vermeesterd van een beter geslacht, dan dat van Ulfgar van Middleham;
+maar welk Normandisch edele doet dat niet? De prior is, zegt men,
+een vrije en vroolijke priester, die meer van den wijnbeker en den
+jachthoren, dan van het kerkklokje en het misboek houdt. Goed, laat
+hem komen, hij zal welkom zijn. Hoe noemdet gij den Tempelier?"
+
+"Brian de Bois-Guilbert."
+
+"Bois-Guilbert," zeide Cedric, altijd in zich zelven brommende, iets
+dat hij zich aangewend had door altijd onder zijn minderen te leven,
+zoodat hij meer met zich zelven sprak, dan met de menschen rondom
+hem.--"Bois-Guilbert? Die naam is wijd en zijd bekend--ten goede en
+ten kwade. Men zegt, dat hij niet onderdoet in dapperheid voor de
+heldhaftigsten van zijn orde; maar dat hij met hunne gewone ondeugden,
+hoogmoed, verwaandheid, wreedheid en wellust is bevlekt; dat hij een
+hardvochtig man is, zonder vrees voor de wereld, en zonder ontzag voor
+den hemel. Dit zeggen de weinige krijgslieden, welke van Palestina zijn
+teruggekeerd.--Goed; het is maar voor één nacht; hij zal ook welkom
+zijn.--Oswald, tap van den oudsten wijn; zet de beste mee, den meest
+schuimenden appelwijn, het dikste _morat_, het welriekendste _pigment_
+[5] op tafel; vul de grootste drinkhorens. Tempelieren en Abten houden
+van goeden wijn en goede maat. Elgitha, zeg aan Jonkvrouw Rowena,
+dat wij haar dezen avond niet in de zaal zullen verwachten, tenzij
+het haar bijzonder verlangen zij, hier te komen."
+
+"Maar het zal haar bijzonder verlangen zijn," hernam Elgitha vlug,
+"want zij is er altijd op gesteld het laatste nieuws uit Palestina
+te vernemen."
+
+Cedric wierp het neuswijze meisje een blik toe, die een snel opkomende
+drift verried, maar Rowena, en allen, die haar toebehoorden, waren
+veilig voor zijn toorn. Hij antwoordde dus slechts: "Stil, meisje, uw
+tong is te voorbarig! Geef mijne boodschap aan uw meesteres, en laat
+haar doen, zooals zij verkiest. Hier, tenminste, zal de afstammelinge
+van Alfred nog als vorstin heerschen." Elgitha verliet het vertrek.
+
+"Palestina!" herhaalde Cedric, "Palestina! hoe velen luisteren naar de
+verhalen, welke losbandige kruisvaarders, of schijnheilige pelgrims uit
+dat ongelukkig land medebrengen! Ik zou ook wel willen vragen--ook wel
+onderzoeken, ook wel met een kloppend hart luisteren naar sprookjes,
+waardoor listige reizigers onze gastvrijheid afbedelen;--maar
+neen!--de zoon, die mij ongehoorzaam is geweest, is mijn zoon niet
+meer; ook wil ik niet meer belang in zijn lot stellen, dan in dat
+van den onwaardigsten onder de millioenen, die ooit het kruis op den
+schouder droegen, zich in buitensporigheden en bloedschuld stortten,
+en dit noemden: "Gods wil doen!""
+
+Hij fronste de wenkbrauwen en sloeg de oogen voor een oogenblik op
+den grond; toen hij weder opkeek, werden de vleugeldeuren aan het
+benedeneinde van de zaal wijd opengeworpen, en, voorafgegaan door den
+_Major-domus_ met zijn staf en vier bedienden met brandende fakkels,
+traden de gasten het vertrek binnen.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Ter feestdisch werd gebracht het vleesch van runder, geit,
+ Van 't vette zwijn en schaap, behoorlijk toebereid;
+ Het brood werd rondgedeeld; de bekers volgeschonken,
+ En allen zaten aan en aten zaâm en dronken.
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ Verwijderd zat alleen Ulysses, lager af,
+ Op nederiger plaats, die hem met voordacht gaf
+ Telemachus.
+
+ _Odyssee_, Boek XXI.
+
+
+Prior Aymer had van de aangeboden gelegenheid gebruik gemaakt, om
+zijn rijkleed tegen een van nog kostbaarder stof te verwisselen, over
+hetwelk hij een schoon geborduurden priestermantel droeg. Behalve
+den grooten, gouden zegelring, welke zijn geestelijke waardigheid
+aanduidde, waren zijn vingers, ofschoon strijdig met de kerkelijke
+wet, met edelgesteenten versierd; zijn sandalen waren van het fijnste
+leder, dat uit Spanje ingevoerd werd; zijn baard was zoo kort gesneden,
+als de regels van zijn orde maar toelieten; en zijn geschoren kruin
+was verborgen onder een rijk scharlaken kapje.
+
+De kleeding van den Tempelier had ook een verandering ondergaan,
+en, schoon met minder zorg versierd, was ze even rijk, en zijn
+voorkomen meer indrukwekkend, dan dat van zijn metgezel. Hij had zijn
+maliënkolder verwisseld tegen een onderkleed van donker purper zijde,
+met bont omzet, waarover zijn lang, vlekkeloos wit bovenkleed in ruime
+plooien hing. Het achthoekige kruis van zijn orde was op den schouder
+van zijn mantel in zwart fluweel opgelegd. De hooge muts bedekte zijn
+voorhoofd niet meer, dat alleen door zijn kort, dik gekruld, pikzwart
+haar, dat overeenkwam met zijn buitengewoon donkere gelaatskleur,
+overschaduwd was. Niets zou de bevalligheid en deftigheid van zijn
+gang en zijn manieren overtroffen hebben, als deze niet ontsierd
+waren geweest door een in het oog vallenden schijn van hoogmoed,
+die zoo licht verkregen wordt door het uitoefenen van onbeperkt gezag.
+
+Deze beide aanzienlijke mannen werden gevolgd door hunne bedienden,
+en op een eerbiedigen afstand door hun gids, wiens persoon verder
+niets belangwekkends had, dan de gewone kleeding van een pelgrim. Een
+mantel van grof, zwart laken bedekte zijn geheele lichaam, en
+geleek in snede op een hedendaagschen huzaren-mantel, met dezelfde
+slippen tot bedekking der armen: deze droeg den naam van _Sclaveyn_,
+of _Sclavoniër_. Grove sandalen, met riemen vastgebonden, aan zijn
+bloote voeten, een hoed met breeden rand, met schelpen omzoomd, en
+een lange staf met ijzer beslagen, aan welks boveneinde een palmtak
+was vastgemaakt, voltooiden de kleeding van den pelgrim. Hij hield
+zich zedig achter de laatsten van het gevolg, en bespeurende, dat
+de benedenste tafel nauwelijks ruim genoeg was voor de bedienden van
+Cedric en zijn gasten, ging hij op een bankje zitten, dat naast, of
+bijna onder een breeden schoorsteen stond, en scheen zich te willen
+bezighouden met zijn kleederen te drogen, tot het vertrek van den een
+of ander ruimte aan de tafel zou maken, of tot de gastvrije hofmeester
+hem op de plaats waar hij nu zat, met ververschingen zou voorzien.
+
+Cedric stond op, ontving de vreemdelingen met eene waardige
+gastvrijheid, en van het hoogere gedeelte van de zaal afstappende,
+deed hij drie schreden naar hen toe, en wachtte toen, tot zij naderden.
+
+"Het spijt mij, eerwaardige Prior," zeide hij, "dat mijne gelofte
+mij verbiedt, om iemand in het huis mijner vaderen verder tegemoet
+te gaan,--zelfs om zulke gasten als u en dezen dapperen Tempelier te
+ontvangen. Maar mijn hofmeester heeft u de reden mijner schijnbare
+onbeleefdheid verklaard. Laat mij ook om verschooning bidden, dat ik
+in mijne moedertaal tot u spreek, en u tevens verzoeken mij daarin
+te antwoorden, als gij er zoo veel van verstaat; zoo niet, ken ik
+Normandisch genoeg, om uw gesprek te volgen."
+
+"Geloften," hernam de Abt, "moeten ongeschonden blijven, waardige
+_Franklin_, of vergun mij liever te zeggen, waardige _Thane_, ofschoon
+deze titel verouderd is. Geloften zijn de banden, welke ons met den
+hemel vereenigen, en die het offer aan het altaar binden; daarom
+moeten zij--zooals ik reeds zeide--ongeschonden blijven, tenzij
+onze heilige moeder, de kerk, het tegendeel beslisse. En wat de taal
+betreft--ik gebruik gaarne die taal, welke mijn geëerde grootmoeder,
+Hilda van Middleham, sprak, die in den reuk van heiligheid stierf,
+weinig onder doende, naar ik geloof, voor haar roemrijke naamgenoote,
+de heilige Hilda van Whitby, God zij harer ziel genadig!"
+
+Toen de Prior deze, naar hij meende, verzoenende woorden had gesproken,
+zeide zijn metgezel kort en nadrukkelijk: "Ik spreek altijd Fransch,
+de taal van koning Richard en zijn edelen; maar ik versta de volkstaal
+genoeg, om mij met de inboorlingen te kunnen onderhouden."
+
+Cedric wierp den spreker een van die driftige, ongeduldige blikken toe,
+welke vergelijkingen tusschen de beiden om den voorrang strijdende
+natiën meestal bij hem uitlokten; maar, zich de plichten der
+gastvrijheid herinnerende, onderdrukte hij ieder verder teeken van
+ongenoegen, en een wenk met de hand gevende, liet hij zijn gasten
+twee plaatsen dicht bij de zijne, maar een weinig lager, innemen,
+en gaf een teeken, om het avondeten op te dragen.
+
+Terwijl de bedienden zich haastten zijne bevelen ten uitvoer
+te brengen, ontwaarde hij Gurth, den zwijnenhoeder, die zoo even
+met zijn makker Wamba de zaal was binnen getreden. "Laat die trage
+kerels hier komen!" riep de Sakser ongeduldig, en toen de schuldigen
+voor den _daïs_ kwamen, duwde hij hun toe: "Hoe komt het, schelmen,
+dat gij zoo lang daar buiten rond geslenterd hebt? Hebt gij uwe
+kudde naar huis gebracht, Gurth, of is zij een buit der stroopers en
+vrijbuiters geworden?"
+
+"De kudde is in veiligheid, om u te dienen!" zeide Gurth.
+
+"Maar het diende mij in het geheel niet," riep Cedric uit, "twee
+uren lang het tegendeel te moeten gelooven, en hier op wraak te
+zitten zinnen tegen mijn buren wegens een onrecht, dat zij mij niet
+aangedaan hebben. Ik zeg het u, stokslagen en gevangenis zullen de
+eerste overtreding van dien aard, die gij weder begaat, straffen!"
+
+Gurth, die zijns meesters driftigen aard kende, waagde geene
+verontschuldiging; maar de nar, die, uit kracht van zijn voorrecht als
+potsenmaker, op Cedric's toegevendheid kon rekenen, antwoordde voor
+hen beiden: "Waarlijk, oom Cedric, gij zijt heden avond verstandig
+noch redelijk."
+
+"Hoe!" zeide zijn meester; "gij zult naar de poortierswoning gezonden
+worden en daar tucht leeren, als gij uw gekheid den teugel viert op
+die manier."
+
+"Eerst onderrichte mij uwe wijsheid!" hernam Wamba. "Is het billijk
+en redelijk den één voor den misslag des anderen te straffen?"
+
+"Zeker niet, nar!" antwoordde Cedric.
+
+"Waarom wilt gij dan den armen Gurth laten slaan, oom, wegens de
+schuld van zijn hond Fangs? Want ik kan er op zweren, dat wij op weg
+geen minuut tijds verloren hebben, nadat wij onze kudde bij elkander
+hadden; wat Fangs niet ten einde bracht voor Vespertijd."
+
+"Hang Fangs dan op," zeide Cedric, zich haastig tot den zwijnenhoeder
+wendende, "als het zijn schuld is; en maak dat gij een anderen hond
+krijgt."
+
+"Met verlof, oom," hervatte de nar; "dat zou weder geene stipte
+rechtvaardigheid zijn; want het is de schuld van Fangs niet, dat hij
+lam is, en de kudde niet bij elkander kon krijgen; maar de schuld
+van hen, die zijn beide klauwen afgesneden hebben, waartoe de arme
+drommel zeker zijne toestemming niet zou gegeven hebben, zoo men hem
+geraadpleegd had."
+
+"En wie heeft het gewaagd, een dier te verminken, dat aan mijn
+lijfeigene toebehoort?" vroeg de Sakser, in toorn ontstekende.
+
+"Wel, dat deed de oude Huib," zeide Wamba, "de jachtopziener van
+den ridder Philippe de Malvoisin. Hij betrapte Fangs, terwijl hij
+door het bosch dwaalde, en zeide, dat hij jacht op het wild maakte,
+strijdig met het recht van zijn meester, als houtvester."
+
+"De duivel hale Malvoisin," hervatte de Sakser, "en zijn opziener
+daarbij! Ik zal hun leeren, dat het woud, volgens de boschwet, in
+'t geheel geen bosch meer is. Maar genoeg hiervan--Nar, ga op uwe
+plaats--en gij, Gurth, neem een anderen hond, en zoo de opziener dien
+durft aanraken, dan zal ik hem het boogschieten verleeren; men schelde
+mij voor een lafaard uit, zoo ik hem niet den voorsten vinger van
+de rechterhand afhouw--hij zal geen boog meer spannen.--Ik verzoek
+u vergiffenis, waardige gasten; ik ben hier door buren omgeven,
+die niet beter zijn dan de ongeloovigen in het Heilige Land, heer
+Ridder. Maar uw geringe maaltijd staat gereed; bedient er u van,
+en laat de goede wil de slechte kost verschoonen."
+
+De maaltijd, intusschen, welke op tafel stond, behoefde geene
+verontschuldigingen van den kant van den gastheer. Varkensvleesch,
+op verschillende wijzen toebereid, stond op het benedeneinde der
+tafel; alsook gevogelte, hertenvleesch, hazen- en geitengebraad
+en verscheidene soorten van visch, met groote brooden, koeken, en
+vruchten in honig ingelegd. De kleiner soorten van wild gevogelte,
+dat er in overvloed was, werden niet in schotels voorgediend,
+maar op kleine houten braadspitten, en door de pages en knechts,
+die ze droegen, aan alle gasten aangeboden, die naar welgevallen
+ervan afsneden. Naast ieder persoon van rang stond een zilveren
+beker, en aan het benedeneinde der tafel groote drinkhorens. Toen de
+maaltijd op het punt was van te beginnen, riep de _Major domus_, of
+huishofmeester, eensklaps zijn staf verheffende, met luider stemme:
+"Plaats voor Jonkvrouw Rowena!" Eene zijdeur aan het boveneinde der
+zaal achter de eettafel ging open, en Rowena, door vier harer vrouwen
+gevolgd, trad binnen. Cedric, ofschoon niet aangenaam verrast door de
+verschijning van zijne pupil bij deze gelegenheid, ijlde haar tegemoet,
+en geleidde haar met eerbiedige plechtigheid naar de verhevene plaats
+aan zijne rechterhand, bestemd voor de vrouw des huizes. Allen stonden
+op om haar te ontvangen; en, hunne begroeting met eene stomme buiging
+beantwoordende, nam zij bevallig hare plaats aan de tafel in. Vóórdat
+zij tijd had dit te doen, fluisterde echter de Tempelier den Prior toe:
+"Ik zal bij het toernooi geen gouden ketting van u dragen. Gij hebt
+den Chioswijn gewonnen!"
+
+"Heb ik het niet gezegd?" antwoordde de Prior. "Maar matig uwe
+verrukking, de _Franklin_ slaat u gade."
+
+Zonder op deze waarschuwing te letten, en gewoon slechts naar de
+ingeving van zijne wenschen te luisteren, hield Brian de Bois-Guilbert
+het oog gevestigd op de Saksische schoonheid, die misschien des
+te meer zijne verbeelding trof, omdat ze zoozeer van de Oostersche
+Sultanes verschilde.
+
+Geene vrouwelijke gestalte kon heerlijker zijn dan die van Rowena,
+die, hoe rank ze ook was, door buitengewone grootte toch niet de
+aandacht tot zich trok. Hare gelaatskleur was buitengemeen blank,
+maar de edele vorm van haar hoofd en van haar trekken bewaarde voor
+het gebrek aan uitdrukking, dat soms aan zeer blanke schoonheden
+eigen is. Haar helderblauw oog, schitterend onder schoon geteekende,
+bruine wenkbrauwen, die donker genoeg waren om het voorhoofd te doen
+uitkomen, scheen even vurig als teeder, even gebiedend als smeekend
+te zijn. Ofschoon zachtmoedigheid de gewone uitdrukking harer trekken
+was, had het gevoel van meerderheid en de algemeene hulde, die men haar
+bewees, blijkbaar aan de Saksische jonkvrouw iets hoogmoedigs gegeven,
+dat met haar natuurlijken aanleg ineengesmolten was. Haar schoon haar,
+tusschen bruin en blond in, was op grillige, doch bevallige wijze,
+in talrijke krullen opgemaakt, waarbij de kunst waarschijnlijk de
+natuur had bijgestaan. Deze lokken waren met edelgesteenten versierd,
+en hingen in hun volle lengte neder, waaruit men de edele afkomst
+en den vrijgeboren stand der maagd kon opmaken. Een gouden ketting,
+waaraan een kleine reliquie van hetzelfde metaal was vastgemaakt,
+hing om haar hals. Zij droeg armbanden om de bloote armen. Haar
+kleeding bestond uit een onderkleed en lijfje van lichtgroene zijde,
+waarover een lang, ruim gewaad hing, dat tot op den grond reikte en
+wijde mouwen had, die ongeveer tot den elleboog gingen. Dit kleed was
+karmozijnrood, en uit de allerfijnste wol gemaakt. Een zijden sluier,
+met goud doorweven, was aan het bovenste gedeelte daarvan bevestigd,
+welke, naar verkiezing, volgens de Spaansche mode over het gezicht en
+den boezem kon getrokken worden, of als een draperie om de schouders
+geslingerd.
+
+Toen Rowena bespeurde, dat de oogen van den Tempelridder op haar
+gevestigd waren, met een vuur, dat, vergeleken met de donkere holten
+waarin zij zich bewogen, hun het voorkomen van gloeiende kolen gaf,
+sloeg zij den sluier met waardigheid over het gelaat, als een teeken,
+dat de stoute vrijheid van zijn blik haar mishaagde. Cedric zag de
+beweging en begreep de oorzaak er van. "Heer Tempelier," zeide hij,
+"de wangen van onze Saksische meisjes zijn nog niet genoeg aan de zon
+gewend, om den stouten blik van een kruisvaarder te kunnen verdragen."
+
+"Zoo ik beleedigd heb," hernam Brian, "dan verzoek ik vergiffenis,--dat
+wil zeggen, ik vraag vergiffenis aan Jonkvrouw Rowena,--want de mate
+mijner nederigheid laat niet toe, dat ik die elders inroep."
+
+"Jonkvrouw Rowena," zeide de Prior, "heeft ons allen gestraft, door
+de stoutheid van mijn vriend te kastijden. Ik wil hopen dat zij minder
+wreed zal zijn voor den schitterenden stoet bij het toernooi."
+
+"Het is nog onzeker of wij er heen gaan," zeide Cedric. "Ik ben geen
+vriend van die ijdele vertooningen, die aan mijne voorouders onbekend
+waren, toen Engeland vrij was."
+
+"Laat ons evenwel hopen," hernam de Prior, "dat ons gezelschap u
+moge overhalen om er heen te reizen; als de wegen zoo onveilig zijn,
+is het geleide van Sir Brian de Bois-Guilbert niet te verachten."
+
+"Heer Prior," antwoordde de Sakser, "waar ik ook in dit land gereisd
+heb, tot hiertoe, heb ik, met behulp van mijn goed zwaard en van
+mijn getrouwe dienaars, nog nooit vreemde hulp noodig gehad. Zoo
+wij nu nog naar Ashby-de-la-Zouche gaan, dan doen wij dat met mijn
+edelen buur en landsman Athelstane van Coningsburgh, en met een
+gevolg, dat ons zoowel tegen vrijbuiters, als vijanden van hoogeren
+stand zal beschermen.--Ik breng u dezen beker wijn toe, heer Prior,
+welken gij, hoop ik, naar uw smaak zult vinden, en ik dank u voor uw
+beleefdheid.--Maar zoo gij streng aan uw kloosterregel gehecht zijt,
+en aan een dronk zure melk de voorkeur geeft, laat dan de beleefdheid
+u niet dwingen, mij bescheid te doen."
+
+"Neen," zei de Priester lachende, "het is alleen in onze abdij, dat
+wij ons bij het _lac dulce_ of _lac acidum_ bepalen. Als wij met de
+wereld verkeeren, volgen wij de gebruiken der wereld, en derhalve doe
+ik u in dezen heerlijken wijn bescheid, en laat den zwakkeren drank
+aan mijn leekebroeder over."
+
+"En ik," zei de Tempelier, zijn beker met _Wassail_ [6] vullende, "ik
+breng dezen dronk aan de schoone Rowena; want sedert haar naamgenoot,
+lang geleden, dit gebruik in Engeland invoerde, is er nooit iemand deze
+eer waardiger geweest dan zij. Op mijn woord, de ongelukkige Vortigern
+verdiende vergiffenis, indien zijn eer en zijn koninklijk half zoo
+veel in gevaar waren om schipbreuk te lijden, als zij nu zouden zijn."
+
+"Spaar uw beleefdheid, heer Ridder!" hernam Rowena met waardigheid, en
+zonder zich te ontsluieren; "of liever laat mij daarvan gebruik maken,
+u te verzoeken mij het laatste nieuws uit Palestina te verhalen; een
+onderwerp veel aangenamer voor Saksische ooren dan de complimenten,
+welke de Fransche gewoonten medebrengen."
+
+"Ik heb weinig belangrijks te verhalen," antwoordde Sir Brian de
+Bois-Guilbert, "behalve de zekere tijding van een wapenstilstand
+met Saladin."
+
+Wamba, die zijne gewone plaats had ingenomen op een stoel, die met twee
+ezelsooren versierd was, omtrent twee stappen achter den zetel van zijn
+meester, die hem van tijd tot tijd spijzen van zijn eigen bord gaf,
+een gunst echter, welke de nar met de lievelingshonden deelde--waarvan,
+zooals wij reeds gezegd hebben, verscheidene tegenwoordig waren--viel
+hem hier in de rede. Dáár zat Wamba, met een tafeltje voor zich,
+de beenen onder den stoel gestoken, zijn gezicht vertrekkende als
+een notenkraker, en de oogen half gesloten, evenwel oplettend iedere
+gelegenheid bespiedende, om van zijn vrijheid als nar gebruik te maken.
+
+"Deze wapenstilstanden met de ongeloovigen," riep hij uit, zonder er
+zich aan te storen, hoe onverwacht hij den trotschen Tempelier in de
+rede viel, "maken mij tot een oud man."
+
+"Hoe zoo, schelm?" vroeg Cedric, terwijl zijn blikken toonden, dat
+hij bereid was om de verwachte aardigheid gunstig op te nemen.
+
+"Omdat ik," hernam Wamba, "mij herinner, dat er drie gedurende mijn
+leven zijn gesloten, waarvan ieder vijftig jaren moest duren; zoodat,
+bij elkander gerekend, ik ten minste honderd en vijftig jaren oud
+moet zijn!"
+
+"Ik wil er u echter borg voor staan, dat gij niet van ouderdom zult
+sterven," zei de Tempelier, die nu zijn vriend uit het woud herkende;
+"als gij voortgaat, zulke aanwijzingen aan reizigers te geven, als
+gij dezen avond aan den Prior en mij gegeven hebt."
+
+"Hoe, schurk!" stoof Cedric op; "reizigers den verkeerden weg
+wijzen? Gij moet wat met de zweep hebben; gij zijt ten minste even
+ondeugend als gek."
+
+"Ik bid u, oom," antwoordde de nar, "laat mijne gekheid ditmaal mijn
+schelmstuk verontschuldigen. Ik heb mij slechts tusschen mijne rechter-
+en linkerhand vergist; en hij, die een nar tot raadsman en wegwijzer
+neemt, moet eene kleine dwaling over het hoofd zien!"
+
+Hier werd het gesprek afgebroken door het binnenkomen van den
+poortierspage, die meldde, dat er een vreemdeling aan de poort was,
+die toelating en gastvrijheid verzocht.
+
+"Laat hem binnen," zeide Cedric, "wie hij ook zij;--een nacht, zooals
+die, welke buiten woedt, dwingt zelfs wilde dieren bij de tammen
+te schuilen, en bescherming te zoeken bij den mensch, hun vijand,
+liever dan door het geweld der elementen om te komen. Laat in al
+zijn behoeften voorzien--zorg gij er voor, Oswald!" En de hofmeester
+verliet de eetzaal, om de bevelen van zijn meester te doen uitvoeren.
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen,
+ zintuigen, gevoelens, zinnen, neigingen, hartstochten? Wordt
+ hij niet met hetzelfde voedsel gevoed, met dezelfde wapenen
+ gekwetst? Is hij niet aan dezelfde ziekten onderhevig? Wordt
+ hij niet door dezelfde geneesmiddelen genezen, door denzelfden
+ zomer en winter warm en koud gemaakt, als een Christen?
+
+ Koopman van Venetië.
+
+
+Oswald fluisterde bij zijn terugkomst zijn meester in het oor: "Het
+is een Jood, die zich Izaäk van York noemt; past het, dat wij hem in
+de zaal brengen?"
+
+"Laat Gurth uw ambt verrichten, Oswald," zei Wamba met zijn gewone
+stoutheid: "de zwijnenhoeder is een geschikt geleider voor den Jood."
+
+"Heilige Maria!" riep de Abt, het teeken van het kruis makende,
+"zal een ongeloovige Jood in dit gezelschap toegelaten worden?"
+
+"Een hond van een Jood," schreeuwde de Tempelier, "zou een verdediger
+van het Heilige Graf naderen!"
+
+"Op mijn woord," zei Wamba, "de Tempeliers zijn meer op de erfenis
+der Joden dan op hun gezelschap gesteld!"
+
+"Bedaard, waarde gasten," zeide Cedric; "mijne gastvrijheid mag niet
+door uwe ontevredenheid belemmerd worden. Zoo de Hemel de geheele
+natie van stijfhoofdige ongeloovigen sedert meer jaren geduld heeft,
+dan een leek tellen kan, kunnen wij de tegenwoordigheid van één Jood
+wel voor eenige uren verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te
+spreken of te eten.--Geeft hem een tafel en een schotel voor zich,
+tenzij," zeide hij glimlachende, "deze getulbande vreemdelingen hem
+in hun gezelschap willen opnemen."
+
+"Edele Sakser," antwoordde de Tempelier, "mijne Saraceensche slaven
+zijn echte Mohammedanen, en verachten zoo goed als een Christen de
+gemeenschap met een Jood."
+
+"Wel, waarlijk," zeide Wamba, "ik begrijp niet, waarom de vereerders
+van Mohammed en den duivel zoo vele voorrechten zouden hebben, boven
+het vroeger door den Hemel uitverkoren volk."
+
+"Hij zal bij u zitten, Wamba," zeide Cedric; "de nar en de schelm
+passen goed bij elkander."
+
+"De nar," antwoordde Wamba, de overblijfselen van een ham in de
+hoogte houdende, "zal zorg dragen, een bolwerk tegen den schelm op
+te richten."
+
+"Stil," zeide Cedric; "daar komt hij!"
+
+Met weinig plechtigheid binnengeleid, vol vrees en aarzeling en
+met vele ootmoedige buigingen binnentredende, naderde een lange,
+magere grijsaard, die echter door de gewoonte van krom te gaan,
+veel van zijn wezenlijke grootte verloren had, het benedeneinde der
+tafel. Zijn scherpe en regelmatige trekken, zijn haviksneus, zijn
+doordringende zwarte oogen, zijn hoog, gerimpelde voorhoofd, zijn
+lang, grijs haar en lange baard hadden voor schoon kunnen doorgaan,
+indien ze niet de onderscheidende kenteekens gedragen hadden van een
+geslacht, dat in die onbeschaafde eeuwen evenzeer verfoeid werd door
+het lichtgeloovige en bevooroordeelde gemeen, als vervolgd door den
+inhaligen, roofzuchtigen adel, en dat, misschien door dezen haat
+en die vervolging, over het algemeen een karakter had verkregen,
+waarin, om het op het zachtst uit te drukken, tenminste veel laags
+en onaangenaams was.
+
+De kleeding van den Jood, die geweldig van den storm scheen geleden te
+hebben, bestond uit een eenvoudig somber gewaad met vele plooien, en
+een donker purperkleurig kleed er onder. Hij had wijde laarzen aan, met
+bont gevoerd, en om zijn middel een gordel, waarin een klein mes hing
+en een koker met schrijfgereedschappen, maar geen wapenen. Hij droeg
+een hooge, vierkante, gele muts van zonderling maaksel, die aan zijn
+natie was voorgeschreven, om die van de Christenen te onderscheiden,
+en welke hij met groote nederigheid bij de deur van de zaal afnam.
+
+De ontvangst van dezen man in de zaal van Cedric den Sakser had zelfs
+den meest bevooroordeelden vijand van den Israëlitischen stam moeten
+bevredigen. Cedric zelf knikte hem op zijn herhaald groeten slechts
+koel toe, en gaf hem een wenk om aan het benedenste einde van de
+tafel plaats te nemen, waar echter niemand geneigd scheen ruimte
+voor hem te maken. Integendeel, terwijl hij de rij langs ging, een
+vreesachtigen, smeekenden blik op iedereen werpende, die het lagere
+einde der tafel bezette, haalden de Saksische bedienden de schouders
+op, en gingen voort hun avondeten met grooten ijver te verslinden,
+zonder in het minste acht te slaan op de behoeften van den nieuwen
+gast. De bedienden van den Abt maakten een kruis, met teekens van
+vromen afkeer, en zelfs streken de heidensche Saracenen, toen Izaäk
+naderde, verontwaardigd de knevels op, en sloegen de hand aan den dolk,
+alsof zij gereed waren, zich met geweld voor de gevreesde bezoedeling
+zijner aanraking te vrijwaren.
+
+Mogelijk zouden dezelfde beweegredenen, die Cedric aangezet hadden,
+zijn zaal voor dezen zoon van een verstooten volk te openen, hem ook
+bewogen hebben, zijn bedienden een meerdere vriendelijkheid jegens
+Izaäk aan te bevelen, had niet de Abt hem juist op dit oogenblik in
+een belangrijk gesprek gewikkeld, over het ras en den aard zijner
+lievelingshonden, hetwelk hij niet zou afgebroken hebben voor zaken
+van veel grooter gewicht, dan dat een Jood zich zonder eten te slapen
+moest leggen. Terwijl Izaäk dus van het gezelschap uitgestooten stond,
+evenals zijn volk onder de natiën, te vergeefs naar een welkomstgroet
+en een rustplaatsje omziende, kreeg de pelgrim, die bij den haard zat,
+medelijden met hem, en stond hem zijn stoel af, deze paar woordjes
+zeggende: "Oude man, mijn kleederen zijn droog, mijn honger is
+gestild; gij zijt nog nat en hongerig." Dit zeggende, legde hij de
+op den grooten haard verstrooide stukken hout bij elkander, en blies
+het vuur aan; hij nam van de groote tafel een schotel met soep en
+gekookt geitenvleesch, zette dien op de kleine tafel, aan welke hij
+zelf gegeten had, en zonder den dank van den Jood af te wachten, ging
+hij naar de andere zijde van de zaal. Of dit geschiedde, omdat hij
+niet in nader gesprek wilde treden met het voorwerp zijner mildheid,
+of omdat hij wenschte bij het boveneinde der tafel te komen, scheen
+niet duidelijk.
+
+Waren er in die dagen schilders geweest, in staat om zoo iets voor te
+stellen, dan zou de Jood, terwijl hij zijn magere gedaante voorover
+boog, en zijn verkleumde en bevende handen boven het vuur hield, geen
+slecht voorbeeld eener verpersoonlijking van den Winter opgeleverd
+hebben. Na zich verwarmd te hebben, keerde hij zich begeerig naar den
+rookenden schotel, die hem was voorgezet, en at met een haast en een
+zichtbaar genoegen, die schenen aan te duiden, dat hij in lang niets
+genoten had.
+
+Intusschen zetten de Abt en Cedric hun gesprek over de jacht
+voort. Jonkvrouw Rowena scheen verdiept in een gesprek met een harer
+vrouwen; en de trotsche Tempelier, wiens oog beurtelings op den Jood
+en op de Saksische schoone scheen gevestigd te zijn, was blijkbaar
+in diep gepeins verzonken.
+
+"Het verwondert mij, waardige Cedric," zei de Abt, "dat gij,
+niettegenstaande uwe groote vooringenomenheid met uwe eigene krachtige
+taal, niet het Normandisch-Fransch tenminste uwe gunst waardig keurt,
+voor zoo verre dit het jachtwezen betreft. Er is zeker geene taal, die
+zoo rijk is in de verschillende spreekwijzen, welke het jachtvermaak
+vordert, of die aan den ervaren jager meerdere middelen aan de hand
+geeft, om zijn heerlijke kunst te beschrijven."
+
+"Eerwaarde vader," hernam de Sakser, "ik moet u zeggen, dat ik weinig
+werk maak van die overzeesche verfijningen, zonder welke ik mij zeer
+goed in het bosch vermaken kan. Ik kan op mijn horen blazen, zonder
+het geluid òf _recheate_ òf _morte_ te noemen. Ik kan mijn honden op
+het wild aandrijven, en ik kan het vel van een hert aftrekken en het
+dier uithalen als het gedood is, zonder de nieuwmodische wartaal van
+_curée_, _arbor_, _nombles_, die van den fabelachtigen Sir Tristram
+afstamt, te gebruiken." [7]
+
+"Het Fransch," zei de Tempelier, zijne stem verheffende, op den
+verwaanden en gebiedenden toon, die hem bij alle gelegenheden eigen
+was, "is niet alleen de natuurlijke taal van de jacht, maar die van
+de liefde en van den oorlog, waarmede men de vrouwen moet overwinnen
+en de vijanden verslaan."
+
+"Doe mij bescheid in een beker wijn, heer Tempelier," zeide Cedric,
+"en schenk den Abt ook in, terwijl ik een dertig jaren achteruit
+zal gaan, om u iets anders te verhalen. Zooals Cedric de Sakser
+toen was, behoefde zijn eenvoudige Saksische taal niet door Fransche
+minnezangers opgesmukt te worden, als hij die in het oor eener schoone
+wilde fluisteren; en het veld van Northallerton, bij den slag van den
+Heiligen Standaard, kan getuigen, of het Saksische krijgsgeschreeuw
+niet even ver in de gelederen van het Schotsche leger gehoord werd,
+als de _cri de guerre_ van de stoutmoedige Normandische edelen. De
+nagedachtenis van de dapperen, die daar gevochten hebben! Doet mij
+bescheid, mijn gasten!" Hij nam een fiksche teug, en vervolgde met
+toenemend vuur: "Ha! dat was een dag! Toen werden er wat schilden
+gespleten; honderd banieren wapperden boven het hoofd der dapperen;
+het bloed stroomde als water, en men wilde liever sterven dan
+vluchten. Een Saksische _Bard_ zou dien dag een feest der zwaarden
+genoemd hebben--eene vergadering der arenden over den buit--een
+geklater van schilden en helmen; een veldgeschrei, vroolijker dan
+het gejuich eener bruiloft. Maar onze _Barden_ zijn verdwenen; onze
+daden worden vergeten bij die van een anderen stam; onze taal, zelfs
+onze naam snelt ten ondergang, en niemand treurt er om behalve een
+eenzame grijsaard. Schenker, jongen! vul de bekers--op het welzijn
+der dappersten, heer Tempelier, van welken stam ze ook zijn, en welke
+taal ze ook spreken mogen, die thans met het meeste vuur in Palestina
+voor het heilige kruis strijden!"
+
+"Het betaamt geen Ridder, die dit kruis draagt, hierop te antwoorden,"
+zeide Sir Brian de Bois-Guilbert; "maar aan wien, behalve de gezworen
+kampvechters van het Heilige Graf, kan de palm toegewezen worden
+onder de strijders voor het kruis?"
+
+"Aan de Hospitaal-Ridders," zei de Abt; "ik heb daar een broeder
+onder."
+
+"Ik wil hun roem niet te kort doen," zei de Tempelier, "maar--"
+
+"Mij dunkt, vriend Cedric," zeide Wamba, hem in de rede vallende, "dat,
+als Koning Richard Leeuwenhart de wijsheid had gehad, den raad van een
+nar te volgen, hij met zijn dappere Normandiërs te huis zou gebleven
+zijn, en de herovering van Jeruzalem aan diezelfde ridders overgelaten
+hebben, die de meeste schuld aan het verlies daarvan hadden."
+
+"Waren er geenen in des Konings leger," zeide Rowena, "wier namen
+waardig zijn, naast de Ridders van den Tempel en van St. Johannes
+genoemd te worden?"
+
+"Vergeef mij, Jonkvrouw," antwoordde de Bois-Guilbert, "de Koning
+heeft, inderdaad, een schaar dappere krijgslieden naar Palestina
+gebracht, die alléén behoeven onder te doen voor hen, die altijd het
+bolwerk van het Heilige Land geweest zijn."
+
+"Ze behoeven voor _niemand_ onder te doen," zei de pelgrim, die er
+dicht genoeg bij gestaan had, om te kunnen hooren, en met blijkbaar
+ongeduld naar het gesprek geluisterd had. Allen keerden zich naar
+hem, van wien deze onverwachte verzekering kwam. "Ik zeg," herhaalde
+de pelgrim op vasten toon, "dat onze ridders voor niemand behoeven
+onder te doen, die ooit het zwaard tot verdediging van het Heilige
+Land getrokken heeft. Ik zeg ook nog, want ik heb het gezien, dat
+Koning Richard zelf en vijf van zijn ridders een toernooi hielden na
+de inneming van St. Jean d'Acre, tegen ieder, die in het strijdperk
+durfde treden. Ik zeg, dat op dezen dag ieder ridder driemaal streed,
+en drie vijanden ten onderen bracht. Ik voeg er bij, dat zeven dezer
+aanvallers Tempeliers waren--en Ridder Brian de Bois-Guilbert is zeer
+wel overtuigd van de waarheid van hetgeen ik u vertel."
+
+Het is onmogelijk de woede te schilderen, welke het zwartbruine
+gezicht van den Tempelier nog donkerder kleurde. In de overmaat van
+zijn toorn en zijn beschaming, tastten zijn bevende vingers naar het
+gevest van zijn zwaard, en misschien werden ze alleen teruggehouden
+door de gedachte, dat er geen daad van geweld in die plaats en in
+zulk gezelschap veilig kon gepleegd worden. Cedric, wiens gedachten
+zonder argwaan waren en zelden door meer dan één voorwerp tegelijk
+bezig gehouden werden, lette bij de vreugde, waarmede hij van den roem
+zijner landslieden hoorde spreken, niet op de toornige verlegenheid van
+zijn gast. "Ik zal u dezen gouden armband geven, Pelgrim," zeide hij,
+"zoo gij mij de namen opnoemt van de ridders, die zoo heldhaftig den
+roem van het schoone Engeland opgehouden hebben."
+
+"Dat zal ik van ganscher harte doen," hernam de pelgrim, "en zonder
+loon; daar mijne gelofte mij verbiedt, gedurende een zekeren tijd
+goud aan te raken."
+
+"Ik zal den armband voor u dragen, zoo gij wilt, vriend Pelgrim,"
+zeide Wamba.
+
+"De eerste in eer en in de wapenen, in roem en in stand," zei de
+pelgrim, "was de dappere Richard, Koning van Engeland."
+
+"Ik vergeef hem!" riep Cedric, "ik vergeef hem zijne afkomst van den
+dwingeland Willem!"
+
+"De Graaf van Leicester was de tweede," ging de pelgrim voort;
+"Sir Thomas Multon van Gilsland was de derde."
+
+"Die is tenminste van Saksische afkomst," riep Cedric met vreugde uit.
+
+"Sir Foulk Doilly, de vierde," zei de pelgrim.
+
+"Ook een Sakser, tenminste van moeders zijde," hernam Cedric, die met
+de grootste oplettendheid luisterde, en zijn haat tegen de Normandiërs
+voor het oogenblik vergat, in de vreugde over de zegepraal van den
+Koning van Engeland en zijn Saksische onderdanen. "En wie was de
+vijfde?" vroeg hij.
+
+"De vijfde was Sir Edwin Turneham."
+
+"Een echte Sakser, bij de ziel van Hengist!" riep Cedric uit. "En de
+zesde?" ging hij met drift voort; "hoe heet de zesde?"
+
+"De zesde," hervatte de pelgrim na een oogenblik zwijgens, terwijl
+hij iets scheen te bedenken, "was een jonge ridder van minderen
+roem en stand; in dat eervolle gezelschap opgenomen, minder om de
+onderneming te steunen, dan wel om het getal vol te maken--zijn naam
+is mij ontgaan."
+
+"Heer Pelgrim," zei Sir Brian de Bois-Guilbert verachtelijk, "deze
+geveinsde vergetelheid, nadat gij u zoo veel hebt te binnen gebracht,
+komt te laat, om aan uw doel te beantwoorden. Ik zelf zal u den naam
+noemen van den ridder, voor wiens lans het noodlot en de schuld van
+mijn paard mij deden bukken--het was de ridder van Ivanhoe: ook was
+er onder de zes niet één, die, zijn jaren in aanmerking genomen, meer
+roem in de wapenen verworven had.--Maar dit wil ik luide zeggen, dat,
+als hij in Engeland was, en bij het toernooi deze week de uitdaging
+van St. Jean d'Acre durfde herhalen, ik hem met het paard dat ik hier
+heb, en gewapend zooals ik thans ben, ieder voordeel der wapenen zou
+toestaan, en dan den uitslag afwachten."
+
+"Als uwe tegenpartij hier ware, zou uwe uitdaging weldra beantwoord
+worden," hernam de pelgrim. "Zooals de zaak echter staat, behoeft
+gij deze vreedzame zaal niet te verontrusten met uwe snoeverij, over
+den uitslag van een gevecht, hetwelk gij wel weet, dat geen plaats
+kan vinden. Zoo Ivanhoe ooit uit Palestina terugkomt, wil ik er borg
+voor staan, dat hij het tweegevecht niet afslaat."
+
+"Een fraaie borg!" zei de Tempelier, "en wat kunt gij tot pand geven?"
+
+"Deze reliquie," antwoordde de pelgrim, een ivoren doosje uit den
+boezem trekkende, en een kruis makende; "die een stuk van het ware
+kruis bevat, en die ik medegebracht heb uit het klooster van den
+berg Carmel."
+
+De Prior van Jorvaulx maakte een kruis, en zeide een _paternoster_ op,
+waaraan allen eerbiedig deel namen, behalve de Jood, de Mohammedanen,
+en de Tempelier, welke laatste, zonder zijn hoofd te ontblooten,
+of eenigen eerbied voor de heiligheid der reliquie te toonen,
+een gouden keten van den hals nam, welke hij op de tafel wierp,
+terwijl hij uitriep: "Laat Prior Aymer mijn pand en dat van dien
+naamloozen landlooper bewaren, als een teeken, dat, als de Ridder
+van Ivanhoe binnen de Britsche zeeën komt, hij op de uitdaging van
+Brian de Bois-Guilbert moet antwoorden; en, zoo hij ze niet aanneemt,
+zal ik hem voor een lafaard bij alle Tempeliers van Europa uitmaken."
+
+"Dat zal niet noodig zijn," zei Jonkvrouw Rowena, haar stilzwijgen
+brekende; "mijn stem zal gehoord worden, zoo geen andere in deze zaal
+zich ten voordeele van den afwezigen Ivanhoe verheft. Ik verzeker,
+dat hij iedere eervolle uitdaging ridderlijk zal aannemen. Kon mijn
+geringe borgtocht eenige meerdere waarde geven aan het onschatbare
+woord van den heiligen pelgrim, zoo zou ik naam en eer verpanden,
+dat Ivanhoe dezen trotschen ridder de gevraagde voldoening geeft."
+
+Een menigte tegenstrijdige gevoelens scheen gedurende dit gesprek
+Cedric vervuld en zwijgende gehouden te hebben. Gestreelde hoogmoed,
+toorn, verlegenheid, verjaagden elkander op zijn breed, open voorhoofd,
+gelijk de schaduw der wolken, die over een korenveld drijven, terwijl
+zijne bedienden, op welken de naam van den zesden ridder een bijna
+tooverachtige uitwerking scheen te hebben, vol verwachting op het
+gelaat van hun meester staarden. Maar toen Rowena sprak, scheen de
+klank van haar stem hem uit zijn gepeins te wekken.
+
+"Rowena," zeide Cedric, "dat past niet; ware een verder pand noodig,
+dan zou ik zelf, hoe beleedigd, en zwaar beleedigd, ik door hem ben,
+evenwel met mijn eer voor die van Ivanhoe instaan. Maar het onderpand
+voor den strijd is voldoende, zelfs volgens de zonderlinge gebruiken
+van de Normandische ridderschap;--niet waar, eerwaarde vader Aymer?"
+
+"Zoo is het," hernam de Prior, "en de heilige reliquie en de kostbare
+keten zal ik veilig in de schatkist van het klooster bewaren, tot de
+kampstrijd beslist is."
+
+Na deze woorden maakte hij verscheidene malen het teeken van het kruis,
+en na vele kniebuigingen en geprevelde gebeden, gaf hij de reliquie
+aan broeder Ambrosius, zijn dienstbaren monnik over, terwijl hij zelf
+met mindere plechtigheden, maar misschien met niet minder inwendig
+genoegen, den gouden ketting nam, en in een met welriekend leêr
+gevoerden zak deed, die onder zijn arm hing. "En nu, Sir Cedric," zeide
+hij, "de kracht van uw goeden wijn doet mij de slaapklok hooren. Sta
+ons toe, nog één beker op het welzijn der schoone Rowena te ledigen,
+en veroorloof dan dat wij ons ter rust begeven."
+
+"Bij het kruis van Bromholme," zei de Sakser, "gij doet uw roem
+weinig eer aan, heer Prior! De faam noemt u een dapperen monnik,
+die de vroegmis hoort luiden, eer hij zijn beker verlaat; en ik
+vreesde dat gij mij op mijn ouden dag zoudt beschaamd maken. Maar,
+op mijn woord, een twaalfjarige Saksische knaap zou, in mijn tijd,
+zijn beker niet zoo vroeg verlaten hebben."
+
+De Prior had evenwel bijzondere redenen om matig te blijven. Hij was
+niet alleen van beroep een vredemaker, maar van aard een vijand van
+alle twisten en geschillen. Dit was niet geheel uit liefde voor
+zijn naasten, en ook niet geheel uit eigenliefde, maar uit een
+mengeling van beide. Bij de tegenwoordige gelegenheid vreesde hij
+het driftig karakter van den Sakser, en voorzag het gevaar, dat de
+onbuigzame en trotsche geest, waarvan zijn metgezel reeds zoo vele
+blijken had gegeven, eindelijk eene onaangename uitbarsting zou kunnen
+veroorzaken. Hij gaf derhalve beleefd te kennen, dat ieder inboorling
+van een ander land buiten staat was, den feestelijken kampstrijd in
+het drinken tegen een geharden en sterkhoofdigen Sakser vol te houden;
+hij maakte met een enkel woord gewag van zijn geestelijken stand, en
+eindigde met op zijn voorstel, om ter rust te begeven, aan te dringen.
+
+De afscheidsbeker werd dus rondgegeven, en, na een diepe buiging
+voor hun gastheer en Rowena, stonden de gasten op en vervoegden zich
+bij de anderen in de zaal, terwijl de hoofden der familie zich door
+onderscheidene deuren met hun bedienden verwijderden.
+
+"Ongeloovige hond," zei de Tempelier tot den Jood Izaäk, terwijl hij
+hem in het gedrang voorbijging, "reist gij ook naar het toernooi?"
+
+"Dat is mijn voornemen," hernam Izaäk, eene allernederigste buiging
+makende, "als de zeer gestrenge en eerwaardige heer Ridder dit
+vergunt."
+
+"Ha!" zei de Ridder, "om aan de ingewanden van onze ridderschap met
+uw woeker te knagen, en vrouwen en kinderen met opschik en speelgoed
+te bedriegen.--Ik beloof u een vetten buit in uw Jodenzak."
+
+"Geen zilveren penning, geen stuiver, geen duit--zoo waar mij de God
+Abrahams helpe!" zei de Jood, de handen ineen slaande; "ik ga daar
+slechts heen om den bijstand van eenigen van mijn volk te zoeken, om
+de boete te betalen, welke de Schatmeester der Joden [8] mij opgelegd
+heeft.--Vader Jacob sta mij bij!--Ik ben een arme Jood--zelfs de rok,
+dien ik draag, is geleend van Ruben van Tadcaster."
+
+"Vervloekte, valsche leugenaar!" antwoordde de Tempelier met een
+schamperen glimlach, en verder gaande, alsof hij zich niet verwaardigde
+langer met hem te spreken, praatte hij met zijn Turksche slaven
+in een taal, welke de omstanders niet verstonden. De arme Israëliet
+scheen zoo verschrikt over de toespraak van den krijgshaftigen monnik,
+dat de Tempelier aan het einde van de zaal was gekomen, eer hij het
+hoofd weder ophief uit zijne ootmoedige houding, en diens vertrek
+bespeurde. Toen hij weder rondzag, was het met het verbaasde gelaat
+van een mensch, voor wiens oogen de bliksem is ingeslagen, en dien
+nog het schrikkelijk geraas van den donder in de ooren weergalmt.
+
+De Tempelier en de Prior werden kort daarna naar hun slaapvertrekken
+geleid door den huishofmeester en den schenker, ieder van twee
+fakkeldragers en twee bedienden met ververschingen vergezeld,
+terwijl mindere bedienden aan hun gevolg en aan de overige gasten de
+slaapplaatsen aanwezen.
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Ik bewijs hem dezen dienst alleen uit vriendschap,
+ En neemt hij ze aan, 't is goed--zoo niet, vaarwel;
+ Maar doet mij daarom, bid ik u, geen onrecht aan.
+
+ Koopman van Venetië.
+
+
+Terwijl de pelgrim, voorgelicht door een fakkeldrager, door de
+ineenloopende vertrekken van het groote en onregelmatige gebouw ging,
+kwam de schenker hem achterna, en fluisterde hem in het oor, dat,
+zoo hij er niet tegen had een beker in zijn kamer meê te drinken,
+er een groot aantal bedienden van het huis waren, die gaarne het
+nieuws wilden hooren, dat hij uit het Heilige Land had medegebracht,
+en voornamelijk dat, hetwelk den ridder van Ivanhoe betrof. Om
+het voorstel aannemelijker te maken, zeide Wamba dat één beker na
+middernacht zoo goed was, als drie na het avondklokje. Zonder eene
+stelling te betwisten, die op zulk gezag berustte, dankte de pelgrim
+voor hunne beleefdheid, maar merkte aan, dat hij bij zijne heilige
+gelofte de verplichting had op zich genomen, om nooit in de keuken
+van zaken te spreken, die in de zaal verboden waren. "Die gelofte,"
+zeide Wamba tot den schenker, "zou een bediende slecht te pas komen."
+
+De schenker haalde verdrietig de schouders op. "Ik was van plan
+hem eene mooie kamer aan te wijzen," zeide hij: "maar, daar hij zoo
+ongezellig jegens Christenen is, moet hij het eerste gat naast Izaäk
+den Jood maar innemen.--Anwold," zei hij tot den fakkeldrager, "breng
+den pelgrim naar de zuider cel.--Ik wensch u goeden nacht," ging hij
+voort, "heer pelgrim, met weinig dank voor uwe geringe beleefdheid!"
+
+"Goeden nacht en onze Lieve Vrouw zegene u!" antwoordde de pelgrim
+bedaard, en volgde zijn leidsman.
+
+In eene kleine voorkamer, waarin zich verscheidene deuren bevonden en
+welke door een kleine ijzeren lamp verlicht werd, werden zij weder
+opgehouden door eene kamenier van Jonkvrouw Rowena, die op een toon
+van gezag zeide, dat hare meesteres den pelgrim wenschte te spreken,
+de toorts uit Anwolds handen nam, en, na hem bevolen te hebben op
+hare terugkomst te wachten, den vreemdeling een wenk gaf haar te
+volgen. Waarschijnlijk hield hij het niet voor gepast dit verzoek,
+evenals het vorige, te weigeren; want, ofschoon zijne houding eenige
+verwondering over de uitnoodiging te kennen gaf, gehoorzaamde hij
+zonder antwoord of tegenwerping. Een korte gang en zeven trappen
+opwaarts, waarvan ieder uit een sterken eiken balk bestond, brachten
+hem bij Jonkvrouw Rowena in een vertrek, welks pracht van de achting,
+die haar de heer des huizes bewees, getuigde. De muren waren met
+geborduurd behangsel bekleed, waarop in bonte zijde, met goud-
+en zilverdraad doorweven, de vermaken der valkenjacht afgebeeld
+waren; zoo kunstig als men dat in die eeuwen vermocht. Het bed was
+met hetzelfde rijke behangsel versierd, en door purperen gordijnen
+omgeven. De stoelen hadden bonte zittingen, en één er van, hooger
+dan de overigen, was voorzien van een voetenbankje van schoon bewerkt
+ivoor. Niet minder dan vier zilveren kandelaars, met groote waskaarsen,
+dienden ter verlichting van het vertrek. Geen hedendaagsche schoone
+behoeft echter de pracht eener Saksische Prinses te benijden. De
+muren der kamer waren zoo slecht gemaakt, en zoo vol scheuren, dat
+het rijke behangsel met den nachtwind golfde, en in weerwil van een
+soort van scherm, flikkerde de vlam der kaarsen onophoudelijk in
+den tocht. Pracht heerschte er met eenig ruw streven naar smaak,
+maar weinig gemak, dat, daar men het niet kende, ook niet gemist werd.
+
+Rowena zat op de reeds genoemde soort van troon, terwijl drie van
+haar dienaressen daarachter stonden, en haar het haar opmaakten, voor
+dat zij ter ruste ging. Zij scheen geboren om de algemeene hulde te
+ontvangen, en de pelgrim betuigde de zijne door eene diepe kniebuiging.
+
+"Sta op, pelgrim!" zeide zij vriendelijk. "De verdediger van een
+afwezige heeft recht op eene gunstige ontvangst van allen, die de
+waarheid achten, en de dapperheid vereeren." Hierop zeide zij tot
+haar gevolg: "Verwijdert u allen, behalve Elgitha; ik wil met dezen
+heiligen pelgrim spreken."
+
+De meisjes begaven zich, zonder het vertrek te verlaten, naar het
+uiterste einde daarvan, en gingen op een lage bank tegen den muur
+zitten, waar zij sprakeloos als beelden bleven zitten, ofschoon zij
+op zulk een afstand waren, dat haar gefluister het gesprek van haar
+meesteres niet zou gestoord hebben.
+
+"Pelgrim," zei de Jonkvrouw na eene korte stilte, waarin zij onzeker
+scheen, hoe zij hem zou aanspreken; "gij hebt heden avond een naam
+genoemd--ik meen," ging zij met eene zekere inspanning voort, "den
+naam van Ivanhoe, in zalen, waar hij door het recht der geboorte en
+der bloedverwantschap zeer gewenscht had moeten klinken; en toch,
+zoo vijandig is het noodlot, dat ik alleen onder zoo velen, wier
+hart bij dezen naam van vreugde trillen moest, het waag te vragen,
+waar en in welken toestand gij hem gelaten hebt, van wien er sprake
+was? Wij hebben gehoord, dat hij, wegens verzwakte gezondheid in
+Palestina achter gebleven, na het vertrek van het Engelsche leger,
+aan de vervolgingen der Fransche partij was blootgesteld, waaraan de
+Tempeliers, zooals bekend is, toegedaan zijn."
+
+"Ik weet weinig van den Ridder Ivanhoe!" antwoordde de pelgrim met
+ontroerde stem. "Ik zou wel wenschen hem beter te kennen, daar gij,
+edele Jonkvrouw, belang in zijn lot stelt. Hij is, naar ik meen,
+aan de vervolgingen zijner vijanden in Palestina ontkomen, en staat
+op het punt naar Engeland terug te keeren, en gij, Jonkvrouw, zult
+beter weten dan ik, welk lot hem hier wacht."
+
+Rowena zuchtte diep, en vroeg meer bijzonder, wanneer Ridder Ivanhoe
+in zijn vaderland mocht verwacht worden, en of hij op weg niet aan
+groote gevaren zou blootgesteld zijn. Wat het eerste punt aangaat
+betuigde de pelgrim volstrekt niet onderricht te wezen; op het tweede
+antwoordde hij, dat de reis veilig kon gedaan worden over Venetië en
+Genua, en van daar over Frankrijk naar Engeland. "Ivanhoe," zeide hij,
+"is zoo goed bekend met de taal en zeden der Franschen, dat er niet de
+minste vrees voor eenig ongeluk op dat gedeelte zijner reis bestaat."
+
+"Gave de Hemel," zeide Rowena, "dat hij hier veilig aangekomen ware,
+en in staat om aan het naderend toernooi deel te nemen, waarin
+men verwacht, dat de ridderschap van ons land haar behendigheid en
+dapperheid ten toon zal spreiden. Indien Athelstane van Coningsburgh
+den prijs behaalt, zal Ivanhoe waarschijnlijk slechte tijdingen bij
+zijn aankomst in Engeland vernemen. Hoe zag hij er uit, vreemdeling,
+toen gij hem voor het laatst gezien hebt? Heeft de ziekte zijne
+krachten en kloekheid verminderd?"
+
+"Hij was donkerder en tengerder geworden," antwoordde de pelgrim, "dan
+toen hij in het gevolg van Richard Leeuwenhart van Cyprus aankwam,
+en op zijn voorhoofd was zware zorg te lezen, maar ik kwam niet in
+zijne nabijheid, daar ik hem niet ken."
+
+"Ik vrees," hernam de Jonkvrouw, "dat hij in zijn vaderland weinig
+zal vinden, om die wolken van zijn gelaat te verdrijven. Ik dank
+u, goede pelgrim, voor uwe tijding, omtrent den makker mijner
+kindsheid. Meisjes," riep zij, "nadert--biedt dezen heiligen man,
+dien ik niet langer van zijn rust berooven wil, den slaapdrank aan."
+
+Een der vrouwen bood een zilveren beker aan, met een kostbaren drank
+van wijn en specerij vervaardigd, gevuld, dien Rowena eventjes aan
+de lippen zette. Daarop werd hij den pelgrim toegereikt, die na een
+diepe buiging er eenige druppelen van proefde.
+
+"Neem deze gift aan, vriend," vervolgde de Jonkvrouw, hem een goudstuk
+aanbiedende; "uit erkentelijkheid voor uwe moeielijke reis en uit
+eerbied voor de heiligdommen, die gij bezocht hebt."
+
+De pelgrim nam het geschenk met eene tweede nederige buiging aan,
+en verliet toen met Elgitha het vertrek.
+
+In de zijkamer vond hij zijn leidsman, Anwold, die de fakkel uit
+de hand der kamenier nemende, hem met meer haast dan beleefdheid
+naar een belendend, slecht gedeelte van het huis geleidde, waar een
+aantal kleine vertrekken, of veeleer cellen, tot slaapplaatsen voor
+de mindere bedienden en vreemdelingen van lagen rang ingericht waren.
+
+"Waar slaapt de Jood?" vroeg de pelgrim.
+
+"Die ongeloovige hond," antwoordde Anwold, "ligt in de cel naast uwe
+heiligheid. Bij St. Dunstan! wat moet ze schoongemaakt en gezuiverd
+worden, eer ze weder goed genoeg voor een Christenmensch is!"
+
+"En waar slaapt Gurth, de zwijnenhoeder?" zeide hij.
+
+"Gurth," hernam de lijfeigene, "slaapt in de cel aan uwe rechterhand,
+zooals de Jood aan uwe linker; gij dient, om den zoon Israëls
+van hetgeen zijn stam verafschuwt, te scheiden. Zoo gij Oswalds
+uitnoodiging hadt aangenomen, zou u eene meer eervolle plaats te
+beurt gevallen zijn."
+
+"Het is zóó goed," zeide de pelgrim; "het gezelschap zelfs van een
+Jood kan door een eiken beschot heen niet verontreinigen."
+
+Met deze woorden ging hij in het hem aangewezen verblijf, en, de fakkel
+uit de hand van den bediende nemende, bedankte hij, en wenschte hem
+goeden nacht. Na de deur van zijn cel gesloten te hebben, plaatste
+hij de fakkel in een houten kandelaar, en zag in zijn slaapvertrek
+rond, welks huisraad van de eenvoudigste soort was. Het bestond uit
+een ruwen houten stoel en een nog ruwere bedstede, met stroo gevuld,
+waarop twee of drie schapenvellen in plaats van dekens lagen.
+
+Nadat hij de fakkel uitgebluscht had, wierp zich de pelgrim zonder
+zijn kleederen af te leggen, op zijn hard leger, en sliep, of bleef
+tenminste in zijn liggende houding, tot de eerste zonnestralen den weg
+vonden door het kleine tralievenster, dat tegelijk diende om lucht
+en licht in dit ellendig vertrek door te laten. Hij sprong toen op,
+en na zijn morgengebed gedaan, en zijne kleeding in orde gebracht
+te hebben, verliet hij zijn cel en trad in die van den Jood Izaäk,
+de klink zoo zacht mogelijk oplichtende.
+
+De Jood lag in onrustigen slaap op een soortgelijk bed als dat,
+waarop de pelgrim den nacht had doorgebracht. De kleedingstukken,
+die hij den vorigen avond had afgelegd, lagen dicht bij hem,
+alsof hij wilde voorkomen, dat ze gedurende zijn slaap gestolen
+werden. Zijn gelaat drukte een ongerustheid uit, die bijna aan
+doodsangst grensde. Handen en armen bewogen zich krampachtig, als
+wilde hij de nachtmerrie afweren; en behalve vele uitroepingen in
+het Hebreeuwsch, waren de volgende in het Normandisch-Saksisch, of de
+gemengde landstaal, duidelijk hoorbaar: "In naam van den God Abrahams,
+hebt medelijden met een ongelukkigen grijsaard! Ik ben arm, ik bezit
+geen penning--en al rekten uw ijzers mijn ledematen uit elkander, ik
+kon u toch niet voldoen!" De pelgrim wachtte het einde van den droom
+des Joods niet af, maar stootte hem met zijn pelgrimsstaf aan. Deze
+aanraking vermeerderde, zooals gewoonlijk in den droom het geval is,
+zijne vrees; want de oude man sprong op, zijn grijs haar rees ten
+berge, en eenige van zijn kleêren om zich heen slingerende, terwijl
+hij de overigen met den greep van een roofvogel vasthield, vestigde
+hij zijn doordringende, schitterende zwarte oogen met wilden schrik
+en angstige vrees op den pelgrim.
+
+"Vrees niets van mij, Izaäk," zei de pelgrim; "ik kom tot u als
+vriend."
+
+"De God van Israël vergelde het u!" hernam de Jood, zeer verlicht;
+"ik droomde--maar vader Abraham zij geloofd! het was slechts een
+droom!" Hierop tot zich zelven komende, voegde hij er op zijn gewonen
+toon bij: "en wat begeert gij zoo vroeg van den armen Jood?"
+
+"Ik kwam u zeggen," antwoordde de pelgrim, "dat, zoo gij dit huis
+niet oogenblikkelijk verlaat, en met spoed reist, uw tocht gevaarlijk
+kan worden."
+
+"Heilige vader," zei de Jood, "wie zou er belang bij hebben, zulk
+een armen ellendeling, als ik ben, in gevaar te brengen?"
+
+"De reden zult gij zelf best weten," hernam de pelgrim; "maar laat
+ik u zeggen, dat, toen de Tempelier gisteren avond door de zaal ging,
+hij met zijn Turksche slaven in de Saraceensche taal sprak, die ik wel
+versta, en hun beval dezen morgen den Jood op weg op te wachten, hem
+op een geschikten afstand van dit huis te vatten, en naar het kasteel
+van Philip de Malvoisin, of van Reginald Front-de-Boeuf te brengen."
+
+Het is onmogelijk, den schrik te schilderen, die den Jood op
+dit bericht overviel en in eens al zijne krachten scheen te
+verlammen. Zijne armen zakten machteloos neer, en zijn hoofd hing op
+zijne borst; zijne knieën knikten onder zijn gewicht, iedere zenuw en
+spier van zijn lichaam scheen ineen te krimpen en alle veerkracht te
+verliezen, en hij viel voor des pelgrims voeten neder, niet als iemand
+die zich vernedert, die nederknielt, of zich nederwerpt om medelijden
+in te roepen, maar als door onzichtbaar geweld ter neder geslagen,
+zonder dat hij eenigen tegenstand kan bieden.
+
+"Heilige God Abrahams!" was zijn eerste uitroep, terwijl hij de
+gerimpelde handen ineen sloeg en ophief, maar zonder zijn grijs hoofd
+van den grond op te beuren; "O heilige Mozes! o gezegende Aäron! ik
+heb dien droom niet tevergeefs gehad! Ik gevoel hunne ijzers reeds
+mijne zenuwen uittrekken! Ik gevoel hunne pijnigingen reeds door mijn
+geheele lichaam woelen, evenals de zagen en ijzeren eggen en bijlen
+de mannen van Rabbah en van de steden der kinderen Ammon's vernielden!"
+
+"Sta op, Izaäk, en luister naar mij," zei de pelgrim, die zijn
+overdrevene droefheid met een medelijdenden blik aanschouwde;
+die echter met verachting vermengd was; "gij hebt wel reden om te
+schrikken, als gij bedenkt, hoe uwe broeders behandeld zijn, zoowel
+door vorsten als edelen, om hun schatten af te persen; maar sta op,
+zeg ik, en ik zal u de middelen ter ontkoming aan de hand geven;
+verlaat dit huis oogenblikkelijk, terwijl de bewoners nog rustig
+slapen na het feest van gisteren avond. Ik zal u langs geheime paden
+in het bosch geleiden, die mij even goed bekend zijn als den besten
+jager, die ze doorkruist, en ik zal u niet verlaten, voordat gij
+onder bescherming van den een of anderen ridder of edele zijt, die
+naar het toernooi reist; en gij hebt waarschijnlijk wel de middelen,
+om welwillendheid te verwerven."
+
+Toen Izaäk de hoop hoorde uiten, dat hij zou kunnen ontsnappen,
+begon hij langzamerhand, als het ware duim voor duim van den grond
+op te rijzen, tot hij op de knieën lag, zijn lang grijs haar en zijn
+baard terug strijkende, en zijn doordringend zwart oog op den pelgrim
+vestigende, met een blik, die tegelijk hoop, vrees en ook eenigen
+achterdocht uitdrukte. Maar, zoodra hij het einde van de aanspraak
+hoorde, scheen zijn eerste schrik in volle kracht te herleven, en hij
+viel nog eens op de knieën, uitroepende: "_Ik_ de middelen bezitten,
+om welwillendheid te verwerven! Helaas! er is maar één weg, om de gunst
+van een Christen te verkrijgen; en hoe kan de arme Jood dien vinden,
+als hij reeds door afpersing zoo arm geworden is als Lazarus?" Hierop,
+alsof de achterdocht de overhand kreeg op zijne andere gewaarwordingen,
+riep hij plotseling uit: "Om Gods wil, jongeling, verraad mij niet--ter
+liefde van den grooten Vader, die ons allen geschapen heeft, Jood en
+Heiden, Israëliet en Ismaëliet--pleeg geen verraad aan mij! Ik bezit
+de middelen niet, om de welwillendheid van een Christen bedelaar
+te verwerven, al wilde hij mij die voor één penning schenken." Na
+deze woorden stond hij op, en vatte den mantel des pelgrims met een
+ernstig smeekenden blik. De pelgrim maakte zich los, alsof hij door
+de aanraking besmet werd.
+
+"En al waart gij met al den rijkdom van uw stam beladen," zeide hij,
+"waarom zou ik u leed doen?--in dit gewaad ben ik aan de armoede
+gewend, en wilde ze tegen niets ruilen, dan tegen een paard en een
+wapenrusting. Denk echter niet, dat ik om uw gezelschap verlegen ben,
+of mij er eenig voordeel van beloof; blijf hier, zoo gij wilt--Cedric
+de Sakser zal u beschermen."
+
+"Ach!" zei de Jood, "hij zal mij niet onder zijn gevolg laten
+medereizen--de Sakser en de Normandiër schamen zich beiden voor den
+armen Israëliet; en alleen te reizen door het gebied van Philip de
+Malvoisin en Reginald Front-de-Boeuf.... Goede jongeling, ik wil
+met u gaan!--Laten wij ons haasten--onze lendenen omgorden--laat ons
+vluchten!--Hier is uw staf, waarom draalt gij?"
+
+"Ik draal niet," antwoordde de pelgrim, toegevende aan de dringende
+beden van zijn makker; "maar ik moet middelen vinden, om deze plaats
+te verlaten--volg mij."
+
+Hij ging vooruit naar de naaste cel, die, zooals de lezer weet, door
+Gurth den zwijnenhoeder bezet was.--"Sta op, Gurth," riep de pelgrim,
+"open de achterpoort, en laat den Jood en mij er uit!"
+
+Gurth, wiens bezigheid, schoon thans zoo veracht, hem evenveel
+gewicht gaf in het Saksische Engeland, als aan Eumaeus [9] in
+Ithaka, was beleedigd door den gemeenzamen en gebiedenden toon van
+den pelgrim. "Den Jood uit Rotherwood uitlaten," zeide hij, op den
+elleboog leunende en hem vol argwaan aanziende, zonder zijn strooleger
+te verlaten, "en hij wil met den pelgrim verder reizen?"
+
+"Eerder had ik kunnen droomen," zeide Wamba, die op dit oogenblik
+binnentrad, "dat hij zich met een zijde spek zou wegpakken."
+
+"Wel," zeide Gurth, zijn hoofd weder op het houten blok leggende,
+dat hem tot kussen diende, "Jood en Heiden moeten wachten, totdat de
+groote poort opengaat--wij laten geene gasten op zulke ongeschikte
+uren steelsgewijs vertrekken."
+
+"En toch," hervatte de pelgrim op gebiedenden toon, "zult gij mij,
+denk ik, deze gunst niet weigeren."
+
+Bij deze woorden boog hij zich over het bed van den liggenden
+zwijnenhoeder, en fluisterde hem iets in de Saksische taal in het
+oor. Gurth vloog op als betooverd. De pelgrim gaf hem een wenk met
+den vinger, voorzichtig te zijn, en voegde er bij: "Gurth, pas op, gij
+placht vroeger voorzichtig te wezen.--Ik herhaal, doe het achterpoortje
+open--weldra zult gij meer vernemen!"
+
+Gurth gehoorzaamde met de meeste gedienstigheid, terwijl Wamba en de
+Jood volgden, beiden even verbaasd over de plotselinge verandering
+in het gedrag van den zwijnenhoeder.
+
+"Mijn muilezel, mijn muilezel!" riep de Jood, zoodra ze buiten stonden.
+
+"Haal hem zijn muilezel," zei de pelgrim, "en, hoor--bezorg mij
+er ook één,--zoodat ik hem gezelschap houden kan tot hij uit deze
+streken is. Ik zal het dier aan iemand uit Cedric's gevolg te Ashby
+teruggeven. En gij"--het overige fluisterde hij Gurth in het oor.
+
+"Dadelijk, dadelijk,--het zal geschieden!" antwoordde Gurth, en
+vertrok onmiddellijk om den last te volbrengen.
+
+"Ik wenschte wel te weten," zeide Wamba, toen zijn makker vertrokken
+was, "wat gij, pelgrims, in het Heilige Land leert?"
+
+"Onze gebeden opzeggen, nar," antwoordde de pelgrim, "onze zonden
+betreuren, en onze lichamen kastijden door vasten, waken en lange
+gebeden."
+
+"En nog iets daarenboven," hernam de nar; "want hoe zouden boete en
+gebed Gurth er toe kunnen bewegen, u eene beleefdheid te bewijzen;
+of vasten en waken hem overhalen u een muilezel te leenen?--Gij
+hadt even goed zijn zwarten, geliefkoosden beer van uw waken en
+uw boetedoeningen kunnen vertellen, en gij zoudt een even beleefd
+antwoord gekregen hebben."
+
+"Loop, loop;" zei de pelgrim; "gij zijt maar een Saksische nar."
+
+"Gij hebt gelijk," hervatte de nar; "het zou mijn geluk zijn als ik
+een geboren Normandiër was, waarvoor ik u houd, en het zou weinig
+schelen of ik werd een wijs man."
+
+Intusschen verscheen Gurth met de muilezels aan de overzijde van de
+gracht. De reizigers gingen die over door middel van een ophaalbrug van
+slechts twee planken, wier breedte overeenkwam met die der achterpoort
+en een opening in de buitenste palissade, welke toegang tot het bosch
+verschafte. Nauwelijks hadden zij de muilezels bereikt, of de Jood
+bevestigde met haastige en bevende handen achter op den zadel een
+kleinen zak van blauw laken, dien hij onder den mantel uithaalde, en
+die, zoo als hij bromde: "Kleeren, niets dan kleeren!" bevatte. Daarna
+het dier met meer vlugheid en haast bestijgende, dan men van iemand
+van zijn jaren zou verwacht hebben, verloor hij geen tijd, met de
+slippen van zijn reismantel zóó te schikken, dat zij den last, welken
+hij dus _en croupe_ met zich voerde, geheel en al bedekten.
+
+De pelgrim steeg bedaarder op, en stak Gurth de hand tot afscheid toe,
+welke hij met den grootsten eerbied kuste. De zwijnenhoeder staarde
+de reizigers na, tot zij onder de boomen van het bosch verdwenen,
+toen hij, door Wamba's stem, uit zijn gepeins opgewekt werd. "Weet
+gij wel," zeide hij, "vriend Gurth, dat gij heden morgen bijzonder
+beleefd en buitengemeen vroom zijt?--Ik wenschte, dat ik een deftige
+Prior of barrevoetsche pelgrim ware, om gebruik te kunnen maken van
+zulk een ongewonen ijver en beleefdheid;--zeker, ik zou mij met een
+handkus niet tevreden stellen."
+
+"Gij zijt toch zoo geheel gek niet, Wamba," antwoordde Gurth; "gij
+oordeelt naar den schijn, wat de wijste van ons ook doet.--Maar het
+is tijd naar onze bezigheden om te zien."
+
+Dit zeggende, ging hij met den nar naar huis.
+
+Intusschen vervolgden de reizigers hun weg met een haast, die een
+gevolg was van de buitengemeene vrees van den Jood; menschen van zijn
+jaren houden anders zelden veel van snelle beweging. De pelgrim,
+wien ieder pad en uitweg van het bosch bekend schenen, geleidde
+hem langs de afgelegenste wegen, en verwekte meer dan eens opnieuw
+den achterdocht bij den Israëliet, dat hij hem in de eene of andere
+hinderlaag van zijn vijanden wilde voeren.
+
+Zijne vrees was ook inderdaad te verontschuldigen, want, den
+vliegenden visch misschien uitgezonderd, was er geen geslacht op
+aarde, in de lucht, of in het water, dat zoo het voorwerp bleef van
+een onophoudelijke, algemeene en rustelooze vervolging, als de Joden,
+in dit tijdvak. Onder de geringste en onredelijkste voorwendsels,
+zoowel als op de meest ongerijmde en ongegronde beschuldigingen, werden
+hunne personen en goederen bij iedere gelegenheid, der openlijke
+woede prijs gegeven; want Normandiërs, Saksers, Denen en Britten,
+hoezeer zij elkander onderling haatten, schenen er om te strijden,
+wie met de meeste verachting op dit volk zou neerzien, dat het een
+punt van godsdienst was, te haten, te onderdrukken, te verachten, te
+plunderen en te vervolgen. De koningen van den Normandischen stam en de
+onafhankelijke edelen, die hun voorbeeld in alle daden van dwingelandij
+volgden, kwelden dit verdrukte volk op een meer geregelde, overlegde en
+baatzuchtige wijze. Het is een wèlbekende geschiedenis van Koning Jan,
+dat hij een rijken Jood in een der koninklijke kasteelen opsloot, en
+hem alle dagen een tand liet uittrekken, totdat toen de kinnebakken van
+den ongelukkigen Jood half ledig waren, hij er in toestemde, een groote
+som te betalen, die de dwingeland van hem wilde afpersen. Het weinige
+gereede geld, dat in het land was, bevond zich hoofdzakelijk in handen
+van dit vervolgde volk, en de adel aarzelde niet het voorbeeld van den
+Vorst te volgen, om het door allerlei onderdrukkingen en zelfs door
+lichamelijke folteringen in zijn bezit te krijgen. Maar de volhardende
+moed, door de hoop op winst ingegeven, spoorde de Joden aan, om de
+veelvuldige kwellingen, waaraan zij blootgesteld waren, te verduren,
+om de ontzaglijke schatten, die zij in een van natuur zoo rijk land als
+Engeland, konden bijeen verzamelen. In weerwil van alle hinderpalen,
+en zelfs van een hof van taxatie, de Joden-schatkamer genoemd,
+alleen opgericht met oogmerk om hen te plunderen en te verdrukken,
+stapelden de Joden onmetelijke sommen op, welke zij van de eene hand
+in de andere lieten gaan door wisselbrieven, eene uitvinding, welke,
+naar men zegt, de koophandel hun te danken heeft, en die hen in staat
+stelde, hun rijkdommen van land tot land over te brengen; zoodat,
+wanneer zij op de ééne plaats door de onderdrukking bedreigd werden,
+zij hun schatten op een andere in veiligheid konden bergen.
+
+De hardnekkigheid en gierigheid der Joden dus, in tegenoverstelling
+van de dweepzucht en de dwingelandij van hen, onder wie zij leefden,
+schenen, zoo te zeggen, te vermeerderen in evenredigheid met de
+vervolging, waaraan zij blootgesteld werden; en terwijl de ontzaglijke
+rijkdom, welken zij gewoonlijk in den handel verwierven, hen dikwijls
+in gevaar bracht, werd die op andere tijden gebruikt, om hun invloed
+uit te breiden, en hun een zekere mate van bescherming te bezorgen. Op
+dezen voet leefden zij, en hun karakter, hiernaar gewijzigd, was
+waakzaam, achterdochtig en vreesachtig--maar ook hardnekkig, slim en
+behendig in het vermijden der gevaren, waaraan zij blootgesteld waren.
+
+Nadat de reizigers door verscheidene zijpaden met de grootste
+snelheid voortgereden waren, brak de pelgrim eindelijk het stilzwijgen
+af. "Die groote vervallen eik," zeide hij, "maakt de grenspaal uit
+van hetgeen Front-de-Boeuf zijn gebied noemt;--wij zijn verre van
+dat van Malvoisin. Er is nu geen vervolging meer te duchten."
+
+"Mogen de wielen van hun wagens afvallen," zei de Jood, "zooals die
+van Farao's leger, opdat zij langzaam mogen rijden!--Maar verlaat mij
+niet, goede pelgrim,--denk maar aan dien trotschen, wilden Tempelier
+met zijne Saraceensche slaven;--zij zullen noch voor gebied, noch
+voor heerlijkheid, noch voor heeren-rechten, eerbied hebben."
+
+"Onze weg," hernam de pelgrim, "moet hier uiteen loopen; want het
+past niet voor mannen van mijn stand en van den uwe, om langer samen
+te reizen, dan noodig is. Buitendien, wat hulp zoudt gij van mij, een
+vreedzamen pelgrim, tegen twee gewapende Heidenen kunnen verwachten?"
+
+"O goede jongeling," antwoordde de Jood, "gij kunt mij verdedigen en
+ik weet ook wel, dat gij zulks wilt. Hoe arm ik ook ben, zal ik het
+u vergelden--niet met geld; want geld, zoo waar mij vader Abraham
+helpen zal, heb ik niet--maar--"
+
+"Ik heb u reeds gezegd," viel hem de pelgrim in de rede, "dat ik
+geld, noch belooning van u begeer. Ik zal u geleiden en zelfs wel
+verdedigen, dewijl het een Christen niet onwaardig kan gerekend worden,
+een Jood tegen een Saraceen te beschermen. Derhalve, Jood, zal ik u,
+eer ik u verlaat, onder veilige geleide zien. Wij zijn nu niet ver
+van de stad Sheffield, waar gij licht velen van uw stam vinden zult,
+bij wie gij toevlucht nemen kunt."
+
+"Vader Jacob zegene u, goede jongeling!" zei de Jood; "in Sheffield
+kan ik bij mijn bloedverwant Zareth eene schuilplaats vinden, en naar
+middelen uitzien, om in veiligheid verder te reizen."
+
+"Het zij zoo," hervatte de pelgrim; "te Sheffield zullen wij dus van
+elkander scheiden, en na een half uur rijdens zullen wij de plaats
+in het gezicht krijgen."
+
+Dit half uur werd van beide zijden in volkomen stilte doorgebracht;
+de pelgrim, het misschien beneden zich rekenende, om den Jood aan te
+spreken, behalve in geval van volstrekte noodzakelijkheid; en de Jood
+het niet wagende een man, wiens reis naar het Heilige Graf hem eene
+zekere eerwaardigheid gaf, tot een gesprek te dwingen. Zij hielden
+op den top van een zacht hellenden heuvel stil, en de pelgrim, op de
+stad Sheffield wijzende, welke onder hen lag, herhaalde de woorden:
+"Hier scheiden wij dus!"
+
+"Niet, eer gij den dank van den armen Jood ontvangen hebt," zeide
+Izaäk; "want ik durf u niet vragen, met mij bij mijn neef Zareth
+te gaan, die mij misschien zou kunnen behulpzaam zijn, om uwe goede
+diensten te beloonen."
+
+"Ik heb u reeds gezegd," antwoordde de pelgrim, "dat ik geene belooning
+begeer. Zoo gij onder de menigte uwer schuldenaars om mijnentwille de
+gevangenis en boeien besparen wilt aan den een of anderen ongelukkigen
+Christen, die in uw macht is, dan zal ik den dienst van dezen morgen
+rijkelijk beloond rekenen."
+
+"Wacht--wacht!" zeide de Jood, hem bij het kleed vattende, "ik wilde
+gaarne iets meer doen, iets voor u zelven.--God weet het, dat ik een
+arme Jood ben--ja, Izaäk is de bedelaar van zijn stam--maar vergeef
+mij, als ik geraden heb, wat gij op dit oogenblik het vurigst begeert."
+
+"Zoo gij goed raadt," hervatte de pelgrim, "dan kunt gij het mij toch
+niet verschaffen; al waart gij zoo rijk, als gij zegt arm te zijn."
+
+"Als ik zeg?" riep de Jood; "O! geloof mij, ik zeg niets dan de
+zuivere waarheid; ik ben een uitgeplunderd, ongelukkig mensch, vol
+schulden. Hardvochtige menschen hebben mij alles ontroofd; mijne
+goederen, mijne schepen, mijn geld en alles, wat ik bezat.--En
+toch kan ik u zeggen, wat gij wenscht, en mogelijk kan ik het u
+ook verschaffen. Gij wenscht op dit oogenblik een paard en eene
+wapenrusting."
+
+De pelgrim schrikte en keerde zich plotseling tot den Jood. "Welke
+booze geest heeft u dit doen raden?" vroeg hij haastig.
+
+"Dat is onverschillig," antwoordde de Jood glimlachende, "maar
+evengoed, als ik uwe begeerte kan raden, kan ik er aan voldoen."
+
+"Maar bedenk," zeide de pelgrim, "mijn stand, mijn kleeding, mijne
+gelofte."
+
+"Ik ken u, Christenen," hervatte de Jood; "en ik weet, dat de edelsten
+onder u den staf en de sandalen wel eens nemen, tot bijgeloovige boete,
+en te voet gaan, om de graven van doode menschen te bezoeken."
+
+"Laster niet, Jood!" zei de pelgrim streng.
+
+"Vergeef mij!" hernam de Jood; "ik heb onbedachtzaam gesproken. Maar er
+zijn u gisterenavond en hedenmorgen woorden ontvallen, die, evenals de
+vonken uit een keisteen, het metaal, dat er binnen schuilt, verraden;
+en in uw boezem zijn onder het pelgrimskleed een ridderketen en gouden
+sporen verborgen. Zij glinsterden mij tegemoet, toen gij u hedenmorgen
+over mijn bed boogt."
+
+De pelgrim kon een glimlach niet bedwingen en zeide: "Zoo uw
+kleederen door een even nieuwsgierig oog doorzocht werden, Izaäk,
+welke ontdekkingen zou men dan niet kunnen doen?"
+
+"Hier niet meer van!" hervatte de Jood, verbleekende; en schielijk zijn
+schrijfgereedschap voor den dag halende, alsof hij het gesprek wilde
+afbreken, begon hij iets op een stukje papier te schrijven, dat hij
+op zijn gele muts legde, zonder van den muilezel af te stijgen. Toen
+hij gedaan had, gaf hij het briefje, dat in het Hebreeuwsch geschreven
+was, aan den pelgrim, en zeide: "In de stad Leicester kent ieder den
+rijken Jood Kirjath Jairam uit Lombardije; geef hem dit briefje--hij
+heeft zes Milaneesche wapenrustingen te koop; de minste daarvan zou
+een gekroond hoofd waardig zijn--tien schoone paarden, waarvan het
+slechtste goed genoeg ware voor een koning, al moest hij om zijn
+troon strijden. Hieruit zal hij u de keur geven--met alles wat gij
+voor het toernooi noodig hebt; als alles afgeloopen is, zult ge het
+hem in goeden staat teruggeven--zoo gij geen geld genoeg hebt, om de
+waarde daarvan aan den eigenaar te betalen."
+
+"Maar Izaäk," zei de pelgrim glimlachende, "weet gij wel, dat in
+die wapenspelen de wapenen en het paard van den ridder, die uit den
+zadel gelicht wordt, het eigendom van den overwinnaar worden? En
+ik kan ongelukkig zijn, en dus verliezen, wat ik teruggeven, noch
+betalen kan."
+
+De Jood scheen een weinig verschrikt over deze mogelijkheid, maar
+weder moed vattende, hernam hij haastig: "Neen--neen--neen--het is
+onmogelijk--ik kan dat niet denken. De zegen van onzen Vader zal op
+u rusten. Uw lans zal machtig zijn, als de staf van Mozes!"
+
+Na deze woorden wendde de Jood den kop van zijn muilezel om; toen de
+pelgrim op zijn beurt hem bij den mantel vast hield en hem zeide: "Maar
+waarlijk, Izaäk, ge kent al het gevaar niet. Het paard kan gedood,
+en de wapenrusting beschadigd worden--want ik zal noch mijn paard,
+noch mijn persoon sparen. Buitendien geven de lieden van uw stam
+niets voor niet; er moet dus iets voor het gebruik betaald worden."
+
+De Jood kromp op zijn zadel inéén, als iemand die een aanval van koliek
+heeft; maar zijn beter gevoel zegevierde over de hem natuurlijke
+denkwijze. "Het kan mij niet schelen," zeide hij, "het kan mij niet
+schelen--laat mij gaan! Als er schade aan komt, zal het u niets
+kosten--als er huurgeld voor wezen moet, zal Kirjath Jaïram u zulks
+schenken ter liefde van zijn bloedverwant Izaäk.--Vaarwel!--Maar hoor
+eens, goede jongeling," zeide hij, zich omkeerende, "waag u niet te
+veel in het ijdele gewoel;--ik spreek niet uit vrees, dat het paard
+of de wapenrusting letsel krijgen, maar om uw eigen leven en lichaam."
+
+"Hartelijk dank voor uw zorg," hernam de pelgrim, weder glimlachende:
+"Ik zal van uw dienstvaardigheid gebruik maken, en het moet erg met
+mij afloopen, zoo ik die niet beloon."
+
+Zij scheidden en namen verschillende wegen naar de stad Sheffield.
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ De ridders togen op, gehuld in 't sierlijk wapen,
+ Omringd door heel een stoet van dienende edelknapen;
+ De één bond het helmsnoer vast; een ander hield de lans;
+ Een derde bracht het schild, dat blonk van wondren glans.
+ Het ros, vol ongeduld, aan 't brieschen, stampen, snuiven,
+ Beschuimde 't fraai gebit en deed den bodem stuiven;
+ De hoef- en wapensmids te paard, van hamers, leêr,
+ Van vijlen rijk voorzien en spijkers, volgden 't heir;
+ De schutters stonden voort gereed met boog en pijlen,
+ Terwijl het boerenvolk met knuppels aan kwam ijlen.
+
+ Palamon en Arcite.
+
+
+De toestand van het Engelsche [10] volk was in dit tijdperk vrij
+ellendig. Koning Richard was afwezig en gevangen, in de macht van den
+trouweloozen en wreeden Hertog van Oostenrijk. Zelfs was de plaats
+van zijn gevangenschap, evenals zijn lot, onbekend aan de meesten
+zijner onderdanen, die intusschen aan onderdrukkingen van allerlei
+aard ten prooi waren.
+
+Prins Jan, in verbond met Filips van Frankrijk, Richard's doodvijand,
+gebruikte al zijn invloed bij den Hertog van Oostenrijk, om de
+gevangenschap van zijn broeder Richard, wien hij zooveel verschuldigd
+was, te verlengen. Intusschen versterkte hij zijn aanhang in het
+koninkrijk, waarvan hij de troonsopvolging, in geval van des konings
+dood, wilde betwisten aan den rechtmatigen erfgenaam, Arthur, Hertog
+van Bretagne, zoon van Geoffroi Plantagenet, zijn ouderen broeder. Deze
+overweldiging, gelijk bekend is, gelukte hem ook werkelijk op den
+duur. Daar zijn eigen karakter sluw, slecht en trouweloos was, verbond
+Jan gemakkelijk aan zijn persoon en aan zijne partij niet alleen hen,
+die reden hadden Richard's toorn te vreezen, wegens hun gedrag in
+zijne afwezigheid; maar ook de talrijke dappere vrijbuiters, welke van
+de kruistochten in hun vaderland waren teruggekeerd, volleerd in de
+ondeugden van het Oosten, arm aan goederen, verhard van karakter, en
+die hunne hoop stelden op een nieuwen oogst in de burgerlijke onlusten.
+
+Bij deze bronnen van algemeene ellende en vrees moet nog gevoegd
+worden het groot getal van vogelvrijverklaarden, die, tot wanhoop
+gedreven door de onderdrukking van den hoogen adel, en door de strenge
+uitvoering der jachtwetten, zich in groote benden vereenigden, en,
+bezit nemende van de bosschen en woeste streken, de gerechtigheid
+en overheid van het land trotseerden. De edelen zelven, ieder binnen
+zijn eigen kasteel verschanst, en den kleinen vorst over zijn gebied
+spelende, waren de aanvoerders van benden, die nauwelijks minder
+ongebonden, en tegelijk ergere onderdrukkers waren, dan de roovers van
+beroep. Om deze volgelingen te onderhouden, met de buitensporigheid en
+pracht, waartoe zij door hoogmoed gedreven werden, leende de adel geld
+van de Joden op de meest woekerachtige renten, die aan hun goederen
+knaagden, als een verterende kanker, die slechts dan te genezen was,
+als zich de gelegenheid opdeed, om door de een of andere daad van
+geweld zich van hunne schuldeischers te bevrijden.
+
+Onder de verschillende soorten van rampen, uit dezen ongelukkigen
+staat van zaken voortspruitende, leed het Engelsche volk toenmaals
+veel, en had reden de toekomst nog meer te vreezen. Om de ellende
+nog te vermeerderen, verspreidde zich eene besmettelijke ziekte van
+gevaarlijken aard door het land; en, nog verergerd door de morsigheid,
+het slechte voedsel en de ellendige woningen der geringere klassen,
+maaide zij er duizenden van weg, wier lot de overlevenden benijdden,
+daar het hen van verderen nood verloste.
+
+Te midden echter van al deze rampen, gevoelden armen en rijken, het
+gemeen en de adel, bij een toernooi, het groote volksfeest van dien
+tijd, evenveel belangstelling, als de half uitgehongerde burger van
+Madrid, die geen _reaal_ over heeft om brood voor zijn huisgezin te
+koopen, gevoelt in den uitslag van een stieren-gevecht. Plicht noch
+zwakheid konden jong en oud van zulke vertooningen terug houden. De
+wapengang, zooals men het noemde, die plaats zou hebben te Ashby,
+in het graafschap Leicester, had de algemeene aandacht getrokken,
+daar kampvechters van den hoogsten roem, in tegenwoordigheid van
+Prins Jan zelven, in het strijdperk zouden treden; en een ontzaglijke
+toevloed van menschen van alle rangen spoedde zich op den bepaalden
+morgen naar de plaats van den strijd.
+
+Het tooneel was bijzonder schilderachtig. Op de grenzen van een bosch,
+dat slechts een groot kwartier gaans van de stad Ashby verwijderd was,
+bevond zich een uitgestrekte, schoone, groene weide, aan de eene
+zijde door het woud, aan de andere door verspreid staande eiken,
+waarvan eenigen ontzaglijk hoog waren, omgeven. De grond helde van
+beide kanten langzaam af naar een vlakte, als voor het krijgsspel,
+dat dáár plaats zou hebben, gemaakt. Het strijdperk was met sterke
+palissaden ingesloten,--een vierde mijl lang, en half zoo breed. De
+vorm was langwerpig vierkant, behalve de hoeken, die afgerond
+waren, tot grooter gemak van de aanschouwers. De toegangen voor de
+kampvechters waren aan het noorder en zuider einde van het strijdperk;
+ze waren gesloten met sterke houten deuren, wijd genoeg om twee ruiters
+naast elkander door te laten. Bij elke dezer poorten stonden twee
+herauten en zes trompetters, evenzoo vele wapenboden, en een sterke,
+gewapende wacht om de orde te houden, en om den rang der ridders te
+onderzoeken, die aan dit krijgshaftig spel wilden deelnemen.
+
+Op eene vlakte buiten den zuider ingang, gevormd door een natuurlijke
+verhevenheid van den grond, waren vijf prachtige tenten opgeslagen,
+versierd met donker roode en zwarte wimpels, de kleuren, welke de
+vijf uitdagende ridders gekozen hadden. De touwen der tenten waren
+van dezelfde kleur. Vóór iedere tent hing het schild van den ridder,
+aan wien ze behoorde, en daarnaast stond zijn schildknaap, vermomd
+als een wilde, of boschman, of in eenige andere zonderlinge kleeding,
+volgens den smaak van zijn meester en de rol welke deze gedurende het
+spel wilde aannemen [11]. De middelste tent, als de eereplaats, was
+toegewezen aan Brian de Bois-Guilbert, wiens naam in alle ridderspelen,
+niet minder dan zijne betrekking tot de ridders, welke dezen wapengang
+ondernomen hadden, hem gereedelijk onder het getal der uitdagers,
+en zelfs tot aanvoerder had doen aannemen, hoewel hij slechts sedert
+korten tijd zich bij hen gevoegd had. Aan één kant van zijn tent was
+die van Reginald Front-de-Boeuf en van Richard de Malvoisin, en aan den
+anderen was de tent van Hugo de Grantmesnil, een edele uit de buurt,
+wiens voorvader Opper-Ceremoniemeester van Engeland geweest was, ten
+tijde van den Veroveraar en van zijn zoon, den Rooden Willem. Ralph de
+Vipont, een ridder van St. Jan van Jeruzalem, die eenige bezittingen
+had te Heather, nabij Ashby-de-la-Zouche, bezette de vijfde tent. Van
+den ingang in het strijdperk leidde een langzaam oploopende weg,
+tien el breed, naar de hooge vlakte, waarop de tenten stonden. Deze
+was van beide kanten met palissaden omgeven, evenals de ruimte vóór
+de tenten, en het geheel werd door gewapenden bewaakt.
+
+De noordelijke toegang tot het strijdperk was een soortgelijke gang,
+dertig voet breed, aan welks einde eene groote afgesloten plaats
+was voor die ridders, die geneigd mochten zijn den strijd tegen de
+uitdagers te wagen; dáár stonden ook tenten, met ververschingen van
+allerlei aard gereed; met wapen- en hoefsmeden en andere bedienden,
+bereid om hun diensten te bewijzen, overal waar ze noodzakelijk
+mochten zijn.
+
+De buitenkant van het strijdperk was gedeeltelijk bezet met galerijen,
+voorzien met tapijten en zittingen voor die dames, ridders en edelen,
+welke bij het toernooi verwacht werden. Eene kleine ruimte tusschen
+deze galerijen en het strijdperk was bestemd voor de pachters en
+landlieden en de toeschouwers, die niet geheel tot het gemeen
+behoorden, en welke met de "_parterre_" in onze hedendaagsche
+schouwburgen kunnen vergeleken worden. De groote menigte zette zich
+op groote zodenbanken, die voor dat doel waren opgericht, en die door
+de natuurlijke verhevenheid van den grond hen in staat stelden, over
+de galerijen heen te zien, en een goed gezicht op het strijdperk te
+krijgen. Behalve deze plaatsen, hadden reeds honderden op de takken
+der boomen, welke de weide omringden, plaats genomen, en zelfs de
+toren van een niet ver afgelegen dorpskerk was met toeschouwers bezet.
+
+Er blijft nog slechts over, ten opzichte van de geheele inrichting
+op te merken, dat eene hoogere galerij in het middelpunt van de
+oostelijke zijde van het strijdperk, en dus vlak tegenover de plaats,
+waar de strijders elkander ontmoeten moesten, opgericht was, die rijker
+versierd, en onderscheiden was door een soort van troonhemel, waarop
+het koninklijke wapen prijkte. Schildknapen, pages en trawanten in
+rijke kleeding stonden rondom die eereplaats, welke bestemd was voor
+Prins Jan en zijn gevolg. Tegenover deze koninklijke galerij, aan den
+westkant, bevond zich eene andere, even hoog, en bonter, schoon minder
+prachtig versierd, dan die van den Prins zelven. Een menigte pages
+en jonge meisjes van uitstekende schoonheid, groen en rood gekleed,
+omringden dien troon welke met dezelfde kleuren versierd was.
+
+Onder de wimpels en vlaggen, beschilderd met gewonde, brandende en
+bloedende harten, bogen en pijlkokers en al de bekende zinnebeelden
+van de zegepralen van Cupido, viel een opschrift in het oog, dat de
+toeschouwers onderrichtte, dat deze de eereplaats was van _La Royne de
+la Beautté et des Amours_. Maar wie dit zijn zou, kon niemand gissen.
+
+Langzamerhand stroomden toeschouwers van allen aard toe, om hunne
+verschillende plaatsen in te nemen, niet zonder vele twisten over die,
+waarop zij recht hadden. Eenige van deze geschillen werden zonder
+veel omslag door de gewapenden beslist, daar zij de grepen van hunne
+heirbijlen en de gevesten van hunne sabels vaardig gebruikten, als
+bewijsredenen, om de hardnekkigsten te overtuigen. Andere twisten,
+die tusschen personen van hoogeren rang bestonden, werden beslist door
+de herauten, of door de twee Wapen-Maarschalken, Willem de Wyvil en
+Steven de Martival, die gewapend in het strijdperk op en neder reden,
+om de goede orde onder de toeschouwers te bewaren.
+
+Allengs vulden zich de galerijen met ridders en edelen in feestgewaad;
+hunne lange en rijk gekleurde mantels staken zeer af bij de meer bonte
+en prachtige kleeding der vrouwen, die, zelfs in grooter getal dan de
+mannen, elkander verdrongen, om een schouwspel te zien, dat te bloedig
+en te gevaarlijk scheen, om haar veel genoegen te kunnen verschaffen.
+
+De benedenste en binnenste ruimte was weldra opgevuld met
+gegoede landlieden, burgers en diegenen van minderen adel, die uit
+bescheidenheid, armoede, of wegens betwiste rechten, geene hoogere
+plaats durfden innemen. Het is natuurlijk, dat onder deze klasse de
+meeste oneenigheid over den voorrang plaats had.
+
+"Ongeloovige hond!" riep een oud man, wiens versleten mantel zijn
+armoede te kennen gaf, terwijl zijn zwaard, zijn dolk en zijn gouden
+ketting zijn aanspraak op hoogen rang bewezen;--"Roofdier! durft gij
+tegen een Christen aandringen, en nog wel tegen een Normandischen
+edelman van het geslacht der Montdidiers?"
+
+Deze ruwe aanspraak was tot niemand anders gericht dan tot onzen
+kennis Izaäk, die, rijk en zelfs prachtig gekleed, in een mantel
+met kant omzet en met bont gevoerd, trachtte plaats te maken in de
+voorste rij onder de galerij voor zijne dochter, de schoone Rebekka,
+die te Ashby bij hem gekomen was, en nu aan den arm van haren vader
+hing, niet weinig verschrikt over het misnoegen, dat algemeen door
+haar vaders vermetelheid verwekt werd. Maar Izaäk, dien wij bij
+een andere gelegenheid zoo vreesachtig gezien hebben, wist wel, dat
+hij nu niets te duchten had. Het was niet op plaatsen van openbare
+vermakelijkheden, of waar huns gelijken vergaderd waren, dat eenig
+geldgierige of kwaadaardige edelman hem durfde aanvallen. Bij zulke
+gelegenheden waren de Joden onder de bescherming van de algemeene
+wet; en al was deze maar zwak, dan waren er gewoonlijk onder den
+vergaderden hoop eenige edelen, die uit eigenbelang gereed waren,
+als hun beschermers op te treden. Bij de tegenwoordige gelegenheid
+gevoelde Izaäk zich meer dan gewoon gerust, daar hij wist, dat Prins
+Jan bezig was eene groote leening bij de Joden van York te heffen,
+door het verpanden van zekere juweelen en landerijen. Izaäk's eigen
+deel in dezen handel was groot; en hij wist wel, dat de Prins, die
+vurig verlangde, de zaak ten einde te brengen, hem zijne bescherming
+zou verleenen in de verlegenheid, waarin hij zich nu bevond.
+
+Overmoedig door deze overweging, vervolgde de Jood zijn doel, en
+stiet den Normandischen Christen op zijde, zonder achting voor zijne
+afkomst, zijn rang of zijn godsdienst. De klachten van den ouden man
+verwekten intusschen de verontwaardiging der menschen. Één daarvan,
+een sterk, gespierd jager, donker groen gekleed, met twaalf pijlen
+in den koker, met een zilveren koppel en een zes voet langen boog in
+de hand, keerde zich om; en terwijl zijn gelaat, dat door gedurig aan
+het weêr blootgesteld te zijn, bruin geworden was als een hazelnoot,
+van toorn gloeide, ried hij den Jood aan, zich te herinneren, dat
+al de rijkdom, welken hij door het uitzuigen van zijn ongelukkige
+slachtoffers verworven had, hem slechts als een kruisspin had doen
+opzwellen, welke men over het hoofd zou kunnen zien, zoolang ze in
+een hoek schuilde, maar die verpletterd zou worden, zoodra zij waagde
+voor den dag te komen. Dit verwijt in het Normandisch-Saksisch, met
+vaste stem en ernstigen blik gedaan, deed den Jood achteruit deinzen,
+en hij zou zich waarschijnlijk geheel uit eene zoo gevaarlijke buurt
+verwijderd hebben, ware niet plotseling ieders aandacht gevestigd
+geworden op de verschijning van Prins Jan, die op dit oogenblik het
+strijdperk binnen reed, vergezeld van een talrijk en bont gevolg,
+gedeeltelijk uit leeken, gedeeltelijk uit geestelijken bestaande;
+dezen even wereldsch in hunne kleeding en luchtig in hun gedrag,
+als hunne metgezellen. Onder de laatsten bevond zich de Prior van
+Jorvaulx, in het prachtigste gewaad, dat zijn geestelijke waardigheid
+toeliet. Bontwerk en goud waren niet aan zijn kleederen gespaard;
+en de punten van zijn laarzen, de bespottelijke mode van den tijd
+overdrijvende, staken zoo hoog naar boven, dat zij niet slechts
+tot aan de knieën, maar zelfs tot aan den gordel kwamen, en hem
+inderdaad beletten, den voet in den stijgbeugel te zetten. Dit was
+echter slechts een gering ongemak voor den dapperen abt, die zich
+misschien verheugde gelegenheid te hebben, zijne kunst in het rijden,
+voor zoo vele toeschouwers, en voornamelijk voor zoo vele van het
+schoone geslacht, ten toon te spreiden. Het overige gevolg van Prins
+Jan bestond uit de begunstigde aanvoerders van zijne huurlingen,
+eenige van roof levende edelen en ledigloopende hovelingen, met
+verscheidene Tempeliers en Johanniter-ridders.
+
+Men moet hier opmerken, dat de ridders van deze orden voor vijanden
+van Koning Richard gehouden werden, daar zij de partij van Filips van
+Frankrijk gekozen hadden, in de lange twisten tusschen dezen vorst en
+Richard Leeuwenhart. Het is bekend, dat door deze tweedracht Richard's
+herhaalde overwinningen verijdeld, zijne avontuurlijke pogingen om
+Jeruzalem te belegeren, teleurgesteld werden, en dat de vrucht van
+al den roem, dien hij verworven had, zich bepaalde tot eene onzekere
+wapenstilstand met den Sultan Saladin. Uit dezelfde staatkunde, welke
+het gedrag hunner broederen in het Heilige Land bestierd had, verbonden
+zich de Tempeliers en Hospitaalridders in Engeland en Normandië met de
+partij van Prins Jan, daar zij weinig reden hadden te verlangen naar
+Richard's terugkomst, of naar de opvolging van Arthur, zijn wettigen
+erfgenaam. Daarentegen haatte en verachtte Prins Jan de weinige
+aanzienlijke Saksische geslachten, die nog in Engeland bestonden, en
+hij liet geene gelegenheid voorbijgaan, ze te kwetsen en te hoonen,
+omdat het hem bewust was, dat zijn persoon en zijne eischen hun
+mishaagden, zoowel als aan het grootste gedeelte van het Engelsche
+volk, dat verdere inbreuken op zijne rechten en vrijheden vreesde
+van een vorst met zulk een losbandig en tiranniek karakter als Jan.
+
+Vergezeld van zijn bont gevolg, en zelf prachtig in karmozijn en goud
+gekleed, een valk op de hand dragende, het hoofd bedekt met een rijke
+muts van bont, versierd met een rand van edelgesteenten, waaronder
+zijn lang gekruld haar te voorschijn kwam, dat tot op zijn schouders
+hing, galoppeerde Prins Jan op een schimmel door het strijdperk aan
+het hoofd van den bonten stoet, met zijne vrienden lachende, en met
+al de stoutheid van een koninklijken kenner de schoonen beschouwende,
+welke de hooge galerijen bezetten.
+
+Zij, die in het gelaat van den Prins eene losbandige stoutheid,
+met overdreven hoogmoed en onverschilligheid voor de gevoelens van
+anderen vermengd, bespeurden, konden echter niet ontkennen, dat er
+een zekere aanvalligheid op lag, die, eigen aan open, welgevormde
+trekken, kunstmatig aan de regels van uiterlijke beleefdheid gewend,
+echter in zooverre edel en oprecht zijn, dat zij buiten staat
+schijnen, de natuurlijke gemoedsaandoeningen te verbergen. Zulk eene
+gelaatsuitdrukking wordt dikwijls verkeerd voor manhaftig vrijmoedig
+gehouden, daar ze, inderdaad, slechts voortspruit uit de zorgelooze
+onverschilligheid van een losbandig karakter, uit de bewustheid van
+hooge geboorte, van rijkdom, of eenige andere toevallige voordeelen,
+die in het geheel niet van persoonlijke verdiensten afhangen. Voor
+hen, die niet zoo diep dachten, en niet één uit honderd deed dit, was
+de pracht van des Prinsen _rheno_ (d. i. pelskraag), van zijn mantel
+met het kostbaarste hermelijn omzet, van zijn marokijnen laarzen en
+gouden sporen, tegelijk met de bevalligheid, waarmede hij zijn paard
+in bedwang hield, voldoende, om hem met een luid vreugdegejuich te
+doen ontvangen.
+
+Gedurende zijn feestelijken tocht door het strijdperk, werd de
+aandacht van den Prins getrokken door de opschudding, welke het
+eerzuchtige streven van den Jood Izaäk naar eene hoogere zitplaats
+veroorzaakte. Het scherpe oog van Prins Jan herkende den Jood terstond,
+maar werd veel aangenamer aangetrokken door de schoone dochter van
+Sion, die, verschrikt door het oproer, zich dicht aan haar ouden
+vader klemde.
+
+De gedaante van Rebekka kon werkelijk vergeleken worden bij de eerste
+schoonheden van Engeland, zelfs als die had moeten beoordeeld worden
+door een zoo fijnen kenner als Prins Jan. Haar leest was buitengemeen
+schoon, en kwam op het voordeeligst uit door een soort van Oostersche
+kleeding, die zij volgens het gebruik der vrouwen van haar natie
+droeg. Haar tulband, van gele zijde, paste goed bij haar donkere
+gelaatskleur. Het vuur harer oogen, de heerlijk gebogen wenkbrauwen, de
+fijn gevormde haviksneus, parelwitte tanden, en zwaar zwart haar, dat
+in fijne, krullende lokken op den blanken hals en boezem vielen, voor
+zooverre een doek van de kostbaarste Perzische zijde, met bloemen in
+natuurlijke kleuren op een purpergrond gewerkt, ze niet bedekte,--dit
+alles verhoogde de bekoorlijkheden, welke niet overtroffen werden
+door die der schoonste meisjes, welke haar omringden. Het moet gezegd
+worden dat de drie bovenste gouden en met paarlen bezette lissen, die
+haar kleed van den hals tot aan den gordel sloten, wegens de groote
+warmte waren opengelaten, hetgeen haar schoone gestalte des te meer
+zichtbaar maakte. Een diamanten halssnoer van onschatbare waarde
+viel op deze wijze ook in 't oog. Een struisveder, aan den tulband
+vastgemaakt met een diamanten haak, was nog een onderscheidingsteeken
+der schoone Jodin, waarover de trotsche dames, die boven haar zaten,
+spotten en lachten, terwijl zij haar in stilte benijdden.
+
+"Bij den kalen schedel van Abraham," zei Prins Jan, "die Jodin dáár is
+waarlijk het model van die volmaakte schoonheid, wier bekoorlijkheden
+den wijsten Koning, die ooit geleefd heeft, tot waanzin brachten. Wat
+zegt gij er van, Prior Aymer?--Bij den Tempel, welken mijn wijze
+broeder Richard niet in staat was te herwinnen, zij is de ware bruid
+uit het Hooge Lied!"
+
+"De roos van Saron en de lelie der dalen," antwoordde de Prior
+fluisterend; "maar uw Hoogheid moet niet vergeten, dat het slechts
+eene Jodin is!"
+
+"Ach!" voegde Prins Jan er bij, zonder op dezen raad te letten,
+"en daar is mijn zondige Mammon ook;--de Markies van de Goudmijn,
+Baron van de Beurs, die met arme duivels, wier afgesleten mantels
+toonen, dat zij geen penning in den zak dragen, om hun lompen bij
+elkander te houden, om een plaats twist. Bij den heiligen Markus, mijn
+woekervorst zal met zijne bekoorlijke Jodin eene plaats in de galerij
+hebben.--Izaäk! wie is die Oostersche Houri, die gij even vast onder uw
+arm houdt, alsof zij eene geldkist was;--is het uw vrouw of dochter?"
+
+"Mijne dochter Rebekka, tot uwer Hoogheids dienst," antwoordde
+Izaäk, met eene diepe buiging, geheel niet verlegen over den groet
+van den Prins, ofschoon daarin evenveel spotternij als beleefdheid
+lag opgesloten.
+
+"Des te beter voor u!" riep Jan met een schaterend gelach, dat bij zijn
+vroolijk gevolg in alle onderdanigheid aanstekelijk scheen. "Maar,
+dochter of vrouw, aan haar moet de voorrang gegeven worden, die aan
+hare schoonheid en uwe verdiensten toekomt.--Wie zit daar boven?" ging
+hij voort, zijn oog op de galerij richtende. "Saksische boeren op
+hun gemak uitgestrekt;--weg met hen!--laat ze maar wat opschikken, en
+ruimte maken voor mijn woekervorst en zijne beminnelijke dochter. Ik
+zal hun leeren, de eerste plaatsen der Synagoge te deelen met hen,
+aan wie de Synagoge eigenlijk behoort."
+
+Zij, die de galerij bezetten, en tot wie deze onbeleefde en
+beleedigende taal gericht was, waren het gezin van Cedric den
+Sakser, met dat van zijn bloedverwant Athelstane van Coningsburgh,
+een man, die, wegens zijne afkomst van den laatsten Saksischen vorst
+in Engeland, bij alle Saksische inboorlingen van het noorden van
+Engeland in de grootste achting stond. Maar met het bloed van dezen
+ouden koninklijken stam waren vele van diens zwakheden op Athelstane
+overgegaan. Hij had een schoon gelaat, was zwaar en sterk van lichaam,
+en in den bloei zijner jaren, maar had geene levendigheid in zijn
+uiterlijk; zijne oogen waren zonder uitdrukking; hij was langzaam in
+zijne bewegingen, en zoo traag in zijne besluiten, dat men hem den
+scheldnaam van een zijner voorouders gaf, en hij dikwijls Athelstane
+de Besluitelooze genoemd werd. Zijne vrienden,--en hij had er velen,
+die, evenals Cedric, vurig aan hem verkleefd waren,--geloofden,
+dat dit traag karakter niet uit gebrek aan moed, maar uit loutere
+besluiteloosheid voortsproot; anderen beweerden, dat de geërfde ondeugd
+der dronkenschap zijn bovendien niet zeer scherp vernuft verstompt had,
+en dat de geduldige moed en zachte goedaardigheid, welke overbleven,
+slechts de overblijfsels van een karakter waren, dat uitstekend had
+kunnen worden, maar waarvan alle degelijke eigenschappen in een lange
+reeks der ergste uitspattingen waren verloren geraakt.
+
+Het was tot dezen man, dien wij nu beschreven hebben, dat de
+Prins het stoute bevel richtte, om plaats te maken voor Izaäk en
+Rebekka. Athelstane, geheel uit het veld geslagen door een bevel,
+dat volgens de zeden en gevoelens dier tijden zeer beleedigend was,
+wilde niet gehoorzamen; maar niet wetende hoe zich te houden, verzette
+hij zich slechts door de _vis inertiae_, tegen den wil van den Prins;
+en zonder de minste beweging te maken, om hem te gehoorzamen, opende
+hij de groote grauwe oogen, en staarde den Prins aan met een verbazing,
+die iets zeer belachelijks had. Maar de ongeduldige Prins beschouwde
+het niet uit dit oogpunt. "Het Saksische zwijn," zeide hij, "slaapt,
+of stoort zich niet aan hetgeen ik zeg.--Geef hem eventjes een prik
+met uw lans, De Bracy," vervolgde hij tot een ridder, die naast
+hem reed en die aanvoerder was van een hoop Condottieri, dat is,
+huurlingen, die tot geen bijzondere natie behoorden, maar aan iederen
+vorst gehecht waren, die hen betalen wilde. Er ontstond een gemor,
+zelfs onder het gevolg van Prins Jan; maar De Bracy, wiens beroep
+hem voor alle schroomvalligheid bewaarde, strekte zijn lange lans
+uit over de ruimte, die de galerij van het strijdperk scheidde,
+en zou het bevel van den Prins ten uitvoer gebracht hebben, zelfs
+eer Athelstane de Besluitelooze genoeg tegenwoordigheid van geest
+gevonden had, om voor den stoot te wijken, had niet Cedric, die even
+vurig als zijn metgezel traag was, met de snelheid van den bliksem
+zijn kort zwaard getrokken, en met één slag de punt van de lans er
+afgeslagen. De toorn kleurde de wangen van Prins Jan; hij uitte een
+geweldigen vloek, en was op het punt eene even geweldige bedreiging
+te laten volgen, toen hij in zijn voornemen belet werd, gedeeltelijk
+door zijn eigen gevolg, dat zich rond hem verdrong en hem smeekte te
+bedaren, gedeeltelijk door de algemeene, luide toejuiching van het
+volk, over het moedige gedrag van Cedric. De Prins sloeg de oogen
+vol verontwaardiging in het rond, alsof hij een zeker en gemakkelijk
+slachtoffer zoeken wilde; en bij toeval den vasten blik van den reeds
+gemelden boogschutter ontmoetende, die in zijn goedkeurende houding
+scheen te willen volharden, in weerwil van den toornigen blik van
+den Prins, vroeg hij hem de reden van zijn luid gejuich.
+
+"Ik roep altijd bravo," zei de schutter, "als ik een goed schot of
+een krachtigen houw zie!"
+
+"Zoo?" antwoordde de Prins; "dan kunt gij zeker het wit ook wel
+treffen, wed ik?"
+
+"Ja," hervatte de schutter, "jagers wit op jagers afstand kan ik
+treffen."
+
+"En Tyrrels wit op honderd el afstand!" [12] riep eene stem achter hem,
+zonder dat men onderscheiden kon, van wien die kwam.
+
+Deze toespeling op het lot van den Rooden Willem, een zijner
+voorouders, vertoornde en verontrustte Prins Jan te gelijk. Hij
+vergenoegde zich echter met den gewapenden, die het strijdperk
+omringden te bevelen, een wakend oog te houden op dezen snoever,
+zooals hij den schutter noemde. "Bij St. Griselda," voegde hij er bij,
+"wij zullen de bekwaamheid van hem beproeven, die zoo bij de hand is,
+om de daden van anderen te prijzen."
+
+"Ik zal mij niet aan de proef onttrekken!" hernam de schutter met
+een bedaardheid, die zijn vast karakter te kennen gaf.
+
+"Intusschen staat op, gij Saksische boeren," riep de driftige Prins;
+"want bij het licht des hemels, zoo waar ik het gezegd heb, zal ook
+de Jood bij u zitten!"
+
+"Geenszins, met verlof van uw Hoogheid; het past voor onzes gelijken
+niet, onder de beheerschers van het land te zitten!" zei de Jood,
+wiens eerzucht hem den voorrang wel deed betwisten aan den uitgeteerden
+en verarmden afstammeling der Montdidiers, maar die het niet waagde,
+zich aan de rijke Saksers op te dringen.
+
+"Naar boven, ongeloovige hond, als ik het u beveel!" zeide Prins Jan,
+"of ik laat uw zwarte huid afvillen en tot een zadeldek bereiden."
+
+Dus voortgedreven, begon de Jood de steile en nauwe trap op te klimmen,
+die naar de galerij geleidde.
+
+"Laat mij zien, wie hem durft tegenhouden," zei de Prins, het oog op
+Cedric vestigende, wiens houding te kennen gaf, dat hij voornemens
+was den Jood hals over kop naar beneden te werpen.
+
+Dit werd verhinderd door Wamba, die tusschen zijn meester en Izaäk
+sprong, en tot antwoord op des Prinsen uitdaging uitriep: "Voorwaar,
+dat zal ik doen!" Hierop hield hij den Jood een stuk gerookt spek
+als een schild tegemoet, dat hij van onder den mantel uit haalde,
+en waarmede hij zich zonder twijfel voorzien had, uit vrees, dat
+het toernooi langer mocht duren, dan zijn honger hem vergunde te
+wachten. Den afschrik van zijn stam zoo dicht bij zijn neus ruikende,
+terwijl de nar te gelijk zijn houten zwaard boven zijn hoofd zwaaide,
+week de Jood achteruit, gleed en viel den trap af, tot groot vermaak
+der toeschouwers, die in een luid gelach uitbarstten, waaraan Prins
+Jan en zijn gevolg hartelijk deel namen.
+
+"Geef mij den prijs, neef Prins," zeide Wamba; "ik heb mijn vijand in
+den eerlijken strijd met schild en zwaard overwonnen!" Dit zeggende,
+zwaaide hij het spek met de eene hand en het houten zwaard met
+de andere.
+
+"Wie en van waar zijt gij, edele strijder?" vroeg Prins Jan, steeds
+lachende.
+
+"Een nar van afkomst," antwoordde Wamba. "Ik ben Wamba, de zoon
+van Weetniet, die de zoon was van Warhoofd, die de zoon was van
+een Raadsheer."
+
+"Maakt plaats voor den Jood in de voorste rij van den ondersten kring,"
+zei Prins Jan, niet ontevreden misschien, een voorwendsel te vinden,
+om van zijn eerste voornemen te kunnen afzien; "den overwonnene naast
+den overwinnaar te plaatsen, ware tegen de wetten der ridderschap!"
+
+"De schelm naast den nar zou nog erger zijn," hernam Wamba, "en de
+Jood naast den ham het ergste van alles."
+
+"Gij hebt gelijk, vriend!" riep Prins Jan; "gij bevalt mij.--Hier,
+Izaäk! leen mij een handvol daalders."
+
+Terwijl de Jood, verschrikt over dezen eisch, niet durvende weigeren
+en ongaarne gehoorzamende, in den pelszak tastte, welke aan zijn
+gordel hing, en misschien onderzocht, hoe weinig stuks voor een
+handvol zouden kunnen doorgaan, bukte zich de Prins naar hem toe,
+en maakte een einde aan Izaäk's onzekerheid, door den zak van zijn
+zijde te scheuren; en Wamba een paar van de goudstukken, die er zich
+in bevonden, toewerpende, galoppeerde hij het strijdperk rond, den
+Jood aan het gelach der omstanders prijs gevende, terwijl hij zelf
+evenzeer door de aanschouwers toegejuicht werd, alsof hij een edele,
+eervolle daad verricht had.
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Het luid trompetgeschal heeft strijders uitgedaagd,
+ Beantwoord weêr door hen, dien d' eedle kamp behaagt.
+ De daverende klank vervult de lucht en dreven;
+ En 't ros gespoord, 't vizier gesloten, rukken ze aan
+ Van d' open slagboom naar het midden van de baan,
+ Met uitgestrekte lans, of helmwaarts opgeheven.
+
+ Palamon en Arcite.
+
+
+Midden in zijn rit hield Prins Jan op eens stil en, den Prior van
+Jorvaulx roepende, verklaarde hij, de voornaamste zaak van den dag
+verzuimd te hebben.
+
+"Zoo waar ik leef, Prior!" zeide hij, "wij hebben vergeten de Koningin
+der Liefde en Schoonheid te benoemen, door wier blanke hand de prijs
+der overwinning moet uitgedeeld worden. Wat mij betreft, ik ben niet
+bekrompen in mijne wijze van denken, en maak geene zwarigheid mijn
+stem aan de zwart-oogige Rebekka te geven."
+
+"Heilige Maagd!" antwoordde de Prior, de oogen met afschrik afkeerende,
+"eene Jodin!--Wij verdienden uit het strijdperk gesteenigd te worden,
+en ik ben nog niet oud genoeg, om een martelaar te worden. Buitendien
+zweer ik bij mijn beschermheilige, dat zij in schoonheid voor de
+beminnelijke Saksische Jonkvrouw Rowena verre moet onderdoen."
+
+"Sakser of Jood, hond of zwijn," hervatte de Prins, "wat verschil
+is daar tusschen? Ik herhaal het, ik benoem Rebekka, al ware het ook
+alleen, om die Saksische lummels te ergeren!"
+
+Er verhief zich een gemor, zelfs onder diegenen, die hem onmiddellijk
+omringden.
+
+"Dit heet de scherts te ver drijven, Heer!" zeide De Bracy. "Geen
+ridder zal hier een lans breken, als men de vergadering zulk een
+schimp aandoet."
+
+"Het zou eene moedwillige beleediging zijn," zeide Waldemar Fitzurse,
+een der oudsten uit het gevolg van Prins Jan, "en zoo uwe Hoogheid
+daarbij volhardt, kan het niet anders dan schadelijk voor uwe
+ontwerpen zijn."
+
+"Mijnheer, ik hield u voor mijn volgeling en niet voor mijn raadsman,"
+zei Jan, trotsch zijn paard doende stil staan.
+
+"Zij, die uw Hoogheid op de paden volgen, welke zij bewandelt," zeide
+Waldemar op zachten toon, "verkrijgen het recht van raadslieden;
+want uw belang en uw veiligheid zijn er niet meer mede gemoeid,
+dan de hunne!"
+
+Uit den toon, waarop dit gezegd werd, zag Jan de noodzakelijkheid
+in van te moeten toegeven. "Ik schertste slechts," hernam hij, "en
+gij valt op mij aan, als even zoovele adders. Noemt wie gij wilt, in
+'s duivels naam, en volgt uw eigen zin."
+
+"Neen, neen," zei de Bracy, "laat den troon der Koningin onbezet,
+totdat de overwinnaar zal benoemd worden, en laat hem dan de dame
+kiezen, welke dien zal beklimmen. Dit zal aan zijn zegepraal eene
+dubbele waarde geven, en de schoone vrouwen leeren, de liefde der
+dappere ridders op prijs te stellen, die haar tot zulk eene eereplaats
+verheffen kunnen."
+
+"Als Brian de Bois-Guilbert den prijs wint," zei de Prior, "dan wil ik
+mijn rozekrans verwedden, dat ik de Koningin van Liefde en Schoonheid
+noemen kan."
+
+"De Bois-Guilbert," antwoordde De Bracy, "is een dapper ridder; maar
+er zijn anderen in dit strijdperk, Heer Prior, die niet vreezen,
+de kans tegen hem te wagen."
+
+"Stil, Heeren," zeide Waldemar, "en laat den Prins zijne plaats
+innemen. De ridders en toeschouwers zijn even ongeduldig; het is hoog
+tijd, dat het spel een aanvang neme."
+
+Ofschoon Prins Jan nog geen koning was, zoo had hij toch van Waldemar
+Fitzurse al den last van een eersten minister, die zijn vorst altijd
+op zijne eigene wijze dienen moet. De Prins gaf ook nu toe, schoon
+hij van karakter eigenzinnig was in kleinigheden; en, nadat hij zijn
+troon had ingenomen en zijn gevolg zich om hem geschaard had, gaf
+hij een teeken aan de herauten om de toernooiwetten te verkondigen,
+die in 't kort van den volgenden inhoud waren:
+
+_Vooreerst_: de vijf uitdagers namen het tegen allen op, die zich
+aanboden.
+
+_Ten tweede_: ieder ridder, die begeerde te strijden, kon, als hij
+wilde, eene bijzondere tegenpartij onder de uitdagers uitkiezen,
+door zijn schild met de lans aan te raken. Indien hij zulks met de
+omgekeerde lans deed, dan moest het gevecht plaats hebben met de
+wapenen van _courtoisie_, dat is, met lansen, aan welker einde een
+rond stuk hout bevestigd was, zoodat er geen gevaar bij was, behalve
+door den schok der paarden en ruiters. Maar zoo het schild aangeraakt
+werd met de scherpe punt der lans, dan moest het gevecht _à outrance_
+plaats hebben, dat is, de ridders moesten met scherpe wapenen strijden,
+evenals in een wezenlijk gevecht.
+
+_Ten derde_: wanneer de tegenwoordig zijnde ridders hunne gelofte
+volbracht hadden, om ieder vijf lansen te breken, zou de Prins
+den overwinnaar op den eersten toernooidag benoemen, die tot prijs
+een strijdpaard van uitgezochte schoonheid en weergalooze sterkte
+zou hebben; en tot bijgift bij deze belooning van zijn dapperheid,
+zou hij nog de bijzondere eer genieten, de Koningin der Liefde en
+Schoonheid te benoemen, die den volgenden dag den prijs zou uitdeelen.
+
+_Ten vierde_: werd er bekend gemaakt, dat er op den tweeden dag
+een algemeen toernooi zou plaats hebben, waaraan alle tegenwoordig
+zijnde ridders, welke begeerig mochten zijn een prijs te winnen, deel
+konden nemen. Zij zouden in twee gelijke partijen verdeeld worden en
+manhaftig strijden, totdat Prins Jan een teeken zou geven, om het
+gevecht te eindigen. De verkozen Koningin der Liefde en Schoonheid
+zou dan den ridder, welken de Prins zou aanwijzen, als zich op dezen
+tweeden dag het dapperste te hebben gedragen, beloonen met een kroon
+van dunne goudplaten, in den vorm van een lauwerkrans. Op dezen
+tweeden dag eindigden de ridderspelen; maar den daarop volgenden,
+zouden er schijfschieten, stierengevechten en andere volksvermaken
+voor de onmiddellijke deelneming van het gemeen plaats hebben. Op
+deze wijze poogde Prins Jan den grond te leggen tot een volksgunst,
+welke hij altijd weder verspeelde door eenigen onbezonnen aanval op
+de gevoelens en vooroordeelen van de menigte.
+
+Het strijdperk vertoonde nu een allerprachtigst schouwspel. De zich
+langzaam verheffende galerijen waren opgevuld met al wat edel,
+groot, rijk en schoon was in het noorden en midden van Engeland;
+en het contrast van de verschillende kleedingen der aanzienlijke
+toeschouwers maakte het tooneel even bont als rijk: terwijl de
+binnenste en lagere ruimte, met de gegoede burgers en landlieden van
+het gelukkige Engeland gevuld, in hunne eenvoudige kleederdracht,
+een donkeren rand rondom dat prachtige borduursel vormden, terwijl
+zij de pracht daarvan te gelijk afwisselden en verhoogden.
+
+De herauten eindigden hun afkondiging met hun gewoon geroep van:
+"_Largesse_, _largesse_, dappere ridders!" en goud- en zilverstukken
+werden hun van de galerijen toegeworpen, daar het een voornaam punt
+der ridderschap was, milddadigheid te toonen jegens hen, welke
+men toen tegelijk voor de verkondigers en geschiedschrijvers der
+eer hield. De mildheid der toeschouwers werd erkend door het gewoon
+geschreeuw van: "Liefde der dames!--Dood van de strijders!--Eer voor
+de edelmoedigen!--Roem voor de dapperen!" waarbij de groote menigte
+haar gejuich, en een talrijke hoop trompetters het geschal van hun
+instrumenten voegden. Toen dit gedruisch gedaan was, verwijderden de
+herauten zich in bonten en schitterenden optocht uit het strijdperk,
+waarin geen mensch bleef dan de beide maarschalken, die, van
+top tot teen gewapend, en onbeweeglijk als standbeelden, aan de
+tegenovergestelde einden van het strijdperk te paard zaten. Intusschen
+was de geheele afgesloten ruimte aan het noordereinde van het
+strijdperk, hoe groot die ook was, met ridders opgevuld, die hun
+geluk tegen de uitdagers wenschten te beproeven, en van de galerijen
+gezien, hadden zij het voorkomen van een zee van golvende vederbossen,
+vermengd met glinsterende helmen en lange lansen, aan welker punt
+veelal vlagjes omtrent een span breed waren vastgebonden, welke,
+in den wind fladderende, zich met de rustelooze beweging der pluimen
+vereenigden, om levendigheid aan het tooneel bij te zetten.
+
+Eindelijk gingen de slagboomen open, en vijf ridders door het lot
+gekozen, reden langzaam in het strijdperk, één kampvechter aan het
+hoofd en de vier anderen paarsgewijze volgende. Allen waren prachtig
+gewapend, en mijn Saksische oorkonde (het Wardour handschrift),
+beschrijft lang en breed hunne deviezen, hunne kleuren en het
+borduursel van hunne paardendekens. Het is onnoodig hieromtrent in
+bijzonderheden te treden; want om de regels van een nog levenden
+dichter te gebruiken, die maar al te weinig geschreven heeft:
+
+
+ De Ridders worden stof, hun zwaard den roest ten roof;
+ Doch zalig is hun' ziel, naar de uitspraak van 't geloof. [13]
+
+
+Hun wapenschilden zijn sedert lang vermolmd van de muren hunner
+kasteelen gevallen; de kasteelen zelve zijn niets meer, dan groene
+heuvels en verspreide puinhoopen;--de plaats, waar zij eens stonden,
+is zelfs niet meer bekend;--menig geslacht is reeds uitgestorven
+en vergeten in het land zelf, dat zij bewoonden, evenals het gezag
+der leenheeren en edelen. Waartoe zou het dus dienen, hun namen te
+vermelden; of de vergankelijke teekens op hun wapenschilden!
+
+Maar nu,--zonder aan de vergetelheid te denken, die hun namen en
+daden te wachten stond,--reden de kampvechters in het strijdperk,
+hunne vurige paarden terughoudende, en dwingende om langzaam voort
+te stappen, ten einde tegelijk hunne vlugheid en de behendigheid
+hunner ruiters te kunnen toonen. Toen zij in optocht het strijdperk
+binnen reden, deed zich eene Oostersche muziek van achter de tenten
+der uitdagers hooren, waar de uitvoerders verborgen waren. Deze was
+wezenlijk van Oosterschen oorsprong, daar zij uit het Heilige Land
+was medegebracht; en het vereenigde geluid der cymbalen en der klokjes
+scheen de aankomende ridders tegelijk te verwelkomen en uit te dagen.
+
+Onder de oogen van eene ontelbare menigte toeschouwers reden de vijf
+ridders naar de hoogte, op welke de tenten der uitdagers stonden, en
+zich daar verspreidende, raakte ieder zachtjes, met omgekeerde lans,
+het schild van de tegenpartij aan, tegen welke hij zijn geluk wilde
+beproeven. De toeschouwers der mindere klasse, zelfs velen van de
+hoogere, en naar men zegt ook verscheidene der dames waren ontevreden,
+dat de strijders de wapenen van _courtoisie_ kozen. Want dezelfde
+soort van menschen, welke heden ten dage de ijselijkste treurspelen het
+meest toejuichen, stelden in dien tijd te meer belang in een toernooi,
+naarmate de kampvechters gevaar liepen.
+
+De ridders, hun vreedzaam voornemen hebbende te kennen gegeven, trokken
+zich naar het uiterste einde van het strijdperk terug, waar zij op
+eene rij bleven staan, terwijl de uitdagers, uit hun onderscheidene
+tenten te voorschijn snellende, hun paarden bestegen, en aangevoerd
+door Brian de Bois-Guilbert van de hoogte afdaalden, en ieder zich
+tegenover den ridder plaatste, die zijn schild had aangeraakt.
+
+Onder hoorn- en trompetgeschal renden zij in vollen galop op elkander
+aan, en zoo groot was de meerdere behendigheid of het meerdere geluk
+der uitdagers, dat de tegenstanders van Bois-Guilbert, Malvoisin en
+Front-de-Boeuf op den grond rolden. De tegenpartij van Grantmesnil,
+in plaats van de punt zijner lans recht tegen den helm of het schild
+van zijn vijand aan te houden, week zoo ver van de rechte lijn af,
+dat hij zijn lans dwars over het lijf van den aankomenden ridder
+brak--een omstandigheid, die voor schandelijker gehouden werd, dan
+geheel van het paard geworpen te worden; dewijl het ééne door een
+toeval kon geschieden, en het andere lompheid en onbehendigheid in
+het gebruik van wapens en paard aanduidde. De vijfde ridder alleen
+hield de eer zijner partij staande, en vocht met gelijken uitslag
+tegen den Johanniter Ridder, daar beide hunne lansen braken zonder
+eenig voordeel te behalen.
+
+Het geschreeuw der menigte kondigde, tegelijk met de toejuichingen
+der herauten en het trompetgeschal, de zegepraal der overwinnaars
+en de nederlaag der overwonnenen aan. De eersten begaven zich naar
+hun tenten terug, en de laatsten, zoo goed zij konden, opstaande,
+verlieten beschaamd en verlegen het strijdperk, om met de overwinnaars
+omtrent het losgeld van hunne wapens en paarden overeen te komen,
+die volgens de toernooiwetten verbeurd waren. De vijfde ridder
+bleef alleen lang genoeg in het strijdperk om de toejuichingen der
+aanwezigen te ontvangen, waaronder hij zich verwijderde, zonder
+twijfel tot verhooging van de smart zijner metgezellen.
+
+Een tweede en derde schaar ridders verschenen in het strijdperk,
+en, ofschoon zij met verschillenden uitslag vochten, bleef echter
+over het geheel het voordeel onvoorwaardelijk op de zijde der
+uitdagers, waarvan niet één uit den zadel gelicht werd of misgestooten
+had,--ongelukken, die aan een of twee hunner tegenpartij bij iederen
+strijd overkwamen. Ook scheen de moed hunner bestrijders door hun
+gedurig geluk merkelijk verflauwd te zijn. Bij den vierden kamp daagden
+er slechts drie ridders op, welke, de schilden van Bois-Guilbert
+en Front-de-Boeuf vermijdende, zich vergenoegden met die der andere
+drie ridders aan te raken, die niet zooveel kracht en behendigheid
+hadden doen blijken. Deze voorzichtige keus veranderde echter het
+geluk van den strijd niet; de uitdagers overwonnen opnieuw;--één van
+hunne tegenpartij werd uit den zadel gelicht, en de beide overigen
+misten den aanval; dat is, zij troffen den helm en het schild van hun
+tegenpartij niet zoo geweldig met de recht uitgestrekte lans, dat het
+wapen breken moest, als de aangevallene niet voor den schok bezweek.
+
+Na dezen vierden kampstrijd had er eene lange pauze plaats, en het
+scheen, dat niemand meer verlangde het gevecht te vernieuwen. De
+toeschouwers morden onder elkander: want onder de uitdagers waren
+Malvoisin en Front-de-Boeuf niet bij het volk bemind, en de anderen
+evenmin, omdat zij allen, behalve Grantmesnil, vreemdelingen en
+buitenlanders waren.
+
+Maar niemand gevoelde grooter misnoegen, dan Cedric de Sakser, die in
+ieder voordeel, dat door de Normandische uitdagers behaald werd, een
+nieuwe zegepraal op de eer van Engeland zag. Zijne eigene opvoeding
+had hem niet in de ridderspelen bedreven gemaakt, ofschoon hij zich
+met de wapens van zijne Saksische voorouders bij menige gelegenheid
+als een dapperen en moedigen strijder betoond had. Hij zag verlangend
+naar Athelstane, die alle kunsten van dien tijd geleerd had, alsof hij
+wenschte, dat hij een persoonlijke poging zou doen, om den Tempelier
+en zijn metgezellen de overwinning weder te ontweldigen, die zij op
+het punt waren te behalen. Maar, schoon Athelstane moedig en sterk
+was, had hij echter een te traag en te weinig eerzuchtig karakter,
+om de proef te doen, welke Cedric van hem verwachtte.
+
+"Het geluk is tegen Engeland, Milord," zeide Cedric met nadruk;
+"wilt gij ook niet een lans breken?"
+
+"Ik zal mij morgen in de _mêlée_ mengen!" antwoordde Athelstane. "Het
+is niet de moeite waard, mij heden te wapenen."
+
+Twee dingen mishaagden Cedric in dit antwoord. Vooreerst, het
+bevatte het Normandische woord _mêlée_ (om het algemeene gevecht
+aan te duiden), en ten tweede, toonde het eenige onverschilligheid
+voor de eer van zijn vaderland; maar het was Athelstane, die het
+uitgesproken had, en hij koesterde zulk een grooten eerbied voor hem,
+dat hij het niet zou gewaagd hebben, zijne beweegredenen of zwakheden
+te berispen. Daarenboven had hij geen tijd om eenige aanmerking te
+maken, want Wamba viel hem in de rede met de aanmerking: "Het is beter,
+hoewel niet gemakkelijker, de eerste van honderd dan van twee te zijn."
+
+Athelstane nam dit voor een ernstig compliment op; maar Cedric,
+die de bedoeling van den nar beter begreep, wierp hem een strengen
+en dreigenden blik toe; en het was misschien gelukkig voor hem,
+dat tijd en plaats beletten, dat hij, in weerwil van zijn ambt,
+nog gevoeliger bewijzen van het ongenoegen zijns meesters ontving.
+
+De stilte in het toernooi was nog onafgebroken, behalve door de
+stemmen der herauten, die uitriepen: "Liefde tot de dames! Breekt een
+lans! Daagt op, dappere ridders! Schoone oogen aanschouwen uw daden!"
+
+De schelle muziek der uitdagers liet zich van tijd tot tijd in
+wilde tonen hooren, zegepraal en uitdaging verkondigende, terwijl de
+landlieden over een feestdag morden, die in werkeloosheid scheen te
+zullen voorbijgaan. De oude ridders en edelen fluisterden elkander hun
+klachten toe over het verval van den krijgshaftigen geest, spraken van
+de zegepralen in hunne jonge dagen behaald, en kwamen overeen, dat het
+land thans geene vrouwen van zoo uitstekende schoonheid opleverde,
+als die, welke de feesten van vorige tijden opgesierd hadden. Prins
+Jan begon met zijn gevolg te spreken over den maaltijd, en over de
+noodzakelijkheid om aan Brian de Bois-Guilbert den prijs toe te kennen,
+daar hij met ééne enkele lans twee ridders uit den zadel had gelicht,
+en den aanval van een derde had verijdeld.
+
+Eindelijk, toen de Saraceensche muziek van de uitdagers eene van die
+lange en forsche _fanfaren_ geëindigd had, met welke zij de stilte in
+het strijdperk afwisselde, werd die beantwoord door een enkele trompet,
+welke aan het noordelijke eind eene uitdaging verkondigde. Aller oogen
+waren naar dien kant gericht, om den nieuwen kampvechter te zien,
+die zich nu aanmeldde, en nauwelijks waren de slagboomen geopend,
+of hij reed in het strijdperk. Voor zoover men uit zijne wapenrusting
+beoordeelen kon, scheen de nieuw aangekomene van middelmatige grootte,
+en eer rank dan sterk van gestalte te zijn. Zijne wapenrusting was
+van staal, rijk met goud ingelegd, en het devies op zijn schild was
+een jonge eik met den wortel uit den grond gerukt, met het Spaansche
+woord "_Desdichado_", dat is, "Onterfd."
+
+Hij zat op een schoon zwart strijdros, en terwijl hij door het
+strijdperk reed, groette hij den Prins en de dames beleefd met zijn
+lans. De behendigheid, met welke hij zijn paard regeerde, en een
+zekere jeugdige bevalligheid van houding verwierven hem de gunst der
+menigte, welke eenigen uit de mindere klasse luidkeels uitten door
+het geschreeuw van: "Raak het schild aan van Ralph de Vipont;--raak
+het schild van den Hospitaal Ridder aan; hij zit het minste vast;
+hij is de gemakkelijkste partij!"
+
+De kampvechter, voortrijdende onder deze welgemeende wenken, bereikte
+de hoogte door de schuins oploopende laan, welke van het strijdperk
+daarheen leidde, en tot verwondering van alle aanschouwers recht op de
+middelste tent aanrijdende, sloeg hij met de scherpe punt van zijn lans
+tegen het schild van Brian de Bois-Guilbert, dat het weergalmde. Allen
+stonden verbaasd over deze stoutheid, maar niemand meer dan de geduchte
+strijder, dien hij dus op leven en dood had uitgedaagd.
+
+"Hebt gij gebiecht, broeder," zei de Tempelier, "en hebt gij heden
+morgen de mis gehoord, daar gij uw leven zoo roekeloos waagt?"
+
+"Ik ben beter voorbereid den dood onder de oogen te zien dan gij,"
+antwoordde de Onterfde Ridder, want onder dezen naam had zich de
+vreemde in het toernooiboek laten inschrijven.
+
+"Neem dan plaats in het strijdperk," zei de Bois-Guilbert, "en
+aanschouw de zon nog eens voor het laatst; want heden nacht zult gij
+in het Paradijs slapen."
+
+"Grooten dank voor uw beleefdheid," hervatte de Onterfde Ridder,
+"en om die te vergelden, raad ik u een versch paard en een nieuwe
+lans te nemen; want, bij mijn eer, gij zult beiden noodig hebben!"
+
+Na dit bewijs van zelfvertrouwen te hebben gegeven, dreef hij zijn
+paard de helling, die hij bestegen had, af, en dwong het op deze wijze
+achterwaarts door het strijdperk te gaan tot aan het noordelijke einde,
+waar hij stil bleef staan, om zijn vijand af te wachten. Dit bewijs
+van zijn rijkunst verwierf hem weder de toejuiching der menigte.
+
+Hoe verstoord ook Brian de Bois-Guilbert op zijn vijand was wegens de
+maatregelen van voorzichtigheid, die deze hem aanbevolen had, sloeg
+hij echter zijn raad niet in den wind; want zijn eer was er te nauw
+in betrokken, om toe te laten, dat hij eenig middel zou verzuimen,
+zich de overwinning op zijn vermetele tegenpartij te verschaffen. Hij
+verwisselde zijn paard tegen een ander van groote kracht, en vol
+vuur. Hij koos een nieuwe, sterke lans, uit vrees dat het hout van de
+vorige in de reeds geleverde gevechten mocht verzwakt zijn. Eindelijk
+legde hij ook zijn schild ter zijde, dat eenigszins was beschadigd, en
+nam een ander van zijne schildknapen. Het eerste schild droeg slechts
+het algemeene devies van de orde waartoe hij behoorde, namelijk twee
+ruiters op één paard, om de oorspronkelijke nederigheid en armoede
+der Tempeliers uit te drukken; hoedanigheden, die zij later tegen
+verwaandheid en rijkdom verwisselden, welke eindelijk hun ondergang
+te weeg brachten. Het nieuwe schild van Bois-Guilbert vertoonde een
+vliegende raaf, in de klauwen een doodshoofd houdende, met het motto
+"_Gare le corbeau!_"
+
+Toen de twee kampvechters aan de beide einden van het strijdperk
+tegenover elkander stonden, was de algemeene verwachting ten toppunt
+gestegen. Weinigen geloofden aan de mogelijkheid, dat de strijd ten
+gunste van den Onterfde kon uitvallen, evenwel hadden zijn moed en
+beleid hem de belangstelling van de aanschouwers verworven.
+
+De trompetten hadden nauwelijks het teeken gegeven, of de kampvechters
+vlogen, snel als de wind, van hunne plaatsen, en stieten in het
+midden van het strijdperk met het geweld van den donderslag, tegen
+elkander. De lansen vlogen aan splinters tot aan de greep, en het
+scheen op dat oogenblik, alsof de beide ridders gevallen waren, want
+de schok had beide paarden achteruit doen tuimelen. De behendigheid
+der ruiters bracht hen door toom en sporen weder te recht, en na
+elkander een oogenblik beschouwd te hebben, met oogen, welke door de
+openingen van het vizier vonkelden, maakte ieder een _demi-volte_
+met zijn paard en reed naar het einde van het strijdperk, waar zij
+nieuwe lansen van hunne schildknapen ontvingen.
+
+Een luid vreugdegeschreeuw, het waaien met sjerpen en doeken, en
+algemeene toejuichingen toonden de belangstelling der aanwezigen
+in den meest gelijken en verbitterden strijd van dien dag. Maar
+nauwelijks hadden de ridders hunne standplaats weder ingenomen,
+of het gejuich veranderde in een zoo diepe en doodelijke stilte,
+dat de menigte nauwelijks scheen adem te halen.
+
+Eenige minuten rust werden er verleend, opdat de strijders en hun
+paarden een weinig mochten uitrusten, waarop Prins Jan met zijn
+staf een teeken aan de trompetters gaf, om den aanval te blazen. De
+kampvechters vlogen nog eens van hunne standplaats, en stieten in
+het midden van het strijdperk tegen elkander, met dezelfde snelheid,
+dezelfde behendigheid en hetzelfde geweld; maar niet met hetzelfde
+gevolg als te voren.
+
+Bij dezen tweeden aanval mikte de Tempelier op het middelpunt van
+het schild van zijn tegenpartij, en raakte het zoo vast en sterk,
+dat zijn lans in splinters vloog, en de Onterfde Ridder in den zadel
+wankelde. Van den anderen kant, had deze kampvechter in het begin
+de punt van zijn lans op Bois-Guilbert's schild gericht; maar zijn
+mikpunt bijna op het oogenblik, dat hij hem bereikte, veranderende,
+richtte hij dit op den helm, iets dat veel moeielijker te treffen
+was, maar waarop de schok veel onwederstaanbaarder werd. Hij trof den
+Normandiër juist midden op het vizier en de punt van zijn lans bleef
+er vast in zitten. Zelfs in dit groot gevaar handhaafde de Tempelier
+zijn roem nog: en ware niet de singel van zijn zadel gebroken, zoo
+had hij zich waarschijnlijk staande gehouden; door dit toeval echter
+rolden zadel, paard en man onder een wolk van stof ter aarde.
+
+Zich van de stijgbeugels en het gevallen paard los te maken, was
+voor den Tempelier nauwelijks het werk van één oogenblik; en woedend
+gemaakt door zijn ongeluk en door de toejuichingen der aanwezigen,
+trok hij zijn zwaard, en zwaaide het, om den overwinnaar uit te dagen.
+
+De Onterfde Ridder sprong van het paard, en ontblootte insgelijks
+zijn zwaard. De maarschalken echter, kwamen met hunne paarden tusschen
+beiden, en herinnerden hen, dat de toernooiwetten, bij de tegenwoordige
+gelegenheid, deze soort van strijd niet veroorloofden.
+
+"Wij zullen elkander wel weder ontmoeten, denk ik," zei de Tempelier,
+een vreeselijken blik op zijn vijand werpende, "en wel op eene plaats
+waar ons niemand scheiden kan!"
+
+"Het zal mijn schuld niet zijn, als het niet geschiedt!" antwoordde
+de Onterfde Ridder. "Te voet of te paard, met lans, bijl of zwaard,
+ben ik altijd gereed tegen u te strijden!"
+
+Zij zouden nog meer en heviger woorden gewisseld hebben, zoo de
+maarschalken hen niet gedwongen hadden te scheiden, door hun lansen
+tusschen beiden te kruisen. De Onterfde Ridder keerde naar zijne
+eerste standplaats terug, en Bois-Guilbert naar zijne tent, waar hij
+het overige van den dag in wanhopige woede doorbracht.
+
+Zonder van het paard te stijgen, vroeg de overwinnaar om een beker
+wijn, en het onderste gedeelte van zijn vizier openende, riep hij:
+"Ik drink op het welzijn van alle oprechte Britsche harten, en op
+den ondergang van alle vreemde dwingelanden!"
+
+Daarop beval hij zijn trompetter, eene uitdaging aan de kampvechters
+te blazen, en liet hun door een heraut aanzeggen, dat hij geen keus
+wilde doen, maar dat hij tegen hen strijden zou, in welke orde zij
+zelven zouden verkiezen.
+
+De reusachtige Front-de-Boeuf, in eene zwarte wapenrusting gedost, was
+de eerste, die in het strijdperk verscheen. Hij droeg op een wit schild
+een zwarten stierenkop, half uitgewischt in de talrijke gevechten,
+die hij geleverd had, en het verwaande motto: "_Cave, adsum!_" (Wacht
+u, ik ben er). Op dezen kampvechter behaalde de Onterfde Ridder eene
+geringe maar beslissende overwinning. Beide strijders braken hunne
+lansen behoorlijk, maar Front-de-Boeuf, die een stijgbeugel in den
+schok verloren had, werd voor overwonnen verklaard.
+
+In den derden strijd was de vreemdeling even gelukkig tegen Philip
+de Malvoisin; daar hij dezen ridder zoo geweldig op den helm trof,
+dat de banden er van braken; en Malvoisin, die slechts door het
+afvallen van den helm zelf gered werd, bekende zich, evenals zijn
+metgezellen, overwonnen.
+
+In den vierden strijd, met de Grantmesnil, toonde de Onterfde Ridder
+even veel hoffelijkheid, als hij tot hiertoe moed en vlugheid had
+doen blijken. Het paard van de Grantmesnil, dat jong en vurig was,
+geraakte onder het loopen aan het hollen, zoodat de ruiter zijn doel
+miste, en de vreemdeling, geen gebruik willende maken van het voordeel,
+dat dit toeval hem aan de hand gaf, hield zijn lans in de hoogte, en
+voorbij zijn tegenpartij rijdende, zonder hem aan te raken, wendde hij
+zijn paard, en reed naar zijn plaats terug. Hij liet door den heraut
+zijn vijand de kans van een tweede gevecht aanbieden. Maar dit wees
+de Grantmesnil van de hand, en bekende zich overwonnen, zoowel door
+de beleefdheid, als door de behendigheid van zijne tegenpartij.
+
+Ralph de Vipont maakte de lijst der zegepralen van den vreemdeling
+voltallig; hij werd met zooveel geweld tegen den grond gesmeten,
+dat het bloed hem uit neus en mond sprong, en hij bewusteloos uit
+het strijdperk gedragen werd.
+
+Het vreugdegeschreeuw van duizenden juichte de eenstemmige verklaring
+van den Prins en de maarschalken toe, die de eer van den dag aan den
+Onterfden Ridder toekenden.
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ --In 't midden stond een vrouw.
+ Men kon aan 't schoon gelaat en d' eedler wezenstrekken
+ Weldra in haar de koningin ontdekken.
