diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:29:45 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:29:45 -0700 |
| commit | 14a015f297ac0d6ce4882bee26c8ff1848880746 (patch) | |
| tree | 8b175291477657021177017d56c9be7ee6eb8af4 /26564-8.txt | |
Diffstat (limited to '26564-8.txt')
| -rw-r--r-- | 26564-8.txt | 21237 |
1 files changed, 21237 insertions, 0 deletions
diff --git a/26564-8.txt b/26564-8.txt new file mode 100644 index 0000000..190940a --- /dev/null +++ b/26564-8.txt @@ -0,0 +1,21237 @@ +The Project Gutenberg EBook of Ivanhoe, by Walter Scott + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Ivanhoe + +Author: Walter Scott + +Editor: Jan ten Brink + +Translator: Mark Prager Lindo + +Release Date: September 9, 2008 [EBook #26564] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IVANHOE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Nieuwe Geïllustreerde Uitgave. + + Meesterwerken van + + Sir Walter Scott. + + Ivanhoe. + + + Met gebruikmaking van de voortreffelijke vertaling + + Van + + Dr. M. P. Lindo. + + Herzien en ingeleid + + Door + + Dr Jan ten Brink. + + + Rotterdam.--D. Bolle. + + + + + +INLEIDING. + + +Dat een meesterstuk van Sir Walter Scott opnieuw in het Nederlandsch +wordt uitgegeven, schijnt mij een heugelijk teeken des tijds. Het +eigenaardig kenmerk der laatste jaren dezer eeuw--de steeds toenemende +dorst naar wijziging van het bestaande, naar het nog nooit vertoonde, +naar heropwekking van het reeds verouderde--heeft in de anders zoo +rustige republiek der letteren reeds onheils genoeg gebrouwen. De +herinnering aan een fraai letterkundig kunstwerk, voor driekwart +eeuw in het licht verschenen, doet nu bijna de uitwerking van een +heilzaam geneesmiddel. Van harte gaarne verleende ik mijne hulp bij +deze hernieuwde uitgaaf van den _Ivanhoe_ in onze taal. + +Kunstenaars als Walter Scott laten een diepen indruk na op tijdgenoot +en nageslacht. De _historische roman_ in proza--als men pleegt te +spreken--werd door hem in het leven geroepen, en vond bijval in geheel +Europa. In Frankrijk, Duitschland, Nederland en Engeland staat na +Walter Scott een heirleger van historische romanschrijvers op. + +Het gaat evenwel niet aan den grooten Schotsen verteller voor +den schepper van een nieuw letterkundig genre te houden. Epische +behandeling van historische stof is zoo oud als de beschaving. Het +heldendicht is in zijn gebonden vorm, reeds een soort van historischen +roman. Geschiedschrijvers als Thucydides en Xenophon, chroniqueurs als +Ville-Hardouin en Froissart, maken door den levendigen dramatischen +vorm van het verhaal, door de ingevlochten redevoeringen der +aanvoerders, denzelfden indruk, als de historische-romanschrijvers uit +de school van Walter Scott. Men zou kunnen beweren, dat de historische +roman reeds in de XVIIe eeuw heeft bestaan, daar Mlle Madeleine de +Scudéry in 1649 haar grooten heroïschen roman, _Le grand Cyrus_, +begon, op welk boek Sir Walter Scott een beroep doet in het 31ste +hoofdstuk van zijn _Ivanhoe_. + +Het ongemeene, het nieuwe in zijne _Waverley-Novels_ is, dat hij, +_voor het eerst_ met wetenschappelijken ijver voor historie en +archaeologie bezield, zich de taak oplegt een vervlogen tijdvak te +doen herleven met al de kleuren van het oogenblik, met geschiedkundige +juistheid van kostuum, architectuur, huisraad, zeden en gebruiken, +maar vooral met historische juistheid in de voorstelling van +karakters en denkbeelden, die in het gekozen tijdvak de maatschappij +beheerschten. In dit opzicht schiep hij iets nieuws, en bezielde +eene groote menigte van navolgers. In Engeland kwam Lord Lytton +hem het dichtst nabij, in Frankrijk Alfred de Vigny en Victor Hugo +(_Nôtre-Dame_, en _Quatrevingt-Treize_), in Duitschland Felix Dahn, +George Ebers en Robert Hamerling, ten onzent mevrouw Bosboom-Toussaint, +Mr. J. van Lennep, J. F. Oltmans en H. J. Schimmel. Denkt men bij de +lezing van _Ivanhoe_ aan de beide laatsten, dan schijnt bij Oltmans +de belegering van Loevestein eene verre navolging te leveren der +belegering van Torquilstone, den geduchten burcht van Front-de-Boeuf, +en bij Schimmel de heks op den toren van het Stichtsche kasteel aan +het slot der eerste afdeeling van _Sinjeur Semeyns_, eenigermate te +herinneren aan Ulrica, de Saksische heks, op de torens van Torquilstone +luid juichend over den door haar gestichten brand. + +Walter Scott voltooide zijn _Ivanhoe_ in 1819, tijdens zijn 48ste +levensjaar, terwijl hij aan een sleepende ongesteldheid leed, en +een groot deel van dezen roman moest dicteeren. In Engeland overtrof +de bijval, aan _Ivanhoe_ geschonken, al wat vroeger tot lof zijner +voorafgaande kunstwerken gezegd was. Van de eerste editie, een +prachtuitgaaf met vele illustratiën, die meer dan een pond sterling +kostte, werden in zeer korten tijd 12000 exemplaren verkocht. (Zie +Dr. Felix Eberty, _Walter Scott, Ein Lebensbild_. (1860) I. 343). + +Sedert 1819 tot heden is van de _Waverley-Novels_, van den _Ivanhoe_, +een niet te tellen aantal drukken verschenen. Amerikaansche nadrukken +voor 20 Amerikaansche centen, of Engelsche uitgaven voor een sixpence +het deel, hebben Walter Scott toegang gegeven tot de onaanzienlijkste +woningen--hij heeft in de beide halfronden ettelijken millioenen +lezers het hart veroverd. + +De _Ivanhoe_ is zeer zeker eene zijner gelukkigste scheppingen. De stof +is bij uitstek geschikt tot eene episch-dichterlijke behandeling. Het +eind der XIIe eeuw in Engeland, tijdens de afwezigheid van den +ridderkoning Richard Leeuwenhart, die ter kruisvaart is getogen, +en heimelijk terugkeert--tijdens de samenzwering van Jan zonder +Land, en de meer en meer verwilderende plattelandsbevolking, die, +uitsluitend van Saksisch bloed, zich in de wouden als stroopers en +wilddieven terugtrekt--dit alles bood de stof voor een epos in proza. + +Zij, die _Ivanhoe_ in de zorgelooze jongelingsjaren lazen, zullen voor +hun leven eene onvergetelijke herinnering behouden hebben--zullen +nimmer den statigen, epischen gang van het verhaal hebben vergeten, +waarin tal van echt epische personen in den vollen glans der +Normandische ridderlijke dapperheid te voorschijn treden. + +Voor _Ivanhoe_ heeft de auteur zich zeer degelijke historische studiën +getroost. Hij kent vooral de middeleeuwsche chronijkschrijvers, +en al de middeleeuwsche volkszangen door Bisschop Percy in zijne +"_Reliques of English Poetry_" bijeengebracht. Hij doet het verschil +der onderdrukte Saksische landbevolking en van den heerschenden +Normandischen adel scherp uitkomen, en vermeit zich in het contrast van +beider beschavingstoestanden. Aan de zijde van den valschen regent, +later King John, teekent hij verschillende typen van Normandische +edelen: Reginald Front-de-Boeuf, den ruwen geweldenaar, die voor +geene gruwelen terugdeinst, als zij zijne hartstochten en zijne +inhaligheid kunnen dienen,--Brian de Bois-Guilbert, den sceptischen +Tempelier, die uit Palestina eene groote minachting voor de kerk +en de geestelijkheid heeft medegebracht,--en Maurice de Bracy, den +aanvoerder van eene bende lansknechten, die voor niets terugdeinzen, +als de woeste huurlingen, welke Oltmans onder de vanen van Perrol +met de roode hand in zijn _Schaapherder_ doet ten tooneele komen. + +Naast deze Normandische wereld staat de Saksische, die zich beweegt +op het landgoed van Cedric, gezegd de Sakser, waar men kennis maakt +met de laatste afstammelinge der Saksische koningen, Lady Rowena, +met den geestigen nar Wamba, en den dienstman Gurth, Cedric's zoon +Wilfrid,--die met Richard Leeuwenhart naar Palestina trok, en daarom +door zijn vader als een slaaf der Normandische ridderidealen wordt +afgesneden uit de familie--speelt als heer van Ivanhoe de hoofdrol +in de tallooze tournooien en _joutes_, die het verhaal de hoogste +levendigheid bijzetten. + +Juist hierin openbaart zich de nationaliteit van den +auteur. Niet in Schotland speelt in _Ivanhoe_ de handeling, +als elders bij Walter Scott, maar in Engeland, in de omstreken +van York en Ashby-de-la-Zouche. Toch is het echt Schotsch-Engelsch +levenselement--de strijd van man tegen man, de strijd, waarbij het op +de oefening van spieren, op de kracht van den arm en de vlugheid van +het geheele lichaam aankomt--voortdurend het hoofdonderwerp van het +verhaal. _Ivanhoe_ is de aaneengeschakelde beschrijving van allerlei +ridderlijke _sport_,--eerst het tournooi van Ashby-de-la-Zouche, +dan de belegering van den burcht van Reginald Front-de-Boeuf, dan +het godsgericht door de Tempeliers over de edele Jodin Rebekka, +dochter van Izaäk van York gehouden. + +Het optreden van Richard Leeuwenhart, als Zwarte Ridder, zijne +persoonlijke heldendaden en ongeloofelijke spierkracht in het hanteeren +van zwaard, lans of strijdbijl--maken een boeienden epischen indruk, +verhoogd door het waas van geheimzinnigheid, dat geruimen tijd den +koning blijft omzweven. De Zwarte Ridder en zijne avonturen in het +woud met de vrijbuiters van Robin Hood behooren tot de amusantste +deelen der vertelling. + +Het eenige wat ons nu als verouderd zou kunnen voorkomen, zijn de vrij +uitvoerige gesprekken, die tusschen de handelende personen dikwijls +moeten dienen, om historische feiten of maatschappelijke toestanden +uit het eind der XIIe eeuw in een helder licht te plaatsen. Maar juist +in deze uitvoerigheid, in den breeden, langzamen gang van handeling en +vertelling, schuilt de eigenaardigheid van Walter Scott's schrijftrant, +die ten slotte zijne lezers in triomf meesleept naar het welvoorbereide +slot. + +De tegenwoordige uitgaaf volgt de Nederlandsche vertaling van +Dr. M. P. Lindo, die in 1872 te Leiden en Delft bij S. C. van +Doesburgh en Joh. Ykema het licht zag. Hier en daar zijn noodzakelijke +wijzigingen aangebracht, taal en stijl zijn doorgaande herzien. Een +enkele maal is aan den voet der bladzijde eene kleine historische +opheldering geplaatst. + +Het schijnt mij, dat er gerust eene proeve kan genomen worden met het +opnieuw popularizeeren van Walter Scott voor Nederlandsche lezers. In +Engeland blijkt de belangstelling in den auteur der _Waverley-Novels_ +uit de vele geschriften, die nog telkens aan zijn leven en geschriften +worden gewijd. In 1878 verscheen de monographie van Hutton, _Sir Walter +Scott_, in de verzameling onder den titel van _English men of Letters_ +bekend; in 1884 schreef een Schotsch geleerde, Gilfillan, een nieuw +_Life of Sir Walter Scott_. In Duitschland werd zijn leven geschreven +door Dr. Felix Eberty (1860) en door Elze (1864)--en nog niet lang +geleden (1884) gaf een Schotsch predikant (Dickson) een boek uit over +het gebruik, dat Walter Scott van den Bijbel heeft gemaakt. (_The +Bible in Waverley or Sir Walter Scott's use of the Sacred Scriptures_). + +In dit opzicht deelt Walter Scott het lot van groote auteurs--men heeft +betoogd, dat Shakespeare een bijzonder scherpzinnig botanist was, +en van Cervantes beweerde nog in 1842 een bekend Spaansch medicus, +Don Antonio Hernandez Morejon, dat hij een doorkneed patholoog en +psychiatricus geweest was, daar hij anders zijn held Don Quixote niet +zoo wetenschappelijk juist had kunnen schilderen. + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + + Zoo spraken ze, onderwijl de herder voor den nacht + Het vette zwijnenheir van 't veld weer huiswaarts bracht, + Dat, onder luid geschreeuw en lastig tegenstreven, + Een ieder naar zijn kot, met moeite werd gedreven. + + Odyssee. + + +In die aangename streken van het schoone Engeland, welke door de +rivier de Don bespoeld worden, strekte zich in vroegere tijden een +woud uit, dat het grootste gedeelte van de schoone bergen en dalen +bedekte, die tusschen Sheffield en de bekoorlijke stad Doncaster +liggen. De overblijfselen van dit uitgestrekte bosch zijn nog te +zien rondom de prachtige kasteelen van Wentworth, Warncliffe-Park +en Rotherham. Dáár spookte, in de aloude tijden, de fabelachtige +"Draak van Wantley"; dáár werden vele van de wanhopigste gevechten +geleverd, gedurende de burgeroorlogen tusschen de Witte en de Roode +Roos; en daar bloeiden ook oudtijds die benden dappere vrijbuiters, +wier daden in de Engelsche liederen zoo algemeen beroemd geworden zijn. + +Dit is het hoofdtooneel van onze geschiedenis; de tijd, waarin dit +voorvalt, is tegen het einde van de Regeering van Richard I, toen +zijn terugkomst uit eene langdurige gevangenschap eerder gewenscht +dan verwacht werd door zijne wanhopige onderdanen, die intusschen aan +allerhande afpersingen van ondergeschikte dwingelanden blootgesteld +waren. De edelen, wier macht uitermate groot geworden was onder het +bewind van Steffen, en welke het beleid van Hendrik II slechts in +zekere mate aan de kroon onderworpen had, leverden zich nu weder, met +de grootste stoutheid, aan hunne vorige losbandigheid over; de zwakke +pogingen van den Engelschen Raad van Staat verachtende, versterkten +zij hunne kasteelen, vermeerderden het getal hunner afhangelingen, +maakten allen in het rond tot hunne vasallen, en spanden alle krachten +in, om zich aan het hoofd eener macht te plaatsen, die hen in staat +zou stellen, eene rol te spelen in de volksonlusten, welke men scheen +te moeten duchten. + +De toestand van den minderen adel, of der _Franklins_, zooals zij +genoemd werden, welke, door de wet en den geest der Engelsche +staatsinrichting, het recht hadden bevrijd te blijven van de +dwingelandij der leenheeren, werd thans bijzonder hachelijk. Zoo +zij zich onder de bescherming van één der kleine koningen in +hunne nabuurschap stelden, eenigen leendienst bij hem aannamen, +of wederzijdsche overeenkomsten van bondgenootschap en bescherming +sloten, en hem in zijn ondernemingen ondersteunden,--hetgeen zij vrij +algemeen deden--konden zij, op deze wijze, inderdaad eene korte rust +koopen. Maar dit geschiedde ten koste van die onafhankelijkheid, +welke zoo dierbaar is aan ieder Engelsch hart, en met het zekere +vooruitzicht, om als strijdmakker in iederen vermetelen tocht gewikkeld +te worden, welken de eerzucht van hun beschermer hen mocht doen +ondernemen. Van den anderen kant waren de middelen tot knevelarij en +onderdrukking, welke de groote edelen bezaten, van zulk een aard en +zoo talrijk, dat hun nooit een voorwendsel, en zelden de wil ontbrak, +om hunne minder machtige naburen, die zich aan hun gezag te onttrekken +trachtten, en voor hun bescherming, in tijden van gevaar, op eigen +vreedzaam gedrag en de wetten des lands vertrouwden, te kwellen en +zelfs tot het uiterste te vervolgen. + +Één omstandigheid, die grootendeels strekte om de dwingelandij der +edelen en het lijden der mindere standen te verergeren, ontsproot uit +de gevolgen van de Verovering, door Willem, Hertog van Normandië. Vier +geslachten waren niet voldoende geweest om het bloed der Normandiërs +en Angelsaksers te vermengen, of door een gemeenschappelijke taal +en belangen twee vijandige stammen te vereenigen, waarvan de één nog +steeds met den hoogmoed des zegepraals bezield was, terwijl de andere +onder al de gevolgen der nederlaag zuchtte. Door den slag bij Hastings +was de macht volkomen in de handen der Normandische edelen geraakt, +en, zooals onze geschiedschrijvers verzekeren, gebruikten zij die met +geen groote gematigdheid. Het geheele geslacht der Saksische vorsten +en edelen was, met weinige of geene uitzonderingen, uitgeroeid, +of van hun erfdeel beroofd; ook was het getal gering van hen, die +nog erven bezaten in het land hunner voorvaderen, en die geteld +konden worden onder de grondbezitters van de tweede, of van eene +nog mindere klasse. De koninklijke staatkunde werkte sedert lang, +om door alle, zoowel wettige als onwettige, middelen de kracht te +fnuiken van een gedeelte der bevolking, hetwelk te recht geoordeeld +werd, den meest ingewortelden haat tegen zijne overwinnaars te +koesteren. Alle vorsten van den Normandischen stam hadden de grootste +partijdigheid voor hunne Normandische onderdanen aan den dag gelegd: +de jacht wetten en vele andere, die geheel onbekend waren bij den +zachteren en vrijeren geest der Saksische staatsinrichting, waren den +onderworpen inwoners opgelegd, als het ware om gewicht te geven aan +de boeien, waarin zij door het leenstelsel geklonken waren. Aan het +Hof, en in de kasteelen der groote edelen, waar men de pracht en de +weelde van het Hof navolgde, was het Normandisch-Fransch de eenige +gebruikelijke taal, welke ook in de pleitreden en vonnissen bij de +gerechtshoven gebezigd werd. In het kort, het Fransch was de taal der +eer, der ridderschap, en zelfs der gerechtigheid, terwijl het veel +meer manhaftige en krachtige Angelsaksisch aan de landlieden en het +gemeen, die geen anderen tongval kenden, overgelaten werd. Intusschen +werd door het noodzakelijke verkeer tusschen de grondeigenaars en hun +minderen, welke den grond bebouwden, langzamerhand een tongval gevormd, +die het midden uitmaakte tusschen het Fransch en het Angelsaksisch, +en in welken zij zich wederkeerig verstaanbaar konden maken; hieruit +ontstond trapsgewijs de tegenwoordige Engelsche taal, waarin de spraak +der overwinnaars en die der overwonnenen zoo schoon ineen gesmolten +zijn, en welke later zoo rijkelijk vermeerderd werd door alles wat +men aan de klassieke talen, en aan die, welke de zuidelijke natiën van +Europa spreken, ontleend heeft. Ik heb het noodig geoordeeld, dit kort +overzicht te geven van den toenmaligen staat van zaken, ter algemeene +onderrichting van den lezer, die anders wellicht zou vergeten, dat, +ofschoon geen groote geschiedkundige gebeurtenissen, zooals oorlog +of opstand, het bestaan van de Angelsaksers als een afzonderlijk +volk, na de regeering van Willem II kenmerken, de groote nationale +geschillen evenwel, tusschen hen en hun overwinnaars, de herinnering +aan hetgeen zij vroeger geweest, en waartoe zij nu gebracht waren, +de wonden openhielden, welke de verovering geslagen had, tot onder de +regeering van Eduard III, en een scheidsmuur oprichtten tusschen de +afstammelingen van de Normandische overwinnaars en van de overwonnen +Saksers. + +De ondergaande zon bestraalde een van de grasrijke, opene plekken +van het woud, waarvan wij in het begin van dit hoofdstuk gesproken +hebben. Honderden van breede, kortstammige eiken, die wellicht +den deftigen optocht der Romeinsche legioenen aanschouwd hadden, +strekten hunne breede, knoestige takken uit boven een zacht tapijt +van het heerlijkste groen. Op sommige plaatsen waren ze afgewisseld +door beuken, hulst en kreupelhout van verschillende soorten, zoo +dicht, dat ze de schuinsche stralen der ondergaande zon geheel +onderschepten. Op andere plekken waren openingen in het hout, die +vergezichten opleverden, in welker kronkelpaden het oog zich gaarne +verdiepte, terwijl de verbeelding ze beschouwde als de wegen, die tot +nog wildere tooneelen in het eenzame woud leidden. Hier flikkerden +de roode stralen der zon met een gebroken en flauwer licht, dat +gedeeltelijk de dorre takken en bemoste stammen der boomen, en ginds, +meer schitterend, de open plekken bescheen. Een groote ruimte, in het +midden van dit grasplein, scheen vroeger toegewijd te zijn geweest aan +de godsdienstplechtigheden der Druïden; want op den top van een heuvel, +die zoo regelmatig van vorm was, dat hij door kunst opgericht scheen, +stond nog een gedeelte van een kring van ruwe, onbewerkte, ontzaglijk +groote steenen. Zeven er van waren overeind; de overigen, van hunne +plaatsen verwijderd, waarschijnlijk door den ijver van eenige nieuw +bekeerde Christenen, lagen gedeeltelijk omvergeworpen in het rond, +en gedeeltelijk op de helling van den heuvel. Slechts één groote +steen had zijn weg tot den voet er van gevonden, en, door den loop +van een kleine beek te stremmen, welke langzaam in de diepte rondom +de hoogte kronkelde, verwekte hij een zacht gemurmel in het vreedzame +en anders stille water. + +Twee gedaanten verlevendigden dit landschap; zij hadden in hunne +kleeding en in hun uiterlijk dat wilde en ruwe voorkomen, hetwelk in +die vroege tijden eigen was aan de boschbewoners van het westelijk +gedeelte van het graafschap York. De oudste dier mannen had een stroef, +woest en norsch gelaat. Zijn kleeding was zoo eenvoudig mogelijk; +zij bestond uit een nauw wambuis met mouwen, gemaakt uit de gelooide +huid van een dier, waarop men het haar gelaten had, dat echter op +zoo vele plaatsen was afgesleten, dat het moeielijk zou geweest zijn +uit het weinige overgeblevene te onderscheiden, aan welk soort van +dier het behoord had. Dit eenvoudige kleed reikte van de keel tot +op de knieën, en was de eenige dekking van het geheele lichaam; er +was aan den kraag geen ruimere opening dan noodig was om het hoofd +door te steken, waaruit men besluiten kan, dat het aangetrokken +werd door het over het hoofd en de schouders te halen, op de wijze +van een hedendaagsch hemd, of een oude maliënkolder. Sandalen, met +riemen van wildzwijnsleer vastgebonden, beschermden de voeten, en een +soort van rol van dun leder was kunstig om de beenen geslingerd tot +boven de kuit, de knieën bloot latende, gelijk die van een Schotschen +bergbewoner. Om het wambuis nog nauwer om het lichaam te doen sluiten, +was het om het middel door een breeden lederen gordel vastgebonden, met +een metalen gesp bevestigd; aan de eene zijde daarvan hing een soort +van zak, en aan de andere een ramshoren, met een mondstuk voorzien, +om op te blazen. In denzelfden gordel hing een van die lange, breede, +scherp gepunte en tweesnijdende messen, met een hoornen hecht, die in +de nabuurschap gemaakt werden, en die, zelfs in deze vroege tijden, +den naam van Sheffieldmessen droegen. Zijn hoofd was ongedekt en alleen +beschermd door zijn eigen dik haar, ongekamd en woest, en door de zon +donkerrood verbrand, eene tegenstelling opleverende met zijn baard, +die de wangen bedekte, en licht geel van kleur was. Er is nog slechts +één gedeelte van zijne kleeding over, dat te merkwaardig was om met +stilzwijgen voorbij gegaan te worden; het was een metalen ring, op +den halsband van een hond gelijkende, maar zonder eenige opening, +en om zijn hals vastgeklonken, los genoeg, dat de ademhaling niet +belemmerd werd, en toch zoo vast, dat hij niet anders dan met behulp +van de vijl kon afgenomen worden. Op dezen zonderlingen halsband +was met Saksische letters het volgende opschrift gesneden: "Gurth, +de zoon van Beowulf, geboren lijfeigene van Cedric van Rotherwood." + +Naast dezen zwijnenhoeder, want dit was het beroep van Gurth, zat +op een der omgevallen gedenkteekenen der Druïden een man, die tien +jaren jonger scheen, en wiens kleeding, schoon nagenoeg van hetzelfde +maaksel als die van zijn makker, uit betere stoffen vervaardigd was, +en een zonderlinger voorkomen had. Zijn buis was purperkleurig, +en men had beproefd om wonderbaarlijke sieraden in verschillende +kleuren er op te schilderen. Behalve dit buis droeg hij een korten +mantel, die hem nauwelijks tot op de helft van het bovenbeen hing; dit +kleedingstuk was van karmozijnrood laken, vrij bemorst, met hooggeel +omzet; en daar hij het, naar verkiezing, van den eenen schouder op +den anderen, of geheel om zich heenslaan kon, zoo maakte de wijdte, +bij de lengte vergeleken, dat het er wonderlijk uitzag. Hij had dunne +zilveren armbanden, en een halsband van hetzelfde metaal, met het +opschrift: "Wamba, de zoon van Weetniet, lijfeigene van Cedric van +Rotherwood." Deze man droeg dezelfde soort van sandalen als zijn +makker; maar, in plaats van met lederen riemen, waren zijn beenen +bedekt met een soort van slobkousen, waarvan de eene rood en de andere +geel was. Hij was ook voorzien van een kap, met schelletjes behangen, +omtrent zoo groot als die, welke men de valken aandoet; ze klonken +zoo dikwijls hij liet hoofd draaide, en daar hij zelden één minuut in +dezelfde houding bleef, was het geluid bijna onophoudelijk. Rondom +de kap was een stijve lederen band, van boven uitgesneden in den +vorm eener kroon, terwijl er een lange puntige zak uit verrees, +en op den schouder nederviel, gelijk een ouderwetsche slaapmuts, of +de hoofdbedekking onzer huzaren. Aan dit gedeelte der kap waren de +belletjes bevestigd, die bij den aard van zijn hoofdsieraad, en de +half domme, half schrandere uitdrukking van zijn gelaat, genoegzaam +aanduidden, dat hij tot die narren of potsenmakers behoorde, welke +in de woningen der rijken gehouden werden, om de verveling van de +langdurige uren te verkorten, welke men verplicht was binnenshuis +door te brengen. Hij droeg, evenals zijn makker, een zak, aan den +gordel vastgemaakt, maar hij had noch horen noch mes, daar men hem +waarschijnlijk beschouwde als behoorende tot een klasse, aan welke het +gevaarlijk is, scherpe werktuigen toe te vertrouwen. Inplaats daarvan +was hij met een houten zwaard voorzien, op het wapen gelijkende, +waarmede Harlekijn zijn wonderen op het hedendaagsche tooneel verricht. + +Het uiterlijk voorkomen van deze twee mannen vormde nauwelijks een +sterker contrast dan hun gelaat en gedrag. Dat van den lijfeigene +was treurig en stug; zijn blikken waren naar den grond geslagen, +met een uitdrukking van groote moedeloosheid, welke men bijna voor +wezenloosheid zou gehouden hebben, had niet het vuur, hetwelk van tot +tijd tot tijd in zijn beloopen oog schitterde, getoond, dat er onder +den schijn van sombere neerslachtigheid het besef schuilde van zijn +slaafschen stand en het verlangen, om zich daaraan te onttrekken. De +blikken van Wamba daarentegen duidden, zooals gewoonlijk bij menschen +van zijn aard, een soort van ledige nieuwsgierigheid en eene rustelooze +beweeglijkheid aan, te gelijk met de uiterste zelfvoldoening over zijn +stand en uiterlijk. Hun gesprek werd in het Angelsaksisch gevoerd, +hetwelk, zooals wij gezegd hebben, algemeen door de geringere klassen +gesproken werd, met uitzondering van de Normandische soldaten en de +afhangelingen, welke de groote leenheeren onmiddellijk omringden. Maar, +daar hun gesprek in het oorspronkelijke den lezer niet zeer +verstaanbaar zou zijn, geven wij hem daarvan de volgende vertaling: + +"Dat de vloek van St. Withold die helsche zwijnen treffe!" bromde +de zwijnenhoeder, nadat hij uit al zijn macht op zijn horen geblazen +had, om de verstrooide kudde te verzamelen, welke, ofschoon ze zijn +geroep met even welluidende tonen beantwoordde, zich echter in het +geheel niet haastte om zich van het heerlijkste gastmaal van beuken +en eikels, waarvan ze vet werd, te verwijderen, of om de moerassige +oevers van de beek te verlaten, waar eenigen, half in modder gedompeld, +op hun gemak uitgestrekt lagen, zonder zich in het minste om de stem +van den herder te bekreunen. "De vloek van St. Withold treffe hen en +mij!" zeide Gurth; "zoo de tweebeenige wolf er vóór het vallen van +den nacht niet eenigen van wegpakt, dan heet ik geen Gurth! Hier, +Fangs! Fangs!" riep hij met alle geweld een ruigharigen wolfachtigen +hond toe, een soort van kreupele basterd, half bul- half windhond, +die rondliep alsof hij zijn meester bijstaan wilde, om de weêrspannige +varkens bijeen te verzamelen; maar welke inderdaad, hetzij dat hij +de teekens van den zwijnenhoeder verkeerdelijk begreep, hetzij uit +onkunde, of uit moedwillige boosaardigheid, ze slechts van den éénen +kant naar den anderen dreef, en het kwaad verergerde, dat hij had +moeten verhelpen. "Dat de duivel u de tanden uitrukke," riep Gurth, +"en dat de booze den boschwachter hale, die onzen honden de voorste +klauwen afsnijdt, en ze voor hun werk ongeschikt maakt [1]. Wamba! sta +op en help me, als gij een brave kerel zijt, loop om den berg heen, +om hun den wind af te winnen, en als gij dat gedaan hebt, kunt ge ze +even gemakkelijk voor u uitdrijven als onschuldige lammeren." + +"Waarachtig," zei Wamba, zonder van de plaats te gaan, "ik heb mijn +beenen geraadpleegd, en ze zijn volkomen van gevoelen, dat het een +daad van hoogverraad, zoowel tegen mijn hoogen persoon als tegen mijn +koninklijke kleeding zou zijn, mijn bont pak door deze moerassen te +sleepen; daarom, Gurth, raad ik je, Fangs terug te roepen, en de kudde +aan het noodlot over te laten, want, als ze een troep rondtrekkende +soldaten, vrijbuiters of pelgrims ontmoet, kan het niet missen of +ze is vóór den morgen in Normandiërs veranderd, tot uw groot gemak +en verlichting." + +"De zwijnen in Normandiërs veranderd, tot mijne verlichting!" hervatte +Gurth; "verklaar me dat, Wamba, want mijn brein is te suf en mijn +geest te geplaagd, om raadsels op te lossen." + +"Wel, hoe noemt ge die knorrende beesten, die dáár op vier pooten +rondloopen?" vroeg Wamba. + +"Zwijnen, nar, zwijnen," antwoordde de hoeder: "ieder gek weet dat." + +"En zwijn is goed Saksisch," zei de nar; "maar hoe noemen de groote +lui het zwijn als het geslacht, gevild, afgehouwen en aan de pooten +opgehangen is, evenals een landsverrader?" + +"_Porc!_ hernam de zwijnenhoeder. + +"Ik ben blij, dat ieder gek dat ook weet," zei Wamba, "en _porc_, denk +ik, is goed Normandisch-Fransch. Zoolang het beest leeft, en door een +Saksischen lijfeigene gehoed wordt, heeft het een Saksischen naam; +maar liet wordt een Normandiër en _porc_ genoemd, zoodra het in het +kasteel gebracht wordt, om den edelen tot een maaltijd te dienen. Hoe +vindt ge dat, vriend Gurth?" + +"Het is maar al te waar, vriend Wamba," hernam Gurth, "hoewel het in +uw zotshoofd is opgekomen." + +"Wel, ik kan je nog meer zeggen," vervolgde Wamba op denzelfden toon; +"daar is de oude, deftige Stier, die houdt zijn Saksischen naam, +zoolang hij onder de zorg van lijfeigenen staat, maar hij wordt een +_Boeuf_, een volbloed Fransch heer, als hij voor de hoogaanzienlijke +kinnebakken komt, die hem moeten verteren. Mijnheer Kalf wordt op +deze wijze _Monsieur le Veau_; hij is een Sakser, als hij oppassing +noodig heeft, en wordt een Normandiër, zoodra hij een voorwerp van +genot wordt." + +"Bij St. Dunstan," antwoordde Gurth, "ge spreekt droevige waarheid; er +is ons weinig meer overgelaten dan de lucht, die wij inademen, en deze +zelfs schijnt men ons nauwelijks te gunnen, en alleen om ons in staat +te stellen den arbeid, welken zij ons opleggen, te verrichten. Het +schoonste en vetste is voor hunne tafel; de beminnelijkste wordt hunne +bruid; de besten en braafsten moeten strijden voor vreemde meesters, +en hun gebeente verbleekt in verafgelegen landen, terwijl slechts +weinigen te huis overblijven, die den wil of de macht hebben den +ongelukkigen Sakser te beschermen. God zegene onzen heer Cedric; hij +heeft gehandeld als iemand, die zijn man staan durft; maar Reginald +Front-de-Boeuf komt zelf in deze streken, en wij zullen weldra zien, +hoe weinig Cedric's moeite baten zal.--Hier, hier!" riep hij weder, +de stem verheffende; "pak aan! pak aan! goed zoo! goed zoo! Fangs! je +hebt ze nu allen voor je; drijf ze maar voort, jongen!" + +"Gurth," zei de nar, "ik geloof, dat gij mij voor een gek houdt, +anders zoudt gij niet zoo vermetel het hoofd in mijn mond steken. Één +wenk aan Reginald Front-de-Boeuf, of Filips de Malvoisin, dat ge +kwaad van de Normandiërs gesproken hebt, en ge zijt een verloren +zwijnenhoeder,--zij hangen u op aan den eersten besten boom, als een +schrikbeeld voor alle lasteraars van groote heeren." + +"Hond, dat ge zijt, ge zoudt mij toch niet willen verraden," hernam +Gurth, "na mij verleid te hebben, zulke onvoorzichtige dingen te +zeggen?" + +"Je verraden!" antwoordde de nar; "neen, dat ware een wijze streek; +een gek weet zich niet half zoo goed te redden;--maar stil, wie komt +daar?" zeide hij, naar een getrappel als van verscheidene paarden +luisterende, hetwelk hoorbaar begon te worden. + +"Wat is er ons aan gelegen?" hervatte Gurth, die nu zijn kudde vóór +zich gekregen had, en ze met behulp van Fangs langs een van die lange +donkere lanen dreef, welke wij reeds getracht hebben te beschrijven. + +"Maar ik moet de ruiters zien," antwoordde Wamba; "misschien komen +zij uit het land der Feeën, met een boodschap van koning Oberon." + +"Verwenschte nar!" riep de zwijnenhoeder uit, "hoe durft gij van +dergelijke dingen spreken, terwijl een verschrikkelijk onweder in +de nabijheid woedt? Hoor, hoe de donder rommelt! En nooit zag ik in +den zomer den regen in zulke dikke, zware druppelen uit de wolken +vallen. De eiken kraken ook, niettegenstaande de windstilte, met +hun groote takken, alsof zij een storm verkondigden. Ge kunt wel +verstandig zijn, zoo ge maar wilt; geloof mij nu, en laten we ons +naar huis spoeden, voordat de storm begint te woeden, want het zal +een verschrikkelijke nacht worden!" + +Wamba scheen de kracht van deze redeneering te beseffen, en volgde zijn +makker, die zijn tocht begon na een grooten stok opgenomen te hebben, +die op het gras naast hem lag. Deze tweede Eumaeus [2] haastte zich nu +door de laan te komen, met behulp van Fangs, de geheele luidruchtige +kudde vóór zich heen drijvende. + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + + Toen kwam er een monnik, een heer zeer geprezen, + Een vriend van de jacht en van 't horengeschal, + Zoo kloek en ervaren, een abt kon hij wezen; + Ook hield hij veel kostbare paarden op stal; + En gaf hij zijn moedigen klepper de sporen, + Men kon op de winden het zweepgeklap hooren, + Zoo duidelijk en klaar als de klok der kapel, + Waarbij hij vertoefde in zijn eenzame cel. + + Chaucer. + + +In weerwil van het herhaalde vermanen en knorren van zijn makker, +kon Wamba, die de ruiters hoorde naderen, niet nalaten bij ieder +geschikt voorwendsel onderweg stil te staan; nu eens plukte hij van +een hazelnotenstruik eenige der halfrijpe vruchten, dan keerde hij +zich om, ten einde het een of ander boerenmeisje, dat hen tegenkwam, +na te zien. De ruiters haalden hen derhalve spoedig in. Zij waren +tien in getal van welken de beide voorsten mannen van aanzien, en de +anderen hun volgelingen schenen te zijn. Het was niet moeielijk het +karakter en den stand van één dezer mannen te onderscheiden. Hij was +klaarblijkelijk een geestelijke van hoogen rang; zijne kleeding was +die van een Cisterciënser monnik, maar uit veel fijner stof gemaakt, +dan die, welke zijne orde gebruiken mocht. Mantel en kap waren van +het beste Vlaamsche laken, en vielen in ruime en bevallige plooien +rondom een schoone, hoewel eenigszins zwaarlijvige, gestalte. Zijn +gelaat droeg evenmin den stempel van zelfverloochening, als zijn kleed +minachting aanduidde van wereldsche pracht. Zijn trekken hadden mooi +kunnen genoemd worden, had niet, onder zijne neerhangende oogleden, +die gedempte, zinnelijke gloed geschitterd, welke den voorzichtigen +wellusteling doet kennen. In andere opzichten hadden ambt en stand hem +eene gemakkelijke heerschappij over zijn gelaat geleerd, hetwelk hij +naar welgevallen een plechtigen ernst kon doen aannemen, ofschoon +zijne natuurlijke uitdrukking goedaardig, gezellig en toegevend +was. Ten spijt van kloosterregels, en de bevelen van pausen en +kerkvergaderingen, waren de mouwen van dezen prelaat gevoerd en omzet +met rijk bont; zijn mantel was om den hals met een gouden gespje +vastgemaakt, en de geheele kleeding, eigen aan zijne orde, evenzeer +verfraaid en opgesierd, als die eener schoone kwakersvrouw van onze +dagen, die de gewone kleederdracht van hare sekte behoudende, aan de +eenvoudigheid daarvan, door de keus der stoffen en door de wijze van +ze te schikken, een zekeren schijn van aanlokkelijke coquetterie geeft, +welke maar al te veel van wereldsche ijdelheid getuigt. + +Deze waardige dienaar der kerk reed op een makken, welgemesten +muilezel, welks tuig zeer prachtig, en welks toom, volgens de gewoonte +van dien tijd, met zilveren schelletjes versierd was. Hierop zat +hij geenszins met de linkschheid van den kloosterbroeder, maar met +al de gemakkelijke losheid van een geoefenden ruiter. Het scheen, +inderdaad, dat een zoo nederig dier als een muilezel, hoe mooi +ook en hoe goed gewend aan een aangenamen en gemakkelijken gang, +door den dapperen monnik alleen op reis gebruikt werd; want een +leekebroeder, die onder zijn gevolg was, leidde tot zijn gebruik +bij andere gelegenheden een van de schoonste Andalusische hengsten, +welke de kooplieden in dien tijd met groote moeite en veel gevaar, +ten behoeve der rijken en aanzienlijken, overbrachten. De zadel en +het tuig van dit prachtige rijpaard waren bedekt met een lange deken, +die bijna op den grond hing, en waarop mijters, kruisen en andere +kerkelijke sieraden prachtig geborduurd waren. Een ander leekebroeder +leidde een tweeden gewonen muilezel, waarschijnlijk met het goed van +zijn meester beladen; en daarachter reden twee monniken van dezelfde +orde, maar van minderen rang, te zamen schertsende en pratende, +zonder zich veel aan de andere leden van het reisgezelschap te storen. + +De reismakker van den prelaat was een man van over de veertig jaren, +rank, mager, maar sterk, groot en gespierd; eene athletische gedaante, +aan welke lange vermoeienissen en aanhoudende oefeningen geene +van de tengere deelen van het menschelijke lichaam overgelaten, +maar het geheel in vel, beenderen en spieren herschapen hadden, +die duizenden moeilijkheden reeds doorstaan hadden, en in staat +waren er nog duizenden anderen te ondergaan. Zijn hoofd was bedekt +met een fluweelen muts, met bont omzet, van het fatsoen door de +Franschen _mortier_ genoemd, wegens de overeenkomst met den vorm +van een omgekeerden vijzel. Zijn gelaat was dus geheel zichtbaar, +en de uitdrukking er van wel berekend om een zeker ontzag, zoo niet +vrees, aan vreemden in te boezemen. Zijn van natuur sterk geteekende +gelaatstrekken waren bijna zwart gebrand als die van een neger, +door gedurig aan de hitte van een brandende zon blootgesteld te +zijn, en schenen gewoonlijk te sluimeren, als het ware, nadat de +storm der driften uitgewoed had; maar de opgezwollen aderen op het +voorhoofd, de snelheid waarmede de bovenlip en de dikke zwarte +knevels bij de geringste aandoening trilden, gaven duidelijk te +kennen, dat het onweder gemakkelijk weder opgewekt kon worden. Zijne +stoute, doordringende, donkere oogen verrieden bij iederen blik de +geschiedenis van overwonnen moeielijkheden en getrotseerde gevaren, +en schenen tegenstand aan zijn wenschen uit te lokken, om zich het +genot te verschaffen dien door geoefenden moed en vasten wil uit den +weg te ruimen. Een diep litteeken, boven de wenkbrauw, vergrootte nog +de strengheid van zijn gelaat, en verleende een dreigende uitdrukking +aan een zijner oogen, hetwelk bij dezelfde gelegenheid licht gekwetst +werd, en waarmede hij nu, schoon goed, toch een weinig scheel zag. + +Het bovenkleed van dezen ruiter was, wat de snede betreft, gelijk aan +dat van zijn reisgezel: een lange kloostermantel; maar de scharlaken +kleur toonde, dat hij niet tot een der vier gewone monnikenorden +behoorde. Op den rechter schouder van den mantel was een kruis van +bijzonderen vorm met wit laken geborduurd. Dit opperkleed bedekte iets, +dat op het eerste gezicht niet daarmede in overeenstemming scheen, +namelijk een maliënkolder met mouwen en handschoenen van denzelfden +aard, zeer kunstig bewerkt en gevlochten, en even zoo buigzaam aan +het lichaam als die, welke op den weefstoel uit zachtere stoffen +gemaakt worden. Het bovenste gedeelte zijner dijen, zoo ver de +plooien van zijn mantel ze bloot lieten, was ook daarmede bedekt; +de knieën en voeten waren beschermd door dunne stalen plaatjes, +netjes in elkander gevoegd; en dergelijke schenen, welke van den +enkel tot de knie reikten, beschermden voortreffelijk de beenen, +en voltooiden des ruiters wapenrusting. In den gordel droeg hij een +langen, tweesnijdenden dolk, welke zijn eenig wapen was. + +Hij reed niet op een muilezel, gelijk zijn reisgenoot, maar op +een sterk reispaard, om zijn schoon strijdros te sparen, dat een +schildknaap leidde, geheel voor den slag toegerust, met een beschermend +metalen hoofdstel, waarvan een korte stalen punt vooruit stak. Aan de +eene zijde van den zadel hing een korte strijdbijl, rijk gedamasceerd; +aan de andere des ruiters gepluimde helm en stormkap met een lang +slagzwaard, zooals de ridders toen algemeen gebruikten. Een tweede +schildknaap droeg zijns meesters lans, aan welker punt een vlagje +fladderde, waarop een kruis van denzelfden vorm als dat op zijn +mantel geborduurd was. Hij droeg ook zijn klein driehoekig schild, +breed genoeg van boven om de borst te beschermen, en van daar spits +toeloopende. Het was met een scharlaken kleed bedekt, dat verhinderde +de daarop staande spreuk te lezen. + +Deze twee schildknapen werden gevolgd door twee bedienden, wier +bruine gezichten, witte tulbanden en Oostersche kleeding toonden, +dat zij inboorlingen waren van eenig ver afgelegen Oostersch land +[3]. Het geheele voorkomen van dezen krijgsman en zijn gevolg was +woest en vreemd, de kleeding van zijne schildknapen was buitengewoon +prachtig, en zijne Oostersche bedienden droegen zilveren halsbanden, +en ringen van hetzelfde metaal om hunne zwartbruine armen en beenen; +de eerste waren naakt van den elleboog af, en de laatste van de kuit +tot aan den enkel. Hunne kleederen waren van geborduurde zijde en +gaven den rijkdom en het aanzien van hun meester te kennen; te gelijk +leverden zij een treffend contrast met den krijgshaftigen eenvoud van +zijne eigene kleeding op. Zij waren gewapend met kromme sabels, wier +gevest en scheede met goud ingelegd waren, terwijl Turksche dolken +van een prachtiger maaksel daarnaast hingen. Ieder van hen had vóór +zich op den zadel een bundel pijlen, of werpspiesen, omtrent vier +voet lang, met scherpe stalen punten, een wapen dat zeer gebruikelijk +was bij de Saracenen en dat nog herdacht wordt in de krijgsoefening +"_El Djerid_" genoemd, die nog in eenige Oostersche landen in zwang is. + +De paarden van deze bedienden waren in voorkomen even vreemd als +hunne ruiters; ze waren van Saraceenschen oorsprong, en dus van +Arabisch ras, en hunne fijne, tengere leden, dunne manen en lichte, +vrije bewegingen waren in sterke tegenstelling met de groote, zware +paarden, die in Vlaanderen en Normandië gefokt werden, om de van top +tot teen zwaar gewapende krijgslieden te dragen, en welke, naast deze +Oostersche paarden, als lichaam en schaduw bij elkander stonden. + +Het zonderlinge voorkomen van deze ruiters verwekte niet alleen de +nieuwsgierigheid van Wamba, maar zelfs die van zijn minder levendigen +metgezel. Den monnik herkende hij terstond voor den Prior van de +Abdij van Jorvaulx, overal in het rond welbekend als een liefhebber +van de jacht, van goede sier, en, zoo de faam hem geen onrecht deed, +van andere wereldsche vermaken, die nog minder bestaanbaar waren met +zijne kloostergeloften. + +Zoo los waren evenwel de begrippen in die tijden, ten opzichte van het +gedrag der wereldlijke zoowel als der klooster-geestelijkheid, dat de +Prior Aymer een goeden naam had in de nabuurschap zijner abdij. Zijn +open en vroolijk karakter, en de gereedheid, met welke hij den aflaat +voor alle kleinere zonden schonk, maakte hem tot een gunsteling bij den +adel en de overige aanzienlijken, met velen van welke hij vermaagschapt +was, daar hij van een aanzienlijk Normandisch geslacht afstamde. De +vrouwen, in het bijzonder, waren niet geneigd al te nauwgezet het +gedrag van een man na te gaan, die een verklaarde bewonderaar van +haar geslacht was, en die vele middelen bezat om de verveling te +verdrijven, welke zoo gemakkelijk in de zalen en priëelen van een oud +ridderkasteel insloop. De Prior gaf zich over aan het jachtvermaak +met meer dan gewonen ijver, en men erkende algemeen, dat hij de best +afgerichte valken en de snelste windhonden van het _North-Riding_ +bezat; een omstandigheid, die hem tot een groote aanbeveling bij den +jongen adel strekte. Bij oudere menschen had hij eene andere rol te +spelen, welke hij in geval van nood met groote deftigheid te vervullen +wist. Zijn kennis van boeken, hoe oppervlakkig ook, was voldoende +om hunne onwetendheid achting voor zijne gewaande geleerdheid in te +boezemen; en de ernst van zijne houding en taal, met den hoogen toon, +waarop hij van het gezag der kerk en harer priesters sprak, gaf hun +geen mindere overtuiging van zijne heiligheid. Zelfs de geringere +klassen, de strengste vitters van het gedrag hunner meerderen, waren +toegevend voor de zwakheden van Prior Aymer. Hij was mild van aard; +en de liefdadigheid, zoo als men weet, bedekt eene menigte van zonden, +ook in een anderen zin dan dien, in welken de Heilige Schrift dit +verkondigt. De inkomsten van het klooster, waarvan een groot gedeelte +te zijner beschikking stond, terwijl zij hem middelen verschaften +voor zijn eigene, zeer aanmerkelijke uitgaven, vergunden hem tevens +geschenken onder de boeren uit te deelen, waarmede hij dikwijls de +behoeften der onderdrukten te hulp kwam. Zoo Prior Aymer al te grooten +ijver voor de jacht toonde, en te lang aan tafel zat,--zoo men Prior +Aymer met het krieken van den dag de achterdeur van de abdij zag +inkomen, naar huis sluipende van de eene of andere bijeenkomst, welke +in de uren der duisternis had plaats gehad, dan haalde men slechts +de schouders op, en verzoende zich met zijn ongeregeld gedrag door de +overweging, dat vele zijner makkers hetzelfde deden, en volstrekt geene +goede hoedanigheden bezaten, om daartegen op te wegen. Prior Aymer en +zijn karakter waren dus aan onze twee lijfeigenen wel bekend, die hem +met linkschen eerbied groetten en daarentegen met zijn "_Benedecite, +mes fils_," vereerd werden. + +Maar het zonderlinge voorkomen van zijn reisgenoot en diens +bedienden trok hunne aandacht, en verwekte hunne verwondering zoo, +dat ze nauwelijks de vraag van den Prior van Jorvaulx hoorden: +"of ze eenige herberg in de nabuurschap kenden;" zoo zeer waren zij +verrast door het half kloosterlijk en half krijgshaftig uiterlijk +van den zwartverbranden vreemdeling, en door de zonderlinge kleeding +en wapenen van zijn Oostersche bedienden. Het is ook waarschijnlijk, +dat de taal, in welke de zegen uitgedeeld en de vraag gedaan werd, +onaangenaam, schoon vermoedelijk niet onverstaanbaar, in de ooren +der Saksische boeren klonk. + +"Ik vroeg u, mijne kinderen," zei de Prior, zijn stem verheffende, +en de _lingua Franca_, of gemengde taal, gebruikende, in welke +de Normandiërs en Saksers met elkander spraken, "of er hier in de +nabijheid eenig goed mensch woont, die voor Godsloon, en uit eerbied +voor de heilige moederkerk, twee van haar nederigste dienaren met hun +gevolg, voor een enkelen nacht zou willen opnemen en verkwikken?" Dit +zeide hij op een toon van gewicht, die slecht overeenkwam met de +nederige woorden, welke hij goedvond te gebruiken. + +"Twee der nederigste dienaren der heilige moederkerk!" herhaalde Wamba +bij zichzelven,--maar hoewel een nar, droeg hij zorg, zijn aanmerking +niet te doen hooren,--"dan zou ik wel eens willen zien hoe hare +kasteleinen, keldermeesters en voornaamste dienaren er uitzien!" Na +deze stille aanmerking op des Priors gezegde, sloeg hij de oogen +op en antwoordde op de gedane vraag: "Zoo de eerwaarde vaders een +goed onthaal en een zacht bed begeeren, kunnen ze, in een paar uren, +naar de abdij van Brinxworth komen, waar hun rang hun de eervolste +ontvangst verzekert; of zoo ze liever den avond in boetedoeningen +willen doorbrengen, kunnen ze gindsche woeste laan afrijden, welke +naar de kluis van Copmanhurst leidt, waar een vroom kluizenaar zeker +gaarne zijn hut en zijn gebeden met hen zal deelen." + +"Goede vriend," zeide de Prior, het hoofd over beide voorstellen +schuddende, "zoo het eindeloos geluid uwer schelletjes uw verstand niet +verward had, zoudt gij wel weten, dat _Clericus clericum non decimat_, +dat wil zeggen: wij geestelijken verlangen geene gastvrijheid van +onze gelijken, maar zoeken liever die der leeken op, om hun dus de +gelegenheid te geven God te vereeren door zijn uitverkoren dienaren +te helpen en te ondersteunen." + +"'t Is waar," hervatte Wamba, "dat, ofschoon ik maar een ezel ben, ik +de eer geniet schellen te dragen, even goed als uw muilezel, eerwaarde +heer; ik dacht echter, dat de liefdadigheid van de moederkerk en hare +dienaren bij zich zelve moest beginnen, evenals andere liefdadigheid." + +"Zwijg met uwe onbeschaamdheid, kerel!" viel de gewapende ruiter +in, Wamba's gesnap op een trotschen en gebiedenden toon afbrekende, +"en zeg ons, of gij den weg weet naar--hoe noemt ge uw _Franklin_, +Prior Aymer?" + +"Cedric," hernam deze; "Cedric den Sakser.--Zeg mij, vriend, zijn we +dicht bij zijn woning, en kunt ge ons den weg wijzen?" + +"De weg zal moeielijk te vinden zijn," antwoordde Gurth, die nu voor +het eerst sprak, "en Cedric's huisgezin begeeft zich vroeg ter ruste." + +"Bah! spreek mij daar niet van!" zei de krijgsman; "ze kunnen +gemakkelijk weer opstaan om in de behoeften te voorzien van reizigers +als wij, die ons niet zullen vernederen om de gastvrijheid af te +smeeken, die wij het recht hebben te vorderen." + +"Ik weet niet," hernam Gurth op een knorrigen toon, "of ik den +weg naar het huis van mijn meester wijzen moet aan lieden, die de +gastvrijheid, welke de meesten gaarne als een gunst aannemen, als +een recht vorderen." + +"Durft gij mij tegenspreken, slaaf!" riep de krijgsman; en zijn paard +de sporen gevende, liet hij het een sprong over den weg maken, terwijl +hij de zweep ophief om de onbeschaamdheid van den boer te kastijden. + +Gurth wierp hem een woesten en wraakgierigen blik toe, en sloeg met +een woedende, schoon aarzelende, beweging de hand aan het hecht van +zijn mes; maar Prior Aymer, die zijn muilezel tusschen zijn reisgenoot +en den zwijnenhoeder dreef, belette de voorgenomen gewelddadigheid. + +"Neen, bij de heilige Maria, broeder Brian! ge moet niet denken, +dat ge thans in Palestina zijt, heerschende over heidensche Turken +en ongeloovige Saraceenen; wij, eilanders, houden niet van slagen, +behalve van die der heilige moederkerk, welke de kinderen kastijdt, +die ze lief heeft. Wijs mij, goede vriend," zeide hij tot Wamba, +zijn verzoek door een kleine zilveren munt ondersteunende, "den weg +naar de woning van Cedric den Sakser; gij kent hem voorzeker, en het +is uw plicht den reiziger terecht te helpen, zelfs al ware zijn stand +minder heilig dan de onze." + +"Waarlijk, eerwaarde vader!" antwoordde de nar, "het Saraceensche +hoofd van uwen zeer eerbiedwaardigen reisgezel heeft mij van schrik +den weg naar huis doen vergeten.--Ik ben er niet eens zeker van, +of ik er heden avond zelf wel komen zal." + +"Kom, kom," zei de Abt, "gij kunt het ons wijzen, als gij maar +wilt. Deze eerwaarde broeder is zijn geheele leven bezig geweest met +tegen de Saraceenen ter verlossing van het Heilige Graf te vechten; +hij is van de orde der Tempelridders, van welke gij misschien wel +zult gehoord hebben; hij is half monnik en half soldaat." + +"Als hij maar half monnik is," zei de nar, "moest hij niet geheel +en al onredelijk zijn tegenover degenen, welke hij op weg ontmoet, +al haasten zij zich ook niet om vragen te beantwoorden, die hen in +het geheel niet raken." + +"Ik vergeef u uwe geestigheid," hervatte de Abt, "op voorwaarde, +dat gij mij den weg naar Cedric's huis toont." + +"Nu dan," antwoordde Wamba, "de eerwaarde heeren moeten dit pad houden, +tot ze aan het vervallen kruis komen, dat nauwelijks ter lengte van een +el boven den grond uitsteekt; draait dan links om, want daar kruisen +zich vier paden, en ik hoop, dat ge een schuilplaats zult vinden, +eer de storm opkomt." + +De Abt bedankte zijn wijzen raadgever; en de ruiters, hun paarden de +sporen gevende, ijlden voort als menschen, die verlangen de herberg +te bereiken, voor het uitbarsten van een nachtelijk onweder. Toen +het paardengetrappel verstomde, zeide Gurth tot zijn makker: "als de +eerwaarde vaders den weg volgen, dien gij hun zoo wijselijk aangewezen +hebt, zullen ze heden avond moeielijk Rotherwood bereiken." + +"Neen," zei de nar grijnzende, "maar ze kunnen, als het goed gaat, +Sheffield bereiken, en dat is een even geschikte plaats voor hen. Ik +ben zulk een slecht jager niet, dat ik den hond zou wijzen, waar het +wild ligt, als ik niet wil, dat hij er jacht op maakt." + +"Ge hebt gelijk," zeide Gurth; "het zou verkeerd zijn, als Aymer +jonkvrouw Rowena zag; en het ware mogelijk nog erger, als Cedric, +gelijk zeer waarschijnlijk is, met dezen krijgshaftigen monnik in +twist geraakte. Maar laten wij, als trouwe dienaren, hooren, zien +en zwijgen." + +Wij keeren tot de ruiters terug, die weldra de lijfeigenen verre +achter zich gelaten hadden, en het volgende gesprek hielden in de +Normandisch-Fransche taal, waarvan zich de hoogere standen algemeen +bedienden, met uitzondering van die weinigen, welke nog op hunne +Saksische afkomst roem droegen. + +"Wat verbeelden zich toch die kerels met hunne halsstarrige +onbeschaamdheid," zei de Tempelier tot den Cisterciënser, "en waarom +weerhieldt ge mij, toen ik ze kastijden wilde?" + +"Waarlijk, broeder Brian," hernam de Prior, "wat den één aangaat, +kan ik moeielijk de reden opgeven, waarom een nar niet als een gek zou +praten; en de andere boer is van dat woeste, ruwe, ongetemde geslacht, +waarvan men nog velen vindt, zooals ik u dikwerf gezegd heb, onder de +afstammelingen der overwonnen Saksers, en die er het grootste behagen +in scheppen, op alle mogelijke wijze hun afkeer van de overwinnaars +te toonen." + +"Ik zou hun de beleefdheid wel schielijk met slagen geleerd hebben," +merkte Brian aan; "ik ben gewoon met zulk volk om te gaan: onze +Turksche gevangenen zijn trotsch en onbuigzaam als Odin zelf; maar +een verblijf van twee maanden in mijn huis, onder de tucht van mijn +opziener, maakt hen nederig, ootmoedig, gedienstig en gehoorzaam. Maar, +Heer Prior, men moet zich voor vergif en dolk bij hen wachten, want +als men hun er de minste gelegenheid toe geeft gebruiken zij beiden +zonder omslag." + +"Goed," hernam Prior Aymer, "ieder land heeft zijn gewoonten en zeden; +en behalve dat wij, door dezen kerel te slaan, den weg naar Cedric's +woning niet zouden vernomen hebben, zou het zeker een twist tusschen +u en hem veroorzaakt hebben, zoodra wij bij hem aankwamen. Herinner +u, wat ik u gezegd heb: deze rijke _Franklin_ is trotsch, stout, +achterdochtig en oploopend, een tegenstander van den adel, en zelfs van +zijn buren, Reginald Front-de-Boeuf en Philip de Malvoisin, die toch +waarlijk geen kinderen zijn, om het er tegen op te nemen. Hij verdedigt +de voorrechten van zijn stam zoo stoutmoedig, en is zoo trotsch op +zijne lijnrechte afkomst van Hereward, een beroemd voorvechter der +_Heptarchie_, dat hij algemeen Cedric _de Sakser_ genoemd wordt; en +hij stelt er roem in tot dit volk te behooren, terwijl vele anderen +trachten hunne afkomst te verbergen, uit vrees van het _vae victis_, +dat is, van het lot der overwonnenen, te moeten ondergaan." + +"Prior Aymer," zei de Tempelier, "gij zijt een man van de wereld, een +kenner van echte schoonheid, en even ervaren als een minnezanger in +alle zaken de liefde betreffende; maar ik moet al eene buitengewone +schoonheid in die beroemde Rowena verwachten, om op te wegen tegen +de zelfverloochening en het geduld, die ik noodig heb, om zulk een +oproerigen boer te vleien, als gij haren vader Cedric beschreven hebt." + +"Cedric is haar vader niet," hervatte de Prior; "hij is slechts +een verre bloedverwant van haar; zij stamt van hooger bloed af, dan +zelfs dat, waarop hij aanspraak maakt. Tot haren voogd heeft hij zich, +naar ik meen, zelf aangesteld; maar zijne pupil is hem even dierbaar, +als een eigen kind. Over hare schoonheid zult gij weldra oordeelen; +en wanneer de blankheid van haar kleur en de gebiedende, maar zachte +uitdrukking van een teeder blauw oog de zwartgelokte meisjes van +Palestina, ja zelfs de _houris_ uit het paradijs van den ouden Mahomed, +niet uit uw geheugen verdrijven, zoo ben ik een ongeloovige en geen +echte zoon der Kerk." + +"Wordt uwe geroemde schoonheid," zei de Tempelier, "te licht in de +schaal bevonden, dan weet gij onze weddenschap!" + +"Mijn gouden halsketen tegen tien vaten Chios-wijn!" hernam de Prior; +"ze zijn de mijne, even zeker, alsof ze reeds in de gewelven van het +klooster lagen, onder bewaring van den ouden keldermeester Dennis." + +"En ik zal zelf rechter zijn," zei de Tempelier, "en alleen veroordeeld +worden als ik beken, dat ik sedert Pinkster een jaar zulk een mooi +meisje niet gezien heb. Zoo luidt onze overeenkomst, niet waar?--Prior, +uw halsketen loopt gevaar; ik zal ze over mijn ringkraag dragen bij +het tournooi te Ashby-de-la-Zouche." + +"Win ze eerlijk," antwoordde de Prior, "en draag ze wanneer ge +wilt. Ik zal uw uitspraak vertrouwen, op uw woord als ridder en +geestelijke. Maar, broeder! volg mijn raad: gewen u aan wat meer +beleefdheid, dan die waaraan gij tot hiertoe bij het heerschen over +ongeloovige gevangenen en Oostersche slaven gewoon zijt. Als Cedric +de Sakser zich beleedigd voelt,--en hij is zeer licht geraakt;--dan is +hij er de man naar, om ons, zonder eerbied voor uwe ridderschap, voor +mijn hoog ambt en de heiligheid van beiden, het huis uit te zetten, +en ons op het veld bij de leeuweriken te laten slapen, al ware het +ook middernacht. Pas ook op, met welke oogen gij Rowena aanziet; hij +bewaakt haar met angstige zorg en als hij daaromtrent den minsten +argwaan opvat, zijn wij verloren. Men zegt, dat hij zijn eenigen +zoon uit zijn huis verbannen heeft, omdat hij met verliefde oogen +deze schoone durfde aanzien, die, naar het schijnt, op een afstand +mag vereerd, maar niet anders genaderd worden, dan met de gedachten, +welke wij bij het altaar der Moeder Gods medebrengen." + +"Nu, gij hebt al genoeg gezegd," hernam de Tempelier; "ik zal mij voor +één avond inhouden, en mij zoo zachtzinnig als een meisje gedragen, +waar wat de vrees betreft, dat hij ons met geweld verjagen zou; +voor dergelijke beleediging zullen ik zelf, mijn schildknapen, en +Abdalla en Hamet u beschermen. Vrees niet, wij zijn sterk genoeg, +om ons met geweld kwartier te verschaffen!" + +"Wij moeten het zoo ver niet laten komen," antwoordde de Prior; +"maar hier is het vervallen kruis, waarvan de nar gesproken heeft, +en de nacht is zoo duister, dat wij nauwelijks zien kunnen, welken +weg te volgen. Hij heeft ons, meen ik, gezegd, wij moesten links gaan?" + +"Rechts," zeide Brian, "voor zoo ver ik mij herinneren kan." + +"Links--zeker links; ik herinner mij, dat hij met zijn houten zwaard +daarheen wees." + +"Ja! maar hij hield het zwaard in de linker hand, en wees over zijn +lichaam heen," hervatte de Tempelier. + +Ieder bleef hardnekkig bij zijn meening, gelijk meestal gebeurt in +dergelijke gevallen. Men beriep zich op het gevolg; maar de bedienden +waren te ver af geweest, om Wamba's aanwijzingen te hooren. Eindelijk +bespeurde Brian iets, hetwelk hem eerst in de schemering ontgaan +was. "Hier ligt aan den voet van het kruis iemand die slaapt, of dood +is.--Hugo, stoot hem aan met uwe lans." Nauwelijks was dit geschied, +of de gedaante rees op, in goed Fransch uitroepende: "Wie gij ook +zijn moogt, het is onbeleefd mij in mijne overpeinzingen te storen." + +"Wij wilden u slechts den weg naar Rotherwood, de woonplaats van +Cedric den Sakser vragen," zei de Prior. + +"Ik ga er zelf heen," hernam de vreemdeling; "en als ik een paard +had, zou ik uw gids zijn; want de weg is wat moeielijk te vinden, +schoon mij volkomen bekend." + +"Gij zult dank en belooning verdienen," hervatte de Prior, "zoo +gij ons veilig bij Cedric brengt." Hierop deed hij een van zijne +bedienden zijn eigen ros, dat tot hiertoe gemend werd, bestijgen, +en liet het paard waarop deze gereden had, aan den vreemdeling geven, +die tot gids dienen wilde. + +Hun leidsman sloeg een anderen weg in, dan dien, welken Wamba +hun had aangewezen, om hen op het dwaalspoor te brengen. Het pad +leidde weldra dieper door het woud, en over menige beek, die door +de omringende moerassen dikwerf moeielijk te naderen was; maar de +vreemdeling scheen, als door instinkt, den veiligsten grond en de +beste plaatsen tot den overtocht te kennen; en, door voorzichtigheid +en oplettendheid, bracht hij het reisgezelschap in een breedere laan, +dan ze nog gezien hadden; en op een groot, laag, onregelmatig gebouw +wijzende, dat aan het einde daarvan stond, zeide hij tot den Prior: +"Ginds is Rotherwood, de woning van Cedric den Sakser." + +Dit was eene blijde tijding voor Aymer, wiens zenuwen niet van +de sterkste waren, en die zooveel angst en onrust op den weg door +de gevaarlijke moerassen doorstaan had, dat hij nog niet eens de +gelegenheid had gehad, eene enkele vraag aan zijn gids te doen. Zich +nu weder verlicht, en dicht bij een schuilplaats ziende, begon zijn +nieuwsgierigheid te ontwaken, en hij vroeg den leidsman, wie en wat +hij was? + +"Een pelgrim, zoo even uit het Heilige Land teruggekeerd!" was het +antwoord. + +"Ge hadt daar liever moeten blijven, om voor het Heilige Graf te +strijden!" zei de Tempelier. + +"Zeker, eerwaarde heer ridder," hervatte de pelgrim, wien het voorkomen +van den Tempelier geheel niet vreemd scheen; "maar wanneer zij, die +door hun eed verplicht zijn, de Heilige Stad te veroveren, zoo ver van +het tooneel hunner plichten rondreizen, kunt gij u dan verwonderen, +dat een vreedzame landman, zooals ik, een voornemen opgaf, waarvan +zij afgezien hebben?" + +De Tempelier wilde een toornig antwoord geven, maar de Prior viel +hem in de rede, en betuigde opnieuw zijne verbazing, dat hun gids, +na eene lange afwezigheid, zoo goed den weg door het woud kende. + +"Ik ben in deze streken geboren!" antwoordde hij; en reeds stonden zij +voor Cedric's woning;--een laag, onregelmatig gebouw, verscheidene +plaatsen, of omheiningen, omvattende, en zich over een groote +ruimte uitstrekkende. Schoon de grootte daarvan den rijkdom van den +bezitter bewees, verschilde het zeer van de hooge, met torens bezette, +kasteelachtige gebouwen, door de Normandische edelen bewoond; welke +bouworde toen in geheel Engeland algemeen was geworden. Rotherwood +was intusschen niet zonder verdedigingsmiddelen: geen gebouw kon +die ook in deze onrustige tijden missen, zonder gevaar te loopen op +een schoonen morgen uitgeplunderd en verbrand te worden. Een diepe +gracht omringde het geheele huis, en werd door een naburigen stroom +met water voorzien. Dubbele palissaden van puntige balken, welke het +nabij gelegen woud opleverde, verdedigden den buiten- en binnenkant der +gracht. Er was een ingang, ten westen, door de buitenste palissaden, +welke door een ophaalbrug met een soortgelijke opening aan den +binnenkant in gemeenschap stond. Men had nog daarenboven deze ingangen +door vooruitspringende hoeken beschermd, van welke zij, in geval van +nood, door boogschutters en slingeraars konden bestreken worden. + +Vóór dezen ingang blies de Tempelier luid op zijn horen, want de regen, +die lang gedreigd had, begon nu met geweld te vallen. + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + + Toen (droevige hulp), is de Sakser gekomen + Van Duitschlands verwijderde kusten en stroomen, + Roodwangig, blondharig, blauwoogig en sterk.-- + + Thomson's "Vrijheid." + + +In eene zaal, wier hoogte volstrekt niet in evenredigheid was met haar +buitengewone lengte en breedte, stond een lange, eikenhouten tafel, uit +ruw behouwen planken gemaakt, die nauwelijks eenigszins afgeschaafd +waren, gereed voor het avondmaal van Cedric den Sakser. Het dak, +bestaande uit balken en dwarshouten, beschermde alleen door een laag +planken en stroo dit vertrek voor de buitenlucht. Er was aan iedere +zijde van de zaal een groote stookplaats; maar daar de schoorsteenen +op zeer lompe wijze gebouwd waren, kwam er ten minste evenveel rook +in het vertrek, als er uit. De gedurige damp, hierdoor veroorzaakt, +had de dwarshouten en balken van de lage zaal met een zwart vernis +van roet overtrokken. Langs de muren van de kamer hingen jacht- +en krijgsgereedschappen en aan iederen hoek waren vleugeldeuren, +welke toegang tot andere deelen van het uitgestrekte gebouw verleenden. + +Het overige van het huis getuigde van de ruwe eenvoudigheid van den +Saksentijd, die Cedric ijverig trachtte staande te houden. De vloer +bestond uit aarde, met kalk vermengd, vast gestampt, evenals onze +hedendaagsche dorschvloeren. Omtrent een vierde van de lengte van +het vertrek was de vloer één voet verhoogd, en deze ruimte, welke +men _daïs_ noemde, werd alleen door de hoofdleden van het gezin en +de aanzienlijke bezoekers betreden. + +Voor hen bestemd, was een tafel met een scharlaken kleed bedekt, dwars +op dezen _daïs_ geplaatst; van welker midden de langere en lagere +tafel uitging, aan welke de bedienden en minderen beneden in de zaal +zaten. Het geheel had de gedaante van een T., of van een dier oude +eettafels, welke, naar hetzelfde plan gemaakt, nog in de oude Collegiën +van Oxford en Cambridge te zien zijn. Zware stoelen en zetels van +uitgesneden eikenhout stonden op de hoogte, en boven deze zitplaatsen +en de tafel, was een verhemelte van linnenstof uitgespannen, dat +diende om de aanzienlijke personen, welke deze eereplaats bekleedden, +eenigszins tegen het weder en den regen te beschermen, die op sommige +plekken zich een weg baande door het slecht gebouwde dak. + +De muren van dit bovenste gedeelte der zaal, zoo ver zich de _daïs_ +uitstrekte, waren met tapijten of gordijnen bedekt, en op den vloer lag +een kleed; deze waren met proeven van weef- en borduurkunst versierd, +in schitterende, of liever bonte kleuren. Boven de lagere rij tafels, +was het dak, zooals reeds gezegd is, niet bedekt; de grof bepleisterde +muren waren naakt gelaten, en de ruwe aarden vloer was zonder kleed; +de tafel was ongedekt, en lompe, zware banken bekleedden de plaats +van stoelen. + +Aan het midden van de bovenste tafel stonden twee stoelen, hooger dan +de anderen, voor den meester en de meesteres van het gezin, welke +het voorzitterschap bij de maaltijden bekleedden, en hiervan hun +Saksischen eeretitel ontleenden van: "de Brooduitdeelers." Bij ieder +van deze stoelen behoorde een voetenbankje, fraai uitgesneden en met +ivoor ingelegd, een blijk van onderscheiding, die hun toekwam. Een +dezer zitplaatsen was bezet door Cedric den Sakser, die, schoon in +rang slechts een _Thane_, of, zooals de Normandiërs hem noemden, een +_Franklin_, bij het vertragen van zijn avondeten een driftig ongeduld +toonde, hetwelk een Londenschen raadsheer van den ouderen of lateren +tijd eer zou aangedaan hebben. Men kon inderdaad uit de gelaatstrekken +van den huisheer opmaken, dat hij van oprechten maar driftigen en +opvliegenden aard was. Hij was niet boven de middelmatige grootte, +maar hij had breede schouders, lange armen, en was sterk gebouwd, +als een man, gewoon aan de vermoeienissen van den strijd en van de +jacht; zijn gezicht was fraai gevormd, breed, met groote blauwe oogen, +opene en oprechte trekken en mooie tanden, en drukte tegelijk die soort +van goede luim uit, welke dikwijls met een oploopend, driftig gemoed +gepaard gaat. Hoogmoed en ijverzucht waren in zijn oog te lezen; want +hij had zijn leven doorgebracht met rechten te handhaven, die gedurig +werden aangevallen; en zijn vurige, moedige en standvastige aard was +altijd door de bijzondere tijdsomstandigheden wakker gehouden. Zijn +lang, geel haar was gescheiden midden op het voorhoofd, en aan beide +zijden tot over de schouders neergekamd; het was nog weinig grijs, +ofschoon Cedric reeds zijn zestigste jaar naderde. + +Zijn kleeding bestond uit een gewaad van donkergroene kleur, aan den +hals en de opslagen bezet met een zekere soort van bont, _minever_ +genoemd, dat niet zoo kostbaar was als het hermelijn, en, naar +men meent uit grijze konijnevellen gemaakt werd. Dit gewaad hing, +zonder toegeknoopt te zijn, over een nauwen scharlaken lijfrok, die +dicht om het lichaam sloot; hij droeg een broek van dezelfde kleur, +die echter niet verder dan boven de knie ging, welke bloot was. Zijn +voeten waren met sandalen bedekt, van vorm dezelfde als die der boeren, +maar van fijner maaksel, en van voren met gouden haken vastgemaakt. Hij +droeg gouden armbanden en een breede halsketen van hetzelfde kostbare +metaal. Om zijn middel sloot een rijk versierde gordel, waarin een +kort, recht, tweesnijdend zwaard, met scherpe punt, bijna loodrecht +aan zijn zijde hing. Achter zijn stoel hing een scharlaken mantel met +pels gevoerd, en een rijk geborduurde muts van dezelfde stof, die de +kleeding van den rijken landheer voltooiden, als hij uitging. Een +korte jachtspies, met een breede, scherpe stalen punt, leunde ook +tegen den rug van zijn stoel, welke hem, naar omstandigheden, tot +wandelstaf, of wapen diende. Verscheidene bedienden, wier kleeding +trapsgewijs afdaalde van de rijke kleeding van den meester tot de grove +en eenvoudige dracht van Gurth, den zwijnenhoeder, volgden de wenken +van den Saksischen heer en wachtten op zijne bevelen. Twee of drie +dienaren van hoogeren rang stonden achter hun meester op den _daïs_; +de overigen waren in het benedenste gedeelte van de zaal. Nog waren er +onderdanen van anderen aard; namelijk eenige groote, ruige windhonden, +zooals men toen op de wolven- en hertenjacht gebruikte; even zoovele +groote honden van sterk, gespierd ras, met dikke halzen, groote +koppen en lange ooren; en een paar van die kleinere dieren, welke men +dashonden noemt. Allen keken met ongeduld uit naar het avondeten, +maar met de aan hun ras eigene gelaatkunde, wachtten zij zich wel +het knorrige stilzwijgen van hun meester te storen, waarschijnlijk +uit vrees voor een wit knuppeltje, hetwelk naast Cedric's bord lag, +om zijn viervoetige lijfeigenen in orde te houden. Slechts een oude, +grijze wolfhond had zich, met de vermetelheid van een gunsteling, +dicht bij den stoel van Cedric nedergelegd, en zocht van tijd tot +tijd zijn opmerkzaamheid te trekken, door zijn grooten ruigen kop +op zijns meesters knie, of zijn neus in diens hand te leggen. Maar +zelfs deze werd teruggedreven met het strenge bevel: "Weg, Balder, +weg! ik ben in geene stemming voor gekheden!" + +Cedric was werkelijk, gelijk reeds aangemerkt is, niet in de beste +luim. Jonkvrouw Rowena, die naar den avonddienst in een verafgelegen +kerk geweest was, keerde zooeven terug en verkleedde zich, daar zij +door den regen overvallen was. Er was nog geen bericht van Gurth en +zijn kudde, welke reeds lang uit het bosch hadden moeten terug zijn; en +zoo groot was de onveiligheid van allen eigendom, dat hun wegblijven +zeer goed veroorzaakt kon zijn door een aanval der vrijbuiters, +waarvan het naburige bosch wemelde, of door de gewelddadigheid van +den een of anderen naburigen edele, die, van zijne macht bewust, de +wetten van eigendom even weinig achtte. Het verlies zou van belang +geweest zijn, daar een groot gedeelte van den huiselijken rijkdom +der Saksische eigenaars uit talrijke kudden varkens bestond, vooral +in de boschstreken, waar deze dieren gemakkelijk voedsel vonden. + +Behalve deze redenen tot bezorgdheid, verlangde de Saksische _Thane_ +ook naar de tegenwoordigheid van zijn gunsteling Wamba, wiens grappen, +hoe slecht die ook waren, als een soort van prikkel dienden bij zijn +avondmaal en bij de lange teugen wijn, die hij daarbij gebruikte. Voeg +bij dit alles, dat Cedric sedert den middag niet gegeten had, en dat +het gewoon uur voor het avondmaal reeds lang voorbij was,--op zich +zelf reeds eene reden tot toorn voor landjonkers van ouden en lateren +tijd. Zijn ongenoegen uitte zich door enkele afgebrokene woorden, +deels in zich zelven geprutteld, en deels tegen de bedienden, die +rondom hem stonden, en bijzonder tegen zijn schenker, die hem van +tijd tot tijd, om hem bedaard te houden, een zilveren beker, met wijn +gevuld, aanbood. "Waar blijft Jonkvrouw Rowena?" vroeg hij. + +"Zij verandert alleen van hoofdtooi," antwoordde eene vrouwelijke +bediende, met al het zelfvertrouwen, waarmede de kamenier van de +lievelingsdochter gewoonlijk den vader van een hedendaagsch gezin +antwoordt: "Gij zoudt toch niet willen, dat zij met kap en mantel +aan tafel kwam? En geene dame in het geheele graafschap is vlugger +bij het kleeden dan mijne meesteres." + +Dit ontegensprekelijke gezegde lokte een soort van toestemmend +"hm!" van den kant des Saksers uit, met het bijvoegsel: "Ik hoop, +dat zij mooi weer zal kiezen, den eersten keer, dat zij weder in de +St. Janskerk wil gaan bidden;--maar wat, in 's duivels," vervolgde +hij tot den schenker, de stem verheffende, alsof hij gelukkig was eene +afleiding voor zijn ontevredenheid te vinden, zonder dat hij behoefde +te vreezen tegengesproken te worden, "wat houdt, in 's duivels naam, +Gurth zoo lang in het veld op? Ik vrees, dat wij slechte tijding van +de kudde zullen krijgen; hij was anders een getrouwe en voorzichtige +herder, en ik had hem tot iets beters bestemd: misschien zou ik hem +tot een mijner knechts [4] gemaakt hebben." + +Oswald, de schenker, hernam bescheiden, "dat het nauwelijks een uur +geleden was, dat de klok het sein voor het uitdoen van het licht +geluid had;" een slecht gekozene verontschuldiging, daar zij gewag +maakte van een onderwerp, dat zoo onaangenaam voor Saksische ooren was. + +"De duivel hale de klok," riep Cedric uit, "en den wreeden bastaard, +die het ingevoerd heeft, en den lagen slaaf, die het met een Saksische +tong aan een Saksisch oor noemt! De klok!" ging hij na eene stilte +voort, "ja, de klok, welke brave menschen verplicht het licht uit +te blusschen, opdat dieven en roovers hunne daden in het duistere +verrichten kunnen! Ja, die klok;--Reginald Front-de-Boeuf en Phillippe +de Malvoisin kennen het gebruik er van even goed, als Willem de +Bastaard zelf, of eenig ander Normandisch gelukzoeker, die bij Hastings +vocht. Ik zal vermoedelijk hooren, dat mijn eigendom is weggevoerd, +om de uitgehongerde bandieten, die zij alleen door roof en diefstal +kunnen onderhouden, van den hongerdood te redden; dat mijn getrouwe +slaaf vermoord is, en mijne kudden gestolen zijn;--en Wamba--waar is +Wamba? Heeft niet iemand gezegd, dat hij met Gurth was uitgegaan?" + +Oswald beantwoordde deze vraag toestemmend. + +"Wel--het wordt hoe langer hoe mooier! Hij is weggekaapt--de Saksische +nar--om den Normandischen heer te dienen. Gekken zijn wij inderdaad +allen, dat wij hun onderworpen zijn, en geschiktere voorwerpen voor +hunne verachting en hun spot, dan zij, die maar met een half verstand +geboren waren. Maar ik zal mij wreken," voegde hij er bij, toornig +over het veronderstelde onrecht, terwijl hij van zijn stoel opsprong +en zijn jachtspies greep: "ik zal mijne klachten voor den grooten raad +brengen, ik heb vrienden, ik heb aanhangers--man tegen man zal ik den +Normandiër in het strijdperk roepen; laat hem komen in staal en harnas, +en al wat den lafhartigen moed kan inboezemen; ik heb zulk een spies, +als deze, wel door een borstwering heen geworpen, driemaal zoo dik als +hunne schilden!--Misschien houden zij mij voor oud, maar zij zullen +ondervinden, dat, ofschoon ik alleen en kinderloos ben, het bloed van +Hereward nog door Cedric's aderen stroomt.--Ach Wilfrid! Wilfrid!" riep +hij op zachteren toon, "hadt gij uw onverstandigen hartstocht kunnen +beheerschen, dan stond uw vader niet in zijn ouderdom verlaten daar, +gelijk de eenzame eik, die zijn geknakte en onbeschermde takken tegen +de volle woede van den storm uitbreidt!" Deze herinnering scheen +zijn toorn in droefheid te veranderen. Zijn jachtspies neêrzettende, +nam hij weder plaats, sloeg de oogen naar den grond, en scheen geheel +in zwaarmoedige gedachten verzonken. + +Uit deze overpeinzing werd Cedric plotseling gewekt door het geluid +van een horen, hetwelk beantwoord werd door het luidruchtig gehuil en +geblaf van alle honden in de zaal, en wel twintig of dertig anderen +in het overige gedeelte van het gebouw. Met behulp van den witten +stok, en van de bedienden, werd er spoedig een einde gemaakt aan +dit hondengeschreeuw. + +"Naar de poort, knapen!" zeide de Sakser haastig, zoodra het gedruisch +in zoo verre bedaard was, dat de bedienden zijn stem verstaan +konden. "Gaat hooren, welke tijding ons die horen brengt;--denkelijk +verkondigt men ons de eene of andere gewelddadigheid en rooverij op +mijn gebied." + +Een der bedienden, die in minder dan drie minuten teruggekeerd was, +meldde "dat de Prior Aymer van Jorvaulx, en de edele Ridder Brian de +Bois-Guilbert, Kommandeur van de krijgshaftige en eerwaardige orde der +Tempelieren, met een klein gevolg, gastvrijheid en huisvesting voor +den nacht verzochten, daar zij op weg waren naar een tournooi, dat +over twee dagen niet ver van Ashby-de-la-Zouche gehouden zou worden. + +"Aymer, Prior Aymer? Brian de Bois-Guilbert?" bromde Cedric; "beide +Normandiërs; maar Normandiër of Sakser, de gastvrijheid van Rotherwood +moet niet geschonden worden; zij zijn welkom, daar zij goed gevonden +hebben hier aan te kloppen,--maar het zou mij nog meer welkom geweest +zijn, als zij verder gereden waren. Het zou echter beneden mij zijn, +over huisvesting voor een enkelen nacht en een avondmaal te morren; als +gasten zullen zelfs Normandiërs hun onbeschaamdheid beteugelen.--Ga, +Hundebert," zei hij tot een soort van _Major-domus_, die achter +hem stond met een witten staf; "ga, neem zes der bedienden mede, +en breng de vreemdelingen in het gastenvertrek. Zie naar hun paarden +en muilezels, en zorg, dat het hun gevolg aan niets ontbreke. Geef +hun andere kleederen, als zij die begeeren, vuur, en water om zich +te wasschen, en wijn en bier. Zeg aan de koks, dat zij schielijk +nog iets bij ons avondeten gereed moeten maken; en opdoen, wanneer +die vreemdelingen gereed zijn om er aan deel te nemen. Zeg hun, +Hundebert, dat Cedric zelf hen verwelkomen zou, zoo hij niet eene +gelofte gedaan had nooit verder dan drie stappen van den _daïs_ +van zijn zaal iemand te gemoet te gaan, die niet van het koninklijk +Saksische bloed is. Ga heen! Verzorg hen goed; laten wij hen niet +in hun hoogmoed doen zeggen: de Saksische boer heeft tegelijk zijne +armoede en zijne gierigheid getoond." + +De _Major-domus_ vertrok met verscheidene bedienden, om de bevelen van +zijn meester ten uitvoer te brengen. "Prior Aymer?" herhaalde Cedric, +Oswald aanziende: "de broeder, zoo ik mij niet vergis, van Giles de +Mauleverer, thans heer van Middleham?" + +Oswald bevestigde dit eerbiedig. + +"Zijn broeder woont op het landgoed, en heeft het vaderlijke erfdeel +vermeesterd van een beter geslacht, dan dat van Ulfgar van Middleham; +maar welk Normandisch edele doet dat niet? De prior is, zegt men, +een vrije en vroolijke priester, die meer van den wijnbeker en den +jachthoren, dan van het kerkklokje en het misboek houdt. Goed, laat +hem komen, hij zal welkom zijn. Hoe noemdet gij den Tempelier?" + +"Brian de Bois-Guilbert." + +"Bois-Guilbert," zeide Cedric, altijd in zich zelven brommende, iets +dat hij zich aangewend had door altijd onder zijn minderen te leven, +zoodat hij meer met zich zelven sprak, dan met de menschen rondom +hem.--"Bois-Guilbert? Die naam is wijd en zijd bekend--ten goede en +ten kwade. Men zegt, dat hij niet onderdoet in dapperheid voor de +heldhaftigsten van zijn orde; maar dat hij met hunne gewone ondeugden, +hoogmoed, verwaandheid, wreedheid en wellust is bevlekt; dat hij een +hardvochtig man is, zonder vrees voor de wereld, en zonder ontzag voor +den hemel. Dit zeggen de weinige krijgslieden, welke van Palestina zijn +teruggekeerd.--Goed; het is maar voor één nacht; hij zal ook welkom +zijn.--Oswald, tap van den oudsten wijn; zet de beste mee, den meest +schuimenden appelwijn, het dikste _morat_, het welriekendste _pigment_ +[5] op tafel; vul de grootste drinkhorens. Tempelieren en Abten houden +van goeden wijn en goede maat. Elgitha, zeg aan Jonkvrouw Rowena, +dat wij haar dezen avond niet in de zaal zullen verwachten, tenzij +het haar bijzonder verlangen zij, hier te komen." + +"Maar het zal haar bijzonder verlangen zijn," hernam Elgitha vlug, +"want zij is er altijd op gesteld het laatste nieuws uit Palestina +te vernemen." + +Cedric wierp het neuswijze meisje een blik toe, die een snel opkomende +drift verried, maar Rowena, en allen, die haar toebehoorden, waren +veilig voor zijn toorn. Hij antwoordde dus slechts: "Stil, meisje, uw +tong is te voorbarig! Geef mijne boodschap aan uw meesteres, en laat +haar doen, zooals zij verkiest. Hier, tenminste, zal de afstammelinge +van Alfred nog als vorstin heerschen." Elgitha verliet het vertrek. + +"Palestina!" herhaalde Cedric, "Palestina! hoe velen luisteren naar de +verhalen, welke losbandige kruisvaarders, of schijnheilige pelgrims uit +dat ongelukkig land medebrengen! Ik zou ook wel willen vragen--ook wel +onderzoeken, ook wel met een kloppend hart luisteren naar sprookjes, +waardoor listige reizigers onze gastvrijheid afbedelen;--maar +neen!--de zoon, die mij ongehoorzaam is geweest, is mijn zoon niet +meer; ook wil ik niet meer belang in zijn lot stellen, dan in dat +van den onwaardigsten onder de millioenen, die ooit het kruis op den +schouder droegen, zich in buitensporigheden en bloedschuld stortten, +en dit noemden: "Gods wil doen!"" + +Hij fronste de wenkbrauwen en sloeg de oogen voor een oogenblik op +den grond; toen hij weder opkeek, werden de vleugeldeuren aan het +benedeneinde van de zaal wijd opengeworpen, en, voorafgegaan door den +_Major-domus_ met zijn staf en vier bedienden met brandende fakkels, +traden de gasten het vertrek binnen. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + + Ter feestdisch werd gebracht het vleesch van runder, geit, + Van 't vette zwijn en schaap, behoorlijk toebereid; + Het brood werd rondgedeeld; de bekers volgeschonken, + En allen zaten aan en aten zaâm en dronken. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + Verwijderd zat alleen Ulysses, lager af, + Op nederiger plaats, die hem met voordacht gaf + Telemachus. + + _Odyssee_, Boek XXI. + + +Prior Aymer had van de aangeboden gelegenheid gebruik gemaakt, om +zijn rijkleed tegen een van nog kostbaarder stof te verwisselen, over +hetwelk hij een schoon geborduurden priestermantel droeg. Behalve +den grooten, gouden zegelring, welke zijn geestelijke waardigheid +aanduidde, waren zijn vingers, ofschoon strijdig met de kerkelijke +wet, met edelgesteenten versierd; zijn sandalen waren van het fijnste +leder, dat uit Spanje ingevoerd werd; zijn baard was zoo kort gesneden, +als de regels van zijn orde maar toelieten; en zijn geschoren kruin +was verborgen onder een rijk scharlaken kapje. + +De kleeding van den Tempelier had ook een verandering ondergaan, +en, schoon met minder zorg versierd, was ze even rijk, en zijn +voorkomen meer indrukwekkend, dan dat van zijn metgezel. Hij had zijn +maliënkolder verwisseld tegen een onderkleed van donker purper zijde, +met bont omzet, waarover zijn lang, vlekkeloos wit bovenkleed in ruime +plooien hing. Het achthoekige kruis van zijn orde was op den schouder +van zijn mantel in zwart fluweel opgelegd. De hooge muts bedekte zijn +voorhoofd niet meer, dat alleen door zijn kort, dik gekruld, pikzwart +haar, dat overeenkwam met zijn buitengewoon donkere gelaatskleur, +overschaduwd was. Niets zou de bevalligheid en deftigheid van zijn +gang en zijn manieren overtroffen hebben, als deze niet ontsierd +waren geweest door een in het oog vallenden schijn van hoogmoed, +die zoo licht verkregen wordt door het uitoefenen van onbeperkt gezag. + +Deze beide aanzienlijke mannen werden gevolgd door hunne bedienden, +en op een eerbiedigen afstand door hun gids, wiens persoon verder +niets belangwekkends had, dan de gewone kleeding van een pelgrim. Een +mantel van grof, zwart laken bedekte zijn geheele lichaam, en +geleek in snede op een hedendaagschen huzaren-mantel, met dezelfde +slippen tot bedekking der armen: deze droeg den naam van _Sclaveyn_, +of _Sclavoniër_. Grove sandalen, met riemen vastgebonden, aan zijn +bloote voeten, een hoed met breeden rand, met schelpen omzoomd, en +een lange staf met ijzer beslagen, aan welks boveneinde een palmtak +was vastgemaakt, voltooiden de kleeding van den pelgrim. Hij hield +zich zedig achter de laatsten van het gevolg, en bespeurende, dat +de benedenste tafel nauwelijks ruim genoeg was voor de bedienden van +Cedric en zijn gasten, ging hij op een bankje zitten, dat naast, of +bijna onder een breeden schoorsteen stond, en scheen zich te willen +bezighouden met zijn kleederen te drogen, tot het vertrek van den een +of ander ruimte aan de tafel zou maken, of tot de gastvrije hofmeester +hem op de plaats waar hij nu zat, met ververschingen zou voorzien. + +Cedric stond op, ontving de vreemdelingen met eene waardige +gastvrijheid, en van het hoogere gedeelte van de zaal afstappende, +deed hij drie schreden naar hen toe, en wachtte toen, tot zij naderden. + +"Het spijt mij, eerwaardige Prior," zeide hij, "dat mijne gelofte +mij verbiedt, om iemand in het huis mijner vaderen verder tegemoet +te gaan,--zelfs om zulke gasten als u en dezen dapperen Tempelier te +ontvangen. Maar mijn hofmeester heeft u de reden mijner schijnbare +onbeleefdheid verklaard. Laat mij ook om verschooning bidden, dat ik +in mijne moedertaal tot u spreek, en u tevens verzoeken mij daarin +te antwoorden, als gij er zoo veel van verstaat; zoo niet, ken ik +Normandisch genoeg, om uw gesprek te volgen." + +"Geloften," hernam de Abt, "moeten ongeschonden blijven, waardige +_Franklin_, of vergun mij liever te zeggen, waardige _Thane_, ofschoon +deze titel verouderd is. Geloften zijn de banden, welke ons met den +hemel vereenigen, en die het offer aan het altaar binden; daarom +moeten zij--zooals ik reeds zeide--ongeschonden blijven, tenzij +onze heilige moeder, de kerk, het tegendeel beslisse. En wat de taal +betreft--ik gebruik gaarne die taal, welke mijn geëerde grootmoeder, +Hilda van Middleham, sprak, die in den reuk van heiligheid stierf, +weinig onder doende, naar ik geloof, voor haar roemrijke naamgenoote, +de heilige Hilda van Whitby, God zij harer ziel genadig!" + +Toen de Prior deze, naar hij meende, verzoenende woorden had gesproken, +zeide zijn metgezel kort en nadrukkelijk: "Ik spreek altijd Fransch, +de taal van koning Richard en zijn edelen; maar ik versta de volkstaal +genoeg, om mij met de inboorlingen te kunnen onderhouden." + +Cedric wierp den spreker een van die driftige, ongeduldige blikken toe, +welke vergelijkingen tusschen de beiden om den voorrang strijdende +natiën meestal bij hem uitlokten; maar, zich de plichten der +gastvrijheid herinnerende, onderdrukte hij ieder verder teeken van +ongenoegen, en een wenk met de hand gevende, liet hij zijn gasten +twee plaatsen dicht bij de zijne, maar een weinig lager, innemen, +en gaf een teeken, om het avondeten op te dragen. + +Terwijl de bedienden zich haastten zijne bevelen ten uitvoer +te brengen, ontwaarde hij Gurth, den zwijnenhoeder, die zoo even +met zijn makker Wamba de zaal was binnen getreden. "Laat die trage +kerels hier komen!" riep de Sakser ongeduldig, en toen de schuldigen +voor den _daïs_ kwamen, duwde hij hun toe: "Hoe komt het, schelmen, +dat gij zoo lang daar buiten rond geslenterd hebt? Hebt gij uwe +kudde naar huis gebracht, Gurth, of is zij een buit der stroopers en +vrijbuiters geworden?" + +"De kudde is in veiligheid, om u te dienen!" zeide Gurth. + +"Maar het diende mij in het geheel niet," riep Cedric uit, "twee +uren lang het tegendeel te moeten gelooven, en hier op wraak te +zitten zinnen tegen mijn buren wegens een onrecht, dat zij mij niet +aangedaan hebben. Ik zeg het u, stokslagen en gevangenis zullen de +eerste overtreding van dien aard, die gij weder begaat, straffen!" + +Gurth, die zijns meesters driftigen aard kende, waagde geene +verontschuldiging; maar de nar, die, uit kracht van zijn voorrecht als +potsenmaker, op Cedric's toegevendheid kon rekenen, antwoordde voor +hen beiden: "Waarlijk, oom Cedric, gij zijt heden avond verstandig +noch redelijk." + +"Hoe!" zeide zijn meester; "gij zult naar de poortierswoning gezonden +worden en daar tucht leeren, als gij uw gekheid den teugel viert op +die manier." + +"Eerst onderrichte mij uwe wijsheid!" hernam Wamba. "Is het billijk +en redelijk den één voor den misslag des anderen te straffen?" + +"Zeker niet, nar!" antwoordde Cedric. + +"Waarom wilt gij dan den armen Gurth laten slaan, oom, wegens de +schuld van zijn hond Fangs? Want ik kan er op zweren, dat wij op weg +geen minuut tijds verloren hebben, nadat wij onze kudde bij elkander +hadden; wat Fangs niet ten einde bracht voor Vespertijd." + +"Hang Fangs dan op," zeide Cedric, zich haastig tot den zwijnenhoeder +wendende, "als het zijn schuld is; en maak dat gij een anderen hond +krijgt." + +"Met verlof, oom," hervatte de nar; "dat zou weder geene stipte +rechtvaardigheid zijn; want het is de schuld van Fangs niet, dat hij +lam is, en de kudde niet bij elkander kon krijgen; maar de schuld +van hen, die zijn beide klauwen afgesneden hebben, waartoe de arme +drommel zeker zijne toestemming niet zou gegeven hebben, zoo men hem +geraadpleegd had." + +"En wie heeft het gewaagd, een dier te verminken, dat aan mijn +lijfeigene toebehoort?" vroeg de Sakser, in toorn ontstekende. + +"Wel, dat deed de oude Huib," zeide Wamba, "de jachtopziener van +den ridder Philippe de Malvoisin. Hij betrapte Fangs, terwijl hij +door het bosch dwaalde, en zeide, dat hij jacht op het wild maakte, +strijdig met het recht van zijn meester, als houtvester." + +"De duivel hale Malvoisin," hervatte de Sakser, "en zijn opziener +daarbij! Ik zal hun leeren, dat het woud, volgens de boschwet, in +'t geheel geen bosch meer is. Maar genoeg hiervan--Nar, ga op uwe +plaats--en gij, Gurth, neem een anderen hond, en zoo de opziener dien +durft aanraken, dan zal ik hem het boogschieten verleeren; men schelde +mij voor een lafaard uit, zoo ik hem niet den voorsten vinger van +de rechterhand afhouw--hij zal geen boog meer spannen.--Ik verzoek +u vergiffenis, waardige gasten; ik ben hier door buren omgeven, +die niet beter zijn dan de ongeloovigen in het Heilige Land, heer +Ridder. Maar uw geringe maaltijd staat gereed; bedient er u van, +en laat de goede wil de slechte kost verschoonen." + +De maaltijd, intusschen, welke op tafel stond, behoefde geene +verontschuldigingen van den kant van den gastheer. Varkensvleesch, +op verschillende wijzen toebereid, stond op het benedeneinde der +tafel; alsook gevogelte, hertenvleesch, hazen- en geitengebraad +en verscheidene soorten van visch, met groote brooden, koeken, en +vruchten in honig ingelegd. De kleiner soorten van wild gevogelte, +dat er in overvloed was, werden niet in schotels voorgediend, +maar op kleine houten braadspitten, en door de pages en knechts, +die ze droegen, aan alle gasten aangeboden, die naar welgevallen +ervan afsneden. Naast ieder persoon van rang stond een zilveren +beker, en aan het benedeneinde der tafel groote drinkhorens. Toen de +maaltijd op het punt was van te beginnen, riep de _Major domus_, of +huishofmeester, eensklaps zijn staf verheffende, met luider stemme: +"Plaats voor Jonkvrouw Rowena!" Eene zijdeur aan het boveneinde der +zaal achter de eettafel ging open, en Rowena, door vier harer vrouwen +gevolgd, trad binnen. Cedric, ofschoon niet aangenaam verrast door de +verschijning van zijne pupil bij deze gelegenheid, ijlde haar tegemoet, +en geleidde haar met eerbiedige plechtigheid naar de verhevene plaats +aan zijne rechterhand, bestemd voor de vrouw des huizes. Allen stonden +op om haar te ontvangen; en, hunne begroeting met eene stomme buiging +beantwoordende, nam zij bevallig hare plaats aan de tafel in. Vóórdat +zij tijd had dit te doen, fluisterde echter de Tempelier den Prior toe: +"Ik zal bij het toernooi geen gouden ketting van u dragen. Gij hebt +den Chioswijn gewonnen!" + +"Heb ik het niet gezegd?" antwoordde de Prior. "Maar matig uwe +verrukking, de _Franklin_ slaat u gade." + +Zonder op deze waarschuwing te letten, en gewoon slechts naar de +ingeving van zijne wenschen te luisteren, hield Brian de Bois-Guilbert +het oog gevestigd op de Saksische schoonheid, die misschien des +te meer zijne verbeelding trof, omdat ze zoozeer van de Oostersche +Sultanes verschilde. + +Geene vrouwelijke gestalte kon heerlijker zijn dan die van Rowena, +die, hoe rank ze ook was, door buitengewone grootte toch niet de +aandacht tot zich trok. Hare gelaatskleur was buitengemeen blank, +maar de edele vorm van haar hoofd en van haar trekken bewaarde voor +het gebrek aan uitdrukking, dat soms aan zeer blanke schoonheden +eigen is. Haar helderblauw oog, schitterend onder schoon geteekende, +bruine wenkbrauwen, die donker genoeg waren om het voorhoofd te doen +uitkomen, scheen even vurig als teeder, even gebiedend als smeekend +te zijn. Ofschoon zachtmoedigheid de gewone uitdrukking harer trekken +was, had het gevoel van meerderheid en de algemeene hulde, die men haar +bewees, blijkbaar aan de Saksische jonkvrouw iets hoogmoedigs gegeven, +dat met haar natuurlijken aanleg ineengesmolten was. Haar schoon haar, +tusschen bruin en blond in, was op grillige, doch bevallige wijze, +in talrijke krullen opgemaakt, waarbij de kunst waarschijnlijk de +natuur had bijgestaan. Deze lokken waren met edelgesteenten versierd, +en hingen in hun volle lengte neder, waaruit men de edele afkomst +en den vrijgeboren stand der maagd kon opmaken. Een gouden ketting, +waaraan een kleine reliquie van hetzelfde metaal was vastgemaakt, +hing om haar hals. Zij droeg armbanden om de bloote armen. Haar +kleeding bestond uit een onderkleed en lijfje van lichtgroene zijde, +waarover een lang, ruim gewaad hing, dat tot op den grond reikte en +wijde mouwen had, die ongeveer tot den elleboog gingen. Dit kleed was +karmozijnrood, en uit de allerfijnste wol gemaakt. Een zijden sluier, +met goud doorweven, was aan het bovenste gedeelte daarvan bevestigd, +welke, naar verkiezing, volgens de Spaansche mode over het gezicht en +den boezem kon getrokken worden, of als een draperie om de schouders +geslingerd. + +Toen Rowena bespeurde, dat de oogen van den Tempelridder op haar +gevestigd waren, met een vuur, dat, vergeleken met de donkere holten +waarin zij zich bewogen, hun het voorkomen van gloeiende kolen gaf, +sloeg zij den sluier met waardigheid over het gelaat, als een teeken, +dat de stoute vrijheid van zijn blik haar mishaagde. Cedric zag de +beweging en begreep de oorzaak er van. "Heer Tempelier," zeide hij, +"de wangen van onze Saksische meisjes zijn nog niet genoeg aan de zon +gewend, om den stouten blik van een kruisvaarder te kunnen verdragen." + +"Zoo ik beleedigd heb," hernam Brian, "dan verzoek ik vergiffenis,--dat +wil zeggen, ik vraag vergiffenis aan Jonkvrouw Rowena,--want de mate +mijner nederigheid laat niet toe, dat ik die elders inroep." + +"Jonkvrouw Rowena," zeide de Prior, "heeft ons allen gestraft, door +de stoutheid van mijn vriend te kastijden. Ik wil hopen dat zij minder +wreed zal zijn voor den schitterenden stoet bij het toernooi." + +"Het is nog onzeker of wij er heen gaan," zeide Cedric. "Ik ben geen +vriend van die ijdele vertooningen, die aan mijne voorouders onbekend +waren, toen Engeland vrij was." + +"Laat ons evenwel hopen," hernam de Prior, "dat ons gezelschap u +moge overhalen om er heen te reizen; als de wegen zoo onveilig zijn, +is het geleide van Sir Brian de Bois-Guilbert niet te verachten." + +"Heer Prior," antwoordde de Sakser, "waar ik ook in dit land gereisd +heb, tot hiertoe, heb ik, met behulp van mijn goed zwaard en van +mijn getrouwe dienaars, nog nooit vreemde hulp noodig gehad. Zoo +wij nu nog naar Ashby-de-la-Zouche gaan, dan doen wij dat met mijn +edelen buur en landsman Athelstane van Coningsburgh, en met een +gevolg, dat ons zoowel tegen vrijbuiters, als vijanden van hoogeren +stand zal beschermen.--Ik breng u dezen beker wijn toe, heer Prior, +welken gij, hoop ik, naar uw smaak zult vinden, en ik dank u voor uw +beleefdheid.--Maar zoo gij streng aan uw kloosterregel gehecht zijt, +en aan een dronk zure melk de voorkeur geeft, laat dan de beleefdheid +u niet dwingen, mij bescheid te doen." + +"Neen," zei de Priester lachende, "het is alleen in onze abdij, dat +wij ons bij het _lac dulce_ of _lac acidum_ bepalen. Als wij met de +wereld verkeeren, volgen wij de gebruiken der wereld, en derhalve doe +ik u in dezen heerlijken wijn bescheid, en laat den zwakkeren drank +aan mijn leekebroeder over." + +"En ik," zei de Tempelier, zijn beker met _Wassail_ [6] vullende, "ik +breng dezen dronk aan de schoone Rowena; want sedert haar naamgenoot, +lang geleden, dit gebruik in Engeland invoerde, is er nooit iemand deze +eer waardiger geweest dan zij. Op mijn woord, de ongelukkige Vortigern +verdiende vergiffenis, indien zijn eer en zijn koninklijk half zoo +veel in gevaar waren om schipbreuk te lijden, als zij nu zouden zijn." + +"Spaar uw beleefdheid, heer Ridder!" hernam Rowena met waardigheid, en +zonder zich te ontsluieren; "of liever laat mij daarvan gebruik maken, +u te verzoeken mij het laatste nieuws uit Palestina te verhalen; een +onderwerp veel aangenamer voor Saksische ooren dan de complimenten, +welke de Fransche gewoonten medebrengen." + +"Ik heb weinig belangrijks te verhalen," antwoordde Sir Brian de +Bois-Guilbert, "behalve de zekere tijding van een wapenstilstand +met Saladin." + +Wamba, die zijne gewone plaats had ingenomen op een stoel, die met twee +ezelsooren versierd was, omtrent twee stappen achter den zetel van zijn +meester, die hem van tijd tot tijd spijzen van zijn eigen bord gaf, +een gunst echter, welke de nar met de lievelingshonden deelde--waarvan, +zooals wij reeds gezegd hebben, verscheidene tegenwoordig waren--viel +hem hier in de rede. Dáár zat Wamba, met een tafeltje voor zich, +de beenen onder den stoel gestoken, zijn gezicht vertrekkende als +een notenkraker, en de oogen half gesloten, evenwel oplettend iedere +gelegenheid bespiedende, om van zijn vrijheid als nar gebruik te maken. + +"Deze wapenstilstanden met de ongeloovigen," riep hij uit, zonder er +zich aan te storen, hoe onverwacht hij den trotschen Tempelier in de +rede viel, "maken mij tot een oud man." + +"Hoe zoo, schelm?" vroeg Cedric, terwijl zijn blikken toonden, dat +hij bereid was om de verwachte aardigheid gunstig op te nemen. + +"Omdat ik," hernam Wamba, "mij herinner, dat er drie gedurende mijn +leven zijn gesloten, waarvan ieder vijftig jaren moest duren; zoodat, +bij elkander gerekend, ik ten minste honderd en vijftig jaren oud +moet zijn!" + +"Ik wil er u echter borg voor staan, dat gij niet van ouderdom zult +sterven," zei de Tempelier, die nu zijn vriend uit het woud herkende; +"als gij voortgaat, zulke aanwijzingen aan reizigers te geven, als +gij dezen avond aan den Prior en mij gegeven hebt." + +"Hoe, schurk!" stoof Cedric op; "reizigers den verkeerden weg +wijzen? Gij moet wat met de zweep hebben; gij zijt ten minste even +ondeugend als gek." + +"Ik bid u, oom," antwoordde de nar, "laat mijne gekheid ditmaal mijn +schelmstuk verontschuldigen. Ik heb mij slechts tusschen mijne rechter- +en linkerhand vergist; en hij, die een nar tot raadsman en wegwijzer +neemt, moet eene kleine dwaling over het hoofd zien!" + +Hier werd het gesprek afgebroken door het binnenkomen van den +poortierspage, die meldde, dat er een vreemdeling aan de poort was, +die toelating en gastvrijheid verzocht. + +"Laat hem binnen," zeide Cedric, "wie hij ook zij;--een nacht, zooals +die, welke buiten woedt, dwingt zelfs wilde dieren bij de tammen +te schuilen, en bescherming te zoeken bij den mensch, hun vijand, +liever dan door het geweld der elementen om te komen. Laat in al +zijn behoeften voorzien--zorg gij er voor, Oswald!" En de hofmeester +verliet de eetzaal, om de bevelen van zijn meester te doen uitvoeren. + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + + Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen, + zintuigen, gevoelens, zinnen, neigingen, hartstochten? Wordt + hij niet met hetzelfde voedsel gevoed, met dezelfde wapenen + gekwetst? Is hij niet aan dezelfde ziekten onderhevig? Wordt + hij niet door dezelfde geneesmiddelen genezen, door denzelfden + zomer en winter warm en koud gemaakt, als een Christen? + + Koopman van Venetië. + + +Oswald fluisterde bij zijn terugkomst zijn meester in het oor: "Het +is een Jood, die zich Izaäk van York noemt; past het, dat wij hem in +de zaal brengen?" + +"Laat Gurth uw ambt verrichten, Oswald," zei Wamba met zijn gewone +stoutheid: "de zwijnenhoeder is een geschikt geleider voor den Jood." + +"Heilige Maria!" riep de Abt, het teeken van het kruis makende, +"zal een ongeloovige Jood in dit gezelschap toegelaten worden?" + +"Een hond van een Jood," schreeuwde de Tempelier, "zou een verdediger +van het Heilige Graf naderen!" + +"Op mijn woord," zei Wamba, "de Tempeliers zijn meer op de erfenis +der Joden dan op hun gezelschap gesteld!" + +"Bedaard, waarde gasten," zeide Cedric; "mijne gastvrijheid mag niet +door uwe ontevredenheid belemmerd worden. Zoo de Hemel de geheele +natie van stijfhoofdige ongeloovigen sedert meer jaren geduld heeft, +dan een leek tellen kan, kunnen wij de tegenwoordigheid van één Jood +wel voor eenige uren verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te +spreken of te eten.--Geeft hem een tafel en een schotel voor zich, +tenzij," zeide hij glimlachende, "deze getulbande vreemdelingen hem +in hun gezelschap willen opnemen." + +"Edele Sakser," antwoordde de Tempelier, "mijne Saraceensche slaven +zijn echte Mohammedanen, en verachten zoo goed als een Christen de +gemeenschap met een Jood." + +"Wel, waarlijk," zeide Wamba, "ik begrijp niet, waarom de vereerders +van Mohammed en den duivel zoo vele voorrechten zouden hebben, boven +het vroeger door den Hemel uitverkoren volk." + +"Hij zal bij u zitten, Wamba," zeide Cedric; "de nar en de schelm +passen goed bij elkander." + +"De nar," antwoordde Wamba, de overblijfselen van een ham in de +hoogte houdende, "zal zorg dragen, een bolwerk tegen den schelm op +te richten." + +"Stil," zeide Cedric; "daar komt hij!" + +Met weinig plechtigheid binnengeleid, vol vrees en aarzeling en +met vele ootmoedige buigingen binnentredende, naderde een lange, +magere grijsaard, die echter door de gewoonte van krom te gaan, +veel van zijn wezenlijke grootte verloren had, het benedeneinde der +tafel. Zijn scherpe en regelmatige trekken, zijn haviksneus, zijn +doordringende zwarte oogen, zijn hoog, gerimpelde voorhoofd, zijn +lang, grijs haar en lange baard hadden voor schoon kunnen doorgaan, +indien ze niet de onderscheidende kenteekens gedragen hadden van een +geslacht, dat in die onbeschaafde eeuwen evenzeer verfoeid werd door +het lichtgeloovige en bevooroordeelde gemeen, als vervolgd door den +inhaligen, roofzuchtigen adel, en dat, misschien door dezen haat +en die vervolging, over het algemeen een karakter had verkregen, +waarin, om het op het zachtst uit te drukken, tenminste veel laags +en onaangenaams was. + +De kleeding van den Jood, die geweldig van den storm scheen geleden te +hebben, bestond uit een eenvoudig somber gewaad met vele plooien, en +een donker purperkleurig kleed er onder. Hij had wijde laarzen aan, met +bont gevoerd, en om zijn middel een gordel, waarin een klein mes hing +en een koker met schrijfgereedschappen, maar geen wapenen. Hij droeg +een hooge, vierkante, gele muts van zonderling maaksel, die aan zijn +natie was voorgeschreven, om die van de Christenen te onderscheiden, +en welke hij met groote nederigheid bij de deur van de zaal afnam. + +De ontvangst van dezen man in de zaal van Cedric den Sakser had zelfs +den meest bevooroordeelden vijand van den Israëlitischen stam moeten +bevredigen. Cedric zelf knikte hem op zijn herhaald groeten slechts +koel toe, en gaf hem een wenk om aan het benedenste einde van de +tafel plaats te nemen, waar echter niemand geneigd scheen ruimte +voor hem te maken. Integendeel, terwijl hij de rij langs ging, een +vreesachtigen, smeekenden blik op iedereen werpende, die het lagere +einde der tafel bezette, haalden de Saksische bedienden de schouders +op, en gingen voort hun avondeten met grooten ijver te verslinden, +zonder in het minste acht te slaan op de behoeften van den nieuwen +gast. De bedienden van den Abt maakten een kruis, met teekens van +vromen afkeer, en zelfs streken de heidensche Saracenen, toen Izaäk +naderde, verontwaardigd de knevels op, en sloegen de hand aan den dolk, +alsof zij gereed waren, zich met geweld voor de gevreesde bezoedeling +zijner aanraking te vrijwaren. + +Mogelijk zouden dezelfde beweegredenen, die Cedric aangezet hadden, +zijn zaal voor dezen zoon van een verstooten volk te openen, hem ook +bewogen hebben, zijn bedienden een meerdere vriendelijkheid jegens +Izaäk aan te bevelen, had niet de Abt hem juist op dit oogenblik in +een belangrijk gesprek gewikkeld, over het ras en den aard zijner +lievelingshonden, hetwelk hij niet zou afgebroken hebben voor zaken +van veel grooter gewicht, dan dat een Jood zich zonder eten te slapen +moest leggen. Terwijl Izaäk dus van het gezelschap uitgestooten stond, +evenals zijn volk onder de natiën, te vergeefs naar een welkomstgroet +en een rustplaatsje omziende, kreeg de pelgrim, die bij den haard zat, +medelijden met hem, en stond hem zijn stoel af, deze paar woordjes +zeggende: "Oude man, mijn kleederen zijn droog, mijn honger is +gestild; gij zijt nog nat en hongerig." Dit zeggende, legde hij de +op den grooten haard verstrooide stukken hout bij elkander, en blies +het vuur aan; hij nam van de groote tafel een schotel met soep en +gekookt geitenvleesch, zette dien op de kleine tafel, aan welke hij +zelf gegeten had, en zonder den dank van den Jood af te wachten, ging +hij naar de andere zijde van de zaal. Of dit geschiedde, omdat hij +niet in nader gesprek wilde treden met het voorwerp zijner mildheid, +of omdat hij wenschte bij het boveneinde der tafel te komen, scheen +niet duidelijk. + +Waren er in die dagen schilders geweest, in staat om zoo iets voor te +stellen, dan zou de Jood, terwijl hij zijn magere gedaante voorover +boog, en zijn verkleumde en bevende handen boven het vuur hield, geen +slecht voorbeeld eener verpersoonlijking van den Winter opgeleverd +hebben. Na zich verwarmd te hebben, keerde hij zich begeerig naar den +rookenden schotel, die hem was voorgezet, en at met een haast en een +zichtbaar genoegen, die schenen aan te duiden, dat hij in lang niets +genoten had. + +Intusschen zetten de Abt en Cedric hun gesprek over de jacht +voort. Jonkvrouw Rowena scheen verdiept in een gesprek met een harer +vrouwen; en de trotsche Tempelier, wiens oog beurtelings op den Jood +en op de Saksische schoone scheen gevestigd te zijn, was blijkbaar +in diep gepeins verzonken. + +"Het verwondert mij, waardige Cedric," zei de Abt, "dat gij, +niettegenstaande uwe groote vooringenomenheid met uwe eigene krachtige +taal, niet het Normandisch-Fransch tenminste uwe gunst waardig keurt, +voor zoo verre dit het jachtwezen betreft. Er is zeker geene taal, die +zoo rijk is in de verschillende spreekwijzen, welke het jachtvermaak +vordert, of die aan den ervaren jager meerdere middelen aan de hand +geeft, om zijn heerlijke kunst te beschrijven." + +"Eerwaarde vader," hernam de Sakser, "ik moet u zeggen, dat ik weinig +werk maak van die overzeesche verfijningen, zonder welke ik mij zeer +goed in het bosch vermaken kan. Ik kan op mijn horen blazen, zonder +het geluid òf _recheate_ òf _morte_ te noemen. Ik kan mijn honden op +het wild aandrijven, en ik kan het vel van een hert aftrekken en het +dier uithalen als het gedood is, zonder de nieuwmodische wartaal van +_curée_, _arbor_, _nombles_, die van den fabelachtigen Sir Tristram +afstamt, te gebruiken." [7] + +"Het Fransch," zei de Tempelier, zijne stem verheffende, op den +verwaanden en gebiedenden toon, die hem bij alle gelegenheden eigen +was, "is niet alleen de natuurlijke taal van de jacht, maar die van +de liefde en van den oorlog, waarmede men de vrouwen moet overwinnen +en de vijanden verslaan." + +"Doe mij bescheid in een beker wijn, heer Tempelier," zeide Cedric, +"en schenk den Abt ook in, terwijl ik een dertig jaren achteruit +zal gaan, om u iets anders te verhalen. Zooals Cedric de Sakser +toen was, behoefde zijn eenvoudige Saksische taal niet door Fransche +minnezangers opgesmukt te worden, als hij die in het oor eener schoone +wilde fluisteren; en het veld van Northallerton, bij den slag van den +Heiligen Standaard, kan getuigen, of het Saksische krijgsgeschreeuw +niet even ver in de gelederen van het Schotsche leger gehoord werd, +als de _cri de guerre_ van de stoutmoedige Normandische edelen. De +nagedachtenis van de dapperen, die daar gevochten hebben! Doet mij +bescheid, mijn gasten!" Hij nam een fiksche teug, en vervolgde met +toenemend vuur: "Ha! dat was een dag! Toen werden er wat schilden +gespleten; honderd banieren wapperden boven het hoofd der dapperen; +het bloed stroomde als water, en men wilde liever sterven dan +vluchten. Een Saksische _Bard_ zou dien dag een feest der zwaarden +genoemd hebben--eene vergadering der arenden over den buit--een +geklater van schilden en helmen; een veldgeschrei, vroolijker dan +het gejuich eener bruiloft. Maar onze _Barden_ zijn verdwenen; onze +daden worden vergeten bij die van een anderen stam; onze taal, zelfs +onze naam snelt ten ondergang, en niemand treurt er om behalve een +eenzame grijsaard. Schenker, jongen! vul de bekers--op het welzijn +der dappersten, heer Tempelier, van welken stam ze ook zijn, en welke +taal ze ook spreken mogen, die thans met het meeste vuur in Palestina +voor het heilige kruis strijden!" + +"Het betaamt geen Ridder, die dit kruis draagt, hierop te antwoorden," +zeide Sir Brian de Bois-Guilbert; "maar aan wien, behalve de gezworen +kampvechters van het Heilige Graf, kan de palm toegewezen worden +onder de strijders voor het kruis?" + +"Aan de Hospitaal-Ridders," zei de Abt; "ik heb daar een broeder +onder." + +"Ik wil hun roem niet te kort doen," zei de Tempelier, "maar--" + +"Mij dunkt, vriend Cedric," zeide Wamba, hem in de rede vallende, "dat, +als Koning Richard Leeuwenhart de wijsheid had gehad, den raad van een +nar te volgen, hij met zijn dappere Normandiërs te huis zou gebleven +zijn, en de herovering van Jeruzalem aan diezelfde ridders overgelaten +hebben, die de meeste schuld aan het verlies daarvan hadden." + +"Waren er geenen in des Konings leger," zeide Rowena, "wier namen +waardig zijn, naast de Ridders van den Tempel en van St. Johannes +genoemd te worden?" + +"Vergeef mij, Jonkvrouw," antwoordde de Bois-Guilbert, "de Koning +heeft, inderdaad, een schaar dappere krijgslieden naar Palestina +gebracht, die alléén behoeven onder te doen voor hen, die altijd het +bolwerk van het Heilige Land geweest zijn." + +"Ze behoeven voor _niemand_ onder te doen," zei de pelgrim, die er +dicht genoeg bij gestaan had, om te kunnen hooren, en met blijkbaar +ongeduld naar het gesprek geluisterd had. Allen keerden zich naar +hem, van wien deze onverwachte verzekering kwam. "Ik zeg," herhaalde +de pelgrim op vasten toon, "dat onze ridders voor niemand behoeven +onder te doen, die ooit het zwaard tot verdediging van het Heilige +Land getrokken heeft. Ik zeg ook nog, want ik heb het gezien, dat +Koning Richard zelf en vijf van zijn ridders een toernooi hielden na +de inneming van St. Jean d'Acre, tegen ieder, die in het strijdperk +durfde treden. Ik zeg, dat op dezen dag ieder ridder driemaal streed, +en drie vijanden ten onderen bracht. Ik voeg er bij, dat zeven dezer +aanvallers Tempeliers waren--en Ridder Brian de Bois-Guilbert is zeer +wel overtuigd van de waarheid van hetgeen ik u vertel." + +Het is onmogelijk de woede te schilderen, welke het zwartbruine +gezicht van den Tempelier nog donkerder kleurde. In de overmaat van +zijn toorn en zijn beschaming, tastten zijn bevende vingers naar het +gevest van zijn zwaard, en misschien werden ze alleen teruggehouden +door de gedachte, dat er geen daad van geweld in die plaats en in +zulk gezelschap veilig kon gepleegd worden. Cedric, wiens gedachten +zonder argwaan waren en zelden door meer dan één voorwerp tegelijk +bezig gehouden werden, lette bij de vreugde, waarmede hij van den roem +zijner landslieden hoorde spreken, niet op de toornige verlegenheid van +zijn gast. "Ik zal u dezen gouden armband geven, Pelgrim," zeide hij, +"zoo gij mij de namen opnoemt van de ridders, die zoo heldhaftig den +roem van het schoone Engeland opgehouden hebben." + +"Dat zal ik van ganscher harte doen," hernam de pelgrim, "en zonder +loon; daar mijne gelofte mij verbiedt, gedurende een zekeren tijd +goud aan te raken." + +"Ik zal den armband voor u dragen, zoo gij wilt, vriend Pelgrim," +zeide Wamba. + +"De eerste in eer en in de wapenen, in roem en in stand," zei de +pelgrim, "was de dappere Richard, Koning van Engeland." + +"Ik vergeef hem!" riep Cedric, "ik vergeef hem zijne afkomst van den +dwingeland Willem!" + +"De Graaf van Leicester was de tweede," ging de pelgrim voort; +"Sir Thomas Multon van Gilsland was de derde." + +"Die is tenminste van Saksische afkomst," riep Cedric met vreugde uit. + +"Sir Foulk Doilly, de vierde," zei de pelgrim. + +"Ook een Sakser, tenminste van moeders zijde," hernam Cedric, die met +de grootste oplettendheid luisterde, en zijn haat tegen de Normandiërs +voor het oogenblik vergat, in de vreugde over de zegepraal van den +Koning van Engeland en zijn Saksische onderdanen. "En wie was de +vijfde?" vroeg hij. + +"De vijfde was Sir Edwin Turneham." + +"Een echte Sakser, bij de ziel van Hengist!" riep Cedric uit. "En de +zesde?" ging hij met drift voort; "hoe heet de zesde?" + +"De zesde," hervatte de pelgrim na een oogenblik zwijgens, terwijl +hij iets scheen te bedenken, "was een jonge ridder van minderen +roem en stand; in dat eervolle gezelschap opgenomen, minder om de +onderneming te steunen, dan wel om het getal vol te maken--zijn naam +is mij ontgaan." + +"Heer Pelgrim," zei Sir Brian de Bois-Guilbert verachtelijk, "deze +geveinsde vergetelheid, nadat gij u zoo veel hebt te binnen gebracht, +komt te laat, om aan uw doel te beantwoorden. Ik zelf zal u den naam +noemen van den ridder, voor wiens lans het noodlot en de schuld van +mijn paard mij deden bukken--het was de ridder van Ivanhoe: ook was +er onder de zes niet één, die, zijn jaren in aanmerking genomen, meer +roem in de wapenen verworven had.--Maar dit wil ik luide zeggen, dat, +als hij in Engeland was, en bij het toernooi deze week de uitdaging +van St. Jean d'Acre durfde herhalen, ik hem met het paard dat ik hier +heb, en gewapend zooals ik thans ben, ieder voordeel der wapenen zou +toestaan, en dan den uitslag afwachten." + +"Als uwe tegenpartij hier ware, zou uwe uitdaging weldra beantwoord +worden," hernam de pelgrim. "Zooals de zaak echter staat, behoeft +gij deze vreedzame zaal niet te verontrusten met uwe snoeverij, over +den uitslag van een gevecht, hetwelk gij wel weet, dat geen plaats +kan vinden. Zoo Ivanhoe ooit uit Palestina terugkomt, wil ik er borg +voor staan, dat hij het tweegevecht niet afslaat." + +"Een fraaie borg!" zei de Tempelier, "en wat kunt gij tot pand geven?" + +"Deze reliquie," antwoordde de pelgrim, een ivoren doosje uit den +boezem trekkende, en een kruis makende; "die een stuk van het ware +kruis bevat, en die ik medegebracht heb uit het klooster van den +berg Carmel." + +De Prior van Jorvaulx maakte een kruis, en zeide een _paternoster_ op, +waaraan allen eerbiedig deel namen, behalve de Jood, de Mohammedanen, +en de Tempelier, welke laatste, zonder zijn hoofd te ontblooten, +of eenigen eerbied voor de heiligheid der reliquie te toonen, +een gouden keten van den hals nam, welke hij op de tafel wierp, +terwijl hij uitriep: "Laat Prior Aymer mijn pand en dat van dien +naamloozen landlooper bewaren, als een teeken, dat, als de Ridder +van Ivanhoe binnen de Britsche zeeën komt, hij op de uitdaging van +Brian de Bois-Guilbert moet antwoorden; en, zoo hij ze niet aanneemt, +zal ik hem voor een lafaard bij alle Tempeliers van Europa uitmaken." + +"Dat zal niet noodig zijn," zei Jonkvrouw Rowena, haar stilzwijgen +brekende; "mijn stem zal gehoord worden, zoo geen andere in deze zaal +zich ten voordeele van den afwezigen Ivanhoe verheft. Ik verzeker, +dat hij iedere eervolle uitdaging ridderlijk zal aannemen. Kon mijn +geringe borgtocht eenige meerdere waarde geven aan het onschatbare +woord van den heiligen pelgrim, zoo zou ik naam en eer verpanden, +dat Ivanhoe dezen trotschen ridder de gevraagde voldoening geeft." + +Een menigte tegenstrijdige gevoelens scheen gedurende dit gesprek +Cedric vervuld en zwijgende gehouden te hebben. Gestreelde hoogmoed, +toorn, verlegenheid, verjaagden elkander op zijn breed, open voorhoofd, +gelijk de schaduw der wolken, die over een korenveld drijven, terwijl +zijne bedienden, op welken de naam van den zesden ridder een bijna +tooverachtige uitwerking scheen te hebben, vol verwachting op het +gelaat van hun meester staarden. Maar toen Rowena sprak, scheen de +klank van haar stem hem uit zijn gepeins te wekken. + +"Rowena," zeide Cedric, "dat past niet; ware een verder pand noodig, +dan zou ik zelf, hoe beleedigd, en zwaar beleedigd, ik door hem ben, +evenwel met mijn eer voor die van Ivanhoe instaan. Maar het onderpand +voor den strijd is voldoende, zelfs volgens de zonderlinge gebruiken +van de Normandische ridderschap;--niet waar, eerwaarde vader Aymer?" + +"Zoo is het," hernam de Prior, "en de heilige reliquie en de kostbare +keten zal ik veilig in de schatkist van het klooster bewaren, tot de +kampstrijd beslist is." + +Na deze woorden maakte hij verscheidene malen het teeken van het kruis, +en na vele kniebuigingen en geprevelde gebeden, gaf hij de reliquie +aan broeder Ambrosius, zijn dienstbaren monnik over, terwijl hij zelf +met mindere plechtigheden, maar misschien met niet minder inwendig +genoegen, den gouden ketting nam, en in een met welriekend leêr +gevoerden zak deed, die onder zijn arm hing. "En nu, Sir Cedric," zeide +hij, "de kracht van uw goeden wijn doet mij de slaapklok hooren. Sta +ons toe, nog één beker op het welzijn der schoone Rowena te ledigen, +en veroorloof dan dat wij ons ter rust begeven." + +"Bij het kruis van Bromholme," zei de Sakser, "gij doet uw roem +weinig eer aan, heer Prior! De faam noemt u een dapperen monnik, +die de vroegmis hoort luiden, eer hij zijn beker verlaat; en ik +vreesde dat gij mij op mijn ouden dag zoudt beschaamd maken. Maar, +op mijn woord, een twaalfjarige Saksische knaap zou, in mijn tijd, +zijn beker niet zoo vroeg verlaten hebben." + +De Prior had evenwel bijzondere redenen om matig te blijven. Hij was +niet alleen van beroep een vredemaker, maar van aard een vijand van +alle twisten en geschillen. Dit was niet geheel uit liefde voor +zijn naasten, en ook niet geheel uit eigenliefde, maar uit een +mengeling van beide. Bij de tegenwoordige gelegenheid vreesde hij +het driftig karakter van den Sakser, en voorzag het gevaar, dat de +onbuigzame en trotsche geest, waarvan zijn metgezel reeds zoo vele +blijken had gegeven, eindelijk eene onaangename uitbarsting zou kunnen +veroorzaken. Hij gaf derhalve beleefd te kennen, dat ieder inboorling +van een ander land buiten staat was, den feestelijken kampstrijd in +het drinken tegen een geharden en sterkhoofdigen Sakser vol te houden; +hij maakte met een enkel woord gewag van zijn geestelijken stand, en +eindigde met op zijn voorstel, om ter rust te begeven, aan te dringen. + +De afscheidsbeker werd dus rondgegeven, en, na een diepe buiging +voor hun gastheer en Rowena, stonden de gasten op en vervoegden zich +bij de anderen in de zaal, terwijl de hoofden der familie zich door +onderscheidene deuren met hun bedienden verwijderden. + +"Ongeloovige hond," zei de Tempelier tot den Jood Izaäk, terwijl hij +hem in het gedrang voorbijging, "reist gij ook naar het toernooi?" + +"Dat is mijn voornemen," hernam Izaäk, eene allernederigste buiging +makende, "als de zeer gestrenge en eerwaardige heer Ridder dit +vergunt." + +"Ha!" zei de Ridder, "om aan de ingewanden van onze ridderschap met +uw woeker te knagen, en vrouwen en kinderen met opschik en speelgoed +te bedriegen.--Ik beloof u een vetten buit in uw Jodenzak." + +"Geen zilveren penning, geen stuiver, geen duit--zoo waar mij de God +Abrahams helpe!" zei de Jood, de handen ineen slaande; "ik ga daar +slechts heen om den bijstand van eenigen van mijn volk te zoeken, om +de boete te betalen, welke de Schatmeester der Joden [8] mij opgelegd +heeft.--Vader Jacob sta mij bij!--Ik ben een arme Jood--zelfs de rok, +dien ik draag, is geleend van Ruben van Tadcaster." + +"Vervloekte, valsche leugenaar!" antwoordde de Tempelier met een +schamperen glimlach, en verder gaande, alsof hij zich niet verwaardigde +langer met hem te spreken, praatte hij met zijn Turksche slaven +in een taal, welke de omstanders niet verstonden. De arme Israëliet +scheen zoo verschrikt over de toespraak van den krijgshaftigen monnik, +dat de Tempelier aan het einde van de zaal was gekomen, eer hij het +hoofd weder ophief uit zijne ootmoedige houding, en diens vertrek +bespeurde. Toen hij weder rondzag, was het met het verbaasde gelaat +van een mensch, voor wiens oogen de bliksem is ingeslagen, en dien +nog het schrikkelijk geraas van den donder in de ooren weergalmt. + +De Tempelier en de Prior werden kort daarna naar hun slaapvertrekken +geleid door den huishofmeester en den schenker, ieder van twee +fakkeldragers en twee bedienden met ververschingen vergezeld, +terwijl mindere bedienden aan hun gevolg en aan de overige gasten de +slaapplaatsen aanwezen. + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + + Ik bewijs hem dezen dienst alleen uit vriendschap, + En neemt hij ze aan, 't is goed--zoo niet, vaarwel; + Maar doet mij daarom, bid ik u, geen onrecht aan. + + Koopman van Venetië. + + +Terwijl de pelgrim, voorgelicht door een fakkeldrager, door de +ineenloopende vertrekken van het groote en onregelmatige gebouw ging, +kwam de schenker hem achterna, en fluisterde hem in het oor, dat, +zoo hij er niet tegen had een beker in zijn kamer meê te drinken, +er een groot aantal bedienden van het huis waren, die gaarne het +nieuws wilden hooren, dat hij uit het Heilige Land had medegebracht, +en voornamelijk dat, hetwelk den ridder van Ivanhoe betrof. Om +het voorstel aannemelijker te maken, zeide Wamba dat één beker na +middernacht zoo goed was, als drie na het avondklokje. Zonder eene +stelling te betwisten, die op zulk gezag berustte, dankte de pelgrim +voor hunne beleefdheid, maar merkte aan, dat hij bij zijne heilige +gelofte de verplichting had op zich genomen, om nooit in de keuken +van zaken te spreken, die in de zaal verboden waren. "Die gelofte," +zeide Wamba tot den schenker, "zou een bediende slecht te pas komen." + +De schenker haalde verdrietig de schouders op. "Ik was van plan +hem eene mooie kamer aan te wijzen," zeide hij: "maar, daar hij zoo +ongezellig jegens Christenen is, moet hij het eerste gat naast Izaäk +den Jood maar innemen.--Anwold," zei hij tot den fakkeldrager, "breng +den pelgrim naar de zuider cel.--Ik wensch u goeden nacht," ging hij +voort, "heer pelgrim, met weinig dank voor uwe geringe beleefdheid!" + +"Goeden nacht en onze Lieve Vrouw zegene u!" antwoordde de pelgrim +bedaard, en volgde zijn leidsman. + +In eene kleine voorkamer, waarin zich verscheidene deuren bevonden en +welke door een kleine ijzeren lamp verlicht werd, werden zij weder +opgehouden door eene kamenier van Jonkvrouw Rowena, die op een toon +van gezag zeide, dat hare meesteres den pelgrim wenschte te spreken, +de toorts uit Anwolds handen nam, en, na hem bevolen te hebben op +hare terugkomst te wachten, den vreemdeling een wenk gaf haar te +volgen. Waarschijnlijk hield hij het niet voor gepast dit verzoek, +evenals het vorige, te weigeren; want, ofschoon zijne houding eenige +verwondering over de uitnoodiging te kennen gaf, gehoorzaamde hij +zonder antwoord of tegenwerping. Een korte gang en zeven trappen +opwaarts, waarvan ieder uit een sterken eiken balk bestond, brachten +hem bij Jonkvrouw Rowena in een vertrek, welks pracht van de achting, +die haar de heer des huizes bewees, getuigde. De muren waren met +geborduurd behangsel bekleed, waarop in bonte zijde, met goud- +en zilverdraad doorweven, de vermaken der valkenjacht afgebeeld +waren; zoo kunstig als men dat in die eeuwen vermocht. Het bed was +met hetzelfde rijke behangsel versierd, en door purperen gordijnen +omgeven. De stoelen hadden bonte zittingen, en één er van, hooger +dan de overigen, was voorzien van een voetenbankje van schoon bewerkt +ivoor. Niet minder dan vier zilveren kandelaars, met groote waskaarsen, +dienden ter verlichting van het vertrek. Geen hedendaagsche schoone +behoeft echter de pracht eener Saksische Prinses te benijden. De +muren der kamer waren zoo slecht gemaakt, en zoo vol scheuren, dat +het rijke behangsel met den nachtwind golfde, en in weerwil van een +soort van scherm, flikkerde de vlam der kaarsen onophoudelijk in +den tocht. Pracht heerschte er met eenig ruw streven naar smaak, +maar weinig gemak, dat, daar men het niet kende, ook niet gemist werd. + +Rowena zat op de reeds genoemde soort van troon, terwijl drie van +haar dienaressen daarachter stonden, en haar het haar opmaakten, voor +dat zij ter ruste ging. Zij scheen geboren om de algemeene hulde te +ontvangen, en de pelgrim betuigde de zijne door eene diepe kniebuiging. + +"Sta op, pelgrim!" zeide zij vriendelijk. "De verdediger van een +afwezige heeft recht op eene gunstige ontvangst van allen, die de +waarheid achten, en de dapperheid vereeren." Hierop zeide zij tot +haar gevolg: "Verwijdert u allen, behalve Elgitha; ik wil met dezen +heiligen pelgrim spreken." + +De meisjes begaven zich, zonder het vertrek te verlaten, naar het +uiterste einde daarvan, en gingen op een lage bank tegen den muur +zitten, waar zij sprakeloos als beelden bleven zitten, ofschoon zij +op zulk een afstand waren, dat haar gefluister het gesprek van haar +meesteres niet zou gestoord hebben. + +"Pelgrim," zei de Jonkvrouw na eene korte stilte, waarin zij onzeker +scheen, hoe zij hem zou aanspreken; "gij hebt heden avond een naam +genoemd--ik meen," ging zij met eene zekere inspanning voort, "den +naam van Ivanhoe, in zalen, waar hij door het recht der geboorte en +der bloedverwantschap zeer gewenscht had moeten klinken; en toch, +zoo vijandig is het noodlot, dat ik alleen onder zoo velen, wier +hart bij dezen naam van vreugde trillen moest, het waag te vragen, +waar en in welken toestand gij hem gelaten hebt, van wien er sprake +was? Wij hebben gehoord, dat hij, wegens verzwakte gezondheid in +Palestina achter gebleven, na het vertrek van het Engelsche leger, +aan de vervolgingen der Fransche partij was blootgesteld, waaraan de +Tempeliers, zooals bekend is, toegedaan zijn." + +"Ik weet weinig van den Ridder Ivanhoe!" antwoordde de pelgrim met +ontroerde stem. "Ik zou wel wenschen hem beter te kennen, daar gij, +edele Jonkvrouw, belang in zijn lot stelt. Hij is, naar ik meen, +aan de vervolgingen zijner vijanden in Palestina ontkomen, en staat +op het punt naar Engeland terug te keeren, en gij, Jonkvrouw, zult +beter weten dan ik, welk lot hem hier wacht." + +Rowena zuchtte diep, en vroeg meer bijzonder, wanneer Ridder Ivanhoe +in zijn vaderland mocht verwacht worden, en of hij op weg niet aan +groote gevaren zou blootgesteld zijn. Wat het eerste punt aangaat +betuigde de pelgrim volstrekt niet onderricht te wezen; op het tweede +antwoordde hij, dat de reis veilig kon gedaan worden over Venetië en +Genua, en van daar over Frankrijk naar Engeland. "Ivanhoe," zeide hij, +"is zoo goed bekend met de taal en zeden der Franschen, dat er niet de +minste vrees voor eenig ongeluk op dat gedeelte zijner reis bestaat." + +"Gave de Hemel," zeide Rowena, "dat hij hier veilig aangekomen ware, +en in staat om aan het naderend toernooi deel te nemen, waarin +men verwacht, dat de ridderschap van ons land haar behendigheid en +dapperheid ten toon zal spreiden. Indien Athelstane van Coningsburgh +den prijs behaalt, zal Ivanhoe waarschijnlijk slechte tijdingen bij +zijn aankomst in Engeland vernemen. Hoe zag hij er uit, vreemdeling, +toen gij hem voor het laatst gezien hebt? Heeft de ziekte zijne +krachten en kloekheid verminderd?" + +"Hij was donkerder en tengerder geworden," antwoordde de pelgrim, "dan +toen hij in het gevolg van Richard Leeuwenhart van Cyprus aankwam, +en op zijn voorhoofd was zware zorg te lezen, maar ik kwam niet in +zijne nabijheid, daar ik hem niet ken." + +"Ik vrees," hernam de Jonkvrouw, "dat hij in zijn vaderland weinig +zal vinden, om die wolken van zijn gelaat te verdrijven. Ik dank +u, goede pelgrim, voor uwe tijding, omtrent den makker mijner +kindsheid. Meisjes," riep zij, "nadert--biedt dezen heiligen man, +dien ik niet langer van zijn rust berooven wil, den slaapdrank aan." + +Een der vrouwen bood een zilveren beker aan, met een kostbaren drank +van wijn en specerij vervaardigd, gevuld, dien Rowena eventjes aan +de lippen zette. Daarop werd hij den pelgrim toegereikt, die na een +diepe buiging er eenige druppelen van proefde. + +"Neem deze gift aan, vriend," vervolgde de Jonkvrouw, hem een goudstuk +aanbiedende; "uit erkentelijkheid voor uwe moeielijke reis en uit +eerbied voor de heiligdommen, die gij bezocht hebt." + +De pelgrim nam het geschenk met eene tweede nederige buiging aan, +en verliet toen met Elgitha het vertrek. + +In de zijkamer vond hij zijn leidsman, Anwold, die de fakkel uit +de hand der kamenier nemende, hem met meer haast dan beleefdheid +naar een belendend, slecht gedeelte van het huis geleidde, waar een +aantal kleine vertrekken, of veeleer cellen, tot slaapplaatsen voor +de mindere bedienden en vreemdelingen van lagen rang ingericht waren. + +"Waar slaapt de Jood?" vroeg de pelgrim. + +"Die ongeloovige hond," antwoordde Anwold, "ligt in de cel naast uwe +heiligheid. Bij St. Dunstan! wat moet ze schoongemaakt en gezuiverd +worden, eer ze weder goed genoeg voor een Christenmensch is!" + +"En waar slaapt Gurth, de zwijnenhoeder?" zeide hij. + +"Gurth," hernam de lijfeigene, "slaapt in de cel aan uwe rechterhand, +zooals de Jood aan uwe linker; gij dient, om den zoon Israëls +van hetgeen zijn stam verafschuwt, te scheiden. Zoo gij Oswalds +uitnoodiging hadt aangenomen, zou u eene meer eervolle plaats te +beurt gevallen zijn." + +"Het is zóó goed," zeide de pelgrim; "het gezelschap zelfs van een +Jood kan door een eiken beschot heen niet verontreinigen." + +Met deze woorden ging hij in het hem aangewezen verblijf, en, de fakkel +uit de hand van den bediende nemende, bedankte hij, en wenschte hem +goeden nacht. Na de deur van zijn cel gesloten te hebben, plaatste +hij de fakkel in een houten kandelaar, en zag in zijn slaapvertrek +rond, welks huisraad van de eenvoudigste soort was. Het bestond uit +een ruwen houten stoel en een nog ruwere bedstede, met stroo gevuld, +waarop twee of drie schapenvellen in plaats van dekens lagen. + +Nadat hij de fakkel uitgebluscht had, wierp zich de pelgrim zonder +zijn kleederen af te leggen, op zijn hard leger, en sliep, of bleef +tenminste in zijn liggende houding, tot de eerste zonnestralen den weg +vonden door het kleine tralievenster, dat tegelijk diende om lucht +en licht in dit ellendig vertrek door te laten. Hij sprong toen op, +en na zijn morgengebed gedaan, en zijne kleeding in orde gebracht +te hebben, verliet hij zijn cel en trad in die van den Jood Izaäk, +de klink zoo zacht mogelijk oplichtende. + +De Jood lag in onrustigen slaap op een soortgelijk bed als dat, +waarop de pelgrim den nacht had doorgebracht. De kleedingstukken, +die hij den vorigen avond had afgelegd, lagen dicht bij hem, +alsof hij wilde voorkomen, dat ze gedurende zijn slaap gestolen +werden. Zijn gelaat drukte een ongerustheid uit, die bijna aan +doodsangst grensde. Handen en armen bewogen zich krampachtig, als +wilde hij de nachtmerrie afweren; en behalve vele uitroepingen in +het Hebreeuwsch, waren de volgende in het Normandisch-Saksisch, of de +gemengde landstaal, duidelijk hoorbaar: "In naam van den God Abrahams, +hebt medelijden met een ongelukkigen grijsaard! Ik ben arm, ik bezit +geen penning--en al rekten uw ijzers mijn ledematen uit elkander, ik +kon u toch niet voldoen!" De pelgrim wachtte het einde van den droom +des Joods niet af, maar stootte hem met zijn pelgrimsstaf aan. Deze +aanraking vermeerderde, zooals gewoonlijk in den droom het geval is, +zijne vrees; want de oude man sprong op, zijn grijs haar rees ten +berge, en eenige van zijn kleêren om zich heen slingerende, terwijl +hij de overigen met den greep van een roofvogel vasthield, vestigde +hij zijn doordringende, schitterende zwarte oogen met wilden schrik +en angstige vrees op den pelgrim. + +"Vrees niets van mij, Izaäk," zei de pelgrim; "ik kom tot u als +vriend." + +"De God van Israël vergelde het u!" hernam de Jood, zeer verlicht; +"ik droomde--maar vader Abraham zij geloofd! het was slechts een +droom!" Hierop tot zich zelven komende, voegde hij er op zijn gewonen +toon bij: "en wat begeert gij zoo vroeg van den armen Jood?" + +"Ik kwam u zeggen," antwoordde de pelgrim, "dat, zoo gij dit huis +niet oogenblikkelijk verlaat, en met spoed reist, uw tocht gevaarlijk +kan worden." + +"Heilige vader," zei de Jood, "wie zou er belang bij hebben, zulk +een armen ellendeling, als ik ben, in gevaar te brengen?" + +"De reden zult gij zelf best weten," hernam de pelgrim; "maar laat +ik u zeggen, dat, toen de Tempelier gisteren avond door de zaal ging, +hij met zijn Turksche slaven in de Saraceensche taal sprak, die ik wel +versta, en hun beval dezen morgen den Jood op weg op te wachten, hem +op een geschikten afstand van dit huis te vatten, en naar het kasteel +van Philip de Malvoisin, of van Reginald Front-de-Boeuf te brengen." + +Het is onmogelijk, den schrik te schilderen, die den Jood op +dit bericht overviel en in eens al zijne krachten scheen te +verlammen. Zijne armen zakten machteloos neer, en zijn hoofd hing op +zijne borst; zijne knieën knikten onder zijn gewicht, iedere zenuw en +spier van zijn lichaam scheen ineen te krimpen en alle veerkracht te +verliezen, en hij viel voor des pelgrims voeten neder, niet als iemand +die zich vernedert, die nederknielt, of zich nederwerpt om medelijden +in te roepen, maar als door onzichtbaar geweld ter neder geslagen, +zonder dat hij eenigen tegenstand kan bieden. + +"Heilige God Abrahams!" was zijn eerste uitroep, terwijl hij de +gerimpelde handen ineen sloeg en ophief, maar zonder zijn grijs hoofd +van den grond op te beuren; "O heilige Mozes! o gezegende Aäron! ik +heb dien droom niet tevergeefs gehad! Ik gevoel hunne ijzers reeds +mijne zenuwen uittrekken! Ik gevoel hunne pijnigingen reeds door mijn +geheele lichaam woelen, evenals de zagen en ijzeren eggen en bijlen +de mannen van Rabbah en van de steden der kinderen Ammon's vernielden!" + +"Sta op, Izaäk, en luister naar mij," zei de pelgrim, die zijn +overdrevene droefheid met een medelijdenden blik aanschouwde; +die echter met verachting vermengd was; "gij hebt wel reden om te +schrikken, als gij bedenkt, hoe uwe broeders behandeld zijn, zoowel +door vorsten als edelen, om hun schatten af te persen; maar sta op, +zeg ik, en ik zal u de middelen ter ontkoming aan de hand geven; +verlaat dit huis oogenblikkelijk, terwijl de bewoners nog rustig +slapen na het feest van gisteren avond. Ik zal u langs geheime paden +in het bosch geleiden, die mij even goed bekend zijn als den besten +jager, die ze doorkruist, en ik zal u niet verlaten, voordat gij +onder bescherming van den een of anderen ridder of edele zijt, die +naar het toernooi reist; en gij hebt waarschijnlijk wel de middelen, +om welwillendheid te verwerven." + +Toen Izaäk de hoop hoorde uiten, dat hij zou kunnen ontsnappen, +begon hij langzamerhand, als het ware duim voor duim van den grond +op te rijzen, tot hij op de knieën lag, zijn lang grijs haar en zijn +baard terug strijkende, en zijn doordringend zwart oog op den pelgrim +vestigende, met een blik, die tegelijk hoop, vrees en ook eenigen +achterdocht uitdrukte. Maar, zoodra hij het einde van de aanspraak +hoorde, scheen zijn eerste schrik in volle kracht te herleven, en hij +viel nog eens op de knieën, uitroepende: "_Ik_ de middelen bezitten, +om welwillendheid te verwerven! Helaas! er is maar één weg, om de gunst +van een Christen te verkrijgen; en hoe kan de arme Jood dien vinden, +als hij reeds door afpersing zoo arm geworden is als Lazarus?" Hierop, +alsof de achterdocht de overhand kreeg op zijne andere gewaarwordingen, +riep hij plotseling uit: "Om Gods wil, jongeling, verraad mij niet--ter +liefde van den grooten Vader, die ons allen geschapen heeft, Jood en +Heiden, Israëliet en Ismaëliet--pleeg geen verraad aan mij! Ik bezit +de middelen niet, om de welwillendheid van een Christen bedelaar +te verwerven, al wilde hij mij die voor één penning schenken." Na +deze woorden stond hij op, en vatte den mantel des pelgrims met een +ernstig smeekenden blik. De pelgrim maakte zich los, alsof hij door +de aanraking besmet werd. + +"En al waart gij met al den rijkdom van uw stam beladen," zeide hij, +"waarom zou ik u leed doen?