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ Gelijk haar schoonheid aller glans verdooft,
+ Zoo was haar tooisel ook meer uitgelezen;
+ Haar sierde een diadeem van goud het hoofd,
+ Eenvoudig, rijk, maar zonder pronk te wezen;
+ Zij droeg een Agnus-Castus tak daarbij,
+ En hield omhoog het beeld der heerschappij.
+
+ De bloem en het blad.
+
+
+William de Wyvil en Steven de Martival, de maarschalken, brachten het
+eerst den overwinnaar hunne gelukwenschen, en verzochten hem tevens
+zijn helm te laten losmaken, of ten minste zijn vizier te openen,
+voordat zij hem naar Prins Jan geleidden, om uit diens handen den
+prijs voor dezen dag van het toernooi te ontvangen.
+
+De Onterfde Ridder weigerde aan hun verzoek te voldoen, terwijl
+hij met ridderlijke beleefdheid te kennen gaf, dat hij voor het
+oogenblik zijn gezicht niet kon laten zien, om redenen, die hij aan de
+herauten, bij zijn verschijning in het strijdperk, opgegeven had. De
+maarschalken waren volkomen tevreden met dit antwoord; want onder de
+grillige geloften, waardoor de ridders in die tijden gewoon waren
+zich te verbinden, was er geen meer algemeen dan die, om onbekend
+te blijven gedurende een zekeren tijd, of tot het einde van het een
+of ander avontuur. De maarschalken drongen dus niet verder in het
+geheim van den Onterfden Ridder; maar aan Prins Jan het verlangen van
+den overwinnaar, om onbekend te blijven, mededeelende, verzochten
+zij verlof, hem voor zijn Hoogheid te mogen brengen, ten einde de
+belooning zijner dapperheid te ontvangen.
+
+De nieuwsgierigheid van den prins werd door de geheimzinnigheid van
+den vreemdeling opgewekt; en reeds ontevreden over den uitslag van het
+toernooi, waarin de door hem begunstigde uitdagers achtereenvolgens
+door één ridder waren overwonnen, antwoordde hij de maarschalken op
+trotschen toon: "Bij het licht der oogen van de Heilige Maagd, deze
+ridder is onterfd zoo wel van beleefdheid, als van zijne bezittingen,
+daar hij voor ons begeert te verschijnen, zonder zijn gelaat te
+ontblooten.--Weet gij misschien ook, mijne heeren," zeide hij,
+zich naar zijn gevolg keerende, "wie die jongeling is, die zich zoo
+trotsch gedraagt?"
+
+"Ik kan het niet gissen;" antwoordde De Bracy, "en ik had ook niet
+gedacht, dat er tusschen de vier zeeën, welke Brittanje omringen,
+één kampvechter te vinden zou zijn, die deze vijf ridders op één
+dag overwinnen kon. Op mijn eer, ik zal nooit het geweld vergeten,
+waarmede hij tegen De Vipont stiet. De arme ridder werd uit den zadel
+geworpen, als een steen uit een slinger!"
+
+"Beroem u daar niet op," zeide een Johanniter, die tegenwoordig was;
+"uw Tempelier ging het niet beter. Ik zag Bois-Guilbert drie maal
+over het hoofd tuimelen, en ieder keer de handen vol zand krijgen."
+
+De Bracy, die den Tempeliers toegedaan was, wilde antwoorden; maar
+Prins Jan belette hem door uit te roepen: "Stilte, heeren! waartoe
+deze nuttelooze twist?"
+
+"De overwinnaar," zei de Wyvil, "wacht nog op de bevelen van uwe
+Hoogheid."
+
+"Wij veroorloven hem te wachten," hernam de Prins, "totdat wij
+vernemen, of er niemand is, die ten minste zijn naam en stand kan
+gissen. Al moest hij ook tot den avond wachten, het schaadt hem niet:
+hij heeft werk genoeg gehad, om zich warm te houden."
+
+"Uw Hoogheid," zeide Waldemar Fitzurse, "doet den overwinnaar minder
+dan de verschuldigde eer aan, als gij hem dwingt te wachten, tot
+wij uw Hoogheid zeggen, wat wij niet weten.--Ik ten minste kan het
+niet raden,--of het moest een van de dappere strijders zijn, welke
+koning Richard vergezelden, en die nu, één voor één, uit het Heilige
+Land terugkeeren."
+
+"Het kan de graaf van Salisbury zijn," zei De Bracy; "hij is omtrent
+van dezelfde grootte."
+
+"'t Is eerder Thomas De Multon, de ridder van Gilsland," hervatte
+Fitzurse, "Salisbury is een veel zwaarder man."--Er ontstond een
+gefluister onder het gevolg, zonder dat men ontdekken kon bij wien
+het begon: "Het kon de Koning,--het kon Richard Leeuwenhart zelf zijn!"
+
+"God beware!" riep Prins Jan, op hetzelfde oogenblik doodsbleek
+wordende, en sidderende, alsof hij door den bliksem getroffen werd;
+"Waldemar! De Bracy!--dappere ridders en heeren, herinnert u uwe
+beloften, en staat mij getrouw bij!"
+
+"Er is nog geen gevaar!" zei Waldemar Fitzurse. "Kent gij zoo weinig de
+reusachtige leden van uw vaders zoon, dat gij u verbeeldt, dat ze in
+gindsche wapenrusting kunnen besloten worden?--De Wyvil en Martival,
+gij bewijst den Prins den besten dienst, wanneer gij den overwinnaar
+bij den troon brengt, en een einde maakt aan eene dwaling, die al
+het bloed van zijne wangen gejaagd heeft.--Beschouw hem oplettender,"
+ging hij voort, "uwe Hoogheid zal zien, dat hij drie duim kleiner is,
+dan koning Richard, en zes duim smaller over de schouders. Het paard,
+dat hij berijdt, zou koning Richard niet in één enkelen strijd hebben
+kunnen dragen."
+
+Terwijl hij nog sprak, leidden de maarschalken den Onterfden Ridder
+naar den voet van een houten trap, welke van het strijdperk naar den
+troon van Prins Jan liep. Nog onthutst door de gedachte, dat zijn
+broeder, wien hij zoo veel verplicht was, en dien hij zoo zwaar
+beleedigd had, plotseling in zijn koninkrijk was teruggekeerd,
+verbande zelfs het in het oog vallende onderscheid, dat Fitzurse
+aangewezen had, de vrees des Prinsen niet geheel; en terwijl hij,
+met een korte en verlegene lofspraak op zijne dapperheid, beval,
+hem het strijdpaard, dat als prijs was uitgeloofd, over te geven,
+sidderde hij van angst, dat misschien van achter het gesloten vizier
+een antwoord mocht komen, in de zware, vreeselijke stem van Richard
+Leeuwenhart. Maar de Onterfde Ridder antwoordde op het compliment
+van den Prins alleen met eene diepe buiging.
+
+Het paard werd door twee rijkgekleede stalknechts in het strijdperk
+geleid; het dier zelf was met het kostbaarste tuig uitgerust, dat
+echter nauwelijks zijne waarde in de oogen der kenners verhoogde. Eén
+hand op den zadelknop leggende, sprong de Onterfde Ridder op het paard,
+zonder den stijgbeugel te gebruiken, en zijn lans zwaaiende, reed
+hij tweemaal het strijdperk rond, het dier met de behendigheid van
+een volmaakten ruiter al zijne kunsten latende verrichten. De schijn
+van ijdelheid, dien men anders aan dezen rit had kunnen toeschrijven,
+werd weggenomen door de noodzakelijkheid, om de vorstelijke belooning,
+waarmede hij zoo even vereerd was, in het voordeeligste licht aan het
+volk te toonen, en de ridder werd weder begroet door de toejuichingen
+van alle aanschouwers.
+
+Intusschen had de woelige Prior van Jorvaulx Prins Jan toegefluisterd,
+dat de overwinnaar nu zijn goeden smaak in plaats van zijn dapperheid
+moest toonen, door onder de schoonheden, welke de galerijen versierden,
+eene dame te kiezen, die den troon der Koningin der Schoonheid
+en Liefde zou bekleeden, en den volgenden dag den prijs van het
+toernooi uitdeelen. De Prins gaf dus een teeken met zijn staf, terwijl
+de ridder hem, in zijn tweeden rit rondom het strijdperk, voorbij
+kwam. De ridder wendde zich naar den troon, en de lans latende zinken
+tot op een voet van den grond, bleef hij onbeweeglijk staan, om het
+bevel van den Prins af te wachten. Allen bewonderden de behendigheid,
+met welke hij in een oogenblik zijn vurig paard uit den snellen ren
+bewegingloos als een standbeeld had doen staan.
+
+"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar dit de eenige naam
+is, dien wij u geven kunnen, het is thans uw plicht zoowel als uw
+voorrecht, de schoone dame uit te zoeken, die als Koningin der
+Eer en der Liefde bij het feest van morgen het voorzitterschap
+bekleeden zal. Indien gij, als vreemdeling in ons land, de hulp
+van het oordeel van anderen verlangt, zoo kan ik u alleen zeggen,
+dat Alicia, de dochter van onzen dapperen Ridder Waldemar Fitzurse,
+sedert lang voor de eerste in schoonheid en rang aan het hof gehouden
+wordt. Niettemin is het uw onbetwistbaar recht, deze kroon te reiken,
+aan wie gij wilt,--door welke overhandiging de verkiezing der Koningin
+voor den dag van morgen volbracht zal zijn. Verhef uw lans!"
+
+De ridder gehoorzaamde, en Prins Jan plaatste op de punt daarvan
+een kroon van groen satijn, versierd met een gouden rand van pijlen
+en harten, die elkander afwisselden, gelijk de aardbeziënbladen en
+kogels op een hertogs-kroon.
+
+Bij den duidelijken wenk, welken hij ten opzichte van Waldemar
+Fitzurse's dochter gaf, had Prins Jan meer dan één beweegreden, hem
+ingegeven door een gemoed, hetwelk een vreemde vermenging was van
+zorgeloosheid en verwaandheid, met lage list en loosheid gepaard. Hij
+wenschte uit de herinnering der ridders, die hem omringden, zijn
+eigene onbetamelijke en onaangename scherts omtrent de Jodin Rebekka
+te verbannen; hij wilde zich Alicia's vader, Waldemar Fitzurse,
+dien hij vreesde, genegen maken, vooral daar deze zich over het
+gedrag van den Prins in den loop van den dag meer dan eens misnoegd
+getoond had. Hij wilde ook zelf de gunst der dame verwerven; want
+Jan was ten minste even losbandig in zijn vermaken, als toomeloos in
+zijne eerzucht. Bovendien wilde hij tegen den Onterfden Ridder (voor
+wien hij reeds een hevigen afkeer had opgevat), een machtigen vijand
+opstoken in den persoon van Waldemar Fitzurse, die, zoo als hij dacht,
+de beleediging zijner dochter aangedaan, ten hoogste kwalijk zou nemen,
+in geval, zooals niet onwaarschijnlijk was, de overwinnaar eene andere
+keuze deed.
+
+En dit geschiedde ook werkelijk. Want de Onterfde Ridder reed de
+galerij, dicht naast die van den Prins, voorbij, waar Jonkvrouw
+Alicia zat in den vollen hoogmoed van haar trotsche schoonheid, en
+zoo langzaam voortrijdende, als hij tot hiertoe snel gejaagd had,
+scheen hij zijn recht uit te willen oefenen, om de talrijke schoone
+gezichten te aanschouwen, welke den bekoorlijken kring versierden.
+
+Het was de moeite waard, de verschillende houding der schoonen gade
+te slaan, die dit onderzoek ondergingen. Eenigen bloosden: anderen
+namen eene trotsche houding aan; sommigen zagen strak voor zich
+heen, als of zij geheel niets wisten van hetgeen er voorviel: anderen
+poogden een glimlach te bedwingen, en twee of drie lachten hard op. Er
+waren ook eenigen, die den sluier over haar bekoorlijkheden trokken:
+maar, daar het Wardour-handschrift zegt, dat het schoonheden waren,
+die reeds tien jaar lang bekend waren, kan men veronderstellen dat,
+daar zij haar deel aan zulke ijdelheden reeds vroeger gehad hadden,
+zij nu van haar recht wilden afzien, om een grootere kans aan de
+opkomende schoonen te laten.
+
+Eindelijk hield de kampvechter stil voor het balkon waar Jonkvrouw
+Rowena zat, en de verwachting der toeschouwers steeg ten top.
+
+Men moet bekennen, dat, als belangstelling in den goeden uitslag
+van zijn wapenfeiten den Onterfden Ridder had kunnen omkoopen, dat
+gedeelte van het strijdperk, voor hetwelk hij stil gehouden had,
+zijn voorkeur verdiende. Cedric de Sakser, verheugd over de nederlaag
+van den Tempelier, en nog meer over die van zijn twee kwalijkgezinde
+naburen, Front-de-Boeuf en Malvoisin, was, met het halve lichaam over
+het balkon liggende, den overwinnaar bij iederen strijd nagegaan, niet
+alleen met de oogen, maar met hart en ziel. Rowena had den uitslag van
+den strijd met groote oplettendheid gezien, ofschoon zij niet eene even
+groote belangstelling getoond had. Zelfs de onverschillige Athelstane
+scheen zijne wezenloosheid te vergeten; want hij liet zich een grooten
+beker wijn geven, en dronk op de gezondheid van den Onterfden Ridder.
+
+Eene andere groep, onder de galerij door de Saksers bezet, had niet
+minder deelneming in den uitslag van den strijd laten blijken.
+
+"Vader Abraham!" zei Izaäk van York, toen de eerste strijd tusschen
+den Tempelier en den Onterfden Ridder voorbij was, "hoe stout rijdt
+de ongeloovige! Ach! hij spaart het goede paard, dat den verren
+weg uit Barbarije heeft afgelegd, niet meer dan alsof het een wild
+ezelsveulen ware; en de schoone wapenrusting, die zoo vele _zechinen_
+gekost heeft bij Jozef Pareira, den Milaneeschen wapensmid, benevens
+zeventig ten honderd winst,--hij zorgt er zoo weinig voor, alsof hij
+ze op den straatweg gevonden had!"
+
+"Als hij zijn eigen leven en leden waagt, vader," zei Rebekka, "in
+een zoo schrikkelijken strijd, kan men kwalijk van hem verwachten,
+dat hij paard en wapenrusting zou sparen."
+
+"Kind!" hernam Izaäk, eenigszins driftig, "gij weet niet wat gij
+zegt--zijn hals en zijn ledematen zijn zijn eigendom, maar zijn paard
+en zijn wapenrusting behooren aan--vader Jacob! wat had ik haast
+gezegd!--En toch, het is een brave jongeling.--Zie Rebekka! zie,
+hij gaat al weder ten strijd tegen den Philistijn!--Bid kind--bid
+voor het behoud van den goeden jongeling,--en van het vlugge paard
+en de rijke wapenrusting.--God mijner vaderen!" riep hij weder,
+"hij heeft weer overwonnen, en de onbesnedene Philistijn is voor zijn
+lans bezweken,--even als Og, de Koning van Bazan, en Cihon, de Koning
+der Amorieten, onder het zwaard onzer vaderen vielen!--Zeker krijgt
+hij hun goud en zilver en hun strijdrossen en hun wapenrustingen van
+erts en staal, tot buit en roof!"
+
+Denzelfden angst betoonde de waardige Jood bij iederen strijd,
+terwijl hij zelden daarbij naliet een oppervlakkige berekening
+te maken van de waarde van het paard en de wapenrusting, die bij
+iedere nieuwe zegepraal den overwinnaar te beurt vielen. Zij dus,
+die dat gedeelte van het strijdperk bezetten, waarvoor de Onterfde
+Ridder nu stil hield, hadden juist de meeste belangstelling in zijn
+welslagen betoond. Hetzij uit besluiteloosheid, of om eenige andere
+reden aarzelende, bleef de kampvechter meer dan een minuut stil staan,
+terwijl de oogen der zwijgende aanschouwers op zijn bewegingen gericht
+waren; en daarop, met bevalligheid de punt van zijn lans langzaam
+latende zakken, legde hij de kroon, welke er op hing, voor de voeten
+van de schoone Rowena. De trompetten weergalmden oogenblikkelijk,
+terwijl de herauten Rowena als Koningin der Schoonheid en Liefde
+voor den volgenden dag uitriepen, hen, die zich aan haar gezag niet
+mochten onderwerpen, met gepaste straffen dreigende. Zij herhaalden
+hierop hun geschreeuw van "_Largesse!_" waarop de gelukkige Cedric
+door een ruime gift antwoordde, bij welke Athelstane, schoon minder
+vlug, een gave van even groote waarde voegde.
+
+Er ontstond eenig gemor onder de dames van Normandische afkomst, die
+even weinig gewoon waren, eene Saksische schoone voorgetrokken te zien,
+als de edelen, een nederlaag te ondervinden in de ridderspelen, die
+zij zelven hadden ingevoerd. Maar deze ontevredenheid bleef onopgemerkt
+bij de kreten van: "Lang leve Rowena, de verkorene en wettige Koningin
+der Liefde en Schoonheid!" waarbij velen voegden: "Leve de Saksische
+Prinses! Leve het geslacht van den onsterfelijken Alfred!"
+
+Hoe onaangenaam deze klanken ook waren voor Prins Jan en degenen,
+die hem omringden, zag hij zich echter verplicht de benoeming van
+den overwinnaar te bekrachtigen, en daarom bevelende, dat men zijn
+paard zou brengen, verliet hij den troon, en reed, door zijn gevolg
+vergezeld, in het strijdperk rond. De Prins hield een oogenblik stil
+onder de galerij van Jonkvrouw Alicia, die hij groette, terwijl hij
+tot zijn gevolg zeide: "Op mijn eer, mijne heeren! zoo de wapenfeiten
+van den ridder getoond hebben, dat hij sterke leden en spierkracht
+heeft, zoo toont hij door zijne keuze, dat zijn oogen niet van de
+heldersten zijn!"
+
+Bij deze gelegenheid, zooals in zijn geheele leven, had Prins Jan
+het ongeluk, het karakter niet te begrijpen, van hen wier gunst
+hij wenschte te winnen. Waldemar Fitzurse was eerder beleedigd dan
+gevleid, dat de Prins in 't openbaar te kennen gaf, dat zijne dochter
+niet naar verdienste was behandeld.
+
+"Ik ken," zeide hij, "geen dierbaarder en onschendbaarder recht der
+ridderschap, dan dat van iederen vrijen ridder, om de dame zijner
+liefde naar eigen oordeel te kiezen. Mijne dochter streeft naar geene
+onderscheiding, en het zal haar in haar eigen kring nooit ontbreken
+aan alle verschuldigde eerbewijzen."
+
+Prins Jan antwoordde niet, maar zijn paard aansporende, alsof hij
+aan zijn toorn lucht wilde geven, galoppeerde hij naar de galerij,
+waar Rowena zat, nog altijd met de kroon voor de voeten.
+
+"Ontvang, schoone Jonkvrouw," zeide hij, "het teeken uwer heerschappij,
+waaraan niemand oprechter hulde bewijst, dan ik zelf, Jan van
+Anjou,--en zoo het u, uwen edelen vader en uwe vrienden behaagt,
+ons gastmaal in het kasteel van Ashby met uw tegenwoordigheid te
+vereeren, dan zullen wij de Vorstin leeren kennen, aan wie wij morgen
+onze hulde zullen bewijzen."
+
+Rowena zweeg, en Cedric antwoordde voor haar in zijne Saksische
+moedertaal: "Jonkvrouw Rowena verstaat uwe taal niet genoeg, om deze
+beleefdheid te beantwoorden zooals het behoort,--of om deel aan uw
+feest te nemen. Ook ik en de edele Athelstane van Coningsburgh spreken
+slechts de taal, en huldigen alleen de zeden onzer voorouders. Wij
+danken dus ootmoedig voor uwer Hoogheid vriendelijke uitnoodiging
+voor het gastmaal. Morgen zal Jonkvrouw Rowena de plaats innemen,
+waartoe zij geroepen is door de vrije keuze van den overwinnenden
+ridder, bevestigd door de toejuichingen van het volk." Dit zeggende,
+nam hij de kroon op, en zette die op Rowena's hoofd, als een teeken,
+dat zij de haar opgedragen waardigheid aanvaardde.
+
+"Wat zegt hij?" zei Prins Jan, veinzende de Saksische taal niet te
+verstaan, waarin hij echter zeer bedreven was. De beteekenis van
+Cedric's gezegde werd hem in het Fransch herhaald. "Het is wel,"
+zeide hij; "morgen zullen wij zelven deze sprakelooze Koningin naar den
+troon geleiden.--Gij ten minste, heer Ridder," voegde hij er bij, zich
+tot den overwinnaar wendende, die bij de galerij was blijven staan,
+"zult heden mijn gast zijn?"
+
+De ridder, voor de eerste maal sprekende, verontschuldigde zich op
+zachten, haastigen toon, wegens vermoeidheid en de noodzakelijkheid,
+om zich voor den strijd van den volgenden dag voor te bereiden.
+
+"Het is wel," zei weer Prins Jan, op trotschen toon; "ofschoon ik niet
+gewoon ben aan zulke weigeringen, zullen wij trachtten onzen maaltijd
+zoo goed mogelijk te gebruiken, hoewel die niet versierd wordt door
+den dappersten ridder en zijn uitverkorene Koningin der Schoonheid."
+
+Dit zeggende, verliet hij het strijdperk met zijn schitterend gevolg,
+en zijn vertrek was het teeken voor het uiteengaan der toeschouwers.
+
+Evenwel, met al de wraakzucht, aan beleedigden hoogmoed eigen,
+voornamelijk wanneer die met de bewustheid van eigen onwaardigheid
+gepaard gaat, was Jan nauwelijks drie schreden voortgereden, of zich
+omkeerende, vestigde hij een vertoornden blik op den schutter, die hem
+'s morgens vroeg mishaagd had, en gaf zijn bevelen aan de gewapenden,
+die in de nabijheid stonden.--"Gij staat mij er met uw leven borg voor,
+dat die boer niet ontsnapt!"
+
+De schutter verduurde den toornigen blik van den Prins met dezelfde
+onwrikbare standvastigheid, welke zijn gedrag van het begin af
+gekenmerkt had, en zei glimlachend: "Ik ben niet van plan, Ashby vóór
+overmorgen te verlaten. Ik moet zien, hoe de mannen van Staffordshire
+en Leicestershire de bogen weten te gebruiken. De bossen van Needwood
+en Charnwood moeten goede schutters leveren."
+
+"Ik zal zien," zei Prins Jan tot zijn gevolg, zonder rechtstreeks
+te antwoorden, "hoe hij zijn eigen boog spannen kan; en wee hem,
+zoo zijne behendigheid zijne onbeschaamdheid niet vergoedt!"
+
+"Het is hoog tijd," zei de Bracy, "dat de _outrecuidance_ [14] dezer
+boeren door een treffend voorbeeld beteugeld worde!"
+
+Waldemar Fitzurse, die waarschijnlijk dacht, dat zijn begunstiger niet
+den besten weg insloeg, om de genegenheid van het volk te winnen,
+haalde de schouders op, en zweeg. Prins Jan echter reed nu uit het
+strijdperk, en de menigte ging daarop dadelijk uiteen.
+
+Men zag de toeschouwers zich over de vlakte verwijderen, naar de
+verschillende streken, vanwaar zij gekomen waren, in meer of minder
+talrijke groepen. Verreweg het grootste gedeelte stroomde naar de stad
+Ashby, waar verscheidene van de aanzienlijkste personen in het kasteel
+gehuisvest werden, en weer andere in de stad zelve bleven. Onder dezen
+waren de meeste ridders, die reeds in het toernooi opgetreden waren,
+of voornemens waren den volgenden dag te strijden, en die, terwijl ze
+langzaam voortreden, over de gebeurtenissen van den dag sprekende,
+met luid gejuich door het volk begroet werden, evenals Prins Jan,
+ofschoon hij dat eerder te danken had aan den glans van zijn stoet
+en aan zijn gevolg, dan aan de beminnelijkheid van zijn karakter.
+
+Een oprechter, algemeener, en ook beter verdiend gejuich vergezelde
+den overwinnaar in den strijd, totdat hij, begeerig om zich aan de
+aandacht der menigte te onttrekken, zich in een dier tenten begaf,
+welke aan het einde van het strijdperk opgericht waren, en wier
+gebruik hem beleefdelijk door de maarschalken aangeboden werd. Zoodra
+hij zich daarin begeven had, verstrooiden zich ook diegenen, welke
+in het strijdperk getoefd hadden, om hem in oogenschouw te nemen,
+en gissingen omtrent zijn persoon te maken.
+
+Het gewoel en het geraas van een drukke menigte op één plaats
+vergaderd, en met hetzelfde doel bezield, werd nu vervangen door
+de minder luide stemmen van de talrijke groepen, die zich in alle
+richtingen verwijderden, waarop spoedig volkomen stilte volgde.
+
+Men hoorde geen ander geluid meer, dan de stemmen der bedienden,
+die de galerijen van kussens en behangsel ontdeden, om ze gedurende
+den nacht in veiligheid te bergen, en onder elkander twistten om de
+half geleêgde wijnflesschen en de overblijfselen der ververschingen,
+welke de toeschouwers hadden achtergelaten.
+
+Buiten het strijdperk waren verscheidene smederijen opgericht, en
+deze begonnen nu in de schemering te glimmen, de werkzaamheid der
+wapensmeden aankondigende, welke den geheelen nacht moest voortgezet
+worden, om de wapenrustingen voor het gebruik van den volgenden dag
+weder in orde te brengen, of te veranderen.
+
+Een sterk gewapende wacht, die alle twee uren afgelost werd, omringde
+het strijdperk en waakte voor de veiligheid gedurende den nacht.
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Gelijk een raaf, wiens aaklig schor gekras,
+ Den veegen kranke 't naadrend eind voorspelt,
+ En in de schaduw van den stillen nacht
+ Besmetting van de vale vlerken schudt;
+ Zoo snelt ook de arme Barrabas getergd,
+ Met helsche vloeken op dees Christen aan.
+
+ De Jood van Malta.
+
+
+De Onterfde Ridder had nauwelijks zijne tent bereikt, of eene menigte
+schildknapen en pages boden hun dienst aan, om hem te ontwapenen,
+versche kleederen te brengen, en de verkwikking van een bad te
+verschaffen. Hun ijver bij deze gelegenheid werd misschien aangevuurd
+door nieuwsgierigheid, daar ieder wenschte te weten, wie de ridder was,
+die zoo vele lauweren geplukt, en toch geweigerd had, zelfs op verzoek
+van Prins Jan, zijn vizier te openen, of zijn naam te noemen. Maar
+aan hun dienstvaardige nieuwsgierigheid werd niet voldaan. De Onterfde
+Ridder weigerde iedere andere hulp, dan die van zijn eigen schildknaap,
+of liever dienstbare, een man van een boersch uitzicht, die gewikkeld
+in een mantel van donkerkleurig vilt, en zijn gezicht en hoofd half
+begraven in een Normandische muts van zwart bont, even onbekend
+scheen te willen blijven als zijn meester. Alle anderen uit de tent
+verwijderd zijnde, bevrijdde deze dienaar zijn heer van de zwaardere
+deelen zijner wapenrusting, en zette hem voedsel en wijn voor, welke
+de uitgestane vermoeienissen van den dag zeer gewenscht maakten.
+
+Hij had nauwelijks een haastigen maaltijd geëindigd, of zijn
+bediende kondigde hem aan, dat vijf mannen, ieder een opgetoomd
+paard leidende, hem wenschten te spreken. De Onterfde Ridder had zijn
+wapenrusting verwisseld tegen het lange gewaad, dat lieden van zijn
+stand gewoonlijk droegen. Daar het van een kap voorzien was, verborg
+het de gelaatstrekken, wanneer men zulks verkoos, bijna even goed,
+als het vizier van den helm zelf, maar het schemerlicht, dat nu sterk
+begon te vallen, zou reeds een vermomming onnoodig gemaakt hebben,
+behalve voor hen, die zijn gezicht bijzonder goed kenden.
+
+De Onterfde Ridder trad dus stoutmoedig voor zijne tent, en vond daar
+de schildknapen der uitdagers, die hij gemakkelijk herkende aan hun
+roode en zwarte kleederen; ieder van hen leidde het strijdpaard van
+zijn meester, beladen met de wapenrusting, in welke hij dien dag
+gevochten had.
+
+"Volgens de wetten der ridderschap," zei de eerste dezer mannen,
+"bied ik, Boudewijn De Oyley, schildknaap van den geduchten ridder
+Brian de Bois-Guilbert, u die u "de Onterfde Ridder" noemt, het paard
+en de wapenrusting aan, welke gezegde Brian de Bois-Guilbert in het
+gevecht van heden gedragen heeft, en laat het aan uw ridderlijkheid
+over, om ze te houden, of een losgeld daarvoor te bepalen;--want
+zulks eischt de toernooiwet."
+
+De andere schildknapen herhaalden bijna hetzelfde formulier, en bleven
+toen staan, om de beslissing van den Onterfden Ridder af te wachten.
+
+"Aan u, vier knapen," hernam de ridder, zich tot hen richtende, die
+het laatst gesproken hadden, "aan uw edele en dappere meesters, heb
+ik hetzelfde antwoord te geven. Brengt mijn groet over aan de edele
+ridders, uw heeren, en zegt hun, dat ik verkeerd zou handelen, door
+hen van paard en wapenen te berooven, die nooit door betere ridders
+kunnen gevoerd worden.--Ik wenschte hiermede mijn boodschap aan deze
+dappere heeren te kunnen eindigen; maar, daar ik in goeden ernst
+en waarheid ben wat ik mij noem: Onterfde, moet ik het aanbod uwer
+meesters aannemen, om met ridderlijke beleefdheid hun wapenrustingen
+te lossen, daar ik die, welke ik zelf draag, nauwelijks mijn eigen
+kan noemen."
+
+"Wij zijn gelast," antwoordde de schildknaap van Reginald
+Front-de-Boeuf, "ieder honderd _zechinen_, als losgeld, voor deze
+wapenrustingen en paarden te bieden."
+
+"Dat is voldoende," hervatte de Onterfde Ridder. "Mijn tegenwoordige
+behoeften noodzaken mij de helft aan te nemen; verdeelt de overige
+helft in twee gelijke deelen; het ééne kunt gij voor u zelven behouden,
+heeren schildknapen, en deelt het andere onder de herauten, wapenboden,
+minnezangers en dienaren uit."
+
+De schildknapen betuigden, met ontbloote hoofden en met diepe
+buigingen, hun erkentelijkheid voor eene beleefdheid en mildheid,
+die zelden, tenminste in zoo hoogen graad, uitgeoefend werden. Daarop
+keerde de Onterfde Ridder zich tot Boudewijn, den schildknaap van
+Brian de Bois-Guilbert. "Van uw meester," zeide hij, "zal ik wapenen
+noch losgeld aannemen. Zeg hem uit mijn naam, dat onze strijd nog
+niet ten einde is:--neen, niet voordat wij zoowel met zwaarden,
+als met lansen, zoowel te voet, als te paard gevochten hebben. Hij
+zelf heeft mij tot dezen strijd op leven en dood uitgedaagd, en ik
+zal zijne uitdaging niet vergeten.--Intusschen, hij verbeelde zich
+niet, dat ik hem gelijk stel met zijne strijdmakkers, jegens welke
+ik ridderlijke beleefdheid kan betuigen; maar dat ik mij beschouw,
+als met hem in doodelijke veete levende!"
+
+"Mijn heer," antwoordde Boudewijn, "weet verachting met verachting,
+en slagen met slagen te vergelden, zoowel als beleefdheid met
+beleefdheid. Daar gij weigert van hem eenig deel van het losgeld aan
+te nemen, waarop gij de wapenen der overige ridders geschat hebt,
+moet ik zijn wapenrusting en zijn paard hier laten, wel overtuigd,
+dat hij noch het ééne zou willen berijden, noch de andere dragen."
+
+"Gij spreekt stoute taal, goede knaap," zei de Onterfde Ridder;
+"gij weet te antwoorden voor uw afwezigen meester. Laat evenwel het
+paard en de wapenrusting niet hier. Breng ze aan uw heer terug;
+of zoo hij ze niet verkiest aan te nemen, behoud gij ze, vriend,
+tot eigen gebruik. Voor zooverre ze mij behooren, schenk ik ze u."
+
+Boudewijn maakte eene diepe buiging, en vertrok met zijn makkers;
+de Onterfde Ridder ging in zijn tent terug.
+
+"Tot hiertoe, Gurth," zei hij, zich tot zijn dienaar wendende,
+"heeft de eer der Britsche ridderschap in mijne handen niet geleden."
+
+"En ik," zei Gurth, "ik heb, voor een Saksischen zwijnenhoeder,
+de rol van een Normandischen schildknaap niet slecht gespeeld."
+
+"Ja maar," antwoordde de Onterfde Ridder; "ik was toch in gedurige
+vrees, dat uwe boersche manieren u zouden verraden."
+
+"Neen," hernam Gurth, "ik vrees niet door iemand ontdekt te worden,
+dan door mijn speelmakker, Wamba, den nar, aan wien ik nooit heb kunnen
+merken, of hij een schelm of een gek is. Maar ik kon mij nauwelijks
+van lachen onthouden, toen mijn oude meester zoo dicht langs mij
+voorbij ging, in de stellige verbeelding, dat Gurth verscheidene
+mijlen van hier zijn zwijnen hoedde, in de bosschen en moerassen van
+Rotherwood. Zoo ik ontdekt word,--"
+
+"Genoeg," zei de Onterfde Ridder, "gij kent mijn belofte."
+
+"Ach, wat dat betreft," hervatte Gurth, "ik zal een vriend nooit
+verlaten uit vrees voor stokslagen. Ik heb een taaie huid, die
+zweepslagen en messteken evengoed kan verdragen, als de dikste
+zwijnenhuid onder mijn kudde dat kan."
+
+"Vertrouw er op, ik zal u voor het gevaar, dat ge om mijnentwille
+loopt, beloonen!" hernam de ridder. "Intusschen verzoek ik u deze
+tien goudstukken aan te nemen."
+
+"Ik ben rijker," zeide Gurth, ze in den zak stekende, "dan ooit eenig
+zwijnenhoeder of lijfeigene, vóór mij."
+
+"Breng deze goudbeurs naar Ashby," vervolgde zijn meester, "zoek
+Izaäk den Jood van York op, en laat hij zich daaruit betalen voor
+het paard en de wapens, die hij mij door zijn krediet verschaft heeft."
+
+"Neen, bij St. Dunstan!" hernam Gurth, "dat doe ik niet."
+
+"Hoe, schelm," hervatte zijn meester, "wilt gij mijn bevelen niet
+gehoorzamen?"
+
+"Zoolang ze eerlijk, verstandig en christelijk zijn, zal ik
+ze volvoeren," antwoordde Gurth; "maar dit bevel heeft er niets
+van. Een Jood zich zelven te laten betalen, zou oneerlijk zijn;
+want hij zou mijn meester bedriegen, en onverstandig, want het ware
+gek en onchristelijk gehandeld, een geloovige te berooven, om een
+ongeloovige te verrijken."
+
+"Stel gij hem dan zelf tevreden!" zei de Onterfde Ridder.
+
+"Dat zal ik," hernam Gurth, de beurs onder zijn mantel nemende,
+en de tent verlatende; "en het zal erg moeten loopen," bromde hij,
+"zoo ik hem niet met de helft van zijn eisch bevredig." Dit zeggende,
+vertrok hij, en liet den Onterfde Ridder aan zijne sombere overwegingen
+over, die om meer redenen, dan het tegenwoordig mogelijk is den lezer
+mede te deelen, van bijzonder pijnlijken en kwellenden aard waren.
+
+Wij moeten nu het tooneel verplaatsen naar het dorp Ashby, of liever
+naar een landhuis in de nabijheid daarvan, dat aan een rijken Israëliet
+toebehoorde, waar Izaäk, zijne dochter en zijne bedienden hun intrek
+genomen hadden; de Joden toch, zooals bekend is, zijn even mild en
+gastvrij jegens hunne eigene natie, als ze vroeger gerekend werden,
+onwillig en stuursch tegen anderen te zijn.
+
+In een vertrek, wel is waar klein, maar rijkelijk voorzien met
+Oostersche sieraden, zat Rebekka op geborduurde kussens, die op
+een kleine verhevenheid lagen, welke rondom de kamer gemaakt was,
+gelijk de _estrada_ der Spanjaarden, en die de plaats van stoelen
+verving. Zij sloeg de bewegingen van haren vader met een blik van
+angstige, kinderlijke liefde gade, terwijl hij met een moedeloos
+gelaat en ongeregelde schreden in het vertrek op en neder ging; soms
+de handen ineen of de oogen omhoog slaande, als een mensch die grooten
+zielsangst lijdt. "O, Jakob!" riep hij uit.--"Ach, alle twaalf heilige
+stamvaders van onze natie! Welk een verlies is dat voor een man, die
+nooit tittel of jota van Mozes' wet verzuimd heeft! Vijftig _zechinen_
+mij op eens ontroofd, en dat door de klauwen van een tiran!"
+
+"Maar, vader!" zei Rebekka, "het scheen mij toe, dat gij Prins Jan
+het geld vrijwillig gaaft."
+
+"Vrijwillig? Dat de plagen van Egypte hem treffen! Vrijwillig zeg
+je?--Ja, zoo vrijwillig, als ik in de golf van Lyon mijn waren over
+boord wierp, om het schip te verlichten, toen het tegen den storm
+worstelde,--toen ik de schuimende baren met mijn schoonste zijde
+kleedde,--toen ik myrrhe en aloë in het zoute zeewater mengde,--toen
+ik de diepte van den Oceaan met goud en zilverwerk verrijkte! En was
+dat niet een uur van onuitsprekelijke ellende, hoewel mijn eigene
+handen de offerande verrichtten?"
+
+"Maar het was een offer door den hemel gevorderd, om ons leven te
+redden," antwoordde Rebekka, "en de God onzer vaderen heeft sedert
+dien tijd uw handel en rijkdom gezegend."
+
+"Ach," antwoordde Izaäk, "maar waartoe, als de dwingeland er zoo
+beslag op legt als heden, en mij dwingt nog te lachen, terwijl hij
+mij uitplundert?--O, dochter! onterfd en zwervende, zooals wij zijn,
+is dit wel het grootste ongeluk, dat ons geslacht kan overkomen,
+dat wanneer wij onder den voet getrapt en uitgeplunderd worden,
+iedereen ons uitlacht; en wij verplicht zijn, onze gevoeligheid over
+de beleediging te onderdrukken, en gedwee te glimlachen in plaats
+van ons dapper te wreken!"
+
+"Denk er zoo niet over, vader," zei Rebekka; "wij hebben van onze
+zijde ook vele voordeelen. Deze Heidenen, welke wreede onderdrukkers
+ze ook zijn, hangen van den anderen kant ook af van de kinderen van
+Sion, die zij verachten en vervolgen. Zonder onzen rijkdom, zouden
+zij noch in den oorlog hun legers, noch bij den vrede hun zegepralen
+kunnen betalen, en het goud, dat wij hun leenen, keert vermeerderd
+in onze geldkisten terug. Wij zijn gelijk het gras, dat te weliger
+opschiet, hoe meer het vertrapt wordt. Zelfs het feest van heden kon
+niet plaats gehad hebben, zonder de toestemming van den verachten Jood,
+die er de middelen toe verschaft heeft."
+
+"Dochter," hernam Izaäk, "gij hebt een andere snaar van mijne smart
+aangeroerd. Het schoone paard en de rijke wapenrusting zullen al
+het voordeel verslinden van mijn handel met onzen Kirjath Jairam van
+Leicester;--dat zou een verschrikkelijk verlies zijn;--de winst van
+eene geheele week, van den geheelen tijd tusschen twee sabbaths;--en
+echter kan het nog beter afloopen, dan ik nu denk; want het is een
+brave jongeling."
+
+"Zeker," zei Rebekka, "en ik vertrouw, dat het u niet berouwen zal,
+den goeden dienst te hebben vergolden, dien u de vreemde ridder
+bewezen heeft."
+
+"Ik vertrouw er ook op, dochter," zei Izaäk, "en ik vertrouw ook op
+het herbouwen van Sion; maar ik heb evenveel hoop met eigene oogen de
+muren en torens van den nieuwen tempel te zien, als ik hopen kan, dat
+een Christen, ja, de allerbeste der Christenen, aan een Jood een schuld
+zou betalen, anders dan uit vrees voor den rechter en de gevangenis."
+
+Dit zeggende, hervatte hij zijn onrustige wandeling door de kamer;
+en Rebekka, bespeurende, dat alle pogingen om haar vader te troosten,
+alleen dienden, om nieuwe klachten uit te lokken, zag wijselijk
+van hare onnutte moeite af;--een voorzichtig gedrag, dat wij allen
+troosters en raadgevers in soortgelijke gevallen ter navolging
+aanbevelen.
+
+De avond begon juist te vallen, toen een Joodsche bediende de
+kamer binnentrad, en twee zilveren lampen op tafel zette, gevuld met
+welriekende olie;--de heerlijkste wijnen en de keurigste ververschingen
+werden tevens door een anderen Joodschen dienaar, op een kleine
+ebbenhouten tafel, met zilver ingelegd, gezet; want in hunne huizen
+ontzeiden de Joden zich geene kostbare weelde. Te gelijker tijd
+meldde de bediende, dat een Nazareër (zoo noemden zij de Christenen,
+als zij onder elkander spraken), Izaäk begeerde te spreken. Hij,
+die van den koophandel wil leven, moet gereed staan voor ieder,
+die zaken met hem heeft. Izaäk zette schielijk het glas Griekschen
+wijn, dat hij aan de lippen had, zonder er van te proeven neder, en
+haastig tot zijn dochter zeggende: "Rebekka, laat den sluier vallen,"
+beval hij den vreemdeling binnen te laten. Juist, toen Rebekka over
+haar schoone trekken een sluier van zilvergaas geslagen had, die
+haar tot de knieën reikte, ging de deur open, en Gurth trad binnen,
+in zijn wijden Normandischen mantel gewikkeld. Zijn voorkomen wekte
+eerder achterdocht dan dat het innemend was, voornamelijk daar hij,
+in plaats van zijn kap af te nemen, deze nog dieper over zijn verbrand
+voorhoofd trok.
+
+"Zijt gij Izaäk, de Jood van York?" zeide Gurth in het Saksisch.
+
+"Die ben ik," hernam Izaäk in dezelfde taal (want zijn handel had
+hem met iederen tongval, die in Engeland gesproken werd, gemeenzaam
+gemaakt); "en wie zijt gij?"
+
+"Dat doet niets ter zaak," antwoordde Gurth.
+
+"Dit raakt mij zoowel als mijn naam u," hervatte Izaäk; "want, hoe
+kan ik verkeer met u houden, zonder uw naam te weten?"
+
+"Zeer gemakkelijk," zeide Gurth; "daar ik u geld te betalen heb, moet
+ik weten, of ik het aan den rechten man geef; gij, die het ontvangen
+moet, zult er u weinig om bekommeren, door wiens handen het u toekomt."
+
+"O," zei de Jood, "gij zijt gekomen om geld te betalen.--Heilige
+vader Abraham!--dat verandert onze betrekking tot elkander. En van
+wien brengt gij het?"
+
+"Van den Onterfden Ridder," antwoordde Gurth, "den overwinnaar in het
+toernooi van heden. Het is de prijs van de wapenrusting, die Kirjath
+Jairam van Leicester hem op uw aanbeveling heeft verschaft. Het paard
+staat weder in uw stal. Ik wenschte nu wel te weten, hoe groot de
+som is, die ik voor de wapenrusting betalen moet?"
+
+"Ik heb gezegd, dat het een brave jongeling was!" riep Izaäk, verrukt
+van blijdschap. "Een beker wijn zal u geen kwaad doen," voegde hij
+er bij, den zwijnenhoeder een beker inschenkende en overhandigende,
+gevuld met kostelijker wijn, dan hij ooit te voren geproefd had. "En
+hoeveel geld hebt gij medegebracht?"
+
+"Heilige Maagd!" riep Gurth, den beker nederzettende, "welken nektar
+drinken die ongeloovige honden, terwijl geloovige Christenen tevreden
+moeten zijn met bier, zoo dik en troebel, als de draf, dien wij aan
+de zwijnen geven!--Hoeveel geld ik medegebracht heb?" ging de Sakser
+voort, na deze onbeleefde uitroeping; "slechts een klein sommetje,
+maar toch iets in de hand. Wel, Izaäk, gij moet een geweten hebben,
+al is het ook maar een Jodengeweten."
+
+"Nu ja," hernam Izaäk; "maar uw meester heeft schoone paarden en
+rijke wapenrustingen gewonnen door de kracht zijner lans en zijner
+rechterhand,--maar het is een brave jongeling;--de Jood zal ze in
+plaats van betaling aannemen, en hem het overschot terug geven."
+
+"Mijn meester heeft reeds daarover beschikt," zei Gurth.
+
+"Ach! dat was verkeerd," antwoordde de Jood, "dat was een gekke
+streek. Geen Christen hier kon zoovele paarden en wapenrustingen
+koopen;--geen Jood buiten mij, kon hem meer dan de helft van de waarde
+geven. Maar gij hebt honderd _zechinen_ bij u in die beurs." zeide
+Izaäk, onder den mantel van Gurth tastende, "ze is zwaar."
+
+"Ik heb er punten voor pijlen in," zei Gurth, zonder zich te bedenken.
+
+"Wel nu," zei Izaäk zuchtende, en aarzelende tusschen zijn gewone
+geldzucht en het pas opgekomen verlangen, om in het tegenwoordig geval
+edelmoedig te zijn, "als ik zei, dat ik tachtig _zechinen_ wilde
+nemen voor het goede paard en de rijke wapenrusting, dat mij geen
+gulden winst zou geven, hebt gij dan geld genoeg om mij te betalen?"
+
+"Nauwelijks," antwoordde Gurth, hoewel de gevraagde som minder was,
+dan hij verwacht had, "en mijn meester blijft dan niets over. Echter,
+zoo dit uw laatste woord is, moet ik er mede tevreden zijn."
+
+"Schenk u nog een beker wijn in," zei de Jood. "Ach! tachtig _zechinen_
+is te weinig! Het laat geen interest van het geld over; en buitendien,
+kan het paard geleden hebben in den strijd. O, het was een zwaar en
+gevaarlijk gevecht; man en paard tegen elkander vliegende, als de
+wilde stieren van Basan. Het paard heeft zeer geleden!"
+
+"En ik zeg," hervatte Gurth, "dat het gezond is aan lijf en leden,
+gij kunt het nu in den stal zien. En ik zeg bovendien, dat zeventig
+_zechinen_ genoeg is voor de wapenrusting, en ik hoop, dat het woord
+van een Christen even goed is, als dat van een Jood. Als gij geen
+zeventig nemen wilt, zal ik deze beurs aan mijn meester terug brengen;"
+en hij liet het geld klinken.
+
+"Neen, neen!" riep Izaäk, "leg de talenten, de sjekels,--de tachtig
+_zechinen_ neer, en gij zult zien, dat ik u ruim bedenken zal."
+
+Gurth gaf toe, en tachtig _zechinen_ op de tafel tellende, gaf de
+Jood hem een kwitantie voor het paard en de wapenrusting. Des Joden
+hand sidderde van vreugde, terwijl hij de eerste zeventig goudstukken
+opstreek. De tien laatsten telde hij met veel bedaardheid na, stil
+houdende en iets mompelende, telkens als hij een stuk van de tafel
+opnam, en het in de beurs stak. Het scheen, alsof zijn gierigheid
+met zijn beteren aard in strijd was, en hem dwong de eene _zechine_
+na de andere op te strijken, terwijl zijn edelmoedigheid hem aandreef,
+om tenminste een gedeelte aan zijn weldoener terug te geven, in den
+vorm eener gift aan zijn dienaar. Zijn geheel gesprek luidde ten
+naastenbij aldus:--
+
+"Een en zeventig,--twee en zeventig; uw meester is een brave
+jongeling;--drie en zeventig,--een voortreffelijk jongeling,--vier
+en zeventig, dit stuk is besneden,--vijf en zeventig, en dit schijnt
+te licht,--zes en zeventig,--als uw meester geld noodig heeft, laat
+hij dan bij Izaäk van York komen;--zeven en zeventig,--te weten
+onder goed onderpand." Hier hield hij geruimen tijd stil, en Gurth
+had goede hoop, dat de drie laatste stukken het lot van hun makkers
+zouden ontgaan; maar de telling ging voort.--"Acht en zeventig,--gij
+zijt een goede jongen,--negen en zeventig,--en verdient iets voor u
+zelven."--Hier hield de Jood weder op, en zag de laatste _zechine_
+aan, zonder twijfel met voornemen om ze aan Gurth te schenken. Hij
+woog ze op den top van den vinger, en liet ze op de tafel vallen,
+om den klank te hooren. Ware ze maar één haar te licht, of de
+klank niet zuiver geweest, dan had de edelmoedigheid gezegepraald;
+maar ongelukkig voor Gurth was de klank vol en zuiver, de _zechine_
+dik, nieuw geslagen en een grein boven het gewicht. Izaäk kon niet
+van zich verkrijgen om er van te scheiden, dus liet hij ze, als uit
+verstrooidheid, in de beurs vallen met de woorden: "Tachtig maakt de
+som vol, en ik vertrouw, dat uw meester u goed zal beloonen. Zeker,"
+voegde hij er bij, ernstig naar de beurs loerende, "gij hebt meer
+geld in dien zak?" Gurth grijnsde, zijn eenige wijze van lachen, en
+hernam: "Omtrent dezelfde som, als die gij daar zoo zorgvuldig geteld
+hebt." Hierop vouwde hij de kwitantie op, en stak ze onder zijn kap,
+zeggende: "Bij uw baard, Jood, pas op, dat de kwitantie goed en echt
+zij!" Hij vulde, zonder er toe verzocht te zijn, een derden beker wijn,
+en verliet de kamer zonder te groeten.
+
+"Rebekka," zei de Jood, "die Ismaëliet is mij een weinig te slim
+geweest. Toch is zijn heer een brave jongeling;--ja, en ik ben
+verheugd, dat hij sjekels van goud en zilver gewonnen heeft, door
+zijn vlug paard en zijn sterke lans, die, evenals die van Goliath
+den Philistijn, met een wevers-boom kon vergeleken worden."
+
+Toen hij zich omkeerde om een antwoord van Rebekka te ontvangen,
+bespeurde hij, dat zij, onder zijn gesprek met Gurth, de kamer
+verlaten had.
+
+Intusschen was Gurth de trappen afgegaan, en na een duistere voorkamer,
+of gang bereikt te hebben, tastte hij rond om den uitgang te vinden,
+toen een witte gedaante, verlicht door een kleine zilveren lamp,
+die zij in de hand hield, hem een wenk gaf haar in een zijvertrek te
+volgen. Gurth was hiertoe niet zeer geneigd. Ruw en onstuimig als een
+wild everzwijn, waar hij niets dan geweld te duchten had, bezat hij
+al de karakteristieke bevreesdheid van de Saksers ten opzichte van
+weerwolven, boschmannen, witte vrouwen en al de spoken, die zij uit
+de wildernissen van Duitschland hadden medegebracht. Hij herinnerde
+zich daarenboven, dat hij in het huis van een Jood was, een volk, dat,
+behalve de andere hatelijke eigenschappen, welke het volksbijgeloof
+hun toeschreef, voor groote toovenaars en heksenmeesters gehouden
+werd. Echter gehoorzaamde hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben,
+aan het verzoek van de verschijning, en volgde haar in de kamer, die
+zij hem aanwees, waar hij tot zijne verwondering en vreugde ontdekte,
+dat zijn leidster de schoone Jodin was, die hij eerst op het toernooi,
+en vóór eenige oogenblikken in haars vaders vertrek gezien had.
+
+Zij vroeg hem naar zijn onderhoud met Izaäk, dat hij nauwkeurig
+mededeelde.
+
+"Mijn vader heeft slechts met u geschertst, vriend," zeide Rebekka;
+"hij is uw meester meer dank verschuldigd, dan deze wapenen en dit
+paard kunnen vergelden, al waren zij tienmaal meer waard. Hoeveel
+hebt gij mijn vader betaald?"
+
+"Tachtig _zechinen_," zei Gurth, verrast door de vraag.
+
+"In deze beurs," vervolgde Rebekka, "zult gij er honderd
+vinden. Geef uw meester zijn eigendom terug, en behoud het overige
+voor u. Ga,--haast u,--houd u niet op met dankbetuigingen, en neem u
+in acht, als gij door deze drukke stad gaat, waar gij licht uw last
+en uw leven kunt verliezen.--Ruben!" voegde zij er bij, in de handen
+klappende, "licht dezen vreemdeling voor, en vergeet niet de deur
+met slot en grendel achter hem te sluiten."
+
+Ruben, een zwartoogige en zwartgebaarde Israëliet, gehoorzaamde aan
+haar bevelen met een fakkel in de hand; hij opende de buitendeur
+van het huis, en Gurth over een geplaveid hof geleidende, liet hij
+hem door een deurtje in de poort uit, dat hij achter hem sloot met
+grendels en ketenen, die voor een gevangenis waren.
+
+"Bij den heiligen Dunstan," zei Gurth, terwijl hij door de donkere gang
+voortstrompelde, "dit is geene Jodin, maar een engel des hemels! Tien
+_zechinen_ van mijn dapperen jongen meester,--twintig van deze parel
+van Sion--gelukkige dag!--Nog één dag van dien aard, Gurth, en gij kunt
+u loskoopen van de lijfeigenschap, en zoo vrij wezen als de beste. En
+dan leg ik terstond mijn zwijnenhoedershoren en staf neder, neem het
+zwaard en het schild van een vrijen man op, en volg mijn jongen meester
+tot in den dood, zonder meer mijn gezicht of naam te verbergen."
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+ 1ste Struikr. Sta, Heer! geef af hetgeen gij bij u draagt,
+ Of anders pakken we u en plunderen u.
+ Spion. Wij zijn verloren, Heer! ziedaar de schurken,
+ Voor wie steeds alle reizigers bevreesd zijn.
+ Val. Mijn vrienden . . . . . . . . .
+ 1ste Struikr. Toch niet, wij zijn uw vijanden.
+ 2de Struikr. Stil, stil, hem aangehoord!
+ 3de Struikr. Ja, bij mijn baard, dat willen wij;
+ 't Is toch een deftig man.
+
+ De twee Edellieden van Verona.
+
+
+Gurt's nachtelijke avonturen waren nog niet ten einde; deze gedachte
+kwam bij hem zelf op, toen hij zich, na tusschen een paar eenzame
+huizen, die aan het einde van het dorp lagen, te zijn doorgegaan,
+in een diepen, hollen weg bevond, die tusschen twee dijken doorliep,
+welke met hulst en hazelstruiken bezet waren, terwijl hier en daar
+een dwergeik zijn takken geheel over het pad uitstrekte. De weg
+was daarenboven bedorven door de wagens, die nog niet lang geleden
+allerhande behoeften voor het toernooi hadden aangebracht, en het
+was donker, want de dijken en struiken onderschepten het licht van
+de schoone najaars-maan.
+
+Uit het dorp hoorde men het verwijderde geluid der uitgelatenste
+vroolijkheid, soms met gelach vermengd, soms door een gil afgebroken,
+en dan weer door wilde muziek afgewisseld. Al deze klanken, welke
+van de ongeregeldheid in de stad getuigden, die opgevuld was met
+de krijgshaftige edelen en hun losbandig gevolg, verwekten eenige
+ongerustheid bij Gurth. "De Jodin had gelijk," zei hij bij zich
+zelven. "Bij den Hemel en St. Dunstan, ik wenschte, dat ik de reis met
+mijn schat veilig achter den rug had! Hier zijn zoo vele, ik wil niet
+zeggen zwervende dieven, maar zwervende ridders en knapen, zwervende
+monniken en minnezangers, zwervende goochelaars en potsenmakers, dat
+een mensch met een enkele mark op zak, in gevaar zou zijn,--hoeveel
+meer dus een arme zwijnenhoeder met een geheele beurs vol _zechinen_;
+was ik maar eerst uit de schaduw van die verwenschte struiken, dan
+kon ik tenminste de volgelingen van St. Nikolaas [15] zien, eer ze
+mij op den hals vallen."
+
+Gurth verhaastte dus zijne schreden, om de open heidevlakte te
+bereiken, waarheen de holle weg leidde, maar dit gelukte hem
+niet. Juist toen hij aan het einde van den weg gekomen was, dáár
+waar het kreupelhout het dichtste was, sprongen er vier mannen op
+hem aan, zooals zijn angstig voorgevoel hem voorspeld had, van iedere
+zijde van den weg twee, en grepen hem zoo vast, dat alle weerstand,
+al ware die mogelijk geweest, te vergeefs zou geweest zijn.
+
+"Geef uw last over!" zei er een van; "wij zijn de ontvangers van het
+rijk, die ieder van zijn last verlichten."
+
+"Gij zoudt mij van den mijnen niet zoo gemakkelijk verlichten," morde
+Gurth, wiens norsche eerlijkheid zelfs niet door geweld kon gebogen
+worden,--"als ik het maar in mijne macht had, u een paar slagen te
+geven om mij te redden."
+
+"Dat zullen wij straks zien," zei de roover, en zich tot zijn
+makkers wendende, sprak hij: "brengt hem mede; ik zie, dat hij zich
+de hersenen wil laten inslaan, zoowel als zijne beurs opensnijden,
+en zoo aan twee aderen tegelijk bloed gelaten worden."
+
+Gurth werd volgens dit bevel voortgesleept, en nadat hij eenigszins
+ruw over den dijk aan de linker zijde van den weg getrokken was,
+bevond hij zich in een eenzaam boschje, dat tusschen den hollen weg
+en de open heivlakte lag. Hij werd gedwongen zijn woeste leidslieden
+tot in de diepte van het bosch te volgen, waar zij plotseling op een
+boomvrije plek bleven staan, waarop de stralen van de maan ongehinderd
+door takken of struiken vielen. Hier voegden zich nog bij de roovers,
+die waarschijnlijk tot de bende behoorden, twee andere mannen. Zij
+hadden korte zwaarden op zijde en groote knuppels in de handen, en
+Gurth bespeurde nu, dat zij allen maskers droegen, wat hun beroep
+verraadde, al had hun vorige handelwijze ook nog eenige onzekerheid
+dienaangaande overgelaten.
+
+"Hoeveel geld hebt gij bij u?" vroeg een van de dieven.
+
+"Dertig _zechinen_, die mij toebehooren," hernam Gurth kort af.
+
+"Verbeurd, verbeurd!" riepen de roovers; "een Sakser heeft
+dertig _zechinen_, en keert nuchter uit een dorp terug! Zij zijn
+onherroepelijk en zeker aan ons vervallen, met alles, wat hij bij
+zich heeft."
+
+"Ik heb ze bijeen gespaard, om mijn vrijheid daarmede te koopen,"
+antwoordde Gurth.
+
+"Gij zijt een ezel," hernam een van de dieven; "drie flesschen sterk
+bier hadden u even vrij gemaakt als uw meester, en zelfs vrijer,
+als hij een Sakser is, evenals gij."
+
+"Eene droeve waarheid," hervatte Gurth; "maar als de dertig _zechinen_
+mij van u vrijkoopen kunnen, zoo maakt mij de handen los, en ik zal
+ze u uitbetalen."
+
+"Holla!" zei de een, die bij de anderen in aanzien scheen te staan,
+"de beurs, die gij daar draagt, voor zoover ik door uw mantel voelen
+kan, bevat meer geld dan gij zegt."
+
+"Het behoort aan den dapperen ridder, mijn meester!" antwoordde Gurth;
+"ik zou er zeker geen woord van gesproken hebben, zoo gij u met mijn
+eigendom hadt tevreden gesteld."
+
+"Gij zijt een eerlijke jongen," hernam de roover, "dat verzeker ik u;
+en wij vereeren St. Nikolaas niet zoo oprecht, of uw dertig _zechinen_
+kunnen nog gered worden, als gij openhartig met ons handelt. Geef
+ons intusschen uw aanvertrouwd goed over." Dit zeggende, nam hij van
+onder Gurth's mantel den lederen zak, waarin de beurs, die Rebekka
+hem gegeven had, zoowel als de overige _zechinen_ zich bevonden,
+en daarop ging hij voort met zijn ondervraging.--"Wie is uw meester?"
+
+"De Onterfde Ridder," zei Gurth.
+
+"Wiens goede lans den prijs in het toernooi van heden behaald
+heeft?" hervatte de roover. "Hoe is zijn naam en wat zijne afkomst?"
+
+"Hij verkiest beiden verborgen te houden," antwoordde Gurth, "en van
+mij zult gij zeker niets daaromtrent vernemen."
+
+"Wat is uw eigen naam en afkomst?"
+
+"Als ik u dat zeide," hernam Gurth, "zou het die van mijn meester
+kunnen verraden."
+
+"Gij zijt een stoute kerel," zei de roover, "maar straks nader
+daarover! Van waar krijgt uw meester dat goud? Heeft hij het geërfd,
+of op welke wijze heeft hij het verworven?"
+
+"Door zijn goede lans," antwoordde Gurth. "Deze beurzen bevatten het
+losgeld van vier schoone paarden en wapenrustingen."
+
+"Hoeveel is er in?" vraagde de roover.
+
+"Twee honderd _zechinen_."
+
+"Maar twee honderd _zechinen_?" zei de bandiet; "uw meester heeft mild
+met de overwonnenen gehandeld, en hun een gering losgeld opgelegd. Noem
+diegenen op, welke het goud betaald hebben." Gurth gehoorzaamde.
+
+"Welk losgeld hebben de wapenrusting en het paard van den Tempelier
+Brian de Bois-Guilbert opgebracht?--Gij ziet, dat gij mij niet kunt
+bedriegen."
+
+"Mijn meester," hernam Gurth, "wil van den Tempelier niets dan zijn
+bloed aannemen. Zij hebben elkander op leven en dood uitgedaagd,
+en kunnen niets in der minne afmaken."
+
+"Wezenlijk!" riep de roover, en hield na dezen uitroep een oogenblik
+stil. "En wat hebt gij te Ashby gedaan, met zulk een som in uw
+bewaring?"
+
+"Ik ben er heen geweest," antwoordde Gurth, "om aan Izaäk den Jood
+van York den prijs terug te geven voor eene wapenrusting, welke hij
+aan mijn meester voor het toernooi geleverd had."
+
+"En hoeveel hebt gij Izaäk betaald?--Mij dunkt, naar het gewicht te
+oordeelen, dat er nog wel twee honderd _zechinen_ in deze beurs zijn."
+
+"Ik heb aan Izaäk," zeide de Sakser, "tachtig _zechinen_ betaald,
+en hij heeft er mij honderd in de plaats gegeven."
+
+"Hoe! wat!" riepen alle roovers tegelijk; "durft gij met ons spotten,
+dat gij ons zulke onbeschaamde leugens vertelt?"
+
+"Wat ik u zeg," zeide Gurth, "is even waar, als dat de maan aan den
+hemel staat. Gij zult de geheele som in een zijden beurs vinden,
+van het overige goud afgescheiden."
+
+"Bedenk u, vriend," zei de kapitein; "gij spreekt van een Jood, van
+een Israëliet, die even weinig gewillig is goud terug te geven, als
+het dorre zand van de woestijn, om een beker water terug te geven,
+dien de pelgrim er op uitgiet."
+
+"Zij bezitten niet meer barmhartigheid," zei een ander van de
+bandieten, "dan een onomgekochte gerechtsdienaar."
+
+"Het is echter zooals ik zeg," antwoordde Gurth.
+
+"Maakt oogenblikkelijk licht," zei de kapitein; "ik wil deze
+beurs onderzoeken; en als deze man de waarheid spreekt, dan is de
+milddadigheid van den Jood bijna even wonderbaar als de stroom,
+welke zijn voorouders in de woestijn verkwikte."
+
+Er werd licht gebracht, en de roover begon de beurs te onderzoeken. De
+anderen verzamelden zich om hem heen, en zelfs de twee, die Gurth
+vasthielden, lieten hem bijna los, terwijl zij de halzen uitstrekten,
+om den uitslag van het onderzoek te zien. Van hunne achteloosheid
+gebruik makende, rukte zich Gurth door eene plotselinge inspanning van
+krachten en vlugheid geheel los, en had mogen ontsnappen, als hij had
+kunnen besluiten, zijns meesters eigendom achter te laten. Maar dit
+was geenszins zijn bedoeling. Hij ontrukte aan een der dieven zijn
+knuppel, sloeg den kapitein ter neder, die daarop in het geheel niet
+voorbereid was, en had bijna den zak en den schat weder bemachtigd. De
+roovers waren hem echter te vlug, en maakten zich weder meester van
+de beurs en van den getrouwen Gurth.
+
+"Schurk!" zei de kapitein, weder opstaande, "gij hebt mij een gat
+in het hoofd geslagen, en bij anderen van onzes gelijken zou uwe
+onbeschaamdheid u duur te staan komen. Maar gij zult dadelijk uw
+lot vernemen. Laten wij eerst over uw meester spreken; de zaken van
+den ridder gaan vóór die van den schildknaap, volgens de wetten der
+ridderschap. Blijf intusschen stil staan;--als gij u weêr verroert,
+zult gij voor uw leven lang tot rust gebracht worden!--Kameraden,"
+zei hij vervolgens, zich tot zijne bende keerende, "deze beurs is met
+Hebreeuwsche letters geborduurd, en ik moet gelooven, dat het verhaal
+van den dienaar waarheid is. De dolende ridder, zijn meester, moet er
+noodzakelijk bij ons tolvrij afkomen. Hij heeft al te veel overeenkomst
+met ons, om hem iets af te nemen: de honden verscheuren elkander niet,
+zoolang er nog vossen en wolven in overvloed te vinden zijn."
+
+"Overeenkomst met ons?" antwoordde een van de bende: "Ik zou dat wel
+eens willen hooren bewijzen!"
+
+"Wel," hernam de kapitein, "is hij niet arm en onterfd, evenals
+wij?--Verdient hij niet den kost met de scherpte van zijn zwaard,
+zooals wij?--Heeft hij niet Front-de-Boeuf en Malvoisin geslagen,
+zooals wij hen zouden slaan, als wij maar konden? Is hij niet de
+doodvijand van Brian de Bois-Guilbert, dien wij zoo vele redenen
+hebben te vreezen? En al ware dit ook niet, zoudt gij willen, dat
+wij minder barmhartig waren, dan een ongeloovige, Hebreeuwsche Jood?"
+
+"Neen, dat ware schande," bromde de andere; "en toch, toen ik onder
+de bende van den dapperen ouden Gandelyn diende, kenden wij zulke
+gewetensbezwaren niet. En deze onbeschaamde boer,--die komt er zeker
+ook nog heelshuids af,--daar sta ik borg voor!"
+
+"Niet, als _gij_ het hem beletten kunt," hernam de kapitein. "Kom
+hier, kerel!" ging hij voort, zich tot Gurth wendende: "weet gij den
+knuppel te hanteeren, daar gij er zoo vlug naar grijpt?"
+
+"Mij dunkt," antwoordde Gurth, "dat gij best zelf in staat zijt,
+die vraag te beantwoorden."
+
+"Nu, op mijn woord, ge hebt mij een fikschen slag gegeven;" hervatte
+de kapitein; "geef er dezen jongen net zoo een flinken, en gij zult
+er tolvrij afkomen; en als gij dat niet doet, welnu, daar gij zulk een
+kerel zijt, denk ik, dat ik uw losgeld zelf zal moeten betalen.--Neem
+uw knuppel, Mulder, en pas op uw hoofd; en gij anderen laat den boer
+los, en geeft hem een stok;--het is licht genoeg, om elkander aan
+te pakken."
+
+Beide kampvechters, met knuppels gewapend, traden voorwaarts,
+in het midden van de open plek, om het volle maanlicht te hebben;
+terwijl de roovers hun makker lachend toeriepen: "Mulder! neem uw
+tolstok in acht!" De Mulder, van den anderen kant, den stok in het
+midden vasthoudende, en over zijn hoofd zwaaiende, op de wijze,
+die de Franschen _faire le moulinet_ noemen, riep pochende uit:
+"Kom maar, boer, als gij durft; gij zult de kracht van een Mulders
+vuist gevoelen!"
+
+"Zoo gij een Mulder zijt," antwoordde Gurth onverschrokken, zijn
+wapen met even groote vlugheid om het hoofd zwaaiende, "dan zijt gij
+een dubbele dief, en ik, als eerlijk man, trotseer u!"
+
+Hierop vielen de kampvechters elkander aan, en gedurende eenige
+minuten toonden zij groote gelijkheid in kracht, moed en behendigheid,
+terwijl zij de slagen van hun tegenpartij opvingen en teruggaven,
+zoodat men, uit het onophoudelijk gekletter, op een afstand zou
+verondersteld hebben, dat er van iederen kant ten minste zes man aan
+het vechten waren.
+
+Minder hardnekkige, en zelfs minder gevaarlijke strijden, zijn in
+schoone heldenverzen bezongen; maar de strijd tusschen Gurth en den
+Mulder moet onbeschreven blijven, uit gebrek aan een gewijden dichter,
+om recht te wedervaren aan die gewichtige gebeurtenis. Maar, ofschoon
+dit vechten met knuppels lang uit de mode is, zullen wij in proza
+voor deze stoute kampvechters ons best doen.
+
+Lang vochten zij met gelijken uitslag, totdat de Mulder het geduld
+verloor, omdat hij een zoo moedigen tegenstander vond, en het gelach
+zijner makkers hoorde, die, zooals gewoonlijk bij zulke gelegenheden,
+met zijn spijt den spot dreven. Hij was dus in geene gunstige
+gemoedsgesteldheid voor den edelen tweestrijd met knuppels, waarbij,
+evenals bij den gewonen kamp met stokken, de grootste koelbloedigheid
+vereischt wordt; en dit gaf aan Gurth, wiens aard, hoe toornig ook,
+toch bedaard was, gelegenheid, om een beslissend voordeel te behalen,
+waarvan hij meesterlijk gebruik maakte.
+
+De Mulder drong woedend op hem aan, beurtelings met beide einden van
+zijn wapen slagen uitdeelende, en trachtende op halve stoks lengte te
+komen, terwijl Gurth zich tegen den aanval verdedigde, door de handen
+omtrent een el van elkander af te houden, en zich te dekken door zijn
+wapen telkens met groote snelheid uit de eene hand in de andere te
+werpen, om zijn hoofd en lichaam te beschermen. Zoo hield hij zich
+verdedigender wijze staande, met oogen, voeten en handen behoorlijk
+wachtende, tot hij bespeurde, dat zijn tegenpartij den adem verloor;
+toen sloeg hij met de linkerhand naar zijn gezicht; en, terwijl de
+Mulder poogde, den slag af te weren, liet Gurth de rechter- tot de
+linkerhand zakken, en trof met volle kracht zijn tegenpartij aan de
+linkerzijde van het hoofd, zoodat deze oogenblikkelijk lang uit op
+den grond lag.
+
+"Goed,--en als een dapper landsmans gedaan!" schreeuwden de
+roovers. "Leve de eerlijke strijd en oud Brittanje! De Sakser heeft
+beurs en huid gered, en de Mulder heeft zijn man gevonden."
+
+"Gij kunt heengaan, vriend," zei de kapitein, zich tot Gurth wendende,
+om de algemeene stem te bevestigen, "en ik zal u door twee van mijn
+kameraden den besten weg naar de tent van uw meester laten wijzen,
+om u tegen andere nachtwandelaars te beschermen, die een minder teeder
+geweten zouden hebben, dan wij; want er zijn velen op de been in een
+nacht, als dezen. Pas evenwel op!" voegde hij er op strengen toon
+bij. "Herinner u, dat gij geweigerd hebt uw naam te zeggen;--vraag
+niet naar den onzen, en tracht niet te ontdekken, wie of wat wij zijn;
+want als gij dat doet zal het u erger gaan, dan ge wel denkt!"
+
+Gurth dankte den kapitein voor zijne beleefdheid, en beloofde zijn
+raad niet te vergeten. Twee der vrijbuiters namen hunne stokken,
+en Gurth bevelende hen kort op de hielen te volgen, gingen zij met
+vlugge schreden vooruit, langs een voetpad, dat door het bosch en
+de woeste vlakte in de nabijheid liep. Aan het einde van het bosch
+spraken twee mannen zijn geleiders aan, en, nadat deze hun een antwoord
+toegefluisterd hadden, begaven zij zich in het woud terug, en lieten
+hen ongehinderd verder gaan. Deze omstandigheid deed Gurth gelooven,
+dat de bende talrijk was, en dat zij geregelde wachten rondom hun
+verzamelplaats hadden.
+
+Toen zij op de open heide kwamen, waar Gurth het eenigszins moeielijk
+zou gevallen zijn, den weg te vinden, geleidden de roovers hem recht
+naar den top van een kleinen heuvel, van waar hij, in den maneschijn,
+de palen van het strijdperk, en de schitterende tenten met haar
+wapperende vlaggetjes, die aan ieder uiteinde er van bevestigd waren,
+zien kon, en het gezang hooren, waarmede de schildwachten den tijd
+zochten te korten.
+
+Hier bleven de dieven staan.
+
+"Wij gaan niet verder," zeiden zij; "het zou niet veilig voor ons
+zijn.--Herinner u de waarschuwing, die ge ontvangen hebt:--houd geheim,
+wat u dezen nacht is overkomen, en het zal u niet berouwen;--zoo gij
+verzuimt, wat men u gezegd heeft, zou de _Tower_ te Londen u niet
+tegen onze wraak beschermen."
+
+"Goeden nacht, vrienden," zei Gurth. "Ik zal uw bevelen opvolgen,
+en ik vertrouw geen kwaad te doen, met u een veiliger en eerlijker
+beroep toe te wenschen!"
+
+Zoo scheidden zij; de vrijbuiters keerden langs denzelfden weg terug,
+dien zij gekomen waren, en Gurth ging naar de tent van zijn meester,
+dien hij, in weerwil van het gegeven bevel, alle voorvallen van dien
+nacht mededeelde.
+
+De Onterfde Ridder was vervuld met verbazing, zoowel over de
+edelmoedigheid van Rebekka, waarvan hij echter besloot geen voordeel
+te trekken, als over die van de roovers, aan wier beroep zulk eene
+deugd geheel vreemd scheen. Zijn gepeins over deze zonderlinge
+omstandigheden, werd evenwel gestoord door de noodzakelijkheid, om
+de rust te nemen, die de vermoeienissen van den vorigen dag en de
+noodwendigheid, om zich tegen het gevecht van den aanstaanden morgen
+te versterken, onmisbaar maakten.
+
+De ridder legde zich dus op een zacht bed, waarmede de tent voorzien
+was, neder, en de getrouwe Gurth strekte zijn verharde leden op
+een berenvel, dat tot kleed op den grond diende, uit, dwars voor
+de opening van de tent, zoodat niemand binnenkomen kon, zonder hem
+wakker te maken.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Gij hieldt, Herauten, op, met heen en weer te draven,
+ Terwijl trompet, klaroen het sein tot d' aanval gaven:
+ 't Is nauwlijks nog gehoord, of weerzijds van de baan,
+ Ziet ge allen vaardig met gevelde lansen staan,
+ De scherpe spoor gedrukt in 't ros aan beide zijden;
+ Daar stuiven ze ijlings voorwaarts, rennen, worstlen, strijden;
+ De spietsen dringen door het dikke en harde schild
+ Den hartkuil in: de ridder wankelt, trilt;
+ Zij vliegen door de lucht, de lange, lange lansen;
+ De ontbloote zwaarden in de zon, als zilver glanzen;
+ Alom wordt helm bij helm gebeukt, verplet, doorboord,
+ En 't bloed stroomt langs den grond in roode plassen voort.
+
+ Chaucer.
+
+
+De morgen daagde in onbewolkte helderheid op, en eer de zon ver boven
+den gezichteinder verscheen, zag men de traagsten, of ijverigsten
+der toeschouwers op weg naar het strijdperk, om zich eene gunstige
+plaats te verschaffen, bij de verwachte spelen.
+
+De maarschalken en hunne volgelingen verschenen ook op het veld,
+tegelijk met de herauten, om de namen van de ridders op te teekenen,
+die begeerden mede te strijden, zoowel als de partij, welke zij
+wenschten te kiezen. Dit was een noodzakelijke voorzorg, om eenige
+gelijkheid te bewaren tusschen de twee afdeelingen, die tegen elkander
+strijden zouden.
+
+Volgens het gebruik was de Onterfde Ridder aanvoerder van de eene
+partij, terwijl Brian de Bois-Guilbert, die voor den tweeden op den
+vorigen dag gerekend werd, tot eersten kampvechter van de andere
+partij benoemd was. Zij, die deel aan de uitdaging genomen hadden,
+waren natuurlijk van zijne partij, met uitzondering van Ralph de
+Vipont, dien zijn val buiten staat gesteld had, om zoo schielijk
+weder een wapenrusting aan te doen. Het ontbrak niet aan uitstekende
+en edele kandidaten, om de gelederen aan beide zijden te versterken.
+
+Inderdaad, ofschoon het algemeen toernooi, waarin alle ridders tegelijk
+vochten, gevaarlijker was dan de tweegevechten, zoo werd het toch meer
+gezocht en beoefend door de ridderschap van die eeuw. Vele ridders,
+die geen vertrouwen genoeg op hunne eigene behendigheid stelden,
+om een enkelen vijand van grooten naam uit te dagen, verlangden
+echter hunne dapperheid in het algemeen gevecht te toonen, waar zij
+anderen konden ontmoeten, met wie zij meer gelijk stonden. Bij de
+tegenwoordige gelegenheid werden omtrent vijftig ridders aan beide
+kanten ingeschreven, toen de maarschalken verklaarden, dat er geen
+meer konden aangenomen worden, tot groote teleurstelling van velen,
+die te laat kwamen, om toegelaten te worden.
+
+Tegen tien uur was de geheele vlakte bedekt met mannen en vrouwen
+te paard, en te voet, die allen naar het toernooi gingen; en kort
+daarop kondigde een luid trompetgeschal Prins Jan en zijn gevolg aan,
+vergezeld van velen der ridders, die deel wilden nemen aan het gevecht,
+zoowel als van anderen, die dit voornemen niet hadden.
+
+Omtrent denzelfden tijd verscheen Cedric de Sakser met jonkvrouw
+Rowena, maar zonder Athelstane. Deze edele Sakser had zijn groot en
+sterk lichaam in eene wapenrusting gestoken, om plaats te nemen onder
+de strijders, en zeer tot verwondering van Cedric, had hij de partij
+van den Tempelier gekozen. De Sakser had zijn vriend, wel is waar,
+sterke vertoogen gedaan over deze onverstandige keus; maar hij had
+slechts het antwoord gekregen, dat gewoonlijk diegenen geven, welke
+hardnekkiger zijn in het opvolgen van hun eigen wil, dan zij sterk zijn
+om dien te rechtvaardigen. Zijn beste, zoo niet zijn eenige reden,
+om de partij van Brian de Bois-Guilbert te kiezen, was Athelstane
+voorzichtig genoeg voor zichzelven te houden. Schoon zijne trage
+inborst hem verhinderde, eenige moeite aan te wenden, om zich in de
+gunst van Rowena in te dringen, was hij echter geenszins ongevoelig
+voor haar bekoorlijkheden, en beschouwde hij eene verbintenis met haar,
+als eene reeds geheel zekere zaak, door de toestemming van Cedric en
+haar overige vrienden. Dus had de hoogmoedige, hoewel trage Heer van
+Coningsburgh met heimelijk ongenoegen gezien, dat de overwinnaar van
+den vorigen dag, Rowena gekozen had, als het voorwerp der eer, welke
+hij zelf het zijn voorrecht achtte, haar te schenken. Om hem alzoo
+wegens eene voorkeur te straffen, die zijn eigen aanzoek in den weg
+scheen te staan, had Athelstane, vol vertrouwen op zijne krachten
+en groote behendigheid in het gebruik der wapenen, die hem zijn
+vleiers tenminste toeschreven, besloten, niet alleen den Onterfden
+Ridder van zijn machtigen bijstand te berooven, maar zelfs, als er
+zich eene gelegenheid opdeed, hem de zwaarte van zijn strijdbijl te
+doen gevoelen.
+
+De Bracy en andere ridders, die aan Prins Jan verkleefd waren,
+hadden op een wenk van hem de partij der uitdagers genomen, daar de
+Prins verlangde, zoo mogelijk, de overwinning naar dien kant te doen
+overhellen. Daarentegen namen vele andere ridders, zoowel Saksers als
+Normandiërs, inboorlingen en vreemden, des te gereeder partij tegen de
+uitdagers, daar de andere schaar door een zoo uitstekenden kampvechter
+aangevoerd zou worden, als de Onterfde Ridder zich betoond had.
+
+Zoodra Prins Jan bespeurde, dat de uitverkoren Koningin van den dag
+in het strijdperk was aangekomen, reed hij haar tegemoet, met die
+hoffelijkheid, welke hem zoo goed stond, nam de baret af, en van het
+paard springende, hielp hij Rowena afstijgen, terwijl zijn gevolg
+tegelijk de hoofden ontblootten en een der aanzienlijksten daaronder
+afsteeg, om haar paard te houden.
+
+"Zoo is het," zei Prins Jan, "dat wij het verschuldigde voorbeeld van
+getrouwheid aan de Koningin der Liefde en Schoonheid geven, en haar
+zelf naar den troon geleiden, dien zij heden moet beklimmen.--Schoone
+Dames," zeide hij, "volgt uwe Koningin, zoo gij wenscht op uwe beurt
+gelijke eer te genieten."
+
+Dit zeggende, geleidde de Prins Rowena naar de eereplaats, tegenover
+die waar hij zat, terwijl de schoonste en aanzienlijkste vrouwen achter
+haar aandrongen, om zoo dicht mogelijk bij haar Vorstin te zitten.
+
+Nauwelijks zat Rowena, of de muziek, half verdoofd door het gejuich
+der menigte, begroette haar in haar nieuwe waardigheid. Intusschen
+scheen de zon sterk en helder op de schitterende wapens van de ridders
+der beide partijen, welke de uiteinden van het strijdperk opvulden,
+en ijverig met elkander de beste wijze overlegden, om hun slagorde
+te schikken, en den strijd te voeren.
+
+De herauten geboden nu stilzwijgen, totdat de wetten van het toernooi
+voorgelezen waren. Deze waren eenigermate berekend, om de gevaren van
+den dag te verminderen; een voorzorg, die des te noodiger was, omdat
+de strijd met scherpe zwaarden en puntige lansen zou plaats hebben.
+
+Er werd dus aan de kampvechters verboden met het zwaard te steken,
+en hun werd alleen geoorloofd te houwen. De ridder kon een strijdbijl
+of knots gebruiken; maar de dolk was een verboden wapen. Een van het
+paard geworpen ridder mocht het gevecht hernieuwen met een ridder
+van de tegenpartij, die zich in hetzelfde geval bevond; maar aan
+de ruiters was het verboden hen aan te vallen. Wanneer een ridder
+zijn tegenpartij tot aan het einde van het strijdperk kon drijven,
+zoodat hij de palen met zijn paard of zijn wapenrusting aanraakte,
+dan moest deze zich overwonnen bekennen, en zijn paard en zijn wapenen
+stonden ter beschikking van den overwinnaar. Een aldus overwonnen
+ridder mocht geen verder deel aan den strijd nemen. Wanneer een
+op den grond geworpen ridder niet in staat was, weder op te staan,
+mocht zijn schildknaap, of page, in het strijdperk komen, en zijn
+meester uit het gedrang slepen; maar in dit geval werd de ridder voor
+overwonnen gehouden, en zijne wapenen en zijn paard werden verbeurd
+verklaard. Het gevecht moest ophouden, zoodra Prins Jan zijn staf zou
+neder werpen; eene laatste voorzorg, die gewoonlijk genomen werd,
+om onnoodig bloedvergieten bij het te lang aanhouden van zulk een
+gevaarlijk spel te beletten. Ieder ridder, die de toernooiwetten
+schond, of op andere wijze de wetten der eerzame ridderschap overtrad,
+zou van zijne wapenen beroofd, met omgekeerd schild op den top der
+palissaden geplaatst, en aan het algemeen gelach blootgesteld worden,
+wegens zijn onridderlijk gedrag.
+
+Nadat deze maatregelen waren bekend gemaakt, besloten de herauten
+met eene vermaning aan iederen goeden ridder, om zijn plicht te doen,
+en de gunst van de Koningin der Liefde en Schoonheid te verdienen.
+
+Toen deze afkondiging gedaan was, begaven zich de herauten naar
+hunne standplaats. De ridders, van beide zijden van het strijdperk
+in een lange rij binnenkomende, schaarden zich in twee gelederen,
+vlak tegenover elkaar. De aanvoerder van iedere partij bevond zich
+in het midden van het voorste gelid; eene plaats, die hij niet innam,
+voordat hij de gelederen zorgvuldig in slagorde gesteld, en aan ieder
+zijne plaats gewezen had.
+
+Het was een schoon, maar tevens angstverwekkend schouwspel, zoo
+vele dappere strijders, in het rijden geoefend, en rijk gewapend,
+gereed te zien staan voor een zoo vreeselijk gevecht,--als ijzeren
+standbeelden in hun zadels zittende, en het teeken tot den aanval met
+even groot verlangen afwachtende, als hunne moedige rossen, die door
+brieschen en stampen hun ongeduld te kennen gaven.
+
+Nog hielden de ridders hun lange lansen omhoog, terwijl de blinkende
+spitsen in de zon glinsterden, en de vaandeltjes, waarmede zij versierd
+waren, boven de pluimen der helmen fladderden. Zoo bleven zij staan,
+terwijl de maarschalken hun gelederen met de uiterste nauwkeurigheid
+onderzochten, of niet de eene of andere partij meer of minder sterk
+was, dan het bepaald getal. Dit werd in orde bevonden. Daarop verlieten
+de maarschalken het strijdperk, en Willem de Wyvil gaf met donderende
+stem het teeken tot den aanval met de woorden: _Laissez aller!_ De
+trompetten lieten zich nu hooren,--de speren der kampvechters zakten op
+eens,--de paarden werden aangespoord, en de voorste gelederen vlogen
+op elkander aan, en stietten in het midden van het strijdperk met een
+schok tegen elkander, die men op een mijl afstands kon hooren. Het
+achterste gelid volgde langzamer, om de overwonnenen te helpen,
+en de overwinnaars van hun eigene partij te ondersteunen.
+
+Men kon de gevolgen van deze botsing niet dadelijk zien, want het stof,
+door het stampen van zoo vele paarden veroorzaakt, verduisterde de
+lucht, en er verliep wel een minuut, eer de ongeduldige toeschouwers
+den uitslag daarvan konden zien. Toen alles zichtbaar werd, was de
+helft der ridders van iederen kant van het paard geworpen; eenigen
+door het behendig gebruik van de lans hunner tegenpartij,--sommigen
+door het overwicht, dat man en paard had ter neder gestort,--anderen
+lagen op den grond, alsof zij nooit weder opstaan zouden;--nog anderen
+waren reeds weder op de been, en handgemeen geworden met die hunner
+vijanden, welke zich in denzelfden toestand bevonden,--en twee of drie,
+die wonden gekregen hadden, welke hen verder onbekwaam maakten tot
+het gevecht, stelpten het bloed met hun sjerpen, en trachtten zich
+uit het gedrang te redden. De ridders, die in den zadel gebleven
+waren, en wier lansen bijna alle door de hevigheid van den schok
+gebroken werden, streden nu man tegen man met het zwaard, onder een
+luid krijgsgeschreeuw, en deelden elkander slagen toe, alsof eer en
+leven van den uitslag des gevechts afhingen.
+
+Het gedruisch nam toe, door het aanrukken van het tweede gelid van
+iederen kant, dat tot hulpbende diende, en nu voorwaarts stoof,
+om hun vrienden te ondersteunen. De aanhangers van Brian de
+Bois-Guilbert riepen: "_Ha! Beau Séant! Beau Séant_ [16]--_Voor
+den Tempel! Voor den Tempel!_" De tegenpartij riep daarentegen:
+"_Desdichado! Desdichado!_"--een krijgsgeschreeuw, dat zij ontleenden
+aan het devies op het schild van hun aanvoerder.
+
+De kampvechters dus met de grootste woede en met afwisselend geluk
+tegen elkander strijdende, scheen de overwinning dan eens naar het
+zuidelijk, dan weder naar het noordelijk einde van het strijdperk
+over te hellen, naarmate de een of andere partij voor het oogenblik
+zegevierde. Intusschen vermengde zich het gekletter der zwaarden
+en het geschreeuw der vechtenden op een verschrikkelijke wijze met
+het geschal der trompetten, en verdoofde het gekerm der vallenden,
+die hulpeloos onder de hoeven der paarden lagen. De schitterende
+wapenrustingen der strijders waren nu bezoedeld met stof en bloed,
+en bezweken voor iederen slag van het zwaard en de strijdbijl. De
+bonte pluimen, van de helmen afgemaaid, dreven als sneeuwvlokken
+voor den wind af. Alles, wat schoon en bevallig in de krijgshaftige
+vertooning geweest was, verdween, en hetgeen nu nog te zien was,
+diende slechts om schrik of medelijden te verwekken.
+
+Zoo sterk is echter de kracht der gewoonte, dat niet alleen de gemeene
+toeschouwers, die natuurlijk door schrikwekkende tooneelen worden
+vermaakt, maar zelfs de dames, die de galerijen vulden, den kamp
+beschouwden, wel is waar met angstige belangstelling, maar zonder
+begeerte, om de oogen van een zoo schrikkelijk schouwspel af te
+wenden. Hier en daar verbleekte wel een schoone wang, of liet zich
+een gil hooren, wanneer een minnaar, broeder of echtgenoot van het
+paard geworpen werd. Maar, over het algemeen, moedigden de dames de
+strijders aan niet alleen door handgeklap, en door wuiven met doeken
+en sluiers, maar ook door het geroep: "Dappere lans! Goed zwaard!" als
+zij een gelukkigen slag of stoot opmerkten.
+
+Daar het schoone geslacht zooveel belang stelde in dit bloedige
+gevecht, kan men zich dat der mannen licht verbeelden. Het openbaarde
+zich in luide juichtonen bij iedere verandering van de kansen,
+terwijl aller oogen zoo op het strijdperk gericht waren, dat de
+toeschouwers zelven de slagen schenen uit te deelen en te ontvangen,
+welke zoo ruimschoots vielen. Bij iedere stilte hoorde men de stem der
+herauten uitroepen: "Vecht, dappere ridders! De mensch sterft, maar
+de roem leeft!--Strijdt,--de dood is beter dan de nederlaag!--Kampt,
+dappere ridders! schoone oogen aanschouwen uw heldendaden!"
+
+Onder al de gebeurtenissen van den strijd, trachtten aller oogen
+de aanvoerders van iedere partij te ontdekken, die, zich in het
+heetste van het gevecht mengende, hun makkers door stem en voorbeeld
+aanmoedigden. Beiden verrichtten groote en dappere daden, en noch
+Bois-Guilbert, noch de Onterfde Ridder vonden in de vijandelijke
+gelederen een kampvechter, die volkomen tegen hen bestand was. Zij
+trachtten wederzijds elkander te ontmoeten, aangespoord door
+wederkeerigen haat, en overtuigd, dat de val van een der aanvoerders
+beschouwd kon worden, als beslissend voor de overwinning. Zoo groot
+echter was het gedrang en de verwarring, dat in het begin van het
+gevecht hun pogingen om elkander te ontmoeten, vruchteloos waren, en
+zij herhaalde malen gescheiden werden door den ijver hunner aanhangers,
+waarvan ieder begeerig was eer in te oogsten, door zijne kracht te
+beproeven tegen den aanvoerder der tegenpartij.
+
+Maar toen de rijen aan beide zijden dunner begonnen te worden, door
+het getal van hen, die zich overwonnen verklaard hadden, of naar
+de uiteinden van het strijdperk waren gedreven, of anders onbekwaam
+gemaakt waren om den strijd voort te zetten, werden de Tempelier en de
+Onterfde ridder handgemeen, met al die woede, dien doodelijken haat,
+welke de strijd om de eer hun konden inboezemen. Zoo groot was beider
+behendigheid in den aanval en in de verdediging, dat de toeschouwers
+in een eenstemmig en onwillekeurig gejuich uitbarstten, waardoor zij
+hunne vreugde en bewondering uitdrukten.
+
+Maar op dit oogenblik was het met de partij van den Onterfden
+Ridder slecht gesteld; de reuzenarm van Front-de-Boeuf op den eenen
+vleugel, en de reuzenkracht van Athelstane op den anderen, hadden
+degenen, die onmiddellijk tegenover hen stonden, ter neer geslagen
+en verstrooid. Zich bevrijd ziende van hun tegenstanders, scheen het
+beiden ridders op hetzelfde oogenblik in te vallen, dat zij hun partij
+het beslissendste voordeel zouden bezorgen, door den Tempelier in zijn
+strijd met zijn mededinger bij te staan. Hun paarden dus tegelijk
+wendende, joeg de Normandiër van de eene zijde op hem los, en de
+Sakser van de andere. Het ware volstrekt onmogelijk geweest, dat het
+voorwerp van dezen ongelijken en onverwachten aanval dien had kunnen
+weerstaan, zoo hij niet door het algemeen geroep der toeschouwers
+gewaarschuwd was, die niet nalaten konden belang te stellen in een
+ridder, die aan zulk een ongelijken strijd blootgesteld was.
+
+"Wees op uw hoede! wees op uw hoede! Heer Onterfde!" werd zoo
+algemeen geroepen, dat de ridder zijn gevaar bespeurde, en een
+geweldigen slag naar den Tempelier doende, haalde hij zijn paard
+tegelijkertijd achteruit, zoodat hij aan den schok van Athelstane
+en Front-de-Boeuf ontging; dezen dus, hun doel verijdeld ziende,
+renden van beide zijden tusschen het voorwerp van hun aanval en den
+Tempelier door, terwijl zij met de paarden tegen elkander stootten,
+voordat zij hun loop konden tegenhouden. Hun rossen echter nog
+intoomende en ronddraaiende, vervolgden alle drie hun voornemen,
+om den Onterfden Ridder ter neder te vellen.
+
+Niets kon hem gered hebben, dan de bijzondere sterkte en vlugheid van
+het edele paard, dat hij den vorigen dag gewonnen had. Dit kwam hem te
+meer te pas, dat het paard van Bois-Guilbert gewond was, en die van
+Athelstane en Front-de-Boeuf beiden vermoeid waren, door het gewicht
+hunner reusachtige meesters in volle wapenrusting, en door de vroegere
+inspanning van den strijd. De verwonderlijke rijkunst van den Onterfden
+Ridder en de vlugheid van het edele dier, dat hij bereed, stelden hem,
+gedurende eenige oogenblikken, in staat, om zijn drie aanvallers van
+zich af te houden, terwijl hij, zich draaiende en keerende evenals een
+valk in de lucht, zijn vijanden zoo ver mogelijk van elkander hield,
+en nu den een, dan den andere zelf aanvallende, met zijn zwaard slagen
+uitdeelde, zonder die af te wachten, welke men op hem muntte.
+
+Maar schoon het strijdperk van toejuichingen over zijn behendigheid
+weergalmde, was het duidelijk, dat hij ten laatste voor de overmacht
+zou moeten zwichten; en zij, die Prins Jan omgaven, smeekten hem
+eenstemmig zijn staf neder te werpen, en een zoo dapperen ridder den
+smaad eener onverdiende nederlaag te besparen.
+
+"Ik niet, bij het licht des Hemels!", antwoordde Prins Jan; "deze
+bastaard, die zijn naam verbergt, en onze aangeboden gastvrijheid
+versmaadt, heeft reeds één prijs weggedragen, en kan nu aan anderen
+een beurt laten." Terwijl hij zoo sprak, veranderde een onvoorzien
+toeval den uitslag van den kamp.
+
+Er was onder de gelederen van den Onterfden Ridder één kampvechter
+op een zwart paard, in zwarte wapenrusting, breed van schouders,
+groot, en naar allen schijn krachtig en sterk. Deze ridder, die in 't
+geheel geen devies op zijn schild voerde, had tot nu toe zeer weinig
+belangstelling in den uitslag van het gevecht getoond, met groot gemak,
+zooals het scheen, de ridders die hem aanvielen, afwerende, maar zonder
+van zijn voordeel gebruik te maken, of iemand aan te tasten. Kortom,
+hij speelde eerder de rol van een toeschouwer dan van een deelnemer
+in het toernooi,--een omstandigheid, welke hem bij de aanwezigen den
+naam van "_Le Noir Fainéant_," of "de zwarte luiaard," verschafte.
+
+Op eens scheen de ridder zijn onverschilligheid te vergeten, toen hij
+den aanvoerder van zijn partij zoo hard bestookt zag; want zijn paard,
+dat nog geheel frisch was, de sporen gevende, vloog hij pijlsnel ter
+zijner hulp, terwijl hij met een stem, luid als het trompetgeschal,
+riep: "_Desdichado_, ter hulp!" Het was hoog tijd; want, terwijl
+de Onterfde Ridder op den Tempelier indrong, was Front-de-Boeuf met
+opgeheven zwaard tot dicht bij hem genaderd; maar eer de slag viel,
+bracht de Zwarte Ridder hem een houw op het hoofd toe, die, van den
+gepolijsten helm afglijdende, met weinig verminderde kracht op het
+_chamfron_ van het paard nederkwam, en deed Front-de-Boeuf met zijn ros
+op den grond rollen, waar zij beiden bewegingloos bleven liggen. Hierop
+wendde _Le Noir Fainéant_ zijn paard tegen Athelstane van Coningsburgh;
+en daar zijn eigen zwaard in den strijd met Front-de-Boeuf gebroken
+was, rukte hij den forschen Sakser de strijdbijl uit de hand, en
+het wapen als een geoefend krijgsman zwaaiende, gaf hij Athelstane
+daarmede zulk een geweldigen slag op den helm, dat ook deze bewusteloos
+ter aarde zonk. Na deze daad verricht te hebben, die des te luider
+toegejuicht werd, daar ze van zijn kant geheel onverwacht kwam,
+scheen de ridder weder door zijn natuurlijke traagheid overvallen te
+worden; want bedaard naar het noordelijke uiteinde van het strijdperk
+terugkeerende, liet hij het aan zijn aanvoerder over, om den strijd
+met Brian de Bois-Guilbert, zoo goed hij kon, te eindigen. Dit was
+op verre na zoo moeielijk niet meer als te voren. Het paard van den
+Tempelier had veel bloed verloren, en zeeg bij den aanval van den
+Onterfden Ridder ter neder. Brian de Bois-Guilbert rolde op den grond,
+terwijl zijn voet in den stijgbeugel hangen bleef, waaruit hij zich
+niet los kon maken. Zijn vijand sprong van het paard, zwaaide zijn
+overwinnend zwaard over zijn hoofd, en beval hem zich over te geven,
+toen Prins Jan, meer bewogen door den gevaarlijken toestand van
+den Tempelier, dan hij door dien van zijn tegenpartij geweest was,
+hem den schimp bespaarde van zich overwonnen te bekennen, door zijn
+staf naar beneden te werpen, en dus een einde aan het gevecht te
+maken. Het waren inderdaad ook slechts de laatste vonken en spranken
+van het vuur die nog brandden; want het grootste gedeelte der ridders,
+die nog in het strijdperk waren, hadden het gevecht voor een poos
+geschorst, om de beslissing er van aan hun aanvoerders over te laten.
+
+De schildknapen, die het gevaarlijk en moeilijk gevonden hadden, hun
+meesters gedurende het gevecht bij te staan, drongen nu bij menigte
+in het strijdperk, om den gekwetsten de noodige hulp toe te brengen,
+welke met de uiterste zorg en oplettendheid naar de naburige tenten,
+of naar de verblijven gebracht werden, die in het naaste dorp voor
+hen bereid waren.
+
+Zoo eindigde het gedenkwaardige toernooi te Ashby-de-la-Zouche,
+een der geduchtste wapenfeesten van dien tijd; want, ofschoon er
+maar vier ridders, waaronder een, die door de zwaarte van zijne
+wapenrusting gesmoord werd, op het slagveld sneuvelden, zoo waren er
+toch meer dan dertig gevaarlijk gekwetst, waarvan vier of vijf nooit
+herstelden. Verscheidene anderen werden voor hun leven verlamd; en zij,
+die er het best afkwamen, droegen de lidteekenen van den strijd tot
+aan het graf. Daarom spreekt men steeds in de oude jaarboeken van:
+"De edele en schoone wapenstrijd te Ashby."
+
+Daar het nu de plicht van Prins Jan was den ridder te noemen, die
+het best gestreden had, besliste hij, dat de eer van den dag toekwam
+aan hem, dien men _Le Noir Fainéant_ genoemd had. Men gaf den Prins
+daartegen te kennen, dat de overwinning inderdaad behaald was door den
+Onterfden Ridder, die in den loop van den strijd met eigene hand zes
+kampvechters overwonnen, en ten laatste den aanvoerder der tegenpartij
+bedwongen had. Maar Prins Jan volhardde bij zijn uitspraak, op grond,
+dat de Onterfde Ridder en zijne partij de overwinning zouden verbeurd
+hebben, zonder den krachtigen bijstand van den Zwarten Ridder, aan
+wien hij derhalve volstrekt den prijs toekennen wilde.
+
+Tot verbazing van alle toeschouwers echter, was de dus bevoorrechte
+ridder nergens te vinden. Hij had het strijdperk dadelijk na het einde
+van het gevecht verlaten, en eenige der aanwezigen hadden hem langs
+een van de boschlanen zien rijden, met denzelfden langzamen stap
+en met dezelfde onverschillige houding, aan welke hij den bijnaam
+van "den zwarten luiaard" te danken had. Nadat hij tweemaal door
+trompetgeschal en door de stem der herauten was opgeroepen, werd het
+noodzakelijk een anderen te benoemen, om de hem toegedachte eer te
+ontvangen. Prins Jan had nu geen verontschuldiging meer, om het recht
+van den Onterfden Ridder te betwisten, dien hij dus als overwinnaar
+uitriep. Over een veld, dat door het vergoten bloed glibberig geworden,
+en met gebroken wapens en lichamen van gedoode en gewonde paarden
+bedekt was, geleidden de maarschalken den overwinnaar ten tweeden
+maal voor den troon van Prins Jan.
+
+"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar gij alleen onder dezen
+naam bij ons verkiest bekend te zijn, wij geven u voor de tweede maal
+de eer van dit toernooi, en kennen u het recht toe, uit de handen
+der Koningin der Liefde en Schoonheid den eerekrans te eischen en te
+ontvangen, welke uw dapperheid waardiglijk verdiend heeft." De ridder
+boog diep en bevallig, maar antwoordde niet.
+
+Terwijl de trompetten weergalmden, de herauten de stem verhieven,
+om den dapperen eer en den overwinnaar roem toe te zwaaien,--terwijl
+de dames met zijden doeken en geborduurde sluiers wuifden, en alle
+toeschouwers een luidruchtig vreugdegejuich verhieven, geleidden de
+maarschalken den Onterfden Ridder dwars door het strijdperk naar den
+eeretroon, dien Rowena bezette. Op de laagste trappen daarvan deed men
+den kampvechter nederknielen. Zijn geheel gedrag, sedert het einde van
+het gevecht, scheen inderdaad eerder bestuurd te wezen door hen, die
+bij hem waren, dan door zijn eigen vrijen wil; en men zag zelfs, dat
+hij struikelde, toen men hem voor de tweede maal door het strijdperk
+voerde. Rowena, zich met een aanvallige en deftige houding van haar
+zetel verheffende, was op het punt den krans, welken zij in de hand
+hield, op den helm des overwinnaars te zetten, toen de maarschalken
+eenstemmig uitriepen: "Dat mag zoo niet; zijn hoofd moet ontbloot
+zijn." De ridder sprak flauw eenige woorden, welke in de holte van
+den helm verloren gingen, maar de inhoud scheen een verlangen aan
+te duiden, dat zijn helm niet mocht worden afgenomen. Het zij uit
+verkleefdheid aan het gebruik, of uit nieuwsgierigheid, de maarschalken
+sloegen geen acht op zijn wenschen, maar ontblootten zijn hoofd,
+door de helmbanden en halsriemen los te maken. Daar ontwaarde men
+de schoone, door de zon verbrande gelaatstrekken, en het dik, kort
+blond haar van een jongeling van vijf en twintig jaren. Zijn gelaat
+was doodsbleek en op eenige plaatsen met bloed bevlekt.
+
+Nauwelijks had Rowena hem gezien, of zij gaf een luiden gil; maar
+in eens alle krachten inspannende, en zich, als het ware, dwingende
+om voort te gaan, terwijl haar geheele lichaam nog sidderde door de
+hevigheid eener plotselinge aandoening, zette zij op het nedergebogen
+hoofd van den overwinnaar den kostbaren krans, de bepaalde belooning
+van dien dag, en sprak met heldere, duidelijke stem deze woorden:
+"Heer ridder, ik schenk u dezen krans, als den prijs der dapperheid,
+heden toegewezen aan den overwinnaar." Hier hield zij een oogenblik
+stil, en voegde er toen met vaste stem bij: "En nooit heeft de
+ridderkrans een waardiger hoofd versierd!"
+
+De ridder boog het hoofd en kuste de hand der schoone Koningin,
+door welke zijn dapperheid beloond was; en toen voorover zakkende,
+viel hij voor haar voeten neder.
+
+Dit veroorzaakte een algemeenen schrik. Cedric, die verstomd gestaan
+had bij de onverwachte verschijning van zijn verbannen zoon, kwam in
+haast toeschieten, alsof hij hem van Rowena wilde scheiden. Maar dit
+was reeds door de maarschalken geschied, die, de reden van Ivanhoe's
+bezwijming gissende, zich gehaast hadden hem te ontwapenen, en
+ontdekten, dat een lans door zijn borstharnas gedrongen was, en hem
+een wonde in de zijde toegebracht had.
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ En Agamemnon riep met luider stem: treedt voort,
+ O Helden! uit den kring, dien deze kamp bekoort;
+ Gij, die door meerdre kunde en kracht u durft verheffen,
+ Uw mededingers in vermaardheid te overtreffen,
+ Een maagd, de waarde wel van twintig ossen, wordt
+ De prijs voor hem, wiens pijl het verst door 't luchtruim
+ snort.
+
+ Ilias.
+
+
+Nauwelijks was de naam van Ivanhoe uitgesproken, of hij vloog van
+mond tot mond met al de snelheid, welke belangstelling, door de
+nieuwsgierigheid geprikkeld, er aan geven kon. Het duurde ook niet
+lang, eer deze tijding den kring van den Prins bereikte, wiens gelaat
+bij dit nieuws eene sombere uitdrukking aannam. Hij zag intusschen
+spotachtig rond, en zeide: "Wel, mijn heeren, en gij vooral, heer
+Prior, wat denkt gij van de leer der geleerden over de sympathie
+en antipathie? Mij dunkt ik bespeurde de tegenwoordigheid van den
+gunsteling mijns broeders, zelfs eer ik nog gissen kon, wie onder
+die wapenrusting schuilde."
+
+"Front-de-Boeuf moet zich gereed maken, zijn leengoed aan Ivanhoe terug
+te geven," zei De Bracy, die, na een eervol deel aan het toernooi
+te hebben genomen, schild en helm afgelegd, en zich weder onder het
+gevolg van den Prins gemengd had.
+
+"Ja," antwoordde Waldemar Fitzurse, "deze knaap zal waarschijnlijk het
+kasteel en het leen terug eischen, die Richard hem geschonken heeft,
+en die uw Hoogheid sedert dien tijd de grootmoedigheid heeft gehad
+aan Front-de-Boeuf te geven."
+
+"Front-de-Boeuf," hernam de Prins, "zou liever drie leengoederen,
+zooals dat van Ivanhoe, onder zich behouden, dan één er van
+teruggeven. Voor het overige, mijne heeren, hoop ik, dat niemand
+uwer mij het recht zal betwisten, de leengoederen der kroon aan die
+trouwe dienaren te schenken, welke mij omringen, en gereed zijn den
+gevergden krijgsdienst te verrichten, in plaats van hen, die naar
+vreemde landen trekken, en hulde noch dienst kunnen bewijzen, als
+zij opgeroepen worden."
+
+De toehoorders hadden al te veel belang bij deze vraag, om des
+Prinsen recht niet voor onbetwistbaar te verklaren. "Een edelmoedige
+Vorst!--een edele meester, die zich dus belast met de zorg om zijne
+getrouwe dienaren te beloonen!"
+
+Dit waren de woorden van zijn gevolg, daar zij allen soortgelijke
+geschenken ten koste van Koning Richard's vrienden en gunstelingen
+verwachtten;--zoo zij die niet reeds in bezit hadden. Prior Aymer
+zelf keurde dit over het algemeen goed, en maakte geene andere
+aanmerking dan: "Het heilige Jeruzalem kan toch geen vreemd land
+genoemd worden. Het is de _communis mater_,--de moeder van alle
+Christenen. Maar ik begrijp niet," voegde hij er bij, "hoe Ivanhoe
+zich daarop beroepen kan, daar men mij verzekert, dat de kruisvaarders
+onder Richard nooit veel verder gekomen zijn dan Askalon, dat, zooals
+ieder weet, een stad der Philistijnen is, en op geen der voorrechten
+van de Heilige Stad aanspraak kan maken."
+
+Waldemar, wiens nieuwsgierigheid hem naar de plaats gevoerd had, waar
+Ivanhoe ter aarde was gevallen, keerde nu terug. "De dappere ridder,"
+zeide hij, "zal denkelijk uwe Hoogheid niet veel ongerustheid baren,
+en Front-de-Boeuf in het ongestoord bezit van zijn leen laten:--hij
+is zwaar gekwetst."
+
+"Wat er ook van worden moge," zei Prins Jan, "hij is heden overwinnaar;
+en al is hij tienmaal onze vijand, of de getrouwste vriend van mijn
+broeder, hetgeen misschien hetzelfde is, zijne wonden moeten toch
+verbonden worden;--onze eigene heelmeester zal hem bezoeken."
+
+Een bittere glimlach vergezelde deze woorden. Waldemar Fitzurse haastte
+zich te antwoorden, dat Ivanhoe reeds uit het strijdperk gebracht,
+en in handen van zijne vrienden was.
+
+"Ik was eenigszins aangedaan," zeide hij, "over de smart van de
+Koningin der Schoonheid en der Liefde, wier ééndaagsche heerschappij
+door dit voorval in rouw gedompeld is. Ik ben er de man niet naar,
+om door de weeklachten eener vrouw over haar minnaar getroffen te
+worden: maar deze Jonkvrouw Rowena onderdrukte haar smart met zooveel
+waardigheid, dat men die alleen aan het beven van haar gevouwen handen
+kon zien, terwijl haar oog zonder tranen op den bewusteloozen ridder
+voor haar voeten staarde."
+
+"Wie is die Jonkvrouw Rowena," vroeg Prins Jan, "van wie wij zooveel
+gehoord hebben?"
+
+"Een Saksische erfdochter, met groote bezittingen," hernam Prior
+Aymer; "eene roos in beminnelijkheid, en een juweel in rijkdom, de
+schoonste onder duizenden, kostbaar als de kostbaarste reukwerken
+van het Oosten."
+
+"Wij zullen hare droefheid verzachten," zei Prins Jan, "en haar bloed
+veredelen door haar aan een Normandiër uit te huwen. Zij schijnt
+minderjarig te zijn, en moet dus, wat haar huwelijk aangaat, ter
+onzer beschikking staan.--Wat zegt gij er van, De Bracy? Zou het u
+bevallen, door een huwelijk met dit Saksisch meisje schoone landerijen
+en inkomsten te verkrijgen, volgens de gewoonte der aanhangers van
+den Veroveraar?"
+
+"Als de landerijen mij bevallen," antwoordde De Bracy, "dan zal de
+bruid mij niet licht mishagen; en ik zal mij ten hoogste verplicht
+achten jegens uw Hoogheid voor eene weldaad, welke alle beloften zal
+vervullen, die gij uw dienaar en leenman gedaan hebt."
+
+"Wij zullen het niet vergeten," zei Prins Jan; "en om dadelijk een
+begin te maken, bevelen wij onzen seneschal, om Jonkvrouw Rowena
+en haar gezelschap te weten: den lompen boer, haar voogd, en den
+Saksischen stier, welken de Zwarte Ridder in het toernooi ter
+nedervelde, op het feest van dezen avond te noodigen."
+
+"De Bigot," voegde hij er bij, zich tot zijn seneschal wendende,
+"gij zult deze tweede uitnoodiging zoo beleefd doen, dat gij den
+hoogmoed van deze Saksers niet kwetst, en het hun onmogelijk wordt
+nog eens te weigeren; ofschoon, bij Beckets beenderen, hun beleefdheid
+te bewijzen, hetzelfde is als paarlen voor de zwijnen te werpen!"
+
+Prins Jan had zoo ver gesproken, en was op het punt, om het teeken
+tot het verlaten van het strijdperk te geven, toen hem een klein
+briefje in de hand gegeven werd.
+
+"Van waar?" zei Prins Jan, den man aanziende, die het overhandigde.
+
+"Uit vreemde landen, mijn vorst, maar van waar, dat weet ik niet,"
+hernam de dienaar. "Een Franschman heeft het gebracht, zeggende,
+dat hij dag en nacht doorgereisd had, om het briefje in handen uwer
+Hoogheid te bezorgen."
+
+De Prins zag nauwkeurig naar het opschrift en toen naar het zegel,
+hetwelk er op gedrukt was, dat het den zijden draad vasthield,
+waarmede het papier omwonden was: er stonden drie leliën op. De Prins
+opende hierop het briefje met blijkbare ontroering, die merkelijk
+vermeerderde, toen hij den inhoud gelezen had, welke aldus luidde:
+
+"_Neem u in acht; want de Duivel zelf is los!_"
+
+De Prins werd doodsbleek, zag eerst naar den grond, en toen naar den
+hemel, als iemand, die zijn doodvonnis gehoord heeft. Van de eerste
+ontroering herstellende, nam hij Waldemar Fitzurse en De Bracy ter
+zijde, en stelde hun het briefje beurtelings ter hand.
+
+"Het kan een valsch gerucht zijn,--of een valsche brief!" zei De Bracy.
+
+"Het is hand en zegel van den Franschen Koning!" hernam Prins Jan.
+
+"Dan wordt het tijd," zei Fitzurse, "onze vrienden te verzamelen,
+hetzij te York of op een andere plaats. Een paar dagen later zou
+het wezenlijk te laat zijn. Uwe Hoogheid moet aan het tegenwoordig
+vreugdebedrijf spoedig een einde maken."
+
+"Het volk en de landlieden," zei de Bracy, "moeten niet ontevreden naar
+huis gezonden worden; zij hebben nog geen deel aan het feest gehad."
+
+"De dag," zeide Waldemar, "is nog niet zeer ver gevorderd--laat de
+schutters eenige malen naar de schijf schieten, en de prijs uitgedeeld
+worden. Dat zal toereikend zijn om de beloften van den Prins te
+vervullen voor zoo verre deze Saksische boeren er mede gemoeid zijn."
+
+"Ik dank u, Waldemar," hervatte de Prins; "gij herinnert mij ook,
+dat ik een schuld te betalen heb aan den onbeschaamden boer, die mij
+gisteren persoonlijk beleedigde. Onze maaltijd zal heden avond plaats
+hebben, zooals wij van plan waren. Al was dit het laatste uur mijner
+macht, dan zou het gewijd zijn aan wraak en vermaak!--De nieuwe morgen
+brengt nieuwe zorgen."
+
+Trompetgeschal riep spoedig de toeschouwers terug, die reeds begonnen
+waren het veld te ontruimen:--er werd afgekondigd, dat Prins Jan,
+plotseling door gewichtige en dringende zaken geroepen, het feest
+van den volgenden dag niet vieren kon; dat echter,--daar hij niet
+wilde, dat zoo vele goede schutters zouden vertrekken, zonder een
+bewijs van hunne behendigheid te geven,--het hem behaagde, het tegen
+den volgenden dag bepaalde boogschieten op heden te stellen. Voor
+den besten schutter werd een prijs uitgeloofd, bestaande uit een
+jachthoorn, met zilver beslagen, en een zijden rijk versierde sjerp,
+met een medaillon van St. Hubertus, den beschermheilige der jagers.
+
+Er boden zich eerst meer dan dertig schutters als mededingers aan,
+waaronder verscheidene houtvesters en onderopzichters in de koninklijke
+bosschen van Needwood en Charnwood. Toen de boogschutters echter
+vernamen met wie zij den kampstrijd moesten wagen, zagen ruim twintig
+er weder van af, om de schande van een bijna zekere nederlaag te
+ontgaan. Want in die dagen was de behendigheid van iederen beroemden
+schutter even goed verscheidene mijlen in het rond bekend, als heden
+ten dage de eigenschappen van een paard, dat te Newmarket gefokt is,
+bekend zijn aan hen, die deze beroemde renbaan bezoeken.
+
+De verminderde lijst der mededingers om den prijs, bevatte nog
+acht namen. Prins Jan stapte van zijn koninklijken zetel af, om deze
+uitgelezen schutters van naderbij te beschouwen, van welke verscheidene
+de koninklijke livrei droegen. Zijn nieuwsgierigheid door dit onderzoek
+bevredigd hebbende, zag hij naar het voorwerp van zijn toorn rond,
+dat hij op dezelfde plaats zag staan en met hetzelfde bedaarde gelaat,
+dat hij den vorigen dag getoond had.
+
+"Vriend," zei Prins Jan, "ik bespeurde reeds gisteren aan uw
+onbeschaamd gesnap, dat gij eigenlijk geen echte liefhebber van den
+boog waart, en ik zie, dat gij het niet durft wagen uwe kunst te
+toonen tegen de fiksche mannen, die hier staan."
+
+"Met verlof, mijn Vorst!" hernam de schutter. "Ik heb een geheel
+andere reden om niet te willen schieten, dan vrees voor de schande
+van overwonnen te worden."
+
+"En welke is die andere reden?" vroeg Prins Jan, die, om de eene of
+andere oorzaak, welke hij mogelijk zelf niet had kunnen verklaren,
+een angstige nieuwsgierigheid ten opzichte van dezen man gevoelde.
+
+"Omdat ik niet weet," hernam de jager, "of deze schutters en ik gewoon
+zijn naar hetzelfde wit te schieten;--en te meer, daar ik niet weet,
+hoe uw Hoogheid het zou opnemen, wanneer een derde prijs door iemand
+gewonnen werd, die buiten zijn schuld bij u in ongenade gevallen is."
+
+Prins Jan kleurde, terwijl hij vroeg: "Hoe is uw naam, schutter?"
+
+"Locksley," antwoordde deze.
+
+"Welaan dan, Locksley," zei Prins Jan, "gij zult op uwe beurt schieten,
+als deze schutters hunne kunst getoond hebben. Als gij den prijs wint,
+zal ik er twintig _Nobles_ bij doen; maar als gij verliest, dan zal
+uw groene rok u worden uitgetrokken, en gij zult met boogpezen, als
+een praatzieke en onbeschaamde pochhans, in het strijdperk gegeeseld
+worden."
+
+"En als ik nu weigerde zulke voorwaarden aan te nemen?" zei de
+schutter. "Uwe Hoogheid kan mij gemakkelijk laten uitkleeden en
+geeselen, daar uwe macht door zoo vele gewapenden wordt ondersteund;
+maar gij kunt mij niet dwingen mijn boog te spannen."
+
+"Als gij mijn billijk aanbod afslaat," zei de Prins, "dan zal de
+Provoost van het strijdperk uw boogpees doorsnijden, uw boog en uw
+pijlen breken, en u zelven als een lafaard wegjagen."
+
+"Dat is een mooie kans, die gij mij overlaat, verhevene Prins," zei de
+schutter, "mij te dwingen, het tegen de beste schutters van Leicester
+en Staffordshire op te nemen, onder bedreiging van schimp en schande
+als zij mij overwinnen. Evenwel, ik zal aan uw bevel gehoorzamen."
+
+"Slaat hem nauwkeurig gade," zei Prins Jan tot de gewapenden,
+"de moed ontzinkt hem; ik vrees dat hij trachten zal aan de proef
+te ontsnappen.--En gij, brave jongens, schiet moedig; een reebok
+en een vat wijn zijn in gindsche tent ter uwer verversching gereed,
+zoodra de prijs gewonnen is."
+
+Aan het einde van de zuidelijke laan, die naar het strijdperk
+leidde, werd een schijf opgericht. De mededingende boogschutters
+namen beurtelings plaats aan den zuidelijken toegang; de afstand
+tusschen deze plaats en het wit was groot genoeg voor hetgeen men
+een jagersschot noemde. De schutters, na vooraf door het lot de
+orde, in welke zij schieten zouden, bepaald te hebben, moesten ieder
+drie pijlen achtereen afschieten. Dit alles werd geregeld door een
+officier van minderen rang: de Provoost der Spelen genoemd; want
+de hooge rang der maarschalken van het strijdperk gedoogde niet,
+dat zij het opzicht hadden over de spelen der burgers.
+
+De schutters, voorwaarts tredende, schoten hunne pijlen stout en flink,
+één voor één af. Van vierentwintig pijlen zaten tien in de schijf,
+en de anderen vielen zoo dicht er bij, dat, naar den afstand te
+rekenen, het voor goede schoten gelden konden. Van de tien pijlen,
+die de schijf getroffen hadden, waren twee in den binnensten ring
+geschoten door Hubert, een houtvester in dienst van Malvoisin, die
+dus als overwinnaar uitgeroepen werd.
+
+"Wel nu, Locksley," zei Prins Jan met een bitteren glimlach tot den
+gehaten schutter, "wilt gij het met Hubert opnemen, of boog, sjerp
+en pijlkoker aan den Provoost der Spelen overgeven?"
+
+"Daar het niet anders kan," hernam Locksley, "wil ik mijn geluk wel
+beproeven, onder voorwaarde, dat wanneer ik twee pijlen op dezelfde
+schijf als Hubert geschoten heb, hij gehouden zal zijn er één te
+schieten op een wit, dat ik zal aanwijzen."
+
+"Dat is niet meer dan billijk," antwoordde Prins Jan, "en het zal
+u niet geweigerd worden.--Als gij dien snoever overwint, Hubert,
+zal ik den horen met zilveren penningen voor u vullen."
+
+"Een man kan niet meer dan zijn best doen," hernam Hubert; "maar
+mijn grootvader voerde een goeden boog bij Hastings, en ik vertrouw,
+dat ik zijne nagedachtenis niet zal onteeren."
+
+De vorige schijf werd weggenomen, en een andere van dezelfde grootte
+opgezet. Hubert, die als overwinnaar in den eersten strijd, het recht
+had, het eerst te schieten, mikte met groote bedaardheid, den afstand
+lang met de oogen metende; terwijl hij zijn gespannen boog in de
+hand hield, met den pijl op het koord geplaatst. Eindelijk deed hij
+een schrede voorwaarts, en den boog met den uitgestrekten linkerarm
+oplichtende, tot het middelpunt er van bijna op gelijke hoogte met
+zijn gezicht kwam, trok hij de pees van den boog tot aan het oor. De
+pijl snorde door de lucht, en trof den binnensten ring op de schijf,
+maar niet juist in het midden.
+
+"Gij hebt aan den wind niet gedacht, Hubert," zei zijn tegenpartij,
+den boog spannende, "anders zou het een beter schot geweest zijn."
+
+Dit zeggende, en zonder zich de minste moeite te geven om vooraf op
+het wit te staren, ging Locksley naar de aangewezen standplaats, en
+schoot zijn pijl even zorgeloos af, alsof hij niet eens naar het wit
+gezien had. Hij sprak nog bijna op het oogenblik, dat de pijl wegvloog,
+en toch trof die twee duim dichter bij de witte plek op het middelpunt,
+dan die van Hubert.
+
+"Bij het licht des hemels!" riep Prins Jan tegen Hubert, "zoo gij
+duldt, dat deze landlooper u de loef afsteekt, dan verdient gij
+de galg!"
+
+Hubert had maar ééne vaste spreekwijze bij alle gelegenheden. "En al
+liet uw Hoogheid mij ophangen, een man kan niet meer dan zijn best
+doen. Echter was mijn grootvader met den boog--"
+
+"De duivel hale uw grootvader en zijn geheele geslacht!" viel de
+Prins hem in de rede. "Schiet, ongelukkige, en schiet goed, of het
+zal u kwalijk bekomen!"
+
+Zoo aangespoord, trad Hubert weder voor, en den raad niet verzuimende,
+dien zijne tegenpartij hem had gegeven, maakte hij het noodige gebruik
+van een zeer licht opkomend windje, en schoot zoo gelukkig, dat zijn
+pijl juist in het middelpunt van het wit trof.
+
+"Hubert leve! Leve Hubert!" riep het volk, dat meer belang stelde
+in een bekende dan in een vreemdeling. "In het midden!--in het
+midden! Leve Hubert!"
+
+"Gij kunt dat schot niet overtreffen, Locksley," zei de Prins met
+een spotachtigen glimlach.
+
+"Ik zal echter zijn pijl raken," hervatte Locksley. En zijn pijl met
+meer voorzichtigheid dan te voren afschietende, trof hij juist dien
+van zijn mededinger, die in splinters vloog. Het volk in het rond was
+zoo verbaasd over zijne verwonderlijke behendigheid, dat het zijne
+verrassing zelfs niet op de gewone luidruchtige wijze kon uitdrukken.
+
+"Dit moet de duivel zijn en geen mensch van vleesch en bloed,"
+fluisterden de schutters elkander toe. "Zulk schieten is nog nooit
+gezien, zoo lang men een boog in Groot-Brittanje gespannen heeft."
+
+"En nu," zei Locksley, "vraag ik uwe Hoogheid verlof om een wit op
+te richten, dat in de noordelijke gewesten gebruikt wordt,--en welkom
+ieder brave schutter, die er een schot op wagen wil, om een glimlach
+te verdienen van het meisje dat hij lief heeft!"
+
+Hij draaide zich om, ten einde het strijdperk te verlaten. "Laten uw
+wachters mij vergezellen," zei hij, "zoo gij verkiest.--Ik wil maar
+even een tak van gindschen wilgenboom afsnijden."
+
+Prins Jan gaf een teeken, dat eenige wachters hem volgen
+zouden, ingeval hij ontsnappen wilde; maar het geschreeuw van:
+"Schande! Schande!" dat de menigte verhief, deed hem van zijn
+onedelmoedig voornemen afzien.
+
+Locksley kwam dadelijk terug met een wilgentak omtrent zes voet lang,
+volkomen recht en van de dikte van eens menschen duim. Hij schilde dien
+met veel bedaardheid af, tegelijk aanmerkende, dat het schande voor
+een goeden schutter was, naar een wit te schieten zoo breed als dat,
+hetwelk men tot hiertoe gebruikt had. "Wat hem betrof," voegde hij er
+bij, "en in het land, waar hij was opgevoed, zou men even gaarne Koning
+Arthurs ronde tafel, waaraan zestig ridders konden zitten, tot schijf
+nemen. Een kind van zeven jaren kon zoo iets met een pijl zonder kop
+treffen; maar," ging hij voort, bedaard naar het andere einde van het
+strijdperk gaande, en het wilgenstokje recht in den grond zettende,
+"hem, die deze roede op honderd ellen afstands treft, noem ik een
+schutter, waardig om boog en pijlkoker te dragen voor een Koning,
+al ware het ook de dappere Koning Richard zelf!"
+
+"Mijn grootvader," zei Hubert, "spande een goeden boog bij den slag
+van Hastings, en heeft nooit van zijn leven naar zulk wit geschoten,
+en dat doe ik ook niet. Als deze schutter dien stok kan klieven, dan
+beken ik mij door hem, of liever door den duivel, die in zijn wambuis
+zit, en niet door menschelijke behendigheid, overwonnen; een mensch kan
+niet meer dan zijn best doen, en ik wil niet schieten, waar ik zeker
+ben te missen. Ik kon even goed schieten naar de snede van het lange
+mes van den Pastoor, of naar een stroohalm, of naar een zonnestraal,
+als naar een dunne witte streep, die ik nauwelijks zien kan."
+
+"Lafhartige hond!" riep Prins Jan uit. "Locksley, schiet gij maar;
+en als gij zulk een wit raakt, dan zal ik zeggen, dat gij de eerste
+schutter zijt, die het ooit gedaan heeft. Maar hoe het ook zij,
+gij zult geen koning kraaien door slechts te pochen op behendigheid."
+
+"Ik zal mijn best doen, zooals Hubert zegt," antwoordde Locksley;
+"niemand kan meer."
+
+Dit zeggende, spande hij weder den boog, maar bij deze gelegenheid
+zag hij aandachtig naar zijn wapen en veranderde de pees, die niet
+meer zuiver rond was, daar zij door de twee vorige schoten een weinig
+gescheurd was. Hij mikte toen met eenig overleg, en de menigte wachtte
+de uitkomst in doodelijke stilte af. De schutter beantwoordde aan hun
+verwachting van zijn behendigheid: zijn pijl spleet de wilgenroede,
+tegen welke hij gericht was. Een luid vreugdegejuich volgde, en zelfs
+Prins Jan verloor uit bewondering voor Locksley's behendigheid zijn
+afkeer tegen zijn persoon.
+
+"Deze twintig _Nobles_," zei hij, "welke gij met den hoorn eerlijk
+gewonnen hebt, behooren u toe; wij zullen er vijftig van maken,
+zoo gij onze livrei wilt dragen, en dienst nemen als schutter bij
+de lijfwacht, die steeds in mijne onmiddellijke nabijheid is. Want
+nooit heeft een zoo sterke hand een boog gespannen, of een zoo vast
+oog een pijl gericht."
+
+"Vergeef mij, edele Prins," zei Locksley; "maar ik heb een gelofte
+gedaan, dat, zoo ik ooit dienst nam, het bij uw koninklijken broeder
+Richard zou zijn. Deze twintig _Nobles_ laat ik aan Hubert over,
+die heden een even goeden boog gespannen heeft, als zijn grootvader
+bij Hastings. Zoo zijne zedigheid de proef niet geweigerd had, zou
+hij het stokje even goed geraakt hebben, als ik."
+
+Hubert schudde het hoofd, terwijl hij de milde gave van den vreemdeling
+aarzelend aannam; en Locksley, begeerig om verdere nasporing te
+ontgaan, begaf zich onder de menigte, en liet zich niet meer zien.
+
+De zegepralende boogschutter zou misschien niet zoo gemakkelijk aan
+des Prinsen opmerkzaamheid ontsnapt zijn, indien niet vele angstige
+en gewichtige overdenkingen op dit oogenblik zijn gemoed verontrust
+hadden. Hij riep zijn kamerheer, terwijl hij het teeken tot het
+verlaten van het strijdperk gaf, en beval hem oogenblikkelijk naar
+Ashby te jagen en den Jood Izaäk op te zoeken. "Zeg den hond," zei hij,
+"mij morgen vóór zonsondergang twee duizend kronen te zenden. Hij kent
+het onderpand; maar gij kunt hem dezen ring tot teeken toonen. Het
+overige geld moet binnen zes dagen te York betaald worden. Indien hij
+het verzuimt, zal ik den ongeloovigen hond het hoofd laten afslaan. Pas
+op, dat gij hem onderweg niet voorbijrijdt; want de ellendige slaaf was
+hier, om zijn gestolen rijkdommen zelfs onder mijn oogen te vertoonen."
+
+Met deze woorden steeg de Prins weder te paard, en keerde naar Ashby
+terug, terwijl de geheele menigte bij zijn vertrek uiteen ging en
+zich overal verspreidde.
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ In de hooggewelfde zaal
+ Van de burgtkasteelen,
+ Kon men de oude Ridderpraal
+ Van hun helden-spelen,--
+ 't Uitgedoste strijdrental,
+ d'Eedle stoet van vrouwen,
+ Bij het luid trompetgeschal,
+ Menigwerf aanschouwen.
+
+ Warton.
+
+
+Prins Jan hield zijn feestelijken maaltijd in het kasteel van
+Ashby. Dit was niet hetzelfde gebouw, welks trotsche puinhoopen
+den reiziger nog belang inboezemen, en dat in lateren tijd werd
+opgericht door Lord Hastings, Groot Kamerheer van Engeland, een der
+eerste slachtoffers van de dwingelandij van Richard III, en nog beter
+bekend als een van Shakespeare's personaadjes, dan door zijn naam in
+de geschiedenis. Het kasteel en de stad Ashby behoorden in dien tijd
+aan Roger de Quincy, Graaf van Winchester, die, gedurende den tijd
+van ons verhaal, in het Heilige land toefde. Prins Jan had intusschen
+bezit van zijn kasteel genomen, en beschikte naar goedvinden over zijn
+goederen; en daar hij thans de oogen der wereld door zijne gastvrijheid
+en pracht trachtte te verblinden, had hij bevel gegeven tot groote
+toebereidselen, om het feest zoo schitterend mogelijk te maken.
+
+De Hoffouriers van den Prins, die bij deze en andere gelegenheden het
+volle koninklijke gezag uitoefenden, hadden al, wat zij voor de tafel
+van hun meester geschikt oordeelden, uit de omstreken geroofd. Er
+was ook een groote menigte gasten genoodigd; en Prins Jan, zich in
+de noodzakelijkheid bevindende, om de volksgunst te zoeken, had deze
+uitnoodigingen tot eenige aanzienlijke Saksische en Deensche familiën
+uitgestrekt, zoowel als tot de Normandische edelen en heeren uit
+den omtrek. Hoewel de Angel-Saksers bij gewone gelegenheden veracht
+en vernederd werden, moest hun groot getal hen natuurlijk geducht
+maken in de burgerlijke onlusten, die ophanden schenen, en het was
+noodzakelijk, om de gunst van de voornaamsten onder hen te verwerven.
+
+Het was dus de bedoeling van den Prins, aan welke hij ook gedurende
+eenigen tijd getrouw bleef, om deze ongewone gasten met eene
+beleefdheid te behandelen, die zij zelden ondervonden. Maar ofschoon
+niemand met mindere schroomvalligheid zijne gewoonten en gevoelens
+naar zijn belang wist te plooien, was het echter het ongeluk van
+dezen Prins, dat zijne lichtzinnigheid en moedwilligheid gedurig
+weder boven kwamen, en aan alles weder den bodem insloegen, wat hij
+door vroegere veinzerij gewonnen had.
+
+Van dezen lichtzinnigen aard gaf hij een merkwaardig bewijs in
+Ierland, toen hij door zijn vader, Hendrik II, daarheen gezonden
+werd, om de genegenheid der inwoners van deze nieuwe en gewichtige
+bezitting der Normandische kroon te winnen. Bij deze gelegenheid
+wedijverden de Iersche opperhoofden met elkander, om den jongen
+Prins hun eerbiedige hulde en den vredekus aan te bieden. Maar,
+in plaats van hunne begroeting met beleefdheid aan te nemen, konden
+Jan en zijn moedwillig gevolg de verzoeking niet wederstaan, om de
+Iersche edelen bij hunne lange baarden te trekken, een gedrag, dat,
+zooals men verwachten kon, de hoogste verontwaardiging wekte bij de
+beleedigde Ieren, en noodlottige gevolgen had voor de Normandische
+heerschappij in dat land. Het is noodig, deze wispelturigheid van
+Jan's karakter in het oog te houden, om zijn gedrag gedurende den
+avond, waarvan nu sprake is, verstaanbaar te maken.
+
+Zooals hij zich in meer bedaarder oogenblikken voorgenomen had, ontving
+Prins Jan Cedric en Athelstane met uitstekende vriendelijkheid,
+en betuigde zonder eenigen wrevel, zijne teleurstelling, toen
+de ongesteldheid van Rowena door den eerste als de reden werd
+opgegeven, waarom zij aan zijne eervolle uitnoodiging niet had kunnen
+voldoen. Cedric en Athelstane droegen beiden de Saksische kleeding,
+die, ofschoon op zich zelve niet smakeloos en bij deze gelegenheid
+uit kostbare stoffen bestaande, zoo zeer in maaksel en voorkomen van
+die der overige gasten verschilde, dat Prins Jan het zich tot geene
+geringe verdienste bij Waldemar Fitzurse aanrekende, dat hij niet
+lachte, bij een gezicht, dat de mode van dien tijd zoo bespottelijk
+maakte. Evenwel, met het oog van het gezond verstand gezien, was
+de korte, nauwe _tunica_ en de lange mantel der Saksers bevalliger
+en gemakkelijker, dan het kostuum der Normandiërs, wier onderkleed
+uit een lang wambuis bestond, zoo wijd, dat het op een hemd of een
+voermanskiel geleek, en daarover een nauwe mantel, die noch tegen de
+koude noch tegen den regen beschermde, en welks eenige doel scheen te
+zijn, zoo veel bontwerk, borduursel en juweelen ten toon te spreiden,
+als het vernuft van den kleermaker er met mogelijkheid aan te pas
+kon brengen. Karel de Groote, onder wiens regeering ze het eerst
+werd ingevoerd, schijnt de ondoelmatigheid van deze kleeding zeer
+wel gevoeld te hebben. "In 's hemels naam," zeide hij, "waartoe
+dienen deze korte mantels? Als wij te bed liggen, dekken zij ons
+niet; te paard geven zij geen bescherming tegen wind en regen; en
+als wij zitten, beschutten zij onze beenen niet tegen vochtigheid of
+koude." In weerwil echter van deze keizerlijke afkeuring, bleven de
+korte mantels in zwang tot den tijd waarvan wij spreken, en bijzonder
+onder de Vorsten uit het huis van Anjou. Ze waren dus algemeen in
+gebruik onder de hovelingen van Prins Jan; en de lange mantel der
+Saksers werd bijgevolg door hen bespot.
+
+De gasten zaten aan eene tafel, die bijna boog onder de menigte der
+lekkernijen. De talrijke koks, die den Prins op zijne reis vergezelden,
+hadden al hunne kunst ingespannen, om de vormen, waarin de gewone
+spijzen voorgediend werden, te veranderen, en waren er bijna even goed,
+als de hedendaagsche beoefenaren der kookkunst, in geslaagd, ze geheel
+onkenbaar te maken. Behalve de schotels van inlandschen oorsprong,
+waren er verschillende lekkernijen uit vreemde landen aangebracht, en
+eene weelde van pasteien, taarten en gebak, welke alleen aan de tafels
+van den hoogsten adel gebruikt werden. De maaltijd werd insgelijks
+verheerlijkt door de kostelijkste, zoowel in- als uitheemsche wijnen.
+
+Maar de Normandische edelen, hoe weelderig ook, waren over het
+algemeen niet onmatig. Zij zochten de genoegens der tafel in de keur
+der spijzen, maar vermeden de overdaad, en plachten den overwonnen
+Saksers gulzigheid en dronkenschap te verwijten, als ondeugden aan hun
+minderen stand eigen. Prins Jan, wel is waar, en zij, die zijn gunst
+bejoegen door zijne zwakheden na te bootsen, waren aan de genoegens der
+tafel verslaafd, en het is wel bekend, dat zijn dood veroorzaakt werd
+door het onmatig gebruik van perziken en versch bier. Zijn gedrag was
+echter eene uitzondering op de algemeene gewoonten zijner landgenooten.
+
+Met geveinsde deftigheid, die alleen afgewisseld werd door stille
+wenken tegen elkander, aanschouwden de Normandische Ridders en edelen
+het ruwe gedrag van Athelstane en Cedric bij den maaltijd, aan welks
+gebruiken en vorm zij niet gewend waren. En terwijl hun gedrag dus
+het voorwerp der bespotting werd, zondigden de onkundige Saksers,
+onwetend, tegen verscheidene der willekeurig vastgestelde wetten en
+regels der welvoegelijkheid.
+
+Het is echter wel bekend, dat een man zich eerder schuldig mag
+maken aan eene wezenlijke schennis der regels van de beschaving
+of van de goede zeden, dan onkundig schijnen in het geringste punt
+der etiquette van de groote wereld. Daarom maakte Cedric, die zich
+de handen aan een doek afveegde, in plaats van ze te drogen door ze
+met bevalligheid in de lucht te bewegen, zich belachelijker dan zijn
+metgezel Athelstane, die alléén een geheele, groote pastei verslond,
+gevuld met de meest uitgezochte vreemde lekkernijen, een _Karum-pastei_
+genoemd. Maar toen men door ernstig heen en weer vragen bevond, dat
+de heer van Coningsburgh (of de _Franklin_, zooals de Normandiërs
+hem noemden) geen begrip had van hetgeen hij verslonden had; en
+den inhoud van de _Karum-pastei_ voor leeuweriken en duiven hield,
+terwijl het _beccaficos_ en nachtegalen waren, werd zijne onkunde
+veel meer bespot dan zijne gulzigheid, die het meer verdiend had.
+
+Het lange feestmaal was eindelijk afgeloopen; en terwijl de beker vrij
+rond ging, sprak men over de daden van het toernooi--over den Zwarten
+Ridder, wiens zelfverloochening hem aan de verdiende eer onttrokken
+had--en over den dapperen Ivanhoe, die de eer van den dag zoo duur
+gekocht had. Deze onderwerpen werden met de vrijmoedigheid van een
+krijgsman behandeld, en scherts en gelach vervulden de zaal. Het
+voorhoofd van Prins Jan alleen was onder deze gesprekken bewolkt;
+de een of andere zware zorg scheen op zijn gemoed te drukken, en het
+was slechts na een wenk van zijne vrienden, dat hij belang scheen te
+stellen in wat rondom hem voorviel. Bij zulke gelegenheden schrikte
+hij op, ledigde een beker wijn, alsof hij zijn moed daardoor wilde
+verlevendigen, en mengde zich in het gesprek door eenige afgebroken
+of zonder samenhang aangebrachte opmerking.
+
+"Wij ledigen dezen beker," zei hij, "op het welzijn van Wilfrid van
+Ivanhoe, den overwinnaar in het toernooi, en het spijt ons, dat zijn
+wond hem van onze tafel afhoudt.--Dat allen op zijne gezondheid de
+bekers vullen, en vooral Cedric van Rotherwood, de waardige vader
+van een zoo veel belovenden zoon."
+
+"Neen, mijn Vorst," hernam Cedric, opstaande, en zijn beker
+onaangeroerd op de tafel plaatsende, "ik geef den naam van zoon
+niet aan den ongehoorzamen jongeling, die mijne bevelen veracht,
+en de zeden en gewoonten zijner voorvaderen verzaakt."
+
+"Het is onmogelijk," riep Prins Jan, met geveinsde verbazing, "dat een
+zoo dapper ridder een onwaardig of ongehoorzaam zoon zou kunnen zijn!"
+
+"En toch is dit het geval met Wilfrid, mijn Vorst," hernam Cedric. "Hij
+heeft mijne vreedzame woning verlaten, om zich onder de weelderige
+edelen aan het hof uws broeders te mengen, waar hij de ridderkunsten
+geleerd heeft, waarop gij zoo hoogen prijs stelt. Hij heeft mij tegen
+mijn wil en mijne bevelen verlaten; en in de dagen van Alfred zou
+men zooiets ongehoorzaamheid--ja, zelfs een zeer strafbare misdaad
+genoemd hebben."
+
+"Ach!" hervatte Prins Jan, met een diepen zucht van geveinsde
+deelneming; "daar uw zoon mijn ongelukkigen broeder is gevolgd,
+behoeft men niet te vragen, van waar, of van wien hij de les van
+kinderlijke ongehoorzaamheid geleerd heeft."
+
+Zoo sprak Prins Jan, vergetende dat onder alle zonen van Hendrik II,
+schoon geen van hen vrij van deze misdaad was, hij zich het meest,
+door oproer en ondankbaarheid tegen zijn vader, onderscheiden had.
+
+"Ik meende," zei hij na eene korte stilte, "dat mijn broeder voornemens
+was, zijn gunsteling met de rijke heerlijkheid Ivanhoe te beleenen."
+
+"Hij heeft hem die geschonken," antwoordde Cedric, "en het is niet
+de minste reden die ik heb, om ontevreden te zijn op mijn zoon, dat
+hij zich verlaagde, om als leenroerig vasal, dezelfde goederen aan te
+nemen, welke zijne voorvaderen vrij en onafhankelijk bezeten hebben."
+
+"Wij zullen dus uwe toestemming verkrijgen, geachte Cedric," zei Prins
+Jan, "om dit leen aan een persoon te schenken, wiens waardigheid niet
+zal vernederd zijn, door land van de Britsche kroon te bezitten. Ridder
+Reginald Front-de-Boeuf," zei hij, zich tot dien edele wendende,
+"ik vertrouw, dat gij de schoone heerlijkheid Ivanhoe zóó zult weten
+te behouden, dat Wilfrid zich zijns vaders ongenoegen niet op den
+hals zal halen, door ze terug te krijgen!"
+
+"Bij den heiligen Anthonius!" antwoordde de sombere reus, "ik sta toe,
+dat uwe Hoogheid mij voor een Sakser houde, zoo Cedric, of Wilfrid,
+of de beste, die ooit Saksisch bloed in de adren had, mij de gift
+ontwringt, waarmede uwe Hoogheid mij vereerd heeft."
+
+"Wie u Sakser noemt, ridder," hernam Cedric, beleedigd door een
+spreekwijze, waarmede de Normandiërs dikwijls hun gewone verachting
+jegens de Engelschen uitdrukten, "zal u een even groote als onverdiende
+eer aandoen."
+
+Front-de-Boeuf wilde antwoorden; maar de moedwilligheid en
+lichtzinnigheid van Prins Jan kwamen hem voor.
+
+"Voorzeker, mijn heeren," zei hij, "de edele Cedric spreekt de
+waarheid, en zijn geslacht kan den voorrang boven ons eischen, zoo
+wel om de lengte van hun stamboom, als om die hunner mantels."
+
+"Zij gaan ons, inderdaad, in het veld vóór,--evenals het wild de
+honden!" zei Malvoisin.
+
+"En zij hebben groot recht ons voor te gaan," zei Prior Aymer--"vergeet
+niet hun meerdere welvoegelijkheid en de bevalligheid hunner manieren!"
+
+"En hun zeldzame onthouding en matigheid!" zei De Bracy, het plan
+vergetende, dat hem een Saksische bruid beloofde.
+
+"En dan den moed en het beleid," zei Brian de Bois-Guilbert, "waardoor
+zij zich te Hastings en elders onderscheidden."
+
+Terwijl de hovelingen, beurtelings, met een effen en lachend gelaat het
+voorbeeld van hun Prins volgden, en hun pijlen op Cedric afschoten,
+werd het gezicht van den Sakser vuurrood van toorn; hij wierp zijn
+woesten blik van den één op den anderen, alsof de schielijke opvolging
+van zoo vele beleedigingen hem belette ze dadelijk te beantwoorden;
+of gelijk een getergde stier, die, door zijne pijnigers omringd,
+verlegen is, wie onder hen tot het onmiddellijke doel van zijn wraak
+uit te kiezen.
+
+Eindelijk zich tot Prins Jan wendende, als het hoofd, en de oorzaak der
+hem aangedane beleediging, zei hij, met een stem, die half door drift
+gesmoord was: "Welke ook de zwakheden en gebreken van onzen stam mogen
+geweest zijn, een Sakser zou voor een _Niddering_ [17]" (de krachtigste
+uitdrukking voor de uiterste nietswaardigheid), "gehouden zijn, zoo
+hij in zijne eigene zaal, en terwijl zijn eigen beker rondging, een
+onschuldigen gast behandeld had, zooals uwe Hoogheid mij heden heeft
+laten behandelen; en welke ook de ongelukken onzer voorvaderen op het
+slagveld bij Hastings mogen geweest zijn, moesten zij er tenminste
+van zwijgen"--en hier zag hij op Front-de-Boeuf en den Tempelier--"die
+voor weinige uren meer dan éénmaal zadel en stijgbeugel door de lans
+van een Sakser verloren hebben."
+
+"Op mijn eer, een bijtende scherts!" zei Prins Jan. "Hoe vindt gij ze,
+mijn heeren?--Onze Saksische onderdanen nemen toe in geest en moed;
+zij worden scherp van vernuft en trotsch van gedrag in deze onrustige
+tijden.--Wat zegt gij, mijn heeren?--Bij het licht des hemels,
+ik houd het voor het best, dat wij onze galeien weder bestijgen,
+en bij tijds naar Normandië terugkeeren!"
+
+"Uit vrees voor de Saksers?" zei de Bracy lachende. "Wij zouden
+geen ander wapen, dan onze jachtsperen noodig hebben, om zulk wild
+te jagen!"
+
+"Houdt op met uwe scherts, heeren ridders," zei Fitzurse, "en het
+ware goed," voegde hij er bij, zich tot den Prins wendende, "dat uw
+Hoogheid den waardigen Cedric verzekerde, dat er geen beleedigende
+bedoeling is in spotternijen, die in het oor van een vreemdeling zeer
+onaangenaam moeten klinken."
+
+"Beleediging?" antwoordde Prins Jan, terwijl hij zijn beleefde
+houding weder aannam; "ik verzeker dat ik er nooit een bedoeld heb,
+of in mijn tegenwoordigheid toelaten zou.--Hier! ik ledig mijn beker
+op het welzijn van Cedric zelven, daar hij niet op de gezondheid van
+zijn zoon wil drinken."
+
+De beker ging rond, onder de geveinsde toejuiching der hovelingen,
+welke echter de gewenschte uitwerking op het gemoed des Saksers
+misten. Hij was van natuur niet scherpzinnig, maar zij, die meenden,
+dat dit vleiend compliment zijne gevoeligheid over de hem pas
+aangedane beleediging zou uitwisschen, rekenden zijn verstand toch al
+te min. Hij zweeg echter, toen de koninklijke beker weder rondging:
+"Op het welzijn van den ridder Athelstane van Coningsburgh."
+
+De ridder maakte een buiging, en toonde, dat hij niet ongevoelig was
+voor die eer, door een grooten beker te ledigen.
+
+"En nu, mijn heeren," zei Prins Jan, die verhit begon te worden
+door den wijn, dien hij gedronken had, "daar wij recht hebben laten
+wedervaren aan onze Saksische gasten, willen wij hen verzoeken, onze
+beleefdheid te beantwoorden. Waardige Sakser," ging hij voort, zich
+tot Cedric wendende, "mag ik u verzoeken ons een Normandiër te noemen,
+wiens naam uw lippen het minst zal bezoedelen, en met een beker wijn
+alle bitterheid af te spoelen, welke de klank nog zou achterlaten?"
+
+Terwijl Prins Jan sprak, stond Fitzurse op, en zachtjes achter den
+stoel van den Sakser tredende, fluisterde hij hem toe, dat hij de
+gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, om een einde te maken aan de
+vijandigheid tusschen de twee stammen, door Prins Jan zelven te noemen.
+
+De Sakser antwoordde niet op dezen listigen raad, maar opstaande, en
+den beker tot den rand toe vullende, sprak hij Prins Jan aldus aan:
+"Uwe Hoogheid heeft begeerd, dat ik een Normandiër zou noemen, die
+verdiende, dat wij bij ons feest aan hem dachten. Dit is, waarlijk,
+een zware taak, daar ze den slaaf oplegt om den lof van zijn meester te
+verkondigen;--den overwonnene om zijn overwinnaar te prijzen. Echter
+_zal_ ik een Normandiër noemen,--den eersten in de wapenen en in
+stand,--den besten en edelsten van zijn stam. En de lippen, die
+weigeren mij op zijn welverkregen roem bescheid te doen, noem ik
+valsch en eerloos, en dat wil ik met mijn leven staande houden!--Ik
+ledig dezen beker op het welzijn van Richard Leeuwenhart!"
+
+Prins Jan, die verwacht had, dat zijn eigen naam de rede van den
+Sakser zou besluiten, schrikte toen die van zijn beleedigden broeder
+zoo onverwacht genoemd werd. Hij bracht den beker werktuigelijk naar
+de lippen, en zette dien dadelijk weder neer, om het gedrag van het
+gezelschap bij dezen onverwachten feestdronk gade te slaan, daar
+velen der aanwezigen gevoelden, dat het even gevaarlijk was er aan
+te voldoen, als het te weigeren. Eenige oude, ervarene hovelingen,
+volgden getrouw het voorbeeld van den Prins zelven, door den beker
+naar de lippen te brengen en dien weder voor zich neder te zetten. Er
+waren echter velen, die door een edelmoediger opwelling medegesleept,
+uitriepen: "Lang leve Koning Richard! Moge hij ons weldra weder gegeven
+worden!" Eenige weinigen, waaronder Front-de-Boeuf en de Tempelier,
+lieten in sombere verachting hun bekers onaangeroerd staan. Maar
+niemand waagde het rechtstreeks den beker te weigeren, die ter eere
+van den regeerenden Vorst geledigd moest worden.
+
+Nadat Cedric voor een oogenblik zijn zegepraal genoten had, zei hij
+tot zijn metgezel: "Kom, edele Athelstane! wij zijn lang genoeg hier
+gebleven, nu wij de gastvrije beleefdheid van Prins Jan vergolden
+hebben. Zij, die in het vervolg meer van onze ruwe Saksische manieren
+willen weten, moeten ons in de huizen onzer vaderen opzoeken;
+want wij hebben genoeg van koninklijke gastmalen en Normandische
+wellevendheid gezien."
+
+Dit zeggende, stond hij op, en verliet de eetzaal, gevolgd door
+Athelstane en verscheidene andere gasten, die met de Saksers
+vermaagschapt, zich beleedigd gevoelden door de spotternijen van
+Prins Jan en zijn hovelingen.
+
+"Bij het gebeente van St. Thomas!" riep Prins Jan, toen zij zich
+verwijderd hadden, "de Saksische boeren hebben ons de nederlaag
+gegeven, en zijn zegevierende afgetrokken."
+
+"_Conclamatum est, poculatum est_," zei Prior Aymer, "wij hebben
+gedronken en zijn luidruchtig geweest;--het wordt tijd, dat wij de
+wijnflesschen verlaten."
+
+"De monnik heeft de eene of andere schoone boetvaardige, die heden
+avond bij hem biechten moet, daar hij zooveel haast maakt!" zei
+de Bracy.
+
+"Dat niet, heer ridder," hernam de abt; "maar ik moet dezen avond
+nog eenige mijlen van mijne terugreis afleggen."
+
+"Zij gaan al weg," fluisterde de Prins Fitzurse toe; "hun vrees loopt
+de gebeurtenissen vooruit, en deze lafhartige Prior is de eerste,
+die mij verlaat."
+
+"Vrees niet, mijn Vorst," zei Waldemar; "ik zal hun redenen geven,
+die hen zullen nopen bij onze bijeenkomst te York tegenwoordig te
+zijn.--Heer Prior," zei hij, "ik moet u alléén spreken, voordat gij
+te paard stijgt."
+
+De andere gasten gingen nu spoedig uiteen, behalve zij, die
+onmiddellijk tot de partij, of tot het gevolg van Prins Jan behoorden.
+
+"Dit is dan de uitslag van uw raad," zei de Prins, een vertoornden
+blik op Fitzurse werpende, "dat een dronken Saksische boer mij op
+mijn eigen gastmaal trotseert, en dat, bij den enkelen naam van mijn
+broeder, de menschen van mij afvallen, als van een melaatsche."
+
+"Geduld, mijn Vorst," hernam zijn raadgever; "ik zou u ook kunnen
+beschuldigen, en de lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid berispen,
+welke mijn plan hebben doen mislukken, en uw eigen beter oordeel op
+het dwaalspoor hebben geleid; maar dit is geen tijd, om elkander
+verwijten te doen. De Bracy en ik zullen ons dadelijk onder deze
+lafaards begeven, en hen overtuigen, dat zij te ver zijn gegaan,
+om terug te treden."
+
+"Het zal vruchteloos zijn," zei Prins Jan, terwijl hij met ongelijke
+schreden door het vertrek stapte, en met eene hevigheid sprak, waartoe
+de wijn, dien hij gedronken had, gedeeltelijk bijdroeg.--"Het zal
+vruchteloos zijn;--ze hebben het schrift aan den muur gezien;--ze
+hebben de voetstappen van den leeuw in het zand bespeurd;--ze hebben
+zijn naderend gebrul door het woud hooren weergalmen;--niets zal hun
+moed weder verlevendigen!"
+
+"Gave God!" zei Fitzurse tot De Bracy, "dat iets zijn moed
+verlevendigen kon! De enkele naam van zijn broeder jaagt hem de koorts
+op het lijf. Ongelukkig de raadslieden van een Vorst, wien moed en
+volharding geheel ontbreken, zoowel ten goede als ten kwade!"
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Voorwaar, hij denkt--ha, ha, ha, ha,--hij denkt,
+ Ik ben zijn werktuig, dienaar van zijn wil,
+ Wel, laat het wezen, 'k wil uit dit doolhof,
+ Dat zijn vervloekte list en heerschzucht schiep,
+ Mij zelf een weg tot hooger dingen banen;
+ En wie zal zeggen: 't is verkeerd?
+
+ Basil, een Treurspel.
+
+
+Geen spin herstelde ooit met meer zorg de beschadigde draden
+van haar web, dan Waldemar Fitzurse besteedde, om de verstrooide
+leden der partij van Prins Jan te verzamelen, en weder onderling
+te verbinden. Weinigen waren hem uit genegenheid, en geene uit
+persoonlijke gehechtheid toegedaan. Het was daarom noodig, dat
+Fitzurse hun nieuwe, voordeelige uitzichten opende, en hen aan de
+voordeelen herinnerde, welke zij thans genoten. Den jongen, onbezonnen
+edellieden schilderde hij het vooruitzicht op ongestrafte losbandigheid
+en op onbeperkt zinnelijk genot; de eerzuchtigen wees hij op gezag,
+en de gierigen op vermeerdering hunner rijkdommen en de uitbreiding
+hunner bezittingen. De hoofden der huurlingen ontvingen een geschenk
+in goud, het beste overtuigingsmiddel voor hun verstand,--daar al
+het overige vruchteloos zoude geweest zijn. Beloften werden door
+dezen werkzamen agent met eene nog mildere hand uitgedeeld dan geld;
+in het kort, niets werd verzuimd, dat dienen kon, om den weifelende
+tot een besluit te brengen, en den lafhartige te bemoedigen. Over
+de terugkomst van Koning Richard sprak hij als eene gebeurtenis,
+die geheel buiten de perken der waarschijnlijkheid lag, bespeurde
+hij echter, uit de twijfelende blikken, en de onzekere antwoorden,
+die hij ontving, dat voornamelijk deze terugkeer de gemoederen
+zijner medeplichtigen verontrustte, dan behandelde hij die als eene
+gebeurtenis, die, wanneer zij werkelijk mocht plaats vinden, hunne
+staatkundige plannen niet behoorde te veranderen.
+
+"Indien Richard terugkeert," zeide Fitzurse, "dan is het om zijn
+behoeftige en bij den kruistocht verarmde metgezellen te verrijken,
+ten koste van diegenen, die hem niet gevolgd zijn naar het Heilige
+Land. Hij keert terug, om eene schrikkelijke rekenschap te vorderen
+van hen, die gedurende zijne afwezigheid iets gedaan hebben, dat als
+eene schennis der wetten, of eene inbreuk op de voorrechten der kroon,
+kan worden aangemerkt. Hij keert terug, om zich te wreken op de orde
+der Tempelieren en der Hospitaalridders, wegens de voorkeur, welke zij,
+gedurende de oorlogen in het Heilige Land, aan Filips van Frankrijk
+betoond hebben. Hij keert eindelijk terug, om alle aanhangers van zijn
+broeder, Prins Jan, als oproerlingen te straffen. Vreest gij zijne
+macht?" ging de sluwe vertrouweling van dezen Prins voort. "Wij stemmen
+toe, dat hij een sterk en dapper ridder is; maar wij zijn niet in de
+dagen van Koning Arthur, toen één kampvechter tegen een heel leger kon
+strijden. Als Richard werkelijk terugkeert, moet hij alléén komen,
+zonder gevolg,--zonder vrienden. De beenderen van zijn dapper leger
+zijn op de zandwoestijnen van Palestina gebleekt. De weinigen van zijn
+gevolg, die teruggekeerd zijn, zijn herwaarts gedwaald,--zooals deze
+Wilfrid van Ivanhoe,--als bedelaars en landloopers. En wat spreekt
+gij van Richards geboorterecht?" ging hij voort, tegen degenen,
+die zwarigheden over dit punt inbrachten. "Is Richards recht van
+eerstgeboorte zekerder dan dat van Hertog Robert van Normandië, des
+Veroveraars oudsten zoon? En echter werden Willem de Roodharige en
+Hendrik de Tweede, en Derde, zijne broeders, hem achtereenvolgens,
+door de stem des volks voorgetrokken; Robert bezat iedere verdienste,
+die voor Richard pleit; hij was een dapper ridder, een goed veldheer,
+edelmoedig jegens zijne vrienden en de kerk, en om het geheel te
+kroonen, een kruisvaarder en veroveraar van het Heilige Graf; en toch
+stierf hij, als een blinde en ellendige gevangene, in het kasteel
+van Cardiff, omdat hij zich tegen den wil des volks aankantte, dat
+niet door hem wilde beheerscht worden. Wij hebben het recht," voer
+hij voort, "uit het koninklijk geslacht dien Vorst te kiezen, die het
+best in staat is, het hoogste gezag te bekleeden:--dat is," zei hij,
+zijn woorden verbeterende, "wiens verkiezing de belangen der edelen
+het best bevordert. In persoonlijke hoedanigheden," vervolgde hij,
+"doet misschien Prins Jan voor zijn broeder onder; maar wanneer men
+bedenkt, dat deze, met het zwaard der wraak in handen terugkeert,
+terwijl gene, belooningen, vrijheden, voorrechten, rijkdom en eer
+aanbiedt, dan is het niet twijfelachtig, welken koning, de adel,
+als deze verstandig handelt, geroepen is te ondersteunen!"
+
+Deze en vele andere bewijsgronden, sommige toepasselijk op de
+bijzondere omstandigheden van hen aan wie ze gericht werden, hadden
+de verwachte uitwerking bij de edelen van de partij van Prins Jan. De
+meesten stemden er in toe, bij de voorgestelde vergadering te York
+tegenwoordig te zijn, ten einde algemeene maatregelen te beramen,
+om Prins Jan de kroon op het hoofd te plaatsen.
+
+Het was laat in den avond, toen Fitzurse naar het kasteel van Ashby
+terugkeerde, afgemat door de menigte zijner bezigheden, maar voldaan
+over zijn goed gevolg, en De Bracy ontmoette, die zijne feestkleeding
+tegen een soort van groene kiel verwisseld had, met een broek van
+dezelfde stof en kleur, een lederen kap, of _baret_, een kort zwaard,
+een horen over den schouder, een langen boog in de hand, en een bundel
+pijlen in zijn draagband gestoken. Indien Fitzurse dezen persoon in
+een buitenvertrek ontmoet had, zou hij voorbijgegaan zijn, zonder er
+acht op te slaan, en hem voor een der lijfwachten aangezien hebben,
+maar nu hij hem in de binnenzaal ontmoette, beschouwde hij hem met
+meer oplettendheid, en herkende den Normandischen ridder, in het
+gewaad van een Engelschen boogschutter.
+
+"Waartoe deze vermomming, De Bracy?" vroeg Fitzurse, eenigszins
+bitter. "Is het nu een tijd voor kermis-grappen en galante maskeraden,
+terwijl het lot van onzen meester, Prins Jan, op het punt is beslist te
+worden? Waarom hebt gij u niet, evenals ik, onder die laffe bloodaards
+begeven, welken de bloote naam van Koning Richard evenveel schrik
+aanjaagt, als men zegt, dat hij de kinderen der Saracenen doet?"
+
+"Ik heb voor mijne eigene belangen gezorgd," zei De Bracy koel;
+"evenals gij voor de uwe, Fitzurse."
+
+"Ik voor mijne eigene belangen gezorgd!" herhaalde Waldemar. "Ik heb
+mij bezig gehouden met die van Prins Jan, onzen gemeenschappelijken
+beschermer."
+
+"Alsof gij hiertoe eenige andere reden hadt, Waldemar," zei De Bracy,
+"dan de bevordering uwer eigene individueele belangen! Kom kom,
+Fitzurse, wij kennen elkander; eerzucht is uw doel, vermaak het
+mijne, en dit uiteenloopende doel past aan onzen uiteenloopenden
+ouderdom. Over Prins Jan denkt gij evenals ik; hij is te zwak om een
+standvastig, te heerschzuchtig om een gemakkelijk, te trotsch en te
+achterdochtig om een aan het volk aangenaam, en te onbestendig en te
+beschroomd, om lang een Vorst, van welken aard ook, te zijn. Maar hij
+is een Vorst, door wien Fitzurse en De Bracy zich hopen te verheffen
+en fortuin te maken; en daarom helpt gij hem met uw staatkunde,
+en ik met de lansen mijner huurlingen."
+
+"Een veelbelovende hulp!" riep Fitzurse ongeduldig. "Voor gek te
+spelen in het oogenblik van den uitersten nood! Wat stelt gij u
+toch ter wereld voor met deze bespottelijke vermomming, in een zoo
+dringend oogenblik?"
+
+"Mij eene vrouw te verschaffen," antwoordde De Bracy koel, "op de
+wijze van den stam van Benjamin."
+
+"De stam van Benjamin!" zei Fitzurse. "Ik begrijp u niet."
+
+"Waart gij niet tegenwoordig gisteren avond," zei De Bracy, "toen
+Prior Aymer ons een vertelling deed, als antwoord op de Romance, die
+de minnezanger voordroeg?--Hij vertelde, hoe langen tijd geleden,
+in Palestina, een doodelijke veete ontstond, tusschen den stam van
+Benjamin en het overige van het Israëlitische volk; en hoe bijna de
+geheele ridderschap van dien stam verslagen werd; en hoe het volk bij
+de Heilige Maagd zwoer, niet te willen toestaan, dat de overgeblevenen
+in hun maagschap huwelijkten; en hoe zij berouw kregen over hun eed,
+en zijne Heiligheid den Paus raadpleegden, hoe zij daarvan konden
+ontslagen worden, en hoe, op raad van den Heiligen Vader, de jeugd van
+Benjamins stam, op een prachtig toernooi, al de tegenwoordig zijnde
+dames wegroofde, en zich dus vrouwen verschafte, zonder toestemming
+der bruiden, of harer familiën."
+
+"Ik heb het verhaal gehoord," zei Fitzurse, "ofschoon gij, of de
+Prior, eenige zonderlinge veranderingen in tijd en omstandigheden
+gemaakt hebt."
+
+"Ik zeg u," hernam De Bracy, "dat ik mij een vrouw wil verschaffen naar
+de manier van den stam van Benjamin, wat zeggen wil, dat ik in deze
+zelfde toerusting, de kudde Saksische boeren zal aanvallen, die heden
+avond het kasteel verlaten hebben, en de schoone Rowena ontvoeren."
+
+"Zijt gij waanzinnig, De Bracy?" zei Fitzurse. "Bedenk dat zij,
+ofschoon Saksers, rijk en machtig zijn, en door hunne landslieden te
+meer geëerbiedigd worden, daar rijkdom en eer slechts het deel zijn
+van weinigen van Saksische afkomst."
+
+"En het deel van geen hunner zijn moesten," zei De Bracy; "het
+veroveringswerk moest volmaakt worden."
+
+"Het is nu althans geen tijd daartoe," zeide Fitzurse; "de naderende
+beslissing maakt de hulp der menigte onontbeerlijk, en Prins Jan kan
+niet weigeren recht uit te oefenen tegen iemand, die de gunstelingen
+er van beleedigt."
+
+"Laat hij hen verdedigen, als hij durft," antwoordde De Bracy; "hij
+zal spoedig het onderscheid zien tusschen den onderstand van een
+troep dappere lansen zooals de mijnen, en een hoop gemeene Saksische
+boeren. Ik ben echter niet voornemens, mij zelven rechtstreeks
+bloot te geven. Ben ik in dezen dos niet zulk een dapper jager,
+als er ooit een op den jachthoren blies? De blaam der schaking zal
+op de vrijbuiters der wouden van Yorkshire rusten. Ik heb getrouwe
+bespieders, die op de bewegingen der Saksers letten. Heden nacht
+slapen zij in het klooster van St. Wittol, of Withold, of hoe zij
+dien lomperd van een Saksischen heilige noemen, te _Burton-Trent_. De
+volgende dagreis brengt hen onder ons bereik, en als valken grijpen
+wij hen allen in onze klauwen. Terstond daarop zal ik in mijne eigene
+gedaante verschijnen, den dapperen ridder spelen, de ongelukkige en
+bedrukte schoone uit de handen harer woeste roovers verlossen, haar
+naar Front-de-Boeuf's kasteel, of, indien het noodig is, naar Normandië
+voeren, en haar niet aan haar bloedverwanten teruggeven, voordat zij
+de bruid en de echtgenoote van Maurice de Bracy is geworden."
+
+"Een bewonderenswaardig wijs plan!" zei Fitzurse, "en naar mijn oordeel
+niet geheel uw eigene uitvinding.--Kom, wees openhartig, De Bracy,
+wie hielp u het bedenken, en wie zal u bijstaan in de uitvoering,
+want, naar ik meen, ligt uw bende te York?"
+
+"Daar gij het dan volstrekt weten wilt"--zei De Bracy--"de Tempelier
+Brian de Bois-Guilbert regelde de onderneming, waarvan het gebeurde
+met de kinderen Benjamins bij mij de gedachte had doen ontstaan. Hij
+wil mij helpen bij den aanval, en zijn gevolg zal de vrijbuiters
+voorstellen, uit wier hand mijn moedige arm de Jonkvrouw zal verlossen
+nadat ik van kleeding veranderd heb."
+
+"Bij mijn eer," zei Fitzurse, "dit plan was uw beider wijsheid waardig:
+en uwe voorzichtigheid openbaart zich bijzonder in het ontwerp, om de
+Jonkvrouw in de handen van uw waardigen bondgenoot te laten. Mijns
+bedunkens, kan het u gelukken, haar aan haar Saksische vrienden te
+ontvoeren, maar of gij haar naderhand uit de klauwen van Bois-Guilbert
+zult kunnen redden, schijnt mij vrij wat twijfelachtiger.--Hij is
+een valk, die gewoon is een vogel te grijpen, en zijn prooi vast
+te houden."
+
+"Hij is een Tempelier," zei De Bracy, "en kan mij dus niet in den weg
+staan in mijn plan om deze erfdochter te trouwen;--en iets oneerbaars
+met de aanstaande bruid van De Bracy te beproeven,--bij den hemel! al
+was een geheel kapittel van zijn orde in zijn persoon vereenigd,
+zou hij mij zulk eene beleediging toch niet durven aandoen!"
+
+"Daar dan niets, wat ik ook zeggen mag, u deze zotheid uit het hoofd
+verdrijven kan," zei Fitzurse; "want ik ken uw halsstarrigheid, verspil
+zoo weinig tijd mogelijk,--opdat uw dwaasheid niet even langdurig,
+als ontijdig zij."
+
+"Ik zeg u," antwoordde De Bracy, "het zal slechts het werk van eenige
+uren zijn, en spoedig bevind ik mij te York, aan het hoofd van mijne
+stoute en dappere bende, even bereidvaardig om eenig krachtig besluit
+uit te voeren, als uwe staatkunde zijn kan om het te smeden.--Maar
+ik hoor, dat mijn makkers zich verzamelen, en dat de paarden op het
+voorplein stampen en brieschen.--Vaarwel!--Ik ga als een echte ridder,
+om de liefde der schoone te verdienen."
+
+"Als een echte ridder!" hernam Fitzurse, hem naziende, "als een echte
+dwaas, zou ik zeggen, of als een kind, dat de ernstige en noodigste
+bezigheid verzuimt, om het distelzaad na te loopen, dat de wind voor
+hem heen drijft. Maar met zulke werktuigen moet ik arbeiden;--en tot
+wiens voordeel?--Voor een Prins, die even onverstandig als losbandig
+is, die een even ondankbaar meester schijnt te willen wezen, als hij
+reeds getoond heeft, een oproerige zoon en een ontaarde broeder te
+zijn.--Maar ook hij is slechts één mijner werktuigen, en hoe trotsch
+hij ook zij, zal hij dat spoedig ondervinden, als hij zich voorstelt
+zijn belangen van de mijne te kunnen scheiden."
+
+Hier werden de overdenkingen van den staatsman afgebroken door de
+stem van Prins Jan, die uit een binnenvertrek riep: "Edele Waldemar
+Fitzurse, kom bij mij!" en het hoofd ontblootende, haastte zich
+de aanstaande Grootkanselier (want op dezen hoogen post hoopte de
+sluwe Normandiër), om de bevelen van zijn aanstaanden koning te
+gaan vernemen.
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Er leefde onopgemerkt en eenzaam, jaar aan jaar,
+ In ver verwijderd oord een vrome kluizenaar,
+ In de enge cel;--hij rustte op 't bed van mos; genoot
+ Wat fruit zijn disch voorzag; de bron hem laafnis bood;
+ Hij sleet, der wereld vreemd, zijn leven door met God,
+ Zijn dagboek was 't gebed, de lofzang zijn genot.
+
+ Parnell.
+
+
+De lezer zal niet vergeten hebben, dat de uitkomst van het toernooi
+beslist werd door de heldendaden van een onbekenden ridder, dien de
+toeschouwers, wegens het lijdelijke en onverschillige van zijn gedrag,
+gedurende het eerste gedeelte van den dag, met den naam van _Le Noir
+Fainéant_ bestempeld hadden. Deze ridder had het strijdperk verlaten,
+zoodra de overwinning behaald was; en toen hij opgeroepen werd, om het
+loon zijner dapperheid te ontvangen, was hij nergens te vinden. Terwijl
+hij door de herauten en trompetters ingedaagd werd, richtte hij zijn
+koers noordwaarts, alle begane paden vermijdende, en den kortsten
+weg door de boschlanden nemende. Hij rustte des nachts in een kleine
+herberg op eenigen afstand van den straatweg, waar hij echter, van een
+rondtrekkenden speelman, tijding kreeg van den afloop van het toernooi.
+
+Den volgenden morgen vertrok de ridder vroegtijdig, met het voornemen
+om eene groote dagreis te maken, daar zijn paard, dat hij den vorigen
+morgen zorgvuldig gespaard had, in staat was, een langen tocht te doen,
+zonder veel te rusten. Zijn voornemen werd echter verijdeld door de
+onbekende wegen, die hij nam; zoodat, toen de avond hem overviel,
+hij zich slechts op de grenzen van het _West-Riding_ van Yorkshire
+bevond. Nu hadden man en paard behoefte aan verkwikking, en het was
+bovendien, noodig naar een plaats uit te zien, om den snel naderenden
+nacht door te brengen.
+
+De plek, waar de reiziger zich bevond, scheen noch eene schuilplaats
+noch voedsel op te leveren, en hij liep gevaar genoodzaakt te zijn,
+den gewonen leefregel der dolende ridders te volgen, die, bij zulke
+gelegenheden, hun paarden lieten grazen, en zich nedervlijden
+aan den voet van een eik om aan hunne jonkvrouw te denken. Maar
+de Zwarte Ridder had geene jonkvrouw, aan welke hij denken kon,
+of even onverschillig in de liefde, als hij in den oorlog scheen
+te zijn, was hij niet hartstochtelijk genoeg met hare schoonheid en
+wreedheid bezield, om de uitwerkselen van vermoeidheid en honger niet
+te gevoelen, en de liefde als plaatsvervangster te laten optreden
+voor de krachtige versterkingen van slaap en maaltijd. Hij was
+daarom eenigszins verdrietig, toen hij, rondziende, bevond, dat hij
+in het dichte woud verdwaald was, waarin wel vele opene plaatsen en
+eenige paden waren, maar die slechts gebaand schenen te zijn door
+de menigvuldige kudden hoornvee, of door het wild en de jagers,
+die het vervolgden.
+
+De zon, naar welke de ridder voornamelijk zijn koers gericht had, was
+nu achter de heuvels van Derbyshire, die aan zijn linkerhand lagen,
+ondergegaan, en elke poging om zijne reis te vervolgen, kon hem even
+gemakkelijk van den weg verwijderen als nader brengen. Na vruchteloos
+getracht te hebben, het meest gebaande pad uit te zoeken, in de hoop,
+dat het hem naar de hut van eenig herder, of het verblijf van den
+een of anderen houtvester zou voeren, en bij herhaling besluiteloos
+te zijn gebleven in zijne keus, nam hij zich voor, alles aan het
+instinkt van zijn paard over te laten, daar de ondervinding, bij
+vroegere gelegenheden, hem de verwonderlijke gave dezer dieren, om
+zich zelven en hun ruiters uit dergelijke moeielijkheden te redden,
+had leeren kennen.
+
+Uitgeput door zulk een lange reis, onder een gewapenden en geharnasten
+ruiter, had het schoone paard nauwelijks aan den slappen teugel
+gevoeld, dat het aan zijn eigen leiding was overgelaten, of het
+scheen nieuwe kracht en moed te verkrijgen; en terwijl het te voren
+bijna niet anders dan door steunen den spoorslag beantwoord had,
+spitste het nu de ooren, alsof het trotsch was op het vertrouwen,
+dat men het schonk, en verhaastte uit vrijen wil zijn gang. De weg,
+welken het dier insloeg, week af van dien, welken de ridder gedurende
+den dag gevolgd had; maar daar het paard vol vertrouwen deze keuze
+scheen te doen, liet de ridder zich geheel en al aan zijn ros over.
+
+De uitkomst rechtvaardigde zijne verwachting; spoedig scheen de weg
+iets breeder en meer begaanbaar te worden, en het luiden van een
+klokje onderrichtte den ridder, dat hij zich in de nabijheid van een
+kapel of kluizenaarshut bevond.
+
+Hij bereikte ook spoedig een open grasplein, aan welks overkant zich
+een steile rots verhief op een zacht hellende vlakte, en den reiziger
+een grijzen en verweerden kruin vertoonde. Op sommige plaatsen was ze
+met klimop bekleed; elders hingen eiken- en hulststruiken, wier wortels
+in de spleten der rots voedsel vonden, over den grond, evenals de
+vederbos eens krijgsmans over zijn stormhoed, bevalligheid verleenende
+aan een tooneel, dat anders schrikwekkend geweest ware. Aan den voet
+der rots was een ruwe hut gebouwd, die als het ware er tegen leunde,
+en voornamelijk bestond uit stammen van boomen, in het naburige woud
+geveld, en tegen het weder beschut door mos, met klei doormengd,
+in de reten te stoppen. De stam van een jongen denneboom, van de
+takken beroofd, waaraan, bij den top, kruiselings een stuk hout was
+gebonden, was voor de deur opgericht, als een ruw zinnebeeld van het
+heilige kruis.
+
+Op een kleinen afstand, aan de rechterhand, ruischte uit de rots eene
+beek van het zuiverste water, dat opgevangen werd in een hollen steen,
+tot eene ruwe kom uitgehouwen. Uit deze kom murmelde de beek naar
+beneden over een bedding, die ze sedert lang uitgehold had, kronkelde
+verder door het kleine dal, en verdween in het aangrenzende woud.
+
+Ter zijde van deze beek stonden de bouwvallen van een zeer kleine
+kapel, waarvan het dak gedeeltelijk ingevallen was. In zijn geheel
+was het gebouw niet meer dan zestien voet lang en twaalf voet breed,
+en het dak, dat naar evenredigheid laag was, rustte op vier boven
+samenloopende bogen, die zich uit de vier hoeken van het gebouw
+verhieven, ieder ondersteund door eene korte dikke zuil. De zijden van
+twee dezer bogen waren blijven staan, ofschoon het dak tusschen beide
+was ingestort: over de beide andere bestond het nog in zijn geheel. De
+ingang tot deze overoude plaats van godsvereering was door een zeer
+lagen boog, versierd met verscheidene rijen van dat gevlamd loofwerk,
+op haaientanden gelijkende, dat men dikwijls nog in oude Saksische
+gebouwen ziet. Een torentje verhief zich boven den ingang op vier
+dunne pilaren, en daarin hing de oude en verweerde klok, wier zwakke
+tonen door den Zwarten Ridder eenigen tijd geleden gehoord waren.
+
+Het vreedzame en stille tooneel vertoonde zich in het zwakke
+schemerlicht aan de oogen des reizigers, en voorspelde hem een goed
+nachtverblijf, daar het vooral de plicht der kluizenaars was, die in
+de wouden leefden, herbergzaamheid uit te oefenen jegens reizigers,
+die door den nacht overvallen en verdwaald waren.
+
+Derhalve gaf de ridder zich geen tijd om de bijzonderheden, die wij
+beschreven hebben, nauwkeurig op te nemen, maar den heiligen Julianus
+(den beschermheilige der reizigers) dankende, dat hij hem in een
+veilige haven gebracht had, sprong hij van zijn paard en klopte tegen
+de deur der kluizenaarshut met zijn lans, om zich aan te melden,
+en binnen gelaten te worden.
+
+Het duurde vrij lang, eer hij eenig antwoord kreeg; en het bescheid,
+toen het eindelijk kwam, was ongunstig.
+
+"Ga voorbij, wie gij ook zijn moogt," klonk het antwoord, uitgesproken
+met een diepe, schorre stem binnen in de hut, "en stoor den dienaar
+van God en van den heiligen Dunstan niet in zijn avondgebed."
+
+"Eerwaarde vader," antwoordde de ridder, "hier is een arm reiziger,
+die in het bosch verdwaald, u gelegenheid geeft, uwe menschlievendheid
+en herbergzaamheid uit te oefenen."
+
+"Broeder," hernam de bewoner der kluis, "het heeft der Heilige Maagd
+en den heiligen Dunstan behaagd, mij tot een voorwerp dezer deugden,
+in plaats van tot een beoefenaar er van te bestemmen. Ik heb hier
+geen levensmiddelen, welke zelfs een hond met mij zou willen deelen,
+en een paard, aan eenige zorg en verpleging gewoon, zou mijn strooleger
+verachten: zet daarom uw reis voort, en God geleide u!"
+
+"Maar," zei de ridder, "hoe is het mij mogelijk den weg te vinden door
+zulk een bosch, in de naderende duisternis? Ik bid u, eerwaarde vader,
+zoo gij een Christen zijt, uwe deur te openen, en mij ten minste den
+weg te wijzen."
+
+"En ik bid u, lieve mede-Christen," hernam de kluizenaar, "mij niet
+verder te storen. Gij hebt mij reeds belet één _pater_, twee _ave's_
+en een _credo_ te spreken, welke ik, ellendige zondaar, die ik ben,
+volgens mijn gelofte moest hebben opgezegd, vóór het opkomen der maan."
+
+"Wijs mij den weg!--den weg!" schreeuwde de ridder, "indien ik dan
+anders niet van u verkrijgen kan."
+
+"De weg," hernam de heremiet, "is gemakkelijk te vinden. Uit het
+woud geleidt het pad naar een moeras, van daar naar een doorwaadbare
+plaats, die misschien thans begaanbaar is, daar het weinig geregend
+heeft. Als gij deze plaats doorwaad hebt, moet gij voorzichtig te voet
+gaan langs den linker oever, wijl die op sommige plaatsen vrij steil
+is, en het pad, dat boven de rivier hangt, is, naar ik gehoord heb
+(want ik verlaat zelden mijne kapel), op sommige plekken, onlangs
+ingezakt. Van hier gaat gij rechtuit tot--"
+
+"Een ingezakt pad--een afgrond--een doorwaadbare rivier, en een
+moeras!" riep de ridder hem in de rede vallende.--"Heer kluizenaar,
+al zijt ge de heiligste van allen, die ooit een baard droegen,
+of een rozekrans baden, zult gij mij toch niet overhalen, om heden
+dezen weg te volgen. Ik zeg u, dat gij, die van de liefdadigheid in
+het land leeft, en naar ik veronderstel van eene slecht verdiende
+liefdadigheid,--geen recht hebt een reiziger in den nood eene
+schuilplaats te weigeren. Doe uwe deur spoedig open, of--bij het
+Kruis,--ik sla ze in, en verschaf mij zelf ingang!"
+
+"Vriend reiziger," hernam de heremiet, "wees niet lastig; als
+ge mij noodzaakt een vleeschelijk wapen te gebruiken te mijner
+verdediging,--des te erger voor u!"
+
+Op dit oogenblik werd een dof geknor en geblaf, dat de reiziger reeds
+eenigen tijd gehoord had, luid en hevig, en hieruit veronderstelde
+de ridder, dat de kluizenaar, verontrust door zijn bedreiging van
+zich met geweld een toegang te banen, de honden geroepen had uit het
+binnenste van het hol, waarin zij opgesloten geweest waren, om hem
+in zijne verdediging bij te staan.
+
+Verstoord over des kluizenaars voorbereiding ter handhaving van zijn
+ongastvrijheid, schopte de ridder zoo geweldig tegen de deur, dat de
+posten zoowel als de hengsels begonnen te wankelen.
+
+De kluizenaar, die zijn deur niet opnieuw aan een dergelijken aanval
+wilde blootstellen, riep hard op: "Geduld, geduld!--spaar uwe krachten,
+goede reiziger, en ik zal de deur dadelijk openen, ofschoon het u
+misschien weinig genoegen verschaffen zal."
+
+De deur werd dus geopend en de heremiet, een groot, forsch man,
+stond voor den ridder in een haren kleed en kap, met een biezen touw
+vastgemaakt. In de eene hand hield hij een brandende fakkel, en in
+de andere een knuppel van een wilden appelboom, zoo dik en zwaar,
+dat men die met recht een knots had kunnen noemen. Twee groote, ruige
+honden, half windhond, half bulhond, stonden gereed om den reiziger
+aan te vallen, zoodra de deur open was. Maar, toen de fakkel op den
+hoogen helm en gouden sporen des ridders flikkerde, die nog buiten
+stond, beteugelde de heremiet,--waarschijnlijk zijn eerste voornemen
+opgevende,--de woede zijner honden, en met een boersche hoffelijkheid,
+noodigde hij den ridder uit, zijne woning binnen te treden, en haalde
+als verontschuldiging voor zijne onwilligheid om na zonsondergang te
+openen, de menigte roovers en vrijbuiters aan, die zich in het bosch
+bevonden, en geen eer bewezen aan de Heilige Maagd, aan St. Dunstan,
+of aan de heilige mannen, die hun leven in hunnen dienst sleten.
+
+"De armoede uwer cel, goede vader," zei de ridder, rondziende en
+niets bespeurende dan een bed van bladeren, een crucifix, ruw uit
+eikenhout gesneden, een misboek, een lompe tafel, twee stoelen,
+en een paar grove stukken huisraad,--"de armoede uwer cel schijnt
+een genoegzame waarborg tegen eenig gevaar van dieven, om niet te
+spreken van de hulp van twee getrouwe honden, sterk genoeg, naar het
+mij toeschijnt, om een hert ter neder te werpen, en bijgevolg ook,
+om hun krachten tegen een mensch te beproeven."
+
+"De brave houtvester van dit woud," zei de heremiet, "heeft mij
+het gebruik dezer dieren toegestaan, om mij in mijne eenzaamheid te
+verdedigen, tot de tijden veiliger worden."
+
+Na dit gezegd te hebben, plaatste hij de fakkel in een krom gebogen
+stuk ijzer, dat hem tot kandelaar diende, en den eiken drievoet voor
+de asch van het vuur zettende, dat hij met wat droog hout opwakkerde,
+zette hij een stoel aan één kant der tafel en verzocht zijn gast er
+een aan den anderen kant te plaatsen.
+
+Zij gingen zitten, en staarden elkander zeer ernstig aan; terwijl
+ieder bij zich zelven dacht, dat hij zelden een sterkere en meer
+gespierde gestalte gezien had, dan die welke nu tegenover hem zat.
+
+"Eerwaarde heremiet," zei de ridder, nadat hij zijn gastheer een
+tijd lang, strak aangezien had, "indien ik niet vreesde, uwe heilige
+overdenkingen te storen, zou ik gaarne drie dingen van uwe heiligheid
+willen weten: ten eerste, waar moet ik mijn paard laten?--ten tweede,
+wat kan ik tot mijn avondmaal bekomen?--ten derde, waar zal ik mij
+nederleggen van nacht?"
+
+"Ik zal het u met mijn vinger beantwoorden," zei de kluizenaar,
+"want het is tegen mijn regel, woorden te gebruiken, als teekens
+voldoende zijn ter bereiking van mijn oogmerk." Dit zeggende wees
+hij naar twee hoeken der hut. "Uw stal," zei hij, "is dáár--uw bed
+dáár," en hem een houten schotel met een paar handen vol droge erwten,
+over de tafel toereikende, voegde hij er bij: "uw avondmaal is hier."
+
+De ridder haalde de schouders op, en de hut verlatende, haalde hij zijn
+paard, dat hij aan een boom had vastgebonden, naar binnen, ontzadelde
+het zorgvuldig en spreidde zijn eigen mantel op den vermoeiden rug
+van het dier uit.
+
+De heremiet scheen eenigszins getroffen door de zorgvuldigheid
+en handigheid, die den vreemdeling toonde in de behandeling van
+zijn paard; want, terwijl hij iets mompelde over voeder, voor des
+houtvesters paard achtergelaten, haalde hij uit een donkeren hoek
+een bundel hooi, dat hij des ridders strijdros voorwierp, en terstond
+daarop spreidde hij een menigte droog varenkruid in den hoek, dien hij
+tot slaapplaats voor zijn gast bestemd had. Deze bedankte hem voor
+zijne beleefdheid; en beide namen weder plaats aan de tafel, waarop
+de houten schotel met erwten tusschen hen stond. Nadat de heremiet
+een lang gebed had uitgesproken, dat eens Latijn geweest was, maar
+waarin van de oorspronkelijke taal, behalve een paar deftige uitgangen
+van een woord en volzin, weinige sporen waren overgebleven, gaf hij
+zijn gast een voorbeeld, door in een zeer grooten mond, met tanden
+voorzien, welke met die van een everzwijn in scherpte en witheid konden
+wedijveren, zediglijk drie of vier droge erwten te steken, een ellendig
+maalsel, naar het scheen, voor een zoo grooten en stevigen molen.
+
+Om een zoo loffelijk voorbeeld te volgen, legde de ridder zijn helm,
+zijn borstharnas en het grootste gedeelte zijner wapenrusting af,
+en de heremiet zag een hoofd voorzien met zware, blonde lokken,
+sprekende gelaatstrekken, blauwe, zeer helder schitterende oogen,
+een welgevormden mond, welks bovenlip met een knevel prijkte, van
+donkerder kleur dan het hoofdhaar;--in één woord een man wiens geheele
+gelaat een stoutheid, onversaagdheid en ondernemenden geest aan den
+dag legde, waarmede zijn forsche gedaante zeer goed overeenstemde.
+
+Alsof hij het vertrouwen van zijn gast wilde beantwoorden, schoof
+de kluizenaar zijn kap terug, en vertoonde het kogelrond hoofd van
+een man in den bloei des levens. Zijn kaal geschoren kruin, door
+een krans van stijf zwart haar omgeven, geleek eenigszins op eene
+ronde schapenkooi, met een hooge heg. De gelaatstrekken getuigden
+noch van kloosterlijke gestrengheid noch van lange ontbering:
+het was integendeel een stout, vrijpostig gelaat, met groote,
+zwarte wenkbrauwen, een welgevormd voorhoofd, en wangen--zoo bol
+en rood als die van een trompetter--waaraan een lange zware baard
+nederhing. Zulk een gelaat en de gespierde gestalte des heiligen mans
+spraken eerder van vet gebraad, dan van droge erwten en boonen. Deze
+tegenstrijdigheid ontging den gast niet. Nadat hij met groote
+moeite een mondvol droge erwten gekauwd had, vond hij het volstrekt
+noodzakelijk, zijn heiligen gastheer te verzoeken hem eenigen drank
+te verschaffen; deze beantwoordde aan zijn bede, door een groote kan,
+met het zuiverste bronwater gevuld, voor hem te plaatsen.
+
+"Het is uit St. Dunstans bron," zei hij, "in welke hij tusschen
+zons op- en ondergang vijfhonderd heidensche Denen en Britten
+doopte,--gezegend zij zijn naam!" Zijn zwarten baard hierop tegen
+de kruik drukkende, nam hij een veel matiger teug, dan zijn lofrede
+scheen te voorspellen.
+
+"Het schijnt mij toe, eerwaarde vader!" zei de ridder, "dat het
+weinige, dat gij eet, met den heiligen, maar eenigszins dunnen drank,
+u verwonderlijk wel bekomt. Gij schijnt geschikter om den prijs te
+winnen in het worstelperk, of met knuppel of zwaard, dan om uw tijd
+te slijten in deze eenzame wildernis, met het opzeggen van missen,--en
+om van droge erwten en koud water te leven."
+
+"Heer ridder," antwoordde de kluizenaar, "uwe gedachten zijn die
+van een onkundigen leek, die naar den vleesche oordeelt. Het heeft
+der Heilige Maagd en mijn beschermheilige behaagd, het geringe,
+waartoe ik mij zelven bepaal, te zegenen, evenals de vruchten en
+het water gezegend werden bij de jongelingen Sadrach, Mesach en
+Abednego, die zich met deze spijzen liever vergenoegen wilden, dan
+zich bezoedelen met de wijnen en het vleesch, hun door den koning
+der Saracenen toegedeeld."
+
+"Heilige man," zei de ridder, "op wiens gelaat het den hemel behaagd
+heeft zulk een wonder te verrichten, sta een armen, zondigen leek toe,
+naar uw naam te vragen?"
+
+"Gij kunt mij den geestelijke van Copmanshurst noemen," antwoordde de
+heremiet; "want onder dezen naam ben ik in deze streken bekend.--Men
+voegt er wel is waar, den bijnaam van _heilig_ bij, maar hierop ben ik
+niet gesteld, want ik ben dezen eeretitel onwaardig.--En nu, dappere
+ridder, mag ik u verzoeken, mij ook den naam van mijn geëerden gast
+te zeggen?"
+
+"Waarlijk," zei de ridder, "heilige heer van Copmanshurst, men noemt
+mij in deze streken den Zwarten Ridder,--en velen voegen er den
+bijnaam van den Luiaard bij; maar ik ben er ook niet erg op gesteld,
+om aldus onderscheiden te worden."
+
+De heremiet kon zich nauwelijks van een glimlach onthouden over het
+antwoord van zijn gast.
+
+"Ik zie," zei hij, "mijnheer de ridder, dat gij een bedachtzaam en
+voorzichtig man zijt, en bovendien zie ik, dat mijn arm, kloosterlijk
+onthaal u niet behaagt, daar gij aan de losbandigheid der hoven en
+legerplaatsen, en aan de weelde der steden gewend zijt; en nu schiet
+het mij te binnen, mijnheer de Luiaard, dat, toen de liefdadige
+houtvester van dit woud, tot mijne bescherming, deze honden met dezen
+bundel voêr hier liet, hij ook eenig voedsel heeft achtergelaten; maar,
+daar het tot mijn gebruik ongeschikt is, was mij zelfs de herinnering
+er aan, onder overdenkingen van meer ernstigen aard ontschoten."
+
+"Ik had er een eed op durven doen," zei de ridder; "sedert gij uw kap
+aflegdet, eerwaarde vader, was ik overtuigd, dat er beter voedsel in uw
+cel was.--Een boschwachter is altijd een vroolijke gast; en niemand die
+uwe kiezen worstelen zag tegen deze erwten, terwijl uw keel afgespoeld
+werd door dit weinig bekoorlijk element, zou u veroordeeld kunnen
+zien tot dit paardenvoedsel en dezen paardendrank,"--(op den voorraad
+op tafel wijzende)--"en zich onthouden van uw lof te verbeteren.--Kom
+aan, toon ons dus zonder uitstel wat de goede boschwachter u verschaft
+heeft!"
+
+De kluizenaar wierp een veelbeteekenenden blik op den ridder, waarin
+een komieke uitdrukking van twijfeling lag, alsof hij onzeker was,
+in hoever het voorzichtig zou wezen zijn gast te vertrouwen. Er
+lag, echter, op des ridders trekken zooveel gulle openhartigheid,
+als men bij mogelijkheid kon begeeren. Zelfs zijn glimlach had
+iets onwederstaanbaar opgeruimds, en gaf blijken van trouw en
+rechtschapenheid, die zijn gastheer niet nalaten kon op te merken.
+
+Nadat zij, zonder te spreken, een paar blikken gewisseld hadden, ging
+de heremiet naar het voorste gedeelte der hut, en opende een deurtje,
+dat met veel zorg en eenigszins kunstig verborgen was. Uit de hoeken
+van een donker kastje, waartoe deze opening toegang verschafte, haalde
+hij een groote pastei, op een tinnen bord, van buitengewone grootte,
+te voorschijn. Dezen ontzaggelijken schotel plaatste hij voor zijn
+gast, die, zich van zijn dolk bedienende, om de korst open te snijden,
+geen oogenblik verzuimde om zich met den inhoud bekend te maken.
+
+"Hoe lang is het geleden, dat de goede boschwachter hier geweest
+is?" zei de ridder, nadat hij gretig verscheidene brokken van deze
+vermeerdering van het gastmaal had verslonden.
+
+"Omtrent twee maanden," antwoordde de kluizenaar dadelijk.
+
+"Bij den Hemel," antwoordde de ridder, "alles in uw kluis is vol
+wonderen, heilige man; want ik zou er een eed op hebben gedaan, dat
+de vette reebok, die dit wildbraad heeft opgeleverd, deze week nog
+door het woud geloopen heeft."
+
+De heremiet was eenigermate uit het veld geslagen door deze aanmerking,
+en hij zette een bedroefd gelaat, terwijl hij op de vermindering van
+de pastei staarde, waarin de ridder verschrikkelijke verwoestingen
+aanrichtte; een heldendaad, die zijn gastheer, wegens zijn vorige
+belijdenis van onthouding, geen voorwendsel had om hem na te volgen.
+
+"Ik ben in Palestina geweest, eerwaarde vader," zei de ridder,
+eensklaps ophoudende, "en ik herinner mij, dat het dáár de gewoonte
+is, dat ieder, die een gast onthaalt, hem van de degelijkheid zijner
+spijzen overtuigt, door ze met hem te deelen. Verre zij het van mij,
+van zulk een heilig man als gij zijt, iets te vermoeden, dat met de
+gastvrijheid strijdig ware; gij zoudt mij echter zeer verplichten,
+door u naar deze Oostersche gewoonte te schikken."
+
+"Om uw onnoodige ongerustheid te verdrijven, heer ridder, wil ik
+ditmaal van mijn regel afwijken," zei de kluizenaar. En daar men in die
+tijden nog geen vorken had, greep hij met de vingers oogenblikkelijk
+in de ingewanden der pastei.
+
+Nu het ijs der plichtplegingen eenmaal gebroken was, scheen het een
+tweestrijd tusschen den gast en den gastheer, wie van beiden den besten
+eetlust zou toonen; en ofschoon de eerste waarschijnlijk langer gevast
+had, liet de heremiet hem evenwel ver achter zich.
+
+"Heilige man," zei de ridder, toen zijn honger gestild was, "ik zou
+mijn goed paard, dat ginds staat, tegen een _zechien_ durven zetten,
+dat dezelfde beleefde boschwachter, aan wien wij dit wildbraad te
+danken hebben, u een slok wijn, of een vaatje sek, of eene kleinigheid
+van dien aard achtergelaten heeft, om deze pastei af te spoelen. Deze
+omstandigheid zou zonder twijfel niet waard zijn in het geheugen
+van een zoo strengen kluizenaar bewaard te worden; echter denk ik,
+dat gij zien zult, dat ik in mijn vermoeden niet dwaal, indien gij
+gindsche geheime bergplaats nog eens doorsnuffelen wildet."
+
+De kluizenaar antwoordde slechts met een glimlach, en naar het kastje
+terugkeerende, haalde hij een lederen wijnzak te voorschijn, die
+ongeveer driemaal zoo groot was als een gewone kruik. Hij kreeg ook
+twee groote drinkbekers, uit de horens van een wilden stier gemaakt,
+en met zilver beslagen. Nadat hij dezen schoonen voorraad voor den
+dag gehaald had, scheen hij van zijn kant geene plichtplegingen meer
+noodig te achten; maar, nadat hij de beide bekers gevuld had, zeide
+hij, naar de Saksische wijze: "_Waes hael_, (op uw welzijn!) heer
+ridder!" en ledigde zijn glas in eene teug.
+
+"_Drink hael_, heilige man van Copmanshurst!" antwoordde de krijgsman,
+zijn gastheer met een even vollen beker bescheid doende.
+
+"Eerwaarde heer," zei de vreemdeling, na den eersten beker geledigd
+te hebben, "het verwondert mij ten hoogste, dat een man, die zulke
+kracht en spieren bezit als gij, en die daarenboven zulk een vriend
+van goede sier schijnt, er behagen in schept, zich in deze wildernis
+af te zonderen. Volgens mijn oordeel, zijt gij geschikter een kasteel
+of een sterkte te helpen bezetten,--van het vette des lands te eten
+en te drinken, dan om hier van groenten en water, of zelfs van de
+liefdadigheid des boschwachters te leven. In uwe plaats, zou ik mij ten
+minste zoowel tijdverdrijf als overvloed verschaffen met des Konings
+wild. In deze bosschen zijn vele schoone herten; en eene enkele ree,
+ten gebruike van St. Dunstans volgeling, zou niet gemist worden."
+
+"Mijnheer de ridder," hernam de geestelijke, "dit zijn gevaarlijke
+woorden en ik bid u, onthoud u er van. Ik ben een heremiet, een
+getrouwe dienaar van den Koning en van de wetten, en indien ik mijns
+Vorsten wild roofde, zou ik zeker in de gevangenis komen, en, als mijn
+geestelijk gewaad mij niet redde, zou ik zelfs in gevaar verkeeren
+van opgehangen te worden."
+
+"En toch, zou ik, in uwe plaats," zei de ridder, "eene wandeling in
+het maanlicht doen, als de houtvesters en boschwachters warm te bed
+liggen; en terwijl ik mijn gebeden prevelde,--zou ik een pijl tusschen
+de kudden wild laten vliegen, die op de open plaatsen weiden.--Zeg
+mij de waarheid, heilige man, hebt gij dit genoegen nooit gesmaakt?"
+
+"Vriend ridder," antwoordde de heremiet, "gij hebt alles van mijne
+huishouding gezien, wat u kan aangaan, en zelfs iets meer dan een
+man verdient te zien, die zich met geweld opgedrongen heeft. Geloof
+mij, het is beter, het goede te genieten, dat God u zendt, dan met
+onbeschaamde nieuwsgierigheid te vragen, vanwaar het komt. Vul uw
+beker, en wees welkom; en noodzaak mij niet, bid ik u, door verdere
+onbeschaamde vragen, om u te toonen, dat het u moeielijk zou gevallen
+zijn hier een verblijf te vinden, als ik mij er ernstig tegen had
+willen verzetten."
+
+"Op mijn woord," zei de ridder, "gij maakt mij nieuwsgieriger dan
+ooit! Gij zijt de geheimzinnigste kluizenaar, dien ik ooit ontmoette;
+en ik moet u nader leeren kennen, eer wij scheiden. Wat uw bedreigingen
+aangaat, heilige man, verneem, dat gij met iemand spreekt, die er zijn
+beroep van maakt, het gevaar te zoeken, overal waar het te vinden is."
+
+"Mijnheer de Luiaard, ik drink u toe," zei de heremiet, "met veel
+eerbied voor uw dapperheid, maar met bedroefd weinig achting voor uwe
+bescheidenheid. Als gij het met gelijke wapenen tegen mij opnemen
+wilt, zal ik u in alle vriendschap en broederlijke liefde een zoo
+voldoende boete opleggen, en zoo volkomen absolutie geven, dat gij
+in de eerste twaalf maanden niet weder zult bezondigen aan overdreven
+nieuwsgierigheid."
+
+De ridder deed hem bescheid, en verzocht hem te zeggen, welk wapen
+hij verkoos te gebruiken.
+
+"Er zijn er geene," hernam de heremiet, "van Delila's schaar en Jaëls
+tienduims spijker, tot aan Goliaths slagzwaard toe, waarmede ik niet
+tegen u bestand ben;--maar dewijl gij mij de keus laat, wat dunkt u,
+vriend, van dit speelgoed?"
+
+Dit zeggende, opende hij een ander hok, en nam er twee zwaarden
+en twee schilden uit, van de soort, die toen bij de landlieden in
+gebruik waren. De ridder, die zijne bewegingen bespiedde, bespeurde,
+dat deze tweede bergplaats voorzien was van twee of drie goede bogen,
+een handboog, een bundel lange pijlen voor de eersten, en een half
+dozijn bundels kleinere pijlen voor den laatste. Een harp, en andere
+zaken van zeer wereldsch aanzien, werden insgelijks zichtbaar, toen
+deze duistere hoek geopend werd.
+
+"Ik beloof u, heilige man," zei de ridder, "dat ik u geene beleedigende
+vragen meer zal doen. De inhoud van deze kast is een voldoend antwoord
+op al mijne vragen; en hier zie ik een wapen," (zich bukkende om
+de harp op te nemen), "waarmede ik liever mijn kracht tegen u wil
+beproeven, dan met zwaard en schild."
+
+"Ik hoop, heer ridder," zei de kluizenaar, "dat gij geene gegronde
+reden hebt gegeven tot uw bijnaam van Luiaard? Ik verzeker u, dat
+ik u zeer sterk verdenk. Maar gij zijt mijn gast, en tegen wil en
+dank, wil ik uwe dapperheid niet op de proef stellen. Ga dus zitten,
+en vul uw beker; laat ons drinken, zingen en vroolijk zijn. Als gij
+maar een mooi liedje kent, zult gij te Copmanshurst welkom zijn op een
+stuk pastei, zoo lang ik in de kapel van St. Dunstan dienst doe, dat,
+indien het God behaagt, zoolang zal zijn, tot ik mijn grijs gewaad met
+een dekmantel van groene zoden verwissel. Maar komaan, vul den beker;
+want er zal eenige tijd toe vereischt worden om de harp te stemmen;
+en niets smeert de keel en scherpt het gehoor zoo goed, als een teug
+wijn. Wat mij aangaat, ik houd er veel van, om het druivensap tot in
+de toppen mijner vingers te gevoelen, eer ze de snaren aanraken."
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ 'k Ontsluit in gindschen stillen hoek
+ Des avonds 't zwaar gekoperd boek,
+ Waarin zoo menig heilge daad
+ Van vrome martelaren staat;
+ En dreigt mijn lamplicht uit te gaan,
+ 'k Hef, voor ik slaap een lofzang aan.
+ . . . . . . . . . . . . . . .
+ Wie legt ook voor mijn kleed en staf
+ Niet gaarne 's wereld glorie af,
+ En geeft niet ver mijn stille kluis
+ De voorkeur, boven 't aardsch gedruisch?
+
+ Warton.
+
+
+Niettegenstaande het voorschrift van den vroolijken kluizenaar,
+waarmede zijn gast van harte instemde, vond deze het geen gemakkelijke
+taak, om de harp te stemmen.
+
+"Het komt mij voor, eerwaarde vader," zei hij, "dat er ééne snaar aan
+het instrument ontbreekt, en dat de overigen eenigszins bedorven zijn
+door een slecht spel."
+
+"Ei, ei, merkt gij dat nu al?" hernam de heremiet; "dat verraadt
+den meester in de kunst. Wijn en goede sier!" voegde hij er ernstig
+bij, de oogen opslaande:--"Dit alles is de schuld van den wijn! Ik
+waarschuwde Allen-a-Dale, den noordschen speelman, dat hij de harp zou
+beschadigen, indien hij ze na den zevenden beker aanraakte; maar hij
+wilde zich niet laten gezeggen:--Vriend, op uw gelukkige uitvoering!"
+
+Dit zeggende, ledigde hij den beker met veel deftigheid, tevens het
+hoofd schuddende over de onmatigheid van den Schotschen speelman.
+
+Intusschen had de ridder de snaren zoowat gestemd, en na een kort
+voorspel, vroeg hij zijn gastheer of hij een _sirvente_ in de taal
+van _Oc_, of een _Lai_ in de taal van _Oui_, of een _Ballade_, in
+gewoon Saksisch, verlangde? [18]
+
+"Een ballade, een ballade," zei de heremiet, "boven al de _Ocs_
+en _Ouis_ van Frankrijk. Ik ben een oprecht Brit, heer ridder! en
+oprecht Engelsch was mijn patroon St. Dunstan, en hij verachtte _Oc_
+en _Oui_ evenzeer als hij den afval van des duivels hoef zou veracht
+hebben;--oprecht Saksisch alleen zal in mijn cel gezongen worden."
+
+"Dan zal ik," zei de ridder, "een ballade beproeven, door een
+Saksischen zanger, dien ik in het Heilige Land kende, gedicht."
+
+Het bleek weldra, dat, ofschoon de ridder geen volkomen meester was
+in de toonkunst, zijn smaak ten minste door een goeden leeraar was
+aangekweekt. Zijn stem, die van weinig omvang was, en van natuur
+eerder ruw dan zacht, was door oefening buigzaam en welluidend
+geworden,--kortom, de kunst had alles aangewend, om in de gebreken
+der natuur te voorzien. Zijn uitvoering had dus door meer bevoegde
+rechters dan de kluizenaar kunnen geprezen worden, te meer daar de
+ridder beurtelings met een geestdrift en een gevoel zong, die den
+verzen, die hij voordroeg, kracht en nadruk bijzetten.
+
+
+ DES KRUISRIDDERS TERUGKOMST.
+
+ De ridder was beroemd, vereerd,
+ Uit Palestina weergekeerd;
+ Het kruisbeeld raakte in storm en strijd
+ Op d' armband glans en luister kwijt;
+ Zijn schild getuigde in beuk en bocht
+ Hoe menig vijand hij bevocht;
+ Hij zong voor Tekla's venster thans
+ Dit minnelied bij d' avondglans:--
+
+ Gegroet, o Schoone! aanschouw uw held,
+ Van 't Heilig Land tot u gesneld;
+ Hij brengt geen rijkdom, hem niets waard;
+ Alleen zijn wapens, spoor en paard,
+ Om naar den vijand heen te snellen,
+ Zijn lans en zwaard, hem neer te vellen,
+ Zijn de eereteekens van zijn moed,
+ En o!--de hoop op Tekla's gloed.
+
+ Gegroet, o Schoone! uw gunstig woord
+ Heeft steeds uw ridder aangespoord;
+ Zij dan uw naam alom vermaard,
+ Waar 't puik der vrouwen ook vergaart;
+ Heraut en 's minnezangers lied
+ Vraagt: Ziet ge gindsche Schoone niet?
+ De zege is t' Askalon behaald,
+ Voor 't licht, dat uit haar oogen straalt.
+
+ Het staal, eens door haar lach gewet,
+ Heeft ook, in spijt van Mahomet,
+ Iconiums Sultan neergehouwen,
+ Verweduwd meer dan vijftig vrouwen;
+ Van 't goudgeel haar geen enkel, neen!
+ Hoe 't golft, in weeldrigen overvloed,
+ Om 't zilver van haar boezem heen,
+ Waarvoor geen heiden heeft gebloed.
+
+ Gegroet, o Schoone! U dank ik naam,
+ En elke daad van roem en faam:
+ Ontsluit de poort, 't is laat, 't is guur,
+ De nevel valt in 't nachtlijk uur,
+ Mijn lijf door Syrië's zon verbrand,
+ Weerstaat geen kou van 't Noorderland;
+ Ik breng u roem, verzacht uw zin,
+ Verblijd mijn hart door wedermin.
+
+
+Onder de uitvoering van dit stuk gedroeg zich de kluizenaar vrij wel
+als een hedendaagsche _criticus_ van den eersten rang bij eene nieuwe
+opera. Hij legde zich achterover op zijn stoel, met halfgesloten oogen:
+nu eens de handen vouwende en de duimen tegen elkander wrijvende,
+scheen hij in aandacht verzonken, en dan weer, de uitgestrekte
+handen bewegende, sloeg hij zachtjes de maat der muziek. Bij een of
+twee schoone passages verleende hij zelf een weinig hulp, waar des
+ridders stem niet krachtig genoeg scheen, om de hooge tonen zoo uit
+te brengen, als volgens zijn wijs oordeel noodig was. Toen de ridder
+zweeg, verklaarde de heremiet nadrukkelijk, dat hij schoon en goed
+gezongen had.
+
+"En echter," zei hij, "komt het mij voor, dat mijn Saksische
+landsman lang genoeg onder de Normandiërs heeft verkeerd, om in den
+zwaarmoedigen toon hunner liederen te vallen. Wat riep den eerlijken
+ridder van huis? En wat kon hij anders verwachten, dan bij zijne
+terugkomst zijn jonkvrouw gelukkig met een mededinger verbonden, en
+zijne _serenade_ even weinig geëerbiedigd te zien, als het geschreeuw
+eener kat op het huisdak? Evenwel, Heer ridder! ik breng u dezen beker
+toe, op den goeden uitslag van alle trouwe minnaars;--ik vrees, dat
+gij daar niet onder behoort!" voegde hij er bij, toen hij zag dat de
+ridder (wiens brein door de herhaalde teugen begon verhit te worden),
+zijn beker uit de waterkruik aanvulde.
+
+"Waarom?" zei de ridder; "Hebt gij mij niet gezegd, dat dit water
+uit de bron van uwen beschermheilige, St. Dunstan, was?"
+
+"Wel zeker," hernam de kluizenaar, "en eenige honderd heidenen heeft
+hij er in gedoopt; maar ik heb nooit gehoord, dat hij er van gedronken
+heeft. Ieder ding in de wereld heeft zijn nut. St. Dunstan kende,
+zoo goed als iemand, de voorrechten van een lustigen monnik."
+
+En dit zeggende, nam hij de harp, en onthaalde zijn gast op het
+volgende karakteristieke lied, op de wijze van een oud Engelsch gezang,
+met een soort van _derrydown_ koor. [19]
+
+
+ DE BARREVOETER MONNIK.
+
+ Ik geef u, mijn vriend! twalef maanden ten beste,
+ Doorzoek heel Europa van het Oost tot het Westen,
+ Neen, niemand vindt elders, hij zoek wat hij kan,
+ Dan den Barvoeter Monnik gelukkiger man.
+
+ Getogen ten strijd voor geliefde en voor de eer,
+ Keert 's avonds uw ridder verwond door de speer,
+ Dan haastig gebiecht; voor hem vindt zijn getrouwe
+ Bij den Barvoeter Monnik slechts heul in haar rouwe.
+
+ Uw koning? O he!--van zoo menig ik weet,
+ Die 't purper verruilde voor 't harige kleed;
+ Maar 'k vraag u, wie hoorde het ooit in zijn leven,
+ Dat een Monnik zijn kap voor een kroon heeft gegeven?
+
+ De wereld doorkruist hij, en waar hij verschijne,
+ Het vette der aarde blijft immer het zijne,
+ Zoo doolt hij naar lust en vermoeit hem de reis,
+ Voor den Barvoeter openen zich hut en paleis.
+
+ Ter maaltijd verwacht, zal geen bengel het wagen,
+ Zijn armstoel te ontwijden, naar het beste te vragen,
+ De hoofdschotel blijft en de plaats bij den haard
+ Onbetwist, voor den Barvoeter Monnik bewaard.
+
+ Des avonds te gast, haalt de vrouw de pastei
+ En vult hem de bierkruik en schotel daarbij,
+ En, moest ook haar man in de modder zich keeren,
+ Zal de Barvoeter Monnik geen peluw ontberen.
+
+ Sandaal dan en koord en kap ga het wel;
+ 't Geloof aan den Paus en de vrees voor de Hel;
+ Want rozen op aard, zonder doornen te plukken,
+ Mag alleen aan den Barvoeter Monnik gelukken.
+
+
+"Op mijn woord," zei de ridder, "goed en krachtig gezongen, en zeer
+tot roem van uw orde. Maar, van den duivel gesproken, heilige man,
+vreest gij niet, dat hij eens een bezoek bij u zal afleggen, te midden
+uwer zeer wereldsche vermaken?"
+
+"Ik wereldsch!" antwoordde de heremiet; "ik ontken het,--ik
+loochen het geheel en al! Ik doe behoorlijk en trouw dienst in mijne
+kapel. Dagelijks twee missen; 's morgens en 's avonds,--vroegdienst,
+namiddagdienst en vesper, _ave's_, _credo's_, _pater's_."
+
+"Uitgezonderd in de maanlichte nachten, in den jachttijd," zei
+zijn gast.
+
+"_Exceptis excipiendis_," hernam de heremiet, "zooals onze oude abt
+mij leerde zeggen, als de een of andere onbeschaamde leek mij vroeg,
+of ik alle plichten mijner orde vervulde."
+
+"Goed zoo, eerwaarde vader," zei de ridder, "maar de duivel is in
+staat, een oog te houden op zulke uitzonderingen; hij gaat rond,
+gelijk gij weet, als een brieschende leeuw."
+
+"Laat hem maar hier komen, als hij durft," zei de monnik, "één
+slag met mijn touw zal hem even luid doen brullen, als de tang
+van St. Dunstan zelven. Ik vreesde nooit een menschelijk wezen,
+en even weinig vrees ik den duivel en zijn makkers.--Met behulp van
+St. Dunstan, St. Dubric, St. Winibald, St. Winifred, St. Swibert,
+St. Willick, St. Thomas-a-Kent niet te vergeten, en mijn eigene
+geringe verdiensten, daag ik alle duivels uit, met of zonder staart,
+laat ze maar vrij komen!--Maar om u een geheim te zeggen, vriend,
+ik spreek nooit over zulke onderwerpen dan na den vroegdienst."
+
+Hij bracht het gesprek op een ander onderwerp; de vreugde werd
+luidruchtig en onstuimig, en menig liedje werd beurtelings door hen
+gezongen, tot hunne nachtelijke uitspanning gestoord werd door een
+hard geklop aan de deur van de kluis.
+
+De oorzaak dezer stoornis kunnen wij niet anders verklaren, dan door
+het verhaal der lotgevallen van eenige andere onzer personaadjes
+weder op te vatten; want wij stellen er geen eer in, evenmin als de
+oude Ariosto, om steeds dezelfde personen van ons drama gezelschap
+te houden.
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Nu slingert onze tocht door diepe kloof en dalen,
+ Waar reeën dartelend' bij haar schuwe moeders dwalen,
+ De hooge en statige eik zijn takken overhangt,
+ Wiens breed gevormde kruin het daglicht ondervangt.
+ Kom haastig, haastig voort: 't zijn liefelijke wegen
+ Zoo lang de lieve zon is op haar troon gestegen;
+ Maar minder aangenaam en veilig, als de maan
+ Haar twijfelachtig licht werpt door de donkre blaân.
+
+ Het Woud van Ettrick.
+
+
+Toen Cedric de Sakser zijn zoon bewusteloos in het strijdperk
+te Ashby zag nedervallen, was zijn eerste natuurlijke opwelling,
+hem der oppassing en zorg zijner bedienden aan te bevelen; maar de
+woorden bleven hem in de keel. Hij kon er niet toe besluiten, om in
+tegenwoordigheid van zulk gezelschap, zijn zoon, dien hij verstooten
+en onterfd had, weder aan te nemen. Echter beval hij Oswald hem in
+het oog te houden en zond den schenker met twee zijner lijfeigenen
+om Ivanhoe naar Ashby te brengen, zoodra de menigte verstrooid zou
+zijn. Maar iemand anders was Oswald in deze zorg voor geweest. De
+menigte ging wel uiteen; maar de ridder was nergens te zien.
+
+Te vergeefs zocht Cedric's schenker naar zijn jongen meester:--hij
+zag de bebloede plek, waar hij kort te voren was nedergezonken, maar
+hij zelf was niet meer te vinden; het was alsof men hem door tooverij
+had weggevoerd. Misschien zou Oswald zoo iets verondersteld hebben
+(want de Saksers waren zeer bijgeloovig), om Ivanhoe's verdwijning te
+verklaren, ware niet plotseling zijn oog gevallen op iemand, in de
+kleeding van een schildknaap, in wien hij weldra zijn dienstmakker
+Gurth herkende. Vol zorg over het lot van zijn meester, en wanhopig
+over zijne plotselinge verdwijning, zocht hem de vermomde zwijnenhoeder
+overal, en had dus de geheimhouding van zijne rol, waaraan zijn eigene
+veiligheid afhing, uit het oog verloren. Oswald achtte het zijn
+plicht Gurth in verzekerde bewaring te nemen, als een vluchteling,
+over wiens lot zijn meester beslissen moest.
+
+Zijne nasporingen aangaande Ivanhoe's lot vervolgende, kon de schenker
+geen ander bericht dienaangaande van de omstanders verkrijgen, dan
+dat de ridder door zekere welgekleede bedienden zorgvuldig opgenomen,
+op een draagbaar geplaatst, die aan eene dame onder de toeschouwers
+toebehoorde, en oogenblikkelijk uit het gedrang weggevoerd was. Na deze
+opheldering ontvangen te hebben, besloot Oswald tot zijn meester terug
+te keeren, om hem zelf verdere nasporingen te laten doen, terwijl
+hij Gurth, dien hij als overlooper uit Cedric's dienst beschouwde,
+medevoerde.
+
+De Sakser was in grooten angst over het lot van zijn zoon geweest;
+want de natuur had hare rechten, in weerwil van het stoïcisme,
+hetwelk die verloochenen wilde, gehandhaafd. Maar nauwelijks had hij
+vernomen dat Ivanhoe in goede handen was,--en waarschijnlijk in die
+van vrienden,--of de vaderlijke angst, door het onzekere van zijn
+lot opgewekt, week voor het gevoel van beleedigden hoogmoed, en voor
+de herinnering aan hetgeen hij Wilfrids kinderlijke ongehoorzaamheid
+noemde. "Men late hem aan zijn lot over," zei hij; "mogen diegenen
+zijne wonden genezen, voor wie hij ze ontvangen heeft. Hij is beter
+geschikt, om de dwaasheden der Normandische ridderschap na te volgen,
+dan om den roem en de eer zijner Saksische voorouders met het zwaard
+en den knots, de goede oude wapens van zijn vaderland, te handhaven."
+
+"Als het genoeg is," zei Rowena, die tegenwoordig was, "de eer zijner
+voorouders te handhaven, door wijs te zijn in raad, en moedig in
+de daad,--door de stoutste onder de stouten, en de edelste onder de
+edelen te zijn; dan ken ik niemand, behalve zijn vader"--
+
+"Stil, Rowena!--over dit onderwerp alleen, wil ik u niet
+aanhooren. Maak u gereed voor het feest van den Prins; wij zijn
+genoodigd met buitengewone bewijzen van eer en hoffelijkheid,--die de
+hooghartige Normandiërs, sedert den noodlottigen slag bij Hastings,
+zelden jegens ons geslacht bezigden. Ik zal gaan, al ware het slechts
+om de trotsche Normandiërs te toonen, hoe weinig het lot van een zoon,
+die de dappersten hunner kan verslaan, den Sakser kan aandoen."
+
+"Ik ga niet daarheen," zei Rowena; "en ik bid u neem u in acht, opdat,
+wat gij moed en standvastigheid noemt, u niet als ongevoeligheid van
+hart worde toegerekend."
+
+"Blijf dan te huis, ondankbare," antwoordde Cedric; "gij hebt een
+ongevoelig hart, dat het welzijn van een onderdrukt volk aan eene
+ijdele en onverstandige liefde kan opofferen. Ik wil mij bij den
+edelen Athelstane vervoegen, en met hem het gastmaal van Jan van
+Anjou bijwonen."
+
+Hij ging dus naar het feest, waarvan wij de voornaamste gebeurtenissen
+hebben vermeld. Zoodra zij het kasteel verlaten hadden, stegen
+de Saksische _Thanes_ met hun gevolg te paard en onder de drukte,
+die hiermede gepaard ging, viel Cedric's oog voor het eerst op den
+overlooper Gurth. De edele Sakser had, gelijk wij gezien hebben, in
+geen zeer zachte gemoedsstemming het feest verlaten, en het ontbrak hem
+slechts aan een voorwendsel, om zijn verdriet op iemand uit te storten.
+
+"De boeien!" riep hij uit, "de boeien!--Oswald!--Hundibert!--Honden
+en schurken! waarom laat gij den schelm ongeketend?"
+
+Gurths makkers bonden hem met een halster, het eerste, wat zij bij
+de hand hadden, zonder dat iemand het waagde een woord voor hem in te
+brengen. Hij onderwierp zich zonder tegenstand; maar een verwijtenden
+blik op zijn meester vestigende, zei hij: "Dat komt er van, dat ik
+uw vleesch en bloed liever heb dan het mijne."
+
+"Te paard en voorwaarts!" zei Cedric.
+
+"Het wordt waarlijk hoog tijd!" zei de edele Athelstane; "want indien
+wij niet vlug aanrijden, zullen de toebereidselen van den eerwaarden
+abt Waltheoff voor een na-avondmaaltijd [20] vergeefs zijn."
+
+Onze reizigers maakten echter zoo veel spoed, dat zij St. Withold's
+klooster bereikten, eer de gevreesde ramp plaats had. De abt, die
+zelf uit een oud Saksisch geslacht sproot, ontving den edelen Sakser
+met de gulle en kwistige gastvrijheid aan dit volk eigen, die hen
+tot laat in den nacht, of liever tot den vroegen morgen ophield,
+en zij namen zelfs toen geen afscheid van hun eerwaarden gastheer,
+voordat zij nog een prachtig ontbijt met hem gebruikt hadden.
+
+Juist toen de stoet de plaats van het klooster verliet, gebeurde
+er iets, dat de Saksers eenigszins verontrustte; want, onder alle
+Europeesche volken, waren zij het sterkste gehecht aan een bijgeloovig
+vertrouwen op voorteekens; en de meeste trekken van dien aard, die
+onder onze volks-oudheden overgebleven zijn, kunnen tot op hun tijd
+nagespoord worden; daar de Normandiërs, die een vermengd volk waren, en
+reeds in die tijden beter onderricht, vele der vooroordeelen afgelegd
+hadden, die hun voorouders uit Scandinavië hadden medegebracht,
+en dus ook beweerden, op dergelijke punten groote vrijgeesten te zijn.
+
+In het tegenwoordig geval werd de vrees voor eenig naderend gevaar
+ingeboezemd door een eerbiedwaardigen profeet in de gestalte van een
+grooten, mageren, zwarten hond, die op zijne achterpooten zittende,
+jammerlijk huilde, toen de eerste ruiters de poort uitreden, en
+vervolgens met woest geblaf heen en weer sprong, voornemens naar het
+scheen het gezelschap te volgen.
+
+"Die muziek behaagt mij niet, vader Cedric," zei Athelstane; want
+met dezen eeretitel was hij gewoon hem aan te spreken.
+
+"En mij even weinig, oom," zei Wamba, "ik vrees dat wij--"
+
+"Naar mijn oordeel," zei Athelstane, op wiens geheugen het goede
+bier van den abt een aangenamen indruk had gemaakt (want Burton was
+reeds beroemd voor dezen drank), "zouden wij beter doen, als wij
+terugkeerden, en tot den namiddag bij den abt bleven:--men reist
+ongelukkig, wanneer men zijn tocht vóór den volgenden maaltijd
+voortzet, indien men een monnik, een haas, of een huilenden hond
+heeft ontmoet."
+
+"Voorwaarts maar!" riep Cedric ongeduldig. "De dag is nu al te kort
+voor de reis. Wat den hond betreft, ik herken hem voor dien van
+den weggeloopen slaaf Gurth, een ondeugende vluchteling, evenals
+zijn meester."
+
+Dit zeggende, verhief hij zich in de stijgbeugels, en ongeduldig over
+het oponthoud, wierp hij zijn spies naar den armen Fangs;--want Fangs
+was het, die, zijn meester tot dusver op zijn tocht gevolgd hebbende,
+hem hier verloren had, en nu op zijne ruwe manier zijn blijdschap over
+zijn bijzijn te kennen gaf. De spies wondde het dier in den schouder
+en had het bijna aan den grond genageld. Fangs ontvluchtte huilende de
+tegenwoordigheid van den woedenden _Thane_. Gurths hart kromp ineen;
+want hij was gevoeliger over dezen voorgenomen moord van zijn getrouwen
+makker, dan over de wreede behandeling, die hij zelf ondergaan had. Na
+te vergeefs beproefd te hebben zijn hand aan de oogen te brengen,
+zei hij tot Wamba, die zoodra hij de slechte luim van zijn meester
+ontwaarde, zich voorzichtig bij de achterhoede gevoegd had: "Ik bid
+u, wees zoo goed en veeg mij de oogen af met de slip van uw mantel;
+het stof hindert mij, en deze banden veroorlooven mij niet mij zelven,
+op de eene of andere manier, te helpen."
+
+Wamba bewees hem den gevraagden dienst, en zij reden eenigen tijd naast
+elkander, terwijl Gurth een somber stilzwijgen bewaarde. Eindelijk
+kon hij zijn gevoeligheid niet langer onderdrukken.
+
+"Vriend Wamba," zei hij; "onder al degenen, die dwaas genoeg zijn
+om Cedric te dienen, kent gij alleen de kunst, om hem uw dwaasheid
+aangenaam te maken. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, dat Gurth hem
+niet langer wil dienen, noch uit liefde, noch uit vrees. Hij mag
+mij het hoofd afslaan,--hij mag mij laten geeselen,--hij mag mij met
+ketenen beladen;--maar, van heden af, zal hij mij nooit kunnen dwingen,
+hem te beminnen, of te gehoorzamen. Ga dus naar hem toe, en zeg hem,
+dat Gurth, de zoon van Beowolf, zijn dienst verzaakt."
+
+"Waarachtig," zei Wamba, "in weerwil van al mijne dwaasheid, zal ik
+uwe dwaze boodschap niet doen. Cedric heeft nog eene werpspies in
+den gordel, en gij weet, hij mist niet altijd het doel!"
+
+"Het is mij onverschillig," hernam Gurth, "hoe spoedig hij mij tot
+zijn doelwit verkiest te maken. Gisteren liet hij Wilfrid, mijn
+jongen meester, in zijn bloed liggen. Heden heeft hij gepoogd het
+éénige levend wezen, dat mij ooit vriendschap betoonde, voor mijn
+aangezicht te dooden. Bij St. Edmond, St. Dunstan, St. Withold,
+St. Eduard den Martelaar, en alle Saksische heiligen ter wereld,"
+(want Cedric zwoer nooit bij een heilige, die niet van Saksischen
+oorsprong was, en zijn geheele huisgezin volgde zijn voorbeeld):
+"ik vergeef het hem nooit!"
+
+"Naar het mij toescheen," zei de nar, die dikwijls als vredemaker in
+de familie handelde, "was het de bedoeling van onzen heer niet, om
+Fangs te raken, maar alleen om hem te verschrikken. Want, misschien
+hebt ge ook opgemerkt, dat hij zich in de stijgbeugels verhief omdat
+hij voornemens was over den hond heen te werpen; en dat zou hij ook
+gedaan hebben; maar, daar Fangs op hetzelfde oogenblik opsprong,
+kreeg hij een schram, die ik met niet meer pik, dan men op een duit
+leggen kan, aanneem dadelijk te genezen."
+
+"Dacht ik er maar zóó over," zeide Gurth;--"konde ik er slechts zóó
+over denken;--maar neen;--ik zag dat de spies wèl gemikt was;--ik
+hoorde ze door de lucht suizen, met al de vertoornde kwaadwilligheid
+van hem, die ze wierp, en ze trilde nadat ze in den grond geboord was,
+als uit nijd dat ze haar doel gemist had. Bij het varken, zoo dierbaar
+aan St. Anthonius, ik verzaak hem!"
+
+De verontwaardigde zwijnenhoeder verviel hierop weder in een norsch
+stilzwijgen, dat geene pogingen van den nar hem overhalen konden
+te verbreken.
+
+Intusschen spraken Cedric en Athelstane, de aanvoerders van den
+stoet, te zamen over den staat van het land, over de oneenigheden
+der koninklijke familie, over de veeten en twisten der Normandische
+edelen, en over de kans, die de onderdrukte Saksers hadden, om zich van
+het Normandische juk te bevrijden, of zich ten minste tot een staat
+van aanzien en onafhankelijkheid gedurende de burgeroorlogen, die
+waarschijnlijk zouden uitbreken, te verheffen. Bij de behandeling van
+dit onderwerp was Cedric vol vuur. De herstelling der onafhankelijkheid
+van zijn geslacht was de afgod van zijn hart, waaraan hij gaarne
+zijn geheel huiselijk geluk en de belangen van zijn eigen zoon
+opgeofferd had. Maar om deze omwenteling ten voordeele van de Britsche
+inboorlingen te bewerken, moest men noodzakelijk onderling vereenigd
+zijn, en onder één erkend opperhoofd handelen. De noodzakelijkheid om
+een opperhoofd uit het Saksische koninklijke huis te kiezen, was niet
+slechts in zich zelve duidelijk, maar was tevens als eene plechtige
+voorwaarde aangenomen door hen, aan wie Cedric zijn geheime plannen en
+zijne hoop had medegedeeld. Athelstane bekleedde ten minste dezen rang:
+en ofschoon hij weinig verstandelijke vermogens en talenten bezat,
+die hem als aanvoerder aanbevalen, had hij echter een indrukwekkend
+uiterlijk, was geen lafaard, aan krijgsoefeningen gewoon, en wel
+gezind, naar het scheen, om het oor te leenen aan raadgevers, die
+verstandiger waren dan hij zelf. Bovenal, kende men hem als mild en
+gastvrij, en men geloofde, dat hij ook zeer goedaardig was. Maar welke
+aanspraken Athelstane ook bezat, om als het hoofd van het Saksisch
+verbond te worden aangemerkt, waren echter velen dier natie geneigd,
+om het recht der Jonkvrouw Rowena boven het zijne te stellen; want zij
+stamde van Alfred af; haar vader was een opperhoofd geweest, wegens
+wijsheid, moed en zijn edel karakter beroemd, en zijne nagedachtenis
+werd door zijne onderdrukte landgenooten zeer vereerd.
+
+Het ware niet moeielijk voor Cedric geweest, indien hij het gewild
+had, om zich aan het hoofd eener derde partij te plaatsen, welke
+ten minste even geducht was, als ééne der beide anderen. Om tegen
+de koninklijke afkomst op te wegen, bezat hij moed, werkzaamheid,
+geestkracht, en bovenal een vurige verknochtheid aan de zaak,
+waardoor hij den eernaam van "_de Sakser_" verworven had, en wat
+geboorte betrof, behoefde hij op dat punt voor niemand onder te doen,
+dan voor Athelstane en zijne pupil. Deze edele hoedanigheden waren
+echter niet door den minsten zweem van baatzucht ontsierd; en, in
+plaats van zijne reeds zwakke natie nog meer te verdeelen, door eene
+partij voor zichzelven te vormen, was het Cedric's hoofddoel, de reeds
+bestaande partijen door een huwelijk tusschen Rowena en Athelstane te
+vereenigen. Er ontstond eene zwarigheid tegen dit, zijn geliefkoosd
+voornemen, in de wederkeerige liefde van zijne pupil en zijn zoon,
+en dit was de eerste aanleiding tot de verbanning van Wilfrid uit
+het vaderlijke huis geweest.
+
+Dezen gestrengen maatregel had Cedric genomen in de hoop, dat,
+gedurende Wilfrids afwezigheid, Rowena hare genegenheid zou
+vergeten; maar in deze hoop werd hij bedrogen, eene teleurstelling,
+die gedeeltelijk kon worden toegeschreven aan de wijze, waarop het
+meisje was opgevoed. Cedric, voor wien de naam van Alfred die eener
+godheid was, had de eenig overblijvende spruit van dien grooten vorst
+met een vereering behandeld, welke in die dagen nauwelijks aan eene
+erkende prinses betoond werd. Rowena's wil was, in bijna alle gevallen,
+een wet bij hem in huis geweest; en Cedric zelf, alsof hij besloten
+had, dat hare oppermacht, ten minste in dien kleinen kring, volkomen
+erkend zou worden, scheen er trotsch op te zijn, als de eerste harer
+onderdanen op te treden. Rowena, dus niet alleen aan een vrijen wil,
+maar ook aan een willekeurig gezag gewend, was door hare vroegere
+opvoeding geneigd iedere poging te weêrstaan, om hare neiging tegen
+te werken, of om tegen haren zin over hare hand te beschikken; en
+scheen besloten hare onafhankelijkheid te handhaven in een geval,
+waarin zelfs vrouwen, die aan gehoorzaamheid en onderwerping gewoon
+zijn, aan voogden en ouders zoo dikwerf hun gezag betwisten. Zij kwam
+rond voor de gevoelens uit, die ze zoo vurig koesterde, en Cedric,
+die zich niet kon vrij maken van zijn gewone inschikkelijkheid jegens
+haar, was verlegen, hoe hij zijn invloed als voogd zou doen gelden.
+
+Het was te vergeefs, dat hij beproefde haar te overreden door het
+vooruitzicht op een toekomstigen troon. Rowena, die veel gezond
+verstand bezat, beschouwde zijn plan noch als mogelijk, noch als
+wenschelijk, voor zoover ze er in betrokken was, al had het overigens
+ook tot stand kunnen gebracht worden. Zonder te trachten hare erkende
+liefde tot Wilfrid van Ivanhoe te verbergen, verklaarde zij, dat, al
+bleef haar beminde ridder van haar gescheiden, ze liever toevlucht
+in een klooster wilde nemen, dan een troon met Athelstane deelen,
+dien ze altijd veracht had, en nu oprecht begon te haten, wegens het
+verdriet, dat ze om zijnentwille moest uitstaan.
+
+In weerwil van dit alles volhardde Cedric, die geen hoog denkbeeld
+van vrouwelijke standvastigheid koesterde, in het beproeven van
+alle middelen, om het voorgenomen huwelijk, waardoor hij begreep
+een gewichtigen dienst aan de zaak der Saksers te doen, tot stand
+te brengen. De plotselinge, avontuurlijke verschijning van zijn
+zoon in het strijdperk te Ashby, had hij terecht beschouwd, als
+bijna den doodsteek voor zijne hoop. Zijn vaderlijke liefde had,
+wel is waar, voor één oogenblik de overhand gekregen op hoogmoed
+en vaderlandsliefde; maar beiden waren nu weder ontwaakt, en hij was
+voornemens eene beslissende poging tot de verbintenis van Athelstane en
+Rowena te doen, en tegelijk alle andere maatregelen te bevorderen, die
+noodzakelijk schenen, om de Saksische onafhankelijkheid te herstellen.
+
+Over dit laatste onderwerp sprak hij nu met Athelstane, van
+tijd tot tijd, even als Hotspur, het bejammerende, dat "zulk een
+schotel vol water en melk" tot zulk een eervol werk moest gebezigd
+worden. Athelstane was, wel is waar, ijdel genoeg, en liet gaarne
+zijne ooren streelen met verhalen van zijne hooge afkomst, en van
+zijn erfelijk recht op hulde en oppermacht. Maar zijne kleingeestige
+ijdelheid was voldaan, indien hij deze hulde van zijne onmiddellijke
+onderhoorigen en van de Saksers, die hem naderden, ontving. Al had
+hij ook den moed om het gevaar te trotseeren, zoo vreesde hij toch de
+moeite, om het te gaan opzoeken; en terwijl hij de algemeene stellingen
+van Cedric, omtrent de aanspraken der Saksers op onafhankelijkheid,
+toestemde, en nog meer overtuigd was van zijn eigen recht om hen
+te beheerschen, in geval ze deze onafhankelijkheid verwierven,
+bleef hij toch altijd, wanneer men over de middelen beraadslaagde
+om deze eischen te handhaven, "Athelstane de Besluitelooze,"--traag,
+aarzelend, dralend en weifelachtig. De vurige en driftige vermaningen
+van Cedric hadden even weinig uitwerking op zijn ongevoelig karakter,
+als gloeiende kogels, die in het water vallende, een weinig gedruisch
+en rook voortbrengen, en oogenblikkelijk uitgebluscht worden.
+
+Toen Cedric deze taak,--die veel op het aansporen van een vermoeid
+ros, of het smeden van koud ijzer geleek,--liet varen, en zich tot
+zijn pupil Rowena wendde, vond hij weinig meer voldoening in het
+onderhoud met haar; want, daar zijne tegenwoordigheid het gesprek
+afbrak tusschen de Jonkvrouw en haar vertrouwde over de dapperheid en
+het lot van Wilfrid, liet Elgitha niet na, hare meesteres en zich zelve
+te wreken, door over het bezwijken van Athelstane in het strijdperk
+te spreken, het onaangenaamste onderwerp, dat Cedric's ooren treffen
+kon. Voor dezen koppigen Sakser werd dus de reis op alle mogelijke
+wijze verbitterd; zoodat hij, meer dan eens, inwendig het toernooi,
+hem, die het ingesteld had, en zijne eigene dwaasheid, dat hij er
+heen gegaan was, verwenschte.
+
+Tegen den middag hielden de reizigers, op voorstel van Athelstane,
+bij een bron, in den lommer van het woud stil, om hunne paarden
+te laten rusten, en om zelve eenige ververschingen te gebruiken,
+waarmede de gastvrije abt een muilezel beladen had. Hun maaltijd
+duurde vrij lang, en deze verschillende oponthouden maakten het hun
+onmogelijk, Rotherwood te bereiken, zonder den geheelen nacht door te
+reizen;--eene omstandigheid, die hen aanspoorde om hun weg schielijker,
+dan tot dusver, voort te zetten.
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Een bende krijgsvolk, dat een eedle Jonkvrouwe
+ Bewaakt, gelijk ik daar vernomen heb,
+ Terwijl ik de achterhoede heimlijk volgde,
+ Is ginds in aantocht naar dit burgslot,
+ Om te overnachten.
+
+ Orra, een Treurspel.
+
+
+De reizigers hadden nu de grenzen van het woud bereikt, en waren op het
+punt zich in het dichtste gedeelte er van te begeven, dat op dien tijd
+voor gevaarlijk gehouden werd wegens het groote aantal vrijbuiters,
+welke onderdrukking en armoede tot wanhoop gedreven hadden, en die
+de bosschen in zulke groote benden bezetten, dat zij gemakkelijk de
+zwakke rustbewaarders van die dagen konden trotseeren. Tegen deze
+roovers echter rekenden Cedric en Athelstane zich bestand, in weerwil
+van het late uur, daar zij tien bedienden in hun gevolg hadden,
+behalve Wamba en Gurth, op wier hulp men geen staat kon maken, daar
+de één een nar en de andere een gevangene was. Men kan er bijvoegen,
+dat, zoo laat door het woud reizende, Cedric en Athelstane niet
+minder op hunne afkomst en hun naam steunden, dan op hun moed. De
+vogelvrij-verklaarden, die de gestrengheid der jachtwetten tot dit
+wanhopige rooversleven gebracht had, waren voornamelijk boeren en
+pachters van Saksischen stam, en men geloofde in het algemeen, dat
+zij de personen en het eigendom hunner landslieden eerbiedigden.
+
+Terwijl de reizigers hun weg voortzetten, werden zij door een herhaald
+geroep om hulp verschrikt; en naar de plaats rijdende, van waar het
+kwam, zagen zij, tot hunne verbazing, een draagkoets op den grond
+staan, waarnaast een jong meisje zat, dat rijk, op Joodsche wijze
+gekleed was, terwijl een oud man, wiens gele muts aanduidde, dat hij
+tot dezelfde natie behoorde, op en neder ging, met gebaren van de
+grootste wanhoop, en de handen wrong, alsof hem een groot ongeluk
+was overkomen.
+
+Op de vragen van Athelstane en Cedric kon de oude Jood gedurende
+eenigen tijd alleen antwoorden door de bescherming van alle aartsvaders
+van het Oude Testament, na elkander aan te roepen, tegen de zonen van
+Ismaël, die gekomen waren, om hem aan de scherpte van het zwaard over
+te leveren. Toen hij van zijn overmatigen schrik begon te herstellen,
+was Izaäk van York (want het was onze oude vriend), eindelijk in staat
+te vertellen, dat hij te Ashby eene lijfwacht van zes man gehuurd had,
+met muilezels, om de draagkoets van een zieken vriend te geleiden. Deze
+troep had aangenomen hem tot Doncaster te vergezellen. Zij waren tot
+zoover veilig gekomen; maar door een houthakker onderricht zijnde,
+dat er eene sterke bende vrijbuiters in het bosch vóór hen op de
+loer lag, hadden Izaäks huurlingen niet alleen de vlucht genomen,
+maar ook de ezels medegenomen, welke de draagkoets droegen, en den
+Jood en zijne dochter zonder middelen gelaten, om zich te verdedigen
+of om weg te komen, zoodat zij waarschijnlijk geplunderd en vermoord
+zouden worden door de bandieten, die, zooals ze verwachtten, ieder
+oogenblik op hen aanvallen zouden. "Zoo het den heeren ridders maar
+behaagde," voegde Izaäk er bij, op een toon van groote nederigheid,
+"den armen Joden te vergunnen, onder hunne vrijgeleide te reizen,
+zoo zweer ik bij de twaalf tafels onzer wet, dat er aan een kind van
+Israël sedert de dagen der ballingschap, nooit een gunst bewezen is,
+welke met meer dank beloond werd."
+
+"Hond van een Jood!" zei Athelstane, wiens geheugen van dien
+kleingeestigen aard was, dat het alle kleinigheden en vooral
+beuzelachtige beleedigingen onthield, "herinnert gij u niet, hoe gij
+ons in de galerij bij het toernooi getrotseerd hebt? Vecht of vlucht,
+of maak een overeenkomst met de vrijbuiters, zoo goed gij kunt;--vraag
+ons niet om gezelschap of hulp; en indien zij alleen zulke menschen
+berooven, als gij zijt, die de geheele wereld bestelen, dan zal ik
+hen voor zeer eerlijke lieden houden."
+
+Cedric stemde niet in met het harde oordeel van zijn makker. "Wij
+zullen beter doen," zei hij, "met hun twee van onze bedienden en
+een paar paarden te geven, om hen naar het naaste dorp terug te
+brengen. Dat zal onze macht slechts weinig verzwakken; en met uw goed
+zwaard, edele Athelstane, en met behulp van de overblijvenden, zal
+het ons licht vallen, twintig van deze landloopers de spits te bieden."
+
+Rowena, eenigszins verontrust, toen ze hoorde, dat er een zoo groot
+getal vrijbuiters in de nabijheid was, ondersteunde met kracht het
+voorstel van haar voogd. Maar Rebekka, plotseling de plaats, waar
+ze zat, verlatende, en zich een weg door het gevolg heen naar het
+paard der Saksische dame banende, knielde neder, en kuste, volgens
+de Oostersche gewoonte, als men zijn meerderen aanspreekt, de slip
+van Rowena's gewaad. Toen opstaande, en haar sluier terugslaande,
+smeekte zij haar, in den naam van dien grooten God, welken zij
+beiden aanbaden, en bij de openbaring van die wet, aan welke ze
+beiden geloofden, medelijden met hen te hebben, en hun te vergunnen,
+onder hun geleide verder te reizen. "Het is niet voor mij zelve,
+dat ik deze gunst verzoek," zei Rebekka; "en niet eens voor dezen
+armen grijsaard. Ik weet, dat het bij de Christenen eene geringe
+misdaad, zoo niet eene verdienste is, om ons volk te onderdrukken
+en te plunderen; en wat kan het ons schelen, of het in de stad,
+in de woestijn, of in het veld gebeurt? Maar het is in den naam
+van iemand, die dierbaar is aan velen, en zelfs dierbaar aan u,
+dat ik u smeek, om dezen zieke met zorg en oplettendheid onder uwe
+bescherming te laten vervoeren. Want, zoo hem eenig ongeluk overkwam,
+zou het laatste oogenblik van uw leven nog verbitterd worden, door
+het berouw van mij mijne bede geweigerd te hebben."
+
+De edele en plechtige houding, waarmede Rebekka dit verzoek deed,
+gaf er dubbel gewicht aan bij de Saksische schoone.
+
+"De man is oud en zwak," zei zij tot haar voogd, "het meisje is
+jong en schoon; hun vriend ziek en in levensgevaar; hoewel het Joden
+zijn, kunnen wij, als Christenen, hen in dezen uitersten nood niet
+verlaten. Men moet twee pakezels ontladen, en de bagaadje aan twee der
+lijfeigenen geven. De muilezels kunnen voor de draagkoets geplaatst
+worden, en wij hebben paarden voor den grijsaard en zijne dochter."
+
+Cedric stemde gereedelijk in haar voorstel toe, en Athelstane voegde
+er slechts de woorden bij: "Dat zij bij de achterhoede moesten reizen,
+waar Wamba hen met zijn schild van hout kon beschermen."
+
+"Ik heb mijn schild op het toernooiveld verloren," hervatte de nar,
+"evenals menig ander en beter ridder dan ik."
+
+Athelstane werd vuurrood, want dit was het geval met hem geweest op den
+laatsten dag van het toernooi, terwijl Rowena, aan wie deze spotternij
+goed beviel, en als het ware om de lompe scherts van haar ongevoeligen
+minnaar weder goed te maken, Rebekka verzocht, naast haar te rijden.
+
+"Dat zou mij niet passen," antwoordde Rebekka met trotsche nederigheid,
+"daar mijn gezelschap mijne beschermster tot schande zou kunnen
+aangerekend worden."
+
+Intusschen was de bagaadje reeds overgepakt, want het bloote woord
+"vrijbuiters" maakte iedereen bijzonder vlug, en het naderen der
+schemering vermeerderde nog den schrik. Onder het gewoel werd Gurth
+van het paard genomen, en hij verzocht den nar hem een weinig losser
+te binden. Het touw werd, misschien voorbedacht, zoo slecht door
+Wamba weder vastgemaakt, dat Gurth er geen zwarigheid in vond, om
+zijn armen geheel vrij te maken, en hierop in het bosch sluipende,
+ontsnapte hij uit het gezelschap.
+
+De drukte was groot geweest, en het duurde eenigen tijd eer Gurth
+gemist werd; want daar hij, gedurende het overige van de reis,
+achter een knecht zou rijden, veronderstelde ieder, dat een of ander
+zijner makkers hem in bewaring had, en toen zij eindelijk elkander
+toefluisterden, dat Gurth wezenlijk verdwenen was, waren zij in de
+verwachting van zoo spoedig door de roovers aangevallen te worden,
+dat men niet veel acht sloeg op dit voorval.
+
+Het pad, waarlangs de troep voortreisde, was thans zoo smal, dat er
+niet veel meer dan twee ruiters naast elkander konden rijden, en het
+daalde in een nauw dal neder, dat van een beek doorsneden werd, wier
+oevers afgespoeld, moerassig, en met kleine wilgenboomen bewassen
+waren. Cedric en Athelstane, die aan het hoofd van den stoet waren,
+begrepen, hoe groot het gevaar was, als zij in dezen nauwen pas
+aangevallen werden; maar daar geen van beiden veel ervaring in den
+oorlog had, kenden zij geen beter middel om het gevaar te voorkomen,
+dan zoo schielijk mogelijk voort te rijden. Daarom, zonder veel orde
+voorwaarts trekkende, waren zij juist met een gedeelte van hun gevolg
+over de beek gegaan, toen zij tegelijk van voren, van achteren en
+van beide zijden, met een geweld aangevallen werden, waaraan zij in
+hun verwarden en slecht voorbereiden toestand onmogelijk krachtigen
+weerstand konden bieden. Het geroep van: "Een witte draak!--Een
+witte draak! Sint Georg en oud Engeland!" een krijgsgeschreeuw door
+de aanvallers aangenomen, als behoorende tot hun aangenomen karakter
+van Saksische vogelvrij verklaarden, werd van alle kanten gehoord,
+en van alle kanten verschenen vijanden met eene snelheid, welke hun
+getal scheen te vermenigvuldigen.
+
+De beide Saksische opperhoofden werden op hetzelfde oogenblik gevangen
+gemaakt, en ieder onder omstandigheden, die volkomen met zijn karakter
+overeenstemden. Cedric wierp, zoodra een vijand verscheen, zijn nog
+overgebleven werpspies op hem, welke, een krachtigere uitwerking
+hebbende, dan die, welke hij op Fangs gericht had, den man tegen een
+eikenboom, die toevallig achter hem stond, vastprikte. Tot zoover
+gelukkig, spoorde Cedric zijn paard, tegen een tweeden vijand, terwijl
+hij zijn zwaard trok, en met zulke onbedachtzame woede toesloeg,
+dat zijn kling in een dikken, boven hem hangenden tak zitten bleef,
+zoodat hij door het geweld van zijn eigen slag ontwapend werd. Hij
+werd dus dadelijk gevangen genomen, en van zijn paard getrokken door
+eenige bandieten, die zich om hem heen drongen. Athelstane deelde
+zijn gevangenschap, daar men de teugels uit zijn hand gerukt had,
+en hij met geweld van zijn paard gesleept was, lang voordat hij zijn
+zwaard kon trekken, of eenigen krachtdadigen tegenstand bieden. De
+bedienden, belemmerd door de bagaadje, en verrast en verschrikt door
+het lot hunner meesters, werden een gemakkelijke prooi der aanvallers,
+terwijl Rowena, in het midden van het gezelschap, en de Jood en zijn
+dochter in de achterhoede, hetzelfde lot ondervonden.
+
+Van den geheelen stoet ontsnapte niemand dan Wamba, die bij deze
+gelegenheid veel meer moed betoonde, dan zij, die aanspraak maakten op
+een grooter verstand. Hij greep een zwaard, dat aan een der bedienden
+behoorde, die het juist met een trage en besluitelooze hand uittrekken
+wilde, sloeg om zich heen als een leeuw, dreef verscheidenen terug, die
+hem te nabij kwamen, en deed een dappere, schoon vruchtelooze poging,
+om zijn meester te redden. Zich overmand ziende, wierp de nar zich
+eindelijk van het paard, drong in het dichte bosch, en ontsnapte,
+door de algemeene verwarring begunstigd, van het tooneel van het
+gevecht. Evenwel weifelde de dappere nar, zoodra hij zich in veiligheid
+bevond, een tijdlang, of hij niet zou terugkeeren en de gevangenschap
+van een meester deelen, aan wien hij hartelijk verkleefd was.
+
+"Ik heb de menschen van de zegeningen der vrijheid hooren spreken,"
+zei hij bij zich zelven; "maar ik wenschte wel, dat de een of ander
+verstandig man mij wilde onderrichten, wat gebruik ik er van maken
+moet, nu ik ze bezit."
+
+Terwijl hij deze woorden luide uitsprak, riep een stem zeer dicht
+bij hem, op zachten en voorzichtigen toon: "Wamba!" en te gelijker
+tijd sprong een hond, in welken hij Fangs herkende, tegen hem op en
+liefkoosde hem. "Gurth!" antwoordde Wamba met dezelfde voorzichtigheid,
+en in denzelfden oogenblik stond de zwijnenhoeder voor hem.
+
+"Wat is er te doen?" vroeg hij angstig; "wat beduidt dat geschreeuw
+en dat zwaardgekletter?"
+
+"'t Is niets ongewoons in onze tijden," hernam Wamba; "ze zijn allen
+gevangen."
+
+"Wie is gevangen?" riep Gurth ongeduldig.
+
+"Onze heer, en de Jonkvrouw, en Athelstane, en Hundebert, en Oswald."
+
+"In 's hemels naam!" zei Gurth, "hoe zijn ze gevangen geraakt?--En
+in wiens handen?"
+
+"Onze meester was al te gereed om te vechten," zei de nar; "en
+Athelstane was niet gereed genoeg, en de anderen waren in het geheel
+niet gereed. Ze zijn gevangen genomen door menschen in groene rokken,
+met zwarte maskers. En ze liggen nu allen op het gras, evenals de wilde
+appels, die gij voor uw zwijnen afschudt. En ik zou er om lachen,"
+zei de eerlijke nar, "als ik maar kon, in plaats van te schreien." En
+daarbij stortte hij tranen van ongeveinsde droefheid.
+
+Gurth's gelaat gloeide.--"Wamba," zei hij, "gij hebt een wapen, en
+uw moed was altijd grooter, dan uw verstand;--wij zijn maar met ons
+beiden, maar een onverwachte aanval van kloekmoedige mannen kan veel
+afdoen:--volg mij!"
+
+"Waarheen?--en wat wilt ge?" vroeg de nar.
+
+"Cedric bevrijden!"
+
+"Maar gij hebt u eerst eenige oogenblikken geleden aan zijn dienst
+onttrokken," zei Wamba.
+
+"Dat was maar," antwoordde Gurth, "zoo lang hij gelukkig was:--volg
+mij."
+
+Toen de nar op het punt was van te gehoorzamen, verscheen er eensklaps
+een derde, die aan beiden beval te blijven staan. Naar zijn kleeding
+en wapenen zou Wamba hem voor een der roovers gehouden hebben, die
+zoo even zijn meester aangevallen hadden; maar behalve dat hij geen
+masker droeg, deed de glinsterende draagband over zijn schouders,
+aan welke een schoone jachthoorn hing, zoowel als de kalme en
+gebiedende uitdrukking zijner stem en gebaren, hem, in weerwil van
+het schemerlicht, erkennen als Locksley, den schutter, die onder
+zulke ongunstige omstandigheden, den prijs bij het boogschieten
+weggedragen had.
+
+"Wat beduidt dit alles?" vroeg hij. "Wie plundert, rooft en maakt
+gevangenen in dit woud?"
+
+"Gij kunt ze hier dichtbij aan hunne rokken herkennen," zei Wamba,
+"en zien, of het uwer kinderen kleêren zijn, of niet.--Want ze gelijken
+op de uwen even sterk, als het eene ei op het andere."
+
+"Ik zal het dadelijk onderzoeken," antwoordde Locksley; "en ik beveel
+u, om uw leven, geen voet van de plaats te verzetten, eer ik terug
+kom. Gehoorzaamt mij, en het zal des te beter zijn voor u en uw
+meesters.--Maar wacht, ik moet er zooveel mogelijk, als een dezer
+mannen uitzien."
+
+Dit zeggende, nam hij den draagband met den jachthoorn af, nam de
+pluim van zijn muts, en gaf ze aan Wamba te bewaren: daarop haalde
+hij een masker uit den zak en, zijn bevel om stil te staan herhalende,
+ging hij heen, om zijne verkenning te doen.
+
+"Zullen wij blijven staan, Gurth?" vroeg Wamba, "of hem den
+rug toekeeren? Naar mijn onnoozel begrip, had hij al te veel
+dievengereedschappen bij de hand, om een eerlijk man te zijn."
+
+"En al ware hij de duivel in eigen persoon," antwoordde Gurth, "wij
+verliezen niets door op hem te wachten. Als hij tot dien hoop behoort,
+heeft hij hun reeds een teeken gegeven, en vluchten noch vechten zal
+ons meer baten. Buitendien heb ik sedert kort ondervonden, dat de
+grootste dieven niet altijd de slechtste menschen zijn, met wie men
+te doen heeft."
+
+De schutter kwam binnen weinige minuten terug. "Vriend Gurth," zei
+hij, "ik heb mij onder die kerels gemengd, en vernomen, aan wien zij
+behooren, en waar hun reis heen gaat. Er is, dunkt mij, geen gevaar,
+dat zij hun gevangenen dadelijk eenig geweld aandoen. Het zou een
+dwaasheid van ons zijn, zoo wij hen met ons drieën aanvallen wilden;
+want het zijn ervarene krijgslieden, en zij hebben dus wachten
+uitgezet, om hen te waarschuwen, zoodra iemand nadert. Maar ik
+vertrouw, dat ik weldra zulk eene macht bijeen zal brengen, dat ik
+al hunne voorzorgen kan verijdelen; gij zijt beide dienaars, en,
+naar ik meen, trouwe dienaars van Cedric den Sakser, den beschermer
+van de rechten der Engelschen. Het zal hem niet aan Engelsche handen
+ontbreken in dezen nood. Gaat dan met mij, om meer hulp te zoeken."
+
+Dit zeggende, stapte hij met rassche schreden door het woud, gevolgd
+door den nar en den zwijnenhoeder. Het was onmogelijk voor Wamba,
+om lang te zwijgen.
+
+"Mij dunkt," zei hij, naar den draagband en den hoorn, welke hij nog
+altijd droeg, ziende, "dat ik den pijl heb zien afschieten, welke dezen
+schoonen prijs gewonnen heeft, en dat is nog niet zoo lang geleden,
+als Kerstmis."
+
+"En ik," zei Gurth, "zou er op willen zweren, dat ik de stem van den
+dapperen schutter, die dien gewonnen heeft, zoo wel bij nacht als bij
+dag gehoord heb, en dat de maan, sedert ik die vernam, nog geen drie
+dagen ouder is geworden.
+
+"Mijn vrienden," hervatte de schutter, "wie, of wat ik ben, kan thans
+weinig schelen; zoo ik uw meester bevrijd, zult gij redenen hebben, mij
+voor den besten vriend te houden, dien gij ooit in uw leven hadt. En
+of ik onder dezen of genen naam bekend ben,--en of ik een boog even
+goed, of beter dan een koeherder kan afschieten,--en of ik verkies
+in den zonneschijn of bij maanlicht te wandelen,--dit zijn dingen,
+aan welke gij u niet behoeft te storen, daar zij u niet raken."
+
+"Onze hoofden zijn in des leeuwen muil," fluisterde Wamba Gurth toe,
+"laten wij ze er uittrekken, als wij kunnen."
+
+"Stil," zei Gurth; "wees stil; beleedig hem niet door uw gekheden,
+en ik vertrouw er vast op, dat alles goed zal gaan."
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Als in den herfstnacht koud en lang,
+ Zijn eenzaam pad verduistert,
+ 't Is naar des kluiz'naars lofgezang,
+ Dat liefst de pelgrim luistert.
+
+ Het lied verheft het vroom gemoed,
+ De vroomheid geeft de hymne gloed;
+ Zij stijgen onder 't loven,
+ Gelijk de vogel 't zonlicht groet,
+ Al zingend' zaam naar boven.
+
+ de kluizenaar van St. Clements bron.
+
+
+Eerst na drie uren wandelens was het, dat de volgelingen van Cedric,
+met hun geheimzinnigen leidsman, eene kleine opening in het woud
+bereikten, in wier midden een eik van ontzachelijke grootte groeide,
+welke de kromme takken naar alle kanten uitspreidde. Onder dezen boom
+lagen vier of vijf schutters op den grond uitgestrekt, terwijl een
+ander, als schildwacht, in den maneschijn heen en weder ging. Zoodra
+deze de naderende voetstappen hoorde, gaf hij een teeken, en de slapers
+sprongen dadelijk op en spanden hun bogen. Zes pijlen werden gericht
+naar den kant, van waar de reizigers kwamen, tot hun geleider, herkend
+zijnde, met alle blijken van achting en liefde verwelkomd werd, en
+alle teekens van en alle vrees voor een vijandige ontvangst verdwenen.
+
+"Waar is de Molenaar?" was zijn eerste vraag.
+
+"Op weg naar Rotherham."
+
+"Met hoeveel man?" vroeg de aanvoerder, want dat scheen hij te zijn.
+
+"Met zes man, en goede hoop op buit, als het St. Nicolaas behaagt."
+
+"Vroom gesproken," zei Locksley; "en waar is Allen-a-Dale?"
+
+"Op weg naar Watling, om op den Prior van Jorvaulx te wachten."
+
+"Ook goed," hernam de kapitein.
+
+"En waar is de monnik?"
+
+"In zijn cel."
+
+"Daar ga ik heen," zei Locksley. "Verstrooit u en zoekt uwe
+makkers op. Verzamelt een zoo groote macht mogelijk; want er is
+wild opgespoord, dat hard vervolgd moet worden en dat zich krachtig
+verdedigen zal. Komt tegen het aanbreken van den dag hier bij mij
+terug. Wacht," voegde hij er bij; "ik heb het noodzakelijkste van
+alles vergeten; twee van u moeten spoedig den weg naar Torquilstone,
+het kasteel van Front-de-Boeuf, inslaan. Eene bende schurken,
+die zich in eene kleeding, als de onze, vermomd hebben, brengen er
+een hoop gevangenen heen.--Slaat hen nauwkeurig gade; want zelfs,
+al bereikten zij het kasteel, vóór dat wij onze macht bijéénhebben,
+is onze eer er toch in betrokken, om hen te bestraffen, en wij zullen
+een middel vinden, om dat te doen.--Houdt hen dus goed in het oog;
+en zendt één uwer makkers, den besten looper, om aan de landlieden
+in de buurt bericht er van te brengen."
+
+Zij beloofden stipte gehoorzaamheid, en vertrokken oogenblikkelijk, om
+hunne verschillende boodschappen te verrichten. Intusschen vervolgde
+hun aanvoerder met zijn twee metgezellen, die hem nu met grooten
+eerbied, zoowel als met eenige vrees beschouwden, hun weg naar de
+kapel van Copmanshurst.
+
+Toen zij de vrije, door de maan verlichte plaats in het bosch bereikt,
+en de eerbiedwekkende, schoon vervallen kapel, en de ruwe kluis,
+die zoo goed voor de zelfverloochenende vroomheid geschikt was, vóór
+zich hadden, fluisterde Wamba Gurth toe: "Als dit de woning van een
+dief is, dan wordt het oude spreekwoord bevestigd: hoe dichter bij
+de kerk hoe verder van God.--En bij mijn zotskap," voegde hij er
+bij, "ik geloof, dat het wezenlijk zóó is;--luister maar naar den
+wonderlijken _Sanctus_, welken zij in de kluis zingen!"
+
+Wezenlijk zongen de kluizenaar en zijn gast, met alle kracht van hun
+sterke longen, een oud drinklied, waarvan dit het slot was:
+
+
+ Kom, reik mij 't bruine bier terstond,
+ Blijde jongen, blijde jongen!
+ Kom, reik mij 't bruine bier terstond,
+ Ha! lustig jongen! 'k tart een' schelm in 't drinken.
+ Kom, reik mij 't bruine bier terstond!
+
+
+"Wel, dat is niet kwaad," zei Wamba, die in koor mede gezongen
+had. "Maar bij alle heiligen, wie zou ooit verwacht hebben, zulk een
+vroolijk gezang, te middernacht, uit eene kluis te hooren dreunen?"
+
+"Wel, dat zou ik voorzeker verwachten," antwoordde Gurth; "want de
+vroolijke monnik van Copmanshurst is bekend, en doodt de helft van het
+wild, dat in dit bosch gestolen wordt. Men zegt, dat de boschwachter
+bij den abt over hem geklaagd heeft, en dat hem zijn monnikskleed
+zal uitgetrokken worden, als hij zich niet beter gedraagt."
+
+Terwijl zij dus spraken, had Locksley's herhaald geklop ten laatste
+den kluizenaar en zijn gast gestoord. "Bij mijn rozenkrans," riep de
+heremiet, midden in het gezang ophoudende, "hier komen meer gasten,
+die door den nacht overvallen zijn. Ik wilde niet, om mijn kap, dat
+ze mij bij deze vrome bezigheid vonden. Iedereen heeft zijn vijanden,
+goede heer Luiaard; en er zijn er, die boosaardig genoeg zijn, om de
+gastvrije verversching, welke ik u, een vermoeiden reiziger, gedurende
+een paar uurtjes, aangeboden heb, ronduit dronkenschap en zwelgerij te
+noemen; ondeugden, even vreemd aan mijn beroep als aan mijn karakter."
+
+"Lage lasteraars!" hernam de ridder; "ik wilde, dat ik hen kastijden
+mocht. Niettemin is het waar, heilige man, dat iedereen zijne vijanden
+heeft; en er zijn er in dit land, die ik liever door het vizier van
+mijn helm, dan met ontbloot gezicht spreken wilde."
+
+"Zet dan uw ijzeren pot op het hoofd, vriend Luiaard, zoo schielijk
+als uw aard zulks toelaat," zei de kluizenaar, "terwijl ik deze
+flesschen weg zet, welker inhoud in mijne hersenen spookt; en om het
+gekletter te verdooven,--want, op mijn woord, ik gevoel, dat ik een
+weinig wankel,--stem in met het gezang, dat gij mij hoort zingen;--op
+de woorden komt het niet aan, ik ken ze zelf nauwelijks."
+
+Dit zeggende, hief hij een donderend _de profundis clamavi_ aan,
+en ruimde hun maaltijd weg; terwijl de ridder hartelijk lachende,
+zich intusschen wapende, en zijn gastheer van tijd tot tijd met zijne
+stem ondersteunde, als zijn gelach het toeliet.
+
+"Wat voor duivelsmetten worden hier op dit uur gezongen?" riep een
+stem van buiten.
+
+"De hemel vergeve het u, heer reiziger!" zei de heremiet, wien het
+gedruisch, dat hij zelf maakte, en misschien zijn drinken, belette,
+een stem te herkennen, die hem anders vrij wel bekend was; "vervolg
+uw weg, in God en St. Dunstan's naam, en stoor mij en mijn vromen
+broeder niet in onze aandacht."
+
+"Dolle priester," antwoordde de stem van buiten, "doe open voor
+Locksley."
+
+"Alles is veilig,--alles is in orde!" zei de kluizenaar tot zijn
+metgezel.
+
+"Maar wie is het?" vroeg de Zwarte Ridder. "Er is mij veel aan gelegen,
+dit te weten."
+
+"Wie of het is!" antwoordde de kluizenaar. "Ik zeg u, dat het een
+vriend is!"
+
+"Maar wat voor een vriend?" antwoordde de ridder. "Want hij kan uw
+vriend zijn, en toch in het geheel niet de mijne."
+
+"Wat voor een vriend?" hernam de monnik; "dat is een vraag, die
+lichter te doen, dan te beantwoorden is. Wat voor een vriend?--Wel,
+hij is, nu schiet het mij te binnen, juist die eerlijke boschwachter,
+van welken ik u straks gesproken heb."
+
+"Wel ja, een even eerlijke boschwachter, als gij een vroom kluizenaar
+zijt!" hervatte de ridder; "daar twijfel ik niet aan. Maar doe hem
+de deur open, vóórdat hij ze uit de hengels slaat."
+
+De honden, welke in het begin geweldig geblaft hadden, schenen nu
+de stem van hem, die buiten stond, te herkennen; want, geheel van
+houding veranderende, krabden en jankten zij aan de deur, alsof om
+zijn toelating te smeeken. De heremiet opende schielijk de deur,
+en liet Locksley met zijn twee metgezellen binnen.
+
+"Wel heremiet," was des schutters eerste vraag, zoodra hij den ridder
+zag: "Welken lustigen broeder hebt gij daar?"
+
+"Een broeder van onze orde," hernam de monnik, het hoofd
+schuddende. "Wij hebben den geheelen nacht door gebeden."
+
+"Hij is een monnik van de strijdende kerk, denk ik," antwoordde
+Locksley; "er dolen velen van dien aard door het land. Ik zeg u,
+monnik, gij moet den rozenkrans afleggen, en den knots opnemen; wij
+hebben alle onze brave makkers noodig, geestelijken, of leeken. Maar,"
+voegde hij er bij, hem even ter zijde nemende, "zijt gij gek?--Een
+ridder binnen te laten, dien gij niet kent! Hebt gij onze overeenkomst
+vergeten?"
+
+"Hem niet kennen!" antwoordde de monnik stout; "ik ken hem even goed,
+als de bedelaar zijn schotel kent."
+
+"En hoe heet hij dan?" vroeg Locksley.
+
+"Hoe hij heet?" zei de heremiet; "wel!--het is de ridder Anthonius
+van Scrablestone,--alsof ik met een mensch zou willen drinken, zonder
+zijn naam te weten!"
+
+"Gij hebt meer dan genoeg gedronken," zei de schutter, "en ik vrees,
+ook meer dan genoeg gebabbeld."
+
+"Vriend," zei de ridder, vóórtredende, "wees niet boos op mijn
+vroolijken gastheer. Hij heeft mij slechts de gastvrijheid geschonken,
+welke ik hem zou afgedwongen hebben, zoo hij ze geweigerd had."
+
+"Gij mij dwingen!" riep de monnik; "wacht maar, tot ik dit grijs
+monnikskleed tegen een groen buis verruild heb, en als ik u niet met
+mijn knuppel een tik op het hoofd geef, dan ben ik noch een echte
+monnik, noch een goed jager."
+
+Dit zeggende, trok hij zijn monnikskleed uit, en verscheen in een nauw
+zwart linnen wambuis en broek, waarover hij spoedig een groenen rok en
+broek aantrok. "Ik bid u, maak de strikken vast," zei hij tegen Wamba,
+"en gij zult een glas wijn ter belooning hebben."
+
+"Ik heb niets tegen den wijn," antwoordde Wamba; "maar denkt gij, dat
+het geen gewetenszaak voor mij is, de hand te leenen om een heiligen
+heremiet in een zondigen jager te veranderen?"
+
+"Vrees niets," zei de kluizenaar, "ik behoef de zonden van mijn
+groenen rok slechts aan mijn grijs monnikskleed te biechten, en alles
+is weer goed."
+
+"Amen!" hervatte de nar: "Een in fijn laken gekleed boeteling moet
+een in grof linnen gekleeden biechtvader hebben, en uw monnikskleed
+kan mijn bonte pak op den koop toe de absolutie geven."
+
+Intusschen had Wamba den monnik geholpen, om de talrijke banden vast
+te maken, waarmede de broek aan het wambuis gebonden werd.
+
+Terwijl ze dus bezig waren, nam Locksley den ridder een weinig ter
+zijde, en sprak hem dus aan: "Ontken het niet, heer ridder; gij zijt
+het die op den tweeden dag van het toernooi te Ashby, de overwinning
+der Engelschen tegen de vreemdelingen beslist hebt."
+
+"En wat volgt daaruit, zoo uw gissing gegrond is, vriend?" hernam
+de ridder.
+
+"Ik houd u dan voor een vriend van de zwakken!" hernam de schutter.
+
+"Dat te zijn is ten minste de plicht van een goed ridder," antwoordde
+de zwarte kampvechter, "en ik zou niet gaarne willen, dat er redenen
+waren, om anders van mij te denken."
+
+"Maar om mij te helpen," zei de andere, "moet gij een even goed
+Engelschman, als ridder zijn: want hetgeen ik te zeggen heb, betreft,
+wel is waar, den plicht van ieder eerlijk man, maar meer bijzonder
+dien van een rechtgeaarden inboorling van Engeland."
+
+"Gij kunt tot niemand spreken," hervatte de ridder, "wien Engeland,
+en het leven van ieder Engelschman, dierbaarder kan zijn dan mij."
+
+"Ik wil het gaarne gelooven," zei de jager, "want nooit heeft dit land
+meer noodig gehad, om door diegenen ondersteund te worden, die het
+liefhebben. Hoor naar mij, en ik zal u eene onderneming openbaren,
+in welke gij, zoo gij wezenlijk zijt, wat gij schijnt, een eervol
+deel kunt nemen. Eene bende booswichten, verkleed als betere menschen,
+dan zij zelve zijn, hebben een edelen Engelschman, Cedric, de Sakser
+genaamd, met zijn dochter en zijn vriend, Athelstane van Coningsburgh,
+gevangen genomen, en hen naar een kasteel in dit woud, Torquilstone
+genoemd, gevoerd. Ik vraag u, als goeden ridder en echten Engelschman,
+wilt gij hen helpen bevrijden?"
+
+"Ik ben door mijn gelofte verplicht dat te doen," hernam de ridder,
+"maar ik wilde gaarne weten, wie gij zijt, die mijne hulp ten hunnen
+behoeve inroept?"
+
+"Ik ben," zei de jager, "een onbekend man; maar ik ben de vriend van
+mijn vaderland, en van de vrienden er van.--Met dit bericht moet
+gij u voor het tegenwoordige tevreden stellen, te meer, daar gij
+zelf wenscht onbekend te blijven.--Geloof echter, dat mijn woord,
+als ik het geef, even veilig is, alsof ik gouden sporen droeg."
+
+"Ik geloof het gaarne," zei de ridder, "ik ben gewoon op het gelaat der
+menschen te lezen, en ik kan op het uwe eerlijkheid en moed zien. Ik
+zal u dus verder geene vragen doen, maar u helpen, om die onderdrukte
+gevangenen in vrijheid te stellen, en als dit volbracht is, vertrouw
+ik, dat wij beter bekend en weltevreden van elkander zullen scheiden."
+
+"Dus," zei Wamba tegen Gurth,--want daar de monnik nu geheel toegerust
+was, had de nar, die naar den anderen kant der hut gekomen was,
+het einde van het gesprek gehoord,--"dus hebben wij een nieuwen
+bondgenoot gekregen. Ik vertrouw, dat de dapperheid van den ridder
+van beteren aard zal zijn, dan de godsdienst van den heremiet, of
+de eerlijkheid van den schutter; want deze Locksley ziet er uit,
+als een geboren wilddief, en de priester, als een listige huichelaar."
+
+"Houd u stil, Wamba," zei Gurth, "het kan zijn, zooals gij
+vermoedt;--maar al kwam de gehoornde duivel in eigen persoon, en bood
+mij zijn bijstand aan, om Cedric en Jonkvrouw Rowena te bevrijden,
+dan vrees ik, nauwelijks vroom genoeg te zijn, om het aanbod af te
+slaan, en hem te verzoeken zich weg te pakken."
+
+De monnik was nu geheel toegerust, met zwaard en schild, boog en
+pijlkoker, en een zware strijdbijl op de schouders. Hij verliet zijn
+cel aan het hoofd van de bende, en na de deur zorgvuldig gesloten te
+hebben, legde hij den sleutel onder den drempel.
+
+"Zijt gij in staat, om goeden dienst te doen, monnik," vroeg Locksley,
+"of is de wijn u in het hoofd gestegen?"
+
+"Niet meer, dan één slok uit St. Dunstans bron verdrijven zal,"
+antwoordde de priester, "het suist mij een weinig in de ooren,
+en mijn beenen wankelen iets; maar gij zult zien, dat dit alles
+dadelijk overgaat."
+
+Dit zeggende, ging hij naar het steenen bekken, waarin het water van
+de fontein onder het vallen bellen vormde, die in het witte maanlicht
+dansten, en hij nam een zoo geweldige teug, alsof hij de bron had
+willen ledigen.
+
+"Wanneer hebt gij meer zulk eene groote teug water gedronken, heilige
+monnik van Copmanshurst?" vroeg de Zwarte Ridder.
+
+"Niet sedert mijn wijnvat lekte, en de drank door een verkeerde
+opening er uit liep, en mij niets overbleef, dan de bron van mijn
+beschermheilige hier!" hervatte de monnik.
+
+Hierop handen en hoofd in de fontein dompelende, wiesch hij er alle
+teekenen van den nachtelijken roes af.
+
+Aldus ververscht en ontnuchterd, zwaaide de vroolijke priester zijn
+zware strijdbijl met drie vingers rondom het hoofd, alsof hij met een
+riet speelde, terwijl hij riep: "Waar zijn die schandelijke roovers,
+welke meisjes tegen haar wil schaken? De duivel zal mij halen, als
+ik er niet een dozijn van sta!"
+
+"Ha! vloekt gij, heilige monnik?" zei de Zwarte Ridder.
+
+"Noem mij geen monnik," hernam de van gedaante veranderde priester;
+"bij St. Joris en den Draak, ik ben die niet meer, als mijn
+monnikskleed niet om mijn rug zit.--Als ik mijn groenen rok aan
+heb, wil ik drinken, vloeken en vrijen tegen den besten jager in
+het _West-Riding_."
+
+"Kom, dwaze priester," zei Locksley, "wees stil; gij zijt zoo
+luidruchtig, als een geheel klooster op Vasten-avond, als de Prior
+naar bed is. Komt gij ook, vrienden;--houdt u niet op met praten.--Ik
+zeg, gaat onverwijld mede, wij moeten onze geheele macht verzamelen,
+en deze zal klein genoeg zijn, als wij het kasteel van Reginald
+Front-de-Boeuf moeten bestormen."
+
+"Hoe!" riep de Zwarte Ridder, "is het Front-de-Boeuf, die op 's heeren
+wegen des Konings getrouwe onderdanen aangevallen heeft?--Is hij een
+roover en een onderdrukker geworden?"
+
+"Een onderdrukker was hij altijd!" antwoordde Locksley.
+
+"En wat den roover betreft," zei de priester, "ik twijfel, of hij
+half zoo eerlijk is, als menig roover dien ik ken."
+
+"Voorwaarts, priester, en houd u stil," zei de schutter, "het ware
+beter, dat gij den weg weest naar de vergaderplaats, dan dat gij
+zegt, wat zoowel uit betamelijkheid als voorzichtigheid, verzwegen
+moest blijven!"
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Helaas! hoe menig uur en jaar vervloog
+ Sinds aan deez' disch een mensch'lijk wezen zat,
+ En op zijn vlak het lamp- of kaarslicht gloorde!
+ Mij dunkt, ik hoor 't geluid van vroeger dagen
+ Nog wederklinken door het hol en hoog gewelf
+ Der duistere bogen, evenals de stemmen
+ Der dooden lang verwijlen bij hun graven.
+
+ Orra, een Treurspel.
+
+
+Terwijl deze maatregelen ten behoeve van Cedric en zijn metgezellen
+genomen werden, dreven de gewapenden, welke hen gevangen genomen
+hadden, hen voort naar de veste, waar zij hen wilden opsluiten. Maar
+het werd spoedig duister, en de boschpaden schenen slecht aan de
+stroopers bekend te zijn. Zij moesten herhaaldelijk lang stilhouden, en
+zelfs een paar maal op hun pad terugkeeren, om weder op den rechten weg
+te komen. De zomermorgen brak aan, eer zij met de volkomene bewustheid,
+dat zij op het rechte spoor waren, konden verder gaan. Maar het
+vertrouwen keerde met den dag terug, en de ruiters joegen nu ijlings
+voorwaarts. Intusschen viel het volgende gesprek tusschen de twee
+aanvoerders der bandieten voor.
+
+"Het is tijd, dat gij ons verlaat, ridder Maurice," zei de Tempelier
+tegen De Bracy, "om het tweede bedrijf van uw mysterie op het tooneel
+te brengen. Gij weet, dat gij nu den bevrijder moet spelen."
+
+"Ik heb mij bedacht," antwoordde De Bracy; "ik zal u niet verlaten,
+eer de prijs behoorlijk in Front-de-Boeuf's kasteel in veiligheid
+is. Dáár zal ik in mijne eigene gedaante voor de Jonkvrouw Rowena
+verschijnen, en vertrouw, dat zij de gewelddadigheid, waaraan ik mij
+schuldig gemaakt heb, om den wille mijner hevige liefde zal vergeven."
+
+"En wat heeft u van plan doen veranderen, De Bracy?" vroeg de
+Tempelier.
+
+"Dat raakt u niet!" antwoordde zijn makker.
+
+"Ik wil evenwel hopen, heer ridder," zei de Tempelier, "dat deze
+verandering van maatregel niet aan achterdocht omtrent mijne
+eerlijkheid, welke Fitzurse getracht heeft in te boezemen, toe te
+schrijven zij?"
+
+"Mijne gedachten zijn vrij," antwoordde De Bracy; "de booze lacht,
+zegt men, wanneer een dief den anderen besteelt, en wij weten, dat
+al spuwde hij ook wezenlijk vuur en zwavel, het nooit een tempelier
+zou afschrikken, om zijne lusten niet te volgen."
+
+"Of den aanvoerder van een vrijbende," hervatte de Tempelier, "om
+van zijn makker en vriend het onrecht te vreezen, dat hij tegen alle
+menschen uitoefent."
+
+"Dit is nutteloos en gevaarlijk twisten," hernam De Bracy; "het zij
+genoeg, dat ik de zeden der Tempeliers ken, en ik wil u de macht niet
+geven, om den schoonen buit te kapen, voor welken ik zoo groot gevaar
+geloopen heb."
+
+"Bah!" zei de Tempelier. "Wat hebt gij te vreezen?--Gij kent immers
+de geloften mijner orde."
+
+"Zeer goed," hernam De Bracy, "en ik weet ook, hoe ze nagekomen
+worden. Kom, kom, heer Tempelier, de wetten der galanterie worden
+in Palestina zeer vrij uitgelegd, en dit is een geval, in hetwelk ik
+volstrekt niet op uw geweten vertrouwen zal."
+
+"Hoor dan de waarheid," hervatte de Tempelier. "Ik bekommer mij niet
+om uwe blauwoogige schoonheid. Er is ééne bij den hoop, die mij veel
+beter bevalt."
+
+"Hoe! zoudt gij u tot eene dienstbare verlagen?" zei De Bracy.
+
+"Neen, heer ridder;" zei de Tempelier, op trotschen toon; "tot
+eene dienstbare zal ik mij niet verlagen. Ik heb een prijs onder de
+gevangenen, even schoon, als de uwe."
+
+"Bij de heilige mis, gij meent de schoone Jodin!" zei De Bracy.
+
+"En wat dan?" hernam De Bois-Guilbert. "Wie zal mij tegenhouden?"
+
+"Niemand en niets, voor zoover ik weet," hernam De Bracy, "zoo het niet
+uwe gelofte is, of dat uw geweten zich verzet tegen een liefdehandel
+met eene Jodin."
+
+"Van mijne gelofte," zei de Tempelier, "heeft onze Grootmeester
+mij dispensatie verleend. En wat mijn geweten betreft, een man, die
+driehonderd Saracenen verslagen heeft, behoeft niet iederen misstap
+op te rekenen, evenals een dorpsmeisje bij haar biecht op den Goeden
+Vrijdag."
+
+"Gij kent het best uwe eigene voorrechten," hervatte De Bracy. "Ik
+had echter willen zweren, dat gij meer gedacht hadt om de geldzakken
+van den ouden woekeraar, dan om de zwarte oogen zijner dochter."
+
+"Ik weet beiden te waardeeren," antwoordde de Tempelier; "en
+buitendien is de oude Jood maar een halve prijs. Ik moet zijn buit
+met Front-de-Boeuf deelen, die ons het gebruik van zijn kasteel niet
+om niets zal geven. Ik moet iets hebben, dat ik bij uitsluiting mijn
+eigendom kan noemen bij deze onze dolle onderneming, en ik heb de
+bekoorlijke Jodin tot mijn bijzonder loon uitverkoren. Maar nu gij
+mijn doel weet, zult gij uw eigen oorspronkelijk plan weder volgen,
+niet waar?--Gij hebt, zooals gij ziet, niets van mijne tusschenkomst
+te vreezen."
+
+"Neen," hernam De Bracy, "ik wil bij mijn buit blijven; wat gij
+zegt, kan waar zijn; maar ik houd niet van die voorrechten, die door
+dispensatie van den Grootmeester verkregen zijn, en van de verdienste,
+door de slachting van driehonderd Saracenen verworven. Gij hebt te veel
+recht op vergiffenis, om zeer nauwgezet te zijn omtrent kleine zonden."
+
+Onder dit gesprek poogde Cedric aan zijne wachters eene bekentenis van
+hun stand en hunne bedoeling te ontwringen. "Gij moet Engelschen zijn,"
+zei hij; "en echter, heilige Hemel! valt gij op uwe landslieden aan,
+alsof gij echte Normandiërs waart. Gij moet mijne buren zijn, en
+dus mijne vrienden; want wie van mijne Engelsche buren heeft reden,
+om dat niet te zijn? Ik zeg u, vrienden, dat zelfs zij, die met
+vogelvrijverklaring gebrandmerkt zijn, door mij beschermd worden, want
+ik heb medelijden gehad met hun ongeluk, en de onderdrukking hunner
+dwingelanden, de edelen, vervloekt. Wat wilt gij dus van mij?--Of wat
+kan u dit stilzwijgen baten?--Gij zijt slechter, dan wilde dieren in
+uwe daden en wilt gij hen nog in hunne sprakeloosheid evenaren?"
+
+Te vergeefs sprak Cedric aldus met zijne wachters, die al te vele en
+al te goede redenen voor hun stilzwijgen hadden; om hetzij door zijn
+toorn of door zijn vertoogen, er toe gebracht te worden, om dat af
+te breken. Zij dreven hem maar steeds voort, totdat, aan het einde
+van een laan van ontzachelijke boomen, zich Torquilstone opdeed, het
+grijze, oude kasteel van Reginald Front-de-Boeuf. Het was eene sterkte
+van geringen omvang, bestaande uit een grooten, hoogen, vierhoekigen
+toren, omringd door gebouwen van mindere hoogte, die door eene plaats
+omgeven waren. Rondom den buitenmuur was een diepe gracht, welke
+door een naburig riviertje met water voorzien werd. Front-de-Boeuf,
+wiens karakter hem dikwijls in veeten met zijne vijanden bracht,
+had aanmerkelijke verbeteringen aan de vestingwerken gemaakt, door
+torens op den buitensten muur te bouwen, zoodat die aan iederen hoek
+bestreken werd. De toegang, zooals gewoonlijk bij kasteelen van dat
+tijdvak, was door een versterkt bruggehoofd, of buitenwerk, dat aan
+iederen hoek met een toren eindigde, die het verdedigde.
+
+Nauwelijks zag Cedric de torens van het kasteel van Front-de-Boeuf
+met hunne grijze met mos begroeide tinnen te voorschijn komen, die
+in de morgenzon glinsterden, en boven het bosch, dat ze omringden
+uitstaken, of hij besefte oogenblikkelijk de ware reden van zijne ramp.
+
+"Ik heb onrecht gedaan," zei hij, "aan de dieven en roovers van deze
+wouden, toen ik meende, dat zulke bandieten daaronder behoorden: ik
+had evengoed de vossen van deze bosschen met de verscheurende wolven
+van Frankrijk kunnen verwarren. Zegt mij, honden, die gij zijt,
+is het mijn leven of mijn rijkdom, waarnaar uw meester streeft? Is
+het te veel, dat twee Saksers, ik en de edele Athelstane, eigendom
+bezitten in een land, dat eens het vaderlijk erfgoed van onzen stam
+was?--Brengt ons dan ter dood, en voltooit uwe dwingelandij, door
+ons van het leven te berooven, na ons onze vrijheid ontnomen te
+hebben. Zoo Cedric de Sakser Engeland niet kan bevrijden, dan wil
+hij gaarne daarvoor sterven. Zegt aan den dwingeland, uw meester,
+dat ik hem alleen smeek, om de Jonkvrouw Rowena in eer en veiligheid
+te ontslaan. Zij is eene vrouw; hij behoeft haar niet te vreezen; en
+met ons zullen allen uitsterven, die voor hare zaak durven strijden."
+
+De volgelingen bleven even stom bij deze aanspraak als bij de vorige,
+en nu stonden zij voor de poort van het kasteel. De Bracy blies
+driemaal op den horen, en de boogschutters, die den muur bezet hadden
+bij de aankomst van den stoet, haastten zich de ophaalbrug neder en
+hen binnen te laten. De gevangenen door hunne wachters gedwongen om
+af te stijgen, werden naar een vertrek geleid, waar hun in haast eenig
+eten werd voorgezet, waarin niemand trek gevoelde, dan Athelstane. De
+afstammeling van Eduard den Belijder had echter geen tijd, om recht
+te doen wedervaren aan den maaltijd, die hem voorgezet was, want de
+wachters gaven hem en Cedric te kennen, dat zij in eene afzonderlijke
+kamer, gescheiden van Rowena, zouden opgesloten worden. Tegenstand
+was nutteloos, en ze werden gedwongen, hen naar een groot vertrek te
+volgen, welks zoldering door ruwe Saksische pilaren gedragen werd,
+en op die eetzalen en kapittelvertrekken geleek, welke men nog wel
+eens in de oudste gedeelten van onze oudste kloosters vindt.
+
+Rowena werd vervolgens van haar gevolg gescheiden, en, ofschoon
+met beleefdheid, toch zonder haar wil te raadplegen, naar eene
+verafgelegene kamer gebracht. Dezelfde verontrustende onderscheiding
+viel ook Rebekka te beurt, in weerwil van haars vaders smeeken, die,
+in dezen uitersten nood, zelfs geld bood, om verlof te krijgen, dat ze
+bij hem mocht blijven. "Ongeloovige heiden," antwoordde een van zijne
+wachten, "als gij uwe rustplaats gezien hebt, zult gij niet begeeren,
+dat uw dochter die met u deelt." En zonder verder dralen werd de oude
+Jood met geweld in een andere richting dan de overige gevangenen
+voortgesleept. De bedienden, na zorgvuldig doorzocht en ontwapend
+te zijn, werden in een ander gedeelte van het kasteel opgesloten,
+en men weigerde zelfs aan Rowena den troost, welken haar het bijzijn
+van hare kamenier Elgitha zou verschaft hebben.
+
+Het vertrek, waarin de Saksische opperhoofden opgesloten werden,--want
+op hen vestigen wij eerst onze aandacht,--ofschoon het thans als
+een soort van wachtkamer gebruikt werd, was vroeger de groote zaal
+van het kasteel geweest. Het diende nu slechts tot minder gewichtige
+doeleinden, omdat de tegenwoordige eigenaar onder andere bijvoegselen
+voor het gemak, de veiligheid en de schoonheid van zijn vrijheerlijke
+verblijfplaats, eene nieuwe schoone zaal gebouwd had, welker gewelfd
+dak door lichtere en meer sierlijke pilaren ondersteund, en op
+die wijze versierd werd, welke reeds bij de Normandische bouwkunst
+gebruikelijk was.
+
+Cedric stapte in de kamer op en neder, vol toornige overwegingen over
+het verledene en het tegenwoordige, terwijl de onverschilligheid
+van zijn makker aan dezen den zelfden dienst bewees als geduld en
+wijsbegeerte, en was hij dus tegen alles gewapend, uitgezonderd tegen
+de ongemakken van het oogenblik; en zelfs gevoelde hij deze laatsten
+zoo weinig, dat hij slechts van tijd tot tijd tot een antwoord werd
+genoopt door Cedric's driftige en hevige uitroepingen.
+
+"Ja," zei Cedric, half tot zich zelven en half tot Athelstane
+sprekende, "het was in deze zelfde zaal, dat mijn vader een
+feestelijken maaltijd hield met Torquil Wolfganger, toen hij den
+dapperen en ongelukkigen Harald onthaalde, die tegen de Noorwegers
+optrok, welke zich met den oproerling Tosti vereenigd hadden.--Het was
+in deze zaal, dat Harald zijn edelmoedig antwoord gaf aan den gezant
+van zijn muitzieken broeder. Dikwijls zag ik mijn vader ontgloeien,
+wanneer hij er van sprak. De gezant van Tosti werd toegelaten, terwijl
+deze ruime zaal nauwelijks den drom van Saksische opperhoofden kon
+bevatten, die zich, met hun vorst, op den bloedrooden wijn vergastten."
+
+"Ik hoop," zei Athelstane, eenigszins opgewekt door de laatste woorden
+van zijn vriend, "dat zij niet vergeten zullen om ons tegen den
+middag wat wijn en ververschingen te zenden;--ons werd nauwelijks één
+oogenblik voor het ontbijt vergund, en het eten bekomt mij nooit goed,
+als ik zoo van het paard kom, ofschoon de geneesheeren dit aanbevelen."
+
+Cedric vervolgde zijn verhaal, zonder op dezen inval van zijn vriend
+te letten.
+
+"De gezant van Tosti," zei hij, "ging door de zaal zonder te schrikken
+over de gefronste gezichten van allen, die hem omringden, en boog
+voor Haralds troon ter aarde."
+
+""Welke voorwaarden, heer Koning," zei hij, "heeft uw broeder Tosti te
+verwachten, zoo hij de wapenen nederlegt, en u om den vrede verzoekt?""
+
+""De liefde eens broeders," riep de edelmoedige Harald, "en het
+schoone graafschap Northumberland.""
+
+""Maar zoo Tosti deze voorwaarden aanneemt," vervolgde de afgezant,
+"welke landen zullen aangewezen worden aan zijn getrouwen bondgenoot,
+Hardrada, Koning van Noorwegen?""
+
+""Zeven voet Engelschen grond," antwoordde Harald opstuivende, "of,
+daar men zegt, dat Hardrada een reus is, zullen wij hem mogelijk
+twaalf duim meer geven.""
+
+"De zaal weergalmde van gejuich, en beker en drinkhoorn werden er op
+geledigd, dat de Noorweger weldra in het bezit mocht zijn van zijn
+Engelsch grondgebied."
+
+"Ik zou van ganscher harte mede gedronken hebben," zei Athelstane,
+"want de tong kleeft mij aan het verhemelte."
+
+"De verlegen gezant," ging Cedric voort, zijn verhaal met vuur
+vervolgende, ofschoon het bij zijn toehoorder geene belangstelling
+verwekte, "begaf zich op weg, om aan Tosti en zijn bondgenoot het
+onheil voorspellende antwoord van zijn beleedigden broeder over te
+brengen. Toen was het, dat de muren van Stamford en de bloedige stroom
+van de Welland, in de voorspellingen beroemd, [21] dat verschrikkelijke
+gevecht aanschouwden, in hetwelk èn de Koning van Noorwegen èn
+Tosti sneuvelden, na onversaagden moed ten toon gespreid te hebben,
+met tien duizend hunner dappere volgelingen. Wie zou gedacht hebben,
+dat op den dag zelven van die stoute overwinning, dezelfde wind, in
+welken de zegepralende Saksische banieren wapperden, de Normandische
+zeilen vulde, en naar de noodlottige stranden van Sussex dreef?--Wie
+zou gedacht hebben, dat Harald, binnen weinige dagen, zelf niet meer
+van zijn koninkrijk zou bezitten, dan wat hij in zijn toorn, aan den
+Noorweegschen overweldiger toegekend had?--Wie zou gedacht hebben, dat
+gij, edele Athelstane, die uit Haralds bloed afstamt en dat ik, wiens
+vader niet de geringste onder de verdedigers van den Saksischen troon
+was, de gevangenen van een ellendigen Normandiër zouden worden, in
+dezelfde zaal, waar onze voorouders een zoo groot feestgelag vierden?"
+
+"Het is treurig genoeg," hernam Athelstane; "maar ik hoop, dat ze
+ons voor een matig losgeld zullen vrijlaten.--Hoe het ook zij, het
+kan toch nooit hun voornemen zijn ons zoo maar te laten doodhongeren;
+en toch, schoon het reeds middag is, zie ik geene toebereidselen voor
+het middagmaal.--Zie eens uit het venster, edele Cedric, en oordeel
+naar de zonnestralen, of het niet bijna middag is."
+
+"Het is wel mogelijk," antwoordde Cedric; "maar ik kan niet door deze
+geverfde ruiten zien, zonder dat ze andere overdenkingen verwekken
+dan die, welke het voorbijsnellend oogenblik, of onze ontberingen
+betreffen. Toen dit venster gemaakt werd, edele vriend, kenden onze
+kloeke vaders de kunst niet, om glas te vervaardigen, of om het
+te verven.--Wolfgangers hoogmoedige vader deed een kunstenaar uit
+Normandië komen, om zijn zaal met deze nieuwe soort van sieraden
+op te schikken, welke het gouden licht van Gods gezegenden dag in
+zoovele wonderlijke kleuren vertoonen. De vreemdeling kwam hier, arm,
+bedelende, kruipende en onderdanig; gereed om het hoofd voor den
+geringsten huisbediende te ontblooten. Trotsch en welvarend keerde
+hij terug om aan zijne landgenooten den rijkdom en de eenvoudigheid
+der Saksische edelen te beschrijven;--het was eene dwaasheid,
+Athelstane, voorzien en voorspeld door die afstammelingen van
+Hengist en van zijn geharden stam, welke de eenvoudigheid hunner
+zeden bewaard hadden. Wij maakten deze vreemdelingen tot onze
+boezemvrienden, tot onze vertrouwelingen; wij benijdden hen om hunne
+kunsten en kunstenaars, en verachtten de eerlijke eenvoudigheid en
+gehardheid, waardoor onze brave voorouders zich staande hielden,
+en wij werden ontzenuwd door de Normandische kunsten, lang eer wij
+vóór de Normandische wapens bezweken. Veel beter was onze matige
+kost, in vrede en vrijheid genoten, dan de weelderige lekkernijen,
+welke ons tot lijfeigenen van den vreemden veroveraar gemaakt hebben!"
+
+"Ik zou voor het oogenblik de eenvoudigste kost voor eene lekkernij
+houden," hernam Athelstane; "en het verwondert mij, edele Cedric,
+dat gij u de oude daden zoo goed herinnert, terwijl gij het etensuur
+schijnt te vergeten."
+
+"Het is vergeefsche moeite," bromde Cedric ongeduldig ter zijde,
+"van iets anders tegen hem te spreken, dan van hetgeen zijn eetlust
+betreft! De ziel van Hardicanute is in hem gevaren, en hij kent
+geen ander genoegen, dan te eten, te verslinden, en om meer te
+roepen.--Helaas!" zei hij, Athelstane met medelijden beschouwende,
+"wat is het jammer, dat een zoo stompe geest in een zoo schoon
+lichaam huisvest! Ach! dat zulk eene onderneming, als de bevrijding
+van Engeland, op zulk een steun rusten moet. Met Rowena gehuwd, zou
+inderdaad haar edele en grootmoedige ziel de betere natuur, welke
+in hem sluimert, opwekken. Maar hoe kan dit zijn, zoolang Rowena,
+Athelstane en ik zelf de gevangenen zijn van dezen onbeschaamden
+roover, en dat misschien alleen wegens het gevaar, hetwelk onze
+vrijheid aan de overweldigers kon berokkenen?"
+
+Terwijl de Sakser in deze smartelijke overwegingen verdiept was, ging
+de deur van hunne gevangenis open en er trad een huishofmeester binnen,
+met den witten staf van zijn ambt in de hand. Deze gewichtige man
+trad in de kamer met deftige schreden, gevolgd door vier bedienden,
+die een gedekte tafel binnenbrachten, welker gezicht en geuren voor
+Athelstane een oogenblikkelijke vergoeding schenen voor het geleden
+ongemak. De menschen, welke den maaltijd opdroegen, waren gemaskerd
+en in mantels gehuld.
+
+"Waartoe dient deze vermomming?" zei Cedric; "denkt gij, dat
+wij niet weten, wiens gevangenen wij zijn, hier in het kasteel
+van uw meester? Zegt hem," ging hij voort, van deze gelegenheid
+gebruik makende, om een onderhandeling over zijn bevrijding aan te
+knoopen,--"zegt aan uw meester, Reginald Front-de-Boeuf, dat wij
+geene reden weten, waarom hij ons van onze vrijheid berooft, behalve
+onwettige begeerte, om zich op onze kosten te verrijken. Zegt hem,
+dat wij zijne roofzucht zullen bevredigen, evenals in zulk een geval,
+die van een roover van beroep. Laat hem het losgeld voor onze vrijheid
+noemen, en het zal uitbetaald worden, mits de eisch onze middelen
+niet te boven ga."
+
+De hofmeester gaf geen antwoord, maar boog diep. "En zegt aan Reginald
+Front-de-Boeuf," zei Athelstane, "dat ik hem op leven en dood uitdaag,
+te voet, of te paard, op de een of andere veilige plaats, binnen
+acht dagen na onze bevrijding, en, zoo hij een echte ridder is, zal
+hij deze uitdaging onder zulke omstandigheden niet durven weigeren
+of uitstellen."
+
+"Ik zal den ridder uw uitdaging overbrengen," antwoordde de hofmeester;
+"intusschen laat ik u aan uw maaltijd over."
+
+Athelstane's uitdaging werd niet met de grootste waardigheid geuit;
+want een groote mondvol, die het gebruik van beide kakebeenen tegelijk
+vorderde, gevoegd bij zijn stotteren, benadeelde aanmerkelijk de
+deftigheid van zijn stoute woorden. Desniettemin hield Cedric ze voor
+een onbetwistbaar teeken van den weder ontwakenden moed zijns makkers,
+wiens vroegere onverschilligheid, in weerwil van de achting, welke hij
+voor zijn afkomst koesterde, zijn geduld op een harde proef gesteld
+had. Maar hij drukte hem nu hartelijk de hand, als een teeken van zijn
+goedkeuring, en was eenigszins teleurgesteld toen Athelstane aanmerkte:
+"Dat hij het met een dozijn van zulke menschen, als Front-de-Boeuf,
+wilde opnemen, als hij daardoor zijn vertrek uit eene gevangenschap
+kon bespoedigen, waar men zoo veel knoflook in de soep deed." Maar
+in weerwil van dit voorteeken van den terugkeer zijner zinnelijkheid,
+plaatste zich Cedric tegenover Athelstane, en toonde weldra, dat zoo
+de rampen van zijn vaderland de gedachte aan te eten en drinken uit
+zijn gemoed konden verdrijven, zoolang de tafel niet gedekt was,
+de spijzen toch nauwelijks opgedragen konden zijn, zonder dat hij
+bewees, dat de eetlust zijner Saksische voorouders met hun overige
+hoedanigheden op hem overgegaan was.
+
+De gevangenen hadden echter nog niet lang begonnen hun ververschingen
+te nuttigen, toen hunne aandacht van deze uiterst gewichtige bezigheid
+afgetrokken werd, door den klank van een horen buiten de poort. Het
+geluid werd driemaal herhaald, met een geweld, alsof de uitverkoren
+ridder voor een betooverd kasteel geblazen had, op wiens opeisching
+zalen en torens, bolwerken en borstweringen zouden verdwijnen als een
+morgen-nevel. De Saksers vlogen van de tafel op naar het venster. Maar
+hun nieuwsgierigheid werd te leur gesteld; want deze vensters zagen
+alleen op de plaats van het kasteel uit, en het horengeschal kwam van
+buiten. Het geluid bleek echter de aandacht getrokken te hebben; want
+er scheen oogenblikkelijk een groot gewoel in het kasteel te ontstaan.