--in dit gewaad ben ik aan de armoede +gewend, en wilde ze tegen niets ruilen, dan tegen een paard en een +wapenrusting. Denk echter niet, dat ik om uw gezelschap verlegen ben, +of mij er eenig voordeel van beloof; blijf hier, zoo gij wilt--Cedric +de Sakser zal u beschermen." + +"Ach!" zei de Jood, "hij zal mij niet onder zijn gevolg laten +medereizen--de Sakser en de Normandiër schamen zich beiden voor den +armen Israëliet; en alleen te reizen door het gebied van Philip de +Malvoisin en Reginald Front-de-Boeuf.... Goede jongeling, ik wil +met u gaan!--Laten wij ons haasten--onze lendenen omgorden--laat ons +vluchten!--Hier is uw staf, waarom draalt gij?" + +"Ik draal niet," antwoordde de pelgrim, toegevende aan de dringende +beden van zijn makker; "maar ik moet middelen vinden, om deze plaats +te verlaten--volg mij." + +Hij ging vooruit naar de naaste cel, die, zooals de lezer weet, door +Gurth den zwijnenhoeder bezet was.--"Sta op, Gurth," riep de pelgrim, +"open de achterpoort, en laat den Jood en mij er uit!" + +Gurth, wiens bezigheid, schoon thans zoo veracht, hem evenveel +gewicht gaf in het Saksische Engeland, als aan Eumaeus [9] in +Ithaka, was beleedigd door den gemeenzamen en gebiedenden toon van +den pelgrim. "Den Jood uit Rotherwood uitlaten," zeide hij, op den +elleboog leunende en hem vol argwaan aanziende, zonder zijn strooleger +te verlaten, "en hij wil met den pelgrim verder reizen?" + +"Eerder had ik kunnen droomen," zeide Wamba, die op dit oogenblik +binnentrad, "dat hij zich met een zijde spek zou wegpakken." + +"Wel," zeide Gurth, zijn hoofd weder op het houten blok leggende, +dat hem tot kussen diende, "Jood en Heiden moeten wachten, totdat de +groote poort opengaat--wij laten geene gasten op zulke ongeschikte +uren steelsgewijs vertrekken." + +"En toch," hervatte de pelgrim op gebiedenden toon, "zult gij mij, +denk ik, deze gunst niet weigeren." + +Bij deze woorden boog hij zich over het bed van den liggenden +zwijnenhoeder, en fluisterde hem iets in de Saksische taal in het +oor. Gurth vloog op als betooverd. De pelgrim gaf hem een wenk met +den vinger, voorzichtig te zijn, en voegde er bij: "Gurth, pas op, gij +placht vroeger voorzichtig te wezen.--Ik herhaal, doe het achterpoortje +open--weldra zult gij meer vernemen!" + +Gurth gehoorzaamde met de meeste gedienstigheid, terwijl Wamba en de +Jood volgden, beiden even verbaasd over de plotselinge verandering +in het gedrag van den zwijnenhoeder. + +"Mijn muilezel, mijn muilezel!" riep de Jood, zoodra ze buiten stonden. + +"Haal hem zijn muilezel," zei de pelgrim, "en, hoor--bezorg mij +er ook één,--zoodat ik hem gezelschap houden kan tot hij uit deze +streken is. Ik zal het dier aan iemand uit Cedric's gevolg te Ashby +teruggeven. En gij"--het overige fluisterde hij Gurth in het oor. + +"Dadelijk, dadelijk,--het zal geschieden!" antwoordde Gurth, en +vertrok onmiddellijk om den last te volbrengen. + +"Ik wenschte wel te weten," zeide Wamba, toen zijn makker vertrokken +was, "wat gij, pelgrims, in het Heilige Land leert?" + +"Onze gebeden opzeggen, nar," antwoordde de pelgrim, "onze zonden +betreuren, en onze lichamen kastijden door vasten, waken en lange +gebeden." + +"En nog iets daarenboven," hernam de nar; "want hoe zouden boete en +gebed Gurth er toe kunnen bewegen, u eene beleefdheid te bewijzen; +of vasten en waken hem overhalen u een muilezel te leenen?--Gij +hadt even goed zijn zwarten, geliefkoosden beer van uw waken en +uw boetedoeningen kunnen vertellen, en gij zoudt een even beleefd +antwoord gekregen hebben." + +"Loop, loop;" zei de pelgrim; "gij zijt maar een Saksische nar." + +"Gij hebt gelijk," hervatte de nar; "het zou mijn geluk zijn als ik +een geboren Normandiër was, waarvoor ik u houd, en het zou weinig +schelen of ik werd een wijs man." + +Intusschen verscheen Gurth met de muilezels aan de overzijde van de +gracht. De reizigers gingen die over door middel van een ophaalbrug van +slechts twee planken, wier breedte overeenkwam met die der achterpoort +en een opening in de buitenste palissade, welke toegang tot het bosch +verschafte. Nauwelijks hadden zij de muilezels bereikt, of de Jood +bevestigde met haastige en bevende handen achter op den zadel een +kleinen zak van blauw laken, dien hij onder den mantel uithaalde, en +die, zoo als hij bromde: "Kleeren, niets dan kleeren!" bevatte. Daarna +het dier met meer vlugheid en haast bestijgende, dan men van iemand +van zijn jaren zou verwacht hebben, verloor hij geen tijd, met de +slippen van zijn reismantel zóó te schikken, dat zij den last, welken +hij dus _en croupe_ met zich voerde, geheel en al bedekten. + +De pelgrim steeg bedaarder op, en stak Gurth de hand tot afscheid toe, +welke hij met den grootsten eerbied kuste. De zwijnenhoeder staarde +de reizigers na, tot zij onder de boomen van het bosch verdwenen, +toen hij, door Wamba's stem, uit zijn gepeins opgewekt werd. "Weet +gij wel," zeide hij, "vriend Gurth, dat gij heden morgen bijzonder +beleefd en buitengemeen vroom zijt?--Ik wenschte, dat ik een deftige +Prior of barrevoetsche pelgrim ware, om gebruik te kunnen maken van +zulk een ongewonen ijver en beleefdheid;--zeker, ik zou mij met een +handkus niet tevreden stellen." + +"Gij zijt toch zoo geheel gek niet, Wamba," antwoordde Gurth; "gij +oordeelt naar den schijn, wat de wijste van ons ook doet.--Maar het +is tijd naar onze bezigheden om te zien." + +Dit zeggende, ging hij met den nar naar huis. + +Intusschen vervolgden de reizigers hun weg met een haast, die een +gevolg was van de buitengemeene vrees van den Jood; menschen van zijn +jaren houden anders zelden veel van snelle beweging. De pelgrim, +wien ieder pad en uitweg van het bosch bekend schenen, geleidde +hem langs de afgelegenste wegen, en verwekte meer dan eens opnieuw +den achterdocht bij den Israëliet, dat hij hem in de eene of andere +hinderlaag van zijn vijanden wilde voeren. + +Zijne vrees was ook inderdaad te verontschuldigen, want, den +vliegenden visch misschien uitgezonderd, was er geen geslacht op +aarde, in de lucht, of in het water, dat zoo het voorwerp bleef van +een onophoudelijke, algemeene en rustelooze vervolging, als de Joden, +in dit tijdvak. Onder de geringste en onredelijkste voorwendsels, +zoowel als op de meest ongerijmde en ongegronde beschuldigingen, werden +hunne personen en goederen bij iedere gelegenheid, der openlijke +woede prijs gegeven; want Normandiërs, Saksers, Denen en Britten, +hoezeer zij elkander onderling haatten, schenen er om te strijden, +wie met de meeste verachting op dit volk zou neerzien, dat het een +punt van godsdienst was, te haten, te onderdrukken, te verachten, te +plunderen en te vervolgen. De koningen van den Normandischen stam en de +onafhankelijke edelen, die hun voorbeeld in alle daden van dwingelandij +volgden, kwelden dit verdrukte volk op een meer geregelde, overlegde en +baatzuchtige wijze. Het is een wèlbekende geschiedenis van Koning Jan, +dat hij een rijken Jood in een der koninklijke kasteelen opsloot, en +hem alle dagen een tand liet uittrekken, totdat toen de kinnebakken van +den ongelukkigen Jood half ledig waren, hij er in toestemde, een groote +som te betalen, die de dwingeland van hem wilde afpersen. Het weinige +gereede geld, dat in het land was, bevond zich hoofdzakelijk in handen +van dit vervolgde volk, en de adel aarzelde niet het voorbeeld van den +Vorst te volgen, om het door allerlei onderdrukkingen en zelfs door +lichamelijke folteringen in zijn bezit te krijgen. Maar de volhardende +moed, door de hoop op winst ingegeven, spoorde de Joden aan, om de +veelvuldige kwellingen, waaraan zij blootgesteld waren, te verduren, +om de ontzaglijke schatten, die zij in een van natuur zoo rijk land als +Engeland, konden bijeen verzamelen. In weerwil van alle hinderpalen, +en zelfs van een hof van taxatie, de Joden-schatkamer genoemd, +alleen opgericht met oogmerk om hen te plunderen en te verdrukken, +stapelden de Joden onmetelijke sommen op, welke zij van de eene hand +in de andere lieten gaan door wisselbrieven, eene uitvinding, welke, +naar men zegt, de koophandel hun te danken heeft, en die hen in staat +stelde, hun rijkdommen van land tot land over te brengen; zoodat, +wanneer zij op de ééne plaats door de onderdrukking bedreigd werden, +zij hun schatten op een andere in veiligheid konden bergen. + +De hardnekkigheid en gierigheid der Joden dus, in tegenoverstelling +van de dweepzucht en de dwingelandij van hen, onder wie zij leefden, +schenen, zoo te zeggen, te vermeerderen in evenredigheid met de +vervolging, waaraan zij blootgesteld werden; en terwijl de ontzaglijke +rijkdom, welken zij gewoonlijk in den handel verwierven, hen dikwijls +in gevaar bracht, werd die op andere tijden gebruikt, om hun invloed +uit te breiden, en hun een zekere mate van bescherming te bezorgen. Op +dezen voet leefden zij, en hun karakter, hiernaar gewijzigd, was +waakzaam, achterdochtig en vreesachtig--maar ook hardnekkig, slim en +behendig in het vermijden der gevaren, waaraan zij blootgesteld waren. + +Nadat de reizigers door verscheidene zijpaden met de grootste +snelheid voortgereden waren, brak de pelgrim eindelijk het stilzwijgen +af. "Die groote vervallen eik," zeide hij, "maakt de grenspaal uit +van hetgeen Front-de-Boeuf zijn gebied noemt;--wij zijn verre van +dat van Malvoisin. Er is nu geen vervolging meer te duchten." + +"Mogen de wielen van hun wagens afvallen," zei de Jood, "zooals die +van Farao's leger, opdat zij langzaam mogen rijden!--Maar verlaat mij +niet, goede pelgrim,--denk maar aan dien trotschen, wilden Tempelier +met zijne Saraceensche slaven;--zij zullen noch voor gebied, noch +voor heerlijkheid, noch voor heeren-rechten, eerbied hebben." + +"Onze weg," hernam de pelgrim, "moet hier uiteen loopen; want het +past niet voor mannen van mijn stand en van den uwe, om langer samen +te reizen, dan noodig is. Buitendien, wat hulp zoudt gij van mij, een +vreedzamen pelgrim, tegen twee gewapende Heidenen kunnen verwachten?" + +"O goede jongeling," antwoordde de Jood, "gij kunt mij verdedigen en +ik weet ook wel, dat gij zulks wilt. Hoe arm ik ook ben, zal ik het +u vergelden--niet met geld; want geld, zoo waar mij vader Abraham +helpen zal, heb ik niet--maar--" + +"Ik heb u reeds gezegd," viel hem de pelgrim in de rede, "dat ik +geld, noch belooning van u begeer. Ik zal u geleiden en zelfs wel +verdedigen, dewijl het een Christen niet onwaardig kan gerekend worden, +een Jood tegen een Saraceen te beschermen. Derhalve, Jood, zal ik u, +eer ik u verlaat, onder veilige geleide zien. Wij zijn nu niet ver +van de stad Sheffield, waar gij licht velen van uw stam vinden zult, +bij wie gij toevlucht nemen kunt." + +"Vader Jacob zegene u, goede jongeling!" zei de Jood; "in Sheffield +kan ik bij mijn bloedverwant Zareth eene schuilplaats vinden, en naar +middelen uitzien, om in veiligheid verder te reizen." + +"Het zij zoo," hervatte de pelgrim; "te Sheffield zullen wij dus van +elkander scheiden, en na een half uur rijdens zullen wij de plaats +in het gezicht krijgen." + +Dit half uur werd van beide zijden in volkomen stilte doorgebracht; +de pelgrim, het misschien beneden zich rekenende, om den Jood aan te +spreken, behalve in geval van volstrekte noodzakelijkheid; en de Jood +het niet wagende een man, wiens reis naar het Heilige Graf hem eene +zekere eerwaardigheid gaf, tot een gesprek te dwingen. Zij hielden +op den top van een zacht hellenden heuvel stil, en de pelgrim, op de +stad Sheffield wijzende, welke onder hen lag, herhaalde de woorden: +"Hier scheiden wij dus!" + +"Niet, eer gij den dank van den armen Jood ontvangen hebt," zeide +Izaäk; "want ik durf u niet vragen, met mij bij mijn neef Zareth +te gaan, die mij misschien zou kunnen behulpzaam zijn, om uwe goede +diensten te beloonen." + +"Ik heb u reeds gezegd," antwoordde de pelgrim, "dat ik geene belooning +begeer. Zoo gij onder de menigte uwer schuldenaars om mijnentwille de +gevangenis en boeien besparen wilt aan den een of anderen ongelukkigen +Christen, die in uw macht is, dan zal ik den dienst van dezen morgen +rijkelijk beloond rekenen." + +"Wacht--wacht!" zeide de Jood, hem bij het kleed vattende, "ik wilde +gaarne iets meer doen, iets voor u zelven.--God weet het, dat ik een +arme Jood ben--ja, Izaäk is de bedelaar van zijn stam--maar vergeef +mij, als ik geraden heb, wat gij op dit oogenblik het vurigst begeert." + +"Zoo gij goed raadt," hervatte de pelgrim, "dan kunt gij het mij toch +niet verschaffen; al waart gij zoo rijk, als gij zegt arm te zijn." + +"Als ik zeg?" riep de Jood; "O! geloof mij, ik zeg niets dan de +zuivere waarheid; ik ben een uitgeplunderd, ongelukkig mensch, vol +schulden. Hardvochtige menschen hebben mij alles ontroofd; mijne +goederen, mijne schepen, mijn geld en alles, wat ik bezat.--En +toch kan ik u zeggen, wat gij wenscht, en mogelijk kan ik het u +ook verschaffen. Gij wenscht op dit oogenblik een paard en eene +wapenrusting." + +De pelgrim schrikte en keerde zich plotseling tot den Jood. "Welke +booze geest heeft u dit doen raden?" vroeg hij haastig. + +"Dat is onverschillig," antwoordde de Jood glimlachende, "maar +evengoed, als ik uwe begeerte kan raden, kan ik er aan voldoen." + +"Maar bedenk," zeide de pelgrim, "mijn stand, mijn kleeding, mijne +gelofte." + +"Ik ken u, Christenen," hervatte de Jood; "en ik weet, dat de edelsten +onder u den staf en de sandalen wel eens nemen, tot bijgeloovige boete, +en te voet gaan, om de graven van doode menschen te bezoeken." + +"Laster niet, Jood!" zei de pelgrim streng. + +"Vergeef mij!" hernam de Jood; "ik heb onbedachtzaam gesproken. Maar er +zijn u gisterenavond en hedenmorgen woorden ontvallen, die, evenals de +vonken uit een keisteen, het metaal, dat er binnen schuilt, verraden; +en in uw boezem zijn onder het pelgrimskleed een ridderketen en gouden +sporen verborgen. Zij glinsterden mij tegemoet, toen gij u hedenmorgen +over mijn bed boogt." + +De pelgrim kon een glimlach niet bedwingen en zeide: "Zoo uw +kleederen door een even nieuwsgierig oog doorzocht werden, Izaäk, +welke ontdekkingen zou men dan niet kunnen doen?" + +"Hier niet meer van!" hervatte de Jood, verbleekende; en schielijk zijn +schrijfgereedschap voor den dag halende, alsof hij het gesprek wilde +afbreken, begon hij iets op een stukje papier te schrijven, dat hij +op zijn gele muts legde, zonder van den muilezel af te stijgen. Toen +hij gedaan had, gaf hij het briefje, dat in het Hebreeuwsch geschreven +was, aan den pelgrim, en zeide: "In de stad Leicester kent ieder den +rijken Jood Kirjath Jairam uit Lombardije; geef hem dit briefje--hij +heeft zes Milaneesche wapenrustingen te koop; de minste daarvan zou +een gekroond hoofd waardig zijn--tien schoone paarden, waarvan het +slechtste goed genoeg ware voor een koning, al moest hij om zijn +troon strijden. Hieruit zal hij u de keur geven--met alles wat gij +voor het toernooi noodig hebt; als alles afgeloopen is, zult ge het +hem in goeden staat teruggeven--zoo gij geen geld genoeg hebt, om de +waarde daarvan aan den eigenaar te betalen." + +"Maar Izaäk," zei de pelgrim glimlachende, "weet gij wel, dat in +die wapenspelen de wapenen en het paard van den ridder, die uit den +zadel gelicht wordt, het eigendom van den overwinnaar worden? En +ik kan ongelukkig zijn, en dus verliezen, wat ik teruggeven, noch +betalen kan." + +De Jood scheen een weinig verschrikt over deze mogelijkheid, maar +weder moed vattende, hernam hij haastig: "Neen--neen--neen--het is +onmogelijk--ik kan dat niet denken. De zegen van onzen Vader zal op +u rusten. Uw lans zal machtig zijn, als de staf van Mozes!" + +Na deze woorden wendde de Jood den kop van zijn muilezel om; toen de +pelgrim op zijn beurt hem bij den mantel vast hield en hem zeide: "Maar +waarlijk, Izaäk, ge kent al het gevaar niet. Het paard kan gedood, +en de wapenrusting beschadigd worden--want ik zal noch mijn paard, +noch mijn persoon sparen. Buitendien geven de lieden van uw stam +niets voor niet; er moet dus iets voor het gebruik betaald worden." + +De Jood kromp op zijn zadel inéén, als iemand die een aanval van koliek +heeft; maar zijn beter gevoel zegevierde over de hem natuurlijke +denkwijze. "Het kan mij niet schelen," zeide hij, "het kan mij niet +schelen--laat mij gaan! Als er schade aan komt, zal het u niets +kosten--als er huurgeld voor wezen moet, zal Kirjath Jaïram u zulks +schenken ter liefde van zijn bloedverwant Izaäk.--Vaarwel!--Maar hoor +eens, goede jongeling," zeide hij, zich omkeerende, "waag u niet te +veel in het ijdele gewoel;--ik spreek niet uit vrees, dat het paard +of de wapenrusting letsel krijgen, maar om uw eigen leven en lichaam." + +"Hartelijk dank voor uw zorg," hernam de pelgrim, weder glimlachende: +"Ik zal van uw dienstvaardigheid gebruik maken, en het moet erg met +mij afloopen, zoo ik die niet beloon." + +Zij scheidden en namen verschillende wegen naar de stad Sheffield. + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + + De ridders togen op, gehuld in 't sierlijk wapen, + Omringd door heel een stoet van dienende edelknapen; + De één bond het helmsnoer vast; een ander hield de lans; + Een derde bracht het schild, dat blonk van wondren glans. + Het ros, vol ongeduld, aan 't brieschen, stampen, snuiven, + Beschuimde 't fraai gebit en deed den bodem stuiven; + De hoef- en wapensmids te paard, van hamers, leêr, + Van vijlen rijk voorzien en spijkers, volgden 't heir; + De schutters stonden voort gereed met boog en pijlen, + Terwijl het boerenvolk met knuppels aan kwam ijlen. + + Palamon en Arcite. + + +De toestand van het Engelsche [10] volk was in dit tijdperk vrij +ellendig. Koning Richard was afwezig en gevangen, in de macht van den +trouweloozen en wreeden Hertog van Oostenrijk. Zelfs was de plaats +van zijn gevangenschap, evenals zijn lot, onbekend aan de meesten +zijner onderdanen, die intusschen aan onderdrukkingen van allerlei +aard ten prooi waren. + +Prins Jan, in verbond met Filips van Frankrijk, Richard's doodvijand, +gebruikte al zijn invloed bij den Hertog van Oostenrijk, om de +gevangenschap van zijn broeder Richard, wien hij zooveel verschuldigd +was, te verlengen. Intusschen versterkte hij zijn aanhang in het +koninkrijk, waarvan hij de troonsopvolging, in geval van des konings +dood, wilde betwisten aan den rechtmatigen erfgenaam, Arthur, Hertog +van Bretagne, zoon van Geoffroi Plantagenet, zijn ouderen broeder. Deze +overweldiging, gelijk bekend is, gelukte hem ook werkelijk op den +duur. Daar zijn eigen karakter sluw, slecht en trouweloos was, verbond +Jan gemakkelijk aan zijn persoon en aan zijne partij niet alleen hen, +die reden hadden Richard's toorn te vreezen, wegens hun gedrag in +zijne afwezigheid; maar ook de talrijke dappere vrijbuiters, welke van +de kruistochten in hun vaderland waren teruggekeerd, volleerd in de +ondeugden van het Oosten, arm aan goederen, verhard van karakter, en +die hunne hoop stelden op een nieuwen oogst in de burgerlijke onlusten. + +Bij deze bronnen van algemeene ellende en vrees moet nog gevoegd +worden het groot getal van vogelvrijverklaarden, die, tot wanhoop +gedreven door de onderdrukking van den hoogen adel, en door de strenge +uitvoering der jachtwetten, zich in groote benden vereenigden, en, +bezit nemende van de bosschen en woeste streken, de gerechtigheid +en overheid van het land trotseerden. De edelen zelven, ieder binnen +zijn eigen kasteel verschanst, en den kleinen vorst over zijn gebied +spelende, waren de aanvoerders van benden, die nauwelijks minder +ongebonden, en tegelijk ergere onderdrukkers waren, dan de roovers van +beroep. Om deze volgelingen te onderhouden, met de buitensporigheid en +pracht, waartoe zij door hoogmoed gedreven werden, leende de adel geld +van de Joden op de meest woekerachtige renten, die aan hun goederen +knaagden, als een verterende kanker, die slechts dan te genezen was, +als zich de gelegenheid opdeed, om door de een of andere daad van +geweld zich van hunne schuldeischers te bevrijden. + +Onder de verschillende soorten van rampen, uit dezen ongelukkigen +staat van zaken voortspruitende, leed het Engelsche volk toenmaals +veel, en had reden de toekomst nog meer te vreezen. Om de ellende +nog te vermeerderen, verspreidde zich eene besmettelijke ziekte van +gevaarlijken aard door het land; en, nog verergerd door de morsigheid, +het slechte voedsel en de ellendige woningen der geringere klassen, +maaide zij er duizenden van weg, wier lot de overlevenden benijdden, +daar het hen van verderen nood verloste. + +Te midden echter van al deze rampen, gevoelden armen en rijken, het +gemeen en de adel, bij een toernooi, het groote volksfeest van dien +tijd, evenveel belangstelling, als de half uitgehongerde burger van +Madrid, die geen _reaal_ over heeft om brood voor zijn huisgezin te +koopen, gevoelt in den uitslag van een stieren-gevecht. Plicht noch +zwakheid konden jong en oud van zulke vertooningen terug houden. De +wapengang, zooals men het noemde, die plaats zou hebben te Ashby, +in het graafschap Leicester, had de algemeene aandacht getrokken, +daar kampvechters van den hoogsten roem, in tegenwoordigheid van +Prins Jan zelven, in het strijdperk zouden treden; en een ontzaglijke +toevloed van menschen van alle rangen spoedde zich op den bepaalden +morgen naar de plaats van den strijd. + +Het tooneel was bijzonder schilderachtig. Op de grenzen van een bosch, +dat slechts een groot kwartier gaans van de stad Ashby verwijderd was, +bevond zich een uitgestrekte, schoone, groene weide, aan de eene +zijde door het woud, aan de andere door verspreid staande eiken, +waarvan eenigen ontzaglijk hoog waren, omgeven. De grond helde van +beide kanten langzaam af naar een vlakte, als voor het krijgsspel, +dat dáár plaats zou hebben, gemaakt. Het strijdperk was met sterke +palissaden ingesloten,--een vierde mijl lang, en half zoo breed. De +vorm was langwerpig vierkant, behalve de hoeken, die afgerond +waren, tot grooter gemak van de aanschouwers. De toegangen voor de +kampvechters waren aan het noorder en zuider einde van het strijdperk; +ze waren gesloten met sterke houten deuren, wijd genoeg om twee ruiters +naast elkander door te laten. Bij elke dezer poorten stonden twee +herauten en zes trompetters, evenzoo vele wapenboden, en een sterke, +gewapende wacht om de orde te houden, en om den rang der ridders te +onderzoeken, die aan dit krijgshaftig spel wilden deelnemen. + +Op eene vlakte buiten den zuider ingang, gevormd door een natuurlijke +verhevenheid van den grond, waren vijf prachtige tenten opgeslagen, +versierd met donker roode en zwarte wimpels, de kleuren, welke de +vijf uitdagende ridders gekozen hadden. De touwen der tenten waren +van dezelfde kleur. Vóór iedere tent hing het schild van den ridder, +aan wien ze behoorde, en daarnaast stond zijn schildknaap, vermomd +als een wilde, of boschman, of in eenige andere zonderlinge kleeding, +volgens den smaak van zijn meester en de rol welke deze gedurende het +spel wilde aannemen [11]. De middelste tent, als de eereplaats, was +toegewezen aan Brian de Bois-Guilbert, wiens naam in alle ridderspelen, +niet minder dan zijne betrekking tot de ridders, welke dezen wapengang +ondernomen hadden, hem gereedelijk onder het getal der uitdagers, +en zelfs tot aanvoerder had doen aannemen, hoewel hij slechts sedert +korten tijd zich bij hen gevoegd had. Aan één kant van zijn tent was +die van Reginald Front-de-Boeuf en van Richard de Malvoisin, en aan den +anderen was de tent van Hugo de Grantmesnil, een edele uit de buurt, +wiens voorvader Opper-Ceremoniemeester van Engeland geweest was, ten +tijde van den Veroveraar en van zijn zoon, den Rooden Willem. Ralph de +Vipont, een ridder van St. Jan van Jeruzalem, die eenige bezittingen +had te Heather, nabij Ashby-de-la-Zouche, bezette de vijfde tent. Van +den ingang in het strijdperk leidde een langzaam oploopende weg, +tien el breed, naar de hooge vlakte, waarop de tenten stonden. Deze +was van beide kanten met palissaden omgeven, evenals de ruimte vóór +de tenten, en het geheel werd door gewapenden bewaakt. + +De noordelijke toegang tot het strijdperk was een soortgelijke gang, +dertig voet breed, aan welks einde eene groote afgesloten plaats +was voor die ridders, die geneigd mochten zijn den strijd tegen de +uitdagers te wagen; dáár stonden ook tenten, met ververschingen van +allerlei aard gereed; met wapen- en hoefsmeden en andere bedienden, +bereid om hun diensten te bewijzen, overal waar ze noodzakelijk +mochten zijn. + +De buitenkant van het strijdperk was gedeeltelijk bezet met galerijen, +voorzien met tapijten en zittingen voor die dames, ridders en edelen, +welke bij het toernooi verwacht werden. Eene kleine ruimte tusschen +deze galerijen en het strijdperk was bestemd voor de pachters en +landlieden en de toeschouwers, die niet geheel tot het gemeen +behoorden, en welke met de "_parterre_" in onze hedendaagsche +schouwburgen kunnen vergeleken worden. De groote menigte zette zich +op groote zodenbanken, die voor dat doel waren opgericht, en die door +de natuurlijke verhevenheid van den grond hen in staat stelden, over +de galerijen heen te zien, en een goed gezicht op het strijdperk te +krijgen. Behalve deze plaatsen, hadden reeds honderden op de takken +der boomen, welke de weide omringden, plaats genomen, en zelfs de +toren van een niet ver afgelegen dorpskerk was met toeschouwers bezet. + +Er blijft nog slechts over, ten opzichte van de geheele inrichting +op te merken, dat eene hoogere galerij in het middelpunt van de +oostelijke zijde van het strijdperk, en dus vlak tegenover de plaats, +waar de strijders elkander ontmoeten moesten, opgericht was, die rijker +versierd, en onderscheiden was door een soort van troonhemel, waarop +het koninklijke wapen prijkte. Schildknapen, pages en trawanten in +rijke kleeding stonden rondom die eereplaats, welke bestemd was voor +Prins Jan en zijn gevolg. Tegenover deze koninklijke galerij, aan den +westkant, bevond zich eene andere, even hoog, en bonter, schoon minder +prachtig versierd, dan die van den Prins zelven. Een menigte pages +en jonge meisjes van uitstekende schoonheid, groen en rood gekleed, +omringden dien troon welke met dezelfde kleuren versierd was. + +Onder de wimpels en vlaggen, beschilderd met gewonde, brandende en +bloedende harten, bogen en pijlkokers en al de bekende zinnebeelden +van de zegepralen van Cupido, viel een opschrift in het oog, dat de +toeschouwers onderrichtte, dat deze de eereplaats was van _La Royne de +la Beautté et des Amours_. Maar wie dit zijn zou, kon niemand gissen. + +Langzamerhand stroomden toeschouwers van allen aard toe, om hunne +verschillende plaatsen in te nemen, niet zonder vele twisten over die, +waarop zij recht hadden. Eenige van deze geschillen werden zonder +veel omslag door de gewapenden beslist, daar zij de grepen van hunne +heirbijlen en de gevesten van hunne sabels vaardig gebruikten, als +bewijsredenen, om de hardnekkigsten te overtuigen. Andere twisten, +die tusschen personen van hoogeren rang bestonden, werden beslist door +de herauten, of door de twee Wapen-Maarschalken, Willem de Wyvil en +Steven de Martival, die gewapend in het strijdperk op en neder reden, +om de goede orde onder de toeschouwers te bewaren. + +Allengs vulden zich de galerijen met ridders en edelen in feestgewaad; +hunne lange en rijk gekleurde mantels staken zeer af bij de meer bonte +en prachtige kleeding der vrouwen, die, zelfs in grooter getal dan de +mannen, elkander verdrongen, om een schouwspel te zien, dat te bloedig +en te gevaarlijk scheen, om haar veel genoegen te kunnen verschaffen. + +De benedenste en binnenste ruimte was weldra opgevuld met +gegoede landlieden, burgers en diegenen van minderen adel, die uit +bescheidenheid, armoede, of wegens betwiste rechten, geene hoogere +plaats durfden innemen. Het is natuurlijk, dat onder deze klasse de +meeste oneenigheid over den voorrang plaats had. + +"Ongeloovige hond!" riep een oud man, wiens versleten mantel zijn +armoede te kennen gaf, terwijl zijn zwaard, zijn dolk en zijn gouden +ketting zijn aanspraak op hoogen rang bewezen;--"Roofdier! durft gij +tegen een Christen aandringen, en nog wel tegen een Normandischen +edelman van het geslacht der Montdidiers?" + +Deze ruwe aanspraak was tot niemand anders gericht dan tot onzen +kennis Izaäk, die, rijk en zelfs prachtig gekleed, in een mantel +met kant omzet en met bont gevoerd, trachtte plaats te maken in de +voorste rij onder de galerij voor zijne dochter, de schoone Rebekka, +die te Ashby bij hem gekomen was, en nu aan den arm van haren vader +hing, niet weinig verschrikt over het misnoegen, dat algemeen door +haar vaders vermetelheid verwekt werd. Maar Izaäk, dien wij bij +een andere gelegenheid zoo vreesachtig gezien hebben, wist wel, dat +hij nu niets te duchten had. Het was niet op plaatsen van openbare +vermakelijkheden, of waar huns gelijken vergaderd waren, dat eenig +geldgierige of kwaadaardige edelman hem durfde aanvallen. Bij zulke +gelegenheden waren de Joden onder de bescherming van de algemeene +wet; en al was deze maar zwak, dan waren er gewoonlijk onder den +vergaderden hoop eenige edelen, die uit eigenbelang gereed waren, +als hun beschermers op te treden. Bij de tegenwoordige gelegenheid +gevoelde Izaäk zich meer dan gewoon gerust, daar hij wist, dat Prins +Jan bezig was eene groote leening bij de Joden van York te heffen, +door het verpanden van zekere juweelen en landerijen. Izaäk's eigen +deel in dezen handel was groot; en hij wist wel, dat de Prins, die +vurig verlangde, de zaak ten einde te brengen, hem zijne bescherming +zou verleenen in de verlegenheid, waarin hij zich nu bevond. + +Overmoedig door deze overweging, vervolgde de Jood zijn doel, en +stiet den Normandischen Christen op zijde, zonder achting voor zijne +afkomst, zijn rang of zijn godsdienst. De klachten van den ouden man +verwekten intusschen de verontwaardiging der menschen. Één daarvan, +een sterk, gespierd jager, donker groen gekleed, met twaalf pijlen +in den koker, met een zilveren koppel en een zes voet langen boog in +de hand, keerde zich om; en terwijl zijn gelaat, dat door gedurig aan +het weêr blootgesteld te zijn, bruin geworden was als een hazelnoot, +van toorn gloeide, ried hij den Jood aan, zich te herinneren, dat +al de rijkdom, welken hij door het uitzuigen van zijn ongelukkige +slachtoffers verworven had, hem slechts als een kruisspin had doen +opzwellen, welke men over het hoofd zou kunnen zien, zoolang ze in +een hoek schuilde, maar die verpletterd zou worden, zoodra zij waagde +voor den dag te komen. Dit verwijt in het Normandisch-Saksisch, met +vaste stem en ernstigen blik gedaan, deed den Jood achteruit deinzen, +en hij zou zich waarschijnlijk geheel uit eene zoo gevaarlijke buurt +verwijderd hebben, ware niet plotseling ieders aandacht gevestigd +geworden op de verschijning van Prins Jan, die op dit oogenblik het +strijdperk binnen reed, vergezeld van een talrijk en bont gevolg, +gedeeltelijk uit leeken, gedeeltelijk uit geestelijken bestaande; +dezen even wereldsch in hunne kleeding en luchtig in hun gedrag, +als hunne metgezellen. Onder de laatsten bevond zich de Prior van +Jorvaulx, in het prachtigste gewaad, dat zijn geestelijke waardigheid +toeliet. Bontwerk en goud waren niet aan zijn kleederen gespaard; +en de punten van zijn laarzen, de bespottelijke mode van den tijd +overdrijvende, staken zoo hoog naar boven, dat zij niet slechts +tot aan de knieën, maar zelfs tot aan den gordel kwamen, en hem +inderdaad beletten, den voet in den stijgbeugel te zetten. Dit was +echter slechts een gering ongemak voor den dapperen abt, die zich +misschien verheugde gelegenheid te hebben, zijne kunst in het rijden, +voor zoo vele toeschouwers, en voornamelijk voor zoo vele van het +schoone geslacht, ten toon te spreiden. Het overige gevolg van Prins +Jan bestond uit de begunstigde aanvoerders van zijne huurlingen, +eenige van roof levende edelen en ledigloopende hovelingen, met +verscheidene Tempeliers en Johanniter-ridders. + +Men moet hier opmerken, dat de ridders van deze orden voor vijanden +van Koning Richard gehouden werden, daar zij de partij van Filips van +Frankrijk gekozen hadden, in de lange twisten tusschen dezen vorst en +Richard Leeuwenhart. Het is bekend, dat door deze tweedracht Richard's +herhaalde overwinningen verijdeld, zijne avontuurlijke pogingen om +Jeruzalem te belegeren, teleurgesteld werden, en dat de vrucht van +al den roem, dien hij verworven had, zich bepaalde tot eene onzekere +wapenstilstand met den Sultan Saladin. Uit dezelfde staatkunde, welke +het gedrag hunner broederen in het Heilige Land bestierd had, verbonden +zich de Tempeliers en Hospitaalridders in Engeland en Normandië met de +partij van Prins Jan, daar zij weinig reden hadden te verlangen naar +Richard's terugkomst, of naar de opvolging van Arthur, zijn wettigen +erfgenaam. Daarentegen haatte en verachtte Prins Jan de weinige +aanzienlijke Saksische geslachten, die nog in Engeland bestonden, en +hij liet geene gelegenheid voorbijgaan, ze te kwetsen en te hoonen, +omdat het hem bewust was, dat zijn persoon en zijne eischen hun +mishaagden, zoowel als aan het grootste gedeelte van het Engelsche +volk, dat verdere inbreuken op zijne rechten en vrijheden vreesde +van een vorst met zulk een losbandig en tiranniek karakter als Jan. + +Vergezeld van zijn bont gevolg, en zelf prachtig in karmozijn en goud +gekleed, een valk op de hand dragende, het hoofd bedekt met een rijke +muts van bont, versierd met een rand van edelgesteenten, waaronder +zijn lang gekruld haar te voorschijn kwam, dat tot op zijn schouders +hing, galoppeerde Prins Jan op een schimmel door het strijdperk aan +het hoofd van den bonten stoet, met zijne vrienden lachende, en met +al de stoutheid van een koninklijken kenner de schoonen beschouwende, +welke de hooge galerijen bezetten. + +Zij, die in het gelaat van den Prins eene losbandige stoutheid, +met overdreven hoogmoed en onverschilligheid voor de gevoelens van +anderen vermengd, bespeurden, konden echter niet ontkennen, dat er +een zekere aanvalligheid op lag, die, eigen aan open, welgevormde +trekken, kunstmatig aan de regels van uiterlijke beleefdheid gewend, +echter in zooverre edel en oprecht zijn, dat zij buiten staat +schijnen, de natuurlijke gemoedsaandoeningen te verbergen. Zulk eene +gelaatsuitdrukking wordt dikwijls verkeerd voor manhaftig vrijmoedig +gehouden, daar ze, inderdaad, slechts voortspruit uit de zorgelooze +onverschilligheid van een losbandig karakter, uit de bewustheid van +hooge geboorte, van rijkdom, of eenige andere toevallige voordeelen, +die in het geheel niet van persoonlijke verdiensten afhangen. Voor +hen, die niet zoo diep dachten, en niet één uit honderd deed dit, was +de pracht van des Prinsen _rheno_ (d. i. pelskraag), van zijn mantel +met het kostbaarste hermelijn omzet, van zijn marokijnen laarzen en +gouden sporen, tegelijk met de bevalligheid, waarmede hij zijn paard +in bedwang hield, voldoende, om hem met een luid vreugdegejuich te +doen ontvangen. + +Gedurende zijn feestelijken tocht door het strijdperk, werd de +aandacht van den Prins getrokken door de opschudding, welke het +eerzuchtige streven van den Jood Izaäk naar eene hoogere zitplaats +veroorzaakte. Het scherpe oog van Prins Jan herkende den Jood terstond, +maar werd veel aangenamer aangetrokken door de schoone dochter van +Sion, die, verschrikt door het oproer, zich dicht aan haar ouden +vader klemde. + +De gedaante van Rebekka kon werkelijk vergeleken worden bij de eerste +schoonheden van Engeland, zelfs als die had moeten beoordeeld worden +door een zoo fijnen kenner als Prins Jan. Haar leest was buitengemeen +schoon, en kwam op het voordeeligst uit door een soort van Oostersche +kleeding, die zij volgens het gebruik der vrouwen van haar natie +droeg. Haar tulband, van gele zijde, paste goed bij haar donkere +gelaatskleur. Het vuur harer oogen, de heerlijk gebogen wenkbrauwen, de +fijn gevormde haviksneus, parelwitte tanden, en zwaar zwart haar, dat +in fijne, krullende lokken op den blanken hals en boezem vielen, voor +zooverre een doek van de kostbaarste Perzische zijde, met bloemen in +natuurlijke kleuren op een purpergrond gewerkt, ze niet bedekte,--dit +alles verhoogde de bekoorlijkheden, welke niet overtroffen werden +door die der schoonste meisjes, welke haar omringden. Het moet gezegd +worden dat de drie bovenste gouden en met paarlen bezette lissen, die +haar kleed van den hals tot aan den gordel sloten, wegens de groote +warmte waren opengelaten, hetgeen haar schoone gestalte des te meer +zichtbaar maakte. Een diamanten halssnoer van onschatbare waarde +viel op deze wijze ook in 't oog. Een struisveder, aan den tulband +vastgemaakt met een diamanten haak, was nog een onderscheidingsteeken +der schoone Jodin, waarover de trotsche dames, die boven haar zaten, +spotten en lachten, terwijl zij haar in stilte benijdden. + +"Bij den kalen schedel van Abraham," zei Prins Jan, "die Jodin dáár is +waarlijk het model van die volmaakte schoonheid, wier bekoorlijkheden +den wijsten Koning, die ooit geleefd heeft, tot waanzin brachten. Wat +zegt gij er van, Prior Aymer?--Bij den Tempel, welken mijn wijze +broeder Richard niet in staat was te herwinnen, zij is de ware bruid +uit het Hooge Lied!" + +"De roos van Saron en de lelie der dalen," antwoordde de Prior +fluisterend; "maar uw Hoogheid moet niet vergeten, dat het slechts +eene Jodin is!" + +"Ach!" voegde Prins Jan er bij, zonder op dezen raad te letten, +"en daar is mijn zondige Mammon ook;--de Markies van de Goudmijn, +Baron van de Beurs, die met arme duivels, wier afgesleten mantels +toonen, dat zij geen penning in den zak dragen, om hun lompen bij +elkander te houden, om een plaats twist. Bij den heiligen Markus, mijn +woekervorst zal met zijne bekoorlijke Jodin eene plaats in de galerij +hebben.--Izaäk! wie is die Oostersche Houri, die gij even vast onder uw +arm houdt, alsof zij eene geldkist was;--is het uw vrouw of dochter?" + +"Mijne dochter Rebekka, tot uwer Hoogheids dienst," antwoordde +Izaäk, met eene diepe buiging, geheel niet verlegen over den groet +van den Prins, ofschoon daarin evenveel spotternij als beleefdheid +lag opgesloten. + +"Des te beter voor u!" riep Jan met een schaterend gelach, dat bij zijn +vroolijk gevolg in alle onderdanigheid aanstekelijk scheen. "Maar, +dochter of vrouw, aan haar moet de voorrang gegeven worden, die aan +hare schoonheid en uwe verdiensten toekomt.--Wie zit daar boven?" ging +hij voort, zijn oog op de galerij richtende. "Saksische boeren op +hun gemak uitgestrekt;--weg met hen!--laat ze maar wat opschikken, en +ruimte maken voor mijn woekervorst en zijne beminnelijke dochter. Ik +zal hun leeren, de eerste plaatsen der Synagoge te deelen met hen, +aan wie de Synagoge eigenlijk behoort." + +Zij, die de galerij bezetten, en tot wie deze onbeleefde en +beleedigende taal gericht was, waren het gezin van Cedric den +Sakser, met dat van zijn bloedverwant Athelstane van Coningsburgh, +een man, die, wegens zijne afkomst van den laatsten Saksischen vorst +in Engeland, bij alle Saksische inboorlingen van het noorden van +Engeland in de grootste achting stond. Maar met het bloed van dezen +ouden koninklijken stam waren vele van diens zwakheden op Athelstane +overgegaan. Hij had een schoon gelaat, was zwaar en sterk van lichaam, +en in den bloei zijner jaren, maar had geene levendigheid in zijn +uiterlijk; zijne oogen waren zonder uitdrukking; hij was langzaam in +zijne bewegingen, en zoo traag in zijne besluiten, dat men hem den +scheldnaam van een zijner voorouders gaf, en hij dikwijls Athelstane +de Besluitelooze genoemd werd. Zijne vrienden,--en hij had er velen, +die, evenals Cedric, vurig aan hem verkleefd waren,--geloofden, +dat dit traag karakter niet uit gebrek aan moed, maar uit loutere +besluiteloosheid voortsproot; anderen beweerden, dat de geërfde ondeugd +der dronkenschap zijn bovendien niet zeer scherp vernuft verstompt had, +en dat de geduldige moed en zachte goedaardigheid, welke overbleven, +slechts de overblijfsels van een karakter waren, dat uitstekend had +kunnen worden, maar waarvan alle degelijke eigenschappen in een lange +reeks der ergste uitspattingen waren verloren geraakt. + +Het was tot dezen man, dien wij nu beschreven hebben, dat de +Prins het stoute bevel richtte, om plaats te maken voor Izaäk en +Rebekka. Athelstane, geheel uit het veld geslagen door een bevel, +dat volgens de zeden en gevoelens dier tijden zeer beleedigend was, +wilde niet gehoorzamen; maar niet wetende hoe zich te houden, verzette +hij zich slechts door de _vis inertiae_, tegen den wil van den Prins; +en zonder de minste beweging te maken, om hem te gehoorzamen, opende +hij de groote grauwe oogen, en staarde den Prins aan met een verbazing, +die iets zeer belachelijks had. Maar de ongeduldige Prins beschouwde +het niet uit dit oogpunt. "Het Saksische zwijn," zeide hij, "slaapt, +of stoort zich niet aan hetgeen ik zeg.--Geef hem eventjes een prik +met uw lans, De Bracy," vervolgde hij tot een ridder, die naast +hem reed en die aanvoerder was van een hoop Condottieri, dat is, +huurlingen, die tot geen bijzondere natie behoorden, maar aan iederen +vorst gehecht waren, die hen betalen wilde. Er ontstond een gemor, +zelfs onder het gevolg van Prins Jan; maar De Bracy, wiens beroep +hem voor alle schroomvalligheid bewaarde, strekte zijn lange lans +uit over de ruimte, die de galerij van het strijdperk scheidde, +en zou het bevel van den Prins ten uitvoer gebracht hebben, zelfs +eer Athelstane de Besluitelooze genoeg tegenwoordigheid van geest +gevonden had, om voor den stoot te wijken, had niet Cedric, die even +vurig als zijn metgezel traag was, met de snelheid van den bliksem +zijn kort zwaard getrokken, en met één slag de punt van de lans er +afgeslagen. De toorn kleurde de wangen van Prins Jan; hij uitte een +geweldigen vloek, en was op het punt eene even geweldige bedreiging +te laten volgen, toen hij in zijn voornemen belet werd, gedeeltelijk +door zijn eigen gevolg, dat zich rond hem verdrong en hem smeekte te +bedaren, gedeeltelijk door de algemeene, luide toejuiching van het +volk, over het moedige gedrag van Cedric. De Prins sloeg de oogen +vol verontwaardiging in het rond, alsof hij een zeker en gemakkelijk +slachtoffer zoeken wilde; en bij toeval den vasten blik van den reeds +gemelden boogschutter ontmoetende, die in zijn goedkeurende houding +scheen te willen volharden, in weerwil van den toornigen blik van +den Prins, vroeg hij hem de reden van zijn luid gejuich. + +"Ik roep altijd bravo," zei de schutter, "als ik een goed schot of +een krachtigen houw zie!" + +"Zoo?" antwoordde de Prins; "dan kunt gij zeker het wit ook wel +treffen, wed ik?" + +"Ja," hervatte de schutter, "jagers wit op jagers afstand kan ik +treffen." + +"En Tyrrels wit op honderd el afstand!" [12] riep eene stem achter hem, +zonder dat men onderscheiden kon, van wien die kwam. + +Deze toespeling op het lot van den Rooden Willem, een zijner +voorouders, vertoornde en verontrustte Prins Jan te gelijk. Hij +vergenoegde zich echter met den gewapenden, die het strijdperk +omringden te bevelen, een wakend oog te houden op dezen snoever, +zooals hij den schutter noemde. "Bij St. Griselda," voegde hij er bij, +"wij zullen de bekwaamheid van hem beproeven, die zoo bij de hand is, +om de daden van anderen te prijzen." + +"Ik zal mij niet aan de proef onttrekken!" hernam de schutter met +een bedaardheid, die zijn vast karakter te kennen gaf. + +"Intusschen staat op, gij Saksische boeren," riep de driftige Prins; +"want bij het licht des hemels, zoo waar ik het gezegd heb, zal ook +de Jood bij u zitten!" + +"Geenszins, met verlof van uw Hoogheid; het past voor onzes gelijken +niet, onder de beheerschers van het land te zitten!" zei de Jood, +wiens eerzucht hem den voorrang wel deed betwisten aan den uitgeteerden +en verarmden afstammeling der Montdidiers, maar die het niet waagde, +zich aan de rijke Saksers op te dringen. + +"Naar boven, ongeloovige hond, als ik het u beveel!" zeide Prins Jan, +"of ik laat uw zwarte huid afvillen en tot een zadeldek bereiden." + +Dus voortgedreven, begon de Jood de steile en nauwe trap op te klimmen, +die naar de galerij geleidde. + +"Laat mij zien, wie hem durft tegenhouden," zei de Prins, het oog op +Cedric vestigende, wiens houding te kennen gaf, dat hij voornemens +was den Jood hals over kop naar beneden te werpen. + +Dit werd verhinderd door Wamba, die tusschen zijn meester en Izaäk +sprong, en tot antwoord op des Prinsen uitdaging uitriep: "Voorwaar, +dat zal ik doen!" Hierop hield hij den Jood een stuk gerookt spek +als een schild tegemoet, dat hij van onder den mantel uit haalde, +en waarmede hij zich zonder twijfel voorzien had, uit vrees, dat +het toernooi langer mocht duren, dan zijn honger hem vergunde te +wachten. Den afschrik van zijn stam zoo dicht bij zijn neus ruikende, +terwijl de nar te gelijk zijn houten zwaard boven zijn hoofd zwaaide, +week de Jood achteruit, gleed en viel den trap af, tot groot vermaak +der toeschouwers, die in een luid gelach uitbarstten, waaraan Prins +Jan en zijn gevolg hartelijk deel namen. + +"Geef mij den prijs, neef Prins," zeide Wamba; "ik heb mijn vijand in +den eerlijken strijd met schild en zwaard overwonnen!" Dit zeggende, +zwaaide hij het spek met de eene hand en het houten zwaard met +de andere. + +"Wie en van waar zijt gij, edele strijder?" vroeg Prins Jan, steeds +lachende. + +"Een nar van afkomst," antwoordde Wamba. "Ik ben Wamba, de zoon +van Weetniet, die de zoon was van Warhoofd, die de zoon was van +een Raadsheer." + +"Maakt plaats voor den Jood in de voorste rij van den ondersten kring," +zei Prins Jan, niet ontevreden misschien, een voorwendsel te vinden, +om van zijn eerste voornemen te kunnen afzien; "den overwonnene naast +den overwinnaar te plaatsen, ware tegen de wetten der ridderschap!" + +"De schelm naast den nar zou nog erger zijn," hernam Wamba, "en de +Jood naast den ham het ergste van alles." + +"Gij hebt gelijk, vriend!" riep Prins Jan; "gij bevalt mij.--Hier, +Izaäk! leen mij een handvol daalders." + +Terwijl de Jood, verschrikt over dezen eisch, niet durvende weigeren +en ongaarne gehoorzamende, in den pelszak tastte, welke aan zijn +gordel hing, en misschien onderzocht, hoe weinig stuks voor een +handvol zouden kunnen doorgaan, bukte zich de Prins naar hem toe, +en maakte een einde aan Izaäk's onzekerheid, door den zak van zijn +zijde te scheuren; en Wamba een paar van de goudstukken, die er zich +in bevonden, toewerpende, galoppeerde hij het strijdperk rond, den +Jood aan het gelach der omstanders prijs gevende, terwijl hij zelf +evenzeer door de aanschouwers toegejuicht werd, alsof hij een edele, +eervolle daad verricht had. + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + + Het luid trompetgeschal heeft strijders uitgedaagd, + Beantwoord weêr door hen, dien d' eedle kamp behaagt. + De daverende klank vervult de lucht en dreven; + En 't ros gespoord, 't vizier gesloten, rukken ze aan + Van d' open slagboom naar het midden van de baan, + Met uitgestrekte lans, of helmwaarts opgeheven. + + Palamon en Arcite. + + +Midden in zijn rit hield Prins Jan op eens stil en, den Prior van +Jorvaulx roepende, verklaarde hij, de voornaamste zaak van den dag +verzuimd te hebben. + +"Zoo waar ik leef, Prior!" zeide hij, "wij hebben vergeten de Koningin +der Liefde en Schoonheid te benoemen, door wier blanke hand de prijs +der overwinning moet uitgedeeld worden. Wat mij betreft, ik ben niet +bekrompen in mijne wijze van denken, en maak geene zwarigheid mijn +stem aan de zwart-oogige Rebekka te geven." + +"Heilige Maagd!" antwoordde de Prior, de oogen met afschrik afkeerende, +"eene Jodin!--Wij verdienden uit het strijdperk gesteenigd te worden, +en ik ben nog niet oud genoeg, om een martelaar te worden. Buitendien +zweer ik bij mijn beschermheilige, dat zij in schoonheid voor de +beminnelijke Saksische Jonkvrouw Rowena verre moet onderdoen." + +"Sakser of Jood, hond of zwijn," hervatte de Prins, "wat verschil +is daar tusschen? Ik herhaal het, ik benoem Rebekka, al ware het ook +alleen, om die Saksische lummels te ergeren!" + +Er verhief zich een gemor, zelfs onder diegenen, die hem onmiddellijk +omringden. + +"Dit heet de scherts te ver drijven, Heer!" zeide De Bracy. "Geen +ridder zal hier een lans breken, als men de vergadering zulk een +schimp aandoet." + +"Het zou eene moedwillige beleediging zijn," zeide Waldemar Fitzurse, +een der oudsten uit het gevolg van Prins Jan, "en zoo uwe Hoogheid +daarbij volhardt, kan het niet anders dan schadelijk voor uwe +ontwerpen zijn." + +"Mijnheer, ik hield u voor mijn volgeling en niet voor mijn raadsman," +zei Jan, trotsch zijn paard doende stil staan. + +"Zij, die uw Hoogheid op de paden volgen, welke zij bewandelt," zeide +Waldemar op zachten toon, "verkrijgen het recht van raadslieden; +want uw belang en uw veiligheid zijn er niet meer mede gemoeid, +dan de hunne!" + +Uit den toon, waarop dit gezegd werd, zag Jan de noodzakelijkheid +in van te moeten toegeven. "Ik schertste slechts," hernam hij, "en +gij valt op mij aan, als even zoovele adders. Noemt wie gij wilt, in +'s duivels naam, en volgt uw eigen zin." + +"Neen, neen," zei de Bracy, "laat den troon der Koningin onbezet, +totdat de overwinnaar zal benoemd worden, en laat hem dan de dame +kiezen, welke dien zal beklimmen. Dit zal aan zijn zegepraal eene +dubbele waarde geven, en de schoone vrouwen leeren, de liefde der +dappere ridders op prijs te stellen, die haar tot zulk eene eereplaats +verheffen kunnen." + +"Als Brian de Bois-Guilbert den prijs wint," zei de Prior, "dan wil ik +mijn rozekrans verwedden, dat ik de Koningin van Liefde en Schoonheid +noemen kan." + +"De Bois-Guilbert," antwoordde De Bracy, "is een dapper ridder; maar +er zijn anderen in dit strijdperk, Heer Prior, die niet vreezen, +de kans tegen hem te wagen." + +"Stil, Heeren," zeide Waldemar, "en laat den Prins zijne plaats +innemen. De ridders en toeschouwers zijn even ongeduldig; het is hoog +tijd, dat het spel een aanvang neme." + +Ofschoon Prins Jan nog geen koning was, zoo had hij toch van Waldemar +Fitzurse al den last van een eersten minister, die zijn vorst altijd +op zijne eigene wijze dienen moet. De Prins gaf ook nu toe, schoon +hij van karakter eigenzinnig was in kleinigheden; en, nadat hij zijn +troon had ingenomen en zijn gevolg zich om hem geschaard had, gaf +hij een teeken aan de herauten om de toernooiwetten te verkondigen, +die in 't kort van den volgenden inhoud waren: + +_Vooreerst_: de vijf uitdagers namen het tegen allen op, die zich +aanboden. + +_Ten tweede_: ieder ridder, die begeerde te strijden, kon, als hij +wilde, eene bijzondere tegenpartij onder de uitdagers uitkiezen, +door zijn schild met de lans aan te raken. Indien hij zulks met de +omgekeerde lans deed, dan moest het gevecht plaats hebben met de +wapenen van _courtoisie_, dat is, met lansen, aan welker einde een +rond stuk hout bevestigd was, zoodat er geen gevaar bij was, behalve +door den schok der paarden en ruiters. Maar zoo het schild aangeraakt +werd met de scherpe punt der lans, dan moest het gevecht _à outrance_ +plaats hebben, dat is, de ridders moesten met scherpe wapenen strijden, +evenals in een wezenlijk gevecht. + +_Ten derde_: wanneer de tegenwoordig zijnde ridders hunne gelofte +volbracht hadden, om ieder vijf lansen te breken, zou de Prins +den overwinnaar op den eersten toernooidag benoemen, die tot prijs +een strijdpaard van uitgezochte schoonheid en weergalooze sterkte +zou hebben; en tot bijgift bij deze belooning van zijn dapperheid, +zou hij nog de bijzondere eer genieten, de Koningin der Liefde en +Schoonheid te benoemen, die den volgenden dag den prijs zou uitdeelen. + +_Ten vierde_: werd er bekend gemaakt, dat er op den tweeden dag +een algemeen toernooi zou plaats hebben, waaraan alle tegenwoordig +zijnde ridders, welke begeerig mochten zijn een prijs te winnen, deel +konden nemen. Zij zouden in twee gelijke partijen verdeeld worden en +manhaftig strijden, totdat Prins Jan een teeken zou geven, om het +gevecht te eindigen. De verkozen Koningin der Liefde en Schoonheid +zou dan den ridder, welken de Prins zou aanwijzen, als zich op dezen +tweeden dag het dapperste te hebben gedragen, beloonen met een kroon +van dunne goudplaten, in den vorm van een lauwerkrans. Op dezen +tweeden dag eindigden de ridderspelen; maar den daarop volgenden, +zouden er schijfschieten, stierengevechten en andere volksvermaken +voor de onmiddellijke deelneming van het gemeen plaats hebben. Op +deze wijze poogde Prins Jan den grond te leggen tot een volksgunst, +welke hij altijd weder verspeelde door eenigen onbezonnen aanval op +de gevoelens en vooroordeelen van de menigte. + +Het strijdperk vertoonde nu een allerprachtigst schouwspel. De zich +langzaam verheffende galerijen waren opgevuld met al wat edel, +groot, rijk en schoon was in het noorden en midden van Engeland; +en het contrast van de verschillende kleedingen der aanzienlijke +toeschouwers maakte het tooneel even bont als rijk: terwijl de +binnenste en lagere ruimte, met de gegoede burgers en landlieden van +het gelukkige Engeland gevuld, in hunne eenvoudige kleederdracht, +een donkeren rand rondom dat prachtige borduursel vormden, terwijl +zij de pracht daarvan te gelijk afwisselden en verhoogden. + +De herauten eindigden hun afkondiging met hun gewoon geroep van: +"_Largesse_, _largesse_, dappere ridders!" en goud- en zilverstukken +werden hun van de galerijen toegeworpen, daar het een voornaam punt +der ridderschap was, milddadigheid te toonen jegens hen, welke +men toen tegelijk voor de verkondigers en geschiedschrijvers der +eer hield. De mildheid der toeschouwers werd erkend door het gewoon +geschreeuw van: "Liefde der dames!--Dood van de strijders!--Eer voor +de edelmoedigen!--Roem voor de dapperen!" waarbij de groote menigte +haar gejuich, en een talrijke hoop trompetters het geschal van hun +instrumenten voegden. Toen dit gedruisch gedaan was, verwijderden de +herauten zich in bonten en schitterenden optocht uit het strijdperk, +waarin geen mensch bleef dan de beide maarschalken, die, van +top tot teen gewapend, en onbeweeglijk als standbeelden, aan de +tegenovergestelde einden van het strijdperk te paard zaten. Intusschen +was de geheele afgesloten ruimte aan het noordereinde van het +strijdperk, hoe groot die ook was, met ridders opgevuld, die hun +geluk tegen de uitdagers wenschten te beproeven, en van de galerijen +gezien, hadden zij het voorkomen van een zee van golvende vederbossen, +vermengd met glinsterende helmen en lange lansen, aan welker punt +veelal vlagjes omtrent een span breed waren vastgebonden, welke, +in den wind fladderende, zich met de rustelooze beweging der pluimen +vereenigden, om levendigheid aan het tooneel bij te zetten. + +Eindelijk gingen de slagboomen open, en vijf ridders door het lot +gekozen, reden langzaam in het strijdperk, één kampvechter aan het +hoofd en de vier anderen paarsgewijze volgende. Allen waren prachtig +gewapend, en mijn Saksische oorkonde (het Wardour handschrift), +beschrijft lang en breed hunne deviezen, hunne kleuren en het +borduursel van hunne paardendekens. Het is onnoodig hieromtrent in +bijzonderheden te treden; want om de regels van een nog levenden +dichter te gebruiken, die maar al te weinig geschreven heeft: + + + De Ridders worden stof, hun zwaard den roest ten roof; + Doch zalig is hun' ziel, naar de uitspraak van 't geloof. [13] + + +Hun wapenschilden zijn sedert lang vermolmd van de muren hunner +kasteelen gevallen; de kasteelen zelve zijn niets meer, dan groene +heuvels en verspreide puinhoopen;--de plaats, waar zij eens stonden, +is zelfs niet meer bekend;--menig geslacht is reeds uitgestorven +en vergeten in het land zelf, dat zij bewoonden, evenals het gezag +der leenheeren en edelen. Waartoe zou het dus dienen, hun namen te +vermelden; of de vergankelijke teekens op hun wapenschilden! + +Maar nu,--zonder aan de vergetelheid te denken, die hun namen en +daden te wachten stond,--reden de kampvechters in het strijdperk, +hunne vurige paarden terughoudende, en dwingende om langzaam voort +te stappen, ten einde tegelijk hunne vlugheid en de behendigheid +hunner ruiters te kunnen toonen. Toen zij in optocht het strijdperk +binnen reden, deed zich eene Oostersche muziek van achter de tenten +der uitdagers hooren, waar de uitvoerders verborgen waren. Deze was +wezenlijk van Oosterschen oorsprong, daar zij uit het Heilige Land +was medegebracht; en het vereenigde geluid der cymbalen en der klokjes +scheen de aankomende ridders tegelijk te verwelkomen en uit te dagen. + +Onder de oogen van eene ontelbare menigte toeschouwers reden de vijf +ridders naar de hoogte, op welke de tenten der uitdagers stonden, en +zich daar verspreidende, raakte ieder zachtjes, met omgekeerde lans, +het schild van de tegenpartij aan, tegen welke hij zijn geluk wilde +beproeven. De toeschouwers der mindere klasse, zelfs velen van de +hoogere, en naar men zegt ook verscheidene der dames waren ontevreden, +dat de strijders de wapenen van _courtoisie_ kozen. Want dezelfde +soort van menschen, welke heden ten dage de ijselijkste treurspelen het +meest toejuichen, stelden in dien tijd te meer belang in een toernooi, +naarmate de kampvechters gevaar liepen. + +De ridders, hun vreedzaam voornemen hebbende te kennen gegeven, trokken +zich naar het uiterste einde van het strijdperk terug, waar zij op +eene rij bleven staan, terwijl de uitdagers, uit hun onderscheidene +tenten te voorschijn snellende, hun paarden bestegen, en aangevoerd +door Brian de Bois-Guilbert van de hoogte afdaalden, en ieder zich +tegenover den ridder plaatste, die zijn schild had aangeraakt. + +Onder hoorn- en trompetgeschal renden zij in vollen galop op elkander +aan, en zoo groot was de meerdere behendigheid of het meerdere geluk +der uitdagers, dat de tegenstanders van Bois-Guilbert, Malvoisin en +Front-de-Boeuf op den grond rolden. De tegenpartij van Grantmesnil, +in plaats van de punt zijner lans recht tegen den helm of het schild +van zijn vijand aan te houden, week zoo ver van de rechte lijn af, +dat hij zijn lans dwars over het lijf van den aankomenden ridder +brak--een omstandigheid, die voor schandelijker gehouden werd, dan +geheel van het paard geworpen te worden; dewijl het ééne door een +toeval kon geschieden, en het andere lompheid en onbehendigheid in +het gebruik van wapens en paard aanduidde. De vijfde ridder alleen +hield de eer zijner partij staande, en vocht met gelijken uitslag +tegen den Johanniter Ridder, daar beide hunne lansen braken zonder +eenig voordeel te behalen. + +Het geschreeuw der menigte kondigde, tegelijk met de toejuichingen +der herauten en het trompetgeschal, de zegepraal der overwinnaars +en de nederlaag der overwonnenen aan. De eersten begaven zich naar +hun tenten terug, en de laatsten, zoo goed zij konden, opstaande, +verlieten beschaamd en verlegen het strijdperk, om met de overwinnaars +omtrent het losgeld van hunne wapens en paarden overeen te komen, +die volgens de toernooiwetten verbeurd waren. De vijfde ridder +bleef alleen lang genoeg in het strijdperk om de toejuichingen der +aanwezigen te ontvangen, waaronder hij zich verwijderde, zonder +twijfel tot verhooging van de smart zijner metgezellen. + +Een tweede en derde schaar ridders verschenen in het strijdperk, +en, ofschoon zij met verschillenden uitslag vochten, bleef echter +over het geheel het voordeel onvoorwaardelijk op de zijde der +uitdagers, waarvan niet één uit den zadel gelicht werd of misgestooten +had,--ongelukken, die aan een of twee hunner tegenpartij bij iederen +strijd overkwamen. Ook scheen de moed hunner bestrijders door hun +gedurig geluk merkelijk verflauwd te zijn. Bij den vierden kamp daagden +er slechts drie ridders op, welke, de schilden van Bois-Guilbert +en Front-de-Boeuf vermijdende, zich vergenoegden met die der andere +drie ridders aan te raken, die niet zooveel kracht en behendigheid +hadden doen blijken. Deze voorzichtige keus veranderde echter het +geluk van den strijd niet; de uitdagers overwonnen opnieuw;--één van +hunne tegenpartij werd uit den zadel gelicht, en de beide overigen +misten den aanval; dat is, zij troffen den helm en het schild van hun +tegenpartij niet zoo geweldig met de recht uitgestrekte lans, dat het +wapen breken moest, als de aangevallene niet voor den schok bezweek. + +Na dezen vierden kampstrijd had er eene lange pauze plaats, en het +scheen, dat niemand meer verlangde het gevecht te vernieuwen. De +toeschouwers morden onder elkander: want onder de uitdagers waren +Malvoisin en Front-de-Boeuf niet bij het volk bemind, en de anderen +evenmin, omdat zij allen, behalve Grantmesnil, vreemdelingen en +buitenlanders waren. + +Maar niemand gevoelde grooter misnoegen, dan Cedric de Sakser, die in +ieder voordeel, dat door de Normandische uitdagers behaald werd, een +nieuwe zegepraal op de eer van Engeland zag. Zijne eigene opvoeding +had hem niet in de ridderspelen bedreven gemaakt, ofschoon hij zich +met de wapens van zijne Saksische voorouders bij menige gelegenheid +als een dapperen en moedigen strijder betoond had. Hij zag verlangend +naar Athelstane, die alle kunsten van dien tijd geleerd had, alsof hij +wenschte, dat hij een persoonlijke poging zou doen, om den Tempelier +en zijn metgezellen de overwinning weder te ontweldigen, die zij op +het punt waren te behalen. Maar, schoon Athelstane moedig en sterk +was, had hij echter een te traag en te weinig eerzuchtig karakter, +om de proef te doen, welke Cedric van hem verwachtte. + +"Het geluk is tegen Engeland, Milord," zeide Cedric met nadruk; +"wilt gij ook niet een lans breken?" + +"Ik zal mij morgen in de _mêlée_ mengen!" antwoordde Athelstane. "Het +is niet de moeite waard, mij heden te wapenen." + +Twee dingen mishaagden Cedric in dit antwoord. Vooreerst, het +bevatte het Normandische woord _mêlée_ (om het algemeene gevecht +aan te duiden), en ten tweede, toonde het eenige onverschilligheid +voor de eer van zijn vaderland; maar het was Athelstane, die het +uitgesproken had, en hij koesterde zulk een grooten eerbied voor hem, +dat hij het niet zou gewaagd hebben, zijne beweegredenen of zwakheden +te berispen. Daarenboven had hij geen tijd om eenige aanmerking te +maken, want Wamba viel hem in de rede met de aanmerking: "Het is beter, +hoewel niet gemakkelijker, de eerste van honderd dan van twee te zijn." + +Athelstane nam dit voor een ernstig compliment op; maar Cedric, +die de bedoeling van den nar beter begreep, wierp hem een strengen +en dreigenden blik toe; en het was misschien gelukkig voor hem, +dat tijd en plaats beletten, dat hij, in weerwil van zijn ambt, +nog gevoeliger bewijzen van het ongenoegen zijns meesters ontving. + +De stilte in het toernooi was nog onafgebroken, behalve door de +stemmen der herauten, die uitriepen: "Liefde tot de dames! Breekt een +lans! Daagt op, dappere ridders! Schoone oogen aanschouwen uw daden!" + +De schelle muziek der uitdagers liet zich van tijd tot tijd in +wilde tonen hooren, zegepraal en uitdaging verkondigende, terwijl de +landlieden over een feestdag morden, die in werkeloosheid scheen te +zullen voorbijgaan. De oude ridders en edelen fluisterden elkander hun +klachten toe over het verval van den krijgshaftigen geest, spraken van +de zegepralen in hunne jonge dagen behaald, en kwamen overeen, dat het +land thans geene vrouwen van zoo uitstekende schoonheid opleverde, +als die, welke de feesten van vorige tijden opgesierd hadden. Prins +Jan begon met zijn gevolg te spreken over den maaltijd, en over de +noodzakelijkheid om aan Brian de Bois-Guilbert den prijs toe te kennen, +daar hij met ééne enkele lans twee ridders uit den zadel had gelicht, +en den aanval van een derde had verijdeld. + +Eindelijk, toen de Saraceensche muziek van de uitdagers eene van die +lange en forsche _fanfaren_ geëindigd had, met welke zij de stilte in +het strijdperk afwisselde, werd die beantwoord door een enkele trompet, +welke aan het noordelijke eind eene uitdaging verkondigde. Aller oogen +waren naar dien kant gericht, om den nieuwen kampvechter te zien, +die zich nu aanmeldde, en nauwelijks waren de slagboomen geopend, +of hij reed in het strijdperk. Voor zoover men uit zijne wapenrusting +beoordeelen kon, scheen de nieuw aangekomene van middelmatige grootte, +en eer rank dan sterk van gestalte te zijn. Zijne wapenrusting was +van staal, rijk met goud ingelegd, en het devies op zijn schild was +een jonge eik met den wortel uit den grond gerukt, met het Spaansche +woord "_Desdichado_", dat is, "Onterfd." + +Hij zat op een schoon zwart strijdros, en terwijl hij door het +strijdperk reed, groette hij den Prins en de dames beleefd met zijn +lans. De behendigheid, met welke hij zijn paard regeerde, en een +zekere jeugdige bevalligheid van houding verwierven hem de gunst der +menigte, welke eenigen uit de mindere klasse luidkeels uitten door +het geschreeuw van: "Raak het schild aan van Ralph de Vipont;--raak +het schild van den Hospitaal Ridder aan; hij zit het minste vast; +hij is de gemakkelijkste partij!" + +De kampvechter, voortrijdende onder deze welgemeende wenken, bereikte +de hoogte door de schuins oploopende laan, welke van het strijdperk +daarheen leidde, en tot verwondering van alle aanschouwers recht op de +middelste tent aanrijdende, sloeg hij met de scherpe punt van zijn lans +tegen het schild van Brian de Bois-Guilbert, dat het weergalmde. Allen +stonden verbaasd over deze stoutheid, maar niemand meer dan de geduchte +strijder, dien hij dus op leven en dood had uitgedaagd. + +"Hebt gij gebiecht, broeder," zei de Tempelier, "en hebt gij heden +morgen de mis gehoord, daar gij uw leven zoo roekeloos waagt?" + +"Ik ben beter voorbereid den dood onder de oogen te zien dan gij," +antwoordde de Onterfde Ridder, want onder dezen naam had zich de +vreemde in het toernooiboek laten inschrijven. + +"Neem dan plaats in het strijdperk," zei de Bois-Guilbert, "en +aanschouw de zon nog eens voor het laatst; want heden nacht zult gij +in het Paradijs slapen." + +"Grooten dank voor uw beleefdheid," hervatte de Onterfde Ridder, +"en om die te vergelden, raad ik u een versch paard en een nieuwe +lans te nemen; want, bij mijn eer, gij zult beiden noodig hebben!" + +Na dit bewijs van zelfvertrouwen te hebben gegeven, dreef hij zijn +paard de helling, die hij bestegen had, af, en dwong het op deze wijze +achterwaarts door het strijdperk te gaan tot aan het noordelijke einde, +waar hij stil bleef staan, om zijn vijand af te wachten. Dit bewijs +van zijn rijkunst verwierf hem weder de toejuiching der menigte. + +Hoe verstoord ook Brian de Bois-Guilbert op zijn vijand was wegens de +maatregelen van voorzichtigheid, die deze hem aanbevolen had, sloeg +hij echter zijn raad niet in den wind; want zijn eer was er te nauw +in betrokken, om toe te laten, dat hij eenig middel zou verzuimen, +zich de overwinning op zijn vermetele tegenpartij te verschaffen. Hij +verwisselde zijn paard tegen een ander van groote kracht, en vol +vuur. Hij koos een nieuwe, sterke lans, uit vrees dat het hout van de +vorige in de reeds geleverde gevechten mocht verzwakt zijn. Eindelijk +legde hij ook zijn schild ter zijde, dat eenigszins was beschadigd, en +nam een ander van zijne schildknapen. Het eerste schild droeg slechts +het algemeene devies van de orde waartoe hij behoorde, namelijk twee +ruiters op één paard, om de oorspronkelijke nederigheid en armoede +der Tempeliers uit te drukken; hoedanigheden, die zij later tegen +verwaandheid en rijkdom verwisselden, welke eindelijk hun ondergang +te weeg brachten. Het nieuwe schild van Bois-Guilbert vertoonde een +vliegende raaf, in de klauwen een doodshoofd houdende, met het motto +"_Gare le corbeau!_" + +Toen de twee kampvechters aan de beide einden van het strijdperk +tegenover elkander stonden, was de algemeene verwachting ten toppunt +gestegen. Weinigen geloofden aan de mogelijkheid, dat de strijd ten +gunste van den Onterfde kon uitvallen, evenwel hadden zijn moed en +beleid hem de belangstelling van de aanschouwers verworven. + +De trompetten hadden nauwelijks het teeken gegeven, of de kampvechters +vlogen, snel als de wind, van hunne plaatsen, en stieten in het +midden van het strijdperk met het geweld van den donderslag, tegen +elkander. De lansen vlogen aan splinters tot aan de greep, en het +scheen op dat oogenblik, alsof de beide ridders gevallen waren, want +de schok had beide paarden achteruit doen tuimelen. De behendigheid +der ruiters bracht hen door toom en sporen weder te recht, en na +elkander een oogenblik beschouwd te hebben, met oogen, welke door de +openingen van het vizier vonkelden, maakte ieder een _demi-volte_ +met zijn paard en reed naar het einde van het strijdperk, waar zij +nieuwe lansen van hunne schildknapen ontvingen. + +Een luid vreugdegeschreeuw, het waaien met sjerpen en doeken, en +algemeene toejuichingen toonden de belangstelling der aanwezigen +in den meest gelijken en verbitterden strijd van dien dag. Maar +nauwelijks hadden de ridders hunne standplaats weder ingenomen, +of het gejuich veranderde in een zoo diepe en doodelijke stilte, +dat de menigte nauwelijks scheen adem te halen. + +Eenige minuten rust werden er verleend, opdat de strijders en hun +paarden een weinig mochten uitrusten, waarop Prins Jan met zijn +staf een teeken aan de trompetters gaf, om den aanval te blazen. De +kampvechters vlogen nog eens van hunne standplaats, en stieten in +het midden van het strijdperk tegen elkander, met dezelfde snelheid, +dezelfde behendigheid en hetzelfde geweld; maar niet met hetzelfde +gevolg als te voren. + +Bij dezen tweeden aanval mikte de Tempelier op het middelpunt van +het schild van zijn tegenpartij, en raakte het zoo vast en sterk, +dat zijn lans in splinters vloog, en de Onterfde Ridder in den zadel +wankelde. Van den anderen kant, had deze kampvechter in het begin +de punt van zijn lans op Bois-Guilbert's schild gericht; maar zijn +mikpunt bijna op het oogenblik, dat hij hem bereikte, veranderende, +richtte hij dit op den helm, iets dat veel moeielijker te treffen +was, maar waarop de schok veel onwederstaanbaarder werd. Hij trof den +Normandiër juist midden op het vizier en de punt van zijn lans bleef +er vast in zitten. Zelfs in dit groot gevaar handhaafde de Tempelier +zijn roem nog: en ware niet de singel van zijn zadel gebroken, zoo +had hij zich waarschijnlijk staande gehouden; door dit toeval echter +rolden zadel, paard en man onder een wolk van stof ter aarde. + +Zich van de stijgbeugels en het gevallen paard los te maken, was +voor den Tempelier nauwelijks het werk van één oogenblik; en woedend +gemaakt door zijn ongeluk en door de toejuichingen der aanwezigen, +trok hij zijn zwaard, en zwaaide het, om den overwinnaar uit te dagen. + +De Onterfde Ridder sprong van het paard, en ontblootte insgelijks +zijn zwaard. De maarschalken echter, kwamen met hunne paarden tusschen +beiden, en herinnerden hen, dat de toernooiwetten, bij de tegenwoordige +gelegenheid, deze soort van strijd niet veroorloofden. + +"Wij zullen elkander wel weder ontmoeten, denk ik," zei de Tempelier, +een vreeselijken blik op zijn vijand werpende, "en wel op eene plaats +waar ons niemand scheiden kan!" + +"Het zal mijn schuld niet zijn, als het niet geschiedt!" antwoordde +de Onterfde Ridder. "Te voet of te paard, met lans, bijl of zwaard, +ben ik altijd gereed tegen u te strijden!" + +Zij zouden nog meer en heviger woorden gewisseld hebben, zoo de +maarschalken hen niet gedwongen hadden te scheiden, door hun lansen +tusschen beiden te kruisen. De Onterfde Ridder keerde naar zijne +eerste standplaats terug, en Bois-Guilbert naar zijne tent, waar hij +het overige van den dag in wanhopige woede doorbracht. + +Zonder van het paard te stijgen, vroeg de overwinnaar om een beker +wijn, en het onderste gedeelte van zijn vizier openende, riep hij: +"Ik drink op het welzijn van alle oprechte Britsche harten, en op +den ondergang van alle vreemde dwingelanden!" + +Daarop beval hij zijn trompetter, eene uitdaging aan de kampvechters +te blazen, en liet hun door een heraut aanzeggen, dat hij geen keus +wilde doen, maar dat hij tegen hen strijden zou, in welke orde zij +zelven zouden verkiezen. + +De reusachtige Front-de-Boeuf, in eene zwarte wapenrusting gedost, was +de eerste, die in het strijdperk verscheen. Hij droeg op een wit schild +een zwarten stierenkop, half uitgewischt in de talrijke gevechten, +die hij geleverd had, en het verwaande motto: "_Cave, adsum!_" (Wacht +u, ik ben er). Op dezen kampvechter behaalde de Onterfde Ridder eene +geringe maar beslissende overwinning. Beide strijders braken hunne +lansen behoorlijk, maar Front-de-Boeuf, die een stijgbeugel in den +schok verloren had, werd voor overwonnen verklaard. + +In den derden strijd was de vreemdeling even gelukkig tegen Philip +de Malvoisin; daar hij dezen ridder zoo geweldig op den helm trof, +dat de banden er van braken; en Malvoisin, die slechts door het +afvallen van den helm zelf gered werd, bekende zich, evenals zijn +metgezellen, overwonnen. + +In den vierden strijd, met de Grantmesnil, toonde de Onterfde Ridder +even veel hoffelijkheid, als hij tot hiertoe moed en vlugheid had +doen blijken. Het paard van de Grantmesnil, dat jong en vurig was, +geraakte onder het loopen aan het hollen, zoodat de ruiter zijn doel +miste, en de vreemdeling, geen gebruik willende maken van het voordeel, +dat dit toeval hem aan de hand gaf, hield zijn lans in de hoogte, en +voorbij zijn tegenpartij rijdende, zonder hem aan te raken, wendde hij +zijn paard, en reed naar zijn plaats terug. Hij liet door den heraut +zijn vijand de kans van een tweede gevecht aanbieden. Maar dit wees +de Grantmesnil van de hand, en bekende zich overwonnen, zoowel door +de beleefdheid, als door de behendigheid van zijne tegenpartij. + +Ralph de Vipont maakte de lijst der zegepralen van den vreemdeling +voltallig; hij werd met zooveel geweld tegen den grond gesmeten, +dat het bloed hem uit neus en mond sprong, en hij bewusteloos uit +het strijdperk gedragen werd. + +Het vreugdegeschreeuw van duizenden juichte de eenstemmige verklaring +van den Prins en de maarschalken toe, die de eer van den dag aan den +Onterfden Ridder toekenden. + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + + --In 't midden stond een vrouw. + Men kon aan 't schoon gelaat en d' eedler wezenstrekken + Weldra in haar de koningin ontdekken. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . + Gelijk haar schoonheid aller glans verdooft, + Zoo was haar tooisel ook meer uitgelezen; + Haar sierde een diadeem van goud het hoofd, + Eenvoudig, rijk, maar zonder pronk te wezen; + Zij droeg een Agnus-Castus tak daarbij, + En hield omhoog het beeld der heerschappij. + + De bloem en het blad. + + +William de Wyvil en Steven de Martival, de maarschalken, brachten het +eerst den overwinnaar hunne gelukwenschen, en verzochten hem tevens +zijn helm te laten losmaken, of ten minste zijn vizier te openen, +voordat zij hem naar Prins Jan geleidden, om uit diens handen den +prijs voor dezen dag van het toernooi te ontvangen. + +De Onterfde Ridder weigerde aan hun verzoek te voldoen, terwijl +hij met ridderlijke beleefdheid te kennen gaf, dat hij voor het +oogenblik zijn gezicht niet kon laten zien, om redenen, die hij aan de +herauten, bij zijn verschijning in het strijdperk, opgegeven had. De +maarschalken waren volkomen tevreden met dit antwoord; want onder de +grillige geloften, waardoor de ridders in die tijden gewoon waren +zich te verbinden, was er geen meer algemeen dan die, om onbekend +te blijven gedurende een zekeren tijd, of tot het einde van het een +of ander avontuur. De maarschalken drongen dus niet verder in het +geheim van den Onterfden Ridder; maar aan Prins Jan het verlangen van +den overwinnaar, om onbekend te blijven, mededeelende, verzochten +zij verlof, hem voor zijn Hoogheid te mogen brengen, ten einde de +belooning zijner dapperheid te ontvangen. + +De nieuwsgierigheid van den prins werd door de geheimzinnigheid van +den vreemdeling opgewekt; en reeds ontevreden over den uitslag van het +toernooi, waarin de door hem begunstigde uitdagers achtereenvolgens +door één ridder waren overwonnen, antwoordde hij de maarschalken op +trotschen toon: "Bij het licht der oogen van de Heilige Maagd, deze +ridder is onterfd zoo wel van beleefdheid, als van zijne bezittingen, +daar hij voor ons begeert te verschijnen, zonder zijn gelaat te +ontblooten.--Weet gij misschien ook, mijne heeren," zeide hij, +zich naar zijn gevolg keerende, "wie die jongeling is, die zich zoo +trotsch gedraagt?" + +"Ik kan het niet gissen;" antwoordde De Bracy, "en ik had ook niet +gedacht, dat er tusschen de vier zeeën, welke Brittanje omringen, +één kampvechter te vinden zou zijn, die deze vijf ridders op één +dag overwinnen kon. Op mijn eer, ik zal nooit het geweld vergeten, +waarmede hij tegen De Vipont stiet. De arme ridder werd uit den zadel +geworpen, als een steen uit een slinger!" + +"Beroem u daar niet op," zeide een Johanniter, die tegenwoordig was; +"uw Tempelier ging het niet beter. Ik zag Bois-Guilbert drie maal +over het hoofd tuimelen, en ieder keer de handen vol zand krijgen." + +De Bracy, die den Tempeliers toegedaan was, wilde antwoorden; maar +Prins Jan belette hem door uit te roepen: "Stilte, heeren! waartoe +deze nuttelooze twist?" + +"De overwinnaar," zei de Wyvil, "wacht nog op de bevelen van uwe +Hoogheid." + +"Wij veroorloven hem te wachten," hernam de Prins, "totdat wij +vernemen, of er niemand is, die ten minste zijn naam en stand kan +gissen. Al moest hij ook tot den avond wachten, het schaadt hem niet: +hij heeft werk genoeg gehad, om zich warm te houden." + +"Uw Hoogheid," zeide Waldemar Fitzurse, "doet den overwinnaar minder +dan de verschuldigde eer aan, als gij hem dwingt te wachten, tot +wij uw Hoogheid zeggen, wat wij niet weten.--Ik ten minste kan het +niet raden,--of het moest een van de dappere strijders zijn, welke +koning Richard vergezelden, en die nu, één voor één, uit het Heilige +Land terugkeeren." + +"Het kan de graaf van Salisbury zijn," zei De Bracy; "hij is omtrent +van dezelfde grootte." + +"'t Is eerder Thomas De Multon, de ridder van Gilsland," hervatte +Fitzurse, "Salisbury is een veel zwaarder man."--Er ontstond een +gefluister onder het gevolg, zonder dat men ontdekken kon bij wien +het begon: "Het kon de Koning,--het kon Richard Leeuwenhart zelf zijn!" + +"God beware!" riep Prins Jan, op hetzelfde oogenblik doodsbleek +wordende, en sidderende, alsof hij door den bliksem getroffen werd; +"Waldemar! De Bracy!--dappere ridders en heeren, herinnert u uwe +beloften, en staat mij getrouw bij!" + +"Er is nog geen gevaar!" zei Waldemar Fitzurse. "Kent gij zoo weinig de +reusachtige leden van uw vaders zoon, dat gij u verbeeldt, dat ze in +gindsche wapenrusting kunnen besloten worden?--De Wyvil en Martival, +gij bewijst den Prins den besten dienst, wanneer gij den overwinnaar +bij den troon brengt, en een einde maakt aan eene dwaling, die al +het bloed van zijne wangen gejaagd heeft.--Beschouw hem oplettender," +ging hij voort, "uwe Hoogheid zal zien, dat hij drie duim kleiner is, +dan koning Richard, en zes duim smaller over de schouders. Het paard, +dat hij berijdt, zou koning Richard niet in één enkelen strijd hebben +kunnen dragen." + +Terwijl hij nog sprak, leidden de maarschalken den Onterfden Ridder +naar den voet van een houten trap, welke van het strijdperk naar den +troon van Prins Jan liep. Nog onthutst door de gedachte, dat zijn +broeder, wien hij zoo veel verplicht was, en dien hij zoo zwaar +beleedigd had, plotseling in zijn koninkrijk was teruggekeerd, +verbande zelfs het in het oog vallende onderscheid, dat Fitzurse +aangewezen had, de vrees des Prinsen niet geheel; en terwijl hij, +met een korte en verlegene lofspraak op zijne dapperheid, beval, +hem het strijdpaard, dat als prijs was uitgeloofd, over te geven, +sidderde hij van angst, dat misschien van achter het gesloten vizier +een antwoord mocht komen, in de zware, vreeselijke stem van Richard +Leeuwenhart. Maar de Onterfde Ridder antwoordde op het compliment +van den Prins alleen met eene diepe buiging. + +Het paard werd door twee rijkgekleede stalknechts in het strijdperk +geleid; het dier zelf was met het kostbaarste tuig uitgerust, dat +echter nauwelijks zijne waarde in de oogen der kenners verhoogde. Eén +hand op den zadelknop leggende, sprong de Onterfde Ridder op het paard, +zonder den stijgbeugel te gebruiken, en zijn lans zwaaiende, reed +hij tweemaal het strijdperk rond, het dier met de behendigheid van +een volmaakten ruiter al zijne kunsten latende verrichten. De schijn +van ijdelheid, dien men anders aan dezen rit had kunnen toeschrijven, +werd weggenomen door de noodzakelijkheid, om de vorstelijke belooning, +waarmede hij zoo even vereerd was, in het voordeeligste licht aan het +volk te toonen, en de ridder werd weder begroet door de toejuichingen +van alle aanschouwers. + +Intusschen had de woelige Prior van Jorvaulx Prins Jan toegefluisterd, +dat de overwinnaar nu zijn goeden smaak in plaats van zijn dapperheid +moest toonen, door onder de schoonheden, welke de galerijen versierden, +eene dame te kiezen, die den troon der Koningin der Schoonheid +en Liefde zou bekleeden, en den volgenden dag den prijs van het +toernooi uitdeelen. De Prins gaf dus een teeken met zijn staf, terwijl +de ridder hem, in zijn tweeden rit rondom het strijdperk, voorbij +kwam. De ridder wendde zich naar den troon, en de lans latende zinken +tot op een voet van den grond, bleef hij onbeweeglijk staan, om het +bevel van den Prins af te wachten. Allen bewonderden de behendigheid, +met welke hij in een oogenblik zijn vurig paard uit den snellen ren +bewegingloos als een standbeeld had doen staan. + +"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar dit de eenige naam +is, dien wij u geven kunnen, het is thans uw plicht zoowel als uw +voorrecht, de schoone dame uit te zoeken, die als Koningin der +Eer en der Liefde bij het feest van morgen het voorzitterschap +bekleeden zal. Indien gij, als vreemdeling in ons land, de hulp +van het oordeel van anderen verlangt, zoo kan ik u alleen zeggen, +dat Alicia, de dochter van onzen dapperen Ridder Waldemar Fitzurse, +sedert lang voor de eerste in schoonheid en rang aan het hof gehouden +wordt. Niettemin is het uw onbetwistbaar recht, deze kroon te reiken, +aan wie gij wilt,--door welke overhandiging de verkiezing der Koningin +voor den dag van morgen volbracht zal zijn. Verhef uw lans!" + +De ridder gehoorzaamde, en Prins Jan plaatste op de punt daarvan +een kroon van groen satijn, versierd met een gouden rand van pijlen +en harten, die elkander afwisselden, gelijk de aardbeziënbladen en +kogels op een hertogs-kroon. + +Bij den duidelijken wenk, welken hij ten opzichte van Waldemar +Fitzurse's dochter gaf, had Prins Jan meer dan één beweegreden, hem +ingegeven door een gemoed, hetwelk een vreemde vermenging was van +zorgeloosheid en verwaandheid, met lage list en loosheid gepaard. Hij +wenschte uit de herinnering der ridders, die hem omringden, zijn +eigene onbetamelijke en onaangename scherts omtrent de Jodin Rebekka +te verbannen; hij wilde zich Alicia's vader, Waldemar Fitzurse, +dien hij vreesde, genegen maken, vooral daar deze zich over het +gedrag van den Prins in den loop van den dag meer dan eens misnoegd +getoond had. Hij wilde ook zelf de gunst der dame verwerven; want +Jan was ten minste even losbandig in zijn vermaken, als toomeloos in +zijne eerzucht. Bovendien wilde hij tegen den Onterfden Ridder (voor +wien hij reeds een hevigen afkeer had opgevat), een machtigen vijand +opstoken in den persoon van Waldemar Fitzurse, die, zoo als hij dacht, +de beleediging zijner dochter aangedaan, ten hoogste kwalijk zou nemen, +in geval, zooals niet onwaarschijnlijk was, de overwinnaar eene andere +keuze deed. + +En dit geschiedde ook werkelijk. Want de Onterfde Ridder reed de +galerij, dicht naast die van den Prins, voorbij, waar Jonkvrouw +Alicia zat in den vollen hoogmoed van haar trotsche schoonheid, en +zoo langzaam voortrijdende, als hij tot hiertoe snel gejaagd had, +scheen hij zijn recht uit te willen oefenen, om de talrijke schoone +gezichten te aanschouwen, welke den bekoorlijken kring versierden. + +Het was de moeite waard, de verschillende houding der schoonen gade +te slaan, die dit onderzoek ondergingen. Eenigen bloosden: anderen +namen eene trotsche houding aan; sommigen zagen strak voor zich +heen, als of zij geheel niets wisten van hetgeen er voorviel: anderen +poogden een glimlach te bedwingen, en twee of drie lachten hard op. Er +waren ook eenigen, die den sluier over haar bekoorlijkheden trokken: +maar, daar het Wardour-handschrift zegt, dat het schoonheden waren, +die reeds tien jaar lang bekend waren, kan men veronderstellen dat, +daar zij haar deel aan zulke ijdelheden reeds vroeger gehad hadden, +zij nu van haar recht wilden afzien, om een grootere kans aan de +opkomende schoonen te laten. + +Eindelijk hield de kampvechter stil voor het balkon waar Jonkvrouw +Rowena zat, en de verwachting der toeschouwers steeg ten top. + +Men moet bekennen, dat, als belangstelling in den goeden uitslag +van zijn wapenfeiten den Onterfden Ridder had kunnen omkoopen, dat +gedeelte van het strijdperk, voor hetwelk hij stil gehouden had, +zijn voorkeur verdiende. Cedric de Sakser, verheugd over de nederlaag +van den Tempelier, en nog meer over die van zijn twee kwalijkgezinde +naburen, Front-de-Boeuf en Malvoisin, was, met het halve lichaam over +het balkon liggende, den overwinnaar bij iederen strijd nagegaan, niet +alleen met de oogen, maar met hart en ziel. Rowena had den uitslag van +den strijd met groote oplettendheid gezien, ofschoon zij niet eene even +groote belangstelling getoond had. Zelfs de onverschillige Athelstane +scheen zijne wezenloosheid te vergeten; want hij liet zich een grooten +beker wijn geven, en dronk op de gezondheid van den Onterfden Ridder. + +Eene andere groep, onder de galerij door de Saksers bezet, had niet +minder deelneming in den uitslag van den strijd laten blijken. + +"Vader Abraham!" zei Izaäk van York, toen de eerste strijd tusschen +den Tempelier en den Onterfden Ridder voorbij was, "hoe stout rijdt +de ongeloovige! Ach! hij spaart het goede paard, dat den verren +weg uit Barbarije heeft afgelegd, niet meer dan alsof het een wild +ezelsveulen ware; en de schoone wapenrusting, die zoo vele _zechinen_ +gekost heeft bij Jozef Pareira, den Milaneeschen wapensmid, benevens +zeventig ten honderd winst,--hij zorgt er zoo weinig voor, alsof hij +ze op den straatweg gevonden had!" + +"Als hij zijn eigen leven en leden waagt, vader," zei Rebekka, "in +een zoo schrikkelijken strijd, kan men kwalijk van hem verwachten, +dat hij paard en wapenrusting zou sparen." + +"Kind!" hernam Izaäk, eenigszins driftig, "gij weet niet wat gij +zegt--zijn hals en zijn ledematen zijn zijn eigendom, maar zijn paard +en zijn wapenrusting behooren aan--vader Jacob! wat had ik haast +gezegd!--En toch, het is een brave jongeling.--Zie Rebekka! zie, +hij gaat al weder ten strijd tegen den Philistijn!--Bid kind--bid +voor het behoud van den goeden jongeling,--en van het vlugge paard +en de rijke wapenrusting.--God mijner vaderen!" riep hij weder, +"hij heeft weer overwonnen, en de onbesnedene Philistijn is voor zijn +lans bezweken,--even als Og, de Koning van Bazan, en Cihon, de Koning +der Amorieten, onder het zwaard onzer vaderen vielen!--Zeker krijgt +hij hun goud en zilver en hun strijdrossen en hun wapenrustingen van +erts en staal, tot buit en roof!" + +Denzelfden angst betoonde de waardige Jood bij iederen strijd, +terwijl hij zelden daarbij naliet een oppervlakkige berekening +te maken van de waarde van het paard en de wapenrusting, die bij +iedere nieuwe zegepraal den overwinnaar te beurt vielen. Zij dus, +die dat gedeelte van het strijdperk bezetten, waarvoor de Onterfde +Ridder nu stil hield, hadden juist de meeste belangstelling in zijn +welslagen betoond. Hetzij uit besluiteloosheid, of om eenige andere +reden aarzelende, bleef de kampvechter meer dan een minuut stil staan, +terwijl de oogen der zwijgende aanschouwers op zijn bewegingen gericht +waren; en daarop, met bevalligheid de punt van zijn lans langzaam +latende zakken, legde hij de kroon, welke er op hing, voor de voeten +van de schoone Rowena. De trompetten weergalmden oogenblikkelijk, +terwijl de herauten Rowena als Koningin der Schoonheid en Liefde +voor den volgenden dag uitriepen, hen, die zich aan haar gezag niet +mochten onderwerpen, met gepaste straffen dreigende. Zij herhaalden +hierop hun geschreeuw van "_Largesse!_" waarop de gelukkige Cedric +door een ruime gift antwoordde, bij welke Athelstane, schoon minder +vlug, een gave van even groote waarde voegde. + +Er ontstond eenig gemor onder de dames van Normandische afkomst, die +even weinig gewoon waren, eene Saksische schoone voorgetrokken te zien, +als de edelen, een nederlaag te ondervinden in de ridderspelen, die +zij zelven hadden ingevoerd. Maar deze ontevredenheid bleef onopgemerkt +bij de kreten van: "Lang leve Rowena, de verkorene en wettige Koningin +der Liefde en Schoonheid!" waarbij velen voegden: "Leve de Saksische +Prinses! Leve het geslacht van den onsterfelijken Alfred!" + +Hoe onaangenaam deze klanken ook waren voor Prins Jan en degenen, +die hem omringden, zag hij zich echter verplicht de benoeming van +den overwinnaar te bekrachtigen, en daarom bevelende, dat men zijn +paard zou brengen, verliet hij den troon, en reed, door zijn gevolg +vergezeld, in het strijdperk rond. De Prins hield een oogenblik stil +onder de galerij van Jonkvrouw Alicia, die hij groette, terwijl hij +tot zijn gevolg zeide: "Op mijn eer, mijne heeren! zoo de wapenfeiten +van den ridder getoond hebben, dat hij sterke leden en spierkracht +heeft, zoo toont hij door zijne keuze, dat zijn oogen niet van de +heldersten zijn!" + +Bij deze gelegenheid, zooals in zijn geheele leven, had Prins Jan +het ongeluk, het karakter niet te begrijpen, van hen wier gunst +hij wenschte te winnen. Waldemar Fitzurse was eerder beleedigd dan +gevleid, dat de Prins in 't openbaar te kennen gaf, dat zijne dochter +niet naar verdienste was behandeld. + +"Ik ken," zeide hij, "geen dierbaarder en onschendbaarder recht der +ridderschap, dan dat van iederen vrijen ridder, om de dame zijner +liefde naar eigen oordeel te kiezen. Mijne dochter streeft naar geene +onderscheiding, en het zal haar in haar eigen kring nooit ontbreken +aan alle verschuldigde eerbewijzen." + +Prins Jan antwoordde niet, maar zijn paard aansporende, alsof hij +aan zijn toorn lucht wilde geven, galoppeerde hij naar de galerij, +waar Rowena zat, nog altijd met de kroon voor de voeten. + +"Ontvang, schoone Jonkvrouw," zeide hij, "het teeken uwer heerschappij, +waaraan niemand oprechter hulde bewijst, dan ik zelf, Jan van +Anjou,--en zoo het u, uwen edelen vader en uwe vrienden behaagt, +ons gastmaal in het kasteel van Ashby met uw tegenwoordigheid te +vereeren, dan zullen wij de Vorstin leeren kennen, aan wie wij morgen +onze hulde zullen bewijzen." + +Rowena zweeg, en Cedric antwoordde voor haar in zijne Saksische +moedertaal: "Jonkvrouw Rowena verstaat uwe taal niet genoeg, om deze +beleefdheid te beantwoorden zooals het behoort,--of om deel aan uw +feest te nemen. Ook ik en de edele Athelstane van Coningsburgh spreken +slechts de taal, en huldigen alleen de zeden onzer voorouders. Wij +danken dus ootmoedig voor uwer Hoogheid vriendelijke uitnoodiging +voor het gastmaal. Morgen zal Jonkvrouw Rowena de plaats innemen, +waartoe zij geroepen is door de vrije keuze van den overwinnenden +ridder, bevestigd door de toejuichingen van het volk." Dit zeggende, +nam hij de kroon op, en zette die op Rowena's hoofd, als een teeken, +dat zij de haar opgedragen waardigheid aanvaardde. + +"Wat zegt hij?" zei Prins Jan, veinzende de Saksische taal niet te +verstaan, waarin hij echter zeer bedreven was. De beteekenis van +Cedric's gezegde werd hem in het Fransch herhaald. "Het is wel," +zeide hij; "morgen zullen wij zelven deze sprakelooze Koningin naar den +troon geleiden.--Gij ten minste, heer Ridder," voegde hij er bij, zich +tot den overwinnaar wendende, die bij de galerij was blijven staan, +"zult heden mijn gast zijn?" + +De ridder, voor de eerste maal sprekende, verontschuldigde zich op +zachten, haastigen toon, wegens vermoeidheid en de noodzakelijkheid, +om zich voor den strijd van den volgenden dag voor te bereiden. + +"Het is wel," zei weer Prins Jan, op trotschen toon; "ofschoon ik niet +gewoon ben aan zulke weigeringen, zullen wij trachtten onzen maaltijd +zoo goed mogelijk te gebruiken, hoewel die niet versierd wordt door +den dappersten ridder en zijn uitverkorene Koningin der Schoonheid." + +Dit zeggende, verliet hij het strijdperk met zijn schitterend gevolg, +en zijn vertrek was het teeken voor het uiteengaan der toeschouwers. + +Evenwel, met al de wraakzucht, aan beleedigden hoogmoed eigen, +voornamelijk wanneer die met de bewustheid van eigen onwaardigheid +gepaard gaat, was Jan nauwelijks drie schreden voortgereden, of zich +omkeerende, vestigde hij een vertoornden blik op den schutter, die hem +'s morgens vroeg mishaagd had, en gaf zijn bevelen aan de gewapenden, +die in de nabijheid stonden.--"Gij staat mij er met uw leven borg voor, +dat die boer niet ontsnapt!" + +De schutter verduurde den toornigen blik van den Prins met dezelfde +onwrikbare standvastigheid, welke zijn gedrag van het begin af +gekenmerkt had, en zei glimlachend: "Ik ben niet van plan, Ashby vóór +overmorgen te verlaten. Ik moet zien, hoe de mannen van Staffordshire +en Leicestershire de bogen weten te gebruiken. De bossen van Needwood +en Charnwood moeten goede schutters leveren." + +"Ik zal zien," zei Prins Jan tot zijn gevolg, zonder rechtstreeks +te antwoorden, "hoe hij zijn eigen boog spannen kan; en wee hem, +zoo zijne behendigheid zijne onbeschaamdheid niet vergoedt!" + +"Het is hoog tijd," zei de Bracy, "dat de _outrecuidance_ [14] dezer +boeren door een treffend voorbeeld beteugeld worde!" + +Waldemar Fitzurse, die waarschijnlijk dacht, dat zijn begunstiger niet +den besten weg insloeg, om de genegenheid van het volk te winnen, +haalde de schouders op, en zweeg. Prins Jan echter reed nu uit het +strijdperk, en de menigte ging daarop dadelijk uiteen. + +Men zag de toeschouwers zich over de vlakte verwijderen, naar de +verschillende streken, vanwaar zij gekomen waren, in meer of minder +talrijke groepen. Verreweg het grootste gedeelte stroomde naar de stad +Ashby, waar verscheidene van de aanzienlijkste personen in het kasteel +gehuisvest werden, en weer andere in de stad zelve bleven. Onder dezen +waren de meeste ridders, die reeds in het toernooi opgetreden waren, +of voornemens waren den volgenden dag te strijden, en die, terwijl ze +langzaam voortreden, over de gebeurtenissen van den dag sprekende, +met luid gejuich door het volk begroet werden, evenals Prins Jan, +ofschoon hij dat eerder te danken had aan den glans van zijn stoet +en aan zijn gevolg, dan aan de beminnelijkheid van zijn karakter. + +Een oprechter, algemeener, en ook beter verdiend gejuich vergezelde +den overwinnaar in den strijd, totdat hij, begeerig om zich aan de +aandacht der menigte te onttrekken, zich in een dier tenten begaf, +welke aan het einde van het strijdperk opgericht waren, en wier +gebruik hem beleefdelijk door de maarschalken aangeboden werd. Zoodra +hij zich daarin begeven had, verstrooiden zich ook diegenen, welke +in het strijdperk getoefd hadden, om hem in oogenschouw te nemen, +en gissingen omtrent zijn persoon te maken. + +Het gewoel en het geraas van een drukke menigte op één plaats +vergaderd, en met hetzelfde doel bezield, werd nu vervangen door +de minder luide stemmen van de talrijke groepen, die zich in alle +richtingen verwijderden, waarop spoedig volkomen stilte volgde. + +Men hoorde geen ander geluid meer, dan de stemmen der bedienden, +die de galerijen van kussens en behangsel ontdeden, om ze gedurende +den nacht in veiligheid te bergen, en onder elkander twistten om de +half geleêgde wijnflesschen en de overblijfselen der ververschingen, +welke de toeschouwers hadden achtergelaten. + +Buiten het strijdperk waren verscheidene smederijen opgericht, en +deze begonnen nu in de schemering te glimmen, de werkzaamheid der +wapensmeden aankondigende, welke den geheelen nacht moest voortgezet +worden, om de wapenrustingen voor het gebruik van den volgenden dag +weder in orde te brengen, of te veranderen. + +Een sterk gewapende wacht, die alle twee uren afgelost werd, omringde +het strijdperk en waakte voor de veiligheid gedurende den nacht. + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + + Gelijk een raaf, wiens aaklig schor gekras, + Den veegen kranke 't naadrend eind voorspelt, + En in de schaduw van den stillen nacht + Besmetting van de vale vlerken schudt; + Zoo snelt ook de arme Barrabas getergd, + Met helsche vloeken op dees Christen aan. + + De Jood van Malta. + + +De Onterfde Ridder had nauwelijks zijne tent bereikt, of eene menigte +schildknapen en pages boden hun dienst aan, om hem te ontwapenen, +versche kleederen te brengen, en de verkwikking van een bad te +verschaffen. Hun ijver bij deze gelegenheid werd misschien aangevuurd +door nieuwsgierigheid, daar ieder wenschte te weten, wie de ridder was, +die zoo vele lauweren geplukt, en toch geweigerd had, zelfs op verzoek +van Prins Jan, zijn vizier te openen, of zijn naam te noemen. Maar +aan hun dienstvaardige nieuwsgierigheid werd niet voldaan. De Onterfde +Ridder weigerde iedere andere hulp, dan die van zijn eigen schildknaap, +of liever dienstbare, een man van een boersch uitzicht, die gewikkeld +in een mantel van donkerkleurig vilt, en zijn gezicht en hoofd half +begraven in een Normandische muts van zwart bont, even onbekend +scheen te willen blijven als zijn meester. Alle anderen uit de tent +verwijderd zijnde, bevrijdde deze dienaar zijn heer van de zwaardere +deelen zijner wapenrusting, en zette hem voedsel en wijn voor, welke +de uitgestane vermoeienissen van den dag zeer gewenscht maakten. + +Hij had nauwelijks een haastigen maaltijd geëindigd, of zijn +bediende kondigde hem aan, dat vijf mannen, ieder een opgetoomd +paard leidende, hem wenschten te spreken. De Onterfde Ridder had zijn +wapenrusting verwisseld tegen het lange gewaad, dat lieden van zijn +stand gewoonlijk droegen. Daar het van een kap voorzien was, verborg +het de gelaatstrekken, wanneer men zulks verkoos, bijna even goed, +als het vizier van den helm zelf, maar het schemerlicht, dat nu sterk +begon te vallen, zou reeds een vermomming onnoodig gemaakt hebben, +behalve voor hen, die zijn gezicht bijzonder goed kenden. + +De Onterfde Ridder trad dus stoutmoedig voor zijne tent, en vond daar +de schildknapen der uitdagers, die hij gemakkelijk herkende aan hun +roode en zwarte kleederen; ieder van hen leidde het strijdpaard van +zijn meester, beladen met de wapenrusting, in welke hij dien dag +gevochten had. + +"Volgens de wetten der ridderschap," zei de eerste dezer mannen, +"bied ik, Boudewijn De Oyley, schildknaap van den geduchten ridder +Brian de Bois-Guilbert, u die u "de Onterfde Ridder" noemt, het paard +en de wapenrusting aan, welke gezegde Brian de Bois-Guilbert in het +gevecht van heden gedragen heeft, en laat het aan uw ridderlijkheid +over, om ze te houden, of een losgeld daarvoor te bepalen;--want +zulks eischt de toernooiwet." + +De andere schildknapen herhaalden bijna hetzelfde formulier, en bleven +toen staan, om de beslissing van den Onterfden Ridder af te wachten. + +"Aan u, vier knapen," hernam de ridder, zich tot hen richtende, die +het laatst gesproken hadden, "aan uw edele en dappere meesters, heb +ik hetzelfde antwoord te geven. Brengt mijn groet over aan de edele +ridders, uw heeren, en zegt hun, dat ik verkeerd zou handelen, door +hen van paard en wapenen te berooven, die nooit door betere ridders +kunnen gevoerd worden.--Ik wenschte hiermede mijn boodschap aan deze +dappere heeren te kunnen eindigen; maar, daar ik in goeden ernst +en waarheid ben wat ik mij noem: Onterfde, moet ik het aanbod uwer +meesters aannemen, om met ridderlijke beleefdheid hun wapenrustingen +te lossen, daar ik die, welke ik zelf draag, nauwelijks mijn eigen +kan noemen." + +"Wij zijn gelast," antwoordde de schildknaap van Reginald +Front-de-Boeuf, "ieder honderd _zechinen_, als losgeld, voor deze +wapenrustingen en paarden te bieden." + +"Dat is voldoende," hervatte de Onterfde Ridder. "Mijn tegenwoordige +behoeften noodzaken mij de helft aan te nemen; verdeelt de overige +helft in twee gelijke deelen; het ééne kunt gij voor u zelven behouden, +heeren schildknapen, en deelt het andere onder de herauten, wapenboden, +minnezangers en dienaren uit." + +De schildknapen betuigden, met ontbloote hoofden en met diepe +buigingen, hun erkentelijkheid voor eene beleefdheid en mildheid, +die zelden, tenminste in zoo hoogen graad, uitgeoefend werden. Daarop +keerde de Onterfde Ridder zich tot Boudewijn, den schildknaap van +Brian de Bois-Guilbert. "Van uw meester," zeide hij, "zal ik wapenen +noch losgeld aannemen. Zeg hem uit mijn naam, dat onze strijd nog +niet ten einde is:--neen, niet voordat wij zoowel met zwaarden, +als met lansen, zoowel te voet, als te paard gevochten hebben. Hij +zelf heeft mij tot dezen strijd op leven en dood uitgedaagd, en ik +zal zijne uitdaging niet vergeten.--Intusschen, hij verbeelde zich +niet, dat ik hem gelijk stel met zijne strijdmakkers, jegens welke +ik ridderlijke beleefdheid kan betuigen; maar dat ik mij beschouw, +als met hem in doodelijke veete levende!" + +"Mijn heer," antwoordde Boudewijn, "weet verachting met verachting, +en slagen met slagen te vergelden, zoowel als beleefdheid met +beleefdheid. Daar gij weigert van hem eenig deel van het losgeld aan +te nemen, waarop gij de wapenen der overige ridders geschat hebt, +moet ik zijn wapenrusting en zijn paard hier laten, wel overtuigd, +dat hij noch het ééne zou willen berijden, noch de andere dragen." + +"Gij spreekt stoute taal, goede knaap," zei de Onterfde Ridder; +"gij weet te antwoorden voor uw afwezigen meester. Laat evenwel het +paard en de wapenrusting niet hier. Breng ze aan uw heer terug; +of zoo hij ze niet verkiest aan te nemen, behoud gij ze, vriend, +tot eigen gebruik. Voor zooverre ze mij behooren, schenk ik ze u." + +Boudewijn maakte eene diepe buiging, en vertrok met zijn makkers; +de Onterfde Ridder ging in zijn tent terug. + +"Tot hiertoe, Gurth," zei hij, zich tot zijn dienaar wendende, +"heeft de eer der Britsche ridderschap in mijne handen niet geleden." + +"En ik," zei Gurth, "ik heb, voor een Saksischen zwijnenhoeder, +de rol van een Normandischen schildknaap niet slecht gespeeld." + +"Ja maar," antwoordde de Onterfde Ridder; "ik was toch in gedurige +vrees, dat uwe boersche manieren u zouden verraden." + +"Neen," hernam Gurth, "ik vrees niet door iemand ontdekt te worden, +dan door mijn speelmakker, Wamba, den nar, aan wien ik nooit heb kunnen +merken, of hij een schelm of een gek is. Maar ik kon mij nauwelijks +van lachen onthouden, toen mijn oude meester zoo dicht langs mij +voorbij ging, in de stellige verbeelding, dat Gurth verscheidene +mijlen van hier zijn zwijnen hoedde, in de bosschen en moerassen van +Rotherwood. Zoo ik ontdekt word,--" + +"Genoeg," zei de Onterfde Ridder, "gij kent mijn belofte." + +"Ach, wat dat betreft," hervatte Gurth, "ik zal een vriend nooit +verlaten uit vrees voor stokslagen. Ik heb een taaie huid, die +zweepslagen en messteken evengoed kan verdragen, als de dikste +zwijnenhuid onder mijn kudde dat kan." + +"Vertrouw er op, ik zal u voor het gevaar, dat ge om mijnentwille +loopt, beloonen!" hernam de ridder. "Intusschen verzoek ik u deze +tien goudstukken aan te nemen." + +"Ik ben rijker," zeide Gurth, ze in den zak stekende, "dan ooit eenig +zwijnenhoeder of lijfeigene, vóór mij." + +"Breng deze goudbeurs naar Ashby," vervolgde zijn meester, "zoek +Izaäk den Jood van York op, en laat hij zich daaruit betalen voor +het paard en de wapens, die hij mij door zijn krediet verschaft heeft." + +"Neen, bij St. Dunstan!" hernam Gurth, "dat doe ik niet." + +"Hoe, schelm," hervatte zijn meester, "wilt gij mijn bevelen niet +gehoorzamen?" + +"Zoolang ze eerlijk, verstandig en christelijk zijn, zal ik +ze volvoeren," antwoordde Gurth; "maar dit bevel heeft er niets +van. Een Jood zich zelven te laten betalen, zou oneerlijk zijn; +want hij zou mijn meester bedriegen, en onverstandig, want het ware +gek en onchristelijk gehandeld, een geloovige te berooven, om een +ongeloovige te verrijken." + +"Stel gij hem dan zelf tevreden!" zei de Onterfde Ridder. + +"Dat zal ik," hernam Gurth, de beurs onder zijn mantel nemende, +en de tent verlatende; "en het zal erg moeten loopen," bromde hij, +"zoo ik hem niet met de helft van zijn eisch bevredig." Dit zeggende, +vertrok hij, en liet den Onterfde Ridder aan zijne sombere overwegingen +over, die om meer redenen, dan het tegenwoordig mogelijk is den lezer +mede te deelen, van bijzonder pijnlijken en kwellenden aard waren. + +Wij moeten nu het tooneel verplaatsen naar het dorp Ashby, of liever +naar een landhuis in de nabijheid daarvan, dat aan een rijken Israëliet +toebehoorde, waar Izaäk, zijne dochter en zijne bedienden hun intrek +genomen hadden; de Joden toch, zooals bekend is, zijn even mild en +gastvrij jegens hunne eigene natie, als ze vroeger gerekend werden, +onwillig en stuursch tegen anderen te zijn. + +In een vertrek, wel is waar klein, maar rijkelijk voorzien met +Oostersche sieraden, zat Rebekka op geborduurde kussens, die op +een kleine verhevenheid lagen, welke rondom de kamer gemaakt was, +gelijk de _estrada_ der Spanjaarden, en die de plaats van stoelen +verving. Zij sloeg de bewegingen van haren vader met een blik van +angstige, kinderlijke liefde gade, terwijl hij met een moedeloos +gelaat en ongeregelde schreden in het vertrek op en neder ging; soms +de handen ineen of de oogen omhoog slaande, als een mensch die grooten +zielsangst lijdt. "O, Jakob!" riep hij uit.--"Ach, alle twaalf heilige +stamvaders van onze natie! Welk een verlies is dat voor een man, die +nooit tittel of jota van Mozes' wet verzuimd heeft! Vijftig _zechinen_ +mij op eens ontroofd, en dat door de klauwen van een tiran!" + +"Maar, vader!" zei Rebekka, "het scheen mij toe, dat gij Prins Jan +het geld vrijwillig gaaft." + +"Vrijwillig? Dat de plagen van Egypte hem treffen! Vrijwillig zeg +je?--Ja, zoo vrijwillig, als ik in de golf van Lyon mijn waren over +boord wierp, om het schip te verlichten, toen het tegen den storm +worstelde,--toen ik de schuimende baren met mijn schoonste zijde +kleedde,--toen ik myrrhe en aloë in het zoute zeewater mengde,--toen +ik de diepte van den Oceaan met goud en zilverwerk verrijkte! En was +dat niet een uur van onuitsprekelijke ellende, hoewel mijn eigene +handen de offerande verrichtten?" + +"Maar het was een offer door den hemel gevorderd, om ons leven te +redden," antwoordde Rebekka, "en de God onzer vaderen heeft sedert +dien tijd uw handel en rijkdom gezegend." + +"Ach," antwoordde Izaäk, "maar waartoe, als de dwingeland er zoo +beslag op legt als heden, en mij dwingt nog te lachen, terwijl hij +mij uitplundert?--O, dochter! onterfd en zwervende, zooals wij zijn, +is dit wel het grootste ongeluk, dat ons geslacht kan overkomen, +dat wanneer wij onder den voet getrapt en uitgeplunderd worden, +iedereen ons uitlacht; en wij verplicht zijn, onze gevoeligheid over +de beleediging te onderdrukken, en gedwee te glimlachen in plaats +van ons dapper te wreken!" + +"Denk er zoo niet over, vader," zei Rebekka; "wij hebben van onze +zijde ook vele voordeelen. Deze Heidenen, welke wreede onderdrukkers +ze ook zijn, hangen van den anderen kant ook af van de kinderen van +Sion, die zij verachten en vervolgen. Zonder onzen rijkdom, zouden +zij noch in den oorlog hun legers, noch bij den vrede hun zegepralen +kunnen betalen, en het goud, dat wij hun leenen, keert vermeerderd +in onze geldkisten terug. Wij zijn gelijk het gras, dat te weliger +opschiet, hoe meer het vertrapt wordt. Zelfs het feest van heden kon +niet plaats gehad hebben, zonder de toestemming van den verachten Jood, +die er de middelen toe verschaft heeft." + +"Dochter," hernam Izaäk, "gij hebt een andere snaar van mijne smart +aangeroerd. Het schoone paard en de rijke wapenrusting zullen al +het voordeel verslinden van mijn handel met onzen Kirjath Jairam van +Leicester;--dat zou een verschrikkelijk verlies zijn;--de winst van +eene geheele week, van den geheelen tijd tusschen twee sabbaths;--en +echter kan het nog beter afloopen, dan ik nu denk; want het is een +brave jongeling." + +"Zeker," zei Rebekka, "en ik vertrouw, dat het u niet berouwen zal, +den goeden dienst te hebben vergolden, dien u de vreemde ridder +bewezen heeft." + +"Ik vertrouw er ook op, dochter," zei Izaäk, "en ik vertrouw ook op +het herbouwen van Sion; maar ik heb evenveel hoop met eigene oogen de +muren en torens van den nieuwen tempel te zien, als ik hopen kan, dat +een Christen, ja, de allerbeste der Christenen, aan een Jood een schuld +zou betalen, anders dan uit vrees voor den rechter en de gevangenis." + +Dit zeggende, hervatte hij zijn onrustige wandeling door de kamer; +en Rebekka, bespeurende, dat alle pogingen om haar vader te troosten, +alleen dienden, om nieuwe klachten uit te lokken, zag wijselijk +van hare onnutte moeite af;--een voorzichtig gedrag, dat wij allen +troosters en raadgevers in soortgelijke gevallen ter navolging +aanbevelen. + +De avond begon juist te vallen, toen een Joodsche bediende de +kamer binnentrad, en twee zilveren lampen op tafel zette, gevuld met +welriekende olie;--de heerlijkste wijnen en de keurigste ververschingen +werden tevens door een anderen Joodschen dienaar, op een kleine +ebbenhouten tafel, met zilver ingelegd, gezet; want in hunne huizen +ontzeiden de Joden zich geene kostbare weelde. Te gelijker tijd +meldde de bediende, dat een Nazareër (zoo noemden zij de Christenen, +als zij onder elkander spraken), Izaäk begeerde te spreken. Hij, +die van den koophandel wil leven, moet gereed staan voor ieder, +die zaken met hem heeft. Izaäk zette schielijk het glas Griekschen +wijn, dat hij aan de lippen had, zonder er van te proeven neder, en +haastig tot zijn dochter zeggende: "Rebekka, laat den sluier vallen," +beval hij den vreemdeling binnen te laten. Juist, toen Rebekka over +haar schoone trekken een sluier van zilvergaas geslagen had, die +haar tot de knieën reikte, ging de deur open, en Gurth trad binnen, +in zijn wijden Normandischen mantel gewikkeld. Zijn voorkomen wekte +eerder achterdocht dan dat het innemend was, voornamelijk daar hij, +in plaats van zijn kap af te nemen, deze nog dieper over zijn verbrand +voorhoofd trok. + +"Zijt gij Izaäk, de Jood van York?" zeide Gurth in het Saksisch. + +"Die ben ik," hernam Izaäk in dezelfde taal (want zijn handel had +hem met iederen tongval, die in Engeland gesproken werd, gemeenzaam +gemaakt); "en wie zijt gij?" + +"Dat doet niets ter zaak," antwoordde Gurth. + +"Dit raakt mij zoowel als mijn naam u," hervatte Izaäk; "want, hoe +kan ik verkeer met u houden, zonder uw naam te weten?" + +"Zeer gemakkelijk," zeide Gurth; "daar ik u geld te betalen heb, moet +ik weten, of ik het aan den rechten man geef; gij, die het ontvangen +moet, zult er u weinig om bekommeren, door wiens handen het u toekomt." + +"O," zei de Jood, "gij zijt gekomen om geld te betalen.--Heilige +vader Abraham!--dat verandert onze betrekking tot elkander. En van +wien brengt gij het?" + +"Van den Onterfden Ridder," antwoordde Gurth, "den overwinnaar in het +toernooi van heden. Het is de prijs van de wapenrusting, die Kirjath +Jairam van Leicester hem op uw aanbeveling heeft verschaft. Het paard +staat weder in uw stal. Ik wenschte nu wel te weten, hoe groot de +som is, die ik voor de wapenrusting betalen moet?" + +"Ik heb gezegd, dat het een brave jongeling was!" riep Izaäk, verrukt +van blijdschap. "Een beker wijn zal u geen kwaad doen," voegde hij +er bij, den zwijnenhoeder een beker inschenkende en overhandigende, +gevuld met kostelijker wijn, dan hij ooit te voren geproefd had. "En +hoeveel geld hebt gij medegebracht?" + +"Heilige Maagd!" riep Gurth, den beker nederzettende, "welken nektar +drinken die ongeloovige honden, terwijl geloovige Christenen tevreden +moeten zijn met bier, zoo dik en troebel, als de draf, dien wij aan +de zwijnen geven!--Hoeveel geld ik medegebracht heb?" ging de Sakser +voort, na deze onbeleefde uitroeping; "slechts een klein sommetje, +maar toch iets in de hand. Wel, Izaäk, gij moet een geweten hebben, +al is het ook maar een Jodengeweten." + +"Nu ja," hernam Izaäk; "maar uw meester heeft schoone paarden en +rijke wapenrustingen gewonnen door de kracht zijner lans en zijner +rechterhand,--maar het is een brave jongeling;--de Jood zal ze in +plaats van betaling aannemen, en hem het overschot terug geven." + +"Mijn meester heeft reeds daarover beschikt," zei Gurth. + +"Ach! dat was verkeerd," antwoordde de Jood, "dat was een gekke +streek. Geen Christen hier kon zoovele paarden en wapenrustingen +koopen;--geen Jood buiten mij, kon hem meer dan de helft van de waarde +geven. Maar gij hebt honderd _zechinen_ bij u in die beurs." zeide +Izaäk, onder den mantel van Gurth tastende, "ze is zwaar." + +"Ik heb er punten voor pijlen in," zei Gurth, zonder zich te bedenken. + +"Wel nu," zei Izaäk zuchtende, en aarzelende tusschen zijn gewone +geldzucht en het pas opgekomen verlangen, om in het tegenwoordig geval +edelmoedig te zijn, "als ik zei, dat ik tachtig _zechinen_ wilde +nemen voor het goede paard en de rijke wapenrusting, dat mij geen +gulden winst zou geven, hebt gij dan geld genoeg om mij te betalen?" + +"Nauwelijks," antwoordde Gurth, hoewel de gevraagde som minder was, +dan hij verwacht had, "en mijn meester blijft dan niets over. Echter, +zoo dit uw laatste woord is, moet ik er mede tevreden zijn." + +"Schenk u nog een beker wijn in," zei de Jood. "Ach! tachtig _zechinen_ +is te weinig! Het laat geen interest van het geld over; en buitendien, +kan het paard geleden hebben in den strijd. O, het was een zwaar en +gevaarlijk gevecht; man en paard tegen elkander vliegende, als de +wilde stieren van Basan. Het paard heeft zeer geleden!" + +"En ik zeg," hervatte Gurth, "dat het gezond is aan lijf en leden, +gij kunt het nu in den stal zien. En ik zeg bovendien, dat zeventig +_zechinen_ genoeg is voor de wapenrusting, en ik hoop, dat het woord +van een Christen even goed is, als dat van een Jood. Als gij geen +zeventig nemen wilt, zal ik deze beurs aan mijn meester terug brengen;" +en hij liet het geld klinken. + +"Neen, neen!" riep Izaäk, "leg de talenten, de sjekels,--de tachtig +_zechinen_ neer, en gij zult zien, dat ik u ruim bedenken zal." + +Gurth gaf toe, en tachtig _zechinen_ op de tafel tellende, gaf de +Jood hem een kwitantie voor het paard en de wapenrusting. Des Joden +hand sidderde van vreugde, terwijl hij de eerste zeventig goudstukken +opstreek. De tien laatsten telde hij met veel bedaardheid na, stil +houdende en iets mompelende, telkens als hij een stuk van de tafel +opnam, en het in de beurs stak. Het scheen, alsof zijn gierigheid +met zijn beteren aard in strijd was, en hem dwong de eene _zechine_ +na de andere op te strijken, terwijl zijn edelmoedigheid hem aandreef, +om tenminste een gedeelte aan zijn weldoener terug te geven, in den +vorm eener gift aan zijn dienaar. Zijn geheel gesprek luidde ten +naastenbij aldus:-- + +"Een en zeventig,--twee en zeventig; uw meester is een brave +jongeling;--drie en zeventig,--een voortreffelijk jongeling,--vier +en zeventig, dit stuk is besneden,--vijf en zeventig, en dit schijnt +te licht,--zes en zeventig,--als uw meester geld noodig heeft, laat +hij dan bij Izaäk van York komen;--zeven en zeventig,--te weten +onder goed onderpand." Hier hield hij geruimen tijd stil, en Gurth +had goede hoop, dat de drie laatste stukken het lot van hun makkers +zouden ontgaan; maar de telling ging voort.--"Acht en zeventig,--gij +zijt een goede jongen,--negen en zeventig,--en verdient iets voor u +zelven."--Hier hield de Jood weder op, en zag de laatste _zechine_ +aan, zonder twijfel met voornemen om ze aan Gurth te schenken. Hij +woog ze op den top van den vinger, en liet ze op de tafel vallen, +om den klank te hooren. Ware ze maar één haar te licht, of de +klank niet zuiver geweest, dan had de edelmoedigheid gezegepraald; +maar ongelukkig voor Gurth was de klank vol en zuiver, de _zechine_ +dik, nieuw geslagen en een grein boven het gewicht. Izaäk kon niet +van zich verkrijgen om er van te scheiden, dus liet hij ze, als uit +verstrooidheid, in de beurs vallen met de woorden: "Tachtig maakt de +som vol, en ik vertrouw, dat uw meester u goed zal beloonen. Zeker," +voegde hij er bij, ernstig naar de beurs loerende, "gij hebt meer +geld in dien zak?" Gurth grijnsde, zijn eenige wijze van lachen, en +hernam: "Omtrent dezelfde som, als die gij daar zoo zorgvuldig geteld +hebt." Hierop vouwde hij de kwitantie op, en stak ze onder zijn kap, +zeggende: "Bij uw baard, Jood, pas op, dat de kwitantie goed en echt +zij!" Hij vulde, zonder er toe verzocht te zijn, een derden beker wijn, +en verliet de kamer zonder te groeten. + +"Rebekka," zei de Jood, "die Ismaëliet is mij een weinig te slim +geweest. Toch is zijn heer een brave jongeling;--ja, en ik ben +verheugd, dat hij sjekels van goud en zilver gewonnen heeft, door +zijn vlug paard en zijn sterke lans, die, evenals die van Goliath +den Philistijn, met een wevers-boom kon vergeleken worden." + +Toen hij zich omkeerde om een antwoord van Rebekka te ontvangen, +bespeurde hij, dat zij, onder zijn gesprek met Gurth, de kamer +verlaten had. + +Intusschen was Gurth de trappen afgegaan, en na een duistere voorkamer, +of gang bereikt te hebben, tastte hij rond om den uitgang te vinden, +toen een witte gedaante, verlicht door een kleine zilveren lamp, +die zij in de hand hield, hem een wenk gaf haar in een zijvertrek te +volgen. Gurth was hiertoe niet zeer geneigd. Ruw en onstuimig als een +wild everzwijn, waar hij niets dan geweld te duchten had, bezat hij +al de karakteristieke bevreesdheid van de Saksers ten opzichte van +weerwolven, boschmannen, witte vrouwen en al de spoken, die zij uit +de wildernissen van Duitschland hadden medegebracht. Hij herinnerde +zich daarenboven, dat hij in het huis van een Jood was, een volk, dat, +behalve de andere hatelijke eigenschappen, welke het volksbijgeloof +hun toeschreef, voor groote toovenaars en heksenmeesters gehouden +werd. Echter gehoorzaamde hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben, +aan het verzoek van de verschijning, en volgde haar in de kamer, die +zij hem aanwees, waar hij tot zijne verwondering en vreugde ontdekte, +dat zijn leidster de schoone Jodin was, die hij eerst op het toernooi, +en vóór eenige oogenblikken in haars vaders vertrek gezien had. + +Zij vroeg hem naar zijn onderhoud met Izaäk, dat hij nauwkeurig +mededeelde. + +"Mijn vader heeft slechts met u geschertst, vriend," zeide Rebekka; +"hij is uw meester meer dank verschuldigd, dan deze wapenen en dit +paard kunnen vergelden, al waren zij tienmaal meer waard. Hoeveel +hebt gij mijn vader betaald?" + +"Tachtig _zechinen_," zei Gurth, verrast door de vraag. + +"In deze beurs," vervolgde Rebekka, "zult gij er honderd +vinden. Geef uw meester zijn eigendom terug, en behoud het overige +voor u. Ga,--haast u,--houd u niet op met dankbetuigingen, en neem u +in acht, als gij door deze drukke stad gaat, waar gij licht uw last +en uw leven kunt verliezen.--Ruben!" voegde zij er bij, in de handen +klappende, "licht dezen vreemdeling voor, en vergeet niet de deur +met slot en grendel achter hem te sluiten." + +Ruben, een zwartoogige en zwartgebaarde Israëliet, gehoorzaamde aan +haar bevelen met een fakkel in de hand; hij opende de buitendeur +van het huis, en Gurth over een geplaveid hof geleidende, liet hij +hem door een deurtje in de poort uit, dat hij achter hem sloot met +grendels en ketenen, die voor een gevangenis waren. + +"Bij den heiligen Dunstan," zei Gurth, terwijl hij door de donkere gang +voortstrompelde, "dit is geene Jodin, maar een engel des hemels! Tien +_zechinen_ van mijn dapperen jongen meester,--twintig van deze parel +van Sion--gelukkige dag!--Nog één dag van dien aard, Gurth, en gij kunt +u loskoopen van de lijfeigenschap, en zoo vrij wezen als de beste. En +dan leg ik terstond mijn zwijnenhoedershoren en staf neder, neem het +zwaard en het schild van een vrijen man op, en volg mijn jongen meester +tot in den dood, zonder meer mijn gezicht of naam te verbergen." + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + + 1ste Struikr. Sta, Heer! geef af hetgeen gij bij u draagt, + Of anders pakken we u en plunderen u. + Spion. Wij zijn verloren, Heer! ziedaar de schurken, + Voor wie steeds alle reizigers bevreesd zijn. + Val. Mijn vrienden . . . . . . . . . + 1ste Struikr. Toch niet, wij zijn uw vijanden. + 2de Struikr. Stil, stil, hem aangehoord! + 3de Struikr. Ja, bij mijn baard, dat willen wij; + 't Is toch een deftig man. + + De twee Edellieden van Verona. + + +Gurt's nachtelijke avonturen waren nog niet ten einde; deze gedachte +kwam bij hem zelf op, toen hij zich, na tusschen een paar eenzame +huizen, die aan het einde van het dorp lagen, te zijn doorgegaan, +in een diepen, hollen weg bevond, die tusschen twee dijken doorliep, +welke met hulst en hazelstruiken bezet waren, terwijl hier en daar +een dwergeik zijn takken geheel over het pad uitstrekte. De weg +was daarenboven bedorven door de wagens, die nog niet lang geleden +allerhande behoeften voor het toernooi hadden aangebracht, en het +was donker, want de dijken en struiken onderschepten het licht van +de schoone najaars-maan. + +Uit het dorp hoorde men het verwijderde geluid der uitgelatenste +vroolijkheid, soms met gelach vermengd, soms door een gil afgebroken, +en dan weer door wilde muziek afgewisseld. Al deze klanken, welke +van de ongeregeldheid in de stad getuigden, die opgevuld was met +de krijgshaftige edelen en hun losbandig gevolg, verwekten eenige +ongerustheid bij Gurth. "De Jodin had gelijk," zei hij bij zich +zelven. "Bij den Hemel en St. Dunstan, ik wenschte, dat ik de reis met +mijn schat veilig achter den rug had! Hier zijn zoo vele, ik wil niet +zeggen zwervende dieven, maar zwervende ridders en knapen, zwervende +monniken en minnezangers, zwervende goochelaars en potsenmakers, dat +een mensch met een enkele mark op zak, in gevaar zou zijn,--hoeveel +meer dus een arme zwijnenhoeder met een geheele beurs vol _zechinen_; +was ik maar eerst uit de schaduw van die verwenschte struiken, dan +kon ik tenminste de volgelingen van St. Nikolaas [15] zien, eer ze +mij op den hals vallen." + +Gurth verhaastte dus zijne schreden, om de open heidevlakte te +bereiken, waarheen de holle weg leidde, maar dit gelukte hem +niet. Juist toen hij aan het einde van den weg gekomen was, dáár +waar het kreupelhout het dichtste was, sprongen er vier mannen op +hem aan, zooals zijn angstig voorgevoel hem voorspeld had, van iedere +zijde van den weg twee, en grepen hem zoo vast, dat alle weerstand, +al ware die mogelijk geweest, te vergeefs zou geweest zijn. + +"Geef uw last over!" zei er een van; "wij zijn de ontvangers van het +rijk, die ieder van zijn last verlichten." + +"Gij zoudt mij van den mijnen niet zoo gemakkelijk verlichten," morde +Gurth, wiens norsche eerlijkheid zelfs niet door geweld kon gebogen +worden,--"als ik het maar in mijne macht had, u een paar slagen te +geven om mij te redden." + +"Dat zullen wij straks zien," zei de roover, en zich tot zijn +makkers wendende, sprak hij: "brengt hem mede; ik zie, dat hij zich +de hersenen wil laten inslaan, zoowel als zijne beurs opensnijden, +en zoo aan twee aderen tegelijk bloed gelaten worden." + +Gurth werd volgens dit bevel voortgesleept, en nadat hij eenigszins +ruw over den dijk aan de linker zijde van den weg getrokken was, +bevond hij zich in een eenzaam boschje, dat tusschen den hollen weg +en de open heivlakte lag. Hij werd gedwongen zijn woeste leidslieden +tot in de diepte van het bosch te volgen, waar zij plotseling op een +boomvrije plek bleven staan, waarop de stralen van de maan ongehinderd +door takken of struiken vielen. Hier voegden zich nog bij de roovers, +die waarschijnlijk tot de bende behoorden, twee andere mannen. Zij +hadden korte zwaarden op zijde en groote knuppels in de handen, en +Gurth bespeurde nu, dat zij allen maskers droegen, wat hun beroep +verraadde, al had hun vorige handelwijze ook nog eenige onzekerheid +dienaangaande overgelaten. + +"Hoeveel geld hebt gij bij u?" vroeg een van de dieven. + +"Dertig _zechinen_, die mij toebehooren," hernam Gurth kort af. + +"Verbeurd, verbeurd!" riepen de roovers; "een Sakser heeft +dertig _zechinen_, en keert nuchter uit een dorp terug! Zij zijn +onherroepelijk en zeker aan ons vervallen, met alles, wat hij bij +zich heeft." + +"Ik heb ze bijeen gespaard, om mijn vrijheid daarmede te koopen," +antwoordde Gurth. + +"Gij zijt een ezel," hernam een van de dieven; "drie flesschen sterk +bier hadden u even vrij gemaakt als uw meester, en zelfs vrijer, +als hij een Sakser is, evenals gij." + +"Eene droeve waarheid," hervatte Gurth; "maar als de dertig _zechinen_ +mij van u vrijkoopen kunnen, zoo maakt mij de handen los, en ik zal +ze u uitbetalen." + +"Holla!" zei de een, die bij de anderen in aanzien scheen te staan, +"de beurs, die gij daar draagt, voor zoover ik door uw mantel voelen +kan, bevat meer geld dan gij zegt." + +"Het behoort aan den dapperen ridder, mijn meester!" antwoordde Gurth; +"ik zou er zeker geen woord van gesproken hebben, zoo gij u met mijn +eigendom hadt tevreden gesteld." + +"Gij zijt een eerlijke jongen," hernam de roover, "dat verzeker ik u; +en wij vereeren St. Nikolaas niet zoo oprecht, of uw dertig _zechinen_ +kunnen nog gered worden, als gij openhartig met ons handelt. Geef +ons intusschen uw aanvertrouwd goed over." Dit zeggende, nam hij van +onder Gurth's mantel den lederen zak, waarin de beurs, die Rebekka +hem gegeven had, zoowel als de overige _zechinen_ zich bevonden, +en daarop ging hij voort met zijn ondervraging.--"Wie is uw meester?" + +"De Onterfde Ridder," zei Gurth. + +"Wiens goede lans den prijs in het toernooi van heden behaald +heeft?" hervatte de roover. "Hoe is zijn naam en wat zijne afkomst?" + +"Hij verkiest beiden verborgen te houden," antwoordde Gurth, "en van +mij zult gij zeker niets daaromtrent vernemen." + +"Wat is uw eigen naam en afkomst?" + +"Als ik u dat zeide," hernam Gurth, "zou het die van mijn meester +kunnen verraden." + +"Gij zijt een stoute kerel," zei de roover, "maar straks nader +daarover! Van waar krijgt uw meester dat goud? Heeft hij het geërfd, +of op welke wijze heeft hij het verworven?" + +"Door zijn goede lans," antwoordde Gurth. "Deze beurzen bevatten het +losgeld van vier schoone paarden en wapenrustingen." + +"Hoeveel is er in?" vraagde de roover. + +"Twee honderd _zechinen_." + +"Maar twee honderd _zechinen_?" zei de bandiet; "uw meester heeft mild +met de overwonnenen gehandeld, en hun een gering losgeld opgelegd. Noem +diegenen op, welke het goud betaald hebben." Gurth gehoorzaamde. + +"Welk losgeld hebben de wapenrusting en het paard van den Tempelier +Brian de Bois-Guilbert opgebracht?--Gij ziet, dat gij mij niet kunt +bedriegen." + +"Mijn meester," hernam Gurth, "wil van den Tempelier niets dan zijn +bloed aannemen. Zij hebben elkander op leven en dood uitgedaagd, +en kunnen niets in der minne afmaken." + +"Wezenlijk!" riep de roover, en hield na dezen uitroep een oogenblik +stil. "En wat hebt gij te Ashby gedaan, met zulk een som in uw +bewaring?" + +"Ik ben er heen geweest," antwoordde Gurth, "om aan Izaäk den Jood +van York den prijs terug te geven voor eene wapenrusting, welke hij +aan mijn meester voor het toernooi geleverd had." + +"En hoeveel hebt gij Izaäk betaald?--Mij dunkt, naar het gewicht te +oordeelen, dat er nog wel twee honderd _zechinen_ in deze beurs zijn." + +"Ik heb aan Izaäk," zeide de Sakser, "tachtig _zechinen_ betaald, +en hij heeft er mij honderd in de plaats gegeven." + +"Hoe! wat!" riepen alle roovers tegelijk; "durft gij met ons spotten, +dat gij ons zulke onbeschaamde leugens vertelt?" + +"Wat ik u zeg," zeide Gurth, "is even waar, als dat de maan aan den +hemel staat. Gij zult de geheele som in een zijden beurs vinden, +van het overige goud afgescheiden." + +"Bedenk u, vriend," zei de kapitein; "gij spreekt van een Jood, van +een Israëliet, die even weinig gewillig is goud terug te geven, als +het dorre zand van de woestijn, om een beker water terug te geven, +dien de pelgrim er op uitgiet." + +"Zij bezitten niet meer barmhartigheid," zei een ander van de +bandieten, "dan een onomgekochte gerechtsdienaar." + +"Het is echter zooals ik zeg," antwoordde Gurth. + +"Maakt oogenblikkelijk licht," zei de kapitein; "ik wil deze +beurs onderzoeken; en als deze man de waarheid spreekt, dan is de +milddadigheid van den Jood bijna even wonderbaar als de stroom, +welke zijn voorouders in de woestijn verkwikte." + +Er werd licht gebracht, en de roover begon de beurs te onderzoeken. De +anderen verzamelden zich om hem heen, en zelfs de twee, die Gurth +vasthielden, lieten hem bijna los, terwijl zij de halzen uitstrekten, +om den uitslag van het onderzoek te zien. Van hunne achteloosheid +gebruik makende, rukte zich Gurth door eene plotselinge inspanning van +krachten en vlugheid geheel los, en had mogen ontsnappen, als hij had +kunnen besluiten, zijns meesters eigendom achter te laten. Maar dit +was geenszins zijn bedoeling. Hij ontrukte aan een der dieven zijn +knuppel, sloeg den kapitein ter neder, die daarop in het geheel niet +voorbereid was, en had bijna den zak en den schat weder bemachtigd. De +roovers waren hem echter te vlug, en maakten zich weder meester van +de beurs en van den getrouwen Gurth. + +"Schurk!" zei de kapitein, weder opstaande, "gij hebt mij een gat +in het hoofd geslagen, en bij anderen van onzes gelijken zou uwe +onbeschaamdheid u duur te staan komen. Maar gij zult dadelijk uw +lot vernemen. Laten wij eerst over uw meester spreken; de zaken van +den ridder gaan vóór die van den schildknaap, volgens de wetten der +ridderschap. Blijf intusschen stil staan;--als gij u weêr verroert, +zult gij voor uw leven lang tot rust gebracht worden!--Kameraden," +zei hij vervolgens, zich tot zijne bende keerende, "deze beurs is met +Hebreeuwsche letters geborduurd, en ik moet gelooven, dat het verhaal +van den dienaar waarheid is. De dolende ridder, zijn meester, moet er +noodzakelijk bij ons tolvrij afkomen. Hij heeft al te veel overeenkomst +met ons, om hem iets af te nemen: de honden verscheuren elkander niet, +zoolang er nog vossen en wolven in overvloed te vinden zijn." + +"Overeenkomst met ons?" antwoordde een van de bende: "Ik zou dat wel +eens willen hooren bewijzen!" + +"Wel," hernam de kapitein, "is hij niet arm en onterfd, evenals +wij?--Verdient hij niet den kost met de scherpte van zijn zwaard, +zooals wij?--Heeft hij niet Front-de-Boeuf en Malvoisin geslagen, +zooals wij hen zouden slaan, als wij maar konden? Is hij niet de +doodvijand van Brian de Bois-Guilbert, dien wij zoo vele redenen +hebben te vreezen? En al ware dit ook niet, zoudt gij willen, dat +wij minder barmhartig waren, dan een ongeloovige, Hebreeuwsche Jood?" + +"Neen, dat ware schande," bromde de andere; "en toch, toen ik onder +de bende van den dapperen ouden Gandelyn diende, kenden wij zulke +gewetensbezwaren niet. En deze onbeschaamde boer,--die komt er zeker +ook nog heelshuids af,--daar sta ik borg voor!" + +"Niet, als _gij_ het hem beletten kunt," hernam de kapitein. "Kom +hier, kerel!" ging hij voort, zich tot Gurth wendende: "weet gij den +knuppel te hanteeren, daar gij er zoo vlug naar grijpt?" + +"Mij dunkt," antwoordde Gurth, "dat gij best zelf in staat zijt, +die vraag te beantwoorden." + +"Nu, op mijn woord, ge hebt mij een fikschen slag gegeven;" hervatte +de kapitein; "geef er dezen jongen net zoo een flinken, en gij zult +er tolvrij afkomen; en als gij dat niet doet, welnu, daar gij zulk een +kerel zijt, denk ik, dat ik uw losgeld zelf zal moeten betalen.--Neem +uw knuppel, Mulder, en pas op uw hoofd; en gij anderen laat den boer +los, en geeft hem een stok;--het is licht genoeg, om elkander aan +te pakken." + +Beide kampvechters, met knuppels gewapend, traden voorwaarts, +in het midden van de open plek, om het volle maanlicht te hebben; +terwijl de roovers hun makker lachend toeriepen: "Mulder! neem uw +tolstok in acht!" De Mulder, van den anderen kant, den stok in het +midden vasthoudende, en over zijn hoofd zwaaiende, op de wijze, +die de Franschen _faire le moulinet_ noemen, riep pochende uit: +"Kom maar, boer, als gij durft; gij zult de kracht van een Mulders +vuist gevoelen!" + +"Zoo gij een Mulder zijt," antwoordde Gurth onverschrokken, zijn +wapen met even groote vlugheid om het hoofd zwaaiende, "dan zijt gij +een dubbele dief, en ik, als eerlijk man, trotseer u!" + +Hierop vielen de kampvechters elkander aan, en gedurende eenige +minuten toonden zij groote gelijkheid in kracht, moed en behendigheid, +terwijl zij de slagen van hun tegenpartij opvingen en teruggaven, +zoodat men, uit het onophoudelijk gekletter, op een afstand zou +verondersteld hebben, dat er van iederen kant ten minste zes man aan +het vechten waren. + +Minder hardnekkige, en zelfs minder gevaarlijke strijden, zijn in +schoone heldenverzen bezongen; maar de strijd tusschen Gurth en den +Mulder moet onbeschreven blijven, uit gebrek aan een gewijden dichter, +om recht te wedervaren aan die gewichtige gebeurtenis. Maar, ofschoon +dit vechten met knuppels lang uit de mode is, zullen wij in proza +voor deze stoute kampvechters ons best doen. + +Lang vochten zij met gelijken uitslag, totdat de Mulder het geduld +verloor, omdat hij een zoo moedigen tegenstander vond, en het gelach +zijner makkers hoorde, die, zooals gewoonlijk bij zulke gelegenheden, +met zijn spijt den spot dreven. Hij was dus in geene gunstige +gemoedsgesteldheid voor den edelen tweestrijd met knuppels, waarbij, +evenals bij den gewonen kamp met stokken, de grootste koelbloedigheid +vereischt wordt; en dit gaf aan Gurth, wiens aard, hoe toornig ook, +toch bedaard was, gelegenheid, om een beslissend voordeel te behalen, +waarvan hij meesterlijk gebruik maakte. + +De Mulder drong woedend op hem aan, beurtelings met beide einden van +zijn wapen slagen uitdeelende, en trachtende op halve stoks lengte te +komen, terwijl Gurth zich tegen den aanval verdedigde, door de handen +omtrent een el van elkander af te houden, en zich te dekken door zijn +wapen telkens met groote snelheid uit de eene hand in de andere te +werpen, om zijn hoofd en lichaam te beschermen. Zoo hield hij zich +verdedigender wijze staande, met oogen, voeten en handen behoorlijk +wachtende, tot hij bespeurde, dat zijn tegenpartij den adem verloor; +toen sloeg hij met de linkerhand naar zijn gezicht; en, terwijl de +Mulder poogde, den slag af te weren, liet Gurth de rechter- tot de +linkerhand zakken, en trof met volle kracht zijn tegenpartij aan de +linkerzijde van het hoofd, zoodat deze oogenblikkelijk lang uit op +den grond lag. + +"Goed,--en als een dapper landsmans gedaan!" schreeuwden de +roovers. "Leve de eerlijke strijd en oud Brittanje! De Sakser heeft +beurs en huid gered, en de Mulder heeft zijn man gevonden." + +"Gij kunt heengaan, vriend," zei de kapitein, zich tot Gurth wendende, +om de algemeene stem te bevestigen, "en ik zal u door twee van mijn +kameraden den besten weg naar de tent van uw meester laten wijzen, +om u tegen andere nachtwandelaars te beschermen, die een minder teeder +geweten zouden hebben, dan wij; want er zijn velen op de been in een +nacht, als dezen. Pas evenwel op!" voegde hij er op strengen toon +bij. "Herinner u, dat gij geweigerd hebt uw naam te zeggen;--vraag +niet naar den onzen, en tracht niet te ontdekken, wie of wat wij zijn; +want als gij dat doet zal het u erger gaan, dan ge wel denkt!" + +Gurth dankte den kapitein voor zijne beleefdheid, en beloofde zijn +raad niet te vergeten. Twee der vrijbuiters namen hunne stokken, +en Gurth bevelende hen kort op de hielen te volgen, gingen zij met +vlugge schreden vooruit, langs een voetpad, dat door het bosch en +de woeste vlakte in de nabijheid liep. Aan het einde van het bosch +spraken twee mannen zijn geleiders aan, en, nadat deze hun een antwoord +toegefluisterd hadden, begaven zij zich in het woud terug, en lieten +hen ongehinderd verder gaan. Deze omstandigheid deed Gurth gelooven, +dat de bende talrijk was, en dat zij geregelde wachten rondom hun +verzamelplaats hadden. + +Toen zij op de open heide kwamen, waar Gurth het eenigszins moeielijk +zou gevallen zijn, den weg te vinden, geleidden de roovers hem recht +naar den top van een kleinen heuvel, van waar hij, in den maneschijn, +de palen van het strijdperk, en de schitterende tenten met haar +wapperende vlaggetjes, die aan ieder uiteinde er van bevestigd waren, +zien kon, en het gezang hooren, waarmede de schildwachten den tijd +zochten te korten. + +Hier bleven de dieven staan. + +"Wij gaan niet verder," zeiden zij; "het zou niet veilig voor ons +zijn.--Herinner u de waarschuwing, die ge ontvangen hebt:--houd geheim, +wat u dezen nacht is overkomen, en het zal u niet berouwen;--zoo gij +verzuimt, wat men u gezegd heeft, zou de _Tower_ te Londen u niet +tegen onze wraak beschermen." + +"Goeden nacht, vrienden," zei Gurth. "Ik zal uw bevelen opvolgen, +en ik vertrouw geen kwaad te doen, met u een veiliger en eerlijker +beroep toe te wenschen!" + +Zoo scheidden zij; de vrijbuiters keerden langs denzelfden weg terug, +dien zij gekomen waren, en Gurth ging naar de tent van zijn meester, +dien hij, in weerwil van het gegeven bevel, alle voorvallen van dien +nacht mededeelde. + +De Onterfde Ridder was vervuld met verbazing, zoowel over de +edelmoedigheid van Rebekka, waarvan hij echter besloot geen voordeel +te trekken, als over die van de roovers, aan wier beroep zulk eene +deugd geheel vreemd scheen. Zijn gepeins over deze zonderlinge +omstandigheden, werd evenwel gestoord door de noodzakelijkheid, om +de rust te nemen, die de vermoeienissen van den vorigen dag en de +noodwendigheid, om zich tegen het gevecht van den aanstaanden morgen +te versterken, onmisbaar maakten. + +De ridder legde zich dus op een zacht bed, waarmede de tent voorzien +was, neder, en de getrouwe Gurth strekte zijn verharde leden op +een berenvel, dat tot kleed op den grond diende, uit, dwars voor +de opening van de tent, zoodat niemand binnenkomen kon, zonder hem +wakker te maken. + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + + Gij hieldt, Herauten, op, met heen en weer te draven, + Terwijl trompet, klaroen het sein tot d' aanval gaven: + 't Is nauwlijks nog gehoord, of weerzijds van de baan, + Ziet ge allen vaardig met gevelde lansen staan, + De scherpe spoor gedrukt in 't ros aan beide zijden; + Daar stuiven ze ijlings voorwaarts, rennen, worstlen, strijden; + De spietsen dringen door het dikke en harde schild + Den hartkuil in: de ridder wankelt, trilt; + Zij vliegen door de lucht, de lange, lange lansen; + De ontbloote zwaarden in de zon, als zilver glanzen; + Alom wordt helm bij helm gebeukt, verplet, doorboord, + En 't bloed stroomt langs den grond in roode plassen voort. + + Chaucer. + + +De morgen daagde in onbewolkte helderheid op, en eer de zon ver boven +den gezichteinder verscheen, zag men de traagsten, of ijverigsten +der toeschouwers op weg naar het strijdperk, om zich eene gunstige +plaats te verschaffen, bij de verwachte spelen. + +De maarschalken en hunne volgelingen verschenen ook op het veld, +tegelijk met de herauten, om de namen van de ridders op te teekenen, +die begeerden mede te strijden, zoowel als de partij, welke zij +wenschten te kiezen. Dit was een noodzakelijke voorzorg, om eenige +gelijkheid te bewaren tusschen de twee afdeelingen, die tegen elkander +strijden zouden. + +Volgens het gebruik was de Onterfde Ridder aanvoerder van de eene +partij, terwijl Brian de Bois-Guilbert, die voor den tweeden op den +vorigen dag gerekend werd, tot eersten kampvechter van de andere +partij benoemd was. Zij, die deel aan de uitdaging genomen hadden, +waren natuurlijk van zijne partij, met uitzondering van Ralph de +Vipont, dien zijn val buiten staat gesteld had, om zoo schielijk +weder een wapenrusting aan te doen. Het ontbrak niet aan uitstekende +en edele kandidaten, om de gelederen aan beide zijden te versterken. + +Inderdaad, ofschoon het algemeen toernooi, waarin alle ridders tegelijk +vochten, gevaarlijker was dan de tweegevechten, zoo werd het toch meer +gezocht en beoefend door de ridderschap van die eeuw. Vele ridders, +die geen vertrouwen genoeg op hunne eigene behendigheid stelden, +om een enkelen vijand van grooten naam uit te dagen, verlangden +echter hunne dapperheid in het algemeen gevecht te toonen, waar zij +anderen konden ontmoeten, met wie zij meer gelijk stonden. Bij de +tegenwoordige gelegenheid werden omtrent vijftig ridders aan beide +kanten ingeschreven, toen de maarschalken verklaarden, dat er geen +meer konden aangenomen worden, tot groote teleurstelling van velen, +die te laat kwamen, om toegelaten te worden. + +Tegen tien uur was de geheele vlakte bedekt met mannen en vrouwen +te paard, en te voet, die allen naar het toernooi gingen; en kort +daarop kondigde een luid trompetgeschal Prins Jan en zijn gevolg aan, +vergezeld van velen der ridders, die deel wilden nemen aan het gevecht, +zoowel als van anderen, die dit voornemen niet hadden. + +Omtrent denzelfden tijd verscheen Cedric de Sakser met jonkvrouw +Rowena, maar zonder Athelstane. Deze edele Sakser had zijn groot en +sterk lichaam in eene wapenrusting gestoken, om plaats te nemen onder +de strijders, en zeer tot verwondering van Cedric, had hij de partij +van den Tempelier gekozen. De Sakser had zijn vriend, wel is waar, +sterke vertoogen gedaan over deze onverstandige keus; maar hij had +slechts het antwoord gekregen, dat gewoonlijk diegenen geven, welke +hardnekkiger zijn in het opvolgen van hun eigen wil, dan zij sterk zijn +om dien te rechtvaardigen. Zijn beste, zoo niet zijn eenige reden, +om de partij van Brian de Bois-Guilbert te kiezen, was Athelstane +voorzichtig genoeg voor zichzelven te houden. Schoon zijne trage +inborst hem verhinderde, eenige moeite aan te wenden, om zich in de +gunst van Rowena in te dringen, was hij echter geenszins ongevoelig +voor haar bekoorlijkheden, en beschouwde hij eene verbintenis met haar, +als eene reeds geheel zekere zaak, door de toestemming van Cedric en +haar overige vrienden. Dus had de hoogmoedige, hoewel trage Heer van +Coningsburgh met heimelijk ongenoegen gezien, dat de overwinnaar van +den vorigen dag, Rowena gekozen had, als het voorwerp der eer, welke +hij zelf het zijn voorrecht achtte, haar te schenken. Om hem alzoo +wegens eene voorkeur te straffen, die zijn eigen aanzoek in den weg +scheen te staan, had Athelstane, vol vertrouwen op zijne krachten +en groote behendigheid in het gebruik der wapenen, die hem zijn +vleiers tenminste toeschreven, besloten, niet alleen den Onterfden +Ridder van zijn machtigen bijstand te berooven, maar zelfs, als er +zich eene gelegenheid opdeed, hem de zwaarte van zijn strijdbijl te +doen gevoelen. + +De Bracy en andere ridders, die aan Prins Jan verkleefd waren, +hadden op een wenk van hem de partij der uitdagers genomen, daar de +Prins verlangde, zoo mogelijk, de overwinning naar dien kant te doen +overhellen. Daarentegen namen vele andere ridders, zoowel Saksers als +Normandiërs, inboorlingen en vreemden, des te gereeder partij tegen de +uitdagers, daar de andere schaar door een zoo uitstekenden kampvechter +aangevoerd zou worden, als de Onterfde Ridder zich betoond had. + +Zoodra Prins Jan bespeurde, dat de uitverkoren Koningin van den dag +in het strijdperk was aangekomen, reed hij haar tegemoet, met die +hoffelijkheid, welke hem zoo goed stond, nam de baret af, en van het +paard springende, hielp hij Rowena afstijgen, terwijl zijn gevolg +tegelijk de hoofden ontblootten en een der aanzienlijksten daaronder +afsteeg, om haar paard te houden. + +"Zoo is het," zei Prins Jan, "dat wij het verschuldigde voorbeeld van +getrouwheid aan de Koningin der Liefde en Schoonheid geven, en haar +zelf naar den troon geleiden, dien zij heden moet beklimmen.--Schoone +Dames," zeide hij, "volgt uwe Koningin, zoo gij wenscht op uwe beurt +gelijke eer te genieten." + +Dit zeggende, geleidde de Prins Rowena naar de eereplaats, tegenover +die waar hij zat, terwijl de schoonste en aanzienlijkste vrouwen achter +haar aandrongen, om zoo dicht mogelijk bij haar Vorstin te zitten. + +Nauwelijks zat Rowena, of de muziek, half verdoofd door het gejuich +der menigte, begroette haar in haar nieuwe waardigheid. Intusschen +scheen de zon sterk en helder op de schitterende wapens van de ridders +der beide partijen, welke de uiteinden van het strijdperk opvulden, +en ijverig met elkander de beste wijze overlegden, om hun slagorde +te schikken, en den strijd te voeren. + +De herauten geboden nu stilzwijgen, totdat de wetten van het toernooi +voorgelezen waren. Deze waren eenigermate berekend, om de gevaren van +den dag te verminderen; een voorzorg, die des te noodiger was, omdat +de strijd met scherpe zwaarden en puntige lansen zou plaats hebben. + +Er werd dus aan de kampvechters verboden met het zwaard te steken, +en hun werd alleen geoorloofd te houwen. De ridder kon een strijdbijl +of knots gebruiken; maar de dolk was een verboden wapen. Een van het +paard geworpen ridder mocht het gevecht hernieuwen met een ridder +van de tegenpartij, die zich in hetzelfde geval bevond; maar aan +de ruiters was het verboden hen aan te vallen. Wanneer een ridder +zijn tegenpartij tot aan het einde van het strijdperk kon drijven, +zoodat hij de palen met zijn paard of zijn wapenrusting aanraakte, +dan moest deze zich overwonnen bekennen, en zijn paard en zijn wapenen +stonden ter beschikking van den overwinnaar. Een aldus overwonnen +ridder mocht geen verder deel aan den strijd nemen. Wanneer een +op den grond geworpen ridder niet in staat was, weder op te staan, +mocht zijn schildknaap, of page, in het strijdperk komen, en zijn +meester uit het gedrang slepen; maar in dit geval werd de ridder voor +overwonnen gehouden, en zijne wapenen en zijn paard werden verbeurd +verklaard. Het gevecht moest ophouden, zoodra Prins Jan zijn staf zou +neder werpen; eene laatste voorzorg, die gewoonlijk genomen werd, +om onnoodig bloedvergieten bij het te lang aanhouden van zulk een +gevaarlijk spel te beletten. Ieder ridder, die de toernooiwetten +schond, of op andere wijze de wetten der eerzame ridderschap overtrad, +zou van zijne wapenen beroofd, met omgekeerd schild op den top der +palissaden geplaatst, en aan het algemeen gelach blootgesteld worden, +wegens zijn onridderlijk gedrag. + +Nadat deze maatregelen waren bekend gemaakt, besloten de herauten +met eene vermaning aan iederen goeden ridder, om zijn plicht te doen, +en de gunst van de Koningin der Liefde en Schoonheid te verdienen. + +Toen deze afkondiging gedaan was, begaven zich de herauten naar +hunne standplaats. De ridders, van beide zijden van het strijdperk +in een lange rij binnenkomende, schaarden zich in twee gelederen, +vlak tegenover elkaar. De aanvoerder van iedere partij bevond zich +in het midden van het voorste gelid; eene plaats, die hij niet innam, +voordat hij de gelederen zorgvuldig in slagorde gesteld, en aan ieder +zijne plaats gewezen had. + +Het was een schoon, maar tevens angstverwekkend schouwspel, zoo +vele dappere strijders, in het rijden geoefend, en rijk gewapend, +gereed te zien staan voor een zoo vreeselijk gevecht,--als ijzeren +standbeelden in hun zadels zittende, en het teeken tot den aanval met +even groot verlangen afwachtende, als hunne moedige rossen, die door +brieschen en stampen hun ongeduld te kennen gaven. + +Nog hielden de ridders hun lange lansen omhoog, terwijl de blinkende +spitsen in de zon glinsterden, en de vaandeltjes, waarmede zij versierd +waren, boven de pluimen der helmen fladderden. Zoo bleven zij staan, +terwijl de maarschalken hun gelederen met de uiterste nauwkeurigheid +onderzochten, of niet de eene of andere partij meer of minder sterk +was, dan het bepaald getal. Dit werd in orde bevonden. Daarop verlieten +de maarschalken het strijdperk, en Willem de Wyvil gaf met donderende +stem het teeken tot den aanval met de woorden: _Laissez aller!_ De +trompetten lieten zich nu hooren,--de speren der kampvechters zakten op +eens,--de paarden werden aangespoord, en de voorste gelederen vlogen +op elkander aan, en stietten in het midden van het strijdperk met een +schok tegen elkander, die men op een mijl afstands kon hooren. Het +achterste gelid volgde langzamer, om de overwonnenen te helpen, +en de overwinnaars van hun eigene partij te ondersteunen. + +Men kon de gevolgen van deze botsing niet dadelijk zien, want het stof, +door het stampen van zoo vele paarden veroorzaakt, verduisterde de +lucht, en er verliep wel een minuut, eer de ongeduldige toeschouwers +den uitslag daarvan konden zien. Toen alles zichtbaar werd, was de +helft der ridders van iederen kant van het paard geworpen; eenigen +door het behendig gebruik van de lans hunner tegenpartij,--sommigen +door het overwicht, dat man en paard had ter neder gestort,--anderen +lagen op den grond, alsof zij nooit weder opstaan zouden;--nog anderen +waren reeds weder op de been, en handgemeen geworden met die hunner +vijanden, welke zich in denzelfden toestand bevonden,--en twee of drie, +die wonden gekregen hadden, welke hen verder onbekwaam maakten tot +het gevecht, stelpten het bloed met hun sjerpen, en trachtten zich +uit het gedrang te redden. De ridders, die in den zadel gebleven +waren, en wier lansen bijna alle door de hevigheid van den schok +gebroken werden, streden nu man tegen man met het zwaard, onder een +luid krijgsgeschreeuw, en deelden elkander slagen toe, alsof eer en +leven van den uitslag des gevechts afhingen. + +Het gedruisch nam toe, door het aanrukken van het tweede gelid van +iederen kant, dat tot hulpbende diende, en nu voorwaarts stoof, +om hun vrienden te ondersteunen. De aanhangers van Brian de +Bois-Guilbert riepen: "_Ha! Beau Séant! Beau Séant_ [16]--_Voor +den Tempel! Voor den Tempel!_" De tegenpartij riep daarentegen: +"_Desdichado! Desdichado!_"--een krijgsgeschreeuw, dat zij ontleenden +aan het devies op het schild van hun aanvoerder. + +De kampvechters dus met de grootste woede en met afwisselend geluk +tegen elkander strijdende, scheen de overwinning dan eens naar het +zuidelijk, dan weder naar het noordelijk einde van het strijdperk +over te hellen, naarmate de een of andere partij voor het oogenblik +zegevierde. Intusschen vermengde zich het gekletter der zwaarden +en het geschreeuw der vechtenden op een verschrikkelijke wijze met +het geschal der trompetten, en verdoofde het gekerm der vallenden, +die hulpeloos onder de hoeven der paarden lagen. De schitterende +wapenrustingen der strijders waren nu bezoedeld met stof en bloed, +en bezweken voor iederen slag van het zwaard en de strijdbijl. De +bonte pluimen, van de helmen afgemaaid, dreven als sneeuwvlokken +voor den wind af. Alles, wat schoon en bevallig in de krijgshaftige +vertooning geweest was, verdween, en hetgeen nu nog te zien was, +diende slechts om schrik of medelijden te verwekken. + +Zoo sterk is echter de kracht der gewoonte, dat niet alleen de gemeene +toeschouwers, die natuurlijk door schrikwekkende tooneelen worden +vermaakt, maar zelfs de dames, die de galerijen vulden, den kamp +beschouwden, wel is waar met angstige belangstelling, maar zonder +begeerte, om de oogen van een zoo schrikkelijk schouwspel af te +wenden. Hier en daar verbleekte wel een schoone wang, of liet zich +een gil hooren, wanneer een minnaar, broeder of echtgenoot van het +paard geworpen werd. Maar, over het algemeen, moedigden de dames de +strijders aan niet alleen door handgeklap, en door wuiven met doeken +en sluiers, maar ook door het geroep: "Dappere lans! Goed zwaard!" als +zij een gelukkigen slag of stoot opmerkten. + +Daar het schoone geslacht zooveel belang stelde in dit bloedige +gevecht, kan men zich dat der mannen licht verbeelden. Het openbaarde +zich in luide juichtonen bij iedere verandering van de kansen, +terwijl aller oogen zoo op het strijdperk gericht waren, dat de +toeschouwers zelven de slagen schenen uit te deelen en te ontvangen, +welke zoo ruimschoots vielen. Bij iedere stilte hoorde men de stem der +herauten uitroepen: "Vecht, dappere ridders! De mensch sterft, maar +de roem leeft!--Strijdt,--de dood is beter dan de nederlaag!--Kampt, +dappere ridders! schoone oogen aanschouwen uw heldendaden!" + +Onder al de gebeurtenissen van den strijd, trachtten aller oogen +de aanvoerders van iedere partij te ontdekken, die, zich in het +heetste van het gevecht mengende, hun makkers door stem en voorbeeld +aanmoedigden. Beiden verrichtten groote en dappere daden, en noch +Bois-Guilbert, noch de Onterfde Ridder vonden in de vijandelijke +gelederen een kampvechter, die volkomen tegen hen bestand was. Zij +trachtten wederzijds elkander te ontmoeten, aangespoord door +wederkeerigen haat, en overtuigd, dat de val van een der aanvoerders +beschouwd kon worden, als beslissend voor de overwinning. Zoo groot +echter was het gedrang en de verwarring, dat in het begin van het +gevecht hun pogingen om elkander te ontmoeten, vruchteloos waren, en +zij herhaalde malen gescheiden werden door den ijver hunner aanhangers, +waarvan ieder begeerig was eer in te oogsten, door zijne kracht te +beproeven tegen den aanvoerder der tegenpartij. + +Maar toen de rijen aan beide zijden dunner begonnen te worden, door +het getal van hen, die zich overwonnen verklaard hadden, of naar +de uiteinden van het strijdperk waren gedreven, of anders onbekwaam +gemaakt waren om den strijd voort te zetten, werden de Tempelier en de +Onterfde ridder handgemeen, met al die woede, dien doodelijken haat, +welke de strijd om de eer hun konden inboezemen. Zoo groot was beider +behendigheid in den aanval en in de verdediging, dat de toeschouwers +in een eenstemmig en onwillekeurig gejuich uitbarstten, waardoor zij +hunne vreugde en bewondering uitdrukten. + +Maar op dit oogenblik was het met de partij van den Onterfden +Ridder slecht gesteld; de reuzenarm van Front-de-Boeuf op den eenen +vleugel, en de reuzenkracht van Athelstane op den anderen, hadden +degenen, die onmiddellijk tegenover hen stonden, ter neer geslagen +en verstrooid. Zich bevrijd ziende van hun tegenstanders, scheen het +beiden ridders op hetzelfde oogenblik in te vallen, dat zij hun partij +het beslissendste voordeel zouden bezorgen, door den Tempelier in zijn +strijd met zijn mededinger bij te staan. Hun paarden dus tegelijk +wendende, joeg de Normandiër van de eene zijde op hem los, en de +Sakser van de andere. Het ware volstrekt onmogelijk geweest, dat het +voorwerp van dezen ongelijken en onverwachten aanval dien had kunnen +weerstaan, zoo hij niet door het algemeen geroep der toeschouwers +gewaarschuwd was, die niet nalaten konden belang te stellen in een +ridder, die aan zulk een ongelijken strijd blootgesteld was. + +"Wees op uw hoede! wees op uw hoede! Heer Onterfde!" werd zoo +algemeen geroepen, dat de ridder zijn gevaar bespeurde, en een +geweldigen slag naar den Tempelier doende, haalde hij zijn paard +tegelijkertijd achteruit, zoodat hij aan den schok van Athelstane +en Front-de-Boeuf ontging; dezen dus, hun doel verijdeld ziende, +renden van beide zijden tusschen het voorwerp van hun aanval en den +Tempelier door, terwijl zij met de paarden tegen elkander stootten, +voordat zij hun loop konden tegenhouden. Hun rossen echter nog +intoomende en ronddraaiende, vervolgden alle drie hun voornemen, +om den Onterfden Ridder ter neder te vellen. + +Niets kon hem gered hebben, dan de bijzondere sterkte en vlugheid van +het edele paard, dat hij den vorigen dag gewonnen had. Dit kwam hem te +meer te pas, dat het paard van Bois-Guilbert gewond was, en die van +Athelstane en Front-de-Boeuf beiden vermoeid waren, door het gewicht +hunner reusachtige meesters in volle wapenrusting, en door de vroegere +inspanning van den strijd. De verwonderlijke rijkunst van den Onterfden +Ridder en de vlugheid van het edele dier, dat hij bereed, stelden hem, +gedurende eenige oogenblikken, in staat, om zijn drie aanvallers van +zich af te houden, terwijl hij, zich draaiende en keerende evenals een +valk in de lucht, zijn vijanden zoo ver mogelijk van elkander hield, +en nu den een, dan den andere zelf aanvallende, met zijn zwaard slagen +uitdeelde, zonder die af te wachten, welke men op hem muntte. + +Maar schoon het strijdperk van toejuichingen over zijn behendigheid +weergalmde, was het duidelijk, dat hij ten laatste voor de overmacht +zou moeten zwichten; en zij, die Prins Jan omgaven, smeekten hem +eenstemmig zijn staf neder te werpen, en een zoo dapperen ridder den +smaad eener onverdiende nederlaag te besparen. + +"Ik niet, bij het licht des Hemels!", antwoordde Prins Jan; "deze +bastaard, die zijn naam verbergt, en onze aangeboden gastvrijheid +versmaadt, heeft reeds één prijs weggedragen, en kan nu aan anderen +een beurt laten." Terwijl hij zoo sprak, veranderde een onvoorzien +toeval den uitslag van den kamp. + +Er was onder de gelederen van den Onterfden Ridder één kampvechter +op een zwart paard, in zwarte wapenrusting, breed van schouders, +groot, en naar allen schijn krachtig en sterk. Deze ridder, die in 't +geheel geen devies op zijn schild voerde, had tot nu toe zeer weinig +belangstelling in den uitslag van het gevecht getoond, met groot gemak, +zooals het scheen, de ridders die hem aanvielen, afwerende, maar zonder +van zijn voordeel gebruik te maken, of iemand aan te tasten. Kortom, +hij speelde eerder de rol van een toeschouwer dan van een deelnemer +in het toernooi,--een omstandigheid, welke hem bij de aanwezigen den +naam van "_Le Noir Fainéant_," of "de zwarte luiaard," verschafte. + +Op eens scheen de ridder zijn onverschilligheid te vergeten, toen hij +den aanvoerder van zijn partij zoo hard bestookt zag; want zijn paard, +dat nog geheel frisch was, de sporen gevende, vloog hij pijlsnel ter +zijner hulp, terwijl hij met een stem, luid als het trompetgeschal, +riep: "_Desdichado_, ter hulp!" Het was hoog tijd; want, terwijl +de Onterfde Ridder op den Tempelier indrong, was Front-de-Boeuf met +opgeheven zwaard tot dicht bij hem genaderd; maar eer de slag viel, +bracht de Zwarte Ridder hem een houw op het hoofd toe, die, van den +gepolijsten helm afglijdende, met weinig verminderde kracht op het +_chamfron_ van het paard nederkwam, en deed Front-de-Boeuf met zijn ros +op den grond rollen, waar zij beiden bewegingloos bleven liggen. Hierop +wendde _Le Noir Fainéant_ zijn paard tegen Athelstane van Coningsburgh; +en daar zijn eigen zwaard in den strijd met Front-de-Boeuf gebroken +was, rukte hij den forschen Sakser de strijdbijl uit de hand, en +het wapen als een geoefend krijgsman zwaaiende, gaf hij Athelstane +daarmede zulk een geweldigen slag op den helm, dat ook deze bewusteloos +ter aarde zonk. Na deze daad verricht te hebben, die des te luider +toegejuicht werd, daar ze van zijn kant geheel onverwacht kwam, +scheen de ridder weder door zijn natuurlijke traagheid overvallen te +worden; want bedaard naar het noordelijke uiteinde van het strijdperk +terugkeerende, liet hij het aan zijn aanvoerder over, om den strijd +met Brian de Bois-Guilbert, zoo goed hij kon, te eindigen. Dit was +op verre na zoo moeielijk niet meer als te voren. Het paard van den +Tempelier had veel bloed verloren, en zeeg bij den aanval van den +Onterfden Ridder ter neder. Brian de Bois-Guilbert rolde op den grond, +terwijl zijn voet in den stijgbeugel hangen bleef, waaruit hij zich +niet los kon maken. Zijn vijand sprong van het paard, zwaaide zijn +overwinnend zwaard over zijn hoofd, en beval hem zich over te geven, +toen Prins Jan, meer bewogen door den gevaarlijken toestand van +den Tempelier, dan hij door dien van zijn tegenpartij geweest was, +hem den schimp bespaarde van zich overwonnen te bekennen, door zijn +staf naar beneden te werpen, en dus een einde aan het gevecht te +maken. Het waren inderdaad ook slechts de laatste vonken en spranken +van het vuur die nog brandden; want het grootste gedeelte der ridders, +die nog in het strijdperk waren, hadden het gevecht voor een poos +geschorst, om de beslissing er van aan hun aanvoerders over te laten. + +De schildknapen, die het gevaarlijk en moeilijk gevonden hadden, hun +meesters gedurende het gevecht bij te staan, drongen nu bij menigte +in het strijdperk, om den gekwetsten de noodige hulp toe te brengen, +welke met de uiterste zorg en oplettendheid naar de naburige tenten, +of naar de verblijven gebracht werden, die in het naaste dorp voor +hen bereid waren. + +Zoo eindigde het gedenkwaardige toernooi te Ashby-de-la-Zouche, +een der geduchtste wapenfeesten van dien tijd; want, ofschoon er +maar vier ridders, waaronder een, die door de zwaarte van zijne +wapenrusting gesmoord werd, op het slagveld sneuvelden, zoo waren er +toch meer dan dertig gevaarlijk gekwetst, waarvan vier of vijf nooit +herstelden. Verscheidene anderen werden voor hun leven verlamd; en zij, +die er het best afkwamen, droegen de lidteekenen van den strijd tot +aan het graf. Daarom spreekt men steeds in de oude jaarboeken van: +"De edele en schoone wapenstrijd te Ashby." + +Daar het nu de plicht van Prins Jan was den ridder te noemen, die +het best gestreden had, besliste hij, dat de eer van den dag toekwam +aan hem, dien men _Le Noir Fainéant_ genoemd had. Men gaf den Prins +daartegen te kennen, dat de overwinning inderdaad behaald was door den +Onterfden Ridder, die in den loop van den strijd met eigene hand zes +kampvechters overwonnen, en ten laatste den aanvoerder der tegenpartij +bedwongen had. Maar Prins Jan volhardde bij zijn uitspraak, op grond, +dat de Onterfde Ridder en zijne partij de overwinning zouden verbeurd +hebben, zonder den krachtigen bijstand van den Zwarten Ridder, aan +wien hij derhalve volstrekt den prijs toekennen wilde. + +Tot verbazing van alle toeschouwers echter, was de dus bevoorrechte +ridder nergens te vinden. Hij had het strijdperk dadelijk na het einde +van het gevecht verlaten, en eenige der aanwezigen hadden hem langs +een van de boschlanen zien rijden, met denzelfden langzamen stap +en met dezelfde onverschillige houding, aan welke hij den bijnaam +van "den zwarten luiaard" te danken had. Nadat hij tweemaal door +trompetgeschal en door de stem der herauten was opgeroepen, werd het +noodzakelijk een anderen te benoemen, om de hem toegedachte eer te +ontvangen. Prins Jan had nu geen verontschuldiging meer, om het recht +van den Onterfden Ridder te betwisten, dien hij dus als overwinnaar +uitriep. Over een veld, dat door het vergoten bloed glibberig geworden, +en met gebroken wapens en lichamen van gedoode en gewonde paarden +bedekt was, geleidden de maarschalken den overwinnaar ten tweeden +maal voor den troon van Prins Jan. + +"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar gij alleen onder dezen +naam bij ons verkiest bekend te zijn, wij geven u voor de tweede maal +de eer van dit toernooi, en kennen u het recht toe, uit de handen +der Koningin der Liefde en Schoonheid den eerekrans te eischen en te +ontvangen, welke uw dapperheid waardiglijk verdiend heeft." De ridder +boog diep en bevallig, maar antwoordde niet. + +Terwijl de trompetten weergalmden, de herauten de stem verhieven, +om den dapperen eer en den overwinnaar roem toe te zwaaien,--terwijl +de dames met zijden doeken en geborduurde sluiers wuifden, en alle +toeschouwers een luidruchtig vreugdegejuich verhieven, geleidden de +maarschalken den Onterfden Ridder dwars door het strijdperk naar den +eeretroon, dien Rowena bezette. Op de laagste trappen daarvan deed men +den kampvechter nederknielen. Zijn geheel gedrag, sedert het einde van +het gevecht, scheen inderdaad eerder bestuurd te wezen door hen, die +bij hem waren, dan door zijn eigen vrijen wil; en men zag zelfs, dat +hij struikelde, toen men hem voor de tweede maal door het strijdperk +voerde. Rowena, zich met een aanvallige en deftige houding van haar +zetel verheffende, was op het punt den krans, welken zij in de hand +hield, op den helm des overwinnaars te zetten, toen de maarschalken +eenstemmig uitriepen: "Dat mag zoo niet; zijn hoofd moet ontbloot +zijn." De ridder sprak flauw eenige woorden, welke in de holte van +den helm verloren gingen, maar de inhoud scheen een verlangen aan +te duiden, dat zijn helm niet mocht worden afgenomen. Het zij uit +verkleefdheid aan het gebruik, of uit nieuwsgierigheid, de maarschalken +sloegen geen acht op zijn wenschen, maar ontblootten zijn hoofd, +door de helmbanden en halsriemen los te maken. Daar ontwaarde men +de schoone, door de zon verbrande gelaatstrekken, en het dik, kort +blond haar van een jongeling van vijf en twintig jaren. Zijn gelaat +was doodsbleek en op eenige plaatsen met bloed bevlekt. + +Nauwelijks had Rowena hem gezien, of zij gaf een luiden gil; maar +in eens alle krachten inspannende, en zich, als het ware, dwingende +om voort te gaan, terwijl haar geheele lichaam nog sidderde door de +hevigheid eener plotselinge aandoening, zette zij op het nedergebogen +hoofd van den overwinnaar den kostbaren krans, de bepaalde belooning +van dien dag, en sprak met heldere, duidelijke stem deze woorden: +"Heer ridder, ik schenk u dezen krans, als den prijs der dapperheid, +heden toegewezen aan den overwinnaar." Hier hield zij een oogenblik +stil, en voegde er toen met vaste stem bij: "En nooit heeft de +ridderkrans een waardiger hoofd versierd!" + +De ridder boog het hoofd en kuste de hand der schoone Koningin, +door welke zijn dapperheid beloond was; en toen voorover zakkende, +viel hij voor haar voeten neder. + +Dit veroorzaakte een algemeenen schrik. Cedric, die verstomd gestaan +had bij de onverwachte verschijning van zijn verbannen zoon, kwam in +haast toeschieten, alsof hij hem van Rowena wilde scheiden. Maar dit +was reeds door de maarschalken geschied, die, de reden van Ivanhoe's +bezwijming gissende, zich gehaast hadden hem te ontwapenen, en +ontdekten, dat een lans door zijn borstharnas gedrongen was, en hem +een wonde in de zijde toegebracht had. + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + + En Agamemnon riep met luider stem: treedt voort, + O Helden! uit den kring, dien deze kamp bekoort; + Gij, die door meerdre kunde en kracht u durft verheffen, + Uw mededingers in vermaardheid te overtreffen, + Een maagd, de waarde wel van twintig ossen, wordt + De prijs voor hem, wiens pijl het verst door 't luchtruim + snort. + + Ilias. + + +Nauwelijks was de naam van Ivanhoe uitgesproken, of hij vloog van +mond tot mond met al de snelheid, welke belangstelling, door de +nieuwsgierigheid geprikkeld, er aan geven kon. Het duurde ook niet +lang, eer deze tijding den kring van den Prins bereikte, wiens gelaat +bij dit nieuws eene sombere uitdrukking aannam. Hij zag intusschen +spotachtig rond, en zeide: "Wel, mijn heeren, en gij vooral, heer +Prior, wat denkt gij van de leer der geleerden over de sympathie +en antipathie? Mij dunkt ik bespeurde de tegenwoordigheid van den +gunsteling mijns broeders, zelfs eer ik nog gissen kon, wie onder +die wapenrusting schuilde." + +"Front-de-Boeuf moet zich gereed maken, zijn leengoed aan Ivanhoe terug +te geven," zei De Bracy, die, na een eervol deel aan het toernooi +te hebben genomen, schild en helm afgelegd, en zich weder onder het +gevolg van den Prins gemengd had. + +"Ja," antwoordde Waldemar Fitzurse, "deze knaap zal waarschijnlijk het +kasteel en het leen terug eischen, die Richard hem geschonken heeft, +en die uw Hoogheid sedert dien tijd de grootmoedigheid heeft gehad +aan Front-de-Boeuf te geven." + +"Front-de-Boeuf," hernam de Prins, "zou liever drie leengoederen, +zooals dat van Ivanhoe, onder zich behouden, dan één er van +teruggeven. Voor het overige, mijne heeren, hoop ik, dat niemand +uwer mij het recht zal betwisten, de leengoederen der kroon aan die +trouwe dienaren te schenken, welke mij omringen, en gereed zijn den +gevergden krijgsdienst te verrichten, in plaats van hen, die naar +vreemde landen trekken, en hulde noch dienst kunnen bewijzen, als +zij opgeroepen worden." + +De toehoorders hadden al te veel belang bij deze vraag, om des +Prinsen recht niet voor onbetwistbaar te verklaren. "Een edelmoedige +Vorst!--een edele meester, die zich dus belast met de zorg om zijne +getrouwe dienaren te beloonen!" + +Dit waren de woorden van zijn gevolg, daar zij allen soortgelijke +geschenken ten koste van Koning Richard's vrienden en gunstelingen +verwachtten;--zoo zij die niet reeds in bezit hadden. Prior Aymer +zelf keurde dit over het algemeen goed, en maakte geene andere +aanmerking dan: "Het heilige Jeruzalem kan toch geen vreemd land +genoemd worden. Het is de _communis mater_,--de moeder van alle +Christenen. Maar ik begrijp niet," voegde hij er bij, "hoe Ivanhoe +zich daarop beroepen kan, daar men mij verzekert, dat de kruisvaarders +onder Richard nooit veel verder gekomen zijn dan Askalon, dat, zooals +ieder weet, een stad der Philistijnen is, en op geen der voorrechten +van de Heilige Stad aanspraak kan maken." + +Waldemar, wiens nieuwsgierigheid hem naar de plaats gevoerd had, waar +Ivanhoe ter aarde was gevallen, keerde nu terug. "De dappere ridder," +zeide hij, "zal denkelijk uwe Hoogheid niet veel ongerustheid baren, +en Front-de-Boeuf in het ongestoord bezit van zijn leen laten:--hij +is zwaar gekwetst." + +"Wat er ook van worden moge," zei Prins Jan, "hij is heden overwinnaar; +en al is hij tienmaal onze vijand, of de getrouwste vriend van mijn +broeder, hetgeen misschien hetzelfde is, zijne wonden moeten toch +verbonden worden;--onze eigene heelmeester zal hem bezoeken." + +Een bittere glimlach vergezelde deze woorden. Waldemar Fitzurse haastte +zich te antwoorden, dat Ivanhoe reeds uit het strijdperk gebracht, +en in handen van zijne vrienden was. + +"Ik was eenigszins aangedaan," zeide hij, "over de smart van de +Koningin der Schoonheid en der Liefde, wier ééndaagsche heerschappij +door dit voorval in rouw gedompeld is. Ik ben er de man niet naar, +om door de weeklachten eener vrouw over haar minnaar getroffen te +worden: maar deze Jonkvrouw Rowena onderdrukte haar smart met zooveel +waardigheid, dat men die alleen aan het beven van haar gevouwen handen +kon zien, terwijl haar oog zonder tranen op den bewusteloozen ridder +voor haar voeten staarde." + +"Wie is die Jonkvrouw Rowena," vroeg Prins Jan, "van wie wij zooveel +gehoord hebben?" + +"Een Saksische erfdochter, met groote bezittingen," hernam Prior +Aymer; "eene roos in beminnelijkheid, en een juweel in rijkdom, de +schoonste onder duizenden, kostbaar als de kostbaarste reukwerken +van het Oosten." + +"Wij zullen hare droefheid verzachten," zei Prins Jan, "en haar bloed +veredelen door haar aan een Normandiër uit te huwen. Zij schijnt +minderjarig te zijn, en moet dus, wat haar huwelijk aangaat, ter +onzer beschikking staan.--Wat zegt gij er van, De Bracy? Zou het u +bevallen, door een huwelijk met dit Saksisch meisje schoone landerijen +en inkomsten te verkrijgen, volgens de gewoonte der aanhangers van +den Veroveraar?" + +"Als de landerijen mij bevallen," antwoordde De Bracy, "dan zal de +bruid mij niet licht mishagen; en ik zal mij ten hoogste verplicht +achten jegens uw Hoogheid voor eene weldaad, welke alle beloften zal +vervullen, die gij uw dienaar en leenman gedaan hebt." + +"Wij zullen het niet vergeten," zei Prins Jan; "en om dadelijk een +begin te maken, bevelen wij onzen seneschal, om Jonkvrouw Rowena +en haar gezelschap te weten: den lompen boer, haar voogd, en den +Saksischen stier, welken de Zwarte Ridder in het toernooi ter +nedervelde, op het feest van dezen avond te noodigen." + +"De Bigot," voegde hij er bij, zich tot zijn seneschal wendende, +"gij zult deze tweede uitnoodiging zoo beleefd doen, dat gij den +hoogmoed van deze Saksers niet kwetst, en het hun onmogelijk wordt +nog eens te weigeren; ofschoon, bij Beckets beenderen, hun beleefdheid +te bewijzen, hetzelfde is als paarlen voor de zwijnen te werpen!" + +Prins Jan had zoo ver gesproken, en was op het punt, om het teeken +tot het verlaten van het strijdperk te geven, toen hem een klein +briefje in de hand gegeven werd. + +"Van waar?" zei Prins Jan, den man aanziende, die het overhandigde. + +"Uit vreemde landen, mijn vorst, maar van waar, dat weet ik niet," +hernam de dienaar. "Een Franschman heeft het gebracht, zeggende, +dat hij dag en nacht doorgereisd had, om het briefje in handen uwer +Hoogheid te bezorgen." + +De Prins zag nauwkeurig naar het opschrift en toen naar het zegel, +hetwelk er op gedrukt was, dat het den zijden draad vasthield, +waarmede het papier omwonden was: er stonden drie leliën op. De Prins +opende hierop het briefje met blijkbare ontroering, die merkelijk +vermeerderde, toen hij den inhoud gelezen had, welke aldus luidde: + +"_Neem u in acht; want de Duivel zelf is los!_" + +De Prins werd doodsbleek, zag eerst naar den grond, en toen naar den +hemel, als iemand, die zijn doodvonnis gehoord heeft. Van de eerste +ontroering herstellende, nam hij Waldemar Fitzurse en De Bracy ter +zijde, en stelde hun het briefje beurtelings ter hand. + +"Het kan een valsch gerucht zijn,--of een valsche brief!" zei De Bracy. + +"Het is hand en zegel van den Franschen Koning!" hernam Prins Jan. + +"Dan wordt het tijd," zei Fitzurse, "onze vrienden te verzamelen, +hetzij te York of op een andere plaats. Een paar dagen later zou +het wezenlijk te laat zijn. Uwe Hoogheid moet aan het tegenwoordig +vreugdebedrijf spoedig een einde maken." + +"Het volk en de landlieden," zei de Bracy, "moeten niet ontevreden naar +huis gezonden worden; zij hebben nog geen deel aan het feest gehad." + +"De dag," zeide Waldemar, "is nog niet zeer ver gevorderd--laat de +schutters eenige malen naar de schijf schieten, en de prijs uitgedeeld +worden. Dat zal toereikend zijn om de beloften van den Prins te +vervullen voor zoo verre deze Saksische boeren er mede gemoeid zijn." + +"Ik dank u, Waldemar," hervatte de Prins; "gij herinnert mij ook, +dat ik een schuld te betalen heb aan den onbeschaamden boer, die mij +gisteren persoonlijk beleedigde. Onze maaltijd zal heden avond plaats +hebben, zooals wij van plan waren. Al was dit het laatste uur mijner +macht, dan zou het gewijd zijn aan wraak en vermaak!--De nieuwe morgen +brengt nieuwe zorgen." + +Trompetgeschal riep spoedig de toeschouwers terug, die reeds begonnen +waren het veld te ontruimen:--er werd afgekondigd, dat Prins Jan, +plotseling door gewichtige en dringende zaken geroepen, het feest +van den volgenden dag niet vieren kon; dat echter,--daar hij niet +wilde, dat zoo vele goede schutters zouden vertrekken, zonder een +bewijs van hunne behendigheid te geven,--het hem behaagde, het tegen +den volgenden dag bepaalde boogschieten op heden te stellen. Voor +den besten schutter werd een prijs uitgeloofd, bestaande uit een +jachthoorn, met zilver beslagen, en een zijden rijk versierde sjerp, +met een medaillon van St. Hubertus, den beschermheilige der jagers. + +Er boden zich eerst meer dan dertig schutters als mededingers aan, +waaronder verscheidene houtvesters en onderopzichters in de koninklijke +bosschen van Needwood en Charnwood. Toen de boogschutters echter +vernamen met wie zij den kampstrijd moesten wagen, zagen ruim twintig +er weder van af, om de schande van een bijna zekere nederlaag te +ontgaan. Want in die dagen was de behendigheid van iederen beroemden +schutter even goed verscheidene mijlen in het rond bekend, als heden +ten dage de eigenschappen van een paard, dat te Newmarket gefokt is, +bekend zijn aan hen, die deze beroemde renbaan bezoeken. + +De verminderde lijst der mededingers om den prijs, bevatte nog +acht namen. Prins Jan stapte van zijn koninklijken zetel af, om deze +uitgelezen schutters van naderbij te beschouwen, van welke verscheidene +de koninklijke livrei droegen. Zijn nieuwsgierigheid door dit onderzoek +bevredigd hebbende, zag hij naar het voorwerp van zijn toorn rond, +dat hij op dezelfde plaats zag staan en met hetzelfde bedaarde gelaat, +dat hij den vorigen dag getoond had. + +"Vriend," zei Prins Jan, "ik bespeurde reeds gisteren aan uw +onbeschaamd gesnap, dat gij eigenlijk geen echte liefhebber van den +boog waart, en ik zie, dat gij het niet durft wagen uwe kunst te +toonen tegen de fiksche mannen, die hier staan." + +"Met verlof, mijn Vorst!" hernam de schutter. "Ik heb een geheel +andere reden om niet te willen schieten, dan vrees voor de schande +van overwonnen te worden." + +"En welke is die andere reden?" vroeg Prins Jan, die, om de eene of +andere oorzaak, welke hij mogelijk zelf niet had kunnen verklaren, +een angstige nieuwsgierigheid ten opzichte van dezen man gevoelde. + +"Omdat ik niet weet," hernam de jager, "of deze schutters en ik gewoon +zijn naar hetzelfde wit te schieten;--en te meer, daar ik niet weet, +hoe uw Hoogheid het zou opnemen, wanneer een derde prijs door iemand +gewonnen werd, die buiten zijn schuld bij u in ongenade gevallen is." + +Prins Jan kleurde, terwijl hij vroeg: "Hoe is uw naam, schutter?" + +"Locksley," antwoordde deze. + +"Welaan dan, Locksley," zei Prins Jan, "gij zult op uwe beurt schieten, +als deze schutters hunne kunst getoond hebben. Als gij den prijs wint, +zal ik er twintig _Nobles_ bij doen; maar als gij verliest, dan zal +uw groene rok u worden uitgetrokken, en gij zult met boogpezen, als +een praatzieke en onbeschaamde pochhans, in het strijdperk gegeeseld +worden." + +"En als ik nu weigerde zulke voorwaarden aan te nemen?" zei de +schutter. "Uwe Hoogheid kan mij gemakkelijk laten uitkleeden en +geeselen, daar uwe macht door zoo vele gewapenden wordt ondersteund; +maar gij kunt mij niet dwingen mijn boog te spannen." + +"Als gij mijn billijk aanbod afslaat," zei de Prins, "dan zal de +Provoost van het strijdperk uw boogpees doorsnijden, uw boog en uw +pijlen breken, en u zelven als een lafaard wegjagen." + +"Dat is een mooie kans, die gij mij overlaat, verhevene Prins," zei de +schutter, "mij te dwingen, het tegen de beste schutters van Leicester +en Staffordshire op te nemen, onder bedreiging van schimp en schande +als zij mij overwinnen. Evenwel, ik zal aan uw bevel gehoorzamen." + +"Slaat hem nauwkeurig gade," zei Prins Jan tot de gewapenden, +"de moed ontzinkt hem; ik vrees dat hij trachten zal aan de proef +te ontsnappen.--En gij, brave jongens, schiet moedig; een reebok +en een vat wijn zijn in gindsche tent ter uwer verversching gereed, +zoodra de prijs gewonnen is." + +Aan het einde van de zuidelijke laan, die naar het strijdperk +leidde, werd een schijf opgericht. De mededingende boogschutters +namen beurtelings plaats aan den zuidelijken toegang; de afstand +tusschen deze plaats en het wit was groot genoeg voor hetgeen men +een jagersschot noemde. De schutters, na vooraf door het lot de +orde, in welke zij schieten zouden, bepaald te hebben, moesten ieder +drie pijlen achtereen afschieten. Dit alles werd geregeld door een +officier van minderen rang: de Provoost der Spelen genoemd; want +de hooge rang der maarschalken van het strijdperk gedoogde niet, +dat zij het opzicht hadden over de spelen der burgers. + +De schutters, voorwaarts tredende, schoten hunne pijlen stout en flink, +één voor één af. Van vierentwintig pijlen zaten tien in de schijf, +en de anderen vielen zoo dicht er bij, dat, naar den afstand te +rekenen, het voor goede schoten gelden konden. Van de tien pijlen, +die de schijf getroffen hadden, waren twee in den binnensten ring +geschoten door Hubert, een houtvester in dienst van Malvoisin, die +dus als overwinnaar uitgeroepen werd. + +"Wel nu, Locksley," zei Prins Jan met een bitteren glimlach tot den +gehaten schutter, "wilt gij het met Hubert opnemen, of boog, sjerp +en pijlkoker aan den Provoost der Spelen overgeven?" + +"Daar het niet anders kan," hernam Locksley, "wil ik mijn geluk wel +beproeven, onder voorwaarde, dat wanneer ik twee pijlen op dezelfde +schijf als Hubert geschoten heb, hij gehouden zal zijn er één te +schieten op een wit, dat ik zal aanwijzen." + +"Dat is niet meer dan billijk," antwoordde Prins Jan, "en het zal +u niet geweigerd worden.--Als gij dien snoever overwint, Hubert, +zal ik den horen met zilveren penningen voor u vullen." + +"Een man kan niet meer dan zijn best doen," hernam Hubert; "maar +mijn grootvader voerde een goeden boog bij Hastings, en ik vertrouw, +dat ik zijne nagedachtenis niet zal onteeren." + +De vorige schijf werd weggenomen, en een andere van dezelfde grootte +opgezet. Hubert, die als overwinnaar in den eersten strijd, het recht +had, het eerst te schieten, mikte met groote bedaardheid, den afstand +lang met de oogen metende; terwijl hij zijn gespannen boog in de +hand hield, met den pijl op het koord geplaatst. Eindelijk deed hij +een schrede voorwaarts, en den boog met den uitgestrekten linkerarm +oplichtende, tot het middelpunt er van bijna op gelijke hoogte met +zijn gezicht kwam, trok hij de pees van den boog tot aan het oor. De +pijl snorde door de lucht, en trof den binnensten ring op de schijf, +maar niet juist in het midden. + +"Gij hebt aan den wind niet gedacht, Hubert," zei zijn tegenpartij, +den boog spannende, "anders zou het een beter schot geweest zijn." + +Dit zeggende, en zonder zich de minste moeite te geven om vooraf op +het wit te staren, ging Locksley naar de aangewezen standplaats, en +schoot zijn pijl even zorgeloos af, alsof hij niet eens naar het wit +gezien had. Hij sprak nog bijna op het oogenblik, dat de pijl wegvloog, +en toch trof die twee duim dichter bij de witte plek op het middelpunt, +dan die van Hubert. + +"Bij het licht des hemels!" riep Prins Jan tegen Hubert, "zoo gij +duldt, dat deze landlooper u de loef afsteekt, dan verdient gij +de galg!" + +Hubert had maar ééne vaste spreekwijze bij alle gelegenheden. "En al +liet uw Hoogheid mij ophangen, een man kan niet meer dan zijn best +doen. Echter was mijn grootvader met den boog--" + +"De duivel hale uw grootvader en zijn geheele geslacht!" viel de +Prins hem in de rede. "Schiet, ongelukkige, en schiet goed, of het +zal u kwalijk bekomen!" + +Zoo aangespoord, trad Hubert weder voor, en den raad niet verzuimende, +dien zijne tegenpartij hem had gegeven, maakte hij het noodige gebruik +van een zeer licht opkomend windje, en schoot zoo gelukkig, dat zijn +pijl juist in het middelpunt van het wit trof. + +"Hubert leve! Leve Hubert!" riep het volk, dat meer belang stelde +in een bekende dan in een vreemdeling. "In het midden!--in het +midden! Leve Hubert!" + +"Gij kunt dat schot niet overtreffen, Locksley," zei de Prins met +een spotachtigen glimlach. + +"Ik zal echter zijn pijl raken," hervatte Locksley. En zijn pijl met +meer voorzichtigheid dan te voren afschietende, trof hij juist dien +van zijn mededinger, die in splinters vloog. Het volk in het rond was +zoo verbaasd over zijne verwonderlijke behendigheid, dat het zijne +verrassing zelfs niet op de gewone luidruchtige wijze kon uitdrukken. + +"Dit moet de duivel zijn en geen mensch van vleesch en bloed," +fluisterden de schutters elkander toe. "Zulk schieten is nog nooit +gezien, zoo lang men een boog in Groot-Brittanje gespannen heeft." + +"En nu," zei Locksley, "vraag ik uwe Hoogheid verlof om een wit op +te richten, dat in de noordelijke gewesten gebruikt wordt,--en welkom +ieder brave schutter, die er een schot op wagen wil, om een glimlach +te verdienen van het meisje dat hij lief heeft!" + +Hij draaide zich om, ten einde het strijdperk te verlaten. "Laten uw +wachters mij vergezellen," zei hij, "zoo gij verkiest.--Ik wil maar +even een tak van gindschen wilgenboom afsnijden." + +Prins Jan gaf een teeken, dat eenige wachters hem volgen +zouden, ingeval hij ontsnappen wilde; maar het geschreeuw van: +"Schande! Schande!" dat de menigte verhief, deed hem van zijn +onedelmoedig voornemen afzien. + +Locksley kwam dadelijk terug met een wilgentak omtrent zes voet lang, +volkomen recht en van de dikte van eens menschen duim. Hij schilde dien +met veel bedaardheid af, tegelijk aanmerkende, dat het schande voor +een goeden schutter was, naar een wit te schieten zoo breed als dat, +hetwelk men tot hiertoe gebruikt had. "Wat hem betrof," voegde hij er +bij, "en in het land, waar hij was opgevoed, zou men even gaarne Koning +Arthurs ronde tafel, waaraan zestig ridders konden zitten, tot schijf +nemen. Een kind van zeven jaren kon zoo iets met een pijl zonder kop +treffen; maar," ging hij voort, bedaard naar het andere einde van het +strijdperk gaande, en het wilgenstokje recht in den grond zettende, +"hem, die deze roede op honderd ellen afstands treft, noem ik een +schutter, waardig om boog en pijlkoker te dragen voor een Koning, +al ware het ook de dappere Koning Richard zelf!" + +"Mijn grootvader," zei Hubert, "spande een goeden boog bij den slag +van Hastings, en heeft nooit van zijn leven naar zulk wit geschoten, +en dat doe ik ook niet. Als deze schutter dien stok kan klieven, dan +beken ik mij door hem, of liever door den duivel, die in zijn wambuis +zit, en niet door menschelijke behendigheid, overwonnen; een mensch kan +niet meer dan zijn best doen, en ik wil niet schieten, waar ik zeker +ben te missen. Ik kon even goed schieten naar de snede van het lange +mes van den Pastoor, of naar een stroohalm, of naar een zonnestraal, +als naar een dunne witte streep, die ik nauwelijks zien kan." + +"Lafhartige hond!" riep Prins Jan uit. "Locksley, schiet gij maar; +en als gij zulk een wit raakt, dan zal ik zeggen, dat gij de eerste +schutter zijt, die het ooit gedaan heeft. Maar hoe het ook zij, +gij zult geen koning kraaien door slechts te pochen op behendigheid." + +"Ik zal mijn best doen, zooals Hubert zegt," antwoordde Locksley; +"niemand kan meer." + +Dit zeggende, spande hij weder den boog, maar bij deze gelegenheid +zag hij aandachtig naar zijn wapen en veranderde de pees, die niet +meer zuiver rond was, daar zij door de twee vorige schoten een weinig +gescheurd was. Hij mikte toen met eenig overleg, en de menigte wachtte +de uitkomst in doodelijke stilte af. De schutter beantwoordde aan hun +verwachting van zijn behendigheid: zijn pijl spleet de wilgenroede, +tegen welke hij gericht was. Een luid vreugdegejuich volgde, en zelfs +Prins Jan verloor uit bewondering voor Locksley's behendigheid zijn +afkeer tegen zijn persoon. + +"Deze twintig _Nobles_," zei hij, "welke gij met den hoorn eerlijk +gewonnen hebt, behooren u toe; wij zullen er vijftig van maken, +zoo gij onze livrei wilt dragen, en dienst nemen als schutter bij +de lijfwacht, die steeds in mijne onmiddellijke nabijheid is. Want +nooit heeft een zoo sterke hand een boog gespannen, of een zoo vast +oog een pijl gericht." + +"Vergeef mij, edele Prins," zei Locksley; "maar ik heb een gelofte +gedaan, dat, zoo ik ooit dienst nam, het bij uw koninklijken broeder +Richard zou zijn. Deze twintig _Nobles_ laat ik aan Hubert over, +die heden een even goeden boog gespannen heeft, als zijn grootvader +bij Hastings. Zoo zijne zedigheid de proef niet geweigerd had, zou +hij het stokje even goed geraakt hebben, als ik." + +Hubert schudde het hoofd, terwijl hij de milde gave van den vreemdeling +aarzelend aannam; en Locksley, begeerig om verdere nasporing te +ontgaan, begaf zich onder de menigte, en liet zich niet meer zien. + +De zegepralende boogschutter zou misschien niet zoo gemakkelijk aan +des Prinsen opmerkzaamheid ontsnapt zijn, indien niet vele angstige +en gewichtige overdenkingen op dit oogenblik zijn gemoed verontrust +hadden. Hij riep zijn kamerheer, terwijl hij het teeken tot het +verlaten van het strijdperk gaf, en beval hem oogenblikkelijk naar +Ashby te jagen en den Jood Izaäk op te zoeken. "Zeg den hond," zei hij, +"mij morgen vóór zonsondergang twee duizend kronen te zenden. Hij kent +het onderpand; maar gij kunt hem dezen ring tot teeken toonen. Het +overige geld moet binnen zes dagen te York betaald worden. Indien hij +het verzuimt, zal ik den ongeloovigen hond het hoofd laten afslaan. Pas +op, dat gij hem onderweg niet voorbijrijdt; want de ellendige slaaf was +hier, om zijn gestolen rijkdommen zelfs onder mijn oogen te vertoonen." + +Met deze woorden steeg de Prins weder te paard, en keerde naar Ashby +terug, terwijl de geheele menigte bij zijn vertrek uiteen ging en +zich overal verspreidde. + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + + In de hooggewelfde zaal + Van de burgtkasteelen, + Kon men de oude Ridderpraal + Van hun helden-spelen,-- + 't Uitgedoste strijdrental, + d'Eedle stoet van vrouwen, + Bij het luid trompetgeschal, + Menigwerf aanschouwen. + + Warton. + + +Prins Jan hield zijn feestelijken maaltijd in het kasteel van +Ashby. Dit was niet hetzelfde gebouw, welks trotsche puinhoopen +den reiziger nog belang inboezemen, en dat in lateren tijd werd +opgericht door Lord Hastings, Groot Kamerheer van Engeland, een der +eerste slachtoffers van de dwingelandij van Richard III, en nog beter +bekend als een van Shakespeare's personaadjes, dan door zijn naam in +de geschiedenis. Het kasteel en de stad Ashby behoorden in dien tijd +aan Roger de Quincy, Graaf van Winchester, die, gedurende den tijd +van ons verhaal, in het Heilige land toefde. Prins Jan had intusschen +bezit van zijn kasteel genomen, en beschikte naar goedvinden over zijn +goederen; en daar hij thans de oogen der wereld door zijne gastvrijheid +en pracht trachtte te verblinden, had hij bevel gegeven tot groote +toebereidselen, om het feest zoo schitterend mogelijk te maken. + +De Hoffouriers van den Prins, die bij deze en andere gelegenheden het +volle koninklijke gezag uitoefenden, hadden al, wat zij voor de tafel +van hun meester geschikt oordeelden, uit de omstreken geroofd. Er +was ook een groote menigte gasten genoodigd; en Prins Jan, zich in +de noodzakelijkheid bevindende, om de volksgunst te zoeken, had deze +uitnoodigingen tot eenige aanzienlijke Saksische en Deensche familiën +uitgestrekt, zoowel als tot de Normandische edelen en heeren uit +den omtrek. Hoewel de Angel-Saksers bij gewone gelegenheden veracht +en vernederd werden, moest hun groot getal hen natuurlijk geducht +maken in de burgerlijke onlusten, die ophanden schenen, en het was +noodzakelijk, om de gunst van de voornaamsten onder hen te verwerven. + +Het was dus de bedoeling van den Prins, aan welke hij ook gedurende +eenigen tijd getrouw bleef, om deze ongewone gasten met eene +beleefdheid te behandelen, die zij zelden ondervonden. Maar ofschoon +niemand met mindere schroomvalligheid zijne gewoonten en gevoelens +naar zijn belang wist te plooien, was het echter het ongeluk van +dezen Prins, dat zijne lichtzinnigheid en moedwilligheid gedurig +weder boven kwamen, en aan alles weder den bodem insloegen, wat hij +door vroegere veinzerij gewonnen had. + +Van dezen lichtzinnigen aard gaf hij een merkwaardig bewijs in +Ierland, toen hij door zijn vader, Hendrik II, daarheen gezonden +werd, om de genegenheid der inwoners van deze nieuwe en gewichtige +bezitting der Normandische kroon te winnen. Bij deze gelegenheid +wedijverden de Iersche opperhoofden met elkander, om den jongen +Prins hun eerbiedige hulde en den vredekus aan te bieden. Maar, +in plaats van hunne begroeting met beleefdheid aan te nemen, konden +Jan en zijn moedwillig gevolg de verzoeking niet wederstaan, om de +Iersche edelen bij hunne lange baarden te trekken, een gedrag, dat, +zooals men verwachten kon, de hoogste verontwaardiging wekte bij de +beleedigde Ieren, en noodlottige gevolgen had voor de Normandische +heerschappij in dat land. Het is noodig, deze wispelturigheid van +Jan's karakter in het oog te houden, om zijn gedrag gedurende den +avond, waarvan nu sprake is, verstaanbaar te maken. + +Zooals hij zich in meer bedaarder oogenblikken voorgenomen had, ontving +Prins Jan Cedric en Athelstane met uitstekende vriendelijkheid, +en betuigde zonder eenigen wrevel, zijne teleurstelling, toen +de ongesteldheid van Rowena door den eerste als de reden werd +opgegeven, waarom zij aan zijne eervolle uitnoodiging niet had kunnen +voldoen. Cedric en Athelstane droegen beiden de Saksische kleeding, +die, ofschoon op zich zelve niet smakeloos en bij deze gelegenheid +uit kostbare stoffen bestaande, zoo zeer in maaksel en voorkomen van +die der overige gasten verschilde, dat Prins Jan het zich tot geene +geringe verdienste bij Waldemar Fitzurse aanrekende, dat hij niet +lachte, bij een gezicht, dat de mode van dien tijd zoo bespottelijk +maakte. Evenwel, met het oog van het gezond verstand gezien, was +de korte, nauwe _tunica_ en de lange mantel der Saksers bevalliger +en gemakkelijker, dan het kostuum der Normandiërs, wier onderkleed +uit een lang wambuis bestond, zoo wijd, dat het op een hemd of een +voermanskiel geleek, en daarover een nauwe mantel, die noch tegen de +koude noch tegen den regen beschermde, en welks eenige doel scheen te +zijn, zoo veel bontwerk, borduursel en juweelen ten toon te spreiden, +als het vernuft van den kleermaker er met mogelijkheid aan te pas +kon brengen. Karel de Groote, onder wiens regeering ze het eerst +werd ingevoerd, schijnt de ondoelmatigheid van deze kleeding zeer +wel gevoeld te hebben. "In 's hemels naam," zeide hij, "waartoe +dienen deze korte mantels? Als wij te bed liggen, dekken zij ons +niet; te paard geven zij geen bescherming tegen wind en regen; en +als wij zitten, beschutten zij onze beenen niet tegen vochtigheid of +koude." In weerwil echter van deze keizerlijke afkeuring, bleven de +korte mantels in zwang tot den tijd waarvan wij spreken, en bijzonder +onder de Vorsten uit het huis van Anjou. Ze waren dus algemeen in +gebruik onder de hovelingen van Prins Jan; en de lange mantel der +Saksers werd bijgevolg door hen bespot. + +De gasten zaten aan eene tafel, die bijna boog onder de menigte der +lekkernijen. De talrijke koks, die den Prins op zijne reis vergezelden, +hadden al hunne kunst ingespannen, om de vormen, waarin de gewone +spijzen voorgediend werden, te veranderen, en waren er bijna even goed, +als de hedendaagsche beoefenaren der kookkunst, in geslaagd, ze geheel +onkenbaar te maken. Behalve de schotels van inlandschen oorsprong, +waren er verschillende lekkernijen uit vreemde landen aangebracht, en +eene weelde van pasteien, taarten en gebak, welke alleen aan de tafels +van den hoogsten adel gebruikt werden. De maaltijd werd insgelijks +verheerlijkt door de kostelijkste, zoowel in- als uitheemsche wijnen. + +Maar de Normandische edelen, hoe weelderig ook, waren over het +algemeen niet onmatig. Zij zochten de genoegens der tafel in de keur +der spijzen, maar vermeden de overdaad, en plachten den overwonnen +Saksers gulzigheid en dronkenschap te verwijten, als ondeugden aan hun +minderen stand eigen. Prins Jan, wel is waar, en zij, die zijn gunst +bejoegen door zijne zwakheden na te bootsen, waren aan de genoegens der +tafel verslaafd, en het is wel bekend, dat zijn dood veroorzaakt werd +door het onmatig gebruik van perziken en versch bier. Zijn gedrag was +echter eene uitzondering op de algemeene gewoonten zijner landgenooten. + +Met geveinsde deftigheid, die alleen afgewisseld werd door stille +wenken tegen elkander, aanschouwden de Normandische Ridders en edelen +het ruwe gedrag van Athelstane en Cedric bij den maaltijd, aan welks +gebruiken en vorm zij niet gewend waren. En terwijl hun gedrag dus +het voorwerp der bespotting werd, zondigden de onkundige Saksers, +onwetend, tegen verscheidene der willekeurig vastgestelde wetten en +regels der welvoegelijkheid. + +Het is echter wel bekend, dat een man zich eerder schuldig mag +maken aan eene wezenlijke schennis der regels van de beschaving +of van de goede zeden, dan onkundig schijnen in het geringste punt +der etiquette van de groote wereld. Daarom maakte Cedric, die zich +de handen aan een doek afveegde, in plaats van ze te drogen door ze +met bevalligheid in de lucht te bewegen, zich belachelijker dan zijn +metgezel Athelstane, die alléén een geheele, groote pastei verslond, +gevuld met de meest uitgezochte vreemde lekkernijen, een _Karum-pastei_ +genoemd. Maar toen men door ernstig heen en weer vragen bevond, dat +de heer van Coningsburgh (of de _Franklin_, zooals de Normandiërs +hem noemden) geen begrip had van hetgeen hij verslonden had; en +den inhoud van de _Karum-pastei_ voor leeuweriken en duiven hield, +terwijl het _beccaficos_ en nachtegalen waren, werd zijne onkunde +veel meer bespot dan zijne gulzigheid, die het meer verdiend had. + +Het lange feestmaal was eindelijk afgeloopen; en terwijl de beker vrij +rond ging, sprak men over de daden van het toernooi--over den Zwarten +Ridder, wiens zelfverloochening hem aan de verdiende eer onttrokken +had--en over den dapperen Ivanhoe, die de eer van den dag zoo duur +gekocht had. Deze onderwerpen werden met de vrijmoedigheid van een +krijgsman behandeld, en scherts en gelach vervulden de zaal. Het +voorhoofd van Prins Jan alleen was onder deze gesprekken bewolkt; +de een of andere zware zorg scheen op zijn gemoed te drukken, en het +was slechts na een wenk van zijne vrienden, dat hij belang scheen te +stellen in wat rondom hem voorviel. Bij zulke gelegenheden schrikte +hij op, ledigde een beker wijn, alsof hij zijn moed daardoor wilde +verlevendigen, en mengde zich in het gesprek door eenige afgebroken +of zonder samenhang aangebrachte opmerking. + +"Wij ledigen dezen beker," zei hij, "op het welzijn van Wilfrid van +Ivanhoe, den overwinnaar in het toernooi, en het spijt ons, dat zijn +wond hem van onze tafel afhoudt.--Dat allen op zijne gezondheid de +bekers vullen, en vooral Cedric van Rotherwood, de waardige vader +van een zoo veel belovenden zoon." + +"Neen, mijn Vorst," hernam Cedric, opstaande, en zijn beker +onaangeroerd op de tafel plaatsende, "ik geef den naam van zoon +niet aan den ongehoorzamen jongeling, die mijne bevelen veracht, +en de zeden en gewoonten zijner voorvaderen verzaakt." + +"Het is onmogelijk," riep Prins Jan, met geveinsde verbazing, "dat een +zoo dapper ridder een onwaardig of ongehoorzaam zoon zou kunnen zijn!" + +"En toch is dit het geval met Wilfrid, mijn Vorst," hernam Cedric. "Hij +heeft mijne vreedzame woning verlaten, om zich onder de weelderige +edelen aan het hof uws broeders te mengen, waar hij de ridderkunsten +geleerd heeft, waarop gij zoo hoogen prijs stelt. Hij heeft mij tegen +mijn wil en mijne bevelen verlaten; en in de dagen van Alfred zou +men zooiets ongehoorzaamheid--ja, zelfs een zeer strafbare misdaad +genoemd hebben." + +"Ach!" hervatte Prins Jan, met een diepen zucht van geveinsde +deelneming; "daar uw zoon mijn ongelukkigen broeder is gevolgd, +behoeft men niet te vragen, van waar, of van wien hij de les van +kinderlijke ongehoorzaamheid geleerd heeft." + +Zoo sprak Prins Jan, vergetende dat onder alle zonen van Hendrik II, +schoon geen van hen vrij van deze misdaad was, hij zich het meest, +door oproer en ondankbaarheid tegen zijn vader, onderscheiden had. + +"Ik meende," zei hij na eene korte stilte, "dat mijn broeder voornemens +was, zijn gunsteling met de rijke heerlijkheid Ivanhoe te beleenen." + +"Hij heeft hem die geschonken," antwoordde Cedric, "en het is niet +de minste reden die ik heb, om ontevreden te zijn op mijn zoon, dat +hij zich verlaagde, om als leenroerig vasal, dezelfde goederen aan te +nemen, welke zijne voorvaderen vrij en onafhankelijk bezeten hebben." + +"Wij zullen dus uwe toestemming verkrijgen, geachte Cedric," zei Prins +Jan, "om dit leen aan een persoon te schenken, wiens waardigheid niet +zal vernederd zijn, door land van de Britsche kroon te bezitten. Ridder +Reginald Front-de-Boeuf," zei hij, zich tot dien edele wendende, +"ik vertrouw, dat gij de schoone heerlijkheid Ivanhoe zóó zult weten +te behouden, dat Wilfrid zich zijns vaders ongenoegen niet op den +hals zal halen, door ze terug te krijgen!" + +"Bij den heiligen Anthonius!" antwoordde de sombere reus, "ik sta toe, +dat uwe Hoogheid mij voor een Sakser houde, zoo Cedric, of Wilfrid, +of de beste, die ooit Saksisch bloed in de adren had, mij de gift +ontwringt, waarmede uwe Hoogheid mij vereerd heeft." + +"Wie u Sakser noemt, ridder," hernam Cedric, beleedigd door een +spreekwijze, waarmede de Normandiërs dikwijls hun gewone verachting +jegens de Engelschen uitdrukten, "zal u een even groote als onverdiende +eer aandoen." + +Front-de-Boeuf wilde antwoorden; maar de moedwilligheid en +lichtzinnigheid van Prins Jan kwamen hem voor. + +"Voorzeker, mijn heeren," zei hij, "de edele Cedric spreekt de +waarheid, en zijn geslacht kan den voorrang boven ons eischen, zoo +wel om de lengte van hun stamboom, als om die hunner mantels." + +"Zij gaan ons, inderdaad, in het veld vóór,--evenals het wild de +honden!" zei Malvoisin. + +"En zij hebben groot recht ons voor te gaan," zei Prior Aymer--"vergeet +niet hun meerdere welvoegelijkheid en de bevalligheid hunner manieren!" + +"En hun zeldzame onthouding en matigheid!" zei De Bracy, het plan +vergetende, dat hem een Saksische bruid beloofde. + +"En dan den moed en het beleid," zei Brian de Bois-Guilbert, "waardoor +zij zich te Hastings en elders onderscheidden." + +Terwijl de hovelingen, beurtelings, met een effen en lachend gelaat het +voorbeeld van hun Prins volgden, en hun pijlen op Cedric afschoten, +werd het gezicht van den Sakser vuurrood van toorn; hij wierp zijn +woesten blik van den één op den anderen, alsof de schielijke opvolging +van zoo vele beleedigingen hem belette ze dadelijk te beantwoorden; +of gelijk een getergde stier, die, door zijne pijnigers omringd, +verlegen is, wie onder hen tot het onmiddellijke doel van zijn wraak +uit te kiezen. + +Eindelijk zich tot Prins Jan wendende, als het hoofd, en de oorzaak der +hem aangedane beleediging, zei hij, met een stem, die half door drift +gesmoord was: "Welke ook de zwakheden en gebreken van onzen stam mogen +geweest zijn, een Sakser zou voor een _Niddering_ [17]" (de krachtigste +uitdrukking voor de uiterste nietswaardigheid), "gehouden zijn, zoo +hij in zijne eigene zaal, en terwijl zijn eigen beker rondging, een +onschuldigen gast behandeld had, zooals uwe Hoogheid mij heden heeft +laten behandelen; en welke ook de ongelukken onzer voorvaderen op het +slagveld bij Hastings mogen geweest zijn, moesten zij er tenminste +van zwijgen"--en hier zag hij op Front-de-Boeuf en den Tempelier--"die +voor weinige uren meer dan éénmaal zadel en stijgbeugel door de lans +van een Sakser verloren hebben." + +"Op mijn eer, een bijtende scherts!" zei Prins Jan. "Hoe vindt gij ze, +mijn heeren?--Onze Saksische onderdanen nemen toe in geest en moed; +zij worden scherp van vernuft en trotsch van gedrag in deze onrustige +tijden.--Wat zegt gij, mijn heeren?--Bij het licht des hemels, +ik houd het voor het best, dat wij onze galeien weder bestijgen, +en bij tijds naar Normandië terugkeeren!" + +"Uit vrees voor de Saksers?" zei de Bracy lachende. "Wij zouden +geen ander wapen, dan onze jachtsperen noodig hebben, om zulk wild +te jagen!" + +"Houdt op met uwe scherts, heeren ridders," zei Fitzurse, "en het +ware goed," voegde hij er bij, zich tot den Prins wendende, "dat uw +Hoogheid den waardigen Cedric verzekerde, dat er geen beleedigende +bedoeling is in spotternijen, die in het oor van een vreemdeling zeer +onaangenaam moeten klinken." + +"Beleediging?" antwoordde Prins Jan, terwijl hij zijn beleefde +houding weder aannam; "ik verzeker dat ik er nooit een bedoeld heb, +of in mijn tegenwoordigheid toelaten zou.--Hier! ik ledig mijn beker +op het welzijn van Cedric zelven, daar hij niet op de gezondheid van +zijn zoon wil drinken." + +De beker ging rond, onder de geveinsde toejuiching der hovelingen, +welke echter de gewenschte uitwerking op het gemoed des Saksers +misten. Hij was van natuur niet scherpzinnig, maar zij, die meenden, +dat dit vleiend compliment zijne gevoeligheid over de hem pas +aangedane beleediging zou uitwisschen, rekenden zijn verstand toch al +te min. Hij zweeg echter, toen de koninklijke beker weder rondging: +"Op het welzijn van den ridder Athelstane van Coningsburgh." + +De ridder maakte een buiging, en toonde, dat hij niet ongevoelig was +voor die eer, door een grooten beker te ledigen. + +"En nu, mijn heeren," zei Prins Jan, die verhit begon te worden +door den wijn, dien hij gedronken had, "daar wij recht hebben laten +wedervaren aan onze Saksische gasten, willen wij hen verzoeken, onze +beleefdheid te beantwoorden. Waardige Sakser," ging hij voort, zich +tot Cedric wendende, "mag ik u verzoeken ons een Normandiër te noemen, +wiens naam uw lippen het minst zal bezoedelen, en met een beker wijn +alle bitterheid af te spoelen, welke de klank nog zou achterlaten?" + +Terwijl Prins Jan sprak, stond Fitzurse op, en zachtjes achter den +stoel van den Sakser tredende, fluisterde hij hem toe, dat hij de +gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, om een einde te maken aan de +vijandigheid tusschen de twee stammen, door Prins Jan zelven te noemen. + +De Sakser antwoordde niet op dezen listigen raad, maar opstaande, en +den beker tot den rand toe vullende, sprak hij Prins Jan aldus aan: +"Uwe Hoogheid heeft begeerd, dat ik een Normandiër zou noemen, die +verdiende, dat wij bij ons feest aan hem dachten. Dit is, waarlijk, +een zware taak, daar ze den slaaf oplegt om den lof van zijn meester te +verkondigen;--den overwonnene om zijn overwinnaar te prijzen. Echter +_zal_ ik een Normandiër noemen,--den eersten in de wapenen en in +stand,--den besten en edelsten van zijn stam. En de lippen, die +weigeren mij op zijn welverkregen roem bescheid te doen, noem ik +valsch en eerloos, en dat wil ik met mijn leven staande houden!--Ik +ledig dezen beker op het welzijn van Richard Leeuwenhart!" + +Prins Jan, die verwacht had, dat zijn eigen naam de rede van den +Sakser zou besluiten, schrikte toen die van zijn beleedigden broeder +zoo onverwacht genoemd werd. Hij bracht den beker werktuigelijk naar +de lippen, en zette dien dadelijk weder neer, om het gedrag van het +gezelschap bij dezen onverwachten feestdronk gade te slaan, daar +velen der aanwezigen gevoelden, dat het even gevaarlijk was er aan +te voldoen, als het te weigeren. Eenige oude, ervarene hovelingen, +volgden getrouw het voorbeeld van den Prins zelven, door den beker +naar de lippen te brengen en dien weder voor zich neder te zetten. Er +waren echter velen, die door een edelmoediger opwelling medegesleept, +uitriepen: "Lang leve Koning Richard! Moge hij ons weldra weder gegeven +worden!" Eenige weinigen, waaronder Front-de-Boeuf en de Tempelier, +lieten in sombere verachting hun bekers onaangeroerd staan. Maar +niemand waagde het rechtstreeks den beker te weigeren, die ter eere +van den regeerenden Vorst geledigd moest worden. + +Nadat Cedric voor een oogenblik zijn zegepraal genoten had, zei hij +tot zijn metgezel: "Kom, edele Athelstane! wij zijn lang genoeg hier +gebleven, nu wij de gastvrije beleefdheid van Prins Jan vergolden +hebben. Zij, die in het vervolg meer van onze ruwe Saksische manieren +willen weten, moeten ons in de huizen onzer vaderen opzoeken; +want wij hebben genoeg van koninklijke gastmalen en Normandische +wellevendheid gezien." + +Dit zeggende, stond hij op, en verliet de eetzaal, gevolgd door +Athelstane en verscheidene andere gasten, die met de Saksers +vermaagschapt, zich beleedigd gevoelden door de spotternijen van +Prins Jan en zijn hovelingen. + +"Bij het gebeente van St. Thomas!" riep Prins Jan, toen zij zich +verwijderd hadden, "de Saksische boeren hebben ons de nederlaag +gegeven, en zijn zegevierende afgetrokken." + +"_Conclamatum est, poculatum est_," zei Prior Aymer, "wij hebben +gedronken en zijn luidruchtig geweest;--het wordt tijd, dat wij de +wijnflesschen verlaten." + +"De monnik heeft de eene of andere schoone boetvaardige, die heden +avond bij hem biechten moet, daar hij zooveel haast maakt!" zei +de Bracy. + +"Dat niet, heer ridder," hernam de abt; "maar ik moet dezen avond +nog eenige mijlen van mijne terugreis afleggen." + +"Zij gaan al weg," fluisterde de Prins Fitzurse toe; "hun vrees loopt +de gebeurtenissen vooruit, en deze lafhartige Prior is de eerste, +die mij verlaat." + +"Vrees niet, mijn Vorst," zei Waldemar; "ik zal hun redenen geven, +die hen zullen nopen bij onze bijeenkomst te York tegenwoordig te +zijn.--Heer Prior," zei hij, "ik moet u alléén spreken, voordat gij +te paard stijgt." + +De andere gasten gingen nu spoedig uiteen, behalve zij, die +onmiddellijk tot de partij, of tot het gevolg van Prins Jan behoorden. + +"Dit is dan de uitslag van uw raad," zei de Prins, een vertoornden +blik op Fitzurse werpende, "dat een dronken Saksische boer mij op +mijn eigen gastmaal trotseert, en dat, bij den enkelen naam van mijn +broeder, de menschen van mij afvallen, als van een melaatsche." + +"Geduld, mijn Vorst," hernam zijn raadgever; "ik zou u ook kunnen +beschuldigen, en de lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid berispen, +welke mijn plan hebben doen mislukken, en uw eigen beter oordeel op +het dwaalspoor hebben geleid; maar dit is geen tijd, om elkander +verwijten te doen. De Bracy en ik zullen ons dadelijk onder deze +lafaards begeven, en hen overtuigen, dat zij te ver zijn gegaan, +om terug te treden." + +"Het zal vruchteloos zijn," zei Prins Jan, terwijl hij met ongelijke +schreden door het vertrek stapte, en met eene hevigheid sprak, waartoe +de wijn, dien hij gedronken had, gedeeltelijk bijdroeg.--"Het zal +vruchteloos zijn;--ze hebben het schrift aan den muur gezien;--ze +hebben de voetstappen van den leeuw in het zand bespeurd;--ze hebben +zijn naderend gebrul door het woud hooren weergalmen;--niets zal hun +moed weder verlevendigen!" + +"Gave God!" zei Fitzurse tot De Bracy, "dat iets zijn moed +verlevendigen kon! De enkele naam van zijn broeder jaagt hem de koorts +op het lijf. Ongelukkig de raadslieden van een Vorst, wien moed en +volharding geheel ontbreken, zoowel ten goede als ten kwade!" + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + + Voorwaar, hij denkt--ha, ha, ha, ha,--hij denkt, + Ik ben zijn werktuig, dienaar van zijn wil, + Wel, laat het wezen, 'k wil uit dit doolhof, + Dat zijn vervloekte list en heerschzucht schiep, + Mij zelf een weg tot hooger dingen banen; + En wie zal zeggen: 't is verkeerd? + + Basil, een Treurspel. + + +Geen spin herstelde ooit met meer zorg de beschadigde draden +van haar web, dan Waldemar Fitzurse besteedde, om de verstrooide +leden der partij van Prins Jan te verzamelen, en weder onderling +te verbinden. Weinigen waren hem uit genegenheid, en geene uit +persoonlijke gehechtheid toegedaan. Het was daarom noodig, dat +Fitzurse hun nieuwe, voordeelige uitzichten opende, en hen aan de +voordeelen herinnerde, welke zij thans genoten. Den jongen, onbezonnen +edellieden schilderde hij het vooruitzicht op ongestrafte losbandigheid +en op onbeperkt zinnelijk genot; de eerzuchtigen wees hij op gezag, +en de gierigen op vermeerdering hunner rijkdommen en de uitbreiding +hunner bezittingen. De hoofden der huurlingen ontvingen een geschenk +in goud, het beste overtuigingsmiddel voor hun verstand,--daar al +het overige vruchteloos zoude geweest zijn. Beloften werden door +dezen werkzamen agent met eene nog mildere hand uitgedeeld dan geld; +in het kort, niets werd verzuimd, dat dienen kon, om den weifelende +tot een besluit te brengen, en den lafhartige te bemoedigen. Over +de terugkomst van Koning Richard sprak hij als eene gebeurtenis, +die geheel buiten de perken der waarschijnlijkheid lag, bespeurde +hij echter, uit de twijfelende blikken, en de onzekere antwoorden, +die hij ontving, dat voornamelijk deze terugkeer de gemoederen +zijner medeplichtigen verontrustte, dan behandelde hij die als eene +gebeurtenis, die, wanneer zij werkelijk mocht plaats vinden, hunne +staatkundige plannen niet behoorde te veranderen. + +"Indien Richard terugkeert," zeide Fitzurse, "dan is het om zijn +behoeftige en bij den kruistocht verarmde metgezellen te verrijken, +ten koste van diegenen, die hem niet gevolgd zijn naar het Heilige +Land. Hij keert terug, om eene schrikkelijke rekenschap te vorderen +van hen, die gedurende zijne afwezigheid iets gedaan hebben, dat als +eene schennis der wetten, of eene inbreuk op de voorrechten der kroon, +kan worden aangemerkt. Hij keert terug, om zich te wreken op de orde +der Tempelieren en der Hospitaalridders, wegens de voorkeur, welke zij, +gedurende de oorlogen in het Heilige Land, aan Filips van Frankrijk +betoond hebben. Hij keert eindelijk terug, om alle aanhangers van zijn +broeder, Prins Jan, als oproerlingen te straffen. Vreest gij zijne +macht?" ging de sluwe vertrouweling van dezen Prins voort. "Wij stemmen +toe, dat hij een sterk en dapper ridder is; maar wij zijn niet in de +dagen van Koning Arthur, toen één kampvechter tegen een heel leger kon +strijden. Als Richard werkelijk terugkeert, moet hij alléén komen, +zonder gevolg,--zonder vrienden. De beenderen van zijn dapper leger +zijn op de zandwoestijnen van Palestina gebleekt. De weinigen van zijn +gevolg, die teruggekeerd zijn, zijn herwaarts gedwaald,--zooals deze +Wilfrid van Ivanhoe,--als bedelaars en landloopers. En wat spreekt +gij van Richards geboorterecht?" ging hij voort, tegen degenen, +die zwarigheden over dit punt inbrachten. "Is Richards recht van +eerstgeboorte zekerder dan dat van Hertog Robert van Normandië, des +Veroveraars oudsten zoon? En echter werden Willem de Roodharige en +Hendrik de Tweede, en Derde, zijne broeders, hem achtereenvolgens, +door de stem des volks voorgetrokken; Robert bezat iedere verdienste, +die voor Richard pleit; hij was een dapper ridder, een goed veldheer, +edelmoedig jegens zijne vrienden en de kerk, en om het geheel te +kroonen, een kruisvaarder en veroveraar van het Heilige Graf; en toch +stierf hij, als een blinde en ellendige gevangene, in het kasteel +van Cardiff, omdat hij zich tegen den wil des volks aankantte, dat +niet door hem wilde beheerscht worden. Wij hebben het recht," voer +hij voort, "uit het koninklijk geslacht dien Vorst te kiezen, die het +best in staat is, het hoogste gezag te bekleeden:--dat is," zei hij, +zijn woorden verbeterende, "wiens verkiezing de belangen der edelen +het best bevordert. In persoonlijke hoedanigheden," vervolgde hij, +"doet misschien Prins Jan voor zijn broeder onder; maar wanneer men +bedenkt, dat deze, met het zwaard der wraak in handen terugkeert, +terwijl gene, belooningen, vrijheden, voorrechten, rijkdom en eer +aanbiedt, dan is het niet twijfelachtig, welken koning, de adel, +als deze verstandig handelt, geroepen is te ondersteunen!" + +Deze en vele andere bewijsgronden, sommige toepasselijk op de +bijzondere omstandigheden van hen aan wie ze gericht werden, hadden +de verwachte uitwerking bij de edelen van de partij van Prins Jan. De +meesten stemden er in toe, bij de voorgestelde vergadering te York +tegenwoordig te zijn, ten einde algemeene maatregelen te beramen, +om Prins Jan de kroon op het hoofd te plaatsen. + +Het was laat in den avond, toen Fitzurse naar het kasteel van Ashby +terugkeerde, afgemat door de menigte zijner bezigheden, maar voldaan +over zijn goed gevolg, en De Bracy ontmoette, die zijne feestkleeding +tegen een soort van groene kiel verwisseld had, met een broek van +dezelfde stof en kleur, een lederen kap, of _baret_, een kort zwaard, +een horen over den schouder, een langen boog in de hand, en een bundel +pijlen in zijn draagband gestoken. Indien Fitzurse dezen persoon in +een buitenvertrek ontmoet had, zou hij voorbijgegaan zijn, zonder er +acht op te slaan, en hem voor een der lijfwachten aangezien hebben, +maar nu hij hem in de binnenzaal ontmoette, beschouwde hij hem met +meer oplettendheid, en herkende den Normandischen ridder, in het +gewaad van een Engelschen boogschutter. + +"Waartoe deze vermomming, De Bracy?" vroeg Fitzurse, eenigszins +bitter. "Is het nu een tijd voor kermis-grappen en galante maskeraden, +terwijl het lot van onzen meester, Prins Jan, op het punt is beslist te +worden? Waarom hebt gij u niet, evenals ik, onder die laffe bloodaards +begeven, welken de bloote naam van Koning Richard evenveel schrik +aanjaagt, als men zegt, dat hij de kinderen der Saracenen doet?" + +"Ik heb voor mijne eigene belangen gezorgd," zei De Bracy koel; +"evenals gij voor de uwe, Fitzurse." + +"Ik voor mijne eigene belangen gezorgd!" herhaalde Waldemar. "Ik heb +mij bezig gehouden met die van Prins Jan, onzen gemeenschappelijken +beschermer." + +"Alsof gij hiertoe eenige andere reden hadt, Waldemar," zei De Bracy, +"dan de bevordering uwer eigene individueele belangen! Kom kom, +Fitzurse, wij kennen elkander; eerzucht is uw doel, vermaak het +mijne, en dit uiteenloopende doel past aan onzen uiteenloopenden +ouderdom. Over Prins Jan denkt gij evenals ik; hij is te zwak om een +standvastig, te heerschzuchtig om een gemakkelijk, te trotsch en te +achterdochtig om een aan het volk aangenaam, en te onbestendig en te +beschroomd, om lang een Vorst, van welken aard ook, te zijn. Maar hij +is een Vorst, door wien Fitzurse en De Bracy zich hopen te verheffen +en fortuin te maken; en daarom helpt gij hem met uw staatkunde, +en ik met de lansen mijner huurlingen." + +"Een veelbelovende hulp!" riep Fitzurse ongeduldig. "Voor gek te +spelen in het oogenblik van den uitersten nood! Wat stelt gij u +toch ter wereld voor met deze bespottelijke vermomming, in een zoo +dringend oogenblik?" + +"Mij eene vrouw te verschaffen," antwoordde De Bracy koel, "op de +wijze van den stam van Benjamin." + +"De stam van Benjamin!" zei Fitzurse. "Ik begrijp u niet." + +"Waart gij niet tegenwoordig gisteren avond," zei De Bracy, "toen +Prior Aymer ons een vertelling deed, als antwoord op de Romance, die +de minnezanger voordroeg?--Hij vertelde, hoe langen tijd geleden, +in Palestina, een doodelijke veete ontstond, tusschen den stam van +Benjamin en het overige van het Israëlitische volk; en hoe bijna de +geheele ridderschap van dien stam verslagen werd; en hoe het volk bij +de Heilige Maagd zwoer, niet te willen toestaan, dat de overgeblevenen +in hun maagschap huwelijkten; en hoe zij berouw kregen over hun eed, +en zijne Heiligheid den Paus raadpleegden, hoe zij daarvan konden +ontslagen worden, en hoe, op raad van den Heiligen Vader, de jeugd van +Benjamins stam, op een prachtig toernooi, al de tegenwoordig zijnde +dames wegroofde, en zich dus vrouwen verschafte, zonder toestemming +der bruiden, of harer familiën." + +"Ik heb het verhaal gehoord," zei Fitzurse, "ofschoon gij, of de +Prior, eenige zonderlinge veranderingen in tijd en omstandigheden +gemaakt hebt." + +"Ik zeg u," hernam De Bracy, "dat ik mij een vrouw wil verschaffen naar +de manier van den stam van Benjamin, wat zeggen wil, dat ik in deze +zelfde toerusting, de kudde Saksische boeren zal aanvallen, die heden +avond het kasteel verlaten hebben, en de schoone Rowena ontvoeren." + +"Zijt gij waanzinnig, De Bracy?" zei Fitzurse. "Bedenk dat zij, +ofschoon Saksers, rijk en machtig zijn, en door hunne landslieden te +meer geëerbiedigd worden, daar rijkdom en eer slechts het deel zijn +van weinigen van Saksische afkomst." + +"En het deel van geen hunner zijn moesten," zei De Bracy; "het +veroveringswerk moest volmaakt worden." + +"Het is nu althans geen tijd daartoe," zeide Fitzurse; "de naderende +beslissing maakt de hulp der menigte onontbeerlijk, en Prins Jan kan +niet weigeren recht uit te oefenen tegen iemand, die de gunstelingen +er van beleedigt." + +"Laat hij hen verdedigen, als hij durft," antwoordde De Bracy; "hij +zal spoedig het onderscheid zien tusschen den onderstand van een +troep dappere lansen zooals de mijnen, en een hoop gemeene Saksische +boeren. Ik ben echter niet voornemens, mij zelven rechtstreeks +bloot te geven. Ben ik in dezen dos niet zulk een dapper jager, +als er ooit een op den jachthoren blies? De blaam der schaking zal +op de vrijbuiters der wouden van Yorkshire rusten. Ik heb getrouwe +bespieders, die op de bewegingen der Saksers letten. Heden nacht +slapen zij in het klooster van St. Wittol, of Withold, of hoe zij +dien lomperd van een Saksischen heilige noemen, te _Burton-Trent_. De +volgende dagreis brengt hen onder ons bereik, en als valken grijpen +wij hen allen in onze klauwen. Terstond daarop zal ik in mijne eigene +gedaante verschijnen, den dapperen ridder spelen, de ongelukkige en +bedrukte schoone uit de handen harer woeste roovers verlossen, haar +naar Front-de-Boeuf's kasteel, of, indien het noodig is, naar Normandië +voeren, en haar niet aan haar bloedverwanten teruggeven, voordat zij +de bruid en de echtgenoote van Maurice de Bracy is geworden." + +"Een bewonderenswaardig wijs plan!" zei Fitzurse, "en naar mijn oordeel +niet geheel uw eigene uitvinding.--Kom, wees openhartig, De Bracy, +wie hielp u het bedenken, en wie zal u bijstaan in de uitvoering, +want, naar ik meen, ligt uw bende te York?" + +"Daar gij het dan volstrekt weten wilt"--zei De Bracy--"de Tempelier +Brian de Bois-Guilbert regelde de onderneming, waarvan het gebeurde +met de kinderen Benjamins bij mij de gedachte had doen ontstaan. Hij +wil mij helpen bij den aanval, en zijn gevolg zal de vrijbuiters +voorstellen, uit wier hand mijn moedige arm de Jonkvrouw zal verlossen +nadat ik van kleeding veranderd heb." + +"Bij mijn eer," zei Fitzurse, "dit plan was uw beider wijsheid waardig: +en uwe voorzichtigheid openbaart zich bijzonder in het ontwerp, om de +Jonkvrouw in de handen van uw waardigen bondgenoot te laten. Mijns +bedunkens, kan het u gelukken, haar aan haar Saksische vrienden te +ontvoeren, maar of gij haar naderhand uit de klauwen van Bois-Guilbert +zult kunnen redden, schijnt mij vrij wat twijfelachtiger.--Hij is +een valk, die gewoon is een vogel te grijpen, en zijn prooi vast +te houden." + +"Hij is een Tempelier," zei De Bracy, "en kan mij dus niet in den weg +staan in mijn plan om deze erfdochter te trouwen;--en iets oneerbaars +met de aanstaande bruid van De Bracy te beproeven,--bij den hemel! al +was een geheel kapittel van zijn orde in zijn persoon vereenigd, +zou hij mij zulk eene beleediging toch niet durven aandoen!" + +"Daar dan niets, wat ik ook zeggen mag, u deze zotheid uit het hoofd +verdrijven kan," zei Fitzurse; "want ik ken uw halsstarrigheid, verspil +zoo weinig tijd mogelijk,--opdat uw dwaasheid niet even langdurig, +als ontijdig zij." + +"Ik zeg u," antwoordde De Bracy, "het zal slechts het werk van eenige +uren zijn, en spoedig bevind ik mij te York, aan het hoofd van mijne +stoute en dappere bende, even bereidvaardig om eenig krachtig besluit +uit te voeren, als uwe staatkunde zijn kan om het te smeden.--Maar +ik hoor, dat mijn makkers zich verzamelen, en dat de paarden op het +voorplein stampen en brieschen.--Vaarwel!--Ik ga als een echte ridder, +om de liefde der schoone te verdienen." + +"Als een echte ridder!" hernam Fitzurse, hem naziende, "als een echte +dwaas, zou ik zeggen, of als een kind, dat de ernstige en noodigste +bezigheid verzuimt, om het distelzaad na te loopen, dat de wind voor +hem heen drijft. Maar met zulke werktuigen moet ik arbeiden;--en tot +wiens voordeel?--Voor een Prins, die even onverstandig als losbandig +is, die een even ondankbaar meester schijnt te willen wezen, als hij +reeds getoond heeft, een oproerige zoon en een ontaarde broeder te +zijn.--Maar ook hij is slechts één mijner werktuigen, en hoe trotsch +hij ook zij, zal hij dat spoedig ondervinden, als hij zich voorstelt +zijn belangen van de mijne te kunnen scheiden." + +Hier werden de overdenkingen van den staatsman afgebroken door de +stem van Prins Jan, die uit een binnenvertrek riep: "Edele Waldemar +Fitzurse, kom bij mij!" en het hoofd ontblootende, haastte zich +de aanstaande Grootkanselier (want op dezen hoogen post hoopte de +sluwe Normandiër), om de bevelen van zijn aanstaanden koning te +gaan vernemen. + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + + Er leefde onopgemerkt en eenzaam, jaar aan jaar, + In ver verwijderd oord een vrome kluizenaar, + In de enge cel;--hij rustte op 't bed van mos; genoot + Wat fruit zijn disch voorzag; de bron hem laafnis bood; + Hij sleet, der wereld vreemd, zijn leven door met God, + Zijn dagboek was 't gebed, de lofzang zijn genot. + + Parnell. + + +De lezer zal niet vergeten hebben, dat de uitkomst van het toernooi +beslist werd door de heldendaden van een onbekenden ridder, dien de +toeschouwers, wegens het lijdelijke en onverschillige van zijn gedrag, +gedurende het eerste gedeelte van den dag, met den naam van _Le Noir +Fainéant_ bestempeld hadden. Deze ridder had het strijdperk verlaten, +zoodra de overwinning behaald was; en toen hij opgeroepen werd, om het +loon zijner dapperheid te ontvangen, was hij nergens te vinden. Terwijl +hij door de herauten en trompetters ingedaagd werd, richtte hij zijn +koers noordwaarts, alle begane paden vermijdende, en den kortsten +weg door de boschlanden nemende. Hij rustte des nachts in een kleine +herberg op eenigen afstand van den straatweg, waar hij echter, van een +rondtrekkenden speelman, tijding kreeg van den afloop van het toernooi. + +Den volgenden morgen vertrok de ridder vroegtijdig, met het voornemen +om eene groote dagreis te maken, daar zijn paard, dat hij den vorigen +morgen zorgvuldig gespaard had, in staat was, een langen tocht te doen, +zonder veel te rusten. Zijn voornemen werd echter verijdeld door de +onbekende wegen, die hij nam; zoodat, toen de avond hem overviel, +hij zich slechts op de grenzen van het _West-Riding_ van Yorkshire +bevond. Nu hadden man en paard behoefte aan verkwikking, en het was +bovendien, noodig naar een plaats uit te zien, om den snel naderenden +nacht door te brengen. + +De plek, waar de reiziger zich bevond, scheen noch eene schuilplaats +noch voedsel op te leveren, en hij liep gevaar genoodzaakt te zijn, +den gewonen leefregel der dolende ridders te volgen, die, bij zulke +gelegenheden, hun paarden lieten grazen, en zich nedervlijden +aan den voet van een eik om aan hunne jonkvrouw te denken. Maar +de Zwarte Ridder had geene jonkvrouw, aan welke hij denken kon, +of even onverschillig in de liefde, als hij in den oorlog scheen +te zijn, was hij niet hartstochtelijk genoeg met hare schoonheid en +wreedheid bezield, om de uitwerkselen van vermoeidheid en honger niet +te gevoelen, en de liefde als plaatsvervangster te laten optreden +voor de krachtige versterkingen van slaap en maaltijd. Hij was +daarom eenigszins verdrietig, toen hij, rondziende, bevond, dat hij +in het dichte woud verdwaald was, waarin wel vele opene plaatsen en +eenige paden waren, maar die slechts gebaand schenen te zijn door +de menigvuldige kudden hoornvee, of door het wild en de jagers, +die het vervolgden. + +De zon, naar welke de ridder voornamelijk zijn koers gericht had, was +nu achter de heuvels van Derbyshire, die aan zijn linkerhand lagen, +ondergegaan, en elke poging om zijne reis te vervolgen, kon hem even +gemakkelijk van den weg verwijderen als nader brengen. Na vruchteloos +getracht te hebben, het meest gebaande pad uit te zoeken, in de hoop, +dat het hem naar de hut van eenig herder, of het verblijf van den +een of anderen houtvester zou voeren, en bij herhaling besluiteloos +te zijn gebleven in zijne keus, nam hij zich voor, alles aan het +instinkt van zijn paard over te laten, daar de ondervinding, bij +vroegere gelegenheden, hem de verwonderlijke gave dezer dieren, om +zich zelven en hun ruiters uit dergelijke moeielijkheden te redden, +had leeren kennen. + +Uitgeput door zulk een lange reis, onder een gewapenden en geharnasten +ruiter, had het schoone paard nauwelijks aan den slappen teugel +gevoeld, dat het aan zijn eigen leiding was overgelaten, of het +scheen nieuwe kracht en moed te verkrijgen; en terwijl het te voren +bijna niet anders dan door steunen den spoorslag beantwoord had, +spitste het nu de ooren, alsof het trotsch was op het vertrouwen, +dat men het schonk, en verhaastte uit vrijen wil zijn gang. De weg, +welken het dier insloeg, week af van dien, welken de ridder gedurende +den dag gevolgd had; maar daar het paard vol vertrouwen deze keuze +scheen te doen, liet de ridder zich geheel en al aan zijn ros over. + +De uitkomst rechtvaardigde zijne verwachting; spoedig scheen de weg +iets breeder en meer begaanbaar te worden, en het luiden van een +klokje onderrichtte den ridder, dat hij zich in de nabijheid van een +kapel of kluizenaarshut bevond. + +Hij bereikte ook spoedig een open grasplein, aan welks overkant zich +een steile rots verhief op een zacht hellende vlakte, en den reiziger +een grijzen en verweerden kruin vertoonde. Op sommige plaatsen was ze +met klimop bekleed; elders hingen eiken- en hulststruiken, wier wortels +in de spleten der rots voedsel vonden, over den grond, evenals de +vederbos eens krijgsmans over zijn stormhoed, bevalligheid verleenende +aan een tooneel, dat anders schrikwekkend geweest ware. Aan den voet +der rots was een ruwe hut gebouwd, die als het ware er tegen leunde, +en voornamelijk bestond uit stammen van boomen, in het naburige woud +geveld, en tegen het weder beschut door mos, met klei doormengd, +in de reten te stoppen. De stam van een jongen denneboom, van de +takken beroofd, waaraan, bij den top, kruiselings een stuk hout was +gebonden, was voor de deur opgericht, als een ruw zinnebeeld van het +heilige kruis. + +Op een kleinen afstand, aan de rechterhand, ruischte uit de rots eene +beek van het zuiverste water, dat opgevangen werd in een hollen steen, +tot eene ruwe kom uitgehouwen. Uit deze kom murmelde de beek naar +beneden over een bedding, die ze sedert lang uitgehold had, kronkelde +verder door het kleine dal, en verdween in het aangrenzende woud. + +Ter zijde van deze beek stonden de bouwvallen van een zeer kleine +kapel, waarvan het dak gedeeltelijk ingevallen was. In zijn geheel +was het gebouw niet meer dan zestien voet lang en twaalf voet breed, +en het dak, dat naar evenredigheid laag was, rustte op vier boven +samenloopende bogen, die zich uit de vier hoeken van het gebouw +verhieven, ieder ondersteund door eene korte dikke zuil. De zijden van +twee dezer bogen waren blijven staan, ofschoon het dak tusschen beide +was ingestort: over de beide andere bestond het nog in zijn geheel. De +ingang tot deze overoude plaats van godsvereering was door een zeer +lagen boog, versierd met verscheidene rijen van dat gevlamd loofwerk, +op haaientanden gelijkende, dat men dikwijls nog in oude Saksische +gebouwen ziet. Een torentje verhief zich boven den ingang op vier +dunne pilaren, en daarin hing de oude en verweerde klok, wier zwakke +tonen door den Zwarten Ridder eenigen tijd geleden gehoord waren. + +Het vreedzame en stille tooneel vertoonde zich in het zwakke +schemerlicht aan de oogen des reizigers, en voorspelde hem een goed +nachtverblijf, daar het vooral de plicht der kluizenaars was, die in +de wouden leefden, herbergzaamheid uit te oefenen jegens reizigers, +die door den nacht overvallen en verdwaald waren. + +Derhalve gaf de ridder zich geen tijd om de bijzonderheden, die wij +beschreven hebben, nauwkeurig op te nemen, maar den heiligen Julianus +(den beschermheilige der reizigers) dankende, dat hij hem in een +veilige haven gebracht had, sprong hij van zijn paard en klopte tegen +de deur der kluizenaarshut met zijn lans, om zich aan te melden, +en binnen gelaten te worden. + +Het duurde vrij lang, eer hij eenig antwoord kreeg; en het bescheid, +toen het eindelijk kwam, was ongunstig. + +"Ga voorbij, wie gij ook zijn moogt," klonk het antwoord, uitgesproken +met een diepe, schorre stem binnen in de hut, "en stoor den dienaar +van God en van den heiligen Dunstan niet in zijn avondgebed." + +"Eerwaarde vader," antwoordde de ridder, "hier is een arm reiziger, +die in het bosch verdwaald, u gelegenheid geeft, uwe menschlievendheid +en herbergzaamheid uit te oefenen." + +"Broeder," hernam de bewoner der kluis, "het heeft der Heilige Maagd +en den heiligen Dunstan behaagd, mij tot een voorwerp dezer deugden, +in plaats van tot een beoefenaar er van te bestemmen. Ik heb hier +geen levensmiddelen, welke zelfs een hond met mij zou willen deelen, +en een paard, aan eenige zorg en verpleging gewoon, zou mijn strooleger +verachten: zet daarom uw reis voort, en God geleide u!" + +"Maar," zei de ridder, "hoe is het mij mogelijk den weg te vinden door +zulk een bosch, in de naderende duisternis? Ik bid u, eerwaarde vader, +zoo gij een Christen zijt, uwe deur te openen, en mij ten minste den +weg te wijzen." + +"En ik bid u, lieve mede-Christen," hernam de kluizenaar, "mij niet +verder te storen. Gij hebt mij reeds belet één _pater_, twee _ave's_ +en een _credo_ te spreken, welke ik, ellendige zondaar, die ik ben, +volgens mijn gelofte moest hebben opgezegd, vóór het opkomen der maan." + +"Wijs mij den weg!--den weg!" schreeuwde de ridder, "indien ik dan +anders niet van u verkrijgen kan." + +"De weg," hernam de heremiet, "is gemakkelijk te vinden. Uit het +woud geleidt het pad naar een moeras, van daar naar een doorwaadbare +plaats, die misschien thans begaanbaar is, daar het weinig geregend +heeft. Als gij deze plaats doorwaad hebt, moet gij voorzichtig te voet +gaan langs den linker oever, wijl die op sommige plaatsen vrij steil +is, en het pad, dat boven de rivier hangt, is, naar ik gehoord heb +(want ik verlaat zelden mijne kapel), op sommige plekken, onlangs +ingezakt. Van hier gaat gij rechtuit tot--" + +"Een ingezakt pad--een afgrond--een doorwaadbare rivier, en een +moeras!" riep de ridder hem in de rede vallende.--"Heer kluizenaar, +al zijt ge de heiligste van allen, die ooit een baard droegen, +of een rozekrans baden, zult gij mij toch niet overhalen, om heden +dezen weg te volgen. Ik zeg u, dat gij, die van de liefdadigheid in +het land leeft, en naar ik veronderstel van eene slecht verdiende +liefdadigheid,--geen recht hebt een reiziger in den nood eene +schuilplaats te weigeren. Doe uwe deur spoedig open, of--bij het +Kruis,--ik sla ze in, en verschaf mij zelf ingang!" + +"Vriend reiziger," hernam de heremiet, "wees niet lastig; als +ge mij noodzaakt een vleeschelijk wapen te gebruiken te mijner +verdediging,--des te erger voor u!" + +Op dit oogenblik werd een dof geknor en geblaf, dat de reiziger reeds +eenigen tijd gehoord had, luid en hevig, en hieruit veronderstelde +de ridder, dat de kluizenaar, verontrust door zijn bedreiging van +zich met geweld een toegang te banen, de honden geroepen had uit het +binnenste van het hol, waarin zij opgesloten geweest waren, om hem +in zijne verdediging bij te staan. + +Verstoord over des kluizenaars voorbereiding ter handhaving van zijn +ongastvrijheid, schopte de ridder zoo geweldig tegen de deur, dat de +posten zoowel als de hengsels begonnen te wankelen. + +De kluizenaar, die zijn deur niet opnieuw aan een dergelijken aanval +wilde blootstellen, riep hard op: "Geduld, geduld!--spaar uwe krachten, +goede reiziger, en ik zal de deur dadelijk openen, ofschoon het u +misschien weinig genoegen verschaffen zal." + +De deur werd dus geopend en de heremiet, een groot, forsch man, +stond voor den ridder in een haren kleed en kap, met een biezen touw +vastgemaakt. In de eene hand hield hij een brandende fakkel, en in +de andere een knuppel van een wilden appelboom, zoo dik en zwaar, +dat men die met recht een knots had kunnen noemen. Twee groote, ruige +honden, half windhond, half bulhond, stonden gereed om den reiziger +aan te vallen, zoodra de deur open was. Maar, toen de fakkel op den +hoogen helm en gouden sporen des ridders flikkerde, die nog buiten +stond, beteugelde de heremiet,--waarschijnlijk zijn eerste voornemen +opgevende,--de woede zijner honden, en met een boersche hoffelijkheid, +noodigde hij den ridder uit, zijne woning binnen te treden, en haalde +als verontschuldiging voor zijne onwilligheid om na zonsondergang te +openen, de menigte roovers en vrijbuiters aan, die zich in het bosch +bevonden, en geen eer bewezen aan de Heilige Maagd, aan St. Dunstan, +of aan de heilige mannen, die hun leven in hunnen dienst sleten. + +"De armoede uwer cel, goede vader," zei de ridder, rondziende en +niets bespeurende dan een bed van bladeren, een crucifix, ruw uit +eikenhout gesneden, een misboek, een lompe tafel, twee stoelen, +en een paar grove stukken huisraad,--"de armoede uwer cel schijnt +een genoegzame waarborg tegen eenig gevaar van dieven, om niet te +spreken van de hulp van twee getrouwe honden, sterk genoeg, naar het +mij toeschijnt, om een hert ter neder te werpen, en bijgevolg ook, +om hun krachten tegen een mensch te beproeven." + +"De brave houtvester van dit woud," zei de heremiet, "heeft mij +het gebruik dezer dieren toegestaan, om mij in mijne eenzaamheid te +verdedigen, tot de tijden veiliger worden." + +Na dit gezegd te hebben, plaatste hij de fakkel in een krom gebogen +stuk ijzer, dat hem tot kandelaar diende, en den eiken drievoet voor +de asch van het vuur zettende, dat hij met wat droog hout opwakkerde, +zette hij een stoel aan één kant der tafel en verzocht zijn gast er +een aan den anderen kant te plaatsen. + +Zij gingen zitten, en staarden elkander zeer ernstig aan; terwijl +ieder bij zich zelven dacht, dat hij zelden een sterkere en meer +gespierde gestalte gezien had, dan die welke nu tegenover hem zat. + +"Eerwaarde heremiet," zei de ridder, nadat hij zijn gastheer een +tijd lang, strak aangezien had, "indien ik niet vreesde, uwe heilige +overdenkingen te storen, zou ik gaarne drie dingen van uwe heiligheid +willen weten: ten eerste, waar moet ik mijn paard laten?--ten tweede, +wat kan ik tot mijn avondmaal bekomen?--ten derde, waar zal ik mij +nederleggen van nacht?" + +"Ik zal het u met mijn vinger beantwoorden," zei de kluizenaar, +"want het is tegen mijn regel, woorden te gebruiken, als teekens +voldoende zijn ter bereiking van mijn oogmerk." Dit zeggende wees +hij naar twee hoeken der hut. "Uw stal," zei hij, "is dáár--uw bed +dáár," en hem een houten schotel met een paar handen vol droge erwten, +over de tafel toereikende, voegde hij er bij: "uw avondmaal is hier." + +De ridder haalde de schouders op, en de hut verlatende, haalde hij zijn +paard, dat hij aan een boom had vastgebonden, naar binnen, ontzadelde +het zorgvuldig en spreidde zijn eigen mantel op den vermoeiden rug +van het dier uit. + +De heremiet scheen eenigszins getroffen door de zorgvuldigheid +en handigheid, die den vreemdeling toonde in de behandeling van +zijn paard; want, terwijl hij iets mompelde over voeder, voor des +houtvesters paard achtergelaten, haalde hij uit een donkeren hoek +een bundel hooi, dat hij des ridders strijdros voorwierp, en terstond +daarop spreidde hij een menigte droog varenkruid in den hoek, dien hij +tot slaapplaats voor zijn gast bestemd had. Deze bedankte hem voor +zijne beleefdheid; en beide namen weder plaats aan de tafel, waarop +de houten schotel met erwten tusschen hen stond. Nadat de heremiet +een lang gebed had uitgesproken, dat eens Latijn geweest was, maar +waarin van de oorspronkelijke taal, behalve een paar deftige uitgangen +van een woord en volzin, weinige sporen waren overgebleven, gaf hij +zijn gast een voorbeeld, door in een zeer grooten mond, met tanden +voorzien, welke met die van een everzwijn in scherpte en witheid konden +wedijveren, zediglijk drie of vier droge erwten te steken, een ellendig +maalsel, naar het scheen, voor een zoo grooten en stevigen molen. + +Om een zoo loffelijk voorbeeld te volgen, legde de ridder zijn helm, +zijn borstharnas en het grootste gedeelte zijner wapenrusting af, +en de heremiet zag een hoofd voorzien met zware, blonde lokken, +sprekende gelaatstrekken, blauwe, zeer helder schitterende oogen, +een welgevormden mond, welks bovenlip met een knevel prijkte, van +donkerder kleur dan het hoofdhaar;--in één woord een man wiens geheele +gelaat een stoutheid, onversaagdheid en ondernemenden geest aan den +dag legde, waarmede zijn forsche gedaante zeer goed overeenstemde. + +Alsof hij het vertrouwen van zijn gast wilde beantwoorden, schoof +de kluizenaar zijn kap terug, en vertoonde het kogelrond hoofd van +een man in den bloei des levens. Zijn kaal geschoren kruin, door +een krans van stijf zwart haar omgeven, geleek eenigszins op eene +ronde schapenkooi, met een hooge heg. De gelaatstrekken getuigden +noch van kloosterlijke gestrengheid noch van lange ontbering: +het was integendeel een stout, vrijpostig gelaat, met groote, +zwarte wenkbrauwen, een welgevormd voorhoofd, en wangen--zoo bol +en rood als die van een trompetter--waaraan een lange zware baard +nederhing. Zulk een gelaat en de gespierde gestalte des heiligen mans +spraken eerder van vet gebraad, dan van droge erwten en boonen. Deze +tegenstrijdigheid ontging den gast niet. Nadat hij met groote +moeite een mondvol droge erwten gekauwd had, vond hij het volstrekt +noodzakelijk, zijn heiligen gastheer te verzoeken hem eenigen drank +te verschaffen; deze beantwoordde aan zijn bede, door een groote kan, +met het zuiverste bronwater gevuld, voor hem te plaatsen. + +"Het is uit St. Dunstans bron," zei hij, "in welke hij tusschen +zons op- en ondergang vijfhonderd heidensche Denen en Britten +doopte,--gezegend zij zijn naam!" Zijn zwarten baard hierop tegen +de kruik drukkende, nam hij een veel matiger teug, dan zijn lofrede +scheen te voorspellen. + +"Het schijnt mij toe, eerwaarde vader!" zei de ridder, "dat het +weinige, dat gij eet, met den heiligen, maar eenigszins dunnen drank, +u verwonderlijk wel bekomt. Gij schijnt geschikter om den prijs te +winnen in het worstelperk, of met knuppel of zwaard, dan om uw tijd +te slijten in deze eenzame wildernis, met het opzeggen van missen,--en +om van droge erwten en koud water te leven." + +"Heer ridder," antwoordde de kluizenaar, "uwe gedachten zijn die +van een onkundigen leek, die naar den vleesche oordeelt. Het heeft +der Heilige Maagd en mijn beschermheilige behaagd, het geringe, +waartoe ik mij zelven bepaal, te zegenen, evenals de vruchten en +het water gezegend werden bij de jongelingen Sadrach, Mesach en +Abednego, die zich met deze spijzen liever vergenoegen wilden, dan +zich bezoedelen met de wijnen en het vleesch, hun door den koning +der Saracenen toegedeeld." + +"Heilige man," zei de ridder, "op wiens gelaat het den hemel behaagd +heeft zulk een wonder te verrichten, sta een armen, zondigen leek toe, +naar uw naam te vragen?" + +"Gij kunt mij den geestelijke van Copmanshurst noemen," antwoordde de +heremiet; "want onder dezen naam ben ik in deze streken bekend.--Men +voegt er wel is waar, den bijnaam van _heilig_ bij, maar hierop ben ik +niet gesteld, want ik ben dezen eeretitel onwaardig.--En nu, dappere +ridder, mag ik u verzoeken, mij ook den naam van mijn geëerden gast +te zeggen?" + +"Waarlijk," zei de ridder, "heilige heer van Copmanshurst, men noemt +mij in deze streken den Zwarten Ridder,--en velen voegen er den +bijnaam van den Luiaard bij; maar ik ben er ook niet erg op gesteld, +om aldus onderscheiden te worden." + +De heremiet kon zich nauwelijks van een glimlach onthouden over het +antwoord van zijn gast. + +"Ik zie," zei hij, "mijnheer de ridder, dat gij een bedachtzaam en +voorzichtig man zijt, en bovendien zie ik, dat mijn arm, kloosterlijk +onthaal u niet behaagt, daar gij aan de losbandigheid der hoven en +legerplaatsen, en aan de weelde der steden gewend zijt; en nu schiet +het mij te binnen, mijnheer de Luiaard, dat, toen de liefdadige +houtvester van dit woud, tot mijne bescherming, deze honden met dezen +bundel voêr hier liet, hij ook eenig voedsel heeft achtergelaten; maar, +daar het tot mijn gebruik ongeschikt is, was mij zelfs de herinnering +er aan, onder overdenkingen van meer ernstigen aard ontschoten." + +"Ik had er een eed op durven doen," zei de ridder; "sedert gij uw kap +aflegdet, eerwaarde vader, was ik overtuigd, dat er beter voedsel in uw +cel was.--Een boschwachter is altijd een vroolijke gast; en niemand die +uwe kiezen worstelen zag tegen deze erwten, terwijl uw keel afgespoeld +werd door dit weinig bekoorlijk element, zou u veroordeeld kunnen +zien tot dit paardenvoedsel en dezen paardendrank,"--(op den voorraad +op tafel wijzende)--"en zich onthouden van uw lof te verbeteren.--Kom +aan, toon ons dus zonder uitstel wat de goede boschwachter u verschaft +heeft!" + +De kluizenaar wierp een veelbeteekenenden blik op den ridder, waarin +een komieke uitdrukking van twijfeling lag, alsof hij onzeker was, +in hoever het voorzichtig zou wezen zijn gast te vertrouwen. Er +lag, echter, op des ridders trekken zooveel gulle openhartigheid, +als men bij mogelijkheid kon begeeren. Zelfs zijn glimlach had +iets onwederstaanbaar opgeruimds, en gaf blijken van trouw en +rechtschapenheid, die zijn gastheer niet nalaten kon op te merken. + +Nadat zij, zonder te spreken, een paar blikken gewisseld hadden, ging +de heremiet naar het voorste gedeelte der hut, en opende een deurtje, +dat met veel zorg en eenigszins kunstig verborgen was. Uit de hoeken +van een donker kastje, waartoe deze opening toegang verschafte, haalde +hij een groote pastei, op een tinnen bord, van buitengewone grootte, +te voorschijn. Dezen ontzaggelijken schotel plaatste hij voor zijn +gast, die, zich van zijn dolk bedienende, om de korst open te snijden, +geen oogenblik verzuimde om zich met den inhoud bekend te maken. + +"Hoe lang is het geleden, dat de goede boschwachter hier geweest +is?" zei de ridder, nadat hij gretig verscheidene brokken van deze +vermeerdering van het gastmaal had verslonden. + +"Omtrent twee maanden," antwoordde de kluizenaar dadelijk. + +"Bij den Hemel," antwoordde de ridder, "alles in uw kluis is vol +wonderen, heilige man; want ik zou er een eed op hebben gedaan, dat +de vette reebok, die dit wildbraad heeft opgeleverd, deze week nog +door het woud geloopen heeft." + +De heremiet was eenigermate uit het veld geslagen door deze aanmerking, +en hij zette een bedroefd gelaat, terwijl hij op de vermindering van +de pastei staarde, waarin de ridder verschrikkelijke verwoestingen +aanrichtte; een heldendaad, die zijn gastheer, wegens zijn vorige +belijdenis van onthouding, geen voorwendsel had om hem na te volgen. + +"Ik ben in Palestina geweest, eerwaarde vader," zei de ridder, +eensklaps ophoudende, "en ik herinner mij, dat het dáár de gewoonte +is, dat ieder, die een gast onthaalt, hem van de degelijkheid zijner +spijzen overtuigt, door ze met hem te deelen. Verre zij het van mij, +van zulk een heilig man als gij zijt, iets te vermoeden, dat met de +gastvrijheid strijdig ware; gij zoudt mij echter zeer verplichten, +door u naar deze Oostersche gewoonte te schikken." + +"Om uw onnoodige ongerustheid te verdrijven, heer ridder, wil ik +ditmaal van mijn regel afwijken," zei de kluizenaar. En daar men in die +tijden nog geen vorken had, greep hij met de vingers oogenblikkelijk +in de ingewanden der pastei. + +Nu het ijs der plichtplegingen eenmaal gebroken was, scheen het een +tweestrijd tusschen den gast en den gastheer, wie van beiden den besten +eetlust zou toonen; en ofschoon de eerste waarschijnlijk langer gevast +had, liet de heremiet hem evenwel ver achter zich. + +"Heilige man," zei de ridder, toen zijn honger gestild was, "ik zou +mijn goed paard, dat ginds staat, tegen een _zechien_ durven zetten, +dat dezelfde beleefde boschwachter, aan wien wij dit wildbraad te +danken hebben, u een slok wijn, of een vaatje sek, of eene kleinigheid +van dien aard achtergelaten heeft, om deze pastei af te spoelen. Deze +omstandigheid zou zonder twijfel niet waard zijn in het geheugen +van een zoo strengen kluizenaar bewaard te worden; echter denk ik, +dat gij zien zult, dat ik in mijn vermoeden niet dwaal, indien gij +gindsche geheime bergplaats nog eens doorsnuffelen wildet." + +De kluizenaar antwoordde slechts met een glimlach, en naar het kastje +terugkeerende, haalde hij een lederen wijnzak te voorschijn, die +ongeveer driemaal zoo groot was als een gewone kruik. Hij kreeg ook +twee groote drinkbekers, uit de horens van een wilden stier gemaakt, +en met zilver beslagen. Nadat hij dezen schoonen voorraad voor den +dag gehaald had, scheen hij van zijn kant geene plichtplegingen meer +noodig te achten; maar, nadat hij de beide bekers gevuld had, zeide +hij, naar de Saksische wijze: "_Waes hael_, (op uw welzijn!) heer +ridder!" en ledigde zijn glas in eene teug. + +"_Drink hael_, heilige man van Copmanshurst!" antwoordde de krijgsman, +zijn gastheer met een even vollen beker bescheid doende. + +"Eerwaarde heer," zei de vreemdeling, na den eersten beker geledigd +te hebben, "het verwondert mij ten hoogste, dat een man, die zulke +kracht en spieren bezit als gij, en die daarenboven zulk een vriend +van goede sier schijnt, er behagen in schept, zich in deze wildernis +af te zonderen. Volgens mijn oordeel, zijt gij geschikter een kasteel +of een sterkte te helpen bezetten,--van het vette des lands te eten +en te drinken, dan om hier van groenten en water, of zelfs van de +liefdadigheid des boschwachters te leven. In uwe plaats, zou ik mij ten +minste zoowel tijdverdrijf als overvloed verschaffen met des Konings +wild. In deze bosschen zijn vele schoone herten; en eene enkele ree, +ten gebruike van St. Dunstans volgeling, zou niet gemist worden." + +"Mijnheer de ridder," hernam de geestelijke, "dit zijn gevaarlijke +woorden en ik bid u, onthoud u er van. Ik ben een heremiet, een +getrouwe dienaar van den Koning en van de wetten, en indien ik mijns +Vorsten wild roofde, zou ik zeker in de gevangenis komen, en, als mijn +geestelijk gewaad mij niet redde, zou ik zelfs in gevaar verkeeren +van opgehangen te worden." + +"En toch, zou ik, in uwe plaats," zei de ridder, "eene wandeling in +het maanlicht doen, als de houtvesters en boschwachters warm te bed +liggen; en terwijl ik mijn gebeden prevelde,--zou ik een pijl tusschen +de kudden wild laten vliegen, die op de open plaatsen weiden.--Zeg +mij de waarheid, heilige man, hebt gij dit genoegen nooit gesmaakt?" + +"Vriend ridder," antwoordde de heremiet, "gij hebt alles van mijne +huishouding gezien, wat u kan aangaan, en zelfs iets meer dan een +man verdient te zien, die zich met geweld opgedrongen heeft. Geloof +mij, het is beter, het goede te genieten, dat God u zendt, dan met +onbeschaamde nieuwsgierigheid te vragen, vanwaar het komt. Vul uw +beker, en wees welkom; en noodzaak mij niet, bid ik u, door verdere +onbeschaamde vragen, om u te toonen, dat het u moeielijk zou gevallen +zijn hier een verblijf te vinden, als ik mij er ernstig tegen had +willen verzetten." + +"Op mijn woord," zei de ridder, "gij maakt mij nieuwsgieriger dan +ooit! Gij zijt de geheimzinnigste kluizenaar, dien ik ooit ontmoette; +en ik moet u nader leeren kennen, eer wij scheiden. Wat uw bedreigingen +aangaat, heilige man, verneem, dat gij met iemand spreekt, die er zijn +beroep van maakt, het gevaar te zoeken, overal waar het te vinden is." + +"Mijnheer de Luiaard, ik drink u toe," zei de heremiet, "met veel +eerbied voor uw dapperheid, maar met bedroefd weinig achting voor uwe +bescheidenheid. Als gij het met gelijke wapenen tegen mij opnemen +wilt, zal ik u in alle vriendschap en broederlijke liefde een zoo +voldoende boete opleggen, en zoo volkomen absolutie geven, dat gij +in de eerste twaalf maanden niet weder zult bezondigen aan overdreven +nieuwsgierigheid." + +De ridder deed hem bescheid, en verzocht hem te zeggen, welk wapen +hij verkoos te gebruiken. + +"Er zijn er geene," hernam de heremiet, "van Delila's schaar en Jaëls +tienduims spijker, tot aan Goliaths slagzwaard toe, waarmede ik niet +tegen u bestand ben;--maar dewijl gij mij de keus laat, wat dunkt u, +vriend, van dit speelgoed?" + +Dit zeggende, opende hij een ander hok, en nam er twee zwaarden +en twee schilden uit, van de soort, die toen bij de landlieden in +gebruik waren. De ridder, die zijne bewegingen bespiedde, bespeurde, +dat deze tweede bergplaats voorzien was van twee of drie goede bogen, +een handboog, een bundel lange pijlen voor de eersten, en een half +dozijn bundels kleinere pijlen voor den laatste. Een harp, en andere +zaken van zeer wereldsch aanzien, werden insgelijks zichtbaar, toen +deze duistere hoek geopend werd. + +"Ik beloof u, heilige man," zei de ridder, "dat ik u geene beleedigende +vragen meer zal doen. De inhoud van deze kast is een voldoend antwoord +op al mijne vragen; en hier zie ik een wapen," (zich bukkende om +de harp op te nemen), "waarmede ik liever mijn kracht tegen u wil +beproeven, dan met zwaard en schild." + +"Ik hoop, heer ridder," zei de kluizenaar, "dat gij geene gegronde +reden hebt gegeven tot uw bijnaam van Luiaard? Ik verzeker u, dat +ik u zeer sterk verdenk. Maar gij zijt mijn gast, en tegen wil en +dank, wil ik uwe dapperheid niet op de proef stellen. Ga dus zitten, +en vul uw beker; laat ons drinken, zingen en vroolijk zijn. Als gij +maar een mooi liedje kent, zult gij te Copmanshurst welkom zijn op een +stuk pastei, zoo lang ik in de kapel van St. Dunstan dienst doe, dat, +indien het God behaagt, zoolang zal zijn, tot ik mijn grijs gewaad met +een dekmantel van groene zoden verwissel. Maar komaan, vul den beker; +want er zal eenige tijd toe vereischt worden om de harp te stemmen; +en niets smeert de keel en scherpt het gehoor zoo goed, als een teug +wijn. Wat mij aangaat, ik houd er veel van, om het druivensap tot in +de toppen mijner vingers te gevoelen, eer ze de snaren aanraken." + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + + 'k Ontsluit in gindschen stillen hoek + Des avonds 't zwaar gekoperd boek, + Waarin zoo menig heilge daad + Van vrome martelaren staat; + En dreigt mijn lamplicht uit te gaan, + 'k Hef, voor ik slaap een lofzang aan. + . . . . . . . . . . . . . . . + Wie legt ook voor mijn kleed en staf + Niet gaarne 's wereld glorie af, + En geeft niet ver mijn stille kluis + De voorkeur, boven 't aardsch gedruisch? + + Warton. + + +Niettegenstaande het voorschrift van den vroolijken kluizenaar, +waarmede zijn gast van harte instemde, vond deze het geen gemakkelijke +taak, om de harp te stemmen. + +"Het komt mij voor, eerwaarde vader," zei hij, "dat er ééne snaar aan +het instrument ontbreekt, en dat de overigen eenigszins bedorven zijn +door een slecht spel." + +"Ei, ei, merkt gij dat nu al?" hernam de heremiet; "dat verraadt +den meester in de kunst. Wijn en goede sier!" voegde hij er ernstig +bij, de oogen opslaande:--"Dit alles is de schuld van den wijn! Ik +waarschuwde Allen-a-Dale, den noordschen speelman, dat hij de harp zou +beschadigen, indien hij ze na den zevenden beker aanraakte; maar hij +wilde zich niet laten gezeggen:--Vriend, op uw gelukkige uitvoering!" + +Dit zeggende, ledigde hij den beker met veel deftigheid, tevens het +hoofd schuddende over de onmatigheid van den Schotschen speelman. + +Intusschen had de ridder de snaren zoowat gestemd, en na een kort +voorspel, vroeg hij zijn gastheer of hij een _sirvente_ in de taal +van _Oc_, of een _Lai_ in de taal van _Oui_, of een _Ballade_, in +gewoon Saksisch, verlangde? [18] + +"Een ballade, een ballade," zei de heremiet, "boven al de _Ocs_ +en _Ouis_ van Frankrijk. Ik ben een oprecht Brit, heer ridder! en +oprecht Engelsch was mijn patroon St. Dunstan, en hij verachtte _Oc_ +en _Oui_ evenzeer als hij den afval van des duivels hoef zou veracht +hebben;--oprecht Saksisch alleen zal in mijn cel gezongen worden." + +"Dan zal ik," zei de ridder, "een ballade beproeven, door een +Saksischen zanger, dien ik in het Heilige Land kende, gedicht." + +Het bleek weldra, dat, ofschoon de ridder geen volkomen meester was +in de toonkunst, zijn smaak ten minste door een goeden leeraar was +aangekweekt. Zijn stem, die van weinig omvang was, en van natuur +eerder ruw dan zacht, was door oefening buigzaam en welluidend +geworden,--kortom, de kunst had alles aangewend, om in de gebreken +der natuur te voorzien. Zijn uitvoering had dus door meer bevoegde +rechters dan de kluizenaar kunnen geprezen worden, te meer daar de +ridder beurtelings met een geestdrift en een gevoel zong, die den +verzen, die hij voordroeg, kracht en nadruk bijzetten. + + + DES KRUISRIDDERS TERUGKOMST. + + De ridder was beroemd, vereerd, + Uit Palestina weergekeerd; + Het kruisbeeld raakte in storm en strijd + Op d' armband glans en luister kwijt; + Zijn schild getuigde in beuk en bocht + Hoe menig vijand hij bevocht; + Hij zong voor Tekla's venster thans + Dit minnelied bij d' avondglans:-- + + Gegroet, o Schoone! aanschouw uw held, + Van 't Heilig Land tot u gesneld; + Hij brengt geen rijkdom, hem niets waard; + Alleen zijn wapens, spoor en paard, + Om naar den vijand heen te snellen, + Zijn lans en zwaard, hem neer te vellen, + Zijn de eereteekens van zijn moed, + En o!--de hoop op Tekla's gloed. + + Gegroet, o Schoone! uw gunstig woord + Heeft steeds uw ridder aangespoord; + Zij dan uw naam alom vermaard, + Waar 't puik der vrouwen ook vergaart; + Heraut en 's minnezangers lied + Vraagt: Ziet ge gindsche Schoone niet? + De zege is t' Askalon behaald, + Voor 't licht, dat uit haar oogen straalt. + + Het staal, eens door haar lach gewet, + Heeft ook, in spijt van Mahomet, + Iconiums Sultan neergehouwen, + Verweduwd meer dan vijftig vrouwen; + Van 't goudgeel haar geen enkel, neen! + Hoe 't golft, in weeldrigen overvloed, + Om 't zilver van haar boezem heen, + Waarvoor geen heiden heeft gebloed. + + Gegroet, o Schoone! U dank ik naam, + En elke daad van roem en faam: + Ontsluit de poort, 't is laat, 't is guur, + De nevel valt in 't nachtlijk uur, + Mijn lijf door Syrië's zon verbrand, + Weerstaat geen kou van 't Noorderland; + Ik breng u roem, verzacht uw zin, + Verblijd mijn hart door wedermin. + + +Onder de uitvoering van dit stuk gedroeg zich de kluizenaar vrij wel +als een hedendaagsche _criticus_ van den eersten rang bij eene nieuwe +opera. Hij legde zich achterover op zijn stoel, met halfgesloten oogen: +nu eens de handen vouwende en de duimen tegen elkander wrijvende, +scheen hij in aandacht verzonken, en dan weer, de uitgestrekte +handen bewegende, sloeg hij zachtjes de maat der muziek. Bij een of +twee schoone passages verleende hij zelf een weinig hulp, waar des +ridders stem niet krachtig genoeg scheen, om de hooge tonen zoo uit +te brengen, als volgens zijn wijs oordeel noodig was. Toen de ridder +zweeg, verklaarde de heremiet nadrukkelijk, dat hij schoon en goed +gezongen had. + +"En echter," zei hij, "komt het mij voor, dat mijn Saksische +landsman lang genoeg onder de Normandiërs heeft verkeerd, om in den +zwaarmoedigen toon hunner liederen te vallen. Wat riep den eerlijken +ridder van huis? En wat kon hij anders verwachten, dan bij zijne +terugkomst zijn jonkvrouw gelukkig met een mededinger verbonden, en +zijne _serenade_ even weinig geëerbiedigd te zien, als het geschreeuw +eener kat op het huisdak? Evenwel, Heer ridder! ik breng u dezen beker +toe, op den goeden uitslag van alle trouwe minnaars;--ik vrees, dat +gij daar niet onder behoort!" voegde hij er bij, toen hij zag dat de +ridder (wiens brein door de herhaalde teugen begon verhit te worden), +zijn beker uit de waterkruik aanvulde. + +"Waarom?" zei de ridder; "Hebt gij mij niet gezegd, dat dit water +uit de bron van uwen beschermheilige, St. Dunstan, was?" + +"Wel zeker," hernam de kluizenaar, "en eenige honderd heidenen heeft +hij er in gedoopt; maar ik heb nooit gehoord, dat hij er van gedronken +heeft. Ieder ding in de wereld heeft zijn nut. St. Dunstan kende, +zoo goed als iemand, de voorrechten van een lustigen monnik." + +En dit zeggende, nam hij de harp, en onthaalde zijn gast op het +volgende karakteristieke lied, op de wijze van een oud Engelsch gezang, +met een soort van _derrydown_ koor. [19] + + + DE BARREVOETER MONNIK. + + Ik geef u, mijn vriend! twalef maanden ten beste, + Doorzoek heel Europa van het Oost tot het Westen, + Neen, niemand vindt elders, hij zoek wat hij kan, + Dan den Barvoeter Monnik gelukkiger man. + + Getogen ten strijd voor geliefde en voor de eer, + Keert 's avonds uw ridder verwond door de speer, + Dan haastig gebiecht; voor hem vindt zijn getrouwe + Bij den Barvoeter Monnik slechts heul in haar rouwe. + + Uw koning? O he!--van zoo menig ik weet, + Die 't purper verruilde voor 't harige kleed; + Maar 'k vraag u, wie hoorde het ooit in zijn leven, + Dat een Monnik zijn kap voor een kroon heeft gegeven? + + De wereld doorkruist hij, en waar hij verschijne, + Het vette der aarde blijft immer het zijne, + Zoo doolt hij naar lust en vermoeit hem de reis, + Voor den Barvoeter openen zich hut en paleis. + + Ter maaltijd verwacht, zal geen bengel het wagen, + Zijn armstoel te ontwijden, naar het beste te vragen, + De hoofdschotel blijft en de plaats bij den haard + Onbetwist, voor den Barvoeter Monnik bewaard. + + Des avonds te gast, haalt de vrouw de pastei + En vult hem de bierkruik en schotel daarbij, + En, moest ook haar man in de modder zich keeren, + Zal de Barvoeter Monnik geen peluw ontberen. + + Sandaal dan en koord en kap ga het wel; + 't Geloof aan den Paus en de vrees voor de Hel; + Want rozen op aard, zonder doornen te plukken, + Mag alleen aan den Barvoeter Monnik gelukken. + + +"Op mijn woord," zei de ridder, "goed en krachtig gezongen, en zeer +tot roem van uw orde. Maar, van den duivel gesproken, heilige man, +vreest gij niet, dat hij eens een bezoek bij u zal afleggen, te midden +uwer zeer wereldsche vermaken?" + +"Ik wereldsch!" antwoordde de heremiet; "ik ontken het,--ik +loochen het geheel en al! Ik doe behoorlijk en trouw dienst in mijne +kapel. Dagelijks twee missen; 's morgens en 's avonds,--vroegdienst, +namiddagdienst en vesper, _ave's_, _credo's_, _pater's_." + +"Uitgezonderd in de maanlichte nachten, in den jachttijd," zei +zijn gast. + +"_Exceptis excipiendis_," hernam de heremiet, "zooals onze oude abt +mij leerde zeggen, als de een of andere onbeschaamde leek mij vroeg, +of ik alle plichten mijner orde vervulde." + +"Goed zoo, eerwaarde vader," zei de ridder, "maar de duivel is in +staat, een oog te houden op zulke uitzonderingen; hij gaat rond, +gelijk gij weet, als een brieschende leeuw." + +"Laat hem maar hier komen, als hij durft," zei de monnik, "één +slag met mijn touw zal hem even luid doen brullen, als de tang +van St. Dunstan zelven. Ik vreesde nooit een menschelijk wezen, +en even weinig vrees ik den duivel en zijn makkers.--Met behulp van +St. Dunstan, St. Dubric, St. Winibald, St. Winifred, St. Swibert, +St. Willick, St. Thomas-a-Kent niet te vergeten, en mijn eigene +geringe verdiensten, daag ik alle duivels uit, met of zonder staart, +laat ze maar vrij komen!