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Mijn dochter,--o mijn dukaten, o mijn dochter!
+ O mijn christelijke dukaten!
+ Het gerecht,--de wet,--mijn dukaten en mijn dochter!
+
+ Koopman van Venetië.
+
+
+Aan de Saksische edelen het overlatende, tot hun maaltijd terug
+te keeren, zoodra hunne onbevredigde nieuwsgierigheid duldde, dat
+zij aan hun half verzadigden eetlust gehoor gaven, moeten wij een
+blik werpen op de nog strengere gevangenschap van Izaäk van York. De
+arme Jood was dadelijk in een keldergewelf van het kasteel geworpen,
+waarvan de vloer diep onder den grond en zeer vochtig was, daar die
+nog lager dan de gracht lag. Het weinige licht kwam uit een paar zeer
+hoog geplaatste schietgaten, zoodat de gevangene er op verre na niet
+bijkomen kon. Deze openingen verschaften zelfs op den middag slechts
+een flauw schemerlicht, dat in duisternis overging, lang eer het
+overige gedeelte van het kasteel den zegen van het daglicht verloren
+had. Ketenen en boeien, welke vroegere gevangenen gedragen hadden,
+wier pogingen tot ontvluchten men gevreesd had, hingen verroest aan
+de muren der gevangenis; en in de ringen van één er van zag men twee
+vermolmde beenderen, welke voorheen naar het scheen aan een mensch
+behoord hadden, dien men niet alleen daar als gevangene had laten
+omkomen, maar ook tot een geraamte laten vergaan. Aan het ééne einde
+van dit akelig verblijf was een groot rooster, waarover eenige ijzeren
+staven lagen, die half door den roest verteerd waren.
+
+Het geheele voorkomen der gevangenis had een stouter hart, dan
+dat van Izaäk, kunnen doen beven, die evenwel in het gevaar zelf
+veel bedaarder was, dan hij geschenen had, zoolang hij door een
+vrees gekweld werd, welker oorzaak nog verborgen en onzeker was. De
+liefhebbers der jacht zeggen, dat de haas meer angst gevoelt onder
+het vervolgen der windhonden, dan wanneer hij onder hunne klauwen
+is. En dus is het waarschijnlijk, dat de Joden, door hun gedurige
+schrik bij alle gelegenheden, eenigszins voorbereid waren op iedere
+kwelling der dwingelandij, die op hen kon worden uitgeoefend;
+zoodat geene verdrukking, die wezenlijk plaats vond, die verrassing
+kon te weeg brengen, welke de meest verlammende uitwerking van
+den schrik is. Ook was het niet voor de eerste maal, dat Izaäk in
+zulk gevaar verkeerde. Hij bezat dus ervaring, om zich er naar te
+gedragen, en de hoop, om evenals te voren, uit de handen der roovers
+te ontsnappen. Vooral bezat hij die ontoegeeflijke hardnekkigheid
+zijner natie, en dien onverzettelijken moed, met welken zij zich
+dikwijls onderworpen heeft aan de uiterste rampen, welke macht en
+geweld haar konden opleggen, eerder dan een Jood te kunnen dwingen
+zijn onderdrukkers te voldoen, door in hun eischen toe te stemmen.
+
+In deze gemoedsstemming dan, en met zijne kleederen onder zich
+uitgespreid, om zijn leden tegen den vochtigen vloer te beschermen,
+zat Izaäk in een hoek van zijne gevangenis, waar zijne gevouwen handen,
+zijn loshangend haar en zijne lange baard, zijn met bont bezette mantel
+en zijne hooge muts, in een flauw gebroken licht, eene studie voor
+een Rembrandt zouden opgeleverd hebben, zoo die beroemde schilder in
+dien tijd geleefd had. De Jood bleef omtrent drie uren onveranderd in
+dezelfde houding, toen men voetstappen hoorde op de trap, die naar de
+gevangenis leidde. De grendels kraakten, de hengsels knarsten bij het
+openen, en Reginald Front-de-Boeuf trad in de gevangenis, door de twee
+Saraceensche slaven des Tempeliers gevolgd. Front-de-Boeuf, een groot,
+forsch mensch, die zijn leven in openlijken oorlog, of in bijzondere
+veeten doorgebracht, en nooit eenige middelen geschuwd had, om zijne
+willekeurige macht uit te breiden, had gelaatstrekken, die volkomen
+met zijn karakter overeenstemden, en welke de woeste en boosaardige
+driften zijner ziel uitdrukten. De litteekens, waarmede zijn gezicht
+bedekt was, zouden bij beter gevormde trekken, de belangstelling
+en den eerbied verwekt hebben, welke men verschuldigd is aan de
+eervolle dapperheid; maar, in het bijzonder geval van Front-de-Boeuf,
+vermeerderden zij slechts de woestheid van zijn gelaat, en de ijzing,
+welke zijne tegenwoordigheid inboezemde. Deze schrikbarende edelman was
+gekleed in een lederen wambuis, dat nauw om het lijf sloot, en hier en
+daar door vlekken van zijn wapenrusting bezoedeld was. Hij droeg geen
+wapen, behalve een dolk in den gordel, die als een tegenwicht diende
+voor den bundel verroeste sleutels, welke aan zijne rechterzijde hing.
+
+De zwarte slaven, welke Front-de-Boeuf vergezelden, hadden hun
+prachtige kleeding afgelegd, en wambuizen en broeken van grof
+linnen aangetrokken; hunne mouwen waren tot boven aan den elleboog
+opgestroopt, gelijk die van slagers, als zij hun beroep in het
+slachthuis willen verrichten. Ieder had een korfje in de hand en
+toen zij in de gevangenis traden, bleven zij aan de deur staan tot
+Front-de-Boeuf ze zelf zorgvuldig gegrendeld en dubbel gesloten
+had. Na deze voorzorg genomen te hebben, ging hij langzaam door
+het vertrek op den Jood toe, op wien hij zijn oog gevestigd hield,
+alsof hij hem door zijn blik verlammen wilde, evenals men zegt, dat
+zekere dieren hun prooi betooveren. Het scheen, inderdaad, alsof het
+sombere, boosaardige oog van Front-de-Boeuf iets van die macht over
+zijn ongelukkigen gevangene had. De Jood opende den mond en vestigde
+de oogen op den woesten edelman met zulk een hevigen schrik, dat
+zijn lichaam letterlijk scheen ineen te krimpen en te vergaan onder
+dien vasten en ijselijken blik. De ongelukkige Jood was niet alleen
+buiten machte, om op te staan, om de nederige buiging te maken, welke
+zijne vrees hem voorschreef, maar hij kon niet eens de muts afnemen,
+of eenig smeekend woord uitbrengen, zoo sterk was hij getroffen door
+de overtuiging, dat pijniging en dood hem boven het hoofd hingen.
+
+Van den anderen kant, scheen de reusachtige gestalte van den
+Normandiër in grootte toe te nemen, gelijk die van een adelaar, die
+zijn vederen opzet, als hij op het punt is, op zijn weerlooze prooi
+neer te storten. Hij bleef drie pas van den hoek staan, waarin de arme
+Jood nu, als het ware in de kleinst mogelijke ruimte gekropen was,
+en gaf een teeken aan een der slaven om te naderen. De zwarte trawant
+trad vóór, en uit zijn korfje een groote schaal en verscheidene
+gewichten te voorschijn halende, legde hij ze voor de voeten van
+Front-de-Boeuf neder, en begaf zich weder op den eerbiedigen afstand,
+waar zijn makker was blijven staan. De bewegingen dezer mannen waren
+langzaam en statig, alsof een voorgevoel van iets ijselijks en wreeds
+hunne zielen drukte. Front-de-Boeuf opende zelf het tooneel, door
+zijn rampzaligen gevangene aldus aan te spreken:
+
+"Vervloekte hond, van een vervloekten stam," zei hij, met zijn diepe,
+holle stem den somberen weerklank in het gewelf doende ontwaken;
+"ziet gij deze schaal?"
+
+De ongelukkige Jood beantwoordde dit met een zacht: "Ja."
+
+"Op deze schaal," vervolgde de onbarmhartige edele, "zult gij
+mij duizend pond zilver uitwegen, maat en gewicht van den _Tower_
+van Londen."
+
+"Heilige Abraham!" hernam de Jood, die nu woorden vond: "heeft men
+ooit zulk een eisch gehoord? Wie heeft ooit, zelfs in een minnezangers
+verhaal, van zulk een som, als duizend pond zilver gehoord? Welk een
+menschelijk oog werd ooit gezegend met de aanschouwing van zulk een
+schat! Zelfs binnen de muren van York, al haalt gij mijn huis en de
+huizen van mijn geheelen stam omver, zult gij het tiende gedeelte
+van de ongehoorde som zilver, waarvan gij spreekt, niet vinden."
+
+"Ik ben redelijk," antwoordde Front-de-Boeuf, "en zoo het zilver
+schaarsch is, weiger ik geen goud; één mark goud tegen zes pond
+zilver gerekend. Daardoor kunt gij uw ongeloovig lichaam van eene
+straf bevrijden, waarvan uwe ziel nooit eenig denkbeeld gehad heeft."
+
+"Heb medelijden met mij, edele ridder!" riep Izaäk. "Ik ben oud,
+arm en hulpeloos. Het ware onwaardig, over mij te zegepralen.--Het
+is eene armzalige daad, een worm te verpletteren!"
+
+"Oud moogt gij zijn," hernam de ridder, "te meer schande voor de
+dwaasheid van hen, welke u bij woeker en schelmerij hebben laten
+grijs worden.--Zwak moogt gij ook zijn, want wanneer had ooit een
+Jood hart of hand?--Maar rijk zijt gij, dat is wel bekend!"
+
+"Ik zweer u, edele ridder," hervatte de Jood, "bij alles, waaraan ik
+geloof, en bij alles, waaraan wij gemeenschappelijk gelooven--"
+
+"Word niet meineedig," zei de Normandiër, hem in de rede vallende,
+"en haal u het ongeluk niet op den hals door uwe halsstarrigheid, vóór
+dat gij het lot, hetwelk u te wachten staat, hebt leeren kennen, en
+het wel overwogen hebt. Denk niet, dat ik alleen tegen u spreek, om u
+schrik aan te jagen, en om gebruik te maken van de lage lafhartigheid,
+welke gij van uw stam geërfd hebt.--Ik zweer u bij datgene, waaraan
+gij niet gelooft, bij het Evangelie, hetwelk onze kerk verkondigt,
+en bij de macht die haar gegeven is, om te binden en te ontbinden,
+dat mijn voornemen vast en onwrikbaar is. Deze kerker is geene plaats
+om er in te schertsen. Gevangenen, die tienduizendmaal meer waard
+waren dan gij, zijn binnen deze muren omgekomen, zonder dat hun lot
+ooit bekend is geworden. Maar voor u is een langzame kwijnende dood
+bespaard, waartegen de hunne zaligheid was."
+
+Hij gaf den slaven weder een teeken om te naderen, en sprak ter zijde
+met hen in hun eigene taal; want hij was ook in Palestina geweest,
+waar hij misschien zijne wreedheid geleerd had. De Saraceenen haalden
+uit hun korf een menigte houtskolen, een blaasbalk, en een flesch
+met olie te voorschijn. Terwijl de één vuur sloeg, legde de ander
+de houtskool op den grooten verroesten rooster, waarvan wij reeds
+gesproken hebben, en blies het vuur aan, tot de kolen gloeiden.
+
+"Ziet gij, Izaäk," zei Front-de-Boeuf, "de rij ijzeren staven boven
+die gloeiende houtskolen? [22] Op dat heete bed zult gij liggen,
+van al uw kleederen ontbloot, alsof gij op een bed van dons moest
+liggen. Één van deze slaven zal het vuur onder u aanhouden, terwijl de
+andere uwe ellendige leden met olie zal begieten, opdat het gebraad
+niet aanbrande.--Kies nu tusschen zulk een warm bed en het betalen
+van duizend pond zilver; want, bij het hoofd mijns vaders, gij hebt
+geen andere keuze."
+
+"Het is onmogelijk," zei de ongelukkige Jood, "het is onmogelijk,
+dat dit wezenlijk uw voornemen zou zijn! De algoede Vader der natuur
+heeft nooit een hart geschapen, dat in staat was zulk eene wreedheid
+te begaan."
+
+"Vertrouw daar niet op, Izaäk," zei Front-de-Boeuf; "dat zou eene
+noodlottige dwaling zijn. Denkt gij, dat ik, die eene stad heb zien
+uitplunderen, in welke duizenden Christenen, mijn landslieden, door het
+zwaard, vuur en water zijn omgekomen, van mijn voornemen zal afzien,
+om het geschreeuw en gesteun van één ellendigen Jood?--Of meent gij,
+dat deze zwarte slaven, die wet, noch vaderland, noch geweten kennen,
+behalve huns meesters wil,--die, op zijn eersten wenk, vergif, dolk,
+paal of koord gebruiken,--denkt gij, dat ze medelijden zullen hebben,
+daar ze niet eens de taal verstaan, in welke gij er om smeekt?--Wees
+verstandig, oude man, ontdoe u van een gedeelte van uw overtolligen
+rijkdom, betaal in handen van een Christen een gedeelte van hetgeen gij
+verworven hebt door den woeker, welken gij tegen zijne geloofsgenooten
+uitgeoefend hebt. Uw list kan spoedig uwe ledige en ingekrompen beurs
+weder vullen; maar geen arts en geene artsenij kan uw gebraden vel en
+vleesch herstellen, als gij eens op deze staven gelegen hebt. Tel uw
+losgeld maar neer, zeg ik, en verheug u, dat gij u tot zulk een prijs
+uit een kerker kunt vrijkoopen, waaruit weinigen zijn teruggekeerd,
+om de geheimen er van over te vertellen. Ik verspil geene woorden
+meer;--kies tusschen geld en vleesch en bloed, en zooals gij
+kiest,--zoo zal het zijn!"
+
+"Dan mogen Abraham, Jakob en alle vaders van ons volk mij bijstaan,"
+zei Izaäk; "ik kan geene keus doen, dewijl ik de middelen niet bezit,
+om aan uw buitensporigen eisch te voldoen."
+
+"Grijpt en ontkleedt hem, slaven!" riep de ridder. "En mogen de
+vaderen van zijn stam hem bijstaan, zoo zij kunnen!"
+
+De bedienden, zich meer naar de oogen en de wenken van hun heer, dan
+naar zijne woorden richtende, traden andermaal voorwaarts, legden
+de handen aan den ongelukkigen Izaäk, rukten hem van den grond op,
+en hem tusschen zich houdende, wachtten zij op een verder teeken van
+den hardvochtigen edelman. De ellendige Jood vestigde zijn oogen op
+hun gelaat en op dat van Front-de-Boeuf, in de hoop van eenig teeken
+van medelijden te bespeuren; maar het gelaat des Barons vertoonde
+denzelfden kouden, half kwaadaardigen, half spottenden glimlach,
+die de voorbode van zijne wreedheid geweest was; en de woeste oogen
+der Saraceenen, somber onder hun zwarte wenkbrauwen rollende, en een
+nog akeliger uitdrukking ontleenende aan de witheid van den kring
+rondom den oogappel, gaven veeleer het geheim vermaak te kennen, dat
+zij van het aanstaande tooneel verwachtten, dan eenigen tegenzin,
+om daarbij deelgenooten en medehelpers te zijn. Hierop zag de Jood
+naar den gloeienden rooster, waarop hij uitgestrekt zou worden,
+en geen kans ziende, dat zijn pijniger toegeven zou, bezweek zijn moed.
+
+"Ik zal de duizend pond zilver betalen," riep hij.--"Dat is," voegde
+hij er na een oogenblik zwijgens bij, "ik zal ze betalen met behulp
+mijner broeders, want ik moet als een bedelaar, aan de deur van onze
+Synagoge smeeken, vóór dat ik een zoo ongehoorde som bijeen krijgen
+kan.--Wanneer en waar moeten ze uitbetaald worden?"
+
+"Hier," hernam Front-de-Boeuf, "hier moeten ze worden uitbetaald en
+gewogen,--gewogen en uitgeteld op den vloer van dezen kerker. Denkt
+gij, dat ik u zou loslaten, vóór dat het losgeld uitgekeerd is?"
+
+"En wie zal mij borg zijn," zei de Jood, "dat ik in vrijheid zal
+worden gesteld, als dit losgeld betaald is?"
+
+"Het woord van een Normandischen edelman, woekerende slaaf," antwoordde
+Front-de-Boeuf; "het woord van een Normandischen edelman, dat meer
+waard is dan al het goud en zilver van u en van uw geheelen stam."
+
+"Vergeef mij, edele heer," zei Izaäk vreesachtig; "maar waarom zou
+ik geheel op het woord vertrouwen van iemand, die niet op het mijne
+vertrouwen wil?"
+
+"Omdat gij het niet laten kunt, Jood!" hernam de ridder
+minachtend. "Zoo gij thans in uwe schatkamer te York waart, en ik
+geld van u leenen wilde, dan zou het u passen, om den betaaltijd te
+bepalen, en een onderpand te vragen. Dit is _mijn_ schatkamer. Hier
+heb ik u in mijne macht, en ik zal mij niet weder verwaardigen,
+de voorwaarden te herhalen, op welke ik u de vrijheid schenk."
+
+De Jood zuchtte diep.--"Schenk mij ten minste," zei hij, "met mijn
+vrijheid, ook die van mijn reisgezellen! Zij verachten mij, als Jood;
+echter hadden zij medelijden met mijn ongeluk, en door zich op weg op
+te houden, om mij te helpen, is hun gedeeltelijk deze ramp overkomen;
+buitendien kunnen zij ook een gedeelte van mijn losgeld dragen."
+
+"Zoo gij die Saksische boeren meent," zei Front-de-Boeuf, "hun losgeld
+zal van andere voorwaarden afhangen. Bekommer u niet om de zaken van
+anderen, Jood, ik waarschuw u, maar alleen om uw eigene."
+
+"Ik zal dus," zei Izaäk, "alleen in vrijheid gesteld worden met mijn
+gekwetsten vriend?"
+
+"Moet ik een zoon van Israël tweemalen aanbevelen," hernam
+Front-de-Boeuf, "om zich met zijne eigene zaken te bemoeien, en aan
+anderen de hunne over te laten?--Daar gij uwe keus gedaan hebt, blijft
+er niets over, dan dat gij uw losgeld binnen den kortst mogelijken
+tijd bijeen brengt."
+
+"Maar hoor mij aan," zei de Jood,--"om den wille van denzelfden
+rijkdom, welken gij verwerven wilt ten koste van uw--" Hier bleef
+hij steken, uit vrees van den woesten Normandiër te vertoornen. Maar
+Front-de-Boeuf glimlachte slechts, en hij vulde zelf het ontbrekende
+in des Joods gezegde aan.
+
+"Ten koste van mijn geweten, wildet gij zeggen, Izaäk; zeg het maar
+ronduit.--Ik zeg u, ik ben redelijk. Ik kan de verwijten van hem,
+die verliest, verdragen, al zijn die ook van een Jood. Gij waart
+zoo geduldig niet, Izaäk, toen gij het gerecht inriept tegen Jacques
+Fitzdotterel, omdat hij u een onmeedoogenden woekeraar noemde, nadat
+uwe afpersingen zijn vaderlijk erfgoed verslonden hadden."
+
+"Ik zweer op den Talmud," hervatte de Jood, "dat men u in die zaak
+verkeerd onderricht heeft. Fitzdotterel trok den dolk tegen mij in
+mijn eigen kamer, omdat ik hem om mijn eigen geld vroeg. De tijd tot
+betaling was op het Paaschfeest verschenen."
+
+"Het is mij onverschillig, wat hij deed," zei Front-de-Boeuf; "de
+vraag is, wanneer zal ik mijn loon krijgen? Wanneer zal ik mijn geld
+hebben, Izaäk?"
+
+"Laat mijn dochter Rebekka naar York gaan, met een vrijgeleide van u,
+edele ridder," antwoordde Izaäk, "en zoo spoedig man en paard terug
+keeren kan, zal u de schat--" hier slaakte hij een diepen zucht,
+maar voegde er na een oogenblik zwijgens bij,--"zal u de schat hier
+uitbetaald worden."
+
+"Uw dochter!" zei Front-de-Boeuf, met een schijn van
+verwondering.--"Bij den Hemel, Izaäk, ik wenschte, dat ik dit
+geweten had. Ik dacht, dat het zwartoogige meisje uw bijzit was,
+en gaf haar, als dienstbare, aan den ridder Brian de Bois-Guilbert,
+naar de gewoonte van de aartsvaders en helden van den ouden tijd,
+welke ons hierin met een goed voorbeeld zijn voorgegaan."
+
+De gil, welken Izaäk bij deze ongevoelige mededeeling gaf, deed
+het gewelf weergalmen, en verraste de twee Saraceenen zoo zeer,
+dat zij den Jood loslieten. Hij maakte gebruik van deze vrijheid,
+om zich neder te werpen, en Front-de-Boeuf's knieën te omvatten.
+
+"Neem alles, wat gij geëischt hebt," riep hij. "Heer ridder;--neem
+tienmaal meer;--breng mij tot den bedelstaf, zoo gij wilt;--doorboor
+mij met dien dolk, leg mij op dien rooster, maar spaar mijn dochter,
+laat haar in eer en deugd vertrekken!--Bij de moeder, welke u het
+leven schonk, smeek ik u, spaar de eer van een hulpeloos meisje.--Zij
+is het evenbeeld van mijne overledene Rachel; zij is het laatste
+van zes panden harer liefde.--Wilt gij een ongelukkigen weduwnaar
+van zijn eenigen overgebleven troost berooven?--Wilt gij een vader
+dwingen, om te wenschen, dat zijn eenig in het leven gebleven kind,
+naast haar moeder in het graf onzer vaderen lag?"
+
+"Ik wilde," zei de Normandiër, een weinig aangedaan, "dat ik dit
+vooraf geweten had. Ik meende, dat uw stam niets beminde, dan zijne
+geldzakken?"
+
+"Denk niet zoo slecht van ons," zei Izaäk, begeerig om van dit
+oogenblik van schijnbare gevoeligheid gebruik te maken: "de vervolgde
+vos, de gekwelde wilde kat beminnen hun kroost.--Het verachte en
+vervolgde nageslacht van Abraham bemint ook zijne kinderen."
+
+"Het is zoo," zei Front-de-Boeuf; "ik wil het in het vervolg gelooven,
+Izaäk, om uwentwille;--maar dit baat ons nu niet. Ik kan niet weder
+goed maken hetgeen geschied is, en hetgeen nog geschieden kan; ik heb
+mijn wapenbroeder mijn woord gegeven, en ik zou het niet om tien Joden
+en Jodinnen willen breken. Buitendien, waarom denkt gij, dat het meisje
+kwaad zal overkomen, al valt zij zelfs in de handen van Bois-Guilbert?"
+
+"Er zal, er moet haar kwaad overkomen!" riep Izaäk, de handen angstig
+wringende. "Wanneer hebben de Tempeliers ooit iets anders bedacht
+dan de wreedheid tegen mannen en oneer tegen vrouwen?"
+
+"Ongeloovige hond!" riep Front-de-Boeuf, met vonkelende oogen, en
+misschien niet ontevreden, dat hij een voorwendsel gevonden had,
+om in drift te geraken: "Laster de heilige orde van den Tempel van
+Sion niet; maar denk er liever aan mij het losgeld te betalen, dat
+gij mij beloofd hebt, of wee u!"
+
+"Roover en booswicht!" riep de Jood, de beleedigingen van zijn
+onderdrukker met eene drift beantwoordende, welke, hoe onmachtig
+ook, hij nu niet meer beteugelen kon. "Ik wil niets betalen;--geen
+penning zal ik u geven, zoo mijne dochter in eer en deugd, mij niet
+teruggegeven wordt."
+
+"Zijt gij bij zinnen, Jood?" vroeg de Normandiër barsch.--"Is uw
+vleesch en bloed bestand tegen heet ijzer en kokende olie?"
+
+"Ik geef er niet om," zei de Jood, wanhopig geworden door vaderlijke
+liefde; "doe het ergste! Mijne dochter is mijn vleesch en bloed,
+duizendmaal dierbaarder voor mij dan het lichaam door uwe wreedheid
+bedreigd. Ik wil u geen zilver geven, tenzij ik het u gesmolten in
+de gierige keel kan gieten,--geen penning wil ik u geven, Nazarener,
+al kon die u van de zware verdoemenis redden, welke uw geheel leven
+verdiend heeft! Neem mijn leven, zoo gij wilt, en zeg, dat de Jood,
+te midden zijner martelingen, den Christen wist te leur te stellen."
+
+"Wij zullen dat eens zien," hernam Front-de-Boeuf, "want bij het
+heilige kruis, dat de afschuw van uw vervloekten stam is, gij zult
+het uiterste van vuur en staal gevoelen.--Ontkleedt hem, slaven,
+en bindt hem op de ijzeren stangen."
+
+In weerwil van den zwakken tegenstand van den grijsaard, hadden de
+Saraceenen hem reeds de bovenkleederen afgescheurd, en wilden hem
+geheel ontkleeden, toen de klank van een horen zich tweemaal buiten
+het kasteel liet hooren, en zelfs tot in den kerker doordrong: en
+onmiddellijk daarna, hoorde men stemmen, die om den ridder Reginald
+Front-de-Boeuf riepen. Daar de woeste edelman niet gaarne in deze
+helsche bezigheid wilde gevonden worden, gaf hij een teeken aan de
+slaven, om aan Izaäk zijne kleederen terug te geven, en, de gevangenis
+met zijn dienaars verlatende, liet hij den Jood achter, om God voor
+zijn redding te danken, of om de gevangenschap zijner dochter, en haar
+lot te beklagen, naarmate zijn persoonlijke of vaderlijke gevoelens
+de overhand kregen.
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Indien mijn vriendlijk woord niet baat,
+ Uw stuurschen zin niet om kan zetten,
+ Ik dwing tot liefde u als soldaat,
+ En min u strijdig met haar wetten.
+
+ De twee Edelen van Verona.
+
+
+De kamer, waarin de Jonkvrouw Rowena gebracht was, vertoonde eenige
+ruwe versiering en opschik, en men kon hare opsluiting aldaar als
+een bijzonder blijk van hoogachting beschouwen, die aan de overige
+gevangenen niet bewezen werd. Maar de echtgenoote van Front-de-Boeuf,
+voor wie het vertrek oorspronkelijk ingericht werd, was sedert lang
+overleden, en verval en verwaarloozing hadden de weinige sieraden
+verminkt, waarmede haar smaak de kamer opgesmukt had. Het behangsel
+hing, op vele plaatsen, bij den muur neer, en op andere was het door
+de kracht der zon verbleekt, of vergaan, of door ouderdom verscheurd
+en verwoest. Hoe vervallen dan ook de kamer scheen, was het toch die,
+welke men in het kasteel voor het gemak der Saksische erfdochter het
+geschiktst geoordeeld had; en daar liet men haar, om over haar lot
+na te denken, tot de handelende personen, in dit schandelijk bedrijf,
+de verscheidene rollen verdeeld hadden, welke zij spelen zouden. Dit
+was bepaald in een raad, gehouden door Front-de-Boeuf, De Bracy en
+den Tempelier, in welken zij, na eene lange en driftige beraadslaging
+over de verschillende voordeelen, welke ieder, voor zijn eigen aandeel,
+uit deze stoute onderneming wilde trekken, ten laatste het lot hunner
+ongelukkige gevangenen beslist hadden.
+
+Het was dus omtrent den middag, toen De Bracy, door wien de onderneming
+eigenlijk beraamd was, verscheen, om zijne plannen op de hand en de
+goederen van Rowena door te zetten. Den tusschentijd had hij niet
+geheel en al besteed, om te raadplegen met zijne bondgenooten; maar
+hij had zich met al de pracht van die tijden opgesmukt. Zijn groen
+wambuis en masker waren afgelegd. Zijn lang, schoon haar hing in zware
+krullen over zijnen met rijk bont bezetten mantel. Zijn baard was
+kort geschoren, zijn wambuis hing tot op het midden van zijn been,
+en de gordel, welke het vasthield, en tegelijk zijn groot zwaard
+droeg, was geborduurd en bezet met goud. Wij hebben reeds van de
+buitensporige mode der schoenen van dien tijd gesproken, en de punten
+van die van Maurice De Bracy konden aan de schoonsten van dien aard
+den prijs betwisten, daar ze gedraaid en opgekruld waren als de horens
+van een ram. Zoo was de kleeding van een hofjonker van dit tijdvak;
+en in het tegenwoordige geval werd de uitwerking daarvan bevorderd
+door het schoone voorkomen en de beschaafde manieren van den ridder,
+wiens houding de bevalligheid van den hoveling met het ongedwongene
+van den krijgsman vereenigde.
+
+Hij groette Rowena, door zijn fluweelen _baret_ af te nemen, die met
+een gouden speld versierd was, verbeeldende St. Michiel, den Satan
+onder de voeten tredende. Hierna wees hij de dame vriendelijk een
+stoel aan, en daar ze er geen gebruik van scheen te willen maken
+trok de ridder den handschoen van de rechterhand uit, en bood
+haar die aan, om haar naar den stoel te geleiden. Maar Rowena wees
+zwijgend de aangebodene beleefdheid van de hand, en zei: "Zoo ik in
+tegenwoordigheid van mijn bewaarder ben, heer ridder, zooals alle
+omstandigheden mij overtuigen, dan betaamt het zijne gevangene te
+blijven staan, tot ze haar vonnis vernomen heeft."
+
+"Ach! schoone Rowena," hernam De Bracy, "gij zijt in tegenwoordigheid
+van uw gevangene, en niet van uw bewaarder, en het is van uwe schoone
+oogen, dat De Bracy dat vonnis moet ontvangen, hetwelk gij te vergeefs
+van hem verwacht."
+
+"Ik ken u niet, ridder,"--zei de Jonkvrouw, zich verheffende met al
+de trotschheid van beleedigden rang en schoonheid;--"ik ken u niet;
+en de onbeschaamde gemeenzaamheid, waarmede gij mij in de wartaal der
+troubadours aanspreekt, is geene verontschuldiging voor het geweld
+van den roover."
+
+"Aan u zelve, schoone dame," antwoordde De Bracy op zijn vorigen
+toon,--"aan uwe eigene bekoorlijkheden moet gij alles wijten, wat ik
+strijdig gedaan heb met den eerbied jegens haar, die ik tot koningin
+van mijn hart en leidstar van mijne oogen gekozen heb."
+
+"Ik herhaal het, heer ridder, dat ik u niet ken, en dat geen man,
+die ridderketen en sporen draagt, zich aldus bij eene weerlooze vrouw
+moest opdringen."
+
+"Dat ik onbekend bij u ben," zei De Bracy, "is inderdaad mijn ongeluk;
+laat mij, evenwel, hopen, dat De Bracy's naam niet altijd ongenoemd is
+gebleven, als minnezangers en herauten de heldendaden der ridderschap,
+in het strijdperk en op het slagveld, geprezen hebben."
+
+"Laat dan, heer ridder," hernam Rowena, "uw lof over aan de lofspraak
+van herauten en minnezangers, daar die beter in hun mond past, dan in
+den uwe, en zeg mij, wie van hen, in een gezang of toernooiboek, de
+merkwaardige zegepraal van dezen nacht zal verhalen, een zegepraal, die
+gij behaald hebt op een ouden man, vergezeld door eenige vreesachtige
+dienstbaren, en waarvan de buit bestaat in een ongelukkig meisje, dat
+men tegen wil en dank naar het kasteel van een roover gevoerd heeft."
+
+"Gij zijt onbillijk, Jonkvrouw," zei de ridder, zich verlegen op de
+lippen bijtende, en een toon aannemende, die hem natuurlijker was,
+dan de gemaakte hoffelijkheid, die hij eerst gebruikt had; "daar gij
+zelve door geen hartstocht bezield zijt, kunt gij de razernij van een
+ander niet verontschuldigen, schoon die door uwe eigene schoonheid
+veroorzaakt is."
+
+"Ik bid u, heer ridder," hervatte Rowena, "niet voort te gaan met
+een taal, die zoo afgesleten is door rondreizende minnezangers, dat
+ze niet in den mond van ridders of edelen past. Waarlijk, gij dwingt
+mij, te gaan zitten, daar gij zulke afgezaagde uitdrukkingen gebruikt,
+waarvan ieder gemeene speelman een voorraad heeft, waarmede hij van
+heden tot Kerstmis uitkomen kon."
+
+"Hoogmoedige Jonkvrouw," zei De Bracy vertoornd, daar hij zag,
+dat zijn hoogdravende stijl hem niets dan verachting op den hals
+haalde;--"hoogmoedige Jonkvrouw, gij zult met gelijken hoogmoed
+behandeld worden. Verneem dan, dat ik mijn aanzoek om uwe hand op
+de meest met mijn karakter overeenstemmende wijze heb gedaan. Het
+past beter voor uwe inborst met geweld gevrijd te worden, dan met
+smeekende woorden en hoffelijke taal."
+
+"Hoffelijke taal," hernam Rowena, "gebruikt om eene lage daad te
+verbergen, is niets dan een riddergordel om het lichaam van een lagen
+boer. Het verwondert mij niet, dat de terughouding u zwaar valt;--het
+zou u meer tot eer verstrekken, zoo gij de kleeding en de taal van
+een roover hadt behouden, dan diens daden onder eene aangenomen edele
+taal en houding te verbergen."
+
+"Gij geeft mij daar een goeden raad," zei De Bracy; "en in de stoute
+taal, welke het best aan stoute daden betaamt, zeg ik u, dat gij
+dit kasteel nooit anders zult verlaten, dan als de echtgenoote van
+De Bracy. Ik ben niet gewoon, in mijne ondernemingen gedwarsboomd
+te worden; en een Normandisch edelman behoeft niet eens zijn gedrag
+angstig te rechtvaardigen voor het Saksische meisje, dat hij met het
+aanbod zijner hand vereert. Gij zijt trotsch, Rowena; wel nu, des te
+geschikter zijt gij, om mijne echtgenoote te worden. Door welk ander
+middel, dan door eene verbintenis met mij, kunt gij tot hooge eer en
+tot een vorstelijken stand verheven worden? Hoe wilt gij anders uit
+de benauwde vertrekken van eene boerenwoning verlost worden, waar de
+Saksers zich opsluiten met de zwijnen, welke hun rijkdom uitmaken,
+om uw plaats in te nemen, geëerd zooals het betaamt, onder alles, wat
+in Engeland door schoonheid uitmunt, of door macht verheerlijkt is?"
+
+"Heer ridder," hernam Rowena, "de woning, welke gij veracht, is van
+mijne kindsheid af mijne schuilplaats geweest; en geloof mij, als
+ik ze verlaat,--zoo die dag ooit verschijnt,--dan zal het zijn met
+een man, die niet geleerd heeft de woning en de zeden te verachten,
+in welke ik opgevoed ben."
+
+"Ik gis uwe meening, Jonkvrouw," zei De Bracy, "schoon ge u verbeelden
+moogt, dat ze te diep ligt voor mijn begrip. Maar droom niet, dat
+Richard Leeuwenhart ooit zijn troon weder zal bestijgen, noch veel
+minder, dat zijn gunsteling, Wilfrid van Ivanhoe, u ooit naar den
+voet van dien troon zal geleiden, om daar, als de bruid van des
+Konings gunsteling, verwelkomd te worden. Een ander minnaar zou
+jaloersch kunnen worden bij het aanraken van deze snaar; maar mijn
+vast voornemen kan niet veranderd worden door een zoo kinderachtigen
+en hopeloozen hartstocht. Verneem, Jonkvrouw, dat deze medeminnaar
+in mijn macht is, en dat het alleen van mij afhangt, om het geheim
+van zijne tegenwoordigheid in het kasteel Front-de-Boeuf te verraden,
+wiens ijverzucht noodlottiger zou zijn, dan de mijne."
+
+"Wilfrid hier?" zei Rowena met verachting. "Het is even waar als dat
+Front-de-Boeuf zijn medeminnaar is."
+
+De Bracy zag haar een oogenblik strak aan. "Waart gij hiervan werkelijk
+onkundig?" zei hij. "Wist gij niet, dat hij in den draagstoel
+van den Jood reisde?--Een schoon geleide voor den kruisvaarder,
+wiens machtige arm het Heilig Graf moest veroveren!" voegde hij,
+verachtelijk lachende, er bij.
+
+"En al is hij hier," zei Rowena, met geveinsde onverschilligheid,
+schoon sidderende met een angstig gevoel, dat zij niet kon
+onderdrukken, "waarin zou hij Front-de-Boeufs mededinger zijn? Of
+wat heeft hij te vreezen, behalve eene korte gevangenschap, en een
+eervol losgeld, volgens het gebruik der ridderschap?"
+
+"Rowena," hervatte De Bracy, "deelt gij ook in den gewonen waan
+van uw geslacht, dat er geen andere naijver kan zijn, dan om uwe
+bekoorlijkheden? Weet gij niet, dat er jaloezie is om eerzucht en
+rijkdom, zoowel als om liefde; en dat onze gastheer Front-de-Boeuf
+iedereen uit den weg zal ruimen, die zijn eisch op de schoone baronie
+van Ivanhoe tegengaat, even gereedelijk en hartstochtelijk, en met even
+weinig nauwgezetheid, alsof zijn mededinger hem door een blauwoogig
+meisje werd voorgetrokken? Maar verhoor mijn aanzoek, Jonkvrouw, en
+de gekwetste ridder zal niets te vreezen hebben van Front-de-Boeuf,
+terwijl gij anders om hem treuren kunt, daar hij zich in de handen
+van een man bevindt, die nog nooit medelijden getoond heeft."
+
+"Red hem, om des Hemels wil!" riep Rowena, wier standvastigheid bezweek
+onder den angst over het lot, dat haren minnaar boven het hoofd hing.
+
+"Ik kan het,--ik wil het,--dit is mijn voornemen," hernam De Bracy:
+"want, als Rowena er in toestemt, om De Bracy's bruid te worden,
+wie zal dan de hand durven slaan aan haar bloedverwant,--den zoon van
+haar voogd,--den speelmakker harer jeugd. Maar door uwe liefde moet
+gij zijne bescherming koopen. Ik ben niet romantisch of gek genoeg,
+om het geluk te bevorderen, of den dood af te wenden van een man,
+die mij waarschijnlijk in mijne wenschen dwarsboomen zou. Gebruik
+uw invloed op mij tot zijn voordeel, en hij is gered; weiger dit:
+Wilfrid sterft, en gij zijt geen stap nader bij de vrijheid!"
+
+"Uw taal," antwoordde Rowena, "heeft in haar onverschillige lompheid
+iets, dat niet kan overeen gebracht worden met de ijselijkheden,
+welke ze schijnt uit te drukken. Ik geloof niet, dat uw voornemen
+zoo boosaardig, of uwe macht zoo groot is!"
+
+"Vlei u dan maar met dit geloof," hervatte De Bracy, "tot de tijd zal
+toonen, dat het valsch is. Uw minnaar ligt gewond in dit kasteel;--uw
+begunstigde minnaar! Hij is een hinderpaal tusschen Front-de-Boeuf en
+hetgeen bij hem hooger staat dan eerzucht of schoonheid. Het zou niet
+meer kosten dan één dolksteek, of een stoot met een spies, om hem voor
+altijd tot zwijgen te brengen. Stel zelfs, dat Front-de-Boeuf eene zoo
+in het oog loopende misdaad niet durfde verrichten; laat de arts zijn
+patient maar een verkeerd geneesmiddel geven;--laat de kamerdienaar,
+of de oppasser, die hem bedient, hem slechts onzacht de peluw van
+onder het hoofd rukken, en Wilfrid is, in zijn tegenwoordigen toestand,
+zonder bloedstorting, uit den weg geruimd. Cedric ook--"
+
+"En Cedric ook," zuchtte Rowena, zijne woorden herhalende; "mijn edele,
+grootmoedige voogd! Ik verdien de ramp, die mij getroffen heeft,
+daar ik zijn lot om dat van zijn zoon vergeten heb."
+
+"Cedric's lot hangt ook van uw besluit af," zei De Bracy; "en ik
+verlaat u, om er over na te denken."
+
+Tot hiertoe had Rowena hare rol in deze beproeving met onverschrokken
+moed volgehouden, maar alleen omdat zij het gevaar noch als ernstig,
+noch als dringend beschouwde. Haar karakter was van natuur dat, hetwelk
+de gelaatkundigen als eigenaardig aan blonde vrouwen toekennen; zacht,
+vreesachtig en goedig; maar het was gewijzigd, en als het ware verhard
+geworden, door de omstandigheden van hare opvoeding. Gewoon om den
+wil van allen, zelfs van Cedric, die voor het overige vrij onbuigzaam
+was jegens anderen, voor hare wenschen te zien onderdoen, had zij
+die soort van moed en zelfvertrouwen verworven, welke voortspruit
+uit de gedurige inschikkelijkheid der menschen, in wier kring wij ons
+bewegen. Zij kon nauwelijks aan de mogelijkheid denken, dat men zich
+tegen haar wil zou verzetten, veel minder, dat men er in het geheel
+geen acht op zou slaan.
+
+Haar trotschheid en hoogmoed waren dus slechts aangenomen
+hoedanigheden, welke diegene, die haar aangeboren waren, verdrongen
+hadden, en ze verlieten haar zoodra haar de oogen geopend werden voor
+haar eigen gevaar en voor dat van haar minnaar en van haar voogd,
+en zoodra zij bevond, dat haar wil, welken zij gewoon was geëerd en
+opgevolgd te zien, aan dien van een sterk, trotsch en vast mannelijk
+gemoed tegenover stond, dat bovendien de overmacht reeds bezat,
+en besloten had er gebruik van te maken.
+
+Nadat zij de oogen in het rond geslagen had, als om hulp te zoeken,
+welke nergens te vinden was, en na eenige onsamenhangende uitroepingen,
+hief zij de ineengeslagen handen ten hemel, en barstte uit in tranen
+van onmatige droefheid en smart.
+
+Het was onmogelijk zulk een schoon wezen in zooveel ellende te zien,
+zonder medelijden te gevoelen, en De Bracy bleef niet onaangedaan,
+ofschoon hij eerder verlegen dan verteederd werd. Hij was inderdaad te
+ver gegaan, om weder terug te treden; en evenwel kon hij, in Rowena's
+tegenwoordige gemoedsgesteldheid, noch met bewijsgronden, noch met
+bedreigingen op haar werken. Hij liep in het vertrek heen en weer,
+nu eens te vergeefs het verschrikte meisje vermanende, om te bedaren,
+dan weder aarzelende ten opzichte van zijne eigene verdere houding.
+
+"Zoo ik door de tranen en de smart van dit troostelooze meisje bewogen
+werd," dacht hij, "wat zou ik anders inoogsten dan het verlies van de
+schoone hoop, voor welke ik zooveel gewaagd heb, en de spotternijen van
+Prins Jan en zijne lustige makkers? En toch," zei hij in zich zelven,
+"gevoel ik mij slecht geschikt voor de rol, die ik speel. Ik kan dat
+schoon gezicht, door smart ontsteld, en die in tranen zwemmende oogen
+niet langer aanschouwen! Ik wilde, dat ze haar eerste trotschheid van
+karakter behouden had, of dat ik meer van de onwrikbare hardvochtigheid
+van Front-de-Boeuf bezat."
+
+Verontrust door deze gedachten, kon hij niets anders doen, dan de
+ongelukkige Rowena bidden zich te troosten, en haar verzekeren, dat ze
+vooralsnog geene reden had tot de vlaag van wanhoop, waaraan zij zich
+overgaf. Maar in deze taak van vertroosting werd De Bracy gestoord
+door den horen, die "schor, ver en luid weergalmende" tegelijk de
+overige bewoners van het kasteel verschrikt en de uitvoering van hun
+verschillende plannen van geldzucht of losbandigheid gestoord had. De
+Bracy was misschien van allen het minst over deze stoornis ontevreden;
+want zijn gesprek met de Jonkvrouw Rowena was tot die hoogte gekomen,
+dat hij het even moeielijk vond, zijne onderneming door te drijven,
+als ze op te geven.
+
+En hier oordeelen wij het niet onnoodig, eenige krachtiger bewijzen te
+geven, dan de voorvallen van een verdicht verhaal om de waarheid van
+het tafereel, dat wij van de bedorvenheid der zeden opgehangen hebben,
+te staven. Het is een pijnlijke gedachte, dat die dappere baronnen,
+aan wier wederstand tegen de kroon, Engeland zijn vrijheden te
+danken heeft, zelven verschrikkelijke geweldenaars waren, in staat
+tot buitensporigheden, strijdig niet alleen met de wetten van het
+rijk, maar zelfs met die der natuur en der menschelijkheid. Maar,
+helaas, wij behoeven slechts uit den vlijtigen Henry een dier talrijke
+bladzijden af te schrijven, welke hij uit schrijvers van dien tijd
+heeft verzameld, om te bewijzen, dat de verdichting zelve nauwelijks de
+droevige wezenlijkheid der ijselijkheden van dit tijdvak kan evenaren.
+
+De schilderij, welke de schrijver van de Saksische Kroniek ophangt van
+de wreedheden onder de regeering van Koning Steven, uitgeoefend door
+de groote baronnen en heeren van kasteelen, welke allen Normandiërs
+waren, levert een sterk bewijs op van de buitensporigheden, waartoe
+zij in staat waren, als hunne driften gaande gemaakt werden. "Zij
+onderdrukten het arme volk geweldig, door het bouwen van kasteelen;
+en als deze voltooid waren, bezetten zij ze met goddelooze mannen,
+of liever duivels, welke alle mannen en vrouwen grepen, die zij
+waanden eenig geld te bezitten, hen in de gevangenis wierpen, en
+hun wreeder kwellingen aandeden, dan ooit de martelaars ondergaan
+hebben. Sommigen deden zij stikken in de modder, anderen hingen zij
+bij de voeten, het hoofd, of de duimen op, en staken vuur onder hen
+aan. Zij bonden sommigen met touwen vol knoopen het hoofd, totdat zij
+hun de hersens indrukten, terwijl zij anderen in kerkers wierpen, vol
+slangen, adders en padden." [23] Maar het zou wreed zijn om den lezer
+de straf op te leggen, het overige van deze beschrijving te doorlezen.
+
+Als een ander voorbeeld van de bittere vruchten der verovering,
+en misschien het sterkste, dat kan worden aangehaald, kunnen wij
+melden, dat de Keizerin Mathilde, ofschoon een dochter van den Koning
+van Schotland, en naderhand Koningin van Engeland en Keizerin van
+Duitschland, de dochter, gemalin en moeder van Vorsten, verplicht
+was, gedurende haar verblijf in Engeland, waar zij hare opvoeding
+zou ontvangen, den sluier aan te nemen, als het eenige middel, om aan
+de losbandige vervolgingen der Normandische edelen te ontkomen. Deze
+verontschuldiging gebruikte zij voor een grooten raad van de Engelsche
+geestelijkheid als de eenige reden, om welke zij het geestelijk gewaad
+had aangenomen. De vergaderde geestelijkheid vergenoegde zich met deze
+verschooning, steunende op de bekendheid der omstandigheden, waarop
+ze gegrond was, en gaf dus eene ontwijfelbaar en allermerkwaardigst
+getuigenis van het bestaan dier schandelijke losbandigheid, welke
+die eeuw bevlekte. "Het was algemeen bekend," zeide zij, "dat, na de
+verovering van Koning Willem, zijn Normandische volgelingen, trotsch
+geworden door eene zoo groote overwinning, geen andere wet erkenden,
+dan hun eigen, goddeloozen wil, en de overwonnen Saksers niet alleen
+van land en goed beroofden, maar de eer hunner vrouwen en dochters
+met de meest teugellooze ongebondenheid schonden; en van daar was
+het de gewoonte van vrouwen en meisjes van adellijke familie, den
+sluier aan te nemen, en in de kloosters eene schuilplaats te zoeken,
+niet als geroepen door de stem van God, maar alleen om haar eer tegen
+de toomelooze slechtheid der mannen te bewaren."
+
+Zoodanig en zoo losbandig waren die tijden, volgens de openlijke
+verklaring van de vergaderde geestelijkheid, zoo als Eadmer die
+geboekt heeft; en wij behoeven er niets meer bij te voegen, om de
+waarschijnlijkheid der tooneelen te rechtvaardigen, die wij reeds
+beschreven hebben en nog beschrijven zullen, op het meer apocrief
+gezag van het Wardour Handschrift.
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Ik wil haar vrijen, zooals de leeuw zijn bruid.
+
+ Douglas.
+
+
+Terwijl de door ons beschreven tooneelen in andere gedeelten van
+het kasteel voorvielen, wachtte de Jodin Rebekka haar lot af, in een
+verafgelegen en afgezonderden toren. Derwaarts werd zij gebracht door
+twee van de vermomde roovers, en nadat zij in een klein vertrekje was
+geschoven, bevond zij zich in de tegenwoordigheid van een oude vrouw,
+die een Saksisch liedje neuriede, alsof zij de maat wilde houden bij
+het draaien van haar spinnewiel. De oude vrouw verhief het hoofd
+bij het binnenkomen van Rebekka, en gluurde naar de schoone Jodin
+met dien boosaardigen nijd, waarmede de ouderdom en de leelijkheid,
+gepaard met het ongeluk, gewoon zijn jeugd en schoonheid te beschouwen.
+
+"Gij moet opstaan en van hier weggaan, oude," zei een der mannen;
+"onze edele meester beveelt het. Gij moet deze kamer aan een schooner
+overlaten."
+
+"Ach," bromde de oude, "zoo worden mijne diensten beloond! Ik heb den
+dag beleefd, dat alleen mijn woord den besten krijgsman onder u uit
+den zadel en den dienst zou geworpen hebben; en nu moet ik op en weg,
+op bevel van een stalknecht, zooals gij!"
+
+"Goede vrouw Urfried," zei de andere, "houd u niet met redeneeren
+op, maar sta op en pak u weg. Aan des meesters bevelen moet men
+vlug gehoorzamen. Gij hebt uw dag gehad, oude dame, maar uwe zon is
+reeds lang ondergegaan. Gij zijt nu het ware zinnebeeld van een oud
+krijgspaard, dat men op de dorre heide jaagt;--gij hebt in uw tijd
+ook doorgedraafd, maar nu is een langzame sukkelgang al wat voor u
+is overgebleven. Kom, sukkel weg van hier!"
+
+"Moge de booze u vervolgen!" riep de oude, "en het galgenveld uwe
+begraafplaats zijn! moge de duivel Zernebock mij verscheuren, als
+ik mijn kamertje verlaat, voor dat ik het vlas van mijn spinrokken
+afgesponnen heb."
+
+"Verantwoord dat bij onzen meester, oud spook," zei de man heengaande,
+en Rebekka in het gezelschap van de oude latende, in wier bijzijn
+men haar zoo tegen wil en dank gebracht had.
+
+"Welke duivelsche daad hebben zij nu in den zin?" zei de oude heks,
+in zichzelve brommende, terwijl zij van tijd tot tijd een slinkschen
+en boosaardigen blik op Rebekka wierp; "maar het is gemakkelijk te
+raden.--Glinsterende oogen, zwarte lokken, en een vel zoo wit als
+papier, voordat de priester het met zijn zwarten inkt besmet.--Ach,
+het is zoo gemakkelijk te raden, waarom zij haar naar dat eenzaam
+torentje zenden, waaruit men het geschreeuw evenmin kan hooren, alsof
+het van vijfhonderd vademen onder den grond kwam. Gij zult uilen tot
+buren hebben, meisje, en hun gekras zal even ver als het uwe gehoord,
+en even zooveel opgemerkt worden. Ook nog eene buitenlandsche,"
+zei zij, de kleeding en den tulband van Rebekka opmerkend.--"Uit
+welk land zijt gij?--Een Saraceensche? of een Egyptische?--Waarom
+antwoordt gij niet?--Gij kunt weenen; kunt gij dan ook niet spreken?"
+
+"Wees niet boos, moeder!" smeekte Rebekka.
+
+"Gij behoeft geen woord meer te zeggen," hernam Urfried: "men kent
+den vos aan zijn staart, en een Jodin aan hare spraak."
+
+"Om Gods wil," zei Rebekka, "wat moet ik verwachten na het geweld,
+waarmede men mij hierheen heeft gesleept? Is het mijn leven, dat
+zij zoeken, om voor mijn godsdienst te boeten? Ik wil het gaarne
+daarvoor opofferen."
+
+"Uw leven, zottinnetje?" antwoordde de oude, "wat vermaak zouden
+zij er in vinden, om u het leven te benemen?--Geloof mij, uw leven
+is niet in het minste gevaar. U is dezelfde behandeling toegedacht,
+die men eens goed genoeg rekende voor een edel Saksisch meisje. En
+zal eene Jodin, zooals gij, morren, dat zij niet beter dan deze
+behandeld wordt? Zie mij maar aan.--Ik was jong en tweemaal zoo
+schoon als gij, toen Front-de-Boeuf, de vader van dezen Reginald,
+en zijn Normandiërs dit kasteel bestormden. Mijn vader en zijne zeven
+zonen verdedigden hun vaderlijk erf van verdieping tot verdieping, van
+kamer tot kamer.--Er was geen vertrek, geen trap, die niet glibberig
+was van hun bloed. Zij stierven:--zij stierven tot den laatsten man;
+en nog eer hun lichamen koud waren, eer hun bloed opgedroogd was,
+werd ik de buit en het verachte slachtoffer van den overwinnaar!"
+
+"Is er geene hulp?--Zijn er geene middelen om te ontvluchten?" riep
+Rebekka. "Rijkelijk, rijkelijk zou ik uw bijstand vergelden!"
+
+"Denk daar niet aan," zei de oude; "uit deze plaats is er geen andere
+uitweg, dan door de poorten des doods; en het wordt laat, zeer laat,"
+voegde zij er bij, het grijze hoofd schuddende, "eer die zich voor
+ons openen.--Het is echter een troost te denken, dat wij menschen op
+aarde teruglaten, die even ellendig zijn als wij. Vaarwel, Jodin!--Jood
+of Heiden, uw lot zou hetzelfde zijn; want gij hebt met menschen te
+doen, die medelijden noch vrees kennen. Vaarwel, zeg ik. Mijn draad
+is afgesponnen;--uwe taak moet eerst beginnen."
+
+"Blijf! blijf! om Gods wil!" riep Rebekka; "Blijf, al is het ook om
+mij te beschimpen en mij te vervloeken.--Uwe tegenwoordigheid is toch
+nog eenige bescherming."
+
+"De tegenwoordigheid van de Moeder Gods zou geene bescherming voor u
+zijn!" antwoordde de oude. "Daar staat ze," op een ruw beeld van de
+Heilige Maagd wijzende, "zie of zij het lot, dat u te wachten staat,
+kan afwenden!"
+
+Dit zeggende verliet zij de kamer, terwijl haar gelaat zich tot
+een honenden lach vertrok, die nog leelijker was, dan haar gewone
+boosaardige uitdrukking. Zij sloot de deur achter zich, en Rebekka
+kon haar verwenschingen bij iedere schrede hooren, over de steilheid
+van de toren-trap, welke zij langzaam en met moeite afklom.
+
+Rebekka had nu een nog verschrikkelijker lot te duchten dan
+Rowena; want welke waarschijnlijkheid was er, dat men zachtheid of
+toegevendheid ten opzichte eener vrouw van haren onderdrukten stam
+zou gebruiken, hoewel men den schijn daarvan ook nog tegenover een
+Saksische erfdochter bewaarde? De Jodin had evenwel dit voordeel,
+dat zij beter door de gewoonte van na te denken, en door natuurlijke
+sterkte van geest was voorbereid, de gevaren tegemoet te zien,
+waaraan zij blootgesteld was. Daar zij van haar teederste jaren
+krachtig en opmerkzaam van aard was, hadden de pracht en de rijkdom,
+welke haar vader binnen zijne muren ten toon spreidde of welke ze
+in de huizen van andere vermogende Hebreërs zag, haar niet verblind
+voor de onveiligheid, in welke zij die genoten. Even als Damocles bij
+zijn beroemd gastmaal, zag Rebekka gedurig, midden onder die pracht,
+het zwaard, dat aan een enkel haar boven het hoofd van haar volk
+hing. Deze overwegingen hadden een karakter bezadigd en verstandig
+gemaakt, dat, onder andere omstandigheden, trotsch, overmoedig en
+eigenzinnig had kunnen worden.
+
+Uit haars vaders voorbeeld en voorschriften had Rebekka geleerd zich
+beleefd te gedragen jegens allen, die in hare nabijheid kwamen. Zij
+kon, wel is waar, zijne overdrevene onderdanigheid niet navolgen,
+omdat de laagheid van ziel en de aanhoudende vrees, door welke die
+veroorzaakt werd, haar vreemd waren; maar zij gedroeg zich met eene
+trotsche nederigheid, alsof ze zich onderwierp aan de ongelukkige
+omstandigheden, waarin zij geplaatst was, als de dochter van een
+verachten stam, terwijl zij in haar hart de bewustheid gevoelde,
+dat zij door haar verdiensten het recht had, een hoogeren rang te
+bekleeden, dan die naar welke de willekeurige dwinglandij van het
+godsdienstig vooroordeel haar vergunde te streven.
+
+Aldus voorbereid om rampen tegemoet te zien, had zij de noodige
+standvastigheid verkregen, om te handelen. Haar toestand vorderde al
+hare tegenwoordigheid van geest, en zij bereidde zich derhalve voor.
+
+Haar eerste zorg was het vertrek te onderzoeken; maar dit leverde
+weinig hoop op redding of bescherming. Het bevatte noch verborgen
+uitgang, noch valdeur, en scheen, op de deur na, waardoor zij binnen
+gekomen was, en welke het met het hoofdgebouw vereenigde, door den
+ronden buitenmuur van het torentje omgeven te zijn. De deur had van
+binnen slot noch grendel. Het eenige venster zag uit op een kleine
+ruimte met eene borstwering, die Rebekka, op het eerste gezicht,
+eenige hoop op redding gaf; maar zij bevond weldra, dat die in geene
+verbinding stond met eenig ander gedeelte der vestingwerken, daar het
+een soort van balkon was, door een muurtje met schietgaten versterkt,
+waarop eenige boogschutters konden geplaatst worden, om het torentje
+te verdedigen, en den muur aan dien kant van het kasteel te bestrijken.
+
+Er was dus geen andere hoop, dan in lijdzamen moed, en in dat sterke
+vertrouwen op den Hemel, hetwelk aan groote en edelmoedige karakters
+eigen is. Hoe zonderling Rebekka de beloften der Heilige Schrift
+aan het uitverkoren volk des Hemels ook had leeren uitleggen, zoo
+dwaalde ze toch hierin niet, dat het tegenwoordige uur, het uur der
+beproeving was, en dat zij vast geloofde, dat de kinderen van Sion
+eens met de Heidenen tot het heil zouden geroepen worden. Intusschen
+bleek uit alles, wat haar omgaf, dat hun tegenwoordige staat die
+van straf en beproeving was, en dat het hun bijzondere plicht was
+te lijden, zonder te zondigen. Aldus, gereed om zich te beschouwen
+als het slachtoffer van het ongeluk, had Rebekka vroeg over haar
+toestand leeren nadenken, en de gevaren tegemoet gezien, die haar
+waarschijnlijk te wachten stonden.
+
+De gevangene beefde evenwel, en verbleekte, toen zij een voetstap op
+de trap hoorde, de deur van het torentje langzaam geopend werd, en een
+groot man, gekleed als een dier bandieten, aan wie zij hun ongeluk
+te wijten hadden, zachtjes binnentrad, en de deur achter zich toe
+deed. Zijne muts, welke hij over het voorhoofd getrokken had, verborg
+het bovenste gedeelte van zijn gelaat, en het overige er van was in
+zijn mantel gehuld. In deze vermomming stond hij voor de verschrikte
+gevangene, alsof hij bereid was tot de uitvoering eener daad, waarover
+hij zich schaamde; maar hoezeer hem zijne kleeding ook als een schurk
+kenmerkte, scheen hij toch verlegen te zijn, om te verklaren welk
+oogmerk hem derwaarts gevoerd had; zoodat Rebekka, zich zelve geweld
+aandoende, tijd had zijne verklaring te voorkomen. Zij had reeds
+twee kostelijke armbanden en een halssnoer losgemaakt, die ze zich
+haastte den gewaanden roover aan te bieden, natuurlijk besluitende,
+dat, om zijne gunst te winnen, ze zijne hebzucht bevredigen moest.
+
+"Neem dit, goede vriend," zei ze, "en wees om Gods wil barmhartig
+jegens mij en mijn ouden vader! Deze sieraden zijn van groote
+waarde, en toch zijn zij slechts eene kleinigheid bij wat wij u
+zouden schenken, als gij ons vrij en ongeschonden uit dit kasteel
+ontslaan wildet."
+
+"Schoone bloem van Palestina," hernam de roover, "deze paarlen zijn
+Oostersche; maar ze moeten in witheid voor uw tanden onderdoen,
+de diamanten zijn schitterend, maar zij kunnen niet met uw oogen
+wedijveren; en toen ik dit woeste beroep opvatte, heb ik eene gelofte
+gedaan, aan de schoonheid den voorrang boven den rijkdom te geven."
+
+"Doe u zelven dit ongelijk niet aan," zei Rebekka; "neem het
+losgeld, en heb medelijden!--Voor goud kunt gij alles koopen;--ons te
+mishandelen zou u alleen wroeging verschaffen. Mijn vader zal gaarne
+uw overdrevenste wenschen bevredigen; en zoo ge verstandig wilt
+handelen, kunt gij u met ons geld weder toegang tot de maatschappij
+koopen, vergiffenis voor vorige misdaden verkrijgen, en buiten de
+noodzakelijkheid geraken, om er nieuwe te begaan."
+
+"Gij hebt goed gesproken," hervatte de roover in het Fransch, daar
+hij het waarschijnlijk moeielijk vond, een gesprek in het Saksisch
+vol te houden, dat Rebekka in die taal begonnen was; "maar weet,
+schoone lelie van het dal Baca, dat uw vader reeds in handen is van
+een machtigen alchymist, die het geheim kent, om zelfs de verroeste
+staven van een gevangenis-haard in goud en zilver te veranderen. De
+eerwaardige Izaäk is in handen van iemand, die hem alles afpersen zal,
+wat hem dierbaar is, zonder mijn bijstand of uw smeeken er bij noodig
+te hebben. Uw losgeld moet betaald worden door liefde en schoonheid,
+en ik zal geene andere munt aannemen."
+
+"Gij zijt geen roover," hernam Rebekka, in dezelfde taal, waarin
+hij haar aansprak; "geen roover zou zulke aanbiedingen van de hand
+gewezen hebben! Geen roover in dit land kent den tongval, in welken
+gij gesproken hebt. Gij zijt geen roover, maar een Normandiër;
+misschien edel van geboorte;--o, wees dat ook in uwe daden, en werp
+dit schrikkelijke masker van misdaad en geweld af!"
+
+"En gij, die zoo waar kunt gissen," zei Brian de Bois-Guilbert,
+den mantel voor zijn gezicht weg doende, "zijt geene ware dochter
+van Israël, maar in alles, behalve in jeugd en schoonheid, een echte
+tooveres van Endor. Ik ben geen roover, schoone roos van Saron. Ik
+ben een man, die uwe armen en hals eerder met paarlen en diamanten
+behangen, dan u van deze sieraden berooven zal."
+
+"Wat wilt gij dan van mij," vroeg Rebekka, "zoo het mijn rijkdom
+niet is?--Wij kunnen niets met elkander gemeen hebben; gij zijt een
+Christen, ik een Jodin. Onze vereeniging zou strijdig zijn met de
+wetten van de Kerk zoowel als met die van de Synagoge."
+
+"Dat zou ze wezenlijk zijn," hernam de Tempelier lachende; "eene
+Jodin trouwen? _Despardieux!_--Neen, al was zij ook de Koningin van
+Scheba. En verneem buitendien, schoone dochter van Sion, dat, al bood
+de Allerchristelijkste Koning mij zijne allerchristelijkste dochter,
+met Languedoc tot bruidschat aan, ik haar niet trouwen kon. Het is
+tegen mijne gelofte, eenig meisje anders te beminnen, dan _par amours_,
+zooals ik u bemin. Ik ben een Tempelier. Ziedaar het kruis van mijn
+heilige orde."
+
+"Durft gij u daarop beroepen," zei Rebekka, "bij eene gelegenheid
+als deze?"
+
+"En indien ik het doe," zei de Tempelier, "raakt het u niet; daar
+gij niet gelooft aan het heilige teeken onzer verlossing."
+
+"Ik geloof, hetgeen mijne vaders leerden," zei Rebekka, "en God moge
+mij mijn geloof vergeven, zoo ik dwaal. Maar gij, heer ridder, wat
+is uw geloof, als gij zonder schromen u beroept op hetgeen gij voor
+het heiligste houdt, terwijl gij voornemens zijt, de plechtigste uwer
+geloften als ridder en als geestelijke, te schenden?"
+
+"Dat is stichtelijk en goed gepreekt, dochter van Sirach!" antwoordde
+de Tempelier; "maar, schoone predikster, uwe bekrompen Joodsche
+begrippen verblinden u voor onze hooge voorrechten. Het huwelijk
+ware eene onvergeeflijke misdaad in een Tempelier: maar voor elke
+mindere dwaling, die ik bega, zal ik gemakkelijk aflaat krijgen bij
+de eerste vergadering van onze orde. Noch de wijste der koningen
+noch zijn vader, wier voorbeelden gij natuurlijk bekennen moet ook
+voor u waarde te hebben, eischten grootere voorrechten, dan wij arme
+soldaten van den Tempel van Sion gewonnen hebben, door onzen ijver in
+diens bescherming. De verdedigers van Salomo's Tempel kunnen vrijheden
+vergen op voorbeeld van Salomo."
+
+"Zoo gij de Schrift en het leven der heiligen alleen leest, om uwe
+eigene losbandigheid en ongebondenheid te rechtvaardigen," zei de
+Jodin, "dan evenaart uwe misdaad die van hem, die vergif haalt uit
+de gezondste en meest onmisbare planten."
+
+De oogen van den Tempelier vonkelden bij dit verwijt.--"Luister,"
+zei hij, "Rebekka! ik heb tot dusver zacht met u gesproken; maar nu
+zal ik de taal des overwinnaars gebruiken: Gij zijt mijne gevangene
+door mijn boog en speer,--onderworpen aan mijn wil volgens het recht
+van alle volken, en ik zal geen haar breedte van mijn recht afstaan,
+noch mij ontzien, om met geweld dat te nemen, hetwelk gij aan mijn
+verzoek, of aan de noodzakelijkheid weigert."
+
+"Terug," riep Rebekka, "terug!--en hoor mij, voor dat gij eene zoo
+doodelijke zonde begaat! Gij kunt, wel is waar, over mijne krachten
+zegevieren, want God heeft de vrouw zwak gemaakt, en hare bescherming
+aan de edelmoedigheid des mans toevertrouwd. Maar Tempelier, ik
+zal uwe schanddaad van het eene einde van Europa tot het andere
+uitbazuinen. Ik wil aan het bijgeloof uwer broederen te danken
+hebben, wat hun medelijden mij zou weigeren. Iedere vergadering,
+ieder kapittel van uw orde zal vernemen, dat gij, als ketter, met
+eene Jodin gezondigd hebt. Zij, die niet voor uwe misdaad sidderen,
+zullen u voor vervloekt houden, omdat gij het kruis, dat gij draagt,
+onteerd hebt, door een dochter van mijn volk te volgen."
+
+"Gij zijt sluw, Jodin," hernam de Tempelier, die de waarheid van
+hetgeen zij zeide zeer goed gevoelde, en tevens wist, dat de regels
+van zijne orde op de stelligste wijze, en onder zware straffen,
+soortgelijke minnarijen verboden, en dat, in sommige gevallen, er
+zelfs de verdrijving uit de orde op gevolgd was,--"ge zijt sluw;
+maar uwe klachten moeten zeer luid zijn, zoo men ze buiten de dikke
+muren van dit kasteel zal hooren; daar binnen verstommen klachten,
+zuchten, het inroepen der gerechtigheid en hulpgeschreeuw. Slechts
+één ding kan u redden, Rebekka! onderwerp u aan uw lot, omhels
+onzen godsdienst, en gij zult in zulke pracht te voorschijn treden,
+dat menige Normandische vrouw zoowel in weelde als in schoonheid zal
+moeten onderdoen voor de begunstigde beminde van den dappersten ridder
+onder de verdedigers van den Tempel."
+
+"Mij aan mijn lot onderwerpen!" riep Rebekka,--"Heilige Hemel! aan
+welk lot? uw godsdienst omhelzen!.... en welke godsdienst kan het zijn,
+dien zulk een booswicht in zijn hart koestert?--Gij, de dapperste der
+Tempeliers!--Valsche ridder!--Meineedige Priester! Ik veracht u,--ik
+trotseer u!--De God van Abraham heeft één uitweg voor Zijn dochter
+geopend,--zelfs uit dezen doolhof van schande!"
+
+Dit zeggende, smeet zij het tralievenster open, dat naar de
+borstwering leidde, en een oogenblik daarna stond zij op den rand van
+de borstwering, zonder iets tusschen haar en de verschrikkelijke diepte
+beneden te hebben. Onvoorbereid op zulk eene wanhopige poging, daar
+zij tot hiertoe volkomen onbeweeglijk gestaan had, vond Bois-Guilbert
+den tijd niet om haar te voorkomen, of haar tegen te houden. Zoodra
+hij voorwaarts wilde treden, riep zij: "Blijf waar gij zijt, trotsche
+Tempelier,--of nader, zoo gij verkiest!--één stap slechts, en ik stort
+mij in den afgrond; mijn lichaam zal verpletterd en onkenbaar worden,
+eer het aan uwe misdadige begeerten opgeofferd wordt!"
+
+Dit zeggende, vouwde zij de handen, en hief ze ten hemel, als
+om genade voor hare ziel te smeeken, eer zij den laatsten sprong
+deed. De Tempelier aarzelde, en zijne standvastigheid, die nooit voor
+medelijden of ellende geweken was, bezweek nu onder de bewondering
+van haar moed. "Kom naar beneden," riep hij, "vermetele!--Ik zweer
+bij aarde, zee en hemel, u niet het minste geweld aan te doen!"
+
+"Ik vertrouw u niet, Tempelier," antwoordde Rebekka; "gij hebt mij
+reeds geleerd, hoe ik de deugden uwer orde moet eerbiedigen. Het
+eerste kapittel zou u aflaat schenken van een eed, die slechts de
+eer of schande van een ellendig Jodenmeisje betrof."
+
+"Gij zijt onrechtvaardig," hernam de Tempelier; "ik zweer u bij den
+naam, welken ik draag,--bij het kruis op mijn borst,--bij het zwaard
+aan mijn zijde, bij het aloude wapen mijner voorvaderen, u niet het
+minste leed aan te doen. Zoo niet om uwentwille, dan ter liefde van
+uw vader, wees bedaard! Ik wil zijn vriend zijn, en in dit kasteel
+heeft hij zeker een machtigen vriend noodig."
+
+"Helaas!" zei Rebekka, "dat weet ik maar al te goed;--maar kan ik
+u vertrouwen?"
+
+"Moge mijn wapen geschandvlekt, en mijn naam onteerd worden," zei
+Brian de Bois-Guilbert, "zoo gij reden hebt, over mij te klagen. Menige
+wet, menig gebod heb ik overtreden, maar mijn woord heb ik nog nooit
+geschonden."
+
+"Ik zal u dan vertrouwen," hervatte Rebekka, "tot zoo verre;" en
+zij trad van den rand der borstwering af, maar bleef dicht bij een
+der schietgaten of _machicolles_, zooals ze toen genoemd werden,
+staan.--"Hier," zei ze, "zal ik blijven. Blijf ook waar gij zijt,
+en zoo gij tracht, den afstand tusschen ons één stap te verminderen,
+zult gij zien, dat het Jodenmeisje eerder haar ziel aan God, dan haar
+eer aan den Tempelier zal toevertrouwen."
+
+Terwijl Rebekka aldus sprak, gaf haar stout en vast besluit, dat zoo
+goed strookte met de gebiedende schoonheid van haar gelaat, aan haar
+blikken, houding en gebaren eene waardigheid, die bovenmenschelijk
+scheen. Haar blik verflauwde niet, haar wang verbleekte niet door
+vrees voor het ijselijk lot, hetwelk haar boven het hoofd hing;
+integendeel, verleende de gedachte, dat zij haar lot in handen had,
+en de schande door den dood ontgaan kon, een nog hooger rood aan haar
+wangen, en een nog schitterender vuur aan hare oogen. Bois-Guilbert,
+die zelf trotsch en hooghartig was, meende nooit een zoo levendige
+en gebiedende schoonheid gezien te hebben.
+
+"Laten wij vrede met elkander sluiten, Rebekka!" zei hij.
+
+"Vrede, zoo gij wilt," antwoordde ze, "vrede, maar met dezen afstand
+tusschen ons."
+
+"Gij behoeft mij niet meer te vreezen!" zei Bois-Guilbert.
+
+"Ik vrees u niet," hervatte zij; "dank zij hem, die dezen trotschen
+toren zoo hoog heeft gebouwd, dat er niemand af kan vallen, en in het
+leven blijven;--dank zij hem en den God van Israël,--ik vrees u niet!"
+
+"Gij doet mij onrecht," zei de Tempelier; "bij aarde, zee en hemel,
+gij doet mij onrecht! Ik ben niet zooals gij mij gezien hebt; hard,
+baatzuchtig en onmeêdoogend. Eene vrouw was het, die mij wreedheid
+leerde, en tegen de vrouwen heb ik die ook uitgeoefend; maar niet
+tegen zulke vrouwen als gij zijt. Hoor mij aan, Rebekka.--Nooit heeft
+een ridder de lans in de hand genomen, met een hart meer toegedaan
+aan de dame zijner liefde, dan Bois-Guilbert. Zij,--dochter van een
+geringen edelman, die op geen andere goederen kon roemen, dan op een
+vervallen toren, een slechten wijngaard, en eenige bunders van de
+woeste landen om Bordeaux,--zij was bekend overal, waar wapenfeiten
+verricht werden, verder bekend, dan menige dame, die een graafschap
+tot bruidschat medebracht.--Ja," ging hij voort, op de kleine opene
+ruimte op- en neergaande, met een drift, in welke hij alle bewustheid
+van Rebekka's tegenwoordigheid scheen te verliezen.--"Ja, mijne daden,
+mijne gevaren, mijn bloed maakten den naam van Adelaïde De Montemare
+bekend, van het hof van Castilië tot aan dat van Byzantium. En
+hoe werd ik beloond?--Toen ik met mijne duur verkregen eer, met
+moeite en bloed gekocht, terugkeerde, vond ik haar gehuwd met een
+Gasconjer, wiens naam nooit gehoord was buiten de grenzen van zijn
+eigen armzalig gebied! Ik beminde haar oprecht, en bitter wreekte
+ik mij wegens hare geschondene trouw! Maar mijne wraak is op mij
+zelven teruggevallen. Sedert dien dag heb ik mij losgescheurd van
+het leven en zijne banden.--Mijn mannelijke leeftijd mag geen eigen
+haard kennen,--mag door geene liefderijke vrouw gelukkig gemaakt
+worden.--Mijn ouderdom zal geene koesterende schuilplaats vinden.--Mijn
+graf moet eenzaam zijn, en mij mogen geene nakomelingen overleven, om
+den alouden naam van Bois-Guilbert te dragen. Aan de voeten van mijn
+bevelhebber heb ik het recht, om zelf te handelen,--het voorrecht der
+onafhankelijkheid,--neêrgelegd. De Tempelier, een lijfeigene in alles,
+behalve den naam, kan land noch goed bezitten, en leeft, beweegt zich,
+en ademt alleen volgens den wil en het goedvinden van een ander."
+
+"Helaas," zei Rebekka, "welke voordeelen konden tegen zulk een
+opoffering opwegen?"
+
+"De macht tot wraak, Rebekka!" hernam de Tempelier, "en de
+vooruitzichten der eerzucht."
+
+"Eene slechte vergoeding," hervatte Rebekka, "voor het afstaan van
+al die rechten, welke der menschheid het dierbaarste zijn."
+
+"Zeg dat niet, meisje!" antwoordde de Tempelier; "de wraak is een
+feest voor de Goden! En als zij, zooals de priesters ons zeggen,
+zich die voorbehouden hebben, dan is het, omdat zij ze voor een te
+kostbaar genot voor bloote stervelingen houden. En de eerzucht? Zij
+is een verzoeking, welke de zaligheid des hemels zelve kon doen
+vergeten."--Hij hield een oogenblik op, en daarop voegde hij er bij:
+"Rebekka! zij die den dood boven de schande kon verkiezen, moet eene
+trotsche en krachtige ziel bezitten. De mijne moet gij worden!--Neen,
+schrik niet," vervolgde hij: "het moet met uwe eigene toestemming,
+en op uwe eigene voorwaarden zijn. Gij moet er in bewilligen,
+een vooruitzicht met mij te deelen, uitgebreider dan men het op den
+troon van een vorst kan hebben. Hoor mij, eer gij antwoordt, oordeel,
+eer gij weigert! De Tempelier verliest, zooals gij gezegd hebt, zijne
+maatschappelijke rechten, de macht om vrij te handelen; maar hij wordt
+lid en onderdeel van een machtig lichaam, voor hetwelk de tronen reeds
+sidderen;--evenals de enkele regendroppel, welke met de zee vermengd
+wordt, een deel wordt van dien onweêrstaanbaren oceaan, welke rotsen
+ondermijnt, en koninklijke vloten vernietigt. Zulk een wassende vloed
+is ons sterk verbond. Van deze machtige orde ben ik geen gering lid,
+maar reeds een der hoofdaanvoerders, en kan er wel naar dingen, om eens
+den staf van Grootmeester te voeren. De arme krijgslieden des Tempels
+zullen niet alleen hun voet op de nekken der Koningen zetten,--een
+ellendige monnik vermag dat ook. Maar onze geharnaste voet zal hunnen
+troon beklimmen, onze ijzeren handschoen zal den schepter uit hunne
+handen rukken. De regeering van uw te vergeefs verwachten Messias
+biedt uw verstrooide stammen geen zoodanige macht aan, als die, naar
+welke mijn eerzucht streven kan. Ik had slechts een met mij verwanten
+geest gezocht, om ze met mij te deelen, en ik heb u gevonden!"
+
+"Zegt gij dit aan iemand van mijn volk?" antwoordde Rebekka. "Bedenk--"
+
+"Antwoord mij niet," hernam de Tempelier, "met het verschil van ons
+geloof aan te halen; in onze geheime conciliën spotten wij met deze
+kinderverhalen. Denk niet, dat wij lang blind gebleven zijn voor de
+dolzinnige dwaasheid van onze stichters, die alle genoegens van het
+leven afzwoeren voor het genot, om als martelaars van honger of dorst,
+door de pest, of de zwaarden der wilden te sterven, terwijl zij te
+vergeefs trachtten, een dorre woestijn te verdedigen, die alleen
+waarde heeft in het oog van het bijgeloof. Onze orde smeedde spoedig
+stoutere en grootere ontwerpen, en vond eene betere schadeloosstelling
+voor onze opofferingen. Onze onmetelijke bezittingen in ieder rijk
+van Europa, onze groote krijgsroem, welke de bloem der ridderschap
+uit alle christelijke landen in onzen kring brengt,--deze zijn tot
+doeleinden bestemd, waarvan onze vrome stichters niet droomden,
+en welke evenzeer verborgen gehouden worden voor die zwakke geesten,
+welke onze orde wegens hare oude beginselen omhelzen, en wier bijgeloof
+hen tot onze geduldige werktuigen maakt. Maar ik mag den sluier van
+onze geheimen niet verder oplichten. Dat horengeschal verkondigt iets,
+hetwelk misschien mijne tegenwoordigheid vereischt. Denk aan hetgeen ik
+u gezegd heb. Vaarwel!--Ik zeg niet, vergeef mij het geweld, waarmede
+ik u bedreigd heb, want dat was noodzakelijk, om uw karakter te doen
+kennen. Men kan het goud alleen erkennen, door het op den toetssteen
+te leggen. Ik zal spoedig terugkomen en verder met u spreken."
+
+Hij ging terug in het torenkamertje, en de trap af, Rebekka verlatende,
+die nauwelijks meer verschrikt was door het vooruitzicht van den dood,
+waaraan zij zoo kort te voren was blootgesteld geweest, dan door de
+woedende eerzucht van den stouten en slechten man, in wiens macht
+ze zich zoo ongelukkig bevond. Toen ze in de torenkamer trad, was
+haar eerste werk, den God van Jakob te danken voor de bescherming,
+welke Hij haar verleend had, en om die bij voortduring voor haar en
+haar vader af te smeeken. Een andere naam sloop in haar gebed;--het
+was die van den gewonden Christen, dien het lot in de handen van
+bloeddorstige menschen, zijne doodvijanden, geleverd had. Haar
+hart verweet haar wel is waar, dat zij zelfs in het gebed tot den
+Almachtige de herinnering aan een man mengde, met wiens lot het hare
+in geene gemeenschap kon komen;--van een Nazarener en een vijand van
+haar geloof; maar de bede was reeds gedaan, en zelfs alle bekrompen
+vooroordeelen van haar godsdienst konden Rebekka niet overhalen,
+om te wenschen, dat het niet gebeurd ware.
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Een zoo vervloekt lastige hand om te lezen,
+ als ik ooit van mijn leven gezien heb!
+
+ Goldsmith.
+
+
+De Tempelier ging naar de zaal van het kasteel terug en vond De Bracy
+reeds daar aanwezig. "Uwe vrijerij," zei deze, "is waarschijnlijk,
+evenals de mijne, door dit luidruchtige trompetgeschal gestoord. Maar
+gij zijt later en met meer tegenzin gekomen, en dus veronderstel ik,
+dat uwe ontvangst gunstiger is geweest, dan de mijne."
+
+"Is uw aanzoek bij de Saksische erfdochter vruchteloos geweest?" vroeg
+de Tempelier.
+
+"Bij het gebeente van Thomas-à-Becket," antwoordde De Bracy,
+"Rowena moet gehoord hebben, dat ik het gezicht van vrouwentranen
+niet verdragen kan."
+
+"Kom!" zei de Tempelier; "gij, de aanvoerder van eene vrij-bende,
+stoort u aan de tranen eener vrouw! Eenige droppels, op de liefdetoorts
+gesprengd, doen de vlam des te feller branden."
+
+"Grooten dank voor eenige droppels," hernam De Bracy; "maar dit
+meisje heeft genoeg geweend, om het licht van een vuurbaak uit te
+blusschen. Nooit is er zulk een handenwringen en tranenvloed geweest
+sedert de dagen van St. Niobe, [24] waarvan Prior Aymer ons verteld
+heeft. Een watergeest is in de Saksische schoone gevaren."
+
+"De Jodin is door een legioen booze geesten bezield," hervatte de
+Tempelier; "want ik geloof niet, dat één enkele, al ware het Apollyon
+[25] in eigen persoon, zulken ontembaren hoogmoed en standvastigheid
+kon inboezemen. Maar waar is Front-de-Boeuf? Dit horengeschal doet
+zich hoe langer hoe harder vernemen!"
+
+"Hij onderhandelt met den Jood, denk ik," hernam De Bracy
+onverschillig; "waarschijnlijk heeft het gehuil van Izaäk den klank
+van den horen verdoofd. Gij zult bij ondervinding weten, ridder Brian,
+dat een Jood, die zijn geld af moet staan op voorwaarden, zooals onze
+vriend Front-de-Boeuf vermoedelijk voorschrijft, een geschreeuw zal
+maken, luid genoeg om boven twintig horens en trompetten uit gehoord
+te worden. Maar wij zullen hem laten roepen."
+
+Een oogenblik daarna kwam Front-de-Boeuf, die in zijne onmenschelijke
+wreedheid op de reeds verhaalde wijze gestoord was, en zich slechts
+met het geven van eenige noodige bevelen had opgehouden.
+
+"Laat ons zien wat de oorzaak is van dit vervloekt geraas," zei
+Front-de-Boeuf; "hier is een brief, en zoo ik mij niet vergis, dan
+is die in het Saksisch geschreven."
+
+Hij bekeek dien van alle kanten, alsof hij wezenlijk eenige hoop had
+den inhoud te zullen raden door het papier rond te draaien, en daarop
+overhandigde hij den brief aan De Bracy.
+
+"Het kan wel een tooverbrief zijn, wat weet ik er van," zei De Bracy,
+die zijne volle maat bezat van de onkunde, welke de ridders van dit
+tijdperk onderscheidde. "Onze Kapelaan heeft beproefd mij schrijven
+te leeren," vervolgde hij, "maar al mijne letters kregen den vorm
+van lanspunten en zwaard-klingen, en dus gaf de oude kaalkop het op."
+
+"Geef mij den brief," zei de Tempelier. "Dit hebben wij van den
+priesterstand gekregen, dat wij eenige kennis bezitten, om onzen moed
+voor te lichten."
+
+"Laten wij dan gebruik maken van uwe eerbiedwaardige kennis," zei De
+Bracy; "wat zegt de brief?"
+
+"Het is een plechtige uitdaging," antwoordde de Tempelier; "maar,
+bij de Heilige Maagd, als het geen zotte scherts is, dan is het
+de zonderlingste uitdaging, die ooit over de ophaalbrug van een
+ridderkasteel gezonden is."
+
+"Scherts!" zei Front-de-Boeuf; "Ik wilde wel eens weten, wie in zulk
+een zaak met mij zou durven schertsen!--Lees op, Ridder Brian!"
+
+De Tempelier begon aldus te lezen: "Ik, Wamba, de zoon van Weetniet,
+hofnar van een edel en vrijgeboren man, Cedric van Rotherwood,
+bijgenaamd, de Sakser,--en ik, Gurth, de zoon van Beowolf,
+zwijnenhoeder--"
+
+"Gij zijt waanzinnig geworden," zei Front-de-Boeuf, den lezer in de
+rede vallende.
+
+"Bij St. Lucas, het staat er," antwoordde de Tempelier. Hierop
+zijne taak hervattende, vervolgde hij: "Ik, Gurth, de zoon van
+Beowolf, zwijnenhoeder van genoemden Cedric, ondersteund door
+onze bondgenooten, die gemeene zaak met ons in dezen strijd maken,
+zijnde deze bondgenooten, de dappere ridder, voor het tegenwoordige
+_Le Noir Fainéant_ genoemd en de geduchte boogschutter Robert
+Locksley, Tref-het-wit genoemd, doen u, Reginald Front-de-Boeuf,
+en uw bondgenooten en medeplichtigen, wie het ook zijn, weten, dat,
+daar gij, zonder aanleidende oorzaak of verklaarden oorlog, u van den
+persoon van onzen heer en meester, genoemden Cedric, tegen recht en
+billijkheid en door list hebt meester gemaakt; alsook van de persoon
+van eene edele en vrijgeborene Jonkvrouw, de Jonkvrouwe Rowena van
+Hargottstandstede, alsook van den persoon van een edel en vrijgeboren
+man, Athelstane van Coningsburgh; alsook van de personen van zekere
+vrijgeboren mannen, hun knechts, alsook van zekere mannen, hun geboren
+lijfeigenen, alsook van een zekeren Jood, genaamd Izaäk van York, te
+gelijk met zijne dochter, eene Jodin, en zekere paarden en muilezels:
+welke edele personen, met hunne knechts en lijfeigenen, en ook met
+de paarden en muilezels, den Jood en de Jodin, hierboven genoemd,
+allen in vrede waren met Zijne Majesteit, en als getrouwe onderdanen
+op des Konings heirwegen reisden; daarom eischen en vergen wij, dat
+genoemde edele personen, namelijk, Cedric van Rotherwood, Rowena van
+Hargottstandstede, Athelstane van Coningsburgh, met hunne bedienden,
+knechts, en gevolg, alsook de paarden en muilezels, de Jood en de
+Jodin, hierboven genoemd, te gader met alle have en goed, dat hun
+toekomt, een uur na de overgifte dezes aan ons overgegeven worden,
+of aan hen, die wij zullen benoemen om hen te ontvangen, ongedeerd en
+ongeschonden in lichaam en goederen. Bij gebreke van dien, verklaren
+wij u, dat wij u houden voor roovers en verraders, en dat wij onze
+lichamen tegen u in den slag, bij de belegering, of anders zullen
+wagen, en ons best doen tot uwe vernieling en ondergang. Inmiddels
+moge God u in Zijne hoede en bescherming nemen!--Door ons geteekend
+op den avond voor St. Witholds dag, onder den ouden eik in de laan
+van Hart-hill; het bovenstaande geschreven zijnde door een heilig
+man, een dienaar van God, van de Heilige Maagd, en St. Dunstan,
+in de kapel van Copmanshurst."
+
+Onder dit geschrift bevond zich vooreerst een ruwe schets van een
+hanekop en kam, met een opschrift, hetwelk verklaarde, dat dit
+het teeken was van Wamba, den zoon van Weetniet. Onder dit schoone
+zinnebeeld stond een kruis, als het teeken van Gurth, den zoon van
+Beowolf. Daaronder stonden in stoute, fiksche letters de woorden:
+"_Le Noir Fainéant_;" en eindelijk een vrij net geteekende pijl,
+als het teeken van den schutter Locksley.
+
+De ridders hoorden dit vreemd document van begin tot einde, en zagen
+toen elkander in stille verbazing aan, alsof zij geheel niet in staat
+waren, de beteekenis er van te begrijpen. De Bracy verbrak het eerst
+het stilzwijgen door een schaterend gelach, waarin hem de Tempelier
+volgde, schoon met meer gematigdheid. Front-de-Boeuf, daarentegen,
+scheen misnoegd over hunne ontijdige vroolijkheid.
+
+"Ik verzeker u, mijne Heeren," zei hij; "dat gij beter zoudt doen,
+met te overleggen, hoe wij in deze omstandigheden moeten handelen,
+dan met u aan zulk een ongepast gelach over te geven."
+
+"Front-de-Boeuf is sedert zijn laatsten val nog niet weder bij goede
+luim," zei De Bracy tot den Tempelier: "hij schrikt bij het bloote
+denkbeeld van eene uitdaging, al komt die ook maar van een nar en
+een zwijnenhoeder."
+
+"Bij St. Michiel!" antwoordde Front-de-Boeuf; "ik wilde, De Bracy,
+dat gij het avontuur geheel alleen moest doorstaan. Deze schurken
+zouden niet met zulke onbegrijpelijke onbeschaamdheid hebben durven
+handelen, zoo zij niet door sterke benden ondersteund werden. Er zijn
+vogelvrijverklaarden genoeg in dit bosch, om zich te wreken over de
+bescherming, die ik aan het wild schenk. Ik heb slechts één kerel,
+die met bebloede handen op heeter daad gevat werd, aan de horens van
+een wild hert laten binden, dat hem in vijf minuten dood boorde en
+er werden even zoo vele pijlen op mij afgeschoten, als op het wit
+te Ashby.--Hoor eens," vervolgde hij tegen een zijner bedienden,
+"hebt gij iemand uitgezonden, om te zien, door welke macht deze
+kostelijke uitdaging zal ondersteund worden?"
+
+"Er zijn ten minste tweehonderd man in het bosch verzameld," antwoordde
+een schildknaap, die tegenwoordig was.
+
+"Bij den hemel!" zei Front-de-Boeuf; "dat komt er van, dat ik u het
+gebruik van mijn kasteel toegestaan heb,--u, die geene onderneming in
+stilte kunt uitvoeren, maar mij dit wespennest op den hals moet halen."
+
+"Wespen?" hernam De Bracy; "zeg toch liever angellooze hommels,--eene
+bende luie schurken, die zich liever in het bosch ophouden, en het
+wild stelen, dan voor den kost werken."
+
+"Angelloos!" hervatte Front-de-Boeuf. "Scherpe pijlen, een el lang,
+en die ieder wit treffen, al is het maar zoo groot als een Fransch
+kroonstuk, zijn, dunkt mij, vrij gevaarlijke angels."
+
+"Schaam u, heer ridder!" zei de Tempelier. "Laten wij ons volk bij
+elkander roepen, en een uitval doen. Één ridder,--ja, één gewapend man,
+neemt twintig zulke boeren voor zijne rekening."
+
+"Twintig en nog meer," zei De Bracy; "ik zou mij schamen, mijn lans
+tegen hen te gebruiken."
+
+"Voorzeker," antwoordde Front-de-Boeuf, "zoo het zwarte Turken
+of Mooren waren, heer Tempelier, of laffe Fransche boeren, zeer
+dappere De Bracy; maar dit zijn Engelsche boogschutters, op wie wij
+geen voordeel zullen hebben, behalve onze wapens en paarden, welke
+ons in de nauwe wegen van het bosch weinig zullen baten. Een uitval
+doen, zeidet gij? Wij hebben nauwelijks manschappen genoeg, om het
+kasteel te verdedigen. De besten mijner lieden zijn te York, evenals
+uwe geheele bende, De Bracy; en wij hebben nauwelijks twintig man,
+buiten hen, die deze dolzinnige onderneming mede uitgevoerd hebben."
+
+"Gij vreest toch niet," vroeg de Tempelier; "dat zij eene macht
+verzamelen kunnen, die sterk genoeg zou zijn, om het kasteel te
+bestormen?"
+
+"Dat niet, ridder Brian," antwoordde Front-de-Boeuf, "deze
+roovers hebben, wel is waar, een stouten aanvoerder; maar zonder
+krijgswerktuigen, stormladders, en ervaren opperhoofden, kan mijn
+kasteel hen trotseeren."
+
+"Zend naar uwe buren," zei de Tempelier; "laten zij hunne lieden bijeen
+brengen, en drie ridders ter hulp snellen, die door een nar en een
+zwijnenhoeder in het kasteel van den baron Reginald Front-de-Boeuf
+belegerd zijn."
+
+"Gij schertst, heer ridder," hernam de baron; "maar naar wien zal
+ik zenden?--Malvoisin is op dit oogenblik met zijn gevolg te York,
+evenals mijne andere bondgenooten; en daar had ik ook moeten zijn,
+als deze vervloekte onderneming niet tusschenbeide was gekomen."
+
+"Zend dan naar York, en laat onze lieden terugroepen," zei De
+Bracy. "Indien zij het gezicht van mijn standaard en van mijn
+vrijcompagnie verdragen, dan zal ik hen voor de stoutste roovers
+houden, die ooit een boog in het bosch gespannen hebben."
+
+"Maar wie zal de boodschap overbrengen?" vroeg Front-de-Boeuf. "Zij
+zullen alle paden bezetten, en den bode zijn last uit het hart
+scheuren.--Ik weet er iets op," ging hij voort, na een oogenblik
+bedenkens.--"Heer Tempelier, gij kunt even goed schrijven als lezen,
+en zoo wij slechts de schrijf-materialen kunnen vinden van mijn
+Kapelaan, die een jaar geleden gedurende de feestgelagen in de
+Kerstdagen gestorven is--"
+
+"Met uw verlof," zei de schildknaap, die nog altijd gereed stond,
+"ik geloof, dat de oude Urfried die ergens bewaard heeft, ter liefde
+van den biechtvader. Hij was de laatste man, zooals ik haar heb hooren
+zeggen, die ooit zoo tot haar gesproken heeft, als een beleefd man
+tot een meisje, of eene vrouw, spreken moet."
+
+"Loop en zoek ze op, Engelred; en dan zult gij, heer Tempelier,
+een antwoord op deze stoute uitdaging schrijven."
+
+"Ik wilde het liever met de punt van mijn zwaard doen, dan met de pen,"
+zei Bois-Guilbert; "maar zooals gij verkiest."
+
+Hij ging derhalve zitten, en schreef een Franschen brief van den
+volgenden inhoud:
+
+"De Ridder Reginald Front-de-Boeuf en zijn edele en ridderlijke
+bondgenooten nemen geene uitdaging aan van slaven, lijfeigenen,
+of vluchtelingen. Zoo hij, die zich "de Zwarte Ridder" noemt,
+inderdaad aanspraak heeft op de eer der ridderschap, dan moet hij
+weten, dat hij onteerd wordt door zijne tegenwoordige verbintenis,
+en geen recht heeft om rekenschap te vragen van dappere mannen van
+edel bloed. Ten opzichte der gevangenen, die wij gemaakt hebben,
+verzoeken wij u uit Christelijke liefde een geestelijke te zenden,
+om hunne biecht aan te hooren, en hen met God te verzoenen; daar het
+ons vast voornemen is, hen heden morgen, vóór den middag, ter dood
+te brengen, opdat hun hoofden, op onze bolwerken tentoongesteld, aan
+alle menschen mogen bewijzen, hoe gering wij diegenen achten, welke
+zich met hunne bevrijding bemoeien. Derhalve verzoeken wij u nog eens,
+als boven, een Priester te zenden, om hen op den dood voor te bereiden;
+dit doende zult gij hun den laatsten aardschen dienst bewijzen."
+
+Zoodra deze brief dichtgevouwen was, werd hij aan den schildknaap
+overhandigd, en door dezen aan den bode, die buiten wachtte, op het
+antwoord op den brief, door hem gebracht.
+
+De schutter, na zijn boodschap verricht te hebben, keerde naar het
+hoofdkwartier der bondgenooten terug, dat voor het tegenwoordige onder
+een eerwaardigen eik opgeslagen was, omtrent drie pijlschoten ver van
+het kasteel. Hier wachtten Wamba en Gurth, benevens hunne bondgenooten,
+de Zwarte Ridder, Locksley en de vroolijke kluizenaar, met ongeduld
+een antwoord op hunne opeisching. Rondom en op een afstand, zag men
+eene menigte dappere schutters, wier jagerskleeding en door het weêr
+verbrand gelaat den gewonen aard hunner bezigheden aantoonden. Meer dan
+tweehonderd waren reeds vergaderd, en er kwamen ieder oogenblik nog
+andere aan. Zij, die als aanvoerders het bevel voerden, waren alleen
+van de anderen onderscheiden door een pluim op de muts; hun kleeding,
+wapens en voorkomen waren voor het overige in alle opzichten dezelfde.
+
+Behalve deze bende, was reeds een minder ordelijke en slechter
+gewapende troep aangekomen, bestaande uit de Saksische inwoners van
+de naaste buurtschappen, zoowel als vele lijfeigenen en bedienden
+van Cedric's uitgestrekte landgoederen, om tot zijne verlossing
+mede te werken. Weinigen van hen hadden andere wapens dan die,
+welke de nood in krijgswerktuigen herschapen had. Jachtsperen,
+zeisen, dorschvlegels en dergelijke waren hunne voornaamste wapens;
+want de Normandiërs hadden, overeenkomstig de gewone staatkunde der
+veroveraars, den overwonnen Saksers het bezit en het gebruik der
+wapens ontzegd. Deze omstandigheid maakte hun bijstand op verre na
+niet zoo geducht voor de belegerden, als de kracht der mannen zelven,
+hun groot getal, en de moed, dien eene rechtvaardige zaak inboezemt,
+hen anders hadden kunnen maken. Het was aan de aanvoerders van dezen
+bonten hoop, dat de brief van den Tempelier thans werd overhandigd. De
+Kapelaan werd eerst verzocht, den inhoud daarvan mede te deelen.
+
+"Bij den herdersstaf van St. Dunstan," zei die waardige geestelijke,
+"welke meer schapen in de schaapskooi gebracht heeft, dan die van
+eenig heilige in het Paradijs, zweer ik, dat ik u deze wartaal niet
+kan uitleggen, daar ik niet gissen kan of het Fransch of Arabisch is."
+
+Hij gaf den brief daarop aan Gurth over, die brommende het hoofd
+schudde en dien weêr aan Wamba overhandigde. De nar bekeek alle vier
+hoeken van het papier met een glimlach van gemaakte geleerdheid,
+zooals een aap bij dergelijke gelegenheden aanneemt, maakte hierop
+een sprong in de lucht, en gaf den brief aan Locksley.
+
+"Als de groote letters bogen, en de korten pijlen waren, dan zou ik
+iets van de zaak begrijpen," zei de eerlijke schutter, "maar zooals
+de zaak nu staat, is de meening evengoed voor mij verborgen, als het
+hert, dat twaalf mijlen verwijderd is."
+
+"Dan moet ik maar voorlezer zijn," zei de Zwarte Ridder, en den brief
+van Locksley nemende, las hij dien eerst zachtjes over, en verklaarde
+toen den inhoud in het Saksisch aan zijn bondgenooten.
+
+"Den edelen Cedric ter dood brengen!" riep Wamba; "bij het heilige
+kruis, gij moet u vergissen, heer Ridder!"
+
+"Zeker niet, waarde vriend," hernam de ridder, "ik heb u den zin der
+woorden medegedeeld, zooals ze hier staan."
+
+"Dan bij St. Thomas van Canterbury moeten wij het kasteel hebben,"
+hervatte Gurth, "al moesten wij het ook met de handen omverhalen."
+
+"Wij hebben niets anders, waarmede het omver te halen," hernam Wamba;
+"maar de mijne zijn niet zeer geschikt, om steenen en kalk te breken."
+
+"Het is slechts eene uitvlucht om tijd te winnen," zei Locksley,
+"zij durven geene daad verrichten, waarvoor ik een schrikkelijke
+wraak kon vorderen."
+
+"Ik wenschte, dat er één van ons toegang tot het kasteel kon
+verkrijgen," zei de Zwarte Ridder, "en ontdekken, hoe het met de
+belegerden gesteld is. Mij dunkt, daar zij een biechtvader willen
+hebben, zou deze heilige kluizenaar tegelijk zijn vroom beroep kunnen
+uitoefenen, en ons de gewenschte berichten bezorgen."
+
+"De drommel hale u en uw raad," hernam de brave heremiet; "ik zeg
+u, heer Luiaard, dat, wanneer ik mijn monnikskleed uittrek, mijn
+priesterschap, mijne heiligheid, zelfs mijn Latijn, mij tegelijk
+verlaten; en in mijn groen buis kan ik beter twintig herten
+doodschieten dan één Christen de biecht afnemen."
+
+"Ik vrees," zei de Zwarte Ridder, "ik vrees zeer, dat hier niemand
+is, die geschikt is, om tot ons doel de rol van biechtvader op zich
+te nemen."
+
+Allen zagen elkander zwijgende aan.
+
+"Ik zie," zei Wamba, na eene korte stilte, "dat de nar al weêr
+de nar moet zijn, en zijn hals er aan wagen, waar wijze menschen
+terugdeinzen. Gij moet weten, waarde makkers en landslieden, dat ik
+een monnikskleed gedragen heb, eer ik de narrekap opzette, en dat ik
+voor monnik werd opgevoed, eer eene zenuwkoorts mij slechts verstand
+genoeg overliet, om een nar te zijn. Ik vertrouw, dat ik, met behulp
+van het gewaad van den vromen heremiet, en met het priesterschap,
+de heiligheid, en de geleerdheid, welke in die kap zitten, bekwaam
+zal zijn, om wereldschen en geestelijken troost toe te deelen aan
+onzen waardigen meester Cedric, en zijne lotgenooten in het ongeluk."
+
+"Denkt gij, dat hij daartoe verstand genoeg heeft?" vroeg de Zwarte
+Ridder aan Gurth.
+
+"Ik weet het niet," hernam Gurth; "maar zoo hij het niet heeft, dan
+zal het de eerste keer zijn, dat het hem aan vernuft ontbroken heeft,
+om van zijne gekheid voordeel te trekken."
+
+"Trek dan het monniksgewaad maar aan, vriend," zei de ridder, "en laat
+uw meester ons bericht zenden van den toestand van het kasteel. Hun
+getal moet klein zijn, en het is vijf tegen één, dat men hen door
+een plotselingen en stouten aanval overrompelen kan. De tijd eischt
+spoed,--ga!"
+
+"Intusschen," zei Locksley, "zullen wij de plaats zoo nauw insluiten,
+dat er zelfs geen vlieg eenig bericht uit zou kunnen brengen. Zoodat
+gij, goede vriend," vervolgde hij, zich tot Wamba wendende, "deze
+dwingelanden kunt verzekeren, dat elke daad van geweld, die zij tegen
+hun gevangenen plegen, hun zwaar zal vergolden worden."
+
+"_Pax vobiscum!_" zei Wamba, die nu in zijn geestelijke vermomming
+gehuld was. En dit zeggende, nam hij den plechtigen en statigen gang
+van een monnik aan, en vertrok, om zijne zending te volbrengen.
+
+
+
+
+
+ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Men ziet het vurigst paard in stap,
+ Het traagste ook soms in galop:
+ Vaak zet de nar een monnikskap,
+ De monnik 'n zotskap op.
+
+ Oud Lied.
+
+
+Toen de nar, in de kap en het gewaad van den heremiet, en zijn koord
+met knoopen om het lijf geslingerd, voor de poort van Front-de-Boeuf's
+kasteel stond, vroeg hem de wachter naar zijn naam en zijn boodschap.
+
+"_Pax vobiscum!_" antwoordde de nar, "ik ben een arme broeder van de
+orde van St. Franciscus, en ik kom hier om mijn dienst te doen bij
+zekere ongelukkige gevangenen, die in dit kasteel zijn."
+
+"Gij zijt een stoute monnik," hernam de wachter, "dat gij hier heen
+durft komen, waar, behalve onze dronken biechtvader, geen vogel van
+uwe kleur sedert twintig jaren zich vertoond heeft."
+
+"Evenwel bid ik u, mijne boodschap aan den heer van het kasteel te
+doen," antwoordde de gewaande monnik; "geloof mij, ze zal door hem
+goed opgenomen worden, en de vogel zal zingen, dat het geheele kasteel
+hem hooren zal."
+
+"Het zij zoo," zei de wachter; "maar zoo ik beknord word, omdat ik
+mijn post wegens uwe boodschap verlaten heb, dan zal ik beproeven,
+of het grijze monnikskleed bestand is tegen een grijsgevederden pijl."
+
+Met deze bedreiging verliet hij den toren en bracht in de zaal van
+het kasteel het vreemde bericht, dat een kloosterling voor de poort
+stond, en dadelijk wilde binnengelaten worden. Tot zijn niet geringe
+verwondering ontving hij bevel van zijn meester, om den geestelijke
+oogenblikkelijk binnen te laten; en, nadat hij den ingang met wachten
+voorzien had, om eene overrompeling te verhinderen, gehoorzaamde
+hij, zonder verder dralen, aan het ontvangen bevel. Het vermetele
+zelfvertrouwen, dat Wamba de stoutheid gegeven had, om zich met deze
+gevaarlijke zending te belasten, was nauwelijks voldoende om hem
+moed te geven, toen hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een
+zoo vreeselijken en zoo gevreesden man, als Reginald Front-de-Boeuf,
+en hij bracht zijn _Pax vobiscum_, waarop hij grootendeels vertrouwde,
+om zijne rol vol te houden, met meer angst en bedeesdheid uit, dan
+tot hiertoe het geval geweest was. Maar Front-de-Boeuf was gewoon om
+menschen van iederen stand in zijne tegenwoordigheid te zien sidderen,
+zoodat de vreesachtigheid van den gewaanden priester niet de minste
+achterdocht bij hem verwekte.
+
+"Wie en vanwaar zijt gij, priester?" vroeg hij.
+
+"_Pax vobiscum!_" herhaalde de nar, "ik ben een arm dienaar van
+St. Franciscus, en, ik ben, terwijl ik door deze wildernis reisde,
+onder dieven gevallen (zooals in de Heilige Schrift staat), _quidam
+viator incidit in latrones_, welke dieven mij naar het kasteel
+gezonden hebben, ten einde mijn geestelijk ambt uit te oefenen bij
+twee menschen, die door uwe eerbiedwaardige rechtvaardigheid ter dood
+veroordeeld zijn."
+
+"Ja, dat is zoo," antwoordde Front-de-Boeuf; "en kunt gij mij zeggen,
+eerwaarde man, hoe groot het getal der bandieten is?"
+
+"Dappere ridder," hernam de nar, "_nomen illis legio_, hun naam
+is legioen."
+
+"Zeg mij in duidelijke woorden, hoe groot hun getal is,--of, priester,
+uw mantel en gordel zullen u niet beschermen!"
+
+"Helaas!" zei de gewaande monnik; "_cor meum eruclavit_, dat wil
+zeggen, ik was bijna van schrik gebarsten! Maar mij dunkt, er zullen
+schutters en boeren bij elkander, ten minste vijfhonderd man bijeen
+zijn."
+
+"Hoe!" zei de Tempelier, die op dit oogenblik binnentrad, "zijn de
+wespen zoo groot in aantal? Het is tijd, om zulk een kwaadaardig
+geslacht uit te roeien." Hierop Front-de-Boeuf ter zijde nemende,
+vroeg hij: "Kent gij dien priester?"
+
+"Hij is een vreemdeling uit een afgelegen klooster," zei
+Front-de-Boeuf; "ik ken hem niet."
+
+"Vertrouw hem dan uw boodschap niet mondeling," antwoordde de
+Tempelier. "Laat hem een geschreven bevel brengen aan De Bracy's
+vrijcompagnie, om dadelijk tot hulp van hun meester op te dagen. Opdat
+intusschen de kaalkop niets moge vermoeden, vergun hem vrij aan
+zijn werk te gaan, om deze Saksische zwijnen voor de slachtbank voor
+te bereiden."
+
+"Het zij zoo," zei Front-de-Boeuf. En hij liet dadelijk Wamba door een
+dienaar naar de kamer brengen, waar Cedric en Athelstane opgesloten
+waren.
+
+Cedric's ongeduld was eerder vermeerderd dan verminderd door zijn
+gevangenschap. Hij wandelde van den eenen hoek der kamer naar den
+anderen, met de houding van iemand, die op een vijand losgaat, of
+de bres van eene belegerde plaats wil bestormen, soms in zichzelven
+sprekende, soms het woord tot Athelstane richtende, die met den moed
+van een Stoïcijn den uitslag van het avontuur afwachtte, intusschen
+met groote bedaardheid den ruimen maaltijd verterende, dien hij des
+middags gebruikt had, en zich niet veel storende aan de langdurigheid
+zijner gevangenschap, welke hij besloot, dat, evenals alle aardsche
+rampen, met den tijd een einde zou hebben.
+
+"_Pax vobiscum_," zei de nar, binnentredende, "de zegen van St. Duthoc,
+en alle andere heiligen zij op en met u!"
+
+"Treed binnen," antwoordde Cedric tot den gewaanden monnik, "met wat
+oogmerk zijt gij hier?"
+
+"Om u te verzoeken, u tot den dood te bereiden," hernam de nar.
+
+"Het is onmogelijk," hervatte Cedric, opspringende. "Hoe vermetel en
+boosaardig ze ook zijn, durven ze zulk een openlijke en noodelooze
+wreedheid niet begaan."
+
+"Helaas!" zei de nar, "hen door een gevoel van menschelijkheid te
+willen betoomen, is hetzelfde, als een hollend paard, met een teugel
+van zijden draad te willen tegenhouden. Bedenk u derhalve, edele
+Cedric, en ook gij, dappere Athelstane, welke misdaden gij begaan
+hebt; want nog eer deze dag ten einde is, zult gij geroepen worden,
+om voor een hoogeren Rechter rekenschap te geven."
+
+"Hoort gij het, Athelstane?" zei Cedric, "wij moeten onzen moed bewaren
+voor dezen laatsten stap;--het is toch beter, als mannen te sterven,
+dan als slaven te leven."
+
+"Ik ben gereed," antwoordde Athelstane, "om het ergste van hunne
+boosheid te verduren; en ik zal naar den dood gaan met evenveel
+bedaardheid, als ik ooit aan tafel gegaan ben."
+
+"Laat ons dan tot onze heilige versterking overgaan, vader!" zei
+Cedric.
+
+"Wacht nog een oogenblik, oomlief," zei de nar, op zijn natuurlijken
+toon, "het is niet goed in het donker een sprong te wagen, eer men
+weet waarheen."
+
+"Hoe!" riep Cedric, "mij dunkt, ik ken die stem!"
+
+"Het is die van uw getrouwen slaaf en nar," antwoordde Wamba, de kap
+terugslaande. "Hadt gij vroeger naar den raad van een nar geluisterd,
+dan zoudt gij nu niet hier zijn. Neem nu den raad van een nar aan en
+gij zult niet lang meer hier blijven."
+
+"Hoe meent gij dat, schelm?" antwoordde de Sakser.
+
+"Neem dit kleed en het koord," hernam Wamba, "in welke al mijn
+heiligheid bestaat, en ga gerust uit het kasteel, terwijl ge mij uw
+mantel en gordel laat, om den sprong in de lucht in uwe plaats te doen.
+
+"U hier in mijne plaats laten!" riep Cedric, verwonderd over het
+voorstel; "wel, zij zouden u ophangen, arme jongen."
+
+"Laat hen doen, wat zij durven," zei Wamba, "mij dunkt,--zonder uwe
+afkomst te kort te doen,--dat de zoon van Weetniet met even veel
+deftigheid in ketens kan hangen, als de keten op zijn voorvader,
+den raadsheer hing."
+
+"Wel, Wamba," antwoordde Cedric, "onder één voorwaarde, neem ik uw
+verzoek aan; namelijk, dat gij met Athelstane van kleêren verwisselt,
+in plaats van met mij."
+
+"Neen, bij St. Dunstan," antwoordde Wamba, "dat zou al te dwaas
+zijn. Er zijn gegronde redenen, waarom de zoon van Weetniet voor
+den zoon van Hereward sterft; maar er zou weinig wijsheid in steken,
+om te sterven voor iemand, wiens vader hem vreemd was."
+
+"Schurk," zei Cedric, "de voorouders van Athelstane waren Koningen
+van Engeland!'
+
+"Dat is wel mogelijk," hervatte Wamba; "maar mijn hals zit te
+makkelijk tusschen mijne schouders, om dien om hunnentwille te laten
+toesnoeren. Daarom, goede heer, neem mijn aanbod voor u zelven aan, of
+laat mij even vrij uit deze gevangenis gaan, als ik er in gekomen ben."
+
+"Laat den ouden boom vergaan," ging Cedric voort, "zoo de statige
+eik in het woud behouden blijft. Red den edelen Athelstane, mijn
+getrouwe Wamba! het is de plicht van elk, in wiens aderen Saksisch
+bloed vloeit. Gij en ik, zullen samen de uiterste woede van onze
+onrechtvaardige onderdrukkers afwachten, terwijl hij, in vrijheid
+en veiligheid gesteld, den ontwaakten moed onzer landslieden zal
+aanwakkeren, om ons te wreken."
+
+"Dat niet, vader Cedric," zei Athelstane, zijne hand vattende,
+want wanneer hij tot denken en handelen aangedreven werd, waren zijn
+gevoelens en daden zijner hooge geboorte niet onwaardig,--"dat niet;
+ik wil liever eene week zonder ander voedsel in deze zaal blijven dan
+het droge brood des gevangenen, en zonder anderen drank, dan een beker
+water, dan van de gelegenheid tot ontsnappen gebruik maken, welke de
+ongekunstelde liefde van dezen slaaf voor zijn meester bezorgd heeft."
+
+"Ge heet wijze mannen, mijn heeren," zei de nar, "en ik een gek,
+maar oom Cedric, en neef Athelstane, de nar zal dezen strijd voor u
+beslissen, en u de moeite besparen, om verder complimenten met elkander
+te maken. Ik ben evenals het ros van den boer, dat geen mensch op zijn
+rug kan velen dan den boer zelven. Ik kwam, om mijn meester te redden,
+en als hij niet wil--_basta_;--dan heb ik verder niets te doen, dan
+weder op te stappen. Een liefdedienst kan niet van de eene hand in
+de andere overgaan, als een bal of een stuk speelgoed. Ik wil voor
+geen mensch opgehangen worden, dan voor mijn aangeboren heer."
+
+"Ga dan, edele Cedric," zei Athelstane, "verzuim deze gelegenheid
+niet. Uw tegenwoordigheid daar buiten kan onze vrienden tot onze
+verlossing aanmoedigen;--uw hier blijven zou ons allen ongelukkig
+maken."
+
+"En is er dan eenig vooruitzicht op verlossing van buiten?" vroeg
+Cedric, den nar aanziende.
+
+"Vooruitzicht, inderdaad!" hernam Wamba; "ik zeg u, als ge mijn
+gewaad aantrekt, zijt ge in een veldheersrok gestoken. Daar
+buiten zijn vijfhonderd man, en ik was heden morgen een van hun
+voornaamste aanvoerders. Mijn zotskap was een helm, en mijn stok een
+veldheersstaf. Wel,--wij zullen zien, wat ze er bij winnen, door een
+nar tegen een wijs man te verruilen! Waarlijk, ik vrees, dat ze aan
+dapperheid verliezen, wat ze aan wijsheid winnen. Nu vaarwel, meester,
+en wees goed jegens den armen Gurth en zijn hond Fangs; en laat mijn
+zotskap in de zaal van Rotherwood ophangen, ter gedachtenis, dat ik
+mijn leven voor mijn meester gegeven heb--als eene getrouwe--nar."
+
+Dit laatste woord kwam er uit met eene weifelende uitdrukking,
+tusschen scherts en ernst in. De tranen stonden in Cedric's oogen.
+
+"Uwe gedachtenis zal bewaard blijven", zei hij, "zoo lang trouw en
+liefde nog op aarde geëerd worden. Maar ik hoop middelen te vinden,
+om Rowena, en u, Athelstane, en ook u, mijn armen Wamba, te redden;
+gij zult mij in dit opzicht niet overtreffen."
+
+De kleederenverwisseling was nu geschied, toen een plotselinge twijfel
+bij Cedric opkwam.
+
+"Ik versta geen andere taal," zei hij, "dan mijn eigene, en een paar
+woorden van hun laf Normandisch! Hoe zal ik mij als een eerwaarde
+vader gedragen?"
+
+"De kunst ligt in twee woorden," hernam Wamba: "_Pax vobiscum_
+beantwoordt alle vragen. Of ge gaat, of komt, eet of drinkt, zegent
+of vloekt, _Pax vobiscum_ helpt u overal door. Het is even nuttig
+voor een monnik, als een bezemstok voor eene heks, of een staf voor
+een toovenaar. Spreek het maar dus uit, op een indrukwekkenden,
+ernstigen toon,--_Pax vobiscum!_--het is onwederstaanbaar;--op
+wachters en oppassers, ridders en knapen, ruiters en voetgangers;
+op allen werkt het als eene betoovering. Ik geloof, dat zoo ze mij
+morgen ophangen willen, waaraan ik in het geheel niet twijfel, ik de
+kracht er van op den voltrekker van het vonnis zal beproeven."
+
+"In dit geval," hervatte zijn meester, "kan ik mijn priesterambt
+spoedig aanvaarden;--_Pax vobiscum!_ Ik vertrouw, dat ik deze paar
+woorden zal onthouden.--Edele Athelstane, vaarwel! en ook gij, mijn
+arme jongen, vaarwel! gij, wiens hart een nog zwakker hoofd zou
+vergoeden.--Ik zal u redden, of terugkeeren en met u sterven. Het
+bloed van onze Saksische koningen zal niet vergoten worden, zoolang
+er nog één droppel van het mijne in mijn aderen vloeit; en er zal
+geen haar gekrenkt worden van het hoofd van den braven kerel, die
+zijn leven voor zijn heer waagt, zoo Cedric door zich in gevaar te
+begeven het beletten kan.--Vaarwel!"
+
+"Vaarwel, edele Cedric," zei Athelstane; "herinner u, dat het de
+natuurlijke rol van een monnik is, ververschingen aan te nemen,
+overal waar zij hem aangeboden worden."
+
+"Vaarwel, oom!" voegde Wamba er bij, "en denk aan het _Pax vobiscum!_"
+
+Aldus vermaand, ging Cedric op zijn onderneming uit; en het duurde
+niet lang of hij had gelegenheid, om de kracht van de tooverspreuk
+te beproeven, welke de nar als alvermogend had aanbevolen. In een
+lage, gewelfde en donkere gang, waardoor hij trachtte naar de zaal
+van het kasteel te dringen, werd hij door een vrouwelijke gedaante
+opgehouden. "_Pax vobiscum!_" zei de gewaande monnik, en wilde
+schielijk voorbij sluipen, toen een zachte stem antwoordde: "_Et
+vobis--quaeso, domine reverendissime pro misericordia vestra._"--Ik
+ben wat doof," hernam Cedric in goed Saksisch, en tegelijk bromde
+hij in zichzelven: "Verwenscht zij de nar en zijn _Pax vobiscum!_
+Ik heb mijn wapen bij den eersten slag gebroken!"
+
+Het was echter niets ongewoons bij een priester van die dagen doof
+te zijn, als men hem in het Latijn aansprak, en dit wist zij, die
+Cedric thans ophield, zeer wel.
+
+"Ik bid u, om 's hemels wille, eerwaarde vader," hernam ze in zijn
+eigene taal, "met uw geestelijken troost een gekwetsten gevangene in
+dit kasteel te bezoeken, en hem en ons dat medelijden te betoonen,
+hetwelk uwe heilige stand u voorschrijft.--Nooit zal eene goede daad
+uw klooster zooveel voordeel aangebracht hebben."
+
+"Dochter," antwoordde Cedric, zeer verlegen, "mijn kort verblijf in dit
+kasteel vergunt mij niet, de plichten van mijn ambt te verrichten.--Ik
+moet dadelijk weg--er hangt leven en dood van mijn spoed af."
+
+"En evenwel, vader, bid ik u, bij de gelofte, welke gij gedaan hebt,"
+hernam de smeekende, "de onderdrukten en ellendigen niet zonder raad
+of bijstand te laten!"
+
+"Moge de duivel met mij wegvliegen, en mij in Ifrin laten met de zielen
+van Odin en Thor!" riep Cedric ongeduldig, en hij zou waarschijnlijk
+zoo voortgegaan zijn, zonder in het minst aan zijn heiligen stand te
+denken, als niet het gesprek afgebroken was geweest door de heesche
+stem van Urfried, de oude vrouw van den toren.
+
+"Hoe ellendige!" zei zij tegen de vrouw, welke gesproken had;
+"Is het op deze wijze, dat gij de goedheid vergeldt, waarmede ik u
+vergunde, uw gevangenis te verlaten?--Dwingt gij den eerwaarden man,
+een onvriendelijke taal te gebruiken, om zich van de onbeschaamdheid
+eener Jodin te bevrijden?"
+
+"Eene Jodin!" riep Cedric, zich van deze gelegenheid bedienende om
+zich van haar te ontslaan, "Laat mij voorbij, vrouw! houd mij niet op,
+zoo u het leven lief is! Ik kom zoo regelrecht van mijn heilig ambt,
+en wenschte bezoedeling te vermijden."
+
+"Volg mij maar, vader," zei de oude heks, "gij zijt vreemd in dit
+kasteel, en kunt er zonder gids niet uitkomen.--Kom hierheen, want
+ik moet u spreken.--En gij, kind van een vervloekten stam, ga naar
+de kamer van den zieke, en verpleeg hem tot mijne terugkomst; het zal
+u duur te staan komen, zoo gij hem weder zonder mijn verlof verlaat!"
+
+Rebekka vertrok. Hare dringende gebeden hadden Urfried overgehaald
+haar te vergunnen, den toren te verlaten, en Urfried had haar gebruikt
+om den gewonden Ivanhoe op te passen, wien zij nu van ganscher harte
+haar dienst bewees. Met een verstand, dat hun gevaarlijken toestand
+goed begreep, en zich vaardig van ieder middel tot redding wist te
+bedienen, had Rebekka iets goeds gehoopt van de tegenwoordigheid van
+een geestelijke, die, zooals zij van Urfried gehoord had, in dit
+goddeloos kasteel doorgedrongen was. Zij wachtte op de terugkomst
+van den monnik, met het voornemen, om hem aan te spreken, en bij hem
+belangstelling voor de gevangenen te verwekken. De lezer heeft zoo
+even vernomen, hoe slecht zij slaagde.
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Wat weegt, Ellendige! u op 't hart,
+ Dan euveldaân, berouw en smart?
+ Gij kent uw lot, uw schuld is klaar,
+ Maar kom, 't verhaal, begin het maar!
+ -- -- -- -- -- -- -- -- --
+ Mij snijden andre bitterheên
+ En wreeder smart de ziele door,
+ Tot haar vertroosting, 'k bid u, leen
+ Mijn droefheid een gewillig oor;
+ En zoo me in u geen vriend verscheen,
+ Die hulpe biedt, ten minste hoor!
+
+ Crabbe.
+
+
+Nadat Urfried door geschreeuw en bedreigingen Rebekka naar de kamer
+terug gedreven had, welke pas door haar verlaten was, geleidde zij
+Cedric, tegen wil en dank, in een klein vertrek, waarvan zij de
+deur zorgvuldig achter zich toesloot. Hierop, na uit een kast een
+wijnbeker en twee flesschen gekregen te hebben, zette zij ze op tafel,
+en zei op vasten, volstrekt niet vragenden toon: "Gij zijt een Sakser,
+vader! Ontken het niet," ging zij voort, bespeurende, dat Cedric zich
+niet haastte om te antwoorden; "de klanken mijner moedertaal zijn
+mij aangenaam, ofschoon ik ze zelden anders hoor, dan uit den mond
+van de ellendige, verachtelijke slaven, wien de trotsche Normandiërs
+het zwaarste en laagste werk in dit kasteel opleggen. Gij zijt een
+Sakser, vader,--een Sakser, en bovendien een dienaar Gods, een vrij
+man--Uw woorden klinken aangenaam in mijn ooren!"
+
+"Bezoeken dan geen Saksische priesters dit kasteel?" hernam Cedric;
+"Het ware, dunkt mij, hunne plicht, de verworpelingen en onderdrukten
+onder de kinderen des lands te troosten."
+
+"Zij komen niet,--of zoo zij komen, zwelgen zij liever aan de tafels
+hunner onderdrukkers," antwoordde Urfried, "dan het gezucht hunner
+landslieden aan te hooren; zoo luidt ten minste het gerucht; ik,
+voor mij, weet er weinig van. Dit kasteel heeft, sedert tien jaren,
+alleen opengestaan voor den losbandigen Normandischen kapelaan, die
+de nachtelijke zwelgerijen van Front-de-Boeuf deelde, en hij is reeds
+lang heengegaan, om rekenschap van zijn ambt te geven. Maar gij zijt
+een Sakser,--een Saksisch priester, en ik heb u eene vraag te doen."
+
+"Ik ben een Sakser," antwoordde Cedric, "maar den naam van priester
+geheel en al onwaardig. Laat mij gaan.--Ik zweer u, dat ik terug zal
+komen, of een van onze priesters zenden, die waardiger is dan ik,
+om uwe biecht aan te hooren."
+
+"Wacht nog een oogenblik," zei Urfried, "de stem, welke gij nu hoort,
+zal weldra onder de koude aarde verstommen, en ik wilde niet gaarne
+in het graf nederdalen in den dierlijken toestand, waarin ik geleefd
+heb. Maar wijn moet mij de kracht geven, om mijn ijselijk verhaal
+te doen."
+
+Zij schonk een beker vol, en ledigde dien met een walgelijke
+gulzigheid, alsof zij er geen droppel in wilde overlaten. "Dit
+verstompt het gevoel", zei zij, opziende, toen zij den beker
+geledigd had; "maar het kan mij niet opvroolijken.--Drink met mij,
+vader, zoo gij mijn verhaal wilt hooren, zonder daarbij in onmacht
+te zinken." Cedric zou er zich gaarne van hebben willen ontslaan,
+om haar bescheid te doen bij deze onheilspellende gastvrijheid;
+maar de wenk, dien zij hem gaf, drukte ongeduld en wanhoop uit. Hij
+bewilligde in haar verzoek, en beantwoordde hare uitnoodiging door
+een vollen beker te ledigen. Hierop begon zij haar verhaal, alsof
+zijne inschikkelijkheid haar bevredigd had.
+
+"Ik ben niet zulk een rampzalig schepsel geboren, als gij mij thans
+ziet, eerwaarde vader," zei zij. "Ik was vrij, gelukkig, geëerd;--ik
+beminde, en werd weder bemind. Ik ben nu een slavin, ellendig en
+ontaard,--de speelbal der driften mijner meesters, toen ik nog
+schoonheid bezat,--het voorwerp hunner verachting en van hun smaad
+en haat, sedert mijne bekoorlijkheden verdwenen zijn.--Verwondert
+het u, vader, dat ik het menschdom haat, en bovenal het ras, dat
+deze verandering in mij heeft te weeg gebracht? Kan het gerimpeld,
+vernederd wezen, dat vóór u staat, welks woede zich in onmachtige
+vervloekingen ontlast, vergeten, dat zij de dochter is van den edelen
+_Thane_ van Torquilstone, voor wiens macht duizend vazallen sidderden?"
+
+"Gij de dochter van Torquil Wolfganger!" riep Cedric, terugdeinzende,
+"gij,--gij,--de dochter van dien edelen Sakser, mijns vaders vriend
+en wapenbroeder!"
+
+"Uws vaders vriend!" herhaalde Urfried; "dan staat Cedric,
+bijgenaamd de Sakser, vóór mij, want de edele Hereward van Rotherwood
+had maar één zoon, wiens naam onder zijn landgenooten wèlbekend
+is. Maar zoo gij Cedric van Rotherwood zijt, waartoe dit geestelijk
+gewaad?--Wanhoopt gij ook al aan de verlossing van uw vaderland,
+en hebt gij in de schuilhoeken van een klooster bescherming gezocht
+tegen de onderdrukking?"
+
+"Het is onverschillig, wie ik ben," hernam Cedric; "ga voort,
+ongelukkige, met uw verhaal van gruwelen en schuld.--Want schuld moet
+er onder begrepen zijn;--het is eene misdaad reeds, dat gij nog leeft,
+om het te verhalen!"
+
+"Zoo is het!--Zoo is het!" antwoordde de ellendige: "eene diepe,
+zwarte, verdoemelijke misdaad;--eene misdaad van welke het vagevuur
+hiernamaals mij niet zuiveren kan.--Ja, in deze zalen, bevlekt met
+het edele bloed van mijn vader en van mijne broeders;--in deze zelfde
+vertrekken, als de bijzit van hun moordenaar, als zijne slavin en
+tegelijk als de deelgenoote zijner vermaken geleefd te hebben, moest
+iederen ademtocht voor mij tot eene misdaad en een vloek maken."
+
+"Ellendige!" riep Cedric. "En terwijl uws vaders vrienden--want
+ieder oprecht Saksisch hart, als het voor de rust van zijne ziel en
+die zijner dappere zonen bad, vergat in zijn gebeden ook de vermoorde
+Ulrica niet,--terwijl allen de doode betreurden en vereerden, hebt gij
+geleefd, om onzen haat en onze verachting te verdienen,--geleefd, om u
+met den verraderlijken tiran te verbinden, die alles vermoord had, wat
+u het naaste en dierbaarste was;--die het bloed van kinderen vergoot,
+liever dan één mannelijken erfgenaam van het edele huis van Torquil
+Wolfganger in het leven te laten;--met hem hebt gij u vereenigd,--met
+hem in de banden van onwettige liefde geleefd!"
+
+"In onwettige banden wel, maar niet in die der liefde," antwoordde
+de oude; "de liefde zal eerder de verblijven der eeuwige verdoemenis
+bezoeken, dan dit goddelooze kasteel.--Neen, dat behoef ik mij ten
+minste niet te verwijten;--haat tegen Front-de-Boeuf en zijn geslacht
+heerschte steeds in mijne ziel, zelfs te midden zijner misdadige
+liefkoozingen!"
+
+"Gij haattet hem, en toch bleeft gij leven!" hernam
+Cedric. "Ellendige! was er geen dolk,--geen mes,--geen
+haarnaald? Gelukkig voor u, daar gij zulk een bestaan op prijs steldet,
+dat de geheimen van een Normandisch kasteel even verborgen zijn,
+als die van het graf. Want, had ik slechts kunnen droomen, dat de
+dochter van Torquil in schandelijke gemeenschap met den moordenaar
+van haar vader leefde, dan zou het staal van een oprechten Sakser u
+zelfs in de armen van uw minnaar getroffen hebben!"
+
+"Zoudt gij inderdaad deze gerechtigheid aan Torquils naam hebben laten
+wedervaren?" zei Ulrica; want wij behoeven nu haar aangenomen naam van
+Urfried niet meer te gebruiken; "dan zijt gij inderdaad de oprechte
+Sakser, voor wien men u houdt; want zelfs binnen deze vervloekte muren,
+waar, zooals ge terecht zegt, de misdaad achter een ondoordringbaren
+sluier verborgen is, zelfs hier heeft de naam van Cedric weêrgalmd,--en
+ik, hoe ellendig en verlaagd, heb mij verheugd in de gedachte, dat
+er nog één wreker van ons ongelukkig volk leefde.--Ik heb ook mijne
+ure van wraak gehad.--Ik heb de twisten onzer vijanden aangestookt,
+en dronkenschap en zwelgerij in woedenden moordlust doen overgaan.--Ik
+heb hun bloed zien stroomen.--Ik heb hun stervend gerochel gehoord! Zie
+mij aan, Cedric.--Zijn er op dit verwelkt, verbleekt aangezicht niet
+eenige sporen van Torquils gelaatstrekken achtergebleven?"
+
+"Vraag mij daarnaar niet, Ulrica," hervatte Cedric, op een toon,
+waarin smart met afschuw vermengd was; "deze sporen laten zulk een
+overeenkomst over, als die van iemand, die uit het graf verrezen is,
+als een booze geest het doode lichaam bezield heeft."
+
+"Het zij zoo!" antwoordde Ulrica; "En evenwel droegen deze sombere
+trekken het masker van een geest des lichts, toen ze in staat waren,
+den ouden Front-de-Boeuf en zijn zoon Reginald op te hitsen. De
+duisternis der hel moest verbergen, wat er nu volgt; maar de wraak
+moet den sluier oplichten, en datgene in het verborgen fluisteren, wat
+de dooden uit het graf zou halen, als het met luide stem geopenbaard
+werd!--Lang had het vuur der oneenigheid tusschen den wreeden vader
+en zijn woesten zoon onder de asch gesmeuld,--lang had ik, in het
+geheim, den onnatuurlijken haat aangestookt;--hij ontvlamde eindelijk
+in een uur van woeste dronkenschap, en aan zijn eigene tafel viel mijn
+onderdrukker door de hand van zijn eigen zoon! Dit zijn de geheimen,
+welke deze gewelven verbergen!--Stort in, vervloekte bogen," voegde
+ze er bij, naar boven ziende, "en begraaft onder uw puin allen,
+die het afschuwelijk geheim kennen!"
+
+"En gij, misdadig en ellendig wezen," zei Cedric, "wat werd uw lot
+na den dood van den roover uwer eer?"
+
+"Gis daarnaar, maar vraag het mij niet.--Hier,--hier woonde ik, totdat
+de ouderdom, een vroegtijdige ouderdom, zijne ijselijke sporen op mij
+drukte,--veracht en beschimpt, waar ik eens heerschte,--en gedwongen,
+om de wraak, welke eens een zoo ruim veld had, te bepalen tot het
+bestraffen der verachtelijke boosaardigheid van een ontevreden
+huisbediende, of tot de ijdele en nietsbeteekenende vervloekingen
+eener onmachtige oude vrouw;--veroordeeld, om van mijn eenzaam torentje
+het geraas der zwelgerij aan te hooren, waarin ik eens deelde, of het
+geschreeuw en het gekerm van nieuwe slachtoffers der onderdrukking."
+
+"Ulrica," zei Cedric, "hoe durfdet ge, met een hart, dat, zooals ik
+vrees, het verloren loon zijner misdaden evenzeer betreurt als de
+schande, door welke het verkregen werd, u tot een man wenden, die dit
+kleed draagt? Bedenk, ongelukkige, wat zou de heilige Eduard zelf voor
+u kunnen doen, zoo hij in eigen persoon hier ware? De Koninklijke
+Belijder was door den Hemel begaafd met het vermogen om de zweren
+des lichaams te heelen, maar God alleen kan de melaatschheid der
+ziel genezen!"
+
+"Ik bid u, wend u niet van mij af, strenge profeet des toorns,"
+riep ze uit: "maar zeg mij, zoo ge kunt, wat beteekenen de nieuwe
+en ijzingwekkende gevoelens, welke in mijne eenzaamheid zich aan mij
+opdringen?--Waarom verrijzen daden, die sinds lang gepleegd zijn, met
+nieuwen en onweêrstaanbaren schrik voor mijn oogen? Welk lot verbeidt
+aan de overzijde des grafs haar, aan wie God hier op aarde een lot van
+zulke onuitsprekelijke ellende heeft opgelegd? Beter wendde ik mij tot
+Wodan, Hertha, en Zernebock,--tot Misto en Skogula, de Goden onzer
+nog ongedoopte voorvaders, dan de schrikkelijke angsten te lijden,
+welke mij sedert kort wakend en slapend vervolgd hebben."
+
+"Ik ben geen priester," zei Cedric, zich met walging afkeerende van
+dit ellendige slachtoffer van schuld, ellende en wanhoop. "Ik ben
+geen priester, schoon ik het gewaad eens priesters draag."
+
+"Priester, of leek," antwoordde Ulrica, "ge zijt de eerste, dien
+ik sedert twintig jaren zie, welke God vreest, of den mensch acht,
+en wilt ge mij aan de wanhoop overlaten?"
+
+"Heb berouw," hernam Cedric. "Bid en doe boete, en ge zult gehoor
+vinden. Maar ik kan, ik wil niet langer bij u blijven."
+
+"Toef nog één oogenblik," zei Ulrica; "verlaat mij thans niet;
+zoon van mijns vaders vriend, uit vrees, dat de booze geest, die
+mijn leven bestuurd heeft, mij mocht aandrijven, om mij over uw
+hardvochtigen smaad te wreken.--Denkt ge, dat, zoo Front-de-Boeuf
+Cedric den Sakser, in zulk eene vermomming, in zijn kasteel vond,
+uw leven van langen duur zou zijn? Reeds lang heeft hij het oog op
+u gehad, evenals een valk op zijn prooi."
+
+"En al ware het zoo," zei Cedric, "dan verscheure hij mij met bek en
+klauwen, eer mijn mond één woord zegt, dat mijn hart niet waarborgt. Ik
+wil als Sakser sterven;--waar in woorden, open in daden.--Ik bid u,
+ga weg van mij!--Raak mij niet aan, houd mij niet op! Het gezicht
+van Front-de-Boeuf zelven is minder hatelijk voor mij, dan het uwe,
+vernederd en ontaard, gelijk ge zijt."
+
+"Het zij zoo," hervatte Ulrica, hem niet langer ophoudende; "ga,
+en vergeet, in den hoogmoed van uwe meerderheid, dat het ellendige
+schepsel, dat voor u staat, de dochter van den vriend uws vaders
+is! Ga;--zoo mijn lijden mij van het menschdom scheidt,--mij scheidt
+van hen, wier hulp ik met recht kon verwachten:--dan zal mijne wraak
+mij niet minder van hen scheiden!--Geen mensch zal mij helpen; maar de
+ooren van alle menschen zullen weêrgalmen van de daad, die ik begaan
+zal!--Vaarwel!--Uwe verachting heeft den laatsten band verbroken,
+welke mij nog aan mijn evenmenschen scheen te verbinden:--de gedachte,
+dat mijn rampen medelijden bij mijn volk konden verwekken."
+
+"Ulrica," zei Cedric, getroffen door deze woorden, "hebt gij den last
+des levens onder zoo vele misdaden en ellende gedragen, en wilt gij
+u nu aan de wanhoop overgeven, nu, dat uw oogen voor uwe misdaden
+geopend zijn, en dat het berouw uw hart alléén moest vervullen?"
+
+"Cedric!" antwoordde Ulrica, "gij kent het menschelijk hart slecht. Om
+te handelen, gelijk ik gehandeld heb, om te denken, zooals ik gedacht
+heb, moet men bezield zijn met de tot razernij brengende liefde voor
+het genot, vermengd met een felle zucht naar wraak, en de trotsche
+bewustheid van macht; al te bedwelmende hartstochten, dan dat het
+menschelijke hart er weerstand aan zou kunnen bieden. Maar hun
+kracht is lang voorbij. De ouderdom heeft geene vermaken;--rimpels
+hebben geene macht;--de wraak zelve geeft zich lucht in ijdele
+verwenschingen. Dan komt de gewetensangst, met scherpen angel, vermengd
+met een ijdel verlangen naar het verledene, en met de wanhoop aan
+de toekomst! Dan, als alle andere machtige stemmen zwijgen, worden
+wij gelijk aan de booze geesten in de hel, die wel knaging van het
+geweten, maar nooit berouw kunnen gevoelen.--Maar uwe woorden hebben
+een nieuwen geest in mij doen ontwaken.--Terecht hebt gij gezegd, alles
+is mogelijk voor hen die sterven durven!--Gij hebt mij de middelen
+ter wraak aangewezen;--wees verzekerd, dat ik ze gebruiken zal. Deze
+drift heeft tot hiertoe de heerschappij in dit hart met andere even
+sterke driften gedeeld; van nu zal zij mij geheel bezielen, en gij
+zelf zult zeggen, dat, hoe ook het leven van Ulrica geweest zij, haar
+dood de dochter van den edelen Torquil waardig was. Er is onder de
+muren eene krijgsmacht, die dit vervloekt kasteel belegert,--haast u,
+ze ten aanval aan te voeren, en als gij een roode vlag ziet waaien
+van het torentje, op den oostelijken hoek van dezen kerker, val dan
+hevig op de Normandiërs aan;--dan zullen zij genoeg van binnen te doen
+hebben, en dan kunt gij de muren bestormen in weerwil van vijandigen
+boog en slinger.--Ga, bid ik u;--volg uw eigen lot, en laat mij aan
+het mijne over!"
+
+Cedric wilde nader vernemen wat het oogmerk was, waarop zij zoo duister
+zinspeelde, maar hij hoorde de donderende stem van Front-de-Boeuf, die
+uitriep: "Waar blijft die trage priester? Bij den heiligen Jacobus van
+Compostella, ik zal hem tot een martelaar maken, zoo hij hier toeft,
+om verraad te stoken onder mijne bedienden."
+
+"Welk een waar profeet is een boos geweten!" riep Ulrica. "Maar
+vrees niet:--snel naar buiten, naar uw volk.--Laat het Saksische
+veldgeschreeuw weêrgalmen, en laten zij hun krijgslied van Rollo
+zingen, als zij durven; de wraak zal er mede instemmen!"
+
+Aldus sprekende, verdween ze door een geheime deur, en Reginald
+Front-de-Boeuf trad in het vertrek. Cedric dwong zich met eenige
+moeite, om een buiging voor den trotschen Baron te maken, die zijne
+begroeting met een knikje beantwoordde.
+
+"Uwe boetelingen hebben veel te biechten gehad, vader,--des te beter
+voor hen; daar het de laatste maal is, dat ze er de gelegenheid toe
+zullen hebben. Hebt gij hen tot den dood voorbereid?"
+
+"Ik vond hen," zeide Cedric, zoo goed als hij kon in het Fransch
+sprekende, "het ergste verwachtende, van het oogenblik af, dat ze
+wisten, in wiens macht ze gevallen waren."
+
+"Hoe, heer monnik?" hernam Front-de-Boeuf, "uwe spraak, dunkt mij,
+verraadt een Saksische afkomst."
+
+"Ik ben opgevoed in het klooster van St. Withold te Burton,"
+antwoordde Cedric.
+
+"Zoo?" zei de Baron; "Het ware beter voor u, zoo gij een Normandiër
+waart, en ook beter voor mijn oogmerk, maar in den nood moet men met
+iederen bode tevreden zijn. Dat klooster van St. Withold te Burton
+is een wespennest, dat gesloopt moest worden. Er zal weldra een tijd
+komen, dat het monniksgewaad den Sakser even weinig zal beschermen,
+als het harnas."
+
+"Gods wil geschiede!" zei Cedric, met een stem bevende van toorn,
+hetgeen Front-de-Boeuf aan vrees toeschreef.
+
+"Ik zie," zeide hij, "dat gij u reeds verbeeldt, dat onze gewapenden in
+uwe spijskamer en in uw bierkelder zijn. Maar bewijs mij een dienst,
+heilige man, en wat ook anderen moge overkomen, gij zult even veilig
+slapen in uw cel, als een slak in haar huisje."
+
+"Beveel maar!" hernam Cedric met onderdrukte woede.
+
+"Volg mij dan door deze gang, opdat ik u door het achterpoortje
+kan uitlaten."
+
+En terwijl Front-de-Boeuf dus den gewaanden monnik vooruit ging,
+gaf hij hem te kennen welke rol hij spelen moest.
+
+"Gij ziet, heer monnik, gindsche kudden Saksische zwijnen, die het
+gewaagd hebben dit kasteel van Torquilstone te omsingelen.--Zeg hun
+wat gij wilt van de zwakheid van deze vesting, of alles, wat hen
+gedurende vierentwintig uren hier kan ophouden. Breng intusschen dit
+briefje;--maar wacht eens:--kunt gij lezen, heer priester?"
+
+"Geen letter," antwoordde Cedric, "behalve mijn gebeden; en de letters
+daarvan ken ik allen van buiten, geloofd zij de Heilige Maagd en
+St. Withold!"
+
+"Een des te geschikter bode in dit geval!--Breng dit briefje naar
+het kasteel van Philip de Malvoisin, zeg, dat het van mij komt, en
+geschreven is door den Tempelier Brian De Bois-Guilbert, en dat ik
+hem verzoek het naar York te zenden, zoo schielijk als man en paard
+voort komen kunnen. Verzeker intusschen hem, dat hij ons gezond en wel
+achter onze verschansingen zal vinden.--Het is schande, dat wij aldus
+gedwongen zijn, ons schuil te houden voor een bende landloopers, die
+gewoon zijn reeds op het gezicht onzer banieren, of bij het gestamp
+onzer paarden, te vluchten! Ik zeg u, priester, bedenk eenige list,
+om die schurken te houden, waar zij nu zijn, tot onze vrienden hun
+manschappen bijeen hebben. Mijne wraakzucht is opgewekt, en evenals
+een valk, rust zij niet zonder verzadigd te zijn."
+
+"Bij mijn beschermheilige," zei Cedric, met meer kracht dan aan zijn
+rol paste, "en bij alle heiligen, die ooit in Engeland geleefd hebben
+en gestorven zijn, uw bevelen zal men gehoorzamen! Geen Sakser zal
+van deze wallen wijken, zoo ik macht en invloed genoeg heb om hen
+daar te houden."
+
+"Ha!" riep Front-de-Boeuf, "gij verandert van toon, heer priester,
+en spreekt kort en stout, alsof uw hart vreugde zou scheppen in de
+slachting van die Saksische kudde; en echter zijt gij een stamgenoot
+dier zwijnen." Cedric was niet geoefend in de kunst van veinzen, en
+een wenk van Wamba's vruchtbaarder brein zou hem op dit oogenblik
+zeer gewenscht zijn geweest. Maar de nood scherpt het verstand,
+gelijk het oude spreekwoord zegt, en hij pruttelde iets onder zijn
+kap, dat die mannen daar buiten door kerk en staat in den ban gedaan
+en vogelvrij verklaard waren.
+
+"_Despardieux!_" antwoordde Front-de-Boeuf, "gij hebt de waarheid
+gesproken--Ik vergat, dat die schurken een vetten abt evengoed
+uitkleeden, alsof zij ten zuiden van gindsche zee geboren waren. Was
+het niet de abt van St. Ives, dien zij aan een eik bonden, en
+dwongen, een mis te zingen, terwijl ze zijne koffers en valiezen
+uitplunderden?--Neen, bij onze Heilige Maagd, die grap was van Walter
+Middleton, en van onze eigene wapenbroeders. Maar het waren Saksers,
+die uit de kapel te St. Bees den kelk, de kandelaars en het bekken
+roofden, niet waar?"
+
+"Het waren goddelooze menschen!" antwoordde Cedric.
+
+"Jawel,--en zij dronken al den goeden wijn en het lekkere bier op, dat
+in voorraad lag voor menige geheime smulpartij,--als gij voorgeeft,
+met nachtwaken en vroegmissen bezig te zijn!--Priester, gij zijt
+verplicht, zulk een heiligschennis te wreken."
+
+"Ik ben inderdaad verplicht mij te wreken!" bromde Cedric, "St. Withold
+kent mijn hart."
+
+Front-de-Boeuf geleidde hem intusschen naar eene achterpoort, vanwaar
+zij op een smalle plank over de gracht gingen, en een klein buitenwerk
+bereikten, dat door een goed verschanste poort met het open veld in
+gemeenschap stond.
+
+"Ga dan, en zoo gij mijn boodschap wilt doen, en hierheen terugkeert,
+na ze volbracht te hebben, dan zult gij het Saksische vleesch even
+goedkoop zien, als ooit het varkensvleesch in de slachterswinkels van
+Sheffield. En, luister, gij schijnt een lustige broeder,--kom na den
+slag hier, en gij zult zoo veel Malvoizei hebben, dat gij uw geheel
+klooster er mede dronken kunt maken."
+
+"Zeker, zullen wij elkander weder zien!" hernam Cedric.
+
+"Hier hebt gij intusschen handgeld," ging de Normandiër voort; en toen
+zij aan de achterdeur scheidden, stopte hij in Cedric's onwillige hand
+een gouden munt, terwijl hij er bij voegde: "Bedenk, dat ik u de kap
+en het vel zal afstroopen, zoo gij uwe boodschap niet goed verricht!"
+
+"En ik geef u vrijheid tot alles," antwoordde Cedric, de achterdeur
+verlatende en met een verlicht hart door het vrije veld heenstappende,
+"als ik bij onze eerste ontmoeting niets meer van u verdien!"--Zich
+daarop naar het kasteel omkeerende, wierp hij den gever het goudstuk
+weder toe, terwijl hij uitriep: "Valsche Normandiër! moge uw geld
+met u vergaan!"
+
+Front-de-Boeuf hoorde de woorden onduidelijk, maar de handelwijze
+scheen hem verdacht.--"Schutters!" riep hij de wachten op de
+buitenwerken toe, "zend dien monnik een pijl achterna;--maar
+neen!" vervolgde hij, toen zijn lieden de bogen spanden; "Het kan
+niet baten;--wij moeten hem in zoover vertrouwen, daar wij geene
+andere keuze hebben. Mij dunkt, hij durft mij niet verraden;--in
+het ergste geval kan ik nog met de Saksische honden onderhandelen,
+die ik veilig in de kooi heb.--Hola! Gilles, cipier, laat Cedric van
+Rotherwood voor mij brengen, en den anderen boer, zijn makker,--ik
+meen Coningsburgh,--Athelstane, of hoe hij heet; zelfs hunne namen zijn
+lastig voor den mond van een Normandischen ridder, en zij ruiken, als
+het ware, naar spek. Geef mij eene flesch wijn, om, zooals onze goede
+Prins Jan zei, den smaak af te spoelen,--zet er een in de wapenkamer,
+en breng de gevangenen er ook heen."
+
+Men gehoorzaamde aan zijne bevelen, en, toen hij in het Gothische
+vertrek trad, dat behangen was met een menigte tropeeën, door zijne
+eigene dapperheid en die zijns vaders veroverd, vond hij een beker
+wijn op de zwarte eiken tafel, en de twee Saksische gevangenen bewaakt
+door vier zijner vazallen. Front-de-Boeuf nam eene groote teug wijns,
+en wendde zich hierop tot zijne gevangenen. Want de wijze, waarop Wamba
+de kap over zijn gezicht getrokken had, de verandering van kleeding,
+het sombere, flauwe licht, en de oppervlakkige kennis, die de Baron
+van Cedric's gelaatstrekken had (want deze vermeed zijne Normandische
+naburen en kwam zelden buiten de grenzen van zijn eigen gebied),
+beletten hem te ontdekken, dat de voornaamste zijner gevangenen
+ontsnapt was.
+
+"Welnu, gij Engelsche helden," zei Front-de-Boeuf, "hoe bevalt u het
+onthaal te Torquilstone?--Ziet gij nu in, wat de onbeschaamdheid en
+verwaandheid van spotternijen te verkoopen op een maaltijd bij een
+vorst uit het huis van Anjou, u op den hals hebben gehaald?--Hebt gij
+vergeten, hoe gij de onverdiende gastvrijheid van den koninklijken
+Prins Jan vergolden hebt? Bij God en St. Denis! zoo gij niet
+een zwaar losgeld betaalt, zal ik u bij de voeten ophangen aan de
+ijzeren staven dezer vensters, tot de gieren en raven u tot geraamten
+gemaakt hebben! Spreekt, gij Saksische honden,--wat biedt gij voor
+uw nietswaardig leven?--Wat zegt gij, Rotherwood?"
+
+"Geen duit, voor mijn deel," antwoordde de arme Wamba,--"en wat
+het ophangen bij de voeten betreft, mijn hoofd is, zooals men zegt,
+reeds ten onderste boven gekeerd, sedert ik de eerste kindermuts op
+kreeg; dus zal het misschien weder terecht komen, als men mij bij de
+beenen ophangt."
+
+"Heilige Genoveva!" riep Front-de-Boeuf, "wie is dat?"
+
+En met den rug zijner hand sloeg hij den nar Cedric's kap van het
+hoofd, en zijn kraag openende, zag hij het noodlottig teeken der
+slavernij, den koperen halsband.
+
+"Gillis,--Clement,--honden, slaven!" schreeuwde de woedende Normandiër,
+"wien hebt gij mij hier gebracht?"
+
+"Ik geloof, dat ik het u zeggen kan!" zei De Bracy, die juist
+binnentrad. "Dit is Cedric's nar, die eene zoo dappere schermutseling
+had met Izaäk van York, over den voorrang."
+
+"Ik zal het voor beiden vereffenen," hernam Front-de-Boeuf; "zij
+zullen aan dezelfde galg hangen, tenzij zijn meester en dit wild
+zwijn van Coningsburgh terdege voor hun leven betalen. Hun rijkdom
+is het minste, dat zij kunnen afstaan; zij moeten ook dien zwerm
+wegvoeren, welke het kasteel omringt, een gerechtelijken afstand
+van hunne vrijheden onderteekenen, en als leenmannen en vazallen
+onder ons leven; gelukkig nog mogen zij zich heeten, zoo wij hen,
+in den nieuwen staat van zaken, die nu begint, het vrije ademhalen
+vergunnen.--Gaat," zei hij tot twee der wachters, "haalt den echten
+Cedric, en ik vergeef u uwe dwaling voor ditmaal, te eerder, omdat het
+niet onnatuurlijk is een gek voor een Saksischen _Franklin_ te houden."
+
+"Och!" zei Wamba, "de edele heer zal ondervinden, dat er meer gekken
+dan _Franklins_ onder ons zijn."
+
+"Wat meent die schurk?" zei Front-de-Boeuf, zijne lieden aanziende,
+die dralende en stamelende te kennen gaven, dat zoo dit Cedric niet
+was, die voor hem stond, zij niet wisten wat er van hem geworden was.
+
+"Bij alle heiligen des hemels!" riep De Bracy uit: "hij moet in het
+monniksgewaad ontsnapt zijn!"
+
+"Bij alle duivels der hel!" schreeuwde Front-de-Boeuf, "het was dus
+het zwijn van Rotherwood, dat ik naar de achterpoort heb gebracht
+en met eigene hand uitgelaten! En gij," zei hij tot Wamba, "wiens
+gekheid de wijsheid van nog grootere domkoppen, dan gij zelf zijt,
+gefopt heeft,--ik zal u tot priester wijden.--Ik zal u de kruin
+doen scheren.--Hier, scheurt hem het vel van het hoofd, en smijt
+hem dan boven van de muren af.--Het schertsen is uw ambt; kunt gij
+nu schertsen?"
+
+"Gij behandelt mij beter, dan gij beloofdet, edele ridder," stamelde
+de arme Wamba, wiens gewoonte van schertsen zelfs niet door het
+onmiddellijke vooruitzicht van den dood kon overwonnen worden. "Zoo
+gij mij de roode muts geeft, die gij mij belooft, zult gij mij van
+een eenvoudigen monnik tot den rang van kardinaal verheffen."
+
+"De arme schelm," zei De Bracy, "heeft besloten, tot het laatste
+toe zijne rol vol te houden. Front-de-Boeuf, gij zult hem niet
+dooden. Schenk hem aan mij, om mijne krijgsbende te vermaken.--Wat
+zegt gij, schurk? Wilt gij pardon hebben en met mij te velde trekken?"
+
+"Ja, met mijns meesters verlof; want ziet gij, ik kan mijn halsband
+zonder zijne toestemming niet afdoen," antwoordde Wamba.
+
+"O, een Normandische zaag zal weldra een Saksischen halsband losgemaakt
+hebben!" zei De Bracy.
+
+"Ja, edele heer," hernam Wamba, "en van daar komt het spreekwoord:
+
+
+ Normandische zegen op Engelands boom,
+ Om Engelands hals een Normandische toom,
+ Normandische lepels in Engelsche spijs,
+ En Eng'land beheerscht op Normandische wijs;--
+ Geen vreugde bestaat meer in Eng'land gewis,
+ Vóórdat dit viertal verdwenen is."
+
+
+"Gij doet wel, De Bracy," zei Front-de-Boeuf; "met hier naar het
+gesnap van een nar te luisteren, terwijl de ondergang ons van buiten
+dreigt. Ziet gij niet, dat men ons gefopt heeft, en dat ons plan om
+onze vrienden met onzen toestand bekend te maken, juist door dezen
+nar verijdeld is, dien gij zoo broederlijk behandelt? Wat hebben wij
+anders te verwachten, dan eene oogenblikkelijke bestorming?"
+
+"Naar de muren dan," riep De Bracy; "wanneer hebt gij mij ooit
+ernstig gestemd gezien door de verwachting van een gevecht? Roep den
+Tempelier, en laat hem maar half zoo goed voor zijn leven vechten,
+als hij voor zijn orde gedaan heeft;--snel zelf naar de muren, met
+uw reusachtig lichaam; ik zal ook mijn best doen, en ik zeg u, dat
+die Saksische roovers evengoed beproeven konden de wolken, als het
+kasteel van Torquilstone te bestormen. Zoo gij echter met de bandieten
+in onderhandeling wilt treden, waarom gebruikt gij daartoe niet de
+bemiddeling van dezen waardigen _Franklin_, die in een zoo ernstige
+beschouwing der wijnflesch verdiept staat? Hier, Sakser," vervolgde
+hij, zich tot Athelstane wendende, en hem den beker overhandigende,
+"spoel u de keel eens af met dezen edelen drank, en wek uwe ziel op,
+om te zeggen, wat gij voor uwe vrijheid over hebt."
+
+"Alles waarover een sterveling beschikken kan," antwoordde Athelstane,
+"alles, dat een man van eer past! Laat mij met mijne makkers aftrekken,
+en ik zal een losgeld van duizend mark betalen."
+
+"En gij zult ons daarenboven instaan voor den aftocht van dat
+uitvaagsel des menschdoms, dat rondom het kasteel zwerft, evenzeer
+tegen God als den Prins zondigende!" zei Front-de-Boeuf.
+
+"Voor zoover ik kan," hernam Athelstane, "zal ik hen doen vertrekken;
+en ik twijfel niet, of vader Cedric zal zijn best doen, om mij bij
+te staan."
+
+"Wij zijn het dus eens," zei Front-de-Boeuf,--"gij zult met hen in
+vrijheid gesteld worden, en er zal van weerskanten vrede zijn, tegen
+uitbetaling van duizend mark. Het is een gering losgeld, Sakser, en
+gij moet dankbaar zijn, voor mijne gematigdheid, daar ik zoo weinig
+voor uw bevrijding aanneem. Maar let wel op, dit strekt zich niet
+uit tot den Jood Izaäk."
+
+"Noch tot de dochter van den Jood Izaäk!" zei de Tempelier, die zich
+nu bij hen gevoegd had.
+
+"Geen van beiden," zei Front-de-Boeuf, "behoort tot het gezelschap
+van dezen Sakser."
+
+"Ik ware onwaardig een Christen genoemd te worden, zoo dat het
+geval was," hernam Athelstane; "handel met die ongeloovigen, naar
+verkiezing."
+
+"Evenmin is Jonkvrouw Rowena onder dit losgeld begrepen," zei De
+Bracy. "Men zal nooit zeggen, dat men mij mijnen schoonen buit,
+zonder slag of stoot, ontnomen heeft."
+
+"Ook betreft onze overeenkomst dezen ellendigen nar niet, dien ik
+terughoud, om hem tot voorbeeld te doen strekken voor iederen schelm,
+die uit scherts ernst wil maken," zei Front-de-Boeuf.
+
+"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Athelstane, met een onverschrokken
+gelaat, "is mijne verloofde bruid. Ik zal mij eerder door wilde paarden
+vaneen laten scheuren, dan er in toestemmen van haar te scheiden. De
+slaaf Wamba heeft heden het leven van vader Cedric gered.--Ik wil
+het mijne verliezen, eer een haar van heur hoofd te laten krenken."
+
+"Uwe verloofde bruid?--Jonkvrouw Rowena de verloofde bruid van een
+vazal, zooals gij?" riep De Bracy uit. "Sakser, gij verbeeldt u,
+dat de dagen der zeven koninkrijken teruggekeerd zijn. Ik zeg u,
+de vorsten van het huis van Anjou schenken hunne pupillen niet aan
+mannen van uwe afkomst."
+
+"Mijne afkomst, trotsche Normandiër," hernam Athelstane, "spruit uit
+een zuiverder en edeler bron, dan die van een Franschen bedelaar,
+die zijn leven onderhoudt door het bloed der schelmen te verkoopen,
+die hij onder zijn armzalig vaandel verzamelt. Mijne voorouders waren
+koningen, dapper in den strijd, en wijs in den raad, die iederen
+dag meer menschen in hunne zalen hadden, dan gij aanhangers telt;
+wier namen door minnezangers zijn vereeuwigd, en wier wetten door
+_Wittenagemotes_ aangenomen zijn;--wier gebeente onder het gebed van
+heiligen is begraven, en boven wier graven kerken gebouwd zijn."
+
+"Daar hebt gij het, De Bracy," zei Front-de-Boeuf, zeer tevreden
+over het trotsche antwoord, dat zijn makker ontvangen had; "de Sakser
+heeft u geraakt."
+
+"Dat staat een gevangene vrij," zei De Bracy, met schijnbare
+onverschilligheid; "want hij, wiens handen gebonden zijn, moet ten
+minste zijn tong kunnen roeren.--Maar uw hoogmoedige taal, kameraad,"
+voegde hij er bij, zich tot Athelstane keerende, "zal Rowena's
+bevrijding niet bewerken."
+
+Hierop gaf Athelstane, die reeds langer gesproken had, dan zijn
+gewoonte was, al ware het ook over het belangrijkste onderwerp, geen
+antwoord. Het gesprek werd afgebroken door de komst van een dienaar,
+die meldde, dat een monnik aan de achterpoort stond, en wenschte
+binnengelaten te worden.
+
+"In den naam van den heiligen Benedictus, den vorst van deze
+bedelaars," riep Front-de-Boeuf uit, "is dit nu een echte monnik, of
+weder een bedrieger? Doorzoekt hem, slaven; want zoo gij u weer een
+valschen priester laat opdringen, zal ik u de oogen laten uitsteken,
+en gloeiende kolen in de holten doen!"
+
+"Ik onderwerp mij aan uw toorn, gestrenge heer," zei Gilles, "als
+dit geen echte kaalkop is. Uw schildknaap Jocelijn kent hem wel,
+en wil er voor instaan, dat het broeder Ambrosius is, een monnik uit
+het gevolg van den Prior van Jorvaulx."
+
+"Laat hem binnen," zei Front-de-Boeuf, "waarschijnlijk brengt hij ons
+tijding van zijn gelukkigen meester. Zeker viert de duivel kermis,
+en zijn de priesters vrij van dienst, dat zij zoo in het wild door
+het land zwerven. Breng deze gevangenen weg; en Sakser, overweeg,
+wat gij gehoord hebt."
+
+"Ik eisch," hernam Athelstane, "eene eervolle gevangenschap, met
+behoorlijke zorg voor tafel en bed, zooals mijn rang en een ridder
+toekomt, die omtrent zijn losgeld onderhandelt. Daarenboven houd ik
+dengene, die zich voor den besten van ulieden houdt, voor verplicht,
+om mij later rekenschap te geven voor deze aanranding mijner
+vrijheid. Deze uitdaging is u reeds door den huis-hofmeester
+toegezonden; gij hebt ze ontvangen, en gij moet mij er op
+antwoorden. Daar ligt mijn handschoen!"
+
+"Ik beantwoord de uitdaging van mijn gevangene niet," hernam
+Front-de-Boeuf, "en gij zult dit evenmin doen, Maurice De
+Bracy. Gilles," ging hij voort; "hang des _Franklins_ handschoen
+op de takken van gindschen hoorn; daar zal hij blijven hangen, tot
+zijn eigenaar in vrijheid is. Als hij dien dan durft terugeischen,
+of zeggen, dat hij op een onwettige wijze mijn gevangene geworden
+is, bij den gordel van St. Christophorus, hij zal met iemand te doen
+krijgen, die nooit geaarzeld heeft een vijand onder de oogen te zien,
+hetzij te voet, of te paard, alleen of met zijne vazallen!"
+
+De Saksische gevangenen werden nu weggebracht, juist toen men den
+monnik Ambrosius binnenliet, die zeer ontsteld scheen te zijn.
+
+"Dit is de ware _Deus vobiscum_," zei Wamba, toen hij den eerwaarden
+broeder voorbij ging, "de anderen waren slechts namaaksels."
+
+"Heilige Moeder!" riep de monnik, de vergaderde ridders aansprekende,
+"eindelijk ben ik in veiligheid!--onder Christelijke bescherming!"
+
+"Veilig zijt ge," hervatte De Bracy, "en wat het Christelijke uwer
+bescherming betreft, hier staat de dappere Reginald Front-de-Boeuf,
+wiens grootste afschrik een Jood is, en de heldhaftige ridder en
+Tempelier, Brian De Bois-Guilbert, wiens roeping het is, Saracenen
+om te brengen.--Zoo dit geen voldoende blijken van Christendom zijn,
+dan ken ik er geen andere, waarop ze aanspraak kunnen maken."
+
+"Ge zijt vrienden en bondgenooten van onzen eerwaarden vader
+in God, Aymer, Prior van Jorvaulx," hernam de monnik, zonder
+acht te slaan op den toon van De Bracy's antwoord; "ge zijt hem
+hulp verschuldigd, zoowel wegens uw gelofte als ridders, als uit
+Christelijke liefde.--Want wat zegt de gezegende St. Augustinus in
+zijn verhandeling _De Civitate Dei_,--"
+
+"Wat zegt de duivel!" viel Front-de-Boeuf hem in de rede, "of liever,
+wat zegt ge, heer priester? Wij hebben weinig tijd, om teksten uit
+de heilige Kerkvaders te hooren."
+
+"_Sancta Maria!_" riep vader Ambrosius, "hoe doldriftig zijn deze
+onheilige leeken!--Maar verneemt, dappere ridders, dat zekere
+moorddadige schurken, alle vrees voor God, en allen eerbied voor de
+Kerk verzakende, en zonder acht te geven op de bul van den heiligen
+Vader, _Si quis suadente Diabolo_,--"
+
+"Priester," zei de Tempelier, "dit alles weten wij, of kunnen het wel
+raden.--Zeg ons ronduit, is uw meester, de Prior, gevangen genomen
+en door wien?"
+
+"Voorzeker," antwoordde Ambrosius, "hij is in handen der
+Belials-kinderen, der roovers in deze bosschen en der overtreders
+van den heiligen tekst: "slaat de handen niet aan mijn gezalfden,
+en doet mijn profeten geen leed!"
+
+"Hier is eene nieuwe opwekking tot den strijd, Heeren," zei
+Front-de-Boeuf, zich tot zijn makkers wendende; "dus, in plaats van
+ons hulp te bieden, vraagt de Prior van Jorvaulx bijstand van ons? Zoo
+wordt men door deze luie geestelijken geholpen, als men hen het meest
+noodig heeft! Maar zeg, priester, wat verwacht uw heer van ons?"
+
+"Och!" zei Ambrosius, "men heeft de hand aan den eerwaarden Prior
+geslagen, strijdig met het heilig gebod, dat ik reeds aangehaald heb,
+en die Belials-kinderen hebben zijn valiezen en bagage uitgeplunderd,
+en van tweehonderd mark fijn goud beroofd, daarenboven, vorderen ze
+nog eene aanzienlijke som, eer ze hem uit hun onheilige handen willen
+ontslaan. Daarom smeekt u de eerwaarde vader in God, als zijne dierbare
+vrienden, om hem te verlossen, hetzij door het losgeld te betalen,
+dat voor hem geëischt wordt, hetzij door hem met geweld te bevrijden,
+zooals ge verkiest."
+
+"De duivel hale den Prior!" riep Front-de-Boeuf; "hij moet heden reeds
+menigen beker geledigd hebben. Wanneer heeft uw meester ooit van een
+Normandischen Baron hooren spreken, die zijne beurs opende om een
+priester te helpen, daar de geldzakken der geestelijkheid tienmaal zoo
+zwaar zijn als de onzen? En hoe zouden wij hem met geweld bevrijden,
+daar wij hier door een getal, tienmaal grooter dan het onze, zijn
+ingesloten, en ieder oogenblik de bestorming verwachten?"
+
+"En dit wilde ik u juist zeggen," zei de monnik, "indien gij mij in
+uwe drift hadt laten uitspreken. Maar, God sta mij bij!--ik ben een
+grijsaard, en dit schandelijk krijgsgewoel verwart het verstand van
+een oud man. Niettemin is het waar, dat ze een kamp opslaan, en een
+wal oprichten onder de muren van dit kasteel."
+
+"Naar de wallen dan!" riep De Bracy, "en laat ons zien, wat de schurken
+doen!" en dit zeggende opende hij een tralie-venster, dat naar een
+soort van vooruitstekend balkon leidde, en riep oogenblikkelijk hen,
+die in de kamer waren, toe: "Bij St. Denis! de oude monnik spreekt de
+waarheid! Ze brengen schermdaken en breede schilden aan; de schutters
+vergaderen langs den zoom van het bosch; als zwarte wolken voor
+een hagelbui."
+
+Reginald Front-de-Boeuf keek ook naar buiten, en greep naar zijn horen:
+en na lang en luid geblazen te hebben, beval hij zijne manschappen,
+om hun posten op de wallen te bezetten. "De Bracy, zie gij toe op den
+oostkant, waar de muur het laagste is.--Edele Bois-Guilbert, uw beroep
+heeft u wel geleerd, hoe ge aanvallen en verdedigen moet; blijf gij aan
+den westkant.--Ik zelf zal op het bruggenhoofd post vatten. Evenwel
+bepaalt uwe werkzaamheid niet tot één punt, edele vrienden! wij
+moeten heden overal zijn, en ons als het ware vermenigvuldigen,
+om door onze alomtegenwoordigheid hulp en ondersteuning te bieden,
+daar waar de aanval het heetste is. Ons getal is klein, maar ijver
+en moed kunnen in dit gebrek voorzien, daar wij slechts met schurken
+en boeren te doen hebben."
+
+"Maar, edele ridders," riep vader Ambrosius tusschen het gedruisch en
+de verwarring, welke de toebereidselen ter verdediging veroorzaakten,
+"wil geen uwer op de boodschap antwoorden van den eerwaarden vader
+in God, Aymer, Prior van Jorvaulx?--Ik bid u, mij aan te hooren,
+edele ridders!"
+
+"Ga, wend u met uw verzoek tot den hemel," hernam de woeste
+Normandiër, "want wij, hier op aarde, hebben geen tijd om naar u
+te luisteren.--Hola, Anselmus! zorg, dat er kokende pik en olie in
+gereedheid zijn, om op de hoofden van die vermetele verraders te
+gieten. Zie toe, dat de arm-boogschutters geen gebrek aan schichten
+hebben.--Laat mijne oude banier met den stierenkop hijschen;--die
+schurken zullen weldra zien met wien ze heden te doen hebben!"
+
+"Maar, edele Heer," vervolgde de monnik, volhardende in zijne pogingen
+om gehoor te vinden; "denk aan mijne gelofte van gehoorzaamheid,
+en laat mij de bevelen van mijn overheid volvoeren!"
+
+"Weg met dezen praatzieken domoor!" zei Front-de-Boeuf; "sluit hem in
+de kapel op, om zijn rozekrans te bidden, totdat het gevecht gedaan
+is. Het zal iets nieuws voor de heiligen in Torquilstone zijn, om
+_ave's_ en _paternosters_ te hooren; ze zijn, naar ik weet, niet zoo
+vereerd geworden, sedert ze uit steen gehouwen zijn."
+
+"Laster de heiligen niet, ridder," zei De Bracy, "wij zullen heden
+hunne hulp noodig hebben, eer die rooverbende verdreven is."
+
+"Ik verwacht weinig hulp van dien kant," hernam Front-de-Boeuf, "tenzij
+wij hen van de borstwering op de hoofden dier schelmen neêrwerpen. Er
+is een reusachtige St. Christophorus bij, zwaar genoeg om een geheele
+compagnie te verpletteren."
+
+De Tempelier had intusschen uitgezien naar de bewegingen der
+belegeraars, met wat meer oplettendheid dan de woeste Front-de-Boeuf en
+zijn luchtige makker. "Op mijn woord," zei hij, "deze kerels naderen
+met meer verstand, dan men zou verwacht hebben, hoe ze er dan ook
+aankomen. Zie, hoe behendig ze van iederen boom en struik gebruik
+maken, om zich te dekken, en zich wachten, zich aan onze schutters
+bloot te geven! Ik zie banier noch vaandel onder hen, en toch wil
+ik mijn gouden keten verwedden, dat ze aangevoerd worden door eenig
+edelen ridder, of heer, die in de krijgskunst ervaren is."
+
+"Ik zie hem reeds," riep De Bracy uit, "ik zie een vederbos van een
+ridder wapperen, en zijn glinsterende wapenrusting. Zie ginds dien
+grooten man, in het zwarte harnas, die het achterste gelid van die
+schurken opstelt.--Bij St. Denis, ik geloof, dat het dezelfde is,
+dien wij _Le Noir Fainéant_ noemden, en die u, Front-de-Boeuf, in
+het strijdperk van Ashby, ter neder sloeg."
+
+"Des te beter," hernam Front-de-Boeuf, "dat hij hier komt, om mij
+gelegenheid tot wraak te geven. Het moet de een of ander misdadige
+zijn, daar hij den toernooiprijs, welken het toeval hem geschonken had,
+niet durfde vorderen. Ik zou hem zeker te vergeefs gezocht hebben,
+waar ridders en edelen hunne vijanden zoeken, en ik ben blijde,
+dat hij zich hier onder het gemeene volk vertoont."
+
+De bewegingen van den vijand, die een onmiddellijken aanval deden
+vooruit zien, braken het gesprek af. Ieder ridder begaf zich op
+zijn post, en aan het hoofd van het klein getal volgelingen, die ze
+bijeen konden brengen, en welke niet toereikend waren, om de geheele
+uitgestrektheid der muren te bezetten, wachtten ze, met bedaarde
+vastberadenheid, de dreigende bestorming af.
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Dit zwervend volk, van andren afgezonderd,
+ Stoft op zijn dieper kennis der natuur;
+ De zeeën, wouden, velden, waar zij toeven,
+ Zien hen bekend met hun verborgen schatten:
+ Geringe kruiden, bloemen, bloesems spreiden,
+ Door hen verzameld, ongekende krachten.
+
+ De Jood.
+
+
+Onze geschiedenis moet noodzakelijk eenige bladzijden terug gaan,
+om den lezer van zekere voorvallen te onderrichten, welker kennis
+vereischt is tot het verder begrijpen van dit belangrijk verhaal. Hij
+zal wel van zelf begrepen hebben, dat, toen Ivanhoe in zwijm viel en
+door iedereen verlaten scheen, Rebekka door haar dringende beden haar
+vader overhaalde den dapperen jongen krijgsman uit het strijdperk
+naar het huis te laten brengen, dat de Joden tijdelijk in een der
+voorsteden van Ashby bewoonden. Het zou ook in andere omstandigheden
+niet moeielijk geweest zijn, om Izaäk tot dezen stap te overreden,
+want hij was van inborst goedaardig en dankbaar. Maar hij bezat ook
+de vooroordeelen en schroomvallige vreesachtigheid aan zijn vervolgd
+volk eigen, en deze moesten overwonnen worden.
+
+"Heilige Abraham!" riep hij uit, "het is een goed jongeling, het
+snijdt mij door het hart, als ik zie, hoe het bloed over zijn rijk
+geborduurde kraag en zijne kostbare wapenrusting vloeit.--Maar hem in
+ons huis te brengen, meisje, hebt gij daar wel over nagedacht?--Hij
+is een Christen, en naar onze wet mogen wij met den vreemdeling en
+den Heiden niet anders verkeeren, dan om den wille van den handel."
+
+"Zeg dat niet, lieve vader," hernam Rebekka; "wij mogen ons, wel is
+waar, niet onder hen mengen bij gastmalen en vroolijkheid; maar in
+ongeluk en ellende wordt de Heiden des Joden broeder."
+
+"Ik zou wel eens willen weten, wat de Rabbi Jacob Ben Tudela er van
+zeggen zou?" hervatte Izaäk;--"echter moet de goede jongeling niet
+dood bloeden. Seth en Ruben kunnen hem naar Ashby dragen."
+
+"Neen," zei Rebekka; "laten zij hem in mijn draagstoel leggen; ik
+zal een der rijpaarden bestijgen."
+
+"Dan zoudt gij u immers blootstellen aan de onbeschaamde oogen van die
+honden van Ismaël en Edom," fluisterde Izaäk, met een achterdochtigen
+blik op de menigte ridders en knapen. Maar Rebekka was reeds bezig,
+met haar liefderijk voornemen ten uitvoer te brengen, en luisterde
+niet naar hetgeen hij zei, totdat Izaäk, haar bij den slip van den
+mantel grijpende, weder met een benauwde stem uitriep: "Bij Aärons
+baard!--als de jongeling sterft--als hij in onze bewaring sterft,
+zullen wij dan niet voor schuldig aan zijn dood gehouden, en door de
+menigte verscheurd worden?"
+
+"Hij zal niet sterven, vader," zei Rebekka, zich zachtjes van Izaäk
+losmakende; "hij zal niet sterven, als wij hem niet verlaten, en als
+wij dat doen, dan zijn wij inderdaad aan God en de menschen rekenschap
+voor zijn bloed verschuldigd."
+
+"Wel," antwoordde Izaäk, terwijl hij haar losliet, "het spijt mij
+evenzeer, zijn bloed te zien stroomen, alsof het gouden byzantijnen
+uit mijn beurs waren; en ik weet wel, dat de lessen van Mirjam,
+de dochter van den Rabbi Manasse van Byzantium, wiens ziel in het
+Paradijs is, u in de heelkunst ervaren gemaakt hebben, en dat gij
+krachtige kruiden en versterkende elixers kent. Doe dus, wat uw
+hart u ingeeft;--gij zijt een goed meisje, een zegen, en eene kroon,
+en de trots van mij en mijn huis, en van het volk mijner vaderen."
+
+De vrees van Izaäk was intusschen niet ongegrond; en de edelmoedige
+menschlievendheid zijner dochter stelde haar, gedurende de terugreis
+naar Ashby bloot aan de stoute blikken van Brian de Bois-Guilbert. De
+Tempelier reed hen tweemalen voorbij om zijn onbeschaamd en vurig
+oog op de schoone Jodin te vestigen; en wij hebben reeds de gevolgen
+gezien van zijne bewondering voor hare bekoorlijkheden, toen het
+toeval haar in de macht van dezen woesten wellusteling geleverd had.
+
+Rebekka verloor geen tijd met den patient naar hunne tijdelijke woning
+te laten brengen, en ging toen zelve aan het werk, om zijne wonden
+te onderzoeken en te verbinden.
+
+De meest onervaren lezer van romans en romantische balladen zal zich
+herinneren, hoe dikwijls de vrouwen, gedurende de middeleeuwen, in
+de geheimen der heelkunst waren ingewijd, en hoe dikwerf de dappere
+ridder zijne wonden juist aan haar ter genezing toevertrouwde, wier
+oogen zijn hart nog dieper gewond hadden.
+
+Maar de Joden, zoowel mannen als vrouwen, verstonden en beoefenden alle
+takken der geneeskunst, en de vorsten en machtige Baronnen van dien
+tijd vertrouwden zich dikwijls aan de behandeling van menigen ervaren
+geleerde onder dit verachte volk, wanneer ze gekwetst of ziek waren. De
+hulp der Joodsche geneesheeren werd niet minder ijverig gezocht,
+ofschoon het geloof algemeen onder de Christenen heerschte, dat de
+Joodsche Rabbijnen zeer bedreven waren in de geheime wetenschappen, en
+vooral in de kabbalistische kunsten, welke haar naam en oorsprong aan
+de wijzen van Israël te danken hebben. Ook loochenden de rabbijnen zulk
+eene kennis der bovennatuurlijke kunsten niet, hetgeen volstrekt niet
+den haat vergrootte (want hoe kon die ook vergroot worden?) waarmede
+men hun volk beschouwde, terwijl daardoor de verachting verminderd
+werd, waarmede deze afkeer gepaard ging. Een Joodsche toovenaar mocht
+even erg verfoeid worden als een Joodsche woekeraar, maar hij kon
+nooit zoo veracht worden. Het is bovendien waarschijnlijk, als men
+de verwonderlijke genezingen in aanmerking neemt, welke men gelooft,
+dat ze verricht hebben, dat de Joden eenige geheimen in de geneeskunst
+kenden, die hun eigen waren, en welke ze met den achterhoudenden geest,
+door hun maatschappelijken toestand aangekweekt, met groote zorg voor
+de Christenen, onder wie ze leefden, verborgen hielden.
+
+De schoone Rebekka was zorgvuldig opgevoed in al de wetenschappen aan
+haar volk eigen, en haar vlug en groot verstand had alles onthouden,
+geschikt en ontwikkeld, op eene wijze die hare jaren, haar geslacht
+en zelfs hare eeuw ver vooruit was. Hare kennis der genees- en
+heelkunst had ze verkregen van eene oude Jodin, de dochter van
+een der beroemdste Joodsche doctoren, welke Rebekka als haar eigen
+kind beminde, en die, naar men geloofde, aan deze de geheimen had
+medegedeeld, welke haar wijze vader had nagelaten in denzelfden tijd
+en onder dezelfde omstandigheden.
+
+Het was het lot van Mirjam geweest, om als slachtoffer van de
+dweepzucht dier tijden te vallen; maar hare geheimen hadden haar in
+de persoon harer begaafde leerling overleefd.
+
+Rebekka, dus met kunde en schoonheid bedeeld, werd algemeen geëerd en
+bewonderd door haar eigen stam, welke haar bijna beschouwde als eene
+dier bevoorrechte vrouwen, die in de Heilige Schrift vermeld worden.
+
+Haar vader zelf, uit eerbied voor hare bekwaamheden, gepaard met zijn
+onbegrensde liefde, liet het meisje meer vrijheid dan de gewoonten
+van haar volk anders aan haar geslacht vergunden, en hij werd, zooals
+wij reeds gezien hebben, dikwijls door haar gevoelen bestierd, al
+was het ook lijnrecht in strijd met het zijne.
+
+Toen Ivanhoe Izaäks woning bereikte, was hij nog steeds in een staat
+van bewusteloosheid, veroorzaakt door het geweldige bloedverlies,
+dat hij in het strijdperk geleden had. Rebekka onderzocht de wond,
+en na die verbonden te hebben met de heelmiddelen, welke haar kennis
+voorschreef, gaf ze haar vader te kennen, dat, zoo de koorts gestuit
+werd, wat ze wegens het sterke bloedverlies verwachtte, en indien de
+heelende balsem van Mirjam zijn kracht niet verloren had, er niets
+voor het leven van hun gast te vreezen was, en dat hij den volgenden
+dag veilig met hen naar York zou kunnen reizen. Izaäk ontstelde een
+weinig bij dit bericht. Zijne menschlievendheid had zich gaarne bepaald
+bij hetgeen hij te Ashby gedaan had, of, op zijn best, zou hij den
+gekwetsten Christen hebben willen achterlaten, om opgepast te worden
+in het huis, waar ze thans woonden, met verzekering aan den Jood,
+wien het toebehoorde, dat alle onkosten behoorlijk zouden worden
+vergoed. Hiertegen bracht Rebekka echter verscheidene bezwaren in,
+waarvan wij slechts twee zullen aanhalen, daar ze van bijzonder veel
+gewicht bij Izaäk waren. Het ééne was, dat zij in geen geval haar
+fleschje met kostbaren balsem, zelfs in handen van een geneesheer
+van hare eigen natie geven wilde, uit vrees, dat het onwaardeerbaar
+geheim ontdekt mocht worden; het andere was, dat deze gekwetste
+ridder, Wilfrid van Ivanhoe, een vertrouwde en gunsteling was van
+Richard Leeuwenhart, en dat, ingeval die vorst terugkeerde, Izaäk,
+die aan zijn broeder Jan geld verschaft had om zijn oproerige plannen
+te bevorderen, een machtigen beschermer, die Richards gunst genoot,
+hoog noodig zou hebben.
+
+"Gij zegt de zuivere waarheid, Rebekka," zei Izaäk, voor deze
+gewichtige gronden zwichtende,--"het ware heiligschennis, om de
+geheimen der gezegende Mirjam te verraden; want het goede, dat de Hemel
+geeft, moet niet roekeloos aan anderen verkwist worden, het mogen dan
+gouden talenten of zilveren _sjekels_, of de geheimen van een wijzen
+geneesheer zijn;--zeker moeten ze bewaard worden door hen, aan welke
+de Voorzienigheid ze heeft geschonken. En als _hij_ eens weder terug
+kwam, dien de Nazareërs van Engeland Leeuwenhart noemen, dan ware
+het waarlijk beter voor mij in de klauwen van een sterken leeuw van
+Idumea te vallen, dan in de zijnen, als hij lucht krijgt van mijne
+handelingen met zijn broeder. Dus wil ik gehoor geven aan uw raad,
+en deze jongeling zal met ons naar York reizen, en ons huis zal het
+zijne wezen, tot zijne wonden genezen zijn. En als deze Leeuwenhart in
+het land terugkeert, zooals het gerucht loopt, dan zal deze Wilfrid
+van Ivanhoe mij verdedigen, wanneer des Konings toorn tegen uw vader
+ontbrandt. En als hij niet terugkeert, dan kan deze Wilfrid ons onze
+kosten vergoeden, als hij schatten verdient door de kracht van zijn
+speer en zijn zwaard, zooals hij gisteren en heden gedaan heeft. Want
+de jongeling is een braaf jongeling, en houdt woord, en geeft terug,
+wat hij leent, en helpt den Israëliet, zelfs den zoon mijns vaders,
+als hij door dieven en kinderen Belials omsingeld is."
+
+Het was eerst laat in den avond, toen Ivanhoe zijn bewustheid
+terugkreeg. Hij ontwaakte uit eene onrustige sluimering, met de
+verwarde indrukken, natuurlijk aan het bijkomen uit een staat van
+bewusteloosheid. Het was hem gedurende eenigen tijd onmogelijk,
+zich de omstandigheden, welke zijne bezwijming in het strijdperk
+vooraf waren gegaan, nauwkeurig te herinneren of de voorvallen van
+den vorigen dag aaneen te schakelen. Het bewustzijn van verwonding
+en pijn, gevoegd bij groote zwakheid en afmatting, ging gepaard met
+de herinnering aan gegeven en ontvangen slagen en houwen, van tegen
+elkander stootende paarden, van overwinnaars en overwonnenen,--van
+geschreeuw en wapengekletter, en al het verwarde gedruisch van een heet
+gevecht. Eene poging, om de gordijn van zijn bed te openen, gelukte
+hem gedeeltelijk, ofschoon de pijn zijner wonde dit moeielijk maakte.
+
+Tot zijne groote verwondering zag hij zich in eene rijk gestoffeerde
+kamer, maar met kussens voorzien, in plaats van met stoelen, en in
+andere opzichten zooveel overeenkomende met de Oostersche gebruiken,
+dat hij begon te twijfelen, of hij niet gedurende zijn slaap naar
+Palestina was teruggevoerd. De indruk werd vermeerderd, toen eene
+deur in het behang open ging, en eene vrouwelijke gedaante, rijk
+en meer naar den Oosterschen dan den Europeeschen smaak gekleed,
+gevolgd door een zwarten dienaar, binnensloop.
+
+Toen de gekwetste ridder deze schoone verschijning wilde aanspreken,
+gebood zij hem stil te zwijgen, door den vinger op de rozenroode
+lippen te leggen, terwijl de bediende, nader komende, Ivanhoe's
+zijde ontblootte, en de beminnelijke Jodin zich overtuigde, dat
+het verband op zijn plaats zat, en het met de wond goed stond. Zij
+volbracht haar taak met een aanvallige en waardige eenvoudigheid en
+zedigheid, welke, zelfs in beschaafdere tijden had moeten strekken,
+om alles, wat de vrouwelijke kieschheid had kunnen kwetsen, te doen
+vergeten. Het denkbeeld van een zoo jonge en schoone vrouw bezig te
+zien om een zieke op te passen, of de wonden van een man te verbinden,
+maakte plaats voor dat van een weldadig wezen, dat zijne krachtige
+hulp verleende om de smart te verzachten, en den pijl des doods af te
+wenden. Rebekka gaf haar weinige en korte bevelen in het Hebreeuwsch
+aan den ouden dienaar en deze, die haar dikwijls in soortgelijke
+gevallen had bijgestaan, gehoorzaamde zonder te antwoorden.
+
+De klank eener onbekende taal, hoe onaangenaam die ook in een
+anderen mond zou geweest zijn, had in dien van de schoone Rebekka
+die romantische en aangename uitwerking, die de verbeelding aan de
+eene of andere weldadige toovergodin toeschrijft, welke, wel is waar,
+onverstaanbaar blijft voor het oor, maar door de zachte uitdrukking
+en den goedaardigen blik het hart roert en treft. Zonder te beproeven
+naar iets te vragen, liet Ivanhoe haar in stilte die maatregelen
+nemen, welke zij voor zijne beterschap het noodigst oordeelde, en
+eerst toen zij gedaan had, en zijne behulpzame vriendin op het punt
+stond om heen te gaan, kon hij zijne nieuwsgierigheid niet langer
+onderdrukken.--"Bekoorlijk meisje," begon hij in het Arabisch, welke
+taal hem gedurende zijn reizen in het Oosten gemeenzaam geworden was,
+en die hij zich verbeeldde dat het met tulband en kaftan gesmukte
+meisje, dat voor hem stond, het best zou verstaan, "ik bid u,
+bekoorlijk meisje,--uwe goedheid--"
+
+Maar hier viel zijn schoone arts hem in de rede; een glimlach, welken
+zij nauwelijks onderdrukken kon, zweefde over een gelaat, waarop
+gewoonlijk eene uitdrukking rustte van peinzende zwaarmoedigheid:
+"Ik ben uit Engeland, heer ridder, en spreek de Saksische taal,
+ofschoon mijne kleeding en mijn stam onder een andere hemelstreek te
+huis behooren."
+
+"Edele Jonkvrouw,"--begon de ridder van Ivanhoe opnieuw, en wederom
+haastte zich Rebekka hem in de rede te vallen.
+
+"Geef mij dien eeretitel niet, heer ridder," zei zij. "Het is goed,
+dat gij dadelijk verneemt, dat uwe verzorgster eene arme Jodin is,
+de dochter van Izaäk van York, dien gij onlangs zoo liefderijk en
+vriendelijk behandeld hebt. Het is zijn plicht en die van zijne
+huisgenooten om u die zorgvuldige verpleging te verschaffen, welke
+uw tegenwoordige toestand zoo gebiedend eischt."
+
+Ik weet niet, of de schoone Rowena wel tevreden zou geweest zijn over
+de bewondering, waarmede haar ridder tot dusverre de schoone trekken,
+de rijzige gestalte en de schitterende oogen van de beminnelijke
+Rebekka aanschouwd had; oogen, wier glans overschaduwd en als het
+ware verzacht werd door lange wimpers, welke een dichter vergeleken
+zou hebben bij de avondster, die haar stralen door een priëel
+van jasmijn schiet. Maar Ivanhoe was te goed katholiek om deze
+gevoelens voor een Jodin te koesteren. Dit had Rebekka voorzien en
+daarom had zij zich gehaast om haars vaders naam en stam te noemen,
+evenwel,--want de schoone en wijze dochter van Izaäk was niet zonder
+een kleinen zweem van vrouwelijke zwakheid,--kon zij niet nalaten in
+haar hart te zuchten, toen de blik van eerbiedige bewondering, niet
+geheel onvermengd met teederheid, waarmede Ivanhoe tot hiertoe zijne
+onbekende weldoenster aanschouwd had, eensklaps veranderde in een koel,
+bedaard en terughoudend gedrag, waarin geen dieper gevoel te zien was,
+dan dat van dankbaarheid voor een dienst, welken men onverwacht van
+een persoon van minderen stand ontvangt. Niet dat Ivanhoe's vroegere
+houding meer uitdrukte, dan die algemeene, eerbiedige hulde, welke de
+jeugd altijd aan de schoonheid betoont; maar toch was het pijnlijk,
+dat een enkel woord genoeg was, om als met een tooverslag, de arme
+Rebekka, die niet geheel onbewust kon zijn, van haar recht op zulke
+hulde, tot eene verachte klasse te doen nederdalen, aan welke ze niet
+met eer kon bewezen worden.
+
+Maar de zachtaardige, edele Rebekka rekende het Ivanhoe tot geen
+misdaad, dat hij in de algemeene vooroordeelen van zijne eeuw en van
+zijne geloofsgenooten deelde. Integendeel hield de schoone Jodin,
+ofschoon zij gevoelde, dat haar patient haar als een spruit van
+een verworpen stam beschouwde, met welke het niet eervol was, meer
+dan het noodzakelijkste verkeer te houden, niet op, hem dezelfde
+geduldige en zorgvuldige oplettendheid te betoonen. Zij onderrichtte
+hem van de noodzakelijkheid om naar York te vertrekken en van haars
+vaders besluit, om hem daarheen te vervoeren en in zijn eigen huis
+te verzorgen, tot zijn genezing volmaakt was. Ivanhoe legde grooten
+tegenzin in dit plan aan den dag, terwijl hij voorwendde dat hij niet
+geneigd was zijne weldoeners verder tot last te strekken.
+
+"Is er niet," zei hij, "te Ashby, of in de nabijheid, de een of ander
+Saksische _Franklin_, of zelfs eenige rijke boer, die op zich zou
+willen nemen om een gekwetsten landsman bij zich te ontvangen, tot hij
+weder in staat is de wapens te dragen? Is er geen Saksisch klooster,
+waar hij kan aankloppen?--Of kan hij niet naar Burton vervoerd worden,
+waar hij verzekerd is, gastvrijheid te vinden bij Waltheoff, den Abt
+van Sint Withold, zijn bloedverwant?"
+
+"Iedere, zelfs de nederigste dezer schuilplaatsen," zei Rebekka,
+met een zwaarmoedigen glimlach, "zou zonder twijfel geschikter zijn
+voor u dan de woning van een verachten Jood; maar, heer ridder,
+zoo gij uw geneesheer niet wilt missen, moet gij niet van verblijf
+veranderen. Ons volk, zooals gij wel weet, kan wonden genezen, ofschoon
+wij er geen mogen toebrengen; en bij mijn geslacht in het bijzonder,
+berusten geheimen, welke sedert Salomo's tijd zijn overgebracht, en
+waarvan gij het heil reeds ondervonden hebt.--Geen Nazareër--ik smeek
+u om verschooning, heer ridder,--geen Christen wondarts in Brittanje
+zou u in staat kunnen stellen, uwe wapenrusting in minder dan eene
+maand te dragen."
+
+"En hoe spoedig zult gij mij in staat stellen, dat te doen?" vroeg
+Ivanhoe ongeduldig.
+
+"Binnen acht dagen, als gij geduldig wilt zijn en naar mijn
+voorschriften luisteren," hernam Rebekka.
+
+"Bij de Heilige Maagd," zei Wilfrid, "indien het geene zonde is haar
+hier te noemen, het is geen tijd voor mij, of voor eenigen echten
+ridder bedlegerig te zijn; en als gij uwe belofte houdt, meisje, zal
+ik u beloonen met mijn helm vol goud, vanwaar het dan ook komen moge!"
+
+"Ik zal mijne belofte houden," hernam Rebekka, "en gij zult uwe
+wapenrusting heden over acht dagen weder kunnen dragen, als gij mij
+slechts eene bede wilt vergunnen, in plaats van het geld, dat ge
+mij belooft."
+
+"Zoo het in mijne macht staat,--en een goed Christen ridder het aan
+iemand van uw volk mag toestaan," hervatte Ivanhoe, "dan zal ik aan
+uw verzoek gaarne en dankbaar voldoen."
+
+"Welnu," antwoordde Rebekka, "ik wilde u slechts bidden, om voortaan
+te gelooven, dat een Jood aan een Christen een dienst kan doen zonder
+andere belooning dan de zegen van den Grooten Vader, die Jood en
+Heiden geschapen heeft."
+
+"Het ware zonde hieraan te twijfelen, meisje," hernam Ivanhoe,
+"en ik vertrouw mij aan uwe kunde toe, zonder verderen twijfel of
+ongerustheid, maar ik reken er op, dat gij mij in staat zult stellen,
+mijne wapenrusting op den achtsten dag na heden te dragen. En nu moet
+ik u naar het nieuws van buiten vragen. Wat weet gij van den edelen
+Sakser, Cedric en zijn gezin?--Wat van de schoone Jonkvrouw,"--hij
+hield op, alsof hij Rowena's naam niet in het huis van een Jood
+uitspreken wilde,--"van haar, meen ik, die tot Koningin van het
+toernooi benoemd werd?"
+
+"En die door u, heer ridder, uitgekozen werd om die waardigheid
+te bekleeden, met een oordeel, dat evenzeer bewonderd werd als uwe
+dapperheid," hervatte Rebekka.
+
+Het bloed dat Ivanhoe verloren had, belette niet dat een blos
+zijn wangen kleurde, toen hij begreep, dat hij onvoorzichtig de
+belangstelling, welke hij voor Rowena gevoelde, verraden had door
+zijne onhandige poging om die te verbergen.
+
+"Het was minder van haar dat ik spreken wilde," zei hij, "dan van Prins
+Jan, en ik wilde gaarne iets weten van mijn getrouwen schildknaap,
+en waarom hij mij niet oppast?"
+
+"Laat ik mijn gezag als wondarts gebruiken," antwoordde Rebekka,
+"en u het stilzwijgen en het vermijden van alle ontroering opleggen,
+terwijl ik u onderricht van hetgeen gij wenscht te weten. Prins Jan
+heeft het toernooi plotseling afgebroken en is in groote haast naar
+York vertrokken met de edelen, ridders en geestelijken van zijne
+partij, na al het geld dat zij door billijke of onbillijke middelen
+afpersen konden van hen, die voor de rijken des lands gehouden worden,
+medegenomen te hebben. Men zegt dat hij voornemens is, zich de kroon
+zijns broeders op te zetten."
+
+"Niet zonder dat er menige slag ter verdediging er van gedaan wordt,"
+zei Ivanhoe, zich in zijn bed oprichtende, "al was er ook maar
+één getrouwe onderdaan in Engeland! Ik wil met den besten hunner
+om Richards recht strijden,--ja, zelfs één tegen twee in zijne
+rechtvaardige zaak."
+
+"Maar om dit te kunnen doen," zei Rebekka, hem met haar hand zacht
+op den schouder aanrakende, "moet gij thans mijne bevelen volgen,
+en u rustig houden."
+
+"Gij hebt gelijk, meisje," hernam Ivanhoe, "zoo rustig als deze
+onrustige tijden toelaten.--En wat nu van Cedric en zijn gezin?"
+
+"Zijn huishofmeester is een oogenblik geleden hier geweest," hervatte
+de Jodin, "buiten adem van haast, om van mijn vader eenig geld te
+halen voor wol, welke hij van Cedric's kudden verkregen had; en van
+hem vernam ik, dat Cedric en Athelstane van Coningsburgh de woning
+van den Prins in groot ongenoegen verlaten hadden en op het punt
+waren om weder naar huis te reizen."
+
+"Is er ook eene dame met hen op het feest geweest?" vroeg Wilfrid.
+
+"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Rebekka, den naam vermeldende, dien
+hij verzwegen had,--"Jonkvrouw Rowena, is niet naar des Prinsen feest
+geweest, en, zooals de huishofmeester ons gezegd heeft, is zij thans
+op de terugreis naar Rotherwood met haar voogd Cedric. En wat uw
+getrouwen schildknaap Gurth--"
+
+"Ha!" riep de ridder, "kent gij zijn naam?--Maar zeker," voegde hij
+er haastig bij, "zeker kent gij hem, want het was uit uwe hand, en,
+zooals ik vermoed, door uw edelmoedigheid, dat hij gisteren honderd
+_zechinen_ ontvangen heeft."
+
+"Spreek daar niet van," zei Rebekka blozende, "ik merk, hoe gemakkelijk
+het is met den mond te verraden wat het hart gaarne zou verbergen."
+
+"Maar," zei Ivanhoe ernstig, "mijne eer is er mede gemoeid, om uw
+vader deze som te betalen."
+
+"Volg uw eigen zin," zei Rebekka, "als acht dagen verloopen zijn;
+maar denk nu, bid ik u, aan niets, en spreek van niets, dat uwe
+herstelling zou kunnen vertragen."
+
+"Het zij zoo, meisje," hernam Ivanhoe; "het zou zeer ondankbaar zijn,
+mij tegen uwe verordeningen te verzetten. Maar één woord over Gurth's
+lot, en ik heb gedaan met vragen."
+
+"Het spijt mij u te moeten zeggen," antwoordde de Jodin, "dat hij op
+bevel van Cedric gevangen is!"--En toen zij de droefheid bespeurde,
+welke hare mededeeling bij Wilfrid verwekte, voegde zij er dadelijk
+bij: "maar de huishofmeester Oswald zei, dat als er niets voorviel om
+zijns meesters ongenoegen tegen hem te vermeerderen, hij zeker wist,
+dat Cedric Gurth zou vergeven, daar hij een getrouw lijfeigene was,
+hoog in gunst stond, en dezen misstap slechts begaan had uit liefde
+voor Cedric's zoon. En hij zeide daarenboven, dat hij en zijne makkers,
+en bijzonder de nar Wamba, besloten hadden om Gurth onderweg te helpen
+ontvluchten, in geval de toorn van Cedric tegen hem niet verzacht
+kon worden."
+
+"God geve, dat zij hun voornemen ten uitvoer brengen!" zei Ivanhoe;
+"maar het schijnt dat ik geboren ben, om allen, die mij liefde betoond
+hebben, ongelukkig te maken!--Mijn koning eerde en onderscheidde mij,
+en gij ziet, dat de broeder, die hem het meeste verschuldigd is, de
+wapens opneemt om hem de kroon te ontrukken;--mijne liefde heeft de
+schoonste van haar geslacht aan dwang en onrust onderworpen, en nu
+zal mijn vader wellicht in zijn toorn dezen armen lijfeigene om het
+leven brengen, alleen om zijne liefde en getrouwheid voor mij!--Gij
+ziet, meisje, welk een ongelukskind gij bijstaat; wees verstandig,
+en laat mij gaan eer mijn rampen, welke mij als speurhonden vervolgen,
+ook u medesleepen."
+
+"Wel," zei Rebekka, "uwe zwakheid en uwe smart, heer ridder, doen u de
+bedoelingen des Hemels verkeerd uitleggen! Gij zijt aan uw vaderland
+teruggegeven, toen het den bijstand van eene sterke hand en een
+getrouw hart noodig had, en hebt den hoogmoed van uw en uws konings
+vijanden vernederd, op een oogenblik, dat die ten toppunt gestegen
+was;--en wat uw ongeluk betreft, ziet gij niet, dat de Hemel u hulp
+en een arts gezonden heeft, zelfs onder de meest verachte bewoners des
+lands?--Houd dus goeden moed en vertrouw er op, dat gij gespaard zijt
+voor eenig wonder, dat uw arm voor dit volk zal verrichten. Vaarwel,
+en begeef u, zoodra gij den drank ingenomen hebt, welken ik u door
+Ruben zal zenden, weder ter rust, om des te beter in staat te zijn
+morgen de vermoeienissen van de reis door te staan."
+
+Ivanhoe liet zich door Rebekka's woorden overreden, en gehoorzaamde
+aan hare bevelen. De drank, welken Ruben hem toediende, was van een
+bedarenden en slaapwekkenden aard en verschafte den zieken een vasten
+en ongestoorden sluimer. Den volgenden morgen vond zijn vriendelijke
+arts hem geheel vrij van koortsachtige aandoening en in staat om de
+vermoeienis der reis te verdragen.
+
+Hij werd in den draagstoel geplaatst, waarin hij uit het strijdperk
+gebracht was, en welke door paarden gedragen werd, en men nam alle
+voorzorgen om hem met gemak te doen reizen. In één opzicht slechts
+konden zelfs de beden van Rebekka geene genoegzame oplettendheid voor
+het gemak van den gewonden ridder bezorgen. Izaäk zag, evenals de rijk
+geworden reiziger, in de satire van Juvenalis, in zijne verbeelding
+overal roovers, daar hij overtuigd was dat de stroopende Normandische
+edelman en de Saksische vrijbuiter beiden hem als wettigen buit
+zouden beschouwen. Hij reisde dus met den meesten spoed, en hield
+slechts korte rust en nog kortere maaltijden, zoodat hij Cedric en
+Athelstane voorbij reisde, die verscheidene uren vóór hem vertrokken,
+maar opgehouden waren door hun langgerekt gastmaal in het klooster
+van St. Withold. Zóó groot was echter de kracht van Mirjams balsem,
+of van Ivanhoe's gestel, dat hij door de overhaaste reis het ongemak
+niet leed, dat Rebekka voor hem gevreesd had.
+
+In een ander opzicht echter, had de haast van den Jood geen gelukkige
+gevolgen. De spoed, waarop hij onder het reizen aandrong, verwekte veel
+oneenigheid tusschen hem en de lieden, die hij tot zijn bescherming
+gehuurd had. Deze waren Saksers en geenszins vrij van die aangeboren
+zucht naar gemak en goede sier, welke de Normandiërs met den naam van
+luiheid en gulzigheid bestempelden. Shylock's stelling omkeerende,
+hadden zij dezen last op zich genomen, in de hoop van zich op kosten
+van den rijken Jood te mesten, en ze waren zeer ontevreden, toen
+ze zich bedrogen vonden door de snelheid, waarop hij aandrong. Zij
+verzekerden hem dan ook, dat hunne paarden daardoor ongewoon gevaar
+liepen. Ten laatste ontstond er tusschen Izaäk en zijne wachten een
+doodelijke veete over de hoeveelheid wijn en bier, welke bij iederen
+maaltijd mocht gebruikt worden. En zoo kwam het, dat toen het gevaar
+naderde, en hetgeen Izaäk gevreesd had, hem wezenlijk overkwam,
+de ontevredene huurlingen, op wier bescherming hij vertrouwd had,
+hem verlieten, daar hij de noodige middelen niet gebruikt had, om
+zich van hunne verkleefdheid te verzekeren.
+
+In dezen hulpeloozen toestand werd de Jood met zijne dochter en
+hun gekwetsten gast door Cedric gevonden, zooals wij reeds gemeld
+hebben en kort daarna vielen ze in de macht van De Bracy en zijne
+bondgenooten. Men sloeg eerst weinig acht op den draagstoel, die
+achtergebleven zou zijn zonder de nieuwsgierigheid van De Bracy, die er
+in keek, daar hij dacht, dat wellicht het voorwerp van zijn onderneming
+er in schuilde, want Rowena had zich nog niet ontsluierd. Maar groot
+was De Bracy's verbazing, toen hij bespeurde dat de draagstoel een
+gekwetsten krijgsman bevatte, die in het denkbeeld, dat hij in de
+macht van Saksische roovers gevallen was, bij wie zijn naam een
+bescherming voor hem en zijn vrienden kon zijn, openhartig bekende,
+dat hij Wilfrid van Ivanhoe was.
+
+De begrippen van riddereer, welke De Bracy, te midden van zijne
+woestheid en lichtvaardigheid, nooit geheel en al verzaakt had,
+beletten hem, om den ridder in zijn hulpeloozen toestand eenig leed
+aan te doen, en verhinderden insgelijks, dat hij hem aan Front-de-Boeuf
+verraadde, die er volstrekt geene gewetenszaak van zou gemaakt hebben,
+om zijn mededinger naar het leen Ivanhoe ter dood te brengen, in
+welke omstandigheden hij hem ook gevonden had. Van den anderen kant
+was het eene daad, ver boven de edelmoedigheid van De Bracy verheven
+om een medeminnaar in vrijheid te stellen, aan wien door Jonkvrouw
+Rowena de voorkeur gegeven werd, zooals de gebeurtenissen bij het
+toernooi en Wilfrids vroegere verbanning uit het vaderlijke huis
+reeds genoegzaam te kennen gegeven hadden. Een middenweg tusschen goed
+en kwaad was alles waartoe hij zich in staat gevoelde, en hij beval
+aan twee zijner schildknapen dicht bij den draagstoel te blijven, en
+niemand er bij te laten. Zoo men hen ondervroeg, beval hun meester te
+zeggen, dat het de ledige draagstoel der Jonkvrouw Rowena was, welke
+gebruikt werd om een makker, die in de schermutseling gekwetst werd,
+te vervoeren. Bij hunne aankomst te Torquilstone, terwijl de Tempelier
+en de heer van het kasteel ieder met zijn eigen ontwerp vervuld was,
+de een met den schat van den Jood, en de andere met zijne dochter,
+brachten De Bracy's schildknapen Ivanhoe, nog altijd onder den naam
+van een gewonden makker, in een afgelegen vertrek. Dit zeiden ook De
+Bracy's knapen aan Front-de-Boeuf, toen deze hun vroeg, waarom ze,
+toen er alarm geblazen werd, zich niet naar de wallen begeven hadden.
+
+"Een gekwetste makker!" hernam hij in groote drift en verbazing;
+"geen wonder, dat boeren en landlieden zich verstouten, om zelfs
+kasteelen te belegeren, en dat narren en zwijnenhoeders uitdagingen
+aan edellieden zenden, daar krijgers in ziekenoppassers veranderen,
+en huurlingen wachters bij een sterfbed geworden zijn, als zelfs het
+kasteel op het punt is, van bestormd te worden.--Naar de wallen, gij
+trage schurken!" riep hij, zijne forsche stem verheffende, zoodat de
+gewelven er van weêrgalmden, "naar de wallen, of ik zal er u met deze
+knots heen jagen!"
+
+De lieden antwoordden hem op stuggen toon, "dat ze niets beters
+verlangden dan naar de wallen te gaan, mits Front-de-Boeuf het bij
+hun meester verantwoorden wilde, die hun bevolen had, den stervende
+op te passen."
+
+"Den stervende, schelmen!" hervatte de Baron, "ik beloof u, dat
+wij allen weldra stervenden zullen zijn, als wij ons niet dapper
+houden. Maar ik zal de wacht bij dezen uwen ellendigen makker
+aflossen.--Hier, Urfried,--duivelsche Saksische heks,--hoort ge mij
+niet?--pas op dien bedlegerigen kerel, daar hij toch opgepast moet
+worden, terwijl deze schelmen hunne wapens gebruiken. Hier, kameraden,
+zijn twee armbogen, met pijlen er bij--voort, naar het buitenwerk,
+en ieder schot van u treffe den schedel van een Sakser!"
+
+De mannen, die, gelijk de meesten van huns gelijken, het gevaar
+beminden, en de werkeloosheid verfoeiden, gingen blijmoedig naar de
+gevaarlijke plaats waarheen men hen gezonden had, en dus werd de
+zorg voor Ivanhoe aan Urfried, of Ulrica, opgedrongen. Maar deze,
+wier hoofd vervuld was met de herinnering aan smaad en met de hoop
+op wraak, liet gaarne de oppassing van den zieke aan Rebekka over.
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Beklim den wachttoren ginds,
+ Beschouw het slagveld: beschrijf ons het gevecht!
+
+ Schiller's Maagd van Orleans.
+
+
+Een oogenblik van gevaar is dikwijls ook het oogenblik van openhartige
+genegenheid en liefde. Wij vergeten onze voorzichtigheid in de hevige
+ontroering onzer gevoelens, en wij verraden dan dikwijls aandoeningen,
+welke, in kalme oogenblikken, de bedaardheid ons doet verbergen,
+zoo niet geheel en al onderdrukken. Toen Rebekka zich weder naast
+het bed van Ivanhoe bevond, was zij zelve verwonderd over het geluk
+dat zij smaakte, op een oogenblik, dat beiden in gevaar, zoo niet
+reddeloos verloren waren. Toen zij hem den pols voelde, en naar
+zijne gezondheid vroeg, lag er in hare aanraking en in hare stem
+eene teederheid, welke eene grootere belangstelling te kennen gaf,
+dan zij zelve zou gewenscht hebben uit te drukken. Hare stem beefde,
+zij zelve sidderde, en het was slechts de koele vraag van Ivanhoe:
+"Zijt gij het, mijne vriendin?" welke hare bedaardheid terugriep, en
+haar herinnerde, dat de gevoelens, die zij koesterde, niet wederkeerig
+waren en zulks ook niet worden konden. Een zucht ontsnapte haar, maar
+een zucht, die nauwelijks hoorbaar was, en de vragen, welke zij den
+ridder omtrent zijn toestand deed, waren in den toon der bedaardste
+vriendschap. Ivanhoe antwoordde dadelijk, dat hij, ten opzichte
+der gezondheid, zoo wel was, en zelfs beter, dan hij verwacht kon
+hebben.--"Dank," zei hij, "uw kundige hulp, waarde Rebekka."
+
+"Hij noemt mij waarde Rebekka," zei het meisje in zich zelve, "maar
+op een kouden en onverschilligen toon, welke slecht met het woord
+overeenkomt. Zijn strijdpaard,--zijn jachthond zijn hem liever dan
+de verachte Jodin."
+
+"Mijn gemoed wordt meer door angst gekweld, meisje," ging Ivanhoe
+voort, "dan mijn lichaam door pijn. Uit het gesprek der mannen, die
+mij zooeven oppasten, verneem ik, dat ik een gevangene ben, en, zoo
+ik mij niet vergis, naar de harde, gebiedende stem te oordeelen welke
+hen van hier riep, om den een of anderen krijgsdienst te verrichten,
+dan ben ik in het kasteel van Front-de-Boeuf.--Zoo ja, hoe zal dit
+afloopen,--en hoe zal ik Rowena en mijn vader beschermen?"
+
+"Hij noemt den Jood en de Jodin in het geheel niet," zei Rebekka in
+zich zelve; "maar wat is hem aan ons gelegen,--en hoe rechtvaardig
+word ik door den Hemel gestraft, omdat mijne gedachten met hem vervuld
+zijn!" Zij haastte zich na deze korte zelfbeschuldiging, om Ivanhoe
+alles mede te deelen wat zij wist; maar het kwam slechts hier op neêr,
+dat de Tempelier, Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf in het kasteel
+het bevel voerden; dat het van buiten belegerd werd, maar door wien,
+wist zij niet. Zij voegde er bij, dat er een Christenpriester in het
+kasteel was, die hun misschien nader bericht kon geven.
+
+"Een Christenpriester?" zei de ridder met blijdschap; "breng hem
+hierheen, Rebekka, zoo gij kunt,--zeg, dat een zieke zijne geestelijke
+hulp begeert,--zeg, wat gij wilt; maar breng hem hier;--ik moet iets
+doen of ondernemen; maar hoe kan ik tot iets besluiten, eer ik weet
+hoe de zaken buiten staan?"
+
+Rebekka deed die poging, volgens Ivanhoe's wensch, om Cedric te
+halen, die, zooals wij reeds gezien hebben door de tusschenkomst
+van Urfried werd teleurgesteld, die ook op den loer gestaan had,
+om den gewaanden monnik te spreken. Rebekka keerde terug, om Ivanhoe
+den ongelukkigen afloop van hare boodschap te melden. Zij hadden niet
+veel tijd om dit te betreuren, of te overleggen door welk middel men
+iets vernemen kon; want de onrust in het kasteel, veroorzaakt door
+de voorbereidingen tot verdediging, welke een tijdlang geduurd had,
+ging nu in een tienmaal sterker geraas en geschreeuw over. De zware
+en haastige stap der krijgslieden liet zich op de muren hooren, of
+weergalmde in de nauwe, kronkelende gangen en op de trappen, welke naar
+de verschillende buitenwerken en versterkte wallen leidden. Men hoorde
+de stemmen der ridders, die hunne manschappen aanvuurden, of middelen
+van verdediging beraamden, terwijl hunne bevelen dikwijls verloren
+gingen onder het gekletter der wapens, of het geschreeuw van hen,
+tot welke ze gericht werden. Hoe schrikbarend ook deze klanken waren,
+die nog ijselijker gemaakt werden door hetgeen ze voorspelden, ging er
+een zekere grootschheid mede gepaard, voor welke Rebekka's hoogmoedige
+geest, zelfs in dat oogenblik van gevaar, niet ongevoelig bleef. Haar
+oog glinsterde, ofschoon het bloed hare wangen verliet, en er was eene
+vermenging van vrees en van een treffend gevoel van het verhevene
+in haar ziel, toen ze, half tegen den gewonden ridder sprekende,
+deze woorden uit de Heilige Schrift herhaalde: "De pijlkoker ratelt,
+de glinsterende speer en het schild,--het geroep der aanvoerders en
+het krijgsgeschreeuw."
+
+Maar Ivanhoe was, als het strijdpaard, in die verhevene plaats vermeld,
+brandende van ongeduld over zijne werkeloosheid en met het vurig
+verlangen om aan den strijd deel te nemen, welken al deze drukten
+verkondigden. "Zoo ik maar naar gindsch venster kon sluipen," zei hij,
+"om te zien, hoe die edele kamp afloopen zal. Als ik maar een boog
+had, om een pijl af te schieten, of een strijdbijl, om slechts één
+enkelen slag voor onze bevrijding te doen!--Het is vergeefs, het is
+vergeefs. Ik lig hier zonder kracht of wapens!"
+
+"Kwel u niet, edele ridder," antwoordde Rebekka, "het geraas heeft
+eensklaps opgehouden;--het is mogelijk, dat ze niet handgemeen worden."
+
+"Gij begrijpt het niet," riep Wilfrid ongeduldig; "deze doodelijke
+stilte bewijst slechts, dat de krijgslieden op hun post zijn, en
+een onmiddellijken aanval verwachten. Hetgeen wij gehoord hebben,
+was slechts het verwijderd dreigen van den storm,--die dadelijk in
+volle woede uitbarsten zal.--Kon ik slechts gindsch venster bereiken!"
+
+"Ge zoudt u daardoor zelf benadeelen, edele ridder," hernam Rebekka;
+en zijn vurig verlangen begrijpende, voegde ze er op vasten toon bij:
+"Ik zelf zal achter de traliën gaan staan, en u, zoo goed ik kan,
+verhalen wat er buiten omgaat."
+
+"Gij moet niet,--gij zult niet!" riep Ivanhoe; "iedere tralie, iedere
+opening zal weldra een mikpunt voor de boogschutters zijn;--een of
+ander op goed geluk afgeschoten pijl zou--"
+
+"Welkom zijn," zei Rebekka in zich zelve, terwijl ze met vasten
+tred een paar trapjes besteeg, die naar het venster leidden, waarvan
+ze spraken.
+
+"Rebekka, waarde Rebekka!" riep Ivanhoe, "dit is geene zaak voor
+vrouwen;--stel u niet aan wonden en dood bloot, en maak mij niet
+voor altijd ongelukkig door het denkbeeld, dat ik daartoe aanleiding
+gegeven heb; bedek u ten minste met gindsch oud schild, en vertoon
+u zoo weinig mogelijk aan het venster."
+
+Rebekka volgde met verwonderlijke gevatheid Ivanhoe's voorschriften;
+en daar ze zich met het breede, oude schild bedekte, dat ze tegen
+den rand van het venster plaatste, kon ze met vrij groote veiligheid
+gedeeltelijk zien wat er buiten het kasteel voorviel, en Ivanhoe
+van de toebereidselen onderrichten, welke de belegeraars tot den
+storm maakten. Wezenlijk was de plaats, welke ze dus innam, bijzonder
+geschikt tot dit oogmerk, daar ze, uit dezen hoek van het hoofdgebouw,
+niet alleen zien kon wat er in den omtrek van het kasteel omging,
+maar ook het buitenwerk in het gezicht had, dat waarschijnlijk
+het eerste punt van den voorgenomen aanval zijn zou. Dit was een
+vestingwerk van geringe hoogte en sterkte, bestemd om het poortje
+te dekken, waardoor Front-de-Boeuf kort te voren Cedric uitgelaten
+had. De gracht van het kasteel scheidde deze soort van bruggenhoofd
+van het overige der vesting, zoodat, als het ingenomen werd, men
+gemakkelijk alle gemeenschap met het hoofdgebouw kon afsnijden door
+de brug af te breken. In het buitenwerk was een deur voor den uitval,
+vlak tegenover het poortje, en het geheel was omgeven door sterke
+palissaden. Rebekka kon uit het aantal manschappen, welke opgesteld
+waren om dezen post te verdedigen, opmerken, dat de belegerden voor de
+veiligheid er van bevreesd waren; en daar de belegeraars zich bijna
+vlak tegenover de poort schaarden, scheen het niet minder duidelijk,
+dat ze die als een zwak punt beschouwden.
+
+Deze opmerkingen deelde zij haastig aan Ivanhoe mede, en voegde er
+bij: "De zoom van het bosch schijnt met boogschutters bezet te zijn,
+ofschoon er maar weinigen uit het dichte lommer te voorschijn gekomen
+zijn."
+
+"Onder welke banier?" vroeg Ivanhoe.
+
+"Onder geen banier, voor zoover ik ontdekken kan," antwoordde Rebekka.
+
+"Een zonderlinge verschijning," prevelde de ridder, "zulk een kasteel
+te bestormen, zonder vaandel of banier te toonen.--Ziet gij ook wie
+de aanvoerders zijn?"
+
+"Een ridder in eene zwarte wapenrusting valt het meest in het oog,"
+zei de Jodin; "hij alleen is van top tot teen gewapend, en schijnt
+het bevel over allen, die hem omringen, te voeren."
+
+"Welk devies voert hij op zijn schild?" ging Ivanhoe voort.
+
+"Iets, dat naar een ijzeren staf gelijkt, en een hangslot, dat in
+blauwe kleuren op het zwarte schild glinstert." [26]
+
+"Een slot en boeien op een blauw veld," zei Ivanhoe; "ik weet niet,
+wie dit wapen draagt; maar ik weet wel dat het thans het mijne kon
+zijn. Kunt gij het devies niet onderscheiden?"
+
+"Nauwelijks het wapen zelf op dezen afstand," hernam Rebekka; "maar
+als de zon helder op zijn schild schijnt, dan ziet het er uit, zooals
+ik gezegd heb."
+
+"Vertoonen er zich geen andere aanvoerders?" riep de ongeduldige
+ridder.
+
+"Geen van hoogen rang, of die zich uiterlijk onderscheiden, voor zoover
+ik van deze standplaats zien kan," hernam Rebekka; "maar zonder twijfel
+wordt de andere zijde van het kasteel ook aangevallen. Zij schijnen
+nu gereed om voorwaarts te trekken.--God van Sion, bescherm ons!--Welk
+een verschrikkelijk gezicht!--Zij, die het eerst vooruitdringen, dragen
+groote schilden en schermdaken, uit planken gemaakt; en anderen volgen,
+terwijl zij hun bogen spannen. Zij verheffen de bogen!--God van Mozes,
+vergeef het den schepselen, die Gij geschapen hebt!"
+
+Hier werd haar beschrijving plotseling afgebroken door het teeken
+tot de bestorming, dat door een schellen horen gegeven, en dadelijk
+beantwoord werd door het geschal der Normandische trompetten
+van de wallen, hetwelk, vermengd met het dof en hol geluid der
+_mossels_ (een soort van pauken) trots de uitdaging van den vijand
+beantwoordde. Het geschreeuw van beide partijen vermeerderde het
+gedruisch, daar de aanvallers riepen: "St. George voor Engeland!" en
+de Normandiërs antwoordden met het geroep van: "_En avant De
+Bracy! Beauséant! Beau-Séant! Front-de-Boeuf à la rescousse!_"--de
+onderscheidene oorlogskreten van hunne verschillende aanvoerders.
+
+Het was echter niet door geschreeuw, dat de strijd te beslissen was,
+en de wanhopige pogingen der aanvallers werden door een even krachtige
+verdediging van den kant der belegerden ontmoet. De boogschutters,
+door lange oefening in hun landelijke vermaken reeds zeer goed
+aan het gebruik van den boog gewend, schoten zoo volmaakt juist,
+dat geen punt, waar een verdediger het geringste gedeelte van zijn
+lichaam vertoonde, aan hun lange pijlen ontging. Door dezen hagelbui
+van pijlen,--waarvan echter ieder zijn bijzonder wit had,--die met
+dozijnen tegelijk tegen alle schietgaten en openingen in de muren
+vlogen, zoowel als tegen ieder venster, waar toevallig een verdediger
+geplaatst was, of verondersteld werd te staan;--door dezen hagelbui
+van pijlen werden een paar van het garnizoen gedood, en verscheidene
+anderen gekwetst. Maar, vertrouwende op hunne goede wapenrusting en
+op de bescherming, welke hunne standplaats hun verschafte, toonden de
+lieden van Front-de-Boeuf en zijne bondgenooten eene hardnekkigheid in
+de verdediging, welke geëvenredigd was aan de woede van den aanval,
+en beantwoordden de pijlschoten der aanvallers met hunne handbogen,
+lange bogen, slingers, en werpspiesen; en daar de belegeraars meestal
+slecht beschermd waren, zoo leden zij een grooter verlies dan zij den
+belegerden konden toebrengen. Het fluiten der pijlen en spiesen van
+beide zijden werd alleen afgebroken door het geschreeuw, dat ontstond,
+als een van beide partijen een aanmerkelijk voordeel behaalde, of
+nadeel leed.--
+
+"En ik moet hier liggen als een zieke monnik," riep Ivanhoe uit,
+"terwijl andere handen het spel uitspelen, dat mij de vrijheid of den
+dood moet geven!--Zie nog eens uit het venster, meisje; maar pas op,
+dat de boogschutters beneden u niet opmerken.--Zie nog eens en zeg mij,
+of zij tot den storm voorwaarts trekken."
+
+Met een geduldigen moed, die versterkt was geworden door den
+tusschentijd, welken zij in stille aandacht had doorgebracht, vatte
+Rebekka weder post bij het venster, maar verborg zich echter zoo,
+dat zij van beneden niet zichtbaar was. "Wat ziet gij, Rebekka?" vroeg
+weder de gewonde ridder.
+
+"Niets dan een hagelbui van pijlen, zoo dicht, dat zij mij de oogen
+verblinden, en de schutters verbergen, die ze afschieten."
+
+"Dat kan zoo niet voortduren," zei Ivanhoe; "als zij het kasteel niet
+met geweld aantasten, dan zal het pijlschieten maar weinig baten
+tegen steenen muren en bolwerken. Zie eens naar den ridder met het
+wapenschild, schoone Rebekka, en zeg mij, hoe hij zich gedraagt;
+want zooals de aanvoerder is, zoo zullen zijn lieden zijn."
+
+"Ik zie hem niet," antwoordde Rebekka.
+
+"O die lafaard!" riep Ivanhoe, "wijkt hij van het roer, als de wind
+het hevigst waait?"
+
+"Hij wijkt niet! hij wijkt niet!" hernam Rebekka, "ik zie hem
+nu; hij brengt een troep dicht onder de buitenste _barrière_ van
+het bruggenhoofd [27].--Zij halen de palen omver, zij hakken de
+_barrières_ met bijlen om,--zijn hooge zwarte vederbos fladdert over
+de menigte heen, gelijk een raaf over het slagveld;--zij hebben eene
+opening in de _barrière_ gemaakt--zij stormen er in;--zij worden
+teruggeworpen!--Front-de-Boeuf is aan het hoofd der belegerden; ik
+zie zijn reusachtige gedaante boven den hoop uitsteken. Zij dringen
+wederom naar de opening, en de doortocht wordt hand tegen hand en man
+tegen man betwist. God van Jakob! zoo ontmoeten elkander twee woedende
+stroomen,--zoo bruisen twee door winden bewogen zeeën tegen elkander."
+
+Zij wendde het hoofd van het venster weg, alsof zij niet meer in
+staat was zulk een verschrikkelijk gezicht te verdragen.
+
+"Zie nog eens naar buiten, Rebekka," zei Ivanhoe, die de reden waarom
+zij hare plaats verlaten had, verkeerd uitlegde; "het schieten moet
+eenigszins opgehouden hebben, daar zij nu handgemeen zijn.--Zie nog
+eens naar buiten;--er is nu minder gevaar bij."
+
+Rebekka zag weder naar buiten, en riep bijna onmiddellijk: "Heilige
+Profeten! Front-de-Boeuf en de Zwarte Ridder zijn handgemeen in de
+bres, onder het geschreeuw hunner soldaten, die den uitslag van het
+gevecht gadeslaan.--Hemel, sta de zaak der onderdrukten en gevangenen
+bij!" Hierop gaf ze een luiden gil, en riep uit: "Hij valt!--hij valt!"
+
+"Wie valt?" riep Ivanhoe, "in naam der Heilige Maagd, zeg mij, wie
+is gevallen?"
+
+"De Zwarte Ridder," antwoordde Rebekka half onmachtig, maar terstond
+daarna riep ze weder met blijde drift: "Maar neen,--maar neen,--maar
+neen--de naam van den Heer der heirscharen zij geloofd!--hij
+staat weder, en vecht alsof hij de kracht van twintig man in zijn
+enkelen arm had;--zijn zwaard is gebroken;--hij grijpt de bijl
+van een schutter;--hij dringt op Front-de-Boeuf aan, met slag en
+stoot.--De reus wijkt en wankelt, gelijk een eik onder de bijl van
+den houthakker;--hij valt--hij valt!"
+
+"Front-de-Boeuf?" riep Ivanhoe.
+
+"Front-de-Boeuf," antwoordde de Jodin; "zijne manschappen snellen
+hem ter hulp, onder aanvoering van den trotschen Tempelier;--hunne
+vereenigde krachten verhinderen den ridder verder te dringen;--zij
+sleepen Front-de-Boeuf binnen de muren."
+
+"De bestormers hebben de _barrières_ toch ingenomen, niet waar?" vroeg
+Ivanhoe.
+
+"Wel zeker,--wel zeker,--en ze maken een hevigen aanval op den
+buitenwal; eenigen zetten ladders, anderen zwermen gelijk bijen,
+en trachten op elkanders schouders te stijgen.--Steenen, balken en
+boomstammen vallen naar beneden op hun hoofden, en zoodra zij de
+gekwetsten naar de achterhoede brengen, nemen nieuwe strijders hun
+plaats in.--Groote God! hebt Gij den mensch daarom naar Uw evenbeeld
+geschapen, opdat hij aldus wreedelijk door de handen zijner broeders
+misvormd zou worden!"
+
+"Denk daar niet aan," hernam Ivanhoe; "dit is geen tijd voor zulke
+gedachten.--Wie wijkt?--wie dringt vooruit?"
+
+"De ladders worden omvergeworpen," hernam Rebekka, ijzende; "de
+soldaten liggen er onder gelijk verpletterde wormen.--De belegerden
+hebben de overhand!"
+
+"St. George sta ons bij!" zei de ridder; "wijken die valsche
+schutters?"
+
+"Neen!" riep Rebekka, "zij houden zich dapper; de Zwarte Ridder nadert
+het poortje met zijne ontzaglijke bijl;--de donderende slagen, welke
+hij er aan toebrengt, kunt gij boven al het gedruisch en geschreeuw
+van het gevecht uit hooren.--Steenen en balken worden op den stouten
+strijder neêrgestort;--hij let er niet meer op, dan of het vederen
+waren!"
+
+"Bij St. Jean d'Acre!" zei Ivanhoe, zich verheugd op zijne legerstede
+verheffende, "ik dacht, dat er slechts één man in Engeland was,
+die zoo iets zou kunnen verrichten!"
+
+"De poort bezwijkt," ging Rebekka voort; "zij kraakt,--zij wordt
+verbrijzeld door zijn slagen;--zij stormen er in;--het buitenwerk
+is veroverd;--o God!--zij werpen de verdedigers van den wal naar
+beneden;--zij storten hen in de gracht;--o menschen, zoo gij inderdaad
+menschen zijt, spaart hen, die niet langer weerstand kunnen bieden!"
+
+"De brug,--de brug, die gemeenschap heeft met het kasteel,--hebben
+zij die bezet?" riep Ivanhoe uit.
+
+"Neen!" hervatte Rebekka, "de Tempelier heeft de plank, waarop hij
+zich terugtrok, vernield;--weinigen der verdedigers zijn met hem
+in het kasteel ontkomen;--het geschreeuw en gekerm, dat gij hoort,
+onderricht u van het lot der overigen. Helaas! ik zie, dat het nog
+moeielijker is naar de overwinning, dan naar den strijd te zien."
+
+"Wat doen ze nu, meisje?" vroeg Ivanhoe; "zie nog eens uit;--dit is
+geen tijd om voor bloedvergieten te schrikken."
+
+"Het is vooreerst gedaan," antwoordde Rebekka; "onze vrienden
+versterken zich in het buitenwerk, dat zij veroverd hebben, en het
+verschaft hun eene zoo volkomene bescherming tegen de pijlen der
+vijanden, dat de bezetting slechts eenige schichten op hen afschiet,
+als het ware meer om hen te verontrusten, dan om hen wezenlijk te
+benadeelen."
+
+"Onze vrienden," zei Wilfrid, "zullen zeker eene onderneming niet
+opgeven, die zoo roemrijk begonnen en tot dusver zoo wel geslaagd
+is.--Zeker niet! ik vertrouw op den dapperen ridder, wiens bijl eiken
+balken en ijzeren staven vernield heeft.--Zonderling," prevelde hij
+bij zich zelven, "dat er twee menschen zouden zijn, die zulk een stout
+waagstuk ondernemen;--een slot en boeien op een blauw veld;--wat moet
+dat beduiden? Ziet ge niets anders, Rebekka, waardoor de Zwarte Ridder
+zich onderscheidt?"
+
+"Niets," zei de Jodin; "alles wat hij aan heeft is zwart, als de
+vleugel van de raaf. Ik kan verder niets ontdekken dat hem kenmerkt,
+maar, nadat ik hem eenmaal zijne kracht in den slag heb zien ten toon
+spreiden, dunkt mij, dat ik hem onder duizend andere krijgslieden zou
+herkennen. Hij vliegt ten strijde als tot een feest. Het is meer dan
+bloote kracht; het schijnt, alsof de geheele ziel en het geheele hart
+van den kampvechter bij iederen slag waren, welken hij zijn vijanden
+toebrengt. God vergeve hem de zonde van het bloedvergieten! O, het
+is ijselijk, en toch heerlijk te zien, hoe de arm en de moed van één
+man over honderden kunnen zegepralen."
+
+"Rebekka," zei Ivanhoe, "gij hebt een held geschilderd;--zeker rusten
+zij slechts uit, om nieuwe krachten te verzamelen, of om middelen tot
+den overtocht van de gracht te beramen. Onder een aanvoerder, als dezen
+ridder, bestaat er geene laffe vrees, geen flauw uitstel, geen opgeven
+van eene stoute onderneming, welke juist door de zwarigheden, die ze
+oplevert, des te roemrijker wordt. Ik zweer bij de eer van mijn huis,
+bij den naam mijner schoone, ik zou tien jaren gevangenschap willen
+verduren, als ik één dag aan de zijde van dezen dapperen ridder in
+zulk een strijd als dezen vechten kon!"
+
+"Helaas!" zei Rebekka, haar plaats aan het venster verlatende, en
+het bed van den gewonden ridder naderende, "dit ongelukkig verlangen
+naar den strijd;--dit worstelen met, en klagen over uw tegenwoordige
+zwakheid zal zonder twijfel uwe terugkeerende gezondheid schaden.--Hoe
+kunt gij wenschen anderen wonden toe te brengen, eer gij van die
+genezen zijt, welke gij zelf ontvangen hebt?"
+
+"Rebekka," hernam hij, "gij weet niet, hoe onmogelijk het is voor een
+man, die opgevoed is voor het ridderleven, om lijdelijk te blijven
+als een priester, of eene vrouw, wanneer roemrijke daden rondom hem
+verricht worden. De liefde voor den strijd is de spijs waarvan wij
+leven; het stof van het slagveld is de lucht, die wij inademen! Wij
+leven niet,--wij wenschen niet langer te leven, dan zoolang wij
+overwinnaars en beroemd zijn.--Dit, meisje, zijn de wetten der
+ridderschap, die wij bezworen hebben, en waaraan wij alles opofferen,
+wat ons dierbaar is!"
+
+"Ach," hervatte de schoone Jodin, "en wat is dit anders, dappere
+ridder, dan het op te offeren aan den duivel der ijdele roemzucht,
+en geworpen te worden in het vuur van Moloch?--Wat blijft u over,
+tot belooning voor al het bloed, dat gij vergoten hebt,--voor al de
+moeite en al het lijden, dat gij doorgestaan hebt,--voor al de tranen,
+welke uw daden hebben doen storten, als de dood den speer der dapperen
+gebroken en het snelle strijdros ingehaald heeft?"
+
+"Wat ons overblijft?" riep Ivanhoe; "de roem, meisje, de roem! die
+onze grafzerk verguldt en onzen naam vereeuwigt."
+
+"De roem?" ging Rebekka voort; "helaas, is de verroeste wapenrusting,
+die boven het somber en vermolmd graf des strijders hangt,--is het
+spoedig uitgewischte opschrift, dat de onwetende monnik nauwelijks voor
+den nieuwsgierigen pelgrim ontcijferen kan,--is dit alles een voldoende
+vergelding voor de opoffering van iedere teedere genegenheid, voor een
+leven, in ellende doorgebracht, om anderen ellendig te maken?--Of is
+er zooveel kracht in de ijdele rijmen van een rondtrekkenden zanger,
+dat huiselijke liefde, teederheid, vrede en geluk roekeloos veracht
+worden, om eens de held te worden van de balladen, die zwervende
+minnezangers dronken boeren bij hun avonddrank voorzingen?"
+
+"Bij de ziel van Hereward!" hernam de ridder ongeduldig, "gij spreekt
+van iets, meisje, waarvan gij niets begrijpt. Gij zoudt het zuivere
+licht der ridderschap willen uitdooven, dat alleen den edele van
+den gemeenen man, den ridder van den boer en den wilde onderscheidt;
+dat ons het leven verre, verre beneden de eer doet stellen; ons doet
+zegepralen over smart, ontbering en lijden, en ons leert geen ander
+kwaad te vreezen, dan de schande. Gij zijt geene Christin, Rebekka,
+en u zijn die verhevene gevoelens onbekend, die het hart van eene
+edele jonkvrouw doen kloppen, als haar minnaar eenige stoute daad
+verricht heeft, welke zijne liefde heiligt. De ridderschap!--meisje,
+zij is de kweekster der zuivere en verhevene genegenheid, de steun der
+onderdrukten, de wreekster van onrecht,--een breidel voor de macht
+der tirannen. De adel ware zonder haar slechts een ijdele naam, en
+de vrijheid vindt de beste bescherming door haar lans en haar zwaard!"
+
+"Inderdaad," zei Rebekka, "ik stam van een geslacht af, dat zich
+door zijn moed in het verdedigen van zijn vaderland onderscheiden
+heeft; maar dat, zelfs als natie, geen oorlog voerde, dan op bevel des
+Heeren, of om zijn land tegen onderdrukking te beschermen. De klank der
+bazuinen wekt Juda niet meer op, en zijne verachte kinderen zijn thans
+niets meer dan weerlooze slachtoffers van hunne krijgshaftige vijanden
+en onderdrukkers. Te recht hebt gij gesproken, heer ridder,--vóór
+dat de God van Jakob een tweeden Gideon, of een anderen Maccabeër
+voor zijn volk doet verrijzen, past het de Jodin niet van strijd of
+oorlog te spreken."
+
+Het hooghartige meisje besloot hare rede op een smartelijken toon, die
+bewees hoe diep zij de vernedering van haar volk besefte, terwijl zij
+misschien eenigszins verbitterd was door het denkbeeld, dat Ivanhoe
+haar het recht niet toekende, om in eene zaak van eer een oordeel
+te vellen, en haar voor buiten staat hield om edele en grootmoedige
+gevoelens te koesteren.
+
+"Hoe weinig kent hij dit hart," dacht zij, "als hij zich verbeeldt,
+dat er lafhartigheid, of laagheid van ziel in wonen moeten, omdat ik
+de fantastische ridderschap der Nazareërs berispt heb!--Gave de Hemel,
+dat het vergieten van mijn eigen bloed, droppel voor droppel, Juda
+uit de ballingschap redden kon! Ach! konde ik daardoor slechts mijn
+vader en dezen zijn weldoener uit de ketenen van den onderdrukker
+verlossen! De trotsche Christen zou dan zien, of de dochter van
+Gods uitverkoren volk niet even moedig zou durven sterven, als het
+hooghartigste Nazareensche meisje, dat zich op hare afkomst van het een
+of ander onbekend opperhoofd van het ruwe en koude Noorden beroemt!"
+
+Hierop zag ze weder naar het bed van den gekwetsten ridder.
+
+"Hij slaapt," zei zij; "de natuur is uitgeput door smart en
+gemoedsaandoening, en zijn vermoeid lichaam maakt het eerste oogenblik
+van schijnbare rust ten nutte, om in te sluimeren. Helaas! is het
+een misdaad voor mij, naar hem te zien, mogelijk voor den laatsten
+keer?--Nog korten tijd slechts, en deze schoone trekken zullen
+misschien niet langer bezield worden door den stouten, onrustigen
+geest, welke hem zelfs niet in den slaap begeeft!--Misschien zal
+weldra deze mond opengespalkt, de oogen verglaasd en gesloten zijn,
+en de trotsche, edele ridder door den laagsten slaaf van dit vervloekt
+kasteel vertrapt worden, zonder dat hij zich verroert, als hem de
+voet op het hoofd gezet wordt!--En mijn vader!--o mijn vader! het
+staat slecht met uwe dochter, daar zij niet aan uwe grijze haren,
+maar aan de blonde lokken der jeugd denkt!--Wie weet of deze rampen
+geene voorboden zijn van Jehova's toorn tegen het ontaarde kind,
+dat eerder aan de gevangenschap van een vreemde, dan aan die van haar
+vader denkt!--dat Juda's ellende vergeet, en op de schoonheid van een
+heiden en vreemdeling staart!--Maar ik wil dezen hartstocht uit mijn
+hart rukken, al moest het daarbij ook doodbloeden!"
+
+Zij wikkelde zich dicht in haar sluier, en ging op eenigen afstand
+van de legerstede des gewonden ridders zitten, met den rug naar hem
+toe gekeerd, terwijl zij hare ziel versterkte, of trachtte die te
+versterken, niet alleen tegen de ongelukken, die haar van buiten
+dreigden, maar ook tegen de verraderlijke gevoelens, welke haar
+hart bestormden.
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Treê binnen dit vertrek, aanschouw zijn bed.
+ Hij ging niet heen gelijk de kalme ziel,
+ Die, even als de leeuwrik naar de wolken
+ Des morgens stijgt bij 't lieflijkst windgesuis,
+ Zoo ook ten Hemel vaart, betreurd, beweend!--
+ Zoo was Aselmo's uitvaart niet.--
+
+ Uit een oud Drama.
+
+
+Gedurende het oogenblik van rust, na het eerste voordeel door de
+belegeraars behaald, terwijl de eene partij zich bereidde om het te
+vervolgen, en de andere om haar verdedigingsmiddelen te versterken,
+hielden de Tempelier en De Bracy een korte beraadslaging in de zaal
+van het kasteel.
+
+"Waar is Front-de-Boeuf?" vroeg de laatste, die de verdediging van
+het achterste gedeelte van de sterkte bestuurd had; "men zegt dat
+hij gesneuveld is."
+
+"Hij leeft," antwoordde de Tempelier koeltjes, "hij leeft nog; maar
+al had hij ook het stierenhoofd gehad, waarvan hij den naam draagt,
+en tien ijzeren platen daarenboven, om het te beschermen, dan moest
+hij nog onder die schrikkelijke strijdbijl gevallen zijn. Nog weinige
+uren en Front-de-Boeuf is bij zijn vaderen:--een groot verlies voor
+de partij van Prins Jan!"
+
+"En een schoone aanwinst voor het rijk van Satan," zei De Bracy;
+"dat komt van het verachten van heiligen en engelen, en van het
+werpen van heilige beelden en voorwerpen op de hoofden dier schurken
+van boogschutters."
+
+"Loop heen,--gij zijt dwaas!" zei de Tempelier. "Uw bijgeloof staat
+gelijk met Front-de-Boeuf's ongeloof; geen van u beiden kan eene
+reden daarvoor geven."
+
+"_Benedicite_, heer Tempelier!" hernam De Bracy; "ik verzoek u uw taal
+meer te matigen als ge van mij spreekt. Bij de Heilige Moeder Gods! ik
+ben een beter Christen dan gij en uws gelijken; want het gerucht loopt,
+dat de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion niet weinig ketters
+in haren boezem voedt, en dat de ridder Brian de Bois-Guilbert onder
+dat getal behoort."
+
+"Stoor u niet aan zulke geruchten," hernam de Tempelier; "maar laat
+ons er aan denken, hoe het kasteel te verdedigen.--Hoe hebben de
+schelmen van schutters, tegenover welken gij waart, gevochten?"
+
+"Als duivels in menschelijke gedaante," antwoordde De Bracy. "Ze
+drongen dicht onder de wallen, aangevoerd, naar het mij voorkwam,
+door den schelm, die den prijs bij het schijfschieten behaalde,
+want ik herkende zijn horen en bandelier. En dit komt van de zoo
+zeer geroemde staatkunde van den ouden Fitzurse, die deze moedwillige
+schurken tegen ons ophitst! Zonder mijne goede wapenrusting, zou de
+schurk mij zeven malen ter neêr geschoten hebben; hij ontzag mij even
+weinig, alsof ik een vette reebok geweest ware. Hij heeft iedere plaat
+van mijn wapenrusting met een pijl gemerkt, welke tegen mijn ribben
+aansloeg, alsof hij dacht dat mijn beenderen ook van ijzer waren.--Zoo
+ik niet een Spaansch maliënkolder onder mijn wapenrusting gedragen had,
+ware het met mij gedaan geweest."
+
+"Maar ge hebt uw post behouden?" zei de Tempelier. "Wij hebben het
+buitenwerk aan onzen kant verloren."
+
+"Dat is een zwaar verlies," zei De Bracy; "die schurken zullen
+dáár bescherming vinden om het kasteel van naderbij te bespringen,
+en ze kunnen, als men er geene zorg voor draagt, licht eenigen
+onbewaakten hoek van een toren, of een vergeten venster bereiken, en
+er zoo inbreken. Ons getal is te gering voor de verdediging van alle
+punten, en de mannen klagen al, dat ze zich nergens kunnen vertoonen,
+of ze strekken tot mikpunt voor even vele pijlen, als een schijf op
+een feestdag. Front-de-Boeuf ligt ook op sterven, zoodat wij geene
+hulp meer krijgen zullen van zijn stierenkop en zijne ontzaglijke
+kracht. Wat denkt ge er van, ridder Brian, zou het niet beter voor
+ons zijn, voor den nood te wijken, een verdrag met die schurken aan
+te gaan, en onze gevangenen uit te leveren?"
+
+"Hoe!" riep de Tempelier: "Onze gevangenen in vrijheid stellen,
+en bespot en veracht worden, als de dappere ridders, die zich door
+een nachtelijken aanval van eenige hulpelooze reizigers meester
+maakten, maar een sterk kasteel niet konden verdedigen tegen een
+ongeregelde rooverbende, aangevoerd door zwijnenhoeders, narren, en
+het uitvaagsel van het menschdom?--Schaam u over uw raad, Maurice
+De Bracy.--De puinhoopen van het kasteel zullen mijn lichaam en
+mijne schande bedelven, eer ik mijn toestemming tot zulk een laag,
+onteerend verdrag geef!"
+
+"Naar de wallen dan," zei De Bracy onverschillig; "er is nooit iemand
+geweest, Turk of Tempelier die het leven minder op prijs stelde dan
+ik. Maar ik vertrouw, dat het geene schande is te wenschen, dat ik
+hier een vijftigtal van mijne dappere krijgslieden had?--O, mijne
+dappere lansen! Zoo ge maar wist, hoe uw aanvoerder heden in nood zit,
+hoe spoedig zou ik mijne banier zien wapperen boven uw speren! En
+hoe kort zouden deze schurken onzen aanval wederstand bieden!"
+
+"Wensch naar wien ge verkiest," hernam de Tempelier; "maar laten
+wij ons zoo goed mogelijk verdedigen met de soldaten, die ons nog
+overblijven. Het zijn meestal bedienden van Front-de-Boeuf, die gehaat
+zijn bij de Engelschen wegens duizenderlei daden van roekeloosheid
+en onderdrukking."
+
+"Des te beter," zei De Bracy; "de woeste slaven zullen zich tot den
+laatsten droppel bloeds verdedigen, liever dan zich aan de wraak
+der boeren daarbuiten bloot te stellen. Aan het werk dus, Brian De
+Bois-Guilbert; en levend of dood, ge zult zien, dat Maurice De Bracy
+zich heden als een man van edel bloed en edelen stam gedragen zal."
+
+"Naar de wallen dan!" antwoordde de Tempelier, en ze bestegen den muur
+om alles te doen, wat de krijgskunde hun voorschreef en de dapperheid
+ten uitvoer brengen kon, om het kasteel te verdedigen. Ze begrepen
+beiden dadelijk, dat het gevaarlijkste punt tegenover het buitenwerk
+was, waarvan de aanvallers zich meester gemaakt hadden. Het kasteel
+was, wel is waar, daarvan gescheiden door de gracht, en het was
+onmogelijk voor de belegeraars om de poort, waarmede het buitenwerk
+in verband stond, aan te vallen zonder over het water te komen; maar
+de Tempelier zoowel als De Bracy, begrepen dat de vijanden trachten
+zouden, als hun aanvoerder aan zijne taktiek getrouw bleef, door een
+hevigen aanval de aandacht der verdedigers op dit punt te vestigen, en
+inmiddels maatregelen nemen, om van ieder verzuim gebruik te maken, dat
+ze ergens anders mochten ontdekken. Tegen dit gevaar konden de ridders,
+wegens hun gering getal, geen anderen maatregel nemen dan hier en daar
+op de wallen schildwachten te plaatsen, die met elkander in gemeenschap
+stonden, en een teeken konden geven als er gevaar dreigde. Intusschen
+kwamen ze overeen, dat De Bracy het bevel zou voeren bij de poort,
+en dat de Tempelier een twintig man bij zich houden zou als eene
+hulpbende, gereed om naar ieder punt te snellen, dat onverwacht
+bedreigd werd. Het verlies van het buitenwerk had ook dit nadeelig
+gevolg, dat de belegerden, in weerwil van de grootere hoogte der muren,
+de bewegingen van den vijand niet meer zoo nauwkeurig waarnemen konden
+als te voren; want eenig dicht kreupelhout stond zoo dicht bij de
+poort van het buitenwerk, dat de aanvallers zooveel manschappen als ze
+verkozen, er in konden brengen, niet alleen in volkomene veiligheid,
+maar zelfs zonder kennis der verdedigers. Daar De Bracy en zijn makker
+dus geheel onzeker waren op welk punt de storm losbarsten zou, waren
+ze in de noodzakelijkheid om voor ieder mogelijk geval te waken; en
+hunne lieden, hoe dapper ook, ondervonden de moedeloosheid, eigen aan
+mannen, die door vijanden ingesloten zijn, welke de macht bezitten,
+om zelven den tijd en de wijze van hun aanval te kiezen.
+
+Intusschen lag de heer van het belegerde en zoo zwaar bedreigde kasteel
+op zijn bed, gefolterd door lichamelijke pijn en zieleangst. Hij had
+de gewone toevlucht niet der bijgeloovigen van dien tijd, die meestal
+gewoon waren de misdaden, welke zij gepleegd hadden, door milddadigheid
+jegens de Kerk te boeten, en hunne wroegingen op deze wijze door
+het denkbeeld van boeten en vergiffenis te bedwelmen; en ofschoon
+de door dit middel gekochte rust niet meer op de bedaardheid geleek,
+welke op oprecht berouw volgt, dan de koortsachtige bedwelming, welke
+men door opium te weeg brengt, op een gezonden natuurlijken slaap,
+zoo was deze gemoedstoestand toch nog verkieslijk boven de wanhopige
+wroegingen van een ontwaakt geweten.
+
+Maar onder de ondeugden van Front-de-Boeuf, een harden, hebzuchtigen
+man, was gierigheid een der voornaamste, en hij wilde liever de Kerk en
+hare dienaren trotseeren dan voor schatten en landerijen vergiffenis
+en absolutie koopen; zoodat de Tempelier, die een ongeloovige van
+een anderen stempel was, zijn bondgenoot niet juist afteekende, toen
+hij zeide, dat Front-de-Boeuf geen reden voor zijn ongeloof en zijn
+verachting voor den ingevoerden Godsdienst kon opgeven: want de Baron
+zou hem geantwoord hebben, dat de Kerk haar waar te duur verkocht,
+dat de geestelijke vrijheid, welke zij veil had, slechts te koop was,
+gelijk die van het opperhoofd van Jeruzalem, voor eene groote som, en
+Front-de-Boeuf wilde liever de kracht van het geneesmiddel loochenen,
+dan den duren arts te betalen. Maar thans was het oogenblik gekomen,
+waarop de aarde met al hare schatten voor zijne oogen verdween,
+en zijn tot dusver ongevoelig hart sidderde, toen hij zijn blikken
+op de dreigende duisternis der toekomst vestigen wilde. De koorts,
+welke zijn lichaam verteerde, vermeerderde het ongeduld en den
+angst van zijne ziel, en zijn sterfbed vertoonde eene vermenging
+van het pas ontwaakte gevoel van wroeging, worstelende met de vaste
+en ingekankerde hardvochtigheid van zijn gemoed;--een schrikbarende
+toestand der ziel, die slechts met dien te vergelijken is, welke in
+die verschrikkelijke plaats heerscht, waar klachten zullen zijn zonder
+hoop, wroeging zonder berouw, een wanhopige angst met een voorgevoel,
+dat die nooit zal ophouden of verminderen!
+
+"Waar blijven nu de honden van priesters," steunde de lijder, "die
+hunne geestelijke vertooningen op zulk een hoogen prijs stellen?--Waar
+zijn al die Karmeliter-monniken, voor wie de oude Front-de-Boeuf
+het klooster van St. Anne stichtte, terwijl hij zijn erfgenaam van
+menige schoone weide en menigen vetten akker beroofde;--waar zijn die
+gierige honden nu?--Zij zitten zeker bij de wijnkruik, of vertoonen
+hun goochelkunsten bij het bed van den een of anderen ellendigen
+boer!--Mij, den erfgenaam van den stichter van hun klooster,--mij,
+voor wien zij verplicht zijn te bidden,--mij,--ondankbare schurken,
+die zij zijn!--mij laten zij sterven als den ellendigen hond op straat,
+zonder biecht en aflaat!--Laat den Tempelier hier komen;--hij is een
+priester, en kan mij misschien helpen.--Maar neen!--even goed kan
+ik bij den duivel biechten, als bij Brian de Bois-Guilbert, die aan
+hemel noch hel gelooft.--Ik heb oude lieden van bidden met eigen mond
+hooren spreken, die behoeven den valschen priester niet te vleien en
+om te koopen.--Maar ik,--ik durf niet!"
+
+"Leeft Reginald Front-de-Boeuf," vroeg eene bevende, krassende stem,
+dicht naast zijn bed, "om te zeggen, dat er iets is, hetwelk hij niet
+durft doen?"
+
+Het kwade geweten en de geschokte zenuwen van Front-de-Boeuf deden
+hem in deze zonderlinge vraag de stem hooren van een dier booze
+geesten, welke, volgens het toen heerschende bijgeloof, de bedden der
+stervenden omringden, om hunne gedachten af te leiden en het nadenken
+over hun eeuwig heil te beletten. Hij schrikte en kromp ineen; maar
+oogenblikkelijk zijne gewone stoutheid terugroepende, riep hij uit:
+"Wie zijt gij?--Wat zijt gij, die het waagt, om mijne woorden te
+herhalen; met een stem gelijk aan die van de krassende raaf? Kom voor
+mijn bed staan, opdat ik u zien kan."
+
+"Ik ben uw booze engel, Reginald Front-de-Boeuf!" hernam de stem.
+
+"Vertoon u dan aan mij in lichamelijke gedaante, zoo gij inderdaad
+een booze geest zijt," hervatte de ridder; "denk niet mij te
+verschrikken!--Bij het eeuwige vuur! zoo ik slechts kampen kon met de
+verschrikkelijkheden, welke mij nu omgeven, zooals ik met menschelijke
+gevaren geworsteld heb, dan zou hemel noch hel zeggen, dat ik voor
+den strijd beefde!"
+
+"Denk aan uwe zonden, Reginald Front-de-Boeuf,--aan oproer, roof en
+moord!--Wie stookte den losbandigen Prins Jan op tot den oorlog tegen
+zijn grijzen vader en thans tegen zijn grootmoedigen broeder?" vroeg
+dezelfde grafstem.
+
+"Booze geest, priester of duivel, wie gij ook zijn moogt,"
+hernam Front-de-Boeuf, "gij liegt!--Niet ik spoorde Jan tot oproer
+aan,--niet ik alleen,--er waren vijftig ridders en baronnen, de bloem
+der binnenlandsche graafschappen; geen dapperder mannen voerden
+ooit de lans.--En moet ik alleen de zonde, door vijftig gepleegd,
+verantwoorden?--Valsche geest, ik trotseer u! Weg en verontrust niet
+langer mijne legerstede;--laat mij in vrede sterven, zoo gij een
+sterveling zijt,--en zijt gij een duivel, dan komt gij te vroeg!"
+
+"In rust zult gij niet sterven," hervatte de stem; "zelfs in den
+dood zult gij aan uwe moorddaden denken;--aan de zuchten, waarvan
+dit kasteel weergalmd heeft;--aan het bloed, dat over den drempel
+stroomde!"
+
+"Gij kunt mij niet door verachtelijke boosaardigheid bevreesd maken,"
+antwoordde Front-de-Boeuf rillend, doch met een gedwongen lach. "De
+ongeloovige Jood,--het was een verdienstelijke daad in het oog
+des hemels, hem te behandelen, zooals ik gedaan heb; waarom worden
+anders menschen heilig gesproken, die hun handen in het bloed van
+Saracenen gedompeld hebben? De Saksische zwijnen, die ik geslacht heb,
+zij waren de vijanden van mijn vaderland, van mijn stam en van mijn
+leenheer.--Ho! ho! gij ziet, er is geen scheur in mijn harnas.--Zijt
+gij gebannen?--Zijt gij tot stilte gebracht?"
+
+"Neen, schandelijke vadermoorder!" hervatte de stem, "denk aan uw
+vader!--denk aan de feestzaal, stroomende van zijn bloed, door de
+hand eens zoons vergoten!"
+
+"Ha!" antwoordde de baron, na eene lange poos, "als gij dit weet, dan
+zijt gij wezenlijk de booze geest, en even alwetend als de monniken
+zeggen! Dit geheim meende ik opgesloten in mijne eigene borst, en in
+die van nog één wezen, de verleidster tot, en de deelgenoote van mijne
+misdaad! Ga, verlaat mij, Satan! en zoek de Saksische heks Ulrica,
+die u alleen zeggen kon, wat niemand dan zij en ik gezien hebben.--Ga,
+zeg ik, tot haar, die de wonden afwiesch, en het lichaam uitstrekte,
+en den doode het voorkomen gaf van iemand, die op zijn tijd een
+natuurlijken dood gestorven was.--Ga tot haar!--Zij verleidde mij,
+hitste mij schandelijk aan, en schonk mij voor de daad een nog
+schandelijker loon;--laat haar, evenals ik, de kwellingen smaken,
+die een voorgevoel van de hel geven!"
+
+"Zij smaakt die reeds," antwoordde Ulrica, voor het bed van
+Front-de-Boeuf tredende; "zij heeft lang uit dezen beker gedronken,
+en de bitterheid er van wordt verzoet door de zekerheid, dat die
+ook aan uw lippen niet vreemd is gebleven.--Knars niet met de tanden,
+Front-de-Boeuf, rol niet met de oogen;--bal uw vuist niet, en dreig mij
+niet meer!--De hand, welke eens, gelijk die van uw beroemden stamvader,
+wiens naam gij draagt, met één slag den kop van den wilden stier kon
+verpletteren, is nu ontzenuwd en machteloos, gelijk de mijne!"
+
+"Afgrijselijke moordenares!" hernam Front-de-Boeuf, "afschuwelijk
+wezen! gij zijt het dus, die gekomen zijt, om over de rampen te
+spotten, welke gij bewerkt hebt?"
+
+"Ja, Reginald Front-de-Boeuf," antwoordde zij, "het is Ulrica!--het is
+de dochter van den vermoorden Torquil Wolfganger!--het is de zuster
+van zijne gewurgde zonen!--zij is het, die van u en uws vaders stam,
+en bloedverwanten, naam en faam terugvraagt,--wat zij door het
+geslacht van Front-de-Boeuf verloren heeft! Denk aan het onrecht,
+dat ik geleden heb, Front-de-Boeuf! en zeg of ik niet de waarheid
+spreek? Gij zijt mijn booze engel geweest, en ik wil de uwe zijn;--ik
+zal u kwellen tot gij den laatsten adem uitblaast!"
+
+"Afschuwelijke furie!" hernam Front-de-Boeuf, "van dat oogenblik
+zult gij nooit getuige zijn.--Ho, Gilles, Clement en Eustace! Saint
+Maur! Steven! grijpt deze vervloekte heks, en werpt haar hals over
+kop van de wallen;--zij heeft ons aan den Sakser verraden!--Ho,
+Saint Maur! Clement! schurken, waarom draalt gij?"
+
+"Roep maar, dappere ridder!" zei de oude, grijnzende; "roep uw
+vazallen om u heen, veroordeel hen, die niet schielijk genoeg komen,
+tot zweepslagen en gevangenis!--Maar weet, machtige heer!" vervolgde
+zij, plotseling van toon veranderende, "zij zullen u nooit weder
+antwoord, hulp of gehoorzaamheid bewijzen. Luister naar die vreeselijke
+geluiden,"--want het gedruisch van de opnieuw begonnen bestorming
+weergalmde thans van de muren des kasteels;--"dat krijgsgeschreeuw
+verkondigt den val van uw huis!--Het met bloed opgemetseld gebouw
+van Front-de-Boeuf's macht wordt geschokt in zijne grondvesten, en
+juist door de vijanden, welke hij het meest verachtte!--De Sakser,
+Reginald!--de verachte Sakser bestormt uwe vesting! Waarom blijft gij
+als een lafhartige boer liggen, terwijl de Sakser uw sterk kasteel
+bestormt?"
+
+"Helsche kwelling!" riep de gewonde ridder. "O! had ik slechts één
+oogenblik de kracht, om mij naar het gevecht te sleepen, en te sterven,
+zooals het mijn naam betaamt!"
+
+"Denk daaraan niet, dappere ridder!" hernam zij; "Gij zult den dood
+van den krijgsman niet sterven, maar omkomen, gelijk de vos in zijn
+hol, wanneer de boeren het kreupelhout in het rond in brand gestoken
+hebben."
+
+"Vervloekte heks, gij liegt!" riep Front-de-Boeuf uit; "mijne
+lieden houden zich dapper,--mijne muren zijn sterk en hoog,--mijne
+wapenbroeders vreezen een geheel leger Saksers niet, al werden
+zij door Hengist en Horsa zelven aangevoerd!--Het krijgsgeschreeuw
+van den Tempelier en De Bracy en zijne makkers verheft zich boven
+het gedruisch van het gevecht!--En bij mijn eer, wanneer wij een
+vreugdevuur aansteken, om onze gelukkige verdediging te vieren,
+zal het u en uw gebeente verslinden; en ik zal leven om te hooren,
+dat gij uit het aardsche vuur in dat der hel zijt overgegaan, die
+nooit een ergeren duivel dan gij zijt, heeft voortgebracht."
+
+"Blijf bij uw geloof," hernam Ulrica, "tot gij van het tegendeel
+overtuigd zijt.--Maar neen!" zei zij, zich bedenkende, "gij zult
+nu reeds het lot vernemen, waarvan al uwe macht, sterkte en moed,
+niet in staat zijn u te redden, schoon het u door deze zwakke hand
+is voorbereid.--Bespeurt gij den smeulenden en verstikkenden damp,
+welke reeds in zwarte wolken in de kamer dringt?--Meendet gij,
+dat het slechts de duisternis was, die uw stervend oog omhulde;--de
+benauwdheid van uw belemmerde ademhaling? Neen Front-de-Boeuf, er is
+daarvoor een andere reden.--Herinnert gij u den voorraad brandstoffen,
+onder dit vertrek opeengestapeld?"
+
+"Vrouw!" riep hij wanhopig, "gij hebt ze toch niet in brand
+gestoken?--Bij den hemel, gij hebt het gedaan, en het kasteel staat
+in vlammen!"
+
+"De vlammen stijgen ten minste snel," antwoordde Ulrica met
+verschrikkelijke bedaardheid, "en weldra zal er een teeken wapperen,
+om de belegeraars te waarschuwen, dat zij met geweld aandringen op hen,
+die ze willen uitblusschen.--Vaarwel! Front-de-Boeuf!--Mogen Nista,
+Skogula en Zernebock, de Goden der oude Saksers,--duivels, zooals de
+priesters hen nu noemen,--de plaats van troosters bekleeden bij uw
+sterfbed, dat Ulrica thans verlaat!--Maar weet, zoo dit u troost kan
+verschaffen, dat Ulrica naar dezelfde sombere oorden moet trekken,
+waarheen gij gaat, daar zij de deelgenoote is uwer straf, zoowel als
+die uwer misdaden.--En nu, vadermoorder, vaarwel voor altijd!--Moge
+iedere steen van dit gewelf de gave der spraak bezitten, om u dezen
+naam in het oor te gillen!"
+
+Met deze woorden verliet zij het vertrek en Front-de-Boeuf kon het
+geknars van den zwaren sleutel hooren, terwijl zij de deur achter
+zich sloot en grendelde, om dus de laatste kans van redding te
+verijdelen. In zijn uitersten doodsangst riep hij zijn bedienden
+en bondgenooten: "Steven en Saint Maur!--Clement en Gilles!--Ik
+verbrand hier hulpeloos!--Helpt, helpt, stoute Bois-Guilbert, dappere
+De Bracy,--het is Front-de-Boeuf, die roept!--Mogen alle vloeken,
+die verraders verdienen, op uwe hoofden nederkomen! Laat gij mij op
+deze ellendige wijze omkomen. Zij hooren mij niet;--zij kunnen mij
+niet hooren;--mijne stem wordt niet gehoord in het gedruisch van den
+strijd!--De rook wordt hoe langer hoe dikker;--het vuur heeft den vloer
+bereikt. O, slechts een ademtocht van de hemelsche lucht, al moest ik
+dien koopen met oogenblikkelijke vernietiging!" En in de dolzinnige
+ijlhoofdigheid van zijne wanhoop, schreeuwde de rampzalige nu eens
+met de vechtenden, dan weder braakte hij vervloekingen uit tegen zich
+zelven, het menschdom en den Hemel zelven.--"De roode vlam gloeit
+reeds door den zwarten rook heen!" riep hij uit; "de duivel trekt
+tegen mij op onder de banier van zijn eigen element.--Booze geest,
+wijk!--Ik ga niet met u zonder mijne makkers;--allen, allen behooren u,
+deze bezetting,--dit kasteel!--Denkt gij, dat Front-de-Boeuf alleen wil
+uitverkoren worden?--Neen,--de ongeloovige Tempelier;--de lichtzinnige
+De Bracy;--Ulrica, die schandelijke, wulpsche moordenares;--de mannen,
+die mij in mijne ondernemingen bijgestaan hebben;--de Saksische
+honden en die vervloekte Joden, die mijne gevangenen zijn;--allen,
+allen zullen mij vergezellen!--Een schooner gezelschap, dan ooit den
+weg der onderwereld bewandelde!--Ha, ha, ha!" en hij lachte in zijn
+waanzin, tot het gewelf er van weergalmde. "Wie lachte daar?" riep
+hij op een anderen toon; want het geraas van den strijd belette niet,
+dat de weerklank van zijn eigen vreeselijk gelach zijn oor trof.--"Wie
+lachte daar?--Ulrica, waart gij het?--Spreek, heks, en ik vergeef
+u;--want gij alleen, of de duivel zelf kondet in zulk een oogenblik
+lachen. Wijk, wijk!"
+
+
+
+
+
+EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Nog eens den storm gewaagd, geliefde vrienden!
+ Nog eens, of anders vult de bres met lijken.
+ -- -- -- -- --En gij, braaf landvolk,
+ In Eng'land groot geworden, toon ons hier
+ De kracht van deeglijk voedsel, laat ons zweren,
+ Dat ge uw verpleging waardig zijt!
+
+ Shakespeare's Koning Hendrik V.
+
+
+Ofschoon Cedric niet veel vertrouwen stelde op Ulrica's belofte,
+deelde hij die toch aan den Zwarten Ridder en Locksley mede. Het was
+hun aangenaam eene vriendin in de plaats te hebben, die in geval van
+nood hun het binnenkomen gemakkelijker kon maken; en zij waren het
+met den Sakser volkomen eens, dat een bestorming, hoe ongunstig ook de
+omstandigheden waren, gewaagd moest worden, als het eenige middel om de
+gevangenen uit de handen van den wreeden Front-de-Boeuf te bevrijden.
+
+"Het koninklijke bloed van Alfred is in gevaar!" zei Cedric.
+
+"De eer eener edele Jonkvrouw wordt bedreigd!" zei de Zwarte Ridder.
+
+"En bij den heiligen Christophorus op mijn bandelier," riep de dappere
+schutter, "indien er geen andere reden ware dan de redding van den
+armen, getrouwen nar Wamba, dan zou ik mijn leven er aan wagen,
+om te verhinderen, dat één haar van zijn hoofd gekrenkt zou worden."
+
+"Ik ook," zei de monnik. "Hoe mijn heeren! Ik hoop dat een nar,--ik
+meen, ziet gij, mijn heeren, een nar, die van het gild is, en zijn
+handwerk verstaat, en die een beker wijn even smakelijk en aangenaam
+kan maken als een stuk spek;--ik zeg, broeders, zoolang ik een mis
+kan lezen en een strijdbijl voeren, zal zulk een nar nooit gebrek
+hebben aan een wijzen geestelijke, om in geval van nood voor hem te
+bidden of te vechten."
+
+En hierop zwaaide hij zijn zwaren hellebaard om het hoofd, alsof het
+een licht herderstafje geweest ware.--
+
+"'t Is waar, heilige man," zei de Zwarte Ridder; "even waar alsof
+St. Dunstan zelf het gezegd had!--En zou het nu niet goed zijn, dappere
+Locksley, dat de edele Cedric de leiding van den aanval op zich nam?"
+
+"Ik niet," hernam Cedric; "ik ken de middelen niet om deze vestingen
+der tirannij, die de Normandiërs in dit ongelukkig land hebben
+gesticht, te veroveren of te verdedigen. Ik wil mede vechten in het
+voorste gelid; maar mijn eerlijke buren weten wel, dat ik niet ervaren
+ben in krijgstucht, noch in het aanvallen van sterkten."
+
+"Als het dus gesteld is met den edelen Cedric," zei Locksley, "ben ik
+volkomen bereid om het bestuur der boogschutters op mij te nemen; en
+ge moogt mij aan een mijner eigene boomen ophangen, als de verdedigers
+hun hoofd over de muren steken zonder met even veel pijlen doorboord
+te worden, als er kruidnagels in een kermisham zijn."
+
+"Goed zoo, dappere schutter!" zei de Zwarte Ridder, "en als men mij de
+eer waardig keurt, om een bevel in den strijd te voeren, en er onder
+deze dapperen, mannen gevonden worden, die bereid zijn om een echt
+Engelschen ridder te volgen,--want zóó durf ik mij noemen,--dan ben
+ik gereed, om den storm tegen deze muren aan te voeren, met zooveel
+bekwaamheid als de ondervinding mij geleerd heeft."
+
+Toen de aanvoerders het bevel op deze wijze onderling verdeeld hadden,
+begon men den eersten aanval, welks uitkomst de lezer reeds vernomen
+heeft.
+
+Zoodra het buitenwerk ingenomen was, zond de Zwarte Ridder tijding
+van dit gelukkig voorval aan Locksley, hem tevens verzoekende, zoo
+nauwkeurig het kasteel te bewaken, dat de verdedigers hunne macht
+niet konden vereenigen, om door een plotselingen uitval het verloren
+buitenwerk te heroveren. Dit wilde de ridder vooral verhinderen,
+omdat hij verzekerd was, dat de lieden, die hij aanvoerde, als
+driftige en ongeoefende vrijwilligers, slecht gewapend en niet aan
+krijgstucht gewoon, in een plotselingen aanval met groot nadeel
+zouden vechten tegen de geoefende soldaten der Normandische ridders,
+die goed voorzien waren met wapens zoowel voor de verdediging als
+voor den aanval; en die volkomen vertrouwen stelden op de kracht,
+die volmaakte krijgstucht en gedurige oefening verleenden in den
+strijd tegen de ijverige en vurige belegeraars.
+
+Intusschen had de ridder een soort van schipbrug, of lang vlot laten
+vervaardigen, waarmede hij over de gracht hoopte te komen in weerwil
+van den tegenstand des vijands. Dit werk vorderde eenigen tijd,
+welken de aanvoerders te minder verloren achtten, omdat Ulrica
+hierdoor gelegenheid kreeg om haar plan, welk het ook zijn mocht,
+ten hunnen voordeele uit te voeren. Toen het vlot echter gereed was,
+zei de Zwarte Ridder: "Nu is hier geen tijd meer te verspillen; de
+zon zinkt reeds in het westen,--en gewichtige redenen veroorloven
+mij niet nog een enkelen dag bij u te blijven. Het zou bovendien een
+wonder zijn indien ons geene ruiters uit York overvielen, als wij ons
+voornemen niet met spoed volbrengen.--Een uwer ga dus bij Locksley,
+en verzoeke hem een hagelbui van pijlen af te schieten op de andere
+zijde van het kasteel, en voorwaarts te trekken, alsof hij voornemens
+was een aanval te wagen; en gij, getrouwe Engelsche mannen, staat mij
+bij, en houdt u gereed om het vlot dadelijk over de gracht te stooten,
+zoodra de poort van onze zijde geopend wordt. Volgt mij stoutmoedig
+over de gracht heen, en helpt mij gindsche valpoort in den hoofdmuur
+van het kasteel open breken. Zij wien deze dienst niet toelacht, of
+die te slecht gewapend zijn tot dezen strijd, moeten het buitenwerk
+bezetten; trekt de boogpeezen tot aan uw ooren, en bestookt ieder,
+die op het bolwerk durft verschijnen, met uw pijlen.--Edele Cedric,
+wilt gij het bevel op u nemen over degenen, die achter blijven?"
+
+"Neen, bij de ziel van Hereward!" zei de Sakser. "Aanvoeren kan ik
+niet; maar dat het nageslacht mij in mijn graf vervloeke, als ik niet
+voorop ben, overal waar gij den weg wijst.--De twist gaat mij aan,
+en het is mijne zaak, de eerste in het heetst van het gevecht te zijn."
+
+Maar, edele Sakser!" hernam de ridder, "gij hebt pantser noch
+borstharnas;--niets dan een lichte helm, schild en zwaard."
+
+"Des te beter!" antwoordde Cedric; "Ik zal te gemakkelijker de wallen
+beklimmen. Verschoon mijn snoeven, heer ridder! Heden zult gij de
+naakte borst van een Sakser even onverschrokken aan het gevaar zien
+blootgesteld, als ooit het stalen harnas van een Normandiër."
+
+"In Gods naam dan," zei de ridder; "werpt de poort open, en voorwaarts
+met het vlot!"
+
+De poort, die toegang verschafte van den wal des buitenwerks naar de
+gracht, en die met de poort in den hoofdmuur gemeenschap had, werd nu
+plotseling geopend; de in haast vervaardigde brug werd al voorwaarts
+geduwd, en plofte weldra in het water; zij strekte zich in lengte van
+het buitenwerk tot aan het kasteel uit, en vormde zoo een glibberigen
+en onveiligen weg, waarop twee mannen naast elkander over de gracht
+konden gaan. Overtuigd van het belang dat zij er bij hadden om den
+vijand te overrompelen, sprong de Zwarte Ridder, door Cedric gevolgd,
+op de brug, en bereikte de overzijde. Hier begon hij met zijne bijl
+tegen de poort van het kasteel te donderen, gedeeltelijk beschermd
+tegen het schieten en de steenen, die de verdedigers van boven wierpen,
+door de overblijfselen der vorige ophaalbrug, welke de Tempelier
+bij zijn aftocht uit het buitenwerk had afgebroken, en waarvan het
+trekwerk aan het bovenste gedeelte der poort was blijven zitten. Zij,
+die den ridder volgden, waren niet zoo gedekt; twee er van werden
+oogenblikkelijk met pijlen neêrgeschoten, en buitendien vielen er nog
+twee in de gracht; de anderen trokken zich terug naar het buitenwerk.
+
+De toestand van Cedric en den Zwarten Ridder was nu werkelijk
+gevaarlijk, en zou nog gevaarlijker geweest zijn, zonder den
+standvastigen moed van de boogschutters in het buitenwerk, die
+onophoudelijk hun pijlen op de wallen richtten, de aandacht dergenen,
+die ze bezetten afleidden, en hun aanvoerders dus een verademing
+verschaften tegen een hagelbui van pijlen, waarmede men hen anders
+zou overstelpt hebben. Maar hun toestand werd van oogenblik tot
+oogenblik wanhopiger.
+
+"Schaamt u!" schreeuwde De Bracy den soldaten toe, die hem omringden;
+"Noemt gij u boogschutters, en gij laat deze beide honden hunne
+plaats houden onder de wallen van het kasteel? Werpt de steenen van de
+borstwering op hen neder, zoo het niet anders kan;--haalt houweelen
+en koevoeten, en naar beneden met dien zwaren brok," op een groot
+stuk steenen snijwerk wijzende, dat buiten de borstwering uitstak.
+
+Op dit oogenblik viel den belegeraars de roode vlag in het oog,
+op den hoek van den toren, dien Ulrica Cedric had aangewezen. De
+dappere Locksley was de eerste, die ze ontwaarde, toen hij naar het
+buitenwerk ijlde, ongeduldig om den afloop van den aanval te zien.
+
+"St. George!" riep hij, "_St. George voor Engeland!_ valt aan,
+dappere schutters! hoe! laat gij den braven ridder en den edelen
+Cedric den toegang alleen bestormen?--Dring binnen, dolle priester,
+toon dat gij voor uw rozenkrans vechten kunt.--Dringt binnen, brave
+schutters!--het kasteel is het onze, wij hebben vrienden binnen de
+wallen;--ziet gindsche vlag, het afgesproken teeken!--Torquilstone
+is het onze!--weest uwe eer indachtig, denkt aan den buit!--nog één
+oogenblik en wij zijn meester van de plaats!"
+
+Hierop spande hij zijn boog, en joeg een pijl door het hart van een der
+gewapenden, die op De Bracy's bevel een stuk van den muur losmaakten,
+om het Cedric en den Zwarten Ridder op het hoofd te storten. Een
+tweede krijgsman nam den stervende den ijzeren koevoet uit de hand,
+waarmede hij den steen had losgewerkt, maar op hetzelfde oogenblik
+kreeg hij een pijl door zijn helm en stortte dood van den muur in
+de gracht. De gewapenden werden verschrikt, want geen wapenrusting
+scheen bestand tegen de pijlen van den geduchten schutter.
+
+"Wijkt gij, laffe schelmen?" schreeuwde De Bracy; "_Montjoye Saint
+Dénis!_--Geeft mij den koevoet!"
+
+Hij nam het ijzer op, en lichtte opnieuw den losgemaakten brok, welke,
+als die naar beneden geworpen werd, zwaar genoeg was, om niet slechts
+de overblijfsels van de ophaalbrug, welke de beide voorste belegeraars
+beschermden, te verpletteren, maar ook om het vlot, waarop ze over de
+gracht gekomen waren, in den grond te boren. Allen begrepen het gevaar,
+en de stoutsten, zelfs de moedige priester, waagden het niet den voet
+op het vlot te zetten. Driemaal spande Locksley zijn boog tegen De
+Bracy, en driemaal stuitte zijn pijl op des ridders wapenrusting af.
+
+"Dat verwenschte Spaansche stalen harnas!" zei Locksley. "Als een
+Engelsche smid het gemaakt had, zouden deze pijlen er doorgedrongen
+zijn als door zijde of taf." Hierop begon hij te roepen: "Terug,
+kameraden! vrienden! edele Cedric! terug, en laat den steen vallen!"
+
+Zijn waarschuwing werd niet gehoord, want het geraas, dat de ridder
+zelf maakte met zijn slagen op de poort, zou het geluid van twintig
+krijgstrompetten verdoofd hebben. De getrouwe Gurth sprong werkelijk
+voorwaarts op de met planken belegde brug, om Cedric te redden van het
+lot, dat hem boven het hoofd ging, of om het met hem te deelen. Maar
+zijne waarschuwing zou te laat gekomen zijn; de zware brok wankelde
+reeds, en De Bracy zou zijn voornemen volbracht hebben, indien de
+stem van den Tempelier hem niet in de ooren geklonken had.
+
+"Alles is verloren, De Bracy, het kasteel brandt!"
+
+"Gij raast!" hernam de ridder.
+
+"Het staat aan de westzijde in lichter laaie. Ik heb te vergeefs
+getracht ze te blusschen!"
+
+Met onverschrokken koelbloedigheid, de hoofdtrek van zijn karakter,
+deelde Brian De Bois-Guilbert dit ijselijke nieuws mede, dat niet
+zoo kalm door zijn verbaasden strijdmakker werd aangehoord.
+
+"Alle heiligen uit het Paradijs!" riep De Bracy; "wat nu? Ik beloof
+den heiligen Nicolaas van Limoges een kandelaar van zuiver goud---"
+
+"Spaar uwe gelofte," hernam de Tempelier, "en luister naar mij. Breng
+uwe mannen naar beneden, alsof gij een uitval wildet doen. Er zijn
+slechts twee mannen op het vlot, werpt hen in de gracht, en snel
+er over heen naar het buitenwerk. Ik zal een uitval doen door de
+hoofdpoort en het buitenwerk van den anderen kant bestormen; en als wij
+dezen post herwinnen, kunnen wij ons verdedigen tot wij hulp krijgen,
+of ten minste, tot men ons gunstige voorwaarden toestaat."
+
+"Goed bedacht," zei De Bracy; "ik zal mijne rol spelen.--Tempelier,
+gij zult mij niet in den steek laten!"
+
+"Op mijn woord en riddereer, zal ik u bijstaan!" zei
+Bois-Guilbert. "Maar in Gods naam, haast u!"
+
+IJlings verzamelde De Bracy zijne manschappen en vloog naar de poort,
+die hij oogenblikkelijk liet openen. Maar nauwelijks was dit geschied
+of de Zwarte Ridder drong met een onweerstaanbare kracht binnen, in
+weerwil van De Bracy en zijn volgelingen. Twee der voorsten vielen
+oogenblikkelijk, en de overigen weken, niettegenstaande hun aanvoerder
+zich alle moeite gaf om hen tot staan te brengen.
+
+"Honden!" riep De Bracy, "zult gij u door twee mannen den eenigen
+weg ter redding laten afsnijden?"
+
+"Het is de duivel!" riep een veteraan, voor de slagen van den Zwarten
+Ridder wijkende.
+
+"En al is het de duivel," hernam De Bracy, "wilt gij van hem weg in
+de hel vluchten?--Het kasteel brandt achter ons, lafaards!--laat de
+wanhoop u moed geven, of laat mij vooruit, ik zelf zal het met dezen
+vijand opnemen."
+
+Ridderlijk handhaafde De Bracy op dien dag den roem, dien hij in de
+burgeroorlogen dezer gevaarvolle tijden verworven had. De gewelfde
+gang, waarheen de sluippoort leidde, en waarin deze beide geduchte
+kampvechters nu man tegen man streden, weêrgalmde van de geweldige
+slagen, die ze elkander toebrachten, De Bracy met zijn zwaard en de
+Zwarte Ridder met zijn zware bijl. Eindelijk kreeg de Normandiër
+een slag, die, ofschoon het geweld er van gedeeltelijk door zijn
+schild werd afgeweerd, want anders zou De Bracy nimmer weder een lid
+verroerd hebben, zoo hevig zijn helm trof, dat hij lang uit op de
+aarde nederstortte.
+
+"Geef u over, De Bracy," zei de Zwarte Ridder, terwijl hij zich
+over hem heenbukte en den noodlottigen dolk, waarmede de ridders hun
+vijanden afmaakten en welken men den genadedolk heette, op het vizier
+van zijn helm zette, "geef u over, Maurice De Bracy, op genade of
+ongenade, of gij zijt des doods!"
+
+"Ik geef mij aan geen onbekenden overwinnaar over," zei De Bracy met
+zwakke stem. "Zeg mij uw naam, of doe met mij wat gij wilt;--men zal
+nimmer kunnen zeggen, dat De Bracy zich overgaf aan een naamloozen
+landlooper!"
+
+De Zwarte Ridder fluisterde den overwonnene iets in het oor.
+
+"Ik geef mij over als uw gevangene, op genade of ongenade," antwoordde
+de Normandiër, wiens vastberadene hardnekkigheid plotseling in de
+volmaaktste maar ongewilligste onderwerping veranderd was.
+
+"Ga naar het bruggenhoofd," zei de overwinnaar op gebiedenden toon,
+"om daar mijn verdere bevelen af te wachten."
+
+"Vergun mij u eerst iets te zeggen," hernam De Bracy, "waarbij gij
+belang hebt:--Wilfrid van Ivanhoe is gewond en gevangen in dit kasteel,
+en zonder oogenblikkelijke hulp komt hij in de vlammen om."
+
+"Wilfrid van Ivanhoe!" riep de Zwarte Ridder uit; "gevangen en in
+gevaar van om te komen!--iedereen in het kasteel zal er met zijn
+leven verantwoordelijk voor zijn, als er een haar op zijn hoofd
+gezengd wordt.--Wijs mij zijn kamer!"
+
+"Klim gindsche wenteltrap op,--die voert u naar zijn vertrek.--Wilt
+ge mijn geleide aannemen?"
+
+"Neen; naar het bruggenhoofd, en wacht daar op mijne bevelen. Ik
+vertrouw u niet, De Bracy."
+
+Gedurende dit gevecht en het korte gesprek, dat er op volgde,
+drong Cedric aan het hoofd van een bende, waaronder de monnik zich
+onderscheidde, over de brug zoodra hij de sluippoort open zag, en dreef
+de ontmoedigde en hopelooze volgelingen van De Bracy terug, van welken
+sommigen genade smeekten, anderen een vruchteloozen tegenstand boden,
+en de meesten naar het binnenplein vluchtten. De Bracy zelf stond
+op en wierp zijn overwinnaar een bedroefden blik achterna. "Hij
+vertrouwt mij niet," herhaalde hij; "maar heb ik zijn vertrouwen
+verdiend?" Hij nam zijn zwaard van den grond, zette zijn helm af,
+als teeken van onderwerping, en, naar het bruggenhoofd gaande, gaf
+hij zijn zwaard over aan Locksley, dien hij daar ontmoette.
+
+Zoodra de brand de overhand verkreeg, ontwaarde men er ook teekenen
+van in de kamer, waar Ivanhoe door de Jodin Rebekka opgepast en
+verpleegd werd. Hij werd uit zijne korte sluimering gewekt door
+het geraas van den slag, en zijne bewaakster, die zich op zijn
+dringende bede weder aan het venster geplaatst had om den loop van
+den aanval te bespieden en te beschrijven, werd gedurende eenigen
+tijd verhinderd in haar waarnemingen door een steeds toenemenden,
+verstikkenden damp. Eindelijk werden ze opmerkzaam gemaakt op het
+klimmende gevaar door de rookwolken, die in de kamer rolden,--door
+het geschreeuw om water, dat men boven het krijgsrumoer uit kon hooren.
+
+"Het kasteel staat in brand!" zei Rebekka; "het staat in vlammen!--Hoe
+redden wij ons?"
+
+"Vlucht, Rebekka, en red uw eigen leven," zei Ivanhoe, "want geene
+menschelijke hulp kan mij van dienst zijn."
+
+"Ik wil niet vluchten," zei Rebekka, "wij zullen te zamen omkomen of
+gered worden.--En echter, groote God! Mijn vader, mijn vader,--wat
+zal zijn lot zijn!"
+
+Op dit oogenblik vloog de deur van het vertrek open, en de Tempelier
+vertoonde zich;--het was een verschrikkelijke verschijning, want
+zijn vergulde wapenrusting was gedeukt en bebloed, en de pluim van
+zijn helm was gedeeltelijk afgerukt, gedeeltelijk verbrand. "Ik heb
+u gevonden," zei hij tot Rebekka; "ge zult ondervinden, dat ik woord
+houd, en lief en leed met u wil deelen.--Er is slechts één weg ter
+redding over, door honderderlei gevaren heb ik mij een weg gebaand,
+om u dien aan te wijzen. Volg mij oogenblikkelijk!" [28]
+
+"Alleen," antwoordde Rebekka, "zal ik u niet volgen. Indien gij uit
+eene vrouw geboren zijt,--indien gij slechts één vonkje menschelijkheid
+bezit;--indien uw hart niet zoo hard is als uw borstharnas,--red mijn
+ouden vader,--red dezen gewonden ridder!"
+
+"Een ridder," antwoordde de Tempelier, met de hem eigene
+koelbloedigheid, "een ridder, Rebekka, moet den dood in de oogen zien;
+hetzij hij hem in den strijd, of in het vuur ontmoet,--en wie bekommert
+zich om het lot van een Jood?"
+
+"Woeste krijgsman," zei Rebekka, "liever wil ik in de vlammen omkomen,
+dan mijn behoud aan u te danken hebben!"
+
+"Gij zult geene keus hebben, Rebekka;--éénmaal hebt gij mij
+teleurgesteld; maar geen sterveling heeft zulks ooit ten tweedenmaal
+gedaan."
+
+Dit zeggende, greep hij de verschrikte maagd, die het kasteel met haar
+gegil vervulde, en droeg haar uit de kamer, in weerwil van haar angst,
+en zonder te letten op de bedreigingen, en de uitdaging, die Ivanhoe
+hem achterna bulderde.
+
+"Hond van een Tempelier,--schandvlek uwer orde!--stel het meisje in
+vrijheid! Verraderlijke Bois-Guilbert, Ivanhoe beveelt het u!--Schurk,
+ik zal u het hart met mijn staal doorboren!"
+
+"Ik zou u niet gevonden hebben, Wilfrid," riep de Zwarte Ridder, die op
+dit oogenblik binnentrad, "indien gij niet zoo hard geschreeuwd hadt."
+
+"Als gij een echte ridder zijt," hernam Wilfrid, "denk dan niet aan
+mij;--vervolg gindschen roover,--red Jonkvrouw Rowena;--zoek naar
+den edelen Cedric!"
+
+"Ieder zijne beurt," antwoordde de ridder; "maar eerst is de beurt
+aan u!"
+
+Hij nam Ivanhoe op, en droeg hem even gemakkelijk weg als de Tempelier
+Rebekka had gedragen; vloog door de poort, en nadat hij hier zijn
+last aan de zorg van twee schutters had toevertrouwd, ging hij weder
+in het kasteel om de andere gevangenen te helpen verlossen.
+
+Een der torens stond nu in lichter laaie, die met geweld uit de
+vensters en schietgaten sloegen; maar op andere plaatsen weerstonden
+die dikke muren en gewelfde daken de macht van het vuur, en hier
+heerschte nog de woede der menschen, terwijl elders het nauwelijks
+verschrikkelijker element meester was; Want de belegeraars vervolgden
+de verdedigers van het kasteel van kamer tot kamer, en stilden in
+hun bloed de wraak, die hen al lang tegen de krijgslieden van den
+wreeden Front-de-Boeuf bezield had. Het grootste gedeelte van de
+bezetting verdedigde zich tot het uiterste, eenige weinigen vroegen
+om genade, die echter niemand verkreeg. Het gesteun der gekwetsten en
+het gekletter der wapenen vervulde de lucht;--de grond was glibberig
+van het bloed van wanhopige en stervende menschen.
+
+Midden door dit tooneel van verwarring drong Cedric, om Rowena te
+zoeken, terwijl de getrouwe Gurth, die hem van nabij door het gedrang
+volgde, zijne eigene veiligheid verwaarloosde, om de slagen af te
+weren, die tegen zijn meester gericht werden. De edele Sakser was
+gelukkig genoeg het vertrek zijner pupil te bereiken, toen ze reeds
+alle hoop op redding had opgegeven, en in doodsbenauwdheid een crucifix
+op haar hart drukkende, een oogenblikkelijken dood verwachtte. Hij
+gaf haar aan Gurth over, die haar in veiligheid naar het bruggenhoofd
+zou geleiden, werwaarts de weg nu van vijanden gezuiverd, en nog niet
+door de vlammen afgesneden was. Toen dit volbracht was, haastte de
+getrouwe Cedric zich om zijn vriend Athelstane te zoeken, vast besloten
+om den laatsten telg van den Saksischen koninklijken stam te redden,
+aan welk gevaar hij zichzelven ook zou moeten blootstellen. Maar eer
+Cedric tot aan de oude zaal, waar hij zelf gevangen was geweest,
+doordrong, had de vindingrijke geest van Wamba zichzelven en zijn
+lotgenoot de vrijheid weder verschaft.
+
+Toen het geraas aankondigde dat de slag op het heetst was, begon de nar
+te schreeuwen, zoo hard hij kon: "St. George en de draak!--St. George
+met het schoone Engeland!--Het kasteel is overwonnen!" En dit
+geschreeuw maakte hij nog schrikbarender, door eenige verroeste wapens,
+die in de zaal verspreid lagen, tegen elkander te slaan.
+
+Eenige wachters, in het buiten- of voorvertrek geplaatst, en die te
+voren reeds door den angst overvallen waren, werden nu verschrikt
+door Wamba's geschreeuw, en de deur open latende, liepen ze naar den
+Tempelier om hem te vertellen, dat de vijanden tot in de oude zaal
+doorgedrongen waren. In dien tusschentijd vonden de gevangenen er
+geen zwarigheid in, om in de voorkamer te ontsnappen, en vandaar
+op de plaats van het kasteel te komen, het laatste tooneel van
+het gevecht. Hier zat de trotsche Tempelier te paard, omringd door
+verscheidene van de bezetting, zoowel te voet als te paard, die hun
+krachten met die van dezen beroemden aanvoerder vereenigd hadden,
+om de laatste kans op behoud te wagen en den eenigen weg, die hun
+tot den aftocht overbleef, meester te blijven. De ophaalbrug was
+op zijn bevel nedergelaten, maar de doorgang was bezet, want de
+boogschutters, die tot dusver het kasteel slechts van die zijde met
+hunne pijlen bestookt hadden, zagen nauwelijks de vlammen uitbarsten
+en de ophaalbrug neêrlaten, of zij drongen naar den ingang, zoowel om
+het garnizoen het ontkomen te beletten, als om zich van hun deel van
+den buit te verzekeren, eer het kasteel afbrandde. Van den anderen
+kant waren zij, die door de sluippoort waren binnen gekomen, nu tot
+op het plein doorgedrongen, en vielen woedend op het overschot der
+verdedigers aan, die dus van weêrskanten tegelijk bestormd werden.
+
+Door wanhoop bezield en door het voorbeeld van hun onwrikbaren
+aanvoerder aangespoord, vochten de overgeblevene krijgslieden van
+het kasteel met den uitersten moed, en daar ze goed gewapend waren,
+gelukte het hun meer dan eens de aanvallers terug te drijven,
+ofschoon ze veel geringer in aantal waren. Rebekka, vóór een van
+des Tempeliers Saraceensche slaven op het paard geplaatst, was in
+het midden der kleine bende,--en niettegenstaande de verwarring der
+bloedige schermutseling, droeg Bois-Guilbert alle mogelijke zorg
+voor hare veiligheid. Hij was bestendig aan hare zijde,--en terwijl
+hij verzuimde zichzelven te verdedigen, beschermde hij haar met zijn
+driehoekig stalen schild; dan, plotseling van haar zijde vliegende,
+liet hij zijn veldgeschreeuw hooren, drong voorwaarts, sloeg den
+voorsten zijner aanvallers ter aarde, en was oogenblikkelijk weder
+naast haar paard.
+
+Athelstane, die, zooals de lezer weet, traag maar niet lafhartig
+was, zag de vrouwelijke gedaante, welke de Tempelier zoo zorgvuldig
+verdedigde, en twijfelde er niet aan, dat het Rowena was, die de
+ridder schaakte, in weerwil van allen tegenstand, dien men hem bood.
+
+"Bij de ziel van den heiligen Eduard!" riep hij, "ik wil haar uit
+de macht van gindschen overmoedigen ridder redden, en door mijn hand
+zal hij sterven!"
+
+"Bedenk wat gij doet," zei Wamba; "de haastige hand vangt een
+kikvorsch in plaats van een visch.--Bij mijn zotskap, die dame
+ginds is Jonkvrouw Rowena niet,--zie maar naar haar lange, zwarte
+lokken!--Maar, als gij geen zwart van wit onderscheiden wilt, moogt
+gij aanvoerder zijn, zoo gij verkiest; maar ik zal u niet volgen;--ik
+laat mijn beenderen niet breken, of ik moet weten voor wien.--En gij
+ook zonder wapenrusting!--Bedenk toch, een zijden muts staat nooit
+voor een stalen kling.--Nu, wie van zelf in het water loopt, die moet
+ook gaarne verdrinken.--_Deus vobiscum_, dappere Athelstane!" riep
+hij uit, terwijl hij des Saksers wambuis losliet, waarbij hij hem
+tot dusver vastgehouden had.
+
+Een strijdbijl van den grond op te nemen, die naast een man lag,
+wiens stervende hand ze juist had laten vallen,--op des Tempeliers
+bende aan te vallen, met de grootste snelheid rechts en links slagen
+uit te deelen, en bij iederen slag een vijand ter neder te vellen, was
+voor Athelstane's groote kracht, thans door ongewone woede bezield,
+slechts het werk van één oogenblik, en hij was weldra op eenige
+schreden afstands van Bois-Guilbert, dien hij met luide stem uitdaagde.
+
+"Hierheen, valsche Tempelier!--Laat haar los, die gij niet waardig
+zijt aan te raken;--hierheen, gij waardig lid eener bende roovers
+en huichelaars!"
+
+"Hond!" riep de Tempelier, de tanden knarsende, "ik zal u leeren, de
+heilige orde van den Tempel van Sion te lasteren!" en met deze woorden,
+zijn steigerend paard wendende, ging hij op Athelstane los, en zich
+in de stijgbeugels verheffende, om met zooveel geweld mogelijk neer
+te komen, bracht hij Athelstane een geweldigen slag op het hoofd toe.
+
+Te recht had Wamba gezegd, dat eene zijden muts geen stalen kling kon
+weêrstaan. Zoo scherp was des Tempeliers zwaard, dat het de met ijzer
+beslagen greep van de knots, welke de ongelukkige Sakser zwaaide,
+om den slag af te wenden, als een wilgen tak doorkliefde, en op zijn
+hoofd neêrkomende, hem ter aarde deed storten.
+
+"_Hah! Beauséant!_" riep Bois-Guilbert. "Zoo ga het alle tegenstanders
+der Tempelieren!" En toen gebruik makende van den schrik, welken
+Athelstane's val veroorzaakt had, riep hij luid: "Dat zij, die
+zich redden willen, mij volgen!" Zoo drong hij over de ophaalbrug,
+de boogschutters uiteenjagende, welke hem tegenhouden wilden. Hij
+werd gevolgd door zijne Saracenen en een zestal krijgslieden,
+die hun paarden bestegen hadden. Des Tempeliers terugtocht werd
+gevaarlijk gemaakt door de menigte pijlen, welke op hem en zijn
+lieden afgeschoten werden, maar dit belette hem niet, om naar het
+bruggenhoofd te rennen, waarvan hij, volgens hun vroeger plan, De
+Bracy meester hoopte te vinden.
+
+"De Bracy! De Bracy!" schreeuwde hij, "Zijt gij daar?"
+
+"Ik ben hier," hernam De Bracy; "maar ik ben gevangen."
+
+"Kan ik u verlossen?" riep Bois-Guilbert.
+
+"Neen," hervatte De Bracy; "ik heb mij op genade of ongenade
+overgegeven, en ik zal woord houden. Red u;--er broeit onheil;--maak
+dat de zee tusschen u en Engeland ligt.--Meer durf ik niet zeggen!"
+
+"Goed," antwoordde de Tempelier; "zoo gij hier wilt blijven, dan
+bedenk, dat ik aan mijn woord en riddereer getrouw ben gebleven. Wat
+er ook voor onheil dreige, mij dunkt, dat de muren van Templestowe
+eene veilige schuilplaats zullen zijn; en daarheen zal ik als een
+vogel naar zijn nest vluchten."
+
+Met deze woorden, reed hij met de zijnen weg.
+
+De lieden uit het kasteel, welke niet te paard waren, zetten den
+strijd nog met de belegeraars wanhopig voort, na het vertrek van den
+Tempelier, maar meer omdat zij geen genade verwachten konden, dan wel
+uit hoop om zich te redden. Het vuur verspreidde zich snel door het
+kasteel, toen Ulrica, die het ontstoken had, op een torentje verscheen,
+volkomen gelijk aan eene furie der ouden, en een krijgszang aanhief,
+zooals eertijds de _Skalden_ bij de nog heidensche Saksers op het
+slagveld gewoon waren te zingen. Haar lang, loshangend grijs haar
+viel van haar onbedekt hoofd neder; de woeste vreugde van verzadigde
+wraak schitterde uit haar oogen met het vuur der zinneloosheid,
+en zij zwaaide het spinrokken, hetwelk zij in de hand hield, alsof
+zij eene der noodlottige zusters geweest ware, die den draad van des
+menschen leven spinnen en afsnijden. De overlevering heeft eenige
+ruwe strophen van het barbaarsch gezang bewaard, dat zij onder dat
+tooneel van brand en slachting met woeste stem uitgilde.
+
+
+ 1
+
+ Wet nu het glinst'rend staal,
+ Zoon van den schitterenden draak!
+ Ontsteek nu de fakkel,
+ Gij dochter van Hengist!
+ Niet voor het vreugdemaal glinstert het staal;
+ Hard is het, breed en verschriklijk gepunt.
+ Niet naar de bruidskamer gaat nu het toortslicht;
+ 't Schittert en flikkert, van zwaveldamp blauw.
+ Wet dan het staal;--ha, hoe krassen de raven!
+ Ontsteek dan het fakkellicht; Zernebock huilt!
+ Wet dan het staal, o gij zoon van den draak!
+ Ontsteek dan het fakkellicht, dochter van Hengist!
+
+ 2
+
+ --Zwart hangt de wolk op des Heeren kasteel;
+ De adelaar schreeuwt er; hij rijdt er op trotsch.--
+ Schreeuw niet, gij grijze berijder der wolken,--
+ Bereid is uw gastmaal!
+ Walhalla, uw maagden zien neêr,--
+ De stamme van Hengist zendt gasten.
+ Schud uw donkere lokken, gij maagd van Walhalla;
+ Roer uw trommels van vreugde!
+ Menige stap richt zich straks naar uw wallen,
+ Menig gehelmde kruin!
+
+ 3
+
+ De avond rust donker op des edelen kasteel,
+ Dáár pakken de duistere wolken zich samen;
+ Ras zijn zij rood als het bloed van de dapp'ren!
+ De woudenvernieler schudt herwaarts zijn helmbosch;
+ Hij, de vernieler der trotsche paleizen,
+ En zwaait met zijn somb're banier,
+ Bloedrood, en duister, en wijd,
+ Over den strijd van de dapp'ren.
+ Hem verheugt gekletter der zwaarden, het breken der schilden,
+ 't Drinken van 't kokende bloed, dat spat uit de wonden
+ der strijders.
+
+ 4
+
+ Allen vergaan!
+ 't Zwaard klieft den helm;
+ De lansen doorboren en harnas en schilden,
+ Vlammen verteren de woning der vorsten,
+ Stormrammen breken de borstwering af.