--Maar om u een geheim te zeggen, vriend, +ik spreek nooit over zulke onderwerpen dan na den vroegdienst." + +Hij bracht het gesprek op een ander onderwerp; de vreugde werd +luidruchtig en onstuimig, en menig liedje werd beurtelings door hen +gezongen, tot hunne nachtelijke uitspanning gestoord werd door een +hard geklop aan de deur van de kluis. + +De oorzaak dezer stoornis kunnen wij niet anders verklaren, dan door +het verhaal der lotgevallen van eenige andere onzer personaadjes +weder op te vatten; want wij stellen er geen eer in, evenmin als de +oude Ariosto, om steeds dezelfde personen van ons drama gezelschap +te houden. + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + + Nu slingert onze tocht door diepe kloof en dalen, + Waar reeën dartelend' bij haar schuwe moeders dwalen, + De hooge en statige eik zijn takken overhangt, + Wiens breed gevormde kruin het daglicht ondervangt. + Kom haastig, haastig voort: 't zijn liefelijke wegen + Zoo lang de lieve zon is op haar troon gestegen; + Maar minder aangenaam en veilig, als de maan + Haar twijfelachtig licht werpt door de donkre blaân. + + Het Woud van Ettrick. + + +Toen Cedric de Sakser zijn zoon bewusteloos in het strijdperk +te Ashby zag nedervallen, was zijn eerste natuurlijke opwelling, +hem der oppassing en zorg zijner bedienden aan te bevelen; maar de +woorden bleven hem in de keel. Hij kon er niet toe besluiten, om in +tegenwoordigheid van zulk gezelschap, zijn zoon, dien hij verstooten +en onterfd had, weder aan te nemen. Echter beval hij Oswald hem in +het oog te houden en zond den schenker met twee zijner lijfeigenen +om Ivanhoe naar Ashby te brengen, zoodra de menigte verstrooid zou +zijn. Maar iemand anders was Oswald in deze zorg voor geweest. De +menigte ging wel uiteen; maar de ridder was nergens te zien. + +Te vergeefs zocht Cedric's schenker naar zijn jongen meester:--hij +zag de bebloede plek, waar hij kort te voren was nedergezonken, maar +hij zelf was niet meer te vinden; het was alsof men hem door tooverij +had weggevoerd. Misschien zou Oswald zoo iets verondersteld hebben +(want de Saksers waren zeer bijgeloovig), om Ivanhoe's verdwijning te +verklaren, ware niet plotseling zijn oog gevallen op iemand, in de +kleeding van een schildknaap, in wien hij weldra zijn dienstmakker +Gurth herkende. Vol zorg over het lot van zijn meester, en wanhopig +over zijne plotselinge verdwijning, zocht hem de vermomde zwijnenhoeder +overal, en had dus de geheimhouding van zijne rol, waaraan zijn eigene +veiligheid afhing, uit het oog verloren. Oswald achtte het zijn +plicht Gurth in verzekerde bewaring te nemen, als een vluchteling, +over wiens lot zijn meester beslissen moest. + +Zijne nasporingen aangaande Ivanhoe's lot vervolgende, kon de schenker +geen ander bericht dienaangaande van de omstanders verkrijgen, dan +dat de ridder door zekere welgekleede bedienden zorgvuldig opgenomen, +op een draagbaar geplaatst, die aan eene dame onder de toeschouwers +toebehoorde, en oogenblikkelijk uit het gedrang weggevoerd was. Na deze +opheldering ontvangen te hebben, besloot Oswald tot zijn meester terug +te keeren, om hem zelf verdere nasporingen te laten doen, terwijl +hij Gurth, dien hij als overlooper uit Cedric's dienst beschouwde, +medevoerde. + +De Sakser was in grooten angst over het lot van zijn zoon geweest; +want de natuur had hare rechten, in weerwil van het stoïcisme, +hetwelk die verloochenen wilde, gehandhaafd. Maar nauwelijks had hij +vernomen dat Ivanhoe in goede handen was,--en waarschijnlijk in die +van vrienden,--of de vaderlijke angst, door het onzekere van zijn +lot opgewekt, week voor het gevoel van beleedigden hoogmoed, en voor +de herinnering aan hetgeen hij Wilfrids kinderlijke ongehoorzaamheid +noemde. "Men late hem aan zijn lot over," zei hij; "mogen diegenen +zijne wonden genezen, voor wie hij ze ontvangen heeft. Hij is beter +geschikt, om de dwaasheden der Normandische ridderschap na te volgen, +dan om den roem en de eer zijner Saksische voorouders met het zwaard +en den knots, de goede oude wapens van zijn vaderland, te handhaven." + +"Als het genoeg is," zei Rowena, die tegenwoordig was, "de eer zijner +voorouders te handhaven, door wijs te zijn in raad, en moedig in +de daad,--door de stoutste onder de stouten, en de edelste onder de +edelen te zijn; dan ken ik niemand, behalve zijn vader"-- + +"Stil, Rowena!--over dit onderwerp alleen, wil ik u niet +aanhooren. Maak u gereed voor het feest van den Prins; wij zijn +genoodigd met buitengewone bewijzen van eer en hoffelijkheid,--die de +hooghartige Normandiërs, sedert den noodlottigen slag bij Hastings, +zelden jegens ons geslacht bezigden. Ik zal gaan, al ware het slechts +om de trotsche Normandiërs te toonen, hoe weinig het lot van een zoon, +die de dappersten hunner kan verslaan, den Sakser kan aandoen." + +"Ik ga niet daarheen," zei Rowena; "en ik bid u neem u in acht, opdat, +wat gij moed en standvastigheid noemt, u niet als ongevoeligheid van +hart worde toegerekend." + +"Blijf dan te huis, ondankbare," antwoordde Cedric; "gij hebt een +ongevoelig hart, dat het welzijn van een onderdrukt volk aan eene +ijdele en onverstandige liefde kan opofferen. Ik wil mij bij den +edelen Athelstane vervoegen, en met hem het gastmaal van Jan van +Anjou bijwonen." + +Hij ging dus naar het feest, waarvan wij de voornaamste gebeurtenissen +hebben vermeld. Zoodra zij het kasteel verlaten hadden, stegen +de Saksische _Thanes_ met hun gevolg te paard en onder de drukte, +die hiermede gepaard ging, viel Cedric's oog voor het eerst op den +overlooper Gurth. De edele Sakser had, gelijk wij gezien hebben, in +geen zeer zachte gemoedsstemming het feest verlaten, en het ontbrak hem +slechts aan een voorwendsel, om zijn verdriet op iemand uit te storten. + +"De boeien!" riep hij uit, "de boeien!--Oswald!--Hundibert!--Honden +en schurken! waarom laat gij den schelm ongeketend?" + +Gurths makkers bonden hem met een halster, het eerste, wat zij bij +de hand hadden, zonder dat iemand het waagde een woord voor hem in te +brengen. Hij onderwierp zich zonder tegenstand; maar een verwijtenden +blik op zijn meester vestigende, zei hij: "Dat komt er van, dat ik +uw vleesch en bloed liever heb dan het mijne." + +"Te paard en voorwaarts!" zei Cedric. + +"Het wordt waarlijk hoog tijd!" zei de edele Athelstane; "want indien +wij niet vlug aanrijden, zullen de toebereidselen van den eerwaarden +abt Waltheoff voor een na-avondmaaltijd [20] vergeefs zijn." + +Onze reizigers maakten echter zoo veel spoed, dat zij St. Withold's +klooster bereikten, eer de gevreesde ramp plaats had. De abt, die +zelf uit een oud Saksisch geslacht sproot, ontving den edelen Sakser +met de gulle en kwistige gastvrijheid aan dit volk eigen, die hen +tot laat in den nacht, of liever tot den vroegen morgen ophield, +en zij namen zelfs toen geen afscheid van hun eerwaarden gastheer, +voordat zij nog een prachtig ontbijt met hem gebruikt hadden. + +Juist toen de stoet de plaats van het klooster verliet, gebeurde +er iets, dat de Saksers eenigszins verontrustte; want, onder alle +Europeesche volken, waren zij het sterkste gehecht aan een bijgeloovig +vertrouwen op voorteekens; en de meeste trekken van dien aard, die +onder onze volks-oudheden overgebleven zijn, kunnen tot op hun tijd +nagespoord worden; daar de Normandiërs, die een vermengd volk waren, en +reeds in die tijden beter onderricht, vele der vooroordeelen afgelegd +hadden, die hun voorouders uit Scandinavië hadden medegebracht, +en dus ook beweerden, op dergelijke punten groote vrijgeesten te zijn. + +In het tegenwoordig geval werd de vrees voor eenig naderend gevaar +ingeboezemd door een eerbiedwaardigen profeet in de gestalte van een +grooten, mageren, zwarten hond, die op zijne achterpooten zittende, +jammerlijk huilde, toen de eerste ruiters de poort uitreden, en +vervolgens met woest geblaf heen en weer sprong, voornemens naar het +scheen het gezelschap te volgen. + +"Die muziek behaagt mij niet, vader Cedric," zei Athelstane; want +met dezen eeretitel was hij gewoon hem aan te spreken. + +"En mij even weinig, oom," zei Wamba, "ik vrees dat wij--" + +"Naar mijn oordeel," zei Athelstane, op wiens geheugen het goede +bier van den abt een aangenamen indruk had gemaakt (want Burton was +reeds beroemd voor dezen drank), "zouden wij beter doen, als wij +terugkeerden, en tot den namiddag bij den abt bleven:--men reist +ongelukkig, wanneer men zijn tocht vóór den volgenden maaltijd +voortzet, indien men een monnik, een haas, of een huilenden hond +heeft ontmoet." + +"Voorwaarts maar!" riep Cedric ongeduldig. "De dag is nu al te kort +voor de reis. Wat den hond betreft, ik herken hem voor dien van +den weggeloopen slaaf Gurth, een ondeugende vluchteling, evenals +zijn meester." + +Dit zeggende, verhief hij zich in de stijgbeugels, en ongeduldig over +het oponthoud, wierp hij zijn spies naar den armen Fangs;--want Fangs +was het, die, zijn meester tot dusver op zijn tocht gevolgd hebbende, +hem hier verloren had, en nu op zijne ruwe manier zijn blijdschap over +zijn bijzijn te kennen gaf. De spies wondde het dier in den schouder +en had het bijna aan den grond genageld. Fangs ontvluchtte huilende de +tegenwoordigheid van den woedenden _Thane_. Gurths hart kromp ineen; +want hij was gevoeliger over dezen voorgenomen moord van zijn getrouwen +makker, dan over de wreede behandeling, die hij zelf ondergaan had. Na +te vergeefs beproefd te hebben zijn hand aan de oogen te brengen, +zei hij tot Wamba, die zoodra hij de slechte luim van zijn meester +ontwaarde, zich voorzichtig bij de achterhoede gevoegd had: "Ik bid +u, wees zoo goed en veeg mij de oogen af met de slip van uw mantel; +het stof hindert mij, en deze banden veroorlooven mij niet mij zelven, +op de eene of andere manier, te helpen." + +Wamba bewees hem den gevraagden dienst, en zij reden eenigen tijd naast +elkander, terwijl Gurth een somber stilzwijgen bewaarde. Eindelijk +kon hij zijn gevoeligheid niet langer onderdrukken. + +"Vriend Wamba," zei hij; "onder al degenen, die dwaas genoeg zijn +om Cedric te dienen, kent gij alleen de kunst, om hem uw dwaasheid +aangenaam te maken. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, dat Gurth hem +niet langer wil dienen, noch uit liefde, noch uit vrees. Hij mag +mij het hoofd afslaan,--hij mag mij laten geeselen,--hij mag mij met +ketenen beladen;--maar, van heden af, zal hij mij nooit kunnen dwingen, +hem te beminnen, of te gehoorzamen. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, +dat Gurth, de zoon van Beowolf, zijn dienst verzaakt." + +"Waarachtig," zei Wamba, "in weerwil van al mijne dwaasheid, zal ik +uwe dwaze boodschap niet doen. Cedric heeft nog eene werpspies in +den gordel, en gij weet, hij mist niet altijd het doel!" + +"Het is mij onverschillig," hernam Gurth, "hoe spoedig hij mij tot +zijn doelwit verkiest te maken. Gisteren liet hij Wilfrid, mijn +jongen meester, in zijn bloed liggen. Heden heeft hij gepoogd het +éénige levend wezen, dat mij ooit vriendschap betoonde, voor mijn +aangezicht te dooden. Bij St. Edmond, St. Dunstan, St. Withold, +St. Eduard den Martelaar, en alle Saksische heiligen ter wereld," +(want Cedric zwoer nooit bij een heilige, die niet van Saksischen +oorsprong was, en zijn geheele huisgezin volgde zijn voorbeeld): +"ik vergeef het hem nooit!" + +"Naar het mij toescheen," zei de nar, die dikwijls als vredemaker in +de familie handelde, "was het de bedoeling van onzen heer niet, om +Fangs te raken, maar alleen om hem te verschrikken. Want, misschien +hebt ge ook opgemerkt, dat hij zich in de stijgbeugels verhief omdat +hij voornemens was over den hond heen te werpen; en dat zou hij ook +gedaan hebben; maar, daar Fangs op hetzelfde oogenblik opsprong, +kreeg hij een schram, die ik met niet meer pik, dan men op een duit +leggen kan, aanneem dadelijk te genezen." + +"Dacht ik er maar zóó over," zeide Gurth;--"konde ik er slechts zóó +over denken;--maar neen;--ik zag dat de spies wèl gemikt was;--ik +hoorde ze door de lucht suizen, met al de vertoornde kwaadwilligheid +van hem, die ze wierp, en ze trilde nadat ze in den grond geboord was, +als uit nijd dat ze haar doel gemist had. Bij het varken, zoo dierbaar +aan St. Anthonius, ik verzaak hem!" + +De verontwaardigde zwijnenhoeder verviel hierop weder in een norsch +stilzwijgen, dat geene pogingen van den nar hem overhalen konden +te verbreken. + +Intusschen spraken Cedric en Athelstane, de aanvoerders van den +stoet, te zamen over den staat van het land, over de oneenigheden +der koninklijke familie, over de veeten en twisten der Normandische +edelen, en over de kans, die de onderdrukte Saksers hadden, om zich van +het Normandische juk te bevrijden, of zich ten minste tot een staat +van aanzien en onafhankelijkheid gedurende de burgeroorlogen, die +waarschijnlijk zouden uitbreken, te verheffen. Bij de behandeling van +dit onderwerp was Cedric vol vuur. De herstelling der onafhankelijkheid +van zijn geslacht was de afgod van zijn hart, waaraan hij gaarne +zijn geheel huiselijk geluk en de belangen van zijn eigen zoon +opgeofferd had. Maar om deze omwenteling ten voordeele van de Britsche +inboorlingen te bewerken, moest men noodzakelijk onderling vereenigd +zijn, en onder één erkend opperhoofd handelen. De noodzakelijkheid om +een opperhoofd uit het Saksische koninklijke huis te kiezen, was niet +slechts in zich zelve duidelijk, maar was tevens als eene plechtige +voorwaarde aangenomen door hen, aan wie Cedric zijn geheime plannen en +zijne hoop had medegedeeld. Athelstane bekleedde ten minste dezen rang: +en ofschoon hij weinig verstandelijke vermogens en talenten bezat, +die hem als aanvoerder aanbevalen, had hij echter een indrukwekkend +uiterlijk, was geen lafaard, aan krijgsoefeningen gewoon, en wel +gezind, naar het scheen, om het oor te leenen aan raadgevers, die +verstandiger waren dan hij zelf. Bovenal, kende men hem als mild en +gastvrij, en men geloofde, dat hij ook zeer goedaardig was. Maar welke +aanspraken Athelstane ook bezat, om als het hoofd van het Saksisch +verbond te worden aangemerkt, waren echter velen dier natie geneigd, +om het recht der Jonkvrouw Rowena boven het zijne te stellen; want zij +stamde van Alfred af; haar vader was een opperhoofd geweest, wegens +wijsheid, moed en zijn edel karakter beroemd, en zijne nagedachtenis +werd door zijne onderdrukte landgenooten zeer vereerd. + +Het ware niet moeielijk voor Cedric geweest, indien hij het gewild +had, om zich aan het hoofd eener derde partij te plaatsen, welke +ten minste even geducht was, als ééne der beide anderen. Om tegen +de koninklijke afkomst op te wegen, bezat hij moed, werkzaamheid, +geestkracht, en bovenal een vurige verknochtheid aan de zaak, +waardoor hij den eernaam van "_de Sakser_" verworven had, en wat +geboorte betrof, behoefde hij op dat punt voor niemand onder te doen, +dan voor Athelstane en zijne pupil. Deze edele hoedanigheden waren +echter niet door den minsten zweem van baatzucht ontsierd; en, in +plaats van zijne reeds zwakke natie nog meer te verdeelen, door eene +partij voor zichzelven te vormen, was het Cedric's hoofddoel, de reeds +bestaande partijen door een huwelijk tusschen Rowena en Athelstane te +vereenigen. Er ontstond eene zwarigheid tegen dit, zijn geliefkoosd +voornemen, in de wederkeerige liefde van zijne pupil en zijn zoon, +en dit was de eerste aanleiding tot de verbanning van Wilfrid uit +het vaderlijke huis geweest. + +Dezen gestrengen maatregel had Cedric genomen in de hoop, dat, +gedurende Wilfrids afwezigheid, Rowena hare genegenheid zou +vergeten; maar in deze hoop werd hij bedrogen, eene teleurstelling, +die gedeeltelijk kon worden toegeschreven aan de wijze, waarop het +meisje was opgevoed. Cedric, voor wien de naam van Alfred die eener +godheid was, had de eenig overblijvende spruit van dien grooten vorst +met een vereering behandeld, welke in die dagen nauwelijks aan eene +erkende prinses betoond werd. Rowena's wil was, in bijna alle gevallen, +een wet bij hem in huis geweest; en Cedric zelf, alsof hij besloten +had, dat hare oppermacht, ten minste in dien kleinen kring, volkomen +erkend zou worden, scheen er trotsch op te zijn, als de eerste harer +onderdanen op te treden. Rowena, dus niet alleen aan een vrijen wil, +maar ook aan een willekeurig gezag gewend, was door hare vroegere +opvoeding geneigd iedere poging te weêrstaan, om hare neiging tegen +te werken, of om tegen haren zin over hare hand te beschikken; en +scheen besloten hare onafhankelijkheid te handhaven in een geval, +waarin zelfs vrouwen, die aan gehoorzaamheid en onderwerping gewoon +zijn, aan voogden en ouders zoo dikwerf hun gezag betwisten. Zij kwam +rond voor de gevoelens uit, die ze zoo vurig koesterde, en Cedric, +die zich niet kon vrij maken van zijn gewone inschikkelijkheid jegens +haar, was verlegen, hoe hij zijn invloed als voogd zou doen gelden. + +Het was te vergeefs, dat hij beproefde haar te overreden door het +vooruitzicht op een toekomstigen troon. Rowena, die veel gezond +verstand bezat, beschouwde zijn plan noch als mogelijk, noch als +wenschelijk, voor zoover ze er in betrokken was, al had het overigens +ook tot stand kunnen gebracht worden. Zonder te trachten hare erkende +liefde tot Wilfrid van Ivanhoe te verbergen, verklaarde zij, dat, al +bleef haar beminde ridder van haar gescheiden, ze liever toevlucht +in een klooster wilde nemen, dan een troon met Athelstane deelen, +dien ze altijd veracht had, en nu oprecht begon te haten, wegens het +verdriet, dat ze om zijnentwille moest uitstaan. + +In weerwil van dit alles volhardde Cedric, die geen hoog denkbeeld +van vrouwelijke standvastigheid koesterde, in het beproeven van +alle middelen, om het voorgenomen huwelijk, waardoor hij begreep +een gewichtigen dienst aan de zaak der Saksers te doen, tot stand +te brengen. De plotselinge, avontuurlijke verschijning van zijn +zoon in het strijdperk te Ashby, had hij terecht beschouwd, als +bijna den doodsteek voor zijne hoop. Zijn vaderlijke liefde had, +wel is waar, voor één oogenblik de overhand gekregen op hoogmoed +en vaderlandsliefde; maar beiden waren nu weder ontwaakt, en hij was +voornemens eene beslissende poging tot de verbintenis van Athelstane en +Rowena te doen, en tegelijk alle andere maatregelen te bevorderen, die +noodzakelijk schenen, om de Saksische onafhankelijkheid te herstellen. + +Over dit laatste onderwerp sprak hij nu met Athelstane, van +tijd tot tijd, even als Hotspur, het bejammerende, dat "zulk een +schotel vol water en melk" tot zulk een eervol werk moest gebezigd +worden. Athelstane was, wel is waar, ijdel genoeg, en liet gaarne +zijne ooren streelen met verhalen van zijne hooge afkomst, en van +zijn erfelijk recht op hulde en oppermacht. Maar zijne kleingeestige +ijdelheid was voldaan, indien hij deze hulde van zijne onmiddellijke +onderhoorigen en van de Saksers, die hem naderden, ontving. Al had +hij ook den moed om het gevaar te trotseeren, zoo vreesde hij toch de +moeite, om het te gaan opzoeken; en terwijl hij de algemeene stellingen +van Cedric, omtrent de aanspraken der Saksers op onafhankelijkheid, +toestemde, en nog meer overtuigd was van zijn eigen recht om hen +te beheerschen, in geval ze deze onafhankelijkheid verwierven, +bleef hij toch altijd, wanneer men over de middelen beraadslaagde +om deze eischen te handhaven, "Athelstane de Besluitelooze,"--traag, +aarzelend, dralend en weifelachtig. De vurige en driftige vermaningen +van Cedric hadden even weinig uitwerking op zijn ongevoelig karakter, +als gloeiende kogels, die in het water vallende, een weinig gedruisch +en rook voortbrengen, en oogenblikkelijk uitgebluscht worden. + +Toen Cedric deze taak,--die veel op het aansporen van een vermoeid +ros, of het smeden van koud ijzer geleek,--liet varen, en zich tot +zijn pupil Rowena wendde, vond hij weinig meer voldoening in het +onderhoud met haar; want, daar zijne tegenwoordigheid het gesprek +afbrak tusschen de Jonkvrouw en haar vertrouwde over de dapperheid en +het lot van Wilfrid, liet Elgitha niet na, hare meesteres en zich zelve +te wreken, door over het bezwijken van Athelstane in het strijdperk +te spreken, het onaangenaamste onderwerp, dat Cedric's ooren treffen +kon. Voor dezen koppigen Sakser werd dus de reis op alle mogelijke +wijze verbitterd; zoodat hij, meer dan eens, inwendig het toernooi, +hem, die het ingesteld had, en zijne eigene dwaasheid, dat hij er +heen gegaan was, verwenschte. + +Tegen den middag hielden de reizigers, op voorstel van Athelstane, +bij een bron, in den lommer van het woud stil, om hunne paarden +te laten rusten, en om zelve eenige ververschingen te gebruiken, +waarmede de gastvrije abt een muilezel beladen had. Hun maaltijd +duurde vrij lang, en deze verschillende oponthouden maakten het hun +onmogelijk, Rotherwood te bereiken, zonder den geheelen nacht door te +reizen;--eene omstandigheid, die hen aanspoorde om hun weg schielijker, +dan tot dusver, voort te zetten. + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + + Een bende krijgsvolk, dat een eedle Jonkvrouwe + Bewaakt, gelijk ik daar vernomen heb, + Terwijl ik de achterhoede heimlijk volgde, + Is ginds in aantocht naar dit burgslot, + Om te overnachten. + + Orra, een Treurspel. + + +De reizigers hadden nu de grenzen van het woud bereikt, en waren op het +punt zich in het dichtste gedeelte er van te begeven, dat op dien tijd +voor gevaarlijk gehouden werd wegens het groote aantal vrijbuiters, +welke onderdrukking en armoede tot wanhoop gedreven hadden, en die +de bosschen in zulke groote benden bezetten, dat zij gemakkelijk de +zwakke rustbewaarders van die dagen konden trotseeren. Tegen deze +roovers echter rekenden Cedric en Athelstane zich bestand, in weerwil +van het late uur, daar zij tien bedienden in hun gevolg hadden, +behalve Wamba en Gurth, op wier hulp men geen staat kon maken, daar +de één een nar en de andere een gevangene was. Men kan er bijvoegen, +dat, zoo laat door het woud reizende, Cedric en Athelstane niet +minder op hunne afkomst en hun naam steunden, dan op hun moed. De +vogelvrij-verklaarden, die de gestrengheid der jachtwetten tot dit +wanhopige rooversleven gebracht had, waren voornamelijk boeren en +pachters van Saksischen stam, en men geloofde in het algemeen, dat +zij de personen en het eigendom hunner landslieden eerbiedigden. + +Terwijl de reizigers hun weg voortzetten, werden zij door een herhaald +geroep om hulp verschrikt; en naar de plaats rijdende, van waar het +kwam, zagen zij, tot hunne verbazing, een draagkoets op den grond +staan, waarnaast een jong meisje zat, dat rijk, op Joodsche wijze +gekleed was, terwijl een oud man, wiens gele muts aanduidde, dat hij +tot dezelfde natie behoorde, op en neder ging, met gebaren van de +grootste wanhoop, en de handen wrong, alsof hem een groot ongeluk +was overkomen. + +Op de vragen van Athelstane en Cedric kon de oude Jood gedurende +eenigen tijd alleen antwoorden door de bescherming van alle aartsvaders +van het Oude Testament, na elkander aan te roepen, tegen de zonen van +Ismaël, die gekomen waren, om hem aan de scherpte van het zwaard over +te leveren. Toen hij van zijn overmatigen schrik begon te herstellen, +was Izaäk van York (want het was onze oude vriend), eindelijk in staat +te vertellen, dat hij te Ashby eene lijfwacht van zes man gehuurd had, +met muilezels, om de draagkoets van een zieken vriend te geleiden. Deze +troep had aangenomen hem tot Doncaster te vergezellen. Zij waren tot +zoover veilig gekomen; maar door een houthakker onderricht zijnde, +dat er eene sterke bende vrijbuiters in het bosch vóór hen op de +loer lag, hadden Izaäks huurlingen niet alleen de vlucht genomen, +maar ook de ezels medegenomen, welke de draagkoets droegen, en den +Jood en zijne dochter zonder middelen gelaten, om zich te verdedigen +of om weg te komen, zoodat zij waarschijnlijk geplunderd en vermoord +zouden worden door de bandieten, die, zooals ze verwachtten, ieder +oogenblik op hen aanvallen zouden. "Zoo het den heeren ridders maar +behaagde," voegde Izaäk er bij, op een toon van groote nederigheid, +"den armen Joden te vergunnen, onder hunne vrijgeleide te reizen, +zoo zweer ik bij de twaalf tafels onzer wet, dat er aan een kind van +Israël sedert de dagen der ballingschap, nooit een gunst bewezen is, +welke met meer dank beloond werd." + +"Hond van een Jood!" zei Athelstane, wiens geheugen van dien +kleingeestigen aard was, dat het alle kleinigheden en vooral +beuzelachtige beleedigingen onthield, "herinnert gij u niet, hoe gij +ons in de galerij bij het toernooi getrotseerd hebt? Vecht of vlucht, +of maak een overeenkomst met de vrijbuiters, zoo goed gij kunt;--vraag +ons niet om gezelschap of hulp; en indien zij alleen zulke menschen +berooven, als gij zijt, die de geheele wereld bestelen, dan zal ik +hen voor zeer eerlijke lieden houden." + +Cedric stemde niet in met het harde oordeel van zijn makker. "Wij +zullen beter doen," zei hij, "met hun twee van onze bedienden en +een paar paarden te geven, om hen naar het naaste dorp terug te +brengen. Dat zal onze macht slechts weinig verzwakken; en met uw goed +zwaard, edele Athelstane, en met behulp van de overblijvenden, zal +het ons licht vallen, twintig van deze landloopers de spits te bieden." + +Rowena, eenigszins verontrust, toen ze hoorde, dat er een zoo groot +getal vrijbuiters in de nabijheid was, ondersteunde met kracht het +voorstel van haar voogd. Maar Rebekka, plotseling de plaats, waar +ze zat, verlatende, en zich een weg door het gevolg heen naar het +paard der Saksische dame banende, knielde neder, en kuste, volgens +de Oostersche gewoonte, als men zijn meerderen aanspreekt, de slip +van Rowena's gewaad. Toen opstaande, en haar sluier terugslaande, +smeekte zij haar, in den naam van dien grooten God, welken zij +beiden aanbaden, en bij de openbaring van die wet, aan welke ze +beiden geloofden, medelijden met hen te hebben, en hun te vergunnen, +onder hun geleide verder te reizen. "Het is niet voor mij zelve, +dat ik deze gunst verzoek," zei Rebekka; "en niet eens voor dezen +armen grijsaard. Ik weet, dat het bij de Christenen eene geringe +misdaad, zoo niet eene verdienste is, om ons volk te onderdrukken +en te plunderen; en wat kan het ons schelen, of het in de stad, +in de woestijn, of in het veld gebeurt? Maar het is in den naam +van iemand, die dierbaar is aan velen, en zelfs dierbaar aan u, +dat ik u smeek, om dezen zieke met zorg en oplettendheid onder uwe +bescherming te laten vervoeren. Want, zoo hem eenig ongeluk overkwam, +zou het laatste oogenblik van uw leven nog verbitterd worden, door +het berouw van mij mijne bede geweigerd te hebben." + +De edele en plechtige houding, waarmede Rebekka dit verzoek deed, +gaf er dubbel gewicht aan bij de Saksische schoone. + +"De man is oud en zwak," zei zij tot haar voogd, "het meisje is +jong en schoon; hun vriend ziek en in levensgevaar; hoewel het Joden +zijn, kunnen wij, als Christenen, hen in dezen uitersten nood niet +verlaten. Men moet twee pakezels ontladen, en de bagaadje aan twee der +lijfeigenen geven. De muilezels kunnen voor de draagkoets geplaatst +worden, en wij hebben paarden voor den grijsaard en zijne dochter." + +Cedric stemde gereedelijk in haar voorstel toe, en Athelstane voegde +er slechts de woorden bij: "Dat zij bij de achterhoede moesten reizen, +waar Wamba hen met zijn schild van hout kon beschermen." + +"Ik heb mijn schild op het toernooiveld verloren," hervatte de nar, +"evenals menig ander en beter ridder dan ik." + +Athelstane werd vuurrood, want dit was het geval met hem geweest op den +laatsten dag van het toernooi, terwijl Rowena, aan wie deze spotternij +goed beviel, en als het ware om de lompe scherts van haar ongevoeligen +minnaar weder goed te maken, Rebekka verzocht, naast haar te rijden. + +"Dat zou mij niet passen," antwoordde Rebekka met trotsche nederigheid, +"daar mijn gezelschap mijne beschermster tot schande zou kunnen +aangerekend worden." + +Intusschen was de bagaadje reeds overgepakt, want het bloote woord +"vrijbuiters" maakte iedereen bijzonder vlug, en het naderen der +schemering vermeerderde nog den schrik. Onder het gewoel werd Gurth +van het paard genomen, en hij verzocht den nar hem een weinig losser +te binden. Het touw werd, misschien voorbedacht, zoo slecht door +Wamba weder vastgemaakt, dat Gurth er geen zwarigheid in vond, om +zijn armen geheel vrij te maken, en hierop in het bosch sluipende, +ontsnapte hij uit het gezelschap. + +De drukte was groot geweest, en het duurde eenigen tijd eer Gurth +gemist werd; want daar hij, gedurende het overige van de reis, +achter een knecht zou rijden, veronderstelde ieder, dat een of ander +zijner makkers hem in bewaring had, en toen zij eindelijk elkander +toefluisterden, dat Gurth wezenlijk verdwenen was, waren zij in de +verwachting van zoo spoedig door de roovers aangevallen te worden, +dat men niet veel acht sloeg op dit voorval. + +Het pad, waarlangs de troep voortreisde, was thans zoo smal, dat er +niet veel meer dan twee ruiters naast elkander konden rijden, en het +daalde in een nauw dal neder, dat van een beek doorsneden werd, wier +oevers afgespoeld, moerassig, en met kleine wilgenboomen bewassen +waren. Cedric en Athelstane, die aan het hoofd van den stoet waren, +begrepen, hoe groot het gevaar was, als zij in dezen nauwen pas +aangevallen werden; maar daar geen van beiden veel ervaring in den +oorlog had, kenden zij geen beter middel om het gevaar te voorkomen, +dan zoo schielijk mogelijk voort te rijden. Daarom, zonder veel orde +voorwaarts trekkende, waren zij juist met een gedeelte van hun gevolg +over de beek gegaan, toen zij tegelijk van voren, van achteren en +van beide zijden, met een geweld aangevallen werden, waaraan zij in +hun verwarden en slecht voorbereiden toestand onmogelijk krachtigen +weerstand konden bieden. Het geroep van: "Een witte draak!--Een +witte draak! Sint Georg en oud Engeland!" een krijgsgeschreeuw door +de aanvallers aangenomen, als behoorende tot hun aangenomen karakter +van Saksische vogelvrij verklaarden, werd van alle kanten gehoord, +en van alle kanten verschenen vijanden met eene snelheid, welke hun +getal scheen te vermenigvuldigen. + +De beide Saksische opperhoofden werden op hetzelfde oogenblik gevangen +gemaakt, en ieder onder omstandigheden, die volkomen met zijn karakter +overeenstemden. Cedric wierp, zoodra een vijand verscheen, zijn nog +overgebleven werpspies op hem, welke, een krachtigere uitwerking +hebbende, dan die, welke hij op Fangs gericht had, den man tegen een +eikenboom, die toevallig achter hem stond, vastprikte. Tot zoover +gelukkig, spoorde Cedric zijn paard, tegen een tweeden vijand, terwijl +hij zijn zwaard trok, en met zulke onbedachtzame woede toesloeg, +dat zijn kling in een dikken, boven hem hangenden tak zitten bleef, +zoodat hij door het geweld van zijn eigen slag ontwapend werd. Hij +werd dus dadelijk gevangen genomen, en van zijn paard getrokken door +eenige bandieten, die zich om hem heen drongen. Athelstane deelde +zijn gevangenschap, daar men de teugels uit zijn hand gerukt had, +en hij met geweld van zijn paard gesleept was, lang voordat hij zijn +zwaard kon trekken, of eenigen krachtdadigen tegenstand bieden. De +bedienden, belemmerd door de bagaadje, en verrast en verschrikt door +het lot hunner meesters, werden een gemakkelijke prooi der aanvallers, +terwijl Rowena, in het midden van het gezelschap, en de Jood en zijn +dochter in de achterhoede, hetzelfde lot ondervonden. + +Van den geheelen stoet ontsnapte niemand dan Wamba, die bij deze +gelegenheid veel meer moed betoonde, dan zij, die aanspraak maakten op +een grooter verstand. Hij greep een zwaard, dat aan een der bedienden +behoorde, die het juist met een trage en besluitelooze hand uittrekken +wilde, sloeg om zich heen als een leeuw, dreef verscheidenen terug, die +hem te nabij kwamen, en deed een dappere, schoon vruchtelooze poging, +om zijn meester te redden. Zich overmand ziende, wierp de nar zich +eindelijk van het paard, drong in het dichte bosch, en ontsnapte, +door de algemeene verwarring begunstigd, van het tooneel van het +gevecht. Evenwel weifelde de dappere nar, zoodra hij zich in veiligheid +bevond, een tijdlang, of hij niet zou terugkeeren en de gevangenschap +van een meester deelen, aan wien hij hartelijk verkleefd was. + +"Ik heb de menschen van de zegeningen der vrijheid hooren spreken," +zei hij bij zich zelven; "maar ik wenschte wel, dat de een of ander +verstandig man mij wilde onderrichten, wat gebruik ik er van maken +moet, nu ik ze bezit." + +Terwijl hij deze woorden luide uitsprak, riep een stem zeer dicht +bij hem, op zachten en voorzichtigen toon: "Wamba!" en te gelijker +tijd sprong een hond, in welken hij Fangs herkende, tegen hem op en +liefkoosde hem. "Gurth!" antwoordde Wamba met dezelfde voorzichtigheid, +en in denzelfden oogenblik stond de zwijnenhoeder voor hem. + +"Wat is er te doen?" vroeg hij angstig; "wat beduidt dat geschreeuw +en dat zwaardgekletter?" + +"'t Is niets ongewoons in onze tijden," hernam Wamba; "ze zijn allen +gevangen." + +"Wie is gevangen?" riep Gurth ongeduldig. + +"Onze heer, en de Jonkvrouw, en Athelstane, en Hundebert, en Oswald." + +"In 's hemels naam!" zei Gurth, "hoe zijn ze gevangen geraakt?--En +in wiens handen?" + +"Onze meester was al te gereed om te vechten," zei de nar; "en +Athelstane was niet gereed genoeg, en de anderen waren in het geheel +niet gereed. Ze zijn gevangen genomen door menschen in groene rokken, +met zwarte maskers. En ze liggen nu allen op het gras, evenals de wilde +appels, die gij voor uw zwijnen afschudt. En ik zou er om lachen," +zei de eerlijke nar, "als ik maar kon, in plaats van te schreien." En +daarbij stortte hij tranen van ongeveinsde droefheid. + +Gurth's gelaat gloeide.--"Wamba," zei hij, "gij hebt een wapen, en +uw moed was altijd grooter, dan uw verstand;--wij zijn maar met ons +beiden, maar een onverwachte aanval van kloekmoedige mannen kan veel +afdoen:--volg mij!" + +"Waarheen?--en wat wilt ge?" vroeg de nar. + +"Cedric bevrijden!" + +"Maar gij hebt u eerst eenige oogenblikken geleden aan zijn dienst +onttrokken," zei Wamba. + +"Dat was maar," antwoordde Gurth, "zoo lang hij gelukkig was:--volg +mij." + +Toen de nar op het punt was van te gehoorzamen, verscheen er eensklaps +een derde, die aan beiden beval te blijven staan. Naar zijn kleeding +en wapenen zou Wamba hem voor een der roovers gehouden hebben, die +zoo even zijn meester aangevallen hadden; maar behalve dat hij geen +masker droeg, deed de glinsterende draagband over zijn schouders, +aan welke een schoone jachthoorn hing, zoowel als de kalme en +gebiedende uitdrukking zijner stem en gebaren, hem, in weerwil van +het schemerlicht, erkennen als Locksley, den schutter, die onder +zulke ongunstige omstandigheden, den prijs bij het boogschieten +weggedragen had. + +"Wat beduidt dit alles?" vroeg hij. "Wie plundert, rooft en maakt +gevangenen in dit woud?" + +"Gij kunt ze hier dichtbij aan hunne rokken herkennen," zei Wamba, +"en zien, of het uwer kinderen kleêren zijn, of niet.--Want ze gelijken +op de uwen even sterk, als het eene ei op het andere." + +"Ik zal het dadelijk onderzoeken," antwoordde Locksley; "en ik beveel +u, om uw leven, geen voet van de plaats te verzetten, eer ik terug +kom. Gehoorzaamt mij, en het zal des te beter zijn voor u en uw +meesters.--Maar wacht, ik moet er zooveel mogelijk, als een dezer +mannen uitzien." + +Dit zeggende, nam hij den draagband met den jachthoorn af, nam de +pluim van zijn muts, en gaf ze aan Wamba te bewaren: daarop haalde +hij een masker uit den zak en, zijn bevel om stil te staan herhalende, +ging hij heen, om zijne verkenning te doen. + +"Zullen wij blijven staan, Gurth?" vroeg Wamba, "of hem den +rug toekeeren? Naar mijn onnoozel begrip, had hij al te veel +dievengereedschappen bij de hand, om een eerlijk man te zijn." + +"En al ware hij de duivel in eigen persoon," antwoordde Gurth, "wij +verliezen niets door op hem te wachten. Als hij tot dien hoop behoort, +heeft hij hun reeds een teeken gegeven, en vluchten noch vechten zal +ons meer baten. Buitendien heb ik sedert kort ondervonden, dat de +grootste dieven niet altijd de slechtste menschen zijn, met wie men +te doen heeft." + +De schutter kwam binnen weinige minuten terug. "Vriend Gurth," zei +hij, "ik heb mij onder die kerels gemengd, en vernomen, aan wien zij +behooren, en waar hun reis heen gaat. Er is, dunkt mij, geen gevaar, +dat zij hun gevangenen dadelijk eenig geweld aandoen. Het zou een +dwaasheid van ons zijn, zoo wij hen met ons drieën aanvallen wilden; +want het zijn ervarene krijgslieden, en zij hebben dus wachten +uitgezet, om hen te waarschuwen, zoodra iemand nadert. Maar ik +vertrouw, dat ik weldra zulk eene macht bijeen zal brengen, dat ik +al hunne voorzorgen kan verijdelen; gij zijt beide dienaars, en, +naar ik meen, trouwe dienaars van Cedric den Sakser, den beschermer +van de rechten der Engelschen. Het zal hem niet aan Engelsche handen +ontbreken in dezen nood. Gaat dan met mij, om meer hulp te zoeken." + +Dit zeggende, stapte hij met rassche schreden door het woud, gevolgd +door den nar en den zwijnenhoeder. Het was onmogelijk voor Wamba, +om lang te zwijgen. + +"Mij dunkt," zei hij, naar den draagband en den hoorn, welke hij nog +altijd droeg, ziende, "dat ik den pijl heb zien afschieten, welke dezen +schoonen prijs gewonnen heeft, en dat is nog niet zoo lang geleden, +als Kerstmis." + +"En ik," zei Gurth, "zou er op willen zweren, dat ik de stem van den +dapperen schutter, die dien gewonnen heeft, zoo wel bij nacht als bij +dag gehoord heb, en dat de maan, sedert ik die vernam, nog geen drie +dagen ouder is geworden. + +"Mijn vrienden," hervatte de schutter, "wie, of wat ik ben, kan thans +weinig schelen; zoo ik uw meester bevrijd, zult gij redenen hebben, mij +voor den besten vriend te houden, dien gij ooit in uw leven hadt. En +of ik onder dezen of genen naam bekend ben,--en of ik een boog even +goed, of beter dan een koeherder kan afschieten,--en of ik verkies +in den zonneschijn of bij maanlicht te wandelen,--dit zijn dingen, +aan welke gij u niet behoeft te storen, daar zij u niet raken." + +"Onze hoofden zijn in des leeuwen muil," fluisterde Wamba Gurth toe, +"laten wij ze er uittrekken, als wij kunnen." + +"Stil," zei Gurth; "wees stil; beleedig hem niet door uw gekheden, +en ik vertrouw er vast op, dat alles goed zal gaan." + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Als in den herfstnacht koud en lang, + Zijn eenzaam pad verduistert, + 't Is naar des kluiz'naars lofgezang, + Dat liefst de pelgrim luistert. + + Het lied verheft het vroom gemoed, + De vroomheid geeft de hymne gloed; + Zij stijgen onder 't loven, + Gelijk de vogel 't zonlicht groet, + Al zingend' zaam naar boven. + + de kluizenaar van St. Clements bron. + + +Eerst na drie uren wandelens was het, dat de volgelingen van Cedric, +met hun geheimzinnigen leidsman, eene kleine opening in het woud +bereikten, in wier midden een eik van ontzachelijke grootte groeide, +welke de kromme takken naar alle kanten uitspreidde. Onder dezen boom +lagen vier of vijf schutters op den grond uitgestrekt, terwijl een +ander, als schildwacht, in den maneschijn heen en weder ging. Zoodra +deze de naderende voetstappen hoorde, gaf hij een teeken, en de slapers +sprongen dadelijk op en spanden hun bogen. Zes pijlen werden gericht +naar den kant, van waar de reizigers kwamen, tot hun geleider, herkend +zijnde, met alle blijken van achting en liefde verwelkomd werd, en +alle teekens van en alle vrees voor een vijandige ontvangst verdwenen. + +"Waar is de Molenaar?" was zijn eerste vraag. + +"Op weg naar Rotherham." + +"Met hoeveel man?" vroeg de aanvoerder, want dat scheen hij te zijn. + +"Met zes man, en goede hoop op buit, als het St. Nicolaas behaagt." + +"Vroom gesproken," zei Locksley; "en waar is Allen-a-Dale?" + +"Op weg naar Watling, om op den Prior van Jorvaulx te wachten." + +"Ook goed," hernam de kapitein. + +"En waar is de monnik?" + +"In zijn cel." + +"Daar ga ik heen," zei Locksley. "Verstrooit u en zoekt uwe +makkers op. Verzamelt een zoo groote macht mogelijk; want er is +wild opgespoord, dat hard vervolgd moet worden en dat zich krachtig +verdedigen zal. Komt tegen het aanbreken van den dag hier bij mij +terug. Wacht," voegde hij er bij; "ik heb het noodzakelijkste van +alles vergeten; twee van u moeten spoedig den weg naar Torquilstone, +het kasteel van Front-de-Boeuf, inslaan. Eene bende schurken, +die zich in eene kleeding, als de onze, vermomd hebben, brengen er +een hoop gevangenen heen.--Slaat hen nauwkeurig gade; want zelfs, +al bereikten zij het kasteel, vóór dat wij onze macht bijéénhebben, +is onze eer er toch in betrokken, om hen te bestraffen, en wij zullen +een middel vinden, om dat te doen.--Houdt hen dus goed in het oog; +en zendt één uwer makkers, den besten looper, om aan de landlieden +in de buurt bericht er van te brengen." + +Zij beloofden stipte gehoorzaamheid, en vertrokken oogenblikkelijk, om +hunne verschillende boodschappen te verrichten. Intusschen vervolgde +hun aanvoerder met zijn twee metgezellen, die hem nu met grooten +eerbied, zoowel als met eenige vrees beschouwden, hun weg naar de +kapel van Copmanshurst. + +Toen zij de vrije, door de maan verlichte plaats in het bosch bereikt, +en de eerbiedwekkende, schoon vervallen kapel, en de ruwe kluis, +die zoo goed voor de zelfverloochenende vroomheid geschikt was, vóór +zich hadden, fluisterde Wamba Gurth toe: "Als dit de woning van een +dief is, dan wordt het oude spreekwoord bevestigd: hoe dichter bij +de kerk hoe verder van God.--En bij mijn zotskap," voegde hij er +bij, "ik geloof, dat het wezenlijk zóó is;--luister maar naar den +wonderlijken _Sanctus_, welken zij in de kluis zingen!" + +Wezenlijk zongen de kluizenaar en zijn gast, met alle kracht van hun +sterke longen, een oud drinklied, waarvan dit het slot was: + + + Kom, reik mij 't bruine bier terstond, + Blijde jongen, blijde jongen! + Kom, reik mij 't bruine bier terstond, + Ha! lustig jongen! 'k tart een' schelm in 't drinken. + Kom, reik mij 't bruine bier terstond! + + +"Wel, dat is niet kwaad," zei Wamba, die in koor mede gezongen +had. "Maar bij alle heiligen, wie zou ooit verwacht hebben, zulk een +vroolijk gezang, te middernacht, uit eene kluis te hooren dreunen?" + +"Wel, dat zou ik voorzeker verwachten," antwoordde Gurth; "want de +vroolijke monnik van Copmanshurst is bekend, en doodt de helft van het +wild, dat in dit bosch gestolen wordt. Men zegt, dat de boschwachter +bij den abt over hem geklaagd heeft, en dat hem zijn monnikskleed +zal uitgetrokken worden, als hij zich niet beter gedraagt." + +Terwijl zij dus spraken, had Locksley's herhaald geklop ten laatste +den kluizenaar en zijn gast gestoord. "Bij mijn rozenkrans," riep de +heremiet, midden in het gezang ophoudende, "hier komen meer gasten, +die door den nacht overvallen zijn. Ik wilde niet, om mijn kap, dat +ze mij bij deze vrome bezigheid vonden. Iedereen heeft zijn vijanden, +goede heer Luiaard; en er zijn er, die boosaardig genoeg zijn, om de +gastvrije verversching, welke ik u, een vermoeiden reiziger, gedurende +een paar uurtjes, aangeboden heb, ronduit dronkenschap en zwelgerij te +noemen; ondeugden, even vreemd aan mijn beroep als aan mijn karakter." + +"Lage lasteraars!" hernam de ridder; "ik wilde, dat ik hen kastijden +mocht. Niettemin is het waar, heilige man, dat iedereen zijne vijanden +heeft; en er zijn er in dit land, die ik liever door het vizier van +mijn helm, dan met ontbloot gezicht spreken wilde." + +"Zet dan uw ijzeren pot op het hoofd, vriend Luiaard, zoo schielijk +als uw aard zulks toelaat," zei de kluizenaar, "terwijl ik deze +flesschen weg zet, welker inhoud in mijne hersenen spookt; en om het +gekletter te verdooven,--want, op mijn woord, ik gevoel, dat ik een +weinig wankel,--stem in met het gezang, dat gij mij hoort zingen;--op +de woorden komt het niet aan, ik ken ze zelf nauwelijks." + +Dit zeggende, hief hij een donderend _de profundis clamavi_ aan, +en ruimde hun maaltijd weg; terwijl de ridder hartelijk lachende, +zich intusschen wapende, en zijn gastheer van tijd tot tijd met zijne +stem ondersteunde, als zijn gelach het toeliet. + +"Wat voor duivelsmetten worden hier op dit uur gezongen?" riep een +stem van buiten. + +"De hemel vergeve het u, heer reiziger!" zei de heremiet, wien het +gedruisch, dat hij zelf maakte, en misschien zijn drinken, belette, +een stem te herkennen, die hem anders vrij wel bekend was; "vervolg +uw weg, in God en St. Dunstan's naam, en stoor mij en mijn vromen +broeder niet in onze aandacht." + +"Dolle priester," antwoordde de stem van buiten, "doe open voor +Locksley." + +"Alles is veilig,--alles is in orde!" zei de kluizenaar tot zijn +metgezel. + +"Maar wie is het?" vroeg de Zwarte Ridder. "Er is mij veel aan gelegen, +dit te weten." + +"Wie of het is!" antwoordde de kluizenaar. "Ik zeg u, dat het een +vriend is!" + +"Maar wat voor een vriend?" antwoordde de ridder. "Want hij kan uw +vriend zijn, en toch in het geheel niet de mijne." + +"Wat voor een vriend?" hernam de monnik; "dat is een vraag, die +lichter te doen, dan te beantwoorden is. Wat voor een vriend?--Wel, +hij is, nu schiet het mij te binnen, juist die eerlijke boschwachter, +van welken ik u straks gesproken heb." + +"Wel ja, een even eerlijke boschwachter, als gij een vroom kluizenaar +zijt!" hervatte de ridder; "daar twijfel ik niet aan. Maar doe hem +de deur open, vóórdat hij ze uit de hengels slaat." + +De honden, welke in het begin geweldig geblaft hadden, schenen nu +de stem van hem, die buiten stond, te herkennen; want, geheel van +houding veranderende, krabden en jankten zij aan de deur, alsof om +zijn toelating te smeeken. De heremiet opende schielijk de deur, +en liet Locksley met zijn twee metgezellen binnen. + +"Wel heremiet," was des schutters eerste vraag, zoodra hij den ridder +zag: "Welken lustigen broeder hebt gij daar?" + +"Een broeder van onze orde," hernam de monnik, het hoofd +schuddende. "Wij hebben den geheelen nacht door gebeden." + +"Hij is een monnik van de strijdende kerk, denk ik," antwoordde +Locksley; "er dolen velen van dien aard door het land. Ik zeg u, +monnik, gij moet den rozenkrans afleggen, en den knots opnemen; wij +hebben alle onze brave makkers noodig, geestelijken, of leeken. Maar," +voegde hij er bij, hem even ter zijde nemende, "zijt gij gek?--Een +ridder binnen te laten, dien gij niet kent! Hebt gij onze overeenkomst +vergeten?" + +"Hem niet kennen!" antwoordde de monnik stout; "ik ken hem even goed, +als de bedelaar zijn schotel kent." + +"En hoe heet hij dan?" vroeg Locksley. + +"Hoe hij heet?" zei de heremiet; "wel!--het is de ridder Anthonius +van Scrablestone,--alsof ik met een mensch zou willen drinken, zonder +zijn naam te weten!" + +"Gij hebt meer dan genoeg gedronken," zei de schutter, "en ik vrees, +ook meer dan genoeg gebabbeld." + +"Vriend," zei de ridder, vóórtredende, "wees niet boos op mijn +vroolijken gastheer. Hij heeft mij slechts de gastvrijheid geschonken, +welke ik hem zou afgedwongen hebben, zoo hij ze geweigerd had." + +"Gij mij dwingen!" riep de monnik; "wacht maar, tot ik dit grijs +monnikskleed tegen een groen buis verruild heb, en als ik u niet met +mijn knuppel een tik op het hoofd geef, dan ben ik noch een echte +monnik, noch een goed jager." + +Dit zeggende, trok hij zijn monnikskleed uit, en verscheen in een nauw +zwart linnen wambuis en broek, waarover hij spoedig een groenen rok en +broek aantrok. "Ik bid u, maak de strikken vast," zei hij tegen Wamba, +"en gij zult een glas wijn ter belooning hebben." + +"Ik heb niets tegen den wijn," antwoordde Wamba; "maar denkt gij, dat +het geen gewetenszaak voor mij is, de hand te leenen om een heiligen +heremiet in een zondigen jager te veranderen?" + +"Vrees niets," zei de kluizenaar, "ik behoef de zonden van mijn +groenen rok slechts aan mijn grijs monnikskleed te biechten, en alles +is weer goed." + +"Amen!" hervatte de nar: "Een in fijn laken gekleed boeteling moet +een in grof linnen gekleeden biechtvader hebben, en uw monnikskleed +kan mijn bonte pak op den koop toe de absolutie geven." + +Intusschen had Wamba den monnik geholpen, om de talrijke banden vast +te maken, waarmede de broek aan het wambuis gebonden werd. + +Terwijl ze dus bezig waren, nam Locksley den ridder een weinig ter +zijde, en sprak hem dus aan: "Ontken het niet, heer ridder; gij zijt +het die op den tweeden dag van het toernooi te Ashby, de overwinning +der Engelschen tegen de vreemdelingen beslist hebt." + +"En wat volgt daaruit, zoo uw gissing gegrond is, vriend?" hernam +de ridder. + +"Ik houd u dan voor een vriend van de zwakken!" hernam de schutter. + +"Dat te zijn is ten minste de plicht van een goed ridder," antwoordde +de zwarte kampvechter, "en ik zou niet gaarne willen, dat er redenen +waren, om anders van mij te denken." + +"Maar om mij te helpen," zei de andere, "moet gij een even goed +Engelschman, als ridder zijn: want hetgeen ik te zeggen heb, betreft, +wel is waar, den plicht van ieder eerlijk man, maar meer bijzonder +dien van een rechtgeaarden inboorling van Engeland." + +"Gij kunt tot niemand spreken," hervatte de ridder, "wien Engeland, +en het leven van ieder Engelschman, dierbaarder kan zijn dan mij." + +"Ik wil het gaarne gelooven," zei de jager, "want nooit heeft dit land +meer noodig gehad, om door diegenen ondersteund te worden, die het +liefhebben. Hoor naar mij, en ik zal u eene onderneming openbaren, +in welke gij, zoo gij wezenlijk zijt, wat gij schijnt, een eervol +deel kunt nemen. Eene bende booswichten, verkleed als betere menschen, +dan zij zelve zijn, hebben een edelen Engelschman, Cedric, de Sakser +genaamd, met zijn dochter en zijn vriend, Athelstane van Coningsburgh, +gevangen genomen, en hen naar een kasteel in dit woud, Torquilstone +genoemd, gevoerd. Ik vraag u, als goeden ridder en echten Engelschman, +wilt gij hen helpen bevrijden?" + +"Ik ben door mijn gelofte verplicht dat te doen," hernam de ridder, +"maar ik wilde gaarne weten, wie gij zijt, die mijne hulp ten hunnen +behoeve inroept?" + +"Ik ben," zei de jager, "een onbekend man; maar ik ben de vriend van +mijn vaderland, en van de vrienden er van.--Met dit bericht moet +gij u voor het tegenwoordige tevreden stellen, te meer, daar gij +zelf wenscht onbekend te blijven.--Geloof echter, dat mijn woord, +als ik het geef, even veilig is, alsof ik gouden sporen droeg." + +"Ik geloof het gaarne," zei de ridder, "ik ben gewoon op het gelaat der +menschen te lezen, en ik kan op het uwe eerlijkheid en moed zien. Ik +zal u dus verder geene vragen doen, maar u helpen, om die onderdrukte +gevangenen in vrijheid te stellen, en als dit volbracht is, vertrouw +ik, dat wij beter bekend en weltevreden van elkander zullen scheiden." + +"Dus," zei Wamba tegen Gurth,--want daar de monnik nu geheel toegerust +was, had de nar, die naar den anderen kant der hut gekomen was, +het einde van het gesprek gehoord,--"dus hebben wij een nieuwen +bondgenoot gekregen. Ik vertrouw, dat de dapperheid van den ridder +van beteren aard zal zijn, dan de godsdienst van den heremiet, of +de eerlijkheid van den schutter; want deze Locksley ziet er uit, +als een geboren wilddief, en de priester, als een listige huichelaar." + +"Houd u stil, Wamba," zei Gurth, "het kan zijn, zooals gij +vermoedt;--maar al kwam de gehoornde duivel in eigen persoon, en bood +mij zijn bijstand aan, om Cedric en Jonkvrouw Rowena te bevrijden, +dan vrees ik, nauwelijks vroom genoeg te zijn, om het aanbod af te +slaan, en hem te verzoeken zich weg te pakken." + +De monnik was nu geheel toegerust, met zwaard en schild, boog en +pijlkoker, en een zware strijdbijl op de schouders. Hij verliet zijn +cel aan het hoofd van de bende, en na de deur zorgvuldig gesloten te +hebben, legde hij den sleutel onder den drempel. + +"Zijt gij in staat, om goeden dienst te doen, monnik," vroeg Locksley, +"of is de wijn u in het hoofd gestegen?" + +"Niet meer, dan één slok uit St. Dunstans bron verdrijven zal," +antwoordde de priester, "het suist mij een weinig in de ooren, +en mijn beenen wankelen iets; maar gij zult zien, dat dit alles +dadelijk overgaat." + +Dit zeggende, ging hij naar het steenen bekken, waarin het water van +de fontein onder het vallen bellen vormde, die in het witte maanlicht +dansten, en hij nam een zoo geweldige teug, alsof hij de bron had +willen ledigen. + +"Wanneer hebt gij meer zulk eene groote teug water gedronken, heilige +monnik van Copmanshurst?" vroeg de Zwarte Ridder. + +"Niet sedert mijn wijnvat lekte, en de drank door een verkeerde +opening er uit liep, en mij niets overbleef, dan de bron van mijn +beschermheilige hier!" hervatte de monnik. + +Hierop handen en hoofd in de fontein dompelende, wiesch hij er alle +teekenen van den nachtelijken roes af. + +Aldus ververscht en ontnuchterd, zwaaide de vroolijke priester zijn +zware strijdbijl met drie vingers rondom het hoofd, alsof hij met een +riet speelde, terwijl hij riep: "Waar zijn die schandelijke roovers, +welke meisjes tegen haar wil schaken? De duivel zal mij halen, als +ik er niet een dozijn van sta!" + +"Ha! vloekt gij, heilige monnik?" zei de Zwarte Ridder. + +"Noem mij geen monnik," hernam de van gedaante veranderde priester; +"bij St. Joris en den Draak, ik ben die niet meer, als mijn +monnikskleed niet om mijn rug zit.--Als ik mijn groenen rok aan +heb, wil ik drinken, vloeken en vrijen tegen den besten jager in +het _West-Riding_." + +"Kom, dwaze priester," zei Locksley, "wees stil; gij zijt zoo +luidruchtig, als een geheel klooster op Vasten-avond, als de Prior +naar bed is. Komt gij ook, vrienden;--houdt u niet op met praten.--Ik +zeg, gaat onverwijld mede, wij moeten onze geheele macht verzamelen, +en deze zal klein genoeg zijn, als wij het kasteel van Reginald +Front-de-Boeuf moeten bestormen." + +"Hoe!" riep de Zwarte Ridder, "is het Front-de-Boeuf, die op 's heeren +wegen des Konings getrouwe onderdanen aangevallen heeft?--Is hij een +roover en een onderdrukker geworden?" + +"Een onderdrukker was hij altijd!" antwoordde Locksley. + +"En wat den roover betreft," zei de priester, "ik twijfel, of hij +half zoo eerlijk is, als menig roover dien ik ken." + +"Voorwaarts, priester, en houd u stil," zei de schutter, "het ware +beter, dat gij den weg weest naar de vergaderplaats, dan dat gij +zegt, wat zoowel uit betamelijkheid als voorzichtigheid, verzwegen +moest blijven!" + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Helaas! hoe menig uur en jaar vervloog + Sinds aan deez' disch een mensch'lijk wezen zat, + En op zijn vlak het lamp- of kaarslicht gloorde! + Mij dunkt, ik hoor 't geluid van vroeger dagen + Nog wederklinken door het hol en hoog gewelf + Der duistere bogen, evenals de stemmen + Der dooden lang verwijlen bij hun graven. + + Orra, een Treurspel. + + +Terwijl deze maatregelen ten behoeve van Cedric en zijn metgezellen +genomen werden, dreven de gewapenden, welke hen gevangen genomen +hadden, hen voort naar de veste, waar zij hen wilden opsluiten. Maar +het werd spoedig duister, en de boschpaden schenen slecht aan de +stroopers bekend te zijn. Zij moesten herhaaldelijk lang stilhouden, en +zelfs een paar maal op hun pad terugkeeren, om weder op den rechten weg +te komen. De zomermorgen brak aan, eer zij met de volkomene bewustheid, +dat zij op het rechte spoor waren, konden verder gaan. Maar het +vertrouwen keerde met den dag terug, en de ruiters joegen nu ijlings +voorwaarts. Intusschen viel het volgende gesprek tusschen de twee +aanvoerders der bandieten voor. + +"Het is tijd, dat gij ons verlaat, ridder Maurice," zei de Tempelier +tegen De Bracy, "om het tweede bedrijf van uw mysterie op het tooneel +te brengen. Gij weet, dat gij nu den bevrijder moet spelen." + +"Ik heb mij bedacht," antwoordde De Bracy; "ik zal u niet verlaten, +eer de prijs behoorlijk in Front-de-Boeuf's kasteel in veiligheid +is. Dáár zal ik in mijne eigene gedaante voor de Jonkvrouw Rowena +verschijnen, en vertrouw, dat zij de gewelddadigheid, waaraan ik mij +schuldig gemaakt heb, om den wille mijner hevige liefde zal vergeven." + +"En wat heeft u van plan doen veranderen, De Bracy?" vroeg de +Tempelier. + +"Dat raakt u niet!" antwoordde zijn makker. + +"Ik wil evenwel hopen, heer ridder," zei de Tempelier, "dat deze +verandering van maatregel niet aan achterdocht omtrent mijne +eerlijkheid, welke Fitzurse getracht heeft in te boezemen, toe te +schrijven zij?" + +"Mijne gedachten zijn vrij," antwoordde De Bracy; "de booze lacht, +zegt men, wanneer een dief den anderen besteelt, en wij weten, dat +al spuwde hij ook wezenlijk vuur en zwavel, het nooit een tempelier +zou afschrikken, om zijne lusten niet te volgen." + +"Of den aanvoerder van een vrijbende," hervatte de Tempelier, "om +van zijn makker en vriend het onrecht te vreezen, dat hij tegen alle +menschen uitoefent." + +"Dit is nutteloos en gevaarlijk twisten," hernam De Bracy; "het zij +genoeg, dat ik de zeden der Tempeliers ken, en ik wil u de macht niet +geven, om den schoonen buit te kapen, voor welken ik zoo groot gevaar +geloopen heb." + +"Bah!" zei de Tempelier. "Wat hebt gij te vreezen?--Gij kent immers +de geloften mijner orde." + +"Zeer goed," hernam De Bracy, "en ik weet ook, hoe ze nagekomen +worden. Kom, kom, heer Tempelier, de wetten der galanterie worden +in Palestina zeer vrij uitgelegd, en dit is een geval, in hetwelk ik +volstrekt niet op uw geweten vertrouwen zal." + +"Hoor dan de waarheid," hervatte de Tempelier. "Ik bekommer mij niet +om uwe blauwoogige schoonheid. Er is ééne bij den hoop, die mij veel +beter bevalt." + +"Hoe! zoudt gij u tot eene dienstbare verlagen?" zei De Bracy. + +"Neen, heer ridder;" zei de Tempelier, op trotschen toon; "tot +eene dienstbare zal ik mij niet verlagen. Ik heb een prijs onder de +gevangenen, even schoon, als de uwe." + +"Bij de heilige mis, gij meent de schoone Jodin!" zei De Bracy. + +"En wat dan?" hernam De Bois-Guilbert. "Wie zal mij tegenhouden?" + +"Niemand en niets, voor zoover ik weet," hernam De Bracy, "zoo het niet +uwe gelofte is, of dat uw geweten zich verzet tegen een liefdehandel +met eene Jodin." + +"Van mijne gelofte," zei de Tempelier, "heeft onze Grootmeester +mij dispensatie verleend. En wat mijn geweten betreft, een man, die +driehonderd Saracenen verslagen heeft, behoeft niet iederen misstap +op te rekenen, evenals een dorpsmeisje bij haar biecht op den Goeden +Vrijdag." + +"Gij kent het best uwe eigene voorrechten," hervatte De Bracy. "Ik +had echter willen zweren, dat gij meer gedacht hadt om de geldzakken +van den ouden woekeraar, dan om de zwarte oogen zijner dochter." + +"Ik weet beiden te waardeeren," antwoordde de Tempelier; "en +buitendien is de oude Jood maar een halve prijs. Ik moet zijn buit +met Front-de-Boeuf deelen, die ons het gebruik van zijn kasteel niet +om niets zal geven. Ik moet iets hebben, dat ik bij uitsluiting mijn +eigendom kan noemen bij deze onze dolle onderneming, en ik heb de +bekoorlijke Jodin tot mijn bijzonder loon uitverkoren. Maar nu gij +mijn doel weet, zult gij uw eigen oorspronkelijk plan weder volgen, +niet waar?--Gij hebt, zooals gij ziet, niets van mijne tusschenkomst +te vreezen." + +"Neen," hernam De Bracy, "ik wil bij mijn buit blijven; wat gij +zegt, kan waar zijn; maar ik houd niet van die voorrechten, die door +dispensatie van den Grootmeester verkregen zijn, en van de verdienste, +door de slachting van driehonderd Saracenen verworven. Gij hebt te veel +recht op vergiffenis, om zeer nauwgezet te zijn omtrent kleine zonden." + +Onder dit gesprek poogde Cedric aan zijne wachters eene bekentenis van +hun stand en hunne bedoeling te ontwringen. "Gij moet Engelschen zijn," +zei hij; "en echter, heilige Hemel! valt gij op uwe landslieden aan, +alsof gij echte Normandiërs waart. Gij moet mijne buren zijn, en +dus mijne vrienden; want wie van mijne Engelsche buren heeft reden, +om dat niet te zijn? Ik zeg u, vrienden, dat zelfs zij, die met +vogelvrijverklaring gebrandmerkt zijn, door mij beschermd worden, want +ik heb medelijden gehad met hun ongeluk, en de onderdrukking hunner +dwingelanden, de edelen, vervloekt. Wat wilt gij dus van mij?--Of wat +kan u dit stilzwijgen baten?--Gij zijt slechter, dan wilde dieren in +uwe daden en wilt gij hen nog in hunne sprakeloosheid evenaren?" + +Te vergeefs sprak Cedric aldus met zijne wachters, die al te vele en +al te goede redenen voor hun stilzwijgen hadden; om hetzij door zijn +toorn of door zijn vertoogen, er toe gebracht te worden, om dat af +te breken. Zij dreven hem maar steeds voort, totdat, aan het einde +van een laan van ontzachelijke boomen, zich Torquilstone opdeed, het +grijze, oude kasteel van Reginald Front-de-Boeuf. Het was eene sterkte +van geringen omvang, bestaande uit een grooten, hoogen, vierhoekigen +toren, omringd door gebouwen van mindere hoogte, die door eene plaats +omgeven waren. Rondom den buitenmuur was een diepe gracht, welke +door een naburig riviertje met water voorzien werd. Front-de-Boeuf, +wiens karakter hem dikwijls in veeten met zijne vijanden bracht, +had aanmerkelijke verbeteringen aan de vestingwerken gemaakt, door +torens op den buitensten muur te bouwen, zoodat die aan iederen hoek +bestreken werd. De toegang, zooals gewoonlijk bij kasteelen van dat +tijdvak, was door een versterkt bruggehoofd, of buitenwerk, dat aan +iederen hoek met een toren eindigde, die het verdedigde. + +Nauwelijks zag Cedric de torens van het kasteel van Front-de-Boeuf +met hunne grijze met mos begroeide tinnen te voorschijn komen, die +in de morgenzon glinsterden, en boven het bosch, dat ze omringden +uitstaken, of hij besefte oogenblikkelijk de ware reden van zijne ramp. + +"Ik heb onrecht gedaan," zei hij, "aan de dieven en roovers van deze +wouden, toen ik meende, dat zulke bandieten daaronder behoorden: ik +had evengoed de vossen van deze bosschen met de verscheurende wolven +van Frankrijk kunnen verwarren. Zegt mij, honden, die gij zijt, +is het mijn leven of mijn rijkdom, waarnaar uw meester streeft? Is +het te veel, dat twee Saksers, ik en de edele Athelstane, eigendom +bezitten in een land, dat eens het vaderlijk erfgoed van onzen stam +was?--Brengt ons dan ter dood, en voltooit uwe dwingelandij, door +ons van het leven te berooven, na ons onze vrijheid ontnomen te +hebben. Zoo Cedric de Sakser Engeland niet kan bevrijden, dan wil +hij gaarne daarvoor sterven. Zegt aan den dwingeland, uw meester, +dat ik hem alleen smeek, om de Jonkvrouw Rowena in eer en veiligheid +te ontslaan. Zij is eene vrouw; hij behoeft haar niet te vreezen; en +met ons zullen allen uitsterven, die voor hare zaak durven strijden." + +De volgelingen bleven even stom bij deze aanspraak als bij de vorige, +en nu stonden zij voor de poort van het kasteel. De Bracy blies +driemaal op den horen, en de boogschutters, die den muur bezet hadden +bij de aankomst van den stoet, haastten zich de ophaalbrug neder en +hen binnen te laten. De gevangenen door hunne wachters gedwongen om +af te stijgen, werden naar een vertrek geleid, waar hun in haast eenig +eten werd voorgezet, waarin niemand trek gevoelde, dan Athelstane. De +afstammeling van Eduard den Belijder had echter geen tijd, om recht +te doen wedervaren aan den maaltijd, die hem voorgezet was, want de +wachters gaven hem en Cedric te kennen, dat zij in eene afzonderlijke +kamer, gescheiden van Rowena, zouden opgesloten worden. Tegenstand +was nutteloos, en ze werden gedwongen, hen naar een groot vertrek te +volgen, welks zoldering door ruwe Saksische pilaren gedragen werd, +en op die eetzalen en kapittelvertrekken geleek, welke men nog wel +eens in de oudste gedeelten van onze oudste kloosters vindt. + +Rowena werd vervolgens van haar gevolg gescheiden, en, ofschoon +met beleefdheid, toch zonder haar wil te raadplegen, naar eene +verafgelegene kamer gebracht. Dezelfde verontrustende onderscheiding +viel ook Rebekka te beurt, in weerwil van haars vaders smeeken, die, +in dezen uitersten nood, zelfs geld bood, om verlof te krijgen, dat ze +bij hem mocht blijven. "Ongeloovige heiden," antwoordde een van zijne +wachten, "als gij uwe rustplaats gezien hebt, zult gij niet begeeren, +dat uw dochter die met u deelt." En zonder verder dralen werd de oude +Jood met geweld in een andere richting dan de overige gevangenen +voortgesleept. De bedienden, na zorgvuldig doorzocht en ontwapend +te zijn, werden in een ander gedeelte van het kasteel opgesloten, +en men weigerde zelfs aan Rowena den troost, welken haar het bijzijn +van hare kamenier Elgitha zou verschaft hebben. + +Het vertrek, waarin de Saksische opperhoofden opgesloten werden,--want +op hen vestigen wij eerst onze aandacht,--ofschoon het thans als +een soort van wachtkamer gebruikt werd, was vroeger de groote zaal +van het kasteel geweest. Het diende nu slechts tot minder gewichtige +doeleinden, omdat de tegenwoordige eigenaar onder andere bijvoegselen +voor het gemak, de veiligheid en de schoonheid van zijn vrijheerlijke +verblijfplaats, eene nieuwe schoone zaal gebouwd had, welker gewelfd +dak door lichtere en meer sierlijke pilaren ondersteund, en op +die wijze versierd werd, welke reeds bij de Normandische bouwkunst +gebruikelijk was. + +Cedric stapte in de kamer op en neder, vol toornige overwegingen over +het verledene en het tegenwoordige, terwijl de onverschilligheid +van zijn makker aan dezen den zelfden dienst bewees als geduld en +wijsbegeerte, en was hij dus tegen alles gewapend, uitgezonderd tegen +de ongemakken van het oogenblik; en zelfs gevoelde hij deze laatsten +zoo weinig, dat hij slechts van tijd tot tijd tot een antwoord werd +genoopt door Cedric's driftige en hevige uitroepingen. + +"Ja," zei Cedric, half tot zich zelven en half tot Athelstane +sprekende, "het was in deze zelfde zaal, dat mijn vader een +feestelijken maaltijd hield met Torquil Wolfganger, toen hij den +dapperen en ongelukkigen Harald onthaalde, die tegen de Noorwegers +optrok, welke zich met den oproerling Tosti vereenigd hadden.--Het was +in deze zaal, dat Harald zijn edelmoedig antwoord gaf aan den gezant +van zijn muitzieken broeder. Dikwijls zag ik mijn vader ontgloeien, +wanneer hij er van sprak. De gezant van Tosti werd toegelaten, terwijl +deze ruime zaal nauwelijks den drom van Saksische opperhoofden kon +bevatten, die zich, met hun vorst, op den bloedrooden wijn vergastten." + +"Ik hoop," zei Athelstane, eenigszins opgewekt door de laatste woorden +van zijn vriend, "dat zij niet vergeten zullen om ons tegen den +middag wat wijn en ververschingen te zenden;--ons werd nauwelijks één +oogenblik voor het ontbijt vergund, en het eten bekomt mij nooit goed, +als ik zoo van het paard kom, ofschoon de geneesheeren dit aanbevelen." + +Cedric vervolgde zijn verhaal, zonder op dezen inval van zijn vriend +te letten. + +"De gezant van Tosti," zei hij, "ging door de zaal zonder te schrikken +over de gefronste gezichten van allen, die hem omringden, en boog +voor Haralds troon ter aarde." + +""Welke voorwaarden, heer Koning," zei hij, "heeft uw broeder Tosti te +verwachten, zoo hij de wapenen nederlegt, en u om den vrede verzoekt?"" + +""De liefde eens broeders," riep de edelmoedige Harald, "en het +schoone graafschap Northumberland."" + +""Maar zoo Tosti deze voorwaarden aanneemt," vervolgde de afgezant, +"welke landen zullen aangewezen worden aan zijn getrouwen bondgenoot, +Hardrada, Koning van Noorwegen?"" + +""Zeven voet Engelschen grond," antwoordde Harald opstuivende, "of, +daar men zegt, dat Hardrada een reus is, zullen wij hem mogelijk +twaalf duim meer geven."" + +"De zaal weergalmde van gejuich, en beker en drinkhoorn werden er op +geledigd, dat de Noorweger weldra in het bezit mocht zijn van zijn +Engelsch grondgebied." + +"Ik zou van ganscher harte mede gedronken hebben," zei Athelstane, +"want de tong kleeft mij aan het verhemelte." + +"De verlegen gezant," ging Cedric voort, zijn verhaal met vuur +vervolgende, ofschoon het bij zijn toehoorder geene belangstelling +verwekte, "begaf zich op weg, om aan Tosti en zijn bondgenoot het +onheil voorspellende antwoord van zijn beleedigden broeder over te +brengen. Toen was het, dat de muren van Stamford en de bloedige stroom +van de Welland, in de voorspellingen beroemd, [21] dat verschrikkelijke +gevecht aanschouwden, in hetwelk èn de Koning van Noorwegen èn +Tosti sneuvelden, na onversaagden moed ten toon gespreid te hebben, +met tien duizend hunner dappere volgelingen. Wie zou gedacht hebben, +dat op den dag zelven van die stoute overwinning, dezelfde wind, in +welken de zegepralende Saksische banieren wapperden, de Normandische +zeilen vulde, en naar de noodlottige stranden van Sussex dreef?--Wie +zou gedacht hebben, dat Harald, binnen weinige dagen, zelf niet meer +van zijn koninkrijk zou bezitten, dan wat hij in zijn toorn, aan den +Noorweegschen overweldiger toegekend had?--Wie zou gedacht hebben, dat +gij, edele Athelstane, die uit Haralds bloed afstamt en dat ik, wiens +vader niet de geringste onder de verdedigers van den Saksischen troon +was, de gevangenen van een ellendigen Normandiër zouden worden, in +dezelfde zaal, waar onze voorouders een zoo groot feestgelag vierden?" + +"Het is treurig genoeg," hernam Athelstane; "maar ik hoop, dat ze +ons voor een matig losgeld zullen vrijlaten.--Hoe het ook zij, het +kan toch nooit hun voornemen zijn ons zoo maar te laten doodhongeren; +en toch, schoon het reeds middag is, zie ik geene toebereidselen voor +het middagmaal.--Zie eens uit het venster, edele Cedric, en oordeel +naar de zonnestralen, of het niet bijna middag is." + +"Het is wel mogelijk," antwoordde Cedric; "maar ik kan niet door deze +geverfde ruiten zien, zonder dat ze andere overdenkingen verwekken +dan die, welke het voorbijsnellend oogenblik, of onze ontberingen +betreffen. Toen dit venster gemaakt werd, edele vriend, kenden onze +kloeke vaders de kunst niet, om glas te vervaardigen, of om het +te verven.--Wolfgangers hoogmoedige vader deed een kunstenaar uit +Normandië komen, om zijn zaal met deze nieuwe soort van sieraden +op te schikken, welke het gouden licht van Gods gezegenden dag in +zoovele wonderlijke kleuren vertoonen. De vreemdeling kwam hier, arm, +bedelende, kruipende en onderdanig; gereed om het hoofd voor den +geringsten huisbediende te ontblooten. Trotsch en welvarend keerde +hij terug om aan zijne landgenooten den rijkdom en de eenvoudigheid +der Saksische edelen te beschrijven;--het was eene dwaasheid, +Athelstane, voorzien en voorspeld door die afstammelingen van +Hengist en van zijn geharden stam, welke de eenvoudigheid hunner +zeden bewaard hadden. Wij maakten deze vreemdelingen tot onze +boezemvrienden, tot onze vertrouwelingen; wij benijdden hen om hunne +kunsten en kunstenaars, en verachtten de eerlijke eenvoudigheid en +gehardheid, waardoor onze brave voorouders zich staande hielden, +en wij werden ontzenuwd door de Normandische kunsten, lang eer wij +vóór de Normandische wapens bezweken. Veel beter was onze matige +kost, in vrede en vrijheid genoten, dan de weelderige lekkernijen, +welke ons tot lijfeigenen van den vreemden veroveraar gemaakt hebben!" + +"Ik zou voor het oogenblik de eenvoudigste kost voor eene lekkernij +houden," hernam Athelstane; "en het verwondert mij, edele Cedric, +dat gij u de oude daden zoo goed herinnert, terwijl gij het etensuur +schijnt te vergeten." + +"Het is vergeefsche moeite," bromde Cedric ongeduldig ter zijde, +"van iets anders tegen hem te spreken, dan van hetgeen zijn eetlust +betreft! De ziel van Hardicanute is in hem gevaren, en hij kent +geen ander genoegen, dan te eten, te verslinden, en om meer te +roepen.--Helaas!" zei hij, Athelstane met medelijden beschouwende, +"wat is het jammer, dat een zoo stompe geest in een zoo schoon +lichaam huisvest! Ach! dat zulk eene onderneming, als de bevrijding +van Engeland, op zulk een steun rusten moet. Met Rowena gehuwd, zou +inderdaad haar edele en grootmoedige ziel de betere natuur, welke +in hem sluimert, opwekken. Maar hoe kan dit zijn, zoolang Rowena, +Athelstane en ik zelf de gevangenen zijn van dezen onbeschaamden +roover, en dat misschien alleen wegens het gevaar, hetwelk onze +vrijheid aan de overweldigers kon berokkenen?" + +Terwijl de Sakser in deze smartelijke overwegingen verdiept was, ging +de deur van hunne gevangenis open en er trad een huishofmeester binnen, +met den witten staf van zijn ambt in de hand. Deze gewichtige man +trad in de kamer met deftige schreden, gevolgd door vier bedienden, +die een gedekte tafel binnenbrachten, welker gezicht en geuren voor +Athelstane een oogenblikkelijke vergoeding schenen voor het geleden +ongemak. De menschen, welke den maaltijd opdroegen, waren gemaskerd +en in mantels gehuld. + +"Waartoe dient deze vermomming?" zei Cedric; "denkt gij, dat +wij niet weten, wiens gevangenen wij zijn, hier in het kasteel +van uw meester? Zegt hem," ging hij voort, van deze gelegenheid +gebruik makende, om een onderhandeling over zijn bevrijding aan te +knoopen,--"zegt aan uw meester, Reginald Front-de-Boeuf, dat wij +geene reden weten, waarom hij ons van onze vrijheid berooft, behalve +onwettige begeerte, om zich op onze kosten te verrijken. Zegt hem, +dat wij zijne roofzucht zullen bevredigen, evenals in zulk een geval, +die van een roover van beroep. Laat hem het losgeld voor onze vrijheid +noemen, en het zal uitbetaald worden, mits de eisch onze middelen +niet te boven ga." + +De hofmeester gaf geen antwoord, maar boog diep. "En zegt aan Reginald +Front-de-Boeuf," zei Athelstane, "dat ik hem op leven en dood uitdaag, +te voet, of te paard, op de een of andere veilige plaats, binnen +acht dagen na onze bevrijding, en, zoo hij een echte ridder is, zal +hij deze uitdaging onder zulke omstandigheden niet durven weigeren +of uitstellen." + +"Ik zal den ridder uw uitdaging overbrengen," antwoordde de hofmeester; +"intusschen laat ik u aan uw maaltijd over." + +Athelstane's uitdaging werd niet met de grootste waardigheid geuit; +want een groote mondvol, die het gebruik van beide kakebeenen tegelijk +vorderde, gevoegd bij zijn stotteren, benadeelde aanmerkelijk de +deftigheid van zijn stoute woorden. Desniettemin hield Cedric ze voor +een onbetwistbaar teeken van den weder ontwakenden moed zijns makkers, +wiens vroegere onverschilligheid, in weerwil van de achting, welke hij +voor zijn afkomst koesterde, zijn geduld op een harde proef gesteld +had. Maar hij drukte hem nu hartelijk de hand, als een teeken van zijn +goedkeuring, en was eenigszins teleurgesteld toen Athelstane aanmerkte: +"Dat hij het met een dozijn van zulke menschen, als Front-de-Boeuf, +wilde opnemen, als hij daardoor zijn vertrek uit eene gevangenschap +kon bespoedigen, waar men zoo veel knoflook in de soep deed." Maar +in weerwil van dit voorteeken van den terugkeer zijner zinnelijkheid, +plaatste zich Cedric tegenover Athelstane, en toonde weldra, dat zoo +de rampen van zijn vaderland de gedachte aan te eten en drinken uit +zijn gemoed konden verdrijven, zoolang de tafel niet gedekt was, +de spijzen toch nauwelijks opgedragen konden zijn, zonder dat hij +bewees, dat de eetlust zijner Saksische voorouders met hun overige +hoedanigheden op hem overgegaan was. + +De gevangenen hadden echter nog niet lang begonnen hun ververschingen +te nuttigen, toen hunne aandacht van deze uiterst gewichtige bezigheid +afgetrokken werd, door den klank van een horen buiten de poort. Het +geluid werd driemaal herhaald, met een geweld, alsof de uitverkoren +ridder voor een betooverd kasteel geblazen had, op wiens opeisching +zalen en torens, bolwerken en borstweringen zouden verdwijnen als een +morgen-nevel. De Saksers vlogen van de tafel op naar het venster. Maar +hun nieuwsgierigheid werd te leur gesteld; want deze vensters zagen +alleen op de plaats van het kasteel uit, en het horengeschal kwam van +buiten. Het geluid bleek echter de aandacht getrokken te hebben; want +er scheen oogenblikkelijk een groot gewoel in het kasteel te ontstaan. + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Mijn dochter,--o mijn dukaten, o mijn dochter! + O mijn christelijke dukaten! + Het gerecht,--de wet,--mijn dukaten en mijn dochter! + + Koopman van Venetië. + + +Aan de Saksische edelen het overlatende, tot hun maaltijd terug +te keeren, zoodra hunne onbevredigde nieuwsgierigheid duldde, dat +zij aan hun half verzadigden eetlust gehoor gaven, moeten wij een +blik werpen op de nog strengere gevangenschap van Izaäk van York. De +arme Jood was dadelijk in een keldergewelf van het kasteel geworpen, +waarvan de vloer diep onder den grond en zeer vochtig was, daar die +nog lager dan de gracht lag. Het weinige licht kwam uit een paar zeer +hoog geplaatste schietgaten, zoodat de gevangene er op verre na niet +bijkomen kon. Deze openingen verschaften zelfs op den middag slechts +een flauw schemerlicht, dat in duisternis overging, lang eer het +overige gedeelte van het kasteel den zegen van het daglicht verloren +had. Ketenen en boeien, welke vroegere gevangenen gedragen hadden, +wier pogingen tot ontvluchten men gevreesd had, hingen verroest aan +de muren der gevangenis; en in de ringen van één er van zag men twee +vermolmde beenderen, welke voorheen naar het scheen aan een mensch +behoord hadden, dien men niet alleen daar als gevangene had laten +omkomen, maar ook tot een geraamte laten vergaan. Aan het ééne einde +van dit akelig verblijf was een groot rooster, waarover eenige ijzeren +staven lagen, die half door den roest verteerd waren. + +Het geheele voorkomen der gevangenis had een stouter hart, dan +dat van Izaäk, kunnen doen beven, die evenwel in het gevaar zelf +veel bedaarder was, dan hij geschenen had, zoolang hij door een +vrees gekweld werd, welker oorzaak nog verborgen en onzeker was. De +liefhebbers der jacht zeggen, dat de haas meer angst gevoelt onder +het vervolgen der windhonden, dan wanneer hij onder hunne klauwen +is. En dus is het waarschijnlijk, dat de Joden, door hun gedurige +schrik bij alle gelegenheden, eenigszins voorbereid waren op iedere +kwelling der dwingelandij, die op hen kon worden uitgeoefend; +zoodat geene verdrukking, die wezenlijk plaats vond, die verrassing +kon te weeg brengen, welke de meest verlammende uitwerking van +den schrik is. Ook was het niet voor de eerste maal, dat Izaäk in +zulk gevaar verkeerde. Hij bezat dus ervaring, om zich er naar te +gedragen, en de hoop, om evenals te voren, uit de handen der roovers +te ontsnappen. Vooral bezat hij die ontoegeeflijke hardnekkigheid +zijner natie, en dien onverzettelijken moed, met welken zij zich +dikwijls onderworpen heeft aan de uiterste rampen, welke macht en +geweld haar konden opleggen, eerder dan een Jood te kunnen dwingen +zijn onderdrukkers te voldoen, door in hun eischen toe te stemmen. + +In deze gemoedsstemming dan, en met zijne kleederen onder zich +uitgespreid, om zijn leden tegen den vochtigen vloer te beschermen, +zat Izaäk in een hoek van zijne gevangenis, waar zijne gevouwen handen, +zijn loshangend haar en zijne lange baard, zijn met bont bezette mantel +en zijne hooge muts, in een flauw gebroken licht, eene studie voor +een Rembrandt zouden opgeleverd hebben, zoo die beroemde schilder in +dien tijd geleefd had. De Jood bleef omtrent drie uren onveranderd in +dezelfde houding, toen men voetstappen hoorde op de trap, die naar de +gevangenis leidde. De grendels kraakten, de hengsels knarsten bij het +openen, en Reginald Front-de-Boeuf trad in de gevangenis, door de twee +Saraceensche slaven des Tempeliers gevolgd. Front-de-Boeuf, een groot, +forsch mensch, die zijn leven in openlijken oorlog, of in bijzondere +veeten doorgebracht, en nooit eenige middelen geschuwd had, om zijne +willekeurige macht uit te breiden, had gelaatstrekken, die volkomen +met zijn karakter overeenstemden, en welke de woeste en boosaardige +driften zijner ziel uitdrukten. De litteekens, waarmede zijn gezicht +bedekt was, zouden bij beter gevormde trekken, de belangstelling +en den eerbied verwekt hebben, welke men verschuldigd is aan de +eervolle dapperheid; maar, in het bijzonder geval van Front-de-Boeuf, +vermeerderden zij slechts de woestheid van zijn gelaat, en de ijzing, +welke zijne tegenwoordigheid inboezemde. Deze schrikbarende edelman was +gekleed in een lederen wambuis, dat nauw om het lijf sloot, en hier en +daar door vlekken van zijn wapenrusting bezoedeld was. Hij droeg geen +wapen, behalve een dolk in den gordel, die als een tegenwicht diende +voor den bundel verroeste sleutels, welke aan zijne rechterzijde hing. + +De zwarte slaven, welke Front-de-Boeuf vergezelden, hadden hun +prachtige kleeding afgelegd, en wambuizen en broeken van grof +linnen aangetrokken; hunne mouwen waren tot boven aan den elleboog +opgestroopt, gelijk die van slagers, als zij hun beroep in het +slachthuis willen verrichten. Ieder had een korfje in de hand en +toen zij in de gevangenis traden, bleven zij aan de deur staan tot +Front-de-Boeuf ze zelf zorgvuldig gegrendeld en dubbel gesloten +had. Na deze voorzorg genomen te hebben, ging hij langzaam door +het vertrek op den Jood toe, op wien hij zijn oog gevestigd hield, +alsof hij hem door zijn blik verlammen wilde, evenals men zegt, dat +zekere dieren hun prooi betooveren. Het scheen, inderdaad, alsof het +sombere, boosaardige oog van Front-de-Boeuf iets van die macht over +zijn ongelukkigen gevangene had. De Jood opende den mond en vestigde +de oogen op den woesten edelman met zulk een hevigen schrik, dat +zijn lichaam letterlijk scheen ineen te krimpen en te vergaan onder +dien vasten en ijselijken blik. De ongelukkige Jood was niet alleen +buiten machte, om op te staan, om de nederige buiging te maken, welke +zijne vrees hem voorschreef, maar hij kon niet eens de muts afnemen, +of eenig smeekend woord uitbrengen, zoo sterk was hij getroffen door +de overtuiging, dat pijniging en dood hem boven het hoofd hingen. + +Van den anderen kant, scheen de reusachtige gestalte van den +Normandiër in grootte toe te nemen, gelijk die van een adelaar, die +zijn vederen opzet, als hij op het punt is, op zijn weerlooze prooi +neer te storten. Hij bleef drie pas van den hoek staan, waarin de arme +Jood nu, als het ware in de kleinst mogelijke ruimte gekropen was, +en gaf een teeken aan een der slaven om te naderen. De zwarte trawant +trad vóór, en uit zijn korfje een groote schaal en verscheidene +gewichten te voorschijn halende, legde hij ze voor de voeten van +Front-de-Boeuf neder, en begaf zich weder op den eerbiedigen afstand, +waar zijn makker was blijven staan. De bewegingen dezer mannen waren +langzaam en statig, alsof een voorgevoel van iets ijselijks en wreeds +hunne zielen drukte. Front-de-Boeuf opende zelf het tooneel, door +zijn rampzaligen gevangene aldus aan te spreken: + +"Vervloekte hond, van een vervloekten stam," zei hij, met zijn diepe, +holle stem den somberen weerklank in het gewelf doende ontwaken; +"ziet gij deze schaal?" + +De ongelukkige Jood beantwoordde dit met een zacht: "Ja." + +"Op deze schaal," vervolgde de onbarmhartige edele, "zult gij +mij duizend pond zilver uitwegen, maat en gewicht van den _Tower_ +van Londen." + +"Heilige Abraham!" hernam de Jood, die nu woorden vond: "heeft men +ooit zulk een eisch gehoord? Wie heeft ooit, zelfs in een minnezangers +verhaal, van zulk een som, als duizend pond zilver gehoord? Welk een +menschelijk oog werd ooit gezegend met de aanschouwing van zulk een +schat! Zelfs binnen de muren van York, al haalt gij mijn huis en de +huizen van mijn geheelen stam omver, zult gij het tiende gedeelte +van de ongehoorde som zilver, waarvan gij spreekt, niet vinden." + +"Ik ben redelijk," antwoordde Front-de-Boeuf, "en zoo het zilver +schaarsch is, weiger ik geen goud; één mark goud tegen zes pond +zilver gerekend. Daardoor kunt gij uw ongeloovig lichaam van eene +straf bevrijden, waarvan uwe ziel nooit eenig denkbeeld gehad heeft." + +"Heb medelijden met mij, edele ridder!" riep Izaäk. "Ik ben oud, +arm en hulpeloos. Het ware onwaardig, over mij te zegepralen.--Het +is eene armzalige daad, een worm te verpletteren!" + +"Oud moogt gij zijn," hernam de ridder, "te meer schande voor de +dwaasheid van hen, welke u bij woeker en schelmerij hebben laten +grijs worden.--Zwak moogt gij ook zijn, want wanneer had ooit een +Jood hart of hand?--Maar rijk zijt gij, dat is wel bekend!" + +"Ik zweer u, edele ridder," hervatte de Jood, "bij alles, waaraan ik +geloof, en bij alles, waaraan wij gemeenschappelijk gelooven--" + +"Word niet meineedig," zei de Normandiër, hem in de rede vallende, +"en haal u het ongeluk niet op den hals door uwe halsstarrigheid, vóór +dat gij het lot, hetwelk u te wachten staat, hebt leeren kennen, en +het wel overwogen hebt. Denk niet, dat ik alleen tegen u spreek, om u +schrik aan te jagen, en om gebruik te maken van de lage lafhartigheid, +welke gij van uw stam geërfd hebt.--Ik zweer u bij datgene, waaraan +gij niet gelooft, bij het Evangelie, hetwelk onze kerk verkondigt, +en bij de macht die haar gegeven is, om te binden en te ontbinden, +dat mijn voornemen vast en onwrikbaar is. Deze kerker is geene plaats +om er in te schertsen. Gevangenen, die tienduizendmaal meer waard +waren dan gij, zijn binnen deze muren omgekomen, zonder dat hun lot +ooit bekend is geworden. Maar voor u is een langzame kwijnende dood +bespaard, waartegen de hunne zaligheid was." + +Hij gaf den slaven weder een teeken om te naderen, en sprak ter zijde +met hen in hun eigene taal; want hij was ook in Palestina geweest, +waar hij misschien zijne wreedheid geleerd had. De Saraceenen haalden +uit hun korf een menigte houtskolen, een blaasbalk, en een flesch +met olie te voorschijn. Terwijl de één vuur sloeg, legde de ander +de houtskool op den grooten verroesten rooster, waarvan wij reeds +gesproken hebben, en blies het vuur aan, tot de kolen gloeiden. + +"Ziet gij, Izaäk," zei Front-de-Boeuf, "de rij ijzeren staven boven +die gloeiende houtskolen? [22] Op dat heete bed zult gij liggen, +van al uw kleederen ontbloot, alsof gij op een bed van dons moest +liggen. Één van deze slaven zal het vuur onder u aanhouden, terwijl de +andere uwe ellendige leden met olie zal begieten, opdat het gebraad +niet aanbrande.--Kies nu tusschen zulk een warm bed en het betalen +van duizend pond zilver; want, bij het hoofd mijns vaders, gij hebt +geen andere keuze." + +"Het is onmogelijk," zei de ongelukkige Jood, "het is onmogelijk, +dat dit wezenlijk uw voornemen zou zijn! De algoede Vader der natuur +heeft nooit een hart geschapen, dat in staat was zulk eene wreedheid +te begaan." + +"Vertrouw daar niet op, Izaäk," zei Front-de-Boeuf; "dat zou eene +noodlottige dwaling zijn. Denkt gij, dat ik, die eene stad heb zien +uitplunderen, in welke duizenden Christenen, mijn landslieden, door het +zwaard, vuur en water zijn omgekomen, van mijn voornemen zal afzien, +om het geschreeuw en gesteun van één ellendigen Jood?--Of meent gij, +dat deze zwarte slaven, die wet, noch vaderland, noch geweten kennen, +behalve huns meesters wil,--die, op zijn eersten wenk, vergif, dolk, +paal of koord gebruiken,--denkt gij, dat ze medelijden zullen hebben, +daar ze niet eens de taal verstaan, in welke gij er om smeekt?--Wees +verstandig, oude man, ontdoe u van een gedeelte van uw overtolligen +rijkdom, betaal in handen van een Christen een gedeelte van hetgeen gij +verworven hebt door den woeker, welken gij tegen zijne geloofsgenooten +uitgeoefend hebt. Uw list kan spoedig uwe ledige en ingekrompen beurs +weder vullen; maar geen arts en geene artsenij kan uw gebraden vel en +vleesch herstellen, als gij eens op deze staven gelegen hebt. Tel uw +losgeld maar neer, zeg ik, en verheug u, dat gij u tot zulk een prijs +uit een kerker kunt vrijkoopen, waaruit weinigen zijn teruggekeerd, +om de geheimen er van over te vertellen. Ik verspil geene woorden +meer;--kies tusschen geld en vleesch en bloed, en zooals gij +kiest,--zoo zal het zijn!" + +"Dan mogen Abraham, Jakob en alle vaders van ons volk mij bijstaan," +zei Izaäk; "ik kan geene keus doen, dewijl ik de middelen niet bezit, +om aan uw buitensporigen eisch te voldoen." + +"Grijpt en ontkleedt hem, slaven!" riep de ridder. "En mogen de +vaderen van zijn stam hem bijstaan, zoo zij kunnen!" + +De bedienden, zich meer naar de oogen en de wenken van hun heer, dan +naar zijne woorden richtende, traden andermaal voorwaarts, legden +de handen aan den ongelukkigen Izaäk, rukten hem van den grond op, +en hem tusschen zich houdende, wachtten zij op een verder teeken van +den hardvochtigen edelman. De ellendige Jood vestigde zijn oogen op +hun gelaat en op dat van Front-de-Boeuf, in de hoop van eenig teeken +van medelijden te bespeuren; maar het gelaat des Barons vertoonde +denzelfden kouden, half kwaadaardigen, half spottenden glimlach, +die de voorbode van zijne wreedheid geweest was; en de woeste oogen +der Saraceenen, somber onder hun zwarte wenkbrauwen rollende, en een +nog akeliger uitdrukking ontleenende aan de witheid van den kring +rondom den oogappel, gaven veeleer het geheim vermaak te kennen, dat +zij van het aanstaande tooneel verwachtten, dan eenigen tegenzin, +om daarbij deelgenooten en medehelpers te zijn. Hierop zag de Jood +naar den gloeienden rooster, waarop hij uitgestrekt zou worden, +en geen kans ziende, dat zijn pijniger toegeven zou, bezweek zijn moed. + +"Ik zal de duizend pond zilver betalen," riep hij.--"Dat is," voegde +hij er na een oogenblik zwijgens bij, "ik zal ze betalen met behulp +mijner broeders, want ik moet als een bedelaar, aan de deur van onze +Synagoge smeeken, vóór dat ik een zoo ongehoorde som bijeen krijgen +kan.--Wanneer en waar moeten ze uitbetaald worden?" + +"Hier," hernam Front-de-Boeuf, "hier moeten ze worden uitbetaald en +gewogen,--gewogen en uitgeteld op den vloer van dezen kerker. Denkt +gij, dat ik u zou loslaten, vóór dat het losgeld uitgekeerd is?" + +"En wie zal mij borg zijn," zei de Jood, "dat ik in vrijheid zal +worden gesteld, als dit losgeld betaald is?" + +"Het woord van een Normandischen edelman, woekerende slaaf," antwoordde +Front-de-Boeuf; "het woord van een Normandischen edelman, dat meer +waard is dan al het goud en zilver van u en van uw geheelen stam." + +"Vergeef mij, edele heer," zei Izaäk vreesachtig; "maar waarom zou +ik geheel op het woord vertrouwen van iemand, die niet op het mijne +vertrouwen wil?" + +"Omdat gij het niet laten kunt, Jood!" hernam de ridder +minachtend. "Zoo gij thans in uwe schatkamer te York waart, en ik +geld van u leenen wilde, dan zou het u passen, om den betaaltijd te +bepalen, en een onderpand te vragen. Dit is _mijn_ schatkamer. Hier +heb ik u in mijne macht, en ik zal mij niet weder verwaardigen, +de voorwaarden te herhalen, op welke ik u de vrijheid schenk." + +De Jood zuchtte diep.--"Schenk mij ten minste," zei hij, "met mijn +vrijheid, ook die van mijn reisgezellen! Zij verachten mij, als Jood; +echter hadden zij medelijden met mijn ongeluk, en door zich op weg op +te houden, om mij te helpen, is hun gedeeltelijk deze ramp overkomen; +buitendien kunnen zij ook een gedeelte van mijn losgeld dragen." + +"Zoo gij die Saksische boeren meent," zei Front-de-Boeuf, "hun losgeld +zal van andere voorwaarden afhangen. Bekommer u niet om de zaken van +anderen, Jood, ik waarschuw u, maar alleen om uw eigene." + +"Ik zal dus," zei Izaäk, "alleen in vrijheid gesteld worden met mijn +gekwetsten vriend?" + +"Moet ik een zoon van Israël tweemalen aanbevelen," hernam +Front-de-Boeuf, "om zich met zijne eigene zaken te bemoeien, en aan +anderen de hunne over te laten?--Daar gij uwe keus gedaan hebt, blijft +er niets over, dan dat gij uw losgeld binnen den kortst mogelijken +tijd bijeen brengt." + +"Maar hoor mij aan," zei de Jood,--"om den wille van denzelfden +rijkdom, welken gij verwerven wilt ten koste van uw--" Hier bleef +hij steken, uit vrees van den woesten Normandiër te vertoornen. Maar +Front-de-Boeuf glimlachte slechts, en hij vulde zelf het ontbrekende +in des Joods gezegde aan. + +"Ten koste van mijn geweten, wildet gij zeggen, Izaäk; zeg het maar +ronduit.--Ik zeg u, ik ben redelijk. Ik kan de verwijten van hem, +die verliest, verdragen, al zijn die ook van een Jood. Gij waart +zoo geduldig niet, Izaäk, toen gij het gerecht inriept tegen Jacques +Fitzdotterel, omdat hij u een onmeedoogenden woekeraar noemde, nadat +uwe afpersingen zijn vaderlijk erfgoed verslonden hadden." + +"Ik zweer op den Talmud," hervatte de Jood, "dat men u in die zaak +verkeerd onderricht heeft. Fitzdotterel trok den dolk tegen mij in +mijn eigen kamer, omdat ik hem om mijn eigen geld vroeg. De tijd tot +betaling was op het Paaschfeest verschenen." + +"Het is mij onverschillig, wat hij deed," zei Front-de-Boeuf; "de +vraag is, wanneer zal ik mijn loon krijgen? Wanneer zal ik mijn geld +hebben, Izaäk?" + +"Laat mijn dochter Rebekka naar York gaan, met een vrijgeleide van u, +edele ridder," antwoordde Izaäk, "en zoo spoedig man en paard terug +keeren kan, zal u de schat--" hier slaakte hij een diepen zucht, +maar voegde er na een oogenblik zwijgens bij,--"zal u de schat hier +uitbetaald worden." + +"Uw dochter!" zei Front-de-Boeuf, met een schijn van +verwondering.--"Bij den Hemel, Izaäk, ik wenschte, dat ik dit +geweten had. Ik dacht, dat het zwartoogige meisje uw bijzit was, +en gaf haar, als dienstbare, aan den ridder Brian de Bois-Guilbert, +naar de gewoonte van de aartsvaders en helden van den ouden tijd, +welke ons hierin met een goed voorbeeld zijn voorgegaan." + +De gil, welken Izaäk bij deze ongevoelige mededeeling gaf, deed +het gewelf weergalmen, en verraste de twee Saraceenen zoo zeer, +dat zij den Jood loslieten. Hij maakte gebruik van deze vrijheid, +om zich neder te werpen, en Front-de-Boeuf's knieën te omvatten. + +"Neem alles, wat gij geëischt hebt," riep hij. "Heer ridder;--neem +tienmaal meer;--breng mij tot den bedelstaf, zoo gij wilt;--doorboor +mij met dien dolk, leg mij op dien rooster, maar spaar mijn dochter, +laat haar in eer en deugd vertrekken!--Bij de moeder, welke u het +leven schonk, smeek ik u, spaar de eer van een hulpeloos meisje.--Zij +is het evenbeeld van mijne overledene Rachel; zij is het laatste +van zes panden harer liefde.--Wilt gij een ongelukkigen weduwnaar +van zijn eenigen overgebleven troost berooven?--Wilt gij een vader +dwingen, om te wenschen, dat zijn eenig in het leven gebleven kind, +naast haar moeder in het graf onzer vaderen lag?" + +"Ik wilde," zei de Normandiër, een weinig aangedaan, "dat ik dit +vooraf geweten had. Ik meende, dat uw stam niets beminde, dan zijne +geldzakken?" + +"Denk niet zoo slecht van ons," zei Izaäk, begeerig om van dit +oogenblik van schijnbare gevoeligheid gebruik te maken: "de vervolgde +vos, de gekwelde wilde kat beminnen hun kroost.--Het verachte en +vervolgde nageslacht van Abraham bemint ook zijne kinderen." + +"Het is zoo," zei Front-de-Boeuf; "ik wil het in het vervolg gelooven, +Izaäk, om uwentwille;--maar dit baat ons nu niet. Ik kan niet weder +goed maken hetgeen geschied is, en hetgeen nog geschieden kan; ik heb +mijn wapenbroeder mijn woord gegeven, en ik zou het niet om tien Joden +en Jodinnen willen breken. Buitendien, waarom denkt gij, dat het meisje +kwaad zal overkomen, al valt zij zelfs in de handen van Bois-Guilbert?" + +"Er zal, er moet haar kwaad overkomen!" riep Izaäk, de handen angstig +wringende. "Wanneer hebben de Tempeliers ooit iets anders bedacht +dan de wreedheid tegen mannen en oneer tegen vrouwen?" + +"Ongeloovige hond!" riep Front-de-Boeuf, met vonkelende oogen, en +misschien niet ontevreden, dat hij een voorwendsel gevonden had, +om in drift te geraken: "Laster de heilige orde van den Tempel van +Sion niet; maar denk er liever aan mij het losgeld te betalen, dat +gij mij beloofd hebt, of wee u!" + +"Roover en booswicht!" riep de Jood, de beleedigingen van zijn +onderdrukker met eene drift beantwoordende, welke, hoe onmachtig +ook, hij nu niet meer beteugelen kon. "Ik wil niets betalen;--geen +penning zal ik u geven, zoo mijne dochter in eer en deugd, mij niet +teruggegeven wordt." + +"Zijt gij bij zinnen, Jood?" vroeg de Normandiër barsch.--"Is uw +vleesch en bloed bestand tegen heet ijzer en kokende olie?" + +"Ik geef er niet om," zei de Jood, wanhopig geworden door vaderlijke +liefde; "doe het ergste! Mijne dochter is mijn vleesch en bloed, +duizendmaal dierbaarder voor mij dan het lichaam door uwe wreedheid +bedreigd. Ik wil u geen zilver geven, tenzij ik het u gesmolten in +de gierige keel kan gieten,--geen penning wil ik u geven, Nazarener, +al kon die u van de zware verdoemenis redden, welke uw geheel leven +verdiend heeft! Neem mijn leven, zoo gij wilt, en zeg, dat de Jood, +te midden zijner martelingen, den Christen wist te leur te stellen." + +"Wij zullen dat eens zien," hernam Front-de-Boeuf, "want bij het +heilige kruis, dat de afschuw van uw vervloekten stam is, gij zult +het uiterste van vuur en staal gevoelen.--Ontkleedt hem, slaven, +en bindt hem op de ijzeren stangen." + +In weerwil van den zwakken tegenstand van den grijsaard, hadden de +Saraceenen hem reeds de bovenkleederen afgescheurd, en wilden hem +geheel ontkleeden, toen de klank van een horen zich tweemaal buiten +het kasteel liet hooren, en zelfs tot in den kerker doordrong: en +onmiddellijk daarna, hoorde men stemmen, die om den ridder Reginald +Front-de-Boeuf riepen. Daar de woeste edelman niet gaarne in deze +helsche bezigheid wilde gevonden worden, gaf hij een teeken aan de +slaven, om aan Izaäk zijne kleederen terug te geven, en, de gevangenis +met zijn dienaars verlatende, liet hij den Jood achter, om God voor +zijn redding te danken, of om de gevangenschap zijner dochter, en haar +lot te beklagen, naarmate zijn persoonlijke of vaderlijke gevoelens +de overhand kregen. + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Indien mijn vriendlijk woord niet baat, + Uw stuurschen zin niet om kan zetten, + Ik dwing tot liefde u als soldaat, + En min u strijdig met haar wetten. + + De twee Edelen van Verona. + + +De kamer, waarin de Jonkvrouw Rowena gebracht was, vertoonde eenige +ruwe versiering en opschik, en men kon hare opsluiting aldaar als +een bijzonder blijk van hoogachting beschouwen, die aan de overige +gevangenen niet bewezen werd. Maar de echtgenoote van Front-de-Boeuf, +voor wie het vertrek oorspronkelijk ingericht werd, was sedert lang +overleden, en verval en verwaarloozing hadden de weinige sieraden +verminkt, waarmede haar smaak de kamer opgesmukt had. Het behangsel +hing, op vele plaatsen, bij den muur neer, en op andere was het door +de kracht der zon verbleekt, of vergaan, of door ouderdom verscheurd +en verwoest. Hoe vervallen dan ook de kamer scheen, was het toch die, +welke men in het kasteel voor het gemak der Saksische erfdochter het +geschiktst geoordeeld had; en daar liet men haar, om over haar lot +na te denken, tot de handelende personen, in dit schandelijk bedrijf, +de verscheidene rollen verdeeld hadden, welke zij spelen zouden. Dit +was bepaald in een raad, gehouden door Front-de-Boeuf, De Bracy en +den Tempelier, in welken zij, na eene lange en driftige beraadslaging +over de verschillende voordeelen, welke ieder, voor zijn eigen aandeel, +uit deze stoute onderneming wilde trekken, ten laatste het lot hunner +ongelukkige gevangenen beslist hadden. + +Het was dus omtrent den middag, toen De Bracy, door wien de onderneming +eigenlijk beraamd was, verscheen, om zijne plannen op de hand en de +goederen van Rowena door te zetten. Den tusschentijd had hij niet +geheel en al besteed, om te raadplegen met zijne bondgenooten; maar +hij had zich met al de pracht van die tijden opgesmukt. Zijn groen +wambuis en masker waren afgelegd. Zijn lang, schoon haar hing in zware +krullen over zijnen met rijk bont bezetten mantel. Zijn baard was +kort geschoren, zijn wambuis hing tot op het midden van zijn been, +en de gordel, welke het vasthield, en tegelijk zijn groot zwaard +droeg, was geborduurd en bezet met goud. Wij hebben reeds van de +buitensporige mode der schoenen van dien tijd gesproken, en de punten +van die van Maurice De Bracy konden aan de schoonsten van dien aard +den prijs betwisten, daar ze gedraaid en opgekruld waren als de horens +van een ram. Zoo was de kleeding van een hofjonker van dit tijdvak; +en in het tegenwoordige geval werd de uitwerking daarvan bevorderd +door het schoone voorkomen en de beschaafde manieren van den ridder, +wiens houding de bevalligheid van den hoveling met het ongedwongene +van den krijgsman vereenigde. + +Hij groette Rowena, door zijn fluweelen _baret_ af te nemen, die met +een gouden speld versierd was, verbeeldende St. Michiel, den Satan +onder de voeten tredende. Hierna wees hij de dame vriendelijk een +stoel aan, en daar ze er geen gebruik van scheen te willen maken +trok de ridder den handschoen van de rechterhand uit, en bood +haar die aan, om haar naar den stoel te geleiden. Maar Rowena wees +zwijgend de aangebodene beleefdheid van de hand, en zei: "Zoo ik in +tegenwoordigheid van mijn bewaarder ben, heer ridder, zooals alle +omstandigheden mij overtuigen, dan betaamt het zijne gevangene te +blijven staan, tot ze haar vonnis vernomen heeft." + +"Ach! schoone Rowena," hernam De Bracy, "gij zijt in tegenwoordigheid +van uw gevangene, en niet van uw bewaarder, en het is van uwe schoone +oogen, dat De Bracy dat vonnis moet ontvangen, hetwelk gij te vergeefs +van hem verwacht." + +"Ik ken u niet, ridder,"--zei de Jonkvrouw, zich verheffende met al +de trotschheid van beleedigden rang en schoonheid;--"ik ken u niet; +en de onbeschaamde gemeenzaamheid, waarmede gij mij in de wartaal der +troubadours aanspreekt, is geene verontschuldiging voor het geweld +van den roover." + +"Aan u zelve, schoone dame," antwoordde De Bracy op zijn vorigen +toon,--"aan uwe eigene bekoorlijkheden moet gij alles wijten, wat ik +strijdig gedaan heb met den eerbied jegens haar, die ik tot koningin +van mijn hart en leidstar van mijne oogen gekozen heb." + +"Ik herhaal het, heer ridder, dat ik u niet ken, en dat geen man, +die ridderketen en sporen draagt, zich aldus bij eene weerlooze vrouw +moest opdringen." + +"Dat ik onbekend bij u ben," zei De Bracy, "is inderdaad mijn ongeluk; +laat mij, evenwel, hopen, dat De Bracy's naam niet altijd ongenoemd is +gebleven, als minnezangers en herauten de heldendaden der ridderschap, +in het strijdperk en op het slagveld, geprezen hebben." + +"Laat dan, heer ridder," hernam Rowena, "uw lof over aan de lofspraak +van herauten en minnezangers, daar die beter in hun mond past, dan in +den uwe, en zeg mij, wie van hen, in een gezang of toernooiboek, de +merkwaardige zegepraal van dezen nacht zal verhalen, een zegepraal, die +gij behaald hebt op een ouden man, vergezeld door eenige vreesachtige +dienstbaren, en waarvan de buit bestaat in een ongelukkig meisje, dat +men tegen wil en dank naar het kasteel van een roover gevoerd heeft." + +"Gij zijt onbillijk, Jonkvrouw," zei de ridder, zich verlegen op de +lippen bijtende, en een toon aannemende, die hem natuurlijker was, +dan de gemaakte hoffelijkheid, die hij eerst gebruikt had; "daar gij +zelve door geen hartstocht bezield zijt, kunt gij de razernij van een +ander niet verontschuldigen, schoon die door uwe eigene schoonheid +veroorzaakt is." + +"Ik bid u, heer ridder," hervatte Rowena, "niet voort te gaan met +een taal, die zoo afgesleten is door rondreizende minnezangers, dat +ze niet in den mond van ridders of edelen past. Waarlijk, gij dwingt +mij, te gaan zitten, daar gij zulke afgezaagde uitdrukkingen gebruikt, +waarvan ieder gemeene speelman een voorraad heeft, waarmede hij van +heden tot Kerstmis uitkomen kon." + +"Hoogmoedige Jonkvrouw," zei De Bracy vertoornd, daar hij zag, +dat zijn hoogdravende stijl hem niets dan verachting op den hals +haalde;--"hoogmoedige Jonkvrouw, gij zult met gelijken hoogmoed +behandeld worden. Verneem dan, dat ik mijn aanzoek om uwe hand op +de meest met mijn karakter overeenstemmende wijze heb gedaan. Het +past beter voor uwe inborst met geweld gevrijd te worden, dan met +smeekende woorden en hoffelijke taal." + +"Hoffelijke taal," hernam Rowena, "gebruikt om eene lage daad te +verbergen, is niets dan een riddergordel om het lichaam van een lagen +boer. Het verwondert mij niet, dat de terughouding u zwaar valt;--het +zou u meer tot eer verstrekken, zoo gij de kleeding en de taal van +een roover hadt behouden, dan diens daden onder eene aangenomen edele +taal en houding te verbergen." + +"Gij geeft mij daar een goeden raad," zei De Bracy; "en in de stoute +taal, welke het best aan stoute daden betaamt, zeg ik u, dat gij +dit kasteel nooit anders zult verlaten, dan als de echtgenoote van +De Bracy. Ik ben niet gewoon, in mijne ondernemingen gedwarsboomd +te worden; en een Normandisch edelman behoeft niet eens zijn gedrag +angstig te rechtvaardigen voor het Saksische meisje, dat hij met het +aanbod zijner hand vereert. Gij zijt trotsch, Rowena; wel nu, des te +geschikter zijt gij, om mijne echtgenoote te worden. Door welk ander +middel, dan door eene verbintenis met mij, kunt gij tot hooge eer en +tot een vorstelijken stand verheven worden? Hoe wilt gij anders uit +de benauwde vertrekken van eene boerenwoning verlost worden, waar de +Saksers zich opsluiten met de zwijnen, welke hun rijkdom uitmaken, +om uw plaats in te nemen, geëerd zooals het betaamt, onder alles, wat +in Engeland door schoonheid uitmunt, of door macht verheerlijkt is?" + +"Heer ridder," hernam Rowena, "de woning, welke gij veracht, is van +mijne kindsheid af mijne schuilplaats geweest; en geloof mij, als +ik ze verlaat,--zoo die dag ooit verschijnt,--dan zal het zijn met +een man, die niet geleerd heeft de woning en de zeden te verachten, +in welke ik opgevoed ben." + +"Ik gis uwe meening, Jonkvrouw," zei De Bracy, "schoon ge u verbeelden +moogt, dat ze te diep ligt voor mijn begrip. Maar droom niet, dat +Richard Leeuwenhart ooit zijn troon weder zal bestijgen, noch veel +minder, dat zijn gunsteling, Wilfrid van Ivanhoe, u ooit naar den +voet van dien troon zal geleiden, om daar, als de bruid van des +Konings gunsteling, verwelkomd te worden. Een ander minnaar zou +jaloersch kunnen worden bij het aanraken van deze snaar; maar mijn +vast voornemen kan niet veranderd worden door een zoo kinderachtigen +en hopeloozen hartstocht. Verneem, Jonkvrouw, dat deze medeminnaar +in mijn macht is, en dat het alleen van mij afhangt, om het geheim +van zijne tegenwoordigheid in het kasteel Front-de-Boeuf te verraden, +wiens ijverzucht noodlottiger zou zijn, dan de mijne." + +"Wilfrid hier?" zei Rowena met verachting. "Het is even waar als dat +Front-de-Boeuf zijn medeminnaar is." + +De Bracy zag haar een oogenblik strak aan. "Waart gij hiervan werkelijk +onkundig?" zei hij. "Wist gij niet, dat hij in den draagstoel +van den Jood reisde?--Een schoon geleide voor den kruisvaarder, +wiens machtige arm het Heilig Graf moest veroveren!" voegde hij, +verachtelijk lachende, er bij. + +"En al is hij hier," zei Rowena, met geveinsde onverschilligheid, +schoon sidderende met een angstig gevoel, dat zij niet kon +onderdrukken, "waarin zou hij Front-de-Boeufs mededinger zijn? Of +wat heeft hij te vreezen, behalve eene korte gevangenschap, en een +eervol losgeld, volgens het gebruik der ridderschap?" + +"Rowena," hervatte De Bracy, "deelt gij ook in den gewonen waan +van uw geslacht, dat er geen andere naijver kan zijn, dan om uwe +bekoorlijkheden? Weet gij niet, dat er jaloezie is om eerzucht en +rijkdom, zoowel als om liefde; en dat onze gastheer Front-de-Boeuf +iedereen uit den weg zal ruimen, die zijn eisch op de schoone baronie +van Ivanhoe tegengaat, even gereedelijk en hartstochtelijk, en met even +weinig nauwgezetheid, alsof zijn mededinger hem door een blauwoogig +meisje werd voorgetrokken? Maar verhoor mijn aanzoek, Jonkvrouw, en +de gekwetste ridder zal niets te vreezen hebben van Front-de-Boeuf, +terwijl gij anders om hem treuren kunt, daar hij zich in de handen +van een man bevindt, die nog nooit medelijden getoond heeft." + +"Red hem, om des Hemels wil!" riep Rowena, wier standvastigheid bezweek +onder den angst over het lot, dat haren minnaar boven het hoofd hing. + +"Ik kan het,--ik wil het,--dit is mijn voornemen," hernam De Bracy: +"want, als Rowena er in toestemt, om De Bracy's bruid te worden, +wie zal dan de hand durven slaan aan haar bloedverwant,--den zoon van +haar voogd,--den speelmakker harer jeugd. Maar door uwe liefde moet +gij zijne bescherming koopen. Ik ben niet romantisch of gek genoeg, +om het geluk te bevorderen, of den dood af te wenden van een man, +die mij waarschijnlijk in mijne wenschen dwarsboomen zou. Gebruik +uw invloed op mij tot zijn voordeel, en hij is gered; weiger dit: +Wilfrid sterft, en gij zijt geen stap nader bij de vrijheid!" + +"Uw taal," antwoordde Rowena, "heeft in haar onverschillige lompheid +iets, dat niet kan overeen gebracht worden met de ijselijkheden, +welke ze schijnt uit te drukken. Ik geloof niet, dat uw voornemen +zoo boosaardig, of uwe macht zoo groot is!" + +"Vlei u dan maar met dit geloof," hervatte De Bracy, "tot de tijd zal +toonen, dat het valsch is. Uw minnaar ligt gewond in dit kasteel;--uw +begunstigde minnaar! Hij is een hinderpaal tusschen Front-de-Boeuf en +hetgeen bij hem hooger staat dan eerzucht of schoonheid. Het zou niet +meer kosten dan één dolksteek, of een stoot met een spies, om hem voor +altijd tot zwijgen te brengen. Stel zelfs, dat Front-de-Boeuf eene zoo +in het oog loopende misdaad niet durfde verrichten; laat de arts zijn +patient maar een verkeerd geneesmiddel geven;--laat de kamerdienaar, +of de oppasser, die hem bedient, hem slechts onzacht de peluw van +onder het hoofd rukken, en Wilfrid is, in zijn tegenwoordigen toestand, +zonder bloedstorting, uit den weg geruimd. Cedric ook--" + +"En Cedric ook," zuchtte Rowena, zijne woorden herhalende; "mijn edele, +grootmoedige voogd! Ik verdien de ramp, die mij getroffen heeft, +daar ik zijn lot om dat van zijn zoon vergeten heb." + +"Cedric's lot hangt ook van uw besluit af," zei De Bracy; "en ik +verlaat u, om er over na te denken." + +Tot hiertoe had Rowena hare rol in deze beproeving met onverschrokken +moed volgehouden, maar alleen omdat zij het gevaar noch als ernstig, +noch als dringend beschouwde. Haar karakter was van natuur dat, hetwelk +de gelaatkundigen als eigenaardig aan blonde vrouwen toekennen; zacht, +vreesachtig en goedig; maar het was gewijzigd, en als het ware verhard +geworden, door de omstandigheden van hare opvoeding. Gewoon om den +wil van allen, zelfs van Cedric, die voor het overige vrij onbuigzaam +was jegens anderen, voor hare wenschen te zien onderdoen, had zij +die soort van moed en zelfvertrouwen verworven, welke voortspruit +uit de gedurige inschikkelijkheid der menschen, in wier kring wij ons +bewegen. Zij kon nauwelijks aan de mogelijkheid denken, dat men zich +tegen haar wil zou verzetten, veel minder, dat men er in het geheel +geen acht op zou slaan. + +Haar trotschheid en hoogmoed waren dus slechts aangenomen +hoedanigheden, welke diegene, die haar aangeboren waren, verdrongen +hadden, en ze verlieten haar zoodra haar de oogen geopend werden voor +haar eigen gevaar en voor dat van haar minnaar en van haar voogd, +en zoodra zij bevond, dat haar wil, welken zij gewoon was geëerd en +opgevolgd te zien, aan dien van een sterk, trotsch en vast mannelijk +gemoed tegenover stond, dat bovendien de overmacht reeds bezat, +en besloten had er gebruik van te maken. + +Nadat zij de oogen in het rond geslagen had, als om hulp te zoeken, +welke nergens te vinden was, en na eenige onsamenhangende uitroepingen, +hief zij de ineengeslagen handen ten hemel, en barstte uit in tranen +van onmatige droefheid en smart. + +Het was onmogelijk zulk een schoon wezen in zooveel ellende te zien, +zonder medelijden te gevoelen, en De Bracy bleef niet onaangedaan, +ofschoon hij eerder verlegen dan verteederd werd. Hij was inderdaad te +ver gegaan, om weder terug te treden; en evenwel kon hij, in Rowena's +tegenwoordige gemoedsgesteldheid, noch met bewijsgronden, noch met +bedreigingen op haar werken. Hij liep in het vertrek heen en weer, +nu eens te vergeefs het verschrikte meisje vermanende, om te bedaren, +dan weder aarzelende ten opzichte van zijne eigene verdere houding. + +"Zoo ik door de tranen en de smart van dit troostelooze meisje bewogen +werd," dacht hij, "wat zou ik anders inoogsten dan het verlies van de +schoone hoop, voor welke ik zooveel gewaagd heb, en de spotternijen van +Prins Jan en zijne lustige makkers? En toch," zei hij in zich zelven, +"gevoel ik mij slecht geschikt voor de rol, die ik speel. Ik kan dat +schoon gezicht, door smart ontsteld, en die in tranen zwemmende oogen +niet langer aanschouwen! Ik wilde, dat ze haar eerste trotschheid van +karakter behouden had, of dat ik meer van de onwrikbare hardvochtigheid +van Front-de-Boeuf bezat." + +Verontrust door deze gedachten, kon hij niets anders doen, dan de +ongelukkige Rowena bidden zich te troosten, en haar verzekeren, dat ze +vooralsnog geene reden had tot de vlaag van wanhoop, waaraan zij zich +overgaf. Maar in deze taak van vertroosting werd De Bracy gestoord +door den horen, die "schor, ver en luid weergalmende" tegelijk de +overige bewoners van het kasteel verschrikt en de uitvoering van hun +verschillende plannen van geldzucht of losbandigheid gestoord had. De +Bracy was misschien van allen het minst over deze stoornis ontevreden; +want zijn gesprek met de Jonkvrouw Rowena was tot die hoogte gekomen, +dat hij het even moeielijk vond, zijne onderneming door te drijven, +als ze op te geven. + +En hier oordeelen wij het niet onnoodig, eenige krachtiger bewijzen te +geven, dan de voorvallen van een verdicht verhaal om de waarheid van +het tafereel, dat wij van de bedorvenheid der zeden opgehangen hebben, +te staven. Het is een pijnlijke gedachte, dat die dappere baronnen, +aan wier wederstand tegen de kroon, Engeland zijn vrijheden te +danken heeft, zelven verschrikkelijke geweldenaars waren, in staat +tot buitensporigheden, strijdig niet alleen met de wetten van het +rijk, maar zelfs met die der natuur en der menschelijkheid. Maar, +helaas, wij behoeven slechts uit den vlijtigen Henry een dier talrijke +bladzijden af te schrijven, welke hij uit schrijvers van dien tijd +heeft verzameld, om te bewijzen, dat de verdichting zelve nauwelijks de +droevige wezenlijkheid der ijselijkheden van dit tijdvak kan evenaren. + +De schilderij, welke de schrijver van de Saksische Kroniek ophangt van +de wreedheden onder de regeering van Koning Steven, uitgeoefend door +de groote baronnen en heeren van kasteelen, welke allen Normandiërs +waren, levert een sterk bewijs op van de buitensporigheden, waartoe +zij in staat waren, als hunne driften gaande gemaakt werden. "Zij +onderdrukten het arme volk geweldig, door het bouwen van kasteelen; +en als deze voltooid waren, bezetten zij ze met goddelooze mannen, +of liever duivels, welke alle mannen en vrouwen grepen, die zij +waanden eenig geld te bezitten, hen in de gevangenis wierpen, en +hun wreeder kwellingen aandeden, dan ooit de martelaars ondergaan +hebben. Sommigen deden zij stikken in de modder, anderen hingen zij +bij de voeten, het hoofd, of de duimen op, en staken vuur onder hen +aan. Zij bonden sommigen met touwen vol knoopen het hoofd, totdat zij +hun de hersens indrukten, terwijl zij anderen in kerkers wierpen, vol +slangen, adders en padden." [23] Maar het zou wreed zijn om den lezer +de straf op te leggen, het overige van deze beschrijving te doorlezen. + +Als een ander voorbeeld van de bittere vruchten der verovering, +en misschien het sterkste, dat kan worden aangehaald, kunnen wij +melden, dat de Keizerin Mathilde, ofschoon een dochter van den Koning +van Schotland, en naderhand Koningin van Engeland en Keizerin van +Duitschland, de dochter, gemalin en moeder van Vorsten, verplicht +was, gedurende haar verblijf in Engeland, waar zij hare opvoeding +zou ontvangen, den sluier aan te nemen, als het eenige middel, om aan +de losbandige vervolgingen der Normandische edelen te ontkomen. Deze +verontschuldiging gebruikte zij voor een grooten raad van de Engelsche +geestelijkheid als de eenige reden, om welke zij het geestelijk gewaad +had aangenomen. De vergaderde geestelijkheid vergenoegde zich met deze +verschooning, steunende op de bekendheid der omstandigheden, waarop +ze gegrond was, en gaf dus eene ontwijfelbaar en allermerkwaardigst +getuigenis van het bestaan dier schandelijke losbandigheid, welke +die eeuw bevlekte. "Het was algemeen bekend," zeide zij, "dat, na de +verovering van Koning Willem, zijn Normandische volgelingen, trotsch +geworden door eene zoo groote overwinning, geen andere wet erkenden, +dan hun eigen, goddeloozen wil, en de overwonnen Saksers niet alleen +van land en goed beroofden, maar de eer hunner vrouwen en dochters +met de meest teugellooze ongebondenheid schonden; en van daar was +het de gewoonte van vrouwen en meisjes van adellijke familie, den +sluier aan te nemen, en in de kloosters eene schuilplaats te zoeken, +niet als geroepen door de stem van God, maar alleen om haar eer tegen +de toomelooze slechtheid der mannen te bewaren." + +Zoodanig en zoo losbandig waren die tijden, volgens de openlijke +verklaring van de vergaderde geestelijkheid, zoo als Eadmer die +geboekt heeft; en wij behoeven er niets meer bij te voegen, om de +waarschijnlijkheid der tooneelen te rechtvaardigen, die wij reeds +beschreven hebben en nog beschrijven zullen, op het meer apocrief +gezag van het Wardour Handschrift. + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Ik wil haar vrijen, zooals de leeuw zijn bruid. + + Douglas. + + +Terwijl de door ons beschreven tooneelen in andere gedeelten van +het kasteel voorvielen, wachtte de Jodin Rebekka haar lot af, in een +verafgelegen en afgezonderden toren. Derwaarts werd zij gebracht door +twee van de vermomde roovers, en nadat zij in een klein vertrekje was +geschoven, bevond zij zich in de tegenwoordigheid van een oude vrouw, +die een Saksisch liedje neuriede, alsof zij de maat wilde houden bij +het draaien van haar spinnewiel. De oude vrouw verhief het hoofd +bij het binnenkomen van Rebekka, en gluurde naar de schoone Jodin +met dien boosaardigen nijd, waarmede de ouderdom en de leelijkheid, +gepaard met het ongeluk, gewoon zijn jeugd en schoonheid te beschouwen. + +"Gij moet opstaan en van hier weggaan, oude," zei een der mannen; +"onze edele meester beveelt het. Gij moet deze kamer aan een schooner +overlaten." + +"Ach," bromde de oude, "zoo worden mijne diensten beloond! Ik heb den +dag beleefd, dat alleen mijn woord den besten krijgsman onder u uit +den zadel en den dienst zou geworpen hebben; en nu moet ik op en weg, +op bevel van een stalknecht, zooals gij!" + +"Goede vrouw Urfried," zei de andere, "houd u niet met redeneeren +op, maar sta op en pak u weg. Aan des meesters bevelen moet men +vlug gehoorzamen. Gij hebt uw dag gehad, oude dame, maar uwe zon is +reeds lang ondergegaan. Gij zijt nu het ware zinnebeeld van een oud +krijgspaard, dat men op de dorre heide jaagt;--gij hebt in uw tijd +ook doorgedraafd, maar nu is een langzame sukkelgang al wat voor u +is overgebleven. Kom, sukkel weg van hier!" + +"Moge de booze u vervolgen!" riep de oude, "en het galgenveld uwe +begraafplaats zijn! moge de duivel Zernebock mij verscheuren, als +ik mijn kamertje verlaat, voor dat ik het vlas van mijn spinrokken +afgesponnen heb." + +"Verantwoord dat bij onzen meester, oud spook," zei de man heengaande, +en Rebekka in het gezelschap van de oude latende, in wier bijzijn +men haar zoo tegen wil en dank gebracht had. + +"Welke duivelsche daad hebben zij nu in den zin?" zei de oude heks, +in zichzelve brommende, terwijl zij van tijd tot tijd een slinkschen +en boosaardigen blik op Rebekka wierp; "maar het is gemakkelijk te +raden.--Glinsterende oogen, zwarte lokken, en een vel zoo wit als +papier, voordat de priester het met zijn zwarten inkt besmet.--Ach, +het is zoo gemakkelijk te raden, waarom zij haar naar dat eenzaam +torentje zenden, waaruit men het geschreeuw evenmin kan hooren, alsof +het van vijfhonderd vademen onder den grond kwam. Gij zult uilen tot +buren hebben, meisje, en hun gekras zal even ver als het uwe gehoord, +en even zooveel opgemerkt worden. Ook nog eene buitenlandsche," +zei zij, de kleeding en den tulband van Rebekka opmerkend.--"Uit +welk land zijt gij?--Een Saraceensche? of een Egyptische?--Waarom +antwoordt gij niet?--Gij kunt weenen; kunt gij dan ook niet spreken?" + +"Wees niet boos, moeder!" smeekte Rebekka. + +"Gij behoeft geen woord meer te zeggen," hernam Urfried: "men kent +den vos aan zijn staart, en een Jodin aan hare spraak." + +"Om Gods wil," zei Rebekka, "wat moet ik verwachten na het geweld, +waarmede men mij hierheen heeft gesleept? Is het mijn leven, dat +zij zoeken, om voor mijn godsdienst te boeten? Ik wil het gaarne +daarvoor opofferen." + +"Uw leven, zottinnetje?" antwoordde de oude, "wat vermaak zouden +zij er in vinden, om u het leven te benemen?--Geloof mij, uw leven +is niet in het minste gevaar. U is dezelfde behandeling toegedacht, +die men eens goed genoeg rekende voor een edel Saksisch meisje. En +zal eene Jodin, zooals gij, morren, dat zij niet beter dan deze +behandeld wordt? Zie mij maar aan.--Ik was jong en tweemaal zoo +schoon als gij, toen Front-de-Boeuf, de vader van dezen Reginald, +en zijn Normandiërs dit kasteel bestormden. Mijn vader en zijne zeven +zonen verdedigden hun vaderlijk erf van verdieping tot verdieping, van +kamer tot kamer.--Er was geen vertrek, geen trap, die niet glibberig +was van hun bloed. Zij stierven:--zij stierven tot den laatsten man; +en nog eer hun lichamen koud waren, eer hun bloed opgedroogd was, +werd ik de buit en het verachte slachtoffer van den overwinnaar!" + +"Is er geene hulp?--Zijn er geene middelen om te ontvluchten?" riep +Rebekka. "Rijkelijk, rijkelijk zou ik uw bijstand vergelden!" + +"Denk daar niet aan," zei de oude; "uit deze plaats is er geen andere +uitweg, dan door de poorten des doods; en het wordt laat, zeer laat," +voegde zij er bij, het grijze hoofd schuddende, "eer die zich voor +ons openen.--Het is echter een troost te denken, dat wij menschen op +aarde teruglaten, die even ellendig zijn als wij. Vaarwel, Jodin!--Jood +of Heiden, uw lot zou hetzelfde zijn; want gij hebt met menschen te +doen, die medelijden noch vrees kennen. Vaarwel, zeg ik. Mijn draad +is afgesponnen;--uwe taak moet eerst beginnen." + +"Blijf! blijf! om Gods wil!" riep Rebekka; "Blijf, al is het ook om +mij te beschimpen en mij te vervloeken.--Uwe tegenwoordigheid is toch +nog eenige bescherming." + +"De tegenwoordigheid van de Moeder Gods zou geene bescherming voor u +zijn!" antwoordde de oude. "Daar staat ze," op een ruw beeld van de +Heilige Maagd wijzende, "zie of zij het lot, dat u te wachten staat, +kan afwenden!" + +Dit zeggende verliet zij de kamer, terwijl haar gelaat zich tot +een honenden lach vertrok, die nog leelijker was, dan haar gewone +boosaardige uitdrukking. Zij sloot de deur achter zich, en Rebekka +kon haar verwenschingen bij iedere schrede hooren, over de steilheid +van de toren-trap, welke zij langzaam en met moeite afklom. + +Rebekka had nu een nog verschrikkelijker lot te duchten dan +Rowena; want welke waarschijnlijkheid was er, dat men zachtheid of +toegevendheid ten opzichte eener vrouw van haren onderdrukten stam +zou gebruiken, hoewel men den schijn daarvan ook nog tegenover een +Saksische erfdochter bewaarde? De Jodin had evenwel dit voordeel, +dat zij beter door de gewoonte van na te denken, en door natuurlijke +sterkte van geest was voorbereid, de gevaren tegemoet te zien, +waaraan zij blootgesteld was. Daar zij van haar teederste jaren +krachtig en opmerkzaam van aard was, hadden de pracht en de rijkdom, +welke haar vader binnen zijne muren ten toon spreidde of welke ze +in de huizen van andere vermogende Hebreërs zag, haar niet verblind +voor de onveiligheid, in welke zij die genoten. Even als Damocles bij +zijn beroemd gastmaal, zag Rebekka gedurig, midden onder die pracht, +het zwaard, dat aan een enkel haar boven het hoofd van haar volk +hing. Deze overwegingen hadden een karakter bezadigd en verstandig +gemaakt, dat, onder andere omstandigheden, trotsch, overmoedig en +eigenzinnig had kunnen worden. + +Uit haars vaders voorbeeld en voorschriften had Rebekka geleerd zich +beleefd te gedragen jegens allen, die in hare nabijheid kwamen. Zij +kon, wel is waar, zijne overdrevene onderdanigheid niet navolgen, +omdat de laagheid van ziel en de aanhoudende vrees, door welke die +veroorzaakt werd, haar vreemd waren; maar zij gedroeg zich met eene +trotsche nederigheid, alsof ze zich onderwierp aan de ongelukkige +omstandigheden, waarin zij geplaatst was, als de dochter van een +verachten stam, terwijl zij in haar hart de bewustheid gevoelde, +dat zij door haar verdiensten het recht had, een hoogeren rang te +bekleeden, dan die naar welke de willekeurige dwinglandij van het +godsdienstig vooroordeel haar vergunde te streven. + +Aldus voorbereid om rampen tegemoet te zien, had zij de noodige +standvastigheid verkregen, om te handelen. Haar toestand vorderde al +hare tegenwoordigheid van geest, en zij bereidde zich derhalve voor. + +Haar eerste zorg was het vertrek te onderzoeken; maar dit leverde +weinig hoop op redding of bescherming. Het bevatte noch verborgen +uitgang, noch valdeur, en scheen, op de deur na, waardoor zij binnen +gekomen was, en welke het met het hoofdgebouw vereenigde, door den +ronden buitenmuur van het torentje omgeven te zijn. De deur had van +binnen slot noch grendel. Het eenige venster zag uit op een kleine +ruimte met eene borstwering, die Rebekka, op het eerste gezicht, +eenige hoop op redding gaf; maar zij bevond weldra, dat die in geene +verbinding stond met eenig ander gedeelte der vestingwerken, daar het +een soort van balkon was, door een muurtje met schietgaten versterkt, +waarop eenige boogschutters konden geplaatst worden, om het torentje +te verdedigen, en den muur aan dien kant van het kasteel te bestrijken. + +Er was dus geen andere hoop, dan in lijdzamen moed, en in dat sterke +vertrouwen op den Hemel, hetwelk aan groote en edelmoedige karakters +eigen is. Hoe zonderling Rebekka de beloften der Heilige Schrift +aan het uitverkoren volk des Hemels ook had leeren uitleggen, zoo +dwaalde ze toch hierin niet, dat het tegenwoordige uur, het uur der +beproeving was, en dat zij vast geloofde, dat de kinderen van Sion +eens met de Heidenen tot het heil zouden geroepen worden. Intusschen +bleek uit alles, wat haar omgaf, dat hun tegenwoordige staat die +van straf en beproeving was, en dat het hun bijzondere plicht was +te lijden, zonder te zondigen. Aldus, gereed om zich te beschouwen +als het slachtoffer van het ongeluk, had Rebekka vroeg over haar +toestand leeren nadenken, en de gevaren tegemoet gezien, die haar +waarschijnlijk te wachten stonden. + +De gevangene beefde evenwel, en verbleekte, toen zij een voetstap op +de trap hoorde, de deur van het torentje langzaam geopend werd, en een +groot man, gekleed als een dier bandieten, aan wie zij hun ongeluk +te wijten hadden, zachtjes binnentrad, en de deur achter zich toe +deed. Zijne muts, welke hij over het voorhoofd getrokken had, verborg +het bovenste gedeelte van zijn gelaat, en het overige er van was in +zijn mantel gehuld. In deze vermomming stond hij voor de verschrikte +gevangene, alsof hij bereid was tot de uitvoering eener daad, waarover +hij zich schaamde; maar hoezeer hem zijne kleeding ook als een schurk +kenmerkte, scheen hij toch verlegen te zijn, om te verklaren welk +oogmerk hem derwaarts gevoerd had; zoodat Rebekka, zich zelve geweld +aandoende, tijd had zijne verklaring te voorkomen. Zij had reeds +twee kostelijke armbanden en een halssnoer losgemaakt, die ze zich +haastte den gewaanden roover aan te bieden, natuurlijk besluitende, +dat, om zijne gunst te winnen, ze zijne hebzucht bevredigen moest. + +"Neem dit, goede vriend," zei ze, "en wees om Gods wil barmhartig +jegens mij en mijn ouden vader! Deze sieraden zijn van groote +waarde, en toch zijn zij slechts eene kleinigheid bij wat wij u +zouden schenken, als gij ons vrij en ongeschonden uit dit kasteel +ontslaan wildet." + +"Schoone bloem van Palestina," hernam de roover, "deze paarlen zijn +Oostersche; maar ze moeten in witheid voor uw tanden onderdoen, +de diamanten zijn schitterend, maar zij kunnen niet met uw oogen +wedijveren; en toen ik dit woeste beroep opvatte, heb ik eene gelofte +gedaan, aan de schoonheid den voorrang boven den rijkdom te geven." + +"Doe u zelven dit ongelijk niet aan," zei Rebekka; "neem het +losgeld, en heb medelijden!--Voor goud kunt gij alles koopen;--ons te +mishandelen zou u alleen wroeging verschaffen. Mijn vader zal gaarne +uw overdrevenste wenschen bevredigen; en zoo ge verstandig wilt +handelen, kunt gij u met ons geld weder toegang tot de maatschappij +koopen, vergiffenis voor vorige misdaden verkrijgen, en buiten de +noodzakelijkheid geraken, om er nieuwe te begaan." + +"Gij hebt goed gesproken," hervatte de roover in het Fransch, daar +hij het waarschijnlijk moeielijk vond, een gesprek in het Saksisch +vol te houden, dat Rebekka in die taal begonnen was; "maar weet, +schoone lelie van het dal Baca, dat uw vader reeds in handen is van +een machtigen alchymist, die het geheim kent, om zelfs de verroeste +staven van een gevangenis-haard in goud en zilver te veranderen. De +eerwaardige Izaäk is in handen van iemand, die hem alles afpersen zal, +wat hem dierbaar is, zonder mijn bijstand of uw smeeken er bij noodig +te hebben. Uw losgeld moet betaald worden door liefde en schoonheid, +en ik zal geene andere munt aannemen." + +"Gij zijt geen roover," hernam Rebekka, in dezelfde taal, waarin +hij haar aansprak; "geen roover zou zulke aanbiedingen van de hand +gewezen hebben! Geen roover in dit land kent den tongval, in welken +gij gesproken hebt. Gij zijt geen roover, maar een Normandiër; +misschien edel van geboorte;--o, wees dat ook in uwe daden, en werp +dit schrikkelijke masker van misdaad en geweld af!" + +"En gij, die zoo waar kunt gissen," zei Brian de Bois-Guilbert, +den mantel voor zijn gezicht weg doende, "zijt geene ware dochter +van Israël, maar in alles, behalve in jeugd en schoonheid, een echte +tooveres van Endor. Ik ben geen roover, schoone roos van Saron. Ik +ben een man, die uwe armen en hals eerder met paarlen en diamanten +behangen, dan u van deze sieraden berooven zal." + +"Wat wilt gij dan van mij," vroeg Rebekka, "zoo het mijn rijkdom +niet is?--Wij kunnen niets met elkander gemeen hebben; gij zijt een +Christen, ik een Jodin. Onze vereeniging zou strijdig zijn met de +wetten van de Kerk zoowel als met die van de Synagoge." + +"Dat zou ze wezenlijk zijn," hernam de Tempelier lachende; "eene +Jodin trouwen? _Despardieux!_--Neen, al was zij ook de Koningin van +Scheba. En verneem buitendien, schoone dochter van Sion, dat, al bood +de Allerchristelijkste Koning mij zijne allerchristelijkste dochter, +met Languedoc tot bruidschat aan, ik haar niet trouwen kon. Het is +tegen mijne gelofte, eenig meisje anders te beminnen, dan _par amours_, +zooals ik u bemin. Ik ben een Tempelier. Ziedaar het kruis van mijn +heilige orde." + +"Durft gij u daarop beroepen," zei Rebekka, "bij eene gelegenheid +als deze?" + +"En indien ik het doe," zei de Tempelier, "raakt het u niet; daar +gij niet gelooft aan het heilige teeken onzer verlossing." + +"Ik geloof, hetgeen mijne vaders leerden," zei Rebekka, "en God moge +mij mijn geloof vergeven, zoo ik dwaal. Maar gij, heer ridder, wat +is uw geloof, als gij zonder schromen u beroept op hetgeen gij voor +het heiligste houdt, terwijl gij voornemens zijt, de plechtigste uwer +geloften als ridder en als geestelijke, te schenden?" + +"Dat is stichtelijk en goed gepreekt, dochter van Sirach!" antwoordde +de Tempelier; "maar, schoone predikster, uwe bekrompen Joodsche +begrippen verblinden u voor onze hooge voorrechten. Het huwelijk +ware eene onvergeeflijke misdaad in een Tempelier: maar voor elke +mindere dwaling, die ik bega, zal ik gemakkelijk aflaat krijgen bij +de eerste vergadering van onze orde. Noch de wijste der koningen +noch zijn vader, wier voorbeelden gij natuurlijk bekennen moet ook +voor u waarde te hebben, eischten grootere voorrechten, dan wij arme +soldaten van den Tempel van Sion gewonnen hebben, door onzen ijver in +diens bescherming. De verdedigers van Salomo's Tempel kunnen vrijheden +vergen op voorbeeld van Salomo." + +"Zoo gij de Schrift en het leven der heiligen alleen leest, om uwe +eigene losbandigheid en ongebondenheid te rechtvaardigen," zei de +Jodin, "dan evenaart uwe misdaad die van hem, die vergif haalt uit +de gezondste en meest onmisbare planten." + +De oogen van den Tempelier vonkelden bij dit verwijt.--"Luister," +zei hij, "Rebekka! ik heb tot dusver zacht met u gesproken; maar nu +zal ik de taal des overwinnaars gebruiken: Gij zijt mijne gevangene +door mijn boog en speer,--onderworpen aan mijn wil volgens het recht +van alle volken, en ik zal geen haar breedte van mijn recht afstaan, +noch mij ontzien, om met geweld dat te nemen, hetwelk gij aan mijn +verzoek, of aan de noodzakelijkheid weigert." + +"Terug," riep Rebekka, "terug!--en hoor mij, voor dat gij eene zoo +doodelijke zonde begaat! Gij kunt, wel is waar, over mijne krachten +zegevieren, want God heeft de vrouw zwak gemaakt, en hare bescherming +aan de edelmoedigheid des mans toevertrouwd. Maar Tempelier, ik +zal uwe schanddaad van het eene einde van Europa tot het andere +uitbazuinen. Ik wil aan het bijgeloof uwer broederen te danken +hebben, wat hun medelijden mij zou weigeren. Iedere vergadering, +ieder kapittel van uw orde zal vernemen, dat gij, als ketter, met +eene Jodin gezondigd hebt. Zij, die niet voor uwe misdaad sidderen, +zullen u voor vervloekt houden, omdat gij het kruis, dat gij draagt, +onteerd hebt, door een dochter van mijn volk te volgen." + +"Gij zijt sluw, Jodin," hernam de Tempelier, die de waarheid van +hetgeen zij zeide zeer goed gevoelde, en tevens wist, dat de regels +van zijne orde op de stelligste wijze, en onder zware straffen, +soortgelijke minnarijen verboden, en dat, in sommige gevallen, er +zelfs de verdrijving uit de orde op gevolgd was,--"ge zijt sluw; +maar uwe klachten moeten zeer luid zijn, zoo men ze buiten de dikke +muren van dit kasteel zal hooren; daar binnen verstommen klachten, +zuchten, het inroepen der gerechtigheid en hulpgeschreeuw. Slechts +één ding kan u redden, Rebekka! onderwerp u aan uw lot, omhels +onzen godsdienst, en gij zult in zulke pracht te voorschijn treden, +dat menige Normandische vrouw zoowel in weelde als in schoonheid zal +moeten onderdoen voor de begunstigde beminde van den dappersten ridder +onder de verdedigers van den Tempel." + +"Mij aan mijn lot onderwerpen!" riep Rebekka,--"Heilige Hemel! aan +welk lot? uw godsdienst omhelzen!.... en welke godsdienst kan het zijn, +dien zulk een booswicht in zijn hart koestert?--Gij, de dapperste der +Tempeliers!--Valsche ridder!--Meineedige Priester! Ik veracht u,--ik +trotseer u!--De God van Abraham heeft één uitweg voor Zijn dochter +geopend,--zelfs uit dezen doolhof van schande!" + +Dit zeggende, smeet zij het tralievenster open, dat naar de +borstwering leidde, en een oogenblik daarna stond zij op den rand van +de borstwering, zonder iets tusschen haar en de verschrikkelijke diepte +beneden te hebben. Onvoorbereid op zulk eene wanhopige poging, daar +zij tot hiertoe volkomen onbeweeglijk gestaan had, vond Bois-Guilbert +den tijd niet om haar te voorkomen, of haar tegen te houden. Zoodra +hij voorwaarts wilde treden, riep zij: "Blijf waar gij zijt, trotsche +Tempelier,--of nader, zoo gij verkiest!--één stap slechts, en ik stort +mij in den afgrond; mijn lichaam zal verpletterd en onkenbaar worden, +eer het aan uwe misdadige begeerten opgeofferd wordt!" + +Dit zeggende, vouwde zij de handen, en hief ze ten hemel, als +om genade voor hare ziel te smeeken, eer zij den laatsten sprong +deed. De Tempelier aarzelde, en zijne standvastigheid, die nooit voor +medelijden of ellende geweken was, bezweek nu onder de bewondering +van haar moed. "Kom naar beneden," riep hij, "vermetele!--Ik zweer +bij aarde, zee en hemel, u niet het minste geweld aan te doen!" + +"Ik vertrouw u niet, Tempelier," antwoordde Rebekka; "gij hebt mij +reeds geleerd, hoe ik de deugden uwer orde moet eerbiedigen. Het +eerste kapittel zou u aflaat schenken van een eed, die slechts de +eer of schande van een ellendig Jodenmeisje betrof." + +"Gij zijt onrechtvaardig," hernam de Tempelier; "ik zweer u bij den +naam, welken ik draag,--bij het kruis op mijn borst,--bij het zwaard +aan mijn zijde, bij het aloude wapen mijner voorvaderen, u niet het +minste leed aan te doen. Zoo niet om uwentwille, dan ter liefde van +uw vader, wees bedaard! Ik wil zijn vriend zijn, en in dit kasteel +heeft hij zeker een machtigen vriend noodig." + +"Helaas!" zei Rebekka, "dat weet ik maar al te goed;--maar kan ik +u vertrouwen?" + +"Moge mijn wapen geschandvlekt, en mijn naam onteerd worden," zei +Brian de Bois-Guilbert, "zoo gij reden hebt, over mij te klagen. Menige +wet, menig gebod heb ik overtreden, maar mijn woord heb ik nog nooit +geschonden." + +"Ik zal u dan vertrouwen," hervatte Rebekka, "tot zoo verre;" en +zij trad van den rand der borstwering af, maar bleef dicht bij een +der schietgaten of _machicolles_, zooals ze toen genoemd werden, +staan.--"Hier," zei ze, "zal ik blijven. Blijf ook waar gij zijt, +en zoo gij tracht, den afstand tusschen ons één stap te verminderen, +zult gij zien, dat het Jodenmeisje eerder haar ziel aan God, dan haar +eer aan den Tempelier zal toevertrouwen." + +Terwijl Rebekka aldus sprak, gaf haar stout en vast besluit, dat zoo +goed strookte met de gebiedende schoonheid van haar gelaat, aan haar +blikken, houding en gebaren eene waardigheid, die bovenmenschelijk +scheen. Haar blik verflauwde niet, haar wang verbleekte niet door +vrees voor het ijselijk lot, hetwelk haar boven het hoofd hing; +integendeel, verleende de gedachte, dat zij haar lot in handen had, +en de schande door den dood ontgaan kon, een nog hooger rood aan haar +wangen, en een nog schitterender vuur aan hare oogen. Bois-Guilbert, +die zelf trotsch en hooghartig was, meende nooit een zoo levendige +en gebiedende schoonheid gezien te hebben. + +"Laten wij vrede met elkander sluiten, Rebekka!" zei hij. + +"Vrede, zoo gij wilt," antwoordde ze, "vrede, maar met dezen afstand +tusschen ons." + +"Gij behoeft mij niet meer te vreezen!" zei Bois-Guilbert. + +"Ik vrees u niet," hervatte zij; "dank zij hem, die dezen trotschen +toren zoo hoog heeft gebouwd, dat er niemand af kan vallen, en in het +leven blijven;--dank zij hem en den God van Israël,--ik vrees u niet!" + +"Gij doet mij onrecht," zei de Tempelier; "bij aarde, zee en hemel, +gij doet mij onrecht! Ik ben niet zooals gij mij gezien hebt; hard, +baatzuchtig en onmeêdoogend. Eene vrouw was het, die mij wreedheid +leerde, en tegen de vrouwen heb ik die ook uitgeoefend; maar niet +tegen zulke vrouwen als gij zijt. Hoor mij aan, Rebekka.--Nooit heeft +een ridder de lans in de hand genomen, met een hart meer toegedaan +aan de dame zijner liefde, dan Bois-Guilbert. Zij,--dochter van een +geringen edelman, die op geen andere goederen kon roemen, dan op een +vervallen toren, een slechten wijngaard, en eenige bunders van de +woeste landen om Bordeaux,--zij was bekend overal, waar wapenfeiten +verricht werden, verder bekend, dan menige dame, die een graafschap +tot bruidschat medebracht.--Ja," ging hij voort, op de kleine opene +ruimte op- en neergaande, met een drift, in welke hij alle bewustheid +van Rebekka's tegenwoordigheid scheen te verliezen.--"Ja, mijne daden, +mijne gevaren, mijn bloed maakten den naam van Adelaïde De Montemare +bekend, van het hof van Castilië tot aan dat van Byzantium. En +hoe werd ik beloond?--Toen ik met mijne duur verkregen eer, met +moeite en bloed gekocht, terugkeerde, vond ik haar gehuwd met een +Gasconjer, wiens naam nooit gehoord was buiten de grenzen van zijn +eigen armzalig gebied! Ik beminde haar oprecht, en bitter wreekte +ik mij wegens hare geschondene trouw! Maar mijne wraak is op mij +zelven teruggevallen. Sedert dien dag heb ik mij losgescheurd van +het leven en zijne banden.--Mijn mannelijke leeftijd mag geen eigen +haard kennen,--mag door geene liefderijke vrouw gelukkig gemaakt +worden.--Mijn ouderdom zal geene koesterende schuilplaats vinden.--Mijn +graf moet eenzaam zijn, en mij mogen geene nakomelingen overleven, om +den alouden naam van Bois-Guilbert te dragen. Aan de voeten van mijn +bevelhebber heb ik het recht, om zelf te handelen,--het voorrecht der +onafhankelijkheid,--neêrgelegd. De Tempelier, een lijfeigene in alles, +behalve den naam, kan land noch goed bezitten, en leeft, beweegt zich, +en ademt alleen volgens den wil en het goedvinden van een ander." + +"Helaas," zei Rebekka, "welke voordeelen konden tegen zulk een +opoffering opwegen?" + +"De macht tot wraak, Rebekka!" hernam de Tempelier, "en de +vooruitzichten der eerzucht." + +"Eene slechte vergoeding," hervatte Rebekka, "voor het afstaan van +al die rechten, welke der menschheid het dierbaarste zijn." + +"Zeg dat niet, meisje!" antwoordde de Tempelier; "de wraak is een +feest voor de Goden! En als zij, zooals de priesters ons zeggen, +zich die voorbehouden hebben, dan is het, omdat zij ze voor een te +kostbaar genot voor bloote stervelingen houden. En de eerzucht? Zij +is een verzoeking, welke de zaligheid des hemels zelve kon doen +vergeten."--Hij hield een oogenblik op, en daarop voegde hij er bij: +"Rebekka! zij die den dood boven de schande kon verkiezen, moet eene +trotsche en krachtige ziel bezitten. De mijne moet gij worden!--Neen, +schrik niet," vervolgde hij: "het moet met uwe eigene toestemming, +en op uwe eigene voorwaarden zijn. Gij moet er in bewilligen, +een vooruitzicht met mij te deelen, uitgebreider dan men het op den +troon van een vorst kan hebben. Hoor mij, eer gij antwoordt, oordeel, +eer gij weigert! De Tempelier verliest, zooals gij gezegd hebt, zijne +maatschappelijke rechten, de macht om vrij te handelen; maar hij wordt +lid en onderdeel van een machtig lichaam, voor hetwelk de tronen reeds +sidderen;--evenals de enkele regendroppel, welke met de zee vermengd +wordt, een deel wordt van dien onweêrstaanbaren oceaan, welke rotsen +ondermijnt, en koninklijke vloten vernietigt. Zulk een wassende vloed +is ons sterk verbond. Van deze machtige orde ben ik geen gering lid, +maar reeds een der hoofdaanvoerders, en kan er wel naar dingen, om eens +den staf van Grootmeester te voeren. De arme krijgslieden des Tempels +zullen niet alleen hun voet op de nekken der Koningen zetten,--een +ellendige monnik vermag dat ook. Maar onze geharnaste voet zal hunnen +troon beklimmen, onze ijzeren handschoen zal den schepter uit hunne +handen rukken. De regeering van uw te vergeefs verwachten Messias +biedt uw verstrooide stammen geen zoodanige macht aan, als die, naar +welke mijn eerzucht streven kan. Ik had slechts een met mij verwanten +geest gezocht, om ze met mij te deelen, en ik heb u gevonden!" + +"Zegt gij dit aan iemand van mijn volk?" antwoordde Rebekka. "Bedenk--" + +"Antwoord mij niet," hernam de Tempelier, "met het verschil van ons +geloof aan te halen; in onze geheime conciliën spotten wij met deze +kinderverhalen. Denk niet, dat wij lang blind gebleven zijn voor de +dolzinnige dwaasheid van onze stichters, die alle genoegens van het +leven afzwoeren voor het genot, om als martelaars van honger of dorst, +door de pest, of de zwaarden der wilden te sterven, terwijl zij te +vergeefs trachtten, een dorre woestijn te verdedigen, die alleen +waarde heeft in het oog van het bijgeloof. Onze orde smeedde spoedig +stoutere en grootere ontwerpen, en vond eene betere schadeloosstelling +voor onze opofferingen. Onze onmetelijke bezittingen in ieder rijk +van Europa, onze groote krijgsroem, welke de bloem der ridderschap +uit alle christelijke landen in onzen kring brengt,--deze zijn tot +doeleinden bestemd, waarvan onze vrome stichters niet droomden, +en welke evenzeer verborgen gehouden worden voor die zwakke geesten, +welke onze orde wegens hare oude beginselen omhelzen, en wier bijgeloof +hen tot onze geduldige werktuigen maakt. Maar ik mag den sluier van +onze geheimen niet verder oplichten. Dat horengeschal verkondigt iets, +hetwelk misschien mijne tegenwoordigheid vereischt. Denk aan hetgeen ik +u gezegd heb. Vaarwel!--Ik zeg niet, vergeef mij het geweld, waarmede +ik u bedreigd heb, want dat was noodzakelijk, om uw karakter te doen +kennen. Men kan het goud alleen erkennen, door het op den toetssteen +te leggen. Ik zal spoedig terugkomen en verder met u spreken." + +Hij ging terug in het torenkamertje, en de trap af, Rebekka verlatende, +die nauwelijks meer verschrikt was door het vooruitzicht van den dood, +waaraan zij zoo kort te voren was blootgesteld geweest, dan door de +woedende eerzucht van den stouten en slechten man, in wiens macht +ze zich zoo ongelukkig bevond. Toen ze in de torenkamer trad, was +haar eerste werk, den God van Jakob te danken voor de bescherming, +welke Hij haar verleend had, en om die bij voortduring voor haar en +haar vader af te smeeken. Een andere naam sloop in haar gebed;--het +was die van den gewonden Christen, dien het lot in de handen van +bloeddorstige menschen, zijne doodvijanden, geleverd had. Haar +hart verweet haar wel is waar, dat zij zelfs in het gebed tot den +Almachtige de herinnering aan een man mengde, met wiens lot het hare +in geene gemeenschap kon komen;--van een Nazarener en een vijand van +haar geloof; maar de bede was reeds gedaan, en zelfs alle bekrompen +vooroordeelen van haar godsdienst konden Rebekka niet overhalen, +om te wenschen, dat het niet gebeurd ware. + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Een zoo vervloekt lastige hand om te lezen, + als ik ooit van mijn leven gezien heb! + + Goldsmith. + + +De Tempelier ging naar de zaal van het kasteel terug en vond De Bracy +reeds daar aanwezig. "Uwe vrijerij," zei deze, "is waarschijnlijk, +evenals de mijne, door dit luidruchtige trompetgeschal gestoord. Maar +gij zijt later en met meer tegenzin gekomen, en dus veronderstel ik, +dat uwe ontvangst gunstiger is geweest, dan de mijne." + +"Is uw aanzoek bij de Saksische erfdochter vruchteloos geweest?" vroeg +de Tempelier. + +"Bij het gebeente van Thomas-à-Becket," antwoordde De Bracy, +"Rowena moet gehoord hebben, dat ik het gezicht van vrouwentranen +niet verdragen kan." + +"Kom!" zei de Tempelier; "gij, de aanvoerder van eene vrij-bende, +stoort u aan de tranen eener vrouw! Eenige droppels, op de liefdetoorts +gesprengd, doen de vlam des te feller branden." + +"Grooten dank voor eenige droppels," hernam De Bracy; "maar dit +meisje heeft genoeg geweend, om het licht van een vuurbaak uit te +blusschen. Nooit is er zulk een handenwringen en tranenvloed geweest +sedert de dagen van St. Niobe, [24] waarvan Prior Aymer ons verteld +heeft. Een watergeest is in de Saksische schoone gevaren." + +"De Jodin is door een legioen booze geesten bezield," hervatte de +Tempelier; "want ik geloof niet, dat één enkele, al ware het Apollyon +[25] in eigen persoon, zulken ontembaren hoogmoed en standvastigheid +kon inboezemen. Maar waar is Front-de-Boeuf? Dit horengeschal doet +zich hoe langer hoe harder vernemen!" + +"Hij onderhandelt met den Jood, denk ik," hernam De Bracy +onverschillig; "waarschijnlijk heeft het gehuil van Izaäk den klank +van den horen verdoofd. Gij zult bij ondervinding weten, ridder Brian, +dat een Jood, die zijn geld af moet staan op voorwaarden, zooals onze +vriend Front-de-Boeuf vermoedelijk voorschrijft, een geschreeuw zal +maken, luid genoeg om boven twintig horens en trompetten uit gehoord +te worden. Maar wij zullen hem laten roepen." + +Een oogenblik daarna kwam Front-de-Boeuf, die in zijne onmenschelijke +wreedheid op de reeds verhaalde wijze gestoord was, en zich slechts +met het geven van eenige noodige bevelen had opgehouden. + +"Laat ons zien wat de oorzaak is van dit vervloekt geraas," zei +Front-de-Boeuf; "hier is een brief, en zoo ik mij niet vergis, dan +is die in het Saksisch geschreven." + +Hij bekeek dien van alle kanten, alsof hij wezenlijk eenige hoop had +den inhoud te zullen raden door het papier rond te draaien, en daarop +overhandigde hij den brief aan De Bracy. + +"Het kan wel een tooverbrief zijn, wat weet ik er van," zei De Bracy, +die zijne volle maat bezat van de onkunde, welke de ridders van dit +tijdperk onderscheidde. "Onze Kapelaan heeft beproefd mij schrijven +te leeren," vervolgde hij, "maar al mijne letters kregen den vorm +van lanspunten en zwaard-klingen, en dus gaf de oude kaalkop het op." + +"Geef mij den brief," zei de Tempelier. "Dit hebben wij van den +priesterstand gekregen, dat wij eenige kennis bezitten, om onzen moed +voor te lichten." + +"Laten wij dan gebruik maken van uwe eerbiedwaardige kennis," zei De +Bracy; "wat zegt de brief?" + +"Het is een plechtige uitdaging," antwoordde de Tempelier; "maar, +bij de Heilige Maagd, als het geen zotte scherts is, dan is het +de zonderlingste uitdaging, die ooit over de ophaalbrug van een +ridderkasteel gezonden is." + +"Scherts!" zei Front-de-Boeuf; "Ik wilde wel eens weten, wie in zulk +een zaak met mij zou durven schertsen!--Lees op, Ridder Brian!" + +De Tempelier begon aldus te lezen: "Ik, Wamba, de zoon van Weetniet, +hofnar van een edel en vrijgeboren man, Cedric van Rotherwood, +bijgenaamd, de Sakser,--en ik, Gurth, de zoon van Beowolf, +zwijnenhoeder--" + +"Gij zijt waanzinnig geworden," zei Front-de-Boeuf, den lezer in de +rede vallende. + +"Bij St. Lucas, het staat er," antwoordde de Tempelier. Hierop +zijne taak hervattende, vervolgde hij: "Ik, Gurth, de zoon van +Beowolf, zwijnenhoeder van genoemden Cedric, ondersteund door +onze bondgenooten, die gemeene zaak met ons in dezen strijd maken, +zijnde deze bondgenooten, de dappere ridder, voor het tegenwoordige +_Le Noir Fainéant_ genoemd en de geduchte boogschutter Robert +Locksley, Tref-het-wit genoemd, doen u, Reginald Front-de-Boeuf, +en uw bondgenooten en medeplichtigen, wie het ook zijn, weten, dat, +daar gij, zonder aanleidende oorzaak of verklaarden oorlog, u van den +persoon van onzen heer en meester, genoemden Cedric, tegen recht en +billijkheid en door list hebt meester gemaakt; alsook van de persoon +van eene edele en vrijgeborene Jonkvrouw, de Jonkvrouwe Rowena van +Hargottstandstede, alsook van den persoon van een edel en vrijgeboren +man, Athelstane van Coningsburgh; alsook van de personen van zekere +vrijgeboren mannen, hun knechts, alsook van zekere mannen, hun geboren +lijfeigenen, alsook van een zekeren Jood, genaamd Izaäk van York, te +gelijk met zijne dochter, eene Jodin, en zekere paarden en muilezels: +welke edele personen, met hunne knechts en lijfeigenen, en ook met +de paarden en muilezels, den Jood en de Jodin, hierboven genoemd, +allen in vrede waren met Zijne Majesteit, en als getrouwe onderdanen +op des Konings heirwegen reisden; daarom eischen en vergen wij, dat +genoemde edele personen, namelijk, Cedric van Rotherwood, Rowena van +Hargottstandstede, Athelstane van Coningsburgh, met hunne bedienden, +knechts, en gevolg, alsook de paarden en muilezels, de Jood en de +Jodin, hierboven genoemd, te gader met alle have en goed, dat hun +toekomt, een uur na de overgifte dezes aan ons overgegeven worden, +of aan hen, die wij zullen benoemen om hen te ontvangen, ongedeerd en +ongeschonden in lichaam en goederen. Bij gebreke van dien, verklaren +wij u, dat wij u houden voor roovers en verraders, en dat wij onze +lichamen tegen u in den slag, bij de belegering, of anders zullen +wagen, en ons best doen tot uwe vernieling en ondergang. Inmiddels +moge God u in Zijne hoede en bescherming nemen!--Door ons geteekend +op den avond voor St. Witholds dag, onder den ouden eik in de laan +van Hart-hill; het bovenstaande geschreven zijnde door een heilig +man, een dienaar van God, van de Heilige Maagd, en St. Dunstan, +in de kapel van Copmanshurst." + +Onder dit geschrift bevond zich vooreerst een ruwe schets van een +hanekop en kam, met een opschrift, hetwelk verklaarde, dat dit +het teeken was van Wamba, den zoon van Weetniet. Onder dit schoone +zinnebeeld stond een kruis, als het teeken van Gurth, den zoon van +Beowolf. Daaronder stonden in stoute, fiksche letters de woorden: +"_Le Noir Fainéant_;" en eindelijk een vrij net geteekende pijl, +als het teeken van den schutter Locksley. + +De ridders hoorden dit vreemd document van begin tot einde, en zagen +toen elkander in stille verbazing aan, alsof zij geheel niet in staat +waren, de beteekenis er van te begrijpen. De Bracy verbrak het eerst +het stilzwijgen door een schaterend gelach, waarin hem de Tempelier +volgde, schoon met meer gematigdheid. Front-de-Boeuf, daarentegen, +scheen misnoegd over hunne ontijdige vroolijkheid. + +"Ik verzeker u, mijne Heeren," zei hij; "dat gij beter zoudt doen, +met te overleggen, hoe wij in deze omstandigheden moeten handelen, +dan met u aan zulk een ongepast gelach over te geven." + +"Front-de-Boeuf is sedert zijn laatsten val nog niet weder bij goede +luim," zei De Bracy tot den Tempelier: "hij schrikt bij het bloote +denkbeeld van eene uitdaging, al komt die ook maar van een nar en +een zwijnenhoeder." + +"Bij St. Michiel!" antwoordde Front-de-Boeuf; "ik wilde, De Bracy, +dat gij het avontuur geheel alleen moest doorstaan. Deze schurken +zouden niet met zulke onbegrijpelijke onbeschaamdheid hebben durven +handelen, zoo zij niet door sterke benden ondersteund werden. Er zijn +vogelvrijverklaarden genoeg in dit bosch, om zich te wreken over de +bescherming, die ik aan het wild schenk. Ik heb slechts één kerel, +die met bebloede handen op heeter daad gevat werd, aan de horens van +een wild hert laten binden, dat hem in vijf minuten dood boorde en +er werden even zoo vele pijlen op mij afgeschoten, als op het wit +te Ashby.--Hoor eens," vervolgde hij tegen een zijner bedienden, +"hebt gij iemand uitgezonden, om te zien, door welke macht deze +kostelijke uitdaging zal ondersteund worden?" + +"Er zijn ten minste tweehonderd man in het bosch verzameld," antwoordde +een schildknaap, die tegenwoordig was. + +"Bij den hemel!" zei Front-de-Boeuf; "dat komt er van, dat ik u het +gebruik van mijn kasteel toegestaan heb,--u, die geene onderneming in +stilte kunt uitvoeren, maar mij dit wespennest op den hals moet halen." + +"Wespen?" hernam De Bracy; "zeg toch liever angellooze hommels,--eene +bende luie schurken, die zich liever in het bosch ophouden, en het +wild stelen, dan voor den kost werken." + +"Angelloos!" hervatte Front-de-Boeuf. "Scherpe pijlen, een el lang, +en die ieder wit treffen, al is het maar zoo groot als een Fransch +kroonstuk, zijn, dunkt mij, vrij gevaarlijke angels." + +"Schaam u, heer ridder!" zei de Tempelier. "Laten wij ons volk bij +elkander roepen, en een uitval doen. Één ridder,--ja, één gewapend man, +neemt twintig zulke boeren voor zijne rekening." + +"Twintig en nog meer," zei De Bracy; "ik zou mij schamen, mijn lans +tegen hen te gebruiken." + +"Voorzeker," antwoordde Front-de-Boeuf, "zoo het zwarte Turken +of Mooren waren, heer Tempelier, of laffe Fransche boeren, zeer +dappere De Bracy; maar dit zijn Engelsche boogschutters, op wie wij +geen voordeel zullen hebben, behalve onze wapens en paarden, welke +ons in de nauwe wegen van het bosch weinig zullen baten. Een uitval +doen, zeidet gij? Wij hebben nauwelijks manschappen genoeg, om het +kasteel te verdedigen. De besten mijner lieden zijn te York, evenals +uwe geheele bende, De Bracy; en wij hebben nauwelijks twintig man, +buiten hen, die deze dolzinnige onderneming mede uitgevoerd hebben." + +"Gij vreest toch niet," vroeg de Tempelier; "dat zij eene macht +verzamelen kunnen, die sterk genoeg zou zijn, om het kasteel te +bestormen?" + +"Dat niet, ridder Brian," antwoordde Front-de-Boeuf, "deze +roovers hebben, wel is waar, een stouten aanvoerder; maar zonder +krijgswerktuigen, stormladders, en ervaren opperhoofden, kan mijn +kasteel hen trotseeren." + +"Zend naar uwe buren," zei de Tempelier; "laten zij hunne lieden bijeen +brengen, en drie ridders ter hulp snellen, die door een nar en een +zwijnenhoeder in het kasteel van den baron Reginald Front-de-Boeuf +belegerd zijn." + +"Gij schertst, heer ridder," hernam de baron; "maar naar wien zal +ik zenden?--Malvoisin is op dit oogenblik met zijn gevolg te York, +evenals mijne andere bondgenooten; en daar had ik ook moeten zijn, +als deze vervloekte onderneming niet tusschenbeide was gekomen." + +"Zend dan naar York, en laat onze lieden terugroepen," zei De +Bracy. "Indien zij het gezicht van mijn standaard en van mijn +vrijcompagnie verdragen, dan zal ik hen voor de stoutste roovers +houden, die ooit een boog in het bosch gespannen hebben." + +"Maar wie zal de boodschap overbrengen?" vroeg Front-de-Boeuf. "Zij +zullen alle paden bezetten, en den bode zijn last uit het hart +scheuren.--Ik weet er iets op," ging hij voort, na een oogenblik +bedenkens.--"Heer Tempelier, gij kunt even goed schrijven als lezen, +en zoo wij slechts de schrijf-materialen kunnen vinden van mijn +Kapelaan, die een jaar geleden gedurende de feestgelagen in de +Kerstdagen gestorven is--" + +"Met uw verlof," zei de schildknaap, die nog altijd gereed stond, +"ik geloof, dat de oude Urfried die ergens bewaard heeft, ter liefde +van den biechtvader. Hij was de laatste man, zooals ik haar heb hooren +zeggen, die ooit zoo tot haar gesproken heeft, als een beleefd man +tot een meisje, of eene vrouw, spreken moet." + +"Loop en zoek ze op, Engelred; en dan zult gij, heer Tempelier, +een antwoord op deze stoute uitdaging schrijven." + +"Ik wilde het liever met de punt van mijn zwaard doen, dan met de pen," +zei Bois-Guilbert; "maar zooals gij verkiest." + +Hij ging derhalve zitten, en schreef een Franschen brief van den +volgenden inhoud: + +"De Ridder Reginald Front-de-Boeuf en zijn edele en ridderlijke +bondgenooten nemen geene uitdaging aan van slaven, lijfeigenen, +of vluchtelingen. Zoo hij, die zich "de Zwarte Ridder" noemt, +inderdaad aanspraak heeft op de eer der ridderschap, dan moet hij +weten, dat hij onteerd wordt door zijne tegenwoordige verbintenis, +en geen recht heeft om rekenschap te vragen van dappere mannen van +edel bloed. Ten opzichte der gevangenen, die wij gemaakt hebben, +verzoeken wij u uit Christelijke liefde een geestelijke te zenden, +om hunne biecht aan te hooren, en hen met God te verzoenen; daar het +ons vast voornemen is, hen heden morgen, vóór den middag, ter dood +te brengen, opdat hun hoofden, op onze bolwerken tentoongesteld, aan +alle menschen mogen bewijzen, hoe gering wij diegenen achten, welke +zich met hunne bevrijding bemoeien. Derhalve verzoeken wij u nog eens, +als boven, een Priester te zenden, om hen op den dood voor te bereiden; +dit doende zult gij hun den laatsten aardschen dienst bewijzen." + +Zoodra deze brief dichtgevouwen was, werd hij aan den schildknaap +overhandigd, en door dezen aan den bode, die buiten wachtte, op het +antwoord op den brief, door hem gebracht. + +De schutter, na zijn boodschap verricht te hebben, keerde naar het +hoofdkwartier der bondgenooten terug, dat voor het tegenwoordige onder +een eerwaardigen eik opgeslagen was, omtrent drie pijlschoten ver van +het kasteel. Hier wachtten Wamba en Gurth, benevens hunne bondgenooten, +de Zwarte Ridder, Locksley en de vroolijke kluizenaar, met ongeduld +een antwoord op hunne opeisching. Rondom en op een afstand, zag men +eene menigte dappere schutters, wier jagerskleeding en door het weêr +verbrand gelaat den gewonen aard hunner bezigheden aantoonden. Meer dan +tweehonderd waren reeds vergaderd, en er kwamen ieder oogenblik nog +andere aan. Zij, die als aanvoerders het bevel voerden, waren alleen +van de anderen onderscheiden door een pluim op de muts; hun kleeding, +wapens en voorkomen waren voor het overige in alle opzichten dezelfde. + +Behalve deze bende, was reeds een minder ordelijke en slechter +gewapende troep aangekomen, bestaande uit de Saksische inwoners van +de naaste buurtschappen, zoowel als vele lijfeigenen en bedienden +van Cedric's uitgestrekte landgoederen, om tot zijne verlossing +mede te werken. Weinigen van hen hadden andere wapens dan die, +welke de nood in krijgswerktuigen herschapen had. Jachtsperen, +zeisen, dorschvlegels en dergelijke waren hunne voornaamste wapens; +want de Normandiërs hadden, overeenkomstig de gewone staatkunde der +veroveraars, den overwonnen Saksers het bezit en het gebruik der +wapens ontzegd. Deze omstandigheid maakte hun bijstand op verre na +niet zoo geducht voor de belegerden, als de kracht der mannen zelven, +hun groot getal, en de moed, dien eene rechtvaardige zaak inboezemt, +hen anders hadden kunnen maken. Het was aan de aanvoerders van dezen +bonten hoop, dat de brief van den Tempelier thans werd overhandigd. De +Kapelaan werd eerst verzocht, den inhoud daarvan mede te deelen. + +"Bij den herdersstaf van St. Dunstan," zei die waardige geestelijke, +"welke meer schapen in de schaapskooi gebracht heeft, dan die van +eenig heilige in het Paradijs, zweer ik, dat ik u deze wartaal niet +kan uitleggen, daar ik niet gissen kan of het Fransch of Arabisch is." + +Hij gaf den brief daarop aan Gurth over, die brommende het hoofd +schudde en dien weêr aan Wamba overhandigde. De nar bekeek alle vier +hoeken van het papier met een glimlach van gemaakte geleerdheid, +zooals een aap bij dergelijke gelegenheden aanneemt, maakte hierop +een sprong in de lucht, en gaf den brief aan Locksley. + +"Als de groote letters bogen, en de korten pijlen waren, dan zou ik +iets van de zaak begrijpen," zei de eerlijke schutter, "maar zooals +de zaak nu staat, is de meening evengoed voor mij verborgen, als het +hert, dat twaalf mijlen verwijderd is." + +"Dan moet ik maar voorlezer zijn," zei de Zwarte Ridder, en den brief +van Locksley nemende, las hij dien eerst zachtjes over, en verklaarde +toen den inhoud in het Saksisch aan zijn bondgenooten. + +"Den edelen Cedric ter dood brengen!" riep Wamba; "bij het heilige +kruis, gij moet u vergissen, heer Ridder!" + +"Zeker niet, waarde vriend," hernam de ridder, "ik heb u den zin der +woorden medegedeeld, zooals ze hier staan." + +"Dan bij St. Thomas van Canterbury moeten wij het kasteel hebben," +hervatte Gurth, "al moesten wij het ook met de handen omverhalen." + +"Wij hebben niets anders, waarmede het omver te halen," hernam Wamba; +"maar de mijne zijn niet zeer geschikt, om steenen en kalk te breken." + +"Het is slechts eene uitvlucht om tijd te winnen," zei Locksley, +"zij durven geene daad verrichten, waarvoor ik een schrikkelijke +wraak kon vorderen." + +"Ik wenschte, dat er één van ons toegang tot het kasteel kon +verkrijgen," zei de Zwarte Ridder, "en ontdekken, hoe het met de +belegerden gesteld is. Mij dunkt, daar zij een biechtvader willen +hebben, zou deze heilige kluizenaar tegelijk zijn vroom beroep kunnen +uitoefenen, en ons de gewenschte berichten bezorgen." + +"De drommel hale u en uw raad," hernam de brave heremiet; "ik zeg +u, heer Luiaard, dat, wanneer ik mijn monnikskleed uittrek, mijn +priesterschap, mijne heiligheid, zelfs mijn Latijn, mij tegelijk +verlaten; en in mijn groen buis kan ik beter twintig herten +doodschieten dan één Christen de biecht afnemen." + +"Ik vrees," zei de Zwarte Ridder, "ik vrees zeer, dat hier niemand +is, die geschikt is, om tot ons doel de rol van biechtvader op zich +te nemen." + +Allen zagen elkander zwijgende aan. + +"Ik zie," zei Wamba, na eene korte stilte, "dat de nar al weêr +de nar moet zijn, en zijn hals er aan wagen, waar wijze menschen +terugdeinzen. Gij moet weten, waarde makkers en landslieden, dat ik +een monnikskleed gedragen heb, eer ik de narrekap opzette, en dat ik +voor monnik werd opgevoed, eer eene zenuwkoorts mij slechts verstand +genoeg overliet, om een nar te zijn. Ik vertrouw, dat ik, met behulp +van het gewaad van den vromen heremiet, en met het priesterschap, +de heiligheid, en de geleerdheid, welke in die kap zitten, bekwaam +zal zijn, om wereldschen en geestelijken troost toe te deelen aan +onzen waardigen meester Cedric, en zijne lotgenooten in het ongeluk." + +"Denkt gij, dat hij daartoe verstand genoeg heeft?" vroeg de Zwarte +Ridder aan Gurth. + +"Ik weet het niet," hernam Gurth; "maar zoo hij het niet heeft, dan +zal het de eerste keer zijn, dat het hem aan vernuft ontbroken heeft, +om van zijne gekheid voordeel te trekken." + +"Trek dan het monniksgewaad maar aan, vriend," zei de ridder, "en laat +uw meester ons bericht zenden van den toestand van het kasteel. Hun +getal moet klein zijn, en het is vijf tegen één, dat men hen door +een plotselingen en stouten aanval overrompelen kan. De tijd eischt +spoed,--ga!" + +"Intusschen," zei Locksley, "zullen wij de plaats zoo nauw insluiten, +dat er zelfs geen vlieg eenig bericht uit zou kunnen brengen. Zoodat +gij, goede vriend," vervolgde hij, zich tot Wamba wendende, "deze +dwingelanden kunt verzekeren, dat elke daad van geweld, die zij tegen +hun gevangenen plegen, hun zwaar zal vergolden worden." + +"_Pax vobiscum!_" zei Wamba, die nu in zijn geestelijke vermomming +gehuld was. En dit zeggende, nam hij den plechtigen en statigen gang +van een monnik aan, en vertrok, om zijne zending te volbrengen. + + + + + +ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Men ziet het vurigst paard in stap, + Het traagste ook soms in galop: + Vaak zet de nar een monnikskap, + De monnik 'n zotskap op. + + Oud Lied. + + +Toen de nar, in de kap en het gewaad van den heremiet, en zijn koord +met knoopen om het lijf geslingerd, voor de poort van Front-de-Boeuf's +kasteel stond, vroeg hem de wachter naar zijn naam en zijn boodschap. + +"_Pax vobiscum!_" antwoordde de nar, "ik ben een arme broeder van de +orde van St. Franciscus, en ik kom hier om mijn dienst te doen bij +zekere ongelukkige gevangenen, die in dit kasteel zijn." + +"Gij zijt een stoute monnik," hernam de wachter, "dat gij hier heen +durft komen, waar, behalve onze dronken biechtvader, geen vogel van +uwe kleur sedert twintig jaren zich vertoond heeft." + +"Evenwel bid ik u, mijne boodschap aan den heer van het kasteel te +doen," antwoordde de gewaande monnik; "geloof mij, ze zal door hem +goed opgenomen worden, en de vogel zal zingen, dat het geheele kasteel +hem hooren zal." + +"Het zij zoo," zei de wachter; "maar zoo ik beknord word, omdat ik +mijn post wegens uwe boodschap verlaten heb, dan zal ik beproeven, +of het grijze monnikskleed bestand is tegen een grijsgevederden pijl." + +Met deze bedreiging verliet hij den toren en bracht in de zaal van +het kasteel het vreemde bericht, dat een kloosterling voor de poort +stond, en dadelijk wilde binnengelaten worden. Tot zijn niet geringe +verwondering ontving hij bevel van zijn meester, om den geestelijke +oogenblikkelijk binnen te laten; en, nadat hij den ingang met wachten +voorzien had, om eene overrompeling te verhinderen, gehoorzaamde +hij, zonder verder dralen, aan het ontvangen bevel. Het vermetele +zelfvertrouwen, dat Wamba de stoutheid gegeven had, om zich met deze +gevaarlijke zending te belasten, was nauwelijks voldoende om hem +moed te geven, toen hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een +zoo vreeselijken en zoo gevreesden man, als Reginald Front-de-Boeuf, +en hij bracht zijn _Pax vobiscum_, waarop hij grootendeels vertrouwde, +om zijne rol vol te houden, met meer angst en bedeesdheid uit, dan +tot hiertoe het geval geweest was. Maar Front-de-Boeuf was gewoon om +menschen van iederen stand in zijne tegenwoordigheid te zien sidderen, +zoodat de vreesachtigheid van den gewaanden priester niet de minste +achterdocht bij hem verwekte. + +"Wie en vanwaar zijt gij, priester?" vroeg hij. + +"_Pax vobiscum!_" herhaalde de nar, "ik ben een arm dienaar van +St. Franciscus, en, ik ben, terwijl ik door deze wildernis reisde, +onder dieven gevallen (zooals in de Heilige Schrift staat), _quidam +viator incidit in latrones_, welke dieven mij naar het kasteel +gezonden hebben, ten einde mijn geestelijk ambt uit te oefenen bij +twee menschen, die door uwe eerbiedwaardige rechtvaardigheid ter dood +veroordeeld zijn." + +"Ja, dat is zoo," antwoordde Front-de-Boeuf; "en kunt gij mij zeggen, +eerwaarde man, hoe groot het getal der bandieten is?" + +"Dappere ridder," hernam de nar, "_nomen illis legio_, hun naam +is legioen." + +"Zeg mij in duidelijke woorden, hoe groot hun getal is,--of, priester, +uw mantel en gordel zullen u niet beschermen!" + +"Helaas!" zei de gewaande monnik; "_cor meum eruclavit_, dat wil +zeggen, ik was bijna van schrik gebarsten! Maar mij dunkt, er zullen +schutters en boeren bij elkander, ten minste vijfhonderd man bijeen +zijn." + +"Hoe!" zei de Tempelier, die op dit oogenblik binnentrad, "zijn de +wespen zoo groot in aantal? Het is tijd, om zulk een kwaadaardig +geslacht uit te roeien." Hierop Front-de-Boeuf ter zijde nemende, +vroeg hij: "Kent gij dien priester?" + +"Hij is een vreemdeling uit een afgelegen klooster," zei +Front-de-Boeuf; "ik ken hem niet." + +"Vertrouw hem dan uw boodschap niet mondeling," antwoordde de +Tempelier. "Laat hem een geschreven bevel brengen aan De Bracy's +vrijcompagnie, om dadelijk tot hulp van hun meester op te dagen. Opdat +intusschen de kaalkop niets moge vermoeden, vergun hem vrij aan +zijn werk te gaan, om deze Saksische zwijnen voor de slachtbank voor +te bereiden." + +"Het zij zoo," zei Front-de-Boeuf. En hij liet dadelijk Wamba door een +dienaar naar de kamer brengen, waar Cedric en Athelstane opgesloten +waren. + +Cedric's ongeduld was eerder vermeerderd dan verminderd door zijn +gevangenschap. Hij wandelde van den eenen hoek der kamer naar den +anderen, met de houding van iemand, die op een vijand losgaat, of +de bres van eene belegerde plaats wil bestormen, soms in zichzelven +sprekende, soms het woord tot Athelstane richtende, die met den moed +van een Stoïcijn den uitslag van het avontuur afwachtte, intusschen +met groote bedaardheid den ruimen maaltijd verterende, dien hij des +middags gebruikt had, en zich niet veel storende aan de langdurigheid +zijner gevangenschap, welke hij besloot, dat, evenals alle aardsche +rampen, met den tijd een einde zou hebben. + +"_Pax vobiscum_," zei de nar, binnentredende, "de zegen van St. Duthoc, +en alle andere heiligen zij op en met u!" + +"Treed binnen," antwoordde Cedric tot den gewaanden monnik, "met wat +oogmerk zijt gij hier?" + +"Om u te verzoeken, u tot den dood te bereiden," hernam de nar. + +"Het is onmogelijk," hervatte Cedric, opspringende. "Hoe vermetel en +boosaardig ze ook zijn, durven ze zulk een openlijke en noodelooze +wreedheid niet begaan." + +"Helaas!" zei de nar, "hen door een gevoel van menschelijkheid te +willen betoomen, is hetzelfde, als een hollend paard, met een teugel +van zijden draad te willen tegenhouden. Bedenk u derhalve, edele +Cedric, en ook gij, dappere Athelstane, welke misdaden gij begaan +hebt; want nog eer deze dag ten einde is, zult gij geroepen worden, +om voor een hoogeren Rechter rekenschap te geven." + +"Hoort gij het, Athelstane?" zei Cedric, "wij moeten onzen moed bewaren +voor dezen laatsten stap;--het is toch beter, als mannen te sterven, +dan als slaven te leven." + +"Ik ben gereed," antwoordde Athelstane, "om het ergste van hunne +boosheid te verduren; en ik zal naar den dood gaan met evenveel +bedaardheid, als ik ooit aan tafel gegaan ben." + +"Laat ons dan tot onze heilige versterking overgaan, vader!" zei +Cedric. + +"Wacht nog een oogenblik, oomlief," zei de nar, op zijn natuurlijken +toon, "het is niet goed in het donker een sprong te wagen, eer men +weet waarheen." + +"Hoe!" riep Cedric, "mij dunkt, ik ken die stem!" + +"Het is die van uw getrouwen slaaf en nar," antwoordde Wamba, de kap +terugslaande. "Hadt gij vroeger naar den raad van een nar geluisterd, +dan zoudt gij nu niet hier zijn. Neem nu den raad van een nar aan en +gij zult niet lang meer hier blijven." + +"Hoe meent gij dat, schelm?" antwoordde de Sakser. + +"Neem dit kleed en het koord," hernam Wamba, "in welke al mijn +heiligheid bestaat, en ga gerust uit het kasteel, terwijl ge mij uw +mantel en gordel laat, om den sprong in de lucht in uwe plaats te doen. + +"U hier in mijne plaats laten!" riep Cedric, verwonderd over het +voorstel; "wel, zij zouden u ophangen, arme jongen." + +"Laat hen doen, wat zij durven," zei Wamba, "mij dunkt,--zonder uwe +afkomst te kort te doen,--dat de zoon van Weetniet met even veel +deftigheid in ketens kan hangen, als de keten op zijn voorvader, +den raadsheer hing." + +"Wel, Wamba," antwoordde Cedric, "onder één voorwaarde, neem ik uw +verzoek aan; namelijk, dat gij met Athelstane van kleêren verwisselt, +in plaats van met mij." + +"Neen, bij St. Dunstan," antwoordde Wamba, "dat zou al te dwaas +zijn. Er zijn gegronde redenen, waarom de zoon van Weetniet voor +den zoon van Hereward sterft; maar er zou weinig wijsheid in steken, +om te sterven voor iemand, wiens vader hem vreemd was." + +"Schurk," zei Cedric, "de voorouders van Athelstane waren Koningen +van Engeland!' + +"Dat is wel mogelijk," hervatte Wamba; "maar mijn hals zit te +makkelijk tusschen mijne schouders, om dien om hunnentwille te laten +toesnoeren. Daarom, goede heer, neem mijn aanbod voor u zelven aan, of +laat mij even vrij uit deze gevangenis gaan, als ik er in gekomen ben." + +"Laat den ouden boom vergaan," ging Cedric voort, "zoo de statige +eik in het woud behouden blijft. Red den edelen Athelstane, mijn +getrouwe Wamba! het is de plicht van elk, in wiens aderen Saksisch +bloed vloeit. Gij en ik, zullen samen de uiterste woede van onze +onrechtvaardige onderdrukkers afwachten, terwijl hij, in vrijheid +en veiligheid gesteld, den ontwaakten moed onzer landslieden zal +aanwakkeren, om ons te wreken." + +"Dat niet, vader Cedric," zei Athelstane, zijne hand vattende, +want wanneer hij tot denken en handelen aangedreven werd, waren zijn +gevoelens en daden zijner hooge geboorte niet onwaardig,--"dat niet; +ik wil liever eene week zonder ander voedsel in deze zaal blijven dan +het droge brood des gevangenen, en zonder anderen drank, dan een beker +water, dan van de gelegenheid tot ontsnappen gebruik maken, welke de +ongekunstelde liefde van dezen slaaf voor zijn meester bezorgd heeft." + +"Ge heet wijze mannen, mijn heeren," zei de nar, "en ik een gek, +maar oom Cedric, en neef Athelstane, de nar zal dezen strijd voor u +beslissen, en u de moeite besparen, om verder complimenten met elkander +te maken. Ik ben evenals het ros van den boer, dat geen mensch op zijn +rug kan velen dan den boer zelven. Ik kwam, om mijn meester te redden, +en als hij niet wil--_basta_;--dan heb ik verder niets te doen, dan +weder op te stappen. Een liefdedienst kan niet van de eene hand in +de andere overgaan, als een bal of een stuk speelgoed. Ik wil voor +geen mensch opgehangen worden, dan voor mijn aangeboren heer." + +"Ga dan, edele Cedric," zei Athelstane, "verzuim deze gelegenheid +niet. Uw tegenwoordigheid daar buiten kan onze vrienden tot onze +verlossing aanmoedigen;--uw hier blijven zou ons allen ongelukkig +maken." + +"En is er dan eenig vooruitzicht op verlossing van buiten?" vroeg +Cedric, den nar aanziende. + +"Vooruitzicht, inderdaad!" hernam Wamba; "ik zeg u, als ge mijn +gewaad aantrekt, zijt ge in een veldheersrok gestoken. Daar +buiten zijn vijfhonderd man, en ik was heden morgen een van hun +voornaamste aanvoerders. Mijn zotskap was een helm, en mijn stok een +veldheersstaf. Wel,--wij zullen zien, wat ze er bij winnen, door een +nar tegen een wijs man te verruilen! Waarlijk, ik vrees, dat ze aan +dapperheid verliezen, wat ze aan wijsheid winnen. Nu vaarwel, meester, +en wees goed jegens den armen Gurth en zijn hond Fangs; en laat mijn +zotskap in de zaal van Rotherwood ophangen, ter gedachtenis, dat ik +mijn leven voor mijn meester gegeven heb--als eene getrouwe--nar." + +Dit laatste woord kwam er uit met eene weifelende uitdrukking, +tusschen scherts en ernst in. De tranen stonden in Cedric's oogen. + +"Uwe gedachtenis zal bewaard blijven", zei hij, "zoo lang trouw en +liefde nog op aarde geëerd worden. Maar ik hoop middelen te vinden, +om Rowena, en u, Athelstane, en ook u, mijn armen Wamba, te redden; +gij zult mij in dit opzicht niet overtreffen." + +De kleederenverwisseling was nu geschied, toen een plotselinge twijfel +bij Cedric opkwam. + +"Ik versta geen andere taal," zei hij, "dan mijn eigene, en een paar +woorden van hun laf Normandisch! Hoe zal ik mij als een eerwaarde +vader gedragen?" + +"De kunst ligt in twee woorden," hernam Wamba: "_Pax vobiscum_ +beantwoordt alle vragen. Of ge gaat, of komt, eet of drinkt, zegent +of vloekt, _Pax vobiscum_ helpt u overal door. Het is even nuttig +voor een monnik, als een bezemstok voor eene heks, of een staf voor +een toovenaar. Spreek het maar dus uit, op een indrukwekkenden, +ernstigen toon,--_Pax vobiscum!_--het is onwederstaanbaar;--op +wachters en oppassers, ridders en knapen, ruiters en voetgangers; +op allen werkt het als eene betoovering. Ik geloof, dat zoo ze mij +morgen ophangen willen, waaraan ik in het geheel niet twijfel, ik de +kracht er van op den voltrekker van het vonnis zal beproeven." + +"In dit geval," hervatte zijn meester, "kan ik mijn priesterambt +spoedig aanvaarden;--_Pax vobiscum!_ Ik vertrouw, dat ik deze paar +woorden zal onthouden.--Edele Athelstane, vaarwel! en ook gij, mijn +arme jongen, vaarwel! gij, wiens hart een nog zwakker hoofd zou +vergoeden.--Ik zal u redden, of terugkeeren en met u sterven. Het +bloed van onze Saksische koningen zal niet vergoten worden, zoolang +er nog één droppel van het mijne in mijn aderen vloeit; en er zal +geen haar gekrenkt worden van het hoofd van den braven kerel, die +zijn leven voor zijn heer waagt, zoo Cedric door zich in gevaar te +begeven het beletten kan.--Vaarwel!" + +"Vaarwel, edele Cedric," zei Athelstane; "herinner u, dat het de +natuurlijke rol van een monnik is, ververschingen aan te nemen, +overal waar zij hem aangeboden worden." + +"Vaarwel, oom!" voegde Wamba er bij, "en denk aan het _Pax vobiscum!_" + +Aldus vermaand, ging Cedric op zijn onderneming uit; en het duurde +niet lang of hij had gelegenheid, om de kracht van de tooverspreuk +te beproeven, welke de nar als alvermogend had aanbevolen. In een +lage, gewelfde en donkere gang, waardoor hij trachtte naar de zaal +van het kasteel te dringen, werd hij door een vrouwelijke gedaante +opgehouden. "_Pax vobiscum!_" zei de gewaande monnik, en wilde +schielijk voorbij sluipen, toen een zachte stem antwoordde: "_Et +vobis--quaeso, domine reverendissime pro misericordia vestra._"--Ik +ben wat doof," hernam Cedric in goed Saksisch, en tegelijk bromde +hij in zichzelven: "Verwenscht zij de nar en zijn _Pax vobiscum!_ +Ik heb mijn wapen bij den eersten slag gebroken!" + +Het was echter niets ongewoons bij een priester van die dagen doof +te zijn, als men hem in het Latijn aansprak, en dit wist zij, die +Cedric thans ophield, zeer wel. + +"Ik bid u, om 's hemels wille, eerwaarde vader," hernam ze in zijn +eigene taal, "met uw geestelijken troost een gekwetsten gevangene in +dit kasteel te bezoeken, en hem en ons dat medelijden te betoonen, +hetwelk uwe heilige stand u voorschrijft.--Nooit zal eene goede daad +uw klooster zooveel voordeel aangebracht hebben." + +"Dochter," antwoordde Cedric, zeer verlegen, "mijn kort verblijf in dit +kasteel vergunt mij niet, de plichten van mijn ambt te verrichten.--Ik +moet dadelijk weg--er hangt leven en dood van mijn spoed af." + +"En evenwel, vader, bid ik u, bij de gelofte, welke gij gedaan hebt," +hernam de smeekende, "de onderdrukten en ellendigen niet zonder raad +of bijstand te laten!" + +"Moge de duivel met mij wegvliegen, en mij in Ifrin laten met de zielen +van Odin en Thor!" riep Cedric ongeduldig, en hij zou waarschijnlijk +zoo voortgegaan zijn, zonder in het minst aan zijn heiligen stand te +denken, als niet het gesprek afgebroken was geweest door de heesche +stem van Urfried, de oude vrouw van den toren. + +"Hoe ellendige!" zei zij tegen de vrouw, welke gesproken had; +"Is het op deze wijze, dat gij de goedheid vergeldt, waarmede ik u +vergunde, uw gevangenis te verlaten?--Dwingt gij den eerwaarden man, +een onvriendelijke taal te gebruiken, om zich van de onbeschaamdheid +eener Jodin te bevrijden?" + +"Eene Jodin!" riep Cedric, zich van deze gelegenheid bedienende om +zich van haar te ontslaan, "Laat mij voorbij, vrouw! houd mij niet op, +zoo u het leven lief is! Ik kom zoo regelrecht van mijn heilig ambt, +en wenschte bezoedeling te vermijden." + +"Volg mij maar, vader," zei de oude heks, "gij zijt vreemd in dit +kasteel, en kunt er zonder gids niet uitkomen.--Kom hierheen, want +ik moet u spreken.--En gij, kind van een vervloekten stam, ga naar +de kamer van den zieke, en verpleeg hem tot mijne terugkomst; het zal +u duur te staan komen, zoo gij hem weder zonder mijn verlof verlaat!" + +Rebekka vertrok. Hare dringende gebeden hadden Urfried overgehaald +haar te vergunnen, den toren te verlaten, en Urfried had haar gebruikt +om den gewonden Ivanhoe op te passen, wien zij nu van ganscher harte +haar dienst bewees. Met een verstand, dat hun gevaarlijken toestand +goed begreep, en zich vaardig van ieder middel tot redding wist te +bedienen, had Rebekka iets goeds gehoopt van de tegenwoordigheid van +een geestelijke, die, zooals zij van Urfried gehoord had, in dit +goddeloos kasteel doorgedrongen was. Zij wachtte op de terugkomst +van den monnik, met het voornemen, om hem aan te spreken, en bij hem +belangstelling voor de gevangenen te verwekken. De lezer heeft zoo +even vernomen, hoe slecht zij slaagde. + + + + + +ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Wat weegt, Ellendige! u op 't hart, + Dan euveldaân, berouw en smart? + Gij kent uw lot, uw schuld is klaar, + Maar kom, 't verhaal, begin het maar! + -- -- -- -- -- -- -- -- -- + Mij snijden andre bitterheên + En wreeder smart de ziele door, + Tot haar vertroosting, 'k bid u, leen + Mijn droefheid een gewillig oor; + En zoo me in u geen vriend verscheen, + Die hulpe biedt, ten minste hoor! + + Crabbe. + + +Nadat Urfried door geschreeuw en bedreigingen Rebekka naar de kamer +terug gedreven had, welke pas door haar verlaten was, geleidde zij +Cedric, tegen wil en dank, in een klein vertrek, waarvan zij de +deur zorgvuldig achter zich toesloot. Hierop, na uit een kast een +wijnbeker en twee flesschen gekregen te hebben, zette zij ze op tafel, +en zei op vasten, volstrekt niet vragenden toon: "Gij zijt een Sakser, +vader! Ontken het niet," ging zij voort, bespeurende, dat Cedric zich +niet haastte om te antwoorden; "de klanken mijner moedertaal zijn +mij aangenaam, ofschoon ik ze zelden anders hoor, dan uit den mond +van de ellendige, verachtelijke slaven, wien de trotsche Normandiërs +het zwaarste en laagste werk in dit kasteel opleggen. Gij zijt een +Sakser, vader,--een Sakser, en bovendien een dienaar Gods, een vrij +man--Uw woorden klinken aangenaam in mijn ooren!" + +"Bezoeken dan geen Saksische priesters dit kasteel?" hernam Cedric; +"Het ware, dunkt mij, hunne plicht, de verworpelingen en onderdrukten +onder de kinderen des lands te troosten." + +"Zij komen niet,--of zoo zij komen, zwelgen zij liever aan de tafels +hunner onderdrukkers," antwoordde Urfried, "dan het gezucht hunner +landslieden aan te hooren; zoo luidt ten minste het gerucht; ik, +voor mij, weet er weinig van. Dit kasteel heeft, sedert tien jaren, +alleen opengestaan voor den losbandigen Normandischen kapelaan, die +de nachtelijke zwelgerijen van Front-de-Boeuf deelde, en hij is reeds +lang heengegaan, om rekenschap van zijn ambt te geven. Maar gij zijt +een Sakser,--een Saksisch priester, en ik heb u eene vraag te doen." + +"Ik ben een Sakser," antwoordde Cedric, "maar den naam van priester +geheel en al onwaardig. Laat mij gaan.--Ik zweer u, dat ik terug zal +komen, of een van onze priesters zenden, die waardiger is dan ik, +om uwe biecht aan te hooren." + +"Wacht nog een oogenblik," zei Urfried, "de stem, welke gij nu hoort, +zal weldra onder de koude aarde verstommen, en ik wilde niet gaarne +in het graf nederdalen in den dierlijken toestand, waarin ik geleefd +heb. Maar wijn moet mij de kracht geven, om mijn ijselijk verhaal +te doen." + +Zij schonk een beker vol, en ledigde dien met een walgelijke +gulzigheid, alsof zij er geen droppel in wilde overlaten. "Dit +verstompt het gevoel", zei zij, opziende, toen zij den beker +geledigd had; "maar het kan mij niet opvroolijken.--Drink met mij, +vader, zoo gij mijn verhaal wilt hooren, zonder daarbij in onmacht +te zinken." Cedric zou er zich gaarne van hebben willen ontslaan, +om haar bescheid te doen bij deze onheilspellende gastvrijheid; +maar de wenk, dien zij hem gaf, drukte ongeduld en wanhoop uit. Hij +bewilligde in haar verzoek, en beantwoordde hare uitnoodiging door +een vollen beker te ledigen. Hierop begon zij haar verhaal, alsof +zijne inschikkelijkheid haar bevredigd had. + +"Ik ben niet zulk een rampzalig schepsel geboren, als gij mij thans +ziet, eerwaarde vader," zei zij. "Ik was vrij, gelukkig, geëerd;--ik +beminde, en werd weder bemind. Ik ben nu een slavin, ellendig en +ontaard,--de speelbal der driften mijner meesters, toen ik nog +schoonheid bezat,--het voorwerp hunner verachting en van hun smaad +en haat, sedert mijne bekoorlijkheden verdwenen zijn.--Verwondert +het u, vader, dat ik het menschdom haat, en bovenal het ras, dat +deze verandering in mij heeft te weeg gebracht? Kan het gerimpeld, +vernederd wezen, dat vóór u staat, welks woede zich in onmachtige +vervloekingen ontlast, vergeten, dat zij de dochter is van den edelen +_Thane_ van Torquilstone, voor wiens macht duizend vazallen sidderden?" + +"Gij de dochter van Torquil Wolfganger!" riep Cedric, terugdeinzende, +"gij,--gij,--de dochter van dien edelen Sakser, mijns vaders vriend +en wapenbroeder!" + +"Uws vaders vriend!" herhaalde Urfried; "dan staat Cedric, +bijgenaamd de Sakser, vóór mij, want de edele Hereward van Rotherwood +had maar één zoon, wiens naam onder zijn landgenooten wèlbekend +is. Maar zoo gij Cedric van Rotherwood zijt, waartoe dit geestelijk +gewaad?--Wanhoopt gij ook al aan de verlossing van uw vaderland, +en hebt gij in de schuilhoeken van een klooster bescherming gezocht +tegen de onderdrukking?" + +"Het is onverschillig, wie ik ben," hernam Cedric; "ga voort, +ongelukkige, met uw verhaal van gruwelen en schuld.--Want schuld moet +er onder begrepen zijn;--het is eene misdaad reeds, dat gij nog leeft, +om het te verhalen!" + +"Zoo is het!--Zoo is het!" antwoordde de ellendige: "eene diepe, +zwarte, verdoemelijke misdaad;--eene misdaad van welke het vagevuur +hiernamaals mij niet zuiveren kan.--Ja, in deze zalen, bevlekt met +het edele bloed van mijn vader en van mijne broeders;--in deze zelfde +vertrekken, als de bijzit van hun moordenaar, als zijne slavin en +tegelijk als de deelgenoote zijner vermaken geleefd te hebben, moest +iederen ademtocht voor mij tot eene misdaad en een vloek maken." + +"Ellendige!" riep Cedric. "En terwijl uws vaders vrienden--want +ieder oprecht Saksisch hart, als het voor de rust van zijne ziel en +die zijner dappere zonen bad, vergat in zijn gebeden ook de vermoorde +Ulrica niet,--terwijl allen de doode betreurden en vereerden, hebt gij +geleefd, om onzen haat en onze verachting te verdienen,--geleefd, om u +met den verraderlijken tiran te verbinden, die alles vermoord had, wat +u het naaste en dierbaarste was;--die het bloed van kinderen vergoot, +liever dan één mannelijken erfgenaam van het edele huis van Torquil +Wolfganger in het leven te laten;--met hem hebt gij u vereenigd,--met +hem in de banden van onwettige liefde geleefd!" + +"In onwettige banden wel, maar niet in die der liefde," antwoordde +de oude; "de liefde zal eerder de verblijven der eeuwige verdoemenis +bezoeken, dan dit goddelooze kasteel.--Neen, dat behoef ik mij ten +minste niet te verwijten;--haat tegen Front-de-Boeuf en zijn geslacht +heerschte steeds in mijne ziel, zelfs te midden zijner misdadige +liefkoozingen!" + +"Gij haattet hem, en toch bleeft gij leven!" hernam +Cedric. "Ellendige! was er geen dolk,--geen mes,--geen +haarnaald? Gelukkig voor u, daar gij zulk een bestaan op prijs steldet, +dat de geheimen van een Normandisch kasteel even verborgen zijn, +als die van het graf. Want, had ik slechts kunnen droomen, dat de +dochter van Torquil in schandelijke gemeenschap met den moordenaar +van haar vader leefde, dan zou het staal van een oprechten Sakser u +zelfs in de armen van uw minnaar getroffen hebben!" + +"Zoudt gij inderdaad deze gerechtigheid aan Torquils naam hebben laten +wedervaren?" zei Ulrica; want wij behoeven nu haar aangenomen naam van +Urfried niet meer te gebruiken; "dan zijt gij inderdaad de oprechte +Sakser, voor wien men u houdt; want zelfs binnen deze vervloekte muren, +waar, zooals ge terecht zegt, de misdaad achter een ondoordringbaren +sluier verborgen is, zelfs hier heeft de naam van Cedric weêrgalmd,--en +ik, hoe ellendig en verlaagd, heb mij verheugd in de gedachte, dat +er nog één wreker van ons ongelukkig volk leefde.--Ik heb ook mijne +ure van wraak gehad.--Ik heb de twisten onzer vijanden aangestookt, +en dronkenschap en zwelgerij in woedenden moordlust doen overgaan.--Ik +heb hun bloed zien stroomen.--Ik heb hun stervend gerochel gehoord! Zie +mij aan, Cedric.--Zijn er op dit verwelkt, verbleekt aangezicht niet +eenige sporen van Torquils gelaatstrekken achtergebleven?" + +"Vraag mij daarnaar niet, Ulrica," hervatte Cedric, op een toon, +waarin smart met afschuw vermengd was; "deze sporen laten zulk een +overeenkomst over, als die van iemand, die uit het graf verrezen is, +als een booze geest het doode lichaam bezield heeft." + +"Het zij zoo!" antwoordde Ulrica; "En evenwel droegen deze sombere +trekken het masker van een geest des lichts, toen ze in staat waren, +den ouden Front-de-Boeuf en zijn zoon Reginald op te hitsen. De +duisternis der hel moest verbergen, wat er nu volgt; maar de wraak +moet den sluier oplichten, en datgene in het verborgen fluisteren, wat +de dooden uit het graf zou halen, als het met luide stem geopenbaard +werd!--Lang had het vuur der oneenigheid tusschen den wreeden vader +en zijn woesten zoon onder de asch gesmeuld,--lang had ik, in het +geheim, den onnatuurlijken haat aangestookt;--hij ontvlamde eindelijk +in een uur van woeste dronkenschap, en aan zijn eigene tafel viel mijn +onderdrukker door de hand van zijn eigen zoon! Dit zijn de geheimen, +welke deze gewelven verbergen!--Stort in, vervloekte bogen," voegde +ze er bij, naar boven ziende, "en begraaft onder uw puin allen, +die het afschuwelijk geheim kennen!" + +"En gij, misdadig en ellendig wezen," zei Cedric, "wat werd uw lot +na den dood van den roover uwer eer?" + +"Gis daarnaar, maar vraag het mij niet.--Hier,--hier woonde ik, totdat +de ouderdom, een vroegtijdige ouderdom, zijne ijselijke sporen op mij +drukte,--veracht en beschimpt, waar ik eens heerschte,--en gedwongen, +om de wraak, welke eens een zoo ruim veld had, te bepalen tot het +bestraffen der verachtelijke boosaardigheid van een ontevreden +huisbediende, of tot de ijdele en nietsbeteekenende vervloekingen +eener onmachtige oude vrouw;--veroordeeld, om van mijn eenzaam torentje +het geraas der zwelgerij aan te hooren, waarin ik eens deelde, of het +geschreeuw en het gekerm van nieuwe slachtoffers der onderdrukking." + +"Ulrica," zei Cedric, "hoe durfdet ge, met een hart, dat, zooals ik +vrees, het verloren loon zijner misdaden evenzeer betreurt als de +schande, door welke het verkregen werd, u tot een man wenden, die dit +kleed draagt? Bedenk, ongelukkige, wat zou de heilige Eduard zelf voor +u kunnen doen, zoo hij in eigen persoon hier ware? De Koninklijke +Belijder was door den Hemel begaafd met het vermogen om de zweren +des lichaams te heelen, maar God alleen kan de melaatschheid der +ziel genezen!" + +"Ik bid u, wend u niet van mij af, strenge profeet des toorns," +riep ze uit: "maar zeg mij, zoo ge kunt, wat beteekenen de nieuwe +en ijzingwekkende gevoelens, welke in mijne eenzaamheid zich aan mij +opdringen?--Waarom verrijzen daden, die sinds lang gepleegd zijn, met +nieuwen en onweêrstaanbaren schrik voor mijn oogen? Welk lot verbeidt +aan de overzijde des grafs haar, aan wie God hier op aarde een lot van +zulke onuitsprekelijke ellende heeft opgelegd? Beter wendde ik mij tot +Wodan, Hertha, en Zernebock,--tot Misto en Skogula, de Goden onzer +nog ongedoopte voorvaders, dan de schrikkelijke angsten te lijden, +welke mij sedert kort wakend en slapend vervolgd hebben." + +"Ik ben geen priester," zei Cedric, zich met walging afkeerende van +dit ellendige slachtoffer van schuld, ellende en wanhoop. "Ik ben +geen priester, schoon ik het gewaad eens priesters draag." + +"Priester, of leek," antwoordde Ulrica, "ge zijt de eerste, dien +ik sedert twintig jaren zie, welke God vreest, of den mensch acht, +en wilt ge mij aan de wanhoop overlaten?" + +"Heb berouw," hernam Cedric. "Bid en doe boete, en ge zult gehoor +vinden. Maar ik kan, ik wil niet langer bij u blijven." + +"Toef nog één oogenblik," zei Ulrica; "verlaat mij thans niet; +zoon van mijns vaders vriend, uit vrees, dat de booze geest, die +mijn leven bestuurd heeft, mij mocht aandrijven, om mij over uw +hardvochtigen smaad te wreken.--Denkt ge, dat, zoo Front-de-Boeuf +Cedric den Sakser, in zulk eene vermomming, in zijn kasteel vond, +uw leven van langen duur zou zijn? Reeds lang heeft hij het oog op +u gehad, evenals een valk op zijn prooi." + +"En al ware het zoo," zei Cedric, "dan verscheure hij mij met bek en +klauwen, eer mijn mond één woord zegt, dat mijn hart niet waarborgt. Ik +wil als Sakser sterven;--waar in woorden, open in daden.--Ik bid u, +ga weg van mij!--Raak mij niet aan, houd mij niet op! Het gezicht +van Front-de-Boeuf zelven is minder hatelijk voor mij, dan het uwe, +vernederd en ontaard, gelijk ge zijt." + +"Het zij zoo," hervatte Ulrica, hem niet langer ophoudende; "ga, +en vergeet, in den hoogmoed van uwe meerderheid, dat het ellendige +schepsel, dat voor u staat, de dochter van den vriend uws vaders +is! Ga;--zoo mijn lijden mij van het menschdom scheidt,--mij scheidt +van hen, wier hulp ik met recht kon verwachten:--dan zal mijne wraak +mij niet minder van hen scheiden!--Geen mensch zal mij helpen; maar de +ooren van alle menschen zullen weêrgalmen van de daad, die ik begaan +zal!--Vaarwel!--Uwe verachting heeft den laatsten band verbroken, +welke mij nog aan mijn evenmenschen scheen te verbinden:--de gedachte, +dat mijn rampen medelijden bij mijn volk konden verwekken." + +"Ulrica," zei Cedric, getroffen door deze woorden, "hebt gij den last +des levens onder zoo vele misdaden en ellende gedragen, en wilt gij +u nu aan de wanhoop overgeven, nu, dat uw oogen voor uwe misdaden +geopend zijn, en dat het berouw uw hart alléén moest vervullen?" + +"Cedric!" antwoordde Ulrica, "gij kent het menschelijk hart slecht. Om +te handelen, gelijk ik gehandeld heb, om te denken, zooals ik gedacht +heb, moet men bezield zijn met de tot razernij brengende liefde voor +het genot, vermengd met een felle zucht naar wraak, en de trotsche +bewustheid van macht; al te bedwelmende hartstochten, dan dat het +menschelijke hart er weerstand aan zou kunnen bieden. Maar hun +kracht is lang voorbij. De ouderdom heeft geene vermaken;--rimpels +hebben geene macht;--de wraak zelve geeft zich lucht in ijdele +verwenschingen. Dan komt de gewetensangst, met scherpen angel, vermengd +met een ijdel verlangen naar het verledene, en met de wanhoop aan +de toekomst! Dan, als alle andere machtige stemmen zwijgen, worden +wij gelijk aan de booze geesten in de hel, die wel knaging van het +geweten, maar nooit berouw kunnen gevoelen.--Maar uwe woorden hebben +een nieuwen geest in mij doen ontwaken.--Terecht hebt gij gezegd, alles +is mogelijk voor hen die sterven durven!--Gij hebt mij de middelen +ter wraak aangewezen;--wees verzekerd, dat ik ze gebruiken zal. Deze +drift heeft tot hiertoe de heerschappij in dit hart met andere even +sterke driften gedeeld; van nu zal zij mij geheel bezielen, en gij +zelf zult zeggen, dat, hoe ook het leven van Ulrica geweest zij, haar +dood de dochter van den edelen Torquil waardig was. Er is onder de +muren eene krijgsmacht, die dit vervloekt kasteel belegert,--haast u, +ze ten aanval aan te voeren, en als gij een roode vlag ziet waaien +van het torentje, op den oostelijken hoek van dezen kerker, val dan +hevig op de Normandiërs aan;--dan zullen zij genoeg van binnen te doen +hebben, en dan kunt gij de muren bestormen in weerwil van vijandigen +boog en slinger.--Ga, bid ik u;--volg uw eigen lot, en laat mij aan +het mijne over!" + +Cedric wilde nader vernemen wat het oogmerk was, waarop zij zoo duister +zinspeelde, maar hij hoorde de donderende stem van Front-de-Boeuf, die +uitriep: "Waar blijft die trage priester? Bij den heiligen Jacobus van +Compostella, ik zal hem tot een martelaar maken, zoo hij hier toeft, +om verraad te stoken onder mijne bedienden." + +"Welk een waar profeet is een boos geweten!" riep Ulrica. "Maar +vrees niet:--snel naar buiten, naar uw volk.--Laat het Saksische +veldgeschreeuw weêrgalmen, en laten zij hun krijgslied van Rollo +zingen, als zij durven; de wraak zal er mede instemmen!" + +Aldus sprekende, verdween ze door een geheime deur, en Reginald +Front-de-Boeuf trad in het vertrek. Cedric dwong zich met eenige +moeite, om een buiging voor den trotschen Baron te maken, die zijne +begroeting met een knikje beantwoordde. + +"Uwe boetelingen hebben veel te biechten gehad, vader,--des te beter +voor hen; daar het de laatste maal is, dat ze er de gelegenheid toe +zullen hebben. Hebt gij hen tot den dood voorbereid?" + +"Ik vond hen," zeide Cedric, zoo goed als hij kon in het Fransch +sprekende, "het ergste verwachtende, van het oogenblik af, dat ze +wisten, in wiens macht ze gevallen waren." + +"Hoe, heer monnik?" hernam Front-de-Boeuf, "uwe spraak, dunkt mij, +verraadt een Saksische afkomst." + +"Ik ben opgevoed in het klooster van St. Withold te Burton," +antwoordde Cedric. + +"Zoo?" zei de Baron; "Het ware beter voor u, zoo gij een Normandiër +waart, en ook beter voor mijn oogmerk, maar in den nood moet men met +iederen bode tevreden zijn. Dat klooster van St. Withold te Burton +is een wespennest, dat gesloopt moest worden. Er zal weldra een tijd +komen, dat het monniksgewaad den Sakser even weinig zal beschermen, +als het harnas." + +"Gods wil geschiede!" zei Cedric, met een stem bevende van toorn, +hetgeen Front-de-Boeuf aan vrees toeschreef. + +"Ik zie," zeide hij, "dat gij u reeds verbeeldt, dat onze gewapenden in +uwe spijskamer en in uw bierkelder zijn. Maar bewijs mij een dienst, +heilige man, en wat ook anderen moge overkomen, gij zult even veilig +slapen in uw cel, als een slak in haar huisje." + +"Beveel maar!" hernam Cedric met onderdrukte woede. + +"Volg mij dan door deze gang, opdat ik u door het achterpoortje +kan uitlaten." + +En terwijl Front-de-Boeuf dus den gewaanden monnik vooruit ging, +gaf hij hem te kennen welke rol hij spelen moest. + +"Gij ziet, heer monnik, gindsche kudden Saksische zwijnen, die het +gewaagd hebben dit kasteel van Torquilstone te omsingelen.--Zeg hun +wat gij wilt van de zwakheid van deze vesting, of alles, wat hen +gedurende vierentwintig uren hier kan ophouden. Breng intusschen dit +briefje;--maar wacht eens:--kunt gij lezen, heer priester?" + +"Geen letter," antwoordde Cedric, "behalve mijn gebeden; en de letters +daarvan ken ik allen van buiten, geloofd zij de Heilige Maagd en +St. Withold!" + +"Een des te geschikter bode in dit geval!--Breng dit briefje naar +het kasteel van Philip de Malvoisin, zeg, dat het van mij komt, en +geschreven is door den Tempelier Brian De Bois-Guilbert, en dat ik +hem verzoek het naar York te zenden, zoo schielijk als man en paard +voort komen kunnen. Verzeker intusschen hem, dat hij ons gezond en wel +achter onze verschansingen zal vinden.--Het is schande, dat wij aldus +gedwongen zijn, ons schuil te houden voor een bende landloopers, die +gewoon zijn reeds op het gezicht onzer banieren, of bij het gestamp +onzer paarden, te vluchten! Ik zeg u, priester, bedenk eenige list, +om die schurken te houden, waar zij nu zijn, tot onze vrienden hun +manschappen bijeen hebben. Mijne wraakzucht is opgewekt, en evenals +een valk, rust zij niet zonder verzadigd te zijn." + +"Bij mijn beschermheilige," zei Cedric, met meer kracht dan aan zijn +rol paste, "en bij alle heiligen, die ooit in Engeland geleefd hebben +en gestorven zijn, uw bevelen zal men gehoorzamen! Geen Sakser zal +van deze wallen wijken, zoo ik macht en invloed genoeg heb om hen +daar te houden." + +"Ha!" riep Front-de-Boeuf, "gij verandert van toon, heer priester, +en spreekt kort en stout, alsof uw hart vreugde zou scheppen in de +slachting van die Saksische kudde; en echter zijt gij een stamgenoot +dier zwijnen." Cedric was niet geoefend in de kunst van veinzen, en +een wenk van Wamba's vruchtbaarder brein zou hem op dit oogenblik +zeer gewenscht zijn geweest. Maar de nood scherpt het verstand, +gelijk het oude spreekwoord zegt, en hij pruttelde iets onder zijn +kap, dat die mannen daar buiten door kerk en staat in den ban gedaan +en vogelvrij verklaard waren. + +"_Despardieux!_" antwoordde Front-de-Boeuf, "gij hebt de waarheid +gesproken--Ik vergat, dat die schurken een vetten abt evengoed +uitkleeden, alsof zij ten zuiden van gindsche zee geboren waren. Was +het niet de abt van St. Ives, dien zij aan een eik bonden, en +dwongen, een mis te zingen, terwijl ze zijne koffers en valiezen +uitplunderden?--Neen, bij onze Heilige Maagd, die grap was van Walter +Middleton, en van onze eigene wapenbroeders. Maar het waren Saksers, +die uit de kapel te St. Bees den kelk, de kandelaars en het bekken +roofden, niet waar?" + +"Het waren goddelooze menschen!" antwoordde Cedric. + +"Jawel,--en zij dronken al den goeden wijn en het lekkere bier op, dat +in voorraad lag voor menige geheime smulpartij,--als gij voorgeeft, +met nachtwaken en vroegmissen bezig te zijn!--Priester, gij zijt +verplicht, zulk een heiligschennis te wreken." + +"Ik ben inderdaad verplicht mij te wreken!" bromde Cedric, "St. Withold +kent mijn hart." + +Front-de-Boeuf geleidde hem intusschen naar eene achterpoort, vanwaar +zij op een smalle plank over de gracht gingen, en een klein buitenwerk +bereikten, dat door een goed verschanste poort met het open veld in +gemeenschap stond. + +"Ga dan, en zoo gij mijn boodschap wilt doen, en hierheen terugkeert, +na ze volbracht te hebben, dan zult gij het Saksische vleesch even +goedkoop zien, als ooit het varkensvleesch in de slachterswinkels van +Sheffield. En, luister, gij schijnt een lustige broeder,--kom na den +slag hier, en gij zult zoo veel Malvoizei hebben, dat gij uw geheel +klooster er mede dronken kunt maken." + +"Zeker, zullen wij elkander weder zien!" hernam Cedric. + +"Hier hebt gij intusschen handgeld," ging de Normandiër voort; en toen +zij aan de achterdeur scheidden, stopte hij in Cedric's onwillige hand +een gouden munt, terwijl hij er bij voegde: "Bedenk, dat ik u de kap +en het vel zal afstroopen, zoo gij uwe boodschap niet goed verricht!" + +"En ik geef u vrijheid tot alles," antwoordde Cedric, de achterdeur +verlatende en met een verlicht hart door het vrije veld heenstappende, +"als ik bij onze eerste ontmoeting niets meer van u verdien!"--Zich +daarop naar het kasteel omkeerende, wierp hij den gever het goudstuk +weder toe, terwijl hij uitriep: "Valsche Normandiër! moge uw geld +met u vergaan!" + +Front-de-Boeuf hoorde de woorden onduidelijk, maar de handelwijze +scheen hem verdacht.--"Schutters!" riep hij de wachten op de +buitenwerken toe, "zend dien monnik een pijl achterna;--maar +neen!" vervolgde hij, toen zijn lieden de bogen spanden; "Het kan +niet baten;--wij moeten hem in zoover vertrouwen, daar wij geene +andere keuze hebben. Mij dunkt, hij durft mij niet verraden;--in +het ergste geval kan ik nog met de Saksische honden onderhandelen, +die ik veilig in de kooi heb.--Hola! Gilles, cipier, laat Cedric van +Rotherwood voor mij brengen, en den anderen boer, zijn makker,--ik +meen Coningsburgh,--Athelstane, of hoe hij heet; zelfs hunne namen zijn +lastig voor den mond van een Normandischen ridder, en zij ruiken, als +het ware, naar spek. Geef mij eene flesch wijn, om, zooals onze goede +Prins Jan zei, den smaak af te spoelen,--zet er een in de wapenkamer, +en breng de gevangenen er ook heen." + +Men gehoorzaamde aan zijne bevelen, en, toen hij in het Gothische +vertrek trad, dat behangen was met een menigte tropeeën, door zijne +eigene dapperheid en die zijns vaders veroverd, vond hij een beker +wijn op de zwarte eiken tafel, en de twee Saksische gevangenen bewaakt +door vier zijner vazallen. Front-de-Boeuf nam eene groote teug wijns, +en wendde zich hierop tot zijne gevangenen. Want de wijze, waarop Wamba +de kap over zijn gezicht getrokken had, de verandering van kleeding, +het sombere, flauwe licht, en de oppervlakkige kennis, die de Baron +van Cedric's gelaatstrekken had (want deze vermeed zijne Normandische +naburen en kwam zelden buiten de grenzen van zijn eigen gebied), +beletten hem te ontdekken, dat de voornaamste zijner gevangenen +ontsnapt was. + +"Welnu, gij Engelsche helden," zei Front-de-Boeuf, "hoe bevalt u het +onthaal te Torquilstone?--Ziet gij nu in, wat de onbeschaamdheid en +verwaandheid van spotternijen te verkoopen op een maaltijd bij een +vorst uit het huis van Anjou, u op den hals hebben gehaald?--Hebt gij +vergeten, hoe gij de onverdiende gastvrijheid van den koninklijken +Prins Jan vergolden hebt? Bij God en St. Denis! zoo gij niet +een zwaar losgeld betaalt, zal ik u bij de voeten ophangen aan de +ijzeren staven dezer vensters, tot de gieren en raven u tot geraamten +gemaakt hebben! Spreekt, gij Saksische honden,--wat biedt gij voor +uw nietswaardig leven?--Wat zegt gij, Rotherwood?" + +"Geen duit, voor mijn deel," antwoordde de arme Wamba,--"en wat +het ophangen bij de voeten betreft, mijn hoofd is, zooals men zegt, +reeds ten onderste boven gekeerd, sedert ik de eerste kindermuts op +kreeg; dus zal het misschien weder terecht komen, als men mij bij de +beenen ophangt." + +"Heilige Genoveva!" riep Front-de-Boeuf, "wie is dat?" + +En met den rug zijner hand sloeg hij den nar Cedric's kap van het +hoofd, en zijn kraag openende, zag hij het noodlottig teeken der +slavernij, den koperen halsband. + +"Gillis,--Clement,--honden, slaven!" schreeuwde de woedende Normandiër, +"wien hebt gij mij hier gebracht?" + +"Ik geloof, dat ik het u zeggen kan!" zei De Bracy, die juist +binnentrad. "Dit is Cedric's nar, die eene zoo dappere schermutseling +had met Izaäk van York, over den voorrang." + +"Ik zal het voor beiden vereffenen," hernam Front-de-Boeuf; "zij +zullen aan dezelfde galg hangen, tenzij zijn meester en dit wild +zwijn van Coningsburgh terdege voor hun leven betalen. Hun rijkdom +is het minste, dat zij kunnen afstaan; zij moeten ook dien zwerm +wegvoeren, welke het kasteel omringt, een gerechtelijken afstand +van hunne vrijheden onderteekenen, en als leenmannen en vazallen +onder ons leven; gelukkig nog mogen zij zich heeten, zoo wij hen, +in den nieuwen staat van zaken, die nu begint, het vrije ademhalen +vergunnen.--Gaat," zei hij tot twee der wachters, "haalt den echten +Cedric, en ik vergeef u uwe dwaling voor ditmaal, te eerder, omdat het +niet onnatuurlijk is een gek voor een Saksischen _Franklin_ te houden." + +"Och!" zei Wamba, "de edele heer zal ondervinden, dat er meer gekken +dan _Franklins_ onder ons zijn." + +"Wat meent die schurk?" zei Front-de-Boeuf, zijne lieden aanziende, +die dralende en stamelende te kennen gaven, dat zoo dit Cedric niet +was, die voor hem stond, zij niet wisten wat er van hem geworden was. + +"Bij alle heiligen des hemels!" riep De Bracy uit: "hij moet in het +monniksgewaad ontsnapt zijn!" + +"Bij alle duivels der hel!" schreeuwde Front-de-Boeuf, "het was dus +het zwijn van Rotherwood, dat ik naar de achterpoort heb gebracht +en met eigene hand uitgelaten! En gij," zei hij tot Wamba, "wiens +gekheid de wijsheid van nog grootere domkoppen, dan gij zelf zijt, +gefopt heeft,--ik zal u tot priester wijden.--Ik zal u de kruin +doen scheren.--Hier, scheurt hem het vel van het hoofd, en smijt +hem dan boven van de muren af.--Het schertsen is uw ambt; kunt gij +nu schertsen?" + +"Gij behandelt mij beter, dan gij beloofdet, edele ridder," stamelde +de arme Wamba, wiens gewoonte van schertsen zelfs niet door het +onmiddellijke vooruitzicht van den dood kon overwonnen worden. "Zoo +gij mij de roode muts geeft, die gij mij belooft, zult gij mij van +een eenvoudigen monnik tot den rang van kardinaal verheffen." + +"De arme schelm," zei De Bracy, "heeft besloten, tot het laatste +toe zijne rol vol te houden. Front-de-Boeuf, gij zult hem niet +dooden. Schenk hem aan mij, om mijne krijgsbende te vermaken.--Wat +zegt gij, schurk? Wilt gij pardon hebben en met mij te velde trekken?" + +"Ja, met mijns meesters verlof; want ziet gij, ik kan mijn halsband +zonder zijne toestemming niet afdoen," antwoordde Wamba. + +"O, een Normandische zaag zal weldra een Saksischen halsband losgemaakt +hebben!" zei De Bracy. + +"Ja, edele heer," hernam Wamba, "en van daar komt het spreekwoord: + + + Normandische zegen op Engelands boom, + Om Engelands hals een Normandische toom, + Normandische lepels in Engelsche spijs, + En Eng'land beheerscht op Normandische wijs;-- + Geen vreugde bestaat meer in Eng'land gewis, + Vóórdat dit viertal verdwenen is." + + +"Gij doet wel, De Bracy," zei Front-de-Boeuf; "met hier naar het +gesnap van een nar te luisteren, terwijl de ondergang ons van buiten +dreigt. Ziet gij niet, dat men ons gefopt heeft, en dat ons plan om +onze vrienden met onzen toestand bekend te maken, juist door dezen +nar verijdeld is, dien gij zoo broederlijk behandelt? Wat hebben wij +anders te verwachten, dan eene oogenblikkelijke bestorming?" + +"Naar de muren dan," riep De Bracy; "wanneer hebt gij mij ooit +ernstig gestemd gezien door de verwachting van een gevecht? Roep den +Tempelier, en laat hem maar half zoo goed voor zijn leven vechten, +als hij voor zijn orde gedaan heeft;--snel zelf naar de muren, met +uw reusachtig lichaam; ik zal ook mijn best doen, en ik zeg u, dat +die Saksische roovers evengoed beproeven konden de wolken, als het +kasteel van Torquilstone te bestormen. Zoo gij echter met de bandieten +in onderhandeling wilt treden, waarom gebruikt gij daartoe niet de +bemiddeling van dezen waardigen _Franklin_, die in een zoo ernstige +beschouwing der wijnflesch verdiept staat? Hier, Sakser," vervolgde +hij, zich tot Athelstane wendende, en hem den beker overhandigende, +"spoel u de keel eens af met dezen edelen drank, en wek uwe ziel op, +om te zeggen, wat gij voor uwe vrijheid over hebt." + +"Alles waarover een sterveling beschikken kan," antwoordde Athelstane, +"alles, dat een man van eer past! Laat mij met mijne makkers aftrekken, +en ik zal een losgeld van duizend mark betalen." + +"En gij zult ons daarenboven instaan voor den aftocht van dat +uitvaagsel des menschdoms, dat rondom het kasteel zwerft, evenzeer +tegen God als den Prins zondigende!" zei Front-de-Boeuf. + +"Voor zoover ik kan," hernam Athelstane, "zal ik hen doen vertrekken; +en ik twijfel niet, of vader Cedric zal zijn best doen, om mij bij +te staan." + +"Wij zijn het dus eens," zei Front-de-Boeuf,--"gij zult met hen in +vrijheid gesteld worden, en er zal van weerskanten vrede zijn, tegen +uitbetaling van duizend mark. Het is een gering losgeld, Sakser, en +gij moet dankbaar zijn, voor mijne gematigdheid, daar ik zoo weinig +voor uw bevrijding aanneem. Maar let wel op, dit strekt zich niet +uit tot den Jood Izaäk." + +"Noch tot de dochter van den Jood Izaäk!" zei de Tempelier, die zich +nu bij hen gevoegd had. + +"Geen van beiden," zei Front-de-Boeuf, "behoort tot het gezelschap +van dezen Sakser." + +"Ik ware onwaardig een Christen genoemd te worden, zoo dat het +geval was," hernam Athelstane; "handel met die ongeloovigen, naar +verkiezing." + +"Evenmin is Jonkvrouw Rowena onder dit losgeld begrepen," zei De +Bracy. "Men zal nooit zeggen, dat men mij mijnen schoonen buit, +zonder slag of stoot, ontnomen heeft." + +"Ook betreft onze overeenkomst dezen ellendigen nar niet, dien ik +terughoud, om hem tot voorbeeld te doen strekken voor iederen schelm, +die uit scherts ernst wil maken," zei Front-de-Boeuf. + +"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Athelstane, met een onverschrokken +gelaat, "is mijne verloofde bruid. Ik zal mij eerder door wilde paarden +vaneen laten scheuren, dan er in toestemmen van haar te scheiden. De +slaaf Wamba heeft heden het leven van vader Cedric gered.--Ik wil +het mijne verliezen, eer een haar van heur hoofd te laten krenken." + +"Uwe verloofde bruid?--Jonkvrouw Rowena de verloofde bruid van een +vazal, zooals gij?" riep De Bracy uit. "Sakser, gij verbeeldt u, +dat de dagen der zeven koninkrijken teruggekeerd zijn. Ik zeg u, +de vorsten van het huis van Anjou schenken hunne pupillen niet aan +mannen van uwe afkomst." + +"Mijne afkomst, trotsche Normandiër," hernam Athelstane, "spruit uit +een zuiverder en edeler bron, dan die van een Franschen bedelaar, +die zijn leven onderhoudt door het bloed der schelmen te verkoopen, +die hij onder zijn armzalig vaandel verzamelt. Mijne voorouders waren +koningen, dapper in den strijd, en wijs in den raad, die iederen +dag meer menschen in hunne zalen hadden, dan gij aanhangers telt; +wier namen door minnezangers zijn vereeuwigd, en wier wetten door +_Wittenagemotes_ aangenomen zijn;--wier gebeente onder het gebed van +heiligen is begraven, en boven wier graven kerken gebouwd zijn." + +"Daar hebt gij het, De Bracy," zei Front-de-Boeuf, zeer tevreden +over het trotsche antwoord, dat zijn makker ontvangen had; "de Sakser +heeft u geraakt." + +"Dat staat een gevangene vrij," zei De Bracy, met schijnbare +onverschilligheid; "want hij, wiens handen gebonden zijn, moet ten +minste zijn tong kunnen roeren.--Maar uw hoogmoedige taal, kameraad," +voegde hij er bij, zich tot Athelstane keerende, "zal Rowena's +bevrijding niet bewerken." + +Hierop gaf Athelstane, die reeds langer gesproken had, dan zijn +gewoonte was, al ware het ook over het belangrijkste onderwerp, geen +antwoord. Het gesprek werd afgebroken door de komst van een dienaar, +die meldde, dat een monnik aan de achterpoort stond, en wenschte +binnengelaten te worden. + +"In den naam van den heiligen Benedictus, den vorst van deze +bedelaars," riep Front-de-Boeuf uit, "is dit nu een echte monnik, of +weder een bedrieger? Doorzoekt hem, slaven; want zoo gij u weer een +valschen priester laat opdringen, zal ik u de oogen laten uitsteken, +en gloeiende kolen in de holten doen!" + +"Ik onderwerp mij aan uw toorn, gestrenge heer," zei Gilles, "als +dit geen echte kaalkop is. Uw schildknaap Jocelijn kent hem wel, +en wil er voor instaan, dat het broeder Ambrosius is, een monnik uit +het gevolg van den Prior van Jorvaulx." + +"Laat hem binnen," zei Front-de-Boeuf, "waarschijnlijk brengt hij ons +tijding van zijn gelukkigen meester. Zeker viert de duivel kermis, +en zijn de priesters vrij van dienst, dat zij zoo in het wild door +het land zwerven. Breng deze gevangenen weg; en Sakser, overweeg, +wat gij gehoord hebt." + +"Ik eisch," hernam Athelstane, "eene eervolle gevangenschap, met +behoorlijke zorg voor tafel en bed, zooals mijn rang en een ridder +toekomt, die omtrent zijn losgeld onderhandelt. Daarenboven houd ik +dengene, die zich voor den besten van ulieden houdt, voor verplicht, +om mij later rekenschap te geven voor deze aanranding mijner +vrijheid. Deze uitdaging is u reeds door den huis-hofmeester +toegezonden; gij hebt ze ontvangen, en gij moet mij er op +antwoorden. Daar ligt mijn handschoen!" + +"Ik beantwoord de uitdaging van mijn gevangene niet," hernam +Front-de-Boeuf, "en gij zult dit evenmin doen, Maurice De +Bracy. Gilles," ging hij voort; "hang des _Franklins_ handschoen +op de takken van gindschen hoorn; daar zal hij blijven hangen, tot +zijn eigenaar in vrijheid is. Als hij dien dan durft terugeischen, +of zeggen, dat hij op een onwettige wijze mijn gevangene geworden +is, bij den gordel van St. Christophorus, hij zal met iemand te doen +krijgen, die nooit geaarzeld heeft een vijand onder de oogen te zien, +hetzij te voet, of te paard, alleen of met zijne vazallen!" + +De Saksische gevangenen werden nu weggebracht, juist toen men den +monnik Ambrosius binnenliet, die zeer ontsteld scheen te zijn. + +"Dit is de ware _Deus vobiscum_," zei Wamba, toen hij den eerwaarden +broeder voorbij ging, "de anderen waren slechts namaaksels." + +"Heilige Moeder!" riep de monnik, de vergaderde ridders aansprekende, +"eindelijk ben ik in veiligheid!--onder Christelijke bescherming!" + +"Veilig zijt ge," hervatte De Bracy, "en wat het Christelijke uwer +bescherming betreft, hier staat de dappere Reginald Front-de-Boeuf, +wiens grootste afschrik een Jood is, en de heldhaftige ridder en +Tempelier, Brian De Bois-Guilbert, wiens roeping het is, Saracenen +om te brengen.--Zoo dit geen voldoende blijken van Christendom zijn, +dan ken ik er geen andere, waarop ze aanspraak kunnen maken." + +"Ge zijt vrienden en bondgenooten van onzen eerwaarden vader +in God, Aymer, Prior van Jorvaulx," hernam de monnik, zonder +acht te slaan op den toon van De Bracy's antwoord; "ge zijt hem +hulp verschuldigd, zoowel wegens uw gelofte als ridders, als uit +Christelijke liefde.--Want wat zegt de gezegende St. Augustinus in +zijn verhandeling _De Civitate Dei_,--" + +"Wat zegt de duivel!" viel Front-de-Boeuf hem in de rede, "of liever, +wat zegt ge, heer priester? Wij hebben weinig tijd, om teksten uit +de heilige Kerkvaders te hooren." + +"_Sancta Maria!_" riep vader Ambrosius, "hoe doldriftig zijn deze +onheilige leeken!--Maar verneemt, dappere ridders, dat zekere +moorddadige schurken, alle vrees voor God, en allen eerbied voor de +Kerk verzakende, en zonder acht te geven op de bul van den heiligen +Vader, _Si quis suadente Diabolo_,--" + +"Priester," zei de Tempelier, "dit alles weten wij, of kunnen het wel +raden.--Zeg ons ronduit, is uw meester, de Prior, gevangen genomen +en door wien?" + +"Voorzeker," antwoordde Ambrosius, "hij is in handen der +Belials-kinderen, der roovers in deze bosschen en der overtreders +van den heiligen tekst: "slaat de handen niet aan mijn gezalfden, +en doet mijn profeten geen leed!" + +"Hier is eene nieuwe opwekking tot den strijd, Heeren," zei +Front-de-Boeuf, zich tot zijn makkers wendende; "dus, in plaats van +ons hulp te bieden, vraagt de Prior van Jorvaulx bijstand van ons? Zoo +wordt men door deze luie geestelijken geholpen, als men hen het meest +noodig heeft! Maar zeg, priester, wat verwacht uw heer van ons?" + +"Och!" zei Ambrosius, "men heeft de hand aan den eerwaarden Prior +geslagen, strijdig met het heilig gebod, dat ik reeds aangehaald heb, +en die Belials-kinderen hebben zijn valiezen en bagage uitgeplunderd, +en van tweehonderd mark fijn goud beroofd, daarenboven, vorderen ze +nog eene aanzienlijke som, eer ze hem uit hun onheilige handen willen +ontslaan. Daarom smeekt u de eerwaarde vader in God, als zijne dierbare +vrienden, om hem te verlossen, hetzij door het losgeld te betalen, +dat voor hem geëischt wordt, hetzij door hem met geweld te bevrijden, +zooals ge verkiest." + +"De duivel hale den Prior!" riep Front-de-Boeuf; "hij moet heden reeds +menigen beker geledigd hebben. Wanneer heeft uw meester ooit van een +Normandischen Baron hooren spreken, die zijne beurs opende om een +priester te helpen, daar de geldzakken der geestelijkheid tienmaal zoo +zwaar zijn als de onzen? En hoe zouden wij hem met geweld bevrijden, +daar wij hier door een getal, tienmaal grooter dan het onze, zijn +ingesloten, en ieder oogenblik de bestorming verwachten?" + +"En dit wilde ik u juist zeggen," zei de monnik, "indien gij mij in +uwe drift hadt laten uitspreken. Maar, God sta mij bij!--ik ben een +grijsaard, en dit schandelijk krijgsgewoel verwart het verstand van +een oud man. Niettemin is het waar, dat ze een kamp opslaan, en een +wal oprichten onder de muren van dit kasteel." + +"Naar de wallen dan!" riep De Bracy, "en laat ons zien, wat de schurken +doen!" en dit zeggende opende hij een tralie-venster, dat naar een +soort van vooruitstekend balkon leidde, en riep oogenblikkelijk hen, +die in de kamer waren, toe: "Bij St. Denis! de oude monnik spreekt de +waarheid! Ze brengen schermdaken en breede schilden aan; de schutters +vergaderen langs den zoom van het bosch; als zwarte wolken voor +een hagelbui." + +Reginald Front-de-Boeuf keek ook naar buiten, en greep naar zijn horen: +en na lang en luid geblazen te hebben, beval hij zijne manschappen, +om hun posten op de wallen te bezetten. "De Bracy, zie gij toe op den +oostkant, waar de muur het laagste is.--Edele Bois-Guilbert, uw beroep +heeft u wel geleerd, hoe ge aanvallen en verdedigen moet; blijf gij aan +den westkant.--Ik zelf zal op het bruggenhoofd post vatten. Evenwel +bepaalt uwe werkzaamheid niet tot één punt, edele vrienden! wij +moeten heden overal zijn, en ons als het ware vermenigvuldigen, +om door onze alomtegenwoordigheid hulp en ondersteuning te bieden, +daar waar de aanval het heetste is. Ons getal is klein, maar ijver +en moed kunnen in dit gebrek voorzien, daar wij slechts met schurken +en boeren te doen hebben." + +"Maar, edele ridders," riep vader Ambrosius tusschen het gedruisch en +de verwarring, welke de toebereidselen ter verdediging veroorzaakten, +"wil geen uwer op de boodschap antwoorden van den eerwaarden vader +in God, Aymer, Prior van Jorvaulx?--Ik bid u, mij aan te hooren, +edele ridders!" + +"Ga, wend u met uw verzoek tot den hemel," hernam de woeste +Normandiër, "want wij, hier op aarde, hebben geen tijd om naar u +te luisteren.--Hola, Anselmus! zorg, dat er kokende pik en olie in +gereedheid zijn, om op de hoofden van die vermetele verraders te +gieten. Zie toe, dat de arm-boogschutters geen gebrek aan schichten +hebben.--Laat mijne oude banier met den stierenkop hijschen;--die +schurken zullen weldra zien met wien ze heden te doen hebben!" + +"Maar, edele Heer," vervolgde de monnik, volhardende in zijne pogingen +om gehoor te vinden; "denk aan mijne gelofte van gehoorzaamheid, +en laat mij de bevelen van mijn overheid volvoeren!" + +"Weg met dezen praatzieken domoor!" zei Front-de-Boeuf; "sluit hem in +de kapel op, om zijn rozekrans te bidden, totdat het gevecht gedaan +is. Het zal iets nieuws voor de heiligen in Torquilstone zijn, om +_ave's_ en _paternosters_ te hooren; ze zijn, naar ik weet, niet zoo +vereerd geworden, sedert ze uit steen gehouwen zijn." + +"Laster de heiligen niet, ridder," zei De Bracy, "wij zullen heden +hunne hulp noodig hebben, eer die rooverbende verdreven is." + +"Ik verwacht weinig hulp van dien kant," hernam Front-de-Boeuf, "tenzij +wij hen van de borstwering op de hoofden dier schelmen neêrwerpen. Er +is een reusachtige St. Christophorus bij, zwaar genoeg om een geheele +compagnie te verpletteren." + +De Tempelier had intusschen uitgezien naar de bewegingen der +belegeraars, met wat meer oplettendheid dan de woeste Front-de-Boeuf en +zijn luchtige makker. "Op mijn woord," zei hij, "deze kerels naderen +met meer verstand, dan men zou verwacht hebben, hoe ze er dan ook +aankomen. Zie, hoe behendig ze van iederen boom en struik gebruik +maken, om zich te dekken, en zich wachten, zich aan onze schutters +bloot te geven! Ik zie banier noch vaandel onder hen, en toch wil +ik mijn gouden keten verwedden, dat ze aangevoerd worden door eenig +edelen ridder, of heer, die in de krijgskunst ervaren is." + +"Ik zie hem reeds," riep De Bracy uit, "ik zie een vederbos van een +ridder wapperen, en zijn glinsterende wapenrusting. Zie ginds dien +grooten man, in het zwarte harnas, die het achterste gelid van die +schurken opstelt.--Bij St. Denis, ik geloof, dat het dezelfde is, +dien wij _Le Noir Fainéant_ noemden, en die u, Front-de-Boeuf, in +het strijdperk van Ashby, ter neder sloeg." + +"Des te beter," hernam Front-de-Boeuf, "dat hij hier komt, om mij +gelegenheid tot wraak te geven. Het moet de een of ander misdadige +zijn, daar hij den toernooiprijs, welken het toeval hem geschonken had, +niet durfde vorderen. Ik zou hem zeker te vergeefs gezocht hebben, +waar ridders en edelen hunne vijanden zoeken, en ik ben blijde, +dat hij zich hier onder het gemeene volk vertoont." + +De bewegingen van den vijand, die een onmiddellijken aanval deden +vooruit zien, braken het gesprek af. Ieder ridder begaf zich op +zijn post, en aan het hoofd van het klein getal volgelingen, die ze +bijeen konden brengen, en welke niet toereikend waren, om de geheele +uitgestrektheid der muren te bezetten, wachtten ze, met bedaarde +vastberadenheid, de dreigende bestorming af. + + + + + +ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Dit zwervend volk, van andren afgezonderd, + Stoft op zijn dieper kennis der natuur; + De zeeën, wouden, velden, waar zij toeven, + Zien hen bekend met hun verborgen schatten: + Geringe kruiden, bloemen, bloesems spreiden, + Door hen verzameld, ongekende krachten. + + De Jood. + + +Onze geschiedenis moet noodzakelijk eenige bladzijden terug gaan, +om den lezer van zekere voorvallen te onderrichten, welker kennis +vereischt is tot het verder begrijpen van dit belangrijk verhaal. Hij +zal wel van zelf begrepen hebben, dat, toen Ivanhoe in zwijm viel en +door iedereen verlaten scheen, Rebekka door haar dringende beden haar +vader overhaalde den dapperen jongen krijgsman uit het strijdperk +naar het huis te laten brengen, dat de Joden tijdelijk in een der +voorsteden van Ashby bewoonden. Het zou ook in andere omstandigheden +niet moeielijk geweest zijn, om Izaäk tot dezen stap te overreden, +want hij was van inborst goedaardig en dankbaar. Maar hij bezat ook +de vooroordeelen en schroomvallige vreesachtigheid aan zijn vervolgd +volk eigen, en deze moesten overwonnen worden. + +"Heilige Abraham!" riep hij uit, "het is een goed jongeling, het +snijdt mij door het hart, als ik zie, hoe het bloed over zijn rijk +geborduurde kraag en zijne kostbare wapenrusting vloeit.--Maar hem in +ons huis te brengen, meisje, hebt gij daar wel over nagedacht?--Hij +is een Christen, en naar onze wet mogen wij met den vreemdeling en +den Heiden niet anders verkeeren, dan om den wille van den handel." + +"Zeg dat niet, lieve vader," hernam Rebekka; "wij mogen ons, wel is +waar, niet onder hen mengen bij gastmalen en vroolijkheid; maar in +ongeluk en ellende wordt de Heiden des Joden broeder." + +"Ik zou wel eens willen weten, wat de Rabbi Jacob Ben Tudela er van +zeggen zou?" hervatte Izaäk;--"echter moet de goede jongeling niet +dood bloeden. Seth en Ruben kunnen hem naar Ashby dragen." + +"Neen," zei Rebekka; "laten zij hem in mijn draagstoel leggen; ik +zal een der rijpaarden bestijgen." + +"Dan zoudt gij u immers blootstellen aan de onbeschaamde oogen van die +honden van Ismaël en Edom," fluisterde Izaäk, met een achterdochtigen +blik op de menigte ridders en knapen. Maar Rebekka was reeds bezig, +met haar liefderijk voornemen ten uitvoer te brengen, en luisterde +niet naar hetgeen hij zei, totdat Izaäk, haar bij den slip van den +mantel grijpende, weder met een benauwde stem uitriep: "Bij Aärons +baard!--als de jongeling sterft--als hij in onze bewaring sterft, +zullen wij dan niet voor schuldig aan zijn dood gehouden, en door de +menigte verscheurd worden?" + +"Hij zal niet sterven, vader," zei Rebekka, zich zachtjes van Izaäk +losmakende; "hij zal niet sterven, als wij hem niet verlaten, en als +wij dat doen, dan zijn wij inderdaad aan God en de menschen rekenschap +voor zijn bloed verschuldigd." + +"Wel," antwoordde Izaäk, terwijl hij haar losliet, "het spijt mij +evenzeer, zijn bloed te zien stroomen, alsof het gouden byzantijnen +uit mijn beurs waren; en ik weet wel, dat de lessen van Mirjam, +de dochter van den Rabbi Manasse van Byzantium, wiens ziel in het +Paradijs is, u in de heelkunst ervaren gemaakt hebben, en dat gij +krachtige kruiden en versterkende elixers kent. Doe dus, wat uw +hart u ingeeft;--gij zijt een goed meisje, een zegen, en eene kroon, +en de trots van mij en mijn huis, en van het volk mijner vaderen." + +De vrees van Izaäk was intusschen niet ongegrond; en de edelmoedige +menschlievendheid zijner dochter stelde haar, gedurende de terugreis +naar Ashby bloot aan de stoute blikken van Brian de Bois-Guilbert. De +Tempelier reed hen tweemalen voorbij om zijn onbeschaamd en vurig +oog op de schoone Jodin te vestigen; en wij hebben reeds de gevolgen +gezien van zijne bewondering voor hare bekoorlijkheden, toen het +toeval haar in de macht van dezen woesten wellusteling geleverd had. + +Rebekka verloor geen tijd met den patient naar hunne tijdelijke woning +te laten brengen, en ging toen zelve aan het werk, om zijne wonden +te onderzoeken en te verbinden. + +De meest onervaren lezer van romans en romantische balladen zal zich +herinneren, hoe dikwijls de vrouwen, gedurende de middeleeuwen, in +de geheimen der heelkunst waren ingewijd, en hoe dikwerf de dappere +ridder zijne wonden juist aan haar ter genezing toevertrouwde, wier +oogen zijn hart nog dieper gewond hadden. + +Maar de Joden, zoowel mannen als vrouwen, verstonden en beoefenden alle +takken der geneeskunst, en de vorsten en machtige Baronnen van dien +tijd vertrouwden zich dikwijls aan de behandeling van menigen ervaren +geleerde onder dit verachte volk, wanneer ze gekwetst of ziek waren. De +hulp der Joodsche geneesheeren werd niet minder ijverig gezocht, +ofschoon het geloof algemeen onder de Christenen heerschte, dat de +Joodsche Rabbijnen zeer bedreven waren in de geheime wetenschappen, en +vooral in de kabbalistische kunsten, welke haar naam en oorsprong aan +de wijzen van Israël te danken hebben. Ook loochenden de rabbijnen zulk +eene kennis der bovennatuurlijke kunsten niet, hetgeen volstrekt niet +den haat vergrootte (want hoe kon die ook vergroot worden?) waarmede +men hun volk beschouwde, terwijl daardoor de verachting verminderd +werd, waarmede deze afkeer gepaard ging. Een Joodsche toovenaar mocht +even erg verfoeid worden als een Joodsche woekeraar, maar hij kon +nooit zoo veracht worden. Het is bovendien waarschijnlijk, als men +de verwonderlijke genezingen in aanmerking neemt, welke men gelooft, +dat ze verricht hebben, dat de Joden eenige geheimen in de geneeskunst +kenden, die hun eigen waren, en welke ze met den achterhoudenden geest, +door hun maatschappelijken toestand aangekweekt, met groote zorg voor +de Christenen, onder wie ze leefden, verborgen hielden. + +De schoone Rebekka was zorgvuldig opgevoed in al de wetenschappen aan +haar volk eigen, en haar vlug en groot verstand had alles onthouden, +geschikt en ontwikkeld, op eene wijze die hare jaren, haar geslacht +en zelfs hare eeuw ver vooruit was. Hare kennis der genees- en +heelkunst had ze verkregen van eene oude Jodin, de dochter van +een der beroemdste Joodsche doctoren, welke Rebekka als haar eigen +kind beminde, en die, naar men geloofde, aan deze de geheimen had +medegedeeld, welke haar wijze vader had nagelaten in denzelfden tijd +en onder dezelfde omstandigheden. + +Het was het lot van Mirjam geweest, om als slachtoffer van de +dweepzucht dier tijden te vallen; maar hare geheimen hadden haar in +de persoon harer begaafde leerling overleefd. + +Rebekka, dus met kunde en schoonheid bedeeld, werd algemeen geëerd en +bewonderd door haar eigen stam, welke haar bijna beschouwde als eene +dier bevoorrechte vrouwen, die in de Heilige Schrift vermeld worden. + +Haar vader zelf, uit eerbied voor hare bekwaamheden, gepaard met zijn +onbegrensde liefde, liet het meisje meer vrijheid dan de gewoonten +van haar volk anders aan haar geslacht vergunden, en hij werd, zooals +wij reeds gezien hebben, dikwijls door haar gevoelen bestierd, al +was het ook lijnrecht in strijd met het zijne. + +Toen Ivanhoe Izaäks woning bereikte, was hij nog steeds in een staat +van bewusteloosheid, veroorzaakt door het geweldige bloedverlies, +dat hij in het strijdperk geleden had. Rebekka onderzocht de wond, +en na die verbonden te hebben met de heelmiddelen, welke haar kennis +voorschreef, gaf ze haar vader te kennen, dat, zoo de koorts gestuit +werd, wat ze wegens het sterke bloedverlies verwachtte, en indien de +heelende balsem van Mirjam zijn kracht niet verloren had, er niets +voor het leven van hun gast te vreezen was, en dat hij den volgenden +dag veilig met hen naar York zou kunnen reizen. Izaäk ontstelde een +weinig bij dit bericht. Zijne menschlievendheid had zich gaarne bepaald +bij hetgeen hij te Ashby gedaan had, of, op zijn best, zou hij den +gekwetsten Christen hebben willen achterlaten, om opgepast te worden +in het huis, waar ze thans woonden, met verzekering aan den Jood, +wien het toebehoorde, dat alle onkosten behoorlijk zouden worden +vergoed. Hiertegen bracht Rebekka echter verscheidene bezwaren in, +waarvan wij slechts twee zullen aanhalen, daar ze van bijzonder veel +gewicht bij Izaäk waren. Het ééne was, dat zij in geen geval haar +fleschje met kostbaren balsem, zelfs in handen van een geneesheer +van hare eigen natie geven wilde, uit vrees, dat het onwaardeerbaar +geheim ontdekt mocht worden; het andere was, dat deze gekwetste +ridder, Wilfrid van Ivanhoe, een vertrouwde en gunsteling was van +Richard Leeuwenhart, en dat, ingeval die vorst terugkeerde, Izaäk, +die aan zijn broeder Jan geld verschaft had om zijn oproerige plannen +te bevorderen, een machtigen beschermer, die Richards gunst genoot, +hoog noodig zou hebben. + +"Gij zegt de zuivere waarheid, Rebekka," zei Izaäk, voor deze +gewichtige gronden zwichtende,--"het ware heiligschennis, om de +geheimen der gezegende Mirjam te verraden; want het goede, dat de Hemel +geeft, moet niet roekeloos aan anderen verkwist worden, het mogen dan +gouden talenten of zilveren _sjekels_, of de geheimen van een wijzen +geneesheer zijn;--zeker moeten ze bewaard worden door hen, aan welke +de Voorzienigheid ze heeft geschonken. En als _hij_ eens weder terug +kwam, dien de Nazareërs van Engeland Leeuwenhart noemen, dan ware +het waarlijk beter voor mij in de klauwen van een sterken leeuw van +Idumea te vallen, dan in de zijnen, als hij lucht krijgt van mijne +handelingen met zijn broeder. Dus wil ik gehoor geven aan uw raad, +en deze jongeling zal met ons naar York reizen, en ons huis zal het +zijne wezen, tot zijne wonden genezen zijn. En als deze Leeuwenhart in +het land terugkeert, zooals het gerucht loopt, dan zal deze Wilfrid +van Ivanhoe mij verdedigen, wanneer des Konings toorn tegen uw vader +ontbrandt. En als hij niet terugkeert, dan kan deze Wilfrid ons onze +kosten vergoeden, als hij schatten verdient door de kracht van zijn +speer en zijn zwaard, zooals hij gisteren en heden gedaan heeft. Want +de jongeling is een braaf jongeling, en houdt woord, en geeft terug, +wat hij leent, en helpt den Israëliet, zelfs den zoon mijns vaders, +als hij door dieven en kinderen Belials omsingeld is." + +Het was eerst laat in den avond, toen Ivanhoe zijn bewustheid +terugkreeg. Hij ontwaakte uit eene onrustige sluimering, met de +verwarde indrukken, natuurlijk aan het bijkomen uit een staat van +bewusteloosheid. Het was hem gedurende eenigen tijd onmogelijk, +zich de omstandigheden, welke zijne bezwijming in het strijdperk +vooraf waren gegaan, nauwkeurig te herinneren of de voorvallen van +den vorigen dag aaneen te schakelen. Het bewustzijn van verwonding +en pijn, gevoegd bij groote zwakheid en afmatting, ging gepaard met +de herinnering aan gegeven en ontvangen slagen en houwen, van tegen +elkander stootende paarden, van overwinnaars en overwonnenen,--van +geschreeuw en wapengekletter, en al het verwarde gedruisch van een heet +gevecht. Eene poging, om de gordijn van zijn bed te openen, gelukte +hem gedeeltelijk, ofschoon de pijn zijner wonde dit moeielijk maakte. + +Tot zijne groote verwondering zag hij zich in eene rijk gestoffeerde +kamer, maar met kussens voorzien, in plaats van met stoelen, en in +andere opzichten zooveel overeenkomende met de Oostersche gebruiken, +dat hij begon te twijfelen, of hij niet gedurende zijn slaap naar +Palestina was teruggevoerd. De indruk werd vermeerderd, toen eene +deur in het behang open ging, en eene vrouwelijke gedaante, rijk +en meer naar den Oosterschen dan den Europeeschen smaak gekleed, +gevolgd door een zwarten dienaar, binnensloop. + +Toen de gekwetste ridder deze schoone verschijning wilde aanspreken, +gebood zij hem stil te zwijgen, door den vinger op de rozenroode +lippen te leggen, terwijl de bediende, nader komende, Ivanhoe's +zijde ontblootte, en de beminnelijke Jodin zich overtuigde, dat +het verband op zijn plaats zat, en het met de wond goed stond. Zij +volbracht haar taak met een aanvallige en waardige eenvoudigheid en +zedigheid, welke, zelfs in beschaafdere tijden had moeten strekken, +om alles, wat de vrouwelijke kieschheid had kunnen kwetsen, te doen +vergeten. Het denkbeeld van een zoo jonge en schoone vrouw bezig te +zien om een zieke op te passen, of de wonden van een man te verbinden, +maakte plaats voor dat van een weldadig wezen, dat zijne krachtige +hulp verleende om de smart te verzachten, en den pijl des doods af te +wenden. Rebekka gaf haar weinige en korte bevelen in het Hebreeuwsch +aan den ouden dienaar en deze, die haar dikwijls in soortgelijke +gevallen had bijgestaan, gehoorzaamde zonder te antwoorden. + +De klank eener onbekende taal, hoe onaangenaam die ook in een +anderen mond zou geweest zijn, had in dien van de schoone Rebekka +die romantische en aangename uitwerking, die de verbeelding aan de +eene of andere weldadige toovergodin toeschrijft, welke, wel is waar, +onverstaanbaar blijft voor het oor, maar door de zachte uitdrukking +en den goedaardigen blik het hart roert en treft. Zonder te beproeven +naar iets te vragen, liet Ivanhoe haar in stilte die maatregelen +nemen, welke zij voor zijne beterschap het noodigst oordeelde, en +eerst toen zij gedaan had, en zijne behulpzame vriendin op het punt +stond om heen te gaan, kon hij zijne nieuwsgierigheid niet langer +onderdrukken.--"Bekoorlijk meisje," begon hij in het Arabisch, welke +taal hem gedurende zijn reizen in het Oosten gemeenzaam geworden was, +en die hij zich verbeeldde dat het met tulband en kaftan gesmukte +meisje, dat voor hem stond, het best zou verstaan, "ik bid u, +bekoorlijk meisje,--uwe goedheid--" + +Maar hier viel zijn schoone arts hem in de rede; een glimlach, welken +zij nauwelijks onderdrukken kon, zweefde over een gelaat, waarop +gewoonlijk eene uitdrukking rustte van peinzende zwaarmoedigheid: +"Ik ben uit Engeland, heer ridder, en spreek de Saksische taal, +ofschoon mijne kleeding en mijn stam onder een andere hemelstreek te +huis behooren." + +"Edele Jonkvrouw,"--begon de ridder van Ivanhoe opnieuw, en wederom +haastte zich Rebekka hem in de rede te vallen. + +"Geef mij dien eeretitel niet, heer ridder," zei zij. "Het is goed, +dat gij dadelijk verneemt, dat uwe verzorgster eene arme Jodin is, +de dochter van Izaäk van York, dien gij onlangs zoo liefderijk en +vriendelijk behandeld hebt. Het is zijn plicht en die van zijne +huisgenooten om u die zorgvuldige verpleging te verschaffen, welke +uw tegenwoordige toestand zoo gebiedend eischt." + +Ik weet niet, of de schoone Rowena wel tevreden zou geweest zijn over +de bewondering, waarmede haar ridder tot dusverre de schoone trekken, +de rijzige gestalte en de schitterende oogen van de beminnelijke +Rebekka aanschouwd had; oogen, wier glans overschaduwd en als het +ware verzacht werd door lange wimpers, welke een dichter vergeleken +zou hebben bij de avondster, die haar stralen door een priëel +van jasmijn schiet. Maar Ivanhoe was te goed katholiek om deze +gevoelens voor een Jodin te koesteren. Dit had Rebekka voorzien en +daarom had zij zich gehaast om haars vaders naam en stam te noemen, +evenwel,--want de schoone en wijze dochter van Izaäk was niet zonder +een kleinen zweem van vrouwelijke zwakheid,--kon zij niet nalaten in +haar hart te zuchten, toen de blik van eerbiedige bewondering, niet +geheel onvermengd met teederheid, waarmede Ivanhoe tot hiertoe zijne +onbekende weldoenster aanschouwd had, eensklaps veranderde in een koel, +bedaard en terughoudend gedrag, waarin geen dieper gevoel te zien was, +dan dat van dankbaarheid voor een dienst, welken men onverwacht van +een persoon van minderen stand ontvangt. Niet dat Ivanhoe's vroegere +houding meer uitdrukte, dan die algemeene, eerbiedige hulde, welke de +jeugd altijd aan de schoonheid betoont; maar toch was het pijnlijk, +dat een enkel woord genoeg was, om als met een tooverslag, de arme +Rebekka, die niet geheel onbewust kon zijn, van haar recht op zulke +hulde, tot eene verachte klasse te doen nederdalen, aan welke ze niet +met eer kon bewezen worden. + +Maar de zachtaardige, edele Rebekka rekende het Ivanhoe tot geen +misdaad, dat hij in de algemeene vooroordeelen van zijne eeuw en van +zijne geloofsgenooten deelde. Integendeel hield de schoone Jodin, +ofschoon zij gevoelde, dat haar patient haar als een spruit van +een verworpen stam beschouwde, met welke het niet eervol was, meer +dan het noodzakelijkste verkeer te houden, niet op, hem dezelfde +geduldige en zorgvuldige oplettendheid te betoonen. Zij onderrichtte +hem van de noodzakelijkheid om naar York te vertrekken en van haars +vaders besluit, om hem daarheen te vervoeren en in zijn eigen huis +te verzorgen, tot zijn genezing volmaakt was. Ivanhoe legde grooten +tegenzin in dit plan aan den dag, terwijl hij voorwendde dat hij niet +geneigd was zijne weldoeners verder tot last te strekken. + +"Is er niet," zei hij, "te Ashby, of in de nabijheid, de een of ander +Saksische _Franklin_, of zelfs eenige rijke boer, die op zich zou +willen nemen om een gekwetsten landsman bij zich te ontvangen, tot hij +weder in staat is de wapens te dragen? Is er geen Saksisch klooster, +waar hij kan aankloppen?--Of kan hij niet naar Burton vervoerd worden, +waar hij verzekerd is, gastvrijheid te vinden bij Waltheoff, den Abt +van Sint Withold, zijn bloedverwant?" + +"Iedere, zelfs de nederigste dezer schuilplaatsen," zei Rebekka, +met een zwaarmoedigen glimlach, "zou zonder twijfel geschikter zijn +voor u dan de woning van een verachten Jood; maar, heer ridder, +zoo gij uw geneesheer niet wilt missen, moet gij niet van verblijf +veranderen. Ons volk, zooals gij wel weet, kan wonden genezen, ofschoon +wij er geen mogen toebrengen; en bij mijn geslacht in het bijzonder, +berusten geheimen, welke sedert Salomo's tijd zijn overgebracht, en +waarvan gij het heil reeds ondervonden hebt.--Geen Nazareër--ik smeek +u om verschooning, heer ridder,--geen Christen wondarts in Brittanje +zou u in staat kunnen stellen, uwe wapenrusting in minder dan eene +maand te dragen." + +"En hoe spoedig zult gij mij in staat stellen, dat te doen?" vroeg +Ivanhoe ongeduldig. + +"Binnen acht dagen, als gij geduldig wilt zijn en naar mijn +voorschriften luisteren," hernam Rebekka. + +"Bij de Heilige Maagd," zei Wilfrid, "indien het geene zonde is haar +hier te noemen, het is geen tijd voor mij, of voor eenigen echten +ridder bedlegerig te zijn; en als gij uwe belofte houdt, meisje, zal +ik u beloonen met mijn helm vol goud, vanwaar het dan ook komen moge!" + +"Ik zal mijne belofte houden," hernam Rebekka, "en gij zult uwe +wapenrusting heden over acht dagen weder kunnen dragen, als gij mij +slechts eene bede wilt vergunnen, in plaats van het geld, dat ge +mij belooft." + +"Zoo het in mijne macht staat,--en een goed Christen ridder het aan +iemand van uw volk mag toestaan," hervatte Ivanhoe, "dan zal ik aan +uw verzoek gaarne en dankbaar voldoen." + +"Welnu," antwoordde Rebekka, "ik wilde u slechts bidden, om voortaan +te gelooven, dat een Jood aan een Christen een dienst kan doen zonder +andere belooning dan de zegen van den Grooten Vader, die Jood en +Heiden geschapen heeft." + +"Het ware zonde hieraan te twijfelen, meisje," hernam Ivanhoe, +"en ik vertrouw mij aan uwe kunde toe, zonder verderen twijfel of +ongerustheid, maar ik reken er op, dat gij mij in staat zult stellen, +mijne wapenrusting op den achtsten dag na heden te dragen. En nu moet +ik u naar het nieuws van buiten vragen. Wat weet gij van den edelen +Sakser, Cedric en zijn gezin?--Wat van de schoone Jonkvrouw,"--hij +hield op, alsof hij Rowena's naam niet in het huis van een Jood +uitspreken wilde,--"van haar, meen ik, die tot Koningin van het +toernooi benoemd werd?" + +"En die door u, heer ridder, uitgekozen werd om die waardigheid +te bekleeden, met een oordeel, dat evenzeer bewonderd werd als uwe +dapperheid," hervatte Rebekka. + +Het bloed dat Ivanhoe verloren had, belette niet dat een blos +zijn wangen kleurde, toen hij begreep, dat hij onvoorzichtig de +belangstelling, welke hij voor Rowena gevoelde, verraden had door +zijne onhandige poging om die te verbergen. + +"Het was minder van haar dat ik spreken wilde," zei hij, "dan van Prins +Jan, en ik wilde gaarne iets weten van mijn getrouwen schildknaap, +en waarom hij mij niet oppast?" + +"Laat ik mijn gezag als wondarts gebruiken," antwoordde Rebekka, +"en u het stilzwijgen en het vermijden van alle ontroering opleggen, +terwijl ik u onderricht van hetgeen gij wenscht te weten. Prins Jan +heeft het toernooi plotseling afgebroken en is in groote haast naar +York vertrokken met de edelen, ridders en geestelijken van zijne +partij, na al het geld dat zij door billijke of onbillijke middelen +afpersen konden van hen, die voor de rijken des lands gehouden worden, +medegenomen te hebben. Men zegt dat hij voornemens is, zich de kroon +zijns broeders op te zetten." + +"Niet zonder dat er menige slag ter verdediging er van gedaan wordt," +zei Ivanhoe, zich in zijn bed oprichtende, "al was er ook maar +één getrouwe onderdaan in Engeland! Ik wil met den besten hunner +om Richards recht strijden,--ja, zelfs één tegen twee in zijne +rechtvaardige zaak." + +"Maar om dit te kunnen doen," zei Rebekka, hem met haar hand zacht +op den schouder aanrakende, "moet gij thans mijne bevelen volgen, +en u rustig houden." + +"Gij hebt gelijk, meisje," hernam Ivanhoe, "zoo rustig als deze +onrustige tijden toelaten.--En wat nu van Cedric en zijn gezin?" + +"Zijn huishofmeester is een oogenblik geleden hier geweest," hervatte +de Jodin, "buiten adem van haast, om van mijn vader eenig geld te +halen voor wol, welke hij van Cedric's kudden verkregen had; en van +hem vernam ik, dat Cedric en Athelstane van Coningsburgh de woning +van den Prins in groot ongenoegen verlaten hadden en op het punt +waren om weder naar huis te reizen." + +"Is er ook eene dame met hen op het feest geweest?" vroeg Wilfrid. + +"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Rebekka, den naam vermeldende, dien +hij verzwegen had,--"Jonkvrouw Rowena, is niet naar des Prinsen feest +geweest, en, zooals de huishofmeester ons gezegd heeft, is zij thans +op de terugreis naar Rotherwood met haar voogd Cedric. En wat uw +getrouwen schildknaap Gurth--" + +"Ha!" riep de ridder, "kent gij zijn naam?--Maar zeker," voegde hij +er haastig bij, "zeker kent gij hem, want het was uit uwe hand, en, +zooals ik vermoed, door uw edelmoedigheid, dat hij gisteren honderd +_zechinen_ ontvangen heeft." + +"Spreek daar niet van," zei Rebekka blozende, "ik merk, hoe gemakkelijk +het is met den mond te verraden wat het hart gaarne zou verbergen." + +"Maar," zei Ivanhoe ernstig, "mijne eer is er mede gemoeid, om uw +vader deze som te betalen." + +"Volg uw eigen zin," zei Rebekka, "als acht dagen verloopen zijn; +maar denk nu, bid ik u, aan niets, en spreek van niets, dat uwe +herstelling zou kunnen vertragen." + +"Het zij zoo, meisje," hernam Ivanhoe; "het zou zeer ondankbaar zijn, +mij tegen uwe verordeningen te verzetten. Maar één woord over Gurth's +lot, en ik heb gedaan met vragen." + +"Het spijt mij u te moeten zeggen," antwoordde de Jodin, "dat hij op +bevel van Cedric gevangen is!"--En toen zij de droefheid bespeurde, +welke hare mededeeling bij Wilfrid verwekte, voegde zij er dadelijk +bij: "maar de huishofmeester Oswald zei, dat als er niets voorviel om +zijns meesters ongenoegen tegen hem te vermeerderen, hij zeker wist, +dat Cedric Gurth zou vergeven, daar hij een getrouw lijfeigene was, +hoog in gunst stond, en dezen misstap slechts begaan had uit liefde +voor Cedric's zoon. En hij zeide daarenboven, dat hij en zijne makkers, +en bijzonder de nar Wamba, besloten hadden om Gurth onderweg te helpen +ontvluchten, in geval de toorn van Cedric tegen hem niet verzacht +kon worden." + +"God geve, dat zij hun voornemen ten uitvoer brengen!" zei Ivanhoe; +"maar het schijnt dat ik geboren ben, om allen, die mij liefde betoond +hebben, ongelukkig te maken!--Mijn koning eerde en onderscheidde mij, +en gij ziet, dat de broeder, die hem het meeste verschuldigd is, de +wapens opneemt om hem de kroon te ontrukken;--mijne liefde heeft de +schoonste van haar geslacht aan dwang en onrust onderworpen, en nu +zal mijn vader wellicht in zijn toorn dezen armen lijfeigene om het +leven brengen, alleen om zijne liefde en getrouwheid voor mij!--Gij +ziet, meisje, welk een ongelukskind gij bijstaat; wees verstandig, +en laat mij gaan eer mijn rampen, welke mij als speurhonden vervolgen, +ook u medesleepen." + +"Wel," zei Rebekka, "uwe zwakheid en uwe smart, heer ridder, doen u de +bedoelingen des Hemels verkeerd uitleggen! Gij zijt aan uw vaderland +teruggegeven, toen het den bijstand van eene sterke hand en een +getrouw hart noodig had, en hebt den hoogmoed van uw en uws konings +vijanden vernederd, op een oogenblik, dat die ten toppunt gestegen +was;--en wat uw ongeluk betreft, ziet gij niet, dat de Hemel u hulp +en een arts gezonden heeft, zelfs onder de meest verachte bewoners des +lands?--Houd dus goeden moed en vertrouw er op, dat gij gespaard zijt +voor eenig wonder, dat uw arm voor dit volk zal verrichten. Vaarwel, +en begeef u, zoodra gij den drank ingenomen hebt, welken ik u door +Ruben zal zenden, weder ter rust, om des te beter in staat te zijn +morgen de vermoeienissen van de reis door te staan." + +Ivanhoe liet zich door Rebekka's woorden overreden, en gehoorzaamde +aan hare bevelen. De drank, welken Ruben hem toediende, was van een +bedarenden en slaapwekkenden aard en verschafte den zieken een vasten +en ongestoorden sluimer. Den volgenden morgen vond zijn vriendelijke +arts hem geheel vrij van koortsachtige aandoening en in staat om de +vermoeienis der reis te verdragen. + +Hij werd in den draagstoel geplaatst, waarin hij uit het strijdperk +gebracht was, en welke door paarden gedragen werd, en men nam alle +voorzorgen om hem met gemak te doen reizen. In één opzicht slechts +konden zelfs de beden van Rebekka geene genoegzame oplettendheid voor +het gemak van den gewonden ridder bezorgen. Izaäk zag, evenals de rijk +geworden reiziger, in de satire van Juvenalis, in zijne verbeelding +overal roovers, daar hij overtuigd was dat de stroopende Normandische +edelman en de Saksische vrijbuiter beiden hem als wettigen buit +zouden beschouwen. Hij reisde dus met den meesten spoed, en hield +slechts korte rust en nog kortere maaltijden, zoodat hij Cedric en +Athelstane voorbij reisde, die verscheidene uren vóór hem vertrokken, +maar opgehouden waren door hun langgerekt gastmaal in het klooster +van St. Withold. Zóó groot was echter de kracht van Mirjams balsem, +of van Ivanhoe's gestel, dat hij door de overhaaste reis het ongemak +niet leed, dat Rebekka voor hem gevreesd had. + +In een ander opzicht echter, had de haast van den Jood geen gelukkige +gevolgen. De spoed, waarop hij onder het reizen aandrong, verwekte veel +oneenigheid tusschen hem en de lieden, die hij tot zijn bescherming +gehuurd had. Deze waren Saksers en geenszins vrij van die aangeboren +zucht naar gemak en goede sier, welke de Normandiërs met den naam van +luiheid en gulzigheid bestempelden. Shylock's stelling omkeerende, +hadden zij dezen last op zich genomen, in de hoop van zich op kosten +van den rijken Jood te mesten, en ze waren zeer ontevreden, toen +ze zich bedrogen vonden door de snelheid, waarop hij aandrong. Zij +verzekerden hem dan ook, dat hunne paarden daardoor ongewoon gevaar +liepen. Ten laatste ontstond er tusschen Izaäk en zijne wachten een +doodelijke veete over de hoeveelheid wijn en bier, welke bij iederen +maaltijd mocht gebruikt worden. En zoo kwam het, dat toen het gevaar +naderde, en hetgeen Izaäk gevreesd had, hem wezenlijk overkwam, +de ontevredene huurlingen, op wier bescherming hij vertrouwd had, +hem verlieten, daar hij de noodige middelen niet gebruikt had, om +zich van hunne verkleefdheid te verzekeren. + +In dezen hulpeloozen toestand werd de Jood met zijne dochter en +hun gekwetsten gast door Cedric gevonden, zooals wij reeds gemeld +hebben en kort daarna vielen ze in de macht van De Bracy en zijne +bondgenooten. Men sloeg eerst weinig acht op den draagstoel, die +achtergebleven zou zijn zonder de nieuwsgierigheid van De Bracy, die er +in keek, daar hij dacht, dat wellicht het voorwerp van zijn onderneming +er in schuilde, want Rowena had zich nog niet ontsluierd. Maar groot +was De Bracy's verbazing, toen hij bespeurde dat de draagstoel een +gekwetsten krijgsman bevatte, die in het denkbeeld, dat hij in de +macht van Saksische roovers gevallen was, bij wie zijn naam een +bescherming voor hem en zijn vrienden kon zijn, openhartig bekende, +dat hij Wilfrid van Ivanhoe was. + +De begrippen van riddereer, welke De Bracy, te midden van zijne +woestheid en lichtvaardigheid, nooit geheel en al verzaakt had, +beletten hem, om den ridder in zijn hulpeloozen toestand eenig leed +aan te doen, en verhinderden insgelijks, dat hij hem aan Front-de-Boeuf +verraadde, die er volstrekt geene gewetenszaak van zou gemaakt hebben, +om zijn mededinger naar het leen Ivanhoe ter dood te brengen, in +welke omstandigheden hij hem ook gevonden had. Van den anderen kant +was het eene daad, ver boven de edelmoedigheid van De Bracy verheven +om een medeminnaar in vrijheid te stellen, aan wien door Jonkvrouw +Rowena de voorkeur gegeven werd, zooals de gebeurtenissen bij het +toernooi en Wilfrids vroegere verbanning uit het vaderlijke huis +reeds genoegzaam te kennen gegeven hadden. Een middenweg tusschen goed +en kwaad was alles waartoe hij zich in staat gevoelde, en hij beval +aan twee zijner schildknapen dicht bij den draagstoel te blijven, en +niemand er bij te laten. Zoo men hen ondervroeg, beval hun meester te +zeggen, dat het de ledige draagstoel der Jonkvrouw Rowena was, welke +gebruikt werd om een makker, die in de schermutseling gekwetst werd, +te vervoeren. Bij hunne aankomst te Torquilstone, terwijl de Tempelier +en de heer van het kasteel ieder met zijn eigen ontwerp vervuld was, +de een met den schat van den Jood, en de andere met zijne dochter, +brachten De Bracy's schildknapen Ivanhoe, nog altijd onder den naam +van een gewonden makker, in een afgelegen vertrek. Dit zeiden ook De +Bracy's knapen aan Front-de-Boeuf, toen deze hun vroeg, waarom ze, +toen er alarm geblazen werd, zich niet naar de wallen begeven hadden. + +"Een gekwetste makker!" hernam hij in groote drift en verbazing; +"geen wonder, dat boeren en landlieden zich verstouten, om zelfs +kasteelen te belegeren, en dat narren en zwijnenhoeders uitdagingen +aan edellieden zenden, daar krijgers in ziekenoppassers veranderen, +en huurlingen wachters bij een sterfbed geworden zijn, als zelfs het +kasteel op het punt is, van bestormd te worden.--Naar de wallen, gij +trage schurken!" riep hij, zijne forsche stem verheffende, zoodat de +gewelven er van weêrgalmden, "naar de wallen, of ik zal er u met deze +knots heen jagen!" + +De lieden antwoordden hem op stuggen toon, "dat ze niets beters +verlangden dan naar de wallen te gaan, mits Front-de-Boeuf het bij +hun meester verantwoorden wilde, die hun bevolen had, den stervende +op te passen." + +"Den stervende, schelmen!" hervatte de Baron, "ik beloof u, dat +wij allen weldra stervenden zullen zijn, als wij ons niet dapper +houden. Maar ik zal de wacht bij dezen uwen ellendigen makker +aflossen.--Hier, Urfried,--duivelsche Saksische heks,--hoort ge mij +niet?--pas op dien bedlegerigen kerel, daar hij toch opgepast moet +worden, terwijl deze schelmen hunne wapens gebruiken. Hier, kameraden, +zijn twee armbogen, met pijlen er bij--voort, naar het buitenwerk, +en ieder schot van u treffe den schedel van een Sakser!" + +De mannen, die, gelijk de meesten van huns gelijken, het gevaar +beminden, en de werkeloosheid verfoeiden, gingen blijmoedig naar de +gevaarlijke plaats waarheen men hen gezonden had, en dus werd de +zorg voor Ivanhoe aan Urfried, of Ulrica, opgedrongen. Maar deze, +wier hoofd vervuld was met de herinnering aan smaad en met de hoop +op wraak, liet gaarne de oppassing van den zieke aan Rebekka over. + + + + + +NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Beklim den wachttoren ginds, + Beschouw het slagveld: beschrijf ons het gevecht! + + Schiller's Maagd van Orleans. + + +Een oogenblik van gevaar is dikwijls ook het oogenblik van openhartige +genegenheid en liefde. Wij vergeten onze voorzichtigheid in de hevige +ontroering onzer gevoelens, en wij verraden dan dikwijls aandoeningen, +welke, in kalme oogenblikken, de bedaardheid ons doet verbergen, +zoo niet geheel en al onderdrukken. Toen Rebekka zich weder naast +het bed van Ivanhoe bevond, was zij zelve verwonderd over het geluk +dat zij smaakte, op een oogenblik, dat beiden in gevaar, zoo niet +reddeloos verloren waren. Toen zij hem den pols voelde, en naar +zijne gezondheid vroeg, lag er in hare aanraking en in hare stem +eene teederheid, welke eene grootere belangstelling te kennen gaf, +dan zij zelve zou gewenscht hebben uit te drukken. Hare stem beefde, +zij zelve sidderde, en het was slechts de koele vraag van Ivanhoe: +"Zijt gij het, mijne vriendin?" welke hare bedaardheid terugriep, en +haar herinnerde, dat de gevoelens, die zij koesterde, niet wederkeerig +waren en zulks ook niet worden konden. Een zucht ontsnapte haar, maar +een zucht, die nauwelijks hoorbaar was, en de vragen, welke zij den +ridder omtrent zijn toestand deed, waren in den toon der bedaardste +vriendschap. Ivanhoe antwoordde dadelijk, dat hij, ten opzichte +der gezondheid, zoo wel was, en zelfs beter, dan hij verwacht kon +hebben.--"Dank," zei hij, "uw kundige hulp, waarde Rebekka." + +"Hij noemt mij waarde Rebekka," zei het meisje in zich zelve, "maar +op een kouden en onverschilligen toon, welke slecht met het woord +overeenkomt. Zijn strijdpaard,--zijn jachthond zijn hem liever dan +de verachte Jodin." + +"Mijn gemoed wordt meer door angst gekweld, meisje," ging Ivanhoe +voort, "dan mijn lichaam door pijn. Uit het gesprek der mannen, die +mij zooeven oppasten, verneem ik, dat ik een gevangene ben, en, zoo +ik mij niet vergis, naar de harde, gebiedende stem te oordeelen welke +hen van hier riep, om den een of anderen krijgsdienst te verrichten, +dan ben ik in het kasteel van Front-de-Boeuf.--Zoo ja, hoe zal dit +afloopen,--en hoe zal ik Rowena en mijn vader beschermen?" + +"Hij noemt den Jood en de Jodin in het geheel niet," zei Rebekka in +zich zelve; "maar wat is hem aan ons gelegen,--en hoe rechtvaardig +word ik door den Hemel gestraft, omdat mijne gedachten met hem vervuld +zijn!" Zij haastte zich na deze korte zelfbeschuldiging, om Ivanhoe +alles mede te deelen wat zij wist; maar het kwam slechts hier op neêr, +dat de Tempelier, Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf in het kasteel +het bevel voerden; dat het van buiten belegerd werd, maar door wien, +wist zij niet. Zij voegde er bij, dat er een Christenpriester in het +kasteel was, die hun misschien nader bericht kon geven. + +"Een Christenpriester?" zei de ridder met blijdschap; "breng hem +hierheen, Rebekka, zoo gij kunt,--zeg, dat een zieke zijne geestelijke +hulp begeert,--zeg, wat gij wilt; maar breng hem hier;--ik moet iets +doen of ondernemen; maar hoe kan ik tot iets besluiten, eer ik weet +hoe de zaken buiten staan?" + +Rebekka deed die poging, volgens Ivanhoe's wensch, om Cedric te +halen, die, zooals wij reeds gezien hebben door de tusschenkomst +van Urfried werd teleurgesteld, die ook op den loer gestaan had, +om den gewaanden monnik te spreken. Rebekka keerde terug, om Ivanhoe +den ongelukkigen afloop van hare boodschap te melden. Zij hadden niet +veel tijd om dit te betreuren, of te overleggen door welk middel men +iets vernemen kon; want de onrust in het kasteel, veroorzaakt door +de voorbereidingen tot verdediging, welke een tijdlang geduurd had, +ging nu in een tienmaal sterker geraas en geschreeuw over. De zware +en haastige stap der krijgslieden liet zich op de muren hooren, of +weergalmde in de nauwe, kronkelende gangen en op de trappen, welke naar +de verschillende buitenwerken en versterkte wallen leidden. Men hoorde +de stemmen der ridders, die hunne manschappen aanvuurden, of middelen +van verdediging beraamden, terwijl hunne bevelen dikwijls verloren +gingen onder het gekletter der wapens, of het geschreeuw van hen, +tot welke ze gericht werden. Hoe schrikbarend ook deze klanken waren, +die nog ijselijker gemaakt werden door hetgeen ze voorspelden, ging er +een zekere grootschheid mede gepaard, voor welke Rebekka's hoogmoedige +geest, zelfs in dat oogenblik van gevaar, niet ongevoelig bleef. Haar +oog glinsterde, ofschoon het bloed hare wangen verliet, en er was eene +vermenging van vrees en van een treffend gevoel van het verhevene +in haar ziel, toen ze, half tegen den gewonden ridder sprekende, +deze woorden uit de Heilige Schrift herhaalde: "De pijlkoker ratelt, +de glinsterende speer en het schild,--het geroep der aanvoerders en +het krijgsgeschreeuw." + +Maar Ivanhoe was, als het strijdpaard, in die verhevene plaats vermeld, +brandende van ongeduld over zijne werkeloosheid en met het vurig +verlangen om aan den strijd deel te nemen, welken al deze drukten +verkondigden. "Zoo ik maar naar gindsch venster kon sluipen," zei hij, +"om te zien, hoe die edele kamp afloopen zal. Als ik maar een boog +had, om een pijl af te schieten, of een strijdbijl, om slechts één +enkelen slag voor onze bevrijding te doen!--Het is vergeefs, het is +vergeefs. Ik lig hier zonder kracht of wapens!" + +"Kwel u niet, edele ridder," antwoordde Rebekka, "het geraas heeft +eensklaps opgehouden;--het is mogelijk, dat ze niet handgemeen worden." + +"Gij begrijpt het niet," riep Wilfrid ongeduldig; "deze doodelijke +stilte bewijst slechts, dat de krijgslieden op hun post zijn, en +een onmiddellijken aanval verwachten. Hetgeen wij gehoord hebben, +was slechts het verwijderd dreigen van den storm,--die dadelijk in +volle woede uitbarsten zal.--Kon ik slechts gindsch venster bereiken!" + +"Ge zoudt u daardoor zelf benadeelen, edele ridder," hernam Rebekka; +en zijn vurig verlangen begrijpende, voegde ze er op vasten toon bij: +"Ik zelf zal achter de traliën gaan staan, en u, zoo goed ik kan, +verhalen wat er buiten omgaat." + +"Gij moet niet,--gij zult niet!" riep Ivanhoe; "iedere tralie, iedere +opening zal weldra een mikpunt voor de boogschutters zijn;--een of +ander op goed geluk afgeschoten pijl zou--" + +"Welkom zijn," zei Rebekka in zich zelve, terwijl ze met vasten +tred een paar trapjes besteeg, die naar het venster leidden, waarvan +ze spraken. + +"Rebekka, waarde Rebekka!" riep Ivanhoe, "dit is geene zaak voor +vrouwen;--stel u niet aan wonden en dood bloot, en maak mij niet +voor altijd ongelukkig door het denkbeeld, dat ik daartoe aanleiding +gegeven heb; bedek u ten minste met gindsch oud schild, en vertoon +u zoo weinig mogelijk aan het venster." + +Rebekka volgde met verwonderlijke gevatheid Ivanhoe's voorschriften; +en daar ze zich met het breede, oude schild bedekte, dat ze tegen +den rand van het venster plaatste, kon ze met vrij groote veiligheid +gedeeltelijk zien wat er buiten het kasteel voorviel, en Ivanhoe +van de toebereidselen onderrichten, welke de belegeraars tot den +storm maakten. Wezenlijk was de plaats, welke ze dus innam, bijzonder +geschikt tot dit oogmerk, daar ze, uit dezen hoek van het hoofdgebouw, +niet alleen zien kon wat er in den omtrek van het kasteel omging, +maar ook het buitenwerk in het gezicht had, dat waarschijnlijk +het eerste punt van den voorgenomen aanval zijn zou. Dit was een +vestingwerk van geringe hoogte en sterkte, bestemd om het poortje +te dekken, waardoor Front-de-Boeuf kort te voren Cedric uitgelaten +had. De gracht van het kasteel scheidde deze soort van bruggenhoofd +van het overige der vesting, zoodat, als het ingenomen werd, men +gemakkelijk alle gemeenschap met het hoofdgebouw kon afsnijden door +de brug af te breken. In het buitenwerk was een deur voor den uitval, +vlak tegenover het poortje, en het geheel was omgeven door sterke +palissaden. Rebekka kon uit het aantal manschappen, welke opgesteld +waren om dezen post te verdedigen, opmerken, dat de belegerden voor de +veiligheid er van bevreesd waren; en daar de belegeraars zich bijna +vlak tegenover de poort schaarden, scheen het niet minder duidelijk, +dat ze die als een zwak punt beschouwden. + +Deze opmerkingen deelde zij haastig aan Ivanhoe mede, en voegde er +bij: "De zoom van het bosch schijnt met boogschutters bezet te zijn, +ofschoon er maar weinigen uit het dichte lommer te voorschijn gekomen +zijn." + +"Onder welke banier?" vroeg Ivanhoe. + +"Onder geen banier, voor zoover ik ontdekken kan," antwoordde Rebekka. + +"Een zonderlinge verschijning," prevelde de ridder, "zulk een kasteel +te bestormen, zonder vaandel of banier te toonen.--Ziet gij ook wie +de aanvoerders zijn?" + +"Een ridder in eene zwarte wapenrusting valt het meest in het oog," +zei de Jodin; "hij alleen is van top tot teen gewapend, en schijnt +het bevel over allen, die hem omringen, te voeren." + +"Welk devies voert hij op zijn schild?" ging Ivanhoe voort. + +"Iets, dat naar een ijzeren staf gelijkt, en een hangslot, dat in +blauwe kleuren op het zwarte schild glinstert." [26] + +"Een slot en boeien op een blauw veld," zei Ivanhoe; "ik weet niet, +wie dit wapen draagt; maar ik weet wel dat het thans het mijne kon +zijn. Kunt gij het devies niet onderscheiden?" + +"Nauwelijks het wapen zelf op dezen afstand," hernam Rebekka; "maar +als de zon helder op zijn schild schijnt, dan ziet het er uit, zooals +ik gezegd heb." + +"Vertoonen er zich geen andere aanvoerders?" riep de ongeduldige +ridder. + +"Geen van hoogen rang, of die zich uiterlijk onderscheiden, voor zoover +ik van deze standplaats zien kan," hernam Rebekka; "maar zonder twijfel +wordt de andere zijde van het kasteel ook aangevallen. Zij schijnen +nu gereed om voorwaarts te trekken.--God van Sion, bescherm ons!--Welk +een verschrikkelijk gezicht!--Zij, die het eerst vooruitdringen, dragen +groote schilden en schermdaken, uit planken gemaakt; en anderen volgen, +terwijl zij hun bogen spannen. Zij verheffen de bogen!--God van Mozes, +vergeef het den schepselen, die Gij geschapen hebt!" + +Hier werd haar beschrijving plotseling afgebroken door het teeken +tot de bestorming, dat door een schellen horen gegeven, en dadelijk +beantwoord werd door het geschal der Normandische trompetten +van de wallen, hetwelk, vermengd met het dof en hol geluid der +_mossels_ (een soort van pauken) trots de uitdaging van den vijand +beantwoordde. Het geschreeuw van beide partijen vermeerderde het +gedruisch, daar de aanvallers riepen: "St. George voor Engeland!" en +de Normandiërs antwoordden met het geroep van: "_En avant De +Bracy! Beauséant! Beau-Séant! Front-de-Boeuf à la rescousse!