+ Allen vergaan!
+ Hengist, uw stam is daarheen--
+ Horsa, uw naam is niet meer!--
+
+ 5
+
+ Siddert dan niet voor het graf, o gij zonen van 't zwaard!
+ Laten uw zwaarden den bloedstroom nu zwelgen als wijn!
+ Vergast u aan 't feestmaal der slachting,
+ Bij 't licht van de brandende hallen!
+ Sterk zij uw zwaard, nu u 't bloed nog ontvlamd is;
+ Spaart niets uit deernis, spaart niets uit vrees;
+ Dit is het oogenblik der wrake gegund,
+ Want ook het vuur van den haat zal vergaan--
+ Ook mij wacht de dood! [29]
+
+
+De zich hoe langer hoe sterker verheffende vlammen waren nu alle
+hinderpalen te boven gekomen en stegen naar de wolken op als één
+ontzaglijke vuurkolom, welke men wijd en zijd kon zien. Toren op
+toren stortte in, met brandende daken en balken, en de strijders
+werden van de plaats verjaagd. De overwonnenen, van wie er maar
+zeer weinigen overbleven, verstrooiden zich en ontsnapten in het
+nabijgelegen woud. De overwinnaars, zich in groote benden verzamelende,
+staarden met verbazing en niet zonder vrees, op de vlammen, waarin
+hun eigene rijen en wapenen donkerrood glinsterden. De gedaante van
+de waanzinnige Ulrica was lang zichtbaar op de hooge standplaats,
+die zij uitgekozen had, en zij strekte de armen met woeste drift uit,
+alsof zij de leidster van den door haar ontstoken brand ware. Eindelijk
+stortte met een verschrikkelijk gekraak de geheele toren in, en zij
+kwam in dezelfde vlammen om, die haar tiran verteerd hadden. Een
+oogenblik van vreeselijke ijzing deed de gewapende aanschouwers
+verstommen, die gedurende eenige minuten geen vinger verroerden anders
+dan om zich te kruisen. Het eerst liet Locksley zijn stem hooren:
+"Verheugt u, schutters! het nest der tirannen is uitgeroeid! Laat
+ieder zijn buit naar onze verzamelplaats bij den grooten eik in de
+Harthill-laan brengen; want daar zullen wij bij het aanbreken van den
+dag een billijke verdeeling maken tusschen onze eigene bende en onze
+waardige bondgenooten in deze groote daad van vergelding!"
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Geloof mij, iedere staat heeft behoefte aan wetten;
+ De rijken hebben hun edicten, steden
+ Haar charters; zelfs bandieten in hun wouden
+ Bewaren nog een zweem van burgertucht;
+ Want sedert Adam 't groene voorschoot droeg
+ Zag men den mensch maatschappelijk vereenigd,
+ En steeds dien band door wet en recht versterken.
+
+ Oud Tooneelstuk.
+
+
+Door de lanen van het eikenwoud schemerde het daglicht. De groene
+takken glinsterden met de paarlen van den dauw. De hinde geleidde
+haar jong uit de schuilplaats van hoog varenkruid naar de meer opene
+plekken van het groene bosch, en er was geen jager dáár, om het
+statige hert, aan het hoofd van zijne gehoornde kudde op te wachten,
+of af te snijden.
+
+De vogelvrijverklaarden waren allen vergaderd om den grooten
+gerechtseik in de Harthill-laan, waar zij den nacht hadden
+doorgebracht, met zich van de vermoeienissen van het beleg te
+herstellen, eenigen door wijn, anderen door slaap, velen door de
+gebeurtenissen van den strijd aan te hooren of te verhalen, terwijl
+zij den buit berekenden, welken hun overwinning ter beschikking van
+hun opperhoofd gesteld had. Deze buit was inderdaad aanzienlijk,
+want ofschoon veel door het vuur vernield werd, zoo was er toch een
+groote menigte zilverwerk, rijke wapenrustingen en prachtige kleederen
+door de onverschrokken roovers gered, die door geen gevaar konden
+afgeschrikt worden, als zij zulke belooningen te wachten hadden. Zoo
+streng waren echter de wetten hunner vereeniging, dat niemand het
+waagde zich slechts het geringste gedeelte van den buit toe te
+eigenen, welke men op eene algemeene verzamelplaats gebracht had,
+om ter beschikking van hun aanvoerder te blijven.
+
+De vergaderplaats was bij een ouden eik; niet dezelfde, waarheen
+Locksley vroeger Gurth en Wamba gevoerd had, maar een andere, welke
+het middelpunt was van een boomvrijen kring, een halve mijl van het
+vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd. Hier nam Locksley zijn
+plaats in, op een troon van zoden, opgericht onder de overhangende
+takken van den ontzaglijken eik, en zijne onderdanen van het bosch
+stonden in het rond. Hij wees den Zwarten Ridder eene plaats aan zijn
+rechter en Cedric eene aan zijne linkerhand aan.
+
+"Vergeeft mijne vrijheid, edele heeren," zei hij; "maar in
+deze bosschen ben ik koning;--het is mijn rijk, en deze, mijne
+woeste onderdanen, zouden weinig ontzag voor mijne macht hebben,
+als ik mijne plaats aan een anderen sterveling, wien het ook zij,
+afstond.--Nu, heeren, wie heeft onzen kapelaan gezien? Waar is onze
+dappere monnik? Een mis is onder Christenen het beste begin van het
+dagwerk."--Niemand had den kluizenaar van Copmanshurst gezien.
+
+"Waarlijk," vervolgde de roover-kapitein, "ik hoop, dat het niets
+anders is, dan dat de vroolijke priester een weinig te lang bij
+de wijnflesch gezeten heeft. Wie heeft hem na de inneming van het
+kasteel gezien?"
+
+"Ik heb hem gezien," zeide Mulder, "bezig met eene kelderdeur open
+te breken, bij alle heiligen uit den almanak zwerende, dat hij
+Front-de-Boeuf's Gasconjer-wijn eens proeven wilde."
+
+"Nu, dan mogen alle heiligen verhinderd hebben," zei de aanvoerder,
+"dat hij te diep in het glas gezien heeft, en, bij den val van
+het kasteel is omgekomen!--Ga, Mulder!--Neem mannen genoeg met u,
+doorzoek de plaats waar gij hem het laatst gezien hebt;--werp water
+uit de gracht over de brandende puinhoopen. Ik zal ze steen voor
+steen laten wegnemen, liever dan mijn braven monnik te verliezen."
+
+De vele mannen, die zich haastten, om dezen plicht te vervullen,
+ofschoon er eene belangrijke verdeeling van buit zou plaats hebben,
+bewees hoezeer de veiligheid van den geestelijken vader de bende ter
+harte ging.
+
+"Laten wij intusschen voortgaan," zei Locksley; "want zoodra deze
+daad ruchtbaar wordt, zullen de troepen van De Bracy, Malvoisin en
+andere bondgenooten van Front-de-Boeuf tegen ons optrekken, en dus
+is het goed, bijtijds voor onze veiligheid te zorgen, en deze buurt
+te verlaten. Edele Cedric," zei hij, zich tot den Sakser wendende,
+"de buit is in twee deelen verdeeld; kies dat, hetwelk u het best
+aanstaat, om uw lieden te beloonen, die onze deelgenooten in deze
+onderneming geweest zijn."
+
+"Dappere schutter," antwoordde Cedric, "mijn hart is overstelpt van
+droefheid. De edele Athelstane van Coningsburgh is niet meer,--de
+laatste spruit van den Heiligen Belijder! Er is met hem eene hoop
+te gronde gegaan, die nooit meer verwezenlijkt kan worden.--Er is
+in zijn bloed eene vonk uitgebluscht, welke geen menschelijke adem
+weder aanblazen kan! Mijne lieden, behalve de weinigen, die nu bij
+mij zijn, wachten slechts op mijne tegenwoordigheid, om zijn geëerde
+overblijfsels naar hun laatste rustplaats over te brengen. Jonkvrouw
+Rowena verlangt naar Rotherwood terug te keeren en moet door eene
+voldoende macht begeleid worden. Ik zou dus reeds vroeger deze plaats
+verlaten hebben, ware het niet, dat ik gewacht had,--niet om den buit
+te deelen;--want, zoo waarlijk helpe mij God en St. Withold! ik noch
+één der mijnen zal er een penning van nemen,--maar om u en uw dappere
+volgelingen mijn dank te betuigen voor mijn leven en mijne eer,
+die gij gered hebt!"
+
+"Maar," zei de aanvoerder, "wij hebben op zijn best slechts het halve
+werk gedaan; neem van den buit zoo veel, dat ge uwe naburen en uwe
+lieden beloonen kunt."
+
+"Ik ben rijk genoeg om hen zelf te beloonen," antwoordde Cedric.
+
+"En eenigen," zei Wamba, "zijn wijs genoeg geweest om zich zelven te
+beloonen. Ze gaan niet allen met ledige handen weg. Wij dragen niet
+allen zotskappen."
+
+"Dat staat hun vrij," hernam Locksley; "onze wetten zijn alleen van
+kracht voor ons zelven."
+
+"Maar gij, mijn goede jongen," zei Cedric, zich omkeerende, en den
+nar omhelzende, "hoe zal ik u beloonen, daar ge niet geaarzeld hebt
+u zelven in mijne plaats aan gevangenschap en den dood bloot te
+stellen!--Allen verlieten mij, terwijl de arme nar getrouw bleef!"
+
+Een traan stond in de oogen van den ruwen _Thane_, terwijl hij dus
+sprak,--een blijk van aandoening, hetwelk zelfs Athelstane's dood niet
+van hem afgeperst had; maar er was iets in de half instinctmatige
+verkleefdheid van zijn nar, dat zijn gemoed sterker trof, dan de
+smart zelve.
+
+"Neen!" hernam de nar, zich aan zijne omhelzing onttrekkende,
+"zoo ge mijn dienst met het water uwer oogen betaalt, dan moet de
+nar mede weenen, en wat wordt er dan van zijn beroep?--Maar, oom,
+als ge mij inderdaad eene gunst wilt bewijzen, dan verzoek ik u mijn
+makker Gurth te vergeven, die eene week aan uw dienst ontstolen heeft,
+om die aan uw zoon toe te wijden."
+
+"Hem vergeven," riep Cedric; "Ik wil hem vergeven en beloonen.--Kniel
+neder, Gurth." Oogenblikkelijk lag de zwijnenhoeder aan de voeten
+zijns meesters.--"Sta op! Niet langer als een lijfeigene!" vervolgde
+Cedric, hem met een stok aanrakende: "Een vrij man zijt gij in de
+stad, in het woud en in het veld. Ik schenk u een stuk land in mijn
+gebied van Walburgham voor u en uwe nakomelingen ten eeuwigen dage,
+en Gods vloek treffe hem, die zich hiertegen durft verzetten!"
+
+Niet langer een slaaf, maar een vrij man en landeigenaar, deed
+Gurth twee sprongen bijna zoo hoog als hij zelf was, uitroepende:
+"Een smid en een vijl, hier! om den halsband van een vrij man los
+te maken!--Edele meester, mijne krachten zijn verdubbeld door uwe
+gift, en dubbel zal ik voor u vechten!--Er is een vrije geest in
+mijne borst.--Ik ben een geheel ander man voor mij zelven en allen
+rondom mij.--Ha, Fangs!" ging hij voort, want de getrouwe hond, toen
+hij zijn meester zoo verheugd zag, begon tegen hem op te springen en
+zijn deelneming uit te drukken, "kent ge uw meester nog?"
+
+"Ja," zei Wamba, "Fangs en ik kennen u nog, Gurth, schoon wij
+den halsband vooralsnog zullen moeten dragen; maar ge zult ons
+waarschijnlijk vergeten!"
+
+"Ik zal mij zelven eerder vergeten, dan u, trouwe makker," zei Gurth;
+"en zoo de vrijheid voor u geschikt ware, Wamba, dan zou uw meester
+u die zeker ook schenken."
+
+"Neen, broeder Gurth," hernam Wamba, "denk niet, dat ik u benijd:
+de lijfeigene zit bij het vuur in de zaal, terwijl de vrije man naar
+buiten in het veld moet.--En wat zegt Oldhelm van Malmsbury:--"Beter
+een nar bij het feest, dan een wijs man in den strijd."
+
+Nu hoorde men het getrappel van paarden, en Jonkvrouw Rowena
+verscheen, omringd door verscheidene ruiters en eene nog grootere
+troep voetvolk, welke vroolijk met hunne pieken tegen de schilden
+sloegen, uit vreugde over hare bevrijding. Zij zelve, rijk gekleed
+en op een donker bruin paard zittende, had al de waardigheid harer
+houding hernomen, en slechts eene ongewone bleekheid toonde wat ze
+uitgestaan had. Haar schoon voorhoofd, hoewel bewolkt, blonk echter
+met een straal van herlevende hoop voor de toekomst, zoowel als
+van dankbare erkentenis voor hare verlossing.--Ze wist, dat Ivanhoe
+in veiligheid, en ook dat Athelstane dood was. Het eerste vervulde
+haar met oprechte dankbaarheid; en al verheugde zij zich ook juist
+niet over het laatste, zoo kon men haar vergeven, dat ze het geluk
+besefte van bevrijd te zijn van verdere aanzoeken in de eenige zaak,
+waarin ze altijd door haar voogd Cedric was tegengegaan.
+
+Toen Rowena haar paard naar Locksley's zitplaats wendde, stonden
+de dappere schutter en al zijne onderhoorigen met natuurlijke,
+ongemaakte hoffelijkheid op, om haar te begroeten. Het bloed
+kleurde haar wangen toen zij, vriendelijk met de hand groetende,
+en zoo diep buigende, dat haar schoone, loshangende vlechten voor
+een oogenblik met de lange manen van haar paard vermengd werden, in
+weinige maar passende woorden, hare verplichting en haar dank jegens
+Locksley en hare overige bevrijders uitdrukte.--"God zegene u, brave
+mannen!" besloot zij, "God en de Heilige Maagd zegenen en beloonen u,
+dat gij zoo dapper het gevaar getrotseerd hebt om de onderdrukten te
+helpen!--Zoo één uwer honger mocht lijden, dan herinnert u, dat Rowena
+voedsel heeft;--zoo gij dorst hebt, dan heeft ze menig vat wijn en
+bier;--en zoo de Normandiërs u uit deze bosschen verjagen, dan heeft
+Rowena bosschen genoeg in eigendom, waar hare dappere bevrijders in
+volle vrijheid kunnen rondzwerven, zonder aan den houtvester voor
+elken afgeschoten pijl rekenschap te moeten geven!"
+
+"Ik dank u, edele Jonkvrouw!" hervatte Locksley, "voor mijn
+volgelingen en voor mij zelven. Maar u gered te hebben is reeds
+belooning genoeg. Wij, die in de groene bosschen rondzwerven, hebben
+menige woeste daad te verantwoorden, en de bevrijding van Jonkvrouw
+Rowena zal mogelijk als vergoeding daarvoor gelden."
+
+Nog eens diep buigende, maakte Rowena zich gereed om te vertrekken;
+maar toen ze een oogenblik stil hield, terwijl Cedric, die haar
+vergezellen zou, insgelijks afscheid nam, bevond zij zich onverwachts
+dicht bij den gevangen De Bracy. Hij stond onder een boom in diep
+gepeins, met de armen over elkander geslagen, en Rowena hoopte, dat
+zij onopgemerkt hem zou kunnen voorbijrijden. Hij keek evenwel op, en
+toen hij haar blik ontmoette, verspreidde zich een blos van schaamte
+over zijn schoon gelaat. Hij stond een oogenblik besluiteloos; hierop,
+vooruit tredende, vatte hij haar paard bij den teugel, en boog de
+knie voor haar, zeggende: "Wil de Jonkvrouw Rowena zich verwaardigen
+een blik te slaan op een gevangen ridder,--op een onteerden krijgsman?"
+
+"Heer ridder," antwoordde Rowena, "in ondernemingen, als de uwe, ligt
+de ware schande, niet in overwonnen te zijn, maar in de overwinning."
+
+"De zegepraal, Jonkvrouw, moest het hart verzachten," hernam De Bracy;
+"laat mij slechts vernemen, dat Jonkvrouw Rowena het geweld vergeeft,
+door ongelukkigen hartstocht veroorzaakt, en zij zal weldra zien,
+dat De Bracy haar op een edeler wijze weet te dienen."
+
+"Ik schenk u, heer ridder, Christelijke vergiffenis!" zei Rowena.
+
+"Dat wil zeggen," zei Wamba, "dat ze hem in het geheel niet vergeeft."
+
+"Maar ik kan nooit de ellende en verwoesting vergeten, die uwe razernij
+heeft veroorzaakt!" vervolgde Rowena.
+
+"Laat den teugel los," riep Cedric, nader tredende. "Bij de heldere
+zon boven ons hoofd, indien ik mij niet schaamde, zou ik u met mijn
+werpspies aan den grond vastboren; maar wees verzekerd, Maurice De
+Bracy, dat uw deel in deze schanddaad u duur te staan zal komen!"
+
+"Wie een gevangene dreigt, die dreigt veilig," hervatte De Bracy;
+"maar wanneer had een Sakser ooit eenig besef van ridderlijkheid?" en
+hierop een paar schreden achteruit tredende, liet hij de Jonkvrouw
+voortrijden.
+
+Eer zij vertrokken, gaf Cedric zijne bijzondere dankbaarheid te kennen
+aan den Zwarten Ridder en verzocht hem dringend, hem naar Rotherwood
+te vergezellen.
+
+"Ik weet," zei hij, "dat gij, dolende ridders, uw fortuin het liefst
+zoekt met de punt uwer lansen, en u weinig om land of rijkdom stoort;
+maar de oorlogskans is wisselvallig, en zelfs de zwervende kampioen
+verlangt weleens naar eene rustige verblijfplaats. Gij hebt er een
+verdiend te Rotherwood, edele ridder; Cedric bezit genoeg om de
+onrechtvaardigheid van het geluk te herstellen, en alles, wat hij
+heeft, behoort aan zijn verlosser.--Kom derhalve naar Rotherwood,
+niet als gast, maar als zoon, of als broeder."
+
+"Cedric heeft mij reeds rijk gemaakt," hernam de ridder; "hij heeft
+mij de waarde der Saksische deugd geleerd. Naar Rotherwood zal ik
+komen, brave Sakser, en dat spoedig; maar voor het oogenblik beletten
+mij gewichtige en dringende bezigheden een bezoek in uw huis af te
+leggen. Zoo ik er kom, zal ik mogelijk eene gunst van u vorderen,
+welke zelfs uwe edelmoedigheid op de proef zal stellen."
+
+"Zij is reeds toegestaan, eer gij er om vraagt," zei Cedric, terwijl
+hij zijne hand in die des ridders legde, welke met den ijzeren
+handschoen bedekt was,--"zij is reeds toegestaan, al moest het mijn
+half vermogen kosten."
+
+"Beloof niet zoo schielijk," hervatte de ridder; "ik hoop echter de
+belooning, die ik vragen zal, te verkrijgen. Intusschen vaarwel!"
+
+"Ik heb nog maar te zeggen," voegde de Sakser er bij, "dat gedurende
+de begrafenisplechtigheden van den edelen Athelstane, ik zijn kasteel
+Coningsburgh zal betrekken.--Het zal openstaan voor allen, die aan de
+plechtigheden willen deelnemen; en ik spreek in den naam van de edele
+Edith, de moeder van den gesneuvelden vorst;--haar woning zal nooit
+gesloten zijn voor hem, die zoo dapper, schoon te vergeefs medegewerkt
+heeft, om Athelstane van Normandische ketenen en Normandisch staal
+te redden."
+
+"Ach ja," zei Wamba, die was begonnen zijne rol weder bij zijn heer
+te spelen, "goede sier zal er zijn:--het is jammer, dat de edele
+Athelstane bij zijn eigen lijkmaal niet smullen kan.--Maar hij,"
+vervolgde de nar, zijne oogen ernstig ten hemel slaande, "zit in het
+paradijs, en doet zonder twijfel den maaltijd eere aan!"
+
+"Zwijg,--en voorwaarts!" zei Cedric, wiens toorn over deze ontijdige
+scherts door de herinnering aan Wamba's onlangs bewezene diensten
+gematigd werd. Rowena maakte eene beleefde buiging voor den Zwarten
+Ridder; de Sakser beval hem in Gods hoede, en ze reden door eene
+breede laan van het bosch weg.
+
+Nauwelijks waren zij vertrokken, of er kwam plotseling een stoet van
+onder de groene takken te voorschijn, die langzaam over de vlakte trok
+en dezelfde richting nam, als Rowena en haar geleiders. De priesters
+van een naburig klooster vergezelden, in de verwachting van een rijke
+begiftiging, door Cedric beloofd, de baar waarop Athelstane's lijk
+lag, en hieven gezangen aan terwijl het droevig en langzaam, op de
+schouders zijner vazallen, naar het kasteel van Coningsburgh gedragen
+werd, om daar in het graf van Hengist nedergelegd te worden, van wien
+de overledene afstamde. Vele zijner vazallen waren op de tijding van
+zijn dood vergaderd, en volgden de baar, met ten minste uiterlijke
+teekens van neêrslachtigheid en rouw. De vrijbuiters stonden andermaal
+op, en bewezen aan den dood dezelfde ongemaakte en vrijwillige hulde,
+die ze zoo kort te voren aan de schoonheid bewezen hadden; de lijkzang
+en de langzame tred der priesters herinnerden hen aan diegenen hunner
+makkers, die den vorigen dag in den strijd gesneuveld waren. Maar zulke
+herinneringen duren niet lang bij menschen, die een leven vol gevaren
+en avonturen leiden, en nog eer de klank van het lijkgezang uit het
+gehoor was, waren de schutters reeds weder bezig met de verdeeling
+van hun buit.
+
+"Dappere ridder," zei Locksley tot den zwarten kampvechter, "zonder
+wiens moed en machtigen arm onze onderneming ten eenenmale had moeten
+mislukken, wilt gij van dien buit nemen wat u het meest behaagt,
+als een herinnering aan dezen mijn gerechts-eik?"
+
+"Ik neem het aanbod aan," antwoordde de ridder, "even gul als het
+gedaan wordt, en ik vraag verlof, om naar welgevallen over den ridder
+Maurice De Bracy te mogen beschikken."
+
+"Hij is reeds tot uw beschikking," hernam Locksley; "en het is een
+geluk voor hem, anders had die tiran den hoogsten tak van dezen eik
+versierd, met zoovelen van zijne vrijbende, als wij hadden kunnen
+bijeen brengen, om hem heen.--Maar hij is uw gevangene, en hij is
+veilig, al had hij mijn eigen vader vermoord."
+
+"De Bracy," zei de ridder, "ge zijt vrij:--vertrek van hier. Hij,
+wiens gevangene gij zijt, rekent het beneden zich eene lage wraak te
+nemen voor wat reeds voorgevallen is. Maar wacht u in de toekomst;
+anders zal het u kwalijk gaan. Maurice De Bracy, ik zeg u, wees in
+de toekomst op uw hoede!"
+
+De Bracy maakte eene diepe, sprakelooze buiging, en was op het punt van
+zich op weg te begeven, toen de schutters eensklaps een geschreeuw,
+dat hun afschuw en bespotting te kennen gaf, aanhieven. De trotsche
+ridder bleef oogenblikkelijk staan, keerde zich om, sloeg de armen over
+elkander, richtte zich op, en riep: "Zwijgt, gij blaffende honden! die
+een geschreeuw maakt, dat ge niet durfdet aanheffen, toen het wild zich
+verdedigde.--De Bracy veracht uw spot zoowel als uwe goedkeuring. Voort
+naar uwe bosschen en holen, gij vogelvrijverklaarde dieven! en
+zwijgt stil, wanneer er een mijl afstands van uwe vossenholen van
+iets ridderlijks en edels gesproken wordt!"
+
+Deze ontijdige terging zou De Bracy een hagelbui van pijlen bezorgd
+hebben, zoo de aanvoerder niet haastig tusschenbeide gekomen
+ware. Inmiddels greep de ridder een paard bij den teugel; want
+verscheidene, die uit Front-de-Boeuf's stallen genomen waren, stonden
+opgetoomd in de nabijheid, en maakten een aanzienlijk gedeelte van
+den buit uit. Hij wierp zich in den zadel, en reed door het bosch weg.
+
+Toen de verwarring door dit voorval veroorzaakt, eenigszins bedaard
+was, nam de rooverkapitein van zijn eigen hals den schoonen horen
+en draagband, welke hij kort te voren te Ashby bij het boogschieten
+gewonnen had.
+
+"Edele heer," zei hij tegen den Zwarten Ridder, "indien gij het niet
+beneden u acht een horen aan te nemen, dien ik eens gedragen heb,
+dan bid ik u, dezen te bewaren, ter gedachtenis aan uw dapperen
+bijstand,--en zoo ge iets te doen hebt, en (zooals het dikwijls een
+dapperen gaat), in het nauw gebracht wordt in een of ander bosch
+tusschen de Trent en de Tees, dan blaas deze drie _mots_ [30] op den
+horen aldus; _Wa-sa-hoa!_ en ge zult wellicht helpers en verlossers
+vinden."
+
+Hierop blies hij nog eens dezelfde noten op den horen tot de ridder
+ze gevat had.
+
+"Grooten dank voor uw gift, dappere schutter," zei de ridder;
+"betere hulp dan de uwe en die van uwe lieden zou ik nooit zoeken,
+al ware ik ook in den uitersten nood." En hierop blies hij, dat het
+geheele bosch er van weêrgalmde.
+
+"Goed en zuiver geblazen," zei de schutter; "bij mijn ziel, ge verstaat
+evenveel van de jacht als van den oorlog!--ge zult in uw tijd menig
+hert geveld hebben, daar sta ik voor in.--Kameraden, let op deze
+drie klanken;--het is het teeken van den Zwarten Ridder, en hij,
+die het hoort, en zich niet haast om hem in zijn nood bij te staan,
+dien laat ik met zijne eigene boogpees uit onze bende weggeeselen."
+
+"Leve onze aanvoerder!" schreeuwden de schutters, "en leve de Zwarte
+Ridder!--Moge hij weldra onze hulp noodig hebben, opdat wij hem
+bewijzen kunnen, hoe genegen wij hem zijn!"
+
+Locksley ging nu over tot het verdeelen van den buit, dat hij met de
+lofwaardigste onpartijdigheid deed. Een tiende gedeelte werd voor de
+Kerk en tot godsdienstige doeleinden ter zijde gelegd; vervolgens
+werd een gedeelte afgezonderd voor een soort van algemeenen schat;
+een gedeelte werd gegeven aan de weduwen en kinderen van hen die
+gevallen waren, of besteed aan missen voor de zielen van hen, die
+geen familie hadden nagelaten. Het overige werd verdeeld onder de
+vogelvrijverklaarden, volgens hun rang en hunne verdiensten; en het
+oordeel van den aanvoerder werd bij alle twijfelachtige gevallen
+met groote scherpzinnigheid gegeven en met volkomen onderwerping
+ontvangen. De Zwarte Ridder was niet weinig verbaasd te zien,
+dat menschen, die zoo in strijd met de wet leefden, onder elkander
+zoo geregeld en rechtvaardig bestierd werden, en alles wat hij zag
+verhoogde zijne gunstige meening omtrent de rechtvaardigheid en
+schranderheid van hun aanvoerder.
+
+Toen ieder zijn eigen aandeel van den buit weggenomen had, en terwijl
+de schatmeester, vergezeld door vier sterke schutters, het gedeelte
+aan het algemeen fonds toebehoorende naar een verborgene en veilige
+plaats bracht, lag het voor de Kerk bestemde gedeelte nog onaangeroerd.
+
+"Ik wenschte," zei de kapitein, "dat wij tijding konden krijgen van
+onzen vroolijken kapelaan;--hij placht nooit afwezig te zijn, als de
+spijzen gezegend, of de buit verdeeld moest worden, en het is zijn
+plicht om zorg te dragen voor deze tienden van onze welgeslaagde
+onderneming. Het is mogelijk, dat deze aan de Kerk bewezene dienst
+eenige zijner ongeregeldheden doet vergeven. Ik heb echter ook een
+anderen heiligen broeder in de nabijheid gevangen, en ik wilde gaarne,
+dat de monnik mij hielp naar behooren met hem te onderhandelen.--Ik
+twijfel echter zeer aan de veiligheid van den dapperen kluizenaar."
+
+"Dat zou mij zeer spijten," hernam de Zwarte Ridder, "want ik ben
+hem voor zijn gulle gastvrijheid en den vroolijken nacht in zijn cel,
+veel verschuldigd. Laat ons naar de puinhoopen van het kasteel gaan,
+mogelijk vernemen wij daar iets van hem."
+
+Terwijl ze dus spraken, kondigde een luid gejuich der schutters de
+aankomst van hem aan, voor wien ze bezorgd waren; en zij hoorden
+de harde stem van den monnik zelven, lang eer zij zijn gespierde
+gedaante zagen.
+
+"Plaats, vroolijke makkers!" riep hij; "plaats voor uw geestelijken
+vader en zijn gevangene.--Roept nog eens welkom!--Ik kom, edele
+kapitein, gelijk een arend, met mijn prooi in de klauwen."--En zich
+onder het gelach van alle omstanders een weg door den kring banende,
+verscheen hij zegepralende, met zijn zware strijdknots in de eene hand,
+en in de andere een touw, waarvan het eene einde om den hals van den
+ongelukkigen Izaäk van York geslagen was, die gebukt onder leed en
+schrik, door den overmoedigen priester werd voortgetrokken.--"Waar is
+Allen-a-Dale, om mij in eene ballade of een lied te vereeuwigen?--Bij
+de heilige Hermangilde! die gekke speelman is altijd afwezig, als er
+een geschikte gelegenheid is om de dapperheid te bezingen."
+
+"Vroolijke priester," zei de aanvoerder, "gij zijt heden morgen bij
+een natte mis geweest, hoe vroeg het ook nog is. In den naam van
+St. Nikolaas, wien hebt gij daar?"
+
+"Een gevangene van mijn zwaard, en mijne lans, edele kapitein," hernam
+de kluizenaar van Copmanshurst; "van mijn boog en mijne knots, moest
+ik liever zeggen; en echter heb ik hem door mijne heiligheid uit een
+nog ergere gevangenschap gered. Spreek, Jood, heb ik u niet uw geloof,
+uw _Pater_ en uw _Ave Maria_ geleerd?--Heb ik niet den geheelen nacht
+besteed, om u toe te drinken en u in de mysteriën in te wijden?"
+
+"Om Gods wil!" riep de arme Jood, "wil niemand mij verlossen uit de
+macht van dezen dollen,--ik wilde zeggen, van dezen heiligen man?"
+
+"Hoe is het, Jood!" zei de monnik op dreigenden toon; "herroept gij,
+Jood?--Bedenk u, zoo gij in uw ongeloof terugvalt, dan zijt gij,
+ofschoon niet zoo malsch als een speenvarken,--ik zou willen dat
+ik er een voor mijn ontbijt had,--toch niet te taai om gebraden te
+worden.--Wees verstandig, Jood, en zeg mijn woorden na: _Ave Maria_--"
+
+"Neen, wij willen geene heiligschennis, dolle priester," zei Locksley;
+"laat ons liever hooren, waar gij uw gevangene gevonden hebt."
+
+"Bij St. Dunstan," hervatte de monnik, "ik vond hem op eene plaats,
+waar ik naar betere waar zocht. Ik ging in den kelder, om te zien
+wat men dáár redden kon; want ofschoon een beker warmen wijn, met
+specerijen er in, een avonddrankje is voor een keizer, scheen het
+mij toch toe, dat het overdaad was zoo veel van dien goeden drank in
+eens te doen opkoken; ik had één vaatje wijn opgenomen en wilde om
+meer hulp roepen bij die luie kerels, welke altijd te zoek zijn als
+er eene goede daad te verrichten is, toen ik eene zware gesloten deur
+bespeurde.--Ha, ha! dacht ik, het uitgezochtste druivensap is in deze
+geheime bewaarplaats te vinden, en die schelm van een keldermeester,
+in zijn beroep gestoord, heeft den sleutel in de deur laten zitten.--Ik
+ging er dus in, maar vond juist niets dan een partij verroeste ketenen
+en dezen hond van een Jood, die zich terstond op genade en ongenade
+aan mij overgaf. Ik verkwikte mij slechts na de vermoeienis van
+den strijd tegen den ongeloovige met een schuimenden beker wijn, en
+wilde mijn gevangene voortleiden, toen de steenen van een buitentoren,
+met een vreeselijk gekraak, alsof het een donderslag was, instortten,
+(verwenscht zijn de handen, die hem gebouwd hebben!) en den uitgang
+belemmerden. Het geraas van den eenen vallenden toren volgde op dat
+van den ander;--ik gaf alle hoop op om mijn leven te redden; en daar
+ik het voor schade hield voor een man van mijn beroep, in gezelschap
+van een Jood uit deze wereld te gaan, nam ik mijne knots ter hand,
+om hem de hersens in te slaan, maar ik had medelijden met zijn grijze
+haren, en oordeelde het beter mijn wapen weder neer te leggen en mijne
+geestelijke kracht te zijner bekeering te gebruiken. En wezenlijk, met
+den zegen van den heiligen Dunstan, is het zaad in een goeden grond
+gevallen, ware het niet dat, door den geheelen nacht over de heilige
+mysteriën met hem te spreken bij eene leege maag, (want de weinige
+druppels wijn, die ik gebruikt heb om mijn verstand te scherpen, komen
+niet in aanmerking), mijn hoofd wat duizelig geworden was.--Maar ik
+was geheel uitgeput,--Gilbert en Willibald weten, in welken toestand
+ze mij gevonden hebben:--geheel en al uitgeput!"
+
+"Wij kunnen het getuigen," zei Gilbert, "want toen wij het puin hadden
+weggeruimd, en met de hulp van St. Dunstan, de trap der gevangenis
+ontdekt hadden, vonden wij het vaatje half ledig, den Jood half dood,
+en den monnik meer dan half uitgeput, zooals hij het noemt."
+
+"Gij liegt, schelm!" hervatte de vertoornde priester; "gij en
+uw gulzige makkers hebt den wijn uitgedronken, en noemdet het uw
+morgenslok.--Ik ben een Heiden, zoo ik den wijn niet voor onzen
+kapitein bewaard had. Maar wat kan het schelen? De Jood is bekeerd,
+en begrijpt alles wat ik hem gezegd heb, bijna even goed, zoo niet
+volkomen zoo goed, als ik zelf."
+
+"Jood," zei Locksley, "is dat waar? Hebt gij uw ongeloof afgezworen?"
+
+"Mocht ik zoo zeker zijn genade in uwe oogen te vinden," antwoordde
+de Jood, "als ik zeker niets weet van al wat de eerwaarde priester in
+dezen verschrikkelijken nacht tegen mij gesproken heeft. Helaas! ik
+was zoo verward door doodsangst, schrik en pijn, dat al ware onze
+heilige vader Abraham gekomen, om voor mij te preeken, hij maar een
+dooven toehoorder gevonden zou hebben."
+
+"Gij liegt, Jood, en dat weet gij ook," zei de monnik; "ik zal u
+slechts één woord van ons gesprek herinneren;--gij hebt beloofd om
+uw geheel vermogen aan onze heilige Orde af te staan!'
+
+"Zoo waar mij het Woord Gods helpe, mijne heeren," riep Izaäk, nog
+ongeruster dan te voren, "geen woord van dien aard is over mijne
+lippen gekomen! Helaas! ik ben een oud, doodarm man,--en daarenboven,
+vrees ik, ook kinderloos;--hebt medelijden met mij en laat mij gaan!"
+
+"Neen," zei de monnik, "als gij geloften intrekt, die gij ten voordeele
+der Heilige Kerk gedaan hebt, dan moet gij boete doen!"
+
+Hij hief zijne knots op, en zou krachtig op de schouders van den Jood
+toegeslagen hebben, zoo niet de Zwarte Ridder den slag tegengehouden en
+daardoor den toorn van den heiligen monnik tot zich zelven getrokken
+had.
+
+"Bij St. Thomas van Kent," riep hij, "wie houdt mij tegen? Ik zal
+u leeren om u met uwe eigene zaken te bemoeien, in weerwil van uw
+ijzeren pot!"
+
+"Och, wees niet boos op mij!" hernam de ridder; "gij weet, dat ik uw
+gezworen vriend en makker ben."
+
+"Daar weet ik niets van," antwoordde de monnik; "en ik verklaar u
+voor een neuswijzen kwast."
+
+"Ja, maar," hervatte de ridder, die er genoegen in scheen te scheppen,
+zijn voormaligen gastheer te plagen, "hebt gij vergeten hoe gij,
+om mijnentwille, uwe geloften van vasten en waken verbroken hebt,
+want ik zeg niets van de verleiding der flesch en der pastei?"
+
+"Waarachtig, vriend!" zei de monnik, hem met zijn groote gebalde
+vuist dreigende, "ik zal u een klap geven!"
+
+"Ik neem zulke geschenken niet aan," [31] hernam de ridder, "ik zal
+u met even grooten woeker terugbetalen, als ooit uw gevangene daar
+in zijn handel geëischt heeft."
+
+"Dat zal ik zien!" zei de monnik.
+
+"Hola!" riep de kapitein, "wat wilt gij, gekke priester? Wilt ge
+twist maken onder mijn gerechtsboom?"
+
+"Geen twist," zei de ridder, "het is slechts eene vriendelijke
+beleefdheidswisseling.--Monnik, sla toe, als gij durft.--Ik zal uw
+slag afwachten, zoo gij den mijne wilt ontvangen."
+
+"Gij hebt het voordeel van dien ijzeren pot op uw hoofd," zei de
+geestelijke; "maar op den grond moet gij; al waart gij Goliath van
+Gath, in zijn metalen helm."
+
+De monnik ontblootte zijn gespierden arm tot aan den elleboog, en
+gaf den ridder uit al zijn macht een slag, welke een os zou geveld
+hebben. Maar zijn tegenpartij stond zoo vast als een rots. De hem
+omringende schutters hieven een luid gejuich aan.
+
+"Nu, priester," zei de ridder, zijn ijzeren handschoen uittrekkende,
+"zoo ik voordeel had boven u in mijn hoofd, dan zal ik er geen hebben
+in mijne hand;--sta vast!"
+
+"_Genam meam dedi vapulatori._--Ik heb mijn wang aan mijn vijand
+blootgegeven," hernam de priester, "als gij mij van de plaats kunt
+brengen, dan schenk ik u het losgeld van den Jood."
+
+Zoo sprak de dappere priester, terwijl hij eene fiere houding
+aannam. Maar wie kan het noodlot weêrstaan? De slag van den ridder
+viel met zooveel kracht en juistheid, dat de monnik hals over kop
+over den grond rolde, tot groote verbazing van alle toeschouwers. Maar
+hij stond weder op, zonder vertoornd of ontmoedigd te zijn.
+
+"Broeder," zei hij tegen den ridder, "gij hadt uwe kracht met wat
+meer bescheidenheid moeten gebruiken. Ik zou een slechte mis-lezer
+geworden zijn, als gij mij de kinnebak stuk geslagen hadt, want de
+pijper blaast slecht, als hij geene tanden in den mond heeft. Evenwel,
+daar hebt ge mijne hand tot een vriendschapspand, dat ik geen klappen
+meer met u wisselen wil; daar ik bij den handel verloren heb. Maak
+nu een einde aan alle vijandschap. Laat ons het losgeld van den Jood
+bepalen, daar het luipaard zijn vlekken niet afleggen kan, en hij
+een Jood blijven wil."
+
+"De priester," zei Clement, "is niet half zoo zeker van de bekeering
+des Joods, sinds hij dien klap om de ooren gekregen heeft."
+
+"Loop, schelm, wat praat gij van bekeering?--Hoe! hebt gij geene
+achting voor mij?--Zijn allen heeren en geen knechts?--Ik zeg u, kerel,
+ik was een weinig duizelig, toen ik den slag van den braven ridder
+ontving, anders was ik blijven staan. Maar zoo gij er nog langer over
+babbelt, dan zult gij leeren, dat ik zoowel geven als ontvangen kan."
+
+"Stilte!" riep de kapitein.--"En gij, Jood, denk aan uw losgeld;
+ik behoef u niet te zeggen, dat uw stam bij alle Christelijke
+gemeenten voor vervloekt gehouden wordt; en wees verzekerd, dat wij
+uwe tegenwoordigheid onder ons niet dulden kunnen. Denk dus aan een
+bod, terwijl ik een gevangene van eene andere soort ondervraag."
+
+"Zijn er veel van Front-de-Boeuf's lieden gevangen?" vroeg de Zwarte
+Ridder.
+
+"Geen enkele, die gewichtig genoeg is, om losgeld te laten betalen,"
+antwoordde de kapitein. "Het waren eenige ellendelingen, die wij
+losgelaten hebben, om een nieuwen meester te zoeken;--er was genoeg
+gedaan tot wraak en voordeel; de overigen waren niets waard. De
+gevangene, van wien ik spreek, is een betere buit;--een vroolijke
+monnik, die naar zijn liefje reed, zooals ik uit zijn prachtig
+paardentuig en zijn kleeding opmaak. Daar komt de waardige prelaat aan,
+zoo trotsch als een pauw."
+
+En tusschen twee schutters in, werd onze oude kennis, de Prior van
+Jorvaulx, voor den troon van den aanvoerder der schutters gebracht.
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ ------Gij, dapperste der krijgers,
+ Hoe staat het thans met Titus Lartius?
+ Marcius. Hij is met veel besluiten bezig;
+ Deez' doemt hij tot den dood, dien tot verbanning,
+ Vergeeft den eenen, en bedreigt den and'ren.
+
+ Coriolanus.
+
+
+De gelaatstrekken en manieren van den gevangen Prior toonden een
+zonderling mengsel van beleedigden hoogmoed, verlegene gemaaktheid,
+en angst voor lichamelijke kwelling.
+
+"Hoe, mijne heeren!" zei hij met eene stem, welke deze drie
+aandoeningen verried, "wat beteekent dit alles? Zijt gij Turken
+of Christenen, daar gij de handen slaat aan een dienaar der
+Kerk?--Weet gij, wat het is _manus imponere in servos Domini_? Gij
+hebt mijne valiezen uitgeplunderd; mijn schoonen kanten mantel, die
+een kardinaal waardig was, verscheurd.--In mijn plaats zou een ander
+zijn _excommunicabo vos_ gebruiken; maar ik ben vreedzaam van aard, en
+als gij mijne paarden en valiezen teruggeeft, mijne broederen loslaat,
+hier op de plaats honderd kronen uitbetaalt, om missen te laten lezen
+voor het groote altaar der Abdij van Jorvaulx, en eene gelofte doet,
+vóór eerstkomende Pinksteren geen wild te eten, dan zou het kunnen
+gebeuren dat gij verder niets van dezen dollen streek hoort."
+
+"Eerwaarde vader," zei de aanvoerder, "het spijt mij te vernemen,
+dat gij door mijne lieden zoo behandeld zijt, dat zij uwe vaderlijke
+afkeuring verdienen."
+
+"Behandeld!" riep de priester, aangemoedigd door den zachten
+toon van den aanvoerder;--"men moest geen hond van goed ras
+zoo behandelen,--veel minder een Christen,--nog veel minder een
+priester,--en het allerminst den Prior van de heilige broederschap
+van Jorvaulx. Hier is een goddelooze en beschonken minnezanger
+Allen-a-Dale,--_nebule quidam_,--die mij met pijnlijke mishandeling
+bedreigd heeft,--ja, met den dood zelven, zoo ik niet vierhonderd
+kronen losgeld betaal, boven al de schatten, waarvan hij mij beroofd
+heeft;--gouden ketenen en juweelen ringen van onschatbare waarde,
+behalve wat er gebroken en bedorven is door ruwe handen, zooals mijn
+poederdoos en mijn zilveren krultang."
+
+"Het is onmogelijk, dat Allen-a-Dale een man van uw stand aldus kan
+mishandeld hebben!" hernam de aanvoerder.
+
+"Het is zoo waar, als het Evangelie van St. Nicodemus," antwoordde
+de Prior; "hij zwoer met menigen schrikkelijken Noordschen eed,
+dat hij mij aan den hoogsten boom in het bosch zou ophangen."
+
+"Heeft hij dat wezenlijk gedaan? Ja dan, eerwaarde vader, moest gij,
+naar mijn inzien, zijn eischen maar inwilligen;--want Allen-a-Dale
+is juist de man, om woord te houden, als hij het op eene plechtige
+wijze gegeven heeft."
+
+"Gij schertst," hervatte de verschrikte Prior, met een gedwongen
+lach; "en ik houd veel van scherts. Maar, ha! ha! ha! als de grap
+den geheelen nacht geduurd heeft, dan wordt het tijd, om des morgens
+ernstig te worden."
+
+"En ik ben ernstig als een biechtvader," hernam de aanvoerder;
+"gij moet een goed losgeld betalen, heer Prior, of uw klooster zal
+waarschijnlijk tot eene nieuwe verkiezing moeten overgaan, want men
+zal u er niet wederzien!"
+
+"Zijt gij Christenen!" riep de Prior, "en spreekt gij zulke taal
+tegen een geestelijke?"
+
+"Christenen! Ja, waarachtig dat zijn wij, en wij hebben ook op den
+koop toe godgeleerden onder ons," antwoordde de kapitein. "Laat onze
+vroolijke kapelaan vóórtreden, en dezen eerwaarden vader de op deze
+zaak toepasselijke teksten verklaren."
+
+De kluizenaar, half dronken en half nuchter, had schielijk een
+monniksgewaad over zijn groen buis aangetrokken, en nu alle geleerde
+brokken bij elkander halende, welke hij in vroegere tijden van
+buiten geleerd had, zei hij: "Eerwaarde vader, _Deus faciat salvam
+benignitaten vestram!_--Welkom in het groene woud!"
+
+"Welke schandelijke vermomming is dit?" vroeg de Prior. "Vriend,
+indien gij waarlijk tot de Kerk behoort, zoudt gij beter doen met
+mij te wijzen, hoe ik uit de handen van deze menschen ontsnappen kan,
+dan daar te staan buigen en grijnzen als een hansworst."
+
+"Waarlijk, eerwaarde vader," zei de monnik, "ik ken slechts één
+middel om te ontsnappen. Dit is voor ons een St. Andreas-dag, wij
+nemen onze tienden."
+
+"Maar toch niet van de Kerk, wil ik hopen, waarde broeder?" hernam
+de Prior.
+
+"Van geestelijken en leeken," hernam de monnik; "en derhalve, heer
+Prior, _facite vobis amicos de Mammone iniquitatis_,--maakt u vrienden
+uit den Mammon der ongerechtigheid, want geen andere vriendschap kan
+u hier baten."
+
+"Ik houd veel van een vroolijken jager," zei de Prior; "kom, gij
+moet mij niet te streng behandelen.--Ik versta het jagerswerk, en kan
+helder en lustig op den jachthoren blazen, zoodat alle eiken in het
+woud er van weêrgalmen;--kom, gij moet mij niet te streng behandelen."
+
+"Geeft hem een horen," zei de aanvoerder, "wij willen de kunst,
+waarop hij zich beroemt, op de proef stellen."
+
+De Prior Aymer blies op den horen, en de kapitein schudde het hoofd.
+
+"Heer Prior," zei hij, "dit kan u niet verlossen--wij kunnen u
+niet voor een klank vrij geven,--zooals het devies op het schild
+van zekeren goeden ridder zegt. Buitendien heb ik ontdekt, dat gij
+een van hen zijt, die door nieuwe Fransche kunsten en _Tra-li-ras_
+de oude Engelsche klanken doet vergeten.--Prior, dit geblaas heeft
+uw losgeld met vijftig kronen verhoogd, omdat gij het oude, echte,
+manhaftige jagerslied bedorven hebt."
+
+"Vriend," zei de Prior, benauwd, "uwe jachtkennis is zwaar te
+voldoen. Ik bid u wat toegevender te zijn ten opzichte van mijn
+losgeld. In één woord,--daar de nood mij dwingt voor ditmaal bij den
+duivel te biecht te gaan, welk losgeld moet ik betalen, omdat ik den
+weg naar Watling opging, zonder een bedekking van vijftig man bij
+mij te hebben?"
+
+"Zou het niet goed zijn," zei de luitenant der bende ter zijde tegen
+den kapitein, "dat de Prior het losgeld van den Jood bepaalde, en de
+Jood dat van den Prior?"
+
+"Gij zijt een dolle vent," antwoordde de kapitein; "maar uw plan
+is heerlijk!--Hier Jood!--kom hier.--Beschouw dien eerwaarden vader
+Aymer, Prior van de rijke Abdij van Jorvaulx, en zeg ons, hoe hoog
+wij zijn losgeld stellen kunnen?--Gij kent zeker de inkomsten van
+zijn klooster?"
+
+"O voorzeker," zei Izaäk, "ik heb handel gedreven met de goede vaders,
+en tarwe en gerst en vruchten en ook veel wol van hen gekocht. O,
+het is eene rijke Abdij, en zij leven van het vette der aarde en
+drinken de lekkerste wijnen, die goede vaders van Jorvaulx. Och,
+als een arm verstooten man, als ik, zulk een huis had, en zulk een
+inkomen in het jaar en in de maand, dan zou ik veel goud en zilver
+betalen, om mij uit de gevangenschap los te koopen."
+
+"Hond van een Jood!" riep de Prior; "geen mensch weet beter dan gij,
+dat ons heilig huis wegens het bouwen van een kansel schulden heeft."
+
+"En wegens het vullen van uw kelders verleden jaar met de behoorlijke
+hoeveelheid Gasconjer wijn," viel de Jood hem in de rede; "maar dat,
+dat is eene kleinigheid."
+
+"Hoort dien ongeloovigen hond!" riep de Prior; "hij praat, alsof
+onze heilige broederschap in schulden geraakt ware voor den wijn,
+welken wij verlof hebben te drinken, _propter necessitatem et ad
+frigus depellendum_. De besneden hond lastert de heilige Kerk, en
+Christenen luisteren naar hem en tuchtigen hem niet!"
+
+"Dat baat alles niet;" zei de aanvoerder.--"Izaäk, zeg, wat kan hij
+betalen, zonder hem het vel over de ooren te halen?"
+
+"Zeshonderd kronen," antwoordde Izaäk, "kan de goede Prior wel betalen,
+en hij zal er geene koude om lijden."
+
+"Zeshonderd kronen," herhaalde de kapitein ernstig: "ik ben
+tevreden;--gij hebt goed gesproken, Izaäk;--zeshonderd kronen,--het
+vonnis is geveld, heer Prior."
+
+"Een vonnis!--een vonnis!" riep de bende; "Salomo kon het niet beter
+overlegd hebben."
+
+"Gij hoort uw vonnis, Prior," zei de kapitein.
+
+"Gij raast, vrienden," hernam de Prior; "waar zal ik zulk een som
+vinden? Al verkocht ik de hostiekast en kandelaars van het altaar van
+Jorvaulx, dan zou ik nauwelijks de helft bij elkander kunnen brengen,
+en daarom zal ik zelf naar Jorvaulx moeten gaan; gij kunt mijne beide
+priesters als borgen houden."
+
+"Dat zou een slecht onderpand zijn," hervatte de kapitein, "wij zullen
+u houden, Prior, en hen er heenzenden, om uw losgeld te halen. Het
+zal u intusschen niet aan een beker wijn en een stuk wild ontbreken;
+en als gij een vriend van de jacht zijt, dan zult gij hier iets zien,
+dat gij in uwe noordsche streken nooit gezien hebt."
+
+"Als het u behaagt," zei Izaäk, die zich gaarne de gunst der roovers
+wilde verwerven, "kan ik naar York zenden, om de zeshonderd kronen te
+laten halen, uit zekere gelden, die ik in handen heb, als de eerwaarde
+Prior mij een schuldbekentenis daarvoor geven wil."
+
+"Hij zal u alles geven wat gij verkiest, Izaäk," zei de kapitein;
+"en gij zult het losgeld betalen voor den Prior Aymer zoowel als voor
+u zelven."
+
+"Voor mij zelven! Ach, dappere heeren!" smeekte de Jood, "ik ben een
+arm, te gronde gericht man; en ik zou den bedelstaf moeten opvatten,
+al moest ik maar vijftig kronen betalen."
+
+"Hierover zal de Prior oordeelen," hernam de kapitein; "wat zegt gij
+er van, vader Aymer?--Kan de Jood een goed losgeld betalen?"
+
+"Of hij een losgeld kan betalen?" antwoordde de Prior.--"Is hij niet
+Izaäk van York, rijk genoeg om de tien stammen Israëls, die naar
+Assyrië gevoerd werden, uit de gevangenschap vrij te koopen?--Ik voor
+mij, heb maar weinig van hem gezien, maar onze keldermeester en onze
+schatmeester hebben veel met hem te doen gehad, en het gerucht zegt,
+dat zijn huis te York zoo vol goud en zilver is, dat het schande is
+in een Christenland. Iedere Christenziel moet verbaasd staan, dat
+zulke vergiftigde adders geduld worden, die aan de ingewanden van den
+staat, en zelfs van de heilige Kerk knagen door schandelijken woeker
+en afpersingen."
+
+"Ik bid u, eerwaarde vader," zei de Jood, "matig en bedaar uw toorn. Ik
+bid u, bedenk dat ik mijn geld aan niemand opdring. Maar wanneer
+geestelijken en leeken, vorsten en abten, ridders en priesters aan
+Izaäks deur kloppen, dan leenen zij zijn _sjekels_ niet met onbeleefde
+woorden. Dan luidt het: "Vriend Izaäk, wilt gij ons in deze zaak
+een dienst doen, en wij zullen stiptelijk op den dag af betalen, zoo
+waar God ons helpe!--Goede Izaäk, zoo gij ooit iemand dienst gedaan
+hebt, zoo betoon u mijn vriend in dezen nood!" Maar als de dag komt,
+en ik mijn geld vraag, wat hoor ik anders dan: "Vervloekte Jood,
+de vloek van Egypte treffe uw stam!" en dergelijk meer, om het ruwe,
+onbeschaafde gemeen tegen den armen vreemdeling op te hitsen."
+
+"Prior," zei de kapitein, "ofschoon hij een Jood is, heeft hij nu
+toch waarheid gesproken. Noem dus zijn losgeld, zooals hij het uwe
+genoemd heeft, zonder verdere scheldwoorden."
+
+"Niemand dan een _latro famosus_," hernam de Prior, "waarvan
+ik u de beteekenis op een anderen tijd, en een andere plaats zal
+zeggen,--zou een Christen-prelaat en een ongedoopten Jood op dezelfde
+bank zetten.--Maar daar gij nu eenmaal wilt, dat ik het losgeld van
+dezen ellendeling bepalen zal, zeg ik u ronduit, dat gij u zelven
+benadeelen zoudt indien gij één penning beneden de duizend kronen
+aannemen wildet."
+
+"Een vonnis!--een vonnis!" zei de kapitein.
+
+"Een vonnis!--een goed vonnis!" schreeuwden zijn makkers; "de Christen
+heeft zijne goede opvoeding getoond, en is ons gunstiger geweest dan
+de Jood."
+
+"De God mijner vaderen sta mij bij!" zei de Jood; "wilt gij een armen
+man geheel te gronde richten?--Ik ben reeds kinderloos, en wilt gij
+mij nu nog van alle middelen van bestaan berooven?"
+
+"Als gij kinderloos zijt, Jood, zult gij des te minder te zorgen
+hebben," zei Aymer.
+
+"Helaas, heer!" hernam Izaäk; "uwe wet laat niet toe, dat gij
+ondervinden zoudt, hoe zeer het kind onzer liefde ons ter harte
+gaat.--O Rebekka, dochter mijner beminde Rachel! Al ware ieder blad
+van dien boom een _zechin_, en iedere _zechin_ behoorde mij toe, dien
+geheelen schat zou ik er voor geven, om te weten of gij nog leeft,
+en aan de handen van den Nazareër ontsnapt zijt!"
+
+"Had uwe dochter geen zwart haar?" vroeg een der roovers; "en droeg
+zij niet een sluier van zijden gaas met zilver geborduurd?"
+
+"Ja!--ja!" riep de oude man, sidderende van hoop en angst. "Jacobs
+zegen ruste op u! Kunt gij mij zeggen, of zij in veiligheid is?"
+
+"Zij was het dus," antwoordde de schutter, "die de trotsche Tempelier
+heeft medegevoerd, toen hij gisteren avond door onze rijen heen
+brak. Ik had mijn boog reeds gespannen, om hem een pijl achterna
+te zenden, maar ik spaarde hem om den wille van het meisje, daar ik
+vreesde haar te kwetsen."
+
+"Och!" hernam de Jood, "gave God, dat gij geschoten hadt, al
+moest de pijl ook haar boezem doorboord hebben;--beter het graf
+harer vaderen, dan het onteerende bed van den losbandigen, woesten
+Tempelier. Ichabod! Ichabod! de eer van mijn huis is geschandvlekt."
+
+"Vrienden," zei de aanvoerder, rondziende, "de grijsaard is maar een
+Jood; toch treft mij zijn leed.--Wees eerlijk, Izaäk;--zult gij na dit
+losgeld van duizend kronen betaald te hebben niets meer overhouden?"
+
+Izaäk, dus aan zijne wereldsche goederen herinnerd, voor welke zijne
+diep gewortelde liefde, zelfs met zijne vaderliefde in strijd was,
+verbleekte, stamelde, en kon niet ontkennen, dat er nog wel een klein
+overschot zou zijn.
+
+"Goed," zei de kapitein, "laat dat zoo zijn; wij willen niet te nauw
+met u rekenen. Zonder geld kunt gij even weinig hopen uw kind uit
+de klauwen van den ridder Brian De Bois-Guilbert te verlossen, als
+men hopen kan om een hert met een pijl zonder kop te dooden.--Wij
+zullen u voor hetzelfde losgeld als de Prior Aymer, of liever voor
+honderd kronen minder vrijlaten, en deze honderd kronen zal ik zelf
+betalen; en zoo zullen wij den schimp vermijden van een Joodschen
+koopman even hoog te schatten als een Christenprelaat; en gij zult
+nog vierhonderd kronen overhouden, om over de vrijheid uwer dochter te
+onderhandelen. De Tempelieren houden evenveel van het glinsteren van
+zilveren _sjekels_ als van het schitteren van zwarte oogen.--Haast u,
+om uw kronen in het oor van Bois-Guilbert te doen klinken eer het te
+laat is. Gij zult hem, zooals onze verspieders bericht hebben, in de
+naaste _Preceptory_ zijner orde vinden.--Is het zoo goed, makkers?"
+
+De schutters gaven als gewoonlijk hun bijval over de uitspraak van hun
+aanvoerder te kennen; en Izaäk, van de helft van zijn angst ontheven,
+door de zekerheid, dat zijne dochter leefde, en misschien vrijgekocht
+kon worden, wierp zich voor de voeten van den grootmoedigen roover,
+en met zijn baard diens voeten rakende, beproefde hij om de slip
+van zijn groen gewaad te kussen. De kapitein trad echter achteruit,
+en maakte zich uit de handen van den Jood los, niet zonder eenige
+teekens van verachting.
+
+"Foei, man, schaam u, sta op! ik ben een geboren Engelschman, en
+houd niet van zulke Oostersche kniebuigingen; kniel neder voor God,
+en niet voor een armen zondaar, als ik ben."
+
+"Ja, Jood," zei de Prior Aymer; "kniel neder voor God, die door den
+dienaar van Zijn altaar hier wordt vertegenwoordigd; en wie weet, welke
+genade gij door oprecht berouw en behoorlijke giften op het altaar van
+St. Robert voor u zelven en uwe dochter Rebekka kunt verkrijgen? Het
+spijt mij om het meisje, want zij is schoon en liefelijk; ik heb haar
+in het strijdperk te Ashby gezien. Brian De Bois-Guilbert is een man,
+bij wien ik veel vermag;--bedenk, hoe gij het verdienen kunt, dat ik
+bij hem een goed woord voor u doe!"
+
+"Helaas, helaas!" schreeuwde de Jood, "van alle kanten komen er
+roovers tegen mij op; ik ben ten prooi gegeven aan den Assyriër en
+den Egyptenaar!"
+
+"En wat moest ook het lot van uw vervloekten stam zijn?" antwoordde de
+Prior, "want wat zegt de Heilige Schrift, _verbum Domini projecerunt,
+et sapientia est nulla in eis_:--zij hebben het Woord Gods verworpen,
+en er is geen wijsheid in hen; _propterea dabo mulieres eorum
+exteris_:--ik zal hun vrouwen aan vreemdelingen geven;--dat is, aan
+den Tempelier, gelijk in het tegenwoordige geval; _et thesauros eorum
+heredibus alienis_,--en hun schatten aan vreemde erven."
+
+Izaäk slaakte een diepen zucht, en begon de handen te wringen en
+zich weder aan neerslachtigheid en wanhoop over te geven. Maar de
+aanvoerder der schutters nam hem ter zijde. "Bedenk wel, Izaäk, wat
+gij in deze zaak doen wilt: mijn raad is, dat gij u dezen geestelijke
+tot vriend maakt. Hij is ijdel, Izaäk, en gierig; ten minste hij
+heeft geld noodig, om in zijne verspillingen te voorzien. Gij kunt
+zijne hebzucht licht bevredigen; want denk niet, dat ik verblind
+ben door uwe voorgewende armoede. Ik ken zelfs de ijzeren kist,
+Izaäk, waarin gij uwe geldzakken bewaart. Hoe? zou ik den grooten
+steen niet kennen onder den appelboom, welke toegang verschaft
+tot de gewelfde kamer onder uw tuin, te York?" De Jood werd bleek
+als de dood.--"Maar vrees niets van mij," ging de schutter voort:
+"want wij zijn oude kennissen. Herinnert gij u den zieken jager niet,
+dien uw schoone dochter Rebekka te York uit de gevangenis vrijkocht,
+en in huis hield, totdat hij hersteld was, en dien gij toen heenzondt,
+met een stuk geld; hoe groot een woekeraar gij ook zijt, gij hebt
+nooit geld op betere renten uitgezet dan dat kleine zilverstuk;
+want het heeft u heden vijfhonderd kronen bespaard."
+
+"Zijt gij de man, dien wij Diccon de schutter noemden?" zei Izaäk;
+"uw stem kwam mij terstond bekend voor."
+
+"Ik ben die Diccon," zei de kapitein, "en Locksley, en heb nog één
+naam bovendien."
+
+"Maar gij vergist u, goede schutter, ten opzichte van de gewelfde
+kamer. Zoo waar mij de hemel helpe, er is daar niets in dan
+eenige goederen, die ik gaarne met u deelen wil:--honderd ellen
+groen Lincolnsch om wambuizen voor uw manschappen te maken, en
+honderd stuks Spaansche ijpentakken voor bogen, en honderd sterke,
+ronde en schoone zijden boogstrengen;--dit alles zal ik u voor uwe
+welwillendheid zenden, eerlijke Diccon, als gij van het gewelf zwijgen
+wilt, goede Diccon!"
+
+"Stil als het graf!" zei de roover; "maar geloof mij, het spijt mij
+om uwe dochter. Ik kan er echter niets aan doen:--de lansen van den
+Tempelier zijn te sterk voor mijne schutters.--Zij zouden ons als
+stof doen uiteenvliegen. Had ik maar geweten, dat het Rebekka was,
+die hij schaakte, dan had ik nog iets kunnen doen; maar nu moet gij
+met list te werk gaan. Kom, zal ik voor u met den Prior onderhandelen?"
+
+"In Gods naam, Diccon, als gij mij niet kunt helpen om het kind mijner
+liefde terug te bekomen."
+
+"Hinder mij niet door uwe ontijdige gierigheid," zei de kapitein,
+"en ik zal met hem spreken."
+
+Hierop verliet hij den Jood, die hem evenwel als zijne schim volgde.
+
+"Prior Aymer," zei de kapitein, "kom met mij ter zijde, onder dezen
+boom. Men zegt, dat gij van den wijn en den glimlach eener vrouw
+meer houdt, dan uwe orde betaamt, heer priester; maar dat raakt
+mij niet. Ik heb ook gehoord, dat gij een liefhebber zijt van een
+koppel goede honden en van een vlug paard, en mogelijk, daar gij
+een vriend zijt van kostbare dingen, zijt gij ook geen vijand van
+een beurs vol goud. Maar nimmer hoorde ik, dat gij een vriend waart
+van onderdrukking of wreedheid.--Welnu, hier staat Izaäk, die u de
+middelen van vermaak en tijdverdrijf wil verschaffen door een beurs
+met honderd mark zilver, indien uwe voorspraak bij uw bondgenoot,
+den Tempelier, de vrijheid zijner dochter bewerkt."
+
+"In tucht en eerbaarheid, zooals ze mij ontroofd is," zei de Jood,
+"anders geldt de koop niet!"
+
+"Stil, Izaäk," zei de roover, "of ik bemoei mij niet meer met uw
+zaken. Wat zegt gij van dezen voorslag, Prior Aymer?"
+
+"De zaak," antwoordde de Prior, "kan van twee kanten beschouwd worden;
+want zoo ik van den éénen kant eene goede daad verricht, zoo is die van
+den anderen kant ten voordeele van een Jood, en in zoover in strijd
+met mijn geweten. Maar als de Israëliet der Kerk voordeel aanbrengen
+wil, door mij iets te geven tot het opbouwen onzer slaapzalen, dan
+wil ik het op mijn geweten nemen om hem in de zaak met zijne dochter
+te helpen."
+
+"Om een twintig mark voor de slaapzalen," zei de kapitein;--"zwijg,
+Izaäk, zeg ik u!--of om een paar zilveren kandelaars op het altaar,
+zullen wij niet met u twisten."
+
+"Ja, maar, goede Diccon," zei Izaäk, trachtende hem in de rede
+te vallen.
+
+"Goede Jood,--goed dier,--goede worm!" hernam de schutter, alle geduld
+verliezende; "zoo gij voortgaat met uw verachtelijke gierigheid
+tegen het leven en de eer uwer dochter in de weegschaal te leggen,
+bij den hemel, dan zal ik u, eer drie dagen verloopen zijn, van
+iederen penning berooven, dien gij in de wereld bezit!"
+
+Izaäk kromp van schrik ineen, en zweeg.
+
+"En welk onderpand krijg ik?" vroeg de Prior.
+
+"Als Izaäk door uwe bemiddeling slaagt," hervatte de kapitein,
+"dan zweer ik bij St. Hubertus, dat ik er voor zorgen zal, dat hij
+u het geld baar uitbetaalt; of ik zal zoodanig met hem afrekenen,
+dat hij beter gedaan had twintig zulke sommen uit te betalen."
+
+"Welaan dan, Jood," zei Aymer; "daar ik mij volstrekt met die zaak
+moet bemoeien, leen mij uwe schrijftafels;--maar wacht,--neen, ik zou
+liever vierentwintig uren vasten, dan uwe pen gebruiken, en waar zal
+ik er eene andere vinden?"
+
+"Indien uwe heilige nauwgezetheid u niet veroorlooft de schrijftafels
+van den Jood te gebruiken, dan kan ik wel eene pen vinden," zei
+de schutter, en, zijn boog spannende, mikte hij op een wilde gans,
+welke boven hem zweefde, in de voorhoede van eene vlucht vogels, op
+weg naar de afgelegen en eenzame moerassen van Holderness. De vogel
+fladderde, door den pijl getroffen, naar beneden.
+
+"Daar, Prior," zei de kapitein, "zijn pennen genoeg voor alle monniken
+van Jorvaulx gedurende de eerste honderd jaren, als ze niet beginnen
+kronieken te schrijven."
+
+De Prior zette zich neder, en schreef zeer langzaam een brief aan
+Brian De Bois-Guilbert, en dien zorgvuldig verzegeld hebbende,
+gaf hij hem aan den Jood, zeggende: "Dit zal uw vrijgeleide naar
+de _Preceptory_ van Templestowe zijn, en zal waarschijnlijk de
+vrijstelling uwer dochter bewerken, zoo ge er kracht bijzet door
+aanbiedingen van voordeel van uw kant; want, geloof mij, de goede
+ridder De Bois-Guilbert is van de broederschap van hen, die niets om
+niet doen."
+
+"Wel, Prior," zei de roover, "ik wil u niet langer ophouden, dan om
+den Jood eene schuldbekentenis voor de vijfhonderd kronen, waarop
+uw losgeld bepaald is, te geven.--Ik neem hem tot betaalmeester aan;
+en zoo ik hoor, dat ge zwarigheid maakt om hem de som, die hij voor
+u uitbetaalde, terug te geven, dan zweer ik bij de Heilige Maria,
+dat ik de Abdij boven uw hoofd in brand zal steken, al moet ik daarom
+ook tien jaren vroeger hangen!"
+
+Met veel minder bereidwilligheid, dan aan den Tempelier, schreef de
+Prior eene schuldbekentenis van vijfhonderd kronen, hem in zijn nood
+voorgeschoten door Izaäk van York, ter afdoening van zijn losgeld,
+en beloofde getrouw en eerlijk deze som terug te betalen.
+
+"En nu," zei Aymer, "verzoek ik u om teruggave van mijne muilezels en
+paarden, en om de vrijheid der eerwaarde broeders, die mij vergezellen;
+en ook om de teruggave der juweelen, ringen, kleinoodiën, en prachtige
+kleedingstukken, welke men mij ontroofd heeft, daar ik u mijn losgeld
+als gevangene voldaan heb."
+
+"Wat uwe geestelijke broeders betreft, heer Prior," antwoordde
+Locksley, "ze zullen dadelijk in vrijheid worden gesteld, daar het
+onrechtvaardig zou zijn hen nog gevangen te houden; wat uwe paarden en
+muilezels betreft, die zullen ook teruggegeven worden, met reisgeld
+genoeg om uwe vertering tot York te betalen; want het zou wreed zijn
+u de middelen om te reizen te benemen. Maar wat de ringen, juweelen,
+ketenen en dergelijke dingen aangaat, moet ge weten, dat wij een fijn
+geweten hebben, en dat wij een eerwaarden heer, zooals gij zijt, die
+voor de ijdelheden der wereld afgestorven moest zijn, niet in de zware
+verzoeking willen brengen, om den regel zijner instellingen door het
+dragen van ringen, ketenen of dergelijke ijdele pracht te schenden."
+
+"Bedenkt wat ge doet, mijn heeren," riep de Prior, "eer ge de handen
+aan kerkelijk goed slaat.--Deze dingen behooren _inter res sacras_,
+en wie weet, welk oordeel u treft, als ze in ongewijde handen blijven."
+
+"Daarvoor zal ik zorgen, eerwaarde Prior," zei de kluizenaar van
+Copmanshurst, "want ik zal ze zelf dragen."
+
+"Vriend, of broeder," antwoordde de Prior op deze oplossing van zijne
+zwarigheden, "als gij waarlijk tot een heilige orde behoort, zoo bid
+ik u toe te zien, hoe ge aan uw bisschop wegens uwe deelneming aan
+hetgeen heden gebeurd is, rekenschap zult geven!"
+
+"Vriend Prior," hernam de heremiet, "ge moet weten, dat ik tot een
+klein bisdom behoor, waar ik mijn eigen bisschop ben, en dat ik mij
+even weinig om den bisschop van York als om den Abt van Jorvaulx,
+den Prior en het geheele klooster bekommer."
+
+"Gij zijt geheel en al buiten den regel," zei de Prior; "een dier
+losbandige menschen, die zich den heiligen stand, zonder er eenig
+recht op te hebben, aanmatigen; de heilige plechtigheid ontwijden,
+en de zielen van diegenen in gevaar brengen, welke hun raad vragen:
+_lapides, pro pane condonantes iis_,--hun steenen in plaats van brood
+gevende, zooals de _Vulgata_ zegt."
+
+"Wel!" hervatte de monnik; "zoo mijn hersenpan door Latijn had kunnen
+gebroken worden, had ze het zoo lang niet uitgehouden. Ik zeg, dat
+zulke ijdele priesters, als gij zijt, van hunne juweelen en hun goud
+te berooven, eene wettige plundering der Egyptenaren is."
+
+"Gij zijt een verloopen priester," [32] zei de Prior, in grooten toorn,
+"_excommunicabo vos_!"
+
+"Gij zijt zelf een ketter en dief!" hernam de monnik, even verbitterd;
+"ik zal in tegenwoordigheid van mijne kudde zulk een schimp niet
+verdragen, als gij het waagt mij aan te doen: ofschoon ik uwe eerwaarde
+broeder ben; _ossa eius perfringam_, ik zal u de beenderen stuk slaan,
+zooals de _Vulgata_ zegt!"
+
+"Hola!" riep de kapitein, "gebruiken de eerwaarde broeders zulke
+uitdrukkingen?--Vrede, monnik!--Prior: als gij uwe rekening met den
+hemel niet gesloten hebt, terg dan den monnik niet verder! Heremiet,
+laat den eerwaarden vader in vrede vertrekken, als een man, die zijn
+losgeld betaald heeft!"
+
+De schutters scheidden de verbitterde priesters, die voortgingen
+hun stemmen te verheffen, terwijl zij elkander uitscholden in
+slecht Latijn, dat de Prior zeer vlug, en de kluizenaar met des te
+grooter hevigheid sprak. De Prior bedacht eindelijk, dat hij zijne
+waardigheid vergat door te twisten met zulk een geestelijke, als
+den rooverkapelaan, en zijne dienaren verzameld hebbende, reed hij
+weg met veel minder deftigheid, en wat den uiterlijken vorm betrof,
+op eene veel meer apostolische wijze, dan die waarop hij gekomen was.
+
+Nu moest de Jood nog eenig onderpand geven voor het losgeld, dat hij
+voor den Prior en zichzelven zou betalen. Hij gaf dus een met zijn
+zegel voorzien briefje voor een geloofsgenoot te York, hem gelastende
+aan toonder de som van duizend kronen te betalen, en hem zeker genoemde
+waren over te geven.
+
+"Mijn broeder Sheva," zei hij met een diepen zucht, "heeft den sleutel
+van mijne magazijnen."
+
+"En van de gewelfde kamer?" fluisterde Locksley hem toe.
+
+"Neen, neen, de Hemel beware mij!" riep Izaäk. "Vervloekt zij het uur,
+waarop iemand dit geheim vernam!"
+
+"Het is bij mij wel bewaard," zei de kapitein, "als mij dit briefje
+de daarin genoemde som verschaft.--Maar hoe is het, Izaäk? Zijt gij
+dood? Zijt gij verstomd? Heeft de betaling van duizend kronen u het
+gevaar uwer dochter uit den zin gebracht?"
+
+De Jood sprong op.--"Neen, Diccon, neen!--ik zal dadelijk
+vertrekken.--Vaarwel, gij, dien ik niet voor goed kan, en niet voor
+kwaad zou durven, of willen houden!"
+
+Eer Izaäk vertrok, gaf de roover-kapitein hem nog den volgenden
+raad tot afscheid:--"Wees mild met uw aanbiedingen, Izaäk, en spaar
+uwe beurs niet, om uwe dochter te bevrijden. Geloof mij, het goud,
+dat gij in deze zaak spaart, zal u in het vervolg evenveel kwelling
+veroorzaken, alsof het gesmolten in uw keel gegoten ware."
+
+Izaäk stemde er met een diepen zucht in toe, en begaf zich op reis,
+vergezeld van twee forsche jagers, om hem tot gidsen en tegelijk tot
+beschermers in het bosch te dienen.
+
+De Zwarte Ridder, die met niet weinig belangstelling deze verschillende
+tooneelen bijgewoond had, nam nu op zijne beurt afscheid van den
+vogelvrijverklaarde, en kon niet nalaten zijne verbazing te kennen
+te geven, dat hij zooveel orde vond onder menschen, die van alle
+geregelde bescherming en alle hulp der wet verstoken waren.
+
+"Er groeien soms goede vruchten aan een slechten boom," zei de
+schutter, "en slechte tijden brengen niet altijd alleen en onvermengd
+kwaad voort. Onder hen, die tot dezen wetteloozen staat vervallen
+zijn, vindt men zonder twijfel velen, die hunne vrijheid met eenige
+gematigdheid gebruiken, en eenigen, die zich wellicht beklagen,
+dat zij verplicht zijn zulk een leven te leiden."
+
+"En tot een der laatsten spreek ik nu, gelijk ik vermoed?" vroeg
+de ridder.
+
+"Heer ridder," antwoordde de roover; "wij hebben ieder ons geheim. Gij
+hebt vrijheid om over mij te denken zooals gij verkiest; en ik mag
+mijn gissingen omtrent u maken, ofschoon wij het misschien beiden
+mis hebben. Maar daar ik niet begeer in uw geheim te dringen, neem
+mij niet kwalijk, dat ik het mijne bewaar."
+
+"Ik verzoek verschooning," hernam de ridder, "uw verwijt is
+billijk. Maar mogelijk ontmoeten wij elkander in het vervolg met
+minder geheimzinnigheid van weerskanten.--Intusschen scheiden wij
+als goede vrienden, niet waar?"
+
+"Daar hebt gij er mijn hand op," hervatte Locksley, "en ze is die van
+een oprechten Engelschman, ofschoon ik thans een vogelvrijverklaarde
+ben."
+
+"En daar hebt gij de mijne," zei de ridder, "en ik beschouw het als
+eene eer, dat ze door de uwe gedrukt wordt; want hij, die goed doet,
+terwijl hij de onbepaalde macht heeft om kwaad te doen, verdient niet
+alleen lof voor het goede, dat hij verricht, maar ook voor het kwaad,
+dat hij voorkomt.--Vaarwel, dappere vriend!"
+
+Zoo scheidden de beiden; en, na zijn moedig strijdros bestegen te
+hebben, reed de ridder door het woud weg.
+
+
+
+
+
+VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Koning Jan.--'k Wil u iets zeggen, vriend:
+ Het is een echte slang op mijn weg;
+ Want waar ik ooit mijn voeten zetten mag,
+ Dáár ligt hij voor mijn schreên.--Verstaat ge mij?
+
+ Koning Jan.
+
+
+Er was een groot feest in het kasteel van York, waarop Prins
+Jan die edelen, prelaten en aanvoerders genoodigd had, met wier
+behulp hij zijn eerzuchtige plannen op den troon van zijn broeder
+hoopte door te zetten. Waldemar Fitzurse, zijn bekwame en listige
+raadgever, werkte in het geheim om den moed bij hen aan te wakkeren,
+om openlijk voor hun voornemen uit te komen. Maar hunne onderneming
+werd vertraagd door de afwezigheid van meer dan één voornaam lid van
+het eedgenootschap. De hardnekkige en stoute, ofschoon ruwe moed van
+Front-de-Boeuf, de opgeruimde en ondernemende geest van De Bracy,
+de schranderheid, de krijgskundige ervaring en de beroemde dapperheid
+van Brian De Bois-Guilbert waren onmisbaar voor den goeden uitslag der
+samenzwering; en terwijl Prins Jan en zijn raadsman heimelijk hunne
+onnoodige en ontijdige afwezigheid verwenschten, durfden zij evenwel
+niets zonder hen beginnen. De Jood Izaäk scheen ook verdwenen te zijn,
+en met hem de hoop op zekere sommen eener leening, voor welke Prins Jan
+met dezen Israëliet en zijne broederen een contract had aangegaan. Dit
+gemis kon gevaarlijk worden bij eene zoo gewichtige onderneming.
+
+Het was op den morgen na den val van Torquilstone, dat een verward
+gerucht zich in de stad York begon te verspreiden, dat De Bracy en
+De Bois-Guilbert, met hun bondgenoot Front-de-Boeuf, gevangen of
+gedood waren. Waldemar verhaalde dit aan Prins Jan, en voegde er
+bij, dat hij te meer vreesde, dat het waar moest zijn, daar zij met
+een klein gevolg op weg gegaan waren, om een aanval te doen op den
+Sakser Cedric en zijne reisgenooten. Op een anderen tijd zou Prins
+Jan deze daad van geweld als een aardige grap beschouwd hebben, maar
+nu, daar ze tegen zijne eigene plannen inliep, en deze belemmerde,
+voer hij uit tegen de ondernemers, en sprak van geschonden wetten
+en het aanranden der openlijke orde en van het bijzonder eigendom op
+een toon, die Koning Alfred gepast zou hebben.
+
+"Die wet-schendende roovers!" zei hij; "zoo ik ooit Koning van Engeland
+word, zal ik zulke overtreders aan de ophaalbruggen van hun eigene
+kasteelen laten ophangen!"
+
+"Maar om Koning van Engeland te worden," antwoordde zijn Achitophel
+koeltjes, "is het niet alleen noodig, dat Uw Hoogheid de overtredingen
+van deze wet-schendende roovers verdraagt, maar ook, dat gij hun
+uwe bescherming verleent, in weerwil van uw loffelijken ijver voor
+de wetten, die zij gewoon zijn te overtreden. Het zou ons heerlijk
+vooruit helpen, indien die Saksische boeren het denkbeeld van Uwe
+Hoogheid verwezenlijkten om ophaalbruggen in galgen te veranderen;
+en die stoute Cedric schijnt mij juist de man om zoo iets in het
+hoofd te krijgen. Uw Hoogheid ziet toch wel in, dat het gevaarlijk
+zou zijn zonder Front-de-Boeuf, De Bracy en den Tempelier te handelen;
+en wij zijn reeds te ver gegaan om veilig te kunnen terugtreden."
+
+Prins Jan sloeg zich ongeduldig voor het voorhoofd en stapte toen in
+het vertrek op en neder.
+
+"Die schurken," zei hij, "die lage, verraderlijke schurken!--mij in
+dezen nood te verlaten!"
+
+"Zeg liever, die onbedachtzame, kinderachtige dwazen!" zei Waldemar,
+"welke gekheden gaan verrichten, terwijl er zulke gewichtige zaken
+op handen zijn."
+
+"Wat moeten wij nu doen?" vroeg de Prins, vlak voor Waldemar blijvende
+staan.
+
+"Ik weet niet, wat meer gedaan kan worden," antwoordde zijn raadgever,
+"dan hetgeen door mijne zorgen reeds geschied is.--Ik ben niet gekomen,
+om over deze ramp bij Uwe Hoogheid te klagen, zonder vooraf mijn best
+gedaan te hebben, om ze te verhelpen."
+
+"Gij zijt altijd mijn goede engel, Waldemar," hernam de Prins; "en
+als ik zulk een kanselier tot raadgever heb, dan zal de regeering
+van Koning Jan in onze jaarboeken beroemd worden.--Welke bevelen hebt
+gij gegeven?"
+
+"Ik heb aan Lodewijk Winkelbrand, De Bracy's luitenant, bevolen,
+zijn volk te doen opzitten, zijne banier te ontrollen, en dadelijk
+naar het kasteel van Front-de-Boeuf te jagen, om te beproeven, wat
+er nog voor onze vrienden te doen valt."
+
+Het gelaat van Prins Jan gloeide als dat van een bedorven kind,
+dat meent beleedigd te zijn.
+
+"Bij den Hemel!" zei hij, "Waldemar Fitzurse, gij hebt veel gewaagd,
+en het was meer dan vermetel, om zonder uitdrukkelijk bevel de trompet
+te laten blazen, of eene banier te doen ontrollen in eene stad waar
+wij zelven tegenwoordig zijn!"
+
+"Ik vraag vergiffenis, Hoogheid," hernam Fitzurse, inwendig de laffe
+ijdelheid van zijn heer verwenschende; "maar daar de tijd drong,
+en zelfs het verlies van één oogenblik gevaarlijk kon zijn, vond ik
+best, om dit op mij te nemen, in eene zaak van zooveel gewicht."
+
+"Ik vergeef u uwe roekeloosheid, Fitzurse!" zei de Prins deftig.--"Maar
+wie komt daar?--De Bracy zelf, bij het heilige kruis!--en in welk
+een zonderlingen toestand verschijnt hij voor ons!"
+
+Het was inderdaad De Bracy, bloedig door het sporen, en vuurrood
+door spoed!--Zijne wapenrusting droeg alle kenteekens van den pas
+doorgestanen hevigen strijd, daar ze gebroken, op verscheidene plaatsen
+met bloed bevlekt en van boven tot beneden met modder en stof bedekt
+was. Na zijn helm losgemaakt te hebben, zette hij dien op de tafel,
+en stond een oogenblik, alsof hij zich bezon, eer hij zijn nieuws
+verhaalde.
+
+"De Bracy," zei Prins Jan, "wat beteekent dit?--Spreek, ik beveel
+het u!--Zijn de Saksers oproerig?"
+
+"Spreek, De Bracy," riep Fitzurse bijna tegelijk met zijn meester; "gij
+waart altijd een man;--waar is de Tempelier?--waar is Front-de-Boeuf?"
+
+"De Tempelier is gevlucht," antwoordde De Bracy; "Front-de-Boeuf
+zult gij nimmer wederzien. Hij heeft een bloedig graf gevonden onder
+de gloeiende puinhoopen van zijn eigen kasteel, en ik ben alleen
+overgebleven om het u te verhalen!"
+
+"Een huiveringwekkend nieuws voor ons," zei Waldemar, "hoewel gij
+van vuur en brand spreekt."
+
+"De ergste tijding heb ik nog niet overgebracht," antwoordde De Bracy;
+en op Prins Jan toetredende, zei hij op zachten, nadrukkelijken toon:
+"Richard is in Engeland.--Ik heb hem gezien en gesproken!"
+
+Prins Jan verbleekte, beefde en moest zich aan den rug van een eiken
+stoel vasthouden, evenals iemand, die door een pijl in het hart
+getroffen wordt.
+
+"Gij raast, De Bracy," zei Fitzurse; "het kan niet zijn!"
+
+"Het is toch eene zekere waarheid," hernam De Bracy; "ik ben zijn
+gevangene geweest en heb met hem gesproken."
+
+"Met Richard Plantagenet, zegt gij?" vervolgde Fitzurse.
+
+"Met Richard Plantagenet," hervatte De Bracy, "met Richard
+Leeuwenhart,--met Richard van Engeland!"
+
+"En gij waart zijn gevangene?" vroeg Waldemar, "was hij dus aan het
+hoofd van eene gewapende macht?"
+
+"Neen;--er waren slechts eenige vogelvrijverklaarde landlieden om
+hem heen, en aan dezen is hij onbekend. Ik hoorde hem zeggen, dat
+hij op het punt stond hen te verlaten. Hij had zich slechts met hen
+vereenigd, om hen in het bestormen van Torquilstone bij te staan."
+
+"Ja!" zei Fitzurse, "dit is inderdaad in den geest van Richard;--hij
+is een echte dolende ridder; hij trekt rond om avonturen te zoeken,
+op de sterkte van zijn eigen arm vertrouwende, terwijl de gewichtigste
+belangen van zijn koninkrijk vergeten worden en hij zelf in gevaar
+verkeert.--Wat zijt gij voornemens te doen, De Bracy?"
+
+"Ik?--Ik bood Richard den dienst van mijne vrijcompagnie aan, en
+hij weigerde ze.--Ik zal ze thans naar Hull voeren, mij inschepen,
+en naar Vlaanderen zeilen; dank zij deze onrustige tijden, een man
+van moed vindt overal wat te doen. En gij, Waldemar, wilt gij lans en
+schild nemen, uwe staatkundige plannen vaarwel zeggen, met mij gaan,
+en het lot deelen, dat God ons beschikt?"
+
+"Ik ben te oud, Maurice, en ik heb eene dochter," antwoordde Waldemar.
+
+"Geef haar aan mij, Fitzurse, en ik zal haar met behulp van lans en
+paard onderhouden, zooals haar rang betaamt," hervatte De Bracy.
+
+"Neen," hernam Fitzurse; "ik zal eene schuilplaats zoeken hier in de
+St. Pieterskerk;--de aartsbisschop is mijn gezworen vriend."
+
+Onder dit gesprek was Prins Jan langzamerhand hersteld van den schrik,
+dien dit onverwachte bericht hem veroorzaakt had, en het onderhoud van
+zijne aanhangers had zijne ooren bereikt. "Ze vallen mij af," zei hij
+in zich zelven, "evenals een verwelkt blad van den boom, zoodra zich
+een windje verheft! Hel en duivel! Kan ik geen hulpmiddelen bij mij
+zelven vinden, als deze lafaards mij verlaten?"--Hij zweeg eene poos,
+en met eene uitdrukking van duivelschen haat in zijn gedwongen lach,
+brak hij eindelijk hun gesprek af. "Ha, ha, ha! mijn heeren, bij het
+licht der oogen van onze Lieve Vrouw, ik hield u voor wijze, stoute en
+verstandige mannen; en evenwel verwerpt gij rijkdom, eer, genoegen,
+alles, wat onze edele onderneming u beloofde, op het oogenblik,
+dat die door één stouten slag kon volbracht worden!"
+
+"Ik begrijp u niet," zei De Bracy; "zoodra Richard's terugkomst bekend
+wordt, zal hij aan het hoofd van een leger staan, en dan is alles uit
+met ons. Ik zou u raden, mijn vorst, òf naar Frankrijk te vluchten,
+òf bescherming bij de Koningin-Moeder te zoeken."
+
+"Ik zoek geene veiligheid voor mij zelven," hervatte Prins Jan op
+trotschen toon; "_die_ kan ik door één enkel woord bij mijn broeder
+verkrijgen. Maar ofschoon gij, De Bracy, en gij, Waldemar Fitzurse,
+zoo gereed zijt om mij te verlaten, zou ik er mij niet over verheugen,
+als ik uwe hoofden ginds op de Cliffords-poort zag prijken. Denkt
+gij, Waldemar, dat de listige aartsbisschop u niet van het altaar
+zelf zal laten afrukken, zoo hij zich daardoor met Koning Richard kan
+verzoenen? En vergeet gij, De Bracy, dat Robert Estoteville met zijne
+geheele macht tusschen u en Hull ligt, en dat de Graaf van Essex zijne
+mannen vergadert? Indien wij redenen hadden, om deze lichtingen zelfs
+vóór Richard's terugkomst te vreezen, meent gij, dat er nu eenige
+twijfel is, welke partij hun aanvoerders kiezen zullen? Geloof mij,
+Estoteville alleen heeft macht genoeg, om geheel uwe vrijcompagnie
+in de Humber te jagen!"
+
+Waldemar Fitzurse en De Bracy keken elkander verlegen aan.--"Er is nog
+maar één weg tot veiligheid!" vervolgde de Prins, en zijn blik werd
+somber als de middernacht; "hij, dien wij vreezen, reist alleen.--Men
+moet hem hier of daar te gemoet gaan."
+
+"Ik niet," zei De Bracy haastig; "ik was zijn gevangene, en hij schonk
+mij genade,--ik wil geen haar van zijn hoofd krenken!"
+
+"Wie sprak er van, om hem kwaad te doen?" hernam Prins Jan met een
+gedwongen lach; "gij zult misschien nog wel zeggen, dat ik hem wilde
+laten dooden!--Neen, een gevangenis ware beter; en in Engeland of
+in Oostenrijk, wat kan dat schelen?--De zaken zullen dan slechts op
+denzelfden voet zijn, als toen wij onze onderneming begonnen.--Die
+was gegrond op de hoop, dat Richard in Duitschland gevangen zou
+blijven.--Onze oom Robert leefde, en stierf in het kasteel van
+Cardiffe."
+
+"Ja maar," zei Waldemar, "uw vader Hendrik zat vaster op zijn troon,
+dan Uwe Hoogheid zulks doen kan. Ik zeg, de beste gevangenis is die,
+welke de doodgraver gemaakt heeft;--er haalt geen kerker bij een
+grafkelder! Ik heb gezegd."
+
+"Kerker of graf," zei De Bracy, "ik wil niets met de zaak te maken
+hebben."
+
+"Schurk!" hernam Prins Jan, "gij zoudt ons genomen besluit toch niet
+willen verraden!"
+
+"Nog nooit heb ik zoo iets gedaan," antwoordde De Bracy trotsch,
+"en de naam van schurk moet niet met den mijne verbonden worden!"
+
+"Bedaar, heer ridder!" zei Waldemar,--"en gij, mijn Vorst, vergeef
+de schroomvalligheid van den dapperen De Bracy; ik ben zeker, dat ik
+die weldra uit den weg zal ruimen."
+
+"Dat gaat uwe welsprekendheid te boven, Fitzurse," hernam de ridder.
+
+"Wel, goede Maurice," hervatte de listige staatsman, "deins niet
+achteruit als een schichtig paard, zonder vooraf het voorwerp van uw
+schrik wat van naderbij te beschouwen.--Nog maar één dag geleden,
+en het was uw vurigste wensch, om dezen Richard, man tegen man, in
+het gevecht te ontmoeten;--honderdmaal heb ik u dat hooren wenschen!"
+
+"Ja," antwoordde De Bracy;--"maar dat was, gelijk gij zeidet, man
+tegen man, en in den slag. Gij hebt mij nooit hooren zeggen, dat ik
+hem alleen in een bosch wilde overvallen!"
+
+"Gij zijt geen echte ridder, als gij hierin zwarigheid vindt,"
+hervatte Waldemar. "Was het in den slag, dat Lancelot du Lac en de
+ridder Tristram hun roem verwierven? Of was het door reuzen onder
+het lommer van dichte en ongebaande bosschen aan te vallen?"
+
+"Ja, maar ik verzeker u," zei De Bracy, "dat Tristram noch Lancelot,
+man tegen man, tegen Richard Plantagenet opgewassen zouden geweest
+zijn; en ik geloof tevens, dat het hunne gewoonte niet was, om met
+overmacht tegen een enkelen man op te trekken."
+
+"Gij raaskalt, De Bracy;--wat stellen wij u dan voor, u, die een
+huurling zijt, de aanvoerder van eene vrijcompagnie, wier zwaarden voor
+den dienst van Prins Jan gekocht zijn? Gij kent onzen vijand, en toch
+maakt gij zwarigheid, ofschoon het geluk van uw heer, van uw makkers,
+van u zelven, en het leven en de eer van ons allen op het spel staan!"
+
+"Ik zeg u," zei De Bracy wrevelig, "dat hij mij het leven geschonken
+heeft. Het is waar, hij zond mij uit zijne tegenwoordigheid weg en
+weigerde mijne hulde;--in zooverre ben ik hem gehoorzaamheid noch
+trouw verschuldigd;--maar ik wil geen hand aan hem slaan."
+
+"Dat behoeft niet;--zend Lodewijk Winkelbrand met een twintigtal van
+uwe lansen."
+
+"Gij hebt sluipmoordenaars genoeg onder uwe eigen lieden," hervatte
+De Bracy; "geen der mijnen zal zulk een last op zich nemen."
+
+"Zijt gij zoo hardnekkig, De Bracy," zei Prins Jan; "en wilt gij mij
+verlaten, na zooveel betuigingen van ijver voor mijn dienst?"
+
+"Dat is mijne bedoeling niet," antwoordde De Bracy; "ik wil u bijstaan
+in alles, wat een ridder betaamt, zoowel in het strijdperk als op
+het slagveld; maar dezen sluipmoordenaarsdienst kan men niet van
+mij vergen."
+
+"Kom, Waldemar," zei Prins Jan, "ik ben een ongelukkig vorst. Mijn
+vader, Koning Hendrik, had getrouwer dienaars.--Hij behoefde slechts
+te zeggen, dat hij door een oproerigen priester gekweld werd, en het
+bloed van Thomas-à-Becket, ofschoon een heilige, werd gestort op de
+trappen van zijn eigen altaar.--Tracy, Morville, Brito, [33] getrouwe
+en moedige onderdanen, uwe namen en uw geest zijn uitgestorven!--en
+ofschoon Riginald Fitzurse een zoon heeft nagelaten, zoo heeft deze
+zijn vaders getrouwheid en moed vergeten; hij is ontaard."
+
+"Hij is niet ontaard," hernam Waldemar Fitzurse; "en daar het niet
+anders kan, zal ik zelf de uitvoering van deze gevaarlijke zaak op
+mij nemen. Duur betaalde evenwel mijn vader den naam van een ijverig
+vriend; en toch was zijn bewijs van getrouwheid aan Hendrik op verre
+na niet te vergelijken bij dat, hetwelk ik op het punt ben om u te
+geven; want liever wilde ik een geheel heir van heiligen aanvallen,
+dan mijne lans tegen Leeuwenhart richten.--De Bracy, aan u moet ik de
+zorg toevertrouwen, om den moed van de weifelenden op te houden,--voor
+de veiligheid van Prins Jan te waken. Indien gij de tijding ontvangt,
+die ik zeker u zal kunnen zenden, dan zal het gelukken van onze
+onderneming niet langer twijfelachtig zijn.--Page!" riep hij,
+"spoed u naar huis en zeg aan mijn wapenmeester, zich gereed te
+houden; en beveel Steven Wetheral, Thoresby en de drie lansknechten
+van Spyinglaw, zich dadelijk bij mij te vervoegen; ook Hugo Bardon,
+de hoofdspion moet dadelijk komen.--Vaarwel, mijn Prins, tot betere
+tijden!" En met deze woorden verliet hij het vertrek.
+
+"Hij gaat om mijn broeder gevangen te nemen," zei Prins Jan tegen
+De Bracy, "met even weinig wroeging, alsof het slechts de vrijheid
+van een Saksischen _Franklin_ gold. Ik denk toch, dat hij mijne
+bevelen nakomen, en den persoon van onzen dierbaren Richard met allen
+verschuldigden eerbied behandelen zal?" De Bracy antwoordde slechts
+met een glimlach.
+
+"Bij het licht der oogen van onze Lieve Vrouw," zei Prins Jan,
+"ons bevel daaromtrent was allerstelligst, schoon gij het mogelijk
+niet gehoord hebt, daar wij te zamen bij het venster in den muur
+stonden.--Allerduidelijkst en zeer bepaald was onze last, om voor
+Richard's veiligheid te zorgen, en wee Waldemars hoofd, als hij mij
+niet gehoorzaamt!"
+
+"Dan ware het beter, dat ik naar zijn huis ging," zei De Bracy,
+"om hem den wil van Uwe Hoogheid goed aan het verstand te brengen;
+want daar mijn oor er volstrekt niets van vernomen heeft, is het zeer
+wel mogelijk, dat het ook Waldemars oor ontgaan is."
+
+"Neen, neen!" hernam Prins Jan ongeduldig; "ik verzeker u, dat hij
+mij gehoord heeft; en buitendien heb ik andere bezigheden voor u,
+Maurice; kom hier, laat mij op uw arm leunen."
+
+Ze liepen in deze vertrouwelijke houding de zaal op en neder, en Prins
+Jan vervolgde op een toon van groote vertrouwelijkheid: "Wat denkt
+gij van dezen Waldemar Fitzurse, mijn waarde De Bracy?--Hij verbeeldt
+zich onze kanselier te worden. Zeker zullen wij ons moeten bedenken,
+eer wij een zoo hoog ambt aan een man geven, die duidelijk toont,
+hoe weinig hij ons bloed eerbiedigt, door deze onderneming tegen
+Richard zoo gereedelijk op zich te nemen. Gij gelooft misschien,
+dat gij iets van onze achting verloren hebt, door deze onaangename
+taak zoo rondborstig te weigeren.--Maar neen, Maurice! ik acht u te
+meer om uw deugdzame standvastigheid. Er zijn zeer noodige dingen te
+verrichten, welker uitvoerders wij beminnen noch achten; en er kunnen
+weigeringen zijn om ons te dienen, welke hen, die ons verzoek van
+de hand wijzen, in onze achting doen rijzen. De gevangenneming van
+mijn ongelukkigen broeder geeft niet zooveel aanspraak op de hooge
+waardigheid van kanselier, als uwe ridderlijke en moedige weigering
+u verschaft op den staf van grootmaarschalk. Denk daaraan, De Bracy,
+en doe uw plicht!"
+
+"Trouwelooze tiran!" fluisterde De Bracy, terwijl hij den Prins
+verliet; "wie op u vertrouwt is er ongelukkig aan toe! Uw kanselier,
+voorwaar!--Hij, die uw geweten te bewaken heeft, zal waarlijk een
+gemakkelijk ambt hebben. Maar grootmaarschalk van Engeland! dat," zei
+hij, den arm uitstrekkende, alsof hij den staf reeds grijpen wilde,
+en met trotschere schreden door de zaal stappende, "dat is inderdaad
+een prijs, die de moeite waard is!"
+
+De Bracy had nauwelijks de kamer verlaten, of Prins Jan riep een
+bediende, en zei tot hem: "Beveel Hugo Bardon, onzen spion, hier te
+komen, zoodra hij met Waldemar Fitzurse gesproken heeft."
+
+Bardon kwam spoedig, terwijl de Prins met ongelijke en wankelende
+schreden door het vertrek stapte.
+
+"Bardon, wat begeerde Waldemar van u?" vroeg hij.
+
+"Twee moedige mannen, goed met deze Noordsche wildernissen bekend,
+en geoefend in het volgen van het spoor van menschen en paarden."
+
+"En hebt gij hem die verschaft?"
+
+"Uwe Hoogheid moge mij anders nooit weer vertrouwen," antwoordde de
+aanvoerder der spionnen. "De één is uit Hexhamshire; hij is gewoon
+dieven in Tynedale en Teviotdale op te sporen, gelijk een bloedhond
+het gekwetste wild. De andere is uit Yorkshire, en heeft menigmaal
+den boog in het woud van Sherwood gespannen; hij kent elke grasvlakte,
+kreupelhout en bosch tusschen hier en Richmond."
+
+"Goed!" zei de Prins. "Vertrekt Waldemar met hen?"
+
+"Dadelijk," antwoordde Bardon.
+
+"Met wat gevolg?" vroeg Jan onverschillig.
+
+"Thoresby gaat met hem, en Wetheral, dien men om zijne wreedheid
+Steven Steen-hart noemt; en drie noordsche krijgslieden, die tot den
+troep van Rolf Middleton behoord hebben; men noemt hen de lansknechten
+van Spyinglaw."
+
+"Goed," hernam weder Prins Jan; en na een oogenblik zwijgens voegde
+hij er bij: "Bardon, het is noodig, dat gij een waakzaam oog houdt
+op Maurice de Bracy,--zóó echter, dat hij er niets van merkt;--en
+onderricht mij van tijd tot tijd van zijne bewegingen,--met
+wien hij spreekt, en wat hij doet. Verzuim dit niet; gij zijt er
+verantwoordelijk voor."
+
+Hugo Bardon boog en vertrok.
+
+"Als Maurice mij verraadt," zei Prins Jan--"als hij mij verraadt,
+zooals zijn gedrag mij doet vreezen, dan zal ik zijn hoofd hebben,
+al raasde Richard zelfs voor de poorten van York!"
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Wek in Hircaniës woestijn den tijger,
+ Ontruk den hongerigen leeuw zijn prooi;
+ 't Is min gevaarlijk, dan het smeulend vuur
+ Der dweepzucht aan te blazen!
+
+ Anonymus.
+
+
+Ons verhaal keert thans tot Izaäk van York terug.--Gezeten op
+een muilezel, welken de vrijbuiter hem geschonken had, door twee
+krachtige schutters vergezeld, die hem tot lijfwacht dienden, was de
+Jood op reis gegaan naar de Preceptory van Templestowe, om over het
+losgeld zijner dochter te onderhandelen. De Preceptory was maar ééne
+dagreis van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd, en
+de Jood had gehoopt, die vóór het vallen van den nacht te bereiken;
+na zijne leidslieden dus bij het einde van het bosch ontslagen en
+hen met een stuk zilver beloond te hebben, haastte hij zich, zooveel
+zijne vermoeidheid hem vergunde. Maar de krachten begaven hem geheel,
+toen hij nog vier mijlen van het hof der Tempeliers was; hevige pijnen
+voeren hem door den rug en de leden, en zijn knagende zielsangst, nu
+door lichamelijk lijden vergroot, maakte het hem volstrekt onmogelijk
+om verder te gaan, dan tot een klein vlekje waar een Joodsche Rabbijn
+woonde, die zeer ervaren was in de geneeskunde en dien Izaäk goed
+kende. Nathan Ben Israël ontving zijn lijdenden landsman met die
+gastvrijheid, welke de wet voorschreef, en welke de Joden jegens
+elkander uitoefenden. Hij stond er op, dat hij zich ter rust zou
+begeven, en diende hem die geneesmiddelen toe, welke toen de besten
+gerekend werden om de koorts te stuiten, welke schrik, vermoeienissen
+en verdriet den armen ouden Jood op den hals gehaald hadden. Des
+morgens, toen Izaäk opstaan en zijne reis vervolgen wilde, verzette
+Nathan zich tegen zijn voornemen, zoowel in zijne hoedanigheid van
+gastheer als in die van geneesheer. Het kon hem het leven kosten,
+zei hij. Maar Izaäk gaf hem tot antwoord, dat er meer dan leven en
+dood met zijne reis naar Templestowe gemoeid was.
+
+"Naar Templestowe!" zei zijn gastheer met verbazing; voelde hem
+nog eens den pols, en pruttelde toen in zich zelven; "De koorts is
+afgenomen, maar toch schijnt zijn geest eenigszins verward."
+
+"En waarom niet naar Templestowe?" antwoordde zijn patient. "Ik
+geef u toe, Nathan, dat het eene woning is van mannen, voor welke
+de verachte kinderen Israëls een steen des aanstoots en een afschuw
+zijn; maar ge weet, dat dringende handelszaken ons soms onder deze
+bloeddorstige Nazareensche soldaten voeren, en dat wij de Preceptorijen
+der Tempeliers, zoowel als de Commanderijen der Hospitaal-ridders,
+gelijk men ze noemt, bezoeken." [34]
+
+"Dat weet ik wel," hernam Nathan; "maar weet ge wel, dat Lucas de
+Beaumanoir, het opperhoofd van hunne Orde, en dien ze Grootmeester
+noemen, nu zelf te Templestowe is?"
+
+"Dat wist ik niet," hervatte Izaäk; "de laatste brieven van onze
+broeders te Parijs berichtten ons, dat hij zich in die stad bevond,
+om Filips hulp tegen den Sultan Saladin te vragen."
+
+"Hij is sedert naar Engeland overgekomen, zonder dat zijne broeders hem
+in het minst verwachtten, en hij komt met een sterken en uitgestrekten
+arm, om hen te verbeteren en te bestraffen; zijn aangezicht is in toorn
+ontstoken tegen hen, die van hunne gedane geloften zijn afgeweken,
+en groot is de schrik onder die zonen van Belial. Ge hebt hem toch
+zeker wel hooren noemen?"
+
+"Ja zeker," antwoordde Izaäk; "de Heidenen schilderen dezen Lucas
+Beaumanoir af, als een vurigen ijveraar voor ieder punt van de
+Nazareensche wet; en onze broeders noemen hem een wreeden vernieler der
+Saracenen, en een hardvochtigen dwingeland voor de kinderen Israëls."
+
+"En zoo noemen zij hem met recht," hernam Nathan de geneesheer. "Andere
+Tempeliers kunnen van hun voornemen worden afgebracht door vermaak,
+of omgekocht worden door goud en zilver; maar Beaumanoir is van
+verschillenden stempel;--hij veracht de zinnelijkheid, veracht den
+rijkdom, en streeft naar hetgeen ze de martelaarskroon noemen.--De
+God van Jakob schenke ze weldra aan hem en hen allen!--Vooral heeft
+deze trotsche man zijne hand uitgestrekt tegen de kinderen van Juda,
+evenals de heilige David tegen Edom, en hij houdt het vermoorden
+van een Jood voor eene even aangename offerande, als de dood van een
+Saraceen. Goddelooze en valsche dingen heeft hij gezegd, zelfs van
+de krachten van onze geneesmiddelen, alsof het ingevingen van den
+Satan waren.--De Heer straffe hem daarvoor!"
+
+"En toch," hernam Izaäk, "moet ik mij naar Templestowe begeven,
+al ware ook zijn aangezicht gelijk een vurig brandende oven."
+
+Hierop verklaarde hij aan Nathan de dringende reden van zijne reis.--De
+Rabbijn luisterde met belangstelling, en betuigde zijne deelneming
+naar de wijze van zijn volk, zijn kleederen scheurende en uitroepende:
+"Ach, mijne dochter!--Ach, mijne dochter!--Wee over de dochter van
+Sion!--Wee over de gevangenschap van Israël!"
+
+"Ge ziet," zei Izaäk, "hoe de zaken met mij staan, en dat ik niet
+dralen mag. Misschien verhindert de tegenwoordigheid van dezen Lucas
+Beaumanoir, die hun opperhoofd is, Brian De Bois-Guilbert in het
+kwaad, dat hij in den zin heeft, en dan zal hij mij mijne beminde
+dochter Rebekka teruggeven."
+
+"Ga dan," zei Nathan Ben Israël; "en wees wijs; want wijsheid redde
+Daniël in den leeuwenkuil, waarin hij geworpen was; en het ga u naar
+den wensch uws harten. Maar zoo ge kunt, ontwijk de tegenwoordigheid
+van den Grootmeester, want het is zijn dagelijksch vermaak ons volk
+door verachting te krenken. Mogelijk zult ge beter bij Bois-Guilbert
+slagen, zoo ge hem in het geheim kunt spreken; want men zegt, dat deze
+verwenschte Nazareërs in de Preceptorij niet al te eenig zijn.--Mogen
+hunne beraadslagingen tot schande gemaakt worden!--Maar, broeder,
+keer tot mij terug, als tot het huis van uw vader, en breng bericht,
+hoe het u gegaan is; en ik hoop, dat ge Rebekka mede zult brengen,
+de leerling der wijze Mirjam, wier genezingen de Heidenen lasterden,
+alsof ze het werk des Satans waren."
+
+Izaäk zei zijn vriend vaarwel, en na omtrent een uur gereden te hebben,
+kwam hij vóór de Preceptorij van Templestowe. Deze stichting der
+Tempeliers lag tusschen schoone, vette weiden, welke de vorige vrome
+Preceptor aan de Orde ten geschenke gegeven had. Het gebouw was goed
+versterkt; iets dat deze ridders nooit verzuimden, en dat de onveilige
+toestand van Engeland noodig maakte. Twee zwartgekleede hellebaardiers
+bewaakten de ophaalbrug, en anderen in dezelfde sombere liverei, slopen
+heen en weer op de muren met een doodschen tred, meer op spoken dan op
+soldaten gelijkende. De mindere dienaren van de orde waren in het zwart
+gekleed, sedert het gebruik van witte kleederen, gelijk aan die van
+de ridders en knapen, in de gebergten van Palestina eene vereeniging
+van zekere valsche broeders had doen ontstaan, die zich Tempelridders
+noemden, en der Orde groote schande berokkend hadden. Men zag nu en
+dan een ridder in zijn langen witten mantel, met neergebogen hoofd,
+en gekruiste armen over de plaats gaan. Ze gingen elkander voorbij
+met een langzamen, plechtstatigen en stommen groet, volgens den regel
+van hunne Orde, zich op de woorden der heilige Schrift beroepende:
+"Door vele woorden ontgaat gij de zonde niet," en "Leven en dood
+zijn in de macht der tong." In één woord, de sombere monnikachtige
+gestrengheid van de tucht der Tempeliers, welke ze sedert lang tegen
+verkwisting en losbandigheid verruild hadden, scheen eensklaps te
+Templestowe onder het waakzame oog van Lucas Beaumanoir te herleven.
+
+Izaäk bleef voor de poort staan, om te overwegen op welke wijze hij
+zich het best eene gunstige ontvangst verzekeren zou; want hij begreep
+wel, dat voor zijn ongelukkigen stam de herlevende dweepzucht van
+de Orde niet minder gevaarlijk was dan haar grootste losbandigheid;
+en dat zijn godsdienst het voorwerp van haat en vervolging in het
+ééne geval zou zijn, gelijk zijn rijkdom hem in het andere aan de
+knevelarijen van onbarmhartige onderdrukking zou blootgesteld hebben.
+
+Intusschen wandelde Lucas Beaumanoir in een kleinen tuin, die tot de
+Preceptorij behoorde, en door de buitenste vestingwerken ingesloten
+was, in somber en vertrouwelijk gesprek met een broeder van de Orde,
+die met hem uit Palestina was teruggekomen.
+
+De Grootmeester was een man van reeds gevorderden leeftijd,
+zooals zijn lange, grijze baard en zijn zware, grijze wenkbrauwen
+getuigden, welken over oogen hingen, wier vuur de ouderdom niet had
+kunnen blusschen. Zijn magere, strenge gelaatstrekken toonden, dat
+hij een geduchte krijgsman geweest was, en hadden steeds nog eene
+krijgshaftige, trotsche uitdrukking; niet minder bewees hunne door
+onthouding veroorzaakte magerheid, dat hij een bijgeloovig boetedoener
+en een hoogmoedig met zichzelven tevreden dweper was. Evenwel was
+er op deze harde gelaatstrekken iets treffends en edels, dat zonder
+twijfel toe te schrijven was aan de groote rol, welke zijn aanzienlijk
+ambt hem verplichtte onder koningen en vorsten te spelen, en aan de
+gewone uitoefening van gezag over de vele dappere en edele ridders,
+die door de regels der Orde vereenigd waren. Zijne gestalte was groot
+en zijne houding recht en statig, zonder door ouderdom en uitgestane
+vermoeienissen gedrukt te zijn. Zijn witte mantel was stipt naar het
+voorschrift van St. Bernardus zelven gemaakt, bestaande uit hetgeen
+men toen _Burrel_-laken noemde. Deze mantel paste volkomen aan zijne
+gestalte, en vertoonde op den linker schouder het achthoekige kruis van
+de Orde in rood laken. Geen bont of hermelijn versierde zijn kleeding;
+maar uit aanmerking van zijne hooge jaren was des Grootmeesters
+wambuis, zooals de regels vergunden, met het fijnste lamsvel bezet,
+met de wol naar buiten gekeerd,--hetwelk het dichtste bij bont
+kwam,--de grootste weelde van dien tijd. In zijn hand droeg hij dien
+eenvoudigen _abacus_ of ambtsstaf, waarmede de Tempeliers dikwijls
+afgebeeld worden, aan het bovenste einde met een knop, waarop het kruis
+van de Orde gegraveerd was, door een kring, of parelsnoer zooals de
+herauten zulks noemen, omgeven. De man, welke deze hooge personaadje
+vergezelde, droeg bijna in alle opzichten dezelfde kleeding, maar zijne
+bijzondere onderdanigheid jegens zijn opperste toonde, dat er verder
+geene gelijkheid tusschen hen bestond. De Preceptor, want dit was zijn
+titel, ging niet vlak naast den Grootmeester, maar even achter hem,
+zoodat Beaumanoir met hem spreken kon, zonder het hoofd om te draaien.
+
+"Koenraad," zei de Grootmeester, "dierbare deelgenoot mijner veldslagen
+en werken, in uw getrouwen boezem alleen kan mijn hart zijn verdriet
+uitstorten. U kan ik zeggen, hoe dikwijls ik sedert mijne aankomst
+in dit koninkrijk gewenscht heb verlost te worden en in te gaan in
+de woningen der rechtvaardigen. Geen enkel voorwerp heeft zich in
+Engeland aan mijne oogen opgedaan, waarop ze met welgevallen konden
+rusten, behalve de graven onzer broeders, onder het grootsche gewelf
+van onze tempelkerk in gindsche trotsche hoofdstad. O dappere Robert
+de Ros! riep ik in mij zelven uit, terwijl ik op de strijders van
+het kruis staarde, zooals ze daar op hunne graftomben afgebeeld
+zijn;--o waardige Willem de Mareschal! opent uwe marmeren cellen, en
+neemt in uwe rustplaats een vermoeiden broeder op, die liever tegen
+honderdduizend Heidenen zou willen strijden dan het verval van onze
+heilige Orde aanschouwen!"
+
+"Het is maar al te waar," antwoordde Koenraad Mont-Fitchet; "en de
+ongebondenheid onzer broeders in Engeland is zelfs nog erger dan
+in Frankrijk."
+
+"Omdat ze rijker zijn," hernam de Grootmeester. "Verschoon mij,
+broeder, als ik mij zelven een weinig prijzen moet; gij kent het leven,
+dat ik geleid heb; iederen regel van onze Orde heb ik gevolgd, ik heb
+vleeschelijke en geestelijke duivels bestreden; ik heb den brieschenden
+leeuw, die rondgaat om te zoeken, wien hij verslinden zal, als een
+dapper ridder en vroom priester geveld, overal waar ik hem vinden
+kon,--zooals de gezegende St. Bernardus ons heeft voorgeschreven in het
+vijfenveertigste hoofdstuk onzer regels, _Ut leo semper feriatur_. [35]
+
+Maar, bij den heiligen Tempel! bij den ijver, welke mijne kracht
+en mijn leven, ja, de zenuwen en het merg mijner beenderen verteerd
+heeft,--bij dienzelfden heiligen Tempel zweer ik u, dat behalve u en
+nog een, welke de oude, strenge tucht van onze Orde nog handhaven,
+ik geen broeder ken, die ik in mijn hart dien naam waardig keur. Wat
+zeggen onze wetten, en hoe volgen onze broeders die op? Ze mogen geen
+ijdel of wereldsch sieraad dragen, geen helmteeken, geen goud aan
+stijgbeugels of toom; maar wie vertoont thans meer pracht en weelde,
+dan de arme krijgslieden van den Tempel? Het is hun verboden, op de
+valkenjacht te gaan, dieren met den pijl te vellen; op den jachthoren
+te blazen, en hun paard voor de jacht te gebruiken, maar wie is nu zoo
+bedreven als zij in alle ijdele vermaken van wild- en valkenjacht, en
+in alle genoegens, die bosch en rivier opleveren?--Het is hun verboden
+iets te lezen, zonder verlof van hunne meerderen; of naar iets te
+luisteren, behalve de Heilige Schriften, die in het Refectorium
+voorgelezen worden, en zie, ze geven gehoor aan minnezangers en
+vermaken zich met dwaze romances. Zij moesten tooverij en ketterij
+uitroeien,--en zie! thans zijn zij ijverig bezig, om de verwenschte
+kabbalistische geheimen der Joden en de tooverij der Heidensche
+Saracenen te beoefenen. Eenvoudige kost is hun voorgeschreven; wortels,
+kruiden, gerstenat, en slechts driemaal in de week vleesch, omdat het
+dagelijksch gebruik er van een schandelijk bederf voor het lichaam
+is, en zie! hun tafels bezwijken onder het gewicht der lekkerste
+spijzen.--Hun drank moest water zijn; en thans beroemt zich ieder
+vroolijke gast, dat hij drinkt als een tempelier! Deze tuin zelf,
+gevuld met kruiden en boomen, die uit het Oosten zijn overgebracht,
+paste beter voor den _Harem_ van een ongeloovigen Emir, dan voor
+de plek, welke Christenmonniken moesten gebruiken voor het planten
+hunner keuken-groenten.--En, o Koenraad! welk een geluk zou het nog
+zijn, indien de vergetelheid der tucht niet verder ging!--Het is u
+bekend, dat men ons verboden heeft die vrome vrouwen te ontvangen,
+welke in den beginne als zusters bij onze Orde ingelijfd waren,
+omdat, zooals het zes-en-veertigste hoofdstuk zegt, de Satan,
+door vrouwelijk gezelschap, menigeen van het rechte pad der
+zaligheid heeft afgetrokken. Ja, zelfs in het laatste hoofdstuk,
+(als het ware de slotsom van de zuivere, onbevlekte leer van onzen
+gezegenden stichter), is het ons verboden, zelfs aan onze moeders en
+zusters den kus der liefde te geven, _ut ommium mulierum fugiantur
+oscula!_--Ik schaam mij over de verdorvenheid, die onder ons heerscht,
+te spreken,--ja zelfs er aan te denken! De zielen onzer deugdzame
+stichters, de schimmen van Hugo de Payen en Godfried de Saint Omer,
+en van de zalige Zeven, die zich het eerst vereenigden, om hun leven
+aan den dienst van den Tempel te wijden, worden in de zaligheid,
+welke zij in het Paradijs genieten, gestoord. Ik heb hen gezien,
+Koenraad, in nachtelijke droomen;--hunne heilige oogen stortten tranen
+over de zonden en dwaasheden hunner broeders, en de schandelijke
+losbandigheden, waarin zij zich dompelen. Beaumanoir! riepen zij;
+gij slaapt,--ontwaak! Er ligt een schandvlek op het huis des Tempels,
+schandelijk en groot, als het teeken, dat oudtijds op de huizen,
+waar de melaatschheid geheerscht had, gemaakt werd. [36] De soldaten
+van het kruis, die den blik der vrouwen, gelijk het oog der basilisken
+moesten vermijden, leven in openlijke zonde, niet alleen met de vrouwen
+van hun eigen stam, maar met de dochters der vervloekte Heidenen,
+en nog erger vervloekte Joden. Beaumanoir, gij slaapt; op! en wreek
+ons!--Verdelg de zondaars, mannen en vrouwen!--Grijp het zwaard van
+Phineas!--De verschijning verdween, Koenraad, maar toen ik ontwaakte,
+kon ik nog het gekletter der wapenrustingen hooren, en het golven
+der witte mantels zien.--En ik wil naar hun bevel handelen, ik _wil_
+den Tempel zuiveren, en de onreine steenen, waarin de pest zit,
+zal ik wegnemen en uit het gebouw werpen!"
+
+"Maar bedenk, eerwaarde vader," zei Mont-Fitchet, "dat de smet door
+tijd en gewoonte ingevreten is: laat de hervorming voorzichtig zijn,
+zoowel als billijk en wijs."
+
+"Neen, Mont-Fitchet;--ze moet streng en plotseling zijn:--de Orde is op
+het keerpunt van haar lot. De matigheid, zelfopoffering en vroomheid
+van onze voorgangers hebben ons machtige vrienden verschaft;--onze
+verwaandheid, rijkdom en weelde hebben ons geduchte vijanden op
+den hals gehaald.--Wij moeten deze schatten wegwerpen, welke eene
+verzoeking zijn voor de vorsten;--wij moeten die verwaandheid afleggen,
+welke eene beleediging voor hen is;--wij moeten de losbandigheid
+onzer zeden verbeteren, welke eene ergernis is voor de geheele
+Christen-wereld!--of,--let wel op mijn woorden,--de Orde van den
+Tempel zal geheel worden vernietigd, en hare plaats zal niet meer
+onder de volkeren bekend zijn."
+
+"God wende deze ramp van ons af!" riep de Preceptor.
+
+"Amen!" zei de Grootmeester plechtig; "maar wij moeten Zijne hulp
+verdienen. Ik zeg u, Koenraad, dat noch de machten des Hemels, noch
+die der aarde de verdorvenheid van het tegenwoordig geslacht kunnen
+verdragen. Mijne berichten zijn zeker;--de grond, waarop ons gebouw
+staat, is reeds ondermijnd en iedere vermeerdering van grootheid
+zal het slechts te eerder doen instorten. Wij moeten onze schreden
+achterwaarts wenden, en ons als getrouwe strijders voor het kruis
+gedragen, aan onze roeping niet alleen ons bloed en leven, niet
+alleen onze lusten en ondeugden, maar ons gemak, onze levensvreugd,
+onze neigingen en menig vermaak opofferen, dat geoorloofd kan zijn
+aan anderen, maar verboden is aan den heiligen krijgsman des Tempels."
+
+Op dit oogenblik kwam een schildknaap in een afgesleten kleed (want
+de candidaten tot deze heilige Orde droegen gedurende hun noviciaat de
+kleederen, welke de ridders afgelegd hadden,) in den tuin, maakte een
+diepe buiging voor den Grootmeester, en bleef stilstaan, daar hij zijn
+boodschap niet verrichten durfde, eer hij verlof daartoe bekomen had.
+
+"Is het niet passender," zei de Grootmeester, "dezen Damian in het
+kleed van Christelijke nederigheid in eerbiedige stilte voor zijn
+opperste te zien verschijnen, dan zooals hij voor twee dagen rondliep,
+als een nar in een bont wambuis, terwijl hij trotsch en ijdel als
+een papegaai snapte?--Spreek, Damian, wij veroorloven het u;--wat is
+uwe boodschap?"
+
+"Een Jood staat buiten de poort, edele en eerwaarde vader, en verzoekt
+broeder Brian De Bois-Guilbert te spreken."
+
+"Gij doet wel mij hiervan kennis te geven," zei de Grootmeester;
+"in onze tegenwoordigheid is een Preceptor slechts een gewoon lid
+van onze Orde, die niet naar zijn eigen wil mag handelen, maar naar
+dien van zijn Meester,--volgens den tekst: "Zoodra hij mij hoorde,
+gehoorzaamde hij!"--Er is ons bijzonder veel aan gelegen, om iets van
+het gedrag van dezen Bois-Guilbert te hooren," zei hij, zich tot zijn
+makker wendende.
+
+"Het gerucht noemt hem stout en dapper," zei Koenraad.
+
+"En met recht noemt men hem zoo," hernam de Grootmeester; "in onze
+dapperheid alleen zijn wij van onze voorgangers, de helden van het
+kruis, niet ontaard. Maar broeder Brian trad in onze Orde als een
+somber, ontevreden mensch; zonder twijfel aangespoord om onze gelofte
+aan te nemen en de wereld vaarwel te zeggen, niet uit oprechtheid der
+ziel, maar als een man, dien eenig gering ongeluk tot ontevredenheid en
+berouw had gebracht. Sedert is hij een ijverig en ernstig onruststoker,
+een ontevreden woelgeest, en een aanvoerder van hen geworden, die zich
+tegen ons gezag verzetten, zonder te overwegen, dat aan den meester de
+macht gegeven is, zelfs door het teeken van den staf en der roede,--den
+staf om de zwakken te ondersteunen;--de roede om de misdadigers te
+straffen.--Damian," vervolgde hij, "breng den Jood voor ons."
+
+De knaap vertrok met eene diepe buiging, en keerde binnen weinige
+minuten terug, Izaäk van York binnen leidende. Geen hulpelooze slaaf,
+die in de tegenwoordigheid van eenig machtig vorst gebracht wordt,
+kan diens rechterstoel met dieper eerbied en schrik naderen. Toen hij
+op een afstand van drie ellen gekomen was, gaf Beaumanoir een teeken
+met zijn staf, dat hij niet nader zou komen. De Jood knielde op den
+grond neder, welken hij als een teeken van eerbied kuste; hierna
+oprijzende, bleef hij voor de Tempeliers staan, met de handen op de
+borst gevouwen, en het hoofd voorovergebogen, als een Oostersche slaaf.
+
+"Damian," zei de Grootmeester, "vertrek, en houd een wacht gereed,
+om dadelijk op ons bevel te verschijnen; en laat niemand in den tuin
+komen, eer wij dien verlaten hebben."--De schildknaap boog diep en
+vertrok.--"Jood," vervolgde de trotsche grijsaard, "let op! Het past
+onzen stand niet, om lang met u te spreken, en het is onze gewoonte
+niet, met wien het ook zij, woorden of tijd te verspillen. Wees
+dus kort in uw antwoorden op hetgeen ik u vragen zal, en spreek de
+waarheid; want zoo uw tong mij bedriegt, zal ik ze uit uw ongeloovigen
+hals laten scheuren."
+
+De Jood wilde antwoorden, maar de Grootmeester ging voort:
+
+"Zwijg, ongeloovige!--Geen woord in onze tegenwoordigheid, dan in
+antwoord op onze vragen.--Wat hebt gij met onzen broeder Brian de
+Bois-Guilbert te doen?"
+
+Izaäk beefde van schrik en onzekerheid. Zoo hij zijne geschiedenis
+verhaalde, kon die als eene lastering van de Orde beschouwd worden; en
+indien hij daarentegen ze niet verhaalde, wat hoop kon hij dan hebben,
+om de verlossing zijner dochter te bewerken? Beaumanoir zag zijn
+doodsangst, en verwaardigde zich, om hem een weinig gerust te stellen.
+
+"Vrees niets," zei hij, "voor uw ellendig leven, Jood, indien gij
+oprecht in deze zaak te werk gaat.--Ik vraag nog eens, wat hebt gij
+met Brian de Bois-Guilbert te doen?"
+
+"Ik ben de overbrenger van een brief," stamelde de Jood, "met uw
+verlof, hoogeerwaarde en gestrenge heer, voor dezen dapperen ridder
+van den Prior Aymer, van de Abdij van Jorvaulx."
+
+"Zei ik niet, dat het booze tijden waren, Koenraad?" zei de
+Grootmeester. "Een Cisterciënser Prior zendt een brief aan een soldaat
+van den Tempel, en kan geen geschikter bode vinden dan een ongeloovigen
+Jood.--Geef mij den brief!"
+
+De Jood maakte met bevende handen de plooien van zijn Armenische
+kap los, waarin hij des Priors schrijftafel tot grootere veiligheid
+verborgen had, en wilde met uitgestrekte hand en gebogen lichaam
+naderen, om die aan zijn strengen rechter over te geven. "Terug,
+hond!" riep de Grootmeester. "Ik raak geen ongeloovige aan, behalve met
+het zwaard.--Koenraad, neem den brief aan, en geef hem aan mij over."
+
+Beaumanoir, thans in het bezit van de schrijftafel, bekeek den
+buitenkant nauwkeurig, en wilde toen het garen losmaken, waarmede
+die toegemaakt was. "Eerwaarde vader," zei Koenraad met eerbied,
+"zult gij het zegel openbreken?"
+
+"Zou ik niet?" hervatte Beaumanoir met gefronst voorhoofd. "Staat er
+niet in het tweeënveertigste hoofdstuk, _De lectione literarum_, dat
+een Tempelier geen brief mag ontvangen, zelfs van zijn vader, zonder
+dien aan den Grootmeester over te geven, en in zijne tegenwoordigheid
+te lezen?"
+
+Hierop keek hij haastig den brief door, en met eene uitdrukking van
+verbazing en afgrijzen, las hij dien nog eenmaal langzamer over;
+vervolgens het papier aan Koenraad met de eene hand toehoudende en
+er met de andere licht op slaande, riep hij uit: "Dat is eene schoone
+zaak voor een Christen, om aan een ander Christen over te schrijven,
+en beiden zijn leden, en geen onaanzienlijke leden, van heilige
+broederschappen! Wanneer," zei hij plechtig met ten hemel geslagene
+oogen, "zult Gij, o Heer! met Uw wan komen, om den dorschvloer te
+zuiveren?"
+
+Mont-Fitchet nam den brief van zijn opperste, en wilde hem
+doorlezen. "Lees hard op, Koenraad," zei de Grootmeester, "en gij"
+(tegen Izaäk), "luister naar den inhoud, want wij zullen u daarover
+ondervragen!"
+
+Koenraad las den brief, welke aldus luidde:
+
+
+ "Aymer, door Gods genade, Prior van het huis der Cisterciënsers
+ van de Heilige Maria van Jorvaulx, wenscht den Ridder Brian de
+ Bois-Guilbert, van de heilige Orde des Tempels, gezondheid,
+ met de gunst van God Bacchus en van Vrouw Venus. Wat onzen
+ tegenwoordigen toestand betreft, waarde broeder, wij zijn
+ een gevangene in de handen van zekere wetschendende en
+ goddelooze mannen, die niet gevreesd hebben onzen persoon aan
+ te houden en ons losgeld af te dwingen, waardoor wij ook van
+ Front-de-Boeuf's ongeluk zijn onderricht geworden, en dat
+ gij met die schoone Joodsche tooveres ontsnapt zijt, wier
+ zwarte oogen u bekoord hebben. Wij zijn hartelijk verblijd,
+ dat ge in veiligheid zijt; evenwel bidden wij u, op uwe
+ hoede te zijn ten opzichte van deze tweede heks van Endor;
+ want wij zijn in het geheim verzekerd, dat uw Grootmeester,
+ die zich niet in het minste aan roode wangen en zwarte oogen
+ stoort, uit Normandië komt, om uwe genoegens te beperken, en
+ uwe misstappen te bestraffen. Derhalve bidden wij u hartelijk
+ op uwe hoede te zijn en wakende gevonden te worden, zooals
+ de heilige tekst zegt: _Invenientur vigilantes!_ En de rijke
+ Jood, haar vader, Izaäk van York, mij om een brief ter haren
+ voordeele verzocht hebbende, zoo heb ik hem dezen gegeven, u
+ ernstig aanradende om het meisje tegen losgeld vrij te geven,
+ daar hij uit zijne geldzakken gemakkelijk genoeg geven kan,
+ om vijftig andere vrouwen los te koopen en van dit geld hoop
+ ik mijn deel te krijgen, als wij ons samen verlustigen zullen,
+ gelijk getrouwe broeders, den wijnbeker niet te vergeten;
+ want, wat zegt de tekst? _Vinum lactificat cor hominis_;
+ en verder: _Rex delectabitur pulchritudine tua_.
+
+ Wij wenschen u wel te leven tot aan onze eerste
+ bijeenkomst! Gegeven uit dit roovershol, tegen het uur van
+ het morgengebed.
+
+ Aymer, Pr. S. M. Jorvolciensis.
+
+ "_Postscriptum._ Waarachtig, uw gouden ketting is niet lang
+ bij mij gebleven, en daaraan hangt thans, om den hals van een
+ vogelvrijverklaarden wilddief, het fluitje, waarmede hij zijn
+ jachthonden roept!"
+
+
+"Wat zegt ge hiervan, Koenraad?" zei de
+Grootmeester. "Roovershol! waarlijk een geschikt verblijf voor zulk
+een Prior! Geen wonder, dat Gods hand zwaar op ons ligt, en dat wij
+in het heilige Land stad op stad, voet voor voet, op de ongeloovigen
+verliezen, daar wij zulke geestelijken, als dezen Aymer, hebben!--En
+wat meent hij toch met die tweede heks van Endor?" vroeg hij zijn
+vertrouweling ter zijde.
+
+Koenraad was (misschien uit ondervinding) beter bekend met de taal der
+galanterie, dan zijn opperste; en hij verklaarde den Grootmeester,
+dat dit eene uitdrukking was, in gebruik bij wereldsgezinde mannen
+jegens degenen, welken ze _par amours_ beminden; maar deze verklaring
+voldeed den bijgeloovigen Beaumanoir niet.
+
+"Daar schuilt meer achter dan ge wel denkt, Koenraad; uwe eenvoudigheid
+kan dezen afgrond van goddeloosheid niet peilen. Deze Rebekka van York
+was eene leerlinge van Mirjam, van wie ge hebt hooren spreken. Ge
+zult zien; de Jood zelf zal het bekennen." Voorts zich tot Izaäk
+wendende, zei hij luide: "Uw dochter is dus de gevangene van Brian
+De Bois-Guilbert?"
+
+"Ja, eerwaarde en dappere heer, en al wat een arm man voor haar
+bevrijding betalen kan--"
+
+"Stil!" zei de Grootmeester. "Deze uw dochter heeft de heelkunde
+beoefend, niet waar?"
+
+"Ja, genadige heer;" antwoordde de Jood met herlevenden moed, "en
+ridder en knecht, vasal en heer zegenen de gaven, welke de Hemel haar
+geschonken heeft. Menigeen kan getuigen, dat ze hem door hare kunst
+genezen heeft, toen alle andere menschelijke hulp vruchteloos was;
+maar de zegen van den God van Jakob rustte op haar."
+
+Beaumanoir wendde zich tot Mont-Fitchet met een sarkastischen lach:
+"Zie, broeder," zei hij, "de verleidingen van den aartsvijand der
+menschen! Zie het lokaas, waarmede hij naar zielen vischt, daar hij een
+korte span aardsch leven voor de eeuwige zaligheid schenkt! Wat zegt
+onze heilige regel: _Semper percutiatur leo vorans_.--Val aan op den
+leeuw! Vel den vernieler!" riep hij, zijn symbolieken staf zwaaiende,
+alsof hij de machten der duisternis uitdaagde. "Uwe dochter werkt dus,"
+ging hij voort tegen den Jood, "door woorden, zegels, amuletten en
+andere kabbalistische geheimen?"
+
+"Neen, eerwaarde en dappere ridder," antwoordde Izaäk, "maar
+hoofdzakelijk door een balsem van wonderdadige kracht."
+
+"Van wien heeft ze dit geheim?" vroeg Beaumanoir.
+
+"Het werd haar geopenbaard door Mirjam, eene wijze vrouw uit onzen
+stam," antwoordde Izaäk aarzelende.
+
+"Ha, valsche Jood! was het die heks Mirjam, wier afschuwelijke
+toovenarijen in ieder Christelijk land bekend zijn?" riep de
+Grootmeester, een kruis slaande. "Haar lichaam is op een brandstapel
+verbrand, en hare asch door de winden verstrooid; en zoo ga het mij
+en mijne Orde, zoo ik niet hetzelfde en nog meer aan haar leerling
+doe! Ik zal haar leeren de soldaten van den Heiligen Tempel te
+betooveren!--Hier, Damian! werp dezen Jood buiten de poort!--Schiet
+hem dood, zoo hij zich verzet of terugkeert! Met zijne dochter zullen
+wij handelen, zooals de Christelijke wet en ons heilig ambt vorderen!"
+
+De arme Izaäk werd dus weggesleept en naar buiten geworpen, zonder
+dat men de minste acht sloeg op zijn smeekingen, of zelfs op zijn
+aanbiedingen. Hij kon dus niets beters doen, dan naar het huis
+van den Rabbijn terug te keeren, en te trachten, door middel van
+dezen gewaar te worden, wat het lot zijner dochter zijn zou. Hij
+had tot hiertoe voor haar eer gevreesd, en nu moest hij voor haar
+leven sidderen. Intusschen liet de Grootmeester den Preceptor van
+Templestowe bij zich komen.
+
+
+
+
+
+ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Zeg niet, mijn kunst is slechts bedrog;--alles leeft
+ Door schijn; hij is het, die den beed'laar voedt,
+ Den hov'ling land en rang en tit'len schenkt.
+ De geestelijke en de moedige soldaat
+ Verheft zich door den schijn;--elk huldigt hem,
+ En hij, voorwaar, die steeds zich hier vertoont
+ Gelijk hij is, heeft weinig roem te wachten,
+ In 't veld, in staat, of kerk. Zoo is de wereld!
+
+ Oud Toneelstuk.
+
+
+Albert Malvoisin, President, of in de taal der Orde, Preceptor der
+stichting te Templestowe, was de broeder van dien Philip Malvoisin,
+van wien wij reeds vroeger in dit verhaal melding hebben gemaakt,
+en evenals deze baron, was hij ook nauw met Brian De Bois-Guilbert
+verbonden.
+
+Onder de losbandige en ongeregelde mannen, die bij de Orde der
+Tempeliers zoo talrijk waren, was Albert van Templestowe geen der
+minsten; maar met dit verschil van den stouten Bois-Guilbert, dat hij
+zijne ondeugden en eerzucht onder den sluier van schijnheiligheid
+wist te bedekken, en uiterlijk de dweepzucht te veinzen, welke hij
+inwendig verachtte. Ware de aankomst van den Grootmeester niet zoo
+geheel onverwacht geweest, dan zou hij te Templestowe niets gezien
+hebben, dat eenige verslapping van tucht kon verraden. En ofschoon
+Albert Malvoisin door de verrassing eenigszins overrompeld werd,
+luisterde hij met zooveel eerbied en schijnbaar berouw naar de
+berispingen van zijn opperste, en haastte zich zoo zeer om alles
+wat deze afkeurde, te hervormen, en slaagde kortom zoo wel, om den
+schijn van klooster-vroomheid aan een gesticht te geven, dat nog
+kort te voren aan losbandigheid en vermaak was toegewijd geweest,
+dat Lukas Beaumanoir eene betere meening van de zeden des Preceptors
+begon te koesteren, dan het eerste voorkomen der stichting hem had
+doen opvatten.
+
+Maar deze gunstige meening van den Grootmeester werd zeer verminderd
+door het bericht, dat Albert een Joodsche gevangene in het heilige
+huis had opgenomen, en wel, zooals te vreezen was, de beminde van
+een broeder der Orde; en toen Albert voor hem verscheen, werd hij
+met ongewone gestrengheid behandeld.
+
+"Er is in dit gebouw, toegewijd aan de heilige Orde des Tempels," zei
+de Grootmeester op ernstigen toon, "eene Joodsche vrouw, die door een
+broeder der Orde met uw weten, heer Preceptor, hierheen gebracht werd."
+
+Albert Malvoisin werd in de grootste verlegenheid gebracht; want de
+ongelukkige Rebekka was in een afgelegen en geheim gedeelte van het
+gebouw opgesloten, en hij had alle voorzorgen genomen om te beletten
+dat haar verblijf aldaar bekend werd. Hij las in de blikken van
+Beaumanoir verderf voor Bois-Guilbert en voor zich zelven, zoo het
+hem niet gelukte den dreigenden storm af te wenden.
+
+"Waarom blijft gij sprakeloos?" vervolgde de Grootmeester.
+
+"Is het mij vergund te spreken?" hervatte de Preceptor op een toon
+der diepste onderdanigheid, ofschoon hij door deze vraag slechts een
+oogenblik tijd wilde winnen, om zijne gedachten te verzamelen.
+
+"Spreek; het is u geoorloofd," zei de Grootmeester;--"Spreek, en zeg,
+kent gij het hoofdstuk onzer heilige regels,--_De commilitonibus
+Templi in sancta civitate, qui cum miserrimis mulieribus versantur,
+propter oblectationem carnis?_--over den omgang der Tempelridders
+met lichte vrouwen?"
+
+"Voorzeker, zeer eerwaarde vader," antwoordde de Preceptor, "ik ben
+niet tot deze waardigheid in de Orde opgeklommen, zonder een der
+voornaamste geboden er van te kennen."
+
+"Hoe komt het dan, vraag ik u nog eens, dat gij geduld hebt, dat
+een broeder zijne bijzit, en nog wel eene Joodsche tooveres, in deze
+heilige plaats, tot hare schande en bezoedeling gebracht heeft?"
+
+"Eene Joodsche tooveres!" riep Albert Malvoisin; "alle goede engelen
+mogen ons daarvoor bewaren!"
+
+"Ja, broeder, eene Joodsche tooveres!--Durft gij ontkennen, dat deze
+Rebekka, de dochter van dien ellendigen woekeraar, Izaäk van York,
+en de leerling dier schandelijke heks Mirjam, thans,--het is schande
+daarvan te spreken en er aan te denken!--binnen deze uwe Preceptorij
+gehuisvest is?"
+
+"Uwe wijsheid, eerwaarde vader," hernam de Preceptor, "heeft den nevel
+voor mijn verstand verdreven. Ik verwonderde mij zeer, hoe zulk een
+dapper ridder als Brian De Bois-Guilbert zoo onbegrijpelijk verzot
+kon wezen op de schoonheid dezer vrouw, die ik in dit huis opgenomen
+heb om een hinderpaal tegen eene aangroeiende vertrouwelijkheid op
+te richten, welke anders had kunnen aangekweekt worden ten koste van
+onzen dapperen en vromen broeder."
+
+"Is er dan nog niets tusschen hen voorgevallen, waardoor zijne gelofte
+geschonden wordt?" vroeg de Grootmeester.
+
+"Hoe! onder dit dak?" riep de Preceptor, een kruis makende; "Dat
+verhoede de Heilige Magdalena en de tienduizend maagden.--Neen! zoo
+ik eene zonde begaan heb door haar hier op te nemen, dan was het
+door het dwaalbegrip, dat ik op deze wijze de dwaze liefde van onzen
+broeder voor deze Jodin kon verijdelen, welke mij zoo hartstochtelijk
+en onnatuurlijk voorkwam, dat ik ze niet anders dan als een soort van
+krankzinnigheid moest beschouwen, die eerder medelijden dan berisping
+verdiende. Maar daar uwe eerwaarde's wijsheid ontdekt heeft, dat deze
+Joodsche vrouw eene tooveres is, zal dit wel den waanzin des ridders
+voldoende verklaren."
+
+"Zoo is het!--zoo is het!" zei Beaumanoir; "zie, broeder Koenraad, hoe
+gevaarlijk het is zich aan de eerste inblazingen en verlokkingen van
+den Satan over te geven. Wij zien de vrouwen slechts aan, om den lust
+der oogen te bevredigen, en genoegen te scheppen in hetgeen de mannen
+hare schoonheid noemen, en de erfvijand krijgt macht over ons, om door
+talisman en betoovering een werk te voltooien, dat uit ijdelheid en
+dwaasheid begonnen was. Het is mogelijk, dat onze broeder Bois-Guilbert
+in dit geval eerder medelijden dan strenge kastijding verdient,
+eerder de ondersteuning van den staf, dan de slagen der roede, en
+dat onze vermaningen en gebeden hem aan zijn broeders teruggeven."
+
+"Het zou zeer jammer zijn," zei Koenraad Mont-Fitchet, "een der
+beste krijgslieden van de Orde te verliezen, op het oogenblik dat
+de heilige broederschap den bijstand harer zonen het meest noodig
+heeft. Driehonderd Saracenen heeft deze Brian De Bois-Guilbert met
+eigen hand verslagen!"
+
+"Het bloed van deze vervloekte honden," zei de Grootmeester,
+"zal een aangenaam en welgevallig offer zijn voor de heiligen en
+engelen, die zij verachten en lasteren; en door hunne hulp zullen
+wij de betooveringen tegenwerken, door welke onze broeder als in een
+net verstrikt is. Hij zal de banden dezer Delila verbreken, gelijk
+Simson de twee nieuwe koorden verscheurde, waarmede de Philistijnen
+hem gebonden hadden, en hij zal nieuwe drommen ongeloovigen ter
+nedervellen. Maar wat deze schandelijke heks betreft, die een broeder
+van den Heiligen Tempel betooverd heeft, zij zal sterven!"
+
+"Maar de wetten van Engeland,"--zei de Preceptor, die, ofschoon hij
+zich verheugde, dat de toorn van den Grootmeester zoo gelukkig van
+hem zelven en Bois-Guilbert afgeleid was, en een andere richting
+genomen had, nu begon te vreezen, dat hij het te ver gedreven had.
+
+"De wetten van Engeland," hervatte Beaumanoir, "vergunnen en bevelen
+iederen rechter, om in zijn eigen gebied recht te spreken. De kleinste
+baron kan in zijn gebied eene heks in hechtenis nemen, haar een
+proces aandoen, en veroordeelen. En zou men deze macht weigeren aan
+den Grootmeester van den Tempel, binnen een Preceptorij van zijne
+Orde?--Neen!--wij zullen oordeelen en vonnissen. De heks zal van de
+aarde verdwijnen, en onze zonden zullen ons vergeven worden. Laat
+de zaal van het kasteel voor het proces der tooveres in gereedheid
+brengen."
+
+Albert Malvoisin boog diep en vertrok,--niet, om bevelen te geven tot
+het gereed maken van de zaal, maar om Brian De Bois-Guilbert op te
+zoeken en hem mede te deelen, hoe de zaak waarschijnlijk eindigen
+zou. Hij vond hem weldra, schuimende van woede over eene nieuwe
+afwijzing van de schoone Jodin. "Die onbezonnene," riep hij, "die
+ondankbare! Een man te minachten, die midden door bloed en vlammen
+haar leven met gevaar van het zijne gered heeft! Bij den Hemel,
+Malvoisin! Ik bleef er, tot dak en pilaren om mij heen kraakten en
+instortten. Honderd pijlen werden tegen mij gericht; ze ratelden
+tegen mijn wapenrusting, evenals hagelsteenen op getraliede vensters,
+en het eenige gebruik, dat ik van mijn schild maakte, was om haar
+te verdedigen. Dit heb ik voor haar gedaan, en nu verwijt mij het
+eigenzinnige meisje, dat ik haar niet heb laten omkomen, en weigert
+mij niet alleen het geringste bewijs van dankbaarheid, maar zelfs de
+verste hoop, dat ze mij die ooit betoonen zal. De duivel, die haar
+geslacht met hardnekkigheid bezielt, heeft alle kracht daarvan in
+hare persoon alleen vereenigd!"
+
+"De duivel," zei de Preceptor, "heeft u, geloof ik, beiden bezeten. Hoe
+dikwijls heb ik u voorzichtigheid, zoo niet onthouding gepredikt? Heb
+ik u niet gezegd, dat er gewillige Christen-meisjes genoeg te vinden
+waren, die het voor zonde zouden houden een zoo dapperen ridder het
+minneloon te weigeren? En ge moet uwe genegenheid op eene eigenzinnige,
+stijfhoofdige Jodin vestigen! Waarachtig, ik geloof, dat de oude
+Lucas Beaumanoir te recht gist, dat ze u betooverd heeft."
+
+"Lucas Beaumanoir?" zei Bois-Guilbert.--"Zijn dit uwe voorzorgen,
+Malvoisin? hebt ge den ouden man laten vernemen, dat Rebekka in de
+Preceptorij is?"
+
+"Hoe kon ik het verhinderen?" antwoordde de Preceptor. "Ik heb niets
+verzuimd om uw geheim verborgen te houden; maar het is verraden, en
+de duivel alleen kan u zeggen door wien. Ik heb echter de zaak eene
+zoo goede wending mogelijk gegeven; ge zijt veilig, als ge van Rebekka
+afziet. Men beklaagt u, als het slachtoffer van tooverkunsten. Ze is
+eene tooveres en moet als zoodanig sterven."
+
+"Bij den Hemel, dat zal ze niet!" riep Bois-Guilbert.
+
+"Bij den Hemel, ze zal en moet!" hervatte Malvoisin. "Noch gij,
+noch iemand anders kan haar redden. Lucas Beaumanoir heeft bepaald,
+dat de dood dezer Jodin een voldoend zoenoffer zal zijn voor alle
+verliefde zonden der Tempelridders; en ge weet, dat hij zoowel de
+macht als den wil heeft, om een zoo redelijk en vroom voornemen ten
+uitvoer te brengen."
+
+"Zullen toekomende eeuwen gelooven, dat er ooit zulk een dom bijgeloof
+bestaan heeft?" riep Bois-Guilbert, met groote schreden in het vertrek
+heen en weêr gaande.
+
+"Wat men gelooven zal, weet ik niet," hernam Malvoisin bedaard;
+"maar ik weet wel, dat in onze dagen negen en negentig van de honderd
+geestelijken en leeken _Amen!_ zullen roepen bij het vonnis van den
+Grootmeester."
+
+"Ik heb het gevonden," zei Bois-Guilbert; "Albert, ge zijt mijn
+vriend. Gij moet haar laten ontvluchten, Malvoisin, en ik zal haar
+naar een meer geheime plaats brengen."
+
+"Dat kan ik niet, al wilde ik het ook," hervatte de Preceptor,
+"het huis is gevuld met de volgelingen des Grootmeesters, en van
+anderen, die hem toegedaan zijn. En om oprecht jegens u te zijn,
+broeder, ik zou mij met die zaak niet willen bemoeien, zelfs zoo
+ik hopen kon ze gelukkig ten einde te brengen. Ik heb reeds genoeg
+om uwentwil gewaagd. Ik heb geen lust om geschorst te worden, of
+zelfs mijn Preceptorij te verliezen, om den wil van een opgeschikt
+Jodenmeisje. En als ge mijn raad wilt volgen, dan geeft ge die dolle
+jacht op, en laat uw valk op ander wild los. Bedenk, Bois-Guilbert,--uw
+tegenwoordige rang, uw toekomstige roem, alles hangt van uw naam
+bij de Orde af. Blijft ge bij uwe onzinnige liefde voor deze Rebekka
+volharden, dan zult ge Beaumanoir eene gelegenheid geven, om u ten val
+te brengen; en hij zal ze niet verzuimen. Hij is bang voor den staf,
+welken hij in zijne bevende vingers houdt; en hij weet, dat gij de
+handen stout daarnaar uitstrekt. Twijfel er niet aan, hij bewerkt uw
+val, indien ge hem een zoo schoon voorwendsel, als de bescherming
+van eene Joodsche tooveres, verschaft. Geef toe in deze zaak, want
+gij kunt hem niet weêrstaan. Als gij den staf in uwe eigene krachtige
+vuist hebt, dan kunt ge de dochters van Juda liefkoozen of verbranden,
+naar verkiezing."
+
+"Malvoisin," zei Bois-Guilbert, "ge zijt een koelbloedige--"
+
+"Vriend," hervatte de Preceptor, zich haastende om het ontbrekende
+met een woord aan te vullen, waarvoor Bois-Guilbert waarschijnlijk
+een beleedigende uitdrukking zou gebruikt hebben,--"een koelbloedige
+vriend ben ik, en derhalve te beter geschikt om u raad te geven. Ik
+zeg u nog eens, dat ge Rebekka niet redden kunt. Ik herhaal het: ge
+kunt alleen met haar sterven. Ga, vlieg naar den Grootmeester,--werp
+u aan zijne voeten, en zeg hem--"
+
+"Bij den Hemel! niet aan zijne voeten, maar ik wil den dweper in zijn
+gezicht zeggen--"
+
+"Zeg het hem dan in het gezicht," vervolgde Malvoisin koeltjes,
+"dat ge deze gevangen Jodin tot razernij toe bemint; en hoe meer ge
+uw hartstocht overdrijft, hoe meer zal hij zich haasten om er een
+einde aan te maken door den dood van de schoone tooveres; terwijl
+ge, op de daad betrapt door de bekentenis van eene misdaad in strijd
+met uw eed, geen hulp van uwe broeders kunt verwachten, en dan moet
+ge al uwe schitterende vooruitzichten op eer en macht opgeven en uwe
+lans gebruiken als huurling, in eene of andere nietige twist tusschen
+Vlaanderen en Bourgondië."