_"--de +onderscheidene oorlogskreten van hunne verschillende aanvoerders. + +Het was echter niet door geschreeuw, dat de strijd te beslissen was, +en de wanhopige pogingen der aanvallers werden door een even krachtige +verdediging van den kant der belegerden ontmoet. De boogschutters, +door lange oefening in hun landelijke vermaken reeds zeer goed +aan het gebruik van den boog gewend, schoten zoo volmaakt juist, +dat geen punt, waar een verdediger het geringste gedeelte van zijn +lichaam vertoonde, aan hun lange pijlen ontging. Door dezen hagelbui +van pijlen,--waarvan echter ieder zijn bijzonder wit had,--die met +dozijnen tegelijk tegen alle schietgaten en openingen in de muren +vlogen, zoowel als tegen ieder venster, waar toevallig een verdediger +geplaatst was, of verondersteld werd te staan;--door dezen hagelbui +van pijlen werden een paar van het garnizoen gedood, en verscheidene +anderen gekwetst. Maar, vertrouwende op hunne goede wapenrusting en +op de bescherming, welke hunne standplaats hun verschafte, toonden de +lieden van Front-de-Boeuf en zijne bondgenooten eene hardnekkigheid in +de verdediging, welke geëvenredigd was aan de woede van den aanval, +en beantwoordden de pijlschoten der aanvallers met hunne handbogen, +lange bogen, slingers, en werpspiesen; en daar de belegeraars meestal +slecht beschermd waren, zoo leden zij een grooter verlies dan zij den +belegerden konden toebrengen. Het fluiten der pijlen en spiesen van +beide zijden werd alleen afgebroken door het geschreeuw, dat ontstond, +als een van beide partijen een aanmerkelijk voordeel behaalde, of +nadeel leed.-- + +"En ik moet hier liggen als een zieke monnik," riep Ivanhoe uit, +"terwijl andere handen het spel uitspelen, dat mij de vrijheid of den +dood moet geven!--Zie nog eens uit het venster, meisje; maar pas op, +dat de boogschutters beneden u niet opmerken.--Zie nog eens en zeg mij, +of zij tot den storm voorwaarts trekken." + +Met een geduldigen moed, die versterkt was geworden door den +tusschentijd, welken zij in stille aandacht had doorgebracht, vatte +Rebekka weder post bij het venster, maar verborg zich echter zoo, +dat zij van beneden niet zichtbaar was. "Wat ziet gij, Rebekka?" vroeg +weder de gewonde ridder. + +"Niets dan een hagelbui van pijlen, zoo dicht, dat zij mij de oogen +verblinden, en de schutters verbergen, die ze afschieten." + +"Dat kan zoo niet voortduren," zei Ivanhoe; "als zij het kasteel niet +met geweld aantasten, dan zal het pijlschieten maar weinig baten +tegen steenen muren en bolwerken. Zie eens naar den ridder met het +wapenschild, schoone Rebekka, en zeg mij, hoe hij zich gedraagt; +want zooals de aanvoerder is, zoo zullen zijn lieden zijn." + +"Ik zie hem niet," antwoordde Rebekka. + +"O die lafaard!" riep Ivanhoe, "wijkt hij van het roer, als de wind +het hevigst waait?" + +"Hij wijkt niet! hij wijkt niet!" hernam Rebekka, "ik zie hem +nu; hij brengt een troep dicht onder de buitenste _barrière_ van +het bruggenhoofd [27].--Zij halen de palen omver, zij hakken de +_barrières_ met bijlen om,--zijn hooge zwarte vederbos fladdert over +de menigte heen, gelijk een raaf over het slagveld;--zij hebben eene +opening in de _barrière_ gemaakt--zij stormen er in;--zij worden +teruggeworpen!--Front-de-Boeuf is aan het hoofd der belegerden; ik +zie zijn reusachtige gedaante boven den hoop uitsteken. Zij dringen +wederom naar de opening, en de doortocht wordt hand tegen hand en man +tegen man betwist. God van Jakob! zoo ontmoeten elkander twee woedende +stroomen,--zoo bruisen twee door winden bewogen zeeën tegen elkander." + +Zij wendde het hoofd van het venster weg, alsof zij niet meer in +staat was zulk een verschrikkelijk gezicht te verdragen. + +"Zie nog eens naar buiten, Rebekka," zei Ivanhoe, die de reden waarom +zij hare plaats verlaten had, verkeerd uitlegde; "het schieten moet +eenigszins opgehouden hebben, daar zij nu handgemeen zijn.--Zie nog +eens naar buiten;--er is nu minder gevaar bij." + +Rebekka zag weder naar buiten, en riep bijna onmiddellijk: "Heilige +Profeten! Front-de-Boeuf en de Zwarte Ridder zijn handgemeen in de +bres, onder het geschreeuw hunner soldaten, die den uitslag van het +gevecht gadeslaan.--Hemel, sta de zaak der onderdrukten en gevangenen +bij!" Hierop gaf ze een luiden gil, en riep uit: "Hij valt!--hij valt!" + +"Wie valt?" riep Ivanhoe, "in naam der Heilige Maagd, zeg mij, wie +is gevallen?" + +"De Zwarte Ridder," antwoordde Rebekka half onmachtig, maar terstond +daarna riep ze weder met blijde drift: "Maar neen,--maar neen,--maar +neen--de naam van den Heer der heirscharen zij geloofd!--hij +staat weder, en vecht alsof hij de kracht van twintig man in zijn +enkelen arm had;--zijn zwaard is gebroken;--hij grijpt de bijl +van een schutter;--hij dringt op Front-de-Boeuf aan, met slag en +stoot.--De reus wijkt en wankelt, gelijk een eik onder de bijl van +den houthakker;--hij valt--hij valt!" + +"Front-de-Boeuf?" riep Ivanhoe. + +"Front-de-Boeuf," antwoordde de Jodin; "zijne manschappen snellen +hem ter hulp, onder aanvoering van den trotschen Tempelier;--hunne +vereenigde krachten verhinderen den ridder verder te dringen;--zij +sleepen Front-de-Boeuf binnen de muren." + +"De bestormers hebben de _barrières_ toch ingenomen, niet waar?" vroeg +Ivanhoe. + +"Wel zeker,--wel zeker,--en ze maken een hevigen aanval op den +buitenwal; eenigen zetten ladders, anderen zwermen gelijk bijen, +en trachten op elkanders schouders te stijgen.--Steenen, balken en +boomstammen vallen naar beneden op hun hoofden, en zoodra zij de +gekwetsten naar de achterhoede brengen, nemen nieuwe strijders hun +plaats in.--Groote God! hebt Gij den mensch daarom naar Uw evenbeeld +geschapen, opdat hij aldus wreedelijk door de handen zijner broeders +misvormd zou worden!" + +"Denk daar niet aan," hernam Ivanhoe; "dit is geen tijd voor zulke +gedachten.--Wie wijkt?--wie dringt vooruit?" + +"De ladders worden omvergeworpen," hernam Rebekka, ijzende; "de +soldaten liggen er onder gelijk verpletterde wormen.--De belegerden +hebben de overhand!" + +"St. George sta ons bij!" zei de ridder; "wijken die valsche +schutters?" + +"Neen!" riep Rebekka, "zij houden zich dapper; de Zwarte Ridder nadert +het poortje met zijne ontzaglijke bijl;--de donderende slagen, welke +hij er aan toebrengt, kunt gij boven al het gedruisch en geschreeuw +van het gevecht uit hooren.--Steenen en balken worden op den stouten +strijder neêrgestort;--hij let er niet meer op, dan of het vederen +waren!" + +"Bij St. Jean d'Acre!" zei Ivanhoe, zich verheugd op zijne legerstede +verheffende, "ik dacht, dat er slechts één man in Engeland was, +die zoo iets zou kunnen verrichten!" + +"De poort bezwijkt," ging Rebekka voort; "zij kraakt,--zij wordt +verbrijzeld door zijn slagen;--zij stormen er in;--het buitenwerk +is veroverd;--o God!--zij werpen de verdedigers van den wal naar +beneden;--zij storten hen in de gracht;--o menschen, zoo gij inderdaad +menschen zijt, spaart hen, die niet langer weerstand kunnen bieden!" + +"De brug,--de brug, die gemeenschap heeft met het kasteel,--hebben +zij die bezet?" riep Ivanhoe uit. + +"Neen!" hervatte Rebekka, "de Tempelier heeft de plank, waarop hij +zich terugtrok, vernield;--weinigen der verdedigers zijn met hem +in het kasteel ontkomen;--het geschreeuw en gekerm, dat gij hoort, +onderricht u van het lot der overigen. Helaas! ik zie, dat het nog +moeielijker is naar de overwinning, dan naar den strijd te zien." + +"Wat doen ze nu, meisje?" vroeg Ivanhoe; "zie nog eens uit;--dit is +geen tijd om voor bloedvergieten te schrikken." + +"Het is vooreerst gedaan," antwoordde Rebekka; "onze vrienden +versterken zich in het buitenwerk, dat zij veroverd hebben, en het +verschaft hun eene zoo volkomene bescherming tegen de pijlen der +vijanden, dat de bezetting slechts eenige schichten op hen afschiet, +als het ware meer om hen te verontrusten, dan om hen wezenlijk te +benadeelen." + +"Onze vrienden," zei Wilfrid, "zullen zeker eene onderneming niet +opgeven, die zoo roemrijk begonnen en tot dusver zoo wel geslaagd +is.--Zeker niet! ik vertrouw op den dapperen ridder, wiens bijl eiken +balken en ijzeren staven vernield heeft.--Zonderling," prevelde hij +bij zich zelven, "dat er twee menschen zouden zijn, die zulk een stout +waagstuk ondernemen;--een slot en boeien op een blauw veld;--wat moet +dat beduiden? Ziet ge niets anders, Rebekka, waardoor de Zwarte Ridder +zich onderscheidt?" + +"Niets," zei de Jodin; "alles wat hij aan heeft is zwart, als de +vleugel van de raaf. Ik kan verder niets ontdekken dat hem kenmerkt, +maar, nadat ik hem eenmaal zijne kracht in den slag heb zien ten toon +spreiden, dunkt mij, dat ik hem onder duizend andere krijgslieden zou +herkennen. Hij vliegt ten strijde als tot een feest. Het is meer dan +bloote kracht; het schijnt, alsof de geheele ziel en het geheele hart +van den kampvechter bij iederen slag waren, welken hij zijn vijanden +toebrengt. God vergeve hem de zonde van het bloedvergieten! O, het +is ijselijk, en toch heerlijk te zien, hoe de arm en de moed van één +man over honderden kunnen zegepralen." + +"Rebekka," zei Ivanhoe, "gij hebt een held geschilderd;--zeker rusten +zij slechts uit, om nieuwe krachten te verzamelen, of om middelen tot +den overtocht van de gracht te beramen. Onder een aanvoerder, als dezen +ridder, bestaat er geene laffe vrees, geen flauw uitstel, geen opgeven +van eene stoute onderneming, welke juist door de zwarigheden, die ze +oplevert, des te roemrijker wordt. Ik zweer bij de eer van mijn huis, +bij den naam mijner schoone, ik zou tien jaren gevangenschap willen +verduren, als ik één dag aan de zijde van dezen dapperen ridder in +zulk een strijd als dezen vechten kon!" + +"Helaas!" zei Rebekka, haar plaats aan het venster verlatende, en +het bed van den gewonden ridder naderende, "dit ongelukkig verlangen +naar den strijd;--dit worstelen met, en klagen over uw tegenwoordige +zwakheid zal zonder twijfel uwe terugkeerende gezondheid schaden.--Hoe +kunt gij wenschen anderen wonden toe te brengen, eer gij van die +genezen zijt, welke gij zelf ontvangen hebt?" + +"Rebekka," hernam hij, "gij weet niet, hoe onmogelijk het is voor een +man, die opgevoed is voor het ridderleven, om lijdelijk te blijven +als een priester, of eene vrouw, wanneer roemrijke daden rondom hem +verricht worden. De liefde voor den strijd is de spijs waarvan wij +leven; het stof van het slagveld is de lucht, die wij inademen! Wij +leven niet,--wij wenschen niet langer te leven, dan zoolang wij +overwinnaars en beroemd zijn.--Dit, meisje, zijn de wetten der +ridderschap, die wij bezworen hebben, en waaraan wij alles opofferen, +wat ons dierbaar is!" + +"Ach," hervatte de schoone Jodin, "en wat is dit anders, dappere +ridder, dan het op te offeren aan den duivel der ijdele roemzucht, +en geworpen te worden in het vuur van Moloch?--Wat blijft u over, +tot belooning voor al het bloed, dat gij vergoten hebt,--voor al de +moeite en al het lijden, dat gij doorgestaan hebt,--voor al de tranen, +welke uw daden hebben doen storten, als de dood den speer der dapperen +gebroken en het snelle strijdros ingehaald heeft?" + +"Wat ons overblijft?" riep Ivanhoe; "de roem, meisje, de roem! die +onze grafzerk verguldt en onzen naam vereeuwigt." + +"De roem?" ging Rebekka voort; "helaas, is de verroeste wapenrusting, +die boven het somber en vermolmd graf des strijders hangt,--is het +spoedig uitgewischte opschrift, dat de onwetende monnik nauwelijks voor +den nieuwsgierigen pelgrim ontcijferen kan,--is dit alles een voldoende +vergelding voor de opoffering van iedere teedere genegenheid, voor een +leven, in ellende doorgebracht, om anderen ellendig te maken?--Of is +er zooveel kracht in de ijdele rijmen van een rondtrekkenden zanger, +dat huiselijke liefde, teederheid, vrede en geluk roekeloos veracht +worden, om eens de held te worden van de balladen, die zwervende +minnezangers dronken boeren bij hun avonddrank voorzingen?" + +"Bij de ziel van Hereward!" hernam de ridder ongeduldig, "gij spreekt +van iets, meisje, waarvan gij niets begrijpt. Gij zoudt het zuivere +licht der ridderschap willen uitdooven, dat alleen den edele van +den gemeenen man, den ridder van den boer en den wilde onderscheidt; +dat ons het leven verre, verre beneden de eer doet stellen; ons doet +zegepralen over smart, ontbering en lijden, en ons leert geen ander +kwaad te vreezen, dan de schande. Gij zijt geene Christin, Rebekka, +en u zijn die verhevene gevoelens onbekend, die het hart van eene +edele jonkvrouw doen kloppen, als haar minnaar eenige stoute daad +verricht heeft, welke zijne liefde heiligt. De ridderschap!--meisje, +zij is de kweekster der zuivere en verhevene genegenheid, de steun der +onderdrukten, de wreekster van onrecht,--een breidel voor de macht +der tirannen. De adel ware zonder haar slechts een ijdele naam, en +de vrijheid vindt de beste bescherming door haar lans en haar zwaard!" + +"Inderdaad," zei Rebekka, "ik stam van een geslacht af, dat zich +door zijn moed in het verdedigen van zijn vaderland onderscheiden +heeft; maar dat, zelfs als natie, geen oorlog voerde, dan op bevel des +Heeren, of om zijn land tegen onderdrukking te beschermen. De klank der +bazuinen wekt Juda niet meer op, en zijne verachte kinderen zijn thans +niets meer dan weerlooze slachtoffers van hunne krijgshaftige vijanden +en onderdrukkers. Te recht hebt gij gesproken, heer ridder,--vóór +dat de God van Jakob een tweeden Gideon, of een anderen Maccabeër +voor zijn volk doet verrijzen, past het de Jodin niet van strijd of +oorlog te spreken." + +Het hooghartige meisje besloot hare rede op een smartelijken toon, die +bewees hoe diep zij de vernedering van haar volk besefte, terwijl zij +misschien eenigszins verbitterd was door het denkbeeld, dat Ivanhoe +haar het recht niet toekende, om in eene zaak van eer een oordeel +te vellen, en haar voor buiten staat hield om edele en grootmoedige +gevoelens te koesteren. + +"Hoe weinig kent hij dit hart," dacht zij, "als hij zich verbeeldt, +dat er lafhartigheid, of laagheid van ziel in wonen moeten, omdat ik +de fantastische ridderschap der Nazareërs berispt heb!--Gave de Hemel, +dat het vergieten van mijn eigen bloed, droppel voor droppel, Juda +uit de ballingschap redden kon! Ach! konde ik daardoor slechts mijn +vader en dezen zijn weldoener uit de ketenen van den onderdrukker +verlossen! De trotsche Christen zou dan zien, of de dochter van +Gods uitverkoren volk niet even moedig zou durven sterven, als het +hooghartigste Nazareensche meisje, dat zich op hare afkomst van het een +of ander onbekend opperhoofd van het ruwe en koude Noorden beroemt!" + +Hierop zag ze weder naar het bed van den gekwetsten ridder. + +"Hij slaapt," zei zij; "de natuur is uitgeput door smart en +gemoedsaandoening, en zijn vermoeid lichaam maakt het eerste oogenblik +van schijnbare rust ten nutte, om in te sluimeren. Helaas! is het +een misdaad voor mij, naar hem te zien, mogelijk voor den laatsten +keer?--Nog korten tijd slechts, en deze schoone trekken zullen +misschien niet langer bezield worden door den stouten, onrustigen +geest, welke hem zelfs niet in den slaap begeeft!--Misschien zal +weldra deze mond opengespalkt, de oogen verglaasd en gesloten zijn, +en de trotsche, edele ridder door den laagsten slaaf van dit vervloekt +kasteel vertrapt worden, zonder dat hij zich verroert, als hem de +voet op het hoofd gezet wordt!--En mijn vader!--o mijn vader! het +staat slecht met uwe dochter, daar zij niet aan uwe grijze haren, +maar aan de blonde lokken der jeugd denkt!--Wie weet of deze rampen +geene voorboden zijn van Jehova's toorn tegen het ontaarde kind, +dat eerder aan de gevangenschap van een vreemde, dan aan die van haar +vader denkt!--dat Juda's ellende vergeet, en op de schoonheid van een +heiden en vreemdeling staart!--Maar ik wil dezen hartstocht uit mijn +hart rukken, al moest het daarbij ook doodbloeden!" + +Zij wikkelde zich dicht in haar sluier, en ging op eenigen afstand +van de legerstede des gewonden ridders zitten, met den rug naar hem +toe gekeerd, terwijl zij hare ziel versterkte, of trachtte die te +versterken, niet alleen tegen de ongelukken, die haar van buiten +dreigden, maar ook tegen de verraderlijke gevoelens, welke haar +hart bestormden. + + + + + +DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Treê binnen dit vertrek, aanschouw zijn bed. + Hij ging niet heen gelijk de kalme ziel, + Die, even als de leeuwrik naar de wolken + Des morgens stijgt bij 't lieflijkst windgesuis, + Zoo ook ten Hemel vaart, betreurd, beweend!-- + Zoo was Aselmo's uitvaart niet.-- + + Uit een oud Drama. + + +Gedurende het oogenblik van rust, na het eerste voordeel door de +belegeraars behaald, terwijl de eene partij zich bereidde om het te +vervolgen, en de andere om haar verdedigingsmiddelen te versterken, +hielden de Tempelier en De Bracy een korte beraadslaging in de zaal +van het kasteel. + +"Waar is Front-de-Boeuf?" vroeg de laatste, die de verdediging van +het achterste gedeelte van de sterkte bestuurd had; "men zegt dat +hij gesneuveld is." + +"Hij leeft," antwoordde de Tempelier koeltjes, "hij leeft nog; maar +al had hij ook het stierenhoofd gehad, waarvan hij den naam draagt, +en tien ijzeren platen daarenboven, om het te beschermen, dan moest +hij nog onder die schrikkelijke strijdbijl gevallen zijn. Nog weinige +uren en Front-de-Boeuf is bij zijn vaderen:--een groot verlies voor +de partij van Prins Jan!" + +"En een schoone aanwinst voor het rijk van Satan," zei De Bracy; +"dat komt van het verachten van heiligen en engelen, en van het +werpen van heilige beelden en voorwerpen op de hoofden dier schurken +van boogschutters." + +"Loop heen,--gij zijt dwaas!" zei de Tempelier. "Uw bijgeloof staat +gelijk met Front-de-Boeuf's ongeloof; geen van u beiden kan eene +reden daarvoor geven." + +"_Benedicite_, heer Tempelier!" hernam De Bracy; "ik verzoek u uw taal +meer te matigen als ge van mij spreekt. Bij de Heilige Moeder Gods! ik +ben een beter Christen dan gij en uws gelijken; want het gerucht loopt, +dat de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion niet weinig ketters +in haren boezem voedt, en dat de ridder Brian de Bois-Guilbert onder +dat getal behoort." + +"Stoor u niet aan zulke geruchten," hernam de Tempelier; "maar laat +ons er aan denken, hoe het kasteel te verdedigen.--Hoe hebben de +schelmen van schutters, tegenover welken gij waart, gevochten?" + +"Als duivels in menschelijke gedaante," antwoordde De Bracy. "Ze +drongen dicht onder de wallen, aangevoerd, naar het mij voorkwam, +door den schelm, die den prijs bij het schijfschieten behaalde, +want ik herkende zijn horen en bandelier. En dit komt van de zoo +zeer geroemde staatkunde van den ouden Fitzurse, die deze moedwillige +schurken tegen ons ophitst! Zonder mijne goede wapenrusting, zou de +schurk mij zeven malen ter neêr geschoten hebben; hij ontzag mij even +weinig, alsof ik een vette reebok geweest ware. Hij heeft iedere plaat +van mijn wapenrusting met een pijl gemerkt, welke tegen mijn ribben +aansloeg, alsof hij dacht dat mijn beenderen ook van ijzer waren.--Zoo +ik niet een Spaansch maliënkolder onder mijn wapenrusting gedragen had, +ware het met mij gedaan geweest." + +"Maar ge hebt uw post behouden?" zei de Tempelier. "Wij hebben het +buitenwerk aan onzen kant verloren." + +"Dat is een zwaar verlies," zei De Bracy; "die schurken zullen +dáár bescherming vinden om het kasteel van naderbij te bespringen, +en ze kunnen, als men er geene zorg voor draagt, licht eenigen +onbewaakten hoek van een toren, of een vergeten venster bereiken, en +er zoo inbreken. Ons getal is te gering voor de verdediging van alle +punten, en de mannen klagen al, dat ze zich nergens kunnen vertoonen, +of ze strekken tot mikpunt voor even vele pijlen, als een schijf op +een feestdag. Front-de-Boeuf ligt ook op sterven, zoodat wij geene +hulp meer krijgen zullen van zijn stierenkop en zijne ontzaglijke +kracht. Wat denkt ge er van, ridder Brian, zou het niet beter voor +ons zijn, voor den nood te wijken, een verdrag met die schurken aan +te gaan, en onze gevangenen uit te leveren?" + +"Hoe!" riep de Tempelier: "Onze gevangenen in vrijheid stellen, +en bespot en veracht worden, als de dappere ridders, die zich door +een nachtelijken aanval van eenige hulpelooze reizigers meester +maakten, maar een sterk kasteel niet konden verdedigen tegen een +ongeregelde rooverbende, aangevoerd door zwijnenhoeders, narren, en +het uitvaagsel van het menschdom?--Schaam u over uw raad, Maurice +De Bracy.--De puinhoopen van het kasteel zullen mijn lichaam en +mijne schande bedelven, eer ik mijn toestemming tot zulk een laag, +onteerend verdrag geef!" + +"Naar de wallen dan," zei De Bracy onverschillig; "er is nooit iemand +geweest, Turk of Tempelier die het leven minder op prijs stelde dan +ik. Maar ik vertrouw, dat het geene schande is te wenschen, dat ik +hier een vijftigtal van mijne dappere krijgslieden had?--O, mijne +dappere lansen! Zoo ge maar wist, hoe uw aanvoerder heden in nood zit, +hoe spoedig zou ik mijne banier zien wapperen boven uw speren! En +hoe kort zouden deze schurken onzen aanval wederstand bieden!" + +"Wensch naar wien ge verkiest," hernam de Tempelier; "maar laten +wij ons zoo goed mogelijk verdedigen met de soldaten, die ons nog +overblijven. Het zijn meestal bedienden van Front-de-Boeuf, die gehaat +zijn bij de Engelschen wegens duizenderlei daden van roekeloosheid +en onderdrukking." + +"Des te beter," zei De Bracy; "de woeste slaven zullen zich tot den +laatsten droppel bloeds verdedigen, liever dan zich aan de wraak +der boeren daarbuiten bloot te stellen. Aan het werk dus, Brian De +Bois-Guilbert; en levend of dood, ge zult zien, dat Maurice De Bracy +zich heden als een man van edel bloed en edelen stam gedragen zal." + +"Naar de wallen dan!" antwoordde de Tempelier, en ze bestegen den muur +om alles te doen, wat de krijgskunde hun voorschreef en de dapperheid +ten uitvoer brengen kon, om het kasteel te verdedigen. Ze begrepen +beiden dadelijk, dat het gevaarlijkste punt tegenover het buitenwerk +was, waarvan de aanvallers zich meester gemaakt hadden. Het kasteel +was, wel is waar, daarvan gescheiden door de gracht, en het was +onmogelijk voor de belegeraars om de poort, waarmede het buitenwerk +in verband stond, aan te vallen zonder over het water te komen; maar +de Tempelier zoowel als De Bracy, begrepen dat de vijanden trachten +zouden, als hun aanvoerder aan zijne taktiek getrouw bleef, door een +hevigen aanval de aandacht der verdedigers op dit punt te vestigen, en +inmiddels maatregelen nemen, om van ieder verzuim gebruik te maken, dat +ze ergens anders mochten ontdekken. Tegen dit gevaar konden de ridders, +wegens hun gering getal, geen anderen maatregel nemen dan hier en daar +op de wallen schildwachten te plaatsen, die met elkander in gemeenschap +stonden, en een teeken konden geven als er gevaar dreigde. Intusschen +kwamen ze overeen, dat De Bracy het bevel zou voeren bij de poort, +en dat de Tempelier een twintig man bij zich houden zou als eene +hulpbende, gereed om naar ieder punt te snellen, dat onverwacht +bedreigd werd. Het verlies van het buitenwerk had ook dit nadeelig +gevolg, dat de belegerden, in weerwil van de grootere hoogte der muren, +de bewegingen van den vijand niet meer zoo nauwkeurig waarnemen konden +als te voren; want eenig dicht kreupelhout stond zoo dicht bij de +poort van het buitenwerk, dat de aanvallers zooveel manschappen als ze +verkozen, er in konden brengen, niet alleen in volkomene veiligheid, +maar zelfs zonder kennis der verdedigers. Daar De Bracy en zijn makker +dus geheel onzeker waren op welk punt de storm losbarsten zou, waren +ze in de noodzakelijkheid om voor ieder mogelijk geval te waken; en +hunne lieden, hoe dapper ook, ondervonden de moedeloosheid, eigen aan +mannen, die door vijanden ingesloten zijn, welke de macht bezitten, +om zelven den tijd en de wijze van hun aanval te kiezen. + +Intusschen lag de heer van het belegerde en zoo zwaar bedreigde kasteel +op zijn bed, gefolterd door lichamelijke pijn en zieleangst. Hij had +de gewone toevlucht niet der bijgeloovigen van dien tijd, die meestal +gewoon waren de misdaden, welke zij gepleegd hadden, door milddadigheid +jegens de Kerk te boeten, en hunne wroegingen op deze wijze door +het denkbeeld van boeten en vergiffenis te bedwelmen; en ofschoon +de door dit middel gekochte rust niet meer op de bedaardheid geleek, +welke op oprecht berouw volgt, dan de koortsachtige bedwelming, welke +men door opium te weeg brengt, op een gezonden natuurlijken slaap, +zoo was deze gemoedstoestand toch nog verkieslijk boven de wanhopige +wroegingen van een ontwaakt geweten. + +Maar onder de ondeugden van Front-de-Boeuf, een harden, hebzuchtigen +man, was gierigheid een der voornaamste, en hij wilde liever de Kerk en +hare dienaren trotseeren dan voor schatten en landerijen vergiffenis +en absolutie koopen; zoodat de Tempelier, die een ongeloovige van +een anderen stempel was, zijn bondgenoot niet juist afteekende, toen +hij zeide, dat Front-de-Boeuf geen reden voor zijn ongeloof en zijn +verachting voor den ingevoerden Godsdienst kon opgeven: want de Baron +zou hem geantwoord hebben, dat de Kerk haar waar te duur verkocht, +dat de geestelijke vrijheid, welke zij veil had, slechts te koop was, +gelijk die van het opperhoofd van Jeruzalem, voor eene groote som, en +Front-de-Boeuf wilde liever de kracht van het geneesmiddel loochenen, +dan den duren arts te betalen. Maar thans was het oogenblik gekomen, +waarop de aarde met al hare schatten voor zijne oogen verdween, +en zijn tot dusver ongevoelig hart sidderde, toen hij zijn blikken +op de dreigende duisternis der toekomst vestigen wilde. De koorts, +welke zijn lichaam verteerde, vermeerderde het ongeduld en den +angst van zijne ziel, en zijn sterfbed vertoonde eene vermenging +van het pas ontwaakte gevoel van wroeging, worstelende met de vaste +en ingekankerde hardvochtigheid van zijn gemoed;--een schrikbarende +toestand der ziel, die slechts met dien te vergelijken is, welke in +die verschrikkelijke plaats heerscht, waar klachten zullen zijn zonder +hoop, wroeging zonder berouw, een wanhopige angst met een voorgevoel, +dat die nooit zal ophouden of verminderen! + +"Waar blijven nu de honden van priesters," steunde de lijder, "die +hunne geestelijke vertooningen op zulk een hoogen prijs stellen?--Waar +zijn al die Karmeliter-monniken, voor wie de oude Front-de-Boeuf +het klooster van St. Anne stichtte, terwijl hij zijn erfgenaam van +menige schoone weide en menigen vetten akker beroofde;--waar zijn die +gierige honden nu?--Zij zitten zeker bij de wijnkruik, of vertoonen +hun goochelkunsten bij het bed van den een of anderen ellendigen +boer!--Mij, den erfgenaam van den stichter van hun klooster,--mij, +voor wien zij verplicht zijn te bidden,--mij,--ondankbare schurken, +die zij zijn!--mij laten zij sterven als den ellendigen hond op straat, +zonder biecht en aflaat!--Laat den Tempelier hier komen;--hij is een +priester, en kan mij misschien helpen.--Maar neen!--even goed kan +ik bij den duivel biechten, als bij Brian de Bois-Guilbert, die aan +hemel noch hel gelooft.--Ik heb oude lieden van bidden met eigen mond +hooren spreken, die behoeven den valschen priester niet te vleien en +om te koopen.--Maar ik,--ik durf niet!" + +"Leeft Reginald Front-de-Boeuf," vroeg eene bevende, krassende stem, +dicht naast zijn bed, "om te zeggen, dat er iets is, hetwelk hij niet +durft doen?" + +Het kwade geweten en de geschokte zenuwen van Front-de-Boeuf deden +hem in deze zonderlinge vraag de stem hooren van een dier booze +geesten, welke, volgens het toen heerschende bijgeloof, de bedden der +stervenden omringden, om hunne gedachten af te leiden en het nadenken +over hun eeuwig heil te beletten. Hij schrikte en kromp ineen; maar +oogenblikkelijk zijne gewone stoutheid terugroepende, riep hij uit: +"Wie zijt gij?--Wat zijt gij, die het waagt, om mijne woorden te +herhalen; met een stem gelijk aan die van de krassende raaf? Kom voor +mijn bed staan, opdat ik u zien kan." + +"Ik ben uw booze engel, Reginald Front-de-Boeuf!" hernam de stem. + +"Vertoon u dan aan mij in lichamelijke gedaante, zoo gij inderdaad +een booze geest zijt," hervatte de ridder; "denk niet mij te +verschrikken!--Bij het eeuwige vuur! zoo ik slechts kampen kon met de +verschrikkelijkheden, welke mij nu omgeven, zooals ik met menschelijke +gevaren geworsteld heb, dan zou hemel noch hel zeggen, dat ik voor +den strijd beefde!" + +"Denk aan uwe zonden, Reginald Front-de-Boeuf,--aan oproer, roof en +moord!--Wie stookte den losbandigen Prins Jan op tot den oorlog tegen +zijn grijzen vader en thans tegen zijn grootmoedigen broeder?" vroeg +dezelfde grafstem. + +"Booze geest, priester of duivel, wie gij ook zijn moogt," +hernam Front-de-Boeuf, "gij liegt!--Niet ik spoorde Jan tot oproer +aan,--niet ik alleen,--er waren vijftig ridders en baronnen, de bloem +der binnenlandsche graafschappen; geen dapperder mannen voerden +ooit de lans.--En moet ik alleen de zonde, door vijftig gepleegd, +verantwoorden?--Valsche geest, ik trotseer u! Weg en verontrust niet +langer mijne legerstede;--laat mij in vrede sterven, zoo gij een +sterveling zijt,--en zijt gij een duivel, dan komt gij te vroeg!" + +"In rust zult gij niet sterven," hervatte de stem; "zelfs in den +dood zult gij aan uwe moorddaden denken;--aan de zuchten, waarvan +dit kasteel weergalmd heeft;--aan het bloed, dat over den drempel +stroomde!" + +"Gij kunt mij niet door verachtelijke boosaardigheid bevreesd maken," +antwoordde Front-de-Boeuf rillend, doch met een gedwongen lach. "De +ongeloovige Jood,--het was een verdienstelijke daad in het oog +des hemels, hem te behandelen, zooals ik gedaan heb; waarom worden +anders menschen heilig gesproken, die hun handen in het bloed van +Saracenen gedompeld hebben? De Saksische zwijnen, die ik geslacht heb, +zij waren de vijanden van mijn vaderland, van mijn stam en van mijn +leenheer.--Ho! ho! gij ziet, er is geen scheur in mijn harnas.--Zijt +gij gebannen?--Zijt gij tot stilte gebracht?" + +"Neen, schandelijke vadermoorder!" hervatte de stem, "denk aan uw +vader!--denk aan de feestzaal, stroomende van zijn bloed, door de +hand eens zoons vergoten!" + +"Ha!" antwoordde de baron, na eene lange poos, "als gij dit weet, dan +zijt gij wezenlijk de booze geest, en even alwetend als de monniken +zeggen! Dit geheim meende ik opgesloten in mijne eigene borst, en in +die van nog één wezen, de verleidster tot, en de deelgenoote van mijne +misdaad! Ga, verlaat mij, Satan! en zoek de Saksische heks Ulrica, +die u alleen zeggen kon, wat niemand dan zij en ik gezien hebben.--Ga, +zeg ik, tot haar, die de wonden afwiesch, en het lichaam uitstrekte, +en den doode het voorkomen gaf van iemand, die op zijn tijd een +natuurlijken dood gestorven was.--Ga tot haar!--Zij verleidde mij, +hitste mij schandelijk aan, en schonk mij voor de daad een nog +schandelijker loon;--laat haar, evenals ik, de kwellingen smaken, +die een voorgevoel van de hel geven!" + +"Zij smaakt die reeds," antwoordde Ulrica, voor het bed van +Front-de-Boeuf tredende; "zij heeft lang uit dezen beker gedronken, +en de bitterheid er van wordt verzoet door de zekerheid, dat die +ook aan uw lippen niet vreemd is gebleven.--Knars niet met de tanden, +Front-de-Boeuf, rol niet met de oogen;--bal uw vuist niet, en dreig mij +niet meer!--De hand, welke eens, gelijk die van uw beroemden stamvader, +wiens naam gij draagt, met één slag den kop van den wilden stier kon +verpletteren, is nu ontzenuwd en machteloos, gelijk de mijne!" + +"Afgrijselijke moordenares!" hernam Front-de-Boeuf, "afschuwelijk +wezen! gij zijt het dus, die gekomen zijt, om over de rampen te +spotten, welke gij bewerkt hebt?" + +"Ja, Reginald Front-de-Boeuf," antwoordde zij, "het is Ulrica!--het is +de dochter van den vermoorden Torquil Wolfganger!--het is de zuster +van zijne gewurgde zonen!--zij is het, die van u en uws vaders stam, +en bloedverwanten, naam en faam terugvraagt,--wat zij door het +geslacht van Front-de-Boeuf verloren heeft! Denk aan het onrecht, +dat ik geleden heb, Front-de-Boeuf! en zeg of ik niet de waarheid +spreek? Gij zijt mijn booze engel geweest, en ik wil de uwe zijn;--ik +zal u kwellen tot gij den laatsten adem uitblaast!" + +"Afschuwelijke furie!" hernam Front-de-Boeuf, "van dat oogenblik +zult gij nooit getuige zijn.--Ho, Gilles, Clement en Eustace! Saint +Maur! Steven! grijpt deze vervloekte heks, en werpt haar hals over +kop van de wallen;--zij heeft ons aan den Sakser verraden!--Ho, +Saint Maur! Clement! schurken, waarom draalt gij?" + +"Roep maar, dappere ridder!" zei de oude, grijnzende; "roep uw +vazallen om u heen, veroordeel hen, die niet schielijk genoeg komen, +tot zweepslagen en gevangenis!--Maar weet, machtige heer!" vervolgde +zij, plotseling van toon veranderende, "zij zullen u nooit weder +antwoord, hulp of gehoorzaamheid bewijzen. Luister naar die vreeselijke +geluiden,"--want het gedruisch van de opnieuw begonnen bestorming +weergalmde thans van de muren des kasteels;--"dat krijgsgeschreeuw +verkondigt den val van uw huis!--Het met bloed opgemetseld gebouw +van Front-de-Boeuf's macht wordt geschokt in zijne grondvesten, en +juist door de vijanden, welke hij het meest verachtte!--De Sakser, +Reginald!--de verachte Sakser bestormt uwe vesting! Waarom blijft gij +als een lafhartige boer liggen, terwijl de Sakser uw sterk kasteel +bestormt?" + +"Helsche kwelling!" riep de gewonde ridder. "O! had ik slechts één +oogenblik de kracht, om mij naar het gevecht te sleepen, en te sterven, +zooals het mijn naam betaamt!" + +"Denk daaraan niet, dappere ridder!" hernam zij; "Gij zult den dood +van den krijgsman niet sterven, maar omkomen, gelijk de vos in zijn +hol, wanneer de boeren het kreupelhout in het rond in brand gestoken +hebben." + +"Vervloekte heks, gij liegt!" riep Front-de-Boeuf uit; "mijne +lieden houden zich dapper,--mijne muren zijn sterk en hoog,--mijne +wapenbroeders vreezen een geheel leger Saksers niet, al werden +zij door Hengist en Horsa zelven aangevoerd!--Het krijgsgeschreeuw +van den Tempelier en De Bracy en zijne makkers verheft zich boven +het gedruisch van het gevecht!--En bij mijn eer, wanneer wij een +vreugdevuur aansteken, om onze gelukkige verdediging te vieren, +zal het u en uw gebeente verslinden; en ik zal leven om te hooren, +dat gij uit het aardsche vuur in dat der hel zijt overgegaan, die +nooit een ergeren duivel dan gij zijt, heeft voortgebracht." + +"Blijf bij uw geloof," hernam Ulrica, "tot gij van het tegendeel +overtuigd zijt.--Maar neen!" zei zij, zich bedenkende, "gij zult +nu reeds het lot vernemen, waarvan al uwe macht, sterkte en moed, +niet in staat zijn u te redden, schoon het u door deze zwakke hand +is voorbereid.--Bespeurt gij den smeulenden en verstikkenden damp, +welke reeds in zwarte wolken in de kamer dringt?--Meendet gij, +dat het slechts de duisternis was, die uw stervend oog omhulde;--de +benauwdheid van uw belemmerde ademhaling? Neen Front-de-Boeuf, er is +daarvoor een andere reden.--Herinnert gij u den voorraad brandstoffen, +onder dit vertrek opeengestapeld?" + +"Vrouw!" riep hij wanhopig, "gij hebt ze toch niet in brand +gestoken?--Bij den hemel, gij hebt het gedaan, en het kasteel staat +in vlammen!" + +"De vlammen stijgen ten minste snel," antwoordde Ulrica met +verschrikkelijke bedaardheid, "en weldra zal er een teeken wapperen, +om de belegeraars te waarschuwen, dat zij met geweld aandringen op hen, +die ze willen uitblusschen.--Vaarwel! Front-de-Boeuf!--Mogen Nista, +Skogula en Zernebock, de Goden der oude Saksers,--duivels, zooals de +priesters hen nu noemen,--de plaats van troosters bekleeden bij uw +sterfbed, dat Ulrica thans verlaat!--Maar weet, zoo dit u troost kan +verschaffen, dat Ulrica naar dezelfde sombere oorden moet trekken, +waarheen gij gaat, daar zij de deelgenoote is uwer straf, zoowel als +die uwer misdaden.--En nu, vadermoorder, vaarwel voor altijd!--Moge +iedere steen van dit gewelf de gave der spraak bezitten, om u dezen +naam in het oor te gillen!" + +Met deze woorden verliet zij het vertrek en Front-de-Boeuf kon het +geknars van den zwaren sleutel hooren, terwijl zij de deur achter +zich sloot en grendelde, om dus de laatste kans van redding te +verijdelen. In zijn uitersten doodsangst riep hij zijn bedienden +en bondgenooten: "Steven en Saint Maur!--Clement en Gilles!--Ik +verbrand hier hulpeloos!--Helpt, helpt, stoute Bois-Guilbert, dappere +De Bracy,--het is Front-de-Boeuf, die roept!--Mogen alle vloeken, +die verraders verdienen, op uwe hoofden nederkomen! Laat gij mij op +deze ellendige wijze omkomen. Zij hooren mij niet;--zij kunnen mij +niet hooren;--mijne stem wordt niet gehoord in het gedruisch van den +strijd!--De rook wordt hoe langer hoe dikker;--het vuur heeft den vloer +bereikt. O, slechts een ademtocht van de hemelsche lucht, al moest ik +dien koopen met oogenblikkelijke vernietiging!" En in de dolzinnige +ijlhoofdigheid van zijne wanhoop, schreeuwde de rampzalige nu eens +met de vechtenden, dan weder braakte hij vervloekingen uit tegen zich +zelven, het menschdom en den Hemel zelven.--"De roode vlam gloeit +reeds door den zwarten rook heen!" riep hij uit; "de duivel trekt +tegen mij op onder de banier van zijn eigen element.--Booze geest, +wijk!--Ik ga niet met u zonder mijne makkers;--allen, allen behooren u, +deze bezetting,--dit kasteel!--Denkt gij, dat Front-de-Boeuf alleen wil +uitverkoren worden?--Neen,--de ongeloovige Tempelier;--de lichtzinnige +De Bracy;--Ulrica, die schandelijke, wulpsche moordenares;--de mannen, +die mij in mijne ondernemingen bijgestaan hebben;--de Saksische +honden en die vervloekte Joden, die mijne gevangenen zijn;--allen, +allen zullen mij vergezellen!--Een schooner gezelschap, dan ooit den +weg der onderwereld bewandelde!--Ha, ha, ha!" en hij lachte in zijn +waanzin, tot het gewelf er van weergalmde. "Wie lachte daar?" riep +hij op een anderen toon; want het geraas van den strijd belette niet, +dat de weerklank van zijn eigen vreeselijk gelach zijn oor trof.--"Wie +lachte daar?--Ulrica, waart gij het?--Spreek, heks, en ik vergeef +u;--want gij alleen, of de duivel zelf kondet in zulk een oogenblik +lachen. Wijk, wijk!" + + + + + +EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Nog eens den storm gewaagd, geliefde vrienden! + Nog eens, of anders vult de bres met lijken. + -- -- -- -- --En gij, braaf landvolk, + In Eng'land groot geworden, toon ons hier + De kracht van deeglijk voedsel, laat ons zweren, + Dat ge uw verpleging waardig zijt! + + Shakespeare's Koning Hendrik V. + + +Ofschoon Cedric niet veel vertrouwen stelde op Ulrica's belofte, +deelde hij die toch aan den Zwarten Ridder en Locksley mede. Het was +hun aangenaam eene vriendin in de plaats te hebben, die in geval van +nood hun het binnenkomen gemakkelijker kon maken; en zij waren het +met den Sakser volkomen eens, dat een bestorming, hoe ongunstig ook de +omstandigheden waren, gewaagd moest worden, als het eenige middel om de +gevangenen uit de handen van den wreeden Front-de-Boeuf te bevrijden. + +"Het koninklijke bloed van Alfred is in gevaar!" zei Cedric. + +"De eer eener edele Jonkvrouw wordt bedreigd!" zei de Zwarte Ridder. + +"En bij den heiligen Christophorus op mijn bandelier," riep de dappere +schutter, "indien er geen andere reden ware dan de redding van den +armen, getrouwen nar Wamba, dan zou ik mijn leven er aan wagen, +om te verhinderen, dat één haar van zijn hoofd gekrenkt zou worden." + +"Ik ook," zei de monnik. "Hoe mijn heeren! Ik hoop dat een nar,--ik +meen, ziet gij, mijn heeren, een nar, die van het gild is, en zijn +handwerk verstaat, en die een beker wijn even smakelijk en aangenaam +kan maken als een stuk spek;--ik zeg, broeders, zoolang ik een mis +kan lezen en een strijdbijl voeren, zal zulk een nar nooit gebrek +hebben aan een wijzen geestelijke, om in geval van nood voor hem te +bidden of te vechten." + +En hierop zwaaide hij zijn zwaren hellebaard om het hoofd, alsof het +een licht herderstafje geweest ware.-- + +"'t Is waar, heilige man," zei de Zwarte Ridder; "even waar alsof +St. Dunstan zelf het gezegd had!--En zou het nu niet goed zijn, dappere +Locksley, dat de edele Cedric de leiding van den aanval op zich nam?" + +"Ik niet," hernam Cedric; "ik ken de middelen niet om deze vestingen +der tirannij, die de Normandiërs in dit ongelukkig land hebben +gesticht, te veroveren of te verdedigen. Ik wil mede vechten in het +voorste gelid; maar mijn eerlijke buren weten wel, dat ik niet ervaren +ben in krijgstucht, noch in het aanvallen van sterkten." + +"Als het dus gesteld is met den edelen Cedric," zei Locksley, "ben ik +volkomen bereid om het bestuur der boogschutters op mij te nemen; en +ge moogt mij aan een mijner eigene boomen ophangen, als de verdedigers +hun hoofd over de muren steken zonder met even veel pijlen doorboord +te worden, als er kruidnagels in een kermisham zijn." + +"Goed zoo, dappere schutter!" zei de Zwarte Ridder, "en als men mij de +eer waardig keurt, om een bevel in den strijd te voeren, en er onder +deze dapperen, mannen gevonden worden, die bereid zijn om een echt +Engelschen ridder te volgen,--want zóó durf ik mij noemen,--dan ben +ik gereed, om den storm tegen deze muren aan te voeren, met zooveel +bekwaamheid als de ondervinding mij geleerd heeft." + +Toen de aanvoerders het bevel op deze wijze onderling verdeeld hadden, +begon men den eersten aanval, welks uitkomst de lezer reeds vernomen +heeft. + +Zoodra het buitenwerk ingenomen was, zond de Zwarte Ridder tijding +van dit gelukkig voorval aan Locksley, hem tevens verzoekende, zoo +nauwkeurig het kasteel te bewaken, dat de verdedigers hunne macht +niet konden vereenigen, om door een plotselingen uitval het verloren +buitenwerk te heroveren. Dit wilde de ridder vooral verhinderen, +omdat hij verzekerd was, dat de lieden, die hij aanvoerde, als +driftige en ongeoefende vrijwilligers, slecht gewapend en niet aan +krijgstucht gewoon, in een plotselingen aanval met groot nadeel +zouden vechten tegen de geoefende soldaten der Normandische ridders, +die goed voorzien waren met wapens zoowel voor de verdediging als +voor den aanval; en die volkomen vertrouwen stelden op de kracht, +die volmaakte krijgstucht en gedurige oefening verleenden in den +strijd tegen de ijverige en vurige belegeraars. + +Intusschen had de ridder een soort van schipbrug, of lang vlot laten +vervaardigen, waarmede hij over de gracht hoopte te komen in weerwil +van den tegenstand des vijands. Dit werk vorderde eenigen tijd, +welken de aanvoerders te minder verloren achtten, omdat Ulrica +hierdoor gelegenheid kreeg om haar plan, welk het ook zijn mocht, +ten hunnen voordeele uit te voeren. Toen het vlot echter gereed was, +zei de Zwarte Ridder: "Nu is hier geen tijd meer te verspillen; de +zon zinkt reeds in het westen,--en gewichtige redenen veroorloven +mij niet nog een enkelen dag bij u te blijven. Het zou bovendien een +wonder zijn indien ons geene ruiters uit York overvielen, als wij ons +voornemen niet met spoed volbrengen.--Een uwer ga dus bij Locksley, +en verzoeke hem een hagelbui van pijlen af te schieten op de andere +zijde van het kasteel, en voorwaarts te trekken, alsof hij voornemens +was een aanval te wagen; en gij, getrouwe Engelsche mannen, staat mij +bij, en houdt u gereed om het vlot dadelijk over de gracht te stooten, +zoodra de poort van onze zijde geopend wordt. Volgt mij stoutmoedig +over de gracht heen, en helpt mij gindsche valpoort in den hoofdmuur +van het kasteel open breken. Zij wien deze dienst niet toelacht, of +die te slecht gewapend zijn tot dezen strijd, moeten het buitenwerk +bezetten; trekt de boogpeezen tot aan uw ooren, en bestookt ieder, +die op het bolwerk durft verschijnen, met uw pijlen.--Edele Cedric, +wilt gij het bevel op u nemen over degenen, die achter blijven?" + +"Neen, bij de ziel van Hereward!" zei de Sakser. "Aanvoeren kan ik +niet; maar dat het nageslacht mij in mijn graf vervloeke, als ik niet +voorop ben, overal waar gij den weg wijst.--De twist gaat mij aan, +en het is mijne zaak, de eerste in het heetst van het gevecht te zijn." + +Maar, edele Sakser!" hernam de ridder, "gij hebt pantser noch +borstharnas;--niets dan een lichte helm, schild en zwaard." + +"Des te beter!" antwoordde Cedric; "Ik zal te gemakkelijker de wallen +beklimmen. Verschoon mijn snoeven, heer ridder! Heden zult gij de +naakte borst van een Sakser even onverschrokken aan het gevaar zien +blootgesteld, als ooit het stalen harnas van een Normandiër." + +"In Gods naam dan," zei de ridder; "werpt de poort open, en voorwaarts +met het vlot!" + +De poort, die toegang verschafte van den wal des buitenwerks naar de +gracht, en die met de poort in den hoofdmuur gemeenschap had, werd nu +plotseling geopend; de in haast vervaardigde brug werd al voorwaarts +geduwd, en plofte weldra in het water; zij strekte zich in lengte van +het buitenwerk tot aan het kasteel uit, en vormde zoo een glibberigen +en onveiligen weg, waarop twee mannen naast elkander over de gracht +konden gaan. Overtuigd van het belang dat zij er bij hadden om den +vijand te overrompelen, sprong de Zwarte Ridder, door Cedric gevolgd, +op de brug, en bereikte de overzijde. Hier begon hij met zijne bijl +tegen de poort van het kasteel te donderen, gedeeltelijk beschermd +tegen het schieten en de steenen, die de verdedigers van boven wierpen, +door de overblijfselen der vorige ophaalbrug, welke de Tempelier +bij zijn aftocht uit het buitenwerk had afgebroken, en waarvan het +trekwerk aan het bovenste gedeelte der poort was blijven zitten. Zij, +die den ridder volgden, waren niet zoo gedekt; twee er van werden +oogenblikkelijk met pijlen neêrgeschoten, en buitendien vielen er nog +twee in de gracht; de anderen trokken zich terug naar het buitenwerk. + +De toestand van Cedric en den Zwarten Ridder was nu werkelijk +gevaarlijk, en zou nog gevaarlijker geweest zijn, zonder den +standvastigen moed van de boogschutters in het buitenwerk, die +onophoudelijk hun pijlen op de wallen richtten, de aandacht dergenen, +die ze bezetten afleidden, en hun aanvoerders dus een verademing +verschaften tegen een hagelbui van pijlen, waarmede men hen anders +zou overstelpt hebben. Maar hun toestand werd van oogenblik tot +oogenblik wanhopiger. + +"Schaamt u!" schreeuwde De Bracy den soldaten toe, die hem omringden; +"Noemt gij u boogschutters, en gij laat deze beide honden hunne +plaats houden onder de wallen van het kasteel? Werpt de steenen van de +borstwering op hen neder, zoo het niet anders kan;--haalt houweelen +en koevoeten, en naar beneden met dien zwaren brok," op een groot +stuk steenen snijwerk wijzende, dat buiten de borstwering uitstak. + +Op dit oogenblik viel den belegeraars de roode vlag in het oog, +op den hoek van den toren, dien Ulrica Cedric had aangewezen. De +dappere Locksley was de eerste, die ze ontwaarde, toen hij naar het +buitenwerk ijlde, ongeduldig om den afloop van den aanval te zien. + +"St. George!" riep hij, "_St. George voor Engeland!_ valt aan, +dappere schutters! hoe! laat gij den braven ridder en den edelen +Cedric den toegang alleen bestormen?--Dring binnen, dolle priester, +toon dat gij voor uw rozenkrans vechten kunt.--Dringt binnen, brave +schutters!--het kasteel is het onze, wij hebben vrienden binnen de +wallen;--ziet gindsche vlag, het afgesproken teeken!--Torquilstone +is het onze!--weest uwe eer indachtig, denkt aan den buit!--nog één +oogenblik en wij zijn meester van de plaats!" + +Hierop spande hij zijn boog, en joeg een pijl door het hart van een der +gewapenden, die op De Bracy's bevel een stuk van den muur losmaakten, +om het Cedric en den Zwarten Ridder op het hoofd te storten. Een +tweede krijgsman nam den stervende den ijzeren koevoet uit de hand, +waarmede hij den steen had losgewerkt, maar op hetzelfde oogenblik +kreeg hij een pijl door zijn helm en stortte dood van den muur in +de gracht. De gewapenden werden verschrikt, want geen wapenrusting +scheen bestand tegen de pijlen van den geduchten schutter. + +"Wijkt gij, laffe schelmen?" schreeuwde De Bracy; "_Montjoye Saint +Dénis!_--Geeft mij den koevoet!" + +Hij nam het ijzer op, en lichtte opnieuw den losgemaakten brok, welke, +als die naar beneden geworpen werd, zwaar genoeg was, om niet slechts +de overblijfsels van de ophaalbrug, welke de beide voorste belegeraars +beschermden, te verpletteren, maar ook om het vlot, waarop ze over de +gracht gekomen waren, in den grond te boren. Allen begrepen het gevaar, +en de stoutsten, zelfs de moedige priester, waagden het niet den voet +op het vlot te zetten. Driemaal spande Locksley zijn boog tegen De +Bracy, en driemaal stuitte zijn pijl op des ridders wapenrusting af. + +"Dat verwenschte Spaansche stalen harnas!" zei Locksley. "Als een +Engelsche smid het gemaakt had, zouden deze pijlen er doorgedrongen +zijn als door zijde of taf." Hierop begon hij te roepen: "Terug, +kameraden! vrienden! edele Cedric! terug, en laat den steen vallen!" + +Zijn waarschuwing werd niet gehoord, want het geraas, dat de ridder +zelf maakte met zijn slagen op de poort, zou het geluid van twintig +krijgstrompetten verdoofd hebben. De getrouwe Gurth sprong werkelijk +voorwaarts op de met planken belegde brug, om Cedric te redden van het +lot, dat hem boven het hoofd ging, of om het met hem te deelen. Maar +zijne waarschuwing zou te laat gekomen zijn; de zware brok wankelde +reeds, en De Bracy zou zijn voornemen volbracht hebben, indien de +stem van den Tempelier hem niet in de ooren geklonken had. + +"Alles is verloren, De Bracy, het kasteel brandt!" + +"Gij raast!" hernam de ridder. + +"Het staat aan de westzijde in lichter laaie. Ik heb te vergeefs +getracht ze te blusschen!" + +Met onverschrokken koelbloedigheid, de hoofdtrek van zijn karakter, +deelde Brian De Bois-Guilbert dit ijselijke nieuws mede, dat niet +zoo kalm door zijn verbaasden strijdmakker werd aangehoord. + +"Alle heiligen uit het Paradijs!" riep De Bracy; "wat nu? Ik beloof +den heiligen Nicolaas van Limoges een kandelaar van zuiver goud---" + +"Spaar uwe gelofte," hernam de Tempelier, "en luister naar mij. Breng +uwe mannen naar beneden, alsof gij een uitval wildet doen. Er zijn +slechts twee mannen op het vlot, werpt hen in de gracht, en snel +er over heen naar het buitenwerk. Ik zal een uitval doen door de +hoofdpoort en het buitenwerk van den anderen kant bestormen; en als wij +dezen post herwinnen, kunnen wij ons verdedigen tot wij hulp krijgen, +of ten minste, tot men ons gunstige voorwaarden toestaat." + +"Goed bedacht," zei De Bracy; "ik zal mijne rol spelen.--Tempelier, +gij zult mij niet in den steek laten!" + +"Op mijn woord en riddereer, zal ik u bijstaan!" zei +Bois-Guilbert. "Maar in Gods naam, haast u!" + +IJlings verzamelde De Bracy zijne manschappen en vloog naar de poort, +die hij oogenblikkelijk liet openen. Maar nauwelijks was dit geschied +of de Zwarte Ridder drong met een onweerstaanbare kracht binnen, in +weerwil van De Bracy en zijn volgelingen. Twee der voorsten vielen +oogenblikkelijk, en de overigen weken, niettegenstaande hun aanvoerder +zich alle moeite gaf om hen tot staan te brengen. + +"Honden!" riep De Bracy, "zult gij u door twee mannen den eenigen +weg ter redding laten afsnijden?" + +"Het is de duivel!" riep een veteraan, voor de slagen van den Zwarten +Ridder wijkende. + +"En al is het de duivel," hernam De Bracy, "wilt gij van hem weg in +de hel vluchten?--Het kasteel brandt achter ons, lafaards!--laat de +wanhoop u moed geven, of laat mij vooruit, ik zelf zal het met dezen +vijand opnemen." + +Ridderlijk handhaafde De Bracy op dien dag den roem, dien hij in de +burgeroorlogen dezer gevaarvolle tijden verworven had. De gewelfde +gang, waarheen de sluippoort leidde, en waarin deze beide geduchte +kampvechters nu man tegen man streden, weêrgalmde van de geweldige +slagen, die ze elkander toebrachten, De Bracy met zijn zwaard en de +Zwarte Ridder met zijn zware bijl. Eindelijk kreeg de Normandiër +een slag, die, ofschoon het geweld er van gedeeltelijk door zijn +schild werd afgeweerd, want anders zou De Bracy nimmer weder een lid +verroerd hebben, zoo hevig zijn helm trof, dat hij lang uit op de +aarde nederstortte. + +"Geef u over, De Bracy," zei de Zwarte Ridder, terwijl hij zich +over hem heenbukte en den noodlottigen dolk, waarmede de ridders hun +vijanden afmaakten en welken men den genadedolk heette, op het vizier +van zijn helm zette, "geef u over, Maurice De Bracy, op genade of +ongenade, of gij zijt des doods!" + +"Ik geef mij aan geen onbekenden overwinnaar over," zei De Bracy met +zwakke stem. "Zeg mij uw naam, of doe met mij wat gij wilt;--men zal +nimmer kunnen zeggen, dat De Bracy zich overgaf aan een naamloozen +landlooper!" + +De Zwarte Ridder fluisterde den overwonnene iets in het oor. + +"Ik geef mij over als uw gevangene, op genade of ongenade," antwoordde +de Normandiër, wiens vastberadene hardnekkigheid plotseling in de +volmaaktste maar ongewilligste onderwerping veranderd was. + +"Ga naar het bruggenhoofd," zei de overwinnaar op gebiedenden toon, +"om daar mijn verdere bevelen af te wachten." + +"Vergun mij u eerst iets te zeggen," hernam De Bracy, "waarbij gij +belang hebt:--Wilfrid van Ivanhoe is gewond en gevangen in dit kasteel, +en zonder oogenblikkelijke hulp komt hij in de vlammen om." + +"Wilfrid van Ivanhoe!" riep de Zwarte Ridder uit; "gevangen en in +gevaar van om te komen!--iedereen in het kasteel zal er met zijn +leven verantwoordelijk voor zijn, als er een haar op zijn hoofd +gezengd wordt.--Wijs mij zijn kamer!" + +"Klim gindsche wenteltrap op,--die voert u naar zijn vertrek.--Wilt +ge mijn geleide aannemen?" + +"Neen; naar het bruggenhoofd, en wacht daar op mijne bevelen. Ik +vertrouw u niet, De Bracy." + +Gedurende dit gevecht en het korte gesprek, dat er op volgde, +drong Cedric aan het hoofd van een bende, waaronder de monnik zich +onderscheidde, over de brug zoodra hij de sluippoort open zag, en dreef +de ontmoedigde en hopelooze volgelingen van De Bracy terug, van welken +sommigen genade smeekten, anderen een vruchteloozen tegenstand boden, +en de meesten naar het binnenplein vluchtten. De Bracy zelf stond +op en wierp zijn overwinnaar een bedroefden blik achterna. "Hij +vertrouwt mij niet," herhaalde hij; "maar heb ik zijn vertrouwen +verdiend?" Hij nam zijn zwaard van den grond, zette zijn helm af, +als teeken van onderwerping, en, naar het bruggenhoofd gaande, gaf +hij zijn zwaard over aan Locksley, dien hij daar ontmoette. + +Zoodra de brand de overhand verkreeg, ontwaarde men er ook teekenen +van in de kamer, waar Ivanhoe door de Jodin Rebekka opgepast en +verpleegd werd. Hij werd uit zijne korte sluimering gewekt door +het geraas van den slag, en zijne bewaakster, die zich op zijn +dringende bede weder aan het venster geplaatst had om den loop van +den aanval te bespieden en te beschrijven, werd gedurende eenigen +tijd verhinderd in haar waarnemingen door een steeds toenemenden, +verstikkenden damp. Eindelijk werden ze opmerkzaam gemaakt op het +klimmende gevaar door de rookwolken, die in de kamer rolden,--door +het geschreeuw om water, dat men boven het krijgsrumoer uit kon hooren. + +"Het kasteel staat in brand!" zei Rebekka; "het staat in vlammen!--Hoe +redden wij ons?" + +"Vlucht, Rebekka, en red uw eigen leven," zei Ivanhoe, "want geene +menschelijke hulp kan mij van dienst zijn." + +"Ik wil niet vluchten," zei Rebekka, "wij zullen te zamen omkomen of +gered worden.--En echter, groote God! Mijn vader, mijn vader,--wat +zal zijn lot zijn!" + +Op dit oogenblik vloog de deur van het vertrek open, en de Tempelier +vertoonde zich;--het was een verschrikkelijke verschijning, want +zijn vergulde wapenrusting was gedeukt en bebloed, en de pluim van +zijn helm was gedeeltelijk afgerukt, gedeeltelijk verbrand. "Ik heb +u gevonden," zei hij tot Rebekka; "ge zult ondervinden, dat ik woord +houd, en lief en leed met u wil deelen.--Er is slechts één weg ter +redding over, door honderderlei gevaren heb ik mij een weg gebaand, +om u dien aan te wijzen. Volg mij oogenblikkelijk!" [28] + +"Alleen," antwoordde Rebekka, "zal ik u niet volgen. Indien gij uit +eene vrouw geboren zijt,--indien gij slechts één vonkje menschelijkheid +bezit;--indien uw hart niet zoo hard is als uw borstharnas,--red mijn +ouden vader,--red dezen gewonden ridder!" + +"Een ridder," antwoordde de Tempelier, met de hem eigene +koelbloedigheid, "een ridder, Rebekka, moet den dood in de oogen zien; +hetzij hij hem in den strijd, of in het vuur ontmoet,--en wie bekommert +zich om het lot van een Jood?" + +"Woeste krijgsman," zei Rebekka, "liever wil ik in de vlammen omkomen, +dan mijn behoud aan u te danken hebben!" + +"Gij zult geene keus hebben, Rebekka;--éénmaal hebt gij mij +teleurgesteld; maar geen sterveling heeft zulks ooit ten tweedenmaal +gedaan." + +Dit zeggende, greep hij de verschrikte maagd, die het kasteel met haar +gegil vervulde, en droeg haar uit de kamer, in weerwil van haar angst, +en zonder te letten op de bedreigingen, en de uitdaging, die Ivanhoe +hem achterna bulderde. + +"Hond van een Tempelier,--schandvlek uwer orde!--stel het meisje in +vrijheid! Verraderlijke Bois-Guilbert, Ivanhoe beveelt het u!--Schurk, +ik zal u het hart met mijn staal doorboren!" + +"Ik zou u niet gevonden hebben, Wilfrid," riep de Zwarte Ridder, die op +dit oogenblik binnentrad, "indien gij niet zoo hard geschreeuwd hadt." + +"Als gij een echte ridder zijt," hernam Wilfrid, "denk dan niet aan +mij;--vervolg gindschen roover,--red Jonkvrouw Rowena;--zoek naar +den edelen Cedric!" + +"Ieder zijne beurt," antwoordde de ridder; "maar eerst is de beurt +aan u!" + +Hij nam Ivanhoe op, en droeg hem even gemakkelijk weg als de Tempelier +Rebekka had gedragen; vloog door de poort, en nadat hij hier zijn +last aan de zorg van twee schutters had toevertrouwd, ging hij weder +in het kasteel om de andere gevangenen te helpen verlossen. + +Een der torens stond nu in lichter laaie, die met geweld uit de +vensters en schietgaten sloegen; maar op andere plaatsen weerstonden +die dikke muren en gewelfde daken de macht van het vuur, en hier +heerschte nog de woede der menschen, terwijl elders het nauwelijks +verschrikkelijker element meester was; Want de belegeraars vervolgden +de verdedigers van het kasteel van kamer tot kamer, en stilden in +hun bloed de wraak, die hen al lang tegen de krijgslieden van den +wreeden Front-de-Boeuf bezield had. Het grootste gedeelte van de +bezetting verdedigde zich tot het uiterste, eenige weinigen vroegen +om genade, die echter niemand verkreeg. Het gesteun der gekwetsten en +het gekletter der wapenen vervulde de lucht;--de grond was glibberig +van het bloed van wanhopige en stervende menschen. + +Midden door dit tooneel van verwarring drong Cedric, om Rowena te +zoeken, terwijl de getrouwe Gurth, die hem van nabij door het gedrang +volgde, zijne eigene veiligheid verwaarloosde, om de slagen af te +weren, die tegen zijn meester gericht werden. De edele Sakser was +gelukkig genoeg het vertrek zijner pupil te bereiken, toen ze reeds +alle hoop op redding had opgegeven, en in doodsbenauwdheid een crucifix +op haar hart drukkende, een oogenblikkelijken dood verwachtte. Hij +gaf haar aan Gurth over, die haar in veiligheid naar het bruggenhoofd +zou geleiden, werwaarts de weg nu van vijanden gezuiverd, en nog niet +door de vlammen afgesneden was. Toen dit volbracht was, haastte de +getrouwe Cedric zich om zijn vriend Athelstane te zoeken, vast besloten +om den laatsten telg van den Saksischen koninklijken stam te redden, +aan welk gevaar hij zichzelven ook zou moeten blootstellen. Maar eer +Cedric tot aan de oude zaal, waar hij zelf gevangen was geweest, +doordrong, had de vindingrijke geest van Wamba zichzelven en zijn +lotgenoot de vrijheid weder verschaft. + +Toen het geraas aankondigde dat de slag op het heetst was, begon de nar +te schreeuwen, zoo hard hij kon: "St. George en de draak!--St. George +met het schoone Engeland!--Het kasteel is overwonnen!" En dit +geschreeuw maakte hij nog schrikbarender, door eenige verroeste wapens, +die in de zaal verspreid lagen, tegen elkander te slaan. + +Eenige wachters, in het buiten- of voorvertrek geplaatst, en die te +voren reeds door den angst overvallen waren, werden nu verschrikt +door Wamba's geschreeuw, en de deur open latende, liepen ze naar den +Tempelier om hem te vertellen, dat de vijanden tot in de oude zaal +doorgedrongen waren. In dien tusschentijd vonden de gevangenen er +geen zwarigheid in, om in de voorkamer te ontsnappen, en vandaar +op de plaats van het kasteel te komen, het laatste tooneel van +het gevecht. Hier zat de trotsche Tempelier te paard, omringd door +verscheidene van de bezetting, zoowel te voet als te paard, die hun +krachten met die van dezen beroemden aanvoerder vereenigd hadden, +om de laatste kans op behoud te wagen en den eenigen weg, die hun +tot den aftocht overbleef, meester te blijven. De ophaalbrug was +op zijn bevel nedergelaten, maar de doorgang was bezet, want de +boogschutters, die tot dusver het kasteel slechts van die zijde met +hunne pijlen bestookt hadden, zagen nauwelijks de vlammen uitbarsten +en de ophaalbrug neêrlaten, of zij drongen naar den ingang, zoowel om +het garnizoen het ontkomen te beletten, als om zich van hun deel van +den buit te verzekeren, eer het kasteel afbrandde. Van den anderen +kant waren zij, die door de sluippoort waren binnen gekomen, nu tot +op het plein doorgedrongen, en vielen woedend op het overschot der +verdedigers aan, die dus van weêrskanten tegelijk bestormd werden. + +Door wanhoop bezield en door het voorbeeld van hun onwrikbaren +aanvoerder aangespoord, vochten de overgeblevene krijgslieden van +het kasteel met den uitersten moed, en daar ze goed gewapend waren, +gelukte het hun meer dan eens de aanvallers terug te drijven, +ofschoon ze veel geringer in aantal waren. Rebekka, vóór een van +des Tempeliers Saraceensche slaven op het paard geplaatst, was in +het midden der kleine bende,--en niettegenstaande de verwarring der +bloedige schermutseling, droeg Bois-Guilbert alle mogelijke zorg +voor hare veiligheid. Hij was bestendig aan hare zijde,--en terwijl +hij verzuimde zichzelven te verdedigen, beschermde hij haar met zijn +driehoekig stalen schild; dan, plotseling van haar zijde vliegende, +liet hij zijn veldgeschreeuw hooren, drong voorwaarts, sloeg den +voorsten zijner aanvallers ter aarde, en was oogenblikkelijk weder +naast haar paard. + +Athelstane, die, zooals de lezer weet, traag maar niet lafhartig +was, zag de vrouwelijke gedaante, welke de Tempelier zoo zorgvuldig +verdedigde, en twijfelde er niet aan, dat het Rowena was, die de +ridder schaakte, in weerwil van allen tegenstand, dien men hem bood. + +"Bij de ziel van den heiligen Eduard!" riep hij, "ik wil haar uit +de macht van gindschen overmoedigen ridder redden, en door mijn hand +zal hij sterven!" + +"Bedenk wat gij doet," zei Wamba; "de haastige hand vangt een +kikvorsch in plaats van een visch.--Bij mijn zotskap, die dame +ginds is Jonkvrouw Rowena niet,--zie maar naar haar lange, zwarte +lokken!--Maar, als gij geen zwart van wit onderscheiden wilt, moogt +gij aanvoerder zijn, zoo gij verkiest; maar ik zal u niet volgen;--ik +laat mijn beenderen niet breken, of ik moet weten voor wien.--En gij +ook zonder wapenrusting!--Bedenk toch, een zijden muts staat nooit +voor een stalen kling.--Nu, wie van zelf in het water loopt, die moet +ook gaarne verdrinken.--_Deus vobiscum_, dappere Athelstane!" riep +hij uit, terwijl hij des Saksers wambuis losliet, waarbij hij hem +tot dusver vastgehouden had. + +Een strijdbijl van den grond op te nemen, die naast een man lag, +wiens stervende hand ze juist had laten vallen,--op des Tempeliers +bende aan te vallen, met de grootste snelheid rechts en links slagen +uit te deelen, en bij iederen slag een vijand ter neder te vellen, was +voor Athelstane's groote kracht, thans door ongewone woede bezield, +slechts het werk van één oogenblik, en hij was weldra op eenige +schreden afstands van Bois-Guilbert, dien hij met luide stem uitdaagde. + +"Hierheen, valsche Tempelier!--Laat haar los, die gij niet waardig +zijt aan te raken;--hierheen, gij waardig lid eener bende roovers +en huichelaars!" + +"Hond!" riep de Tempelier, de tanden knarsende, "ik zal u leeren, de +heilige orde van den Tempel van Sion te lasteren!" en met deze woorden, +zijn steigerend paard wendende, ging hij op Athelstane los, en zich +in de stijgbeugels verheffende, om met zooveel geweld mogelijk neer +te komen, bracht hij Athelstane een geweldigen slag op het hoofd toe. + +Te recht had Wamba gezegd, dat eene zijden muts geen stalen kling kon +weêrstaan. Zoo scherp was des Tempeliers zwaard, dat het de met ijzer +beslagen greep van de knots, welke de ongelukkige Sakser zwaaide, +om den slag af te wenden, als een wilgen tak doorkliefde, en op zijn +hoofd neêrkomende, hem ter aarde deed storten. + +"_Hah! Beauséant!_" riep Bois-Guilbert. "Zoo ga het alle tegenstanders +der Tempelieren!" En toen gebruik makende van den schrik, welken +Athelstane's val veroorzaakt had, riep hij luid: "Dat zij, die +zich redden willen, mij volgen!" Zoo drong hij over de ophaalbrug, +de boogschutters uiteenjagende, welke hem tegenhouden wilden. Hij +werd gevolgd door zijne Saracenen en een zestal krijgslieden, +die hun paarden bestegen hadden. Des Tempeliers terugtocht werd +gevaarlijk gemaakt door de menigte pijlen, welke op hem en zijn +lieden afgeschoten werden, maar dit belette hem niet, om naar het +bruggenhoofd te rennen, waarvan hij, volgens hun vroeger plan, De +Bracy meester hoopte te vinden. + +"De Bracy! De Bracy!" schreeuwde hij, "Zijt gij daar?" + +"Ik ben hier," hernam De Bracy; "maar ik ben gevangen." + +"Kan ik u verlossen?" riep Bois-Guilbert. + +"Neen," hervatte De Bracy; "ik heb mij op genade of ongenade +overgegeven, en ik zal woord houden. Red u;--er broeit onheil;--maak +dat de zee tusschen u en Engeland ligt.--Meer durf ik niet zeggen!" + +"Goed," antwoordde de Tempelier; "zoo gij hier wilt blijven, dan +bedenk, dat ik aan mijn woord en riddereer getrouw ben gebleven. Wat +er ook voor onheil dreige, mij dunkt, dat de muren van Templestowe +eene veilige schuilplaats zullen zijn; en daarheen zal ik als een +vogel naar zijn nest vluchten." + +Met deze woorden, reed hij met de zijnen weg. + +De lieden uit het kasteel, welke niet te paard waren, zetten den +strijd nog met de belegeraars wanhopig voort, na het vertrek van den +Tempelier, maar meer omdat zij geen genade verwachten konden, dan wel +uit hoop om zich te redden. Het vuur verspreidde zich snel door het +kasteel, toen Ulrica, die het ontstoken had, op een torentje verscheen, +volkomen gelijk aan eene furie der ouden, en een krijgszang aanhief, +zooals eertijds de _Skalden_ bij de nog heidensche Saksers op het +slagveld gewoon waren te zingen. Haar lang, loshangend grijs haar +viel van haar onbedekt hoofd neder; de woeste vreugde van verzadigde +wraak schitterde uit haar oogen met het vuur der zinneloosheid, +en zij zwaaide het spinrokken, hetwelk zij in de hand hield, alsof +zij eene der noodlottige zusters geweest ware, die den draad van des +menschen leven spinnen en afsnijden. De overlevering heeft eenige +ruwe strophen van het barbaarsch gezang bewaard, dat zij onder dat +tooneel van brand en slachting met woeste stem uitgilde. + + + 1 + + Wet nu het glinst'rend staal, + Zoon van den schitterenden draak! + Ontsteek nu de fakkel, + Gij dochter van Hengist! + Niet voor het vreugdemaal glinstert het staal; + Hard is het, breed en verschriklijk gepunt. + Niet naar de bruidskamer gaat nu het toortslicht; + 't Schittert en flikkert, van zwaveldamp blauw. + Wet dan het staal;--ha, hoe krassen de raven! + Ontsteek dan het fakkellicht; Zernebock huilt! + Wet dan het staal, o gij zoon van den draak! + Ontsteek dan het fakkellicht, dochter van Hengist! + + 2 + + --Zwart hangt de wolk op des Heeren kasteel; + De adelaar schreeuwt er; hij rijdt er op trotsch.-- + Schreeuw niet, gij grijze berijder der wolken,-- + Bereid is uw gastmaal! + Walhalla, uw maagden zien neêr,-- + De stamme van Hengist zendt gasten. + Schud uw donkere lokken, gij maagd van Walhalla; + Roer uw trommels van vreugde! + Menige stap richt zich straks naar uw wallen, + Menig gehelmde kruin! + + 3 + + De avond rust donker op des edelen kasteel, + Dáár pakken de duistere wolken zich samen; + Ras zijn zij rood als het bloed van de dapp'ren! + De woudenvernieler schudt herwaarts zijn helmbosch; + Hij, de vernieler der trotsche paleizen, + En zwaait met zijn somb're banier, + Bloedrood, en duister, en wijd, + Over den strijd van de dapp'ren. + Hem verheugt gekletter der zwaarden, het breken der schilden, + 't Drinken van 't kokende bloed, dat spat uit de wonden + der strijders. + + 4 + + Allen vergaan! + 't Zwaard klieft den helm; + De lansen doorboren en harnas en schilden, + Vlammen verteren de woning der vorsten, + Stormrammen breken de borstwering af. + Allen vergaan! + Hengist, uw stam is daarheen-- + Horsa, uw naam is niet meer!-- + + 5 + + Siddert dan niet voor het graf, o gij zonen van 't zwaard! + Laten uw zwaarden den bloedstroom nu zwelgen als wijn! + Vergast u aan 't feestmaal der slachting, + Bij 't licht van de brandende hallen! + Sterk zij uw zwaard, nu u 't bloed nog ontvlamd is; + Spaart niets uit deernis, spaart niets uit vrees; + Dit is het oogenblik der wrake gegund, + Want ook het vuur van den haat zal vergaan-- + Ook mij wacht de dood! [29] + + +De zich hoe langer hoe sterker verheffende vlammen waren nu alle +hinderpalen te boven gekomen en stegen naar de wolken op als één +ontzaglijke vuurkolom, welke men wijd en zijd kon zien. Toren op +toren stortte in, met brandende daken en balken, en de strijders +werden van de plaats verjaagd. De overwonnenen, van wie er maar +zeer weinigen overbleven, verstrooiden zich en ontsnapten in het +nabijgelegen woud. De overwinnaars, zich in groote benden verzamelende, +staarden met verbazing en niet zonder vrees, op de vlammen, waarin +hun eigene rijen en wapenen donkerrood glinsterden. De gedaante van +de waanzinnige Ulrica was lang zichtbaar op de hooge standplaats, +die zij uitgekozen had, en zij strekte de armen met woeste drift uit, +alsof zij de leidster van den door haar ontstoken brand ware. Eindelijk +stortte met een verschrikkelijk gekraak de geheele toren in, en zij +kwam in dezelfde vlammen om, die haar tiran verteerd hadden. Een +oogenblik van vreeselijke ijzing deed de gewapende aanschouwers +verstommen, die gedurende eenige minuten geen vinger verroerden anders +dan om zich te kruisen. Het eerst liet Locksley zijn stem hooren: +"Verheugt u, schutters! het nest der tirannen is uitgeroeid! Laat +ieder zijn buit naar onze verzamelplaats bij den grooten eik in de +Harthill-laan brengen; want daar zullen wij bij het aanbreken van den +dag een billijke verdeeling maken tusschen onze eigene bende en onze +waardige bondgenooten in deze groote daad van vergelding!" + + + + + +TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Geloof mij, iedere staat heeft behoefte aan wetten; + De rijken hebben hun edicten, steden + Haar charters; zelfs bandieten in hun wouden + Bewaren nog een zweem van burgertucht; + Want sedert Adam 't groene voorschoot droeg + Zag men den mensch maatschappelijk vereenigd, + En steeds dien band door wet en recht versterken. + + Oud Tooneelstuk. + + +Door de lanen van het eikenwoud schemerde het daglicht. De groene +takken glinsterden met de paarlen van den dauw. De hinde geleidde +haar jong uit de schuilplaats van hoog varenkruid naar de meer opene +plekken van het groene bosch, en er was geen jager dáár, om het +statige hert, aan het hoofd van zijne gehoornde kudde op te wachten, +of af te snijden. + +De vogelvrijverklaarden waren allen vergaderd om den grooten +gerechtseik in de Harthill-laan, waar zij den nacht hadden +doorgebracht, met zich van de vermoeienissen van het beleg te +herstellen, eenigen door wijn, anderen door slaap, velen door de +gebeurtenissen van den strijd aan te hooren of te verhalen, terwijl +zij den buit berekenden, welken hun overwinning ter beschikking van +hun opperhoofd gesteld had. Deze buit was inderdaad aanzienlijk, +want ofschoon veel door het vuur vernield werd, zoo was er toch een +groote menigte zilverwerk, rijke wapenrustingen en prachtige kleederen +door de onverschrokken roovers gered, die door geen gevaar konden +afgeschrikt worden, als zij zulke belooningen te wachten hadden. Zoo +streng waren echter de wetten hunner vereeniging, dat niemand het +waagde zich slechts het geringste gedeelte van den buit toe te +eigenen, welke men op eene algemeene verzamelplaats gebracht had, +om ter beschikking van hun aanvoerder te blijven. + +De vergaderplaats was bij een ouden eik; niet dezelfde, waarheen +Locksley vroeger Gurth en Wamba gevoerd had, maar een andere, welke +het middelpunt was van een boomvrijen kring, een halve mijl van het +vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd. Hier nam Locksley zijn +plaats in, op een troon van zoden, opgericht onder de overhangende +takken van den ontzaglijken eik, en zijne onderdanen van het bosch +stonden in het rond. Hij wees den Zwarten Ridder eene plaats aan zijn +rechter en Cedric eene aan zijne linkerhand aan. + +"Vergeeft mijne vrijheid, edele heeren," zei hij; "maar in +deze bosschen ben ik koning;--het is mijn rijk, en deze, mijne +woeste onderdanen, zouden weinig ontzag voor mijne macht hebben, +als ik mijne plaats aan een anderen sterveling, wien het ook zij, +afstond.--Nu, heeren, wie heeft onzen kapelaan gezien? Waar is onze +dappere monnik? Een mis is onder Christenen het beste begin van het +dagwerk."--Niemand had den kluizenaar van Copmanshurst gezien. + +"Waarlijk," vervolgde de roover-kapitein, "ik hoop, dat het niets +anders is, dan dat de vroolijke priester een weinig te lang bij +de wijnflesch gezeten heeft. Wie heeft hem na de inneming van het +kasteel gezien?" + +"Ik heb hem gezien," zeide Mulder, "bezig met eene kelderdeur open +te breken, bij alle heiligen uit den almanak zwerende, dat hij +Front-de-Boeuf's Gasconjer-wijn eens proeven wilde." + +"Nu, dan mogen alle heiligen verhinderd hebben," zei de aanvoerder, +"dat hij te diep in het glas gezien heeft, en, bij den val van +het kasteel is omgekomen!--Ga, Mulder!--Neem mannen genoeg met u, +doorzoek de plaats waar gij hem het laatst gezien hebt;--werp water +uit de gracht over de brandende puinhoopen. Ik zal ze steen voor +steen laten wegnemen, liever dan mijn braven monnik te verliezen." + +De vele mannen, die zich haastten, om dezen plicht te vervullen, +ofschoon er eene belangrijke verdeeling van buit zou plaats hebben, +bewees hoezeer de veiligheid van den geestelijken vader de bende ter +harte ging. + +"Laten wij intusschen voortgaan," zei Locksley; "want zoodra deze +daad ruchtbaar wordt, zullen de troepen van De Bracy, Malvoisin en +andere bondgenooten van Front-de-Boeuf tegen ons optrekken, en dus +is het goed, bijtijds voor onze veiligheid te zorgen, en deze buurt +te verlaten. Edele Cedric," zei hij, zich tot den Sakser wendende, +"de buit is in twee deelen verdeeld; kies dat, hetwelk u het best +aanstaat, om uw lieden te beloonen, die onze deelgenooten in deze +onderneming geweest zijn." + +"Dappere schutter," antwoordde Cedric, "mijn hart is overstelpt van +droefheid. De edele Athelstane van Coningsburgh is niet meer,--de +laatste spruit van den Heiligen Belijder! Er is met hem eene hoop +te gronde gegaan, die nooit meer verwezenlijkt kan worden.--Er is +in zijn bloed eene vonk uitgebluscht, welke geen menschelijke adem +weder aanblazen kan! Mijne lieden, behalve de weinigen, die nu bij +mij zijn, wachten slechts op mijne tegenwoordigheid, om zijn geëerde +overblijfsels naar hun laatste rustplaats over te brengen. Jonkvrouw +Rowena verlangt naar Rotherwood terug te keeren en moet door eene +voldoende macht begeleid worden. Ik zou dus reeds vroeger deze plaats +verlaten hebben, ware het niet, dat ik gewacht had,--niet om den buit +te deelen;--want, zoo waarlijk helpe mij God en St. Withold! ik noch +één der mijnen zal er een penning van nemen,--maar om u en uw dappere +volgelingen mijn dank te betuigen voor mijn leven en mijne eer, +die gij gered hebt!" + +"Maar," zei de aanvoerder, "wij hebben op zijn best slechts het halve +werk gedaan; neem van den buit zoo veel, dat ge uwe naburen en uwe +lieden beloonen kunt." + +"Ik ben rijk genoeg om hen zelf te beloonen," antwoordde Cedric. + +"En eenigen," zei Wamba, "zijn wijs genoeg geweest om zich zelven te +beloonen. Ze gaan niet allen met ledige handen weg. Wij dragen niet +allen zotskappen." + +"Dat staat hun vrij," hernam Locksley; "onze wetten zijn alleen van +kracht voor ons zelven." + +"Maar gij, mijn goede jongen," zei Cedric, zich omkeerende, en den +nar omhelzende, "hoe zal ik u beloonen, daar ge niet geaarzeld hebt +u zelven in mijne plaats aan gevangenschap en den dood bloot te +stellen!--Allen verlieten mij, terwijl de arme nar getrouw bleef!" + +Een traan stond in de oogen van den ruwen _Thane_, terwijl hij dus +sprak,--een blijk van aandoening, hetwelk zelfs Athelstane's dood niet +van hem afgeperst had; maar er was iets in de half instinctmatige +verkleefdheid van zijn nar, dat zijn gemoed sterker trof, dan de +smart zelve. + +"Neen!" hernam de nar, zich aan zijne omhelzing onttrekkende, +"zoo ge mijn dienst met het water uwer oogen betaalt, dan moet de +nar mede weenen, en wat wordt er dan van zijn beroep?--Maar, oom, +als ge mij inderdaad eene gunst wilt bewijzen, dan verzoek ik u mijn +makker Gurth te vergeven, die eene week aan uw dienst ontstolen heeft, +om die aan uw zoon toe te wijden." + +"Hem vergeven," riep Cedric; "Ik wil hem vergeven en beloonen.--Kniel +neder, Gurth." Oogenblikkelijk lag de zwijnenhoeder aan de voeten +zijns meesters.--"Sta op! Niet langer als een lijfeigene!" vervolgde +Cedric, hem met een stok aanrakende: "Een vrij man zijt gij in de +stad, in het woud en in het veld. Ik schenk u een stuk land in mijn +gebied van Walburgham voor u en uwe nakomelingen ten eeuwigen dage, +en Gods vloek treffe hem, die zich hiertegen durft verzetten!" + +Niet langer een slaaf, maar een vrij man en landeigenaar, deed +Gurth twee sprongen bijna zoo hoog als hij zelf was, uitroepende: +"Een smid en een vijl, hier! om den halsband van een vrij man los +te maken!--Edele meester, mijne krachten zijn verdubbeld door uwe +gift, en dubbel zal ik voor u vechten!--Er is een vrije geest in +mijne borst.--Ik ben een geheel ander man voor mij zelven en allen +rondom mij.--Ha, Fangs!" ging hij voort, want de getrouwe hond, toen +hij zijn meester zoo verheugd zag, begon tegen hem op te springen en +zijn deelneming uit te drukken, "kent ge uw meester nog?" + +"Ja," zei Wamba, "Fangs en ik kennen u nog, Gurth, schoon wij +den halsband vooralsnog zullen moeten dragen; maar ge zult ons +waarschijnlijk vergeten!" + +"Ik zal mij zelven eerder vergeten, dan u, trouwe makker," zei Gurth; +"en zoo de vrijheid voor u geschikt ware, Wamba, dan zou uw meester +u die zeker ook schenken." + +"Neen, broeder Gurth," hernam Wamba, "denk niet, dat ik u benijd: +de lijfeigene zit bij het vuur in de zaal, terwijl de vrije man naar +buiten in het veld moet.--En wat zegt Oldhelm van Malmsbury:--"Beter +een nar bij het feest, dan een wijs man in den strijd." + +Nu hoorde men het getrappel van paarden, en Jonkvrouw Rowena +verscheen, omringd door verscheidene ruiters en eene nog grootere +troep voetvolk, welke vroolijk met hunne pieken tegen de schilden +sloegen, uit vreugde over hare bevrijding. Zij zelve, rijk gekleed +en op een donker bruin paard zittende, had al de waardigheid harer +houding hernomen, en slechts eene ongewone bleekheid toonde wat ze +uitgestaan had. Haar schoon voorhoofd, hoewel bewolkt, blonk echter +met een straal van herlevende hoop voor de toekomst, zoowel als +van dankbare erkentenis voor hare verlossing.--Ze wist, dat Ivanhoe +in veiligheid, en ook dat Athelstane dood was. Het eerste vervulde +haar met oprechte dankbaarheid; en al verheugde zij zich ook juist +niet over het laatste, zoo kon men haar vergeven, dat ze het geluk +besefte van bevrijd te zijn van verdere aanzoeken in de eenige zaak, +waarin ze altijd door haar voogd Cedric was tegengegaan. + +Toen Rowena haar paard naar Locksley's zitplaats wendde, stonden +de dappere schutter en al zijne onderhoorigen met natuurlijke, +ongemaakte hoffelijkheid op, om haar te begroeten. Het bloed +kleurde haar wangen toen zij, vriendelijk met de hand groetende, +en zoo diep buigende, dat haar schoone, loshangende vlechten voor +een oogenblik met de lange manen van haar paard vermengd werden, in +weinige maar passende woorden, hare verplichting en haar dank jegens +Locksley en hare overige bevrijders uitdrukte.--"God zegene u, brave +mannen!" besloot zij, "God en de Heilige Maagd zegenen en beloonen u, +dat gij zoo dapper het gevaar getrotseerd hebt om de onderdrukten te +helpen!--Zoo één uwer honger mocht lijden, dan herinnert u, dat Rowena +voedsel heeft;--zoo gij dorst hebt, dan heeft ze menig vat wijn en +bier;--en zoo de Normandiërs u uit deze bosschen verjagen, dan heeft +Rowena bosschen genoeg in eigendom, waar hare dappere bevrijders in +volle vrijheid kunnen rondzwerven, zonder aan den houtvester voor +elken afgeschoten pijl rekenschap te moeten geven!" + +"Ik dank u, edele Jonkvrouw!" hervatte Locksley, "voor mijn +volgelingen en voor mij zelven. Maar u gered te hebben is reeds +belooning genoeg. Wij, die in de groene bosschen rondzwerven, hebben +menige woeste daad te verantwoorden, en de bevrijding van Jonkvrouw +Rowena zal mogelijk als vergoeding daarvoor gelden." + +Nog eens diep buigende, maakte Rowena zich gereed om te vertrekken; +maar toen ze een oogenblik stil hield, terwijl Cedric, die haar +vergezellen zou, insgelijks afscheid nam, bevond zij zich onverwachts +dicht bij den gevangen De Bracy. Hij stond onder een boom in diep +gepeins, met de armen over elkander geslagen, en Rowena hoopte, dat +zij onopgemerkt hem zou kunnen voorbijrijden. Hij keek evenwel op, en +toen hij haar blik ontmoette, verspreidde zich een blos van schaamte +over zijn schoon gelaat. Hij stond een oogenblik besluiteloos; hierop, +vooruit tredende, vatte hij haar paard bij den teugel, en boog de +knie voor haar, zeggende: "Wil de Jonkvrouw Rowena zich verwaardigen +een blik te slaan op een gevangen ridder,--op een onteerden krijgsman?" + +"Heer ridder," antwoordde Rowena, "in ondernemingen, als de uwe, ligt +de ware schande, niet in overwonnen te zijn, maar in de overwinning." + +"De zegepraal, Jonkvrouw, moest het hart verzachten," hernam De Bracy; +"laat mij slechts vernemen, dat Jonkvrouw Rowena het geweld vergeeft, +door ongelukkigen hartstocht veroorzaakt, en zij zal weldra zien, +dat De Bracy haar op een edeler wijze weet te dienen." + +"Ik schenk u, heer ridder, Christelijke vergiffenis!" zei Rowena. + +"Dat wil zeggen," zei Wamba, "dat ze hem in het geheel niet vergeeft." + +"Maar ik kan nooit de ellende en verwoesting vergeten, die uwe razernij +heeft veroorzaakt!" vervolgde Rowena. + +"Laat den teugel los," riep Cedric, nader tredende. "Bij de heldere +zon boven ons hoofd, indien ik mij niet schaamde, zou ik u met mijn +werpspies aan den grond vastboren; maar wees verzekerd, Maurice De +Bracy, dat uw deel in deze schanddaad u duur te staan zal komen!" + +"Wie een gevangene dreigt, die dreigt veilig," hervatte De Bracy; +"maar wanneer had een Sakser ooit eenig besef van ridderlijkheid?" en +hierop een paar schreden achteruit tredende, liet hij de Jonkvrouw +voortrijden. + +Eer zij vertrokken, gaf Cedric zijne bijzondere dankbaarheid te kennen +aan den Zwarten Ridder en verzocht hem dringend, hem naar Rotherwood +te vergezellen. + +"Ik weet," zei hij, "dat gij, dolende ridders, uw fortuin het liefst +zoekt met de punt uwer lansen, en u weinig om land of rijkdom stoort; +maar de oorlogskans is wisselvallig, en zelfs de zwervende kampioen +verlangt weleens naar eene rustige verblijfplaats. Gij hebt er een +verdiend te Rotherwood, edele ridder; Cedric bezit genoeg om de +onrechtvaardigheid van het geluk te herstellen, en alles, wat hij +heeft, behoort aan zijn verlosser.--Kom derhalve naar Rotherwood, +niet als gast, maar als zoon, of als broeder." + +"Cedric heeft mij reeds rijk gemaakt," hernam de ridder; "hij heeft +mij de waarde der Saksische deugd geleerd. Naar Rotherwood zal ik +komen, brave Sakser, en dat spoedig; maar voor het oogenblik beletten +mij gewichtige en dringende bezigheden een bezoek in uw huis af te +leggen. Zoo ik er kom, zal ik mogelijk eene gunst van u vorderen, +welke zelfs uwe edelmoedigheid op de proef zal stellen." + +"Zij is reeds toegestaan, eer gij er om vraagt," zei Cedric, terwijl +hij zijne hand in die des ridders legde, welke met den ijzeren +handschoen bedekt was,--"zij is reeds toegestaan, al moest het mijn +half vermogen kosten." + +"Beloof niet zoo schielijk," hervatte de ridder; "ik hoop echter de +belooning, die ik vragen zal, te verkrijgen. Intusschen vaarwel!" + +"Ik heb nog maar te zeggen," voegde de Sakser er bij, "dat gedurende +de begrafenisplechtigheden van den edelen Athelstane, ik zijn kasteel +Coningsburgh zal betrekken.--Het zal openstaan voor allen, die aan de +plechtigheden willen deelnemen; en ik spreek in den naam van de edele +Edith, de moeder van den gesneuvelden vorst;--haar woning zal nooit +gesloten zijn voor hem, die zoo dapper, schoon te vergeefs medegewerkt +heeft, om Athelstane van Normandische ketenen en Normandisch staal +te redden." + +"Ach ja," zei Wamba, die was begonnen zijne rol weder bij zijn heer +te spelen, "goede sier zal er zijn:--het is jammer, dat de edele +Athelstane bij zijn eigen lijkmaal niet smullen kan.--Maar hij," +vervolgde de nar, zijne oogen ernstig ten hemel slaande, "zit in het +paradijs, en doet zonder twijfel den maaltijd eere aan!" + +"Zwijg,--en voorwaarts!" zei Cedric, wiens toorn over deze ontijdige +scherts door de herinnering aan Wamba's onlangs bewezene diensten +gematigd werd. Rowena maakte eene beleefde buiging voor den Zwarten +Ridder; de Sakser beval hem in Gods hoede, en ze reden door eene +breede laan van het bosch weg. + +Nauwelijks waren zij vertrokken, of er kwam plotseling een stoet van +onder de groene takken te voorschijn, die langzaam over de vlakte trok +en dezelfde richting nam, als Rowena en haar geleiders. De priesters +van een naburig klooster vergezelden, in de verwachting van een rijke +begiftiging, door Cedric beloofd, de baar waarop Athelstane's lijk +lag, en hieven gezangen aan terwijl het droevig en langzaam, op de +schouders zijner vazallen, naar het kasteel van Coningsburgh gedragen +werd, om daar in het graf van Hengist nedergelegd te worden, van wien +de overledene afstamde. Vele zijner vazallen waren op de tijding van +zijn dood vergaderd, en volgden de baar, met ten minste uiterlijke +teekens van neêrslachtigheid en rouw. De vrijbuiters stonden andermaal +op, en bewezen aan den dood dezelfde ongemaakte en vrijwillige hulde, +die ze zoo kort te voren aan de schoonheid bewezen hadden; de lijkzang +en de langzame tred der priesters herinnerden hen aan diegenen hunner +makkers, die den vorigen dag in den strijd gesneuveld waren. Maar zulke +herinneringen duren niet lang bij menschen, die een leven vol gevaren +en avonturen leiden, en nog eer de klank van het lijkgezang uit het +gehoor was, waren de schutters reeds weder bezig met de verdeeling +van hun buit. + +"Dappere ridder," zei Locksley tot den zwarten kampvechter, "zonder +wiens moed en machtigen arm onze onderneming ten eenenmale had moeten +mislukken, wilt gij van dien buit nemen wat u het meest behaagt, +als een herinnering aan dezen mijn gerechts-eik?" + +"Ik neem het aanbod aan," antwoordde de ridder, "even gul als het +gedaan wordt, en ik vraag verlof, om naar welgevallen over den ridder +Maurice De Bracy te mogen beschikken." + +"Hij is reeds tot uw beschikking," hernam Locksley; "en het is een +geluk voor hem, anders had die tiran den hoogsten tak van dezen eik +versierd, met zoovelen van zijne vrijbende, als wij hadden kunnen +bijeen brengen, om hem heen.--Maar hij is uw gevangene, en hij is +veilig, al had hij mijn eigen vader vermoord." + +"De Bracy," zei de ridder, "ge zijt vrij:--vertrek van hier. Hij, +wiens gevangene gij zijt, rekent het beneden zich eene lage wraak te +nemen voor wat reeds voorgevallen is. Maar wacht u in de toekomst; +anders zal het u kwalijk gaan. Maurice De Bracy, ik zeg u, wees in +de toekomst op uw hoede!" + +De Bracy maakte eene diepe, sprakelooze buiging, en was op het punt van +zich op weg te begeven, toen de schutters eensklaps een geschreeuw, +dat hun afschuw en bespotting te kennen gaf, aanhieven. De trotsche +ridder bleef oogenblikkelijk staan, keerde zich om, sloeg de armen over +elkander, richtte zich op, en riep: "Zwijgt, gij blaffende honden! die +een geschreeuw maakt, dat ge niet durfdet aanheffen, toen het wild zich +verdedigde.--De Bracy veracht uw spot zoowel als uwe goedkeuring. Voort +naar uwe bosschen en holen, gij vogelvrijverklaarde dieven! en +zwijgt stil, wanneer er een mijl afstands van uwe vossenholen van +iets ridderlijks en edels gesproken wordt!" + +Deze ontijdige terging zou De Bracy een hagelbui van pijlen bezorgd +hebben, zoo de aanvoerder niet haastig tusschenbeide gekomen +ware. Inmiddels greep de ridder een paard bij den teugel; want +verscheidene, die uit Front-de-Boeuf's stallen genomen waren, stonden +opgetoomd in de nabijheid, en maakten een aanzienlijk gedeelte van +den buit uit. Hij wierp zich in den zadel, en reed door het bosch weg. + +Toen de verwarring door dit voorval veroorzaakt, eenigszins bedaard +was, nam de rooverkapitein van zijn eigen hals den schoonen horen +en draagband, welke hij kort te voren te Ashby bij het boogschieten +gewonnen had. + +"Edele heer," zei hij tegen den Zwarten Ridder, "indien gij het niet +beneden u acht een horen aan te nemen, dien ik eens gedragen heb, +dan bid ik u, dezen te bewaren, ter gedachtenis aan uw dapperen +bijstand,--en zoo ge iets te doen hebt, en (zooals het dikwijls een +dapperen gaat), in het nauw gebracht wordt in een of ander bosch +tusschen de Trent en de Tees, dan blaas deze drie _mots_ [30] op den +horen aldus; _Wa-sa-hoa!_ en ge zult wellicht helpers en verlossers +vinden." + +Hierop blies hij nog eens dezelfde noten op den horen tot de ridder +ze gevat had. + +"Grooten dank voor uw gift, dappere schutter," zei de ridder; +"betere hulp dan de uwe en die van uwe lieden zou ik nooit zoeken, +al ware ik ook in den uitersten nood." En hierop blies hij, dat het +geheele bosch er van weêrgalmde. + +"Goed en zuiver geblazen," zei de schutter; "bij mijn ziel, ge verstaat +evenveel van de jacht als van den oorlog!--ge zult in uw tijd menig +hert geveld hebben, daar sta ik voor in.--Kameraden, let op deze +drie klanken;--het is het teeken van den Zwarten Ridder, en hij, +die het hoort, en zich niet haast om hem in zijn nood bij te staan, +dien laat ik met zijne eigene boogpees uit onze bende weggeeselen." + +"Leve onze aanvoerder!" schreeuwden de schutters, "en leve de Zwarte +Ridder!--Moge hij weldra onze hulp noodig hebben, opdat wij hem +bewijzen kunnen, hoe genegen wij hem zijn!" + +Locksley ging nu over tot het verdeelen van den buit, dat hij met de +lofwaardigste onpartijdigheid deed. Een tiende gedeelte werd voor de +Kerk en tot godsdienstige doeleinden ter zijde gelegd; vervolgens +werd een gedeelte afgezonderd voor een soort van algemeenen schat; +een gedeelte werd gegeven aan de weduwen en kinderen van hen die +gevallen waren, of besteed aan missen voor de zielen van hen, die +geen familie hadden nagelaten. Het overige werd verdeeld onder de +vogelvrijverklaarden, volgens hun rang en hunne verdiensten; en het +oordeel van den aanvoerder werd bij alle twijfelachtige gevallen +met groote scherpzinnigheid gegeven en met volkomen onderwerping +ontvangen. De Zwarte Ridder was niet weinig verbaasd te zien, +dat menschen, die zoo in strijd met de wet leefden, onder elkander +zoo geregeld en rechtvaardig bestierd werden, en alles wat hij zag +verhoogde zijne gunstige meening omtrent de rechtvaardigheid en +schranderheid van hun aanvoerder. + +Toen ieder zijn eigen aandeel van den buit weggenomen had, en terwijl +de schatmeester, vergezeld door vier sterke schutters, het gedeelte +aan het algemeen fonds toebehoorende naar een verborgene en veilige +plaats bracht, lag het voor de Kerk bestemde gedeelte nog onaangeroerd. + +"Ik wenschte," zei de kapitein, "dat wij tijding konden krijgen van +onzen vroolijken kapelaan;--hij placht nooit afwezig te zijn, als de +spijzen gezegend, of de buit verdeeld moest worden, en het is zijn +plicht om zorg te dragen voor deze tienden van onze welgeslaagde +onderneming. Het is mogelijk, dat deze aan de Kerk bewezene dienst +eenige zijner ongeregeldheden doet vergeven. Ik heb echter ook een +anderen heiligen broeder in de nabijheid gevangen, en ik wilde gaarne, +dat de monnik mij hielp naar behooren met hem te onderhandelen.--Ik +twijfel echter zeer aan de veiligheid van den dapperen kluizenaar." + +"Dat zou mij zeer spijten," hernam de Zwarte Ridder, "want ik ben +hem voor zijn gulle gastvrijheid en den vroolijken nacht in zijn cel, +veel verschuldigd. Laat ons naar de puinhoopen van het kasteel gaan, +mogelijk vernemen wij daar iets van hem." + +Terwijl ze dus spraken, kondigde een luid gejuich der schutters de +aankomst van hem aan, voor wien ze bezorgd waren; en zij hoorden +de harde stem van den monnik zelven, lang eer zij zijn gespierde +gedaante zagen. + +"Plaats, vroolijke makkers!" riep hij; "plaats voor uw geestelijken +vader en zijn gevangene.--Roept nog eens welkom!--Ik kom, edele +kapitein, gelijk een arend, met mijn prooi in de klauwen."--En zich +onder het gelach van alle omstanders een weg door den kring banende, +verscheen hij zegepralende, met zijn zware strijdknots in de eene hand, +en in de andere een touw, waarvan het eene einde om den hals van den +ongelukkigen Izaäk van York geslagen was, die gebukt onder leed en +schrik, door den overmoedigen priester werd voortgetrokken.--"Waar is +Allen-a-Dale, om mij in eene ballade of een lied te vereeuwigen?--Bij +de heilige Hermangilde! die gekke speelman is altijd afwezig, als er +een geschikte gelegenheid is om de dapperheid te bezingen." + +"Vroolijke priester," zei de aanvoerder, "gij zijt heden morgen bij +een natte mis geweest, hoe vroeg het ook nog is. In den naam van +St. Nikolaas, wien hebt gij daar?" + +"Een gevangene van mijn zwaard, en mijne lans, edele kapitein," hernam +de kluizenaar van Copmanshurst; "van mijn boog en mijne knots, moest +ik liever zeggen; en echter heb ik hem door mijne heiligheid uit een +nog ergere gevangenschap gered. Spreek, Jood, heb ik u niet uw geloof, +uw _Pater_ en uw _Ave Maria_ geleerd?--Heb ik niet den geheelen nacht +besteed, om u toe te drinken en u in de mysteriën in te wijden?" + +"Om Gods wil!" riep de arme Jood, "wil niemand mij verlossen uit de +macht van dezen dollen,--ik wilde zeggen, van dezen heiligen man?" + +"Hoe is het, Jood!" zei de monnik op dreigenden toon; "herroept gij, +Jood?--Bedenk u, zoo gij in uw ongeloof terugvalt, dan zijt gij, +ofschoon niet zoo malsch als een speenvarken,--ik zou willen dat +ik er een voor mijn ontbijt had,--toch niet te taai om gebraden te +worden.--Wees verstandig, Jood, en zeg mijn woorden na: _Ave Maria_--" + +"Neen, wij willen geene heiligschennis, dolle priester," zei Locksley; +"laat ons liever hooren, waar gij uw gevangene gevonden hebt." + +"Bij St. Dunstan," hervatte de monnik, "ik vond hem op eene plaats, +waar ik naar betere waar zocht. Ik ging in den kelder, om te zien +wat men dáár redden kon; want ofschoon een beker warmen wijn, met +specerijen er in, een avonddrankje is voor een keizer, scheen het +mij toch toe, dat het overdaad was zoo veel van dien goeden drank in +eens te doen opkoken; ik had één vaatje wijn opgenomen en wilde om +meer hulp roepen bij die luie kerels, welke altijd te zoek zijn als +er eene goede daad te verrichten is, toen ik eene zware gesloten deur +bespeurde.--Ha, ha! dacht ik, het uitgezochtste druivensap is in deze +geheime bewaarplaats te vinden, en die schelm van een keldermeester, +in zijn beroep gestoord, heeft den sleutel in de deur laten zitten.--Ik +ging er dus in, maar vond juist niets dan een partij verroeste ketenen +en dezen hond van een Jood, die zich terstond op genade en ongenade +aan mij overgaf. Ik verkwikte mij slechts na de vermoeienis van +den strijd tegen den ongeloovige met een schuimenden beker wijn, en +wilde mijn gevangene voortleiden, toen de steenen van een buitentoren, +met een vreeselijk gekraak, alsof het een donderslag was, instortten, +(verwenscht zijn de handen, die hem gebouwd hebben!) en den uitgang +belemmerden. Het geraas van den eenen vallenden toren volgde op dat +van den ander;--ik gaf alle hoop op om mijn leven te redden; en daar +ik het voor schade hield voor een man van mijn beroep, in gezelschap +van een Jood uit deze wereld te gaan, nam ik mijne knots ter hand, +om hem de hersens in te slaan, maar ik had medelijden met zijn grijze +haren, en oordeelde het beter mijn wapen weder neer te leggen en mijne +geestelijke kracht te zijner bekeering te gebruiken. En wezenlijk, met +den zegen van den heiligen Dunstan, is het zaad in een goeden grond +gevallen, ware het niet dat, door den geheelen nacht over de heilige +mysteriën met hem te spreken bij eene leege maag, (want de weinige +druppels wijn, die ik gebruikt heb om mijn verstand te scherpen, komen +niet in aanmerking), mijn hoofd wat duizelig geworden was.--Maar ik +was geheel uitgeput,--Gilbert en Willibald weten, in welken toestand +ze mij gevonden hebben:--geheel en al uitgeput!" + +"Wij kunnen het getuigen," zei Gilbert, "want toen wij het puin hadden +weggeruimd, en met de hulp van St. Dunstan, de trap der gevangenis +ontdekt hadden, vonden wij het vaatje half ledig, den Jood half dood, +en den monnik meer dan half uitgeput, zooals hij het noemt." + +"Gij liegt, schelm!" hervatte de vertoornde priester; "gij en +uw gulzige makkers hebt den wijn uitgedronken, en noemdet het uw +morgenslok.--Ik ben een Heiden, zoo ik den wijn niet voor onzen +kapitein bewaard had. Maar wat kan het schelen? De Jood is bekeerd, +en begrijpt alles wat ik hem gezegd heb, bijna even goed, zoo niet +volkomen zoo goed, als ik zelf." + +"Jood," zei Locksley, "is dat waar? Hebt gij uw ongeloof afgezworen?" + +"Mocht ik zoo zeker zijn genade in uwe oogen te vinden," antwoordde +de Jood, "als ik zeker niets weet van al wat de eerwaarde priester in +dezen verschrikkelijken nacht tegen mij gesproken heeft. Helaas! ik +was zoo verward door doodsangst, schrik en pijn, dat al ware onze +heilige vader Abraham gekomen, om voor mij te preeken, hij maar een +dooven toehoorder gevonden zou hebben." + +"Gij liegt, Jood, en dat weet gij ook," zei de monnik; "ik zal u +slechts één woord van ons gesprek herinneren;--gij hebt beloofd om +uw geheel vermogen aan onze heilige Orde af te staan!' + +"Zoo waar mij het Woord Gods helpe, mijne heeren," riep Izaäk, nog +ongeruster dan te voren, "geen woord van dien aard is over mijne +lippen gekomen! Helaas! ik ben een oud, doodarm man,--en daarenboven, +vrees ik, ook kinderloos;--hebt medelijden met mij en laat mij gaan!" + +"Neen," zei de monnik, "als gij geloften intrekt, die gij ten voordeele +der Heilige Kerk gedaan hebt, dan moet gij boete doen!" + +Hij hief zijne knots op, en zou krachtig op de schouders van den Jood +toegeslagen hebben, zoo niet de Zwarte Ridder den slag tegengehouden en +daardoor den toorn van den heiligen monnik tot zich zelven getrokken +had. + +"Bij St. Thomas van Kent," riep hij, "wie houdt mij tegen? Ik zal +u leeren om u met uwe eigene zaken te bemoeien, in weerwil van uw +ijzeren pot!" + +"Och, wees niet boos op mij!" hernam de ridder; "gij weet, dat ik uw +gezworen vriend en makker ben." + +"Daar weet ik niets van," antwoordde de monnik; "en ik verklaar u +voor een neuswijzen kwast." + +"Ja, maar," hervatte de ridder, die er genoegen in scheen te scheppen, +zijn voormaligen gastheer te plagen, "hebt gij vergeten hoe gij, +om mijnentwille, uwe geloften van vasten en waken verbroken hebt, +want ik zeg niets van de verleiding der flesch en der pastei?" + +"Waarachtig, vriend!" zei de monnik, hem met zijn groote gebalde +vuist dreigende, "ik zal u een klap geven!" + +"Ik neem zulke geschenken niet aan," [31] hernam de ridder, "ik zal +u met even grooten woeker terugbetalen, als ooit uw gevangene daar +in zijn handel geëischt heeft." + +"Dat zal ik zien!" zei de monnik. + +"Hola!" riep de kapitein, "wat wilt gij, gekke priester? Wilt ge +twist maken onder mijn gerechtsboom?" + +"Geen twist," zei de ridder, "het is slechts eene vriendelijke +beleefdheidswisseling.--Monnik, sla toe, als gij durft.--Ik zal uw +slag afwachten, zoo gij den mijne wilt ontvangen." + +"Gij hebt het voordeel van dien ijzeren pot op uw hoofd," zei de +geestelijke; "maar op den grond moet gij; al waart gij Goliath van +Gath, in zijn metalen helm." + +De monnik ontblootte zijn gespierden arm tot aan den elleboog, en +gaf den ridder uit al zijn macht een slag, welke een os zou geveld +hebben. Maar zijn tegenpartij stond zoo vast als een rots. De hem +omringende schutters hieven een luid gejuich aan. + +"Nu, priester," zei de ridder, zijn ijzeren handschoen uittrekkende, +"zoo ik voordeel had boven u in mijn hoofd, dan zal ik er geen hebben +in mijne hand;--sta vast!" + +"_Genam meam dedi vapulatori._--Ik heb mijn wang aan mijn vijand +blootgegeven," hernam de priester, "als gij mij van de plaats kunt +brengen, dan schenk ik u het losgeld van den Jood." + +Zoo sprak de dappere priester, terwijl hij eene fiere houding +aannam. Maar wie kan het noodlot weêrstaan? De slag van den ridder +viel met zooveel kracht en juistheid, dat de monnik hals over kop +over den grond rolde, tot groote verbazing van alle toeschouwers. Maar +hij stond weder op, zonder vertoornd of ontmoedigd te zijn. + +"Broeder," zei hij tegen den ridder, "gij hadt uwe kracht met wat +meer bescheidenheid moeten gebruiken. Ik zou een slechte mis-lezer +geworden zijn, als gij mij de kinnebak stuk geslagen hadt, want de +pijper blaast slecht, als hij geene tanden in den mond heeft. Evenwel, +daar hebt ge mijne hand tot een vriendschapspand, dat ik geen klappen +meer met u wisselen wil; daar ik bij den handel verloren heb. Maak +nu een einde aan alle vijandschap. Laat ons het losgeld van den Jood +bepalen, daar het luipaard zijn vlekken niet afleggen kan, en hij +een Jood blijven wil." + +"De priester," zei Clement, "is niet half zoo zeker van de bekeering +des Joods, sinds hij dien klap om de ooren gekregen heeft." + +"Loop, schelm, wat praat gij van bekeering?--Hoe! hebt gij geene +achting voor mij?--Zijn allen heeren en geen knechts?--Ik zeg u, kerel, +ik was een weinig duizelig, toen ik den slag van den braven ridder +ontving, anders was ik blijven staan. Maar zoo gij er nog langer over +babbelt, dan zult gij leeren, dat ik zoowel geven als ontvangen kan." + +"Stilte!" riep de kapitein.--"En gij, Jood, denk aan uw losgeld; +ik behoef u niet te zeggen, dat uw stam bij alle Christelijke +gemeenten voor vervloekt gehouden wordt; en wees verzekerd, dat wij +uwe tegenwoordigheid onder ons niet dulden kunnen. Denk dus aan een +bod, terwijl ik een gevangene van eene andere soort ondervraag." + +"Zijn er veel van Front-de-Boeuf's lieden gevangen?" vroeg de Zwarte +Ridder. + +"Geen enkele, die gewichtig genoeg is, om losgeld te laten betalen," +antwoordde de kapitein. "Het waren eenige ellendelingen, die wij +losgelaten hebben, om een nieuwen meester te zoeken;--er was genoeg +gedaan tot wraak en voordeel; de overigen waren niets waard. De +gevangene, van wien ik spreek, is een betere buit;--een vroolijke +monnik, die naar zijn liefje reed, zooals ik uit zijn prachtig +paardentuig en zijn kleeding opmaak. Daar komt de waardige prelaat aan, +zoo trotsch als een pauw." + +En tusschen twee schutters in, werd onze oude kennis, de Prior van +Jorvaulx, voor den troon van den aanvoerder der schutters gebracht. + + + + + +DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + ------Gij, dapperste der krijgers, + Hoe staat het thans met Titus Lartius? + Marcius. Hij is met veel besluiten bezig; + Deez' doemt hij tot den dood, dien tot verbanning, + Vergeeft den eenen, en bedreigt den and'ren. + + Coriolanus. + + +De gelaatstrekken en manieren van den gevangen Prior toonden een +zonderling mengsel van beleedigden hoogmoed, verlegene gemaaktheid, +en angst voor lichamelijke kwelling. + +"Hoe, mijne heeren!" zei hij met eene stem, welke deze drie +aandoeningen verried, "wat beteekent dit alles? Zijt gij Turken +of Christenen, daar gij de handen slaat aan een dienaar der +Kerk?--Weet gij, wat het is _manus imponere in servos Domini_? Gij +hebt mijne valiezen uitgeplunderd; mijn schoonen kanten mantel, die +een kardinaal waardig was, verscheurd.--In mijn plaats zou een ander +zijn _excommunicabo vos_ gebruiken; maar ik ben vreedzaam van aard, en +als gij mijne paarden en valiezen teruggeeft, mijne broederen loslaat, +hier op de plaats honderd kronen uitbetaalt, om missen te laten lezen +voor het groote altaar der Abdij van Jorvaulx, en eene gelofte doet, +vóór eerstkomende Pinksteren geen wild te eten, dan zou het kunnen +gebeuren dat gij verder niets van dezen dollen streek hoort." + +"Eerwaarde vader," zei de aanvoerder, "het spijt mij te vernemen, +dat gij door mijne lieden zoo behandeld zijt, dat zij uwe vaderlijke +afkeuring verdienen." + +"Behandeld!" riep de priester, aangemoedigd door den zachten +toon van den aanvoerder;--"men moest geen hond van goed ras +zoo behandelen,--veel minder een Christen,--nog veel minder een +priester,--en het allerminst den Prior van de heilige broederschap +van Jorvaulx. Hier is een goddelooze en beschonken minnezanger +Allen-a-Dale,--_nebule quidam_,--die mij met pijnlijke mishandeling +bedreigd heeft,--ja, met den dood zelven, zoo ik niet vierhonderd +kronen losgeld betaal, boven al de schatten, waarvan hij mij beroofd +heeft;--gouden ketenen en juweelen ringen van onschatbare waarde, +behalve wat er gebroken en bedorven is door ruwe handen, zooals mijn +poederdoos en mijn zilveren krultang." + +"Het is onmogelijk, dat Allen-a-Dale een man van uw stand aldus kan +mishandeld hebben!" hernam de aanvoerder. + +"Het is zoo waar, als het Evangelie van St. Nicodemus," antwoordde +de Prior; "hij zwoer met menigen schrikkelijken Noordschen eed, +dat hij mij aan den hoogsten boom in het bosch zou ophangen." + +"Heeft hij dat wezenlijk gedaan? Ja dan, eerwaarde vader, moest gij, +naar mijn inzien, zijn eischen maar inwilligen;--want Allen-a-Dale +is juist de man, om woord te houden, als hij het op eene plechtige +wijze gegeven heeft." + +"Gij schertst," hervatte de verschrikte Prior, met een gedwongen +lach; "en ik houd veel van scherts. Maar, ha! ha! ha! als de grap +den geheelen nacht geduurd heeft, dan wordt het tijd, om des morgens +ernstig te worden." + +"En ik ben ernstig als een biechtvader," hernam de aanvoerder; +"gij moet een goed losgeld betalen, heer Prior, of uw klooster zal +waarschijnlijk tot eene nieuwe verkiezing moeten overgaan, want men +zal u er niet wederzien!" + +"Zijt gij Christenen!" riep de Prior, "en spreekt gij zulke taal +tegen een geestelijke?" + +"Christenen! Ja, waarachtig dat zijn wij, en wij hebben ook op den +koop toe godgeleerden onder ons," antwoordde de kapitein. "Laat onze +vroolijke kapelaan vóórtreden, en dezen eerwaarden vader de op deze +zaak toepasselijke teksten verklaren." + +De kluizenaar, half dronken en half nuchter, had schielijk een +monniksgewaad over zijn groen buis aangetrokken, en nu alle geleerde +brokken bij elkander halende, welke hij in vroegere tijden van +buiten geleerd had, zei hij: "Eerwaarde vader, _Deus faciat salvam +benignitaten vestram!_--Welkom in het groene woud!" + +"Welke schandelijke vermomming is dit?" vroeg de Prior. "Vriend, +indien gij waarlijk tot de Kerk behoort, zoudt gij beter doen met +mij te wijzen, hoe ik uit de handen van deze menschen ontsnappen kan, +dan daar te staan buigen en grijnzen als een hansworst." + +"Waarlijk, eerwaarde vader," zei de monnik, "ik ken slechts één +middel om te ontsnappen. Dit is voor ons een St. Andreas-dag, wij +nemen onze tienden." + +"Maar toch niet van de Kerk, wil ik hopen, waarde broeder?" hernam +de Prior. + +"Van geestelijken en leeken," hernam de monnik; "en derhalve, heer +Prior, _facite vobis amicos de Mammone iniquitatis_,--maakt u vrienden +uit den Mammon der ongerechtigheid, want geen andere vriendschap kan +u hier baten." + +"Ik houd veel van een vroolijken jager," zei de Prior; "kom, gij +moet mij niet te streng behandelen.--Ik versta het jagerswerk, en kan +helder en lustig op den jachthoren blazen, zoodat alle eiken in het +woud er van weêrgalmen;--kom, gij moet mij niet te streng behandelen." + +"Geeft hem een horen," zei de aanvoerder, "wij willen de kunst, +waarop hij zich beroemt, op de proef stellen." + +De Prior Aymer blies op den horen, en de kapitein schudde het hoofd. + +"Heer Prior," zei hij, "dit kan u niet verlossen--wij kunnen u +niet voor een klank vrij geven,--zooals het devies op het schild +van zekeren goeden ridder zegt. Buitendien heb ik ontdekt, dat gij +een van hen zijt, die door nieuwe Fransche kunsten en _Tra-li-ras_ +de oude Engelsche klanken doet vergeten.--Prior, dit geblaas heeft +uw losgeld met vijftig kronen verhoogd, omdat gij het oude, echte, +manhaftige jagerslied bedorven hebt." + +"Vriend," zei de Prior, benauwd, "uwe jachtkennis is zwaar te +voldoen. Ik bid u wat toegevender te zijn ten opzichte van mijn +losgeld. In één woord,--daar de nood mij dwingt voor ditmaal bij den +duivel te biecht te gaan, welk losgeld moet ik betalen, omdat ik den +weg naar Watling opging, zonder een bedekking van vijftig man bij +mij te hebben?" + +"Zou het niet goed zijn," zei de luitenant der bende ter zijde tegen +den kapitein, "dat de Prior het losgeld van den Jood bepaalde, en de +Jood dat van den Prior?" + +"Gij zijt een dolle vent," antwoordde de kapitein; "maar uw plan +is heerlijk!--Hier Jood!--kom hier.--Beschouw dien eerwaarden vader +Aymer, Prior van de rijke Abdij van Jorvaulx, en zeg ons, hoe hoog +wij zijn losgeld stellen kunnen?--Gij kent zeker de inkomsten van +zijn klooster?" + +"O voorzeker," zei Izaäk, "ik heb handel gedreven met de goede vaders, +en tarwe en gerst en vruchten en ook veel wol van hen gekocht. O, +het is eene rijke Abdij, en zij leven van het vette der aarde en +drinken de lekkerste wijnen, die goede vaders van Jorvaulx. Och, +als een arm verstooten man, als ik, zulk een huis had, en zulk een +inkomen in het jaar en in de maand, dan zou ik veel goud en zilver +betalen, om mij uit de gevangenschap los te koopen." + +"Hond van een Jood!" riep de Prior; "geen mensch weet beter dan gij, +dat ons heilig huis wegens het bouwen van een kansel schulden heeft." + +"En wegens het vullen van uw kelders verleden jaar met de behoorlijke +hoeveelheid Gasconjer wijn," viel de Jood hem in de rede; "maar dat, +dat is eene kleinigheid." + +"Hoort dien ongeloovigen hond!" riep de Prior; "hij praat, alsof +onze heilige broederschap in schulden geraakt ware voor den wijn, +welken wij verlof hebben te drinken, _propter necessitatem et ad +frigus depellendum_. De besneden hond lastert de heilige Kerk, en +Christenen luisteren naar hem en tuchtigen hem niet!" + +"Dat baat alles niet;" zei de aanvoerder.--"Izaäk, zeg, wat kan hij +betalen, zonder hem het vel over de ooren te halen?" + +"Zeshonderd kronen," antwoordde Izaäk, "kan de goede Prior wel betalen, +en hij zal er geene koude om lijden." + +"Zeshonderd kronen," herhaalde de kapitein ernstig: "ik ben +tevreden;--gij hebt goed gesproken, Izaäk;--zeshonderd kronen,--het +vonnis is geveld, heer Prior." + +"Een vonnis!--een vonnis!" riep de bende; "Salomo kon het niet beter +overlegd hebben." + +"Gij hoort uw vonnis, Prior," zei de kapitein. + +"Gij raast, vrienden," hernam de Prior; "waar zal ik zulk een som +vinden? Al verkocht ik de hostiekast en kandelaars van het altaar van +Jorvaulx, dan zou ik nauwelijks de helft bij elkander kunnen brengen, +en daarom zal ik zelf naar Jorvaulx moeten gaan; gij kunt mijne beide +priesters als borgen houden." + +"Dat zou een slecht onderpand zijn," hervatte de kapitein, "wij zullen +u houden, Prior, en hen er heenzenden, om uw losgeld te halen. Het +zal u intusschen niet aan een beker wijn en een stuk wild ontbreken; +en als gij een vriend van de jacht zijt, dan zult gij hier iets zien, +dat gij in uwe noordsche streken nooit gezien hebt." + +"Als het u behaagt," zei Izaäk, die zich gaarne de gunst der roovers +wilde verwerven, "kan ik naar York zenden, om de zeshonderd kronen te +laten halen, uit zekere gelden, die ik in handen heb, als de eerwaarde +Prior mij een schuldbekentenis daarvoor geven wil." + +"Hij zal u alles geven wat gij verkiest, Izaäk," zei de kapitein; +"en gij zult het losgeld betalen voor den Prior Aymer zoowel als voor +u zelven." + +"Voor mij zelven! Ach, dappere heeren!" smeekte de Jood, "ik ben een +arm, te gronde gericht man; en ik zou den bedelstaf moeten opvatten, +al moest ik maar vijftig kronen betalen." + +"Hierover zal de Prior oordeelen," hernam de kapitein; "wat zegt gij +er van, vader Aymer?--Kan de Jood een goed losgeld betalen?" + +"Of hij een losgeld kan betalen?" antwoordde de Prior.--"Is hij niet +Izaäk van York, rijk genoeg om de tien stammen Israëls, die naar +Assyrië gevoerd werden, uit de gevangenschap vrij te koopen?--Ik voor +mij, heb maar weinig van hem gezien, maar onze keldermeester en onze +schatmeester hebben veel met hem te doen gehad, en het gerucht zegt, +dat zijn huis te York zoo vol goud en zilver is, dat het schande is +in een Christenland. Iedere Christenziel moet verbaasd staan, dat +zulke vergiftigde adders geduld worden, die aan de ingewanden van den +staat, en zelfs van de heilige Kerk knagen door schandelijken woeker +en afpersingen." + +"Ik bid u, eerwaarde vader," zei de Jood, "matig en bedaar uw toorn. Ik +bid u, bedenk dat ik mijn geld aan niemand opdring. Maar wanneer +geestelijken en leeken, vorsten en abten, ridders en priesters aan +Izaäks deur kloppen, dan leenen zij zijn _sjekels_ niet met onbeleefde +woorden. Dan luidt het: "Vriend Izaäk, wilt gij ons in deze zaak +een dienst doen, en wij zullen stiptelijk op den dag af betalen, zoo +waar God ons helpe!--Goede Izaäk, zoo gij ooit iemand dienst gedaan +hebt, zoo betoon u mijn vriend in dezen nood!" Maar als de dag komt, +en ik mijn geld vraag, wat hoor ik anders dan: "Vervloekte Jood, +de vloek van Egypte treffe uw stam!" en dergelijk meer, om het ruwe, +onbeschaafde gemeen tegen den armen vreemdeling op te hitsen." + +"Prior," zei de kapitein, "ofschoon hij een Jood is, heeft hij nu +toch waarheid gesproken. Noem dus zijn losgeld, zooals hij het uwe +genoemd heeft, zonder verdere scheldwoorden." + +"Niemand dan een _latro famosus_," hernam de Prior, "waarvan +ik u de beteekenis op een anderen tijd, en een andere plaats zal +zeggen,--zou een Christen-prelaat en een ongedoopten Jood op dezelfde +bank zetten.--Maar daar gij nu eenmaal wilt, dat ik het losgeld van +dezen ellendeling bepalen zal, zeg ik u ronduit, dat gij u zelven +benadeelen zoudt indien gij één penning beneden de duizend kronen +aannemen wildet." + +"Een vonnis!--een vonnis!" zei de kapitein. + +"Een vonnis!--een goed vonnis!" schreeuwden zijn makkers; "de Christen +heeft zijne goede opvoeding getoond, en is ons gunstiger geweest dan +de Jood." + +"De God mijner vaderen sta mij bij!" zei de Jood; "wilt gij een armen +man geheel te gronde richten?--Ik ben reeds kinderloos, en wilt gij +mij nu nog van alle middelen van bestaan berooven?" + +"Als gij kinderloos zijt, Jood, zult gij des te minder te zorgen +hebben," zei Aymer. + +"Helaas, heer!" hernam Izaäk; "uwe wet laat niet toe, dat gij +ondervinden zoudt, hoe zeer het kind onzer liefde ons ter harte +gaat.--O Rebekka, dochter mijner beminde Rachel! Al ware ieder blad +van dien boom een _zechin_, en iedere _zechin_ behoorde mij toe, dien +geheelen schat zou ik er voor geven, om te weten of gij nog leeft, +en aan de handen van den Nazareër ontsnapt zijt!" + +"Had uwe dochter geen zwart haar?" vroeg een der roovers; "en droeg +zij niet een sluier van zijden gaas met zilver geborduurd?" + +"Ja!--ja!" riep de oude man, sidderende van hoop en angst. "Jacobs +zegen ruste op u! Kunt gij mij zeggen, of zij in veiligheid is?" + +"Zij was het dus," antwoordde de schutter, "die de trotsche Tempelier +heeft medegevoerd, toen hij gisteren avond door onze rijen heen +brak. Ik had mijn boog reeds gespannen, om hem een pijl achterna +te zenden, maar ik spaarde hem om den wille van het meisje, daar ik +vreesde haar te kwetsen." + +"Och!" hernam de Jood, "gave God, dat gij geschoten hadt, al +moest de pijl ook haar boezem doorboord hebben;--beter het graf +harer vaderen, dan het onteerende bed van den losbandigen, woesten +Tempelier. Ichabod! Ichabod! de eer van mijn huis is geschandvlekt." + +"Vrienden," zei de aanvoerder, rondziende, "de grijsaard is maar een +Jood; toch treft mij zijn leed.--Wees eerlijk, Izaäk;--zult gij na dit +losgeld van duizend kronen betaald te hebben niets meer overhouden?" + +Izaäk, dus aan zijne wereldsche goederen herinnerd, voor welke zijne +diep gewortelde liefde, zelfs met zijne vaderliefde in strijd was, +verbleekte, stamelde, en kon niet ontkennen, dat er nog wel een klein +overschot zou zijn. + +"Goed," zei de kapitein, "laat dat zoo zijn; wij willen niet te nauw +met u rekenen. Zonder geld kunt gij even weinig hopen uw kind uit +de klauwen van den ridder Brian De Bois-Guilbert te verlossen, als +men hopen kan om een hert met een pijl zonder kop te dooden.--Wij +zullen u voor hetzelfde losgeld als de Prior Aymer, of liever voor +honderd kronen minder vrijlaten, en deze honderd kronen zal ik zelf +betalen; en zoo zullen wij den schimp vermijden van een Joodschen +koopman even hoog te schatten als een Christenprelaat; en gij zult +nog vierhonderd kronen overhouden, om over de vrijheid uwer dochter te +onderhandelen. De Tempelieren houden evenveel van het glinsteren van +zilveren _sjekels_ als van het schitteren van zwarte oogen.--Haast u, +om uw kronen in het oor van Bois-Guilbert te doen klinken eer het te +laat is. Gij zult hem, zooals onze verspieders bericht hebben, in de +naaste _Preceptory_ zijner orde vinden.--Is het zoo goed, makkers?" + +De schutters gaven als gewoonlijk hun bijval over de uitspraak van hun +aanvoerder te kennen; en Izaäk, van de helft van zijn angst ontheven, +door de zekerheid, dat zijne dochter leefde, en misschien vrijgekocht +kon worden, wierp zich voor de voeten van den grootmoedigen roover, +en met zijn baard diens voeten rakende, beproefde hij om de slip +van zijn groen gewaad te kussen. De kapitein trad echter achteruit, +en maakte zich uit de handen van den Jood los, niet zonder eenige +teekens van verachting. + +"Foei, man, schaam u, sta op! ik ben een geboren Engelschman, en +houd niet van zulke Oostersche kniebuigingen; kniel neder voor God, +en niet voor een armen zondaar, als ik ben." + +"Ja, Jood," zei de Prior Aymer; "kniel neder voor God, die door den +dienaar van Zijn altaar hier wordt vertegenwoordigd; en wie weet, welke +genade gij door oprecht berouw en behoorlijke giften op het altaar van +St. Robert voor u zelven en uwe dochter Rebekka kunt verkrijgen? Het +spijt mij om het meisje, want zij is schoon en liefelijk; ik heb haar +in het strijdperk te Ashby gezien. Brian De Bois-Guilbert is een man, +bij wien ik veel vermag;--bedenk, hoe gij het verdienen kunt, dat ik +bij hem een goed woord voor u doe!" + +"Helaas, helaas!" schreeuwde de Jood, "van alle kanten komen er +roovers tegen mij op; ik ben ten prooi gegeven aan den Assyriër en +den Egyptenaar!" + +"En wat moest ook het lot van uw vervloekten stam zijn?" antwoordde de +Prior, "want wat zegt de Heilige Schrift, _verbum Domini projecerunt, +et sapientia est nulla in eis_:--zij hebben het Woord Gods verworpen, +en er is geen wijsheid in hen; _propterea dabo mulieres eorum +exteris_:--ik zal hun vrouwen aan vreemdelingen geven;--dat is, aan +den Tempelier, gelijk in het tegenwoordige geval; _et thesauros eorum +heredibus alienis_,--en hun schatten aan vreemde erven." + +Izaäk slaakte een diepen zucht, en begon de handen te wringen en +zich weder aan neerslachtigheid en wanhoop over te geven. Maar de +aanvoerder der schutters nam hem ter zijde. "Bedenk wel, Izaäk, wat +gij in deze zaak doen wilt: mijn raad is, dat gij u dezen geestelijke +tot vriend maakt. Hij is ijdel, Izaäk, en gierig; ten minste hij +heeft geld noodig, om in zijne verspillingen te voorzien. Gij kunt +zijne hebzucht licht bevredigen; want denk niet, dat ik verblind +ben door uwe voorgewende armoede. Ik ken zelfs de ijzeren kist, +Izaäk, waarin gij uwe geldzakken bewaart. Hoe? zou ik den grooten +steen niet kennen onder den appelboom, welke toegang verschaft +tot de gewelfde kamer onder uw tuin, te York?" De Jood werd bleek +als de dood.--"Maar vrees niets van mij," ging de schutter voort: +"want wij zijn oude kennissen. Herinnert gij u den zieken jager niet, +dien uw schoone dochter Rebekka te York uit de gevangenis vrijkocht, +en in huis hield, totdat hij hersteld was, en dien gij toen heenzondt, +met een stuk geld; hoe groot een woekeraar gij ook zijt, gij hebt +nooit geld op betere renten uitgezet dan dat kleine zilverstuk; +want het heeft u heden vijfhonderd kronen bespaard." + +"Zijt gij de man, dien wij Diccon de schutter noemden?" zei Izaäk; +"uw stem kwam mij terstond bekend voor." + +"Ik ben die Diccon," zei de kapitein, "en Locksley, en heb nog één +naam bovendien." + +"Maar gij vergist u, goede schutter, ten opzichte van de gewelfde +kamer. Zoo waar mij de hemel helpe, er is daar niets in dan +eenige goederen, die ik gaarne met u deelen wil:--honderd ellen +groen Lincolnsch om wambuizen voor uw manschappen te maken, en +honderd stuks Spaansche ijpentakken voor bogen, en honderd sterke, +ronde en schoone zijden boogstrengen;--dit alles zal ik u voor uwe +welwillendheid zenden, eerlijke Diccon, als gij van het gewelf zwijgen +wilt, goede Diccon!" + +"Stil als het graf!" zei de roover; "maar geloof mij, het spijt mij +om uwe dochter. Ik kan er echter niets aan doen:--de lansen van den +Tempelier zijn te sterk voor mijne schutters.--Zij zouden ons als +stof doen uiteenvliegen. Had ik maar geweten, dat het Rebekka was, +die hij schaakte, dan had ik nog iets kunnen doen; maar nu moet gij +met list te werk gaan. Kom, zal ik voor u met den Prior onderhandelen?" + +"In Gods naam, Diccon, als gij mij niet kunt helpen om het kind mijner +liefde terug te bekomen." + +"Hinder mij niet door uwe ontijdige gierigheid," zei de kapitein, +"en ik zal met hem spreken." + +Hierop verliet hij den Jood, die hem evenwel als zijne schim volgde. + +"Prior Aymer," zei de kapitein, "kom met mij ter zijde, onder dezen +boom. Men zegt, dat gij van den wijn en den glimlach eener vrouw +meer houdt, dan uwe orde betaamt, heer priester; maar dat raakt +mij niet. Ik heb ook gehoord, dat gij een liefhebber zijt van een +koppel goede honden en van een vlug paard, en mogelijk, daar gij +een vriend zijt van kostbare dingen, zijt gij ook geen vijand van +een beurs vol goud. Maar nimmer hoorde ik, dat gij een vriend waart +van onderdrukking of wreedheid.--Welnu, hier staat Izaäk, die u de +middelen van vermaak en tijdverdrijf wil verschaffen door een beurs +met honderd mark zilver, indien uwe voorspraak bij uw bondgenoot, +den Tempelier, de vrijheid zijner dochter bewerkt." + +"In tucht en eerbaarheid, zooals ze mij ontroofd is," zei de Jood, +"anders geldt de koop niet!" + +"Stil, Izaäk," zei de roover, "of ik bemoei mij niet meer met uw +zaken. Wat zegt gij van dezen voorslag, Prior Aymer?" + +"De zaak," antwoordde de Prior, "kan van twee kanten beschouwd worden; +want zoo ik van den éénen kant eene goede daad verricht, zoo is die van +den anderen kant ten voordeele van een Jood, en in zoover in strijd +met mijn geweten. Maar als de Israëliet der Kerk voordeel aanbrengen +wil, door mij iets te geven tot het opbouwen onzer slaapzalen, dan +wil ik het op mijn geweten nemen om hem in de zaak met zijne dochter +te helpen." + +"Om een twintig mark voor de slaapzalen," zei de kapitein;--"zwijg, +Izaäk, zeg ik u!--of om een paar zilveren kandelaars op het altaar, +zullen wij niet met u twisten." + +"Ja, maar, goede Diccon," zei Izaäk, trachtende hem in de rede +te vallen. + +"Goede Jood,--goed dier,--goede worm!" hernam de schutter, alle geduld +verliezende; "zoo gij voortgaat met uw verachtelijke gierigheid +tegen het leven en de eer uwer dochter in de weegschaal te leggen, +bij den hemel, dan zal ik u, eer drie dagen verloopen zijn, van +iederen penning berooven, dien gij in de wereld bezit!" + +Izaäk kromp van schrik ineen, en zweeg. + +"En welk onderpand krijg ik?" vroeg de Prior. + +"Als Izaäk door uwe bemiddeling slaagt," hervatte de kapitein, +"dan zweer ik bij St. Hubertus, dat ik er voor zorgen zal, dat hij +u het geld baar uitbetaalt; of ik zal zoodanig met hem afrekenen, +dat hij beter gedaan had twintig zulke sommen uit te betalen." + +"Welaan dan, Jood," zei Aymer; "daar ik mij volstrekt met die zaak +moet bemoeien, leen mij uwe schrijftafels;--maar wacht,--neen, ik zou +liever vierentwintig uren vasten, dan uwe pen gebruiken, en waar zal +ik er eene andere vinden?" + +"Indien uwe heilige nauwgezetheid u niet veroorlooft de schrijftafels +van den Jood te gebruiken, dan kan ik wel eene pen vinden," zei +de schutter, en, zijn boog spannende, mikte hij op een wilde gans, +welke boven hem zweefde, in de voorhoede van eene vlucht vogels, op +weg naar de afgelegen en eenzame moerassen van Holderness. De vogel +fladderde, door den pijl getroffen, naar beneden. + +"Daar, Prior," zei de kapitein, "zijn pennen genoeg voor alle monniken +van Jorvaulx gedurende de eerste honderd jaren, als ze niet beginnen +kronieken te schrijven." + +De Prior zette zich neder, en schreef zeer langzaam een brief aan +Brian De Bois-Guilbert, en dien zorgvuldig verzegeld hebbende, +gaf hij hem aan den Jood, zeggende: "Dit zal uw vrijgeleide naar +de _Preceptory_ van Templestowe zijn, en zal waarschijnlijk de +vrijstelling uwer dochter bewerken, zoo ge er kracht bijzet door +aanbiedingen van voordeel van uw kant; want, geloof mij, de goede +ridder De Bois-Guilbert is van de broederschap van hen, die niets om +niet doen." + +"Wel, Prior," zei de roover, "ik wil u niet langer ophouden, dan om +den Jood eene schuldbekentenis voor de vijfhonderd kronen, waarop +uw losgeld bepaald is, te geven.--Ik neem hem tot betaalmeester aan; +en zoo ik hoor, dat ge zwarigheid maakt om hem de som, die hij voor +u uitbetaalde, terug te geven, dan zweer ik bij de Heilige Maria, +dat ik de Abdij boven uw hoofd in brand zal steken, al moet ik daarom +ook tien jaren vroeger hangen!" + +Met veel minder bereidwilligheid, dan aan den Tempelier, schreef de +Prior eene schuldbekentenis van vijfhonderd kronen, hem in zijn nood +voorgeschoten door Izaäk van York, ter afdoening van zijn losgeld, +en beloofde getrouw en eerlijk deze som terug te betalen. + +"En nu," zei Aymer, "verzoek ik u om teruggave van mijne muilezels en +paarden, en om de vrijheid der eerwaarde broeders, die mij vergezellen; +en ook om de teruggave der juweelen, ringen, kleinoodiën, en prachtige +kleedingstukken, welke men mij ontroofd heeft, daar ik u mijn losgeld +als gevangene voldaan heb." + +"Wat uwe geestelijke broeders betreft, heer Prior," antwoordde +Locksley, "ze zullen dadelijk in vrijheid worden gesteld, daar het +onrechtvaardig zou zijn hen nog gevangen te houden; wat uwe paarden en +muilezels betreft, die zullen ook teruggegeven worden, met reisgeld +genoeg om uwe vertering tot York te betalen; want het zou wreed zijn +u de middelen om te reizen te benemen. Maar wat de ringen, juweelen, +ketenen en dergelijke dingen aangaat, moet ge weten, dat wij een fijn +geweten hebben, en dat wij een eerwaarden heer, zooals gij zijt, die +voor de ijdelheden der wereld afgestorven moest zijn, niet in de zware +verzoeking willen brengen, om den regel zijner instellingen door het +dragen van ringen, ketenen of dergelijke ijdele pracht te schenden." + +"Bedenkt wat ge doet, mijn heeren," riep de Prior, "eer ge de handen +aan kerkelijk goed slaat.--Deze dingen behooren _inter res sacras_, +en wie weet, welk oordeel u treft, als ze in ongewijde handen blijven." + +"Daarvoor zal ik zorgen, eerwaarde Prior," zei de kluizenaar van +Copmanshurst, "want ik zal ze zelf dragen." + +"Vriend, of broeder," antwoordde de Prior op deze oplossing van zijne +zwarigheden, "als gij waarlijk tot een heilige orde behoort, zoo bid +ik u toe te zien, hoe ge aan uw bisschop wegens uwe deelneming aan +hetgeen heden gebeurd is, rekenschap zult geven!" + +"Vriend Prior," hernam de heremiet, "ge moet weten, dat ik tot een +klein bisdom behoor, waar ik mijn eigen bisschop ben, en dat ik mij +even weinig om den bisschop van York als om den Abt van Jorvaulx, +den Prior en het geheele klooster bekommer." + +"Gij zijt geheel en al buiten den regel," zei de Prior; "een dier +losbandige menschen, die zich den heiligen stand, zonder er eenig +recht op te hebben, aanmatigen; de heilige plechtigheid ontwijden, +en de zielen van diegenen in gevaar brengen, welke hun raad vragen: +_lapides, pro pane condonantes iis_,--hun steenen in plaats van brood +gevende, zooals de _Vulgata_ zegt." + +"Wel!" hervatte de monnik; "zoo mijn hersenpan door Latijn had kunnen +gebroken worden, had ze het zoo lang niet uitgehouden. Ik zeg, dat +zulke ijdele priesters, als gij zijt, van hunne juweelen en hun goud +te berooven, eene wettige plundering der Egyptenaren is." + +"Gij zijt een verloopen priester," [32] zei de Prior, in grooten toorn, +"_excommunicabo vos_!" + +"Gij zijt zelf een ketter en dief!" hernam de monnik, even verbitterd; +"ik zal in tegenwoordigheid van mijne kudde zulk een schimp niet +verdragen, als gij het waagt mij aan te doen: ofschoon ik uwe eerwaarde +broeder ben; _ossa eius perfringam_, ik zal u de beenderen stuk slaan, +zooals de _Vulgata_ zegt!" + +"Hola!" riep de kapitein, "gebruiken de eerwaarde broeders zulke +uitdrukkingen?--Vrede, monnik!--Prior: als gij uwe rekening met den +hemel niet gesloten hebt, terg dan den monnik niet verder! Heremiet, +laat den eerwaarden vader in vrede vertrekken, als een man, die zijn +losgeld betaald heeft!" + +De schutters scheidden de verbitterde priesters, die voortgingen +hun stemmen te verheffen, terwijl zij elkander uitscholden in +slecht Latijn, dat de Prior zeer vlug, en de kluizenaar met des te +grooter hevigheid sprak. De Prior bedacht eindelijk, dat hij zijne +waardigheid vergat door te twisten met zulk een geestelijke, als +den rooverkapelaan, en zijne dienaren verzameld hebbende, reed hij +weg met veel minder deftigheid, en wat den uiterlijken vorm betrof, +op eene veel meer apostolische wijze, dan die waarop hij gekomen was. + +Nu moest de Jood nog eenig onderpand geven voor het losgeld, dat hij +voor den Prior en zichzelven zou betalen. Hij gaf dus een met zijn +zegel voorzien briefje voor een geloofsgenoot te York, hem gelastende +aan toonder de som van duizend kronen te betalen, en hem zeker genoemde +waren over te geven. + +"Mijn broeder Sheva," zei hij met een diepen zucht, "heeft den sleutel +van mijne magazijnen." + +"En van de gewelfde kamer?" fluisterde Locksley hem toe. + +"Neen, neen, de Hemel beware mij!" riep Izaäk. "Vervloekt zij het uur, +waarop iemand dit geheim vernam!" + +"Het is bij mij wel bewaard," zei de kapitein, "als mij dit briefje +de daarin genoemde som verschaft.--Maar hoe is het, Izaäk? Zijt gij +dood? Zijt gij verstomd? Heeft de betaling van duizend kronen u het +gevaar uwer dochter uit den zin gebracht?" + +De Jood sprong op.--"Neen, Diccon, neen!--ik zal dadelijk +vertrekken.--Vaarwel, gij, dien ik niet voor goed kan, en niet voor +kwaad zou durven, of willen houden!" + +Eer Izaäk vertrok, gaf de roover-kapitein hem nog den volgenden +raad tot afscheid:--"Wees mild met uw aanbiedingen, Izaäk, en spaar +uwe beurs niet, om uwe dochter te bevrijden. Geloof mij, het goud, +dat gij in deze zaak spaart, zal u in het vervolg evenveel kwelling +veroorzaken, alsof het gesmolten in uw keel gegoten ware." + +Izaäk stemde er met een diepen zucht in toe, en begaf zich op reis, +vergezeld van twee forsche jagers, om hem tot gidsen en tegelijk tot +beschermers in het bosch te dienen. + +De Zwarte Ridder, die met niet weinig belangstelling deze verschillende +tooneelen bijgewoond had, nam nu op zijne beurt afscheid van den +vogelvrijverklaarde, en kon niet nalaten zijne verbazing te kennen +te geven, dat hij zooveel orde vond onder menschen, die van alle +geregelde bescherming en alle hulp der wet verstoken waren. + +"Er groeien soms goede vruchten aan een slechten boom," zei de +schutter, "en slechte tijden brengen niet altijd alleen en onvermengd +kwaad voort. Onder hen, die tot dezen wetteloozen staat vervallen +zijn, vindt men zonder twijfel velen, die hunne vrijheid met eenige +gematigdheid gebruiken, en eenigen, die zich wellicht beklagen, +dat zij verplicht zijn zulk een leven te leiden." + +"En tot een der laatsten spreek ik nu, gelijk ik vermoed?" vroeg +de ridder. + +"Heer ridder," antwoordde de roover; "wij hebben ieder ons geheim. Gij +hebt vrijheid om over mij te denken zooals gij verkiest; en ik mag +mijn gissingen omtrent u maken, ofschoon wij het misschien beiden +mis hebben. Maar daar ik niet begeer in uw geheim te dringen, neem +mij niet kwalijk, dat ik het mijne bewaar." + +"Ik verzoek verschooning," hernam de ridder, "uw verwijt is +billijk. Maar mogelijk ontmoeten wij elkander in het vervolg met +minder geheimzinnigheid van weerskanten.