+
+"Ge spreekt waarheid, Malvoisin," zei Brian De Bois-Guilbert, na
+een oogenblik bedenkens. "Ik wil den bijgeloovigen grijsaard geen
+voordeel over mij geven; en wat Rebekka betreft, ze heeft aan mij
+niet verdiend, dat ik rang en eer om harentwil zou prijs geven. Ik
+zal haar opgeven!--ik wil haar aan haar lot overlaten, zoo niet--"
+
+"Beperk uw wijs en noodzakelijk besluit niet," viel Malvoisin hem in
+de rede; "vrouwen zijn slechts het speelgoed, waarmede wij onze ledige
+uren aanvullen;--eerzucht is het ernstige doel des levens. Laat duizend
+zulke broze poppen als deze Jodin vernietigen, eer uw mannelijke voet
+stilstaat op de schitterende loopbaan, die zich voor u opent! Voor het
+oogenblik scheiden wij; want men moet ons niet in een vertrouwelijk
+gesprek aantreffen.--Ik moet de zaal voor het gerecht in orde laten
+brengen."
+
+"Hoe!" riep Bois-Guilbert, "zoo spoedig?"
+
+"Ja," antwoordde de Preceptor; "het proces gaat schielijk door,
+als de rechter het vonnis reeds vooraf bepaald heeft."
+
+"Rebekka," zei Bois-Guilbert, toen hij alleen was, "ge zult
+mij waarschijnlijk duur te staan komen;--waarom kan ik u niet
+aan uw lot overlaten, zooals deze koelbloedige schijnheilige mij
+aanbeveelt?--Ééne poging wil ik doen, om u te redden; maar wacht u
+voor ondankbaarheid! want, zoo ik nog eens afgewezen word, dan zal
+mijne wraak mijn liefde evenaren. Het leven en de eer van Bois-Guilbert
+zullen niet in de weegschaal gelegd worden, als verachting en verwijten
+zijne eenige belooning zijn!"
+
+De Preceptor had nauwelijks de noodige bevelen gegeven, of Koenraad
+Mont-Fitchet vervoegde zich bij hem, en onderrichtte hem van het
+besluit des Grootmeesters om de Jodin oogenblikkelijk wegens tooverij
+terecht te stellen.
+
+"Het is voorzeker een droom," zei de Preceptor; "wij hebben vele
+Joodsche geneesheeren, en wij noemen hen geene toovenaars, ofschoon
+ze wonderbaarlijke genezingen verrichten."
+
+"De Grootmeester denkt er anders over," zei Mont-Fitchet; "en Albert,
+ik wil oprecht met u zijn;--tooveres of niet, het is beter, dat
+dit ellendig meisje sterve, dan dat Brian De Bois-Guilbert voor de
+Orde verloren ga, of dat de Orde door inwendige verdeeldheid geschokt
+worde. Ge kent zijn hoogen rang, zijn krijgsroem;--ge kent den eerbied,
+welken velen onzer broeders hem betoonen;--maar dit alles zal hem
+bij onzen Grootmeester niets baten, zoo hij Brian als medeplichtige
+en niet als slachtoffer van deze Jodin beschouwt. Al waren de zielen
+van al de twaalf stammen in haar lichaam vereenigd, dan ware het beter
+dat zij alléén leed, dan dat Bois-Guilbert in haar ondergang deelde."
+
+"Ik heb hem zoo even nog aangezet, om haar op te geven," zei Malvoisin;
+"maar nog eens,--zijn er gronden genoeg om deze Rebekka wegens tooverij
+aan te klagen?--Zal niet de Grootmeester van gevoelen veranderen,
+als hij ziet, dat de bewijzen zoo zwak zijn?"
+
+"Die moeten versterkt worden, Albert!" hernam Mont-Fitchet; "die
+moeten versterkt worden. Verstaat ge mij?"
+
+"Ja," antwoordde de Preceptor; "ik aarzel ook niet, om iets tot het
+welzijn der Orde te doen;--maar er is weinig tijd over om geschikte
+werktuigen te vinden."
+
+"Malvoisin, die _moeten_ gevonden worden," hervatte Koenraad; "het
+zal u en de Orde groot voordeel aanbrengen. Dit Templestowe is een
+arme Preceptorij,--die van Maison-Dieu is nog eens zoo rijk;--ge kent
+mijn invloed bij onzen grijzen aanvoerder;--vind menschen, die deze
+zaak kunnen doorzetten, en ge wordt Preceptor van Maison-Dieu in het
+vruchtbare Kent.--Wat zegt ge daarvan?"
+
+"Er zijn," hernam Malvoisin, "onder de lieden, die met Bois-Guilbert
+hier gekomen zijn, twee menschen, die ik goed ken; ze zijn bedienden
+van mijn broeder Philip de Malvoisin geweest; en zijn uit zijn dienst
+in dien van Front-de-Boeuf overgegaan.--Misschien weten ze iets van
+de tooverij dezer vrouw."
+
+"Ga, en zoek hen dadelijk op,--en hoor eens; als een paar _byzantijnen_
+hun geheugen versterken kunnen, laat het dan daaraan niet ontbreken."
+
+"Ze zouden voor een _zechin_ zweren, dat de moeder, die hun het leven
+geschonken heeft, eene tooveres was," zei de Preceptor.
+
+"Ga dan," zei Mont-Fitchet; "tegen den middag zal de zaak voortgang
+hebben. Ik heb onzen chef in geene zoo ernstige stemming gezien,
+sedert hij Hamet Alfagi, een bekeerde, die weder tot den Turkschen
+godsdienst afviel, tot den brandstapel veroordeelde."
+
+De zware klok van het kasteel had het middaguur verkondigd, toen
+Rebekka voetstappen op de trap hoorde, welke naar hare gevangenis
+leidde. Het geraas kondigde de aankomst van verscheidene personen
+aan, en deze omstandigheid was haar een troost; want zij vreesde de
+bezoeken van den trotschen en driftigen Bois-Guilbert meer dan eenig
+ander kwaad, dat haar overkomen kon. De deur van het vertrek werd
+geopend, en Koenraad trad met den Preceptor Malvoisin en vier in het
+zwart gekleede wachters, met hellebaarden gewapend, binnen.
+
+"Dochter van een vervloekten stam," zei de Preceptor, "sta op en
+volg ons!"
+
+"Waarheen?" vroeg Rebekka, "en waartoe?"
+
+"Meisje," antwoordde Koenraad, "het past u niet te vragen; maar te
+gehoorzamen. Evenwel moogt gij vernemen, dat gij voor de vierschaar
+van den Grootmeester van onze Heilige Orde zult gebracht worden,
+om daar rekenschap van uwe zonde te geven."
+
+"De God Abrahams zij geloofd," riep Rebekka, de handen dankbaar
+ineenslaande; "de naam van een rechter, ofschoon een vijand van ons
+volk, klinkt in mijn ooren als die van een beschermer. Gaarne volg
+ik u;--vergun mij slechts mijn sluier om mijn hoofd te slaan."
+
+Zij gingen de trap met langzame en plechtige schreden af, door een
+lange galerij, en traden door een vleugeldeur aan het eene einde
+in de groote zaal, waarin de Grootmeester voor het oogenblik zijn
+gerechtshof had opgeslagen.
+
+Het benedenste gedeelte van dit ruim vertrek was opgevuld met
+gewapenden en landslieden, die niet zonder zwarigheid plaats voor
+Rebekka maakten, die, begeleid door den Preceptor en Mont-Fitchet
+en gevolgd door de hellebaardiers, zich naar de aangewezen plaats
+begaf. Terwijl zij, met gevouwen handen en voorover gebogen hoofd,
+door den hoop ging, werd haar een stukje papier in de hand gestopt;
+zij ontving het bijna zonder het te weten, en hield het vast zonder
+naar den inhoud te zien. De verzekering echter, dat zij een vriend
+in deze verschrikkelijke vergadering had, gaf haar moed om rond te
+zien, en op te merken in wiens tegenwoordigheid zij zich bevond. Zij
+ontwaarde een tooneel, dat wij trachten zullen in het volgende
+hoofdstuk te beschrijven.
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Streng was de wet, die haar dienaars dwong, het hart
+ Te sluiten voor 't gevoel van aardsch' ellende en smart,
+ Streng was de wet voorwaar, die menschen dorst bevelen,
+ Om nimmer in de vreugd, hoe schuldloos ook, te deelen:
+ Maar eindloos strenger nog de wet, die d'ijzren staf
+ Der dwinglandij aanvaardde, alsof haar God dien gaf.
+
+ De Middeleeuwen.
+
+
+De rechtbank, opgericht voor het proces der onschuldige en ongelukkige
+Rebekka, besloeg het hoogere of bovenste einde van de groote zaal,
+dat wij reeds als de eereplaats beschreven hebben, bestemd om de
+aanzienlijkste bewoners of gasten te ontvangen.
+
+Op een verheven gestoelte, vlak voor de aangeklaagde, zat de
+Grootmeester der Tempeliers, in een wijd, ruim, wit kleed, vol plooien,
+in zijn hand den mystieken staf houdende, waarop het zinnebeeld der
+Orde prijkte. Vóór hem stond eene tafel, waaraan twee schrijvers
+zaten, de kapelanen der Orde, wier plicht het was om hetgeen voorviel
+behoorlijk ten protocol te brengen. De zwarte kleeding, de geschoren
+kruinen en het nederig voorkomen van deze geestelijken, vormde een
+sterke tegenstelling met de krijgshaftige houding van de aanwezige
+ridders, die of in de Preceptorij huisvestten, of in gezelschap van
+hun Grootmeester daarheen gekomen waren. De Preceptoren, ten getale
+van vier, bezetten de zitplaatsen, welke minder hoog en wat verder
+naar achteren waren, dan die van hun opperhoofd, en de ridders,
+die geen hoogeren rang in de Orde bekleedden, zaten op nog lager
+banken, op denzelfden afstand van de Preceptoren, als dezen van den
+Grootmeester. Achter hen, maar nog altijd op het verhevene gedeelte
+der zaal, stonden de schildknapen der Orde, in witte kleederen van
+mindere fijnheid. De geheele vergadering had een deftig voorkomen,
+en op het gelaat der ridders bespeurde men blijken van krijgshaftigen
+moed, vereenigd met al den ernst, die mannen van geestelijken stand
+past, en dien geen van hen in tegenwoordigheid van hun Grootmeester
+verzuimde aan te nemen.
+
+Het overige, lagere gedeelte van de zaal was gevuld met wachten,
+die gewapend waren met hellebaarden, en met andere lieden, welke de
+nieuwsgierigheid daarheen gelokt had, om tegelijk een Grootmeester
+en eene Joodsche tooveres te zien. Verreweg de meerderheid dezer
+mindere personen was door de een of andere ambtsbetrekking met
+de Orde verbonden en onderscheidden zich dus door eene zwarte
+kleeding. Maar men had ook de boeren uit de omliggende streken
+toegelaten; want Beaumanoir stelde er roem in, om het stichtelijk
+tooneel van de gerechtigheid, die hij uitoefende, zoo openbaar
+mogelijk te maken. Zijne groote blauwe oogen schenen grooter te
+worden, terwijl hij de vergadering overzag, en zijn gelaat scheen te
+stralen met de overtuiging van zijne waardigheid en met de ingebeelde
+verdienstelijkheid van de rol, welke hij speelde. Een psalm, dien
+hij zelf met een diepe, zachte stem, welke de ouderdom nog niet van
+hare kracht beroofd had, medezong, was het begin van den dag: en de
+plechtige tonen: _Venite, exsultemus Domino_, welke de Tempeliers
+zoo dikwijls aanhieven, eer ze ten strijde gingen tegen aardsche
+vijanden, werden door Lucas voor het geschiktst geoordeeld, om tot
+inleiding te dienen voor de naderende zegepraal van het licht over
+de duisternis, zooals hij het noemde. De lang aangehouden noten, door
+een honderdtal mannenstemmen, in het koorgezang geoefend, aangeheven,
+weêrgalmden tot aan de gewelfde zoldering van de zaal, en weêrklonken
+tusschen de pilaren met een aangenaam en toch plechtig geluid, als
+het golven van een machtigen stroom. Toen het gezang ophield, overzag
+de Grootmeester langzaam den kring en bespeurde, dat de zitplaats van
+één der Preceptoren ledig gebleven was. Brian De Bois-Guilbert, wien
+die toekwam, had zijne plaats verlaten, en stond nu aan het uiterste
+einde van een der banken, welke de gewone ridders des Tempels bezetten,
+met de eene hand zijn langen mantel ophoudende, zoodat hij eenigermate
+zijn gezicht bedekte, terwijl hij in de andere zijn zwaard hield,
+welks gevest den vorm van een kruis had, en met de punt van hetwelk hij
+zonder het uit te trekken, langzaam lijnen op den eiken vloer teekende.
+
+"Ongelukkige!" zei de Grootmeester, na een medelijdenden blik op hem
+geslagen te hebben. "Gij ziet, Koenraad, hoe dit heilige werk hem
+kwelt. Zoo ver kan de lichtzinnige blik eener vrouw, door de macht van
+den vorst der duisternis ondersteund, een dapperen en waardigen ridder
+brengen!--Zie, hij kan ons niet aanzien, en haar evenmin; en wie weet
+door welke macht van den boozen geest door wien hij bezeten is, zijne
+hand deze kabbalistische lijnen op den vloer trekt? Mogelijk wordt
+ons leven en onze veiligheid daardoor bedreigd; maar wij trotseeren en
+dagen den boozen geest uit--_Semper leo perculiatur!_" Dit fluisterde
+hij heimelijk zijn vertrouweling Koenraad Mont-Fitchet toe. Hierop
+verhief hij de stem en wendde zich aldus tot de vergadering.
+
+"Eerwaarde en dappere mannen, Ridders, Preceptoren, en Leden van
+deze Heilige Orde, mijn broeders en mijn kinderen!--gij ook edele
+en vrome schildknapen, die er naar streeft om eens dit heilige kruis
+te dragen!--en gij ook, Christenbroeders van allen rang!--verneemt,
+dat het geen gebrek aan macht is, welke de bijeenroeping dezer
+vergadering veroorzaakt heeft, want, hoe onwaardig onze persoon ook
+zij, is ons evenwel met dezen staf volmacht gegeven, om alles wat
+het welzijn van deze onze heilige Orde betreft, te beoordeelen en te
+vonnissen. St. Bernardus heeft in den regel van onzen ridderlijken en
+godsdienstigen stand gezegd, in het negen-en-vijftigste Hoofdstuk [37],
+dat hij niet wilde, dat de broeders in een raad zouden bijeengeroepen
+worden, dan met den wil en op bevel van den Grootmeester; terwijl hij
+het ons overlaat, zooals aan die waardige vaders, welke ons in deze
+onze heilige bediening zijn voorafgegaan, om de gelegenheid, den tijd
+en de plaats te bepalen, wanneer een kapittel van de geheele Orde, of
+eenig gedeelte er van zal worden gehouden. Ook is het in al zoodanige
+zaken onze plicht den raad onzer broeders te hooren, en voorts naar
+ons eigen goeddunken te handelen. Zoodra echter de woedende wolf
+op onze kudde aanvalt en een lid er van heeft weggesleept, dan is
+het de plicht van den goeden herder, om zijne makkers bijeen te
+roepen, opdat ze met bogen en slingers den aanvaller verdrijven,
+volgens onzen welbekenden regel, dat de leeuw altijd moet worden
+verslagen. Wij hebben derhalve in onze tegenwoordigheid gedagvaard
+eene Joodsche vrouw, met name Rebekka, dochter van Izaäk van York,
+eene vrouw, berucht door haar hekserijen en tooverijen, waardoor ze
+het bloed en het brein heeft betooverd niet van een boer, maar van
+een ridder,--niet van een wereldlijken ridder, maar van een ridder,
+aan den dienst des Tempels toegewijd;--niet van een eenvoudig ridder,
+maar van een Preceptor van onze Orde, den eerste in roem, zoowel als
+in rang. Onze broeder Brian De Bois-Guilbert is ons en allen, die
+mij hooren, wel bekend als een waardig en ijverig kampvechter van het
+kruis, wiens arm menige dappere daad in het Heilige Land verricht, en
+de heilige oorden door het bloed der ongeloovigen, die ze bewoonden,
+van bezoedeling gezuiverd heeft. Niet minder dan zijne dapperheid en
+krijgskunde is de schranderheid en voorzichtigheid van onzen broeder
+aan zijn medebroeders gebleken; in zooverre, dat ridders, zoowel in het
+Oosten als in het Westen, Bois-Guilbert een man genoemd hebben, die
+wèl als onze opvolger in het voeren van dezen staf in aanmerking zou
+kunnen komen, wanneer het den Hemel behagen zal, ons te verlossen van
+den last, dien te dragen. Indien men ons zeide, dat zulk een man, zóó
+geëerd en zóó eerwaardig, plotseling alle achting voor zijn karakter,
+zijne gelofte, zijne broeders, zijne vooruitzichten verwerpende,
+een Joodsch meisje tot zich genomen, en in dit schandelijk gezelschap
+eenzame plaatsen bezocht had; hare persoon, ten koste van de zijne,
+verdedigd had, en kortom zoodanig verblind en verzot was, dat hij
+haar zelfs in een van onze Preceptorijen gebracht had; wat zouden
+wij dan anders zeggen, dan dat de edele ridder door eenigen boozen
+geest bezeten, of door eenige boosaardige betoovering verstrikt
+was?--Indien wij het anders konden veronderstellen, denkt dan niet,
+dat rang, moed, vermaardheid, of eenige aardsche bedenking ons zou
+weerhouden om hem met straf te bezoeken, opdat de booze mocht worden
+uitgedreven, volgens den tekst: _Auferte malum ex vobis_.
+
+"Want menigvuldig en ergerlijk zijn de overtredingen tegen de
+regels van onze gezegende Orde in deze droevige zaak. 1°. Hij
+is naar zijn eigen vrijen wil rondgetrokken, strijdig met het
+drie-en-dertigste hoofdstuk: _Quod nullus iuxta propriam voluntatem
+incedat_. 2°. Hij heeft verkeering gehouden met een van de Kerk
+uitgesloten persoon,--zeven-en-vijftigste hoofdstuk: _Ut fratres
+non participent cum excommunicatis_; en derhalve is hij onderhevig
+aan het _Anathema Maranatha_. 3°. Hij heeft met vreemde vrouwen
+verkeerd, strijdig met het hoofdstuk: _Ut fratres non conversentur
+cum extraneis mulieribus_. 4°. Hij heeft niet alleen den kus eener
+vrouw niet vermeden, maar zooals ik vreezen moet, er om aangezocht;
+waardoor, gelijk de laatste regel van onze beroemde Orde zegt, _ut
+fugiantur osculo_, de soldaten van het kruis in een valstrik gelokt
+worden. Voor deze schandelijke en menigvuldige misdaden moest Brian De
+Bois-Guilbert uit onze broederschap worden afgesneden en uitgeworpen,
+al ware hij er de rechterhand en het rechteroog van!"
+
+Hij zweeg. Een zacht gefluister verspreidde zich door de
+vergadering. Eenige van de jonge ridders, die genegen schenen om te
+glimlachen over de wet: _De osculis fugiendis_, werden thans ernstig
+genoeg en wachtten met ongeduld op hetgeen de Grootmeester verder
+zou voordragen.
+
+"Zoodanig," vervolgde hij, "en zoo streng moest inderdaad de straf van
+een Tempelridder zijn, die de regels zijner Orde op zulke gewichtige
+punten willens en wetens overtrad. Maar wanneer door middel van
+tooverkunsten de Satan macht over den ridder verkregen heeft,
+misschien omdat hij zijn oog te lichtvaardig op de schoonheid van
+een meisje wierp, dan moeten wij zijne dwaling eerder beklagen dan
+bestraffen, en hem slechts een straf opleggen, welke hem van zijne
+zonden kan reinigen, het geheele gewicht van onzen toorn wenden
+tegen het vervloekte werktuig, dat bijna zijn geheelen val had teweeg
+gebracht. Treedt voor, derhalve, en getuigt, gij, die deze ongelukkige
+gebeurtenissen bijgewoond hebt, opdat wij de bewijzen mogen onderzoeken
+en oordeelen, of onze gerechtigheid zich kan tevreden stellen met de
+bestraffing van deze ongeloovige vrouw, dan of wij met een bloedend
+hart tot verdere vervolging tegen onzen broeder moeten overgaan."
+
+Er werden verscheidene getuigen geroepen, om het gevaar te bewijzen,
+waaraan Bois-Guilbert zich had blootgesteld, toen hij Rebekka uit het
+brandend kasteel redde, en haar met minachting zijner eigene veiligheid
+beschermd had. De menschen deden dit verhaal met de overdrijving
+eigen aan gemeene lieden, die sterk door de eene of andere bijzondere
+gebeurtenis getroffen zijn; en hunne natuurlijke neiging voor het
+wonderbare werd zeer verhoogd door het genoegen, dat hunne getuigenis
+den aanzienlijken man scheen te verschaffen, voor wien ze afgelegd
+werd. Dus waren de gevaren, welke Bois-Guilbert te boven gekomen was,
+hoewel op zichzelve groot genoeg, volgens hun verhaal ongelooflijk. De
+ijver des ridders in de verdediging van Rebekka werd overdreven,
+niet alleen boven de grenzen van het gezond verstand, maar zelfs van
+den dolzinnigsten riddermoed; en zijne onderworpenheid voor hetgeen
+ze zeide, schoon ze dikwijls op een strengen, verwijtenden toon tot
+hem sprak, werd afgeschilderd als zoo slaafsch, dat ze bij een man
+van een zoo trotsch karakter onnatuurlijk moest schijnen.
+
+Daarna werd de Preceptor van Templestowe geroepen, om de wijze te
+beschrijven, waarop Bois-Guilbert en de Jodin bij de Preceptorij
+waren aangekomen. De getuigenis van Malvoisin werd met de uiterste
+voorzichtigheid gegeven. Maar terwijl hij zich er schijnbaar op
+toelegde, om het gevoel van Bois-Guilbert te sparen, liet hij van tijd
+tot tijd eenige wenken vallen, welke schenen aan te duiden, dat hij
+onder eenige verstandsverbijstering leed, daar hij zoo innig gehecht
+scheen aan het meisje, dat hij medebracht. Met teekenen van berouw
+bekende de Preceptor de zonde, die hij begaan had door Rebekka en haar
+ridder binnen de Preceptorij te ontvangen.--"Maar mijne verdediging,"
+zoo besloot hij, "heb ik aan onzen Grootmeester voorgedragen; hij weet,
+dat mijne beweegredenen niet slecht waren, al strijdt ook mijn gedrag
+tegen den regel. Goedwillig zal ik mij aan iedere boete onderwerpen,
+welke hij mij opleggen zal."
+
+"Gij hebt goed gesproken, broeder Albert," zei Beaumanoir; "uwe
+beweegredenen waren goed, dewijl gij daarin gelijk hadt, dat gij uw
+dwalenden broeder op zijne dolzinnige loopbaan wildet stuiten. Maar
+uwe handelwijze was verkeerd:--gelijk hij, die een hollend paard wil
+tegenhouden en het bij den stijgbeugel in plaats van bij den toom
+vat, zelf beschadigd wordt, in plaats van nut te stichten. Onze vrome
+stichter heeft dertien _paternosters_ bepaald voor den morgendienst en
+negen voor den avonddienst; gij moet dit getal verdubbelen. Driemaal
+in de week is het den Tempelier vergund vleesch te nuttigen; gij moet
+de geheele week vasten. Als gij dit zes weken lang volgehouden hebt,
+is uw boete volbracht."
+
+Met een schijnheiligen blik der diepste onderwerping, boog de Preceptor
+van Templestowe tot den grond voor zijn Grootmeester, en begaf zich
+weder op zijne plaats.
+
+"Zou het niet goed zijn, broeders," vervolgde de Grootmeester,
+"dat wij eenig onderzoek deden naar het vroeger leven en verkeer
+van deze vrouw, vooral om te ontdekken, of het waarschijnlijk is,
+dat zij van hekserijen en tooverkunsten gebruik gemaakt heeft, daar
+de waarheden, die wij gehoord hebben, ons wel zouden doen gelooven,
+dat onze dwalende broeder in deze ongelukkige onderneming door eenige
+helsche verleidingen en bedriegerijen aangedreven is?"
+
+Herman Van Goodalricke was de vierde Preceptor, die tegenwoordig was;
+de drie anderen waren Koenraad, Malvoisin en Bois-Guilbert zelf. Herman
+was een oud krijgsman, wiens gezicht bedekt was met litteekens van
+de sabelhouwen der Muzelmannen, en die in groote achting stond en
+veel gezag had onder zijn broeders. Hij stond op en boog diep voor
+den Grootmeester, die hem dadelijk verlof gaf om te spreken. "Ik
+zou gaarne, eerwaarde vader, van onzen dapperen broeder Brian De
+Bois-Guilbert zelven, willen vernemen wat hij op deze wonderbare
+beschuldigingen zegt, en met welk oog hij thans zelf zijne onzalige
+verkeering met dit Joodsche meisje aanschouwt?"
+
+"Brian De Bois-Guilbert," zei de Grootmeester, "gij hoort de vraag,
+waarop onze broeder van Goodalricke begeert, dat gij antwoorden
+zult. Ik beveel u hem bescheid te geven."
+
+Bois-Guilbert wendde het hoofd naar den Grootmeester, toen hij dus
+aangesproken werd, en bewaarde het stilzwijgen!
+
+"Hij is door den duivel der sprakeloosheid bezeten!" zei de
+Grootmeester. "Wijk, Satanas!--Brian De Bois-Guilbert, ik bezweer u
+bij dit teeken van onze heilige Orde!"
+
+Bois-Guilbert deed eene poging, om zijne klimmende minachting en
+verontwaardiging te onderdrukken, daar hij wel begreep, dat eene
+uitbarsting hem weinig zou geholpen hebben.
+
+"Brian De Bois-Guilbert," hernam hij, "antwoordt niet, eerwaarde
+vader, op zulke onbepaalde en ijdele aanklachten. Indien zijne eer
+aangetast wordt, dan zal hij die met zijn lichaam en met zijn zwaard,
+dat zoo dikwijls voor het Christendom gestreden heeft, verdedigen."
+
+"Wij vergeven u, broeder Brian," zei de Grootmeester, "dat gij in
+onze tegenwoordigheid op uw krijgsdaden roemt, want dit komt van den
+booze, die ons in de verzoeking brengt, om onze eigene verdiensten te
+vergrooten. Maar gij hebt onze vergiffenis, daar ik begrijp, dat gij
+minder uit uw eigen mond spreekt dan uit dien van hem, welken wij,
+met Gods hulp, uit deze vergadering denken te verdrijven."
+
+Een blik van verachting vlamde in het zwarte, dreigende oog van
+Bois-Guilbert, maar hij antwoordde niet.--"En nu," vervolgde de
+Grootmeester, "daar de vraag van onzen broeder van Goodalricke
+zoo onvolledig beantwoord is, willen wij ons onderzoek vervolgen,
+broeders, en, met behulp van onzen beschermheilige, dit goddeloos
+geheim tot op den grond toe nasporen. Laten zij, die iets te getuigen
+hebben aangaande het leven en het verkeer dezer Jodin, te voorschijn
+treden." Er ontstond een gedruisch in het benedenste gedeelte van
+de zaal, en toen de Grootmeester naar de reden vroeg, antwoordde
+men hem, dat er zich onder den hoop een man bevond, die bedlegerig
+geweest was, en dien de gevangene door een wonderdadigen balsem het
+volkomen gebruik van zijne ledematen teruggegeven had.
+
+De arme boer, een Sakser van geboorte, werd naar voren gesleept,
+sidderend voor de straf, welke hem zou kunnen treffen, omdat hij door
+een Jodenmeisje van de gevolgen eener beroerte genezen was. Volkomen
+genezen was hij zeker niet, want hij steunde nog op zijn krukken,
+terwijl hij zijne getuigenis aflegde. Zeer ongaarne en met veel
+tranen verhaalde hij, dat hij twee jaren te voren, te York wonende,
+door eene zware ziekte werd aangetast, terwijl hij in zijn beroep
+van schrijnwerker voor Izaäk, den rijken Jood werkte; dat hij
+buiten staat geweest was, om van het bed op te staan, voordat de
+geneesmiddelen, welke hij op Rebekka's aanwijzing gebruikt had,
+en vooral een verwarmende en geurige balsem, hem eenigermate het
+gebruik zijner ledematen teruggegeven hadden. Daarenboven zei hij,
+dat zij hem een potje met die kostelijke zalf gegeven en nog een stuk
+geld geschonken had, om naar het huis van zijn vader in de nabijheid
+van Templestowe terug te keeren. "En met uw eerwaarde's verlof," zei
+de man, "ik kan niet gelooven, dat het meisje mij kwaad doen wilde,
+ofschoon zij het ongeluk heeft eene Jodin te zijn; want zelfs toen
+ik haar middel gebruikte, zeide ik het _pater_ en _credo_ op, en het
+werkte toch niet minder heilzaam."
+
+"Zwijg, slaaf," zei de Grootmeester, "en vertrek! Het past wel aan
+honden, gelijk gij zijt, om zich met helsche genezingen in te laten,
+en bij de zonen des ongeloofs te werken. Ik zeg u, de booze kan ziekten
+opleggen alleen om ze te genezen, en daardoor eenig helsch geneesmiddel
+in aanzien te brengen. Hebt gij de zalf nog, waarvan gij spreekt?"
+
+Na met eene bevende hand in den boezem getast te hebben, haalde
+de boer een kleine doos te voorschijn, op welker deksel eenige
+Hebreeuwsche letters stonden, wat bij het grootste gedeelte der
+toehoorders een zeker bewijs was, dat de duivel voor apotheker
+gespeeld had. Beaumanoir nam, na een kruis gemaakt te hebben, de
+doos in de hand, en, daar hij de meeste Oostersche talen verstond,
+las hij gemakkelijk het opschrift: _de leeuw van den stam van Juda
+heeft verwonnen_. "Wonderbare macht des Satans!" riep hij, "welke de
+Heilige Schrift in godslastering kan veranderen, en vergif onder ons
+noodzakelijk voedsel mengt!--Is er hier geen geneeskundige, die ons
+de bestanddeelen van deze geheimzinnige zalf zeggen kan?"
+
+Twee geneesmeesters, zooals ze zich noemden, de een een monnik en de
+andere een barbier, verschenen, en verklaarden, dat ze niets van de
+bestanddeelen wisten; behalve dat ze naar myrrhe en kamfer roken,
+welke zij voor Oostersche kruiden hielden. Maar met den echten
+broodnijd bezield tegen een gelukkigen beoefenaar van hunne kunst,
+gaven zij te kennen, dat, nu het geneesmiddel hunne kennis te boven
+ging, het noodzakelijk uit ongeoorloofde, betooverde bestanddeelen
+moest bereid zijn, daar zij, ofschoon geen toovenaars, iederen tak
+van hunne kunst verstonden, voor zoover ze een goed Christen op een
+eerlijke wijze kon beoefenen. Toen dit geneeskundig onderzoek gedaan
+was, verzocht de Saksische boer nederig, dat men hem het geneesmiddel
+zou teruggeven, dat hij zoo heilzaam bevonden had, maar de Grootmeester
+fronste de wenkbrauwen bij dit verzoek. "Hoe heet gij, mensch?" vroeg
+hij den kreupele.
+
+"Higg, de zoon van Snell," antwoordde de boer.
+
+"Dan zeg ik u, Higg, zoon van Snell," zei de Grootmeester, "dat het is
+beter bedlegerig te zijn, dan artsenij van ongeloovigen aan te nemen,
+om te kunnen opstaan en wandelen;--dat het beter is de ongeloovigen
+met geweld van hunne schatten te berooven, dan weldaden van hen aan te
+nemen, of hen voor loon te dienen. Ga heen, en doe wat ik gezegd heb!"
+
+"Och," zuchtte de boer, "met uw eerwaarde's verlof, die les komt nu
+te laat voor mij; want ik ben maar een kreupel mensch, maar ik zal
+aan mijn twee broeders, die bij den rijken Rabbijn Nathan Ben Samuel
+dienen, zeggen, dat de Grootmeester het voor eerlijker houdt hem te
+bestelen, dan hem trouw te dienen."
+
+"Voort met dien praatzieken dwaas!" riep Beaumanoir, die er niet op
+gevat was om deze practische toepassing van zijn algemeenen regel
+te beantwoorden.
+
+Higg, de zoon van Snell, trok zich onder de menigte terug; maar,
+daar hij in het lot zijner weldoenster belang stelde, toefde hij
+om haar vonnis te vernemen, zelfs op gevaar om nog eens den blik
+van dien strengen rechter te moeten verdragen, die hem van angst had
+doen ineenkrimpen. Thans beval de Grootmeester aan Rebekka om zich te
+ontsluieren. Haar lippen voor de eerste maal openende, antwoordde zij,
+"dat het niet de gewoonte was van de vrouwen van haar stam, het gelaat
+te ontblooten, wanneer zij alléén in gezelschap van vreemdelingen
+waren." De zoete klank van haar stem en de zachtheid van haar antwoord
+boezemden den toehoorders medelijden en belangstelling in. Maar
+Beaumanoir, in wiens gemoed het onderdrukken van elk menschelijk
+gevoel, dat hem belemmeren kon in hetgeen hij voor plicht hield,
+eene deugd was, herhaalde zijn bevel, dat zijn slachtoffer zich
+ontsluieren moest. De wachten wilden dus haar sluier wegrukken, toen
+zij oprees en tot den Grootmeester zei: "Ach, bij de liefde voor uwe
+eigene dochters!--Helaas!" vervolgde zij, zich bedenkende, "gij hebt
+geene dochters,--bij de liefde voor uwe zusters en voor vrouwelijke
+zedigheid, laat mij niet in uw tegenwoordigheid zoo ruw behandeld
+worden; het betaamt niet, dat een meisje door zulke handen aangeraakt
+worde. Ik zal u gehoorzamen," voegde zij er bij, met eene uitdrukking
+van geduldige smart in hare stem, welke bijna het hart van Beaumanoir
+zelven verteederd had. "Gij zijt de ouderlingen van uw volk, en op uw
+bevel zal ik u de gelaatstrekken van een rampzalig meisje vertoonen."
+
+Zij sloeg den sluier terug, en zag hen aan met een blik, waarin
+beschroomdheid met waardigheid streed. Hare buitengewone schoonheid
+verwekte een gefluister van verbazing, en de jongere ridders zeiden
+elkander door hun blikken, dat Brian's beste verontschuldiging eerder
+in de kracht van hare wezenlijke bekoorlijkheden, dan aan haar
+gewaande tooverij lag. Maar Higg, de zoon van Snell, gevoelde het
+diepst de uitwerking, welke het gelaat van zijn weldoenster teweeg
+bracht. "Laat mij heengaan!" riep hij de wachten aan de deur van
+de zaal toe:--"Laat mij vertrekken!--nog één blik zal mij dooden,
+want ik heb deel aan hare vermoording!"
+
+"Stil, vriend," zei Rebekka, toen ze deze klachten hoorde, "gij hebt
+mij geen kwaad gedaan door de waarheid te spreken;--gij kunt mij door
+uwe klachten, of berouw niet helpen. Wees stil, bid ik u;--ga naar
+huis en zorg voor uwe eigene veiligheid."
+
+Higg was op het punt, om door de medelijdende wachters naar buiten
+gezonden te worden, daar zij vreesden, dat zijne luidruchtige smart
+hun verwijten en hem straf op den hals zou halen. Maar hij beloofde
+stil te zijn, en kreeg verlof om te blijven. De twee krijgslieden, met
+welken Albert Malvoisin niet verzuimd had, over hunne getuigenis te
+spreken, werden nu te voorschijn geroepen. Ofschoon beiden verharde
+en verstokte booswichten waren, scheen evenwel de aanblik van de
+gevangene en haar uitstekende schoonheid hen een weinig te verwarren;
+maar een veelbeteekenende blik van den Preceptor van Templestowe
+gaf hun hunne ongevoelige verstoktheid terug, en ze verhaalden met
+eene nauwkeurigheid, welke aan minder partijdige rechters verdacht
+zou zijn geweest, omstandigheden, welke òf geheel verzonnen, òf
+nietsbeteekenend en eenvoudig in zich zelve waren, maar die ongunstig
+werkten door de vergrooting en de verkeerde uitlegging, welke de
+getuigen aan de daadzaken gaven. De punten waarover hun getuigenis
+liep, zouden in nieuwere tijden in twee klassen verdeeld geworden
+zijn,--die, welke niet belangrijk en die welke physiek onmogelijk
+waren. Maar ze werden beide in die tijden van onkunde en bijgeloof
+gereedelijk voor bewijzen van schuld aangenomen.--De eerste klasse
+behelsde, dat men Rebekka in eene onbekende taal in zich zelve had
+hooren praten,--dat de liederen, welke zij van tijd tot tijd zong,
+een bijzonder zachten toon hadden, welke de ooren boeide en het hart
+trof;--dat ze soms met zich zelve sprak, en naar boven keek, alsof ze
+antwoord wachtte,--dat hare kleeding wonderbaarlijk en vreemd was,
+geheel ongelijk aan die van eerbare vrouwen;--dat ze ringen had,
+waarop kabbalistische spreuken stonden, en dat er vreemde letters op
+haren sluier geborduurd waren. Al deze omstandigheden, hoe natuurlijk
+en onbeduidend ook, werden ernstig aangehoord, als bewijzen, dat
+Rebekka eene ongeoorloofde verkeering met booze geesten had.
+
+Maar er waren minder dubbelzinnige bewijzen, welke de lichtgeloovigen
+in de vergadering gretig aanhoorden, hoe onwaarschijnlijk ze ook
+waren. Een der soldaten had haar eene genezing zien verrichten aan een
+gekwetste, die met hen naar Torquilstone gebracht was. Zij maakte, zei
+hij, zekere teekens over de wond, en herhaalde zekere geheimzinnige
+woorden, welke hij God dankte, dat hij niet verstond, en dadelijk
+ging de ijzeren punt van den schicht van een armboog uit de wond los;
+het bloeden werd gestild; de wond sloot zich, en de stervende liep
+binnen een kwartier weder gezond op de wallen, en hielp den getuige
+een steenslinger besturen. Dit verhaal was waarschijnlijk op de
+daadzaak gegrond, dat Rebekka den gekwetsten Ivanhoe had opgepast,
+toen hij in het kasteel van Torquilstone gevangen was. Maar het was
+des te moeielijker om de nauwkeurigheid van den getuige te betwisten;
+daar hij, om een zichtbaar bewijs bij zijne mondelinge getuigenis te
+voegen, uit zijn zak de punt van den schicht haalde, welke, volgens
+zijn verhaal, zoo wonderdadig uit de wond getrokken was; en daar
+het ijzer een vol ons woog, bevestigde dit volkomen het verhaal,
+hoe wonderbaar het ook klonk.
+
+Zijn makker was van een naburig bolwerk getuige geweest van het
+tooneel tusschen Rebekka en Bois-Guilbert, toen zij op het punt was,
+om zich boven van den toren neder te storten. Om niet minder dan
+zijn kameraad te zijn, verhaalde hij, dat hij Rebekka had gezien,
+toen zij zich op de borstwering van den toren neêrzette, waar zij de
+gedaante van eene witte zwaan had aangenomen, en zoo driemaal om het
+kasteel van Torquilstone gefladderd had; dat zij hierop zich weder
+op den toren neêrgelaten en haar menschelijke gedaante hernomen had.
+
+Minder dan de helft van deze zwaarwichtige getuigenis zou voldoende
+geweest zijn om elke arme en leelijke oude vrouw, al ware zij geen
+Jodin geweest, van tooverij te overtuigen. Daarenboven, waren
+de bewijzen bezwaard door Rebekka's jeugd, en hare betooverende
+schoonheid.
+
+De Grootmeester had de stemmen opgenomen, en vroeg thans op plechtigen
+toon aan Rebekka, wat zij te zeggen had tegen het vonnis, dat hij op
+het punt stond van uit te spreken.
+
+"Uw medelijden in te roepen," zei de bekoorlijke Jodin, met eene stem,
+die van aandoening beefde, "zou, dat begrijp ik, even nutteloos,
+als verachtelijk zijn. Te beweren, dat het ondersteunen van zieken
+en gewonden van een anderen godsdienst aan den erkenden Stichter van
+ons beider godsdienst niet ongevallig zijn kan, zou even vruchteloos
+zijn; staande te houden, dat vele dingen, welke deze mannen (de Hemel
+vergeve het hun!) tegen mij verklaard hebben, onmogelijk zijn, zou
+mij weinig baten, daar gijlieden aan de mogelijkheid ervan gelooft, en
+nog minder zou het mij helpen, te verklaren, dat de bijzonderheden van
+mijne kleeding, taal en zeden, aan mijn volk eigen zijn,--bijna had ik
+gezegd aan mijn vaderland: maar helaas! wij hebben geen vaderland. Ik
+wil mij niet eens verdedigen ten koste van mijn onderdrukker, die
+dáár staat en naar de verdichtselen en overdrijvingen luistert,
+welke den dwingeland in het slachtoffer schijnen te veranderen. De
+Hemel beslisse tusschen hem en mij! maar liever wilde ik tienmaal den
+dood ondergaan, welken gij goedvinden kunt over mij uit te spreken,
+dan aan de aanzoeken gehoor geven, welke deze zoon Belial's mij
+gedaan heeft,--mij, die zonder vriend of beschermer, en zijn gevangene
+was. Maar hij behoort tot uw geloof, en zijn geringste woord zou tegen
+de plechtigste betuigingen der ongelukkige Jodin opwegen. Ik wil dus
+de tegen mij gedane beschuldiging niet op hem terug werpen; maar op
+hem zelven,--ja, Brian De Bois-Guilbert, op u zelven beroep ik mij,
+of deze beschuldigingen niet even valsch, gruwelijk en lasterlijk
+als schandelijk zijn?"
+
+Er ontstond een plechtige stilte; aller oogen vestigden zich op Brian
+De Bois-Guilbert. Hij zweeg.
+
+"Spreek!" zei ze, "zoo gij een man zijt,--zoo gij een Christen zijt,
+spreek!--Ik bezweer u bij het kleed, dat gij draagt,--bij den naam,
+dien gij geërfd hebt,--bij de ridderschap waarop gij u beroemt,--bij
+de eer uwer moeder,--bij het graf en het gebeente van uw vader;--ik
+bezweer u te zeggen, zijn deze dingen waar?"
+
+"Antwoord haar, broeder," zei de Grootmeester, "als de vijand, met
+welken gij worstelt, u zulks vergunt."
+
+Inderdaad scheen Bois-Guilbert door tegenstrijdige aandoeningen
+bewogen, welke zijne gelaatstrekken misvormden, en met groote
+inspanning antwoordde hij eindelijk, op Rebekka ziende,--"het
+blad! het blad!"
+
+"Waarachtig," riep Beaumanoir, "dat is een getuigenis!--Het slachtoffer
+van haar tooverkunsten kan alleen het noodlottige blad noemen,--en
+de tooverteekens, die er op geschreven staan, zijn zonder twijfel de
+reden van zijn stilzwijgen."
+
+Maar Rebekka gaf eene andere uitlegging aan de woorden, welke aan
+Bois-Guilbert als het ware afgeperst waren, en haar oog slaande op het
+stukje perkament, dat zij nog altijd in de hand hield, las zij daarop,
+in Arabische letters: "Vraag een kampvechter!"--Het gemor, dat zich
+over het zonderlinge antwoord van Bois-Guilbert door de vergadering
+verspreidde, gaf Rebekka den tijd, om het blad onopgemerkt te lezen
+en te vernielen, zooals zij geloofde. Toen het gedruisch ophield,
+vatte de Grootmeester het woord op. "Rebekka, gij kunt geen voordeel
+trekken uit de getuigenis van dezen ongelukkigen ridder, over wien,
+zooals wij wel bespeuren, de booze geest nog te machtig is. Hebt gij
+nog iets anders te zeggen?"
+
+"Er is mij nog ééne kans over om mijn leven te redden," antwoordde
+Rebekka, "zelfs volgens uwe wreede wetten. Mijn leven is ellendig
+geweest,--ten minste sedert eenigen tijd;--maar ik wil het geschenk
+Gods niet wegwerpen, zoolang Hij mij middelen aan de hand geeft,
+om het te verdedigen. Ik loochen deze beschuldigingen;--ik houd mijn
+onschuld staande, en ik verklaar de aanklacht voor valsch.--Ik vorder
+het voorrecht van een Godsoordeel, en zal vertegenwoordigd worden
+door mijn kampvechter!"
+
+"En wie, Rebekka," vroeg de Grootmeester, "zal de lans voor een
+tooveres opnemen?--Wie zal de kampvechter van een Jodin willen zijn?"
+
+"God zal mij een kampvechter zenden," hernam Rebekka. "Het is
+onmogelijk, dat er in het schoone, herbergzame, edelmoedige, vrije
+Engeland, waar zoo velen gereed zijn, om hun leven voor de eer
+in de waagschaal te stellen, niemand gevonden worde, die voor het
+recht strijden wil. Maar het is voldoende, dat ik een Godsgericht
+vorder:--daar ligt mijn pand!" Zij trok haar geborduurden handschoen
+uit, en wierp dien voor de voeten van den Grootmeester, met een
+uitdrukking op haar gelaat, waar zooveel eenvoudigheid met waardigheid
+gepaard ging, dat zij algemeene verbazing en verwondering verwekte.
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Hier ligt mijn pand;
+ Ik houd het vol tot aan het uiterste,
+ Met krijgsmans moed!
+
+ Richard II.
+
+
+Lucas Beaumanoir zelfs werd door het voorkomen van Rebekka
+getroffen. Hij was van natuur geen wreed of hardvochtig mensch, maar
+met eene van natuur koude geaardheid, en met een verheven, schoon
+verkeerd begrip van plicht, was zijn hart langzamerhand verhard
+geworden door zijn kloosterleven, door de hooge macht, welke hij
+uitoefende en door de gewaande noodzakelijkheid om het ongeloof ten
+onder te brengen, en de ketterij uit te roeien, welke verplichting naar
+hij meende, bijzonder op hem rustte. Zijn trekken verloren iets van
+hunne gewone strengheid toen hij het schoone wezen, dat voor hem stond,
+aanschouwde, alleen, zonder een enkelen vriend, en zich met zooveel
+verstand en moed verdedigende. Hij maakte tweemaal het teeken van het
+kruis, alsof hij de oorzaak wantrouwde van die ongewone weekheid van
+een hart, dat bij zulke gelegenheden gewoon was het staal van zijn
+zwaard in hardheid te overtreffen. Eindelijk zei hij:
+
+"Meisje, zoo het medelijden dat ik voor u gevoel, ontstaat uit
+het gebruik van uwe booze kunsten, dan is uw schuld groot. Maar ik
+geloof eerder, dat het de zachtere gewaarwordingen der natuur zijn,
+die zich bedroeft, dat een zoo schoon uiterlijk zooveel slechtheid
+verbergt. Heb berouw, mijne dochter,--beken uwe tooverijen,--verzaak
+uw ongeloof,--omhels dit heilige teeken, en alles zal u nog hier
+en in de toekomst wèl gaan. In een klooster van de strengste orde,
+zult gij tijd hebben, om te bidden en boete te doen, en over zulk
+berouw beklaagt men zich nooit. Doe dit en leef;--wat heeft Mozes'
+wet voor u gedaan, dat gij er voor zoudt sterven?"
+
+"Het is de wet mijner vaderen," zei Rebekka, "welke onder donder en
+storm, in wolken en vuur op den berg Sinaï gegeven werd. Dit gelooft
+gij, zoo gij Christen zijt;--gij zegt, dat die wet herroepen is;
+maar dit hebben mijne leermeesters mij niet geleerd."
+
+"Laat onze kapelaan," zei Beaumanoir, "voortreden en deze hardnekkige
+ongeloovige zeggen,--"
+
+"Vergeef, dat ik u in de rede val;" zei Rebekka zachtjes; "ik ben een
+meisje, niet geleerd genoeg om over mijn godsdienst te redetwisten,
+maar daarvoor sterven kan ik wel, zoo het Gods wil is.--Heb de
+goedheid mij te antwoorden op mijn verzoek, om een kampvechter te
+mogen stellen."
+
+"Geef mij haar handschoen," zei Beaumanoir: "Dit is waarlijk,"
+vervolgde hij, terwijl hij de zachte stof en de kleine vingers
+beschouwde, "een licht en teeder pand voor eene zoo doodelijke
+onderneming. Ziet gij, Rebekka, wat deze uw dunne en kleine handschoen
+tegen een van onze zware stalen handschoenen is, dat is ook uwe zaak
+tegen die van den Tempel; want het is onze Orde, die gij uitgedaagd
+hebt."
+
+"Werp mijne onschuld mede in de schaal," antwoordde Rebekka, "en de
+zijden handschoen zal zwaarder wegen, dan de ijzeren."
+
+"Dus volhardt gij bij uwe weigering om uwe schuld te bekennen, en
+bij de stoute uitdaging, welke gij gedaan hebt?"
+
+"Ik volhard daarbij, edele heer," antwoordde Rebekka.
+
+"Het zij zoo, in naam des Heeren!" zei de Grootmeester, "en moge God
+het recht doen zegepralen!"
+
+"Amen!" riepen de Preceptoren rondom hem, en het woord werd zachtjes
+herhaald door de geheele vergadering.
+
+"Broeders," zei Beaumanoir, "gij gevoelt wel, dat wij aan deze vrouw
+het voorrecht van een Godsgericht wel hadden kunnen weigeren;--maar
+ofschoon zij eene Jodin en eene ongeloovige is, is zij toch vreemd en
+zonder bescherming, en God verhoede, dat zij de hulp van onze zachte
+wetten zou inroepen, en dat wij haar die zouden weigeren. Daarenboven
+zijn wij ridders en soldaten, zoowel als geestelijken, en het ware eene
+schande voor ons, om onder eenig voorwendsel eene uitdaging van de hand
+te wijzen. Zoo staan de zaken thans: Rebekka, de dochter van Izaäk van
+York, is ten gevolge van veelvuldige verdachte omstandigheden wegens
+tooverij, uitgeoefend tegen den persoon van een edelen ridder van onze
+heilige Orde veroordeeld, en zij heeft een Godsgericht gevorderd ten
+bewijze van haar onschuld. Aan wien meent gij, mijne broeders, dat
+wij het pand van den strijd moeten overgeven, en hem dus tot onzen
+kampvechter benoemen?"
+
+"Aan Brian De Bois-Guilbert, die er hoofdzakelijk in betrokken is,"
+zei de Preceptor Van Goodalricke, "en die bovendien het best weet,
+hoe het met de waarheid in deze zaak staat."
+
+"Maar als onze broeder Brian," hervatte de Grootmeester, "onder den
+invloed staat van eene betoovering?--Wij spreken slechts uit voorzorg;
+want aan geen lid van de heilige Orde zouden wij liever deze, of een
+nog gewichtiger zaak toevertrouwen."
+
+"Eerwaarde vader," antwoordde de Preceptor Van Goodalricke, "geene
+betoovering heeft invloed op den kampvechter, die optreedt om in een
+Godsgericht te strijden."
+
+"Gij hebt gelijk, broeder," hernam de Grootmeester. "Albert Malvoisin,
+geef dit onderpand van den strijd aan Brian De Bois-Guilbert.--Ik
+gelast u, broeder," vervolgde hij, zich tot Bois-Guilbert wendende,
+"om manmoedig te strijden, niet twijfelende, of de goede zaak zal
+zegepralen.--Voor u, Rebekka, bepalen wij den derden dag na dezen,
+opdat gij een kampvechter moogt stellen."
+
+"Dat is een korte tijd," antwoordde Rebekka, "voor een vreemdeling,
+die niet van uw geloof is, om iemand te vinden, die leven en eer om
+harentwille in den strijd zou willen wagen."
+
+"Wij kunnen den tijd niet verlengen," hernam de Grootmeester;
+"de strijd moet in onze eigene tegenwoordigheid plaats hebben,
+en verscheidene gewichtige redenen roepen ons op den vierden dag
+van hier."
+
+"Gods wil geschiede!" riep Rebekka uit; "ik stel mijn vertrouwen in
+Hem, voor Wien één oogenblik even voldoende ter redding is, als eene
+geheele eeuw."
+
+"Gij hebt goed gesproken, meisje," zei de Grootmeester; "maar wij
+weten ook zeer goed, wie zich als een Engel des lichts vertoonen
+kan. Nu blijft er slechts nog over, om eene plaats te bepalen voor
+den strijd, en, zoo het noodig mocht zijn, voor de volvoering der
+straf.--Waar is de Preceptor van dit huis?"
+
+Albert Malvoisin, steeds Rebekka's handschoen in de hand houdende,
+sprak zeer ernstig maar zacht met Bois-Guilbert.
+
+"Hoe!" riep de Grootmeester, "wil hij het pand niet aannemen?"
+
+"Hij wil het wèl,--hij heeft het reeds aangenomen, zeer eerwaarde
+vader," antwoordde Malvoisin, den handschoen onder zijn eigen mantel
+stekende. "En voor de plaats van het gevecht, houd ik het strijdperk
+van St. George voor het geschiktst, daar het tot deze Preceptorij
+behoort, en wij het veelal voor krijgsoefeningen gebruiken."
+
+"Het is wèl," zei de Grootmeester. "Rebekka, in dit strijdperk zult
+gij uw kampvechter stellen, en zoo gij zulks niet doet, of indien
+hij in het Godsgericht overwonnen wordt, dan zult gij, volgens uw
+vonnis, den dood eener tooveres sterven. Laat dit ons vonnis in het
+boek opgeteekend en luid voorgelezen worden, opdat niemand onkunde
+daarvan voorwende."
+
+Een der kapelanen, die den dienst van schrijvers bij het Kapittel
+waarnamen, schreef dadelijk het vonnis in een groot boek, de
+handelingen der Tempelridders bevattende, wanneer zij bij plechtige
+gelegenheden vergaderd waren; en toen hij met schrijven gedaan had,
+las een tweede met luider stem het vonnis van den Grootmeester,
+dat uit het Normandisch-Fransch vertaald, aldus luidde, voor:
+
+"Rebekka, eene Jodin, de dochter van Izaäk van York, beschuldigd
+van tooverij, verleiding, en andere verdoemelijke kunsten, die zij
+op een ridder van de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion heeft
+uitgeoefend, loochent dit, en zegt, dat de heden tegen haar afgelegde
+getuigenissen valsch, boosaardig en onwaar zijn; en dat zij, wettig
+verhinderd door haar geslacht, in hare plaats een kampvechter stellen
+zal, om hare zaak te verdedigen, die zijn ridderlijken plicht vervullen
+zal met zoodanige wapens, als een gevecht vordert, en dat op hare
+kosten en gevaar. En hierop gaf zij haar pand, dat overgegeven werd aan
+den edelen Heer en Ridder Brian De Bois-Guilbert van de Heilige Orde
+van den Tempel van Sion; deze werd benoemd om dien strijd te voeren
+voor zijne Orde en zich zelven, als beleedigd en benadeeld zijnde door
+de tooverijen der aangeklaagde. Derhalve heeft de Zeer Eerwaarde Vader
+en machtige Heer Lucas, Markies van Beaumanoir, genoemde uitdaging
+en de verschooning der aangeklaagde wegens haar geslacht aangenomen,
+en den derden dag van heden tot genoemd gevecht bepaald, en daartoe
+aangewezen de omheinde plaats, genoemd het strijdperk van St. George,
+nabij de Preceptorij van Templestowe. En de Grootmeester roept dus
+de beschuldigde op, om aldaar door haar kampvechter te verschijnen,
+onder doodstraf, als van tooverij en verleiding overtuigd; als ook
+den aanklager om te verschijnen, onder straf van voor een lafaard
+verklaard te worden, in geval hij niet mocht verschijnen, en de edele
+Heer en Zeer Eerwaarde Vader voornoemd, bepaalt, dat het gevecht in
+zijne tegenwoordigheid zal plaats hebben, met inachtneming van alle
+in zulke zaken heerschende gebruiken. En moge God de rechtvaardige
+zaak bijstaan!"
+
+"Amen!" riep de Grootmeester; en de menigte herhaalde het
+woord. Rebekka sprak niet; maar zij zag ten hemel, en haar handen
+vouwende, bleef zij eene minuut lang in dezelfde houding. Zij bracht
+hierop den Grootmeester op een bescheiden toon te binnen, dat zij
+eenige vrijheid moest hebben, om haar vrienden bericht van haar
+toestand te geven, opdat men, indien het mogelijk was, een kampvechter
+voor haar zou zoeken.
+
+"Dat is recht en billijk," zei de Grootmeester; "kies welken bode
+gij wilt, en hij zal vrij in uwe gevangenis komen."
+
+"Is er iemand hier," zei Rebekka, "die hetzij uit liefde voor de
+goede zaak, of voor een mild loon, een boodschap voor een ongelukkig
+schepsel doen wil?"
+
+Allen zwegen; want niemand waagde in de tegenwoordigheid van den
+Grootmeester eenige belangstelling voor de gelasterde gevangene te
+betoonen, uit vrees van voor Joodschgezind gehouden te worden. Niet
+eens het vooruitzicht op belooning en veel minder het gevoel van
+medelijden alleen kon deze vrees te boven komen.
+
+Rebekka bleef eenige oogenblikken in onbeschrijfelijken angst en
+toen riep zij uit: "Is het wezenlijk zoo?--En moet ik in Engeland
+van de geringe kans van redding, die mij overblijft, beroofd worden,
+omdat niemand een liefdedienst voor mij verrichten wil, welken men
+den ergsten misdadiger niet zou weigeren?"
+
+Higg, de zoon van Snell, antwoordde eindelijk: "Ik ben maar een
+kreupel man, maar aan hare liefderijke hulp heb ik het te danken,
+dat ik mij nog verroeren en bewegen kan.--Ik wil uwe boodschap
+verrichten," voegde hij er bij, zich tot Rebekka wendende, "zoo goed
+als een verlamd schepsel het kan; en gelukkig zou ik zijn, als mijne
+beenen vlug genoeg waren om het kwaad, dat mijne tong gedaan heeft,
+weder goed te maken. Helaas! toen ik uwe liefdadigheid roemde, dacht
+ik niet, dat ik u daardoor in gevaar bracht!"
+
+"God," zei Rebekka, "beschikt alles. Hij kan Juda's gevangenschap zelfs
+door het zwakste werktuig doen eindigen. Om Zijn last te volbrengen, is
+de slak een even zekere bode als de valk. Zoek Izaäk van York op;--zie,
+hier is geld, daar kunt gij een paard voor nemen,--en overhandig hem
+dit briefje.--Ik weet niet, of het de Hemel is, welke mij bezielt;
+maar ik ben vast overtuigd, dat ik dezen dood niet zal sterven,
+en dat er zich een kampioen voor mij zal opdoen. Vaarwel!--leven en
+dood hangen van uw spoed af."
+
+De boer nam het briefje, dat slechts eenige woorden in het Hebreeuwsch
+bevatte. Velen der toeschouwers wilden hem afraden, om een zoo
+verdacht geschrift aan te raken; maar Higg had vast besloten om zijne
+weldoenster te dienen. "Zij heeft mijn lichaam gered," zei hij; "en
+ik ben verzekerd, dat zij mijne ziel niet in gevaar zal brengen. Ik
+zal het flinke paard van buurman Buthan huren, en te York zijn zoo
+spoedig man en beest er maar komen kunnen."
+
+Maar gelukkig, behoefde hij zoo ver niet te gaan, want ongeveer een
+kwartier van de poort der Preceptorij ontmoette hij twee ruiters,
+die hij aan hunne kleeding en groote gele mutsen voor Joden erkende;
+en naderbij komende ontdekte hij, dat een van hen Izaäk van York was;
+bij wien hij vroeger gewerkt had. De andere was de Rabbijn Ben Samuel;
+beiden waren zoo dicht bij de Preceptorij gekomen als zij durfden,
+toen zij hoorden dat de Grootmeester een Kapittel voor het proces
+van eene tooveres bijeen geroepen had.
+
+"Broeder Ben Samuel," zei Izaäk, "mijn ziel is ongerust en ik weet
+niet waarom. Dit voorwendsel van hekserij wordt dikwijls gebruikt om
+ons volk te kwellen."
+
+"Wees getroost, broeder," zei de geneesheer; "gij kunt immers met de
+Nazareners handelen als een man, die den Mammon der ongerechtigheid
+bezit, en dus gemakkelijk vrijstelling van alle straf verkrijgen.--Het
+goud beheerscht de woeste gemoederen van deze goddelooze menschen,
+zooals men zegt, dat het zegel van den machtigen Salomo de booze
+geesten beheerscht.--Maar welke ongelukkige op krukken komt daar aan,
+begeerig naar het schijnt, om mij te spreken?--Vriend," vervolgde de
+geneesheer, zich tot Higg, den zoon van Snell wendende, "ik weiger
+u de hulp van mijne kunst niet, maar help hen, die op den grooten
+weg bedelen, met geen penning. Vertrek!--Hebt gij de jicht in de
+beenen? werk dan met de handen voor de kost; want al zijt gij ook
+ongeschikt tot bode, of tot een zorgvuldigen herder, of tot den oorlog,
+of tot den dienst van een driftigen meester, zoo is er toch nog wel wat
+te doen.--Hoe nu, broeder," zei hij, zijn rede afbrekende om naar Izaäk
+te zien, die nauwelijks het briefje, dat Higg hem ter hand stelde,
+had ingezien, of hij viel met een luiden gil, als een stervende van
+zijn muilezel, en bleef een oogenblik bewusteloos liggen. De Rabbijn
+steeg verschrikt af, en diende hem haastig de middelen toe, welke
+zijn kennis hem tot herstel van zijn vriend aan de hand gaf. Hij
+haalde zelfs zijn gereedschap tot aderlaten uit den zak en wilde het
+juist gebruiken, toen het voorwerp van zijn angstige zorg plotseling
+herleefde, maar alleen om zijne muts van het hoofd te trekken en zijn
+grijze haren met stof te bestrooien. De geneesheer was eerst geneigd
+om deze plotselinge en hevige aandoening aan zinneloosheid toe te
+schrijven, en bij zijn eerste voornemen blijvende, begon hij weder
+zijn instrumenten te hanteeren. Maar Izaäk overtuigde hem weldra van
+zijn dwaling. "Kind mijner smarte!" riep hij: "Wel moest gij Ben-Oni
+in plaats van Rebekka genoemd worden! Waarom moet uw dood mijne grijze
+haren naar het graf brengen, zoodat ik in de bitterheid van mijn hart
+God vervloek en sterf?"
+
+"Broeder," riep de Rabbijn verbaasd, "zijt gij een vader in Israël,
+en uit gij zulke woorden?--Het kind van uw huis leeft toch zeker nog?"
+
+"Zij leeft," antwoordde Izaäk; "maar het is als Daniël, die Beltsazar
+genoemd werd, toen hij in den leeuwenkuil was. Ze is gevangen bij
+deze mannen Belials, en ze willen hunne wreedheid op haar uitoefenen,
+zonder medelijden te hebben met hare jeugd en haar schoonheid. O! ze
+was een krans van groene palmen voor mijne grijze lokken; en ze moet
+in één nacht verwelken, gelijk de wonderboom van Jonas!--Kind mijner
+liefde!--Kind mijns ouderdoms!--O Rebekka, dochter van Rachel! de
+donkere schaduw des doods overvalt u!"
+
+"Lees het briefje nog eens," zei de Rabbijn, "mogelijk vinden wij
+nog een weg tot redding."
+
+"Lees gij, broeder," antwoordde Izaäk; "want mijne oogen zijn als
+waterfonteinen."
+
+De geneesheer las, in hunne moedertaal, de volgende woorden: "Aan
+Izaäk, den zoon van Adonikam, welken de Heidenen Izaäk van York
+noemen.--Dat vrede en de zegen der belofte u geschonken worden!--Mijn
+vader, ik ben ter dood veroordeeld wegens eene misdaad, van welke
+mijn ziel niets weet, namelijk die der tooverij. Mijn vader, indien
+er een dapper man kan gevonden worden, om voor mij te strijden met
+zwaard en lans, volgens de gewoonte der Nazareners, in het strijdperk
+van Templestowe, den derden dag na dezen, dan zal misschien de God
+onzer vaderen hem kracht geven, om de onschuldige en hulpelooze te
+verdedigen. Maar zoo dat niet gebeurt, laat dan de maagden van ons
+volk om mij rouwen als om eene afgestorvene, als om het hert, dat de
+jager velt, en de bloem, welke de maaier met zijn zeisen afmaait. Zie
+dus toe, waar er hulp te vinden is. Één Nazareensch krijgsman zou
+inderdaad voor mij in het strijdperk treden; het is Wilfrid, de zoon
+van Cedric, dien de Heidenen Ivanhoe noemen. Maar hij kan het gewicht
+zijner wapenrusting nog niet dragen. Zend hem desniettegenstaande
+bericht, vader, want hij staat in aanzien bij de dappere mannen van
+zijn volk; en daar hij onze gevangenschap deelde, zal hij misschien
+iemand kunnen vinden, die voor mij strijdt. Maar zeg hem, aan hem
+zelven, aan Wilfrid, den zoon van Cedric, dat Rebekka leve of sterve,
+ze geheel vrij van de haar toegeschreven misdaad leeft en sterft. En
+zoo het de wil van God is, dat ge van uwe dochter beroofd moet worden,
+toef dan niet langer in dit land van bloedvergieten en wreedheid,
+oude man! maar begeef u naar Cordova, waar uw broeder in veiligheid
+woont onder den schepter, ja, zelfs onder den schepter van Boabdil,
+den Saraceen; want minder wreed zijn de gruwelen der Mooren tegen
+de kinderen van den stam Jacobs, dan de gruwelen der Nazareners
+van Engeland."
+
+Izaäk luisterde vrij bedaard terwijl Ben Samuël dezen brief voorlas,
+maar daarop toonde hij weder door Oostersche gebaren en uitroepingen
+zijne droefheid; hij verscheurde zijne kleederen, bestrooide zijn
+hoofd met stof en riep uit: "Mijne dochter! mijne dochter! vleesch
+van mijn vleesch en been van mijn been!"
+
+"Kom aan, schep moed!" sprak de Rabbijn; "deze droefheid kan u
+niets helpen. Omgord uwe lendenen, en zoek dezen Wilfrid, den zoon
+van Cedric op. Hij kan u wellicht helpen met raad en daad; want de
+jongeling staat in gunst bij Richard, dien de Nazereners Leeuwenhart
+noemen, en het gerucht, dat deze teruggekeerd is, verspreidt zich in
+het land. Misschien kan hij brief en zegel van hem krijgen, om deze
+bloeddorstige menschen, die hun naam ontleenen aan den Tempel, dien
+ze onteeren, te bevelen, dat ze niet in dit hun goddeloos voornemen
+volharden."
+
+"Ik zal hem opzoeken," antwoordde Izaäk, "want hij is een goede
+jongeling en heeft medelijden met de gevangenschap van Jacob. Maar
+hij kan zijne wapenrusting niet dragen, en welk ander Christen zal
+voor de onderdrukte dochter Sions strijden?"
+
+"Wel," zei de Rabbijn, "ge spreekt als een man, die de Heidenen niet
+kent. Met goud zult gij hunne dapperheid koopen, evenals gij met goud
+uw eigene veiligheid koopt. Wees goedsmoeds, en haast u dezen Wilfrid
+van Ivanhoe op te zoeken. Ik wil ook op weg gaan en werkzaam zijn, want
+het zou eene zware zonde wezen u in uw ongeluk te verlaten. Ik wil mij
+naar de stad York begeven, waar eene menigte krijgslieden en dappere
+mannen vergaderd zijn, en ik twijfel niet of ik zal iemand er vinden,
+die voor uwe dochter zal willen strijden; want goud is hun afgod,
+en voor geld zullen ze hun leven geven zoowel als hun land.--Zult
+gij alle beloften, die ik hun in uw naam doe, vervullen, broeder?"
+
+"Voorzeker, broeder," antwoordde Izaäk, "en de Hemel zij geloofd,
+dat hij mij een trooster in mijne ellende heeft gezonden. Hoe het
+ook zij, sta hunne eischen niet op eens toe; want ge zult vinden, dat
+het dezen menschen eigen is, ponden te vragen en met oncen tevreden
+te zijn.--Evenwel doe wat gij wilt, want ik ben buiten mij zelven,
+en hoe zou goud mij baten, als het kind mijner liefde verloren ging?"
+
+"Vaarwel," zei de geneesheer, "en mogen uwe wenschen vervuld worden!"
+
+Zij omhelsden elkander en sloegen verschillende wegen in. De kreupele
+boer bleef eenigen tijd staan en zag hen na.
+
+"Die honden van Joden!" riep hij; "ze storen zich niet meer aan een
+vrijen gildebroeder, dan alsof ik een geboren slaaf, een Turk, of een
+besneden Hebreër, gelijk zij zelven ware! Ze hadden mij toch wel een
+paar zilverstukken kunnen toewerpen. Ik was niet verplicht, om hun
+onheilig gekrabbel over te brengen en gevaar te loopen van betooverd
+te worden, zooals men mij zeide. En wat helpt mij het stukje goud,
+dat het meisje mij gegeven heeft, zoo de priester mij daarom bij de
+biecht op aanstaanden Paschen bestraft, en ik hem tweemaal zooveel moet
+geven om het weder goed te maken, en dan nog wellicht op den koop toe
+mijn leven lang de Joodsche bode heeten! Ik geloof, dat ik in ernst
+betooverd was, toen ik naast het meisje stond!--Maar dit was altijd
+het geval met Jood of Heiden, die in hare nabijheid kwam;--niemand
+kon blijven staan als ze een boodschap te doen had,--en toch, als ik
+aan haar denk, dan wilde ik wel mijn werkplaats en werktuigen er bij
+geven, om haar het leven te redden!"
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ O meisje, koud en onverbid'lijk!
+ Mijn' ziel is even trotsch als de uwe!
+
+ Seward.
+
+
+De avond schemerde op denzelfden dag, waarop Rebekka's proces,
+als men het zoo noemen kan, had plaats gehad, toen er zachtjes aan
+de deur van hare gevangenis getikt werd. Dit stoorde de bewoonster
+niet, die juist bezig was met het avondgebed te verrichten, dat haar
+godsdienst voorschreef, en dat met een lofzang eindigde, welken wij
+gewaagd hebben aldus te vertalen:
+
+
+ Toen 't uitverkoren volk weleer
+ Egypte's slavernij ontkwam,
+ Verscheen der vaadren God, de Heer,
+ Aan Israël in rook en vlam.
+ Des daags, geleidde een wolkkolom
+ Hen door Arabiëns zandwoestijn;
+ Terwijl, des nachts, een vuurzuil glom,
+ Om hun een trouwe gids te zijn.
+
+ De blijde koorzang werd gehoord,
+ En Sions dochtren stemden 't lied,
+ Bij cymbaalspel en harp-accoord,
+ Te zaam met krijgsheld en Leviet.
+ Helaas! geen wonderwerken meer
+ Beschermen Abrahams geslacht;
+ 't Viel van Uw wegen af, o Heer!
+ En 't werd verlaten door Uw macht.
+
+ Maar schoon onzichtbaar voor Uw volk,
+ Verschijne aan ons verheugd gemoed
+ In voorspoed, nog gelijk een wolk,
+ Die voor bedrieglijk licht ons hoedt;
+ En als op 't rampvol Isrel weer
+ Een nacht, door storm verduisterd, daalt,
+ Zij ons altijd barmhartig, Heer!
+ Een vuurzuil, die ons pad bestraalt.
+
+ Wij lieten binnen Babels stad
+ De harpen, 's vijands schimp en spot.
+ Geen hand ontsteekt het wierookvat,
+ Bazuin noch citer looft u, God!
+ Maar Gij beloofdet Juda's stam
+ Dat U, het hart in boete en rouw,
+ Nog meer, dan 't bloed van geit of ram
+ Een welkom offer wezen zou.
+
+
+Toen de klanken van Rebekka's godsdienstig gezang weggestorven waren,
+werd het zachte getik aan de deur hervat. "Treed binnen," zei ze,
+"als gij een vriend zijt, en indien gij een vijand zijt, heb ik de
+macht niet, om u het binnenkomen te beletten."
+
+"Ik ben," zei Brian De Bois-Guilbert, in het vertrek tredende,
+"vriend of vijand, Rebekka, volgens den afloop van dit gesprek."
+
+Verschrikt op het gezicht van dezen man, wiens losbandige drift zij
+als de bron van al hare rampen beschouwde, trad Rebekka achteruit, op
+een wel voorzichtige en bedeesde, maar geenszins vreesachtige wijze,
+tot in den uitersten hoek van de kamer, alsof zij besloten had zich
+zoo ver mogelijk terug te trekken, maar wederstand te bieden als de
+terugtocht niet meer doenlijk was. Zij nam dus een niet trotseerende,
+maar moedige houding aan, alsof ze geen aanval wilde uitdagen, en
+zich toch tot het uiterste toe verdedigen zou.
+
+"Gij hebt geen reden om mij te vreezen, Rebekka," zei de Tempelier,
+"of, om mij beter uit te drukken, gij hebt ten minste _nu_ niets van
+mij te vreezen."
+
+"Ik vrees u niet, heer ridder," hernam Rebekka, ofschoon hare angstige
+ademhaling den heldenmoed harer woorden scheen te logenstraffen:
+"Mijn vertrouwen is groot, en ik vrees u niet."
+
+"Gij hebt er ook geene reden toe," antwoordde Bois-Guilbert ernstig;
+"mijn vorige dolzinnige aanslagen hebt gij nu niet te vreezen. Er
+staat in de nabijheid een wacht, die gij roepen kunt, en over welke
+ik geen gezag heb. Ze is bestemd om u ter dood te geleiden, Rebekka;
+maar ze zou u door niemand, zelfs niet door mij laten beleedigen,
+zoo mijn razernij,--want razernij is het,--mij zoo ver dreef."
+
+"God zij geloofd!" zei de Jodin; "de dood is het geringste, wat ik
+in dit hol des Satans te vreezen heb."
+
+"Ja," hernam de Tempelier, "het denkbeeld des doods heeft niets
+verschrikkelijks voor een onbevreesd gemoed, als de weg daartoe open
+en kort is. Een steek met eene lans, een houw met een zwaard, ware
+voor mij eene kleinigheid.--Voor u heeft eene sprong van een hoogen
+toren, een steek met een scherpen dolk niets ijselijks, vergeleken met
+hetgeen wij voor schande houden. Let wel op.--_Ik_ zeg dit;--misschien
+zijn mijne eigene gevoelens van eer niet minder dweepziek, Rebekka,
+dan de uwe; maar wij weten beiden er voor te sterven."
+
+"Ongelukkige!" riep de Jodin uit; "en zijt gij veroordeeld om uw leven
+bloot te stellen voor grondbeginselen, wier deugdelijkheid door uw
+gezond verstand niet erkend wordt? Zeker, dit heet uwe schatten voor
+iets weggeven, dat niets waard is;--maar denk dat niet van mij. Uw
+besluit moge heen en weer dobberen op de woeste, ongestadige baren
+der menschelijke meening, het mijne ankert vast op de rots der eeuwen."
+
+"Stil, meisje," antwoordde de Tempelier; "zulke gesprekken baten thans
+weinig;--gij zijt veroordeeld om te sterven, niet door een snellen en
+gemakkelijken dood, zooals de ellende en wanhoop verkiezen zouden, maar
+door een langzame, ijselijke, lang gerekte pijniging, die toekomt aan
+wat de duivelsche bijgeloovigheid dezer menschen uwe misdaad noemt."
+
+"En aan wien, zoo dit mijn lot is, aan wien heb ik het te danken?" zei
+Rebekka. "Zeker, alleen aan hem, die tot zijn eigen schandelijke
+oogmerken mij hierheen sleepte, en nu nog, om eenige mij onbekende
+beweegredenen, het ellendige lot, waaraan hij mij blootgaf, nog
+ellendiger tracht te maken."
+
+"Denk niet," hernam de Tempelier, "dat _ik_ u zoo blootgesteld heb;
+ik zou u met mijn eigen boezem tegen zulk een gevaar beschermd hebben,
+even zeker als ik mij prijs gaf aan de pijlen, die anders uw hart
+zouden doorboord hebben."
+
+"Ware het uw voornemen geweest de onschuld eerlijk te beschermen,"
+hervatte Rebekka, "dan zou ik u voor uwe bezorgdheid bedankt
+hebben. Maar zooals het nu is, hebt gij u zoo dikwijls op dezen dienst
+reeds beroemd, dat ik zeggen moet, dat het leven mij niets waard is,
+als het tegen den prijs, welken gij daarvoor vordert, behouden moet
+worden."
+
+"Stil met uw verwijten, Rebekka," zei de Tempelier; "ik heb mijn eigene
+reden tot droefheid, en het is onnoodig, door uwe beschuldigingen ze
+te vermeerderen."
+
+"Wat is dan uw voornemen, heer ridder?" zei de Jodin. "Zeg het
+kortaf.--Indien gij hier iets anders te doen hebt dan de ellende,
+die gij mij berokkend hebt, te aanschouwen, doe het mij dan weten,
+en laat mij verder, ik bid u, aan mij zelve over;--de schrede van
+den tijd in de eeuwigheid is kort, maar verschrikkelijk, en ik heb
+slechts weinige oogenblikken, om mij daarop voor te bereiden."
+
+"Ik zie, Rebekka," hernam Bois-Guilbert, "dat gij steeds voortgaat,
+om mij uwe rampen te last te leggen, die ik zoo gaarne zou hebben
+willen voorkomen."
+
+"Heer ridder," hervatte Rebekka; "ik wilde gaarne geene verwijtingen
+doen;--maar wat is zekerder, dan dat ik mijn dood aan uwe toomelooze
+drift te wijten heb?"
+
+"Gij dwaalt!--gij dwaalt,"--antwoordde de Tempelier driftig, "zoo gij
+aan mijne bedoeling of aan mijne schuld toeschrijft, wat ik voorzien,
+noch voorkomen kon. Kon ik de onverwachte aankomst van dien ouden
+dwaas voorzien, dien eenige vonken van roekelooze dapperheid en
+de lof toegekend aan de domme zelfkwellingen van een kloosterling,
+voor het oogenblik boven zijne eigene verdiensten, boven het gezond
+verstand, boven mij, en boven honderden van onze Orde, verheven
+hebben, die denken en gevoelen als mannen, vrij van zulke zotte en
+dweepzieke vooroordeelen, die tot grondslag van zijne gevoelens en
+daden strekken?"
+
+"En toch," zei Rebekka, "zat gij als rechter over mij; en terwijl gij
+wist, dat ik onschuldig,--geheel onschuldig was,--hebt gij aan mijne
+veroordeeling deel genomen, en, zoo ik het goed verstaan heb, moet
+gij zelf in het strijdperk verschijnen, om mijne straf te verzekeren!"
+
+"Geduld, meisje!" hernam de Tempelier. "Geen volk weet beter dan het
+uwe zich naar de omstandigheden te schikken, en het schuitje zoo
+te sturen, dat zij zelfs uit een ongunstigen wind voordeel kunnen
+trekken."
+
+"Beklagenswaardig is het uur," hervatte Rebekka, "dat het volk Israëls
+zulke kunsten geleerd heeft; maar de tegenspoed buigt het hart,
+gelijk het vuur het harde staal doet buigen; en zij, die zichzelven
+niet langer bestieren, noch burgers van een vrijen, onafhankelijken
+staat zijn mogen, moeten voor vreemdelingen bukken. Dat is de vloek,
+heer ridder, dien wij zonder twijfel door onze eigene overtredingen
+en door die onzer vaderen verdiend hebben; maar gij,--gij, die op
+uwe vrijheid, en op uw geboorterecht pocht, hoeveel grooter is uwe
+schande, als gij u, tegen uwe eigene overtuiging, verlaagt, om de
+vooroordeelen van anderen aan te kweeken!"
+
+"Uw woorden zijn bitter, Rebekka," zei Bois-Guilbert, ongeduldig door
+het vertrek stappende; "maar ik ben niet gekomen, om verwijtingen
+aan te hooren.--Weet, dat Bois-Guilbert voor geen mensch ter wereld
+wijkt, al noodzaken hem de omstandigheden een tijdlang zijn plan te
+wijzigen. Zijn wil is de bergstroom, welken de rots wel een oogenblik
+van richting kan doen veranderen, maar die toch zijn loop tot aan
+den oceaan vervolgt. Dit briefje, dat u aanried, om een kampvechter
+te vragen,--van wien kondet gij denken, dat het kwam, dan van
+Bois-Guilbert? Bij wien anders kondet gij zulk eene belangstelling
+verwekt hebben?"
+
+"Dit is slechts een kort uitstel van een dreigenden dood," antwoordde
+Rebekka, "dat mij weinig baten zal,--was dit alles, wat gij voor
+een meisje doen kondet, op welks hoofd gij rampen opeengestapeld,
+en dat gij zelf tot aan den rand van het graf gebracht hebt?"
+
+"Neen, meisje," antwoordde Bois-Guilbert, "dit was niet alles wat ik
+bedoelde. Zonder de vervloekte tusschenkomst van dien dweepzieken
+domoor en gek van Goodalricke, die, ofschoon een Tempelier, veinst
+volgens de regels der menschelijkheid te denken en te oordeelen,
+was het een gewonen ridder der Orde en niet een Preceptor ten
+deel gevallen, om te strijden. Dan zou ik zelf,--dit was mijn
+voornemen,--op het geblaas der trompet als uw kampvechter in het
+strijdperk verschenen zijn, vermomd als een dolende ridder, die met
+lans en zwaard avonturen zoekt; en dan had Beaumanoir niet één, maar
+twee of drie der hier vergaderde broeders kunnen uitkiezen, en ik
+zou hen één voor één onfeilbaar uit den zadel gelicht hebben. Aldus,
+Rebekka, zou uwe onschuld bewezen zijn, en ik zou de belooning mijner
+zege aan u zelve overgelaten hebben."
+
+"Dit, heer ridder," zei Rebekka, "is slechts ijdele snoeverij;--gij
+pocht op wat gij gedaan zoudt hebben, indien gij niet goed gevonden
+hadt anders te doen. Gij hebt mijnen handschoen opgenomen, en mijn
+kampioen, indien een zoo rampzalig schepsel als ik er een vinden kan,
+moet uwe lans in het strijdperk wederstaan--en nog wilt gij u als
+vriend en beschermer voordoen?"
+
+"Uw vriend en beschermer," hervatte de Tempelier ernstig, "wil ik nog
+zijn;--maar luister op welk gevaar, of liever met welke zekerheid
+van schande; en dan berisp mij niet, zoo ik mijne voorwaarde stel,
+eer ik alles opoffer wat mij tot dusver in het leven dierbaar was,
+om het leven eener Jodin te redden."
+
+"Spreek," zei Rebekka, "ik versta u niet!"
+
+"Welaan dan," hervatte Bois-Guilbert, "ik wil even vrij spreken,
+als ooit een onnoozel biechteling tegen zijn geestelijken
+vader.--Rebekka! wanneer ik niet in dit strijdperk verschijn, dan
+verlies ik roem en rang;--verlies, wat de ziel van mijn leven is,
+die achting, waarin ik bij mijne broeders sta, en de hoop, welke ik
+heb, om eens dat groote gezag in handen te krijgen, hetwelk thans de
+bijgeloovige, onnoozele Lucas De Beaumanoir bezit. Dit is mijn lot,
+zoo ik niet verschijn, om tegen uwe zaak te strijden. Vervloekt zij
+Goodalricke, die mij dezen strik gespannen heeft! en dubbel vervloekt
+zij Albert de Malvoisin, die mij in mijn voornemen verhinderde, om
+den handschoen in het gezicht van den bijgeloovigen ouden dwaas te
+werpen, die eene zoo ongerijmde aanklacht tegen een zoo hooghartig
+en bekoorlijk schepsel aanhoorde!"
+
+"En wat baat thans uw razen of vleien?" antwoordde Rebekka. "Gij
+hebt uwe keus gedaan tusschen den dood van eene onschuldige vrouw en
+het verlies van uw aardschen rang en aardsche hoop;--wat baat het,
+dit tegen elkander te wegen?--uwe keus is gedaan!"
+
+"Neen, Rebekka," hervatte de ridder op zachteren toon en naderbij
+komende; "mijne keus is niet gedaan;--neen! let wel,--de beslissing
+staat aan u. Als ik in het strijdperk verschijn, dan moet ik mijn
+wapenroem staande houden; en geschiedt dit, dan moet gij, er moge zich
+een kampvechter voor u opdoen of niet, op den brandstapel sterven; want
+er leeft geen ridder, die in den strijd mij overwinnen kan, of zelfs
+gelijk met mij staat, behalve Richard Leeuwenhart en zijn gunsteling
+Ivanhoe. Deze is, zooals ge weet, buiten staat, om zijne wapenrusting
+te dragen, en Richard zucht in eene vreemde gevangenis. Als ik opkom,
+dan sterft gij, al bewogen ook uwe bekoorlijkheden den een of anderen
+heethoofdigen jongeling, om voor u te strijden."
+
+"En waartoe dient het, dit zoo dikwijls te herhalen?" zei Rebekka.
+
+"Opdat gij uw lot van alle kanten leert beschouwen," antwoordde
+de Tempelier.
+
+"Welaan dan," hervatte de Jodin, "keer het blad om; laat mij de andere
+zijde zien."
+
+"Als ik in het noodlottige strijdperk verschijn," zei Bois-Guilbert,
+"dan sterft gij een langzamen en pijnlijken dood, in kwellingen,
+die men zegt, dat hiernamaals voor de schuldigen bestemd zijn. Maar,
+als ik niet verschijn, dan ben ik een onteerd en verstooten ridder,
+beschuldigd van tooverij en gemeenschap met ongeloovigen;--de
+doorluchtige naam, die door mij nog beroemder geworden is, wordt
+een schimp- en schandnaam. Ik verlies roem en eer;--ik verlies het
+vooruitzicht op een grootheid, welke nauwelijks keizers bereiken.--Ik
+offer eene machtige eerzucht op; ik zie af van plannen, welke zoo hoog
+opgebouwd waren als de bergen, met welke de heidenen zeggen, dat hun
+hemel eens bijna beklommen werd,--en echter, Rebekka!" voegde hij er
+bij, zich aan haar voeten werpende, "wil ik deze grootheid opofferen,
+van dezen roem afstand doen, deze macht laten varen, zelfs nu ik ze
+half in de hand houd, als gij zeggen wilt: Bois-Guilbert, ik neem u
+tot mijn minnaar aan!"
+
+"Denk aan zulke dwaasheid niet, heer ridder," antwoordde Rebekka; "maar
+vlieg naar den Regent, naar de Koningin-moeder, naar Prins Jan;--ze
+kunnen, om de eer der kroon, de handelwijze van uw Grootmeester niet
+goedkeuren. Op deze wijze zult ge mij beschermen, zonder opoffering
+van uw kant, en zonder een voorwendsel te hebben om eenige vergelding
+van mij te vergen."
+
+"Met dezen onderhandel ik niet," vervolgde hij, den slip van haar
+gewaad vasthoudende;--"tot u alleen wend ik mij; en wat kan tegen
+mijn voorstel opwegen? Bedenk, al ware ik een duivel, dan is de dood
+nog vreeselijker, en het is de dood, die mijn medeminnaar is!"
+
+"Ik geef niet om deze rampen," zei Rebekka, bevreesd om den woesten
+ridder te vertoornen, en toch even vast besloten zijne liefde niet
+te dulden, en niet eens te veinzen ze te dulden. "Wees man, wees
+Christen! Indien uw geloof werkelijk die barmhartigheid voorschrijft,
+welke meer in uwe woorden dan in uwe daden gevonden wordt, red mij
+dan van dezen schrikkelijken dood, zonder eene belooning te zoeken,
+die uwe grootmoedigheid tot een lagen ruilhandel zou vernederen."
+
+"Neen, meisje," zei de trotsche Tempelier, opspringende; "zoo zult
+ge mij niet misleiden. Zoo ik van mijn reeds verkregen roem en alle
+toekomstige eer afzie, dan doe ik het om uwentwille, en wij zullen
+te zamen vluchten. Luister naar mij, Rebekka!" zei hij, zijn toon
+weder verzachtende: "Engeland, Europa is de wereld niet. Er zijn
+nog landen, waar wij leven kunnen, die groot genoeg zijn zelfs voor
+mijne eerzucht. Wij zullen naar Palestina gaan, waar Conrad, Markies
+van Montserrat, mijn vriend is,--een vriend, even vrij als ik, van
+die domme vooroordeelen, welke onze vrijgeborene rede kluisteren;
+liever willen wij ons zelfs met Saladijn verbinden, dan den hoon van
+die schijnheiligen verdragen, die wij verachten.--Ik zal nieuwe paden
+voor mijne eerzucht banen," ging hij voort, de kamer met driftige
+schreden op en neer gaande.--"Europa zal de luide stem hooren van hem,
+die het uit het getal zijner zonen verstooten heeft!--De millioenen,
+welke het als kruisvaarders ter slachting zendt, kunnen niet zooveel
+ter verdediging van Palestina doen;--de zwaarden van de duizenden en
+tienduizenden Saracenen kunnen niet dieper in dat land inhouwen, welks
+bezit de volken elkaar betwisten, dan de kracht en de staatslisten
+van mij en die broeders, welke, in weerwil van gindschen ouden dwaas,
+mij in goed en kwaad getrouw zullen zijn. Gij zult Koningin worden,
+Rebekka!--Op den berg Karmel zullen wij den troon oprichten, dien
+mijne dapperheid voor u veroveren zal, en ik zal den lang gewenschten
+grootmeesterlijken staf tegen een schepter verruilen!"
+
+"Een droom," zei Rebekka, "een ijdele droom, welke, al kon die ook
+verwezenlijkt worden, mij niet bekoort;--nooit zou ik deel willen
+hebben in de macht, welke ge zoudt kunnen verkrijgen! Ook denk ik niet
+zoo lichtvaardig over vaderland en godsdienstig geloof, dat ik hem zou
+kunnen achten, die deze banden wil verscheuren, en de wetten van een
+Orde schenden, van welke hij een gezworen medelid is, om een toomelooze
+drift voor de dochter van een vreemd volk te voldoen.--Bepaal geen
+prijs voor mijne bevrijding, heer ridder!--verkoop een edelmoedige
+daad niet!--bescherm de onderdrukte, uit menschenliefde, en niet om
+eigen voordeel!--Ga naar den Koning van Engeland; Richard zal mij
+uit de handen van deze wreede mannen redden!"
+
+"Nooit, Rebekka!" riep de Tempelier trotsch. "Zoo ik mijne
+Orde verlaat, dan doe ik het alleen om u.--Ik wil de eerzucht
+behouden, zoo gij mijne liefde versmaadt; ik wil niet van alle kanten
+teleurgesteld worden!--Mijn hoofd voor Richard buigen?--een gunst van
+dien hoogmoedige vragen?--Nooit, Rebekka, wil ik de Orde des Tempels
+in mijn persoon aan zijn voeten leggen;--de Orde vaarwel zeggen,
+dat kan ik; maar nooit wil ik ze onteeren of verraden!"
+
+"Nu, dan zij God mij genadig!" zuchtte Rebekka; "want op hulp van
+menschen kan ik bijna niet meer hopen!"
+
+"Dat is zoo," hernam de Tempelier; "want hoe trotsch gij ook zijn
+moogt, zoo hebt gij in mij uws gelijke gevonden. Zoo ik met de lans in
+het strijdperk treed, dan geloof ik niet, dat eenig menschelijk wezen
+mij zal beletten mijne kracht te toonen; en denk dan aan uw eigen
+lot,--den dood der ergste boosdoeners te sterven,--op een vlammenden
+brandstapel te vergaan,--terwijl uw asch in die elementen verstrooid
+wordt, waaruit onze lichamen zoo geheimzinnig samengesteld zijn;--en
+er niet het minste overblijft van die aanvallige gestalte, om ons te
+zeggen: zij leefde en bewoog zich onder ons!--Rebekka, geene vrouw
+kan dit vooruitzicht verdragen,--gij moet mijne eischen inwilligen!"
+
+"Bois-Guilbert," antwoordde de Jodin, "gij kent het vrouwelijk hart
+niet, of gij kent slechts zulke vrouwen, die haar edelste gevoelens
+verloren hebben. Ik zeg u, trotsche Tempelier, dat gij, die zoo op
+uwe dapperheid pocht, in de heetste gevechten niet meer moed hebt ten
+toon gespreid, dan eene vrouw kan toonen, wanneer zij door liefde of
+plicht geroepen wordt om te lijden. Ik ben zelve eene vrouw, teeder
+opgevoed, van natuur bevreesd voor gevaar, en gevoelig voor smart;--en
+toch ben ik ten volle overtuigd, dat, wanneer wij in het noodlottige
+strijdperk treden, gij om te vechten en ik om te sterven, mijn moed
+grooter zal zijn dan de uwe. Vaarwel!--ik verspil geene woorden meer
+aan u; de tijd, welke aan de dochter van Jacob op aarde nog overblijft,
+moet anders besteed worden:--zij moet den Trooster zoeken, die Zijn
+aangezicht voor Zijn volk kon verbergen, maar die altijd Zijn oor
+opent voor de stem van hen, die Hem in oprechtheid en waarheid zoeken!"
+
+"Wij scheiden dus op deze wijze!" zei de Tempelier na eene korte
+stilte; "gave de Hemel, dat wij elkander nooit ontmoet hadden,
+of dat gij van eene edele geboorte en van het Christelijk geloof
+geweest waart!--Neen,--bij den Hemel! als ik u aanzie en bedenk,
+wanneer en hoe wij elkander den eersten keer weêr zullen ontmoeten,
+dan zou ik zelfs kunnen wenschen, dat ik een lid van uw veracht volk
+ware, dat mijne hand slechts met geldzakken en _sjekels_ in plaats van
+lans en schild wist om te gaan, dat ik het hoofd voor iederen kleinen
+edele moest buigen, en dat mijn blik alleen schrikkelijk ware voor
+den sidderenden armen schuldenaar;--dit zou ik haast kunnen wenschen,
+Rebekka, om in het leven bij u te blijven, en om het vreeselijk deel
+te ontgaan, dat ik aan uwen dood hebben moet!"
+
+"Gij hebt den Jood geschilderd," antwoordde Rebekka, "zooals de
+vervolging van mannen, als gij zelf, hem gemaakt heeft. De Hemel
+heeft hem in zijn toorn uit zijn land verjaagd: maar de nijverheid
+heeft den eenigen weg tot macht en invloed, welke de onderdrukking
+ongesloten liet, voor hem geopend. Lees de oude geschiedenis van Gods
+volk, en zeg mij, of zij, door wie Jehova zulke wonderen op aarde
+verricht heeft, toen een volk van vrekken en woekeraars waren!--En
+weet, trotsche ridder, dat wij namen onder ons tellen, tegen welke
+uw geroemde Noordsche adel is als de kalebas tegen den ceder, namen,
+welke tot in die tijden opklimmen, toen God Zijn troon had gevestigd
+in het heiligdom tusschen de vleugelen der Cherubijnen, namen, welke
+hun glans van geen aardschen Vorst ontleenen, maar van die verhevene
+stem, welke hun vaders met goddelijke verschijningen vereerde.--Dit
+waren de Vorsten van Jacobs huis!"
+
+Een hooger rood kleurde Rebekka's wangen, terwijl zij van den
+alouden roem van haar geslacht gewaagde; maar het verdween, toen zij
+er zuchtende bijvoegde: "Zoo waren de Vorsten van Juda, maar zij zijn
+niet meer!--Zij zijn onder den voet getreden, gelijk het gemaaide gras,
+en vermengd met het slijk des wegs. Maar er zijn er nog onder hen,
+die hunne doorluchtige voorvaders niet onteeren, en tot dezen zal
+de dochter van Izaäk, den zoon van Adonikam, behooren! Vaarwel!--Ik
+benijd u uwe bloedige eer niet!--Ik benijd u uwe afkomst van Noordsche
+Heidenen niet!--Ik benijd u uw geloof niet, dat gij altijd in den mond,
+maar nooit in uw hart en in uwe daden hebt!"
+
+"Bij den Hemel! eene tooverkracht houdt mij nog terug!" riep
+Bois-Guilbert. "Bijna geloof ik, dat die onzinnige grijsaard gelijk
+heeft, dat de weêrzin, met welken ik u verlaat iets bovennatuurlijks
+is.--Bekoorlijk wezen!" vervolgde hij, haar naderende, maar met grooten
+eerbied:--"Zoo jong, zoo schoon, zoo onbevreesd voor den dood! en toch
+veroordeeld om te sterven,--en dat wel een schandelijken en pijnlijken
+dood! Wie zou niet om u weenen?--Tranen, sedert twintig jaren vreemd
+aan deze oogen, bevochtigen mijn wangen, als ik u aanzie! Maar het
+moet zoo zijn;--niets kan thans uw leven redden. Gij en ik zijn
+slechts de blinde werktuigen van het onweêrstaanbaar noodlot, dat
+ons voortdrijft, gelijk twee schoone schepen, die de storm voor zich
+heenjaagt, en tegen elkander doet stooten en verbrijzelt. Vergeef
+mij dus, en laat ons ten minste als vrienden scheiden. Ik heb u te
+vergeefs van besluit willen doen veranderen, en het mijne is even vast,
+als de onverbreekbare vonnissen van het noodlot."
+
+"Zoo leggen de menschen de gevolgen hunner woeste driften aan het
+noodlot te last!" zei Rebekka. "Maar ik vergeef u, Bois-Guilbert,
+schoon gij de oorzaak van mijn ontijdigen dood zijt. Edele gedachten
+komen in uw krachtigen geest op; maar die gelijkt op den tuin des
+luiaards, waar het onkruid te welig opgroeit en de schoone, heilzame
+bloem verdrukt!"
+
+"Ja," hervatte de Tempelier, "ik ben, zooals gij mij afgeschilderd
+hebt, ontembaar, woest en trotsch;--daardoor heb ik onder een hoop van
+ijdele gekken en listige dweepers de kracht van mijn geest bewaard,
+welke mij boven hen verheft. Ik ben van mijne jeugd af een kind des
+oorlogs geweest, grootsch in mijn plannen, hardnekkig en onbuigzaam
+en onwrikbaar; en dit zal ik der wereld bewijzen.--Maar gij vergeeft
+mij, Rebekka?"
+
+"Even gaarne, als ooit een slachtoffer zijn beul vergaf!"
+
+"Vaarwel!" zei de Tempelier en verliet het vertrek.
+
+De Preceptor Albert wachtte ongeduldig in de naaste kamer op de
+terugkomst van Bois-Guilbert.
+
+"Gij hebt lang getoefd," zei hij; "ik stond als op gloeiende kolen van
+ongeduld. Als de Grootmeester, of zijn spion Koenraad hierheen gekomen
+waren? Ik zou mijne gedienstigheid duur hebben moeten betalen.--Maar
+wat scheelt u, broeder?--Uw knieën wankelen, uw blik is somber als
+de nacht! Zijt gij niet wel, Bois-Guilbert?"
+
+"Ja," antwoordde de Tempelier, "ik ben wel; zoo wel als de ellendeling,
+die gedoemd is, om binnen een uur te sterven. Neen, bij het heilige
+kruis, niet half zoo wel;--want er zijn er in dien toestand, die
+het leven als een versleten kleed kunnen afleggen. Bij den Hemel,
+Malvoisin, dat meisje heeft mij bijna overwonnen! Ik heb half
+besloten, om naar den Grootmeester te gaan, de Orde te verlaten,
+en te weigeren de wreedheid uit te voeren, welke zijne dwingelandij
+mij opgelegd heeft!"
+
+"Gij zijt razend," antwoordde Malvoisin; "gij zult u zelven daardoor
+geheel rampzalig maken, zonder de minste kans te hebben om het leven
+dezer Jodin, die u zoo dierbaar schijnt, te redden. Beaumanoir zal
+een anderen ridder van de Orde benoemen, om zijn vonnis in uwe plaats
+te handhaven, en de beschuldigde zal even zeker sterven, als wanneer
+gij uw plicht gedaan hadt."
+
+"Dat is onwaar!--Ik zal zelf de wapens voor haar opnemen," hernam
+de Tempelier, op trotschen toon; "en als ik dat doe, Malvoisin, dan
+geloof ik, dat gij geen één onder de Orde kent, die tegen mijne lans
+in den zadel zal blijven!"
+
+"Ja, maar gij vergeet, dat gij tijd, noch gelegenheid zult hebben, om
+dit dolle voornemen ten uitvoer te brengen. Ga naar Lucas Beaumanoir,
+en zeg hem uwe gelofte van gehoorzaamheid op, en gij zult zien, hoe
+lang de heerschzuchtige grijsaard u in vrijheid zal laten. Nauwelijks
+zullen de woorden uit uw mond zijn, of gij zult honderd voet onder
+den grond zitten, in den kelder der Preceptorij, om uw vonnis als een
+afvallige af te wachten; of, indien hij bij zijne gedachte over uwe
+betoovering volhardt, dan zal hij u stroo, duisternis en ketens geven
+in de eene of andere afgelegene kloostercel, en u daar laten kwellen
+met banmiddelen en besproeien met wijwater, om den boozen geest, die
+in u gevaren is, uit te drijven. Gij moet in het strijdperk, Brian,
+of gij zijt een verloren en onteerd man!"
+
+"Ik zal er uitbreken en vluchten," zei Bois-Guilbert.--"Vluchten
+naar het een of ander ver afgelegen land, waarheen zich dwaasheid en
+dweepzucht nog geen weg gebaand hebben. Geen droppel van het bloed
+van dit voortreffelijk schepsel zal door mijn toedoen vergoten worden!"
+
+"Gij kunt niet vluchten," zei de Preceptor; "uwe razernij heeft
+achterdocht verwekt, en men zal u niet vergunnen, de Preceptorij te
+verlaten. Beproef het;--vertoon u aan de poort; beveel, dat men de brug
+neêrlate, en let op, welk antwoord gij krijgen zult.--Gij zijt verbaasd
+en beleedigd; maar is dit niet het beste voor u? Zoo gij vlucht, wat
+zal er het gevolg van zijn, dan het onteeren van uw wapen, de schande
+van uw geslacht, de ontzetting van uw rang?--Bedenk dit! Waar zullen
+de oude wapenbroeders hun hoofden van schaamte bergen, als Brian De
+Bois-Guilbert, de beste lans van de Tempeliers, onder het geschreeuw
+van het vergaderde volk voor een afvallige verklaard wordt? Wat zal
+dat een verdriet zijn voor het Fransche Hof! Met welke blijdschap
+zal de trotsche Richard de tijding hooren, dat de ridder, die hem
+in Palestina in het nauw bracht, en zijn roem bijna verduisterde,
+zijn eigen naam en eer om een Joodsch meisje opgeofferd heeft, dat
+hij niet eens tegen zulk een hoogen prijs redden kon!"
+
+"Malvoisin," zei de ridder, "ik dank u;--gij hebt de snaar aangeraakt,
+welke mijn hart het meest doet trillen!--Wat er ook van kome, afvallig
+zal Bois-Guilbert nooit genoemd worden. Gave God, dat Richard,
+of een van zijn geroemde Engelsche gunstelingen, in dit strijdperk
+verscheen! Maar het zal ledig blijven;--niemand zal het wagen eene
+lans voor de verlorene te breken!"
+
+"Des te beter, als het zoo uitkomt," hernam de Preceptor; "als er
+geen kampvechter verschijnt, dan is het niet door uw toedoen, dat
+dit ongelukkig meisje sterven zal, maar door de veroordeeling van
+den Grootmeester, die alle schuld heeft, en welke deze schuld zich
+tot lof en eer zal rekenen!"
+
+"Dat is waar," hervatte Bois-Guilbert; "als er geen kampioen
+verschijnt, dan ben ik maar een deel van den optocht; ik zit te paard
+in het strijdperk, maar ik heb geen deel aan hetgeen er op volgen zal."
+
+"Geen het minste," zei Malvoisin; "niet meer dan het gewapende beeld
+van St. George, als het een deel van den optocht uitmaakt!"
+
+"Welaan, ik wil weder moed scheppen. Zij heeft mij veracht, verstooten,
+vernederd! En waarom zou ik alles opofferen, wat mij achting bij
+anderen verschaft? Malvoisin, ik zal in het strijdperk verschijnen."
+
+Met deze woorden verliet hij haastig het vertrek, en de Preceptor
+volgde, om hem in zijn besluit te bevestigen; want hij had zelf groot
+belang in den roem van Bois-Guilbert, daar hij menig voordeel van
+hem verwachtte, als hij eens aan het hoofd van de Orde zou zijn;
+zonder de bevordering in aanmerking te nemen, waarop Mont-Fitchet
+hem hoop gegeven had, op voorwaarde, dat hij tot de veroordeeling
+van de ongelukkige Rebekka medewerkte. Evenwel, ofschoon hij bij het
+bestrijden van de betere gevoelens zijns vriends al de overmacht bezat,
+welke een listig, bedaard, baatzuchtig karakter heeft over iemand, die
+door sterke en tegenstrijdige hartstochten geslingerd wordt, eischte
+het al de bekwaamheid van Malvoisin om Bois-Guilbert in zijn voornemen
+te bevestigen. Hij was genoodzaakt hem nauw te bewaken, om te beletten,
+dat hij de gedachte van vlucht weder opvatte, en om te verhinderen,
+dat hij met den Grootmeester in aanraking, en tot eene opene breuk met
+zijn opperste kwam; hij moest ook van tijd tot tijd de verschillende
+beweegredenen herhalen, waardoor hij getracht had te bewijzen, dat,
+als Bois-Guilbert bij deze gelegenheid als kampvechter verscheen, hij,
+zonder Rebekka's lot te verhaasten of te verergeren, den eenigen weg
+zou volgen, waarop hij zich van vernedering en schande kon redden.
+
+
+
+
+
+VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Wijkt, schimmen, wijkt!--'t Is Richard zelf!
+
+ Richard III.
+
+
+Toen de Zwarte Ridder,--want het is noodig zijn lotgevallen na
+te gaan,--den gerechtseik van den grootmoedigen roover verliet,
+richtte hij zijn weg regelrecht naar een naburig klooster van kleinen
+omvang en geringe inkomsten, de Priorij van St. Botolph, waarheen de
+gewonde Ivanhoe, na het innemen van het kasteel, onder leiding van
+den getrouwen Gurth en den edelmoedigen Wamba gebracht werd. Het is
+voor het oogenblik onnoodig te verhalen hetgeen er inmiddels tusschen
+Wilfrid en zijn bevrijder voorviel; genoeg is het te zeggen, dat,
+na lange en ernstige beraadslagingen, de Prior naar verscheidene
+kanten boden uitzond, en dat de Zwarte Ridder den volgenden morgen
+gereed stond om op reis te gaan, vergezeld door den nar Wamba, die
+hem tot gids zou verstrekken.
+
+"Wij zullen elkander op Coningsburgh, het kasteel van den overleden
+Athelstane, wederzien," zei hij tot Ivanhoe, "uw vader viert aldaar het
+lijkfeest van zijn edelen bloedverwant. Ik wilde gaarne uwe Saksische
+verwanten bij elkander zien, ridder Wilfrid, en hen wat beter leeren
+kennen. Dáár zal het ook mijne taak zijn, u met uw vader te verzoenen."
+
+Dit zeggende nam hij afscheid van Ivanhoe, die een vurig verlangen
+aan den dag legde, om zijn redder te vergezellen. Maar de Zwarte
+Ridder wilde er niet van hooren. "Rust heden uit; gij zult morgen
+nog nauwelijks sterk genoeg zijn om te reizen. Ik wil geen anderen
+leidsman bij mij hebben dan den eerlijken Wamba, die voor gek of
+geleerde kan spelen, naar mijne luim."
+
+"En ik," zei Wamba, "wil u hartelijk gaarne vergezellen. Ik verlang
+om het lijkmaal van Athelstane te zien; want als het niet prachtig
+en druk bezocht is, dan staat hij van de dooden weder op, om kok,
+tafeldekker en schenker te kastijden, en het zou wel de moeite waard
+zijn dat te zien. In elk geval, heer ridder, vertrouw ik, dat uwe
+dapperheid mij bij Cedric zal verontschuldigen, zoo mijn vernuft te
+kort mocht schieten!"
+
+"En hoe zou mijne geringe dapperheid daar slagen, heer nar, waar uw
+schitterend vernuft schipbreuk lijdt?--verklaar mij dit!"
+
+"Het vernuft, heer ridder," hernam de nar, "kan veel doen. Het
+is een vlugge, scherpzinnige knaap, die de zwakke zijde van zijn
+buurman ontdekt, en uit den weg weet te blijven, als zijne drift
+ontstoken is. Maar de dapperheid is een onstuimige jongen, die alles
+verbrijzelt. Hij roeit tegen weer en wind op, en komt toch vooruit;
+dus, heer ridder, terwijl ik van het schoone weder in het gemoed van
+mijn heer gebruik maak, hoop ik, dat gij uw best zult doen, als het
+begint te stormen!"
+
+"Heer Zwarte Ridder, daar gij verkiest zoo genoemd te worden," zei
+Ivanhoe, "ik vrees, dat gij een praatzieken en lastigen nar tot gids
+gekozen hebt. Maar hij kent iederen weg en ieder pad in de bosschen,
+zoo goed als de beste jager; en de arme schelm is, zooals gij zelf
+reeds gezien hebt, getrouw als staal."
+
+"Wel," zei de ridder, "als hij mij den weg wijzen kan, dan zal ik er
+niet kwaad om worden, dat hij dien zoekt te veraangenamen.--Vaarwel,
+goede Wilfrid!--Ik gelast u, op het vroegst, morgen te vertrekken."
+
+Dit zeggende, stak hij Ivanhoe de hand toe, welke deze aan zijn lippen
+drukte, nam afscheid van den Prior, besteeg zijn paard en vertrok met
+zijn leidsman Wamba. Ivanhoe volgde hen met de oogen, tot zij onder het
+lommer van het woud verdwenen, en keerde daarop in het klooster terug.
+
+Maar dadelijk na de vroegmetten verzocht hij, om den Prior te
+zien. De oude man kwam haastig en vroeg angstig naar den staat van
+zijne gezondheid.
+
+"Ze is beter," antwoordde Ivanhoe, "dan mijne vurigste hoop verwachten
+kon; mijn wond is of geringer geweest, dan mijn bloedverlies mij
+deed vermoeden, of deze balsem heeft eene wonderdadige genezing
+bewerkt. Het komt mij voor, dat ik mijne wapenrusting heden reeds zou
+kunnen dragen, en dat is gelukkig, daar er gedachten bij mij opkomen,
+welke mij ongeneigd maken om hier langer in werkeloosheid te blijven."
+
+"Alle Heiligen bewaren ons daarvoor," zei de Prior, "dat de zoon van
+den Sakser Cedric ons klooster zou verlaten eer zijne wonden genezen
+zijn! Het zou eene schande voor onzen stand zijn, als wij dit duldden!"
+
+"En ik zou uw gastvrij dak ook niet verlaten, eerwaarde vader," hernam
+Ivanhoe, "als ik mij niet sterk genoeg gevoelde, om de reis te doen,
+en niet gedwongen werd ze te ondernemen."
+
+"En wat kan u tot zulk een overhaast vertrek bewegen?" vroeg de Prior.
+
+"Hebt gij nooit een voorgevoel gehad van naderend ongeluk, eerwaarde
+vader," antwoordde de ridder, "waarvoor gij te vergeefs zoudt trachten
+een reden op te geven?--Hebt gij nooit uw ziel verduisterd gevonden
+als een door de zon bestraald landschap door een plotseling opkomende
+wolk, welke een naderenden storm verkondigt?--En denkt gij niet,
+dat zulke gewaarwordingen onze aandacht verdienen, als wenken van
+onze beschermengelen, dat er gevaar in de nabijheid is?"
+
+"Ik kan niet ontkennen," zei de Prior, een kruis makende, "dat zulke
+voorgevoelens van den Hemel gekomen zijn, en nog komen; maar dan
+hebben ze een blijkbaar nuttig en goed doel gehad. Maar wat zou het
+u baten, dat gij, gewond als gij zijt, de schreden van hem volgt,
+wien ge niet zoudt kunnen helpen, als hij aangevallen werd?"
+
+"Prior," zei Ivanhoe, "gij vergist u:--ik ben sterk genoeg, om te
+kampen met iedereen, die mij daartoe aanleiding geeft.--Maar al
+ware het ook anders, zou ik hem in zijn gevaar niet anders dan door
+kracht van wapens kunnen bijstaan? Het is maar al te wel bekend, dat
+de Saksers de Normandiërs niet beminnen, en wie weet wat er van komen
+kan, als hij onverwachts onder hen valt, terwijl hunne harten door den
+dood van Athelstane verbitterd, en hunne hoofden door den edelen wijn
+van zijn lijkfeest verhit zijn? Ik houd zijne verschijning onder hen
+op zulk een oogenblik voor zeer gevaarlijk, en ik heb besloten het
+gevaar met hem te deelen, of het af te wenden; en om dit te doen,
+zou ik u wel willen verzoeken mij een paard te leenen, welks gang
+zachter is, dan die van mijn strijdros."
+
+"Zeker!" zei de waardige geestelijke: "Gij zult mijn eigen rijpaard
+hebben, en ik wensch, dat het even zacht voor u moge loopen, als dat
+van den abt van St. Albans. Maar dit wil ik zeggen van Malkin,--want
+zoo heet het dier,--dat, wanneer gij het paard van den goochelaar
+niet leent, dat een horlepijp tusschen eieren danst, gij geen rid
+kunt doen op een dier, dat zoo zacht is en zulk een aangenamen gang
+heeft. Ik heb menige preek op zijn rug gemaakt, tot stichting van
+mijn kloosterbroeders en van menige arme Christenziel."
+
+"Ik verzoek u, eerwaarde vader, Malkin dadelijk gereed te laten maken,
+en laat ook Gurth met mijne wapens komen."
+
+"Ja maar, beste heer, ik bid u in overweging te nemen, dat Malkin even
+weinig kennis heeft van wapens, als zijn meester, en dat ik er niet
+voor instaan wil, dat het dier het gezicht en de zwaarte van uw volle
+wapenrusting verdragen kan. O, ik beloof u, Malkin is een verstandig
+dier, en zal zich tegen ieder onbehoorlijk overwicht verzetten. Ik
+had slechts eens de _Fructus Temporum_ van den priester van St. Bees
+geleend, en ik verzeker u, dat ik het paard niet van de poort weg kon
+krijgen, eer ik den foliant tegen mijn klein gebedenboek verruild had."
+
+"Vertrouw er op, eerwaarde vader," hernam Ivanhoe, "dat ik uw paard
+geen te groot gewicht zal opleggen; en als het zich tegen mij verzet,
+dan zal het de slechtste partij kiezen."
+
+Terwijl Ivanhoe dit antwoord gaf, gespte Gurth aan de hielen van den
+ridder een paar groote vergulde sporen, die ieder weerspannig paard
+konden leeren, dat het best deed met zich naar den wil van zijn ruiter
+te schikken.
+
+De groote scherpe raderen, waarmede Ivanhoe's hielen gewapend
+waren, deden den waardigen Prior bijna berouw gevoelen over zijn
+gedienstigheid, en hij riep uit: "Maar, beste heer, nu herinner ik mij,
+dat Malkin geene sporen verdraagt.--Het is beter, dat gij de merrie
+van onzen rentmeester op de pachthoeve neemt, welke wij in iets meer
+dan een uur kunnen krijgen, en die zeker handelbaar is, daar zij veel
+van ons winterbrandhout trekken moet, en geen haver krijgt."
+
+"Ik dank u, eerwaarde vader; maar ik zal mij maar aan uw eerste aanbod
+houden, daar ik zie, dat men Malkin reeds naar buiten leidt. Gurth
+zal mijne wapenrusting dragen, en voor het overige, verlaat u er op,
+dat Malkin evenmin mijn geduld zal vermoeien, als ik haar rug zal
+overladen. En nu, vaarwel!"
+
+Ivanhoe ging de trappen af, sneller en gemakkelijker dan men wegens
+zijne wond zou verwacht hebben, en wierp zich op het paard, begeerig
+om den Prior te ontgaan, die hem van zoo nabij volgde, als zijne
+jaren en zijn zwaarlijvigheid hem vergunden, nu eens den lof van
+Malkin uitbazuinende, en dan weder den ridder voorzichtigheid met
+het paard aanbevelende.
+
+"Ze is in het gevaarlijkste tijdvak voor eene merrie," zei de oude
+man, over zijn eigen geestigheid lachende, "daar ze eerst in haar
+vijftiende jaar is."
+
+Ivanhoe, die andere dingen in het hoofd had, dan met den eigenaar over
+zijn paard te staan redeneeren, leende slechts een half oor zoowel aan
+de deftige raadgevingen als aan de vroolijke scherts van den Prior;
+hij sprong dus op het paard, beval zijn schildknaap--want zoo noemde
+Gurth zich thans,--hem bij te blijven, en volgde het spoor van den
+Zwarten Ridder in het woud, terwijl de Prior in de poort stond, om hem
+na te zien, uitroepende: "Heilige Maria! Wat zijn die krijgslieden vlug
+en vurig! Ik wenschte wel, dat ik hem Malkin niet had toevertrouwd;
+want daar ik lam van de jicht ben, zou ik ongelukkig zijn als haar iets
+kwaads overkwam. En echter," voegde hij er bij, "daar ik mijn eigene
+oude, zwakke ledematen niet zou sparen voor Oud-Engeland, zoo moet
+ook Malkin zich daarvoor in gevaar begeven, en misschien houdt men
+wederkeerig ons arm huis eene rijke schenking waardig, of zendt men
+den ouden Prior een mak rijpaard. En al doen zij ook geen van beide,
+daar de grooten dikwijls de diensten der geringen vergeten, dan zal
+ik mij toch wèl beloond rekenen, als ik maar doe wat recht is. En
+het zal nu ook wel tijd zijn, om de broeders tot het ontbijt in de
+eetzaal samen te roepen.--Och! ik geloof, dat ze liever hieraan zullen
+gehoorzamen, dan aan de klok voor de vroegmis en het morgengebed!"
+
+Hierop hinkte de Prior van St. Botolph naar de eetzaal terug,
+om het voorzitterschap bij den stokvisch en het bier te bekleeden,
+welke juist voor het ontbijt der monniken opgedragen werden. Ernstig
+en met een veelbeteekenend gelaat ging hij aan tafel zitten en liet
+menigen duisteren wenk vallen over de schenkingen, welke het klooster
+te wachten had, en over de groote diensten, welke hij zelf bewezen had,
+die op een anderen tijd de aandacht zijner toehoorders zouden geboeid
+hebben. Maar, daar de stokvisch sterk gezouten en het bier tamelijk
+krachtig was, waren de kinnebakken der broeders te druk bezig, om hun
+te vergunnen veel gebruik van hun ooren te maken, en wij lezen niet
+dat één der broederschap lust gevoelde om gissingen over de wenken
+van hun opperste te maken, behalve vader Diggory, die geweldig aan
+kiespijn leed, zoodat hij maar met een kant van den mond kon kauwen.
+
+Intusschen trokken de Zwarte Ridder en zijn gids rustig door het
+dichte bosch; nu eens bromde de ridder in zich zelven het liedje van
+den een of anderen verliefden troubadour, dan weder wakkerde hij door
+zijne vragen de praatzucht van zijn reisgezel aan; zoodat hun gesprek
+een zonderling mengsel van gezang opleverde, waarvan wij onze lezers
+gaarne eenig denkbeeld zouden willen geven. Gij moet u dus dezen ridder
+verbeelden, zooals wij hem beschreven hebben, sterk van lichaam, groot,
+gespierd en met breede schouders, gezeten op zijn reusachtig zwart
+strijdros, dat tot zijn gebruik voorbestemd scheen, zoo gemakkelijk
+droeg het zijn last. De ridder had het vizier van zijn helm open,
+om vrij adem te kunnen halen; evenwel was het benedenste gedeelte
+gesloten, zoodat men zijn trekken slechts gedeeltelijk onderscheiden
+kon. Maar zijn zwart verbrande wangen en zijn groote blauwe oogen,
+welke met ongewone stoutheid van onder de donkere schaduw van het
+open vizier schitterden, kon men zien; en de geheele houding en het
+voorkomen van den ridder getuigden van eene zorgelooze opgeruimdheid
+en een moedig zelfvertrouwen,--van een gemoed, buiten staat om het
+gevaar te vreezen, maar altijd gereed om het te trotseeren, als iets
+waaraan het gewoon was geworden door aanhoudende strijden en avonturen.
+
+De nar droeg zijne gewone zonderlinge kleeding, maar de gebeurtenissen
+der laatste dagen hadden hem bewogen om een fikschen krommen sabel
+te voeren, in plaats van zijn houten zwaard, met een schild daarbij;
+en hij had gedurende het beleg van Torquilstone getoond, dat hij
+beiden zeer goed wist te gebruiken. Wezenlijk moest de zwakheid van
+Wamba's brein hoofdzakelijk aan een soort van gedurige prikkelbaarheid
+worden toegeschreven, die hem steeds dwong van houding te veranderen,
+en het hem onmogelijk maakte eenige geregelde aaneenschakeling van
+denkbeelden te volgen, ofschoon hij voor eenige minuten vlug genoeg
+was om dadelijk iets te verrichten, of het onderwerp van een gesprek
+te volgen. Te paard dus, wierp hij zich gedurig nu eens voor- dan
+weder achterwaarts, nu eens op de ooren van het paard, dan bijna op
+den staart, nu eens hing hij met beide beenen op de eene zijde, dan
+weder zat hij met zijn gezicht naar den staart, grijnzende gezichten
+trekkende en duizenderlei kunstjes makende; tot zijn paard eindelijk
+zijn grappen zoo kwalijk nam, dat het hem lang uit op het groene gras
+wierp,--iets, dat den ridder bijzonder vermaakte, maar zijn reisgezel
+noodzaakte in het vervolg bedaarder te rijden.
+
+Op het oogenblik van hunne reis, waarop wij hen weder ontmoeten,
+was dit vroolijk paar bezig een _virelai_ te zingen, zooals men het
+noemde, waar de nar den beter onderrichten ridder op een harden,
+krassenden toon antwoordde. Dus luidde het gezang:
+
+
+ DE RIDDER.
+
+ Anna Maria, ontwaakt is de zon,
+ Anna Maria, de morgen begon;
+ 't Vooglenkoor zingt reeds, de nevel trok heen,
+ Rijs, mijn Maria! de morgen verscheen.
+ Anna Maria, ik bid u, ontwaak,
+ 'k Hoor het gejuich van het jagersvermaak,
+ 't Schalt en weerklinkt van den heuvelentop,
+ Anna Maria, eilieve, sta op!
+
+
+ WAMBA.
+
+ Mijn Tybalt, mijn Tybalt, och, wek mij nog niet,
+ Terwijl mij de slaap zoete droombeelden biedt;
+ Want wat wij genieten al wakende, is bij
+ Die toovergestalten van luttel waardij.
+ Laat zingen de vooglen als d' ochtend zich meldt,
+ Laat klinken den horen der jagers in 't veld,
+ Veel lieflijker tonen verblijden mij nu,--
+ Maar denk niet, mijn Tybalt, ik droomde van u!
+
+
+"Een aardig lied," zei Wamba, toen zij gedaan hadden; "en, bij mijn
+zotskap, er zit een goede les in!--Ik was gewoon het te zingen met
+Gurth, eertijds mijn speelmakker, en nu door God en zijns meesters
+genade een vrij man, en wij kregen eens stokslagen, omdat wij zoo
+betooverd waren door de melodie, dat wij twee uren na zonsopgang nog
+te bed lagen, en het liedje tusschen slapen en waken zongen;--de rug
+doet mij sedert dien tijd steeds zeer, als ik eraan denk! En toch heb
+ik de rol van Anna Maria vervuld, om u genoegen te geven, edele heer!"
+
+Hierop hief de nar een ander gezang aan, een soort van kluchtig liedje,
+waarop de ridder, de wijs vattende, antwoordde:
+
+
+ DE RIDDER EN WAMBA.
+
+ Er kwamen drie gasten uit Zuid, West en Noorden,
+ En zongen bij beurten een lied,
+ Opdat ze de weduw van Wycomb bekoorden,
+ En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hen niet?
+
+ Een ridder van Tyndaal kwam 't eerste haar nadren,
+ En zong al gedurig zijn lied:
+ Beroemd was waarachtig de stam zijner vadren,
+ En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?
+
+ Hij stofte op zijn vader, zijn oom, d'eedle heeren,
+ Op titels in 't rijmende lied,
+ Maar ach, zij beduidde hem huiswaarts te keeren,
+ Want 't weeuwtje van Wycomb verhoorde hem niet.
+
+
+ WAMBA.
+
+ De tweede bezwoer bij het licht van zijn oogen,
+ Al zingende vroolijk zijn lied;
+ Hij toch was een heerschap in Welschland getogen,
+ En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?
+
+ Hij heette heer David van Hugo van Morgen,
+ Van Griffith van Tudor, zoo snoefde zijn lied,
+ "Dat gaat niet, één weeuw voor zoo velen te zorgen!"
+ Zoo sprak ze en verhoorde onzen Welschman ook niet.
+
+ Een pachter van Kent was de laatste gebleven,
+ Maar zong nu zoo vleiend een lied,
+ Hij roemde zijn rijkdom, zijn vorstelijk leven.
+ En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?
+
+
+ DE RIDDER EN WAMBA.
+
+ De heer en de ridder, och lagen er achter,
+ Al zongen ze beurtlings een lied;
+ De weduw bekoorde het goed van den pachter,
+ Wat weeuwtje ook ter wereld verhoorde hem niet!
+
+
+"Ik wilde wel, Wamba," zei de ridder, "dat onze gastheer van den
+gerechtseik, of de vroolijke monnik, zijn kapelaan, dit lied op den
+lof van onzen trotschen landman hoorde."
+
+"Dat wilde ik niet," zei Wamba, "zoo niet die horen aan uw bandelier
+hing!"
+
+"Ja," hernam de ridder, "dit is een pand van Locksley's welwillendheid,
+schoon ik het waarschijnlijk niet noodig zal hebben. Drie klanken op
+dien horen zullen, daarvan ben ik zeker, in geval van nood een goede
+bende van die eerlijke schutters rondom mij verzamelen."
+
+"Ik zou zeggen, de Hemel beware ons daarvoor," hernam de nar, "zoo
+deze schoone gift geen onderpand was, dat zij ons vreedzaam zouden
+laten trekken!"
+
+"Wat meent gij," vroeg de ridder; "denkt gij, dat zij ons zonder dit
+teeken van broederschap zouden aanvallen?"
+
+"Neen, daar zeg ik niets van," antwoordde Wamba; "want groene boomen
+hebben zoowel ooren als steenen muren. Maar kunt gij mij zeggen,
+heer ridder:--wanneer is het beter, dat uwe wijnkan en beurs ledig
+dan vol zijn?"
+
+"Wel, nooit dunkt mij!" antwoordde de ridder.
+
+"Gij verdient wegens dit zotte antwoord nooit eene volle kan of beurs
+in de hand te hebben! Gij doet best uwe kan te ledigen, eer gij ze
+aan een Sakser overgeeft; en uw geld te huis te laten, als gij door
+het groene woud reist."
+
+"Houdt gij onze vrienden dan voor roovers?" vroeg de ridder.
+
+"Dat hebt gij mij niet hooren zeggen, edele heer," antwoordde Wamba;
+"het verlicht het paard van een reiziger, die een verren tocht te
+maken heeft, als men hem zijn valies afneemt; en het is wellicht
+goed voor zijne ziel, als men hem verlost van hetgeen de wortel
+des kwaads is; derhalve wil ik hun, welke zulke diensten bewijzen,
+geene harde namen geven. Ik zou slechts mijn valies in huis en mijne
+beurs op mijne kamer wenschen, als ik deze goede lieden ontmoette;
+omdat dit hun eenige moeite zou besparen!"
+
+"Wij zijn evenwel verplicht naar hen te verlangen, niettegenstaande
+den lof, welken gij hun geeft."
+
+"Ik wil van ganscher harte naar hen verlangen," zei Wamba, "maar in de
+stad, niet in het groene woud, gelijk de Abt van St. Bees, welken zij
+de mis hebben laten lezen in een ouden hollen eik, tot koorgestoelte."
+
+"Zeg wat gij wilt, Wamba," hernam de ridder, "deze schutters hebben
+uw meester Cedric, bij Torquilstone, heerlijke diensten bewezen."
+
+"Ja zeker," antwoordde Wamba, "maar dat is de wijze waarop zij met
+den Hemel handel drijven."
+
+"Met den Hemel handel drijven, Wamba, hoe meent gij dat?"
+
+"Wel, zóó: zij houden rekening-courant met den Hemel, zooals onze
+oude keldermeester zijn boekhouden placht te noemen, juist zoo goed
+als Izaäk de Jood ze houdt met zijne schuldenaars,--en evenals hij,
+geven zij weinig en nemen lang krediet; zonder twijfel tot hun eigen
+voordeel de zevenvoudige interesten berekenende, welke de Heilige
+Schrift aan liefdadige leeningen beloofd heeft."
+
+"Geef mij een voorbeeld van wat ge bedoelt, Wamba;--ik versta iets
+van rekenen en interesten," antwoordde de ridder.
+
+"Wel," zei Wamba, "indien uwe dapperheid zoo onwetend is, dan moet gij
+leeren, dat deze eerlijke kerels eene goede daad tegen eene andere,
+welke niet volkomen zoo loffelijk is, laten opwegen; b. v. een kroon,
+die zij aan een bedelmonnik geven, tegen honderd byzantijnen, welke
+zij een vetten abt ontnemen; of een meisje, dat zij in het groene
+woud kussen, tegen eene arme weduwe, die zij ondersteunen."
+
+"Welke van deze laatste was de goede daad en welke de slechte?" viel
+hem de ridder in de rede.
+
+"Goed gevraagd! Goed gevraagd!" riep Wamba uit. "Geestig gezelschap
+scherpt het verstand. Ik wil er op zweren, heer ridder, dat gij geen
+zoo goeden inval gehad hebt, toen gij dronken avondgebeden met den
+woesten kluizenaar opzeidet. Maar om voort te gaan. De vroolijke
+schutters stellen het opbouwen eener hut tegen het afbranden van een
+kasteel,--het oprichten van een kansel tegen het plunderen van eene
+kerk;--het in vrijheid stellen van een armen gevangene, tegen den
+moord van een hoogmoedigen schout,--of, om nader ter zaak te komen,
+het bevrijden van een Saksischen _Franklin_ tegen het levend verbranden
+van een Normandischen Baron. Kortom, het zijn vriendelijke dieven en
+hoffelijke roovers; maar het is altijd het gelukkigst hen te ontmoeten,
+als zij het meest in nood zijn."
+
+"Hoe zoo, Wamba?" vroeg de ridder.
+
+"Wel, dan hebben zij eenig berouw, en willen hun zaken gaarne met
+den Hemel vereffenen. Maar wanneer de balans opgemaakt is, dan zij
+de Hemel hem genadig, met wien zij eene nieuwe rekening openen! De
+reizigers, die hen eerst na hun bewezen diensten bij Torquilstone
+ontmoeten, zullen schoon gevild worden.--En echter," vervolgde hij,
+dicht naast den ridder komende, "er zijn kerels, die voor een reiziger
+veel gevaarlijker zijn dan gindsche vogelvrijverklaarden."
+
+"En wie zijn dat dan; want er zijn zeker geene beren of wolven
+hier?" vroeg de ridder.
+
+"Maar, wij hebben hier Malvoisin's volk," antwoordde Wamba; "en laat
+ik u zeggen, dat in tijden van burgeroorlog een tiental er van ten
+allen tijde even gevaarlijk is als een bende wolven. Zij wachten thans
+hun oogst, en zijn versterkt door de soldaten, die uit Torquilstone
+ontsnapt zijn; zoodat, indien wij een troep van deze lieden ontmoetten,
+wij denkelijk onze heldendaden duur zouden moeten betalen.--Nu bid
+ik u, heer ridder, wat zoudt gij doen, als wij er twee van ontmoetten?"
+
+"De schurken met mijn lans tegen den grond spijkeren, Wamba, als zij
+ons de minste verhindering in den weg legden."
+
+"Maar indien er vier waren?"
+
+"Zij zouden evenzoo te pas komen," antwoordde de ridder.
+
+"Maar indien er zes waren," vervolgde Wamba--"en wij, zooals wij hier
+zijn, met ons beiden;--zoudt gij niet aan Locksley's horen denken?"
+
+"Hoe, om hulp blazen," riep de ridder, "tegen eene bende schurken,
+welke één goede ridder voor zich heen kan drijven, evenals de wind
+de verdorde bladeren voor zich heen jaagt!"
+
+"Nu, nu," zei Wamba, "heb de goedheid en laat mij toch eens dien
+horen van naderbij bezien, welke een zoo machtige stem heeft."
+
+De ridder maakte den horen van zijn bandelier los en gaf hem aan zijn
+reisgenoot, die hem dadelijk om zijn eigen hals hing.
+
+"Tra-lira-la!" zei hij, die noten fluitende; "ik ken de wijs zoo goed
+als een ander."
+
+"Hoe meent gij dat, schelm?" zei de ridder; "geef mij den horen terug."
+
+"Stel u gerust, heer ridder, die is in zekere bewaring. Als de
+dapperheid en de dwaasheid samen reizen, dan moet de dwaasheid den
+horen dragen, omdat zij het best er op blazen kan."
+
+"Maar, schelm," zei de Zwarte Ridder, "dit gaat te ver,--wacht u om
+mijn geduld uit te putten!"
+
+"Gebruik geen geweld tegen mij, heer ridder," zei de nar, zich op een
+afstand van den vertoornden ridder houdende, "of de dwaasheid zal u
+de hielen laten zien, en de dapperheid, zoo goed zij kan, haar weg
+door het woud laten zoeken."
+
+"Ha! daar hebt gij mij gevangen," zei de ridder, "en om de waarheid te
+zeggen, ik heb ook geen tijd om met u te schertsen. Behoud den horen,
+zoo gij wilt; maar laten wij onze reis vervolgen."
+
+"Gij zult mij dus geen kwaad doen?" vroeg Wamba.
+
+"Ik zeg u van neen, schelm!"
+
+"Ja, maar geef mij uw ridderwoord er op!" vervolgde Wamba, met groote
+omzichtigheid naderende.
+
+"Ik geef u mijn ridderwoord, kom maar nader met uw zotten persoon."
+
+"Welaan dan, dus zullen de dapperheid en de dwaasheid opnieuw goede
+reismakkers zijn," zei de nar weder onbevreesd naast den ridder
+rijdende; "maar waarlijk, ik houd niet van zulke slagen, zooals gij
+er den lustigen monnik een gegeven hebt, toen zijne heiligheid over
+den grond rolde, gelijk de koning in het kegelspel. En nu, daar de
+dwaasheid den horen voert, laat de dapperheid zich verheffen en haar
+manen schudden; want, indien ik mij niet vergis, dan is er gezelschap
+in gindsch kreupelhout, dat op ons loert."
+
+"Waarom denkt gij dat?" vroeg de ridder.
+
+"Omdat ik al een paar maal een helm door de groene bladeren heb zien
+schemeren. Als het eerlijke kerels waren, dan bleven zij op den open
+weg. Maar die dichte plaats is een uitgezochte kapel voor de priesters
+van St. Nikolaas."
+
+"Op mijn woord van eer," zei de ridder, zijn vizier sluitende;
+"ik geloof, dat gij gelijk hebt!"
+
+En wel ter rechter tijd sloot hij het; want er vlogen op hetzelfde
+oogenblik uit de verdachte plaats drie pijlen naar zijn hoofd en zijn
+borst, waarvan de een tot in de hersenpan zou doorgedrongen zijn,
+als het stalen vizier de spits niet had doen afstuiten. De beide
+anderen werden tegengehouden door het borstharnas en het schild,
+dat om zijn hals hing.
+
+"Wees gedankt, brave wapensmid!" zei de ridder.--"Wamba, laten wij
+op hen losgaan," en hiermede reed hij naar het kreupelhout toe. Zes
+of zeven gewapenden renden in volle vaart er uit, met gevelde lansen
+tegen hem aan. Drie van dezen troffen hem, en vlogen zonder de minste
+uitwerking te doen in splinters, als tegen een stalen toren. De
+oogen van den Zwarten Ridder schenen vuur te schieten door de
+opening van zijn vizier. Hij lichtte zich in de stijgbeugels, met een
+onbeschrijflijk waardige houding op, en riep uit: "Wat beduidt dit,
+mijne heeren?"--De mannen antwoordden alleen door hun zwaarden te
+trekken en hem van alle kanten aan te vallen, uitroepende: "Sterf,
+dwingeland!"
+
+"Ha, St Eduard! ha! St. George!" riep de Zwarte Ridder, bij iederen
+uitroep een vijand ter neêr vellende; "hebben wij hier verraders?"
+
+De aanvallers, hoe wanhopig ze ook vochten, weken terug voor een arm,
+welke met iederen slag den dood uitdeelde, en het scheen, alsof alleen
+de schrik voor zijne kracht de overwinning over deze schurken zou
+behalen, toen een ridder in een blauwe wapenrusting, die zich tot
+hiertoe achter de andere aanvallers gehouden had, met gevelde lans
+vooruit reed, en niet op den ruiter, maar op het paard mikkende,
+het edele dier doodelijk kwetste.
+
+"Dat was een verraderlijke steek!" riep de Zwarte Ridder, terwijl
+het paard met zijn ruiter ter aarde tuimelde. Op dit oogenblik blies
+Wamba op den horen;--want alles was zoo onverwacht voorgevallen, dat
+hij geen tijd had gevonden om dat vroeger te doen. Die verrassende
+klanken deden de moordenaars nog eens terugdeinzen, en Wamba,
+ofschoon onvolkomen gewapend, aarzelde niet om er op los te gaan,
+en den Zwarten Ridder in het opstaan behulpzaam te zijn.
+
+"Schaamt u, valsche lafaards!" riep de ridder uit, die de aanvallers
+scheen aan te voeren; "vlucht gij voor den blooten klank van een horen,
+door een nar geblazen?"
+
+Aangevuurd door deze woorden, vielen zij den ridder opnieuw aan,
+wiens beste toevlucht thans was, zich met den rug tegen een eik te
+plaatsen en zich met zijn zwaard te verdedigen. De verraderlijke
+ridder, welke een andere speer gekregen had, nam het oogenblik waar,
+toen zijn geduchte tegenpartij het hardst gedrongen werd, en reed
+op hem los, in de hoop van hem met zijn lans tegen den boom te
+nagelen, toen zijn voornemen door Wamba verhinderd werd. De nar,
+die zijn gebrek aan kracht door vlugheid vergoedde, en niet door
+de gewapenden opgemerkt werd, die door een geduchter vijand bezig
+gehouden werden, haastte zich om deel aan den strijd te nemen en
+stremde wezenlijk den noodlottigen loop van den Blauwen Ridder, door
+met zijn zwaard diens paard de knie-zenuwen door te klieven. Man
+en paard vielen; desniettemin bleef de toestand van den Zwarten
+Ridder zeer gevaarlijk, daar hij door verscheidene vijanden van
+nabij gedrongen werd, en vermoeid begon te worden door de geweldige
+inspanning, welke het hem kostte, om zich tegelijk op zoo vele punten
+te verdedigen, toen eensklaps een pijl een der geduchtste van zijn
+aanvallers op den grond deed neêrtuimelen, en een bende schutters uit
+het bosch te voorschijn kwam, onder aanvoering van Locksley en den
+vroolijken monnik, die dadelijk en vlug deel aan den strijd nemende,
+de aanvallers met zooveel kracht aangrepen, dat ze spoedig allen dood,
+of doodelijk gewond, op de plaats bleven. De Zwarte Ridder dankte zijn
+bevrijders met eene waardigheid, welke ze te voren niet in zijn gedrag
+hadden opgemerkt, dat tot dusver eerder dat van een stoutmoedigen,
+openhartigen krijgsman dan van een man van hoogen rang geschenen had.
+
+"Er ligt mij veel aan gelegen," zei hij, "zelfs eer ik mijn
+dankbaarheid jegens mijne waardige vrienden te kennen geef, om
+zoo mogelijk te ontdekken, wie mijn ongetergde vijanden geweest
+zijn.--Wamba, open het vizier van dien Blauwen Ridder, die de
+aanvoerder van deze schurken schijnt te zijn."
+
+De nar ging dadelijk op den aanvoerder der moordenaars los, die,
+gekneusd door zijn val, en gedrukt onder het gekwetste paard, daar
+lag zonder te kunnen vluchten of weêrstand bieden.
+
+"Kom, dappere heer," zei Wamba, "ik moet uw schildknaap zijn, zoowel
+als uw stalmeester. Ik heb u van het paard geholpen, en nu zal ik u van
+den helm ontdoen." Dit zeggende, maakte hij met een niet zeer zachte
+hand den helm van den Blauwen Ridder los, welke op het gras rollende,
+den Zwarten Ridder de grijze lokken en het gelaat vertoonde van iemand,
+dien hij niet op deze wijze verwacht had te ontmoeten.
+
+"Waldemar Fitzurse!" riep hij geheel verwonderd uit, "Wat kon een man
+van uw rang en van uwe schijnbare waardigheid tot zulk een schandelijke
+onderneming bewegen?"
+
+"Richard," zei de gevangen ridder, naar hem opziende, "gij kent
+den mensch slecht, als gij niet weet, waartoe eerzucht en wraak elk
+Adamskind kunnen verleiden!"
+
+"Wraak?" antwoordde de Zwarte Ridder; "ik heb u nooit beleedigd.--Op
+mij hebt gij geene wraak te nemen."
+
+"Mijne dochter, Richard, wier verbintenis gij versmaad hebt,--was dat
+geen hoon voor een Normandiër, wiens bloed even edel is als het uwe?"
+
+"Uwe dochter!" hervatte de Zwarte Ridder. "Een gegronde reden,
+waarlijk, tot eene vijandschap, welke zulk een bloedigen afloop
+moest hebben!--Treedt wat terug, mijne heeren, ik wil alleen met
+hem spreken.--En nu, Waldemar Fitzurse, zeg mij de waarheid;--beken,
+wie u tot deze verraderlijke daad aangezet heeft?"
+
+"Uws vaders zoon," antwoordde Waldemar, "die daardoor slechts uwe
+ongehoorzaamheid tegen uw vader wreekte."
+
+Richards oogen gloeiden van toorn; maar zijn betere natuur behield de
+overhand. Hij sloeg zich met de hand op het voorhoofd, en staarde een
+oogenblik op het gelaat van den vernederden ridder, op wiens trekken
+hoogmoed en schaamte met elkander in strijd waren. "Vraagt gij niet
+om uw leven, Waldemar?" vroeg de Koning.
+
+"Hij, die in de klauwen van den leeuw is," antwoordde Fitzurse,
+"weet dat zoo iets overbodig zou zijn."
+
+"Neem het dan ongevraagd," hervatte Richard; "de leeuw aast op
+geen lijken.--Neem uw leven, maar onder voorwaarde, dat gij binnen
+drie dagen Engeland zult verlaten, uwe schande in uw kasteel in
+Normandië verbergen, en nooit den naam van Jan van Anjou noemen,
+als in betrekking staande met uwe schurkerij. Zoo men u na den u
+vergunden tijd op het Engelsch gebied vindt, dan sterft gij;--of, als
+gij iets ruchtbaar laat worden, dat de eer van mijn huis bevlekken
+kan, bij St. George, dan zal het altaar zelfs geene schuilplaats
+voor u zijn! Ik laat u aan den hoogsten toren van uw eigen kasteel
+ophangen, om den raven tot voedsel te dienen!--Geef dezen ridder een
+paard, Locksley; want ik zie dat uwe schutters die opgevangen hebben,
+welke los liepen, en laat hem ongehinderd vertrekken."
+
+"Zoo ik niet begreep, dat ik een stem verneem, welke men niet mag
+tegenspreken," antwoordde de schutter, "dan zou ik den sluipenden
+schurk een schicht achterna zenden, welke hem de moeite eener lange
+reis zou besparen."
+
+"Gij hebt een Engelsch hart, Locksley," zei de Zwarte Ridder,
+"en te recht oordeelt gij, dat gij verplicht zijt mijne bevelen te
+gehoorzamen.--Ik ben Richard van Engeland!"
+
+Bij deze woorden, welke op een toon van majesteit, aan zijn hoogen
+rang, en aan het niet minder hooghartig karakter van Richard
+Leeuwenhart passende, uitgesproken werden, knielden de schutters
+allen tegelijk voor hem neder, en zwoeren hem trouw, terwijl zij
+tevens vergiffenis voor hunne misdaden vroegen.
+
+"Staat op, vrienden," zei Richard, op vriendelijken toon, hen aanziende
+met een gelaat, waarop zijne gewone opgeruimdheid reeds alle teekens
+van toorn overwonnen had, en op welks trekken geen spoor meer van den
+zoo even geleverden woedenden strijd te zien was, behalve de hoogere
+kleur, welke de inspanning veroorzaakt had.--"Staat op, vrienden! uw
+wangedrag zoowel in het bosch als in het veld, is uitgewischt door
+de diensten, welke gij aan mijne verdrukte onderdanen onder de muren
+van Torquilstone bewezen hebt, en door de redding, welke uw koning
+u heden te danken heeft. Staat op, mijn getrouwen, en weest ook in
+het vervolg goede onderdanen.--En gij, brave Locksley,--"
+
+"Noem mij niet langer Locksley, mijn vorst; maar ken mij onder een
+anderen naam, welken ik vrees, dat de faam te ver heeft uitgebazuind,
+dan dat die uwe koninklijke ooren niet zou bereikt hebben.--Ik ben
+Robin Hood van het bosch van Sherwood."
+
+"Koning der vogelvrijverklaarden, en vorst van alle vroolijke
+makkers!" zei de Koning; "wie zou een naam niet gehoord hebben,
+welke tot naar Palestina is overgewaaid? Maar wees verzekerd, dappere
+vriend! dat geene daad, welke gij in onze afwezigheid en gedurende
+de onrustige tijden, die er het gevolg van waren, gepleegd hebt,
+tot uw nadeel zal strekken."
+
+"Wel is het spreekwoord waar," zei Wamba, hem in de rede vallende,
+maar met een weinig minder moedwil dan gewoonlijk: "als de kat weg
+is dansen de muizen!"
+
+"Hoe, Wamba, zijt gij nog daar!" zei Richard; "daar ik uwe stem zoo
+lang niet gehoord had, meende ik, dat gij de vlucht genomen hadt."
+
+"Ik de vlucht nemen!" hervatte Wamba. "Wanneer vindt gij ooit de
+Dwaasheid van de Dapperheid gescheiden? Daar ligt het zegeteeken
+van mijn zwaard, dat schoone grijze paard, dat ik hartelijk wenschte
+weder op zijn pooten te zien, mits zijn meester in zijne plaats daar
+uitgestrekt was. Het is waar, ik bleef eerst een weinig uit den weg,
+want een bont jakje houdt geene lanssteken tegen, zooals een stalen
+harnas. Maar zoo ik niet veel met de punt gevochten heb, zult gij
+toch moeten toegeven, dat ik tot den aanval geblazen heb."
+
+"En dat wel met goed gevolg, eerlijke Wamba!" hernam de Koning. "Uw
+dienst zal niet vergeten worden."
+
+"_Confiteor! Confiteor!_" riep op onderdanigen toon eene stem naar
+den Koning:--"mijn Latijn wil mij niet meer helpen;--maar ik beken
+mijn hoogverraad, en verzoek absolutie eer ik ter dood geleid word!"
+
+Richard keek om, en ontwaarde den vroolijken monnik op zijne knieën,
+zijne rozenkrans tellende, terwijl zijn knots, welke gedurende
+de schermutseling niet werkeloos geweest was, naast hem op het
+gras lag. Zijn gelaatstrekken had hij de uitdrukking van het diepst
+mogelijk berouw doen aannemen, daar hij de oogen opsloeg en de hoeken
+van den mond neêrgetrokken had, gelijk de kwasten van een beurs,
+zooals Wamba placht te zeggen. Evenwel werd deze nederige vertooning
+van ongeveinsd berouw wonderlijk gelogenstraft door een spotachtigen
+trek, die er onder te voorschijn kwam, en die scheen aan te duiden,
+dat zijne vrees en zijn berouw beiden even oprecht waren.
+
+"Waarom zijt gij zoo terneergeslagen, dolle priester?" zei
+Richard. "Vreest gij dat uw bisschop vernemen zal, hoe getrouw gij
+onze Heilige Maagd en St. Dunstan dient?--Stil, man! vrees niets;
+Richard van Engeland verraadt geene geheimen, welke bij de wijnflesch
+uitlekken."
+
+"Neen, genadigste Vorst," hernam de kluizenaar (wel bekend onder den
+naam van broeder Tuck bij hen, die de volksvertellingen van Robin
+Hood kennen); "het is de bisschopsstaf niet, dien ik vrees, maar den
+schepter.--Helaas! dat mijne heiligschendende vuist ooit het oor van
+den gezalfde des Heeren aangeraakt heeft!"
+
+"Ha! ha!" zei Richard, "waait de wind uit dien hoek?--Inderdaad, ik had
+den klap vergeten; ofschoon mijn oor den geheelen dag daarvan gesuisd
+heeft. Maar zoo die flink gegeven was, dan wil ik al deze brave jongens
+laten oordeelen, of hij niet even goed betaald werd;--of zoo gij denkt,
+dat ik u nog iets schuldig ben, dan staat u nog een klap ten dienste."
+
+"In het geheel niet," hernam broeder Tuck; "ik heb den mijne terug
+ontvangen, en dat wel met woeker; moge uw Majesteit uwe schulden
+altijd even goed betalen!"
+
+"Zoo ik dat maar met klappen kon doen," zei de Koning, "dan zouden
+mijne schuldeischers weinig reden hebben, om over mijn ledige schatkist
+te klagen."
+
+"En toch," zei de monnik, zijn schijnheilig gelaat weder aannemende,
+"weet ik niet, welke boete ik voor dien heiligschendenden slag
+moet doen!"
+
+"Spreek er niet meer van, broeder," zei de koning; "nadat ik zooveel
+slagen van Heidenen en ongeloovigen gekregen heb, zou het onverstandig
+van mij zijn, vertoornd te worden over den klap van een zoo heiligen
+kluizenaar, als dien van Copmanshurst. Maar, eerlijke monnik, mij
+dunkt toch, het ware best voor de kerk en u zelven, dat ik u verlof
+bezorgde, om het monnikskleed uit te trekken, en dat ik u bij mijn
+lijfwacht aanstelde, ten einde zorg voor mijn persoon te dragen,
+gelijk te voren voor het altaar van St. Dunstan?"
+
+"Mijn Koning," zei de monnik; "ik vraag u nederig om verschooning
+hiervan; en gij zult mijne verontschuldiging gaarne aannemen,
+zoo gij maar weet, hoe de zonde der luiheid mij bekropen
+heeft.--St. Dunstan--hij zij ons genadig!--blijft rustig in zijn
+nis, al vergeet ik ook mijne gebeden onder het jagen van een vetten
+reebok.--Soms blijf ik ook wel een nacht buiten mijne cel, ik weet
+niet waarom,--en St. Dunstan klaagt nooit,--hij is een zoo stil
+en vreedzaam meester, als er ooit een van hout gemaakt werd.--Maar
+lijfwacht te zijn, om mijn Koning en Heer te dienen,--de eer is zonder
+twijfel groot,--en toch, zoo ik maar eens op zij ging, om eene weduwe
+in den éénen hoek te troosten, of een hert in den anderen te schieten,
+dan zou het terstond wezen: "Waar is die hond van een priester? Wie
+heeft dien verwenschten Tuck gezien? Die schurk van een monnik vernielt
+meer wild dan al de overigen te zamen," zegt de eene houtvester. "En
+jaagt iedere schuwe hinde na!" roept een tweede.--Kortom, mijn
+Koning, ik bid u mij te laten, zooals gij mij gevonden hebt, of,
+zoo gij eenige goedertierenheid jegens mij betoonen wilt, beschouw
+mij dan als den armen heremiet van St. Dustan's cel in Copmanshurst,
+die iedere geringe gave in dank aannemen zal."
+
+"Ik versta u," hervatte de Koning, "en de heilige heremiet zal het
+vrije jachtrecht genieten in mijn bosch van Warncliffe. Maar let
+wel: ik sta u in ieder jachttijd slechts drie reebokken toe; als u
+dit echter geen verontschuldiging geeft om er dertig te schieten,
+dan ben ik geen Christen ridder of echte Koning."
+
+"Uwe Majesteit kan verzekerd zijn," antwoordde de monnik, "dat ik
+met de hulp van St. Dunstan middelen zal vinden, om uw allergenadigst
+geschenk te vermenigvuldigen."
+
+"Ik twijfel er volstrekt niet aan, goede broeder," zei de Koning;
+"en daar wildbraad maar een droog eten is, zoo zal onze keldermeester
+bevel hebben, om u jaarlijks een vat Sek, een vaatje Malvezij en drie
+okshoofden van het beste bier te zenden.--Zoo dit uw dorst niet lescht,
+dan moet gij aan het Hof komen en kennis maken met onzen bottelier."
+
+"Maar wat krijgt St. Dunstan?" zei de monnik.
+
+"Een kap, een _stola_ en een altaarkleed zult gij ook hebben,"
+vervolgde de Koning, een kruis makende.--"Maar wij mogen onze scherts
+niet in ernst veranderen, uit vrees dat God ons straffe, omdat wij
+meer aan onze gekheden dan aan Zijn eer en dienst denken."
+
+"Ik wil voor mijn patroon instaan," zei de priester lachende.
+
+"Sta voor u zelven in, monnik," hernam Koning Richard eenigszins
+ernstig, maar stak dadelijk daarop den heremiet de hand toe, welke
+deze een weinig beschaamd en geknield kuste. "Gij doet minder eer
+aan mijne opene hand dan aan mijn gebalde vuist," zei de Koning;
+"gij knielt slechts neder voor de eerste, en voor de andere wierpt
+gij u lang uit op den grond."
+
+Maar de monnik, die vreesde, dat hij misschien den koning weder
+beleedigen zou door het gesprek te lang op een schertsenden toon voort
+te zetten,--een misslag, waarvoor zij, die met Vorsten omgaan, zich
+bijzonder wachten moeten,--maakte eene diepe buiging en trad terug.
+
+Tegelijkertijd verschenen er nog twee nieuwe aankomelingen op het
+tooneel.
+
+
+
+
+
+EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Heil u allen, mijn heeren van hoogeren stand,
+ Maar niet meerder gelukkig dan wij op het land!
+ In onze wouden gekomen,
+ Om onze spelen te zien,
+ Onder 't lover der boomen,
+ Willen wij hartlijk het welkom u biên.
+
+ Macdonald.
+
+
+De nieuwe aankomelingen waren Wilfrid van Ivanhoe, op het paard van
+den Prior van Botolph, en Gurth, die den ridder op diens strijdros
+vergezelde. De verbazing van Ivanhoe was grenzenloos, toen hij zijn
+meester met bloed bespat zag, terwijl zes of zeven gesneuvelden op
+het kleine grasplein uitgestrekt lagen, waar het gevecht plaats had
+gehad. Niet minder verwonderd was hij, Richard omringd te zien van
+zoovele menschen, die vogelvrijverklaarden, en dus een gevaarlijk
+gevolg voor een Vorst schenen te zijn. Hij wist niet, of hij den
+Koning als den Zwarten Ridder, of op een andere wijze aanspreken
+zou. Richard bemerkte zijn verlegenheid.
+
+"Vrees niet, Wilfrid," zei hij, "om Richard Plantagenet als zoodanig
+aan te spreken, daar gij hem in het gezelschap van getrouwe Engelsche
+onderdanen ziet, ofschoon zij mogelijk door hun vurig Engelsch bloed
+een weinig van den rechten weg afgedwaald zijn."
+
+"Ridder Wilfrid van Ivanhoe," zei de dappere kapitein, voorwaarts
+tredende, "mijn verzekeringen kunnen die van onzen Koning geen meerder
+gewicht geven; maar ik kan wel met eenigen trots zeggen, dat hij onder
+mannen, die veel geleden hebben, geen getrouwer onderdanen heeft,
+dan zij die hem nu omringen.
+
+"Ik twijfel er niet aan, dappere vriend," zei Wilfrid, "daar ik u onder
+het getal zie.--Maar wat beduiden deze teekens van dood en gevaar,
+deze verslagene mannen en de bebloede wapenrusting van mijn Vorst?"
+
+"Er is hier verraad gepleegd, Ivanhoe," antwoordde de Koning;
+"maar dank zij dezen braven mannen, het verraad heeft zijn loon
+gekregen.--Thans echter schiet mij te binnen, dat gij ook een verrader
+zijt," zei Richard, glimlachende, "een oproerige verrader; want heb
+ik u geen stellig bevel gegeven om in de Abdij van St. Botolph te
+blijven uitrusten, tot uwe wonde genezen was?"
+
+"Ze is al genezen," antwoordde Ivanhoe; "ze was niet dieper dan het
+vel.--Maar waarom, o waarom, edele vorst, kwelt gij dus uwe getrouwe
+dienaren, en waagt gij uw leven op eenzame reizen en gevaarlijke
+avonturen, alsof het niet meer waard was, dan dat van een dolenden
+ridder, die niets anders op de wereld heeft dan hetgeen lans en zwaard
+hem verschaffen?"
+
+"En Richard Plantagenet," hernam de Koning, "verlangt naar geen
+anderen roem, dan dien, welken zijn goede lans en zijn goed zwaard hem
+verschaffen kunnen;--en Richard Plantagenet is er trotscher op, om een
+avontuur met zijn goed zwaard en zijn sterken arm alleen te doorstaan,
+dan om een leger van honderdduizend man in den slag aan te voeren."
+
+"Maar uw koninkrijk, mijn Vorst," zei Ivanhoe, "wordt bedreigd met
+burgeroorlog en ontbinding;--uwe onderdanen met allerlei rampen, indien
+zij hun vorst in een dezer avonturen, welke gij dagelijks alleen tot
+uw vermaak opzoekt, en waaraan gij nog zooeven ternauwernood ontsnapt
+zijt, verliezen."
+
+"Ho! ho! mijn koninkrijk en mijn onderdanen?" antwoordde Richard
+ongeduldig: "ik zeg u, Wilfrid, de besten onder hen betalen mijn
+zotheden met gelijke munt.--Bij voorbeeld, mijn zeer getrouwe dienaar,
+Wilfrid van Ivanhoe wil mijne stellige bevelen niet gehoorzamen, en
+leest evenwel zijn Koning de les, omdat hij zich niet nauwkeurig naar
+zijn raad gedraagt. Wie van ons heeft de meeste reden om den ander
+verwijten te doen?--Maar vergeef mij, mijn getrouwe Wilfrid! De tijd,
+welken ik in verborgenheid doorgebracht heb en nog doorbrengen moet,
+is, gelijk ik u te St. Botolph verklaard heb, alleen om mijnen vrienden
+en getrouwen edelen den tijd te geven, om hunne macht te vereenigen,
+opdat Richard, als zijne terugkomst bekend wordt, aan het hoofd
+van zulk een leger sta, dat zijne vijanden schrikken het te zien,
+en dus het voorgenomen verraad smoren, zonder zelfs het zwaard te
+trekken. Estoteville en Bohun zullen eerst in vier en twintig uren
+sterk genoeg zijn om naar York op te trekken; ik moet tijding van
+Salisbury, uit het zuiden, van Beauchamp, uit Warwickshire, en van
+Multon en Percy uit het noorden hebben. De Kanselier moet voor Londen
+kunnen instaan. Een te spoedige verschijning zou mij aan gevaren
+blootstellen, uit welke mijne lans en mijn zwaard, schoon ik door den
+boog van den moedigen Robin, of de knots van broeder Tuck en den horen
+van den wijzen Wamba ondersteund werd, mij niet zouden kunnen redden."
+
+Wilfrid boog onderdanig, daar hij wel wist hoe vergeefs het zijn zou
+tegen den onbezonnen ridderlijken geest te strijden, die zijn meester
+zoo dikwerf in gevaren stortte, welke hij gemakkelijk had kunnen
+vermijden, of liever, welke hij met een onvergeeflijke roekeloosheid
+opzocht. Wilfrid zuchtte dus, en zweeg; terwijl Richard, verheugd
+zijn raadsman tot zwijgen gebracht te hebben, ofschoon zijn hart
+de gegrondheid zijner verwijten erkende, zijn gesprek met Robin Hood
+vervolgde.--"Koning der roovers," zei hij, "hebt gij geene verversching
+aan uw broeder Koning aan te bieden? Want deze doode schelmen hebben
+mij èn werk èn eetlust verschaft."
+
+"In waarheid," hernam de roover, "want ik wil uwe Majesteit niet
+bedriegen, onze mondvoorraad bestaat voornamelijk,--" hij zweeg
+eenigszins verlegen.
+
+"Uit wild, veronderstel ik," viel Richard hem vroolijk in de rede;
+"betere spijs kan er niet zijn, als men honger heeft;--en waarlijk, als
+een Koning niet te huis blijven wil, om zijn eigen wild te schieten,
+dan, dunkt mij, moet hij niet hard brommen, als hij het door vreemde
+handen geveld vindt."
+
+"Zoo uwe Majesteit dus weder eene der rustplaatsen van Robin Hood met
+uwe tegenwoordigheid vereeren wil," zei Robin, "dan zal het wild niet
+ontbreken; en een dronk bier, en ook nog wel een beker wijn staan
+tot uw dienst."
+
+De kapitein ging vooruit om den weg te wijzen, en werd gevolgd door
+den vroolijken Vorst, die waarschijnlijk vergenoegder was over zijne
+toevallige ontmoeting met Robin Hood en zijne volgelingen, dan hij
+geweest zou zijn, als hij zijne koninklijke waardigheid hernomen en
+in een schitterenden kring van pairs en edelen het voorzitterschap
+bekleed had. Verandering van gezelschap en avonturen maakten het
+levensgeluk uit van Richard Leeuwenhart, en het was hem des te
+bekoorlijker, als het met menigvuldige gevaren gepaard ging. In
+Koning Richard werd het schitterend, maar onbeduidend karakter van
+een dolenden ridder bijkans verwezenlijkt, en de persoonlijke roem,
+welken hij door zijn wapenfeiten verwierf, was hem, wegens zijne
+vurige verbeelding, veel dierbaarder dan die, welken een staatkundig
+en wijs gedrag hem zou verschaft hebben. Dus was ook zijn regeering
+gelijk aan den loop van een schitterend en vluchtig luchtverschijnsel,
+dat langs het uitspansel snelt, een onnoodig maar geweldig licht in
+het rond verspreidt en plotseling door een diepe duisternis vervangen
+wordt; zijne ridderlijke daden verschaften onderwerpen voor dichters
+en minnezangers, maar aan zijn land geen van die blijvende voordeelen,
+waarbij de geschiedenis gaarne vertoeft, en welke zij als een voorbeeld
+aan de nakomelingschap voorstelt. In het tegenwoordig gezelschap
+echter, vertoonde zich Richard in het voordeeligst licht. Hij was
+vroolijk, goed geluimd, en beminde de dapperheid, in welken stand hij
+ze ook vond.--Onder een grooten eik werd het landelijk maal in alle
+haast voor den Koning van Engeland gereed gemaakt, die omringd was door
+mannen, welke onlangs door zijne regeering vogelvrij verklaard waren,
+en thans zijn hof en zijne lijfwacht uitmaakten. Toen de flesch begon
+rond te gaan, verloren de ruwe gezellen weldra hun ontzag voor de
+tegenwoordigheid des Konings uit het oog. Gezang en scherts klonken
+in het rond:--de geschiedenissen van vorige dagen werden verhaald; en
+eindelijk, terwijl zij op hunne wèl geslaagde overtreding der wetten
+pochten, herinnerde zich niemand meer, dat hij in tegenwoordigheid
+van haar natuurlijken beschermer sprak. De vroolijke Koning, die niet
+meer dan zijn gezelschap zijne waardigheid in het oog hield, lachte,
+dronk en schertste onder de vroolijke bende. Het natuurlijk gezond
+verstand van Robin Hood deed hem verlangen een einde aan het tooneel
+te maken, eer er iets voorviel, dat de eensgezindheid stoorde, te
+meer, daar hij bespeurde dat Ivanhoe's gelaat betrok. "Wij zijn door
+de tegenwoordigheid van onzen dapperen Koning vereerd," zei hij ter
+zijde tot den ridder; "echter wilde ik niet gaarne, dat hij den tijd
+verbeuzelde, welken de belangen van zijn koninkrijk kostbaar maken."
+
+"Gij hebt gelijk, dappere Robin Hood," antwoordde de ridder, "en
+gij moet buitendien weten, dat zij, welke met den Koning schertsen,
+zelfs in zijne vroolijkste luim, slechts met den leeuw spelen, die
+bij de minste terging tanden en klauwen gebruikt."
+
+"Gij hebt de ware reden van mijne vrees geraden," hernam de kapitein;
+"mijne lieden zijn van aard en beroep ruw; de Koning is driftig
+zoowel als vroolijk; en ik weet niet hoe spoedig eene beleediging
+kan aangedaan, of hoe ernstig ze kan opgenomen worden: het is tijd,
+dat de maaltijd afgebroken worde."
+
+"Dan moet gij trachten dat te bewerken, dappere schutter," zei Ivanhoe;
+"want iedere wenk, dien ik getracht heb hem te geven, schijnt slechts
+te dienen om het feest te verlengen."
+
+"Moet ik dus zoo spoedig gevaar loopen om de genade en de gunst van
+mijn Vorst te verliezen?" zei Robin Hood zich een oogenblik bedenkende;
+"maar, bij St. Christophorus, het zal gebeuren! Ik zou zijne genade
+onwaardig zijn, zoo ik ze niet voor zijn welzijn in de waagschaal
+stelde.--Hier Scathlock! ga in gindsch kreupelhout, en blaas een
+Normandisch signaal op uw horen, en dat zonder een oogenblik te dralen,
+zoo u het leven lief is!"
+
+Scathlock gehoorzaamde, en in minder dan vijf minuten werden de gasten
+door den klank van een horen verschrikt.
+
+"Het is Malvoisin's horen," riep de Molenaar opspringende, en naar
+zijn boog grijpende. De monnik liet de flesch vallen en greep naar
+zijn knots. Wamba bleef in het midden van eene scherts steken, en
+tastte naar zwaard en schild. Alle overigen grepen naar de wapens.
+
+Mannen, aan zulk eene onveilige leefwijze gewoon, gaan zeer gemakkelijk
+van den disch tot den strijd over, en voor Richard scheen deze
+afwisseling slechts een verandering van vermaak te zijn. Hij riep
+om zijn helm en de zwaarste deelen van zijn wapenrusting, welke hij
+afgelegd had, en terwijl Gurth ze hem aandeed, gaf hij, onder straffe
+van zijn grootste misnoegen, Wilfrid streng bevel, om geen deel te
+nemen in de schermutseling, welke hij verwachtte.
+
+"Gij hebt honderd maal voor mij gestreden, Wilfrid,--en ik heb
+toegezien. Heden zult gij zien, hoe Richard voor zijn vriend en
+leenman vechten zal!"
+
+Intusschen had Robin Hood verscheidene van zijn lieden naar
+verschillende kanten uitgezonden, alsof zij den vijand verkennen
+moesten; en toen hij zag dat het gezelschap werkelijk verstrooid was,
+naderde hij Richard, die nu geheel gewapend was, en, de knie buigende,
+vroeg hij zijn Vorst om vergiffenis.
+
+"Waarvoor, vriend?" zei Richard eenigszins ongeduldig. "Hebben wij u
+niet reeds volle vergiffenis voor alle overtredingen geschonken? Meent
+gij dat ons woord een veder is, welke heen en weêr geblazen kan
+worden? Gij hebt nog geen tijd gehad, om nieuwe zonden te begaan."
+
+"Ja, dat heb ik toch gedaan," antwoordde de schutter, "zoo het een
+zonde is, mijn Vorst tot zijn eigen best te misleiden. De horen,
+welken gij gehoord hebt, was niet van Malvoisin, maar werd op mijn
+bevel geblazen, opdat de maaltijd geëindigd zou worden, uit vrees
+dat de uren mochten voorbijsnellen, die te gewichtig zijn om verspild
+te worden."
+
+Toen stond hij op, kruiste de armen op de borst, en wachtte
+het antwoord des Konings eerder op eene eerbiedige dan op
+een onderdanige wijze af,--als een man, die bewust is, dat hij
+misschien beleedigd heeft, maar overtuigd is van de redelijkheid
+zijner handelwijze. De toorn kleurde Richard's wangen; maar het was
+slechts de eerste opwelling, die zijn gevoel van billijkheid terstond
+deed voorbijgaan. "De Koning van Sherwood," zei hij, "misgunt den
+Koning van Engeland zijn wild en zijne wijnflesch! Het is wèl, stoute
+Robin!--Maar als gij mij in het vroolijke Londen bezoekt, dan beloof
+ik u, dat ik een minder schraal gastheer zal zijn. Gij hebt echter
+gelijk, vriend. Laat ons te paard stijgen en vertrekken. Wilfrid is
+reeds een uur lang ongeduldig geweest. Zeg mij eens, brave Robin,
+hebt gij geen vriend onder uwe bende, die, niet tevreden met u raad
+te geven, ook volstrekt uw handelingen wil bestieren, en een benauwd
+gezicht zet, als gij het waagt voor u zelven te handelen?"
+
+"Zoo iemand," antwoordde Robin, "is mijn luitenant, de kleine John,
+die thans op een tocht naar de grenzen van Schotland is; en ik wil
+Uwe Majesteit bekennen, dat de vrijmoedigheid zijner raadgevingen mij
+soms mishaagt;--maar, als ik er nog eens over denk, dan kan ik niet
+lang boos op iemand zijn, die geen anderen beweeggrond voor zijn zorg
+kan hebben, dan ijver voor de belangen van zijn meester."
+
+"Gij hebt gelijk, vriend," zei Richard, "en als ik steeds aan de
+ééne zijde Ivanhoe had, om deftigen raad te geven, en dien door zijn
+ernstig gezicht te ondersteunen, en aan de andere zijde uw persoon,
+om mij door list te dwingen tot hetgeen gij voor mij best houdt,
+dan zou ik even weinig vrijen wil hebben, als eenig koning in het
+Christen- of in het Heidendom.--Maar komt, heeren, laat ons maar naar
+Coningsburgh rijden, en niet meer aan het gebeurde denken."
+
+Robin Hood verzekerde hem, dat hij een troep op den weg, dien zij
+nemen moesten, vooruitgezonden had, welke niet in gebreke zou blijven,
+hen voor alle geheime hinderlagen te waarschuwen; en dat hij er niet
+aan twijfelde, of zij zouden de wegen veilig vinden, of anders zoo
+vroegtijdig bericht van het gevaar krijgen, dat zij in staat zouden
+zijn om zich terug te trekken tot eene sterke bende boogschutters,
+met welken hij voornemens was den Koning op denzelfden weg te volgen.
+
+De wijze en oplettende voorzorg, welke voor Richard's veiligheid
+genomen werd, trof zijn gevoel en verdreef de lichte ontevredenheid,
+welke hij misschien nog koesterde over de list van den kapitein
+der vogelvrijverklaarden. Hij stak Robin Hood nog eens de hand toe,
+verzekerde hem van zijne volkomene vergiffenis en toekomstige gunst,
+zoowel als van zijn vast besluit, om de tirannieke uitoefening van het
+jachtrecht en andere drukkende wetten te beperken, waardoor zooveel
+Engelsche landlieden tot oproer gebracht werden. Maar Richard's goede
+voornemens jegens den stouten roover werden door zijn ontijdigen dood
+teleurgesteld, en de jachtwet werd aan de onwillige handen van Koning
+Jan afgeperst, toen hij zijn heldhaftigen broeder opvolgde. Wat het
+overige van Robin Hood's levensloop, zoowel als het verhaal van zijn
+verraderlijken dood betreft, dat kan men in die oude met gothische
+letters gedrukte volksverhalen vinden, welke eertijds voor den geringen
+prijs van een halven stuiver verkocht werden, maar nu voorwaar "tegen
+goud opwegen."
+
+De verwachting van den vogelvrijverklaarde aangaande de veiligheid
+van den weg, werd bevestigd; en de Koning, vergezeld door Ivanhoe,
+Gurth en Wamba, kwam zonder verder oponthoud in het gezicht van het
+kasteel van Coningsburgh, terwijl de zon nog aan den hemel stond.
+
+Er zijn weinig schoonere en bekoorlijker natuurtooneelen in Engeland,
+dan in de nabijheid van deze oude Saksische vesting. De stille en
+liefelijke rivier, de Don, stroomt door een breed dal, waarin bouwland
+rijkelijk met bosschen afgewisseld wordt, en op een berg, welke van den
+oever der rivier opstijgt, verheft zich het oude kasteel, verdedigd
+door muren en grachten, dat, zooals de Saksische naam aanduidt,
+vóór de Verovering, een residentie der Koningen van Engeland was. De
+buitenmuren werden waarschijnlijk door de Normandiërs bijgebouwd; maar
+het binnenste getuigt van eene zeer groote oudheid. Het oudste gedeelte
+van het kasteel ligt op eene hoogte in een hoek van de binnenplaats,
+en vormt een volkomen cirkel van omtrent vijf en twintig voet in
+middellijn. De muur is van buitengewone dikte en door zes ontzaglijk
+groote, gemetselde steunpilaren verdedigd, welke tegen de zijden van
+den toren aanleunen, als het ware om dien te schragen. Deze massieve
+stutten zijn naar boven toe hol, en loopen in een soort van torentjes
+uit, welke met het binnenste van het hoofdgebouw zelf in verbinding
+staan. Het voorkomen van dit groote gebouw op een afstand, met deze
+zonderlinge bijgebouwen, is even belangwekkend voor de beminnaars
+van het schilderachtige, als het binnenste van het kasteel zelf voor
+den ijverigen oudheidkundige, wiens verbeelding daardoor in de tijden
+der Zeven Koninkrijken verplaatst wordt. Een hol in de nabijheid van
+het kasteel wordt als het graf van den beroemden Hengist aangewezen,
+en verscheidene zeer oude en bezienswaardige gedenkteekenen worden
+op het kerkhof in de buurt getoond.
+
+Toen Richard en zijn gevolg dit ruw en toch statig gebouw naderden,
+was het niet, zooals heden, door uitwendige versterkingen omringd. De
+Saksische bouwmeester had zijne kunst uitgeput om het hoofdgebouw
+tot verdediging geschikt te maken, en er was geene andere omheining
+dan een ruwe borstwering van palissaden.
+
+Eene groote zwarte banier, welke van den top van den toren waaide,
+duidde aan dat de begrafenisplechtigheden van den laatsten eigenaar
+nog gevierd werden. Deze vlag droeg geen teeken van de geboorte of van
+den rang des overledenen, want wapens waren toen eene nieuwigheid,
+zelfs onder de Normandische ridderschap, en geheel onbekend bij de
+Saksers. Maar boven de poort hing eene andere banier, waarop de ruw
+geschilderde afbeelding van een schimmel, de afstamming en den rang
+van den overledene te kennen gaf, door het welbekend zinnebeeld van
+Hengist en zijne krijgers.
+
+Rondom het kasteel heerschte groote drukte; want zulke
+begrafenisfeesten waren eene aanleiding tot algemeene en kwistige
+gastvrijheid, waaraan niet alleen zij, die in eenige, zelfs de verste
+betrekking tot den doode stonden, maar alle voorbijreizenden genoodigd
+werden deel te nemen. De rijkdom en het aanzien van den overleden
+Athelstane maakten, dat deze plechtigheden op de ruimst mogelijke
+schaal gevierd werden.
+
+Men zag dus talrijke benden de hoogte waarop het kasteel stond, op- en
+afstijgen; en toen de Koning en zijn gevolg door de open en onbewaakte
+poorten reden, bood de inwendige ruimte een tooneel aan, dat met de
+aanleiding tot deze bijeenkomst niet gemakkelijk overeen te brengen
+was. Aan den éénen kant waren de koks bezig met zware ossen en vette
+schapen te braden; aan den anderen waren okshoofden bier aangestoken,
+ten behoeve van alle aankomelingen. Men zag groepen van allerlei stand,
+die de hun aangebodene spijs en drank gretig verslonden. De half
+naakte Saksische lijfeigene stilde zijn halfjarigen honger en dorst
+door één dag van zwelgerij en dronkenschap;--de meer welgestelde burger
+en gildebroeder gebruikte de spijzen met smaak, of sprak oordeelkundig
+over de hoeveelheid van het mout en de bekwaamheid van den brouwer. Men
+zag ook eenigen van den minderen Normandischen adel, die men aan hun
+geschoren kinnen en korte mantels onderscheiden kon, en niet minder
+daardoor, dat ze altijd bij elkander bleven en de geheele plechtigheid
+met groote minachting aanschouwden, zelfs terwijl ze zich verwaardigden
+van al het goede gebruik te maken, dat zoo mild werd opgedischt.
+
+Bedelaars waren er natuurlijk in groote menigte, zoowel als
+rondzwervende soldaten, die uit Palestina waren teruggekeerd (ten
+minste naar hun eigen zeggen); kramers stelden hunne waren ten toon,
+reizende handwerkers vroegen om arbeid, en pelgrims en verloopen
+priesters, Saksische minnezangers en barden uit Wallis, prevelden
+gebeden en lokten onwelluidende tonen uit hunne harpen, violen en
+citers. De één roemde Athelstane in eene treurige lijkrede; een ander
+roemde in een Saksisch gedicht zijn geslachtslijst en de hardklinkende,
+barbaarsche namen van zijn edele voorouders. Narren en goochelaars
+ontbraken er niet, en men was niet van oordeel, dat de aanleiding
+tot de bijeenkomst de uitoefening van hunne kunsten onbetamelijk of
+ongepast maakte. De begrippen der Saksers bij die gelegenheid waren
+inderdaad even natuurlijk als ruw. Als de droefheid dorst leed,
+dan was er te drinken;--was ze hongerig, dan was er te eten;--als
+ze op het hart lag en het ter neêr drukte, dan waren er middelen
+tot vroolijkheid, of ten minste tot afleiding voorhanden, die de
+aanwezigen niet beneden zich achtten tot hun troost te besteden,
+ofschoon nu en dan de mannen, alsof zij zich plotseling de reden
+herinnerden, welke hen bijeengebracht had, allen tegelijk steunden,
+terwijl de vrouwen, in groot getal tegenwoordig, haar stem verhieven
+en luide weeklachten lieten hooren.
+
+Dit was het tooneel op het slotplein van Coningsburgh, toen Richard
+met zijn gevolg optrad. De huishofmeester, die zich niet verwaardigde
+om acht te slaan op de groepen van mindere gasten, welke gestadig
+in- en uitgingen, ten minste niet meer dan noodig was om de orde te
+handhaven, werd door het voorkomen van den Koning en Ivanhoe getroffen;
+maar vooral daar hij zich verbeeldde, dat de trekken van den laatste
+hem bekend waren. Buitendien was de verschijning van twee ridders,
+zooals zij door hun kleeding bleken te zijn, een zeldzame gebeurtenis
+bij eene Saksische plechtigheid, en kon niet anders dan als een soort
+van eer voor den overledene en zijne familie beschouwd worden. In zijn
+zwart gewaad en met zijn witten ambtsstaf in de hand, maakte dus deze
+gewichtige personage ruimte door de bonte vergadering van gasten,
+en geleidde Richard en Ivanhoe naar den ingang van den toren. Gurth
+en Wamba vonden spoedig kennissen op het plein, en waagden het niet
+verder door te dringen, tot hunne tegenwoordigheid gevorderd werd.
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Ik vond hen bezig met Marcello's lijk.
+ Er werd een melodij gehoord, zoo plechtig,
+ Te midden van geween en treurgezangen,
+ Gelijk oude vrouwen, die bij dooden waken,
+ Gewoon zijn aan te heffen heel den nacht.
+
+ Oud Tooneelstuk.
+
+
+De ingang van den grooten toren van het kasteel van Coningsburgh is
+zeer eigenaardig, en getuigt van de ruwe eenvoudigheid der vroege
+tijden, toen het opgericht werd. Een trap, zoo steil en smal,
+dat ze bijna loodrecht staat, leidt naar een laag portaal in de
+zuidzijde van den toren, waardoor de nieuwsgierige oudheidkundige
+nog toegang krijgen kan tot eene tweede kleine trap, welke in den
+dikken hoofdmuur gemaakt was, en die naar de derde verdieping van het
+gebouw voerde.--De beide benedenste verdiepingen zijn gevangenissen,
+of gewelven, welke geen andere lucht of licht krijgen dan door een
+vierkant gat in de derde verdieping, met welke zij door een ladder
+gemeenschap schijnen gehad te hebben. Tot de bovenste vertrekken in
+den toren, die in het geheel uit vier verdiepingen bestaat, komt men
+langs trappen, in de buitenmuren aangebracht.
+
+Langs dezen moeielijken ingang werd de goede Koning Richard, gevolgd
+door zijn getrouwen Ivanhoe, in het groote vertrek, dat de geheele
+derde verdieping beslaat, gebracht. De laatste had den tijd om
+zijn gezicht in zijn mantel te wikkelen, daar hij het beter vond,
+zich niet aan zijn vader te vertoonen, eer de Koning hem een teeken
+zou geven. Er zaten in dit vertrek rondom een groote eiken tafel een
+twaalftal van de doorluchtige stamhouders van de Saksische familiën
+der aangrenzende graafschappen. Het waren allen oude, of ten minste
+bejaarde mannen; want de jongeren hadden, tot groot verdriet der
+ouders, evenals Ivanhoe, vele der scheidsmuren omvergeworpen, welke
+sedert eene halve eeuw de Normandische overwinnaars van de overwonnen
+Saksers gescheiden hadden. De terneêrgeslagen en droevige blikken van
+deze eerwaardige mannen, hunne stilte en bedroefde houding, leverde
+eene sterke tegenstelling met de lichtvaardigheid der gasten buiten
+het kasteel. Hunne grijze lokken en lange, zware baarden en hunne
+ouderwetsche kleederen en ruime zwarte mantels pasten goed bij het
+zonderling en ruw vertrek, waarin zij zaten, en gaven hun het voorkomen
+van eene verzameling der oude aanbidders van Wodan, die in het leven
+teruggeroepen waren, om te treuren over het verval van hun volksroem.
+
+Ofschoon Cedric van gelijken rang als zijne landslieden was, scheen
+hij echter, met algemeen goedvinden, als hoofd der vergadering te
+handelen. Bij het binnenkomen van Richard, die hen alleen als de
+dappere Zwarte Ridder bekend was, stond hij deftig op, en verwelkomde
+hem met de gewone groete "_Weas heal!_" terwijl hij een beker wijn
+ophief. De Koning, wien de gewoonten zijner Engelsche onderdanen
+niet vreemd waren, beantwoordde dit met de gewone woorden: _Drinc
+heal!_ en ledigde een beker, die hem door den schenker overhandigd
+werd. Dezelfde beleefdheid werd jegens Ivanhoe in acht genomen, die
+zijn vader stilzwijgend bescheid gaf, en het gewoon antwoord verving
+door eene buiging, uit vrees dat zijn stem herkend zou worden.
+
+Toen deze plechtigheid voorbij was, stond Cedric op en Richard de hand
+aanbiedende, geleidde hij hem in een kleine en zeer ruwe kapel, welke,
+als het ware, in een van de uitwendige bogen uitgehold was. Daar er
+geene opening was, behalve een zeer nauw luchtgat, zou deze plaats
+bijna geheel duister geweest zijn zonder het licht van twee fakkels,
+welke met een rooden en somberen gloed het gewelfde dak en de naakte
+muren, het ruwe steenen altaar en het kruis vertoonden. Voor dit altaar
+stond een baar en aan iedere zijde er van knielden drie priesters,
+die hun rozenkrans baden en hunne gebeden prevelden, met den schijn
+der meeste aandacht. Voor dezen dienst werd een rijk losgeld door de
+moeder des overledenen aan het klooster van St. Edmund betaald; en
+om het ten volle te verdienen, hadden zich al de broeders, behalve
+de kreupele Sacristijn, naar Coningsburgh begeven, waar zes van
+hen zich gedurig met het verrichten der godsdienstige plechtigheden
+bij Athelstane's lijkbaar bezig hielden, terwijl de anderen niet in
+gebreke bleven gebruik te maken van de ververschingen en vermaken,
+welke hun aangeboden werden. Gedurende deze vrome wacht, droegen
+de monniken bijzondere zorg om hunne gezangen geen oogenblik af
+te breken, uit vrees dat Zernebock, de Appollyon der oude Saksers,
+zijne klauwen aan den overleden Athelstane zou slaan. Niet minder
+bezorgd waren ze om te beletten dat eenig leek het lijkkleed aan
+zou raken, dat vroeger bij de begrafenis van St. Edmund gediend had,
+en dat door ongewijde handen ontheiligd zou wezen. Wanneer zulk eene
+oplettendheid den overledene wezenlijk van nut had kunnen zijn, dan had
+hij eenig recht om ze van de broederschap van St. Edmund te verwachten,
+daar de moeder van Athelstane te kennen gegeven had, dat zij, behalve
+honderd goudstukken voor het losgeld zijner ziel, aan het klooster het
+grootste gedeelte van de landerijen des overledenen wilde schenken,
+ten einde men gedurig missen zou lezen voor zijne ziel en voor die
+van haren echtgenoot.
+
+Richard en Wilfrid volgden den Sakser Cedric naar het vertrek waar
+de doode rustte, en terwijl hij hen met een plechtstatig gelaat op
+de baar van Athelstane wees, volgden zij zijn voorbeeld en maakten
+eerbiedig een kruis, terwijl ze een kort gebed voor het heil der ziel
+van den gestorvene prevelden.
+
+Na deze godsdienstige plechtigheid, gaf Cedric hun weder een teeken
+om hem te volgen, terwijl hij zachtjes over den steenen vloer sloop;
+en na eenige trappen opgegaan te zijn, opende hij, met groote
+voorzichtigheid de deur van een bidvertrekje, dat aan de kapel
+grensde. Het was omtrent acht voet in het vierkant en even als de
+kapel zelve in den muur gehouwen. Het luchtgat, dat het verlichtte,
+stond naar het westen en daar het naar binnen toe aanmerkelijk wijder
+werd, baande zich een straal der ondergaande zon een weg tot in deze
+duistere ruimte, en vertoonde een vrouw van eerbiedwaardig voorkomen,
+wier gelaat nog de duidelijke sporen van uitstekende schoonheid
+droeg. Haar lang rouwgewaad en haar krans van cypressen verhoogden
+de blankheid van haar gelaat en de schoonheid van hare blonde,
+loshangende vlechten, welke de tijd gedund noch vergrijsd had. Haar
+gelaat drukte de diepste droefheid uit, die met onderwerping samen
+kan gaan. Op de steenen tafel vóór haar, stond een ivoren kruis,
+waar naast een misboek lag, welks bladzijden rijk beschilderd en
+welks band met gouden krammen en sloten versierd was.
+
+"Edele Edith," zei Cedric, na een oogenblik te hebben stil gestaan,
+om Richard en Wilfrid tijd te geven, de vrouw des huizes te beschouwen,
+"dit zijn waardige vreemdelingen, gekomen om in uwe smart te deelen. En
+deze, in het bijzonder, is de dappere ridder, die zoo heldhaftig voor
+de verlossing van hem gestreden heeft, dien wij heden betreuren."
+
+"Zijne dapperheid verdient mijn dank," hernam de vrouw, "ofschoon het
+de wil des Hemels was, dat ze te vergeefs betoond zou worden. Ik betuig
+ook mijn dank voor zijne beleefdheid en voor die van zijn makker, daar
+zij herwaarts zijn gekomen om de weduwe van Adeling en de moeder van
+Athelstane in het uur harer diepe smart en droefheid te bezoeken. Ik
+vertrouw hen aan uwe zorg, waarde neef, overtuigd dat gij hun de
+gastvrijheid zult betoonen, welke dit kasteel nog aanbieden kan."
+
+De gasten maakten eene diepe buiging voor de bedroefde moeder en
+verwijderden zich met hun gastvrijen leidsman.
+
+Een andere wenteltrap bracht hen in een vertrek van dezelfde grootte
+als dat, waarin zij eerst geweest waren en dat zich er vlak onder
+bevond. Uit deze kamer vernamen zij, nog eer de deur geopend werd,
+een zacht en droefgeestig gezang. Toen zij binnen traden, bevonden
+zij zich in tegenwoordigheid van omtrent twintig vrouwen en meisjes
+van aanzienlijke Saksische geslachten. Vier jonkvrouwen, door Rowena
+voorgegaan, zongen een hymne voor de ziel des overledenen, waarvan
+wij slechts een paar verzen hebben kunnen ontcijferen:
+
+
+ Tot stof en asch
+ Keert al wat was;
+ De huurling lei weêrom
+ Zijn tooisel af
+ Voor worm en graf,--
+ Verrottingseigendom.
+
+ Onzeker vloog
+ Uw ziel omhoog,
+ Naar 't rijk van smarte en weên.
+ Uw pijn vangt aan
+ Voor d'euveldaân,
+ Bedreven hier beneên.
+
+ Maria's woord,
+ Maak in dat oord
+ Uw boete kort van duur!
+ Tot u 't gebed
+ En 't loflied redt,
+ Uit hel en vagevuur.
+
+
+Terwijl dit gezang op zachten en droefgeestigen toon gezongen werd,
+waren de overige meisjes in twee groepen verdeeld, waarvan de een bezig
+was om een grooten zijden lijkmantel, bestemd om Athelstane's doodkist
+te bedekken, met borduursel te versieren, zoo goed hare bekwaamheid
+en haar smaak dat toelieten, terwijl de anderen zich bezig hielden
+met uit bloemkorven, die vóór haar stonden, kransen te vlechten,
+voor hetzelfde droevige doel bestemd. Het gedrag der meisjes was
+hoogst betamelijk, al toonde het dan ook geene diepe droefheid,
+maar tusschenbeide haalde een gefluister, of een glimlach, haar
+de berispingen van de meer gestrenge vrouwen op den hals, en hier
+en daar kon men eene jonkvrouw zien, die er meer belang in scheen
+te stellen om te onderzoeken hoe het rouwgewaad haar stond, dan in
+de droefgeestige plechtigheid, tot welke ze zich voorbereidden. De
+stemming werd (om de waarheid te bekennen), ook geheel niet veranderd
+door de verschijning van twee vreemde ridders, die menigen blik en
+menig gefluister veroorzaakten. Rowena alleen, te trotsch om ijdel
+te zijn, begroette haren verlosser met bevallige beleefdheid. Haar
+gedrag was ernstig, maar niet neerslachtig; en het is zeer onzeker,
+of de gedachte aan Ivanhoe en aan de onzekerheid van zijn lot, niet
+evenveel deel aan haar ernst had, als de dood van haar bloedverwant.
+
+Voor Cedric echter, die, gelijk wij reeds aangemerkt hebben,
+bij zulke gelegenheden niet zeer helder zag, scheen de droefheid
+zijner pupil zooveel grooter dan die der overige jonkvrouwen,
+dat hij noodig oordeelde den vreemden de verklaring daarvan in
+deze woorden toe te fluisteren: "Zij was de verloofde bruid van den
+edelen Athelstane."--Het is zeer twijfelachtig, of deze mededeeling
+Wilfrid's neiging om in de droefheid der rouwdragenden te Coningsburgh
+te deelen, versterkte.
+
+Nadat Cedric de gasten aldus plechtig in de verschillende kamers,
+waarin de lijkplechtigheid van Athelstane op onderscheidene
+wijze gevierd werd, rondgeleid had, bracht hij hen in een klein
+vertrek, hetwelk, gelijk hij zeide, uitsluitend tot de ontvangst van
+aanzienlijke gasten bestemd was, die wegens hunne mindere betrekking
+tot den overledene niet geneigd zouden zijn, zich met diegenen te
+vereenigen, die onmiddellijk door dit ongelukkig voorval getroffen
+werden. Hij zorgde voor hun gemak en wilde zich juist verwijderen,
+toen de Zwarte Ridder hem bij de hand vatte.
+
+"Ik verzoek u, edele _Thane_," zei hij, "u te herinneren, dat gij
+bij ons laatste scheiden beloofdet mij een gunst toe te staan voor
+den dienst, welken ik het geluk had u te bewijzen."
+
+"Hij is toegestaan eer gij hem noemt, edele ridder," antwoordde Cedric,
+"maar in dit droevig oogenblik--"
+
+"Daaraan heb ik ook reeds gedacht," hernam de Koning;--"maar mijn
+tijd is kort;--ook schijnt het mij niet ongepast toe, dat wij bij het
+sluiten van het graf van den edelen Athelstane zekere vooroordeelen
+en verkeerde meeningen begraven."
+
+"Heer ridder," viel Cedric, rood wordende, den Koning in de rede,
+"ik hoop, dat uwe bede u zelven en geen anderen betreft; want het
+is niet gepast, dat een vreemdeling zich zou bemoeien met eene zaak,
+die de eer van mijn huis betreft."
+
+"Ik wil er mij ook niet mede bemoeien," zei de Koning op zachten toon,
+"dan voor zoover gij mij zelf vergunt er deel in te nemen. Daar
+gij mij tot hiertoe slechts als den Zwarten Ridder gekend hebt,
+zoo verneem thans dat ik Richard Plantagenet ben."
+
+"Richard van Anjou!" riep Cedric uit, met de grootste verbazing
+achteruit tredende.
+
+"Neen, edele Cedric,--Richard van Engeland!--wiens dierbaarst belang,
+wiens vurigste wensch het is alle landskinderen met elkander vereenigd
+te zien.--Hoe, waardige _Thane_! buigt ge de knie niet voor uw Vorst?"
+
+"Nog nooit boog ik ze voor Normandisch bloed!" antwoordde Cedric.
+
+"Bewaar deze hulde dan," zei de Koning, "tot ik door mijn onpartijdige
+behandeling van Normandiërs en Saksers mijn recht er op zal bewezen
+hebben."
+
+"Prins," hernam Cedric, "ik heb uwe dapperheid en waarde altijd recht
+laten wedervaren.--Ook ben ik niet onbewust van uwe aanspraken op den
+troon door uwe afstamming van Mathilde, de nicht van Edgar Atheling
+en de dochter van Malcolm van Schotland. Maar Mathilde, ofschoon van
+het koninklijk Saksisch bloed, had geen recht op de kroon."
+
+"Ik wil niet met u over mijne aanspraken twisten, edele _Thane_;" zei
+Richard bedaard, "maar ik wil u verzoeken rond te zien, waar ge anderen
+vinden zult, die tegen de mijne in de weegschaal kunnen gelegd worden."
+
+"En zijt ge hier gekomen om mij dit te zeggen, Prins?" zei Cedric;--"om
+mij den ondergang van mijn geslacht te verwijten, eer het graf over
+den laatsten spruit van het Saksisch koningschap gesloten is?"--Zijn
+gelaat werd somber onder het spreken.--"Dit was stout en onbezonnen
+gehandeld!"
+
+"Dat niet, bij het heilige kruis!" hernam de Koning; "het geschiedde in
+het oprecht vertrouwen, dat de eene brave man in den anderen stellen
+kan, zonder het minste gevaar te loopen."
+
+"Ge hebt gelijk, heer Koning;--want ik erken, dat ge Koning zijt en
+blijven zult, in weerwil van mijne zwakke tegenkanting.--Ik durf het
+eenige middel om dit te beletten, niet gebruiken, ofschoon ge mij
+zelf aan eene sterke verzoeking blootgesteld hebt!"
+
+"En nu mijne bede," zei de Koning, "welke ik niet met minder vertrouwen
+doe, ofschoon gij geweigerd hebt, mijne wettige heerschappij te
+erkennen. Ik eisch van u, als man van uw woord, op straffe van voor
+trouweloos, meineedig en eerloos gehouden te worden, om den dapperen
+ridder Wilfrid van Ivanhoe vergiffenis en uwe vaderlijke liefde te
+schenken. Bij deze verzoening begrijpt gij, dat ik belang heb;--het
+geluk van mijn vriend, en het slechten der oneenigheid onder mijn
+getrouw volk."
+
+"En dit is Wilfrid?" vroeg Cedric, op zijn zoon wijzende.
+
+"Mijn vader!--mijn vader!" riep Ivanhoe, zich aan zijn voeten werpende,
+"schenk mij uwe vergiffenis!"
+
+"Gij hebt ze, mijn zoon!" hervatte Cedric, hem opheffende. "De zoon van
+Hereward weet woord te houden, al heeft hij het ook aan een Normandiër
+gegeven. Maar laat mij u in de kleeding en met de wapens uwer Saksische
+voorouders zien;--geene korte mantels, geene luchtige mutsen, geene
+bonte vederbos in mijn nederig huis. Hij, die de zoon van Cedric
+zijn wil, moet toonen, dat hij van Saksische afkomst is. Gij wilt
+spreken," voegde hij er op een ernstigen toon bij, "en ik vermoed het
+onderwerp. De Jonkvrouw Rowena moet twee jaren lang rouwen, als over
+een verloofden echtgenoot;--al onze Saksische voorouders zouden ons
+verloochenen, zoo wij aan eene nieuwe verbintenis dachten, eer het graf
+van den man, dien zij huwen moest, en die hare hand door zijne geboorte
+en afkomst waardig was, nog gesloten is. De geest van Athelstane zelven
+zou van zijne bloedige lijkbaar opstaan, en vóór ons verschijnen,
+om ons van zulk eene onteering zijner nagedachtenis terug te houden!"
+
+Het scheen alsof Cedric's woorden een geest opgewekt hadden, want
+nauwelijks had hij ze geuit, of de deur vloog open, en Athelstane
+stond voor hen in zijn doodsgewaad, bleek, vervallen, en volkomen
+als iemand, die uit het graf is opgestaan. [38]
+
+Deze verschijning verwekte de grootste ontsteltenis en schrik bij alle
+aanwezigen. Cedric sprong terug, zoo ver als de muur van het vertrek
+toeliet, leunde er tegen, alsof hij niet in staat was te blijven
+staan, en staarde op de gedaante van zijn vriend met opengespalkte
+oogen en een mond, dien hij niet scheen te kunnen sluiten. Ivanhoe
+maakte een kruis, en zei gebeden op in het Saksisch-Latijn, of
+Normandisch-Fransch, zooals ze hem voor den geest kwamen, terwijl
+Richard beurtelings "_Benedicite!_" riep en "_Mort de ma vie!_"
+vloekte.
+
+Intusschen hoorde men een verschrikkelijk gedruisch beneden
+in het huis, daar eenigen schreeuwden: "Vat de verraderlijke
+monniken!" anderen: "Werpt hen in de gevangenis!" en weêr anderen:
+"Smijt hen van de hoogste bolwerken af!"
+
+"In Gods naam!" zei Cedric, zich tot den gewaanden geest van
+zijn overleden vriend wendende, "indien gij een sterveling zijt,
+spreek!--indien gij een geest van een afgestorvene zijt, zeg dan,
+waarom gij ons weder bezoekt, of wat ik doen kan, om uwe ziel tot
+rust te brengen.--Levend of dood, edele Athelstane, spreek tot Cedric!"
+
+"Dat zal ik," antwoordde de verschijning zeer bedaard, "zoodra ik adem
+geschept heb, en gij mij den tijd geeft.--Levend, zeidet gij?--Ik leef
+zoo goed als een mensch leven kan, die van brood en water geleefd
+heeft gedurende drie dagen, welke mij drie eeuwen toeschijnen.--Ja,
+brood en water, vader Cedric! Bij den hemel en alle heiligen! er is
+in drie volle dagen geen beter voedsel over mijn lippen gekomen, en
+het is door Gods voorzienigheid, dat ik thans hier ben, om u zulks
+te verhalen!"
+
+"Hoe, edele Athelstane?" zei de Zwarte Ridder; "ik heb zelf gezien,
+dat gij door den trotschen Tempelier ter neêr geveld werdt bij de
+bestorming van Torquilstone, en zooals ik dacht, en Wamba verhaalde,
+was uw schedel tot aan de tanden toe door gekloofd!"
+
+"Gij hebt zulks ten onrechte geloofd, heer ridder," antwoordde
+Athelstane; "en Wamba heeft gelogen. Mijne tanden zijn in een goeden
+staat, zooals ik dadelijk bij het avondeten toonen zal.--Dit heb
+ik evenwel den Tempelier niet te danken, daar zijn zwaard in zijn
+hand draaide, en de scherpte afgewend werd door mijne strijdknots,
+waarmede ik zijn slag wilde weren, zoodat hij mij met de platte kling
+trof; had ik mijn stalen helm op gehad, dan zou ik het niet gevoeld,
+en hem op mijn beurt een slag gegeven hebben, die hem den terugtocht
+zou gespaard hebben. Maar zóó viel ik, wel is waar bedwelmd, maar
+ongekwetst ter neer. Van beiden zijden werden er anderen neêrgehouwen
+en op mij neêrgeworpen, zoodat ik mijn zinnen niet herkreeg, voordat
+ik mij in eene doodkist bevond, die gelukkig open was, en geplaatst
+voor het altaar in de St. Edmunds kerk. Ik niesde meermalen, zuchtte,
+ontwaakte, en wilde opstaan, toen de Sacristijn en de Abt vol schrik
+op het gedruisch kwamen aanloopen, verbaasd, onzeker, en geheel niet
+tevreden, den man levend te vinden, wiens erfgenamen zij zich hadden
+voorgenomen te worden. Ik vroeg om wijn;--men gaf mij wat; maar die
+moet ter deeg toebereid geweest zijn, want ik sliep nog vaster dan
+te voren, en ontwaakte gedurende verscheidene uren niet. Ik vond
+mijn armen met windsels omwonden,--mijn voeten zoo vast gebonden,
+dat mijn enkels mij bij de gedachte daaraan nog zeer doen;--de plaats
+was geheel duister, naar ik geloof de _oubliette_ van hun vervloekt
+klooster,--en uit de doffe, stikkende lucht begreep ik, dat men ze
+ook tot begraafplaats gebruikte. Er kwamen zonderlinge gedachten bij
+mij op over hetgeen er met mij gebeurd was, toen de deur van mijn
+kerker kraakte, en twee schurken van monniken binnentraden. Zij
+wilden mij overreden dat ik in het vagevuur was, maar ik kende al
+te wel de kuchende, kortademige stem van den Pater Abt.--Heilige
+Jeremias! hoe verschilde ze van den toon, waarop hij gewoon was mij
+om een stuk gebraad te vragen!--de hond heeft wel eens van Kerstdag
+tot Driekoningen met mij gezwelgd."
+
+"Geduld, edele Athelstane," zei de Koning, "schep adem,--vertel uwe
+geschiedenis op uw gemak;--waarachtig zulk een verhaal is even aardig
+om aan te hooren als een roman!"
+
+"Neen, bij het kruis van Bromholme, het was geen roman!--een
+gerstebrood en een kruik water,--dat hebben ze mij gegeven, die
+schurken, welken mijn vader en ik zelf verrijkt hebben, toen hun
+voornaamste inkomsten nog bestonden uit de stukken spek en schepels
+koren, welke ze aan arme slaven en lijfeigenen voor hun gebeden
+afnamen,--dat slecht, ondankbaar addergebroedsel!--gerstebrood en
+slootwater voor zulk een beschermer als ik geweest ben! Ik zal hen
+met nest en al verbranden, al word ik ook in den ban gedaan!"
+
+"Maar in den naam der Heilige Maagd, edele Athelstane," zei Cedric,
+de hand van zijn vriend grijpende, "hoe zijt gij aan dit dreigend
+gevaar ontsnapt?--Werden hun harten vermurwd?"
+
+"Hun harten vermurwd!" herhaalde Athelstane.--"Smelten rotsen voor
+de zon! Ik zou er nog geweest zijn, had niet eenig gedruisch, dat,
+zooals ik thans begrijp, hun optocht was naar mijn lijkmaal, terwijl
+ze zeer wel wisten, hoe en waar ik levend begraven was, den zwerm
+uit den korf gelokt. Ik hoorde hen hunne lijkpsalmen brommen, in het
+geheel niet denkende dat die voor het welzijn van mijne ziel gezongen
+werden door hen, die mijn lichaam op deze wijze uithongerden. Ze gingen
+intusschen weg, en ik wachtte lang naar voedsel,--en geen wonder, want
+de jichtige Sacristijn had al te veel met zijn eigen maaltijd te doen,
+om aan den mijne te denken. Eindelijk kwam hij met wankelende schreden
+en een sterken geur van wijn en specerijen bij zich, naar beneden. De
+goede kost had zijn hart verzacht, want hij liet mij een brok pastei
+en een flesch wijn inplaats van mijn vorig voedsel. Ik at, dronk en
+gevoelde mij versterkt; waarop, tot overmaat van geluk, de Sacristijn,
+die te beneveld was om zijn ambt van sluiter goed waar te nemen, de
+deur bij het slot langs sloot, zoodat ze in plaats van toe te zijn,
+aan stond. Het licht, de spijs, de wijn wekten mijn geestvermogens
+op. De ring, waaraan mijn ketenen bevestigd waren, was meer verroest,
+dan ik, of de schurkachtige Abt, vermoed hadden. Het ijzer zelf kon
+de vochtigheid van dien helschen kerker niet wederstaan!"
+
+"Schep adem, edele Athelstane," zei Richard, "en gebruik eenige
+verversching, eer ge zulk een verschrikkelijk verhaal vervolgt."
+
+"Gebruiken!" hervatte Athelstane. "Ik heb heden reeds vijf maal
+wat gebruikt,--en echter zou een stukje van die malsche ham mij wel
+toelachen, en ik bid u, edele heeren, mij met een beker wijn bescheid
+te doen!"
+
+De gasten, ofschoon nog stom van verbazing, deden evenwel hun uit
+het graf verrezen gastheer bescheid, die daarop met zijn verhaal
+voortging. Hij had inderdaad thans veel meer toehoorders dan toen hij
+begon; want, nadat Edith eenige noodzakelijke bevelen gegeven had,
+om de zaken in het kasteel in orde te brengen, was ze den verrezene
+naar het vertrek der vreemdelingen gevolgd, vergezeld door zoo vele
+gasten, mannen en vrouwen, als in de kleine kamer dringen konden;
+terwijl anderen op de trap stonden, een onvolkomen verhaal van de
+zaak opvingen, en het nog onnauwkeuriger aan diegenen welke beneden
+waren, overbrachten, die het alweder onder het buitenstaande volk
+verspreidden, op een wijze, die geheel niet met de ware toedracht
+der zaak overeenkwam. Intusschen vervolgde Athelstane de geschiedenis
+van zijn ontvluchting.
+
+"Toen ik zag, dat ik van den ring losgeraakt was, sleepte ik mij
+de trap op, zoo goed als een man, die met ketenen beladen en door
+het vasten uitgeput is, kon; en na lang rondgetast te hebben, werd
+ik eindelijk door een vroolijk lied naar de kamer gelokt, waar de
+waardige Sacristijn, met verlof, een duivelsmis vierde met een grooten,
+zwaarhoofdigen en breedgeschouderden kloosterbroeder, die er eerder
+als een dief, dan als een geestelijke uitzag. Ik overviel hen en mijn
+doodskleederen, zoowel als de klank van mijn ketenen, deed mij meer
+op een bewoner van de andere dan van deze wereld gelijken.
+
+"Beiden stonden verstomd; maar toen ik den Sacristijn met mijn vuist
+ter neêr wierp, sloeg de andere kerel, zijn drinkgezel, met een zware
+knots naar mij."
+
+"Dat moet broeder Tuck zijn, bij alles, wat kostelijk is!" zei Richard,
+Ivanhoe aanziende.
+
+"Het mag de duivel zijn!" zei Athelstane. "Tot mijn geluk miste hij
+zijn doel, en toen ik op hem aankwam om handgemeen met hem te worden,
+zette hij het op een loopen. Ik liet niet na mij van de ketens te
+bevrijden, door middel van den sleutel, welke onder anderen in den
+gordel van den Sacristijn hing, en de gedachte kwam bij mij op, om den
+schurk met den bundel sleutels de hersens in te slaan; maar het stuk
+pastei en de flesch wijn, welke de schelm mij in mijn gevangenschap
+gebracht had, verteederden mijn hart; dus liet ik hem na eenige
+welgemeende schoppen, op den grond liggen, stak wat gebraden vleesch en
+een lederen wijnzak, waarmede de twee eerwaarde broeders bezig waren,
+op, ging naar den stal, en vond op een afgezonderde plaats mijn eigen
+best telpaard, dat zonder twijfel voor het bijzonder gebruik van den
+Abt ter zijde gezet was. Zoodoende kwam ik hierheen met allen spoed,
+terwijl mannen en vrouwen voor mij vluchtten, overal waar ik kwam, mij
+voor een spook houdende, te meer, dat ik de lijkkap over mijn gezicht
+getrokken had, om niet herkend te worden. Ik zou in mijn eigen kasteel
+niet toegelaten zijn, zoo men niet gemeend had, dat ik de bediende van
+een goochelaar was, die de lieden op het slotplein zeer verlustigt,
+als men in overweging neemt, dat ze vergaderd zijn om de begrafenis
+van hun heer te vieren. Zooals ik zei, de voorsnijder dacht, dat ik
+zoo gekleed was, om een rol in de maskerade te spelen, en dus werd
+ik binnengelaten, ontdekte mij slechts aan mijne moeder en at een
+hartig brokje, voordat ik u, mijn edelen vriend, opzocht."
+
+"En ge hebt mij gevonden," zei Cedric, "gereed om onze dappere
+voornemens voor eer en vrijheid weêr op te vatten. Ik zeg u, nooit
+zal er een zoo gunstige morgen als de eerstvolgende voor de bevrijding
+van den edelen Saksischen stam aanbreken!"
+
+"Spreek mij niet van iemand te bevrijden," zei Athelstane; "het is
+goed, dat ik zelf bevrijd ben. Ik heb meer lust om dien schelmschen
+Abt te straffen. Hij zal van de muren van dit kasteel van Coningsburgh
+hangen, in zijn priesterlijk gewaad, en als de trap te nauw is voor
+zijn dik lichaam, dan zal ik hem van buiten laten ophijschen."
+
+"Maar mijn zoon", zei Edith, "denk aan zijn heilig ambt!"
+
+"Denk aan mijn driedaagsche vasten!" hernam Athelstane; "ik wil
+hun bloed hebben, tot den laatsten man toe! Front-de-Boeuf werd om
+veel geringere zaken levend verbrand; want hij hield toch eene goede
+tafel voor zijne gevangenen, en deed slechts te veel knoflook in zijn
+laatste soep. Maar deze schijnheilige, ondankbare slaven, die vleiers,
+die zich zoo dikwijls zelven aan mijne tafel genoodigd hebben, die
+mij soep, noch knoflook, noch iets anders gaven, zij zullen sterven,
+bij de ziel van Hengist!"
+
+"Maar de Paus, edele vriend!" zei Cedric.
+
+"Maar de duivel, edele vriend!" antwoordde Athelstane; "ze zullen
+sterven! Geen woord meer! Al waren ze de beste monniken op aarde,
+dan zou de wereld toch nog wel zonder hen bestaan kunnen!"
+
+"Schaam u, edele Athelstane," hervatte Cedric; "vergeet zulke
+ellendelingen in de roemrijke loopbaan, welke vóór u ligt. Zeg dezen
+Normandischen Prins Richard van Anjou, dat, hoe dapper hij ook zij,
+hij den troon van Alfred niet onbetwist zal bezitten, zoo lang een
+mannelijke afstammeling van den Heiligen Belijder leeft, om hem zijn
+rechten te betwisten."
+
+"Hoe!" zei Athelstane, "is dit de edele Koning Richard?"
+
+"Het is Richard Plantagenet zelf," antwoordde Cedric; "evenwel
+behoef ik u niet te herinneren, dat, daar hij als een vrijwillige
+gast hierheen is gekomen, hij beleedigd noch gevangen gehouden mag
+worden;--ge kent uw plicht als gastheer jegens hem!"
+
+"Ja, op mijn woord!" zei Athelstane; "en mijn plicht als onderdaan
+bovendien; want hier zweer ik hem trouw, met hart en ziel!"
+
+"Mijn zoon," zei Edith, "denk aan uwe koninklijke rechten!"
+
+"Denk aan de bevrijding van Engeland, ontaarde vorst!" riep Cedric.
+
+"Moeder en vriend," hervatte Athelstane, "houdt op met uwe
+verwijten;--brood en water en een kerker zijn wonderbaarlijke
+geneesmiddelen tegen de eerzucht, en ik ben wijzer uit het graf
+opgestaan, dan ik er in nedergedaald ben. De helft van die ijdele
+gekheden werden mij door dien ellendigen Abt Wolfram in het oor
+geblazen, en ge kunt thans zelf oordeelen, of hij een raadsman is,
+dien men vertrouwen kan. Sedert die plannen in werking gebracht
+zijn, heb ik niets gekend dan overhaaste reizen, slechte vertering,
+slagen, stooten en gevangenis; en buitendien kunnen ze slechts met het
+vermoorden van eenige duizenden onschuldige menschen eindigen. Ik zeg
+u, dat ik koning op mijn eigene goederen zijn wil en nergens anders,
+en mijn eerste daad van heerschappij zal zijn den Abt op te hangen!"
+
+"En mijn pupil Rowena?" zei Cedric;--"ik vertrouw toch, dat gij niet
+voornemens zijt haar te verlaten?"
+
+"Vader Cedric," hernam Athelstane, "wees redelijk. Jonkvrouw Rowena
+geeft niet om mij;--zij houdt meer van den pink van den handschoen
+van mijn neef Wilfrid dan van mijn geheelen persoon. Daar staat zij om
+het zelve te bekennen.--Neen, bloos niet, nicht; het is geene schande
+een ridder van het hof meer te beminnen, dan een landedelman;--en
+lach ook niet, Rowena, want doodskleederen en een afgevallen gezicht
+zijn, God weet het, geen onderwerp om er over te lachen! Maar als
+gij volstrekt lachen wilt, dan zal ik een betere aanleiding voor u
+vinden.--Geef mij uwe hand, of liever leen ze mij, want ik vraag ze u
+slechts als vriend. Hier, neef Wilfrid van Ivanhoe, ten uwen voordeele
+ontzeg ik en zweer ik af--Wel! Bij St. Dunstan, onze neef Wilfrid is
+verdwenen!--En toch, zoo mijne oogen niet nog verblind zijn door het
+vasten, dan heb ik hem toch daareven hier zien staan!"
+
+Allen keken thans rond en vroegen naar Ivanhoe; maar hij was
+verdwenen. Men vernam eindelijk, dat een Jood naar hem gevraagd had,
+en dat hij, na een kort gesprek met dezen, Gurth om zijne wapenrusting
+geroepen en het kasteel verlaten had.
+
+"Schoone nicht," zei Athelstane tegen Rowena, "kon ik denken, dat
+deze, plotselinge verdwijning van Ivanhoe door eenige andere dan de
+gewichtigste redenen veroorzaakt ware, dan zou ik zelf--"
+
+Maar hij had nauwelijks haar hand laten varen, toen hij bemerkte,
+dat Ivanhoe verdwenen was, of Rowena, die zich in de uiterste
+verlegenheid bevond, had de eerste gelegenheid gebruikt om uit het
+vertrek te ontsnappen.
+
+"Waarachtig!" zei Athelstane, "de vrouwen zijn onder alle dieren het
+minst te vertrouwen, behalve monniken en abten. Ik wil een ketter
+zijn, als ik geen dank van haar verwachtte, en misschien nog wel een
+kus. Deze vervloekte grafkleederen zijn zeker behekst, want iedereen
+ontvlucht mij. Tot u wend ik mij, edele Koning Richard, met de gelofte
+van getrouwheid, welke ik, als een getrouw onderdaan--"
+
+Maar Koning Richard was ook heengegaan en niemand wist
+waarheen. Eindelijk hoorde men, dat hij naar het slotplein gevlogen
+was, den Jood, die met Ivanhoe gesproken had, bij zich had laten
+komen, en dat hij, na een kort gesprek met hem, driftig om zijn paard
+geroepen, zich er op geworpen, den Jood gedwongen had een ander te
+bestijgen, en met zooveel haast voortgereden was, dat, zooals Wamba
+zei, het leven van den ouden Jood geen duit waard was.
+
+"Bij mijn ziel!" riep Athelstane, "het is zeker, dat Zernebock
+gedurende mijne afwezigheid mijn kasteel betooverd heeft! Ik keer in
+mijn lijkgewaad terug, als uit het graf opgestaan, en ieder, met wien
+ik spreek, verdwijnt, zoodra hij mijn stem hoort!--Maar het baat niet
+er over te praten! Komt, vrienden, gij, die nog overgebleven zijt,
+volgt mij naar de eetzaal, eer er nog meer van ons verdwijnen.--Die
+zaal is, vertrouw ik, nog al tamelijk wel bezet, gelijk bij de
+lijkplechtigheid van een oud-Saksischen edelman betaamt; en zoo wij nog
+langer dralen, wie weet of de duivel niet met het avondeten wegvliegt!"
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Dat Mobray's zonden hem den boezem drukken,
+ Zoo hevig, dat zijn schuimend ros den rug breekt.
+ En over hals en kop zijn ruiter neêrsmakt
+ In 't strijdperk,--den afvall'gen schurk!
+
+ Richard II.
+
+
+Ons verhaal keert nu terug tot den omtrek van het kasteel of
+Preceptorij van Templestowe, omtrent het uur toen het lot beslissen zou
+over het leven of den dood van Rebekka. Het was een tooneel van drukte
+en leven, alsof de bewoners van de geheele buurt op een landelijk
+feest verzameld waren. Maar de begeerte om bloed en dood te zien,
+is niet alleen eigen aan die duistere eeuwen; ofschoon men toen door
+de zwaardvechtersoefeningen van tweestrijd en toernooi gewoon was aan
+het bloedig tooneel van dappere mannen door elkanders hand te zien
+vallen. Zelfs in onze dagen, nu men een hooger begrip van zedelijkheid
+heeft, verzamelen eene terechtstelling, eene vechtpartij, een oploop,
+of eene bijeenkomst van radicale hervormers, tallooze toeschouwers,
+met groot gevaar voor hen, die zelven weinig ander belang daarbij
+hebben, dan om te zien hoe het toegaat, en of de helden van den dag,
+van welken aard ook, hun verkregen roem waardig zijn.
+
+De blikken van eene zeer aanzienlijke menigte waren dus op de poort
+van de Preceptorij van Templestowe gevestigd om den optocht te zien,
+terwijl een nog grooter aantal reeds het toernooiplein omringde, dat
+tot het kasteel behoorde. Dit plein lag dicht bij de Preceptorij,
+en was met zorg ingericht voor krijgshaftige en ridderlijke
+oefeningen. Het besloeg de bovenste vlakte van een zacht hellenden
+heuvel, was zorgvuldig met palissaden omgeven, en daar de Tempeliers
+gaarne toeschouwers hadden om getuigen te zijn van hunne behendigheid
+in het gebruik der wapens, had men er talrijke galerijen en banken
+ten behoeve der menigte opgericht.
+
+Bij de tegenwoordige gelegenheid was er aan het oostelijke einde
+een troon opgericht voor den Grootmeester, omringd met eereplaatsen
+voor de Preceptoren en ridders van de Orde. Hierover fladderde de
+heilige standaard, _le Beau-Séant_ genaamd, het vaandel en tegelijk
+het veldgeschrei der Tempeliers.
+
+Aan het tegenovergestelde einde van het strijdperk was een brandstapel,
+zoodanig rondom een paal, die diep in den grond zat, opgericht, dat er
+plaats genoeg overbleef voor het slachtoffer, om in den noodlottigen
+kring te treden, om met de boeien, welke gereed hingen, aan den paal
+geklonken te worden. Naast dit toestel des doods stonden vier zwarte
+slaven, wier kleur en Afrikaansche trekken, toen weinig in Engeland
+bekend, de menigte verschrikten, die hen beschouwde als duivels, die
+met hun helsch werk bezig waren. Deze mannen verroerden zich niet,
+behalve nu en dan, op bevel van een mensch, die hun opperhoofd scheen,
+om de gereed liggende brandstoffen te schikken en op te stapelen. Zij
+zagen niet naar het volk; zij schenen zelfs zijne tegenwoordigheid
+niet te bespeuren, en evenmin op iets anders te letten, dan op het
+verrichten van hun eigen verschrikkelijk ambt. En wanneer zij in
+gesprek met elkander hun dikke lippen openden en hun witte tanden
+toonden, alsof zij grijnsden uit blijdschap over het verwachte
+moordtooneel, kon het verschrikte volk nauwelijks nalaten te gelooven,
+dat zij wezenlijk de booze geesten waren, met wie de tooverheks
+gemeenschap had gehad, en welke thans, nu haar tijd om was, gereed
+stonden om de vreeselijke straf aan haar te voltrekken. Men fluisterde
+elkander toe, en deelde elkander al de daden mede, welke de Satan
+in dat woeste en ongelukkige tijdvak verricht had, natuurlijk niet
+nalatende den duivel meer op zijne rekening te zetten, dan hem toekwam.
+
+"Hebt gij niet gehoord, vader Dennet," zei een boer tegen een ander,
+die reeds vrij gevorderd in jaren was, "dat de duivel den grooten
+Saksischen Thane, Athelstane van Coningsburgh, gehaald heeft!"
+
+"Ja, maar hij heeft hem toch ook teruggebracht, dank zij God en den
+heiligen Dunstan!"
+
+"Wat is dat?" zei een jong, vroolijk gezel, gekleed in een groen
+wambuis, met goud geborduurd, en gevolgd door een grooten jongen,
+die een harp op den rug droeg, en dus zijn beroep te kennen gaf. De
+minnezanger scheen van geen lagen stand te zijn; want zonder nog op
+den glans van zijn rijk geborduurd kleed te letten, droeg hij om den
+hals een zilveren keten, waaraan de stemsleutel zijner harp hing. Op
+zijn rechterarm blonk een zilveren plaat, waarop, in plaats van,
+zooals gewoonlijk, het wapen van den edele, tot wiens huisgezin hij
+behoorde, slechts het woord _Sherwood_ gegrift was.--"Wat wilt gij
+daarmede zeggen?" vroeg de vroolijke minnezanger, zich in het gesprek
+der boeren mengende: "Ik ben hier gekomen, om één onderwerp voor een
+lied te zoeken, en bij onze Heilige Maagd, ik zou dubbel verheugd
+zijn er twee te vinden!"
+
+"Het is volkomen bewezen," zei de oudste boer, "dat Athelstane van
+Coningsburgh, na vier weken dood geweest te zijn--"
+
+"Dat is onmogelijk," hernam de minnezanger; "ik heb hem levend gezien
+bij het toernooi van Ashby-de-la-Zouche."
+
+"En toch was hij dood, of ten minste begraven," hervatte de jongere
+boer; "want ik heb de monniken van St. Edmunds klooster den lijkzang
+over hem hooren zingen; en buitendien was er een prachtig lijkmaal
+en rouwfeest te Coningsburgh, zooals het behoorde; en ik zou er heen
+gegaan zijn zonder Mabel Parkin, die--"
+
+"Maar uw verhaal, vrienden, uw verhaal!" viel hem de minnezanger een
+weinig ongeduldig in de rede.
+
+"Ja, ja, de geschiedenis maar," zei een dikke monnik, die naast
+hen stond, op een stok leunende, die het midden hield tusschen een
+pelgrimsstaf en een strijdknots, en waarschijnlijk voor beide diende,
+naar dat de gelegenheid eischte,--"uw geschiedenis," zei de kloeke
+geestelijke, "laat den dag er niet over verloopen;--wij hebben niet
+veel tijd te verliezen."
+
+"Als het uw eerwaarde behaagt," zei Dennet, "een dronken priester
+kwam den Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken.--"
+
+"Het behaagt mijn eerwaarde niet," antwoordde de geestelijke, "dat er
+zulk een dier als een dronken priester zijn zou; of, als er een is,
+dat een leek hem zoo noeme! Wees beleefd, vriend, en verbeeld u den
+heiligen man alleen in gepeins verzonken, wat het hoofd duizelig
+en den voet onzeker maakt, even alsof het lichaam met nieuwen wijn
+gevuld ware.--Ik heb het zelf ondervonden!"
+
+"Goed dan," hervatte vader Dennet; "een heilige broeder dan kwam den
+Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken; de bezoeker was een
+soort van verloopen priester, die de helft van het wild, dat in het
+woud gestolen wordt, velt, die den klank van een beker liever hoort,
+dan dien van de misklok, en een stuk ham boven tien gebedenboeken de
+voorkeur geeft; voor het overige een goede, vroolijke vent, die een
+strijdknots zwaait, een boog spant, en het in de danszaal volhoudt
+tegen den beste in Yorkshire."
+
+"Dit laatste gedeelte van uwe rede, Dennet," zei de minnezanger,
+"heeft u een paar ribben gered!"
+
+"Stil maar; ik vrees hem niet!" hervatte Dennet; "ik ben wat oud en
+stijf, maar toen ik bij Doncaster in het worstelperk trad,--"
+
+"Maar het verhaal,--het verhaal, vriend!" riep weder de minnezanger.
+
+"Wel, het verhaal komt hierop neder: Athelstane van Coningsburgh werd
+in St. Edmunds klooster begraven,"--
+
+"Dat is een grove leugen," zei de monnik; "want ik heb hem naar zijn
+eigen kasteel van Coningsburgh zien dragen."
+
+"Nu, verhaal dan de geschiedenis zelf," zei Dennet, zich knorrig
+over dit herhaalde tegenspreken afwendende; en het was met eenige
+moeite, dat de boer overgehaald werd, op verzoek van zijn makker en
+den minnezanger, om zijn verhaal te hervatten.--"Deze twee _matige_
+broeders dan," zei hij eindelijk, "dewijl deze eerwaarde man volstrekt
+hebben wil dat zij dit waren, hadden goeden wijn en goed bier, en
+ik weet niet wat al meer, gedurende het grootste gedeelte van een
+zomerschen dag gedronken, toen zij opgewekt werden door een zwaar
+gezucht en het gerammel van ketens en de gedaante van den overledenen
+Athelstane trad in het vertrek, zeggende: "Gij onwaardige herders!"
+
+"Dat is gelogen," riep de monnik driftig, "hij sprak geen enkel woord!"
+
+"Ha, ha! broeder Tuck," zei de minnezanger, den monnik ter zijde
+nemende; "wij hebben een nieuwen haas opgejaagd, zooals ik zie!"
+
+"Ik zeg u, Allan-a-Dale," hervatte de heremiet, "ik heb Athelstane
+van Coningsburgh even goed gezien, als ooit vleeschelijke oogen een
+levend mensch gezien hebben. Hij had het grafkleed aan, en bracht
+een graflucht mede.--Een vat wijn zal het mij niet uit het geheugen
+spoelen."
+
+"Bah!" antwoordde de minnezanger, "gij schertst!"
+
+"Geloof mij nooit weder," hervatte de monnik, "zoo ik hem niet een
+slag met mijn knots gegeven heb, die een os zou ter neêr geveld hebben,
+en die door zijn lichaam heen ging, evenals door een rookwolk."
+
+"Bij St. Hubertus!" zei de minnezanger, "het is een wonderbaar
+verhaal, en geschikt om op rijm gebracht te worden naar de oude wijs:
+"de Smart kwam bij den ouden monnik!""
+
+"Lach maar, als gij lust hebt," hervatte broeder Tuck; "maar als gij
+mij op het zingen van zulk een liedje betrapt, dan moge de eerste de
+beste geest of duivel mij hals over kop met zich meênemen.--Neen,
+neen, ik vatte aanstonds het voornemen op, om bij het een of ander
+goed werk tegenwoordig te zijn, zooals het verbranden van eene heks,
+een Godsgericht, of een soortgelijke Gode welgevallige verrichting!"
+
+Terwijl zij aldus spraken, brak de zware klok der kerk van St. Michiel
+van Templestowe, een eerwaardig gebouw, te midden van een gehucht op
+eenigen afstand van de Preceptorij, hun gesprek af. De sombere tonen
+volgden elkander zoo snel op, dat iedere klank slechts genoegzamen
+tijd had om in een verafgelegen echo weg te sterven, eer de ijzeren
+klepel zich dadelijk weder hooren liet. Dit geluid, dat de naderende
+plechtigheid aankondigde, vervulde het hart der aanschouwers met
+schrik, terwijl hun oogen zich naar de Preceptorij wendden, om
+de aankomst van den Grootmeester, van den kampvechter en van de
+aangeklaagde te zien.
+
+Eindelijk viel de ophaalbrug, de poorten werden geopend en een ridder
+die den grooten standaard der Orde droeg, reed uit het kasteel,
+voorafgegaan door zes trompetters en gevolgd door de ridders en
+Preceptoren, twee aan twee; de Grootmeester kwam het laatst, op een
+vurig paard, welks tuig van de eenvoudigste soort was. Achter hem kwam
+Brian De Bois-Guilbert, van top tot teen in glinsterende wapenrusting;
+maar zonder lans, schild of zwaard, welke twee schildknapen hem
+nadroegen. Ofschoon zijn gelaat gedeeltelijk verborgen was door een
+langen vederbos, welke van zijn baret nederhing, zag men er toch eene
+sterke en gemengde uitdrukking van hartstochtelijkheid op, waarin
+hoogmoed met besluiteloosheid scheen te strijden. Hij was doodsbleek,
+alsof hij in verscheidene nachten niet geslapen had; evenwel bestierde
+hij zijn moedig strijdros met al de bevalligheid en gemakkelijkheid,
+aan den besten ridder van de Tempelorde eigen. Zijn voorkomen was
+bij den eersten oogopslag trotsch en ontzagverwekkend; maar wanneer
+men hem met oplettendheid beschouwde, was er iets in zijne sombere
+trekken, dat het oog van zijn gelaat deed afwenden.
+
+Aan weerskanten van den kampvechter reden Conrad De Mont-Fitchet
+en Albert De Malvoisin, als zijne beste vrienden. Zij hadden hunne
+vredeskleederen aan, het witte gewaad der Orde. Achter hen volgden
+andere ridders van den Tempel, met een langen stoet schildknapen
+en pages, in het zwart gekleed, die naar de eer streefden om eens
+ridders der Orde te worden. Na deze nieuwelingen kwam eene wacht
+van voetknechten, in dezelfde zwarte kleeding, in wier midden men
+de ranke gedaante der aangeklaagde ontwaarde, die met langzame maar
+onverschrokken schreden het tooneel, waar haar lot beslist zou worden,
+betrad. Zij was van al haar sieraden beroofd, uit vrees dat er een
+of ander dier amuletten onder mocht zijn, welke men veronderstelde,
+dat de Satan aan zijne slachtoffers schonk, om hen te beletten iets
+te bekennen, zelfs wanneer zij op de pijnbank lagen. Een grof, wit
+gewaad, van het eenvoudigste maaksel, had haar Oostersche kleeding
+vervangen; maar in haar blikken schitterde zulk een uitstekende
+vereeniging van moed en onderwerping, dat zij zelfs in deze kleeding,
+en zonder eenigen anderen tooi dan haar lange, zwarte lokken, tranen
+lokte uit ieder oog, dat haar aanschouwde; en zelfs de verhardste en
+bijgeloovigste mensch betreurde het lot van een zoo schoon schepsel,
+dat een werktuig der zonde en eene slavin van den Satan geworden was.
+
+Een menigte personen van minderen rang, die tot de Preceptorij
+behoorden, volgden het slachtoffer, allen gingen in de grootste orde,
+met gekruiste armen en neergeslagene blikken.
+
+Deze optocht besteeg langzaam den kleinen heuvel, op welks top de
+toernooiplaats lag, trad in het strijdperk, trok het eenmaal van de
+rechter naar de linker zijde rond, en maakte halt, zoodra dit gebeurd
+was. Hierop ontstond er een kort gedruisch, daar de Grootmeester
+en allen, die hem vergezelden, behalve den kampioen en zijne twee
+vrienden, van de paarden stegen, welke de schildknapen, die gereed
+stonden, dadelijk buiten het strijdperk brachten.
+
+De ongelukkige Rebekka werd naar den zwarten stoel, welke bij den
+brandstapel stond, geleid. Bij de eersten blik op de verschrikkelijke
+plek, waar men toebereidselen tot een dood maakte, even vreeselijk
+voor het gemoed als pijnlijk voor het lichaam, bespeurde men, dat
+zij sidderde en de oogen sloot, zonder twijfel zacht biddende, want
+hare lippen bewogen zich, ofschoon men geen woord hoorde. Na verloop
+van eene minuut opende zij de oogen, zag strak naar den brandstapel,
+alsof ze zich met dit voorwerp wilde gemeenzaam maken, en toen wendde
+ze het hoofd langzaam en ongedwongen af.
+
+Intusschen had de Grootmeester zijne zitplaats ingenomen, en toen
+de ridders der Orde, weder volgens hun rang, rondom en achter hem
+geschaard waren, kondigde een luid en lang trompetgeschal aan, dat de
+rechters zitting genomen hadden. Daarop trad Malvoisin voorwaarts,
+en legde den handschoen der Jodin, als het pand van den strijd,
+voor de voeten van den Grootmeester.
+
+"Dappere gebieder en eerwaarde vader," zei hij, "hier staat de ridder,
+Brian De Bois-Guilbert, Preceptor van de Orde des Tempels, die door
+het opnemen van het strijdpand, hetwelk ik thans voor uwe voeten
+leg, zich verbonden heeft, om heden in het gevecht zijn plicht te
+doen, en te bewijzen, dat dit Joodsche meisje, Rebekka genaamd, te
+recht het vonnis verdiend heeft, dat door een Kapittel van deze zeer
+heilige Orde van den Tempel van Sion tegen haar is uitgesproken, en
+waardoor ze veroordeeld is als tooveres te sterven;--hier, zeg ik,
+staat hij, om ridderlijk en eervol voor dat oordeel te strijden,
+zoo dit uw edele en heilige wil zij!"
+
+"Heeft hij den eed gedaan, dat zijne zaak billijk en eerlijk is?" zei
+de Grootmeester. "Breng het crucifix en het _Te igitur_."
+
+"Heer, en zeer eerwaarde vader," antwoordde Malvoisin dadelijk,
+"onze broeder heeft de waarheid zijner beschuldiging reeds bezworen
+in handen van den Ridder Conrad De Mont-Fitchet; en op eene andere
+wijze mag hij niet zweren, daar zijne tegenpartij, een ongeloovige
+is en niet tot den eed kan worden toegelaten."
+
+Deze verklaring was tot Alberts groote vreugde voldoende; want de
+listige ridder had de groote moeielijkheid, of liever de onmogelijkheid
+voorzien, om Brian De Bois-Guilbert over te halen dezen eed voor de
+vergadering te doen, en hij had deze uitvlucht bedacht, om hem de
+noodzakelijkheid daarvan te besparen.
+
+Nadat de Grootmeester de verontschuldiging van Albert de Malvoisin
+aangenomen had, beval hij den heraut voorwaarts te treden en zijn
+ambt te verrichten. De trompetten lieten zich weder hooren, de
+heraut kwam te voorschijn en riep met luider stem: "Hoort, hoort,
+hoort!--Hier staat de dappere ridder, Brian De Bois-Guilbert, gereed
+om te strijden tegen iederen vrijgeboren ridder, die de zaak van de
+Jodin Rebekka wil verdedigen, aan wie het vergund is door middel
+van een kampvechter te strijden, daar ze in eigen persoon niet in
+het strijdperk verschijnen kan; en aan dezen kampvechter vergunt de
+eerwaarde en dappere Grootmeester hier tegenwoordig, een vrij veld,
+en gelijk voordeel van zon en wind, en al wat er verder tot een
+eerlijken strijd behoort!" De trompetten lieten zich nog eens hooren
+en er heerschte gedurende eenige minuten doodsche stilte.
+
+"Er verschijnt geen kampioen voor de aangeklaagde," zei de
+Grootmeester. "Ga, heraut, en vraag haar, of zij iemand verwacht,
+om de wapens voor haar in deze zaak op te nemen." De heraut ging naar
+den stoel, waarop Rebekka zat, en Bois-Guilbert plotseling zijn paard
+naar dat einde van het strijdperk wendende, was, in weerwil van de
+wenken van Malvoisin en Mont-Fitchet, even schielijk als de heraut
+naast Rebekka's stoel.
+
+"Is dit in den regel en naar de wet van den strijd?" vroeg Malvoisin,
+den Grootmeester aanziende.
+
+"Dat is het, Albert de Malvoisin," antwoordde Beaumanoir; "want in
+het beroep op een Godsgericht mogen wij de partijen niet beletten
+die gemeenschap met elkander te hebben, welke het best dienen kan,
+om de waarheid aan het licht te brengen."
+
+Intusschen sprak de heraut tot Rebekka in deze woorden: "Meisje,
+de geëerde en hoogeerwaarde Heer Grootmeester vraagt, of gij een
+kampvechter hebt, om op dezen dag voor u te strijden, dan of gij het
+tegen u uitgesproken vonnis voor rechtvaardig erkent?"
+
+"Zeg aan den Grootmeester," hernam Rebekka, "dat ik mijn onschuld
+staande houd, en mij niet als rechtvaardig veroordeeld erken,
+omdat ik niet schuldig mag worden aan mijn eigen dood. Zeg hem,
+dat ik zulk uitstel vorder, als zijne wetten toelaten, om te zien,
+of God, die dikwijls in den uitersten nood uitkomst schenkt, mij een
+verlosser zenden zal; en als die tijd verloopen is, dan geschiede
+Zijn heilige wil!"
+
+De heraut verwijderde zich, om dit antwoord aan den Grootmeester over
+te brengen.
+
+"God verhoede!" zei Lucas Beaumanoir, "dat Jood of Heiden ons van
+onrechtvaardigheid zou beschuldigen.--Tot de schaduwen inplaats van
+westwaarts, oostwaarts vallen, willen wij wachten om te zien, of een
+kampvechter voor die ongelukkige verschijnt!"
+
+De heraut deelde het besluit des Grootmeesters aan Rebekka mede, die
+het hoofd onderdanig boog, de armen kruiste, en naar den hemel ziende,
+die hulp van boven scheen te verwachten, welke zij zich van de menschen
+nauwelijks meer beloven durfde. Gedurende deze ijselijke stilte, trof
+de stem van Bois-Guilbert haar oor;--het was slechts een gefluister,
+en toch verschrikte het haar meer, dan de opeisching van den heraut.
+
+"Rebekka," zei de Tempelier, "hoort gij mij?"
+
+"Ik heb niets met u te doen, wreed, hardvochtig man!" antwoordde het
+ongelukkig meisje.
+
+"Maar verstaat gij mijn woorden wel?" vroeg de Tempelier; "want de
+klank mijner stem is verschrikkelijk in mijn eigene ooren. Ik weet te
+nauwernood op wat grond wij staan, of waarom men ons hierheen gebracht
+heeft.--Dit strijdperk,--deze stoel,--deze takkenbossen,--ik weet de
+beteekenis van dit alles, en echter komt het mij als iets onwezenlijks
+voor, als een verschrikkelijke nachtelijke verschijning, welke mijn
+geest met afgrijselijke beelden vervult, zonder mijn verstand te
+overtuigen."
+
+"Mijn verstand en mijn zinnen erkennen den wezenlijken tijd en de
+plaats," antwoordde Rebekka, "en zeggen mij duidelijk, dat deze
+takkenbossen bestemd zijn om mijn lichaam te verteren, en mij een
+smartelijken, maar korten weg naar een betere wereld te openen."
+
+"Droomen, Rebekka, droomen!" hernam de Tempelier. "IJdele
+verbeeldingen, welke de wijsheid van uwe eigene Sadduceërs verworpen
+heeft. Hoor mij, Rebekka," vervolgde hij met vuur; "gij hebt eene
+betere kans op leven en vrijheid, dan gindsche schurken en die
+domkop zich verbeelden. Stijg achter op mijn paard,--op Zamor, het
+dappere ros, dat zijn ruiter nooit teleurstelde. Ik heb het in een
+tweegevecht met den Sultan van Trebizonde gewonnen.--Stijg achter mij
+op, zeg ik; in een klein uur zijn wij aan alle vervolging en nasporing
+ontkomen:--een nieuwe wereld van genot opent zich voor u,--en voor
+mij een nieuwe loopbaan van roem. Laat hen het vonnis uitspreken,
+dat ik veracht, en den naam van Bois-Guilbert van de lijst hunner
+kloosterslaven uitschrappen! Ik zal iedere vlek, waarmede zij mijn
+wapen bespatten, met bloed afwasschen!"
+
+"Verzoeker!" hervatte Rebekka, "Wijk van mij!--Zelfs in dezen uitersten
+nood kunt gij mij geen haarbreed doen wijken.--Door vijanden omringd,
+zooals ik nu ben, houd ik u voor den ergsten en doodelijksten van
+allen; wijk van mij in den naam van God!"
+
+Albert Malvoisin, die ongeduldig en onrustig werd over de langdurigheid
+van haar gesprek, naderde thans om het af te breken.
+
+"Heeft het meisje hare schuld bekend?" vroeg hij Bois-Guilbert;
+"of blijft ze bij haar ontkenning volharden?"
+
+"Zij _volhardt_ inderdaad!" antwoordde Bois-Guilbert.
+
+"Dan moet gij uwe plaats weder innemen om den uitslag af te wachten,
+edele broeder," zei Malvoisin;--"de schaduw rukt verder op den
+zonnewijzer;--kom, dappere Bois-Guilbert,--kom, gij steun van onze
+heilige Orde, gij die weldra ons opperhoofd zult zijn!" Terwijl hij
+dit op vleienden toon zeide, legde hij de hand op den teugel van den
+ridder, alsof hij hem naar zijne plaats terug leiden wilde.
+
+"Valsche schurk! wat beteekent die hand op mijn teugel?" riep
+Bois-Guilbert op toornigen toon. En, de hand van zijn makker
+terugstootende, reed hij naar het bovenste einde van het strijdperk
+terug.
+
+"Er zit nog moed in hem," zei Malvoisin ter zijde tegen Mont-Fitchet,
+"zoo het maar goed geleid wordt;--maar, evenals het Grieksche vuur,
+verbrandt het alles, wat in de nabijheid komt."
+
+De rechters hadden nu twee uren in het strijdperk getoefd, te vergeefs
+op de aankomst van een kampvechter wachtende.
+
+"Ik begrijp de reden zeer goed," zei broeder Tuck; "het is, omdat ze
+eene Jodin is,--en evenwel, bij mijn orde, het is hard, dat een zoo
+jong en bekoorlijk schepsel sterven moet, zonder dat er één slag tot
+hare verdediging gedaan wordt. Al ware ze tienmaal eene heks, als
+ze maar een droppeltje Christenbloed in de aderen had, dan zou mijn
+knots op den stalen helm van gindschen trotschen Tempelier dansen,
+eer hij er zoo gemakkelijk afkwam!"
+
+Het was echter het algemeen geloof, dat niemand voor eene Jodin
+die van tooverij beschuldigd werd, kon of wilde verschijnen, en de
+ridders, aangezet door Malvoisin, fluisterden elkander toe, dat het
+tijd werd Rebekka's pand voor verbeurd te verklaren. Op dit oogenblik
+verscheen er een ridder, die zijn paard tot haast aanspoorde, op de
+vlakte, die tot het strijdperk leidde. Honderd stemmen riepen: "Een
+kampvechter! een kampvechter!" en in weerwil van de vooringenomenheid
+en vooroordeelen van de menigte, juichten allen luid, toen de ridder
+op de toernooiplaats reed. De tweede blik echter diende om de hoop,
+die zijne aankomst, zoo juist op het rechte tijdstip, verwekt had,
+te vernietigen. Zijn paard, dat verscheidene mijlen met den uitersten
+spoed geloopen had, scheen van vermoeidheid te struikelen, en de
+ruiter, hoe onverschrokken hij zich in het strijdperk vertoonde,
+scheen door zwakheid, of vermoeienis, of door beide, nauwelijks in
+staat, om zich in den zadel te houden.
+
+Op de opeisching van den heraut, die naar zijn rang, zijn naam en
+zijn voornemen vroeg, antwoordde de vreemde ridder vlug weg en stout:
+"Ik ben een goed en edelgeboren ridder; en kom hier, om met lans
+en zwaard de rechtvaardige en goede zaak van dit meisje, Rebekka,
+de dochter van Izaäk van York, staande te houden; om het tegen
+haar uitgesproken vonnis voor onrechtvaardig en waarheidschendend
+te verklaren, en om den ridder Brian De Bois-Guilbert uit te dagen
+als een verrader, moordenaar en leugenaar; wat ik in dit veld met
+mijn lichaam tegen het zijne staande wil houden, met behulp van God,
+onze Heilige Maagd, en van St. George, den heiligen ridder!"
+
+"De vreemdeling moet eerst bewijzen," zei Malvoisin, "dat hij een edele
+ridder en van eervolle afkomst is. De Tempel zendt zijne kampioenen
+niet tegen naamlooze mannen af."
+
+"Mijn naam," antwoordde de ridder, zijn helm afnemende, "is bekender
+en mijn stam edeler dan de uwe, Malvoisin. Ik ben Wilfrid van Ivanhoe."
+
+"Ik wil niet met u vechten," zei de Tempelier, met een veranderde,
+holle stem. "Laat uwe wonden heelen, verschaf u een beter paard, en
+dan zal ik het misschien niet beneden mij keuren om uwe kinderachtige
+snoeverij te tuchtigen!"
+
+"Ha! trotsche Tempelier," hervatte Ivanhoe, "hebt gij vergeten, dat
+gij tweemaal voor deze lans bezweken zijt? Denk aan het strijdperk
+van Accre,--denk aan het toernooi van Ashby,--denk aan uw trotsche
+snoeverij in de zalen van Rotherwood, en aan het pand van uw gouden
+keten tegen mijn reliquie, dat gij met Wilfrid van Ivanhoe strijden
+en uw verloren eer herwinnen wildet! Bij dit kistje en de heilige
+reliquie, die het bevat, zal ik u, Tempelier, aan ieder hof van Europa,
+in iedere Preceptorij van uw Orde, voor een lafaard verklaren, zoo
+gij niet zonder verder uitstel met mij strijdt!"
+
+Bois-Guilbert wendde zijn hoofd besluiteloos naar Rebekka, en riep
+toen, met een woesten blik op Ivanhoe: "Hond van een Sakser, neem uw
+lans, en wees voorbereid op den dood, welken gij u berokkend hebt!"
+
+"Vergunt de Grootmeester mij het gevecht?" vroeg Ivanhoe.
+
+"Ik mag niet weigeren, wat gij gevorderd hebt," antwoordde de
+Grootmeester, "mits het meisje u tot haar kampvechter aanneemt. Echter
+wenschte ik, dat gij u in een beteren toestand bevondt om te kunnen
+vechten. Gij zijt altijd een vijand van onze Orde geweest; maar ik
+wilde toch gaarne, dat gij eervol streedt."
+
+"Zoo als ik ben, en niet anders," hernam Ivanhoe; "het is een
+Godsgericht;--in Zijn hoede beveel ik mij aan!--Rebekka," zei hij,
+naar den noodlottigen stoel rijdende, "neemt gij mij tot uw kampvechter
+aan?"
+
+"Dat doe ik, dat doe ik!" antwoordde zij, met eene aandoening, welke
+zelfs de vrees voor den dood niet bij haar had kunnen opwekken;
+"ik neem u als den kampvechter aan, welken de hemel mij gezonden
+heeft. Maar neen, neen,--uwe wonden zijn nog niet genezen!--Vecht
+niet met dezen woesten man,--waarom zoudt gij op deze wijze omkomen?"
+
+Maar Ivanhoe was reeds op zijn post, en had zijn vizier gesloten
+en zijn lans opgenomen. Bois-Guilbert deed hetzelfde, en zijn
+schildknaap bemerkte, toen hij zijn vizier sloot, dat zijn gelaat,
+dat niettegenstaande de verschillende aandoeningen, door welke hij
+geschokt werd, den geheelen morgen doodsbleek geweest was, nu eensklaps
+vuurrood geworden was.
+
+De heraut, beide kampvechters op hun plaats ziende, verhief zijn stem
+en herhaalde drie malen; "_Faites vos devoirs, preux chevaliers!_"
+Na den derden uitroep begaf hij zich naar de andere zijde van het
+strijdperk en maakte opnieuw bekend, dat niemand, op straf van een
+oogenblikkelijken dood, door woorden, geschreeuw of daden dezen edelen
+strijd mocht verhinderen of storen. De Grootmeester, die het pand voor
+den strijd, Rebekka's handschoen, in de hand hield, wierp dien thans in
+het strijdperk, en sprak de noodlottige woorden uit: "_Laissez aller!_"
+
+De trompetten klonken en de ridders renden in volle vaart tegen
+elkander. Het vermoeide paard van Ivanhoe en zijn niet minder afgematte
+ruiter vielen, zooals allen verwacht hadden, voor de welgerichte
+lans en het sterke paard van den Tempelier ter neêr. Dezen uitslag
+van het gevecht hadden allen voorzien; maar ofschoon Ivanhoe's speer
+als het ware maar even het schild van Bois-Guilbert aangeraakt had,
+wankelde deze, tot verbazing van alle aanschouwers, in den zadel,
+verloor de stijgbeugels, en rolde in het strijdperk.
+
+Ivanhoe, zich van zijn gevallen paard losmakende, sprong ijlings
+op, om zijn geleden nadeel door het zwaard weder te vergoeden; maar
+zijn vijand bleef liggen. Wilfrid zette zijn voet op zijn keel, hem
+bevelende zich over te geven, zoo hij niet dadelijk des doods wilde
+zijn. Bois-Guilbert gaf geen antwoord.
+
+"Dood hem niet, heer ridder!" riep de Grootmeester; "dood hem niet,
+zonder biecht en aflaat;--dood niet lichaam en ziel tegelijk. Wij
+erkennen hem voor overwonnen!"
+
+Hij trad in het strijdperk, en beval dat men den overwonnen kampioen
+den helm afnemen zou. Diens oogen waren gesloten;--de donkerroode
+gloed lag nog op zijn gelaat. Toen men verbaasd op hem zag, openden
+zich zijn oogen;--maar ze waren verglaasd en zonder uitdrukking. Het
+rood verdween van zijn aangezicht en maakte plaats voor een doodsche
+bleekheid. Ongekwetst door de lans van zijn vijand, was hij gevallen
+als een slachtoffer van het geweld zijner eigene woeste driften.
+
+"Dit is inderdaad een Godsgericht!" zei de Grootmeester, naar boven
+ziende:--"_Fiat voluntas tua!_"
+
+
+
+
+
+VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Zoo loopt het ten einde, gelijk een oud' wijven sprookje.
+
+ Webster.
+
+
+Toen de eerste oogenblikken van verbazing voorbij waren, vroeg Wilfrid
+van Ivanhoe aan den Grootmeester, als kamprechter, of hij zijn plicht
+in het gevecht manhaftig en eerlijk gedaan had?
+
+"Manhaftig en eerlijk," antwoordde de Grootmeester; "ik verklaar
+het meisje voor vrij en onschuldig!--De wapens en het lijk van den
+overleden ridder zijn ter beschikking des overwinnaars."
+
+"Ik wil hem van zijne wapens niet berooven," hernam de ridder van
+Ivanhoe; "en zijn lichaam niet aan de schande prijs geven;--hij
+heeft vroeger voor de Christenheid gestreden;--Gods arm, en geene
+menschenhand heeft hem heden ter neêr geveld. Maar laat zijne
+begrafenis stil zijn, gelijk het betaamt voor iemand, die in eene
+onrechtvaardige zaak gesneuveld is.--En wat het meisje betreft,--"
+
+Hier werd hij verhinderd voort te gaan door het getrappel van paarden,
+welke in zulk een groot aantal en zoo schielijk aankwamen, dat de
+grond er onder dreunde; en de Zwarte Ridder joeg in het strijdperk,
+gevolgd door een talrijke bende gewapenden en verscheidene ridders,
+in volle wapenrusting.
+
+"Ik kom te laat!" zei hij, rondziende. "Ik had Bois-Guilbert voor
+mijn eigen deel uitverkoren--Ivanhoe, was het goed gedaan, dat gij
+zulk een waagstuk op u naamt, daar gij nog nauwelijks in staat waart
+in den zadel te blijven?"
+
+"De hemel," antwoordde Ivanhoe, "heeft dezen trotschen man tot zijn
+slachtoffer verkozen, mijn Vorst. Hem moest de eer niet wedervaren,
+door uw hand te sterven."
+
+"Vrede zij met hem!" zei Richard ernstig op het lijk starende, "als
+het zoo zijn kan:--hij was een dapper ridder, en is ridderlijk in zijn
+stalen harnas gestorven. Maar wij moeten geen tijd verspillen.--Bohun,
+verricht uw ambt!"
+
+Een ridder uit des Konings gevolg trad voor, en de hand op den schouder
+van Albert de Malvoisin leggende zei hij: "Ik neem u in hechtenis,
+wegens hoogverraad!"
+
+De Grootmeester had tot hiertoe verbaasd gestaan over de verschijning
+van zoo vele krijgslieden. Thans sprak hij: "Wie durft een ridder van
+den Tempel van Sion binnen den omtrek van zijn eigene Preceptorij en
+in tegenwoordigheid van den Grootmeester, in hechtenis nemen? En op
+wiens gezag geschiedt deze stoute beleediging?"
+
+"Ik neem hem in hechtenis," hernam de ridder;--"Ik, Henry Bohun,
+Graaf van Essex, Groot-Connetable van Engeland."
+
+"En hij neemt Malvoisin in hechtenis," zei de Koning, zijn vizier
+openende, "op bevel van Richard Plantagenet, hier tegenwoordig. Conrad
+Mont-Fitchet, het is uw geluk, dat gij niet mijn onderdaan van
+geboorte zijt.--Maar wat u betreft, Malvoisin, gij sterft met uw
+broeder Philips, eer de wereld een week ouder wordt!"
+
+"Ik verzet mij tegen uw vonnis," zei de Grootmeester.
+
+"Trotsche Tempelier," hervatte de Koning, "dat kunt gij niet;--zie,
+de koninklijke standaard van Engeland wappert boven uw torens in
+plaats van de banier van uw Tempel!--Wees verstandig, Beaumanoir,
+en bied geen nutteloozen tegenstand.--Uwe hand is in den leeuwenmuil!"
+
+"Ik zal te Rome tegen u appelleeren," zei de Grootmeester, "wegens
+inbreuk op de rechten en vrijheden van onze Orde."
+
+"Het zij zoo!" hernam de Koning; "maar om uw eigen wil, beschuldig
+mij thans niet van overweldiging.--Ontbind uw Kapittel, en vertrek
+met uw aanhangers naar de naaste Preceptorij, welke geen tooneel van
+verraderlijke samenzwering tegen den Koning van Engeland geworden is,
+indien gij een dusdanige vinden kunt.--Of, zoo gij wilt, blijf dan, om
+in onze gastvrijheid te deelen, en onze gerechtigheid te aanschouwen."
+
+"Ik een gast in het huis, waar ik bevelen moest?" zei de
+Tempelier. "Nooit!--Kapelanen, heft den Psalm aan: _Quare fremuerunt
+gentes?_--Ridders, knapen en dienaren van den heiligen Tempel,
+bereidt u om de banier van _Beau-Séant_ te volgen!"
+
+De Grootmeester sprak met eene waardigheid, welke zelfs die van
+Engelands Koning evenaarde, en zijn verrasten en verschrikten
+aanhangers moed inboezemde. Zij verzamelden zich rondom hem, gelijk
+de schapen rondom den herdershond, als zij het gehuil van den
+wolf hooren. Maar zij vertoonden de vreesachtigheid van de wollige
+kudde niet;--hun sombere blikken en houding gaven eene vijandige
+gezindheid en bedreigingen te kennen, welke zij niet in woorden durfden
+uitdrukken. Zij trokken bijeen, één donkere reeks van speren vormende,
+waarin de witte mantels der ridders uitblonken tusschen de sombere
+kleeding van hun dienaars, gelijk de lichte randen van een zwarte
+wolk. De menigte, welke luide kreten van haat had doen hooren, zweeg
+en zag in stilte op de geduchte en ervarene bende, welke zij op een
+zoo onbedachtzame wijze getergd had, en week vreesachtig terug.
+
+De Graaf van Essex gaf, toen hij de Tempeliers dus verzameld zag,
+zijn paard de sporen, en rende heen en weêr om zijn lieden tegen
+een zoo geduchte bende in slagorde te scharen. Richard alleen,
+alsof hij het gevaar beminde, hetwelk zijne verschijning uitgelokt
+had, reed langzaam voorbij het front der Tempeliers, luid roepende:
+"Hoe, mijn heeren! is er onder zoo vele dappere ridders geen één,
+die een lans met Richard durft breken?--Heeren van den Tempel! uw
+dames moeten erg door de zon verbrand zijn, als zij de splinters van
+een gebroken lans niet waard zijn!"
+
+"De broeders van den Tempel," zei de Grootmeester, uit de rij
+voorwaarts rijdende, "vechten niet in zulk eene ijdele, onheilige
+zaak,--en geen Tempelier zal in mijne tegenwoordigheid een lans tegen
+u opheffen, Richard van Engeland. De paus en de Vorsten van Europa
+zullen onzen strijd beslissen en beoordeelen, of een Christen-Vorst wel
+doet eene zoodanige zaak voor te staan, als gij heden gedaan hebt. Zoo
+men ons ongemoeid laat vertrekken, zullen wij niemand aanvallen. Aan
+uwe eer vertrouwen wij de wapens en het huisraad van de Orde, welke
+wij achterlaten, en uw geweten verantwoorde de ergernis en den hoon,
+welke gij heden het Christendom hebt aangedaan!"
+
+Na dit gezegd te hebben en zonder een antwoord af te wachten, gaf
+de Grootmeester het teeken tot het vertrek. De trompetten lieten
+een wilden marsch, in Oosterschen trant hooren, welke gewoonlijk het
+teeken tot den aanval voor de Tempeliers was. Zij veranderden hunne
+slagorde in een marsch-kolom, en reden weg, zoo langzaam als hunne
+paarden stappen konden, alsof zij toonen wilden, dat het slechts de
+wil van hun Grootmeester was en geene vrees voor de tegenover hen
+staande macht, die hen dwong om af te trekken.
+
+"Bij het schitterend gelaat van onze Lieve Vrouw," zei Koning Richard,
+"het is jammer dat deze Tempeliers niet even goed te vertrouwen,
+als zij goed gedisciplineerd en dapper zijn!"
+
+De menigte, die, gelijk een vreesachtige hond met blaffen wacht,
+tot het gevreesde voorwerp hem den rug gekeerd heeft, verhief een
+flauw vreugdegeschreeuw, toen de achterhoede de plaats verliet.
+
+Gedurende het gedruisch, dat den terugtocht der Tempeliers vergezelde,
+zag en hoorde Rebekka niets;--zij lag in de armen van haar ouden
+vader, verward en bijna bewusteloos door den plotselingen ommekeer
+van haar lot. Maar één woord van Izaäk riep eindelijk haar verwarde
+zinnen terug.
+
+"Laat ons gaan, mijne dierbare dochter," zei hij; "mijn herwonnen
+schat,--laat ons gaan, om ons aan de voeten van den goeden jongeling
+te werpen!"
+
+"Dat niet," antwoordde Rebekka, "o neen,--neen,--neen!--Ik durf op dit
+oogenblik niet met hem spreken.--Helaas! ik zou meer zeggen dan--neen,
+vader, laten wij dadelijk deze ongelukkige plaats verlaten!"
+
+"Maar, mijne dochter," zei Izaäk, "hem zóó te verlaten, die als een
+sterk man met speer en schild is opgetrokken, zijn leven voor niets
+achtende, zoo hij u maar uit de gevangenschap redde; en u, de dochter
+van een volk, dat vreemd voor hem en de zijnen is!--Dit is een dienst,
+die dankbaar moet erkend worden!"
+
+"Hij wordt zeer dankbaar,--zeer ootmoedig erkend,--en zal nog meer
+erkend worden;--maar thans niet;--ter liefde van uwe beminde Rachel,
+vader,--willig mijn verzoek in,--thans niet!"
+
+"Ja maar," zei Izaäk dringende,--"men zal ons voor ondankbaarder
+houden dan de stomme dieren."
+
+"Maar gij ziet, lieve vader, dat Koning Richard tegenwoordig is,
+en dat--"
+
+"Het is waar, mijne beste,--mijne verstandige Rebekka! laat ons van
+hier gaan;--laat ons van hier gaan!--Hij zal geld noodig hebben,
+want hij is pas uit Palestina teruggekeerd, en, gelijk men zegt,
+uit de gevangenis;--en zoo hij eenig voorwendsel noodig heeft het te
+vorderen, dan kan hij zulks vinden in mijn verkeer met zijn broeder
+Jan. Kom, kom, laat ons gaan!"
+
+Nu dreef hij zijne dochter op zijne beurt tot spoed aan, geleidde haar
+uit het strijdperk en bracht haar met een wagen, dien hij gereed had,
+veilig naar het huis van den Rabbijn Nathan.
+
+De Jodin, wier lot aller belangstelling op dien dag opgewekt had, zou
+niet aldus onopgemerkt hebben kunnen vertrekken, zoo niet de aandacht
+van het volk op den Zwarten Ridder gevestigd geweest ware. Men verhief
+thans luide kreten van: "Lang leve Richard Leeuwenhart! Weg met de
+overweldigers! Weg met de Tempeliers!"
+
+"In weerwil van deze schijnbare getrouwheid," zei Ivanhoe tot den Graaf
+van Essex, "was het een geluk, dat de Koning de voorzorg gebruikte u
+mede te brengen, edele Graaf, en zoo vele van uw getrouwe aanhangers!"
+
+De graaf antwoordde met een glimlach, het hoofd schuddende: "Dappere
+Ivanhoe, gij kent onzen heer zoo goed, en echter gelooft gij, dat hij
+eene zoo wijze voorzorg zou nemen? Ik trok naar York, daar ik gehoord
+had, dat Prins Jan aldaar eene partij verzamelde, toen ik Koning
+Richard ontmoette, als een ware dolende ridder hierheen rijdende,
+om het lot van den Tempelier en der Jodin met zijn arm alleen te
+beslissen. Ik vergezelde hem bijna tegen zijn wil met mijne bende."
+
+"En welke tijdingen zijn er van York, dappere Graaf?" vroeg
+Ivanhoe. "Zullen de rebellen ons daar tegenstand bieden?"
+
+"Niet meer dan de December-sneeuw aan de Juli-zon," antwoordde de
+Graaf; "zij gaan uit elkander, en niemand anders kwam als koerier om
+ons deze tijding te brengen, dan Prins Jan zelf!"
+
+"Die verrader! die ondankbare, onbeschaamde verrader!" riep
+Ivanhoe. "Heeft Richard hem niet in de gevangenis laten werpen?"
+
+"O!" hernam de Graaf, "hij heeft hem ontvangen, alsof ze elkander
+na eene jachtpartij ontmoet hadden; en op mij en onze gewapenden
+wijzende, zei Richard: "Gij ziet, broeder, ik heb eenige vertoornde
+mannen bij mij;--gij zult best doen naar onze moeder te gaan, haar
+mijne onderdanige groeten over te brengen, en bij haar te blijven
+tot de gemoederen bedaard zijn!""
+
+"En dit was alles, wat hij zei?" hervatte Ivanhoe. "Zou men niet
+zeggen, dat deze vorst juist door zijne goedertierenheid tot oproer
+uitnoodigt?"
+
+"Evenals men zeggen kan," hernam de graaf, "dat hij den dood
+uitnoodigt, die een strijd onderneemt met eene gevaarlijke wonde,
+welke nog niet geheeld is."
+
+"Ik vergeef u de scherts, graaf," zei Ivanhoe; "bedenk echter, dat
+ik slechts mijn eigen leven waagde;--maar Richard de welvaart van
+zijn koninkrijk."
+
+"Zij, die geheel zorgeloos zijn omtrent hun eigen welzijn," hernam
+de Graaf, "zijn zelden zeer bezorgd om dat van anderen.--Maar laten
+wij ons naar het kasteel spoeden, want Richard is van zin, om eenigen
+van de mindere deelgenooten der samenzwering te straffen, ofschoon
+hij hun aanvoerder vergiffenis geschonken heeft."
+
+Uit het gerechtelijke onderzoek, dat bij deze gelegenheid volgde,
+en hetwelk het Wardour Handschrift uitvoerig mededeelt, blijkt,
+dat Maurice De Bracy over zee ontsnapte en in dienst van Philips van
+Frankrijk ging; terwijl Philips De Malvoisin en zijn broeder Albert,
+Preceptor van Templestowe, ter dood gebracht werden, ofschoon Waldemar
+Fitzurse, de ziel der samenzwering, met verbanning vrij kwam, en
+Prins Jan, om wiens wille alles ondernomen werd, zelfs geen verwijt
+van zijn goedaardigen broeder ontving. Niemand betreurde evenwel
+het lot der beide Malvoisins, daar ze slechts den dood ondergingen,
+welken beiden door allerlei daden van trouweloosheid, wreedheid en
+onderdrukking ruimschoots verdiend hadden.
+
+Kort na het tweegevecht, werd Cedric de Sakser aan het Hof van Richard
+geroepen, die toen te York vertoefde, ten einde de graafschappen,
+welke door zijns broeders eerzucht verontrust waren, weder te
+bevredigen. Cedric schudde het hoofd, en zuchtte meer dan eens over
+de boodschap;--maar hij weigerde niet te gehoorzamen. Inderdaad
+had Richard's terugkomst alle hoop, die hij gekoesterd had om eene
+Saksische dynastie in Engeland te herstellen den bodem ingeslagen;
+want, welk voordeel ook de Saksers uit een burgeroorlog hadden kunnen
+trekken, het was duidelijk, dat niets van belang geschieden kon
+tegen het onbetwiste gezag van Richard, die wegens zijne persoonlijke
+hoedanigheden en zijn krijgsroem bij het volk bemind was; ofschoon
+zijne regeering willekeurig en zorgeloos was,--nu eens te toegevend
+en dan weder te nauw aan willekeur grenzende.
+
+Maar buitendien kon het Cedric niet ontgaan, dat zijn ontwerp voor
+een volkomene vereeniging der Saksers door het huwelijk van Rowena
+en Athelstane, nu geheel te niet gegaan was door de tegenkanting der
+beide daarin betrokken partijen. Dit was wezenlijk een voorval, hetwelk
+hij, bij zijn ijver voor de zaak der Saksers niet had kunnen voorzien;
+en zelfs toen beider ongenegenheid zich klaar en duidelijk geuit had,
+kon hij nauwelijks gelooven, dat twee Saksers van koninklijken stam
+zich om persoonlijke redenen tegen eene verbintenis verzetten zouden,
+welke voor het welzijn der natie hem zoo noodzakelijk scheen. Maar dit
+was toch zeker: Rowena had altijd haar afkeer van Athelstane te kennen
+gegeven, en thans was deze niet minder vast en stellig in zijn besluit,
+om geene aanspraak op de hand van Jonkvrouw Rowena te maken. Zelfs de
+aangeborene hardnekkigheid van Cedric bezweek onder deze hinderpalen,
+daar hij, op hunne vereeniging staande, zou verplicht geweest zijn aan
+iedere hand een onwilligen verloofde naar het altaar te sleepen. Hij
+deed echter nog een laatsten krachtdadigen aanval op Athelstane, en
+hij vond dien wedergeboren spruit der Saksische koningen, evenals
+de landedellieden onzer dagen, in een woedenden oorlog tegen de
+geestelijkheid gewikkeld.
+
+Het schijnt, dat na al zijne doodelijke bedreigingen tegen den Abt
+van St. Edmunds klooster, Athelstane's wraakzucht gedeeltelijk door
+zijne natuurlijke loomheid en goedaardigheid van karakter, gedeeltelijk
+door de beden van zijne moeder Edith, welke, gelijk de meeste vrouwen
+(van dien tijd), aan de geestelijke heeren verkleefd was, daarop
+was uitgeloopen, dat hij den Abt en zijne monniken gedurende drie
+dagen bij magere kost in de gevangenissen van Coningsburgh gehouden
+had. Voor deze wreedheid bedreigde de Abt hem met den ban, en maakte
+eene geduchte lijst van klachten op over pijn in de ingewanden en in de
+maag, welke hij zelf en zijne monniken, ten gevolge van de tirannieke
+en onrechtvaardige gevangenzetting, geleden hadden. Cedric vond het
+gemoed van zijn vriend zoo geheel en al vervuld met dezen twist en
+de middelen, welke hij bij de hand genomen had om de geestelijke
+vervolging te ontgaan, dat hij voor geen ander denkbeeld vatbaar
+was. En toen Rowena's naam genoemd werd, verzocht de edele Athelstane
+verlof om een vollen beker op hare gezondheid en op hare spoedige
+vereeniging met zijn neef Wilfrid te mogen ledigen. De zaak was
+dus wanhopig. Er was klaarblijkelijk niets meer met Athelstane te
+beginnen; of, zooals Wamba het uitdrukte in eene spreekwijze, welke
+van den tijd der Saksers tot op ons is gekomen, hij was "een haan,
+die niet vechten wilde."
+
+Cedric had nog slechts twee bezwaren tegen het huwelijk der minnenden
+te overwinnen;--zijne eigene hardnekkigheid en zijn afkeer tegen de
+Normandische dynastie. Het eerste week allengs voor de liefde jegens
+zijn pupil en den trots welken hij over den roem van zijn zoon
+gevoelde. Buitendien was hij niet ongevoelig voor de eer om zijn
+eigen stam met dien van Alfred te vereenigen, nu de afstammeling
+van Eduard den Belijder zijne hoogere aanspraken voor altijd had
+laten varen. Cedric's afkeer van den Normandischen koningsstam was
+ook zeer ondermijnd,--vooreerst, door de onmogelijkheid om Engeland
+van de nieuwe dynastie te bevrijden, eene overtuiging, welke veel
+afdoet om getrouwheid bij den onderdaan te verwekken; en ten tweede,
+door de persoonlijke ingenomenheid van Koning Richard met hem, die in
+het openhartig karakter van Cedric behagen schepte, en, om de woorden
+van het Wardour Handschrift te gebruiken, zoo met den edelen Sakser
+"omsprong," dat, eer hij zeven dagen als gast aan het Hof geweest was,
+hij zijne toestemming tot het huwelijk van zijn pupil Rowena met zijn
+zoon Wilfrid van Ivanhoe gegeven had.
+
+Het huwelijk van onzen held, dat dus plechtig door zijn vader
+goedgekeurd was, werd in dien heerlijken tempel, de hoofdkerk van
+York, voltrokken. De Koning was er zelf bij tegenwoordig, en door de
+wijze, waarop hij bij deze en andere gelegenheden de ongelukkige en
+tot hiertoe verachte Saksers behandelde, gaf hij hun een veiliger en
+zekerder vooruitzicht, dat ze hun billijke rechten zouden herkrijgen,
+dan ze ooit met eenige reden van de wisselvallige kansen van een
+burgeroorlog hadden kunnen verwachten. De kerk spreidde bij deze
+gelegenheid allen glans ten toon, welken de Roomsche geestelijkheid
+met zulk eene schitterende uitwerking weet te gebruiken.
+
+Gurth, prachtig uitgedoscht als schildknaap, vergezelde zijn jongen
+meester, dien hij zoo getrouw gediend had, evenals de edelmoedige
+Wamba, versierd met een nieuwe kap, en een menigte prachtige, zilveren
+bellen. Daar deze beiden in Wilfrid's gevaren en tegenspoed gedeeld
+hadden, zoo deelden ze ook, gelijk ze recht hadden te verwachten,
+in zijn geluk.
+
+Maar behalve door dit huiselijk gevolg, werd deze doorluchtige bruiloft
+vereerd door het bijzijn van vele edelgeboren Normandiërs zoowel
+als Saksers, waarbij zich het algemeen gejuich der mindere standen
+voegde, welke het huwelijk van deze twee personen als een onderpand van
+toekomstigen vrede en eensgezindheid tusschen twee stammen beschouwden,
+die sedert dien tijd zoo volkomen vereenigd zijn, dat het verschil
+tusschen beide onmerkbaar geworden is. Cedric beleefde de nauwere
+vereeniging tusschen de stammen; want, naarmate de twee volken in
+gezellig verkeer met elkander traden en huwelijken onder elkander
+sloten, vergaten ook de Normandiërs hunne minachting, en legden de
+Saksers hunne lompheid af.--Maar het was eerst onder de regeering
+van Eduard den Derde, dat de gemengde taal, welke thans Engelsch
+genoemd wordt, aan het hof te Londen gesproken werd, en de vijandige
+verhouding van Normandiër en Sakser geheel schijnt verdwenen te zijn.
+
+Het was op den tweeden morgen na deze gelukkige verbintenis, dat
+Rowena door haar kamenier Elgitha onderricht werd, dat een meisje
+begeerde tot haar toegelaten te worden, en haar zonder getuige te
+spreken. Rowena verwonderde zich, aarzelde, werd nieuwsgierig, en
+eindigde met bevel te geven, dat het meisje zou binnengelaten worden,
+en dat hare bedienden zoolang buiten de kamer zouden blijven.
+
+Ze trad binnen;--eene edele en fiere gestalte, terwijl de lange, witte
+sluier, in welken ze gewikkeld was, de aanvalligheid en het gebiedende
+van hare gestalte eerder overschaduwde dan bedekte. Hare houding was
+ook eerbiedig, zonder dat er de minste zweem van vrees, of eenige
+wensch om gunst te verwerven, in doorstraalde. Rowena was altijd
+gereed om de aanspraken van anderen te erkennen en haar deelneming
+in de gevoelens van anderen te betoonen. Ze stond op, en wilde de
+schoone vreemdelinge naar een stoel geleiden, maar de onbekende zag
+naar Elgitha, en gaf nog eenmaal haar wensch te kennen, om met Rowena
+alleen te spreken. Nauwelijks had Elgitha zich met dralende schreden
+verwijderd, of de schoone vreemdelinge knielde tot groote verbazing
+van de echtgenoote van Ivanhoe neder, drukte haar handen tegen haar
+voorhoofd, boog het hoofd tot op den grond, en kuste, in weerwil van
+Rowena's tegenstand, den geborduurden zoom van haar gewaad.
+
+"Wat beteekent dat?" riep de verbaasde jonge vrouw; "waarom betoont
+ge mij eene zoo ongewone vereering?"
+
+"Omdat ik aan u, de echtgenoote van Ivanhoe," antwoordde Rebekka,
+opstaande en weder met haar gewone bedaarde waardigheid, "op een
+rechtmatige en betamelijke wijze de dankbaarheid, welke ik aan
+Wilfrid van Ivanhoe verschuldigd ben, betoonen mag. Ik ben,--vergeef
+de stoutheid, waarmede ik u mijne hulde volgens de gebruiken van
+mijn stam bewezen heb,--ik ben de ongelukkige Jodin, voor wie uw
+echtgenoot zijn leven aan een zoo dreigend gevaar in het strijdperk
+van Templestowe blootstelde!"
+
+"Meisje," hervatte Rowena, "Wilfrid van Ivanhoe vergold op dien dag
+slechts in geringe mate uwe onvermoeide zorgen voor hem in ziekte en
+ellende. Spreek, is er nog iets, waarin hij en ik u dienen kunnen?"
+
+"Niets," hernam Rebekka bedaard, "dan dat ge hem een dankbaar vaarwel
+van mij overbrengt."
+
+"Verlaat ge Engeland dus?" vroeg Rowena, ter nauwernood van hare
+verbazing over dit zonderling bezoek hersteld.
+
+"Ik verlaat het land, eer de maan weêr verandert. Mijn vader heeft
+een broeder, die in hooge gunst staat bij Mohammed Boabdil, Koning
+van Grenada;--dáár gaan wij heen, zeker dat wij vrede en bescherming
+zullen genieten, tegen betaling van de schatting, welke de Muzelmannen
+van ons volk vorderen."
+
+"En wordt gij in Engeland niet even goed beschermd?" vroeg
+Rowena. "Mijn echtgenoot staat in gunst bij den Koning;--de Koning
+zelf is rechtvaardig en edelmoedig."
+
+"Edele vrouw," zei Rebekka, "ik twijfel er niet aan;--maar het volk
+van Engeland is een woest geslacht, dat altijd met zijne buren of
+onder elkander twist, en gereed is om het zwaard in zijns naasten hart
+te stooten. Ephraïm is een moedelooze duif,--Issaschar een gedrukte
+slaaf, die tusschen twee lasten gebukt gaat. Niet in een land van
+oorlog en bloed, omringd door vijandelijke naburen, en verscheurd
+door binnenlandsche partijen, kan Israël hopen van zijne omzwerving
+uit te rusten."
+
+"Maar gij, meisje," zei Rowena, "gij kunt toch niets te vreezen
+hebben. Zij, die Ivanhoe aan zijn ziekbed opgepast heeft," ging
+zij voort, met geestvervoering opstaande, "kan in Engeland niets te
+vreezen hebben, waar Sakser en Normandiër wedijveren zullen, wie haar
+de meeste eer zal bewijzen."
+
+"Uw woorden zijn edel," hernam Rebekka, "en uw voornemen nog schooner;
+maar het kan niet zijn;--er is een kloof tusschen ons. Onze opvoeding,
+ons geloof, beide verbieden ons om die te overschrijden. Vaarwel;--maar
+eer ik ga, sta mij één verzoek toe. De bruidssluier hangt nog over
+uw gelaat; licht dien op, en laat mij de trekken zien, welke zoo
+geroemd worden!"
+
+"Ze zijn nauwelijks bezienswaardig," antwoordde Rowena; "maar van
+mijne bezoekster hetzelfde verwachtende, licht ik den sluier op."
+
+Zij sloeg den sluier terug, en gedeeltelijk uit de bewustheid
+van hare schoonheid, gedeeltelijk uit bedeesdheid, bloosde zij zoo
+sterk, dat hare wangen, haar voorhoofd, haar hals en haar boezem met
+karmozijn bedekt werden. Rebekka bloosde ook, maar het was slechts een
+voorbijgaande opwelling; en daar zij door dieper gevoel bezield was,
+lag de blos slechts één oogenblik op haar gelaat, als de purperroode
+wolk, die van kleur verandert, als de zon onder den gezichteinder
+daalt.
+
+"Edele dame," zei ze, "het gelaat, dat gij u verwaardigd hebt, mij te
+toonen, zal lang in mijn geheugen blijven. Er heerscht vriendelijkheid
+en goedheid in; en als een zweem van wereldschen hoogmoed of ijdelheid
+zich op een zoo liefelijk gezicht vertoont, hoe zou men datgene,
+wat van de aarde komt, berispen, omdat het eenig teeken van zijn
+oorsprong draagt? Lang, lang zal ik aan uwe trekken denken, en God
+zegenen, dat ik mijn verlosser verlaat, vereenigd met,--" zij zweeg
+eensklaps;--haar oogen vulden zich met tranen, die zij echter schielijk
+afdroogde, en op de angstige vragen van Rowena antwoordende, zei ze:
+"Ik ben wel,--zeer wel. Maar mijn hart loopt over, wanneer ik aan
+Torquilstone en aan het strijdperk van Templestowe denk.--Vaarwel! Het
+geringste gedeelte van mijne schuld is nog maar voldaan. Neem dit
+kistje aan,--en verwonder u niet over den inhoud!"
+
+Rowena opende het kleine met zilver beslagen kistje, en zag een
+halssnoer en oorringen van diamanten, welke, zooals men zien kon,
+van onschatbare waarde waren.
+
+"Het is onmogelijk," zei ze, het kistje teruggevende, "ik mag een
+geschenk van zoo groote waarde niet aannemen."
+
+"O, neem het maar!" antwoordde Rebekka.--"Gij bezit macht, rang,
+gezag en invloed; wij rijkdom, de bron evenzeer van onze kracht als
+van onze zwakheid. De waarde van dezen tooi, tienmaal vermenigvuldigd,
+zou niet half zoo veel macht hebben als uw geringste wensch. Voor
+u is dus het geschenk van geringe waarde, en voor mij is hetgeen,
+waarvan ik mij ontdoe, van nog veel minder belang. Laat mij niet
+denken, dat gij zulke lage gedachten van mijne natie koestert als
+de groote hoop. Denkt gij, dat ik deze schitterende steenen boven
+mijn vrijheid acht? of dat mijn vader ze in de weegschaal legt tegen
+de eer van zijn eenig kind? Neem ze aan; voor mij zijn ze van geene
+waarde. Ik zal nooit weder juweelen dragen!"
+
+"Gij zijt dus ongelukkig," zei Rowena, getroffen door den toon, waarop
+Rebekka deze laatste woorden uitsprak; "o, blijf dan bij ons;--de
+raad van heilige mannen zal u van uw verkeerd geloof afbrengen,
+en ik zal eene zuster voor u zijn!"
+
+"Neen!" antwoordde Rebekka, met dezelfde onderwerping en
+zwaarmoedigheid in haar zachte stem en op haar schoone trekken.--"Dat
+kan niet zijn! Ik kan en mag het geloof mijner vaderen niet afleggen,
+als een kleed, dat niet past voor de luchtstreek, waarin wij wonen,
+en ongelukkig zal ik niet zijn, edele vrouw. Hij, wien ik mijn overige
+levensdagen toewijd, zal mijn trooster zijn, zoo ik Zijn wil doe!"
+
+"Hebt gij dan kloosters, in een van welke gij u begeven wilt?" vroeg
+Rowena.
+
+"Neen," antwoordde de Jodin; "maar er zijn, sedert Abraham tot op onze
+tijden toe, onder ons volk vrouwen geweest, die hare gedachten aan den
+Hemel, en hare daden aan werken van liefdadigheid toegewijd hebben;
+welke de zieken oppassen, de hongerigen voeden en de ongelukkigen
+ondersteunen. Onder deze vrouwen zal Rebekka opgenomen worden. Zeg
+dit aan uw gemaal, zoo hij naar het lot van haar vraagt, wier leven
+hij gered heeft!"
+
+Er was eene onwillekeurige aandoening in Rebekka's stem en eene
+teederheid van uitdrukking, welke misschien meer verried, dan zij
+gaarne zou te kennen gegeven hebben. Zij haastte zich om Rowena
+vaarwel te zeggen.
+
+"Vaarwel!" zei ze. "Moge Hij, die Jood en Christen geschapen heeft,
+zijne uitgelezenste zegeningen op u uitstorten! De boot, die ons van
+hier brengen moet, zal onder zeil zijn, eer wij de haven bereiken
+kunnen!"
+
+Zij verdween uit het vertrek, en liet Rowena verbaasd staan, alsof
+hetgeen zij gezien had eene geestverschijning geweest ware. De schoone
+jonge vrouw verhaalde het zonderlinge gesprek aan haar echtgenoot,
+op wiens gemoed het diepen indruk maakte. Hij leefde lang en gelukkig
+met Rowena, want ze waren aan elkander verknocht door de banden
+van jeugdige liefde, en zij beminden elkander te vuriger wegens de
+herinnering aan de hinderpalen, welke hunne vereeniging in den weg
+hadden gestaan. Evenwel zou het moeielijk te beslissen zijn, of de
+herinnering aan Rebekka's schoonheid en grootmoedigheid Ivanhoe niet
+al te dikwijls in de gedachte kwam, dan dat de schoone afstammeling
+van Alfred het goedgekeurd zou hebben.
+
+Ivanhoe muntte in den dienst van Richard uit, en verwierf verdere
+bewijzen van de koninklijke gunst. Hij had nog hooger kunnen klimmen,
+zonder den ontijdigen dood van den heldhaftigen Richard Leeuwenhart,
+voor het kasteel Chaluz bij Limoges. Met het leven van dezen
+edelmoedigen, maar onbezonnen en romanesken Vorst vervielen ook al de
+ontwerpen, welke zijne eerzucht en edelmoedigheid gesmeed hadden, en
+op hem kunnen met een geringe verandering de regels toegepast worden,
+welke Johnson op Karel XII van Zweden geschreven heeft:
+
+
+ "Getroffen door den pijl eens mans van lagen stand,
+ Nabij een kleine veste aan ver verwijderd strand,
+ Biedt ons zijn naam, die door de wereld schrik verspreidde,
+ Ruim stof tot leering aan, en tot verdichting beide."
+
+
+
+
+
+NOTEN VAN DEN SCHRIJVER. [39]
+
+
+Noot A., Bladz. 7: _Over het verminken der honden._
+
+De jachtwetten, in deze tijden van onderdrukking, gaven tot zeer
+gevoelige grieven aanleiding. Deze harde wetten waren een gevolg
+van de Normandische verovering, want de Saksische jachtwetten waren
+vrijzinnig en menschlievend, terwijl die door Willem ingevoerd, die
+met de jacht dweepte en alle jachtrechten streng handhaafde, in alle
+opzichten tyranniek waren. De planting, of liever de inrichting van
+het _New Forest_ (in Hampshire,) getuigt van zijn liefde tot de jacht,
+daar menig schoon dorp verwoest werd, om het jachtgebied te vergrooten.
+
+Het verminken der herdershonden, om ze te verhinderen het grof wild
+na te loopen, noemde men _lawing_, en was in algemeen gebruik.
+
+Het reglement voor het behoud van het _New Forest_ bepaalt, dat het
+onderzoek, of de bezichtiging der honden tot dit doel, om het derde
+jaar plaats zal hebben door gekwalificeerde personen, en niet anders,
+en dat diegenen wiens honden niet behoorlijk aan de pooten verminkt
+zijn, een geldboete van drie _shillings_ betalen zullen, maar dat,
+voor het vervolg, niemands os wegens het overtreden van dezen regel
+in beslag zal genomen worden. Het verminken zal op de gebruikelijke
+wijze moeten geschieden, dat is, drie klauwen aan den buitenkant van
+den rechtervoorpoot zullen afgesneden worden.
+
+Men zie verder over dit onderwerp "Een Historische Verhandeling"
+over de _Magna Charta_ van Koning Jan, door Richard Thomson.--
+
+
+Noot B., Bladz. 14: _Over de Negerslaven._
+
+Eenige strenge beoordeelaren hebben geklaagd over de kleur van Brian De
+Bois-Guilbert's slaven, als geheel en al in strijd met den tijd en met
+de waarschijnlijkheid. Ik herinner mij, dat men dezelfde zwarigheden
+maakte tegen eenige zwarte dienaren, welke mijn vriend de schrijver
+Mathew Lewis laat optreden, als wachters en onheilstichtende trawanten
+van den boosaardigen Baron in zijn "_Spook van het Kasteel_." Lewis
+behandelde deze afkeuring met de meeste minachting, en beweerde, dat
+hij de slaven zwart gemaakt had, ten einde een treffend contrast te
+krijgen, en als hij dezelfde uitwerking had kunnen verkrijgen door
+zijn heldin blauw te maken, hij haar ook blauw zou voorgesteld hebben.
+
+Ik eisch niet dat men de _licentia poetica_ zóó ver gedreven, goed
+zou keuren; maar ik kan toch niet toegeven, dat de schrijver van
+een modern-antieken roman verplicht is zich stiptelijk te bepalen
+tot de schildering alleen van die gebruiken, welke als bewezen
+aangenomen worden voor de tijden die hij schetst--als hij zich maar
+tot de natuurlijke en waarschijnlijke bepaalt en geen anachronismen
+begaat die hinderlijk zijn.--Uit dit oogpunt beschouwd, wat zou er dan
+natuurlijker zijn, dan dat de Tempeliers,--die, zooals wij wel weten,
+de weelderigheid der Aziatische krijgslieden, met wie ze kampten,
+navolgden,--de diensten zouden gebruiken der Afrikaansche slaven,
+welke de wisselvalligheden van den oorlog in hun handen leverden? Ik
+ben overtuigd, dat als er geen bepaalde bewijzen hiervoor bestaan,
+er toch aan den anderen kant niets gevonden wordt om ons te doen
+besluiten, dat zulks in het geheel niet gebeurde. Bovendien vindt
+men er een voorbeeld van in de romances uit dien tijd.
+
+Jean De Rampayne, een uitstekende goochelaar en minnezanger, ondernam
+om Audolf De Bracy te helpen ontvluchten, door zich verkleed te begeven
+aan het hof van den Koning, door wien hij gevangen werd gehouden. Tot
+dit doel "verwde hij zijn haar en zijn geheele lichaam pikzwart, zoodat
+er niets wits aan hem te zien was, dan zijn tanden," en bracht den
+koning dus in het denkbeeld dat hij een Ethiopische zanger was. Door
+deze list gelukte het hem den gevangene te bevrijden. De Negers moeten
+dus reeds in zeer vroege tijden in Engeland bekend geweest zijn. [40]
+
+
+Noot C., Bladz. 45: _Over de taal der jagers_.
+
+De jachttaal werd door de Normandiërs streng afgescheiden van die van
+het dagelijksch leven. Het wild, hetzij vogel of viervoetig dier,
+veranderde elk jaar van naam en er waren honderderlei bijzondere
+spreekwijzen, welker kennis een gedeelte eener goede opvoeding
+uitmaakte. Er bestaat een boek door Juliana Berners over dat onderwerp
+geschreven. De oorsprong dezer wetenschap werd aan den beroemden ridder
+Tristram toegeschreven, bekend wegens zijn liefde tot de ongelukkige
+Ysolte. Daar de Normandiërs het vermaak van de jacht voor zich zelven
+alleen behielden, is het natuurlijk dat deze jachttaal geheel uit
+het Fransch ontstaan is.
+
+
+Noot D., Bladz. 175: _Over de minnezangers_.
+
+Het is bekend, dat oudtijds Frankrijk, wat de taal betreft, in het land
+van _Oui_ en het land van _Oc_ verdeeld werd; men noemde de zangers
+in de eerste taal _Menestrels_ en hun liederen _Lais_; in de andere
+taal heetten zij _Troubadours_ en hun gedichten werden _Sirventes_
+genoemd. Richard, een bekende bewonderaar der zangkunst, kon òf een
+_Lai_ òf een _Sirvente_ voordragen. Het is minder waarschijnlijk,
+dat hij een Engelsche ballade dichten of voordragen kon; evenwel zal
+de wensch, welke den schrijver bezielde, om Leeuwenhart geheel en
+al te vereenzelvigen met de krijgslieden, die hij aanvoerde, deze
+anachronisme, indien ze bestaat, gereedelijk doen vergeven.
+
+
+Noot E., Bladz. 210: _Over den slag van Stamford_.
+
+De schrijver moet bekennen, een grove topographische vergissing
+gemaakt te hebben, in de noot aan den voet van bladz. 210, door te
+veel op zijn geheugen te vertrouwen en twee plaatsen van denzelfden
+naam met elkander te verwarren. Het plaatsje Stamford, Strengford, of
+Stanford, waar de slag voorviel, is aan de rivier Derwent, ongeveer
+zeven Eng. mijlen van York gelegen. De vergissing van den schrijver
+werd hem beleefdelijk aangewezen door den Heer Robert Bell. De slag,
+welks gebeurtenissen overigens nauwkeurig verhaald zijn in den tekst
+en de noot er onder, had plaats in het jaar 1066.--
+
+
+Noot F., Bladz. 220: _Over de rijen ijzeren staven, boven de gloeiende
+houtskool_.
+
+Deze verschrikkelijke marteling zal den lezer herinneren aan de
+wreedheid door de Spanjaarden op Guatimozin uitgeoefend, om hem te
+dwingen zijn verborgene schatten te ontdekken. Maar een voorbeeld
+van dergelijke barbaarschheid wordt in Engeland zelf gevonden, in
+den tijd van Koningin Maria; en Bannatyne, de secretaris van Knox,
+verhaalt breedvoerig een dergelijke marteling door den Graaf van
+Cassilis op zekeren Allan Stewart uitgeoefend, die een koninklijke
+schenking van kerkelijke landerijen gekregen had, waarop de Graaf
+zich verbeeldde een beter recht te hebben.
+
+Het blijkt ook uit papieren in het bezit van den Schrijver, dat de
+grenswachters (_Country Keepers_) tusschen Engeland en Schotland,
+gewoon waren de gevangenen te martelen, door hen aan de ijzeren
+staven hunner schoorsteenen vast te binden, om hun een bekentenis
+hunner misdaden af te dwingen.
+
+
+Noot G., Bladz. 297: _Het Wapen van den Zwarten Ridder_.
+
+Men heeft den Schrijver verweten, dat hij zich vergist had, door
+metaal op metaal in dit wapenschild te plaatsen. Men moet echter
+niet vergeten, dat de wapenkunde eerst in de Kruistochten ontstaan
+is, en dat al de _minutiae_ van deze fantastische wetenschap slechts
+langzamerhand en veel later ingevoerd werden. Hij, die anders hierover
+denkt, moet zich verbeelden, dat de Godin der wapenkundigen in de
+wereld kwam van top tot teen met de bonte sieraden der wetenschap,
+welke zij beschermt, behangen. Ter bevestiging van het gezegde dient,
+dat Godfried van Bouillon, na de verovering van Jeruzalem, een wapen
+voerde, waarin ook metaal op metaal prijkte. Men zie hierover Ferne's
+_Blazon of the Gentry_, Ed. 1586, p. 238, en Nisbets _Heraldry_
+2e Ed. dl. 1 p. 113.
+
+
+Noot H., Bladz. 330: _Over Ulrica's lied._
+
+De oudheidkundige zal duidelijk begrijpen, dat deze verzen navolging
+zijn van de oude poëzie der _Skalden_, de zangers der Scandinaviërs.
+
+De poëzie der Angel-Saksers, na hun beschaving en godsdienstige
+bekeering was van een geheel anderen, zachteren aard; maar in de
+omstandigheden van Ulrica, is het niet onnatuurlijk te veronderstellen,
+dat zij zich de woeste zangen herinnerde, welke haar voorouders
+bezielden in den tijd van het Heidendom en van hun onverminderde
+woestheid.
+
+
+Noot I., Bladz. 345: _Over Richard Leeuwenhart._
+
+Deze vechtpartij tusschen Richard en den vroolijken priester is niet
+strijdig met zijn karakter, als hij in de romances goed begrepen
+wordt. In een zeer merkwaardige romance over zijn avonturen in het
+Heilige Land wordt een dergelijke gebeurtenis, die gedurende zijn
+gevangenschap in Duitschland voorviel, vermeld. Zie Ellis, _Specimens
+of English Romances.--Coeur-de-Lion._
+
+
+Noot K., Bladz. 357: _Over de verloopen Priesters._
+
+Het is merkwaardig te zien, dat in alle maatschappijen eenige
+soort van geestelijke troost gezocht wordt, door die menschen, die
+zich tot doelen vereenigen, welke lijnrecht in strijd zijn met den
+godsdienst. Een bende bedelaars heeft hun _Patrico_, en de roovers
+der Apenijnen hebben personen bij zich, welke de rol van priesters
+en monniken vervullen. Het is ontegenzeggelijk, dat zulke eerwaarde
+heeren hun zeden en gebruiken wijzigden naar hun omgeving, en zoo zij
+wel eens geëerbiedigd werden wegens hun geestelijke gaven, werden zij
+toch meestal ook onbarmhartig bespot, als volstrekt in tegenstelling
+met alles, waarmede zij omgingen.
+
+Een der vroegere bisschoppen van Durham heeft een geschrift
+uitgevaardigd tegen zulke verloopen priesters, die zich met de roovers
+vereenigd hadden op de grenzen van Engeland en Schotland.
+
+
+
+
+
+VOETNOTEN
+
+
+[1] Men zie noot A, aan het einde van het werk.--Schrijver.
+
+[2] Knecht van Odysseus. (Od. XIV).--t. B.
+
+[3] Zie noot B. over de negerslaven.--Schrijver.
+
+[4] Het oorspronkelijke heeft _Cnichts_, met welk woord de Saksers
+een soort van krijgshaftige dienaren schijnen aangeduid te hebben,
+soms vrijen en somtijds lijfeigenen, maar altijd hooger in rang
+dan de gewone bedienden, hetzij in het koninklijke huis of in dat
+der _Aldermans_ en _Thanes_. Maar het woord _Cnicht_, hetwelk nu
+_Knight_ geschreven wordt, in de Engelsche taal opgenomen zijnde,
+in dezelfde beteekenis als het Normandische _Chevalier_, (Ridder),
+heb ik het niet hier willen gebruiken.
+
+[5] Dit waren dranken bij de Saksers in gebruik, zooals de heer Turner
+ons leert. _Morat_ was uit honig gemaakt met moerbeziënsap; _Pigment_
+was een zoete en sterke drank, uit gekruiden wijn en ook met honig
+zoet gemaakt. De andere dranken behoeven geene verklaring.--Schrijver.
+
+[6] Een drank uit appels, suiker en bier, zonder hop er in,
+samengesteld. Wassail, van Wachse heil!--de aloude uitdrukking bij
+een feestdronk. Zie Drake's Shakespeare, I, 127, 199 en 254. M. P. L.
+
+[7] Zie noot C, over de Jacht.--Schrijver.
+
+[8] In die dagen waren de Joden onderworpen aan een Schatmeester,
+bijzonder tot dit ambt benoemd, die verbazende sommen van hen
+afperste.--Schrijver.
+
+[9] Knecht van Odysseus, zie bladz. 10.--t. B.
+
+[10] Walter Scott gebruikt dezen term enkel voor het gemak van zijn
+lezer.--t. B.
+
+[11] Deze soort van maskerade gaf aanleiding, naar men veronderstelt,
+tot de invoering der schilddragers, aan weerskanten van een
+wapenschild.--Schrijver.
+
+[12] Door ongeluk doodde Walter Tyrrel met een pijl, op de jacht,
+Willem II, zoon van den Veroveraar.--M. P. L.
+
+[13] Deze regels zijn uit een nog onuitgegeven gedicht van Coleridge,
+wiens Muze ons zoo dikwerf plaagt met fragmenten, welke haar groote
+gaven verkondigen, terwijl de wijze waarop zij ze ons toewerpt van
+haar grillen getuigt. Evenwel vertoonen deze ruwe schetsen meer talent,
+dan de uitvoerigste meesterstukken van vele anderen.--Schrijver.
+
+[14] Oud Fransch: overmoed, onbeschaamdheid.--Schrijver.
+
+[15] Een oude volksnaam voor de struikroovers.--M. P. L.
+
+[16] Beau Séant was de naam van de banier der Tempeliers, die half
+zwart, half wit was, om aan te duiden, gelijk men zegt, dat ze eerlijk
+en goed gezind waren jegens Christenen, maar zwart en vreeselijk voor
+de ongeloovigen!--Schrijver.
+
+[17] Er werd bij de Saksers niets voor zoo schandelijk gehouden,
+als dezen scheldnaam te verdienen. Zelfs Willem de Veroveraar, hoe
+gehaat hij bij hen was, kreeg een groot aantal Angel-Saksers onder
+zijn vaandels, door hen, die te huis wilden blijven, als Nidderings
+te brandmerken. Bartholinus maakt, gelijk ik meen, van een soortgelijk
+woord melding, dat dezelfde uitwerking op de Denen had.--Schrijver.
+
+[18] Zie noot D, over de Minnezangers.
+
+[19] Het zal niet ongepast zijn, den lezer te herinneren, dat het koor
+van "Derrydown," verondersteld wordt zoo oud te zijn, niet slechts
+als de tijd der zeven koninkrijken, maar als die der Druïden; en
+men wil, dat dit het koor was van de geestelijke lofzangen, welke
+deze eerwaardige personen verhieven, als zij in het bosch gingen,
+om kruiden te zoeken.
+
+Schrijver.
+
+[20] Een na-avondmaal was een nachtmaaltijd, en beteekende soms een
+gastmaal op een laat uur gegeven, nadat het eigenlijk avondeten reeds
+gedaan was.
+
+Schrijver.
+
+[21] Dicht bij Stamford werd, in 1066, de bloedige slag geleverd, in
+welken Harald zijn oproerigen broeder Tosti en de Noorwegers versloeg,
+slechts weinige dagen voor zijn eigen val bij Hastings. De brug over
+de rivier Welland werd woedend betwist. Een Noorweger verdedigde die
+lang alleen, en werd eindelijk door een speer getroffen, welke uit
+een boot van onder de brug door de planken gestoken werd. Spencer
+en Drayton maken beide toespeling op de voorspellingen, omtrent de
+noodlottige Welland in omloop.
+
+"Waardoor die ongeluksstroom veel vrees en ontzag verkreeg." Zie
+verder noot E.
+
+Schrijver.
+
+[22] Zie noot F.
+
+[23] Henry's Geschied. uitg. 1805; vol. VII p. 346.--Schrijver.
+
+[24] Ik wenschte, dat de Prior hen ook onderricht had, wanneer Niobe
+heilig gesproken is. Waarschijnlijk gedurende dat verlichte tijdvak,
+toen: "Pan aan Mozes zijn herdersfluitje leende."--Schrijver.
+
+[25] Aêolluôn, de verderver. _Openbaringen_ IX 11.--t. B.
+
+[26] Zie noot G.--over dit wapen.
+
+[27] Ieder Gothisch kasteel en elke stad had, behalve de
+buitenwallen, een bevestiging van palissaden, Barrière genoemd,
+welke dikwijls het tooneel was van bloedige schermutselingen, daar
+ze natuurlijk moest ingenomen worden, eer men bij de wallen zelve
+komen kon. Verscheidene dier heldendaden van dapperheid, welke de
+kronijken van Froissart versieren, vielen voor bij de Barrières van
+belegerde plaatsen.--Schrijver.
+
+[28] De schrijver verbeeldt zich, dat deze plaats een navolging
+is van de verschijning van Philidaspes voor de goddelijke Mandane,
+gedurende den brand der stad Babylon, als hij voorstelt haar uit de
+vlammen te redden. Maar deze diefstal zou te zwaar bestraft worden
+door de moeite van het oorspronkelijke te moeten opzoeken in de
+eindelooze en vervelende deelen van den "Groote Cyrus."--Schrijver.
+
+Le grand Cyrus was een beroemde heroïsche roman van Melle. Madeleine
+de Scudéry geschreven 1649-53.--t. B.
+
+[29] Zie noot H. over Ulrica's sterflied.--Schrijver.
+
+[30] De noten op den horen werden eertijds mots genoemd, en worden
+onderscheiden in de oude verhandelingen over de jacht, niet door
+muzikale teekens, maar door geschreven woorden.--Schrijver.
+
+[31] Zie noot I, over Richard Leeuwenhart.--Schrijver.
+
+[32] Zie noot K.--Schrijver.
+
+[33] Reginald Fitzurse, William de Tracy, Hugo de Morville en
+Richard Brito waren de edellieden van het hof van Hendrik den Tweede,
+welke, aangezet door eenige driftige uitdrukkingen van hun vorst,
+den beroemden Thomas-à-Becket vermoordden.
+
+[34] De stichtingen der Tempeliers heetten Preceptorijen, en de
+titel van den opperste der Orde was Preceptor, terwijl de voornaamste
+ridders van St. Jan Commandeurs en hunne huizen Commanderijen genoemd
+werden. Maar deze benamingen werden, naar het schijnt, somtijds
+verwisseld.--W. S.
+
+[35] In de regels der Tempeliers wordt deze spreuk telkens, in
+verschillende bewoordingen herhaald, en komt in bijna elk hoofdstuk
+voor, alsof ze de leus ware van de Orde: dit zal verklaren waarom de
+Grootmeester zóó dikwerf er gebruik van maakt.--W. S.
+
+[36] Zie het XIIIde hoofdstuk van Leviticus.
+
+[37] De lezer wordt verwezen op de regels der Vrome Krijgsbroederschap
+van den Tempel, welke voorkomen in de werken van St. Bernardus.--W. S.
+
+[38] De opstanding van Athelstane is zeer gegispt geworden, als
+een te groote inbreuk op de waarschijnlijkheid, zelfs in een werk
+van fantastischen aard. Het is ook een _tour de force_, waartoe de
+schrijver verplicht was toevlucht te nemen, op het dringend aanzoek
+van zijn vriend en uitgever, die er ontroostbaar over was, dat de
+Sakser ten grave moest dalen.--W. S.
+
+[39] Deze Noten van den Schrijver, zijn bij de eerste Nederduitsche
+Vertaling van Ivanhoe weggebleven. Ik heb gemeend ze te moeten
+overbrengen, omdat men als Vertaler verplicht is, het oorspronkelijke
+zoo getrouw mogelijk te volgen. De lezer kan ze meestal gerust
+overslaan, en zich dus een verveling te meer in zijn leven
+besparen;--de eenige vrijheid, welke ik mij bij de vertaling der
+Noten veroorloofd heb, is om hier en daar hetgeen alleen voor den
+Engelschen lezer van belang kon zijn, weg te laten.
+
+[40] Ritson's Dissertatie over de romances en minnezangers, vóór zijn
+verzameling van "Ancient metrical Romances". Pag. 187.--
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Ivanhoe, by Walter Scott
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IVANHOE ***
+
+***** This file should be named 26564-8.txt or 26564-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/6/5/6/26564/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.