--Intusschen scheiden wij +als goede vrienden, niet waar?" + +"Daar hebt gij er mijn hand op," hervatte Locksley, "en ze is die van +een oprechten Engelschman, ofschoon ik thans een vogelvrijverklaarde +ben." + +"En daar hebt gij de mijne," zei de ridder, "en ik beschouw het als +eene eer, dat ze door de uwe gedrukt wordt; want hij, die goed doet, +terwijl hij de onbepaalde macht heeft om kwaad te doen, verdient niet +alleen lof voor het goede, dat hij verricht, maar ook voor het kwaad, +dat hij voorkomt.--Vaarwel, dappere vriend!" + +Zoo scheidden de beiden; en, na zijn moedig strijdros bestegen te +hebben, reed de ridder door het woud weg. + + + + + +VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Koning Jan.--'k Wil u iets zeggen, vriend: + Het is een echte slang op mijn weg; + Want waar ik ooit mijn voeten zetten mag, + Dáár ligt hij voor mijn schreên.--Verstaat ge mij? + + Koning Jan. + + +Er was een groot feest in het kasteel van York, waarop Prins +Jan die edelen, prelaten en aanvoerders genoodigd had, met wier +behulp hij zijn eerzuchtige plannen op den troon van zijn broeder +hoopte door te zetten. Waldemar Fitzurse, zijn bekwame en listige +raadgever, werkte in het geheim om den moed bij hen aan te wakkeren, +om openlijk voor hun voornemen uit te komen. Maar hunne onderneming +werd vertraagd door de afwezigheid van meer dan één voornaam lid van +het eedgenootschap. De hardnekkige en stoute, ofschoon ruwe moed van +Front-de-Boeuf, de opgeruimde en ondernemende geest van De Bracy, +de schranderheid, de krijgskundige ervaring en de beroemde dapperheid +van Brian De Bois-Guilbert waren onmisbaar voor den goeden uitslag der +samenzwering; en terwijl Prins Jan en zijn raadsman heimelijk hunne +onnoodige en ontijdige afwezigheid verwenschten, durfden zij evenwel +niets zonder hen beginnen. De Jood Izaäk scheen ook verdwenen te zijn, +en met hem de hoop op zekere sommen eener leening, voor welke Prins Jan +met dezen Israëliet en zijne broederen een contract had aangegaan. Dit +gemis kon gevaarlijk worden bij eene zoo gewichtige onderneming. + +Het was op den morgen na den val van Torquilstone, dat een verward +gerucht zich in de stad York begon te verspreiden, dat De Bracy en +De Bois-Guilbert, met hun bondgenoot Front-de-Boeuf, gevangen of +gedood waren. Waldemar verhaalde dit aan Prins Jan, en voegde er +bij, dat hij te meer vreesde, dat het waar moest zijn, daar zij met +een klein gevolg op weg gegaan waren, om een aanval te doen op den +Sakser Cedric en zijne reisgenooten. Op een anderen tijd zou Prins +Jan deze daad van geweld als een aardige grap beschouwd hebben, maar +nu, daar ze tegen zijne eigene plannen inliep, en deze belemmerde, +voer hij uit tegen de ondernemers, en sprak van geschonden wetten +en het aanranden der openlijke orde en van het bijzonder eigendom op +een toon, die Koning Alfred gepast zou hebben. + +"Die wet-schendende roovers!" zei hij; "zoo ik ooit Koning van Engeland +word, zal ik zulke overtreders aan de ophaalbruggen van hun eigene +kasteelen laten ophangen!" + +"Maar om Koning van Engeland te worden," antwoordde zijn Achitophel +koeltjes, "is het niet alleen noodig, dat Uw Hoogheid de overtredingen +van deze wet-schendende roovers verdraagt, maar ook, dat gij hun +uwe bescherming verleent, in weerwil van uw loffelijken ijver voor +de wetten, die zij gewoon zijn te overtreden. Het zou ons heerlijk +vooruit helpen, indien die Saksische boeren het denkbeeld van Uwe +Hoogheid verwezenlijkten om ophaalbruggen in galgen te veranderen; +en die stoute Cedric schijnt mij juist de man om zoo iets in het +hoofd te krijgen. Uw Hoogheid ziet toch wel in, dat het gevaarlijk +zou zijn zonder Front-de-Boeuf, De Bracy en den Tempelier te handelen; +en wij zijn reeds te ver gegaan om veilig te kunnen terugtreden." + +Prins Jan sloeg zich ongeduldig voor het voorhoofd en stapte toen in +het vertrek op en neder. + +"Die schurken," zei hij, "die lage, verraderlijke schurken!--mij in +dezen nood te verlaten!" + +"Zeg liever, die onbedachtzame, kinderachtige dwazen!" zei Waldemar, +"welke gekheden gaan verrichten, terwijl er zulke gewichtige zaken +op handen zijn." + +"Wat moeten wij nu doen?" vroeg de Prins, vlak voor Waldemar blijvende +staan. + +"Ik weet niet, wat meer gedaan kan worden," antwoordde zijn raadgever, +"dan hetgeen door mijne zorgen reeds geschied is.--Ik ben niet gekomen, +om over deze ramp bij Uwe Hoogheid te klagen, zonder vooraf mijn best +gedaan te hebben, om ze te verhelpen." + +"Gij zijt altijd mijn goede engel, Waldemar," hernam de Prins; "en +als ik zulk een kanselier tot raadgever heb, dan zal de regeering +van Koning Jan in onze jaarboeken beroemd worden.--Welke bevelen hebt +gij gegeven?" + +"Ik heb aan Lodewijk Winkelbrand, De Bracy's luitenant, bevolen, +zijn volk te doen opzitten, zijne banier te ontrollen, en dadelijk +naar het kasteel van Front-de-Boeuf te jagen, om te beproeven, wat +er nog voor onze vrienden te doen valt." + +Het gelaat van Prins Jan gloeide als dat van een bedorven kind, +dat meent beleedigd te zijn. + +"Bij den Hemel!" zei hij, "Waldemar Fitzurse, gij hebt veel gewaagd, +en het was meer dan vermetel, om zonder uitdrukkelijk bevel de trompet +te laten blazen, of eene banier te doen ontrollen in eene stad waar +wij zelven tegenwoordig zijn!" + +"Ik vraag vergiffenis, Hoogheid," hernam Fitzurse, inwendig de laffe +ijdelheid van zijn heer verwenschende; "maar daar de tijd drong, +en zelfs het verlies van één oogenblik gevaarlijk kon zijn, vond ik +best, om dit op mij te nemen, in eene zaak van zooveel gewicht." + +"Ik vergeef u uwe roekeloosheid, Fitzurse!" zei de Prins deftig.--"Maar +wie komt daar?--De Bracy zelf, bij het heilige kruis!--en in welk +een zonderlingen toestand verschijnt hij voor ons!" + +Het was inderdaad De Bracy, bloedig door het sporen, en vuurrood +door spoed!--Zijne wapenrusting droeg alle kenteekens van den pas +doorgestanen hevigen strijd, daar ze gebroken, op verscheidene plaatsen +met bloed bevlekt en van boven tot beneden met modder en stof bedekt +was. Na zijn helm losgemaakt te hebben, zette hij dien op de tafel, +en stond een oogenblik, alsof hij zich bezon, eer hij zijn nieuws +verhaalde. + +"De Bracy," zei Prins Jan, "wat beteekent dit?--Spreek, ik beveel +het u!--Zijn de Saksers oproerig?" + +"Spreek, De Bracy," riep Fitzurse bijna tegelijk met zijn meester; "gij +waart altijd een man;--waar is de Tempelier?--waar is Front-de-Boeuf?" + +"De Tempelier is gevlucht," antwoordde De Bracy; "Front-de-Boeuf +zult gij nimmer wederzien. Hij heeft een bloedig graf gevonden onder +de gloeiende puinhoopen van zijn eigen kasteel, en ik ben alleen +overgebleven om het u te verhalen!" + +"Een huiveringwekkend nieuws voor ons," zei Waldemar, "hoewel gij +van vuur en brand spreekt." + +"De ergste tijding heb ik nog niet overgebracht," antwoordde De Bracy; +en op Prins Jan toetredende, zei hij op zachten, nadrukkelijken toon: +"Richard is in Engeland.--Ik heb hem gezien en gesproken!" + +Prins Jan verbleekte, beefde en moest zich aan den rug van een eiken +stoel vasthouden, evenals iemand, die door een pijl in het hart +getroffen wordt. + +"Gij raast, De Bracy," zei Fitzurse; "het kan niet zijn!" + +"Het is toch eene zekere waarheid," hernam De Bracy; "ik ben zijn +gevangene geweest en heb met hem gesproken." + +"Met Richard Plantagenet, zegt gij?" vervolgde Fitzurse. + +"Met Richard Plantagenet," hervatte De Bracy, "met Richard +Leeuwenhart,--met Richard van Engeland!" + +"En gij waart zijn gevangene?" vroeg Waldemar, "was hij dus aan het +hoofd van eene gewapende macht?" + +"Neen;--er waren slechts eenige vogelvrijverklaarde landlieden om +hem heen, en aan dezen is hij onbekend. Ik hoorde hem zeggen, dat +hij op het punt stond hen te verlaten. Hij had zich slechts met hen +vereenigd, om hen in het bestormen van Torquilstone bij te staan." + +"Ja!" zei Fitzurse, "dit is inderdaad in den geest van Richard;--hij +is een echte dolende ridder; hij trekt rond om avonturen te zoeken, +op de sterkte van zijn eigen arm vertrouwende, terwijl de gewichtigste +belangen van zijn koninkrijk vergeten worden en hij zelf in gevaar +verkeert.--Wat zijt gij voornemens te doen, De Bracy?" + +"Ik?--Ik bood Richard den dienst van mijne vrijcompagnie aan, en +hij weigerde ze.--Ik zal ze thans naar Hull voeren, mij inschepen, +en naar Vlaanderen zeilen; dank zij deze onrustige tijden, een man +van moed vindt overal wat te doen. En gij, Waldemar, wilt gij lans en +schild nemen, uwe staatkundige plannen vaarwel zeggen, met mij gaan, +en het lot deelen, dat God ons beschikt?" + +"Ik ben te oud, Maurice, en ik heb eene dochter," antwoordde Waldemar. + +"Geef haar aan mij, Fitzurse, en ik zal haar met behulp van lans en +paard onderhouden, zooals haar rang betaamt," hervatte De Bracy. + +"Neen," hernam Fitzurse; "ik zal eene schuilplaats zoeken hier in de +St. Pieterskerk;--de aartsbisschop is mijn gezworen vriend." + +Onder dit gesprek was Prins Jan langzamerhand hersteld van den schrik, +dien dit onverwachte bericht hem veroorzaakt had, en het onderhoud van +zijne aanhangers had zijne ooren bereikt. "Ze vallen mij af," zei hij +in zich zelven, "evenals een verwelkt blad van den boom, zoodra zich +een windje verheft! Hel en duivel! Kan ik geen hulpmiddelen bij mij +zelven vinden, als deze lafaards mij verlaten?"--Hij zweeg eene poos, +en met eene uitdrukking van duivelschen haat in zijn gedwongen lach, +brak hij eindelijk hun gesprek af. "Ha, ha, ha! mijn heeren, bij het +licht der oogen van onze Lieve Vrouw, ik hield u voor wijze, stoute en +verstandige mannen; en evenwel verwerpt gij rijkdom, eer, genoegen, +alles, wat onze edele onderneming u beloofde, op het oogenblik, +dat die door één stouten slag kon volbracht worden!" + +"Ik begrijp u niet," zei De Bracy; "zoodra Richard's terugkomst bekend +wordt, zal hij aan het hoofd van een leger staan, en dan is alles uit +met ons. Ik zou u raden, mijn vorst, òf naar Frankrijk te vluchten, +òf bescherming bij de Koningin-Moeder te zoeken." + +"Ik zoek geene veiligheid voor mij zelven," hervatte Prins Jan op +trotschen toon; "_die_ kan ik door één enkel woord bij mijn broeder +verkrijgen. Maar ofschoon gij, De Bracy, en gij, Waldemar Fitzurse, +zoo gereed zijt om mij te verlaten, zou ik er mij niet over verheugen, +als ik uwe hoofden ginds op de Cliffords-poort zag prijken. Denkt +gij, Waldemar, dat de listige aartsbisschop u niet van het altaar +zelf zal laten afrukken, zoo hij zich daardoor met Koning Richard kan +verzoenen? En vergeet gij, De Bracy, dat Robert Estoteville met zijne +geheele macht tusschen u en Hull ligt, en dat de Graaf van Essex zijne +mannen vergadert? Indien wij redenen hadden, om deze lichtingen zelfs +vóór Richard's terugkomst te vreezen, meent gij, dat er nu eenige +twijfel is, welke partij hun aanvoerders kiezen zullen? Geloof mij, +Estoteville alleen heeft macht genoeg, om geheel uwe vrijcompagnie +in de Humber te jagen!" + +Waldemar Fitzurse en De Bracy keken elkander verlegen aan.--"Er is nog +maar één weg tot veiligheid!" vervolgde de Prins, en zijn blik werd +somber als de middernacht; "hij, dien wij vreezen, reist alleen.--Men +moet hem hier of daar te gemoet gaan." + +"Ik niet," zei De Bracy haastig; "ik was zijn gevangene, en hij schonk +mij genade,--ik wil geen haar van zijn hoofd krenken!" + +"Wie sprak er van, om hem kwaad te doen?" hernam Prins Jan met een +gedwongen lach; "gij zult misschien nog wel zeggen, dat ik hem wilde +laten dooden!--Neen, een gevangenis ware beter; en in Engeland of +in Oostenrijk, wat kan dat schelen?--De zaken zullen dan slechts op +denzelfden voet zijn, als toen wij onze onderneming begonnen.--Die +was gegrond op de hoop, dat Richard in Duitschland gevangen zou +blijven.--Onze oom Robert leefde, en stierf in het kasteel van +Cardiffe." + +"Ja maar," zei Waldemar, "uw vader Hendrik zat vaster op zijn troon, +dan Uwe Hoogheid zulks doen kan. Ik zeg, de beste gevangenis is die, +welke de doodgraver gemaakt heeft;--er haalt geen kerker bij een +grafkelder! Ik heb gezegd." + +"Kerker of graf," zei De Bracy, "ik wil niets met de zaak te maken +hebben." + +"Schurk!" hernam Prins Jan, "gij zoudt ons genomen besluit toch niet +willen verraden!" + +"Nog nooit heb ik zoo iets gedaan," antwoordde De Bracy trotsch, +"en de naam van schurk moet niet met den mijne verbonden worden!" + +"Bedaar, heer ridder!" zei Waldemar,--"en gij, mijn Vorst, vergeef +de schroomvalligheid van den dapperen De Bracy; ik ben zeker, dat ik +die weldra uit den weg zal ruimen." + +"Dat gaat uwe welsprekendheid te boven, Fitzurse," hernam de ridder. + +"Wel, goede Maurice," hervatte de listige staatsman, "deins niet +achteruit als een schichtig paard, zonder vooraf het voorwerp van uw +schrik wat van naderbij te beschouwen.--Nog maar één dag geleden, +en het was uw vurigste wensch, om dezen Richard, man tegen man, in +het gevecht te ontmoeten;--honderdmaal heb ik u dat hooren wenschen!" + +"Ja," antwoordde De Bracy;--"maar dat was, gelijk gij zeidet, man +tegen man, en in den slag. Gij hebt mij nooit hooren zeggen, dat ik +hem alleen in een bosch wilde overvallen!" + +"Gij zijt geen echte ridder, als gij hierin zwarigheid vindt," +hervatte Waldemar. "Was het in den slag, dat Lancelot du Lac en de +ridder Tristram hun roem verwierven? Of was het door reuzen onder +het lommer van dichte en ongebaande bosschen aan te vallen?" + +"Ja, maar ik verzeker u," zei De Bracy, "dat Tristram noch Lancelot, +man tegen man, tegen Richard Plantagenet opgewassen zouden geweest +zijn; en ik geloof tevens, dat het hunne gewoonte niet was, om met +overmacht tegen een enkelen man op te trekken." + +"Gij raaskalt, De Bracy;--wat stellen wij u dan voor, u, die een +huurling zijt, de aanvoerder van eene vrijcompagnie, wier zwaarden voor +den dienst van Prins Jan gekocht zijn? Gij kent onzen vijand, en toch +maakt gij zwarigheid, ofschoon het geluk van uw heer, van uw makkers, +van u zelven, en het leven en de eer van ons allen op het spel staan!" + +"Ik zeg u," zei De Bracy wrevelig, "dat hij mij het leven geschonken +heeft. Het is waar, hij zond mij uit zijne tegenwoordigheid weg en +weigerde mijne hulde;--in zooverre ben ik hem gehoorzaamheid noch +trouw verschuldigd;--maar ik wil geen hand aan hem slaan." + +"Dat behoeft niet;--zend Lodewijk Winkelbrand met een twintigtal van +uwe lansen." + +"Gij hebt sluipmoordenaars genoeg onder uwe eigen lieden," hervatte +De Bracy; "geen der mijnen zal zulk een last op zich nemen." + +"Zijt gij zoo hardnekkig, De Bracy," zei Prins Jan; "en wilt gij mij +verlaten, na zooveel betuigingen van ijver voor mijn dienst?" + +"Dat is mijne bedoeling niet," antwoordde De Bracy; "ik wil u bijstaan +in alles, wat een ridder betaamt, zoowel in het strijdperk als op +het slagveld; maar dezen sluipmoordenaarsdienst kan men niet van +mij vergen." + +"Kom, Waldemar," zei Prins Jan, "ik ben een ongelukkig vorst. Mijn +vader, Koning Hendrik, had getrouwer dienaars.--Hij behoefde slechts +te zeggen, dat hij door een oproerigen priester gekweld werd, en het +bloed van Thomas-à-Becket, ofschoon een heilige, werd gestort op de +trappen van zijn eigen altaar.--Tracy, Morville, Brito, [33] getrouwe +en moedige onderdanen, uwe namen en uw geest zijn uitgestorven!--en +ofschoon Riginald Fitzurse een zoon heeft nagelaten, zoo heeft deze +zijn vaders getrouwheid en moed vergeten; hij is ontaard." + +"Hij is niet ontaard," hernam Waldemar Fitzurse; "en daar het niet +anders kan, zal ik zelf de uitvoering van deze gevaarlijke zaak op +mij nemen. Duur betaalde evenwel mijn vader den naam van een ijverig +vriend; en toch was zijn bewijs van getrouwheid aan Hendrik op verre +na niet te vergelijken bij dat, hetwelk ik op het punt ben om u te +geven; want liever wilde ik een geheel heir van heiligen aanvallen, +dan mijne lans tegen Leeuwenhart richten.--De Bracy, aan u moet ik de +zorg toevertrouwen, om den moed van de weifelenden op te houden,--voor +de veiligheid van Prins Jan te waken. Indien gij de tijding ontvangt, +die ik zeker u zal kunnen zenden, dan zal het gelukken van onze +onderneming niet langer twijfelachtig zijn.--Page!" riep hij, +"spoed u naar huis en zeg aan mijn wapenmeester, zich gereed te +houden; en beveel Steven Wetheral, Thoresby en de drie lansknechten +van Spyinglaw, zich dadelijk bij mij te vervoegen; ook Hugo Bardon, +de hoofdspion moet dadelijk komen.--Vaarwel, mijn Prins, tot betere +tijden!" En met deze woorden verliet hij het vertrek. + +"Hij gaat om mijn broeder gevangen te nemen," zei Prins Jan tegen +De Bracy, "met even weinig wroeging, alsof het slechts de vrijheid +van een Saksischen _Franklin_ gold. Ik denk toch, dat hij mijne +bevelen nakomen, en den persoon van onzen dierbaren Richard met allen +verschuldigden eerbied behandelen zal?" De Bracy antwoordde slechts +met een glimlach. + +"Bij het licht der oogen van onze Lieve Vrouw," zei Prins Jan, +"ons bevel daaromtrent was allerstelligst, schoon gij het mogelijk +niet gehoord hebt, daar wij te zamen bij het venster in den muur +stonden.--Allerduidelijkst en zeer bepaald was onze last, om voor +Richard's veiligheid te zorgen, en wee Waldemars hoofd, als hij mij +niet gehoorzaamt!" + +"Dan ware het beter, dat ik naar zijn huis ging," zei De Bracy, +"om hem den wil van Uwe Hoogheid goed aan het verstand te brengen; +want daar mijn oor er volstrekt niets van vernomen heeft, is het zeer +wel mogelijk, dat het ook Waldemars oor ontgaan is." + +"Neen, neen!" hernam Prins Jan ongeduldig; "ik verzeker u, dat hij +mij gehoord heeft; en buitendien heb ik andere bezigheden voor u, +Maurice; kom hier, laat mij op uw arm leunen." + +Ze liepen in deze vertrouwelijke houding de zaal op en neder, en Prins +Jan vervolgde op een toon van groote vertrouwelijkheid: "Wat denkt +gij van dezen Waldemar Fitzurse, mijn waarde De Bracy?--Hij verbeeldt +zich onze kanselier te worden. Zeker zullen wij ons moeten bedenken, +eer wij een zoo hoog ambt aan een man geven, die duidelijk toont, +hoe weinig hij ons bloed eerbiedigt, door deze onderneming tegen +Richard zoo gereedelijk op zich te nemen. Gij gelooft misschien, +dat gij iets van onze achting verloren hebt, door deze onaangename +taak zoo rondborstig te weigeren.--Maar neen, Maurice! ik acht u te +meer om uw deugdzame standvastigheid. Er zijn zeer noodige dingen te +verrichten, welker uitvoerders wij beminnen noch achten; en er kunnen +weigeringen zijn om ons te dienen, welke hen, die ons verzoek van +de hand wijzen, in onze achting doen rijzen. De gevangenneming van +mijn ongelukkigen broeder geeft niet zooveel aanspraak op de hooge +waardigheid van kanselier, als uwe ridderlijke en moedige weigering +u verschaft op den staf van grootmaarschalk. Denk daaraan, De Bracy, +en doe uw plicht!" + +"Trouwelooze tiran!" fluisterde De Bracy, terwijl hij den Prins +verliet; "wie op u vertrouwt is er ongelukkig aan toe! Uw kanselier, +voorwaar!--Hij, die uw geweten te bewaken heeft, zal waarlijk een +gemakkelijk ambt hebben. Maar grootmaarschalk van Engeland! dat," zei +hij, den arm uitstrekkende, alsof hij den staf reeds grijpen wilde, +en met trotschere schreden door de zaal stappende, "dat is inderdaad +een prijs, die de moeite waard is!" + +De Bracy had nauwelijks de kamer verlaten, of Prins Jan riep een +bediende, en zei tot hem: "Beveel Hugo Bardon, onzen spion, hier te +komen, zoodra hij met Waldemar Fitzurse gesproken heeft." + +Bardon kwam spoedig, terwijl de Prins met ongelijke en wankelende +schreden door het vertrek stapte. + +"Bardon, wat begeerde Waldemar van u?" vroeg hij. + +"Twee moedige mannen, goed met deze Noordsche wildernissen bekend, +en geoefend in het volgen van het spoor van menschen en paarden." + +"En hebt gij hem die verschaft?" + +"Uwe Hoogheid moge mij anders nooit weer vertrouwen," antwoordde de +aanvoerder der spionnen. "De één is uit Hexhamshire; hij is gewoon +dieven in Tynedale en Teviotdale op te sporen, gelijk een bloedhond +het gekwetste wild. De andere is uit Yorkshire, en heeft menigmaal +den boog in het woud van Sherwood gespannen; hij kent elke grasvlakte, +kreupelhout en bosch tusschen hier en Richmond." + +"Goed!" zei de Prins. "Vertrekt Waldemar met hen?" + +"Dadelijk," antwoordde Bardon. + +"Met wat gevolg?" vroeg Jan onverschillig. + +"Thoresby gaat met hem, en Wetheral, dien men om zijne wreedheid +Steven Steen-hart noemt; en drie noordsche krijgslieden, die tot den +troep van Rolf Middleton behoord hebben; men noemt hen de lansknechten +van Spyinglaw." + +"Goed," hernam weder Prins Jan; en na een oogenblik zwijgens voegde +hij er bij: "Bardon, het is noodig, dat gij een waakzaam oog houdt +op Maurice de Bracy,--zóó echter, dat hij er niets van merkt;--en +onderricht mij van tijd tot tijd van zijne bewegingen,--met +wien hij spreekt, en wat hij doet. Verzuim dit niet; gij zijt er +verantwoordelijk voor." + +Hugo Bardon boog en vertrok. + +"Als Maurice mij verraadt," zei Prins Jan--"als hij mij verraadt, +zooals zijn gedrag mij doet vreezen, dan zal ik zijn hoofd hebben, +al raasde Richard zelfs voor de poorten van York!" + + + + + +VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Wek in Hircaniës woestijn den tijger, + Ontruk den hongerigen leeuw zijn prooi; + 't Is min gevaarlijk, dan het smeulend vuur + Der dweepzucht aan te blazen! + + Anonymus. + + +Ons verhaal keert thans tot Izaäk van York terug.--Gezeten op +een muilezel, welken de vrijbuiter hem geschonken had, door twee +krachtige schutters vergezeld, die hem tot lijfwacht dienden, was de +Jood op reis gegaan naar de Preceptory van Templestowe, om over het +losgeld zijner dochter te onderhandelen. De Preceptory was maar ééne +dagreis van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd, en +de Jood had gehoopt, die vóór het vallen van den nacht te bereiken; +na zijne leidslieden dus bij het einde van het bosch ontslagen en +hen met een stuk zilver beloond te hebben, haastte hij zich, zooveel +zijne vermoeidheid hem vergunde. Maar de krachten begaven hem geheel, +toen hij nog vier mijlen van het hof der Tempeliers was; hevige pijnen +voeren hem door den rug en de leden, en zijn knagende zielsangst, nu +door lichamelijk lijden vergroot, maakte het hem volstrekt onmogelijk +om verder te gaan, dan tot een klein vlekje waar een Joodsche Rabbijn +woonde, die zeer ervaren was in de geneeskunde en dien Izaäk goed +kende. Nathan Ben Israël ontving zijn lijdenden landsman met die +gastvrijheid, welke de wet voorschreef, en welke de Joden jegens +elkander uitoefenden. Hij stond er op, dat hij zich ter rust zou +begeven, en diende hem die geneesmiddelen toe, welke toen de besten +gerekend werden om de koorts te stuiten, welke schrik, vermoeienissen +en verdriet den armen ouden Jood op den hals gehaald hadden. Des +morgens, toen Izaäk opstaan en zijne reis vervolgen wilde, verzette +Nathan zich tegen zijn voornemen, zoowel in zijne hoedanigheid van +gastheer als in die van geneesheer. Het kon hem het leven kosten, +zei hij. Maar Izaäk gaf hem tot antwoord, dat er meer dan leven en +dood met zijne reis naar Templestowe gemoeid was. + +"Naar Templestowe!" zei zijn gastheer met verbazing; voelde hem +nog eens den pols, en pruttelde toen in zich zelven; "De koorts is +afgenomen, maar toch schijnt zijn geest eenigszins verward." + +"En waarom niet naar Templestowe?" antwoordde zijn patient. "Ik +geef u toe, Nathan, dat het eene woning is van mannen, voor welke +de verachte kinderen Israëls een steen des aanstoots en een afschuw +zijn; maar ge weet, dat dringende handelszaken ons soms onder deze +bloeddorstige Nazareensche soldaten voeren, en dat wij de Preceptorijen +der Tempeliers, zoowel als de Commanderijen der Hospitaal-ridders, +gelijk men ze noemt, bezoeken." [34] + +"Dat weet ik wel," hernam Nathan; "maar weet ge wel, dat Lucas de +Beaumanoir, het opperhoofd van hunne Orde, en dien ze Grootmeester +noemen, nu zelf te Templestowe is?" + +"Dat wist ik niet," hervatte Izaäk; "de laatste brieven van onze +broeders te Parijs berichtten ons, dat hij zich in die stad bevond, +om Filips hulp tegen den Sultan Saladin te vragen." + +"Hij is sedert naar Engeland overgekomen, zonder dat zijne broeders hem +in het minst verwachtten, en hij komt met een sterken en uitgestrekten +arm, om hen te verbeteren en te bestraffen; zijn aangezicht is in toorn +ontstoken tegen hen, die van hunne gedane geloften zijn afgeweken, +en groot is de schrik onder die zonen van Belial. Ge hebt hem toch +zeker wel hooren noemen?" + +"Ja zeker," antwoordde Izaäk; "de Heidenen schilderen dezen Lucas +Beaumanoir af, als een vurigen ijveraar voor ieder punt van de +Nazareensche wet; en onze broeders noemen hem een wreeden vernieler der +Saracenen, en een hardvochtigen dwingeland voor de kinderen Israëls." + +"En zoo noemen zij hem met recht," hernam Nathan de geneesheer. "Andere +Tempeliers kunnen van hun voornemen worden afgebracht door vermaak, +of omgekocht worden door goud en zilver; maar Beaumanoir is van +verschillenden stempel;--hij veracht de zinnelijkheid, veracht den +rijkdom, en streeft naar hetgeen ze de martelaarskroon noemen.--De +God van Jakob schenke ze weldra aan hem en hen allen!--Vooral heeft +deze trotsche man zijne hand uitgestrekt tegen de kinderen van Juda, +evenals de heilige David tegen Edom, en hij houdt het vermoorden +van een Jood voor eene even aangename offerande, als de dood van een +Saraceen. Goddelooze en valsche dingen heeft hij gezegd, zelfs van +de krachten van onze geneesmiddelen, alsof het ingevingen van den +Satan waren.--De Heer straffe hem daarvoor!" + +"En toch," hernam Izaäk, "moet ik mij naar Templestowe begeven, +al ware ook zijn aangezicht gelijk een vurig brandende oven." + +Hierop verklaarde hij aan Nathan de dringende reden van zijne reis.--De +Rabbijn luisterde met belangstelling, en betuigde zijne deelneming +naar de wijze van zijn volk, zijn kleederen scheurende en uitroepende: +"Ach, mijne dochter!--Ach, mijne dochter!--Wee over de dochter van +Sion!--Wee over de gevangenschap van Israël!" + +"Ge ziet," zei Izaäk, "hoe de zaken met mij staan, en dat ik niet +dralen mag. Misschien verhindert de tegenwoordigheid van dezen Lucas +Beaumanoir, die hun opperhoofd is, Brian De Bois-Guilbert in het +kwaad, dat hij in den zin heeft, en dan zal hij mij mijne beminde +dochter Rebekka teruggeven." + +"Ga dan," zei Nathan Ben Israël; "en wees wijs; want wijsheid redde +Daniël in den leeuwenkuil, waarin hij geworpen was; en het ga u naar +den wensch uws harten. Maar zoo ge kunt, ontwijk de tegenwoordigheid +van den Grootmeester, want het is zijn dagelijksch vermaak ons volk +door verachting te krenken. Mogelijk zult ge beter bij Bois-Guilbert +slagen, zoo ge hem in het geheim kunt spreken; want men zegt, dat deze +verwenschte Nazareërs in de Preceptorij niet al te eenig zijn.--Mogen +hunne beraadslagingen tot schande gemaakt worden!--Maar, broeder, +keer tot mij terug, als tot het huis van uw vader, en breng bericht, +hoe het u gegaan is; en ik hoop, dat ge Rebekka mede zult brengen, +de leerling der wijze Mirjam, wier genezingen de Heidenen lasterden, +alsof ze het werk des Satans waren." + +Izaäk zei zijn vriend vaarwel, en na omtrent een uur gereden te hebben, +kwam hij vóór de Preceptorij van Templestowe. Deze stichting der +Tempeliers lag tusschen schoone, vette weiden, welke de vorige vrome +Preceptor aan de Orde ten geschenke gegeven had. Het gebouw was goed +versterkt; iets dat deze ridders nooit verzuimden, en dat de onveilige +toestand van Engeland noodig maakte. Twee zwartgekleede hellebaardiers +bewaakten de ophaalbrug, en anderen in dezelfde sombere liverei, slopen +heen en weer op de muren met een doodschen tred, meer op spoken dan op +soldaten gelijkende. De mindere dienaren van de orde waren in het zwart +gekleed, sedert het gebruik van witte kleederen, gelijk aan die van +de ridders en knapen, in de gebergten van Palestina eene vereeniging +van zekere valsche broeders had doen ontstaan, die zich Tempelridders +noemden, en der Orde groote schande berokkend hadden. Men zag nu en +dan een ridder in zijn langen witten mantel, met neergebogen hoofd, +en gekruiste armen over de plaats gaan. Ze gingen elkander voorbij +met een langzamen, plechtstatigen en stommen groet, volgens den regel +van hunne Orde, zich op de woorden der heilige Schrift beroepende: +"Door vele woorden ontgaat gij de zonde niet," en "Leven en dood +zijn in de macht der tong." In één woord, de sombere monnikachtige +gestrengheid van de tucht der Tempeliers, welke ze sedert lang tegen +verkwisting en losbandigheid verruild hadden, scheen eensklaps te +Templestowe onder het waakzame oog van Lucas Beaumanoir te herleven. + +Izaäk bleef voor de poort staan, om te overwegen op welke wijze hij +zich het best eene gunstige ontvangst verzekeren zou; want hij begreep +wel, dat voor zijn ongelukkigen stam de herlevende dweepzucht van +de Orde niet minder gevaarlijk was dan haar grootste losbandigheid; +en dat zijn godsdienst het voorwerp van haat en vervolging in het +ééne geval zou zijn, gelijk zijn rijkdom hem in het andere aan de +knevelarijen van onbarmhartige onderdrukking zou blootgesteld hebben. + +Intusschen wandelde Lucas Beaumanoir in een kleinen tuin, die tot de +Preceptorij behoorde, en door de buitenste vestingwerken ingesloten +was, in somber en vertrouwelijk gesprek met een broeder van de Orde, +die met hem uit Palestina was teruggekomen. + +De Grootmeester was een man van reeds gevorderden leeftijd, +zooals zijn lange, grijze baard en zijn zware, grijze wenkbrauwen +getuigden, welken over oogen hingen, wier vuur de ouderdom niet had +kunnen blusschen. Zijn magere, strenge gelaatstrekken toonden, dat +hij een geduchte krijgsman geweest was, en hadden steeds nog eene +krijgshaftige, trotsche uitdrukking; niet minder bewees hunne door +onthouding veroorzaakte magerheid, dat hij een bijgeloovig boetedoener +en een hoogmoedig met zichzelven tevreden dweper was. Evenwel was +er op deze harde gelaatstrekken iets treffends en edels, dat zonder +twijfel toe te schrijven was aan de groote rol, welke zijn aanzienlijk +ambt hem verplichtte onder koningen en vorsten te spelen, en aan de +gewone uitoefening van gezag over de vele dappere en edele ridders, +die door de regels der Orde vereenigd waren. Zijne gestalte was groot +en zijne houding recht en statig, zonder door ouderdom en uitgestane +vermoeienissen gedrukt te zijn. Zijn witte mantel was stipt naar het +voorschrift van St. Bernardus zelven gemaakt, bestaande uit hetgeen +men toen _Burrel_-laken noemde. Deze mantel paste volkomen aan zijne +gestalte, en vertoonde op den linker schouder het achthoekige kruis van +de Orde in rood laken. Geen bont of hermelijn versierde zijn kleeding; +maar uit aanmerking van zijne hooge jaren was des Grootmeesters +wambuis, zooals de regels vergunden, met het fijnste lamsvel bezet, +met de wol naar buiten gekeerd,--hetwelk het dichtste bij bont +kwam,--de grootste weelde van dien tijd. In zijn hand droeg hij dien +eenvoudigen _abacus_ of ambtsstaf, waarmede de Tempeliers dikwijls +afgebeeld worden, aan het bovenste einde met een knop, waarop het kruis +van de Orde gegraveerd was, door een kring, of parelsnoer zooals de +herauten zulks noemen, omgeven. De man, welke deze hooge personaadje +vergezelde, droeg bijna in alle opzichten dezelfde kleeding, maar zijne +bijzondere onderdanigheid jegens zijn opperste toonde, dat er verder +geene gelijkheid tusschen hen bestond. De Preceptor, want dit was zijn +titel, ging niet vlak naast den Grootmeester, maar even achter hem, +zoodat Beaumanoir met hem spreken kon, zonder het hoofd om te draaien. + +"Koenraad," zei de Grootmeester, "dierbare deelgenoot mijner veldslagen +en werken, in uw getrouwen boezem alleen kan mijn hart zijn verdriet +uitstorten. U kan ik zeggen, hoe dikwijls ik sedert mijne aankomst +in dit koninkrijk gewenscht heb verlost te worden en in te gaan in +de woningen der rechtvaardigen. Geen enkel voorwerp heeft zich in +Engeland aan mijne oogen opgedaan, waarop ze met welgevallen konden +rusten, behalve de graven onzer broeders, onder het grootsche gewelf +van onze tempelkerk in gindsche trotsche hoofdstad. O dappere Robert +de Ros! riep ik in mij zelven uit, terwijl ik op de strijders van +het kruis staarde, zooals ze daar op hunne graftomben afgebeeld +zijn;--o waardige Willem de Mareschal! opent uwe marmeren cellen, en +neemt in uwe rustplaats een vermoeiden broeder op, die liever tegen +honderdduizend Heidenen zou willen strijden dan het verval van onze +heilige Orde aanschouwen!" + +"Het is maar al te waar," antwoordde Koenraad Mont-Fitchet; "en de +ongebondenheid onzer broeders in Engeland is zelfs nog erger dan +in Frankrijk." + +"Omdat ze rijker zijn," hernam de Grootmeester. "Verschoon mij, +broeder, als ik mij zelven een weinig prijzen moet; gij kent het leven, +dat ik geleid heb; iederen regel van onze Orde heb ik gevolgd, ik heb +vleeschelijke en geestelijke duivels bestreden; ik heb den brieschenden +leeuw, die rondgaat om te zoeken, wien hij verslinden zal, als een +dapper ridder en vroom priester geveld, overal waar ik hem vinden +kon,--zooals de gezegende St. Bernardus ons heeft voorgeschreven in het +vijfenveertigste hoofdstuk onzer regels, _Ut leo semper feriatur_. [35] + +Maar, bij den heiligen Tempel! bij den ijver, welke mijne kracht +en mijn leven, ja, de zenuwen en het merg mijner beenderen verteerd +heeft,--bij dienzelfden heiligen Tempel zweer ik u, dat behalve u en +nog een, welke de oude, strenge tucht van onze Orde nog handhaven, +ik geen broeder ken, die ik in mijn hart dien naam waardig keur. Wat +zeggen onze wetten, en hoe volgen onze broeders die op? Ze mogen geen +ijdel of wereldsch sieraad dragen, geen helmteeken, geen goud aan +stijgbeugels of toom; maar wie vertoont thans meer pracht en weelde, +dan de arme krijgslieden van den Tempel? Het is hun verboden, op de +valkenjacht te gaan, dieren met den pijl te vellen; op den jachthoren +te blazen, en hun paard voor de jacht te gebruiken, maar wie is nu zoo +bedreven als zij in alle ijdele vermaken van wild- en valkenjacht, en +in alle genoegens, die bosch en rivier opleveren?--Het is hun verboden +iets te lezen, zonder verlof van hunne meerderen; of naar iets te +luisteren, behalve de Heilige Schriften, die in het Refectorium +voorgelezen worden, en zie, ze geven gehoor aan minnezangers en +vermaken zich met dwaze romances. Zij moesten tooverij en ketterij +uitroeien,--en zie! thans zijn zij ijverig bezig, om de verwenschte +kabbalistische geheimen der Joden en de tooverij der Heidensche +Saracenen te beoefenen. Eenvoudige kost is hun voorgeschreven; wortels, +kruiden, gerstenat, en slechts driemaal in de week vleesch, omdat het +dagelijksch gebruik er van een schandelijk bederf voor het lichaam +is, en zie! hun tafels bezwijken onder het gewicht der lekkerste +spijzen.--Hun drank moest water zijn; en thans beroemt zich ieder +vroolijke gast, dat hij drinkt als een tempelier! Deze tuin zelf, +gevuld met kruiden en boomen, die uit het Oosten zijn overgebracht, +paste beter voor den _Harem_ van een ongeloovigen Emir, dan voor +de plek, welke Christenmonniken moesten gebruiken voor het planten +hunner keuken-groenten.--En, o Koenraad! welk een geluk zou het nog +zijn, indien de vergetelheid der tucht niet verder ging!--Het is u +bekend, dat men ons verboden heeft die vrome vrouwen te ontvangen, +welke in den beginne als zusters bij onze Orde ingelijfd waren, +omdat, zooals het zes-en-veertigste hoofdstuk zegt, de Satan, +door vrouwelijk gezelschap, menigeen van het rechte pad der +zaligheid heeft afgetrokken. Ja, zelfs in het laatste hoofdstuk, +(als het ware de slotsom van de zuivere, onbevlekte leer van onzen +gezegenden stichter), is het ons verboden, zelfs aan onze moeders en +zusters den kus der liefde te geven, _ut ommium mulierum fugiantur +oscula!_--Ik schaam mij over de verdorvenheid, die onder ons heerscht, +te spreken,--ja zelfs er aan te denken! De zielen onzer deugdzame +stichters, de schimmen van Hugo de Payen en Godfried de Saint Omer, +en van de zalige Zeven, die zich het eerst vereenigden, om hun leven +aan den dienst van den Tempel te wijden, worden in de zaligheid, +welke zij in het Paradijs genieten, gestoord. Ik heb hen gezien, +Koenraad, in nachtelijke droomen;--hunne heilige oogen stortten tranen +over de zonden en dwaasheden hunner broeders, en de schandelijke +losbandigheden, waarin zij zich dompelen. Beaumanoir! riepen zij; +gij slaapt,--ontwaak! Er ligt een schandvlek op het huis des Tempels, +schandelijk en groot, als het teeken, dat oudtijds op de huizen, +waar de melaatschheid geheerscht had, gemaakt werd. [36] De soldaten +van het kruis, die den blik der vrouwen, gelijk het oog der basilisken +moesten vermijden, leven in openlijke zonde, niet alleen met de vrouwen +van hun eigen stam, maar met de dochters der vervloekte Heidenen, +en nog erger vervloekte Joden. Beaumanoir, gij slaapt; op! en wreek +ons!--Verdelg de zondaars, mannen en vrouwen!--Grijp het zwaard van +Phineas!--De verschijning verdween, Koenraad, maar toen ik ontwaakte, +kon ik nog het gekletter der wapenrustingen hooren, en het golven +der witte mantels zien.--En ik wil naar hun bevel handelen, ik _wil_ +den Tempel zuiveren, en de onreine steenen, waarin de pest zit, +zal ik wegnemen en uit het gebouw werpen!" + +"Maar bedenk, eerwaarde vader," zei Mont-Fitchet, "dat de smet door +tijd en gewoonte ingevreten is: laat de hervorming voorzichtig zijn, +zoowel als billijk en wijs." + +"Neen, Mont-Fitchet;--ze moet streng en plotseling zijn:--de Orde is op +het keerpunt van haar lot. De matigheid, zelfopoffering en vroomheid +van onze voorgangers hebben ons machtige vrienden verschaft;--onze +verwaandheid, rijkdom en weelde hebben ons geduchte vijanden op +den hals gehaald.--Wij moeten deze schatten wegwerpen, welke eene +verzoeking zijn voor de vorsten;--wij moeten die verwaandheid afleggen, +welke eene beleediging voor hen is;--wij moeten de losbandigheid +onzer zeden verbeteren, welke eene ergernis is voor de geheele +Christen-wereld!--of,--let wel op mijn woorden,--de Orde van den +Tempel zal geheel worden vernietigd, en hare plaats zal niet meer +onder de volkeren bekend zijn." + +"God wende deze ramp van ons af!" riep de Preceptor. + +"Amen!" zei de Grootmeester plechtig; "maar wij moeten Zijne hulp +verdienen. Ik zeg u, Koenraad, dat noch de machten des Hemels, noch +die der aarde de verdorvenheid van het tegenwoordig geslacht kunnen +verdragen. Mijne berichten zijn zeker;--de grond, waarop ons gebouw +staat, is reeds ondermijnd en iedere vermeerdering van grootheid +zal het slechts te eerder doen instorten. Wij moeten onze schreden +achterwaarts wenden, en ons als getrouwe strijders voor het kruis +gedragen, aan onze roeping niet alleen ons bloed en leven, niet +alleen onze lusten en ondeugden, maar ons gemak, onze levensvreugd, +onze neigingen en menig vermaak opofferen, dat geoorloofd kan zijn +aan anderen, maar verboden is aan den heiligen krijgsman des Tempels." + +Op dit oogenblik kwam een schildknaap in een afgesleten kleed (want +de candidaten tot deze heilige Orde droegen gedurende hun noviciaat de +kleederen, welke de ridders afgelegd hadden,) in den tuin, maakte een +diepe buiging voor den Grootmeester, en bleef stilstaan, daar hij zijn +boodschap niet verrichten durfde, eer hij verlof daartoe bekomen had. + +"Is het niet passender," zei de Grootmeester, "dezen Damian in het +kleed van Christelijke nederigheid in eerbiedige stilte voor zijn +opperste te zien verschijnen, dan zooals hij voor twee dagen rondliep, +als een nar in een bont wambuis, terwijl hij trotsch en ijdel als +een papegaai snapte?--Spreek, Damian, wij veroorloven het u;--wat is +uwe boodschap?" + +"Een Jood staat buiten de poort, edele en eerwaarde vader, en verzoekt +broeder Brian De Bois-Guilbert te spreken." + +"Gij doet wel mij hiervan kennis te geven," zei de Grootmeester; +"in onze tegenwoordigheid is een Preceptor slechts een gewoon lid +van onze Orde, die niet naar zijn eigen wil mag handelen, maar naar +dien van zijn Meester,--volgens den tekst: "Zoodra hij mij hoorde, +gehoorzaamde hij!"--Er is ons bijzonder veel aan gelegen, om iets van +het gedrag van dezen Bois-Guilbert te hooren," zei hij, zich tot zijn +makker wendende. + +"Het gerucht noemt hem stout en dapper," zei Koenraad. + +"En met recht noemt men hem zoo," hernam de Grootmeester; "in onze +dapperheid alleen zijn wij van onze voorgangers, de helden van het +kruis, niet ontaard. Maar broeder Brian trad in onze Orde als een +somber, ontevreden mensch; zonder twijfel aangespoord om onze gelofte +aan te nemen en de wereld vaarwel te zeggen, niet uit oprechtheid der +ziel, maar als een man, dien eenig gering ongeluk tot ontevredenheid en +berouw had gebracht. Sedert is hij een ijverig en ernstig onruststoker, +een ontevreden woelgeest, en een aanvoerder van hen geworden, die zich +tegen ons gezag verzetten, zonder te overwegen, dat aan den meester de +macht gegeven is, zelfs door het teeken van den staf en der roede,--den +staf om de zwakken te ondersteunen;--de roede om de misdadigers te +straffen.--Damian," vervolgde hij, "breng den Jood voor ons." + +De knaap vertrok met eene diepe buiging, en keerde binnen weinige +minuten terug, Izaäk van York binnen leidende. Geen hulpelooze slaaf, +die in de tegenwoordigheid van eenig machtig vorst gebracht wordt, +kan diens rechterstoel met dieper eerbied en schrik naderen. Toen hij +op een afstand van drie ellen gekomen was, gaf Beaumanoir een teeken +met zijn staf, dat hij niet nader zou komen. De Jood knielde op den +grond neder, welken hij als een teeken van eerbied kuste; hierna +oprijzende, bleef hij voor de Tempeliers staan, met de handen op de +borst gevouwen, en het hoofd voorovergebogen, als een Oostersche slaaf. + +"Damian," zei de Grootmeester, "vertrek, en houd een wacht gereed, +om dadelijk op ons bevel te verschijnen; en laat niemand in den tuin +komen, eer wij dien verlaten hebben."--De schildknaap boog diep en +vertrok.--"Jood," vervolgde de trotsche grijsaard, "let op! Het past +onzen stand niet, om lang met u te spreken, en het is onze gewoonte +niet, met wien het ook zij, woorden of tijd te verspillen. Wees +dus kort in uw antwoorden op hetgeen ik u vragen zal, en spreek de +waarheid; want zoo uw tong mij bedriegt, zal ik ze uit uw ongeloovigen +hals laten scheuren." + +De Jood wilde antwoorden, maar de Grootmeester ging voort: + +"Zwijg, ongeloovige!--Geen woord in onze tegenwoordigheid, dan in +antwoord op onze vragen.--Wat hebt gij met onzen broeder Brian de +Bois-Guilbert te doen?" + +Izaäk beefde van schrik en onzekerheid. Zoo hij zijne geschiedenis +verhaalde, kon die als eene lastering van de Orde beschouwd worden; en +indien hij daarentegen ze niet verhaalde, wat hoop kon hij dan hebben, +om de verlossing zijner dochter te bewerken? Beaumanoir zag zijn +doodsangst, en verwaardigde zich, om hem een weinig gerust te stellen. + +"Vrees niets," zei hij, "voor uw ellendig leven, Jood, indien gij +oprecht in deze zaak te werk gaat.--Ik vraag nog eens, wat hebt gij +met Brian de Bois-Guilbert te doen?" + +"Ik ben de overbrenger van een brief," stamelde de Jood, "met uw +verlof, hoogeerwaarde en gestrenge heer, voor dezen dapperen ridder +van den Prior Aymer, van de Abdij van Jorvaulx." + +"Zei ik niet, dat het booze tijden waren, Koenraad?" zei de +Grootmeester. "Een Cisterciënser Prior zendt een brief aan een soldaat +van den Tempel, en kan geen geschikter bode vinden dan een ongeloovigen +Jood.--Geef mij den brief!" + +De Jood maakte met bevende handen de plooien van zijn Armenische +kap los, waarin hij des Priors schrijftafel tot grootere veiligheid +verborgen had, en wilde met uitgestrekte hand en gebogen lichaam +naderen, om die aan zijn strengen rechter over te geven. "Terug, +hond!" riep de Grootmeester. "Ik raak geen ongeloovige aan, behalve met +het zwaard.--Koenraad, neem den brief aan, en geef hem aan mij over." + +Beaumanoir, thans in het bezit van de schrijftafel, bekeek den +buitenkant nauwkeurig, en wilde toen het garen losmaken, waarmede +die toegemaakt was. "Eerwaarde vader," zei Koenraad met eerbied, +"zult gij het zegel openbreken?" + +"Zou ik niet?" hervatte Beaumanoir met gefronst voorhoofd. "Staat er +niet in het tweeënveertigste hoofdstuk, _De lectione literarum_, dat +een Tempelier geen brief mag ontvangen, zelfs van zijn vader, zonder +dien aan den Grootmeester over te geven, en in zijne tegenwoordigheid +te lezen?" + +Hierop keek hij haastig den brief door, en met eene uitdrukking van +verbazing en afgrijzen, las hij dien nog eenmaal langzamer over; +vervolgens het papier aan Koenraad met de eene hand toehoudende en +er met de andere licht op slaande, riep hij uit: "Dat is eene schoone +zaak voor een Christen, om aan een ander Christen over te schrijven, +en beiden zijn leden, en geen onaanzienlijke leden, van heilige +broederschappen! Wanneer," zei hij plechtig met ten hemel geslagene +oogen, "zult Gij, o Heer! met Uw wan komen, om den dorschvloer te +zuiveren?" + +Mont-Fitchet nam den brief van zijn opperste, en wilde hem +doorlezen. "Lees hard op, Koenraad," zei de Grootmeester, "en gij" +(tegen Izaäk), "luister naar den inhoud, want wij zullen u daarover +ondervragen!" + +Koenraad las den brief, welke aldus luidde: + + + "Aymer, door Gods genade, Prior van het huis der Cisterciënsers + van de Heilige Maria van Jorvaulx, wenscht den Ridder Brian de + Bois-Guilbert, van de heilige Orde des Tempels, gezondheid, + met de gunst van God Bacchus en van Vrouw Venus. Wat onzen + tegenwoordigen toestand betreft, waarde broeder, wij zijn + een gevangene in de handen van zekere wetschendende en + goddelooze mannen, die niet gevreesd hebben onzen persoon aan + te houden en ons losgeld af te dwingen, waardoor wij ook van + Front-de-Boeuf's ongeluk zijn onderricht geworden, en dat + gij met die schoone Joodsche tooveres ontsnapt zijt, wier + zwarte oogen u bekoord hebben. Wij zijn hartelijk verblijd, + dat ge in veiligheid zijt; evenwel bidden wij u, op uwe + hoede te zijn ten opzichte van deze tweede heks van Endor; + want wij zijn in het geheim verzekerd, dat uw Grootmeester, + die zich niet in het minste aan roode wangen en zwarte oogen + stoort, uit Normandië komt, om uwe genoegens te beperken, en + uwe misstappen te bestraffen. Derhalve bidden wij u hartelijk + op uwe hoede te zijn en wakende gevonden te worden, zooals + de heilige tekst zegt: _Invenientur vigilantes!_ En de rijke + Jood, haar vader, Izaäk van York, mij om een brief ter haren + voordeele verzocht hebbende, zoo heb ik hem dezen gegeven, u + ernstig aanradende om het meisje tegen losgeld vrij te geven, + daar hij uit zijne geldzakken gemakkelijk genoeg geven kan, + om vijftig andere vrouwen los te koopen en van dit geld hoop + ik mijn deel te krijgen, als wij ons samen verlustigen zullen, + gelijk getrouwe broeders, den wijnbeker niet te vergeten; + want, wat zegt de tekst? _Vinum lactificat cor hominis_; + en verder: _Rex delectabitur pulchritudine tua_. + + Wij wenschen u wel te leven tot aan onze eerste + bijeenkomst! Gegeven uit dit roovershol, tegen het uur van + het morgengebed. + + Aymer, Pr. S. M. Jorvolciensis. + + "_Postscriptum._ Waarachtig, uw gouden ketting is niet lang + bij mij gebleven, en daaraan hangt thans, om den hals van een + vogelvrijverklaarden wilddief, het fluitje, waarmede hij zijn + jachthonden roept!" + + +"Wat zegt ge hiervan, Koenraad?" zei de +Grootmeester. "Roovershol! waarlijk een geschikt verblijf voor zulk +een Prior! Geen wonder, dat Gods hand zwaar op ons ligt, en dat wij +in het heilige Land stad op stad, voet voor voet, op de ongeloovigen +verliezen, daar wij zulke geestelijken, als dezen Aymer, hebben!--En +wat meent hij toch met die tweede heks van Endor?" vroeg hij zijn +vertrouweling ter zijde. + +Koenraad was (misschien uit ondervinding) beter bekend met de taal der +galanterie, dan zijn opperste; en hij verklaarde den Grootmeester, +dat dit eene uitdrukking was, in gebruik bij wereldsgezinde mannen +jegens degenen, welken ze _par amours_ beminden; maar deze verklaring +voldeed den bijgeloovigen Beaumanoir niet. + +"Daar schuilt meer achter dan ge wel denkt, Koenraad; uwe eenvoudigheid +kan dezen afgrond van goddeloosheid niet peilen. Deze Rebekka van York +was eene leerlinge van Mirjam, van wie ge hebt hooren spreken. Ge +zult zien; de Jood zelf zal het bekennen." Voorts zich tot Izaäk +wendende, zei hij luide: "Uw dochter is dus de gevangene van Brian +De Bois-Guilbert?" + +"Ja, eerwaarde en dappere heer, en al wat een arm man voor haar +bevrijding betalen kan--" + +"Stil!" zei de Grootmeester. "Deze uw dochter heeft de heelkunde +beoefend, niet waar?" + +"Ja, genadige heer;" antwoordde de Jood met herlevenden moed, "en +ridder en knecht, vasal en heer zegenen de gaven, welke de Hemel haar +geschonken heeft. Menigeen kan getuigen, dat ze hem door hare kunst +genezen heeft, toen alle andere menschelijke hulp vruchteloos was; +maar de zegen van den God van Jakob rustte op haar." + +Beaumanoir wendde zich tot Mont-Fitchet met een sarkastischen lach: +"Zie, broeder," zei hij, "de verleidingen van den aartsvijand der +menschen! Zie het lokaas, waarmede hij naar zielen vischt, daar hij een +korte span aardsch leven voor de eeuwige zaligheid schenkt! Wat zegt +onze heilige regel: _Semper percutiatur leo vorans_.--Val aan op den +leeuw! Vel den vernieler!" riep hij, zijn symbolieken staf zwaaiende, +alsof hij de machten der duisternis uitdaagde. "Uwe dochter werkt dus," +ging hij voort tegen den Jood, "door woorden, zegels, amuletten en +andere kabbalistische geheimen?" + +"Neen, eerwaarde en dappere ridder," antwoordde Izaäk, "maar +hoofdzakelijk door een balsem van wonderdadige kracht." + +"Van wien heeft ze dit geheim?" vroeg Beaumanoir. + +"Het werd haar geopenbaard door Mirjam, eene wijze vrouw uit onzen +stam," antwoordde Izaäk aarzelende. + +"Ha, valsche Jood! was het die heks Mirjam, wier afschuwelijke +toovenarijen in ieder Christelijk land bekend zijn?" riep de +Grootmeester, een kruis slaande. "Haar lichaam is op een brandstapel +verbrand, en hare asch door de winden verstrooid; en zoo ga het mij +en mijne Orde, zoo ik niet hetzelfde en nog meer aan haar leerling +doe! Ik zal haar leeren de soldaten van den Heiligen Tempel te +betooveren!--Hier, Damian! werp dezen Jood buiten de poort!--Schiet +hem dood, zoo hij zich verzet of terugkeert! Met zijne dochter zullen +wij handelen, zooals de Christelijke wet en ons heilig ambt vorderen!" + +De arme Izaäk werd dus weggesleept en naar buiten geworpen, zonder +dat men de minste acht sloeg op zijn smeekingen, of zelfs op zijn +aanbiedingen. Hij kon dus niets beters doen, dan naar het huis +van den Rabbijn terug te keeren, en te trachten, door middel van +dezen gewaar te worden, wat het lot zijner dochter zijn zou. Hij +had tot hiertoe voor haar eer gevreesd, en nu moest hij voor haar +leven sidderen. Intusschen liet de Grootmeester den Preceptor van +Templestowe bij zich komen. + + + + + +ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Zeg niet, mijn kunst is slechts bedrog;--alles leeft + Door schijn; hij is het, die den beed'laar voedt, + Den hov'ling land en rang en tit'len schenkt. + De geestelijke en de moedige soldaat + Verheft zich door den schijn;--elk huldigt hem, + En hij, voorwaar, die steeds zich hier vertoont + Gelijk hij is, heeft weinig roem te wachten, + In 't veld, in staat, of kerk. Zoo is de wereld! + + Oud Toneelstuk. + + +Albert Malvoisin, President, of in de taal der Orde, Preceptor der +stichting te Templestowe, was de broeder van dien Philip Malvoisin, +van wien wij reeds vroeger in dit verhaal melding hebben gemaakt, +en evenals deze baron, was hij ook nauw met Brian De Bois-Guilbert +verbonden. + +Onder de losbandige en ongeregelde mannen, die bij de Orde der +Tempeliers zoo talrijk waren, was Albert van Templestowe geen der +minsten; maar met dit verschil van den stouten Bois-Guilbert, dat hij +zijne ondeugden en eerzucht onder den sluier van schijnheiligheid +wist te bedekken, en uiterlijk de dweepzucht te veinzen, welke hij +inwendig verachtte. Ware de aankomst van den Grootmeester niet zoo +geheel onverwacht geweest, dan zou hij te Templestowe niets gezien +hebben, dat eenige verslapping van tucht kon verraden. En ofschoon +Albert Malvoisin door de verrassing eenigszins overrompeld werd, +luisterde hij met zooveel eerbied en schijnbaar berouw naar de +berispingen van zijn opperste, en haastte zich zoo zeer om alles +wat deze afkeurde, te hervormen, en slaagde kortom zoo wel, om den +schijn van klooster-vroomheid aan een gesticht te geven, dat nog +kort te voren aan losbandigheid en vermaak was toegewijd geweest, +dat Lukas Beaumanoir eene betere meening van de zeden des Preceptors +begon te koesteren, dan het eerste voorkomen der stichting hem had +doen opvatten. + +Maar deze gunstige meening van den Grootmeester werd zeer verminderd +door het bericht, dat Albert een Joodsche gevangene in het heilige +huis had opgenomen, en wel, zooals te vreezen was, de beminde van +een broeder der Orde; en toen Albert voor hem verscheen, werd hij +met ongewone gestrengheid behandeld. + +"Er is in dit gebouw, toegewijd aan de heilige Orde des Tempels," zei +de Grootmeester op ernstigen toon, "eene Joodsche vrouw, die door een +broeder der Orde met uw weten, heer Preceptor, hierheen gebracht werd." + +Albert Malvoisin werd in de grootste verlegenheid gebracht; want de +ongelukkige Rebekka was in een afgelegen en geheim gedeelte van het +gebouw opgesloten, en hij had alle voorzorgen genomen om te beletten +dat haar verblijf aldaar bekend werd. Hij las in de blikken van +Beaumanoir verderf voor Bois-Guilbert en voor zich zelven, zoo het +hem niet gelukte den dreigenden storm af te wenden. + +"Waarom blijft gij sprakeloos?" vervolgde de Grootmeester. + +"Is het mij vergund te spreken?" hervatte de Preceptor op een toon +der diepste onderdanigheid, ofschoon hij door deze vraag slechts een +oogenblik tijd wilde winnen, om zijne gedachten te verzamelen. + +"Spreek; het is u geoorloofd," zei de Grootmeester;--"Spreek, en zeg, +kent gij het hoofdstuk onzer heilige regels,--_De commilitonibus +Templi in sancta civitate, qui cum miserrimis mulieribus versantur, +propter oblectationem carnis?_--over den omgang der Tempelridders +met lichte vrouwen?" + +"Voorzeker, zeer eerwaarde vader," antwoordde de Preceptor, "ik ben +niet tot deze waardigheid in de Orde opgeklommen, zonder een der +voornaamste geboden er van te kennen." + +"Hoe komt het dan, vraag ik u nog eens, dat gij geduld hebt, dat +een broeder zijne bijzit, en nog wel eene Joodsche tooveres, in deze +heilige plaats, tot hare schande en bezoedeling gebracht heeft?" + +"Eene Joodsche tooveres!" riep Albert Malvoisin; "alle goede engelen +mogen ons daarvoor bewaren!" + +"Ja, broeder, eene Joodsche tooveres!--Durft gij ontkennen, dat deze +Rebekka, de dochter van dien ellendigen woekeraar, Izaäk van York, +en de leerling dier schandelijke heks Mirjam, thans,--het is schande +daarvan te spreken en er aan te denken!--binnen deze uwe Preceptorij +gehuisvest is?" + +"Uwe wijsheid, eerwaarde vader," hernam de Preceptor, "heeft den nevel +voor mijn verstand verdreven. Ik verwonderde mij zeer, hoe zulk een +dapper ridder als Brian De Bois-Guilbert zoo onbegrijpelijk verzot +kon wezen op de schoonheid dezer vrouw, die ik in dit huis opgenomen +heb om een hinderpaal tegen eene aangroeiende vertrouwelijkheid op +te richten, welke anders had kunnen aangekweekt worden ten koste van +onzen dapperen en vromen broeder." + +"Is er dan nog niets tusschen hen voorgevallen, waardoor zijne gelofte +geschonden wordt?" vroeg de Grootmeester. + +"Hoe! onder dit dak?" riep de Preceptor, een kruis makende; "Dat +verhoede de Heilige Magdalena en de tienduizend maagden.--Neen! zoo +ik eene zonde begaan heb door haar hier op te nemen, dan was het +door het dwaalbegrip, dat ik op deze wijze de dwaze liefde van onzen +broeder voor deze Jodin kon verijdelen, welke mij zoo hartstochtelijk +en onnatuurlijk voorkwam, dat ik ze niet anders dan als een soort van +krankzinnigheid moest beschouwen, die eerder medelijden dan berisping +verdiende. Maar daar uwe eerwaarde's wijsheid ontdekt heeft, dat deze +Joodsche vrouw eene tooveres is, zal dit wel den waanzin des ridders +voldoende verklaren." + +"Zoo is het!--zoo is het!" zei Beaumanoir; "zie, broeder Koenraad, hoe +gevaarlijk het is zich aan de eerste inblazingen en verlokkingen van +den Satan over te geven. Wij zien de vrouwen slechts aan, om den lust +der oogen te bevredigen, en genoegen te scheppen in hetgeen de mannen +hare schoonheid noemen, en de erfvijand krijgt macht over ons, om door +talisman en betoovering een werk te voltooien, dat uit ijdelheid en +dwaasheid begonnen was. Het is mogelijk, dat onze broeder Bois-Guilbert +in dit geval eerder medelijden dan strenge kastijding verdient, +eerder de ondersteuning van den staf, dan de slagen der roede, en +dat onze vermaningen en gebeden hem aan zijn broeders teruggeven." + +"Het zou zeer jammer zijn," zei Koenraad Mont-Fitchet, "een der +beste krijgslieden van de Orde te verliezen, op het oogenblik dat +de heilige broederschap den bijstand harer zonen het meest noodig +heeft. Driehonderd Saracenen heeft deze Brian De Bois-Guilbert met +eigen hand verslagen!" + +"Het bloed van deze vervloekte honden," zei de Grootmeester, +"zal een aangenaam en welgevallig offer zijn voor de heiligen en +engelen, die zij verachten en lasteren; en door hunne hulp zullen +wij de betooveringen tegenwerken, door welke onze broeder als in een +net verstrikt is. Hij zal de banden dezer Delila verbreken, gelijk +Simson de twee nieuwe koorden verscheurde, waarmede de Philistijnen +hem gebonden hadden, en hij zal nieuwe drommen ongeloovigen ter +nedervellen. Maar wat deze schandelijke heks betreft, die een broeder +van den Heiligen Tempel betooverd heeft, zij zal sterven!" + +"Maar de wetten van Engeland,"--zei de Preceptor, die, ofschoon hij +zich verheugde, dat de toorn van den Grootmeester zoo gelukkig van +hem zelven en Bois-Guilbert afgeleid was, en een andere richting +genomen had, nu begon te vreezen, dat hij het te ver gedreven had. + +"De wetten van Engeland," hervatte Beaumanoir, "vergunnen en bevelen +iederen rechter, om in zijn eigen gebied recht te spreken. De kleinste +baron kan in zijn gebied eene heks in hechtenis nemen, haar een +proces aandoen, en veroordeelen. En zou men deze macht weigeren aan +den Grootmeester van den Tempel, binnen een Preceptorij van zijne +Orde?--Neen!--wij zullen oordeelen en vonnissen. De heks zal van de +aarde verdwijnen, en onze zonden zullen ons vergeven worden. Laat +de zaal van het kasteel voor het proces der tooveres in gereedheid +brengen." + +Albert Malvoisin boog diep en vertrok,--niet, om bevelen te geven tot +het gereed maken van de zaal, maar om Brian De Bois-Guilbert op te +zoeken en hem mede te deelen, hoe de zaak waarschijnlijk eindigen +zou. Hij vond hem weldra, schuimende van woede over eene nieuwe +afwijzing van de schoone Jodin. "Die onbezonnene," riep hij, "die +ondankbare! Een man te minachten, die midden door bloed en vlammen +haar leven met gevaar van het zijne gered heeft! Bij den Hemel, +Malvoisin! Ik bleef er, tot dak en pilaren om mij heen kraakten en +instortten. Honderd pijlen werden tegen mij gericht; ze ratelden +tegen mijn wapenrusting, evenals hagelsteenen op getraliede vensters, +en het eenige gebruik, dat ik van mijn schild maakte, was om haar +te verdedigen. Dit heb ik voor haar gedaan, en nu verwijt mij het +eigenzinnige meisje, dat ik haar niet heb laten omkomen, en weigert +mij niet alleen het geringste bewijs van dankbaarheid, maar zelfs de +verste hoop, dat ze mij die ooit betoonen zal. De duivel, die haar +geslacht met hardnekkigheid bezielt, heeft alle kracht daarvan in +hare persoon alleen vereenigd!" + +"De duivel," zei de Preceptor, "heeft u, geloof ik, beiden bezeten. Hoe +dikwijls heb ik u voorzichtigheid, zoo niet onthouding gepredikt? Heb +ik u niet gezegd, dat er gewillige Christen-meisjes genoeg te vinden +waren, die het voor zonde zouden houden een zoo dapperen ridder het +minneloon te weigeren? En ge moet uwe genegenheid op eene eigenzinnige, +stijfhoofdige Jodin vestigen! Waarachtig, ik geloof, dat de oude +Lucas Beaumanoir te recht gist, dat ze u betooverd heeft." + +"Lucas Beaumanoir?" zei Bois-Guilbert.--"Zijn dit uwe voorzorgen, +Malvoisin? hebt ge den ouden man laten vernemen, dat Rebekka in de +Preceptorij is?" + +"Hoe kon ik het verhinderen?" antwoordde de Preceptor. "Ik heb niets +verzuimd om uw geheim verborgen te houden; maar het is verraden, en +de duivel alleen kan u zeggen door wien. Ik heb echter de zaak eene +zoo goede wending mogelijk gegeven; ge zijt veilig, als ge van Rebekka +afziet. Men beklaagt u, als het slachtoffer van tooverkunsten. Ze is +eene tooveres en moet als zoodanig sterven." + +"Bij den Hemel, dat zal ze niet!" riep Bois-Guilbert. + +"Bij den Hemel, ze zal en moet!" hervatte Malvoisin. "Noch gij, +noch iemand anders kan haar redden. Lucas Beaumanoir heeft bepaald, +dat de dood dezer Jodin een voldoend zoenoffer zal zijn voor alle +verliefde zonden der Tempelridders; en ge weet, dat hij zoowel de +macht als den wil heeft, om een zoo redelijk en vroom voornemen ten +uitvoer te brengen." + +"Zullen toekomende eeuwen gelooven, dat er ooit zulk een dom bijgeloof +bestaan heeft?" riep Bois-Guilbert, met groote schreden in het vertrek +heen en weêr gaande. + +"Wat men gelooven zal, weet ik niet," hernam Malvoisin bedaard; +"maar ik weet wel, dat in onze dagen negen en negentig van de honderd +geestelijken en leeken _Amen!_ zullen roepen bij het vonnis van den +Grootmeester." + +"Ik heb het gevonden," zei Bois-Guilbert; "Albert, ge zijt mijn +vriend. Gij moet haar laten ontvluchten, Malvoisin, en ik zal haar +naar een meer geheime plaats brengen." + +"Dat kan ik niet, al wilde ik het ook," hervatte de Preceptor, +"het huis is gevuld met de volgelingen des Grootmeesters, en van +anderen, die hem toegedaan zijn. En om oprecht jegens u te zijn, +broeder, ik zou mij met die zaak niet willen bemoeien, zelfs zoo +ik hopen kon ze gelukkig ten einde te brengen. Ik heb reeds genoeg +om uwentwil gewaagd. Ik heb geen lust om geschorst te worden, of +zelfs mijn Preceptorij te verliezen, om den wil van een opgeschikt +Jodenmeisje. En als ge mijn raad wilt volgen, dan geeft ge die dolle +jacht op, en laat uw valk op ander wild los. Bedenk, Bois-Guilbert,--uw +tegenwoordige rang, uw toekomstige roem, alles hangt van uw naam +bij de Orde af. Blijft ge bij uwe onzinnige liefde voor deze Rebekka +volharden, dan zult ge Beaumanoir eene gelegenheid geven, om u ten val +te brengen; en hij zal ze niet verzuimen. Hij is bang voor den staf, +welken hij in zijne bevende vingers houdt; en hij weet, dat gij de +handen stout daarnaar uitstrekt. Twijfel er niet aan, hij bewerkt uw +val, indien ge hem een zoo schoon voorwendsel, als de bescherming +van eene Joodsche tooveres, verschaft. Geef toe in deze zaak, want +gij kunt hem niet weêrstaan. Als gij den staf in uwe eigene krachtige +vuist hebt, dan kunt ge de dochters van Juda liefkoozen of verbranden, +naar verkiezing." + +"Malvoisin," zei Bois-Guilbert, "ge zijt een koelbloedige--" + +"Vriend," hervatte de Preceptor, zich haastende om het ontbrekende +met een woord aan te vullen, waarvoor Bois-Guilbert waarschijnlijk +een beleedigende uitdrukking zou gebruikt hebben,--"een koelbloedige +vriend ben ik, en derhalve te beter geschikt om u raad te geven. Ik +zeg u nog eens, dat ge Rebekka niet redden kunt. Ik herhaal het: ge +kunt alleen met haar sterven. Ga, vlieg naar den Grootmeester,--werp +u aan zijne voeten, en zeg hem--" + +"Bij den Hemel! niet aan zijne voeten, maar ik wil den dweper in zijn +gezicht zeggen--" + +"Zeg het hem dan in het gezicht," vervolgde Malvoisin koeltjes, +"dat ge deze gevangen Jodin tot razernij toe bemint; en hoe meer ge +uw hartstocht overdrijft, hoe meer zal hij zich haasten om er een +einde aan te maken door den dood van de schoone tooveres; terwijl +ge, op de daad betrapt door de bekentenis van eene misdaad in strijd +met uw eed, geen hulp van uwe broeders kunt verwachten, en dan moet +ge al uwe schitterende vooruitzichten op eer en macht opgeven en uwe +lans gebruiken als huurling, in eene of andere nietige twist tusschen +Vlaanderen en Bourgondië." + +"Ge spreekt waarheid, Malvoisin," zei Brian De Bois-Guilbert, na +een oogenblik bedenkens. "Ik wil den bijgeloovigen grijsaard geen +voordeel over mij geven; en wat Rebekka betreft, ze heeft aan mij +niet verdiend, dat ik rang en eer om harentwil zou prijs geven. Ik +zal haar opgeven!--ik wil haar aan haar lot overlaten, zoo niet--" + +"Beperk uw wijs en noodzakelijk besluit niet," viel Malvoisin hem in +de rede; "vrouwen zijn slechts het speelgoed, waarmede wij onze ledige +uren aanvullen;--eerzucht is het ernstige doel des levens. Laat duizend +zulke broze poppen als deze Jodin vernietigen, eer uw mannelijke voet +stilstaat op de schitterende loopbaan, die zich voor u opent! Voor het +oogenblik scheiden wij; want men moet ons niet in een vertrouwelijk +gesprek aantreffen.--Ik moet de zaal voor het gerecht in orde laten +brengen." + +"Hoe!" riep Bois-Guilbert, "zoo spoedig?" + +"Ja," antwoordde de Preceptor; "het proces gaat schielijk door, +als de rechter het vonnis reeds vooraf bepaald heeft." + +"Rebekka," zei Bois-Guilbert, toen hij alleen was, "ge zult +mij waarschijnlijk duur te staan komen;--waarom kan ik u niet +aan uw lot overlaten, zooals deze koelbloedige schijnheilige mij +aanbeveelt?--Ééne poging wil ik doen, om u te redden; maar wacht u +voor ondankbaarheid! want, zoo ik nog eens afgewezen word, dan zal +mijne wraak mijn liefde evenaren. Het leven en de eer van Bois-Guilbert +zullen niet in de weegschaal gelegd worden, als verachting en verwijten +zijne eenige belooning zijn!" + +De Preceptor had nauwelijks de noodige bevelen gegeven, of Koenraad +Mont-Fitchet vervoegde zich bij hem, en onderrichtte hem van het +besluit des Grootmeesters om de Jodin oogenblikkelijk wegens tooverij +terecht te stellen. + +"Het is voorzeker een droom," zei de Preceptor; "wij hebben vele +Joodsche geneesheeren, en wij noemen hen geene toovenaars, ofschoon +ze wonderbaarlijke genezingen verrichten." + +"De Grootmeester denkt er anders over," zei Mont-Fitchet; "en Albert, +ik wil oprecht met u zijn;--tooveres of niet, het is beter, dat +dit ellendig meisje sterve, dan dat Brian De Bois-Guilbert voor de +Orde verloren ga, of dat de Orde door inwendige verdeeldheid geschokt +worde. Ge kent zijn hoogen rang, zijn krijgsroem;--ge kent den eerbied, +welken velen onzer broeders hem betoonen;--maar dit alles zal hem +bij onzen Grootmeester niets baten, zoo hij Brian als medeplichtige +en niet als slachtoffer van deze Jodin beschouwt. Al waren de zielen +van al de twaalf stammen in haar lichaam vereenigd, dan ware het beter +dat zij alléén leed, dan dat Bois-Guilbert in haar ondergang deelde." + +"Ik heb hem zoo even nog aangezet, om haar op te geven," zei Malvoisin; +"maar nog eens,--zijn er gronden genoeg om deze Rebekka wegens tooverij +aan te klagen?--Zal niet de Grootmeester van gevoelen veranderen, +als hij ziet, dat de bewijzen zoo zwak zijn?" + +"Die moeten versterkt worden, Albert!" hernam Mont-Fitchet; "die +moeten versterkt worden. Verstaat ge mij?" + +"Ja," antwoordde de Preceptor; "ik aarzel ook niet, om iets tot het +welzijn der Orde te doen;--maar er is weinig tijd over om geschikte +werktuigen te vinden." + +"Malvoisin, die _moeten_ gevonden worden," hervatte Koenraad; "het +zal u en de Orde groot voordeel aanbrengen. Dit Templestowe is een +arme Preceptorij,--die van Maison-Dieu is nog eens zoo rijk;--ge kent +mijn invloed bij onzen grijzen aanvoerder;--vind menschen, die deze +zaak kunnen doorzetten, en ge wordt Preceptor van Maison-Dieu in het +vruchtbare Kent.--Wat zegt ge daarvan?" + +"Er zijn," hernam Malvoisin, "onder de lieden, die met Bois-Guilbert +hier gekomen zijn, twee menschen, die ik goed ken; ze zijn bedienden +van mijn broeder Philip de Malvoisin geweest; en zijn uit zijn dienst +in dien van Front-de-Boeuf overgegaan.--Misschien weten ze iets van +de tooverij dezer vrouw." + +"Ga, en zoek hen dadelijk op,--en hoor eens; als een paar _byzantijnen_ +hun geheugen versterken kunnen, laat het dan daaraan niet ontbreken." + +"Ze zouden voor een _zechin_ zweren, dat de moeder, die hun het leven +geschonken heeft, eene tooveres was," zei de Preceptor. + +"Ga dan," zei Mont-Fitchet; "tegen den middag zal de zaak voortgang +hebben. Ik heb onzen chef in geene zoo ernstige stemming gezien, +sedert hij Hamet Alfagi, een bekeerde, die weder tot den Turkschen +godsdienst afviel, tot den brandstapel veroordeelde." + +De zware klok van het kasteel had het middaguur verkondigd, toen +Rebekka voetstappen op de trap hoorde, welke naar hare gevangenis +leidde. Het geraas kondigde de aankomst van verscheidene personen +aan, en deze omstandigheid was haar een troost; want zij vreesde de +bezoeken van den trotschen en driftigen Bois-Guilbert meer dan eenig +ander kwaad, dat haar overkomen kon. De deur van het vertrek werd +geopend, en Koenraad trad met den Preceptor Malvoisin en vier in het +zwart gekleede wachters, met hellebaarden gewapend, binnen. + +"Dochter van een vervloekten stam," zei de Preceptor, "sta op en +volg ons!" + +"Waarheen?" vroeg Rebekka, "en waartoe?" + +"Meisje," antwoordde Koenraad, "het past u niet te vragen; maar te +gehoorzamen. Evenwel moogt gij vernemen, dat gij voor de vierschaar +van den Grootmeester van onze Heilige Orde zult gebracht worden, +om daar rekenschap van uwe zonde te geven." + +"De God Abrahams zij geloofd," riep Rebekka, de handen dankbaar +ineenslaande; "de naam van een rechter, ofschoon een vijand van ons +volk, klinkt in mijn ooren als die van een beschermer. Gaarne volg +ik u;--vergun mij slechts mijn sluier om mijn hoofd te slaan." + +Zij gingen de trap met langzame en plechtige schreden af, door een +lange galerij, en traden door een vleugeldeur aan het eene einde +in de groote zaal, waarin de Grootmeester voor het oogenblik zijn +gerechtshof had opgeslagen. + +Het benedenste gedeelte van dit ruim vertrek was opgevuld met +gewapenden en landslieden, die niet zonder zwarigheid plaats voor +Rebekka maakten, die, begeleid door den Preceptor en Mont-Fitchet +en gevolgd door de hellebaardiers, zich naar de aangewezen plaats +begaf. Terwijl zij, met gevouwen handen en voorover gebogen hoofd, +door den hoop ging, werd haar een stukje papier in de hand gestopt; +zij ontving het bijna zonder het te weten, en hield het vast zonder +naar den inhoud te zien. De verzekering echter, dat zij een vriend +in deze verschrikkelijke vergadering had, gaf haar moed om rond te +zien, en op te merken in wiens tegenwoordigheid zij zich bevond. Zij +ontwaarde een tooneel, dat wij trachten zullen in het volgende +hoofdstuk te beschrijven. + + + + + +ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Streng was de wet, die haar dienaars dwong, het hart + Te sluiten voor 't gevoel van aardsch' ellende en smart, + Streng was de wet voorwaar, die menschen dorst bevelen, + Om nimmer in de vreugd, hoe schuldloos ook, te deelen: + Maar eindloos strenger nog de wet, die d'ijzren staf + Der dwinglandij aanvaardde, alsof haar God dien gaf. + + De Middeleeuwen. + + +De rechtbank, opgericht voor het proces der onschuldige en ongelukkige +Rebekka, besloeg het hoogere of bovenste einde van de groote zaal, +dat wij reeds als de eereplaats beschreven hebben, bestemd om de +aanzienlijkste bewoners of gasten te ontvangen. + +Op een verheven gestoelte, vlak voor de aangeklaagde, zat de +Grootmeester der Tempeliers, in een wijd, ruim, wit kleed, vol plooien, +in zijn hand den mystieken staf houdende, waarop het zinnebeeld der +Orde prijkte. Vóór hem stond eene tafel, waaraan twee schrijvers +zaten, de kapelanen der Orde, wier plicht het was om hetgeen voorviel +behoorlijk ten protocol te brengen. De zwarte kleeding, de geschoren +kruinen en het nederig voorkomen van deze geestelijken, vormde een +sterke tegenstelling met de krijgshaftige houding van de aanwezige +ridders, die of in de Preceptorij huisvestten, of in gezelschap van +hun Grootmeester daarheen gekomen waren. De Preceptoren, ten getale +van vier, bezetten de zitplaatsen, welke minder hoog en wat verder +naar achteren waren, dan die van hun opperhoofd, en de ridders, +die geen hoogeren rang in de Orde bekleedden, zaten op nog lager +banken, op denzelfden afstand van de Preceptoren, als dezen van den +Grootmeester. Achter hen, maar nog altijd op het verhevene gedeelte +der zaal, stonden de schildknapen der Orde, in witte kleederen van +mindere fijnheid. De geheele vergadering had een deftig voorkomen, +en op het gelaat der ridders bespeurde men blijken van krijgshaftigen +moed, vereenigd met al den ernst, die mannen van geestelijken stand +past, en dien geen van hen in tegenwoordigheid van hun Grootmeester +verzuimde aan te nemen. + +Het overige, lagere gedeelte van de zaal was gevuld met wachten, +die gewapend waren met hellebaarden, en met andere lieden, welke de +nieuwsgierigheid daarheen gelokt had, om tegelijk een Grootmeester +en eene Joodsche tooveres te zien. Verreweg de meerderheid dezer +mindere personen was door de een of andere ambtsbetrekking met +de Orde verbonden en onderscheidden zich dus door eene zwarte +kleeding. Maar men had ook de boeren uit de omliggende streken +toegelaten; want Beaumanoir stelde er roem in, om het stichtelijk +tooneel van de gerechtigheid, die hij uitoefende, zoo openbaar +mogelijk te maken. Zijne groote blauwe oogen schenen grooter te +worden, terwijl hij de vergadering overzag, en zijn gelaat scheen te +stralen met de overtuiging van zijne waardigheid en met de ingebeelde +verdienstelijkheid van de rol, welke hij speelde. Een psalm, dien +hij zelf met een diepe, zachte stem, welke de ouderdom nog niet van +hare kracht beroofd had, medezong, was het begin van den dag: en de +plechtige tonen: _Venite, exsultemus Domino_, welke de Tempeliers +zoo dikwijls aanhieven, eer ze ten strijde gingen tegen aardsche +vijanden, werden door Lucas voor het geschiktst geoordeeld, om tot +inleiding te dienen voor de naderende zegepraal van het licht over +de duisternis, zooals hij het noemde. De lang aangehouden noten, door +een honderdtal mannenstemmen, in het koorgezang geoefend, aangeheven, +weêrgalmden tot aan de gewelfde zoldering van de zaal, en weêrklonken +tusschen de pilaren met een aangenaam en toch plechtig geluid, als +het golven van een machtigen stroom. Toen het gezang ophield, overzag +de Grootmeester langzaam den kring en bespeurde, dat de zitplaats van +één der Preceptoren ledig gebleven was. Brian De Bois-Guilbert, wien +die toekwam, had zijne plaats verlaten, en stond nu aan het uiterste +einde van een der banken, welke de gewone ridders des Tempels bezetten, +met de eene hand zijn langen mantel ophoudende, zoodat hij eenigermate +zijn gezicht bedekte, terwijl hij in de andere zijn zwaard hield, +welks gevest den vorm van een kruis had, en met de punt van hetwelk hij +zonder het uit te trekken, langzaam lijnen op den eiken vloer teekende. + +"Ongelukkige!" zei de Grootmeester, na een medelijdenden blik op hem +geslagen te hebben. "Gij ziet, Koenraad, hoe dit heilige werk hem +kwelt. Zoo ver kan de lichtzinnige blik eener vrouw, door de macht van +den vorst der duisternis ondersteund, een dapperen en waardigen ridder +brengen!--Zie, hij kan ons niet aanzien, en haar evenmin; en wie weet +door welke macht van den boozen geest door wien hij bezeten is, zijne +hand deze kabbalistische lijnen op den vloer trekt? Mogelijk wordt +ons leven en onze veiligheid daardoor bedreigd; maar wij trotseeren en +dagen den boozen geest uit--_Semper leo perculiatur!_" Dit fluisterde +hij heimelijk zijn vertrouweling Koenraad Mont-Fitchet toe. Hierop +verhief hij de stem en wendde zich aldus tot de vergadering. + +"Eerwaarde en dappere mannen, Ridders, Preceptoren, en Leden van +deze Heilige Orde, mijn broeders en mijn kinderen!--gij ook edele +en vrome schildknapen, die er naar streeft om eens dit heilige kruis +te dragen!--en gij ook, Christenbroeders van allen rang!--verneemt, +dat het geen gebrek aan macht is, welke de bijeenroeping dezer +vergadering veroorzaakt heeft, want, hoe onwaardig onze persoon ook +zij, is ons evenwel met dezen staf volmacht gegeven, om alles wat +het welzijn van deze onze heilige Orde betreft, te beoordeelen en te +vonnissen. St. Bernardus heeft in den regel van onzen ridderlijken en +godsdienstigen stand gezegd, in het negen-en-vijftigste Hoofdstuk [37], +dat hij niet wilde, dat de broeders in een raad zouden bijeengeroepen +worden, dan met den wil en op bevel van den Grootmeester; terwijl hij +het ons overlaat, zooals aan die waardige vaders, welke ons in deze +onze heilige bediening zijn voorafgegaan, om de gelegenheid, den tijd +en de plaats te bepalen, wanneer een kapittel van de geheele Orde, of +eenig gedeelte er van zal worden gehouden. Ook is het in al zoodanige +zaken onze plicht den raad onzer broeders te hooren, en voorts naar +ons eigen goeddunken te handelen. Zoodra echter de woedende wolf +op onze kudde aanvalt en een lid er van heeft weggesleept, dan is +het de plicht van den goeden herder, om zijne makkers bijeen te +roepen, opdat ze met bogen en slingers den aanvaller verdrijven, +volgens onzen welbekenden regel, dat de leeuw altijd moet worden +verslagen. Wij hebben derhalve in onze tegenwoordigheid gedagvaard +eene Joodsche vrouw, met name Rebekka, dochter van Izaäk van York, +eene vrouw, berucht door haar hekserijen en tooverijen, waardoor ze +het bloed en het brein heeft betooverd niet van een boer, maar van +een ridder,--niet van een wereldlijken ridder, maar van een ridder, +aan den dienst des Tempels toegewijd;--niet van een eenvoudig ridder, +maar van een Preceptor van onze Orde, den eerste in roem, zoowel als +in rang. Onze broeder Brian De Bois-Guilbert is ons en allen, die +mij hooren, wel bekend als een waardig en ijverig kampvechter van het +kruis, wiens arm menige dappere daad in het Heilige Land verricht, en +de heilige oorden door het bloed der ongeloovigen, die ze bewoonden, +van bezoedeling gezuiverd heeft. Niet minder dan zijne dapperheid en +krijgskunde is de schranderheid en voorzichtigheid van onzen broeder +aan zijn medebroeders gebleken; in zooverre, dat ridders, zoowel in het +Oosten als in het Westen, Bois-Guilbert een man genoemd hebben, die +wèl als onze opvolger in het voeren van dezen staf in aanmerking zou +kunnen komen, wanneer het den Hemel behagen zal, ons te verlossen van +den last, dien te dragen. Indien men ons zeide, dat zulk een man, zóó +geëerd en zóó eerwaardig, plotseling alle achting voor zijn karakter, +zijne gelofte, zijne broeders, zijne vooruitzichten verwerpende, +een Joodsch meisje tot zich genomen, en in dit schandelijk gezelschap +eenzame plaatsen bezocht had; hare persoon, ten koste van de zijne, +verdedigd had, en kortom zoodanig verblind en verzot was, dat hij +haar zelfs in een van onze Preceptorijen gebracht had; wat zouden +wij dan anders zeggen, dan dat de edele ridder door eenigen boozen +geest bezeten, of door eenige boosaardige betoovering verstrikt +was?--Indien wij het anders konden veronderstellen, denkt dan niet, +dat rang, moed, vermaardheid, of eenige aardsche bedenking ons zou +weerhouden om hem met straf te bezoeken, opdat de booze mocht worden +uitgedreven, volgens den tekst: _Auferte malum ex vobis_. + +"Want menigvuldig en ergerlijk zijn de overtredingen tegen de +regels van onze gezegende Orde in deze droevige zaak. 1°. Hij +is naar zijn eigen vrijen wil rondgetrokken, strijdig met het +drie-en-dertigste hoofdstuk: _Quod nullus iuxta propriam voluntatem +incedat_. 2°. Hij heeft verkeering gehouden met een van de Kerk +uitgesloten persoon,--zeven-en-vijftigste hoofdstuk: _Ut fratres +non participent cum excommunicatis_; en derhalve is hij onderhevig +aan het _Anathema Maranatha_. 3°. Hij heeft met vreemde vrouwen +verkeerd, strijdig met het hoofdstuk: _Ut fratres non conversentur +cum extraneis mulieribus_. 4°. Hij heeft niet alleen den kus eener +vrouw niet vermeden, maar zooals ik vreezen moet, er om aangezocht; +waardoor, gelijk de laatste regel van onze beroemde Orde zegt, _ut +fugiantur osculo_, de soldaten van het kruis in een valstrik gelokt +worden. Voor deze schandelijke en menigvuldige misdaden moest Brian De +Bois-Guilbert uit onze broederschap worden afgesneden en uitgeworpen, +al ware hij er de rechterhand en het rechteroog van!" + +Hij zweeg. Een zacht gefluister verspreidde zich door de +vergadering. Eenige van de jonge ridders, die genegen schenen om te +glimlachen over de wet: _De osculis fugiendis_, werden thans ernstig +genoeg en wachtten met ongeduld op hetgeen de Grootmeester verder +zou voordragen. + +"Zoodanig," vervolgde hij, "en zoo streng moest inderdaad de straf van +een Tempelridder zijn, die de regels zijner Orde op zulke gewichtige +punten willens en wetens overtrad. Maar wanneer door middel van +tooverkunsten de Satan macht over den ridder verkregen heeft, +misschien omdat hij zijn oog te lichtvaardig op de schoonheid van +een meisje wierp, dan moeten wij zijne dwaling eerder beklagen dan +bestraffen, en hem slechts een straf opleggen, welke hem van zijne +zonden kan reinigen, het geheele gewicht van onzen toorn wenden +tegen het vervloekte werktuig, dat bijna zijn geheelen val had teweeg +gebracht. Treedt voor, derhalve, en getuigt, gij, die deze ongelukkige +gebeurtenissen bijgewoond hebt, opdat wij de bewijzen mogen onderzoeken +en oordeelen, of onze gerechtigheid zich kan tevreden stellen met de +bestraffing van deze ongeloovige vrouw, dan of wij met een bloedend +hart tot verdere vervolging tegen onzen broeder moeten overgaan." + +Er werden verscheidene getuigen geroepen, om het gevaar te bewijzen, +waaraan Bois-Guilbert zich had blootgesteld, toen hij Rebekka uit het +brandend kasteel redde, en haar met minachting zijner eigene veiligheid +beschermd had. De menschen deden dit verhaal met de overdrijving +eigen aan gemeene lieden, die sterk door de eene of andere bijzondere +gebeurtenis getroffen zijn; en hunne natuurlijke neiging voor het +wonderbare werd zeer verhoogd door het genoegen, dat hunne getuigenis +den aanzienlijken man scheen te verschaffen, voor wien ze afgelegd +werd. Dus waren de gevaren, welke Bois-Guilbert te boven gekomen was, +hoewel op zichzelve groot genoeg, volgens hun verhaal ongelooflijk. De +ijver des ridders in de verdediging van Rebekka werd overdreven, +niet alleen boven de grenzen van het gezond verstand, maar zelfs van +den dolzinnigsten riddermoed; en zijne onderworpenheid voor hetgeen +ze zeide, schoon ze dikwijls op een strengen, verwijtenden toon tot +hem sprak, werd afgeschilderd als zoo slaafsch, dat ze bij een man +van een zoo trotsch karakter onnatuurlijk moest schijnen. + +Daarna werd de Preceptor van Templestowe geroepen, om de wijze te +beschrijven, waarop Bois-Guilbert en de Jodin bij de Preceptorij +waren aangekomen. De getuigenis van Malvoisin werd met de uiterste +voorzichtigheid gegeven. Maar terwijl hij zich er schijnbaar op +toelegde, om het gevoel van Bois-Guilbert te sparen, liet hij van tijd +tot tijd eenige wenken vallen, welke schenen aan te duiden, dat hij +onder eenige verstandsverbijstering leed, daar hij zoo innig gehecht +scheen aan het meisje, dat hij medebracht. Met teekenen van berouw +bekende de Preceptor de zonde, die hij begaan had door Rebekka en haar +ridder binnen de Preceptorij te ontvangen.--"Maar mijne verdediging," +zoo besloot hij, "heb ik aan onzen Grootmeester voorgedragen; hij weet, +dat mijne beweegredenen niet slecht waren, al strijdt ook mijn gedrag +tegen den regel. Goedwillig zal ik mij aan iedere boete onderwerpen, +welke hij mij opleggen zal." + +"Gij hebt goed gesproken, broeder Albert," zei Beaumanoir; "uwe +beweegredenen waren goed, dewijl gij daarin gelijk hadt, dat gij uw +dwalenden broeder op zijne dolzinnige loopbaan wildet stuiten. Maar +uwe handelwijze was verkeerd:--gelijk hij, die een hollend paard wil +tegenhouden en het bij den stijgbeugel in plaats van bij den toom +vat, zelf beschadigd wordt, in plaats van nut te stichten. Onze vrome +stichter heeft dertien _paternosters_ bepaald voor den morgendienst en +negen voor den avonddienst; gij moet dit getal verdubbelen. Driemaal +in de week is het den Tempelier vergund vleesch te nuttigen; gij moet +de geheele week vasten. Als gij dit zes weken lang volgehouden hebt, +is uw boete volbracht." + +Met een schijnheiligen blik der diepste onderwerping, boog de Preceptor +van Templestowe tot den grond voor zijn Grootmeester, en begaf zich +weder op zijne plaats. + +"Zou het niet goed zijn, broeders," vervolgde de Grootmeester, +"dat wij eenig onderzoek deden naar het vroeger leven en verkeer +van deze vrouw, vooral om te ontdekken, of het waarschijnlijk is, +dat zij van hekserijen en tooverkunsten gebruik gemaakt heeft, daar +de waarheden, die wij gehoord hebben, ons wel zouden doen gelooven, +dat onze dwalende broeder in deze ongelukkige onderneming door eenige +helsche verleidingen en bedriegerijen aangedreven is?" + +Herman Van Goodalricke was de vierde Preceptor, die tegenwoordig was; +de drie anderen waren Koenraad, Malvoisin en Bois-Guilbert zelf. Herman +was een oud krijgsman, wiens gezicht bedekt was met litteekens van +de sabelhouwen der Muzelmannen, en die in groote achting stond en +veel gezag had onder zijn broeders. Hij stond op en boog diep voor +den Grootmeester, die hem dadelijk verlof gaf om te spreken. "Ik +zou gaarne, eerwaarde vader, van onzen dapperen broeder Brian De +Bois-Guilbert zelven, willen vernemen wat hij op deze wonderbare +beschuldigingen zegt, en met welk oog hij thans zelf zijne onzalige +verkeering met dit Joodsche meisje aanschouwt?" + +"Brian De Bois-Guilbert," zei de Grootmeester, "gij hoort de vraag, +waarop onze broeder van Goodalricke begeert, dat gij antwoorden +zult. Ik beveel u hem bescheid te geven." + +Bois-Guilbert wendde het hoofd naar den Grootmeester, toen hij dus +aangesproken werd, en bewaarde het stilzwijgen! + +"Hij is door den duivel der sprakeloosheid bezeten!" zei de +Grootmeester. "Wijk, Satanas!--Brian De Bois-Guilbert, ik bezweer u +bij dit teeken van onze heilige Orde!" + +Bois-Guilbert deed eene poging, om zijne klimmende minachting en +verontwaardiging te onderdrukken, daar hij wel begreep, dat eene +uitbarsting hem weinig zou geholpen hebben. + +"Brian De Bois-Guilbert," hernam hij, "antwoordt niet, eerwaarde +vader, op zulke onbepaalde en ijdele aanklachten. Indien zijne eer +aangetast wordt, dan zal hij die met zijn lichaam en met zijn zwaard, +dat zoo dikwijls voor het Christendom gestreden heeft, verdedigen." + +"Wij vergeven u, broeder Brian," zei de Grootmeester, "dat gij in +onze tegenwoordigheid op uw krijgsdaden roemt, want dit komt van den +booze, die ons in de verzoeking brengt, om onze eigene verdiensten te +vergrooten. Maar gij hebt onze vergiffenis, daar ik begrijp, dat gij +minder uit uw eigen mond spreekt dan uit dien van hem, welken wij, +met Gods hulp, uit deze vergadering denken te verdrijven." + +Een blik van verachting vlamde in het zwarte, dreigende oog van +Bois-Guilbert, maar hij antwoordde niet.--"En nu," vervolgde de +Grootmeester, "daar de vraag van onzen broeder van Goodalricke +zoo onvolledig beantwoord is, willen wij ons onderzoek vervolgen, +broeders, en, met behulp van onzen beschermheilige, dit goddeloos +geheim tot op den grond toe nasporen. Laten zij, die iets te getuigen +hebben aangaande het leven en het verkeer dezer Jodin, te voorschijn +treden." Er ontstond een gedruisch in het benedenste gedeelte van +de zaal, en toen de Grootmeester naar de reden vroeg, antwoordde +men hem, dat er zich onder den hoop een man bevond, die bedlegerig +geweest was, en dien de gevangene door een wonderdadigen balsem het +volkomen gebruik van zijne ledematen teruggegeven had. + +De arme boer, een Sakser van geboorte, werd naar voren gesleept, +sidderend voor de straf, welke hem zou kunnen treffen, omdat hij door +een Jodenmeisje van de gevolgen eener beroerte genezen was. Volkomen +genezen was hij zeker niet, want hij steunde nog op zijn krukken, +terwijl hij zijne getuigenis aflegde. Zeer ongaarne en met veel +tranen verhaalde hij, dat hij twee jaren te voren, te York wonende, +door eene zware ziekte werd aangetast, terwijl hij in zijn beroep +van schrijnwerker voor Izaäk, den rijken Jood werkte; dat hij +buiten staat geweest was, om van het bed op te staan, voordat de +geneesmiddelen, welke hij op Rebekka's aanwijzing gebruikt had, +en vooral een verwarmende en geurige balsem, hem eenigermate het +gebruik zijner ledematen teruggegeven hadden. Daarenboven zei hij, +dat zij hem een potje met die kostelijke zalf gegeven en nog een stuk +geld geschonken had, om naar het huis van zijn vader in de nabijheid +van Templestowe terug te keeren. "En met uw eerwaarde's verlof," zei +de man, "ik kan niet gelooven, dat het meisje mij kwaad doen wilde, +ofschoon zij het ongeluk heeft eene Jodin te zijn; want zelfs toen +ik haar middel gebruikte, zeide ik het _pater_ en _credo_ op, en het +werkte toch niet minder heilzaam." + +"Zwijg, slaaf," zei de Grootmeester, "en vertrek! Het past wel aan +honden, gelijk gij zijt, om zich met helsche genezingen in te laten, +en bij de zonen des ongeloofs te werken. Ik zeg u, de booze kan ziekten +opleggen alleen om ze te genezen, en daardoor eenig helsch geneesmiddel +in aanzien te brengen. Hebt gij de zalf nog, waarvan gij spreekt?" + +Na met eene bevende hand in den boezem getast te hebben, haalde +de boer een kleine doos te voorschijn, op welker deksel eenige +Hebreeuwsche letters stonden, wat bij het grootste gedeelte der +toehoorders een zeker bewijs was, dat de duivel voor apotheker +gespeeld had. Beaumanoir nam, na een kruis gemaakt te hebben, de +doos in de hand, en, daar hij de meeste Oostersche talen verstond, +las hij gemakkelijk het opschrift: _de leeuw van den stam van Juda +heeft verwonnen_. "Wonderbare macht des Satans!" riep hij, "welke de +Heilige Schrift in godslastering kan veranderen, en vergif onder ons +noodzakelijk voedsel mengt!--Is er hier geen geneeskundige, die ons +de bestanddeelen van deze geheimzinnige zalf zeggen kan?" + +Twee geneesmeesters, zooals ze zich noemden, de een een monnik en de +andere een barbier, verschenen, en verklaarden, dat ze niets van de +bestanddeelen wisten; behalve dat ze naar myrrhe en kamfer roken, +welke zij voor Oostersche kruiden hielden. Maar met den echten +broodnijd bezield tegen een gelukkigen beoefenaar van hunne kunst, +gaven zij te kennen, dat, nu het geneesmiddel hunne kennis te boven +ging, het noodzakelijk uit ongeoorloofde, betooverde bestanddeelen +moest bereid zijn, daar zij, ofschoon geen toovenaars, iederen tak +van hunne kunst verstonden, voor zoover ze een goed Christen op een +eerlijke wijze kon beoefenen. Toen dit geneeskundig onderzoek gedaan +was, verzocht de Saksische boer nederig, dat men hem het geneesmiddel +zou teruggeven, dat hij zoo heilzaam bevonden had, maar de Grootmeester +fronste de wenkbrauwen bij dit verzoek. "Hoe heet gij, mensch?" vroeg +hij den kreupele. + +"Higg, de zoon van Snell," antwoordde de boer. + +"Dan zeg ik u, Higg, zoon van Snell," zei de Grootmeester, "dat het is +beter bedlegerig te zijn, dan artsenij van ongeloovigen aan te nemen, +om te kunnen opstaan en wandelen;--dat het beter is de ongeloovigen +met geweld van hunne schatten te berooven, dan weldaden van hen aan te +nemen, of hen voor loon te dienen. Ga heen, en doe wat ik gezegd heb!" + +"Och," zuchtte de boer, "met uw eerwaarde's verlof, die les komt nu +te laat voor mij; want ik ben maar een kreupel mensch, maar ik zal +aan mijn twee broeders, die bij den rijken Rabbijn Nathan Ben Samuel +dienen, zeggen, dat de Grootmeester het voor eerlijker houdt hem te +bestelen, dan hem trouw te dienen." + +"Voort met dien praatzieken dwaas!" riep Beaumanoir, die er niet op +gevat was om deze practische toepassing van zijn algemeenen regel +te beantwoorden. + +Higg, de zoon van Snell, trok zich onder de menigte terug; maar, +daar hij in het lot zijner weldoenster belang stelde, toefde hij +om haar vonnis te vernemen, zelfs op gevaar om nog eens den blik +van dien strengen rechter te moeten verdragen, die hem van angst had +doen ineenkrimpen. Thans beval de Grootmeester aan Rebekka om zich te +ontsluieren. Haar lippen voor de eerste maal openende, antwoordde zij, +"dat het niet de gewoonte was van de vrouwen van haar stam, het gelaat +te ontblooten, wanneer zij alléén in gezelschap van vreemdelingen +waren." De zoete klank van haar stem en de zachtheid van haar antwoord +boezemden den toehoorders medelijden en belangstelling in. Maar +Beaumanoir, in wiens gemoed het onderdrukken van elk menschelijk +gevoel, dat hem belemmeren kon in hetgeen hij voor plicht hield, +eene deugd was, herhaalde zijn bevel, dat zijn slachtoffer zich +ontsluieren moest. De wachten wilden dus haar sluier wegrukken, toen +zij oprees en tot den Grootmeester zei: "Ach, bij de liefde voor uwe +eigene dochters!--Helaas!" vervolgde zij, zich bedenkende, "gij hebt +geene dochters,--bij de liefde voor uwe zusters en voor vrouwelijke +zedigheid, laat mij niet in uw tegenwoordigheid zoo ruw behandeld +worden; het betaamt niet, dat een meisje door zulke handen aangeraakt +worde. Ik zal u gehoorzamen," voegde zij er bij, met eene uitdrukking +van geduldige smart in hare stem, welke bijna het hart van Beaumanoir +zelven verteederd had. "Gij zijt de ouderlingen van uw volk, en op uw +bevel zal ik u de gelaatstrekken van een rampzalig meisje vertoonen." + +Zij sloeg den sluier terug, en zag hen aan met een blik, waarin +beschroomdheid met waardigheid streed. Hare buitengewone schoonheid +verwekte een gefluister van verbazing, en de jongere ridders zeiden +elkander door hun blikken, dat Brian's beste verontschuldiging eerder +in de kracht van hare wezenlijke bekoorlijkheden, dan aan haar +gewaande tooverij lag. Maar Higg, de zoon van Snell, gevoelde het +diepst de uitwerking, welke het gelaat van zijn weldoenster teweeg +bracht. "Laat mij heengaan!" riep hij de wachten aan de deur van +de zaal toe:--"Laat mij vertrekken!--nog één blik zal mij dooden, +want ik heb deel aan hare vermoording!" + +"Stil, vriend," zei Rebekka, toen ze deze klachten hoorde, "gij hebt +mij geen kwaad gedaan door de waarheid te spreken;--gij kunt mij door +uwe klachten, of berouw niet helpen. Wees stil, bid ik u;--ga naar +huis en zorg voor uwe eigene veiligheid." + +Higg was op het punt, om door de medelijdende wachters naar buiten +gezonden te worden, daar zij vreesden, dat zijne luidruchtige smart +hun verwijten en hem straf op den hals zou halen. Maar hij beloofde +stil te zijn, en kreeg verlof om te blijven. De twee krijgslieden, met +welken Albert Malvoisin niet verzuimd had, over hunne getuigenis te +spreken, werden nu te voorschijn geroepen. Ofschoon beiden verharde +en verstokte booswichten waren, scheen evenwel de aanblik van de +gevangene en haar uitstekende schoonheid hen een weinig te verwarren; +maar een veelbeteekenende blik van den Preceptor van Templestowe +gaf hun hunne ongevoelige verstoktheid terug, en ze verhaalden met +eene nauwkeurigheid, welke aan minder partijdige rechters verdacht +zou zijn geweest, omstandigheden, welke òf geheel verzonnen, òf +nietsbeteekenend en eenvoudig in zich zelve waren, maar die ongunstig +werkten door de vergrooting en de verkeerde uitlegging, welke de +getuigen aan de daadzaken gaven. De punten waarover hun getuigenis +liep, zouden in nieuwere tijden in twee klassen verdeeld geworden +zijn,--die, welke niet belangrijk en die welke physiek onmogelijk +waren. Maar ze werden beide in die tijden van onkunde en bijgeloof +gereedelijk voor bewijzen van schuld aangenomen.--De eerste klasse +behelsde, dat men Rebekka in eene onbekende taal in zich zelve had +hooren praten,--dat de liederen, welke zij van tijd tot tijd zong, +een bijzonder zachten toon hadden, welke de ooren boeide en het hart +trof;--dat ze soms met zich zelve sprak, en naar boven keek, alsof ze +antwoord wachtte,--dat hare kleeding wonderbaarlijk en vreemd was, +geheel ongelijk aan die van eerbare vrouwen;--dat ze ringen had, +waarop kabbalistische spreuken stonden, en dat er vreemde letters op +haren sluier geborduurd waren. Al deze omstandigheden, hoe natuurlijk +en onbeduidend ook, werden ernstig aangehoord, als bewijzen, dat +Rebekka eene ongeoorloofde verkeering met booze geesten had. + +Maar er waren minder dubbelzinnige bewijzen, welke de lichtgeloovigen +in de vergadering gretig aanhoorden, hoe onwaarschijnlijk ze ook +waren. Een der soldaten had haar eene genezing zien verrichten aan een +gekwetste, die met hen naar Torquilstone gebracht was. Zij maakte, zei +hij, zekere teekens over de wond, en herhaalde zekere geheimzinnige +woorden, welke hij God dankte, dat hij niet verstond, en dadelijk +ging de ijzeren punt van den schicht van een armboog uit de wond los; +het bloeden werd gestild; de wond sloot zich, en de stervende liep +binnen een kwartier weder gezond op de wallen, en hielp den getuige +een steenslinger besturen. Dit verhaal was waarschijnlijk op de +daadzaak gegrond, dat Rebekka den gekwetsten Ivanhoe had opgepast, +toen hij in het kasteel van Torquilstone gevangen was. Maar het was +des te moeielijker om de nauwkeurigheid van den getuige te betwisten; +daar hij, om een zichtbaar bewijs bij zijne mondelinge getuigenis te +voegen, uit zijn zak de punt van den schicht haalde, welke, volgens +zijn verhaal, zoo wonderdadig uit de wond getrokken was; en daar +het ijzer een vol ons woog, bevestigde dit volkomen het verhaal, +hoe wonderbaar het ook klonk. + +Zijn makker was van een naburig bolwerk getuige geweest van het +tooneel tusschen Rebekka en Bois-Guilbert, toen zij op het punt was, +om zich boven van den toren neder te storten. Om niet minder dan +zijn kameraad te zijn, verhaalde hij, dat hij Rebekka had gezien, +toen zij zich op de borstwering van den toren neêrzette, waar zij de +gedaante van eene witte zwaan had aangenomen, en zoo driemaal om het +kasteel van Torquilstone gefladderd had; dat zij hierop zich weder +op den toren neêrgelaten en haar menschelijke gedaante hernomen had. + +Minder dan de helft van deze zwaarwichtige getuigenis zou voldoende +geweest zijn om elke arme en leelijke oude vrouw, al ware zij geen +Jodin geweest, van tooverij te overtuigen. Daarenboven, waren +de bewijzen bezwaard door Rebekka's jeugd, en hare betooverende +schoonheid. + +De Grootmeester had de stemmen opgenomen, en vroeg thans op plechtigen +toon aan Rebekka, wat zij te zeggen had tegen het vonnis, dat hij op +het punt stond van uit te spreken. + +"Uw medelijden in te roepen," zei de bekoorlijke Jodin, met eene stem, +die van aandoening beefde, "zou, dat begrijp ik, even nutteloos, +als verachtelijk zijn. Te beweren, dat het ondersteunen van zieken +en gewonden van een anderen godsdienst aan den erkenden Stichter van +ons beider godsdienst niet ongevallig zijn kan, zou even vruchteloos +zijn; staande te houden, dat vele dingen, welke deze mannen (de Hemel +vergeve het hun!) tegen mij verklaard hebben, onmogelijk zijn, zou +mij weinig baten, daar gijlieden aan de mogelijkheid ervan gelooft, en +nog minder zou het mij helpen, te verklaren, dat de bijzonderheden van +mijne kleeding, taal en zeden, aan mijn volk eigen zijn,--bijna had ik +gezegd aan mijn vaderland: maar helaas! wij hebben geen vaderland. Ik +wil mij niet eens verdedigen ten koste van mijn onderdrukker, die +dáár staat en naar de verdichtselen en overdrijvingen luistert, +welke den dwingeland in het slachtoffer schijnen te veranderen. De +Hemel beslisse tusschen hem en mij! maar liever wilde ik tienmaal den +dood ondergaan, welken gij goedvinden kunt over mij uit te spreken, +dan aan de aanzoeken gehoor geven, welke deze zoon Belial's mij +gedaan heeft,--mij, die zonder vriend of beschermer, en zijn gevangene +was. Maar hij behoort tot uw geloof, en zijn geringste woord zou tegen +de plechtigste betuigingen der ongelukkige Jodin opwegen. Ik wil dus +de tegen mij gedane beschuldiging niet op hem terug werpen; maar op +hem zelven,--ja, Brian De Bois-Guilbert, op u zelven beroep ik mij, +of deze beschuldigingen niet even valsch, gruwelijk en lasterlijk +als schandelijk zijn?" + +Er ontstond een plechtige stilte; aller oogen vestigden zich op Brian +De Bois-Guilbert. Hij zweeg. + +"Spreek!" zei ze, "zoo gij een man zijt,--zoo gij een Christen zijt, +spreek!--Ik bezweer u bij het kleed, dat gij draagt,--bij den naam, +dien gij geërfd hebt,--bij de ridderschap waarop gij u beroemt,--bij +de eer uwer moeder,--bij het graf en het gebeente van uw vader;--ik +bezweer u te zeggen, zijn deze dingen waar?" + +"Antwoord haar, broeder," zei de Grootmeester, "als de vijand, met +welken gij worstelt, u zulks vergunt." + +Inderdaad scheen Bois-Guilbert door tegenstrijdige aandoeningen +bewogen, welke zijne gelaatstrekken misvormden, en met groote +inspanning antwoordde hij eindelijk, op Rebekka ziende,--"het +blad! het blad!" + +"Waarachtig," riep Beaumanoir, "dat is een getuigenis!--Het slachtoffer +van haar tooverkunsten kan alleen het noodlottige blad noemen,--en +de tooverteekens, die er op geschreven staan, zijn zonder twijfel de +reden van zijn stilzwijgen." + +Maar Rebekka gaf eene andere uitlegging aan de woorden, welke aan +Bois-Guilbert als het ware afgeperst waren, en haar oog slaande op het +stukje perkament, dat zij nog altijd in de hand hield, las zij daarop, +in Arabische letters: "Vraag een kampvechter!"--Het gemor, dat zich +over het zonderlinge antwoord van Bois-Guilbert door de vergadering +verspreidde, gaf Rebekka den tijd, om het blad onopgemerkt te lezen +en te vernielen, zooals zij geloofde. Toen het gedruisch ophield, +vatte de Grootmeester het woord op. "Rebekka, gij kunt geen voordeel +trekken uit de getuigenis van dezen ongelukkigen ridder, over wien, +zooals wij wel bespeuren, de booze geest nog te machtig is. Hebt gij +nog iets anders te zeggen?" + +"Er is mij nog ééne kans over om mijn leven te redden," antwoordde +Rebekka, "zelfs volgens uwe wreede wetten. Mijn leven is ellendig +geweest,--ten minste sedert eenigen tijd;--maar ik wil het geschenk +Gods niet wegwerpen, zoolang Hij mij middelen aan de hand geeft, +om het te verdedigen. Ik loochen deze beschuldigingen;--ik houd mijn +onschuld staande, en ik verklaar de aanklacht voor valsch.--Ik vorder +het voorrecht van een Godsoordeel, en zal vertegenwoordigd worden +door mijn kampvechter!" + +"En wie, Rebekka," vroeg de Grootmeester, "zal de lans voor een +tooveres opnemen?--Wie zal de kampvechter van een Jodin willen zijn?" + +"God zal mij een kampvechter zenden," hernam Rebekka. "Het is +onmogelijk, dat er in het schoone, herbergzame, edelmoedige, vrije +Engeland, waar zoo velen gereed zijn, om hun leven voor de eer +in de waagschaal te stellen, niemand gevonden worde, die voor het +recht strijden wil. Maar het is voldoende, dat ik een Godsgericht +vorder:--daar ligt mijn pand!" Zij trok haar geborduurden handschoen +uit, en wierp dien voor de voeten van den Grootmeester, met een +uitdrukking op haar gelaat, waar zooveel eenvoudigheid met waardigheid +gepaard ging, dat zij algemeene verbazing en verwondering verwekte. + + + + + +ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Hier ligt mijn pand; + Ik houd het vol tot aan het uiterste, + Met krijgsmans moed! + + Richard II. + + +Lucas Beaumanoir zelfs werd door het voorkomen van Rebekka +getroffen. Hij was van natuur geen wreed of hardvochtig mensch, maar +met eene van natuur koude geaardheid, en met een verheven, schoon +verkeerd begrip van plicht, was zijn hart langzamerhand verhard +geworden door zijn kloosterleven, door de hooge macht, welke hij +uitoefende en door de gewaande noodzakelijkheid om het ongeloof ten +onder te brengen, en de ketterij uit te roeien, welke verplichting naar +hij meende, bijzonder op hem rustte. Zijn trekken verloren iets van +hunne gewone strengheid toen hij het schoone wezen, dat voor hem stond, +aanschouwde, alleen, zonder een enkelen vriend, en zich met zooveel +verstand en moed verdedigende. Hij maakte tweemaal het teeken van het +kruis, alsof hij de oorzaak wantrouwde van die ongewone weekheid van +een hart, dat bij zulke gelegenheden gewoon was het staal van zijn +zwaard in hardheid te overtreffen. Eindelijk zei hij: + +"Meisje, zoo het medelijden dat ik voor u gevoel, ontstaat uit +het gebruik van uwe booze kunsten, dan is uw schuld groot. Maar ik +geloof eerder, dat het de zachtere gewaarwordingen der natuur zijn, +die zich bedroeft, dat een zoo schoon uiterlijk zooveel slechtheid +verbergt. Heb berouw, mijne dochter,--beken uwe tooverijen,--verzaak +uw ongeloof,--omhels dit heilige teeken, en alles zal u nog hier +en in de toekomst wèl gaan. In een klooster van de strengste orde, +zult gij tijd hebben, om te bidden en boete te doen, en over zulk +berouw beklaagt men zich nooit. Doe dit en leef;--wat heeft Mozes' +wet voor u gedaan, dat gij er voor zoudt sterven?" + +"Het is de wet mijner vaderen," zei Rebekka, "welke onder donder en +storm, in wolken en vuur op den berg Sinaï gegeven werd. Dit gelooft +gij, zoo gij Christen zijt;--gij zegt, dat die wet herroepen is; +maar dit hebben mijne leermeesters mij niet geleerd." + +"Laat onze kapelaan," zei Beaumanoir, "voortreden en deze hardnekkige +ongeloovige zeggen,--" + +"Vergeef, dat ik u in de rede val;" zei Rebekka zachtjes; "ik ben een +meisje, niet geleerd genoeg om over mijn godsdienst te redetwisten, +maar daarvoor sterven kan ik wel, zoo het Gods wil is.--Heb de +goedheid mij te antwoorden op mijn verzoek, om een kampvechter te +mogen stellen." + +"Geef mij haar handschoen," zei Beaumanoir: "Dit is waarlijk," +vervolgde hij, terwijl hij de zachte stof en de kleine vingers +beschouwde, "een licht en teeder pand voor eene zoo doodelijke +onderneming. Ziet gij, Rebekka, wat deze uw dunne en kleine handschoen +tegen een van onze zware stalen handschoenen is, dat is ook uwe zaak +tegen die van den Tempel; want het is onze Orde, die gij uitgedaagd +hebt." + +"Werp mijne onschuld mede in de schaal," antwoordde Rebekka, "en de +zijden handschoen zal zwaarder wegen, dan de ijzeren." + +"Dus volhardt gij bij uwe weigering om uwe schuld te bekennen, en +bij de stoute uitdaging, welke gij gedaan hebt?" + +"Ik volhard daarbij, edele heer," antwoordde Rebekka. + +"Het zij zoo, in naam des Heeren!" zei de Grootmeester, "en moge God +het recht doen zegepralen!" + +"Amen!" riepen de Preceptoren rondom hem, en het woord werd zachtjes +herhaald door de geheele vergadering. + +"Broeders," zei Beaumanoir, "gij gevoelt wel, dat wij aan deze vrouw +het voorrecht van een Godsgericht wel hadden kunnen weigeren;--maar +ofschoon zij eene Jodin en eene ongeloovige is, is zij toch vreemd en +zonder bescherming, en God verhoede, dat zij de hulp van onze zachte +wetten zou inroepen, en dat wij haar die zouden weigeren. Daarenboven +zijn wij ridders en soldaten, zoowel als geestelijken, en het ware eene +schande voor ons, om onder eenig voorwendsel eene uitdaging van de hand +te wijzen. Zoo staan de zaken thans: Rebekka, de dochter van Izaäk van +York, is ten gevolge van veelvuldige verdachte omstandigheden wegens +tooverij, uitgeoefend tegen den persoon van een edelen ridder van onze +heilige Orde veroordeeld, en zij heeft een Godsgericht gevorderd ten +bewijze van haar onschuld. Aan wien meent gij, mijne broeders, dat +wij het pand van den strijd moeten overgeven, en hem dus tot onzen +kampvechter benoemen?" + +"Aan Brian De Bois-Guilbert, die er hoofdzakelijk in betrokken is," +zei de Preceptor Van Goodalricke, "en die bovendien het best weet, +hoe het met de waarheid in deze zaak staat." + +"Maar als onze broeder Brian," hervatte de Grootmeester, "onder den +invloed staat van eene betoovering?--Wij spreken slechts uit voorzorg; +want aan geen lid van de heilige Orde zouden wij liever deze, of een +nog gewichtiger zaak toevertrouwen." + +"Eerwaarde vader," antwoordde de Preceptor Van Goodalricke, "geene +betoovering heeft invloed op den kampvechter, die optreedt om in een +Godsgericht te strijden." + +"Gij hebt gelijk, broeder," hernam de Grootmeester. "Albert Malvoisin, +geef dit onderpand van den strijd aan Brian De Bois-Guilbert.--Ik +gelast u, broeder," vervolgde hij, zich tot Bois-Guilbert wendende, +"om manmoedig te strijden, niet twijfelende, of de goede zaak zal +zegepralen.--Voor u, Rebekka, bepalen wij den derden dag na dezen, +opdat gij een kampvechter moogt stellen." + +"Dat is een korte tijd," antwoordde Rebekka, "voor een vreemdeling, +die niet van uw geloof is, om iemand te vinden, die leven en eer om +harentwille in den strijd zou willen wagen." + +"Wij kunnen den tijd niet verlengen," hernam de Grootmeester; +"de strijd moet in onze eigene tegenwoordigheid plaats hebben, +en verscheidene gewichtige redenen roepen ons op den vierden dag +van hier." + +"Gods wil geschiede!" riep Rebekka uit; "ik stel mijn vertrouwen in +Hem, voor Wien één oogenblik even voldoende ter redding is, als eene +geheele eeuw." + +"Gij hebt goed gesproken, meisje," zei de Grootmeester; "maar wij +weten ook zeer goed, wie zich als een Engel des lichts vertoonen +kan. Nu blijft er slechts nog over, om eene plaats te bepalen voor +den strijd, en, zoo het noodig mocht zijn, voor de volvoering der +straf.--Waar is de Preceptor van dit huis?" + +Albert Malvoisin, steeds Rebekka's handschoen in de hand houdende, +sprak zeer ernstig maar zacht met Bois-Guilbert. + +"Hoe!" riep de Grootmeester, "wil hij het pand niet aannemen?" + +"Hij wil het wèl,--hij heeft het reeds aangenomen, zeer eerwaarde +vader," antwoordde Malvoisin, den handschoen onder zijn eigen mantel +stekende. "En voor de plaats van het gevecht, houd ik het strijdperk +van St. George voor het geschiktst, daar het tot deze Preceptorij +behoort, en wij het veelal voor krijgsoefeningen gebruiken." + +"Het is wèl," zei de Grootmeester. "Rebekka, in dit strijdperk zult +gij uw kampvechter stellen, en zoo gij zulks niet doet, of indien +hij in het Godsgericht overwonnen wordt, dan zult gij, volgens uw +vonnis, den dood eener tooveres sterven. Laat dit ons vonnis in het +boek opgeteekend en luid voorgelezen worden, opdat niemand onkunde +daarvan voorwende." + +Een der kapelanen, die den dienst van schrijvers bij het Kapittel +waarnamen, schreef dadelijk het vonnis in een groot boek, de +handelingen der Tempelridders bevattende, wanneer zij bij plechtige +gelegenheden vergaderd waren; en toen hij met schrijven gedaan had, +las een tweede met luider stem het vonnis van den Grootmeester, +dat uit het Normandisch-Fransch vertaald, aldus luidde, voor: + +"Rebekka, eene Jodin, de dochter van Izaäk van York, beschuldigd +van tooverij, verleiding, en andere verdoemelijke kunsten, die zij +op een ridder van de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion heeft +uitgeoefend, loochent dit, en zegt, dat de heden tegen haar afgelegde +getuigenissen valsch, boosaardig en onwaar zijn; en dat zij, wettig +verhinderd door haar geslacht, in hare plaats een kampvechter stellen +zal, om hare zaak te verdedigen, die zijn ridderlijken plicht vervullen +zal met zoodanige wapens, als een gevecht vordert, en dat op hare +kosten en gevaar. En hierop gaf zij haar pand, dat overgegeven werd aan +den edelen Heer en Ridder Brian De Bois-Guilbert van de Heilige Orde +van den Tempel van Sion; deze werd benoemd om dien strijd te voeren +voor zijne Orde en zich zelven, als beleedigd en benadeeld zijnde door +de tooverijen der aangeklaagde. Derhalve heeft de Zeer Eerwaarde Vader +en machtige Heer Lucas, Markies van Beaumanoir, genoemde uitdaging +en de verschooning der aangeklaagde wegens haar geslacht aangenomen, +en den derden dag van heden tot genoemd gevecht bepaald, en daartoe +aangewezen de omheinde plaats, genoemd het strijdperk van St. George, +nabij de Preceptorij van Templestowe. En de Grootmeester roept dus +de beschuldigde op, om aldaar door haar kampvechter te verschijnen, +onder doodstraf, als van tooverij en verleiding overtuigd; als ook +den aanklager om te verschijnen, onder straf van voor een lafaard +verklaard te worden, in geval hij niet mocht verschijnen, en de edele +Heer en Zeer Eerwaarde Vader voornoemd, bepaalt, dat het gevecht in +zijne tegenwoordigheid zal plaats hebben, met inachtneming van alle +in zulke zaken heerschende gebruiken. En moge God de rechtvaardige +zaak bijstaan!" + +"Amen!" riep de Grootmeester; en de menigte herhaalde het +woord. Rebekka sprak niet; maar zij zag ten hemel, en haar handen +vouwende, bleef zij eene minuut lang in dezelfde houding. Zij bracht +hierop den Grootmeester op een bescheiden toon te binnen, dat zij +eenige vrijheid moest hebben, om haar vrienden bericht van haar +toestand te geven, opdat men, indien het mogelijk was, een kampvechter +voor haar zou zoeken. + +"Dat is recht en billijk," zei de Grootmeester; "kies welken bode +gij wilt, en hij zal vrij in uwe gevangenis komen." + +"Is er iemand hier," zei Rebekka, "die hetzij uit liefde voor de +goede zaak, of voor een mild loon, een boodschap voor een ongelukkig +schepsel doen wil?" + +Allen zwegen; want niemand waagde in de tegenwoordigheid van den +Grootmeester eenige belangstelling voor de gelasterde gevangene te +betoonen, uit vrees van voor Joodschgezind gehouden te worden. Niet +eens het vooruitzicht op belooning en veel minder het gevoel van +medelijden alleen kon deze vrees te boven komen. + +Rebekka bleef eenige oogenblikken in onbeschrijfelijken angst en +toen riep zij uit: "Is het wezenlijk zoo?--En moet ik in Engeland +van de geringe kans van redding, die mij overblijft, beroofd worden, +omdat niemand een liefdedienst voor mij verrichten wil, welken men +den ergsten misdadiger niet zou weigeren?" + +Higg, de zoon van Snell, antwoordde eindelijk: "Ik ben maar een +kreupel man, maar aan hare liefderijke hulp heb ik het te danken, +dat ik mij nog verroeren en bewegen kan.--Ik wil uwe boodschap +verrichten," voegde hij er bij, zich tot Rebekka wendende, "zoo goed +als een verlamd schepsel het kan; en gelukkig zou ik zijn, als mijne +beenen vlug genoeg waren om het kwaad, dat mijne tong gedaan heeft, +weder goed te maken. Helaas! toen ik uwe liefdadigheid roemde, dacht +ik niet, dat ik u daardoor in gevaar bracht!" + +"God," zei Rebekka, "beschikt alles. Hij kan Juda's gevangenschap zelfs +door het zwakste werktuig doen eindigen. Om Zijn last te volbrengen, is +de slak een even zekere bode als de valk. Zoek Izaäk van York op;--zie, +hier is geld, daar kunt gij een paard voor nemen,--en overhandig hem +dit briefje.--Ik weet niet, of het de Hemel is, welke mij bezielt; +maar ik ben vast overtuigd, dat ik dezen dood niet zal sterven, +en dat er zich een kampioen voor mij zal opdoen. Vaarwel!--leven en +dood hangen van uw spoed af." + +De boer nam het briefje, dat slechts eenige woorden in het Hebreeuwsch +bevatte. Velen der toeschouwers wilden hem afraden, om een zoo +verdacht geschrift aan te raken; maar Higg had vast besloten om zijne +weldoenster te dienen. "Zij heeft mijn lichaam gered," zei hij; "en +ik ben verzekerd, dat zij mijne ziel niet in gevaar zal brengen. Ik +zal het flinke paard van buurman Buthan huren, en te York zijn zoo +spoedig man en beest er maar komen kunnen." + +Maar gelukkig, behoefde hij zoo ver niet te gaan, want ongeveer een +kwartier van de poort der Preceptorij ontmoette hij twee ruiters, +die hij aan hunne kleeding en groote gele mutsen voor Joden erkende; +en naderbij komende ontdekte hij, dat een van hen Izaäk van York was; +bij wien hij vroeger gewerkt had. De andere was de Rabbijn Ben Samuel; +beiden waren zoo dicht bij de Preceptorij gekomen als zij durfden, +toen zij hoorden dat de Grootmeester een Kapittel voor het proces +van eene tooveres bijeen geroepen had. + +"Broeder Ben Samuel," zei Izaäk, "mijn ziel is ongerust en ik weet +niet waarom. Dit voorwendsel van hekserij wordt dikwijls gebruikt om +ons volk te kwellen." + +"Wees getroost, broeder," zei de geneesheer; "gij kunt immers met de +Nazareners handelen als een man, die den Mammon der ongerechtigheid +bezit, en dus gemakkelijk vrijstelling van alle straf verkrijgen.--Het +goud beheerscht de woeste gemoederen van deze goddelooze menschen, +zooals men zegt, dat het zegel van den machtigen Salomo de booze +geesten beheerscht.--Maar welke ongelukkige op krukken komt daar aan, +begeerig naar het schijnt, om mij te spreken?--Vriend," vervolgde de +geneesheer, zich tot Higg, den zoon van Snell wendende, "ik weiger +u de hulp van mijne kunst niet, maar help hen, die op den grooten +weg bedelen, met geen penning. Vertrek!--Hebt gij de jicht in de +beenen? werk dan met de handen voor de kost; want al zijt gij ook +ongeschikt tot bode, of tot een zorgvuldigen herder, of tot den oorlog, +of tot den dienst van een driftigen meester, zoo is er toch nog wel wat +te doen.--Hoe nu, broeder," zei hij, zijn rede afbrekende om naar Izaäk +te zien, die nauwelijks het briefje, dat Higg hem ter hand stelde, +had ingezien, of hij viel met een luiden gil, als een stervende van +zijn muilezel, en bleef een oogenblik bewusteloos liggen. De Rabbijn +steeg verschrikt af, en diende hem haastig de middelen toe, welke +zijn kennis hem tot herstel van zijn vriend aan de hand gaf. Hij +haalde zelfs zijn gereedschap tot aderlaten uit den zak en wilde het +juist gebruiken, toen het voorwerp van zijn angstige zorg plotseling +herleefde, maar alleen om zijne muts van het hoofd te trekken en zijn +grijze haren met stof te bestrooien. De geneesheer was eerst geneigd +om deze plotselinge en hevige aandoening aan zinneloosheid toe te +schrijven, en bij zijn eerste voornemen blijvende, begon hij weder +zijn instrumenten te hanteeren. Maar Izaäk overtuigde hem weldra van +zijn dwaling. "Kind mijner smarte!" riep hij: "Wel moest gij Ben-Oni +in plaats van Rebekka genoemd worden! Waarom moet uw dood mijne grijze +haren naar het graf brengen, zoodat ik in de bitterheid van mijn hart +God vervloek en sterf?" + +"Broeder," riep de Rabbijn verbaasd, "zijt gij een vader in Israël, +en uit gij zulke woorden?--Het kind van uw huis leeft toch zeker nog?" + +"Zij leeft," antwoordde Izaäk; "maar het is als Daniël, die Beltsazar +genoemd werd, toen hij in den leeuwenkuil was. Ze is gevangen bij +deze mannen Belials, en ze willen hunne wreedheid op haar uitoefenen, +zonder medelijden te hebben met hare jeugd en haar schoonheid. O! ze +was een krans van groene palmen voor mijne grijze lokken; en ze moet +in één nacht verwelken, gelijk de wonderboom van Jonas!--Kind mijner +liefde!--Kind mijns ouderdoms!--O Rebekka, dochter van Rachel! de +donkere schaduw des doods overvalt u!" + +"Lees het briefje nog eens," zei de Rabbijn, "mogelijk vinden wij +nog een weg tot redding." + +"Lees gij, broeder," antwoordde Izaäk; "want mijne oogen zijn als +waterfonteinen." + +De geneesheer las, in hunne moedertaal, de volgende woorden: "Aan +Izaäk, den zoon van Adonikam, welken de Heidenen Izaäk van York +noemen.--Dat vrede en de zegen der belofte u geschonken worden!--Mijn +vader, ik ben ter dood veroordeeld wegens eene misdaad, van welke +mijn ziel niets weet, namelijk die der tooverij. Mijn vader, indien +er een dapper man kan gevonden worden, om voor mij te strijden met +zwaard en lans, volgens de gewoonte der Nazareners, in het strijdperk +van Templestowe, den derden dag na dezen, dan zal misschien de God +onzer vaderen hem kracht geven, om de onschuldige en hulpelooze te +verdedigen. Maar zoo dat niet gebeurt, laat dan de maagden van ons +volk om mij rouwen als om eene afgestorvene, als om het hert, dat de +jager velt, en de bloem, welke de maaier met zijn zeisen afmaait. Zie +dus toe, waar er hulp te vinden is. Één Nazareensch krijgsman zou +inderdaad voor mij in het strijdperk treden; het is Wilfrid, de zoon +van Cedric, dien de Heidenen Ivanhoe noemen. Maar hij kan het gewicht +zijner wapenrusting nog niet dragen. Zend hem desniettegenstaande +bericht, vader, want hij staat in aanzien bij de dappere mannen van +zijn volk; en daar hij onze gevangenschap deelde, zal hij misschien +iemand kunnen vinden, die voor mij strijdt. Maar zeg hem, aan hem +zelven, aan Wilfrid, den zoon van Cedric, dat Rebekka leve of sterve, +ze geheel vrij van de haar toegeschreven misdaad leeft en sterft. En +zoo het de wil van God is, dat ge van uwe dochter beroofd moet worden, +toef dan niet langer in dit land van bloedvergieten en wreedheid, +oude man! maar begeef u naar Cordova, waar uw broeder in veiligheid +woont onder den schepter, ja, zelfs onder den schepter van Boabdil, +den Saraceen; want minder wreed zijn de gruwelen der Mooren tegen +de kinderen van den stam Jacobs, dan de gruwelen der Nazareners +van Engeland." + +Izaäk luisterde vrij bedaard terwijl Ben Samuël dezen brief voorlas, +maar daarop toonde hij weder door Oostersche gebaren en uitroepingen +zijne droefheid; hij verscheurde zijne kleederen, bestrooide zijn +hoofd met stof en riep uit: "Mijne dochter! mijne dochter! vleesch +van mijn vleesch en been van mijn been!" + +"Kom aan, schep moed!" sprak de Rabbijn; "deze droefheid kan u +niets helpen. Omgord uwe lendenen, en zoek dezen Wilfrid, den zoon +van Cedric op. Hij kan u wellicht helpen met raad en daad; want de +jongeling staat in gunst bij Richard, dien de Nazereners Leeuwenhart +noemen, en het gerucht, dat deze teruggekeerd is, verspreidt zich in +het land. Misschien kan hij brief en zegel van hem krijgen, om deze +bloeddorstige menschen, die hun naam ontleenen aan den Tempel, dien +ze onteeren, te bevelen, dat ze niet in dit hun goddeloos voornemen +volharden." + +"Ik zal hem opzoeken," antwoordde Izaäk, "want hij is een goede +jongeling en heeft medelijden met de gevangenschap van Jacob. Maar +hij kan zijne wapenrusting niet dragen, en welk ander Christen zal +voor de onderdrukte dochter Sions strijden?" + +"Wel," zei de Rabbijn, "ge spreekt als een man, die de Heidenen niet +kent. Met goud zult gij hunne dapperheid koopen, evenals gij met goud +uw eigene veiligheid koopt. Wees goedsmoeds, en haast u dezen Wilfrid +van Ivanhoe op te zoeken. Ik wil ook op weg gaan en werkzaam zijn, want +het zou eene zware zonde wezen u in uw ongeluk te verlaten. Ik wil mij +naar de stad York begeven, waar eene menigte krijgslieden en dappere +mannen vergaderd zijn, en ik twijfel niet of ik zal iemand er vinden, +die voor uwe dochter zal willen strijden; want goud is hun afgod, +en voor geld zullen ze hun leven geven zoowel als hun land.--Zult +gij alle beloften, die ik hun in uw naam doe, vervullen, broeder?" + +"Voorzeker, broeder," antwoordde Izaäk, "en de Hemel zij geloofd, +dat hij mij een trooster in mijne ellende heeft gezonden. Hoe het +ook zij, sta hunne eischen niet op eens toe; want ge zult vinden, dat +het dezen menschen eigen is, ponden te vragen en met oncen tevreden +te zijn.--Evenwel doe wat gij wilt, want ik ben buiten mij zelven, +en hoe zou goud mij baten, als het kind mijner liefde verloren ging?" + +"Vaarwel," zei de geneesheer, "en mogen uwe wenschen vervuld worden!" + +Zij omhelsden elkander en sloegen verschillende wegen in. De kreupele +boer bleef eenigen tijd staan en zag hen na. + +"Die honden van Joden!" riep hij; "ze storen zich niet meer aan een +vrijen gildebroeder, dan alsof ik een geboren slaaf, een Turk, of een +besneden Hebreër, gelijk zij zelven ware! Ze hadden mij toch wel een +paar zilverstukken kunnen toewerpen. Ik was niet verplicht, om hun +onheilig gekrabbel over te brengen en gevaar te loopen van betooverd +te worden, zooals men mij zeide. En wat helpt mij het stukje goud, +dat het meisje mij gegeven heeft, zoo de priester mij daarom bij de +biecht op aanstaanden Paschen bestraft, en ik hem tweemaal zooveel moet +geven om het weder goed te maken, en dan nog wellicht op den koop toe +mijn leven lang de Joodsche bode heeten! Ik geloof, dat ik in ernst +betooverd was, toen ik naast het meisje stond!--Maar dit was altijd +het geval met Jood of Heiden, die in hare nabijheid kwam;--niemand +kon blijven staan als ze een boodschap te doen had,--en toch, als ik +aan haar denk, dan wilde ik wel mijn werkplaats en werktuigen er bij +geven, om haar het leven te redden!" + + + + + +NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + O meisje, koud en onverbid'lijk! + Mijn' ziel is even trotsch als de uwe! + + Seward. + + +De avond schemerde op denzelfden dag, waarop Rebekka's proces, +als men het zoo noemen kan, had plaats gehad, toen er zachtjes aan +de deur van hare gevangenis getikt werd. Dit stoorde de bewoonster +niet, die juist bezig was met het avondgebed te verrichten, dat haar +godsdienst voorschreef, en dat met een lofzang eindigde, welken wij +gewaagd hebben aldus te vertalen: + + + Toen 't uitverkoren volk weleer + Egypte's slavernij ontkwam, + Verscheen der vaadren God, de Heer, + Aan Israël in rook en vlam. + Des daags, geleidde een wolkkolom + Hen door Arabiëns zandwoestijn; + Terwijl, des nachts, een vuurzuil glom, + Om hun een trouwe gids te zijn. + + De blijde koorzang werd gehoord, + En Sions dochtren stemden 't lied, + Bij cymbaalspel en harp-accoord, + Te zaam met krijgsheld en Leviet. + Helaas! geen wonderwerken meer + Beschermen Abrahams geslacht; + 't Viel van Uw wegen af, o Heer! + En 't werd verlaten door Uw macht. + + Maar schoon onzichtbaar voor Uw volk, + Verschijne aan ons verheugd gemoed + In voorspoed, nog gelijk een wolk, + Die voor bedrieglijk licht ons hoedt; + En als op 't rampvol Isrel weer + Een nacht, door storm verduisterd, daalt, + Zij ons altijd barmhartig, Heer! + Een vuurzuil, die ons pad bestraalt. + + Wij lieten binnen Babels stad + De harpen, 's vijands schimp en spot. + Geen hand ontsteekt het wierookvat, + Bazuin noch citer looft u, God! + Maar Gij beloofdet Juda's stam + Dat U, het hart in boete en rouw, + Nog meer, dan 't bloed van geit of ram + Een welkom offer wezen zou. + + +Toen de klanken van Rebekka's godsdienstig gezang weggestorven waren, +werd het zachte getik aan de deur hervat. "Treed binnen," zei ze, +"als gij een vriend zijt, en indien gij een vijand zijt, heb ik de +macht niet, om u het binnenkomen te beletten." + +"Ik ben," zei Brian De Bois-Guilbert, in het vertrek tredende, +"vriend of vijand, Rebekka, volgens den afloop van dit gesprek." + +Verschrikt op het gezicht van dezen man, wiens losbandige drift zij +als de bron van al hare rampen beschouwde, trad Rebekka achteruit, op +een wel voorzichtige en bedeesde, maar geenszins vreesachtige wijze, +tot in den uitersten hoek van de kamer, alsof zij besloten had zich +zoo ver mogelijk terug te trekken, maar wederstand te bieden als de +terugtocht niet meer doenlijk was. Zij nam dus een niet trotseerende, +maar moedige houding aan, alsof ze geen aanval wilde uitdagen, en +zich toch tot het uiterste toe verdedigen zou. + +"Gij hebt geen reden om mij te vreezen, Rebekka," zei de Tempelier, +"of, om mij beter uit te drukken, gij hebt ten minste _nu_ niets van +mij te vreezen." + +"Ik vrees u niet, heer ridder," hernam Rebekka, ofschoon hare angstige +ademhaling den heldenmoed harer woorden scheen te logenstraffen: +"Mijn vertrouwen is groot, en ik vrees u niet." + +"Gij hebt er ook geene reden toe," antwoordde Bois-Guilbert ernstig; +"mijn vorige dolzinnige aanslagen hebt gij nu niet te vreezen. Er +staat in de nabijheid een wacht, die gij roepen kunt, en over welke +ik geen gezag heb. Ze is bestemd om u ter dood te geleiden, Rebekka; +maar ze zou u door niemand, zelfs niet door mij laten beleedigen, +zoo mijn razernij,--want razernij is het,--mij zoo ver dreef." + +"God zij geloofd!" zei de Jodin; "de dood is het geringste, wat ik +in dit hol des Satans te vreezen heb." + +"Ja," hernam de Tempelier, "het denkbeeld des doods heeft niets +verschrikkelijks voor een onbevreesd gemoed, als de weg daartoe open +en kort is. Een steek met eene lans, een houw met een zwaard, ware +voor mij eene kleinigheid.--Voor u heeft eene sprong van een hoogen +toren, een steek met een scherpen dolk niets ijselijks, vergeleken met +hetgeen wij voor schande houden. Let wel op.--_Ik_ zeg dit;--misschien +zijn mijne eigene gevoelens van eer niet minder dweepziek, Rebekka, +dan de uwe; maar wij weten beiden er voor te sterven." + +"Ongelukkige!" riep de Jodin uit; "en zijt gij veroordeeld om uw leven +bloot te stellen voor grondbeginselen, wier deugdelijkheid door uw +gezond verstand niet erkend wordt? Zeker, dit heet uwe schatten voor +iets weggeven, dat niets waard is;--maar denk dat niet van mij. Uw +besluit moge heen en weer dobberen op de woeste, ongestadige baren +der menschelijke meening, het mijne ankert vast op de rots der eeuwen." + +"Stil, meisje," antwoordde de Tempelier; "zulke gesprekken baten thans +weinig;--gij zijt veroordeeld om te sterven, niet door een snellen en +gemakkelijken dood, zooals de ellende en wanhoop verkiezen zouden, maar +door een langzame, ijselijke, lang gerekte pijniging, die toekomt aan +wat de duivelsche bijgeloovigheid dezer menschen uwe misdaad noemt." + +"En aan wien, zoo dit mijn lot is, aan wien heb ik het te danken?" zei +Rebekka. "Zeker, alleen aan hem, die tot zijn eigen schandelijke +oogmerken mij hierheen sleepte, en nu nog, om eenige mij onbekende +beweegredenen, het ellendige lot, waaraan hij mij blootgaf, nog +ellendiger tracht te maken." + +"Denk niet," hernam de Tempelier, "dat _ik_ u zoo blootgesteld heb; +ik zou u met mijn eigen boezem tegen zulk een gevaar beschermd hebben, +even zeker als ik mij prijs gaf aan de pijlen, die anders uw hart +zouden doorboord hebben." + +"Ware het uw voornemen geweest de onschuld eerlijk te beschermen," +hervatte Rebekka, "dan zou ik u voor uwe bezorgdheid bedankt +hebben. Maar zooals het nu is, hebt gij u zoo dikwijls op dezen dienst +reeds beroemd, dat ik zeggen moet, dat het leven mij niets waard is, +als het tegen den prijs, welken gij daarvoor vordert, behouden moet +worden." + +"Stil met uw verwijten, Rebekka," zei de Tempelier; "ik heb mijn eigene +reden tot droefheid, en het is onnoodig, door uwe beschuldigingen ze +te vermeerderen." + +"Wat is dan uw voornemen, heer ridder?" zei de Jodin. "Zeg het +kortaf.--Indien gij hier iets anders te doen hebt dan de ellende, +die gij mij berokkend hebt, te aanschouwen, doe het mij dan weten, +en laat mij verder, ik bid u, aan mij zelve over;--de schrede van +den tijd in de eeuwigheid is kort, maar verschrikkelijk, en ik heb +slechts weinige oogenblikken, om mij daarop voor te bereiden." + +"Ik zie, Rebekka," hernam Bois-Guilbert, "dat gij steeds voortgaat, +om mij uwe rampen te last te leggen, die ik zoo gaarne zou hebben +willen voorkomen." + +"Heer ridder," hervatte Rebekka; "ik wilde gaarne geene verwijtingen +doen;--maar wat is zekerder, dan dat ik mijn dood aan uwe toomelooze +drift te wijten heb?" + +"Gij dwaalt!--gij dwaalt,"--antwoordde de Tempelier driftig, "zoo gij +aan mijne bedoeling of aan mijne schuld toeschrijft, wat ik voorzien, +noch voorkomen kon. Kon ik de onverwachte aankomst van dien ouden +dwaas voorzien, dien eenige vonken van roekelooze dapperheid en +de lof toegekend aan de domme zelfkwellingen van een kloosterling, +voor het oogenblik boven zijne eigene verdiensten, boven het gezond +verstand, boven mij, en boven honderden van onze Orde, verheven +hebben, die denken en gevoelen als mannen, vrij van zulke zotte en +dweepzieke vooroordeelen, die tot grondslag van zijne gevoelens en +daden strekken?" + +"En toch," zei Rebekka, "zat gij als rechter over mij; en terwijl gij +wist, dat ik onschuldig,--geheel onschuldig was,--hebt gij aan mijne +veroordeeling deel genomen, en, zoo ik het goed verstaan heb, moet +gij zelf in het strijdperk verschijnen, om mijne straf te verzekeren!" + +"Geduld, meisje!" hernam de Tempelier. "Geen volk weet beter dan het +uwe zich naar de omstandigheden te schikken, en het schuitje zoo +te sturen, dat zij zelfs uit een ongunstigen wind voordeel kunnen +trekken." + +"Beklagenswaardig is het uur," hervatte Rebekka, "dat het volk Israëls +zulke kunsten geleerd heeft; maar de tegenspoed buigt het hart, +gelijk het vuur het harde staal doet buigen; en zij, die zichzelven +niet langer bestieren, noch burgers van een vrijen, onafhankelijken +staat zijn mogen, moeten voor vreemdelingen bukken. Dat is de vloek, +heer ridder, dien wij zonder twijfel door onze eigene overtredingen +en door die onzer vaderen verdiend hebben; maar gij,--gij, die op +uwe vrijheid, en op uw geboorterecht pocht, hoeveel grooter is uwe +schande, als gij u, tegen uwe eigene overtuiging, verlaagt, om de +vooroordeelen van anderen aan te kweeken!" + +"Uw woorden zijn bitter, Rebekka," zei Bois-Guilbert, ongeduldig door +het vertrek stappende; "maar ik ben niet gekomen, om verwijtingen +aan te hooren.--Weet, dat Bois-Guilbert voor geen mensch ter wereld +wijkt, al noodzaken hem de omstandigheden een tijdlang zijn plan te +wijzigen. Zijn wil is de bergstroom, welken de rots wel een oogenblik +van richting kan doen veranderen, maar die toch zijn loop tot aan +den oceaan vervolgt. Dit briefje, dat u aanried, om een kampvechter +te vragen,--van wien kondet gij denken, dat het kwam, dan van +Bois-Guilbert? Bij wien anders kondet gij zulk eene belangstelling +verwekt hebben?" + +"Dit is slechts een kort uitstel van een dreigenden dood," antwoordde +Rebekka, "dat mij weinig baten zal,--was dit alles, wat gij voor +een meisje doen kondet, op welks hoofd gij rampen opeengestapeld, +en dat gij zelf tot aan den rand van het graf gebracht hebt?" + +"Neen, meisje," antwoordde Bois-Guilbert, "dit was niet alles wat ik +bedoelde. Zonder de vervloekte tusschenkomst van dien dweepzieken +domoor en gek van Goodalricke, die, ofschoon een Tempelier, veinst +volgens de regels der menschelijkheid te denken en te oordeelen, +was het een gewonen ridder der Orde en niet een Preceptor ten +deel gevallen, om te strijden. Dan zou ik zelf,--dit was mijn +voornemen,--op het geblaas der trompet als uw kampvechter in het +strijdperk verschenen zijn, vermomd als een dolende ridder, die met +lans en zwaard avonturen zoekt; en dan had Beaumanoir niet één, maar +twee of drie der hier vergaderde broeders kunnen uitkiezen, en ik +zou hen één voor één onfeilbaar uit den zadel gelicht hebben. Aldus, +Rebekka, zou uwe onschuld bewezen zijn, en ik zou de belooning mijner +zege aan u zelve overgelaten hebben." + +"Dit, heer ridder," zei Rebekka, "is slechts ijdele snoeverij;--gij +pocht op wat gij gedaan zoudt hebben, indien gij niet goed gevonden +hadt anders te doen. Gij hebt mijnen handschoen opgenomen, en mijn +kampioen, indien een zoo rampzalig schepsel als ik er een vinden kan, +moet uwe lans in het strijdperk wederstaan--en nog wilt gij u als +vriend en beschermer voordoen?" + +"Uw vriend en beschermer," hervatte de Tempelier ernstig, "wil ik nog +zijn;--maar luister op welk gevaar, of liever met welke zekerheid +van schande; en dan berisp mij niet, zoo ik mijne voorwaarde stel, +eer ik alles opoffer wat mij tot dusver in het leven dierbaar was, +om het leven eener Jodin te redden." + +"Spreek," zei Rebekka, "ik versta u niet!" + +"Welaan dan," hervatte Bois-Guilbert, "ik wil even vrij spreken, +als ooit een onnoozel biechteling tegen zijn geestelijken +vader.--Rebekka! wanneer ik niet in dit strijdperk verschijn, dan +verlies ik roem en rang;--verlies, wat de ziel van mijn leven is, +die achting, waarin ik bij mijne broeders sta, en de hoop, welke ik +heb, om eens dat groote gezag in handen te krijgen, hetwelk thans de +bijgeloovige, onnoozele Lucas De Beaumanoir bezit. Dit is mijn lot, +zoo ik niet verschijn, om tegen uwe zaak te strijden. Vervloekt zij +Goodalricke, die mij dezen strik gespannen heeft! en dubbel vervloekt +zij Albert de Malvoisin, die mij in mijn voornemen verhinderde, om +den handschoen in het gezicht van den bijgeloovigen ouden dwaas te +werpen, die eene zoo ongerijmde aanklacht tegen een zoo hooghartig +en bekoorlijk schepsel aanhoorde!" + +"En wat baat thans uw razen of vleien?" antwoordde Rebekka. "Gij +hebt uwe keus gedaan tusschen den dood van eene onschuldige vrouw en +het verlies van uw aardschen rang en aardsche hoop;--wat baat het, +dit tegen elkander te wegen?--uwe keus is gedaan!" + +"Neen, Rebekka," hervatte de ridder op zachteren toon en naderbij +komende; "mijne keus is niet gedaan;--neen! let wel,--de beslissing +staat aan u. Als ik in het strijdperk verschijn, dan moet ik mijn +wapenroem staande houden; en geschiedt dit, dan moet gij, er moge zich +een kampvechter voor u opdoen of niet, op den brandstapel sterven; want +er leeft geen ridder, die in den strijd mij overwinnen kan, of zelfs +gelijk met mij staat, behalve Richard Leeuwenhart en zijn gunsteling +Ivanhoe. Deze is, zooals ge weet, buiten staat, om zijne wapenrusting +te dragen, en Richard zucht in eene vreemde gevangenis. Als ik opkom, +dan sterft gij, al bewogen ook uwe bekoorlijkheden den een of anderen +heethoofdigen jongeling, om voor u te strijden." + +"En waartoe dient het, dit zoo dikwijls te herhalen?" zei Rebekka. + +"Opdat gij uw lot van alle kanten leert beschouwen," antwoordde +de Tempelier. + +"Welaan dan," hervatte de Jodin, "keer het blad om; laat mij de andere +zijde zien." + +"Als ik in het noodlottige strijdperk verschijn," zei Bois-Guilbert, +"dan sterft gij een langzamen en pijnlijken dood, in kwellingen, +die men zegt, dat hiernamaals voor de schuldigen bestemd zijn. Maar, +als ik niet verschijn, dan ben ik een onteerd en verstooten ridder, +beschuldigd van tooverij en gemeenschap met ongeloovigen;--de +doorluchtige naam, die door mij nog beroemder geworden is, wordt +een schimp- en schandnaam. Ik verlies roem en eer;--ik verlies het +vooruitzicht op een grootheid, welke nauwelijks keizers bereiken.--Ik +offer eene machtige eerzucht op; ik zie af van plannen, welke zoo hoog +opgebouwd waren als de bergen, met welke de heidenen zeggen, dat hun +hemel eens bijna beklommen werd,--en echter, Rebekka!" voegde hij er +bij, zich aan haar voeten werpende, "wil ik deze grootheid opofferen, +van dezen roem afstand doen, deze macht laten varen, zelfs nu ik ze +half in de hand houd, als gij zeggen wilt: Bois-Guilbert, ik neem u +tot mijn minnaar aan!" + +"Denk aan zulke dwaasheid niet, heer ridder," antwoordde Rebekka; "maar +vlieg naar den Regent, naar de Koningin-moeder, naar Prins Jan;--ze +kunnen, om de eer der kroon, de handelwijze van uw Grootmeester niet +goedkeuren. Op deze wijze zult ge mij beschermen, zonder opoffering +van uw kant, en zonder een voorwendsel te hebben om eenige vergelding +van mij te vergen." + +"Met dezen onderhandel ik niet," vervolgde hij, den slip van haar +gewaad vasthoudende;--"tot u alleen wend ik mij; en wat kan tegen +mijn voorstel opwegen? Bedenk, al ware ik een duivel, dan is de dood +nog vreeselijker, en het is de dood, die mijn medeminnaar is!" + +"Ik geef niet om deze rampen," zei Rebekka, bevreesd om den woesten +ridder te vertoornen, en toch even vast besloten zijne liefde niet +te dulden, en niet eens te veinzen ze te dulden. "Wees man, wees +Christen! Indien uw geloof werkelijk die barmhartigheid voorschrijft, +welke meer in uwe woorden dan in uwe daden gevonden wordt, red mij +dan van dezen schrikkelijken dood, zonder eene belooning te zoeken, +die uwe grootmoedigheid tot een lagen ruilhandel zou vernederen." + +"Neen, meisje," zei de trotsche Tempelier, opspringende; "zoo zult +ge mij niet misleiden. Zoo ik van mijn reeds verkregen roem en alle +toekomstige eer afzie, dan doe ik het om uwentwille, en wij zullen +te zamen vluchten. Luister naar mij, Rebekka!" zei hij, zijn toon +weder verzachtende: "Engeland, Europa is de wereld niet. Er zijn +nog landen, waar wij leven kunnen, die groot genoeg zijn zelfs voor +mijne eerzucht. Wij zullen naar Palestina gaan, waar Conrad, Markies +van Montserrat, mijn vriend is,--een vriend, even vrij als ik, van +die domme vooroordeelen, welke onze vrijgeborene rede kluisteren; +liever willen wij ons zelfs met Saladijn verbinden, dan den hoon van +die schijnheiligen verdragen, die wij verachten.--Ik zal nieuwe paden +voor mijne eerzucht banen," ging hij voort, de kamer met driftige +schreden op en neer gaande.--"Europa zal de luide stem hooren van hem, +die het uit het getal zijner zonen verstooten heeft!--De millioenen, +welke het als kruisvaarders ter slachting zendt, kunnen niet zooveel +ter verdediging van Palestina doen;--de zwaarden van de duizenden en +tienduizenden Saracenen kunnen niet dieper in dat land inhouwen, welks +bezit de volken elkaar betwisten, dan de kracht en de staatslisten +van mij en die broeders, welke, in weerwil van gindschen ouden dwaas, +mij in goed en kwaad getrouw zullen zijn. Gij zult Koningin worden, +Rebekka!--Op den berg Karmel zullen wij den troon oprichten, dien +mijne dapperheid voor u veroveren zal, en ik zal den lang gewenschten +grootmeesterlijken staf tegen een schepter verruilen!" + +"Een droom," zei Rebekka, "een ijdele droom, welke, al kon die ook +verwezenlijkt worden, mij niet bekoort;--nooit zou ik deel willen +hebben in de macht, welke ge zoudt kunnen verkrijgen! Ook denk ik niet +zoo lichtvaardig over vaderland en godsdienstig geloof, dat ik hem zou +kunnen achten, die deze banden wil verscheuren, en de wetten van een +Orde schenden, van welke hij een gezworen medelid is, om een toomelooze +drift voor de dochter van een vreemd volk te voldoen.--Bepaal geen +prijs voor mijne bevrijding, heer ridder!--verkoop een edelmoedige +daad niet!--bescherm de onderdrukte, uit menschenliefde, en niet om +eigen voordeel!--Ga naar den Koning van Engeland; Richard zal mij +uit de handen van deze wreede mannen redden!" + +"Nooit, Rebekka!" riep de Tempelier trotsch. "Zoo ik mijne +Orde verlaat, dan doe ik het alleen om u.--Ik wil de eerzucht +behouden, zoo gij mijne liefde versmaadt; ik wil niet van alle kanten +teleurgesteld worden!--Mijn hoofd voor Richard buigen?--een gunst van +dien hoogmoedige vragen?--Nooit, Rebekka, wil ik de Orde des Tempels +in mijn persoon aan zijn voeten leggen;--de Orde vaarwel zeggen, +dat kan ik; maar nooit wil ik ze onteeren of verraden!" + +"Nu, dan zij God mij genadig!" zuchtte Rebekka; "want op hulp van +menschen kan ik bijna niet meer hopen!" + +"Dat is zoo," hernam de Tempelier; "want hoe trotsch gij ook zijn +moogt, zoo hebt gij in mij uws gelijke gevonden. Zoo ik met de lans in +het strijdperk treed, dan geloof ik niet, dat eenig menschelijk wezen +mij zal beletten mijne kracht te toonen; en denk dan aan uw eigen +lot,--den dood der ergste boosdoeners te sterven,--op een vlammenden +brandstapel te vergaan,--terwijl uw asch in die elementen verstrooid +wordt, waaruit onze lichamen zoo geheimzinnig samengesteld zijn;--en +er niet het minste overblijft van die aanvallige gestalte, om ons te +zeggen: zij leefde en bewoog zich onder ons!--Rebekka, geene vrouw +kan dit vooruitzicht verdragen,--gij moet mijne eischen inwilligen!" + +"Bois-Guilbert," antwoordde de Jodin, "gij kent het vrouwelijk hart +niet, of gij kent slechts zulke vrouwen, die haar edelste gevoelens +verloren hebben. Ik zeg u, trotsche Tempelier, dat gij, die zoo op +uwe dapperheid pocht, in de heetste gevechten niet meer moed hebt ten +toon gespreid, dan eene vrouw kan toonen, wanneer zij door liefde of +plicht geroepen wordt om te lijden. Ik ben zelve eene vrouw, teeder +opgevoed, van natuur bevreesd voor gevaar, en gevoelig voor smart;--en +toch ben ik ten volle overtuigd, dat, wanneer wij in het noodlottige +strijdperk treden, gij om te vechten en ik om te sterven, mijn moed +grooter zal zijn dan de uwe. Vaarwel!--ik verspil geene woorden meer +aan u; de tijd, welke aan de dochter van Jacob op aarde nog overblijft, +moet anders besteed worden:--zij moet den Trooster zoeken, die Zijn +aangezicht voor Zijn volk kon verbergen, maar die altijd Zijn oor +opent voor de stem van hen, die Hem in oprechtheid en waarheid zoeken!" + +"Wij scheiden dus op deze wijze!" zei de Tempelier na eene korte +stilte; "gave de Hemel, dat wij elkander nooit ontmoet hadden, +of dat gij van eene edele geboorte en van het Christelijk geloof +geweest waart!--Neen,--bij den Hemel! als ik u aanzie en bedenk, +wanneer en hoe wij elkander den eersten keer weêr zullen ontmoeten, +dan zou ik zelfs kunnen wenschen, dat ik een lid van uw veracht volk +ware, dat mijne hand slechts met geldzakken en _sjekels_ in plaats van +lans en schild wist om te gaan, dat ik het hoofd voor iederen kleinen +edele moest buigen, en dat mijn blik alleen schrikkelijk ware voor +den sidderenden armen schuldenaar;--dit zou ik haast kunnen wenschen, +Rebekka, om in het leven bij u te blijven, en om het vreeselijk deel +te ontgaan, dat ik aan uwen dood hebben moet!" + +"Gij hebt den Jood geschilderd," antwoordde Rebekka, "zooals de +vervolging van mannen, als gij zelf, hem gemaakt heeft. De Hemel +heeft hem in zijn toorn uit zijn land verjaagd: maar de nijverheid +heeft den eenigen weg tot macht en invloed, welke de onderdrukking +ongesloten liet, voor hem geopend. Lees de oude geschiedenis van Gods +volk, en zeg mij, of zij, door wie Jehova zulke wonderen op aarde +verricht heeft, toen een volk van vrekken en woekeraars waren!--En +weet, trotsche ridder, dat wij namen onder ons tellen, tegen welke +uw geroemde Noordsche adel is als de kalebas tegen den ceder, namen, +welke tot in die tijden opklimmen, toen God Zijn troon had gevestigd +in het heiligdom tusschen de vleugelen der Cherubijnen, namen, welke +hun glans van geen aardschen Vorst ontleenen, maar van die verhevene +stem, welke hun vaders met goddelijke verschijningen vereerde.--Dit +waren de Vorsten van Jacobs huis!" + +Een hooger rood kleurde Rebekka's wangen, terwijl zij van den +alouden roem van haar geslacht gewaagde; maar het verdween, toen zij +er zuchtende bijvoegde: "Zoo waren de Vorsten van Juda, maar zij zijn +niet meer!--Zij zijn onder den voet getreden, gelijk het gemaaide gras, +en vermengd met het slijk des wegs. Maar er zijn er nog onder hen, +die hunne doorluchtige voorvaders niet onteeren, en tot dezen zal +de dochter van Izaäk, den zoon van Adonikam, behooren! Vaarwel!--Ik +benijd u uwe bloedige eer niet!--Ik benijd u uwe afkomst van Noordsche +Heidenen niet!--Ik benijd u uw geloof niet, dat gij altijd in den mond, +maar nooit in uw hart en in uwe daden hebt!" + +"Bij den Hemel! eene tooverkracht houdt mij nog terug!" riep +Bois-Guilbert. "Bijna geloof ik, dat die onzinnige grijsaard gelijk +heeft, dat de weêrzin, met welken ik u verlaat iets bovennatuurlijks +is.--Bekoorlijk wezen!" vervolgde hij, haar naderende, maar met grooten +eerbied:--"Zoo jong, zoo schoon, zoo onbevreesd voor den dood! en toch +veroordeeld om te sterven,--en dat wel een schandelijken en pijnlijken +dood! Wie zou niet om u weenen?--Tranen, sedert twintig jaren vreemd +aan deze oogen, bevochtigen mijn wangen, als ik u aanzie! Maar het +moet zoo zijn;--niets kan thans uw leven redden. Gij en ik zijn +slechts de blinde werktuigen van het onweêrstaanbaar noodlot, dat +ons voortdrijft, gelijk twee schoone schepen, die de storm voor zich +heenjaagt, en tegen elkander doet stooten en verbrijzelt. Vergeef +mij dus, en laat ons ten minste als vrienden scheiden. Ik heb u te +vergeefs van besluit willen doen veranderen, en het mijne is even vast, +als de onverbreekbare vonnissen van het noodlot." + +"Zoo leggen de menschen de gevolgen hunner woeste driften aan het +noodlot te last!" zei Rebekka. "Maar ik vergeef u, Bois-Guilbert, +schoon gij de oorzaak van mijn ontijdigen dood zijt. Edele gedachten +komen in uw krachtigen geest op; maar die gelijkt op den tuin des +luiaards, waar het onkruid te welig opgroeit en de schoone, heilzame +bloem verdrukt!" + +"Ja," hervatte de Tempelier, "ik ben, zooals gij mij afgeschilderd +hebt, ontembaar, woest en trotsch;--daardoor heb ik onder een hoop van +ijdele gekken en listige dweepers de kracht van mijn geest bewaard, +welke mij boven hen verheft. Ik ben van mijne jeugd af een kind des +oorlogs geweest, grootsch in mijn plannen, hardnekkig en onbuigzaam +en onwrikbaar; en dit zal ik der wereld bewijzen.--Maar gij vergeeft +mij, Rebekka?" + +"Even gaarne, als ooit een slachtoffer zijn beul vergaf!" + +"Vaarwel!" zei de Tempelier en verliet het vertrek. + +De Preceptor Albert wachtte ongeduldig in de naaste kamer op de +terugkomst van Bois-Guilbert. + +"Gij hebt lang getoefd," zei hij; "ik stond als op gloeiende kolen van +ongeduld. Als de Grootmeester, of zijn spion Koenraad hierheen gekomen +waren? Ik zou mijne gedienstigheid duur hebben moeten betalen.--Maar +wat scheelt u, broeder?--Uw knieën wankelen, uw blik is somber als +de nacht! Zijt gij niet wel, Bois-Guilbert?" + +"Ja," antwoordde de Tempelier, "ik ben wel; zoo wel als de ellendeling, +die gedoemd is, om binnen een uur te sterven. Neen, bij het heilige +kruis, niet half zoo wel;--want er zijn er in dien toestand, die +het leven als een versleten kleed kunnen afleggen. Bij den Hemel, +Malvoisin, dat meisje heeft mij bijna overwonnen! Ik heb half +besloten, om naar den Grootmeester te gaan, de Orde te verlaten, +en te weigeren de wreedheid uit te voeren, welke zijne dwingelandij +mij opgelegd heeft!" + +"Gij zijt razend," antwoordde Malvoisin; "gij zult u zelven daardoor +geheel rampzalig maken, zonder de minste kans te hebben om het leven +dezer Jodin, die u zoo dierbaar schijnt, te redden. Beaumanoir zal +een anderen ridder van de Orde benoemen, om zijn vonnis in uwe plaats +te handhaven, en de beschuldigde zal even zeker sterven, als wanneer +gij uw plicht gedaan hadt." + +"Dat is onwaar!--Ik zal zelf de wapens voor haar opnemen," hernam +de Tempelier, op trotschen toon; "en als ik dat doe, Malvoisin, dan +geloof ik, dat gij geen één onder de Orde kent, die tegen mijne lans +in den zadel zal blijven!" + +"Ja, maar gij vergeet, dat gij tijd, noch gelegenheid zult hebben, om +dit dolle voornemen ten uitvoer te brengen. Ga naar Lucas Beaumanoir, +en zeg hem uwe gelofte van gehoorzaamheid op, en gij zult zien, hoe +lang de heerschzuchtige grijsaard u in vrijheid zal laten. Nauwelijks +zullen de woorden uit uw mond zijn, of gij zult honderd voet onder +den grond zitten, in den kelder der Preceptorij, om uw vonnis als een +afvallige af te wachten; of, indien hij bij zijne gedachte over uwe +betoovering volhardt, dan zal hij u stroo, duisternis en ketens geven +in de eene of andere afgelegene kloostercel, en u daar laten kwellen +met banmiddelen en besproeien met wijwater, om den boozen geest, die +in u gevaren is, uit te drijven. Gij moet in het strijdperk, Brian, +of gij zijt een verloren en onteerd man!" + +"Ik zal er uitbreken en vluchten," zei Bois-Guilbert.--"Vluchten +naar het een of ander ver afgelegen land, waarheen zich dwaasheid en +dweepzucht nog geen weg gebaand hebben. Geen droppel van het bloed +van dit voortreffelijk schepsel zal door mijn toedoen vergoten worden!" + +"Gij kunt niet vluchten," zei de Preceptor; "uwe razernij heeft +achterdocht verwekt, en men zal u niet vergunnen, de Preceptorij te +verlaten. Beproef het;--vertoon u aan de poort; beveel, dat men de brug +neêrlate, en let op, welk antwoord gij krijgen zult.--Gij zijt verbaasd +en beleedigd; maar is dit niet het beste voor u? Zoo gij vlucht, wat +zal er het gevolg van zijn, dan het onteeren van uw wapen, de schande +van uw geslacht, de ontzetting van uw rang?--Bedenk dit! Waar zullen +de oude wapenbroeders hun hoofden van schaamte bergen, als Brian De +Bois-Guilbert, de beste lans van de Tempeliers, onder het geschreeuw +van het vergaderde volk voor een afvallige verklaard wordt? Wat zal +dat een verdriet zijn voor het Fransche Hof! Met welke blijdschap +zal de trotsche Richard de tijding hooren, dat de ridder, die hem +in Palestina in het nauw bracht, en zijn roem bijna verduisterde, +zijn eigen naam en eer om een Joodsch meisje opgeofferd heeft, dat +hij niet eens tegen zulk een hoogen prijs redden kon!" + +"Malvoisin," zei de ridder, "ik dank u;--gij hebt de snaar aangeraakt, +welke mijn hart het meest doet trillen!--Wat er ook van kome, afvallig +zal Bois-Guilbert nooit genoemd worden. Gave God, dat Richard, +of een van zijn geroemde Engelsche gunstelingen, in dit strijdperk +verscheen! Maar het zal ledig blijven;--niemand zal het wagen eene +lans voor de verlorene te breken!" + +"Des te beter, als het zoo uitkomt," hernam de Preceptor; "als er +geen kampvechter verschijnt, dan is het niet door uw toedoen, dat +dit ongelukkig meisje sterven zal, maar door de veroordeeling van +den Grootmeester, die alle schuld heeft, en welke deze schuld zich +tot lof en eer zal rekenen!" + +"Dat is waar," hervatte Bois-Guilbert; "als er geen kampioen +verschijnt, dan ben ik maar een deel van den optocht; ik zit te paard +in het strijdperk, maar ik heb geen deel aan hetgeen er op volgen zal." + +"Geen het minste," zei Malvoisin; "niet meer dan het gewapende beeld +van St. George, als het een deel van den optocht uitmaakt!" + +"Welaan, ik wil weder moed scheppen. Zij heeft mij veracht, verstooten, +vernederd! En waarom zou ik alles opofferen, wat mij achting bij +anderen verschaft? Malvoisin, ik zal in het strijdperk verschijnen." + +Met deze woorden verliet hij haastig het vertrek, en de Preceptor +volgde, om hem in zijn besluit te bevestigen; want hij had zelf groot +belang in den roem van Bois-Guilbert, daar hij menig voordeel van +hem verwachtte, als hij eens aan het hoofd van de Orde zou zijn; +zonder de bevordering in aanmerking te nemen, waarop Mont-Fitchet +hem hoop gegeven had, op voorwaarde, dat hij tot de veroordeeling +van de ongelukkige Rebekka medewerkte. Evenwel, ofschoon hij bij het +bestrijden van de betere gevoelens zijns vriends al de overmacht bezat, +welke een listig, bedaard, baatzuchtig karakter heeft over iemand, die +door sterke en tegenstrijdige hartstochten geslingerd wordt, eischte +het al de bekwaamheid van Malvoisin om Bois-Guilbert in zijn voornemen +te bevestigen. Hij was genoodzaakt hem nauw te bewaken, om te beletten, +dat hij de gedachte van vlucht weder opvatte, en om te verhinderen, +dat hij met den Grootmeester in aanraking, en tot eene opene breuk met +zijn opperste kwam; hij moest ook van tijd tot tijd de verschillende +beweegredenen herhalen, waardoor hij getracht had te bewijzen, dat, +als Bois-Guilbert bij deze gelegenheid als kampvechter verscheen, hij, +zonder Rebekka's lot te verhaasten of te verergeren, den eenigen weg +zou volgen, waarop hij zich van vernedering en schande kon redden. + + + + + +VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Wijkt, schimmen, wijkt!--'t Is Richard zelf! + + Richard III. + + +Toen de Zwarte Ridder,--want het is noodig zijn lotgevallen na +te gaan,--den gerechtseik van den grootmoedigen roover verliet, +richtte hij zijn weg regelrecht naar een naburig klooster van kleinen +omvang en geringe inkomsten, de Priorij van St. Botolph, waarheen de +gewonde Ivanhoe, na het innemen van het kasteel, onder leiding van +den getrouwen Gurth en den edelmoedigen Wamba gebracht werd. Het is +voor het oogenblik onnoodig te verhalen hetgeen er inmiddels tusschen +Wilfrid en zijn bevrijder voorviel; genoeg is het te zeggen, dat, +na lange en ernstige beraadslagingen, de Prior naar verscheidene +kanten boden uitzond, en dat de Zwarte Ridder den volgenden morgen +gereed stond om op reis te gaan, vergezeld door den nar Wamba, die +hem tot gids zou verstrekken. + +"Wij zullen elkander op Coningsburgh, het kasteel van den overleden +Athelstane, wederzien," zei hij tot Ivanhoe, "uw vader viert aldaar het +lijkfeest van zijn edelen bloedverwant. Ik wilde gaarne uwe Saksische +verwanten bij elkander zien, ridder Wilfrid, en hen wat beter leeren +kennen. Dáár zal het ook mijne taak zijn, u met uw vader te verzoenen." + +Dit zeggende nam hij afscheid van Ivanhoe, die een vurig verlangen +aan den dag legde, om zijn redder te vergezellen. Maar de Zwarte +Ridder wilde er niet van hooren. "Rust heden uit; gij zult morgen +nog nauwelijks sterk genoeg zijn om te reizen. Ik wil geen anderen +leidsman bij mij hebben dan den eerlijken Wamba, die voor gek of +geleerde kan spelen, naar mijne luim." + +"En ik," zei Wamba, "wil u hartelijk gaarne vergezellen. Ik verlang +om het lijkmaal van Athelstane te zien; want als het niet prachtig +en druk bezocht is, dan staat hij van de dooden weder op, om kok, +tafeldekker en schenker te kastijden, en het zou wel de moeite waard +zijn dat te zien. In elk geval, heer ridder, vertrouw ik, dat uwe +dapperheid mij bij Cedric zal verontschuldigen, zoo mijn vernuft te +kort mocht schieten!" + +"En hoe zou mijne geringe dapperheid daar slagen, heer nar, waar uw +schitterend vernuft schipbreuk lijdt?--verklaar mij dit!" + +"Het vernuft, heer ridder," hernam de nar, "kan veel doen. Het +is een vlugge, scherpzinnige knaap, die de zwakke zijde van zijn +buurman ontdekt, en uit den weg weet te blijven, als zijne drift +ontstoken is. Maar de dapperheid is een onstuimige jongen, die alles +verbrijzelt. Hij roeit tegen weer en wind op, en komt toch vooruit; +dus, heer ridder, terwijl ik van het schoone weder in het gemoed van +mijn heer gebruik maak, hoop ik, dat gij uw best zult doen, als het +begint te stormen!" + +"Heer Zwarte Ridder, daar gij verkiest zoo genoemd te worden," zei +Ivanhoe, "ik vrees, dat gij een praatzieken en lastigen nar tot gids +gekozen hebt. Maar hij kent iederen weg en ieder pad in de bosschen, +zoo goed als de beste jager; en de arme schelm is, zooals gij zelf +reeds gezien hebt, getrouw als staal." + +"Wel," zei de ridder, "als hij mij den weg wijzen kan, dan zal ik er +niet kwaad om worden, dat hij dien zoekt te veraangenamen.--Vaarwel, +goede Wilfrid!--Ik gelast u, op het vroegst, morgen te vertrekken." + +Dit zeggende, stak hij Ivanhoe de hand toe, welke deze aan zijn lippen +drukte, nam afscheid van den Prior, besteeg zijn paard en vertrok met +zijn leidsman Wamba. Ivanhoe volgde hen met de oogen, tot zij onder het +lommer van het woud verdwenen, en keerde daarop in het klooster terug. + +Maar dadelijk na de vroegmetten verzocht hij, om den Prior te +zien. De oude man kwam haastig en vroeg angstig naar den staat van +zijne gezondheid. + +"Ze is beter," antwoordde Ivanhoe, "dan mijne vurigste hoop verwachten +kon; mijn wond is of geringer geweest, dan mijn bloedverlies mij +deed vermoeden, of deze balsem heeft eene wonderdadige genezing +bewerkt. Het komt mij voor, dat ik mijne wapenrusting heden reeds zou +kunnen dragen, en dat is gelukkig, daar er gedachten bij mij opkomen, +welke mij ongeneigd maken om hier langer in werkeloosheid te blijven." + +"Alle Heiligen bewaren ons daarvoor," zei de Prior, "dat de zoon van +den Sakser Cedric ons klooster zou verlaten eer zijne wonden genezen +zijn! Het zou eene schande voor onzen stand zijn, als wij dit duldden!" + +"En ik zou uw gastvrij dak ook niet verlaten, eerwaarde vader," hernam +Ivanhoe, "als ik mij niet sterk genoeg gevoelde, om de reis te doen, +en niet gedwongen werd ze te ondernemen." + +"En wat kan u tot zulk een overhaast vertrek bewegen?" vroeg de Prior. + +"Hebt gij nooit een voorgevoel gehad van naderend ongeluk, eerwaarde +vader," antwoordde de ridder, "waarvoor gij te vergeefs zoudt trachten +een reden op te geven?--Hebt gij nooit uw ziel verduisterd gevonden +als een door de zon bestraald landschap door een plotseling opkomende +wolk, welke een naderenden storm verkondigt?--En denkt gij niet, +dat zulke gewaarwordingen onze aandacht verdienen, als wenken van +onze beschermengelen, dat er gevaar in de nabijheid is?" + +"Ik kan niet ontkennen," zei de Prior, een kruis makende, "dat zulke +voorgevoelens van den Hemel gekomen zijn, en nog komen; maar dan +hebben ze een blijkbaar nuttig en goed doel gehad. Maar wat zou het +u baten, dat gij, gewond als gij zijt, de schreden van hem volgt, +wien ge niet zoudt kunnen helpen, als hij aangevallen werd?" + +"Prior," zei Ivanhoe, "gij vergist u:--ik ben sterk genoeg, om te +kampen met iedereen, die mij daartoe aanleiding geeft.--Maar al +ware het ook anders, zou ik hem in zijn gevaar niet anders dan door +kracht van wapens kunnen bijstaan? Het is maar al te wel bekend, dat +de Saksers de Normandiërs niet beminnen, en wie weet wat er van komen +kan, als hij onverwachts onder hen valt, terwijl hunne harten door den +dood van Athelstane verbitterd, en hunne hoofden door den edelen wijn +van zijn lijkfeest verhit zijn? Ik houd zijne verschijning onder hen +op zulk een oogenblik voor zeer gevaarlijk, en ik heb besloten het +gevaar met hem te deelen, of het af te wenden; en om dit te doen, +zou ik u wel willen verzoeken mij een paard te leenen, welks gang +zachter is, dan die van mijn strijdros." + +"Zeker!" zei de waardige geestelijke: "Gij zult mijn eigen rijpaard +hebben, en ik wensch, dat het even zacht voor u moge loopen, als dat +van den abt van St. Albans. Maar dit wil ik zeggen van Malkin,--want +zoo heet het dier,--dat, wanneer gij het paard van den goochelaar +niet leent, dat een horlepijp tusschen eieren danst, gij geen rid +kunt doen op een dier, dat zoo zacht is en zulk een aangenamen gang +heeft. Ik heb menige preek op zijn rug gemaakt, tot stichting van +mijn kloosterbroeders en van menige arme Christenziel." + +"Ik verzoek u, eerwaarde vader, Malkin dadelijk gereed te laten maken, +en laat ook Gurth met mijne wapens komen." + +"Ja maar, beste heer, ik bid u in overweging te nemen, dat Malkin even +weinig kennis heeft van wapens, als zijn meester, en dat ik er niet +voor instaan wil, dat het dier het gezicht en de zwaarte van uw volle +wapenrusting verdragen kan. O, ik beloof u, Malkin is een verstandig +dier, en zal zich tegen ieder onbehoorlijk overwicht verzetten. Ik +had slechts eens de _Fructus Temporum_ van den priester van St. Bees +geleend, en ik verzeker u, dat ik het paard niet van de poort weg kon +krijgen, eer ik den foliant tegen mijn klein gebedenboek verruild had." + +"Vertrouw er op, eerwaarde vader," hernam Ivanhoe, "dat ik uw paard +geen te groot gewicht zal opleggen; en als het zich tegen mij verzet, +dan zal het de slechtste partij kiezen." + +Terwijl Ivanhoe dit antwoord gaf, gespte Gurth aan de hielen van den +ridder een paar groote vergulde sporen, die ieder weerspannig paard +konden leeren, dat het best deed met zich naar den wil van zijn ruiter +te schikken. + +De groote scherpe raderen, waarmede Ivanhoe's hielen gewapend +waren, deden den waardigen Prior bijna berouw gevoelen over zijn +gedienstigheid, en hij riep uit: "Maar, beste heer, nu herinner ik mij, +dat Malkin geene sporen verdraagt.--Het is beter, dat gij de merrie +van onzen rentmeester op de pachthoeve neemt, welke wij in iets meer +dan een uur kunnen krijgen, en die zeker handelbaar is, daar zij veel +van ons winterbrandhout trekken moet, en geen haver krijgt." + +"Ik dank u, eerwaarde vader; maar ik zal mij maar aan uw eerste aanbod +houden, daar ik zie, dat men Malkin reeds naar buiten leidt. Gurth +zal mijne wapenrusting dragen, en voor het overige, verlaat u er op, +dat Malkin evenmin mijn geduld zal vermoeien, als ik haar rug zal +overladen. En nu, vaarwel!" + +Ivanhoe ging de trappen af, sneller en gemakkelijker dan men wegens +zijne wond zou verwacht hebben, en wierp zich op het paard, begeerig +om den Prior te ontgaan, die hem van zoo nabij volgde, als zijne +jaren en zijn zwaarlijvigheid hem vergunden, nu eens den lof van +Malkin uitbazuinende, en dan weder den ridder voorzichtigheid met +het paard aanbevelende. + +"Ze is in het gevaarlijkste tijdvak voor eene merrie," zei de oude +man, over zijn eigen geestigheid lachende, "daar ze eerst in haar +vijftiende jaar is." + +Ivanhoe, die andere dingen in het hoofd had, dan met den eigenaar over +zijn paard te staan redeneeren, leende slechts een half oor zoowel aan +de deftige raadgevingen als aan de vroolijke scherts van den Prior; +hij sprong dus op het paard, beval zijn schildknaap--want zoo noemde +Gurth zich thans,--hem bij te blijven, en volgde het spoor van den +Zwarten Ridder in het woud, terwijl de Prior in de poort stond, om hem +na te zien, uitroepende: "Heilige Maria! Wat zijn die krijgslieden vlug +en vurig! Ik wenschte wel, dat ik hem Malkin niet had toevertrouwd; +want daar ik lam van de jicht ben, zou ik ongelukkig zijn als haar iets +kwaads overkwam. En echter," voegde hij er bij, "daar ik mijn eigene +oude, zwakke ledematen niet zou sparen voor Oud-Engeland, zoo moet +ook Malkin zich daarvoor in gevaar begeven, en misschien houdt men +wederkeerig ons arm huis eene rijke schenking waardig, of zendt men +den ouden Prior een mak rijpaard. En al doen zij ook geen van beide, +daar de grooten dikwijls de diensten der geringen vergeten, dan zal +ik mij toch wèl beloond rekenen, als ik maar doe wat recht is. En +het zal nu ook wel tijd zijn, om de broeders tot het ontbijt in de +eetzaal samen te roepen.--Och! ik geloof, dat ze liever hieraan zullen +gehoorzamen, dan aan de klok voor de vroegmis en het morgengebed!" + +Hierop hinkte de Prior van St. Botolph naar de eetzaal terug, +om het voorzitterschap bij den stokvisch en het bier te bekleeden, +welke juist voor het ontbijt der monniken opgedragen werden. Ernstig +en met een veelbeteekenend gelaat ging hij aan tafel zitten en liet +menigen duisteren wenk vallen over de schenkingen, welke het klooster +te wachten had, en over de groote diensten, welke hij zelf bewezen had, +die op een anderen tijd de aandacht zijner toehoorders zouden geboeid +hebben. Maar, daar de stokvisch sterk gezouten en het bier tamelijk +krachtig was, waren de kinnebakken der broeders te druk bezig, om hun +te vergunnen veel gebruik van hun ooren te maken, en wij lezen niet +dat één der broederschap lust gevoelde om gissingen over de wenken +van hun opperste te maken, behalve vader Diggory, die geweldig aan +kiespijn leed, zoodat hij maar met een kant van den mond kon kauwen. + +Intusschen trokken de Zwarte Ridder en zijn gids rustig door het +dichte bosch; nu eens bromde de ridder in zich zelven het liedje van +den een of anderen verliefden troubadour, dan weder wakkerde hij door +zijne vragen de praatzucht van zijn reisgezel aan; zoodat hun gesprek +een zonderling mengsel van gezang opleverde, waarvan wij onze lezers +gaarne eenig denkbeeld zouden willen geven. Gij moet u dus dezen ridder +verbeelden, zooals wij hem beschreven hebben, sterk van lichaam, groot, +gespierd en met breede schouders, gezeten op zijn reusachtig zwart +strijdros, dat tot zijn gebruik voorbestemd scheen, zoo gemakkelijk +droeg het zijn last. De ridder had het vizier van zijn helm open, +om vrij adem te kunnen halen; evenwel was het benedenste gedeelte +gesloten, zoodat men zijn trekken slechts gedeeltelijk onderscheiden +kon. Maar zijn zwart verbrande wangen en zijn groote blauwe oogen, +welke met ongewone stoutheid van onder de donkere schaduw van het +open vizier schitterden, kon men zien; en de geheele houding en het +voorkomen van den ridder getuigden van eene zorgelooze opgeruimdheid +en een moedig zelfvertrouwen,--van een gemoed, buiten staat om het +gevaar te vreezen, maar altijd gereed om het te trotseeren, als iets +waaraan het gewoon was geworden door aanhoudende strijden en avonturen. + +De nar droeg zijne gewone zonderlinge kleeding, maar de gebeurtenissen +der laatste dagen hadden hem bewogen om een fikschen krommen sabel +te voeren, in plaats van zijn houten zwaard, met een schild daarbij; +en hij had gedurende het beleg van Torquilstone getoond, dat hij +beiden zeer goed wist te gebruiken. Wezenlijk moest de zwakheid van +Wamba's brein hoofdzakelijk aan een soort van gedurige prikkelbaarheid +worden toegeschreven, die hem steeds dwong van houding te veranderen, +en het hem onmogelijk maakte eenige geregelde aaneenschakeling van +denkbeelden te volgen, ofschoon hij voor eenige minuten vlug genoeg +was om dadelijk iets te verrichten, of het onderwerp van een gesprek +te volgen. Te paard dus, wierp hij zich gedurig nu eens voor- dan +weder achterwaarts, nu eens op de ooren van het paard, dan bijna op +den staart, nu eens hing hij met beide beenen op de eene zijde, dan +weder zat hij met zijn gezicht naar den staart, grijnzende gezichten +trekkende en duizenderlei kunstjes makende; tot zijn paard eindelijk +zijn grappen zoo kwalijk nam, dat het hem lang uit op het groene gras +wierp,--iets, dat den ridder bijzonder vermaakte, maar zijn reisgezel +noodzaakte in het vervolg bedaarder te rijden. + +Op het oogenblik van hunne reis, waarop wij hen weder ontmoeten, +was dit vroolijk paar bezig een _virelai_ te zingen, zooals men het +noemde, waar de nar den beter onderrichten ridder op een harden, +krassenden toon antwoordde. Dus luidde het gezang: + + + DE RIDDER. + + Anna Maria, ontwaakt is de zon, + Anna Maria, de morgen begon; + 't Vooglenkoor zingt reeds, de nevel trok heen, + Rijs, mijn Maria! de morgen verscheen. + Anna Maria, ik bid u, ontwaak, + 'k Hoor het gejuich van het jagersvermaak, + 't Schalt en weerklinkt van den heuvelentop, + Anna Maria, eilieve, sta op! + + + WAMBA. + + Mijn Tybalt, mijn Tybalt, och, wek mij nog niet, + Terwijl mij de slaap zoete droombeelden biedt; + Want wat wij genieten al wakende, is bij + Die toovergestalten van luttel waardij. + Laat zingen de vooglen als d' ochtend zich meldt, + Laat klinken den horen der jagers in 't veld, + Veel lieflijker tonen verblijden mij nu,-- + Maar denk niet, mijn Tybalt, ik droomde van u! + + +"Een aardig lied," zei Wamba, toen zij gedaan hadden; "en, bij mijn +zotskap, er zit een goede les in!--Ik was gewoon het te zingen met +Gurth, eertijds mijn speelmakker, en nu door God en zijns meesters +genade een vrij man, en wij kregen eens stokslagen, omdat wij zoo +betooverd waren door de melodie, dat wij twee uren na zonsopgang nog +te bed lagen, en het liedje tusschen slapen en waken zongen;--de rug +doet mij sedert dien tijd steeds zeer, als ik eraan denk! En toch heb +ik de rol van Anna Maria vervuld, om u genoegen te geven, edele heer!" + +Hierop hief de nar een ander gezang aan, een soort van kluchtig liedje, +waarop de ridder, de wijs vattende, antwoordde: + + + DE RIDDER EN WAMBA. + + Er kwamen drie gasten uit Zuid, West en Noorden, + En zongen bij beurten een lied, + Opdat ze de weduw van Wycomb bekoorden, + En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hen niet? + + Een ridder van Tyndaal kwam 't eerste haar nadren, + En zong al gedurig zijn lied: + Beroemd was waarachtig de stam zijner vadren, + En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet? + + Hij stofte op zijn vader, zijn oom, d'eedle heeren, + Op titels in 't rijmende lied, + Maar ach, zij beduidde hem huiswaarts te keeren, + Want 't weeuwtje van Wycomb verhoorde hem niet. + + + WAMBA. + + De tweede bezwoer bij het licht van zijn oogen, + Al zingende vroolijk zijn lied; + Hij toch was een heerschap in Welschland getogen, + En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet? + + Hij heette heer David van Hugo van Morgen, + Van Griffith van Tudor, zoo snoefde zijn lied, + "Dat gaat niet, één weeuw voor zoo velen te zorgen!" + Zoo sprak ze en verhoorde onzen Welschman ook niet. + + Een pachter van Kent was de laatste gebleven, + Maar zong nu zoo vleiend een lied, + Hij roemde zijn rijkdom, zijn vorstelijk leven. + En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet? + + + DE RIDDER EN WAMBA. + + De heer en de ridder, och lagen er achter, + Al zongen ze beurtlings een lied; + De weduw bekoorde het goed van den pachter, + Wat weeuwtje ook ter wereld verhoorde hem niet! + + +"Ik wilde wel, Wamba," zei de ridder, "dat onze gastheer van den +gerechtseik, of de vroolijke monnik, zijn kapelaan, dit lied op den +lof van onzen trotschen landman hoorde." + +"Dat wilde ik niet," zei Wamba, "zoo niet die horen aan uw bandelier +hing!" + +"Ja," hernam de ridder, "dit is een pand van Locksley's welwillendheid, +schoon ik het waarschijnlijk niet noodig zal hebben. Drie klanken op +dien horen zullen, daarvan ben ik zeker, in geval van nood een goede +bende van die eerlijke schutters rondom mij verzamelen." + +"Ik zou zeggen, de Hemel beware ons daarvoor," hernam de nar, "zoo +deze schoone gift geen onderpand was, dat zij ons vreedzaam zouden +laten trekken!" + +"Wat meent gij," vroeg de ridder; "denkt gij, dat zij ons zonder dit +teeken van broederschap zouden aanvallen?" + +"Neen, daar zeg ik niets van," antwoordde Wamba; "want groene boomen +hebben zoowel ooren als steenen muren. Maar kunt gij mij zeggen, +heer ridder:--wanneer is het beter, dat uwe wijnkan en beurs ledig +dan vol zijn?" + +"Wel, nooit dunkt mij!" antwoordde de ridder. + +"Gij verdient wegens dit zotte antwoord nooit eene volle kan of beurs +in de hand te hebben! Gij doet best uwe kan te ledigen, eer gij ze +aan een Sakser overgeeft; en uw geld te huis te laten, als gij door +het groene woud reist." + +"Houdt gij onze vrienden dan voor roovers?" vroeg de ridder. + +"Dat hebt gij mij niet hooren zeggen, edele heer," antwoordde Wamba; +"het verlicht het paard van een reiziger, die een verren tocht te +maken heeft, als men hem zijn valies afneemt; en het is wellicht +goed voor zijne ziel, als men hem verlost van hetgeen de wortel +des kwaads is; derhalve wil ik hun, welke zulke diensten bewijzen, +geene harde namen geven. Ik zou slechts mijn valies in huis en mijne +beurs op mijne kamer wenschen, als ik deze goede lieden ontmoette; +omdat dit hun eenige moeite zou besparen!" + +"Wij zijn evenwel verplicht naar hen te verlangen, niettegenstaande +den lof, welken gij hun geeft." + +"Ik wil van ganscher harte naar hen verlangen," zei Wamba, "maar in de +stad, niet in het groene woud, gelijk de Abt van St. Bees, welken zij +de mis hebben laten lezen in een ouden hollen eik, tot koorgestoelte." + +"Zeg wat gij wilt, Wamba," hernam de ridder, "deze schutters hebben +uw meester Cedric, bij Torquilstone, heerlijke diensten bewezen." + +"Ja zeker," antwoordde Wamba, "maar dat is de wijze waarop zij met +den Hemel handel drijven." + +"Met den Hemel handel drijven, Wamba, hoe meent gij dat?" + +"Wel, zóó: zij houden rekening-courant met den Hemel, zooals onze +oude keldermeester zijn boekhouden placht te noemen, juist zoo goed +als Izaäk de Jood ze houdt met zijne schuldenaars,--en evenals hij, +geven zij weinig en nemen lang krediet; zonder twijfel tot hun eigen +voordeel de zevenvoudige interesten berekenende, welke de Heilige +Schrift aan liefdadige leeningen beloofd heeft." + +"Geef mij een voorbeeld van wat ge bedoelt, Wamba;--ik versta iets +van rekenen en interesten," antwoordde de ridder. + +"Wel," zei Wamba, "indien uwe dapperheid zoo onwetend is, dan moet gij +leeren, dat deze eerlijke kerels eene goede daad tegen eene andere, +welke niet volkomen zoo loffelijk is, laten opwegen; b. v. een kroon, +die zij aan een bedelmonnik geven, tegen honderd byzantijnen, welke +zij een vetten abt ontnemen; of een meisje, dat zij in het groene +woud kussen, tegen eene arme weduwe, die zij ondersteunen." + +"Welke van deze laatste was de goede daad en welke de slechte?" viel +hem de ridder in de rede. + +"Goed gevraagd! Goed gevraagd!" riep Wamba uit. "Geestig gezelschap +scherpt het verstand. Ik wil er op zweren, heer ridder, dat gij geen +zoo goeden inval gehad hebt, toen gij dronken avondgebeden met den +woesten kluizenaar opzeidet. Maar om voort te gaan. De vroolijke +schutters stellen het opbouwen eener hut tegen het afbranden van een +kasteel,--het oprichten van een kansel tegen het plunderen van eene +kerk;--het in vrijheid stellen van een armen gevangene, tegen den +moord van een hoogmoedigen schout,--of, om nader ter zaak te komen, +het bevrijden van een Saksischen _Franklin_ tegen het levend verbranden +van een Normandischen Baron. Kortom, het zijn vriendelijke dieven en +hoffelijke roovers; maar het is altijd het gelukkigst hen te ontmoeten, +als zij het meest in nood zijn." + +"Hoe zoo, Wamba?" vroeg de ridder. + +"Wel, dan hebben zij eenig berouw, en willen hun zaken gaarne met +den Hemel vereffenen. Maar wanneer de balans opgemaakt is, dan zij +de Hemel hem genadig, met wien zij eene nieuwe rekening openen! De +reizigers, die hen eerst na hun bewezen diensten bij Torquilstone +ontmoeten, zullen schoon gevild worden.--En echter," vervolgde hij, +dicht naast den ridder komende, "er zijn kerels, die voor een reiziger +veel gevaarlijker zijn dan gindsche vogelvrijverklaarden." + +"En wie zijn dat dan; want er zijn zeker geene beren of wolven +hier?" vroeg de ridder. + +"Maar, wij hebben hier Malvoisin's volk," antwoordde Wamba; "en laat +ik u zeggen, dat in tijden van burgeroorlog een tiental er van ten +allen tijde even gevaarlijk is als een bende wolven. Zij wachten thans +hun oogst, en zijn versterkt door de soldaten, die uit Torquilstone +ontsnapt zijn; zoodat, indien wij een troep van deze lieden ontmoetten, +wij denkelijk onze heldendaden duur zouden moeten betalen.--Nu bid +ik u, heer ridder, wat zoudt gij doen, als wij er twee van ontmoetten?" + +"De schurken met mijn lans tegen den grond spijkeren, Wamba, als zij +ons de minste verhindering in den weg legden." + +"Maar indien er vier waren?" + +"Zij zouden evenzoo te pas komen," antwoordde de ridder. + +"Maar indien er zes waren," vervolgde Wamba--"en wij, zooals wij hier +zijn, met ons beiden;--zoudt gij niet aan Locksley's horen denken?" + +"Hoe, om hulp blazen," riep de ridder, "tegen eene bende schurken, +welke één goede ridder voor zich heen kan drijven, evenals de wind +de verdorde bladeren voor zich heen jaagt!" + +"Nu, nu," zei Wamba, "heb de goedheid en laat mij toch eens dien +horen van naderbij bezien, welke een zoo machtige stem heeft." + +De ridder maakte den horen van zijn bandelier los en gaf hem aan zijn +reisgenoot, die hem dadelijk om zijn eigen hals hing. + +"Tra-lira-la!" zei hij, die noten fluitende; "ik ken de wijs zoo goed +als een ander." + +"Hoe meent gij dat, schelm?" zei de ridder; "geef mij den horen terug." + +"Stel u gerust, heer ridder, die is in zekere bewaring. Als de +dapperheid en de dwaasheid samen reizen, dan moet de dwaasheid den +horen dragen, omdat zij het best er op blazen kan." + +"Maar, schelm," zei de Zwarte Ridder, "dit gaat te ver,--wacht u om +mijn geduld uit te putten!" + +"Gebruik geen geweld tegen mij, heer ridder," zei de nar, zich op een +afstand van den vertoornden ridder houdende, "of de dwaasheid zal u +de hielen laten zien, en de dapperheid, zoo goed zij kan, haar weg +door het woud laten zoeken." + +"Ha! daar hebt gij mij gevangen," zei de ridder, "en om de waarheid te +zeggen, ik heb ook geen tijd om met u te schertsen. Behoud den horen, +zoo gij wilt; maar laten wij onze reis vervolgen." + +"Gij zult mij dus geen kwaad doen?" vroeg Wamba. + +"Ik zeg u van neen, schelm!" + +"Ja, maar geef mij uw ridderwoord er op!" vervolgde Wamba, met groote +omzichtigheid naderende. + +"Ik geef u mijn ridderwoord, kom maar nader met uw zotten persoon." + +"Welaan dan, dus zullen de dapperheid en de dwaasheid opnieuw goede +reismakkers zijn," zei de nar weder onbevreesd naast den ridder +rijdende; "maar waarlijk, ik houd niet van zulke slagen, zooals gij +er den lustigen monnik een gegeven hebt, toen zijne heiligheid over +den grond rolde, gelijk de koning in het kegelspel. En nu, daar de +dwaasheid den horen voert, laat de dapperheid zich verheffen en haar +manen schudden; want, indien ik mij niet vergis, dan is er gezelschap +in gindsch kreupelhout, dat op ons loert." + +"Waarom denkt gij dat?" vroeg de ridder. + +"Omdat ik al een paar maal een helm door de groene bladeren heb zien +schemeren. Als het eerlijke kerels waren, dan bleven zij op den open +weg. Maar die dichte plaats is een uitgezochte kapel voor de priesters +van St. Nikolaas." + +"Op mijn woord van eer," zei de ridder, zijn vizier sluitende; +"ik geloof, dat gij gelijk hebt!" + +En wel ter rechter tijd sloot hij het; want er vlogen op hetzelfde +oogenblik uit de verdachte plaats drie pijlen naar zijn hoofd en zijn +borst, waarvan de een tot in de hersenpan zou doorgedrongen zijn, +als het stalen vizier de spits niet had doen afstuiten. De beide +anderen werden tegengehouden door het borstharnas en het schild, +dat om zijn hals hing. + +"Wees gedankt, brave wapensmid!" zei de ridder.--"Wamba, laten wij +op hen losgaan," en hiermede reed hij naar het kreupelhout toe. Zes +of zeven gewapenden renden in volle vaart er uit, met gevelde lansen +tegen hem aan. Drie van dezen troffen hem, en vlogen zonder de minste +uitwerking te doen in splinters, als tegen een stalen toren. De +oogen van den Zwarten Ridder schenen vuur te schieten door de +opening van zijn vizier. Hij lichtte zich in de stijgbeugels, met een +onbeschrijflijk waardige houding op, en riep uit: "Wat beduidt dit, +mijne heeren?"--De mannen antwoordden alleen door hun zwaarden te +trekken en hem van alle kanten aan te vallen, uitroepende: "Sterf, +dwingeland!" + +"Ha, St Eduard! ha! St. George!" riep de Zwarte Ridder, bij iederen +uitroep een vijand ter neêr vellende; "hebben wij hier verraders?" + +De aanvallers, hoe wanhopig ze ook vochten, weken terug voor een arm, +welke met iederen slag den dood uitdeelde, en het scheen, alsof alleen +de schrik voor zijne kracht de overwinning over deze schurken zou +behalen, toen een ridder in een blauwe wapenrusting, die zich tot +hiertoe achter de andere aanvallers gehouden had, met gevelde lans +vooruit reed, en niet op den ruiter, maar op het paard mikkende, +het edele dier doodelijk kwetste. + +"Dat was een verraderlijke steek!" riep de Zwarte Ridder, terwijl +het paard met zijn ruiter ter aarde tuimelde. Op dit oogenblik blies +Wamba op den horen;--want alles was zoo onverwacht voorgevallen, dat +hij geen tijd had gevonden om dat vroeger te doen. Die verrassende +klanken deden de moordenaars nog eens terugdeinzen, en Wamba, +ofschoon onvolkomen gewapend, aarzelde niet om er op los te gaan, +en den Zwarten Ridder in het opstaan behulpzaam te zijn. + +"Schaamt u, valsche lafaards!" riep de ridder uit, die de aanvallers +scheen aan te voeren; "vlucht gij voor den blooten klank van een horen, +door een nar geblazen?" + +Aangevuurd door deze woorden, vielen zij den ridder opnieuw aan, +wiens beste toevlucht thans was, zich met den rug tegen een eik te +plaatsen en zich met zijn zwaard te verdedigen. De verraderlijke +ridder, welke een andere speer gekregen had, nam het oogenblik waar, +toen zijn geduchte tegenpartij het hardst gedrongen werd, en reed +op hem los, in de hoop van hem met zijn lans tegen den boom te +nagelen, toen zijn voornemen door Wamba verhinderd werd. De nar, +die zijn gebrek aan kracht door vlugheid vergoedde, en niet door +de gewapenden opgemerkt werd, die door een geduchter vijand bezig +gehouden werden, haastte zich om deel aan den strijd te nemen en +stremde wezenlijk den noodlottigen loop van den Blauwen Ridder, door +met zijn zwaard diens paard de knie-zenuwen door te klieven. Man +en paard vielen; desniettemin bleef de toestand van den Zwarten +Ridder zeer gevaarlijk, daar hij door verscheidene vijanden van +nabij gedrongen werd, en vermoeid begon te worden door de geweldige +inspanning, welke het hem kostte, om zich tegelijk op zoo vele punten +te verdedigen, toen eensklaps een pijl een der geduchtste van zijn +aanvallers op den grond deed neêrtuimelen, en een bende schutters uit +het bosch te voorschijn kwam, onder aanvoering van Locksley en den +vroolijken monnik, die dadelijk en vlug deel aan den strijd nemende, +de aanvallers met zooveel kracht aangrepen, dat ze spoedig allen dood, +of doodelijk gewond, op de plaats bleven. De Zwarte Ridder dankte zijn +bevrijders met eene waardigheid, welke ze te voren niet in zijn gedrag +hadden opgemerkt, dat tot dusver eerder dat van een stoutmoedigen, +openhartigen krijgsman dan van een man van hoogen rang geschenen had. + +"Er ligt mij veel aan gelegen," zei hij, "zelfs eer ik mijn +dankbaarheid jegens mijne waardige vrienden te kennen geef, om +zoo mogelijk te ontdekken, wie mijn ongetergde vijanden geweest +zijn.--Wamba, open het vizier van dien Blauwen Ridder, die de +aanvoerder van deze schurken schijnt te zijn." + +De nar ging dadelijk op den aanvoerder der moordenaars los, die, +gekneusd door zijn val, en gedrukt onder het gekwetste paard, daar +lag zonder te kunnen vluchten of weêrstand bieden. + +"Kom, dappere heer," zei Wamba, "ik moet uw schildknaap zijn, zoowel +als uw stalmeester. Ik heb u van het paard geholpen, en nu zal ik u van +den helm ontdoen." Dit zeggende, maakte hij met een niet zeer zachte +hand den helm van den Blauwen Ridder los, welke op het gras rollende, +den Zwarten Ridder de grijze lokken en het gelaat vertoonde van iemand, +dien hij niet op deze wijze verwacht had te ontmoeten. + +"Waldemar Fitzurse!" riep hij geheel verwonderd uit, "Wat kon een man +van uw rang en van uwe schijnbare waardigheid tot zulk een schandelijke +onderneming bewegen?" + +"Richard," zei de gevangen ridder, naar hem opziende, "gij kent +den mensch slecht, als gij niet weet, waartoe eerzucht en wraak elk +Adamskind kunnen verleiden!" + +"Wraak?" antwoordde de Zwarte Ridder; "ik heb u nooit beleedigd.--Op +mij hebt gij geene wraak te nemen." + +"Mijne dochter, Richard, wier verbintenis gij versmaad hebt,--was dat +geen hoon voor een Normandiër, wiens bloed even edel is als het uwe?" + +"Uwe dochter!" hervatte de Zwarte Ridder. "Een gegronde reden, +waarlijk, tot eene vijandschap, welke zulk een bloedigen afloop +moest hebben!--Treedt wat terug, mijne heeren, ik wil alleen met +hem spreken.--En nu, Waldemar Fitzurse, zeg mij de waarheid;--beken, +wie u tot deze verraderlijke daad aangezet heeft?" + +"Uws vaders zoon," antwoordde Waldemar, "die daardoor slechts uwe +ongehoorzaamheid tegen uw vader wreekte." + +Richards oogen gloeiden van toorn; maar zijn betere natuur behield de +overhand. Hij sloeg zich met de hand op het voorhoofd, en staarde een +oogenblik op het gelaat van den vernederden ridder, op wiens trekken +hoogmoed en schaamte met elkander in strijd waren. "Vraagt gij niet +om uw leven, Waldemar?" vroeg de Koning. + +"Hij, die in de klauwen van den leeuw is," antwoordde Fitzurse, +"weet dat zoo iets overbodig zou zijn." + +"Neem het dan ongevraagd," hervatte Richard; "de leeuw aast op +geen lijken.--Neem uw leven, maar onder voorwaarde, dat gij binnen +drie dagen Engeland zult verlaten, uwe schande in uw kasteel in +Normandië verbergen, en nooit den naam van Jan van Anjou noemen, +als in betrekking staande met uwe schurkerij. Zoo men u na den u +vergunden tijd op het Engelsch gebied vindt, dan sterft gij;--of, als +gij iets ruchtbaar laat worden, dat de eer van mijn huis bevlekken +kan, bij St. George, dan zal het altaar zelfs geene schuilplaats +voor u zijn! Ik laat u aan den hoogsten toren van uw eigen kasteel +ophangen, om den raven tot voedsel te dienen!--Geef dezen ridder een +paard, Locksley; want ik zie dat uwe schutters die opgevangen hebben, +welke los liepen, en laat hem ongehinderd vertrekken." + +"Zoo ik niet begreep, dat ik een stem verneem, welke men niet mag +tegenspreken," antwoordde de schutter, "dan zou ik den sluipenden +schurk een schicht achterna zenden, welke hem de moeite eener lange +reis zou besparen." + +"Gij hebt een Engelsch hart, Locksley," zei de Zwarte Ridder, +"en te recht oordeelt gij, dat gij verplicht zijt mijne bevelen te +gehoorzamen.--Ik ben Richard van Engeland!" + +Bij deze woorden, welke op een toon van majesteit, aan zijn hoogen +rang, en aan het niet minder hooghartig karakter van Richard +Leeuwenhart passende, uitgesproken werden, knielden de schutters +allen tegelijk voor hem neder, en zwoeren hem trouw, terwijl zij +tevens vergiffenis voor hunne misdaden vroegen. + +"Staat op, vrienden," zei Richard, op vriendelijken toon, hen aanziende +met een gelaat, waarop zijne gewone opgeruimdheid reeds alle teekens +van toorn overwonnen had, en op welks trekken geen spoor meer van den +zoo even geleverden woedenden strijd te zien was, behalve de hoogere +kleur, welke de inspanning veroorzaakt had.--"Staat op, vrienden! uw +wangedrag zoowel in het bosch als in het veld, is uitgewischt door +de diensten, welke gij aan mijne verdrukte onderdanen onder de muren +van Torquilstone bewezen hebt, en door de redding, welke uw koning +u heden te danken heeft. Staat op, mijn getrouwen, en weest ook in +het vervolg goede onderdanen.--En gij, brave Locksley,--" + +"Noem mij niet langer Locksley, mijn vorst; maar ken mij onder een +anderen naam, welken ik vrees, dat de faam te ver heeft uitgebazuind, +dan dat die uwe koninklijke ooren niet zou bereikt hebben.--Ik ben +Robin Hood van het bosch van Sherwood." + +"Koning der vogelvrijverklaarden, en vorst van alle vroolijke +makkers!" zei de Koning; "wie zou een naam niet gehoord hebben, +welke tot naar Palestina is overgewaaid? Maar wees verzekerd, dappere +vriend! dat geene daad, welke gij in onze afwezigheid en gedurende +de onrustige tijden, die er het gevolg van waren, gepleegd hebt, +tot uw nadeel zal strekken." + +"Wel is het spreekwoord waar," zei Wamba, hem in de rede vallende, +maar met een weinig minder moedwil dan gewoonlijk: "als de kat weg +is dansen de muizen!" + +"Hoe, Wamba, zijt gij nog daar!" zei Richard; "daar ik uwe stem zoo +lang niet gehoord had, meende ik, dat gij de vlucht genomen hadt." + +"Ik de vlucht nemen!" hervatte Wamba. "Wanneer vindt gij ooit de +Dwaasheid van de Dapperheid gescheiden? Daar ligt het zegeteeken +van mijn zwaard, dat schoone grijze paard, dat ik hartelijk wenschte +weder op zijn pooten te zien, mits zijn meester in zijne plaats daar +uitgestrekt was. Het is waar, ik bleef eerst een weinig uit den weg, +want een bont jakje houdt geene lanssteken tegen, zooals een stalen +harnas. Maar zoo ik niet veel met de punt gevochten heb, zult gij +toch moeten toegeven, dat ik tot den aanval geblazen heb." + +"En dat wel met goed gevolg, eerlijke Wamba!" hernam de Koning. "Uw +dienst zal niet vergeten worden." + +"_Confiteor! Confiteor!_" riep op onderdanigen toon eene stem naar +den Koning:--"mijn Latijn wil mij niet meer helpen;--maar ik beken +mijn hoogverraad, en verzoek absolutie eer ik ter dood geleid word!" + +Richard keek om, en ontwaarde den vroolijken monnik op zijne knieën, +zijne rozenkrans tellende, terwijl zijn knots, welke gedurende +de schermutseling niet werkeloos geweest was, naast hem op het +gras lag. Zijn gelaatstrekken had hij de uitdrukking van het diepst +mogelijk berouw doen aannemen, daar hij de oogen opsloeg en de hoeken +van den mond neêrgetrokken had, gelijk de kwasten van een beurs, +zooals Wamba placht te zeggen. Evenwel werd deze nederige vertooning +van ongeveinsd berouw wonderlijk gelogenstraft door een spotachtigen +trek, die er onder te voorschijn kwam, en die scheen aan te duiden, +dat zijne vrees en zijn berouw beiden even oprecht waren. + +"Waarom zijt gij zoo terneergeslagen, dolle priester?" zei +Richard. "Vreest gij dat uw bisschop vernemen zal, hoe getrouw gij +onze Heilige Maagd en St. Dunstan dient?--Stil, man! vrees niets; +Richard van Engeland verraadt geene geheimen, welke bij de wijnflesch +uitlekken." + +"Neen, genadigste Vorst," hernam de kluizenaar (wel bekend onder den +naam van broeder Tuck bij hen, die de volksvertellingen van Robin +Hood kennen); "het is de bisschopsstaf niet, dien ik vrees, maar den +schepter.--Helaas! dat mijne heiligschendende vuist ooit het oor van +den gezalfde des Heeren aangeraakt heeft!" + +"Ha! ha!" zei Richard, "waait de wind uit dien hoek?--Inderdaad, ik had +den klap vergeten; ofschoon mijn oor den geheelen dag daarvan gesuisd +heeft. Maar zoo die flink gegeven was, dan wil ik al deze brave jongens +laten oordeelen, of hij niet even goed betaald werd;--of zoo gij denkt, +dat ik u nog iets schuldig ben, dan staat u nog een klap ten dienste." + +"In het geheel niet," hernam broeder Tuck; "ik heb den mijne terug +ontvangen, en dat wel met woeker; moge uw Majesteit uwe schulden +altijd even goed betalen!" + +"Zoo ik dat maar met klappen kon doen," zei de Koning, "dan zouden +mijne schuldeischers weinig reden hebben, om over mijn ledige schatkist +te klagen." + +"En toch," zei de monnik, zijn schijnheilig gelaat weder aannemende, +"weet ik niet, welke boete ik voor dien heiligschendenden slag +moet doen!" + +"Spreek er niet meer van, broeder," zei de koning; "nadat ik zooveel +slagen van Heidenen en ongeloovigen gekregen heb, zou het onverstandig +van mij zijn, vertoornd te worden over den klap van een zoo heiligen +kluizenaar, als dien van Copmanshurst. Maar, eerlijke monnik, mij +dunkt toch, het ware best voor de kerk en u zelven, dat ik u verlof +bezorgde, om het monnikskleed uit te trekken, en dat ik u bij mijn +lijfwacht aanstelde, ten einde zorg voor mijn persoon te dragen, +gelijk te voren voor het altaar van St. Dunstan?" + +"Mijn Koning," zei de monnik; "ik vraag u nederig om verschooning +hiervan; en gij zult mijne verontschuldiging gaarne aannemen, +zoo gij maar weet, hoe de zonde der luiheid mij bekropen +heeft.--St. Dunstan--hij zij ons genadig!--blijft rustig in zijn +nis, al vergeet ik ook mijne gebeden onder het jagen van een vetten +reebok.--Soms blijf ik ook wel een nacht buiten mijne cel, ik weet +niet waarom,--en St. Dunstan klaagt nooit,--hij is een zoo stil +en vreedzaam meester, als er ooit een van hout gemaakt werd.--Maar +lijfwacht te zijn, om mijn Koning en Heer te dienen,--de eer is zonder +twijfel groot,--en toch, zoo ik maar eens op zij ging, om eene weduwe +in den éénen hoek te troosten, of een hert in den anderen te schieten, +dan zou het terstond wezen: "Waar is die hond van een priester? Wie +heeft dien verwenschten Tuck gezien? Die schurk van een monnik vernielt +meer wild dan al de overigen te zamen," zegt de eene houtvester. "En +jaagt iedere schuwe hinde na!" roept een tweede.--Kortom, mijn +Koning, ik bid u mij te laten, zooals gij mij gevonden hebt, of, +zoo gij eenige goedertierenheid jegens mij betoonen wilt, beschouw +mij dan als den armen heremiet van St. Dustan's cel in Copmanshurst, +die iedere geringe gave in dank aannemen zal." + +"Ik versta u," hervatte de Koning, "en de heilige heremiet zal het +vrije jachtrecht genieten in mijn bosch van Warncliffe. Maar let +wel: ik sta u in ieder jachttijd slechts drie reebokken toe; als u +dit echter geen verontschuldiging geeft om er dertig te schieten, +dan ben ik geen Christen ridder of echte Koning." + +"Uwe Majesteit kan verzekerd zijn," antwoordde de monnik, "dat ik +met de hulp van St. Dunstan middelen zal vinden, om uw allergenadigst +geschenk te vermenigvuldigen." + +"Ik twijfel er volstrekt niet aan, goede broeder," zei de Koning; +"en daar wildbraad maar een droog eten is, zoo zal onze keldermeester +bevel hebben, om u jaarlijks een vat Sek, een vaatje Malvezij en drie +okshoofden van het beste bier te zenden.--Zoo dit uw dorst niet lescht, +dan moet gij aan het Hof komen en kennis maken met onzen bottelier." + +"Maar wat krijgt St. Dunstan?" zei de monnik. + +"Een kap, een _stola_ en een altaarkleed zult gij ook hebben," +vervolgde de Koning, een kruis makende.--"Maar wij mogen onze scherts +niet in ernst veranderen, uit vrees dat God ons straffe, omdat wij +meer aan onze gekheden dan aan Zijn eer en dienst denken." + +"Ik wil voor mijn patroon instaan," zei de priester lachende. + +"Sta voor u zelven in, monnik," hernam Koning Richard eenigszins +ernstig, maar stak dadelijk daarop den heremiet de hand toe, welke +deze een weinig beschaamd en geknield kuste. "Gij doet minder eer +aan mijne opene hand dan aan mijn gebalde vuist," zei de Koning; +"gij knielt slechts neder voor de eerste, en voor de andere wierpt +gij u lang uit op den grond." + +Maar de monnik, die vreesde, dat hij misschien den koning weder +beleedigen zou door het gesprek te lang op een schertsenden toon voort +te zetten,--een misslag, waarvoor zij, die met Vorsten omgaan, zich +bijzonder wachten moeten,--maakte eene diepe buiging en trad terug. + +Tegelijkertijd verschenen er nog twee nieuwe aankomelingen op het +tooneel. + + + + + +EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Heil u allen, mijn heeren van hoogeren stand, + Maar niet meerder gelukkig dan wij op het land! + In onze wouden gekomen, + Om onze spelen te zien, + Onder 't lover der boomen, + Willen wij hartlijk het welkom u biên. + + Macdonald. + + +De nieuwe aankomelingen waren Wilfrid van Ivanhoe, op het paard van +den Prior van Botolph, en Gurth, die den ridder op diens strijdros +vergezelde. De verbazing van Ivanhoe was grenzenloos, toen hij zijn +meester met bloed bespat zag, terwijl zes of zeven gesneuvelden op +het kleine grasplein uitgestrekt lagen, waar het gevecht plaats had +gehad. Niet minder verwonderd was hij, Richard omringd te zien van +zoovele menschen, die vogelvrijverklaarden, en dus een gevaarlijk +gevolg voor een Vorst schenen te zijn. Hij wist niet, of hij den +Koning als den Zwarten Ridder, of op een andere wijze aanspreken +zou. Richard bemerkte zijn verlegenheid. + +"Vrees niet, Wilfrid," zei hij, "om Richard Plantagenet als zoodanig +aan te spreken, daar gij hem in het gezelschap van getrouwe Engelsche +onderdanen ziet, ofschoon zij mogelijk door hun vurig Engelsch bloed +een weinig van den rechten weg afgedwaald zijn." + +"Ridder Wilfrid van Ivanhoe," zei de dappere kapitein, voorwaarts +tredende, "mijn verzekeringen kunnen die van onzen Koning geen meerder +gewicht geven; maar ik kan wel met eenigen trots zeggen, dat hij onder +mannen, die veel geleden hebben, geen getrouwer onderdanen heeft, +dan zij die hem nu omringen. + +"Ik twijfel er niet aan, dappere vriend," zei Wilfrid, "daar ik u onder +het getal zie.--Maar wat beduiden deze teekens van dood en gevaar, +deze verslagene mannen en de bebloede wapenrusting van mijn Vorst?" + +"Er is hier verraad gepleegd, Ivanhoe," antwoordde de Koning; +"maar dank zij dezen braven mannen, het verraad heeft zijn loon +gekregen.--Thans echter schiet mij te binnen, dat gij ook een verrader +zijt," zei Richard, glimlachende, "een oproerige verrader; want heb +ik u geen stellig bevel gegeven om in de Abdij van St. Botolph te +blijven uitrusten, tot uwe wonde genezen was?" + +"Ze is al genezen," antwoordde Ivanhoe; "ze was niet dieper dan het +vel.--Maar waarom, o waarom, edele vorst, kwelt gij dus uwe getrouwe +dienaren, en waagt gij uw leven op eenzame reizen en gevaarlijke +avonturen, alsof het niet meer waard was, dan dat van een dolenden +ridder, die niets anders op de wereld heeft dan hetgeen lans en zwaard +hem verschaffen?" + +"En Richard Plantagenet," hernam de Koning, "verlangt naar geen +anderen roem, dan dien, welken zijn goede lans en zijn goed zwaard hem +verschaffen kunnen;--en Richard Plantagenet is er trotscher op, om een +avontuur met zijn goed zwaard en zijn sterken arm alleen te doorstaan, +dan om een leger van honderdduizend man in den slag aan te voeren." + +"Maar uw koninkrijk, mijn Vorst," zei Ivanhoe, "wordt bedreigd met +burgeroorlog en ontbinding;--uwe onderdanen met allerlei rampen, indien +zij hun vorst in een dezer avonturen, welke gij dagelijks alleen tot +uw vermaak opzoekt, en waaraan gij nog zooeven ternauwernood ontsnapt +zijt, verliezen." + +"Ho! ho! mijn koninkrijk en mijn onderdanen?" antwoordde Richard +ongeduldig: "ik zeg u, Wilfrid, de besten onder hen betalen mijn +zotheden met gelijke munt.--Bij voorbeeld, mijn zeer getrouwe dienaar, +Wilfrid van Ivanhoe wil mijne stellige bevelen niet gehoorzamen, en +leest evenwel zijn Koning de les, omdat hij zich niet nauwkeurig naar +zijn raad gedraagt. Wie van ons heeft de meeste reden om den ander +verwijten te doen?--Maar vergeef mij, mijn getrouwe Wilfrid! De tijd, +welken ik in verborgenheid doorgebracht heb en nog doorbrengen moet, +is, gelijk ik u te St. Botolph verklaard heb, alleen om mijnen vrienden +en getrouwen edelen den tijd te geven, om hunne macht te vereenigen, +opdat Richard, als zijne terugkomst bekend wordt, aan het hoofd +van zulk een leger sta, dat zijne vijanden schrikken het te zien, +en dus het voorgenomen verraad smoren, zonder zelfs het zwaard te +trekken. Estoteville en Bohun zullen eerst in vier en twintig uren +sterk genoeg zijn om naar York op te trekken; ik moet tijding van +Salisbury, uit het zuiden, van Beauchamp, uit Warwickshire, en van +Multon en Percy uit het noorden hebben. De Kanselier moet voor Londen +kunnen instaan. Een te spoedige verschijning zou mij aan gevaren +blootstellen, uit welke mijne lans en mijn zwaard, schoon ik door den +boog van den moedigen Robin, of de knots van broeder Tuck en den horen +van den wijzen Wamba ondersteund werd, mij niet zouden kunnen redden." + +Wilfrid boog onderdanig, daar hij wel wist hoe vergeefs het zijn zou +tegen den onbezonnen ridderlijken geest te strijden, die zijn meester +zoo dikwerf in gevaren stortte, welke hij gemakkelijk had kunnen +vermijden, of liever, welke hij met een onvergeeflijke roekeloosheid +opzocht. Wilfrid zuchtte dus, en zweeg; terwijl Richard, verheugd +zijn raadsman tot zwijgen gebracht te hebben, ofschoon zijn hart +de gegrondheid zijner verwijten erkende, zijn gesprek met Robin Hood +vervolgde.--"Koning der roovers," zei hij, "hebt gij geene verversching +aan uw broeder Koning aan te bieden? Want deze doode schelmen hebben +mij èn werk èn eetlust verschaft." + +"In waarheid," hernam de roover, "want ik wil uwe Majesteit niet +bedriegen, onze mondvoorraad bestaat voornamelijk,--" hij zweeg +eenigszins verlegen. + +"Uit wild, veronderstel ik," viel Richard hem vroolijk in de rede; +"betere spijs kan er niet zijn, als men honger heeft;--en waarlijk, als +een Koning niet te huis blijven wil, om zijn eigen wild te schieten, +dan, dunkt mij, moet hij niet hard brommen, als hij het door vreemde +handen geveld vindt." + +"Zoo uwe Majesteit dus weder eene der rustplaatsen van Robin Hood met +uwe tegenwoordigheid vereeren wil," zei Robin, "dan zal het wild niet +ontbreken; en een dronk bier, en ook nog wel een beker wijn staan +tot uw dienst." + +De kapitein ging vooruit om den weg te wijzen, en werd gevolgd door +den vroolijken Vorst, die waarschijnlijk vergenoegder was over zijne +toevallige ontmoeting met Robin Hood en zijne volgelingen, dan hij +geweest zou zijn, als hij zijne koninklijke waardigheid hernomen en +in een schitterenden kring van pairs en edelen het voorzitterschap +bekleed had. Verandering van gezelschap en avonturen maakten het +levensgeluk uit van Richard Leeuwenhart, en het was hem des te +bekoorlijker, als het met menigvuldige gevaren gepaard ging. In +Koning Richard werd het schitterend, maar onbeduidend karakter van +een dolenden ridder bijkans verwezenlijkt, en de persoonlijke roem, +welken hij door zijn wapenfeiten verwierf, was hem, wegens zijne +vurige verbeelding, veel dierbaarder dan die, welken een staatkundig +en wijs gedrag hem zou verschaft hebben. Dus was ook zijn regeering +gelijk aan den loop van een schitterend en vluchtig luchtverschijnsel, +dat langs het uitspansel snelt, een onnoodig maar geweldig licht in +het rond verspreidt en plotseling door een diepe duisternis vervangen +wordt; zijne ridderlijke daden verschaften onderwerpen voor dichters +en minnezangers, maar aan zijn land geen van die blijvende voordeelen, +waarbij de geschiedenis gaarne vertoeft, en welke zij als een voorbeeld +aan de nakomelingschap voorstelt. In het tegenwoordig gezelschap +echter, vertoonde zich Richard in het voordeeligst licht. Hij was +vroolijk, goed geluimd, en beminde de dapperheid, in welken stand hij +ze ook vond.--Onder een grooten eik werd het landelijk maal in alle +haast voor den Koning van Engeland gereed gemaakt, die omringd was door +mannen, welke onlangs door zijne regeering vogelvrij verklaard waren, +en thans zijn hof en zijne lijfwacht uitmaakten. Toen de flesch begon +rond te gaan, verloren de ruwe gezellen weldra hun ontzag voor de +tegenwoordigheid des Konings uit het oog. Gezang en scherts klonken +in het rond:--de geschiedenissen van vorige dagen werden verhaald; en +eindelijk, terwijl zij op hunne wèl geslaagde overtreding der wetten +pochten, herinnerde zich niemand meer, dat hij in tegenwoordigheid +van haar natuurlijken beschermer sprak. De vroolijke Koning, die niet +meer dan zijn gezelschap zijne waardigheid in het oog hield, lachte, +dronk en schertste onder de vroolijke bende. Het natuurlijk gezond +verstand van Robin Hood deed hem verlangen een einde aan het tooneel +te maken, eer er iets voorviel, dat de eensgezindheid stoorde, te +meer, daar hij bespeurde dat Ivanhoe's gelaat betrok. "Wij zijn door +de tegenwoordigheid van onzen dapperen Koning vereerd," zei hij ter +zijde tot den ridder; "echter wilde ik niet gaarne, dat hij den tijd +verbeuzelde, welken de belangen van zijn koninkrijk kostbaar maken." + +"Gij hebt gelijk, dappere Robin Hood," antwoordde de ridder, "en +gij moet buitendien weten, dat zij, welke met den Koning schertsen, +zelfs in zijne vroolijkste luim, slechts met den leeuw spelen, die +bij de minste terging tanden en klauwen gebruikt." + +"Gij hebt de ware reden van mijne vrees geraden," hernam de kapitein; +"mijne lieden zijn van aard en beroep ruw; de Koning is driftig +zoowel als vroolijk; en ik weet niet hoe spoedig eene beleediging +kan aangedaan, of hoe ernstig ze kan opgenomen worden: het is tijd, +dat de maaltijd afgebroken worde." + +"Dan moet gij trachten dat te bewerken, dappere schutter," zei Ivanhoe; +"want iedere wenk, dien ik getracht heb hem te geven, schijnt slechts +te dienen om het feest te verlengen." + +"Moet ik dus zoo spoedig gevaar loopen om de genade en de gunst van +mijn Vorst te verliezen?" zei Robin Hood zich een oogenblik bedenkende; +"maar, bij St. Christophorus, het zal gebeuren! Ik zou zijne genade +onwaardig zijn, zoo ik ze niet voor zijn welzijn in de waagschaal +stelde.--Hier Scathlock! ga in gindsch kreupelhout, en blaas een +Normandisch signaal op uw horen, en dat zonder een oogenblik te dralen, +zoo u het leven lief is!" + +Scathlock gehoorzaamde, en in minder dan vijf minuten werden de gasten +door den klank van een horen verschrikt. + +"Het is Malvoisin's horen," riep de Molenaar opspringende, en naar +zijn boog grijpende. De monnik liet de flesch vallen en greep naar +zijn knots. Wamba bleef in het midden van eene scherts steken, en +tastte naar zwaard en schild. Alle overigen grepen naar de wapens. + +Mannen, aan zulk eene onveilige leefwijze gewoon, gaan zeer gemakkelijk +van den disch tot den strijd over, en voor Richard scheen deze +afwisseling slechts een verandering van vermaak te zijn. Hij riep +om zijn helm en de zwaarste deelen van zijn wapenrusting, welke hij +afgelegd had, en terwijl Gurth ze hem aandeed, gaf hij, onder straffe +van zijn grootste misnoegen, Wilfrid streng bevel, om geen deel te +nemen in de schermutseling, welke hij verwachtte. + +"Gij hebt honderd maal voor mij gestreden, Wilfrid,--en ik heb +toegezien. Heden zult gij zien, hoe Richard voor zijn vriend en +leenman vechten zal!" + +Intusschen had Robin Hood verscheidene van zijn lieden naar +verschillende kanten uitgezonden, alsof zij den vijand verkennen +moesten; en toen hij zag dat het gezelschap werkelijk verstrooid was, +naderde hij Richard, die nu geheel gewapend was, en, de knie buigende, +vroeg hij zijn Vorst om vergiffenis. + +"Waarvoor, vriend?" zei Richard eenigszins ongeduldig. "Hebben wij u +niet reeds volle vergiffenis voor alle overtredingen geschonken? Meent +gij dat ons woord een veder is, welke heen en weêr geblazen kan +worden? Gij hebt nog geen tijd gehad, om nieuwe zonden te begaan." + +"Ja, dat heb ik toch gedaan," antwoordde de schutter, "zoo het een +zonde is, mijn Vorst tot zijn eigen best te misleiden. De horen, +welken gij gehoord hebt, was niet van Malvoisin, maar werd op mijn +bevel geblazen, opdat de maaltijd geëindigd zou worden, uit vrees +dat de uren mochten voorbijsnellen, die te gewichtig zijn om verspild +te worden." + +Toen stond hij op, kruiste de armen op de borst, en wachtte +het antwoord des Konings eerder op eene eerbiedige dan op +een onderdanige wijze af,--als een man, die bewust is, dat hij +misschien beleedigd heeft, maar overtuigd is van de redelijkheid +zijner handelwijze. De toorn kleurde Richard's wangen; maar het was +slechts de eerste opwelling, die zijn gevoel van billijkheid terstond +deed voorbijgaan. "De Koning van Sherwood," zei hij, "misgunt den +Koning van Engeland zijn wild en zijne wijnflesch! Het is wèl, stoute +Robin!--Maar als gij mij in het vroolijke Londen bezoekt, dan beloof +ik u, dat ik een minder schraal gastheer zal zijn. Gij hebt echter +gelijk, vriend. Laat ons te paard stijgen en vertrekken. Wilfrid is +reeds een uur lang ongeduldig geweest. Zeg mij eens, brave Robin, +hebt gij geen vriend onder uwe bende, die, niet tevreden met u raad +te geven, ook volstrekt uw handelingen wil bestieren, en een benauwd +gezicht zet, als gij het waagt voor u zelven te handelen?" + +"Zoo iemand," antwoordde Robin, "is mijn luitenant, de kleine John, +die thans op een tocht naar de grenzen van Schotland is; en ik wil +Uwe Majesteit bekennen, dat de vrijmoedigheid zijner raadgevingen mij +soms mishaagt;--maar, als ik er nog eens over denk, dan kan ik niet +lang boos op iemand zijn, die geen anderen beweeggrond voor zijn zorg +kan hebben, dan ijver voor de belangen van zijn meester." + +"Gij hebt gelijk, vriend," zei Richard, "en als ik steeds aan de +ééne zijde Ivanhoe had, om deftigen raad te geven, en dien door zijn +ernstig gezicht te ondersteunen, en aan de andere zijde uw persoon, +om mij door list te dwingen tot hetgeen gij voor mij best houdt, +dan zou ik even weinig vrijen wil hebben, als eenig koning in het +Christen- of in het Heidendom.--Maar komt, heeren, laat ons maar naar +Coningsburgh rijden, en niet meer aan het gebeurde denken." + +Robin Hood verzekerde hem, dat hij een troep op den weg, dien zij +nemen moesten, vooruitgezonden had, welke niet in gebreke zou blijven, +hen voor alle geheime hinderlagen te waarschuwen; en dat hij er niet +aan twijfelde, of zij zouden de wegen veilig vinden, of anders zoo +vroegtijdig bericht van het gevaar krijgen, dat zij in staat zouden +zijn om zich terug te trekken tot eene sterke bende boogschutters, +met welken hij voornemens was den Koning op denzelfden weg te volgen. + +De wijze en oplettende voorzorg, welke voor Richard's veiligheid +genomen werd, trof zijn gevoel en verdreef de lichte ontevredenheid, +welke hij misschien nog koesterde over de list van den kapitein +der vogelvrijverklaarden. Hij stak Robin Hood nog eens de hand toe, +verzekerde hem van zijne volkomene vergiffenis en toekomstige gunst, +zoowel als van zijn vast besluit, om de tirannieke uitoefening van het +jachtrecht en andere drukkende wetten te beperken, waardoor zooveel +Engelsche landlieden tot oproer gebracht werden. Maar Richard's goede +voornemens jegens den stouten roover werden door zijn ontijdigen dood +teleurgesteld, en de jachtwet werd aan de onwillige handen van Koning +Jan afgeperst, toen hij zijn heldhaftigen broeder opvolgde. Wat het +overige van Robin Hood's levensloop, zoowel als het verhaal van zijn +verraderlijken dood betreft, dat kan men in die oude met gothische +letters gedrukte volksverhalen vinden, welke eertijds voor den geringen +prijs van een halven stuiver verkocht werden, maar nu voorwaar "tegen +goud opwegen." + +De verwachting van den vogelvrijverklaarde aangaande de veiligheid +van den weg, werd bevestigd; en de Koning, vergezeld door Ivanhoe, +Gurth en Wamba, kwam zonder verder oponthoud in het gezicht van het +kasteel van Coningsburgh, terwijl de zon nog aan den hemel stond. + +Er zijn weinig schoonere en bekoorlijker natuurtooneelen in Engeland, +dan in de nabijheid van deze oude Saksische vesting. De stille en +liefelijke rivier, de Don, stroomt door een breed dal, waarin bouwland +rijkelijk met bosschen afgewisseld wordt, en op een berg, welke van den +oever der rivier opstijgt, verheft zich het oude kasteel, verdedigd +door muren en grachten, dat, zooals de Saksische naam aanduidt, +vóór de Verovering, een residentie der Koningen van Engeland was. De +buitenmuren werden waarschijnlijk door de Normandiërs bijgebouwd; maar +het binnenste getuigt van eene zeer groote oudheid. Het oudste gedeelte +van het kasteel ligt op eene hoogte in een hoek van de binnenplaats, +en vormt een volkomen cirkel van omtrent vijf en twintig voet in +middellijn. De muur is van buitengewone dikte en door zes ontzaglijk +groote, gemetselde steunpilaren verdedigd, welke tegen de zijden van +den toren aanleunen, als het ware om dien te schragen. Deze massieve +stutten zijn naar boven toe hol, en loopen in een soort van torentjes +uit, welke met het binnenste van het hoofdgebouw zelf in verbinding +staan. Het voorkomen van dit groote gebouw op een afstand, met deze +zonderlinge bijgebouwen, is even belangwekkend voor de beminnaars +van het schilderachtige, als het binnenste van het kasteel zelf voor +den ijverigen oudheidkundige, wiens verbeelding daardoor in de tijden +der Zeven Koninkrijken verplaatst wordt. Een hol in de nabijheid van +het kasteel wordt als het graf van den beroemden Hengist aangewezen, +en verscheidene zeer oude en bezienswaardige gedenkteekenen worden +op het kerkhof in de buurt getoond. + +Toen Richard en zijn gevolg dit ruw en toch statig gebouw naderden, +was het niet, zooals heden, door uitwendige versterkingen omringd. De +Saksische bouwmeester had zijne kunst uitgeput om het hoofdgebouw +tot verdediging geschikt te maken, en er was geene andere omheining +dan een ruwe borstwering van palissaden. + +Eene groote zwarte banier, welke van den top van den toren waaide, +duidde aan dat de begrafenisplechtigheden van den laatsten eigenaar +nog gevierd werden. Deze vlag droeg geen teeken van de geboorte of van +den rang des overledenen, want wapens waren toen eene nieuwigheid, +zelfs onder de Normandische ridderschap, en geheel onbekend bij de +Saksers. Maar boven de poort hing eene andere banier, waarop de ruw +geschilderde afbeelding van een schimmel, de afstamming en den rang +van den overledene te kennen gaf, door het welbekend zinnebeeld van +Hengist en zijne krijgers. + +Rondom het kasteel heerschte groote drukte; want zulke +begrafenisfeesten waren eene aanleiding tot algemeene en kwistige +gastvrijheid, waaraan niet alleen zij, die in eenige, zelfs de verste +betrekking tot den doode stonden, maar alle voorbijreizenden genoodigd +werden deel te nemen. De rijkdom en het aanzien van den overleden +Athelstane maakten, dat deze plechtigheden op de ruimst mogelijke +schaal gevierd werden. + +Men zag dus talrijke benden de hoogte waarop het kasteel stond, op- en +afstijgen; en toen de Koning en zijn gevolg door de open en onbewaakte +poorten reden, bood de inwendige ruimte een tooneel aan, dat met de +aanleiding tot deze bijeenkomst niet gemakkelijk overeen te brengen +was. Aan den éénen kant waren de koks bezig met zware ossen en vette +schapen te braden; aan den anderen waren okshoofden bier aangestoken, +ten behoeve van alle aankomelingen. Men zag groepen van allerlei stand, +die de hun aangebodene spijs en drank gretig verslonden. De half +naakte Saksische lijfeigene stilde zijn halfjarigen honger en dorst +door één dag van zwelgerij en dronkenschap;--de meer welgestelde burger +en gildebroeder gebruikte de spijzen met smaak, of sprak oordeelkundig +over de hoeveelheid van het mout en de bekwaamheid van den brouwer. Men +zag ook eenigen van den minderen Normandischen adel, die men aan hun +geschoren kinnen en korte mantels onderscheiden kon, en niet minder +daardoor, dat ze altijd bij elkander bleven en de geheele plechtigheid +met groote minachting aanschouwden, zelfs terwijl ze zich verwaardigden +van al het goede gebruik te maken, dat zoo mild werd opgedischt. + +Bedelaars waren er natuurlijk in groote menigte, zoowel als +rondzwervende soldaten, die uit Palestina waren teruggekeerd (ten +minste naar hun eigen zeggen); kramers stelden hunne waren ten toon, +reizende handwerkers vroegen om arbeid, en pelgrims en verloopen +priesters, Saksische minnezangers en barden uit Wallis, prevelden +gebeden en lokten onwelluidende tonen uit hunne harpen, violen en +citers. De één roemde Athelstane in eene treurige lijkrede; een ander +roemde in een Saksisch gedicht zijn geslachtslijst en de hardklinkende, +barbaarsche namen van zijn edele voorouders. Narren en goochelaars +ontbraken er niet, en men was niet van oordeel, dat de aanleiding +tot de bijeenkomst de uitoefening van hunne kunsten onbetamelijk of +ongepast maakte. De begrippen der Saksers bij die gelegenheid waren +inderdaad even natuurlijk als ruw. Als de droefheid dorst leed, +dan was er te drinken;--was ze hongerig, dan was er te eten;--als +ze op het hart lag en het ter neêr drukte, dan waren er middelen +tot vroolijkheid, of ten minste tot afleiding voorhanden, die de +aanwezigen niet beneden zich achtten tot hun troost te besteden, +ofschoon nu en dan de mannen, alsof zij zich plotseling de reden +herinnerden, welke hen bijeengebracht had, allen tegelijk steunden, +terwijl de vrouwen, in groot getal tegenwoordig, haar stem verhieven +en luide weeklachten lieten hooren. + +Dit was het tooneel op het slotplein van Coningsburgh, toen Richard +met zijn gevolg optrad. De huishofmeester, die zich niet verwaardigde +om acht te slaan op de groepen van mindere gasten, welke gestadig +in- en uitgingen, ten minste niet meer dan noodig was om de orde te +handhaven, werd door het voorkomen van den Koning en Ivanhoe getroffen; +maar vooral daar hij zich verbeeldde, dat de trekken van den laatste +hem bekend waren. Buitendien was de verschijning van twee ridders, +zooals zij door hun kleeding bleken te zijn, een zeldzame gebeurtenis +bij eene Saksische plechtigheid, en kon niet anders dan als een soort +van eer voor den overledene en zijne familie beschouwd worden. In zijn +zwart gewaad en met zijn witten ambtsstaf in de hand, maakte dus deze +gewichtige personage ruimte door de bonte vergadering van gasten, +en geleidde Richard en Ivanhoe naar den ingang van den toren. Gurth +en Wamba vonden spoedig kennissen op het plein, en waagden het niet +verder door te dringen, tot hunne tegenwoordigheid gevorderd werd. + + + + + +TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Ik vond hen bezig met Marcello's lijk. + Er werd een melodij gehoord, zoo plechtig, + Te midden van geween en treurgezangen, + Gelijk oude vrouwen, die bij dooden waken, + Gewoon zijn aan te heffen heel den nacht. + + Oud Tooneelstuk. + + +De ingang van den grooten toren van het kasteel van Coningsburgh is +zeer eigenaardig, en getuigt van de ruwe eenvoudigheid der vroege +tijden, toen het opgericht werd. Een trap, zoo steil en smal, +dat ze bijna loodrecht staat, leidt naar een laag portaal in de +zuidzijde van den toren, waardoor de nieuwsgierige oudheidkundige +nog toegang krijgen kan tot eene tweede kleine trap, welke in den +dikken hoofdmuur gemaakt was, en die naar de derde verdieping van het +gebouw voerde.--De beide benedenste verdiepingen zijn gevangenissen, +of gewelven, welke geen andere lucht of licht krijgen dan door een +vierkant gat in de derde verdieping, met welke zij door een ladder +gemeenschap schijnen gehad te hebben. Tot de bovenste vertrekken in +den toren, die in het geheel uit vier verdiepingen bestaat, komt men +langs trappen, in de buitenmuren aangebracht. + +Langs dezen moeielijken ingang werd de goede Koning Richard, gevolgd +door zijn getrouwen Ivanhoe, in het groote vertrek, dat de geheele +derde verdieping beslaat, gebracht. De laatste had den tijd om +zijn gezicht in zijn mantel te wikkelen, daar hij het beter vond, +zich niet aan zijn vader te vertoonen, eer de Koning hem een teeken +zou geven. Er zaten in dit vertrek rondom een groote eiken tafel een +twaalftal van de doorluchtige stamhouders van de Saksische familiën +der aangrenzende graafschappen. Het waren allen oude, of ten minste +bejaarde mannen; want de jongeren hadden, tot groot verdriet der +ouders, evenals Ivanhoe, vele der scheidsmuren omvergeworpen, welke +sedert eene halve eeuw de Normandische overwinnaars van de overwonnen +Saksers gescheiden hadden. De terneêrgeslagen en droevige blikken van +deze eerwaardige mannen, hunne stilte en bedroefde houding, leverde +eene sterke tegenstelling met de lichtvaardigheid der gasten buiten +het kasteel. Hunne grijze lokken en lange, zware baarden en hunne +ouderwetsche kleederen en ruime zwarte mantels pasten goed bij het +zonderling en ruw vertrek, waarin zij zaten, en gaven hun het voorkomen +van eene verzameling der oude aanbidders van Wodan, die in het leven +teruggeroepen waren, om te treuren over het verval van hun volksroem. + +Ofschoon Cedric van gelijken rang als zijne landslieden was, scheen +hij echter, met algemeen goedvinden, als hoofd der vergadering te +handelen. Bij het binnenkomen van Richard, die hen alleen als de +dappere Zwarte Ridder bekend was, stond hij deftig op, en verwelkomde +hem met de gewone groete "_Weas heal!_" terwijl hij een beker wijn +ophief. De Koning, wien de gewoonten zijner Engelsche onderdanen +niet vreemd waren, beantwoordde dit met de gewone woorden: _Drinc +heal!_ en ledigde een beker, die hem door den schenker overhandigd +werd. Dezelfde beleefdheid werd jegens Ivanhoe in acht genomen, die +zijn vader stilzwijgend bescheid gaf, en het gewoon antwoord verving +door eene buiging, uit vrees dat zijn stem herkend zou worden. + +Toen deze plechtigheid voorbij was, stond Cedric op en Richard de hand +aanbiedende, geleidde hij hem in een kleine en zeer ruwe kapel, welke, +als het ware, in een van de uitwendige bogen uitgehold was. Daar er +geene opening was, behalve een zeer nauw luchtgat, zou deze plaats +bijna geheel duister geweest zijn zonder het licht van twee fakkels, +welke met een rooden en somberen gloed het gewelfde dak en de naakte +muren, het ruwe steenen altaar en het kruis vertoonden. Voor dit altaar +stond een baar en aan iedere zijde er van knielden drie priesters, +die hun rozenkrans baden en hunne gebeden prevelden, met den schijn +der meeste aandacht. Voor dezen dienst werd een rijk losgeld door de +moeder des overledenen aan het klooster van St. Edmund betaald; en +om het ten volle te verdienen, hadden zich al de broeders, behalve +de kreupele Sacristijn, naar Coningsburgh begeven, waar zes van +hen zich gedurig met het verrichten der godsdienstige plechtigheden +bij Athelstane's lijkbaar bezig hielden, terwijl de anderen niet in +gebreke bleven gebruik te maken van de ververschingen en vermaken, +welke hun aangeboden werden. Gedurende deze vrome wacht, droegen +de monniken bijzondere zorg om hunne gezangen geen oogenblik af +te breken, uit vrees dat Zernebock, de Appollyon der oude Saksers, +zijne klauwen aan den overleden Athelstane zou slaan. Niet minder +bezorgd waren ze om te beletten dat eenig leek het lijkkleed aan +zou raken, dat vroeger bij de begrafenis van St. Edmund gediend had, +en dat door ongewijde handen ontheiligd zou wezen. Wanneer zulk eene +oplettendheid den overledene wezenlijk van nut had kunnen zijn, dan had +hij eenig recht om ze van de broederschap van St. Edmund te verwachten, +daar de moeder van Athelstane te kennen gegeven had, dat zij, behalve +honderd goudstukken voor het losgeld zijner ziel, aan het klooster het +grootste gedeelte van de landerijen des overledenen wilde schenken, +ten einde men gedurig missen zou lezen voor zijne ziel en voor die +van haren echtgenoot. + +Richard en Wilfrid volgden den Sakser Cedric naar het vertrek waar +de doode rustte, en terwijl hij hen met een plechtstatig gelaat op +de baar van Athelstane wees, volgden zij zijn voorbeeld en maakten +eerbiedig een kruis, terwijl ze een kort gebed voor het heil der ziel +van den gestorvene prevelden. + +Na deze godsdienstige plechtigheid, gaf Cedric hun weder een teeken +om hem te volgen, terwijl hij zachtjes over den steenen vloer sloop; +en na eenige trappen opgegaan te zijn, opende hij, met groote +voorzichtigheid de deur van een bidvertrekje, dat aan de kapel +grensde. Het was omtrent acht voet in het vierkant en even als de +kapel zelve in den muur gehouwen. Het luchtgat, dat het verlichtte, +stond naar het westen en daar het naar binnen toe aanmerkelijk wijder +werd, baande zich een straal der ondergaande zon een weg tot in deze +duistere ruimte, en vertoonde een vrouw van eerbiedwaardig voorkomen, +wier gelaat nog de duidelijke sporen van uitstekende schoonheid +droeg. Haar lang rouwgewaad en haar krans van cypressen verhoogden +de blankheid van haar gelaat en de schoonheid van hare blonde, +loshangende vlechten, welke de tijd gedund noch vergrijsd had. Haar +gelaat drukte de diepste droefheid uit, die met onderwerping samen +kan gaan. Op de steenen tafel vóór haar, stond een ivoren kruis, +waar naast een misboek lag, welks bladzijden rijk beschilderd en +welks band met gouden krammen en sloten versierd was. + +"Edele Edith," zei Cedric, na een oogenblik te hebben stil gestaan, +om Richard en Wilfrid tijd te geven, de vrouw des huizes te beschouwen, +"dit zijn waardige vreemdelingen, gekomen om in uwe smart te deelen. En +deze, in het bijzonder, is de dappere ridder, die zoo heldhaftig voor +de verlossing van hem gestreden heeft, dien wij heden betreuren." + +"Zijne dapperheid verdient mijn dank," hernam de vrouw, "ofschoon het +de wil des Hemels was, dat ze te vergeefs betoond zou worden. Ik betuig +ook mijn dank voor zijne beleefdheid en voor die van zijn makker, daar +zij herwaarts zijn gekomen om de weduwe van Adeling en de moeder van +Athelstane in het uur harer diepe smart en droefheid te bezoeken. Ik +vertrouw hen aan uwe zorg, waarde neef, overtuigd dat gij hun de +gastvrijheid zult betoonen, welke dit kasteel nog aanbieden kan." + +De gasten maakten eene diepe buiging voor de bedroefde moeder en +verwijderden zich met hun gastvrijen leidsman. + +Een andere wenteltrap bracht hen in een vertrek van dezelfde grootte +als dat, waarin zij eerst geweest waren en dat zich er vlak onder +bevond. Uit deze kamer vernamen zij, nog eer de deur geopend werd, +een zacht en droefgeestig gezang. Toen zij binnen traden, bevonden +zij zich in tegenwoordigheid van omtrent twintig vrouwen en meisjes +van aanzienlijke Saksische geslachten. Vier jonkvrouwen, door Rowena +voorgegaan, zongen een hymne voor de ziel des overledenen, waarvan +wij slechts een paar verzen hebben kunnen ontcijferen: + + + Tot stof en asch + Keert al wat was; + De huurling lei weêrom + Zijn tooisel af + Voor worm en graf,-- + Verrottingseigendom. + + Onzeker vloog + Uw ziel omhoog, + Naar 't rijk van smarte en weên. + Uw pijn vangt aan + Voor d'euveldaân, + Bedreven hier beneên. + + Maria's woord, + Maak in dat oord + Uw boete kort van duur! + Tot u 't gebed + En 't loflied redt, + Uit hel en vagevuur. + + +Terwijl dit gezang op zachten en droefgeestigen toon gezongen werd, +waren de overige meisjes in twee groepen verdeeld, waarvan de een bezig +was om een grooten zijden lijkmantel, bestemd om Athelstane's doodkist +te bedekken, met borduursel te versieren, zoo goed hare bekwaamheid +en haar smaak dat toelieten, terwijl de anderen zich bezig hielden +met uit bloemkorven, die vóór haar stonden, kransen te vlechten, +voor hetzelfde droevige doel bestemd. Het gedrag der meisjes was +hoogst betamelijk, al toonde het dan ook geene diepe droefheid, +maar tusschenbeide haalde een gefluister, of een glimlach, haar +de berispingen van de meer gestrenge vrouwen op den hals, en hier +en daar kon men eene jonkvrouw zien, die er meer belang in scheen +te stellen om te onderzoeken hoe het rouwgewaad haar stond, dan in +de droefgeestige plechtigheid, tot welke ze zich voorbereidden. De +stemming werd (om de waarheid te bekennen), ook geheel niet veranderd +door de verschijning van twee vreemde ridders, die menigen blik en +menig gefluister veroorzaakten. Rowena alleen, te trotsch om ijdel +te zijn, begroette haren verlosser met bevallige beleefdheid. Haar +gedrag was ernstig, maar niet neerslachtig; en het is zeer onzeker, +of de gedachte aan Ivanhoe en aan de onzekerheid van zijn lot, niet +evenveel deel aan haar ernst had, als de dood van haar bloedverwant. + +Voor Cedric echter, die, gelijk wij reeds aangemerkt hebben, +bij zulke gelegenheden niet zeer helder zag, scheen de droefheid +zijner pupil zooveel grooter dan die der overige jonkvrouwen, +dat hij noodig oordeelde den vreemden de verklaring daarvan in +deze woorden toe te fluisteren: "Zij was de verloofde bruid van den +edelen Athelstane."--Het is zeer twijfelachtig, of deze mededeeling +Wilfrid's neiging om in de droefheid der rouwdragenden te Coningsburgh +te deelen, versterkte. + +Nadat Cedric de gasten aldus plechtig in de verschillende kamers, +waarin de lijkplechtigheid van Athelstane op onderscheidene +wijze gevierd werd, rondgeleid had, bracht hij hen in een klein +vertrek, hetwelk, gelijk hij zeide, uitsluitend tot de ontvangst van +aanzienlijke gasten bestemd was, die wegens hunne mindere betrekking +tot den overledene niet geneigd zouden zijn, zich met diegenen te +vereenigen, die onmiddellijk door dit ongelukkig voorval getroffen +werden. Hij zorgde voor hun gemak en wilde zich juist verwijderen, +toen de Zwarte Ridder hem bij de hand vatte. + +"Ik verzoek u, edele _Thane_," zei hij, "u te herinneren, dat gij +bij ons laatste scheiden beloofdet mij een gunst toe te staan voor +den dienst, welken ik het geluk had u te bewijzen." + +"Hij is toegestaan eer gij hem noemt, edele ridder," antwoordde Cedric, +"maar in dit droevig oogenblik--" + +"Daaraan heb ik ook reeds gedacht," hernam de Koning;--"maar mijn +tijd is kort;--ook schijnt het mij niet ongepast toe, dat wij bij het +sluiten van het graf van den edelen Athelstane zekere vooroordeelen +en verkeerde meeningen begraven." + +"Heer ridder," viel Cedric, rood wordende, den Koning in de rede, +"ik hoop, dat uwe bede u zelven en geen anderen betreft; want het +is niet gepast, dat een vreemdeling zich zou bemoeien met eene zaak, +die de eer van mijn huis betreft." + +"Ik wil er mij ook niet mede bemoeien," zei de Koning op zachten toon, +"dan voor zoover gij mij zelf vergunt er deel in te nemen. Daar +gij mij tot hiertoe slechts als den Zwarten Ridder gekend hebt, +zoo verneem thans dat ik Richard Plantagenet ben." + +"Richard van Anjou!" riep Cedric uit, met de grootste verbazing +achteruit tredende. + +"Neen, edele Cedric,--Richard van Engeland!--wiens dierbaarst belang, +wiens vurigste wensch het is alle landskinderen met elkander vereenigd +te zien.--Hoe, waardige _Thane_! buigt ge de knie niet voor uw Vorst?" + +"Nog nooit boog ik ze voor Normandisch bloed!" antwoordde Cedric. + +"Bewaar deze hulde dan," zei de Koning, "tot ik door mijn onpartijdige +behandeling van Normandiërs en Saksers mijn recht er op zal bewezen +hebben." + +"Prins," hernam Cedric, "ik heb uwe dapperheid en waarde altijd recht +laten wedervaren.--Ook ben ik niet onbewust van uwe aanspraken op den +troon door uwe afstamming van Mathilde, de nicht van Edgar Atheling +en de dochter van Malcolm van Schotland. Maar Mathilde, ofschoon van +het koninklijk Saksisch bloed, had geen recht op de kroon." + +"Ik wil niet met u over mijne aanspraken twisten, edele _Thane_;" zei +Richard bedaard, "maar ik wil u verzoeken rond te zien, waar ge anderen +vinden zult, die tegen de mijne in de weegschaal kunnen gelegd worden." + +"En zijt ge hier gekomen om mij dit te zeggen, Prins?" zei Cedric;--"om +mij den ondergang van mijn geslacht te verwijten, eer het graf over +den laatsten spruit van het Saksisch koningschap gesloten is?"--Zijn +gelaat werd somber onder het spreken.--"Dit was stout en onbezonnen +gehandeld!" + +"Dat niet, bij het heilige kruis!" hernam de Koning; "het geschiedde in +het oprecht vertrouwen, dat de eene brave man in den anderen stellen +kan, zonder het minste gevaar te loopen." + +"Ge hebt gelijk, heer Koning;--want ik erken, dat ge Koning zijt en +blijven zult, in weerwil van mijne zwakke tegenkanting.--Ik durf het +eenige middel om dit te beletten, niet gebruiken, ofschoon ge mij +zelf aan eene sterke verzoeking blootgesteld hebt!" + +"En nu mijne bede," zei de Koning, "welke ik niet met minder vertrouwen +doe, ofschoon gij geweigerd hebt, mijne wettige heerschappij te +erkennen. Ik eisch van u, als man van uw woord, op straffe van voor +trouweloos, meineedig en eerloos gehouden te worden, om den dapperen +ridder Wilfrid van Ivanhoe vergiffenis en uwe vaderlijke liefde te +schenken. Bij deze verzoening begrijpt gij, dat ik belang heb;--het +geluk van mijn vriend, en het slechten der oneenigheid onder mijn +getrouw volk." + +"En dit is Wilfrid?" vroeg Cedric, op zijn zoon wijzende. + +"Mijn vader!--mijn vader!" riep Ivanhoe, zich aan zijn voeten werpende, +"schenk mij uwe vergiffenis!" + +"Gij hebt ze, mijn zoon!" hervatte Cedric, hem opheffende. "De zoon van +Hereward weet woord te houden, al heeft hij het ook aan een Normandiër +gegeven. Maar laat mij u in de kleeding en met de wapens uwer Saksische +voorouders zien;--geene korte mantels, geene luchtige mutsen, geene +bonte vederbos in mijn nederig huis. Hij, die de zoon van Cedric +zijn wil, moet toonen, dat hij van Saksische afkomst is. Gij wilt +spreken," voegde hij er op een ernstigen toon bij, "en ik vermoed het +onderwerp. De Jonkvrouw Rowena moet twee jaren lang rouwen, als over +een verloofden echtgenoot;--al onze Saksische voorouders zouden ons +verloochenen, zoo wij aan eene nieuwe verbintenis dachten, eer het graf +van den man, dien zij huwen moest, en die hare hand door zijne geboorte +en afkomst waardig was, nog gesloten is. De geest van Athelstane zelven +zou van zijne bloedige lijkbaar opstaan, en vóór ons verschijnen, +om ons van zulk eene onteering zijner nagedachtenis terug te houden!" + +Het scheen alsof Cedric's woorden een geest opgewekt hadden, want +nauwelijks had hij ze geuit, of de deur vloog open, en Athelstane +stond voor hen in zijn doodsgewaad, bleek, vervallen, en volkomen +als iemand, die uit het graf is opgestaan. [38] + +Deze verschijning verwekte de grootste ontsteltenis en schrik bij alle +aanwezigen. Cedric sprong terug, zoo ver als de muur van het vertrek +toeliet, leunde er tegen, alsof hij niet in staat was te blijven +staan, en staarde op de gedaante van zijn vriend met opengespalkte +oogen en een mond, dien hij niet scheen te kunnen sluiten. Ivanhoe +maakte een kruis, en zei gebeden op in het Saksisch-Latijn, of +Normandisch-Fransch, zooals ze hem voor den geest kwamen, terwijl +Richard beurtelings "_Benedicite!_" riep en "_Mort de ma vie!_" +vloekte. + +Intusschen hoorde men een verschrikkelijk gedruisch beneden +in het huis, daar eenigen schreeuwden: "Vat de verraderlijke +monniken!" anderen: "Werpt hen in de gevangenis!" en weêr anderen: +"Smijt hen van de hoogste bolwerken af!" + +"In Gods naam!" zei Cedric, zich tot den gewaanden geest van +zijn overleden vriend wendende, "indien gij een sterveling zijt, +spreek!--indien gij een geest van een afgestorvene zijt, zeg dan, +waarom gij ons weder bezoekt, of wat ik doen kan, om uwe ziel tot +rust te brengen.--Levend of dood, edele Athelstane, spreek tot Cedric!" + +"Dat zal ik," antwoordde de verschijning zeer bedaard, "zoodra ik adem +geschept heb, en gij mij den tijd geeft.--Levend, zeidet gij?--Ik leef +zoo goed als een mensch leven kan, die van brood en water geleefd +heeft gedurende drie dagen, welke mij drie eeuwen toeschijnen.--Ja, +brood en water, vader Cedric! Bij den hemel en alle heiligen! er is +in drie volle dagen geen beter voedsel over mijn lippen gekomen, en +het is door Gods voorzienigheid, dat ik thans hier ben, om u zulks +te verhalen!" + +"Hoe, edele Athelstane?" zei de Zwarte Ridder; "ik heb zelf gezien, +dat gij door den trotschen Tempelier ter neêr geveld werdt bij de +bestorming van Torquilstone, en zooals ik dacht, en Wamba verhaalde, +was uw schedel tot aan de tanden toe door gekloofd!" + +"Gij hebt zulks ten onrechte geloofd, heer ridder," antwoordde +Athelstane; "en Wamba heeft gelogen. Mijne tanden zijn in een goeden +staat, zooals ik dadelijk bij het avondeten toonen zal.--Dit heb +ik evenwel den Tempelier niet te danken, daar zijn zwaard in zijn +hand draaide, en de scherpte afgewend werd door mijne strijdknots, +waarmede ik zijn slag wilde weren, zoodat hij mij met de platte kling +trof; had ik mijn stalen helm op gehad, dan zou ik het niet gevoeld, +en hem op mijn beurt een slag gegeven hebben, die hem den terugtocht +zou gespaard hebben. Maar zóó viel ik, wel is waar bedwelmd, maar +ongekwetst ter neer. Van beiden zijden werden er anderen neêrgehouwen +en op mij neêrgeworpen, zoodat ik mijn zinnen niet herkreeg, voordat +ik mij in eene doodkist bevond, die gelukkig open was, en geplaatst +voor het altaar in de St. Edmunds kerk. Ik niesde meermalen, zuchtte, +ontwaakte, en wilde opstaan, toen de Sacristijn en de Abt vol schrik +op het gedruisch kwamen aanloopen, verbaasd, onzeker, en geheel niet +tevreden, den man levend te vinden, wiens erfgenamen zij zich hadden +voorgenomen te worden. Ik vroeg om wijn;--men gaf mij wat; maar die +moet ter deeg toebereid geweest zijn, want ik sliep nog vaster dan +te voren, en ontwaakte gedurende verscheidene uren niet. Ik vond +mijn armen met windsels omwonden,--mijn voeten zoo vast gebonden, +dat mijn enkels mij bij de gedachte daaraan nog zeer doen;--de plaats +was geheel duister, naar ik geloof de _oubliette_ van hun vervloekt +klooster,--en uit de doffe, stikkende lucht begreep ik, dat men ze +ook tot begraafplaats gebruikte. Er kwamen zonderlinge gedachten bij +mij op over hetgeen er met mij gebeurd was, toen de deur van mijn +kerker kraakte, en twee schurken van monniken binnentraden. Zij +wilden mij overreden dat ik in het vagevuur was, maar ik kende al +te wel de kuchende, kortademige stem van den Pater Abt.--Heilige +Jeremias! hoe verschilde ze van den toon, waarop hij gewoon was mij +om een stuk gebraad te vragen!--de hond heeft wel eens van Kerstdag +tot Driekoningen met mij gezwelgd." + +"Geduld, edele Athelstane," zei de Koning, "schep adem,--vertel uwe +geschiedenis op uw gemak;--waarachtig zulk een verhaal is even aardig +om aan te hooren als een roman!" + +"Neen, bij het kruis van Bromholme, het was geen roman!--een +gerstebrood en een kruik water,--dat hebben ze mij gegeven, die +schurken, welken mijn vader en ik zelf verrijkt hebben, toen hun +voornaamste inkomsten nog bestonden uit de stukken spek en schepels +koren, welke ze aan arme slaven en lijfeigenen voor hun gebeden +afnamen,--dat slecht, ondankbaar addergebroedsel!--gerstebrood en +slootwater voor zulk een beschermer als ik geweest ben! Ik zal hen +met nest en al verbranden, al word ik ook in den ban gedaan!" + +"Maar in den naam der Heilige Maagd, edele Athelstane," zei Cedric, +de hand van zijn vriend grijpende, "hoe zijt gij aan dit dreigend +gevaar ontsnapt?--Werden hun harten vermurwd?" + +"Hun harten vermurwd!" herhaalde Athelstane.--"Smelten rotsen voor +de zon! Ik zou er nog geweest zijn, had niet eenig gedruisch, dat, +zooals ik thans begrijp, hun optocht was naar mijn lijkmaal, terwijl +ze zeer wel wisten, hoe en waar ik levend begraven was, den zwerm +uit den korf gelokt. Ik hoorde hen hunne lijkpsalmen brommen, in het +geheel niet denkende dat die voor het welzijn van mijne ziel gezongen +werden door hen, die mijn lichaam op deze wijze uithongerden. Ze gingen +intusschen weg, en ik wachtte lang naar voedsel,--en geen wonder, want +de jichtige Sacristijn had al te veel met zijn eigen maaltijd te doen, +om aan den mijne te denken. Eindelijk kwam hij met wankelende schreden +en een sterken geur van wijn en specerijen bij zich, naar beneden. De +goede kost had zijn hart verzacht, want hij liet mij een brok pastei +en een flesch wijn inplaats van mijn vorig voedsel. Ik at, dronk en +gevoelde mij versterkt; waarop, tot overmaat van geluk, de Sacristijn, +die te beneveld was om zijn ambt van sluiter goed waar te nemen, de +deur bij het slot langs sloot, zoodat ze in plaats van toe te zijn, +aan stond. Het licht, de spijs, de wijn wekten mijn geestvermogens +op. De ring, waaraan mijn ketenen bevestigd waren, was meer verroest, +dan ik, of de schurkachtige Abt, vermoed hadden. Het ijzer zelf kon +de vochtigheid van dien helschen kerker niet wederstaan!" + +"Schep adem, edele Athelstane," zei Richard, "en gebruik eenige +verversching, eer ge zulk een verschrikkelijk verhaal vervolgt." + +"Gebruiken!" hervatte Athelstane. "Ik heb heden reeds vijf maal +wat gebruikt,--en echter zou een stukje van die malsche ham mij wel +toelachen, en ik bid u, edele heeren, mij met een beker wijn bescheid +te doen!" + +De gasten, ofschoon nog stom van verbazing, deden evenwel hun uit +het graf verrezen gastheer bescheid, die daarop met zijn verhaal +voortging. Hij had inderdaad thans veel meer toehoorders dan toen hij +begon; want, nadat Edith eenige noodzakelijke bevelen gegeven had, +om de zaken in het kasteel in orde te brengen, was ze den verrezene +naar het vertrek der vreemdelingen gevolgd, vergezeld door zoo vele +gasten, mannen en vrouwen, als in de kleine kamer dringen konden; +terwijl anderen op de trap stonden, een onvolkomen verhaal van de +zaak opvingen, en het nog onnauwkeuriger aan diegenen welke beneden +waren, overbrachten, die het alweder onder het buitenstaande volk +verspreidden, op een wijze, die geheel niet met de ware toedracht +der zaak overeenkwam. Intusschen vervolgde Athelstane de geschiedenis +van zijn ontvluchting. + +"Toen ik zag, dat ik van den ring losgeraakt was, sleepte ik mij +de trap op, zoo goed als een man, die met ketenen beladen en door +het vasten uitgeput is, kon; en na lang rondgetast te hebben, werd +ik eindelijk door een vroolijk lied naar de kamer gelokt, waar de +waardige Sacristijn, met verlof, een duivelsmis vierde met een grooten, +zwaarhoofdigen en breedgeschouderden kloosterbroeder, die er eerder +als een dief, dan als een geestelijke uitzag. Ik overviel hen en mijn +doodskleederen, zoowel als de klank van mijn ketenen, deed mij meer +op een bewoner van de andere dan van deze wereld gelijken. + +"Beiden stonden verstomd; maar toen ik den Sacristijn met mijn vuist +ter neêr wierp, sloeg de andere kerel, zijn drinkgezel, met een zware +knots naar mij." + +"Dat moet broeder Tuck zijn, bij alles, wat kostelijk is!" zei Richard, +Ivanhoe aanziende. + +"Het mag de duivel zijn!" zei Athelstane. "Tot mijn geluk miste hij +zijn doel, en toen ik op hem aankwam om handgemeen met hem te worden, +zette hij het op een loopen. Ik liet niet na mij van de ketens te +bevrijden, door middel van den sleutel, welke onder anderen in den +gordel van den Sacristijn hing, en de gedachte kwam bij mij op, om den +schurk met den bundel sleutels de hersens in te slaan; maar het stuk +pastei en de flesch wijn, welke de schelm mij in mijn gevangenschap +gebracht had, verteederden mijn hart; dus liet ik hem na eenige +welgemeende schoppen, op den grond liggen, stak wat gebraden vleesch en +een lederen wijnzak, waarmede de twee eerwaarde broeders bezig waren, +op, ging naar den stal, en vond op een afgezonderde plaats mijn eigen +best telpaard, dat zonder twijfel voor het bijzonder gebruik van den +Abt ter zijde gezet was. Zoodoende kwam ik hierheen met allen spoed, +terwijl mannen en vrouwen voor mij vluchtten, overal waar ik kwam, mij +voor een spook houdende, te meer, dat ik de lijkkap over mijn gezicht +getrokken had, om niet herkend te worden. Ik zou in mijn eigen kasteel +niet toegelaten zijn, zoo men niet gemeend had, dat ik de bediende van +een goochelaar was, die de lieden op het slotplein zeer verlustigt, +als men in overweging neemt, dat ze vergaderd zijn om de begrafenis +van hun heer te vieren. Zooals ik zei, de voorsnijder dacht, dat ik +zoo gekleed was, om een rol in de maskerade te spelen, en dus werd +ik binnengelaten, ontdekte mij slechts aan mijne moeder en at een +hartig brokje, voordat ik u, mijn edelen vriend, opzocht." + +"En ge hebt mij gevonden," zei Cedric, "gereed om onze dappere +voornemens voor eer en vrijheid weêr op te vatten. Ik zeg u, nooit +zal er een zoo gunstige morgen als de eerstvolgende voor de bevrijding +van den edelen Saksischen stam aanbreken!" + +"Spreek mij niet van iemand te bevrijden," zei Athelstane; "het is +goed, dat ik zelf bevrijd ben. Ik heb meer lust om dien schelmschen +Abt te straffen. Hij zal van de muren van dit kasteel van Coningsburgh +hangen, in zijn priesterlijk gewaad, en als de trap te nauw is voor +zijn dik lichaam, dan zal ik hem van buiten laten ophijschen." + +"Maar mijn zoon", zei Edith, "denk aan zijn heilig ambt!" + +"Denk aan mijn driedaagsche vasten!" hernam Athelstane; "ik wil +hun bloed hebben, tot den laatsten man toe! Front-de-Boeuf werd om +veel geringere zaken levend verbrand; want hij hield toch eene goede +tafel voor zijne gevangenen, en deed slechts te veel knoflook in zijn +laatste soep. Maar deze schijnheilige, ondankbare slaven, die vleiers, +die zich zoo dikwijls zelven aan mijne tafel genoodigd hebben, die +mij soep, noch knoflook, noch iets anders gaven, zij zullen sterven, +bij de ziel van Hengist!" + +"Maar de Paus, edele vriend!" zei Cedric. + +"Maar de duivel, edele vriend!" antwoordde Athelstane; "ze zullen +sterven! Geen woord meer! Al waren ze de beste monniken op aarde, +dan zou de wereld toch nog wel zonder hen bestaan kunnen!" + +"Schaam u, edele Athelstane," hervatte Cedric; "vergeet zulke +ellendelingen in de roemrijke loopbaan, welke vóór u ligt. Zeg dezen +Normandischen Prins Richard van Anjou, dat, hoe dapper hij ook zij, +hij den troon van Alfred niet onbetwist zal bezitten, zoo lang een +mannelijke afstammeling van den Heiligen Belijder leeft, om hem zijn +rechten te betwisten." + +"Hoe!" zei Athelstane, "is dit de edele Koning Richard?" + +"Het is Richard Plantagenet zelf," antwoordde Cedric; "evenwel +behoef ik u niet te herinneren, dat, daar hij als een vrijwillige +gast hierheen is gekomen, hij beleedigd noch gevangen gehouden mag +worden;--ge kent uw plicht als gastheer jegens hem!" + +"Ja, op mijn woord!" zei Athelstane; "en mijn plicht als onderdaan +bovendien; want hier zweer ik hem trouw, met hart en ziel!" + +"Mijn zoon," zei Edith, "denk aan uwe koninklijke rechten!" + +"Denk aan de bevrijding van Engeland, ontaarde vorst!" riep Cedric. + +"Moeder en vriend," hervatte Athelstane, "houdt op met uwe +verwijten;--brood en water en een kerker zijn wonderbaarlijke +geneesmiddelen tegen de eerzucht, en ik ben wijzer uit het graf +opgestaan, dan ik er in nedergedaald ben. De helft van die ijdele +gekheden werden mij door dien ellendigen Abt Wolfram in het oor +geblazen, en ge kunt thans zelf oordeelen, of hij een raadsman is, +dien men vertrouwen kan. Sedert die plannen in werking gebracht +zijn, heb ik niets gekend dan overhaaste reizen, slechte vertering, +slagen, stooten en gevangenis; en buitendien kunnen ze slechts met het +vermoorden van eenige duizenden onschuldige menschen eindigen. Ik zeg +u, dat ik koning op mijn eigene goederen zijn wil en nergens anders, +en mijn eerste daad van heerschappij zal zijn den Abt op te hangen!" + +"En mijn pupil Rowena?" zei Cedric;--"ik vertrouw toch, dat gij niet +voornemens zijt haar te verlaten?" + +"Vader Cedric," hernam Athelstane, "wees redelijk. Jonkvrouw Rowena +geeft niet om mij;--zij houdt meer van den pink van den handschoen +van mijn neef Wilfrid dan van mijn geheelen persoon. Daar staat zij om +het zelve te bekennen.--Neen, bloos niet, nicht; het is geene schande +een ridder van het hof meer te beminnen, dan een landedelman;--en +lach ook niet, Rowena, want doodskleederen en een afgevallen gezicht +zijn, God weet het, geen onderwerp om er over te lachen! Maar als +gij volstrekt lachen wilt, dan zal ik een betere aanleiding voor u +vinden.--Geef mij uwe hand, of liever leen ze mij, want ik vraag ze u +slechts als vriend. Hier, neef Wilfrid van Ivanhoe, ten uwen voordeele +ontzeg ik en zweer ik af--Wel! Bij St. Dunstan, onze neef Wilfrid is +verdwenen!--En toch, zoo mijne oogen niet nog verblind zijn door het +vasten, dan heb ik hem toch daareven hier zien staan!" + +Allen keken thans rond en vroegen naar Ivanhoe; maar hij was +verdwenen. Men vernam eindelijk, dat een Jood naar hem gevraagd had, +en dat hij, na een kort gesprek met dezen, Gurth om zijne wapenrusting +geroepen en het kasteel verlaten had. + +"Schoone nicht," zei Athelstane tegen Rowena, "kon ik denken, dat +deze, plotselinge verdwijning van Ivanhoe door eenige andere dan de +gewichtigste redenen veroorzaakt ware, dan zou ik zelf--" + +Maar hij had nauwelijks haar hand laten varen, toen hij bemerkte, +dat Ivanhoe verdwenen was, of Rowena, die zich in de uiterste +verlegenheid bevond, had de eerste gelegenheid gebruikt om uit het +vertrek te ontsnappen. + +"Waarachtig!" zei Athelstane, "de vrouwen zijn onder alle dieren het +minst te vertrouwen, behalve monniken en abten. Ik wil een ketter +zijn, als ik geen dank van haar verwachtte, en misschien nog wel een +kus. Deze vervloekte grafkleederen zijn zeker behekst, want iedereen +ontvlucht mij. Tot u wend ik mij, edele Koning Richard, met de gelofte +van getrouwheid, welke ik, als een getrouw onderdaan--" + +Maar Koning Richard was ook heengegaan en niemand wist +waarheen. Eindelijk hoorde men, dat hij naar het slotplein gevlogen +was, den Jood, die met Ivanhoe gesproken had, bij zich had laten +komen, en dat hij, na een kort gesprek met hem, driftig om zijn paard +geroepen, zich er op geworpen, den Jood gedwongen had een ander te +bestijgen, en met zooveel haast voortgereden was, dat, zooals Wamba +zei, het leven van den ouden Jood geen duit waard was. + +"Bij mijn ziel!" riep Athelstane, "het is zeker, dat Zernebock +gedurende mijne afwezigheid mijn kasteel betooverd heeft! Ik keer in +mijn lijkgewaad terug, als uit het graf opgestaan, en ieder, met wien +ik spreek, verdwijnt, zoodra hij mijn stem hoort!--Maar het baat niet +er over te praten! Komt, vrienden, gij, die nog overgebleven zijt, +volgt mij naar de eetzaal, eer er nog meer van ons verdwijnen.--Die +zaal is, vertrouw ik, nog al tamelijk wel bezet, gelijk bij de +lijkplechtigheid van een oud-Saksischen edelman betaamt; en zoo wij nog +langer dralen, wie weet of de duivel niet met het avondeten wegvliegt!" + + + + + +DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Dat Mobray's zonden hem den boezem drukken, + Zoo hevig, dat zijn schuimend ros den rug breekt. + En over hals en kop zijn ruiter neêrsmakt + In 't strijdperk,--den afvall'gen schurk! + + Richard II. + + +Ons verhaal keert nu terug tot den omtrek van het kasteel of +Preceptorij van Templestowe, omtrent het uur toen het lot beslissen zou +over het leven of den dood van Rebekka. Het was een tooneel van drukte +en leven, alsof de bewoners van de geheele buurt op een landelijk +feest verzameld waren. Maar de begeerte om bloed en dood te zien, +is niet alleen eigen aan die duistere eeuwen; ofschoon men toen door +de zwaardvechtersoefeningen van tweestrijd en toernooi gewoon was aan +het bloedig tooneel van dappere mannen door elkanders hand te zien +vallen. Zelfs in onze dagen, nu men een hooger begrip van zedelijkheid +heeft, verzamelen eene terechtstelling, eene vechtpartij, een oploop, +of eene bijeenkomst van radicale hervormers, tallooze toeschouwers, +met groot gevaar voor hen, die zelven weinig ander belang daarbij +hebben, dan om te zien hoe het toegaat, en of de helden van den dag, +van welken aard ook, hun verkregen roem waardig zijn. + +De blikken van eene zeer aanzienlijke menigte waren dus op de poort +van de Preceptorij van Templestowe gevestigd om den optocht te zien, +terwijl een nog grooter aantal reeds het toernooiplein omringde, dat +tot het kasteel behoorde. Dit plein lag dicht bij de Preceptorij, +en was met zorg ingericht voor krijgshaftige en ridderlijke +oefeningen. Het besloeg de bovenste vlakte van een zacht hellenden +heuvel, was zorgvuldig met palissaden omgeven, en daar de Tempeliers +gaarne toeschouwers hadden om getuigen te zijn van hunne behendigheid +in het gebruik der wapens, had men er talrijke galerijen en banken +ten behoeve der menigte opgericht. + +Bij de tegenwoordige gelegenheid was er aan het oostelijke einde +een troon opgericht voor den Grootmeester, omringd met eereplaatsen +voor de Preceptoren en ridders van de Orde. Hierover fladderde de +heilige standaard, _le Beau-Séant_ genaamd, het vaandel en tegelijk +het veldgeschrei der Tempeliers. + +Aan het tegenovergestelde einde van het strijdperk was een brandstapel, +zoodanig rondom een paal, die diep in den grond zat, opgericht, dat er +plaats genoeg overbleef voor het slachtoffer, om in den noodlottigen +kring te treden, om met de boeien, welke gereed hingen, aan den paal +geklonken te worden. Naast dit toestel des doods stonden vier zwarte +slaven, wier kleur en Afrikaansche trekken, toen weinig in Engeland +bekend, de menigte verschrikten, die hen beschouwde als duivels, die +met hun helsch werk bezig waren. Deze mannen verroerden zich niet, +behalve nu en dan, op bevel van een mensch, die hun opperhoofd scheen, +om de gereed liggende brandstoffen te schikken en op te stapelen. Zij +zagen niet naar het volk; zij schenen zelfs zijne tegenwoordigheid +niet te bespeuren, en evenmin op iets anders te letten, dan op het +verrichten van hun eigen verschrikkelijk ambt. En wanneer zij in +gesprek met elkander hun dikke lippen openden en hun witte tanden +toonden, alsof zij grijnsden uit blijdschap over het verwachte +moordtooneel, kon het verschrikte volk nauwelijks nalaten te gelooven, +dat zij wezenlijk de booze geesten waren, met wie de tooverheks +gemeenschap had gehad, en welke thans, nu haar tijd om was, gereed +stonden om de vreeselijke straf aan haar te voltrekken. Men fluisterde +elkander toe, en deelde elkander al de daden mede, welke de Satan +in dat woeste en ongelukkige tijdvak verricht had, natuurlijk niet +nalatende den duivel meer op zijne rekening te zetten, dan hem toekwam. + +"Hebt gij niet gehoord, vader Dennet," zei een boer tegen een ander, +die reeds vrij gevorderd in jaren was, "dat de duivel den grooten +Saksischen Thane, Athelstane van Coningsburgh, gehaald heeft!" + +"Ja, maar hij heeft hem toch ook teruggebracht, dank zij God en den +heiligen Dunstan!" + +"Wat is dat?" zei een jong, vroolijk gezel, gekleed in een groen +wambuis, met goud geborduurd, en gevolgd door een grooten jongen, +die een harp op den rug droeg, en dus zijn beroep te kennen gaf. De +minnezanger scheen van geen lagen stand te zijn; want zonder nog op +den glans van zijn rijk geborduurd kleed te letten, droeg hij om den +hals een zilveren keten, waaraan de stemsleutel zijner harp hing. Op +zijn rechterarm blonk een zilveren plaat, waarop, in plaats van, +zooals gewoonlijk, het wapen van den edele, tot wiens huisgezin hij +behoorde, slechts het woord _Sherwood_ gegrift was.--"Wat wilt gij +daarmede zeggen?" vroeg de vroolijke minnezanger, zich in het gesprek +der boeren mengende: "Ik ben hier gekomen, om één onderwerp voor een +lied te zoeken, en bij onze Heilige Maagd, ik zou dubbel verheugd +zijn er twee te vinden!" + +"Het is volkomen bewezen," zei de oudste boer, "dat Athelstane van +Coningsburgh, na vier weken dood geweest te zijn--" + +"Dat is onmogelijk," hernam de minnezanger; "ik heb hem levend gezien +bij het toernooi van Ashby-de-la-Zouche." + +"En toch was hij dood, of ten minste begraven," hervatte de jongere +boer; "want ik heb de monniken van St. Edmunds klooster den lijkzang +over hem hooren zingen; en buitendien was er een prachtig lijkmaal +en rouwfeest te Coningsburgh, zooals het behoorde; en ik zou er heen +gegaan zijn zonder Mabel Parkin, die--" + +"Maar uw verhaal, vrienden, uw verhaal!" viel hem de minnezanger een +weinig ongeduldig in de rede. + +"Ja, ja, de geschiedenis maar," zei een dikke monnik, die naast +hen stond, op een stok leunende, die het midden hield tusschen een +pelgrimsstaf en een strijdknots, en waarschijnlijk voor beide diende, +naar dat de gelegenheid eischte,--"uw geschiedenis," zei de kloeke +geestelijke, "laat den dag er niet over verloopen;--wij hebben niet +veel tijd te verliezen." + +"Als het uw eerwaarde behaagt," zei Dennet, "een dronken priester +kwam den Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken.--" + +"Het behaagt mijn eerwaarde niet," antwoordde de geestelijke, "dat er +zulk een dier als een dronken priester zijn zou; of, als er een is, +dat een leek hem zoo noeme! Wees beleefd, vriend, en verbeeld u den +heiligen man alleen in gepeins verzonken, wat het hoofd duizelig +en den voet onzeker maakt, even alsof het lichaam met nieuwen wijn +gevuld ware.--Ik heb het zelf ondervonden!" + +"Goed dan," hervatte vader Dennet; "een heilige broeder dan kwam den +Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken; de bezoeker was een +soort van verloopen priester, die de helft van het wild, dat in het +woud gestolen wordt, velt, die den klank van een beker liever hoort, +dan dien van de misklok, en een stuk ham boven tien gebedenboeken de +voorkeur geeft; voor het overige een goede, vroolijke vent, die een +strijdknots zwaait, een boog spant, en het in de danszaal volhoudt +tegen den beste in Yorkshire." + +"Dit laatste gedeelte van uwe rede, Dennet," zei de minnezanger, +"heeft u een paar ribben gered!" + +"Stil maar; ik vrees hem niet!" hervatte Dennet; "ik ben wat oud en +stijf, maar toen ik bij Doncaster in het worstelperk trad,--" + +"Maar het verhaal,--het verhaal, vriend!" riep weder de minnezanger. + +"Wel, het verhaal komt hierop neder: Athelstane van Coningsburgh werd +in St. Edmunds klooster begraven,"-- + +"Dat is een grove leugen," zei de monnik; "want ik heb hem naar zijn +eigen kasteel van Coningsburgh zien dragen." + +"Nu, verhaal dan de geschiedenis zelf," zei Dennet, zich knorrig +over dit herhaalde tegenspreken afwendende; en het was met eenige +moeite, dat de boer overgehaald werd, op verzoek van zijn makker en +den minnezanger, om zijn verhaal te hervatten.--"Deze twee _matige_ +broeders dan," zei hij eindelijk, "dewijl deze eerwaarde man volstrekt +hebben wil dat zij dit waren, hadden goeden wijn en goed bier, en +ik weet niet wat al meer, gedurende het grootste gedeelte van een +zomerschen dag gedronken, toen zij opgewekt werden door een zwaar +gezucht en het gerammel van ketens en de gedaante van den overledenen +Athelstane trad in het vertrek, zeggende: "Gij onwaardige herders!" + +"Dat is gelogen," riep de monnik driftig, "hij sprak geen enkel woord!" + +"Ha, ha! broeder Tuck," zei de minnezanger, den monnik ter zijde +nemende; "wij hebben een nieuwen haas opgejaagd, zooals ik zie!" + +"Ik zeg u, Allan-a-Dale," hervatte de heremiet, "ik heb Athelstane +van Coningsburgh even goed gezien, als ooit vleeschelijke oogen een +levend mensch gezien hebben. Hij had het grafkleed aan, en bracht +een graflucht mede.--Een vat wijn zal het mij niet uit het geheugen +spoelen." + +"Bah!" antwoordde de minnezanger, "gij schertst!" + +"Geloof mij nooit weder," hervatte de monnik, "zoo ik hem niet een +slag met mijn knots gegeven heb, die een os zou ter neêr geveld hebben, +en die door zijn lichaam heen ging, evenals door een rookwolk." + +"Bij St. Hubertus!" zei de minnezanger, "het is een wonderbaar +verhaal, en geschikt om op rijm gebracht te worden naar de oude wijs: +"de Smart kwam bij den ouden monnik!"" + +"Lach maar, als gij lust hebt," hervatte broeder Tuck; "maar als gij +mij op het zingen van zulk een liedje betrapt, dan moge de eerste de +beste geest of duivel mij hals over kop met zich meênemen.--Neen, +neen, ik vatte aanstonds het voornemen op, om bij het een of ander +goed werk tegenwoordig te zijn, zooals het verbranden van eene heks, +een Godsgericht, of een soortgelijke Gode welgevallige verrichting!" + +Terwijl zij aldus spraken, brak de zware klok der kerk van St. Michiel +van Templestowe, een eerwaardig gebouw, te midden van een gehucht op +eenigen afstand van de Preceptorij, hun gesprek af. De sombere tonen +volgden elkander zoo snel op, dat iedere klank slechts genoegzamen +tijd had om in een verafgelegen echo weg te sterven, eer de ijzeren +klepel zich dadelijk weder hooren liet. Dit geluid, dat de naderende +plechtigheid aankondigde, vervulde het hart der aanschouwers met +schrik, terwijl hun oogen zich naar de Preceptorij wendden, om +de aankomst van den Grootmeester, van den kampvechter en van de +aangeklaagde te zien. + +Eindelijk viel de ophaalbrug, de poorten werden geopend en een ridder +die den grooten standaard der Orde droeg, reed uit het kasteel, +voorafgegaan door zes trompetters en gevolgd door de ridders en +Preceptoren, twee aan twee; de Grootmeester kwam het laatst, op een +vurig paard, welks tuig van de eenvoudigste soort was. Achter hem kwam +Brian De Bois-Guilbert, van top tot teen in glinsterende wapenrusting; +maar zonder lans, schild of zwaard, welke twee schildknapen hem +nadroegen. Ofschoon zijn gelaat gedeeltelijk verborgen was door een +langen vederbos, welke van zijn baret nederhing, zag men er toch eene +sterke en gemengde uitdrukking van hartstochtelijkheid op, waarin +hoogmoed met besluiteloosheid scheen te strijden. Hij was doodsbleek, +alsof hij in verscheidene nachten niet geslapen had; evenwel bestierde +hij zijn moedig strijdros met al de bevalligheid en gemakkelijkheid, +aan den besten ridder van de Tempelorde eigen. Zijn voorkomen was +bij den eersten oogopslag trotsch en ontzagverwekkend; maar wanneer +men hem met oplettendheid beschouwde, was er iets in zijne sombere +trekken, dat het oog van zijn gelaat deed afwenden. + +Aan weerskanten van den kampvechter reden Conrad De Mont-Fitchet +en Albert De Malvoisin, als zijne beste vrienden. Zij hadden hunne +vredeskleederen aan, het witte gewaad der Orde. Achter hen volgden +andere ridders van den Tempel, met een langen stoet schildknapen +en pages, in het zwart gekleed, die naar de eer streefden om eens +ridders der Orde te worden. Na deze nieuwelingen kwam eene wacht +van voetknechten, in dezelfde zwarte kleeding, in wier midden men +de ranke gedaante der aangeklaagde ontwaarde, die met langzame maar +onverschrokken schreden het tooneel, waar haar lot beslist zou worden, +betrad. Zij was van al haar sieraden beroofd, uit vrees dat er een +of ander dier amuletten onder mocht zijn, welke men veronderstelde, +dat de Satan aan zijne slachtoffers schonk, om hen te beletten iets +te bekennen, zelfs wanneer zij op de pijnbank lagen. Een grof, wit +gewaad, van het eenvoudigste maaksel, had haar Oostersche kleeding +vervangen; maar in haar blikken schitterde zulk een uitstekende +vereeniging van moed en onderwerping, dat zij zelfs in deze kleeding, +en zonder eenigen anderen tooi dan haar lange, zwarte lokken, tranen +lokte uit ieder oog, dat haar aanschouwde; en zelfs de verhardste en +bijgeloovigste mensch betreurde het lot van een zoo schoon schepsel, +dat een werktuig der zonde en eene slavin van den Satan geworden was. + +Een menigte personen van minderen rang, die tot de Preceptorij +behoorden, volgden het slachtoffer, allen gingen in de grootste orde, +met gekruiste armen en neergeslagene blikken. + +Deze optocht besteeg langzaam den kleinen heuvel, op welks top de +toernooiplaats lag, trad in het strijdperk, trok het eenmaal van de +rechter naar de linker zijde rond, en maakte halt, zoodra dit gebeurd +was. Hierop ontstond er een kort gedruisch, daar de Grootmeester +en allen, die hem vergezelden, behalve den kampioen en zijne twee +vrienden, van de paarden stegen, welke de schildknapen, die gereed +stonden, dadelijk buiten het strijdperk brachten. + +De ongelukkige Rebekka werd naar den zwarten stoel, welke bij den +brandstapel stond, geleid. Bij de eersten blik op de verschrikkelijke +plek, waar men toebereidselen tot een dood maakte, even vreeselijk +voor het gemoed als pijnlijk voor het lichaam, bespeurde men, dat +zij sidderde en de oogen sloot, zonder twijfel zacht biddende, want +hare lippen bewogen zich, ofschoon men geen woord hoorde. Na verloop +van eene minuut opende zij de oogen, zag strak naar den brandstapel, +alsof ze zich met dit voorwerp wilde gemeenzaam maken, en toen wendde +ze het hoofd langzaam en ongedwongen af. + +Intusschen had de Grootmeester zijne zitplaats ingenomen, en toen +de ridders der Orde, weder volgens hun rang, rondom en achter hem +geschaard waren, kondigde een luid en lang trompetgeschal aan, dat de +rechters zitting genomen hadden. Daarop trad Malvoisin voorwaarts, +en legde den handschoen der Jodin, als het pand van den strijd, +voor de voeten van den Grootmeester. + +"Dappere gebieder en eerwaarde vader," zei hij, "hier staat de ridder, +Brian De Bois-Guilbert, Preceptor van de Orde des Tempels, die door +het opnemen van het strijdpand, hetwelk ik thans voor uwe voeten +leg, zich verbonden heeft, om heden in het gevecht zijn plicht te +doen, en te bewijzen, dat dit Joodsche meisje, Rebekka genaamd, te +recht het vonnis verdiend heeft, dat door een Kapittel van deze zeer +heilige Orde van den Tempel van Sion tegen haar is uitgesproken, en +waardoor ze veroordeeld is als tooveres te sterven;--hier, zeg ik, +staat hij, om ridderlijk en eervol voor dat oordeel te strijden, +zoo dit uw edele en heilige wil zij!" + +"Heeft hij den eed gedaan, dat zijne zaak billijk en eerlijk is?" zei +de Grootmeester. "Breng het crucifix en het _Te igitur_." + +"Heer, en zeer eerwaarde vader," antwoordde Malvoisin dadelijk, +"onze broeder heeft de waarheid zijner beschuldiging reeds bezworen +in handen van den Ridder Conrad De Mont-Fitchet; en op eene andere +wijze mag hij niet zweren, daar zijne tegenpartij, een ongeloovige +is en niet tot den eed kan worden toegelaten." + +Deze verklaring was tot Alberts groote vreugde voldoende; want de +listige ridder had de groote moeielijkheid, of liever de onmogelijkheid +voorzien, om Brian De Bois-Guilbert over te halen dezen eed voor de +vergadering te doen, en hij had deze uitvlucht bedacht, om hem de +noodzakelijkheid daarvan te besparen. + +Nadat de Grootmeester de verontschuldiging van Albert de Malvoisin +aangenomen had, beval hij den heraut voorwaarts te treden en zijn +ambt te verrichten. De trompetten lieten zich weder hooren, de +heraut kwam te voorschijn en riep met luider stem: "Hoort, hoort, +hoort!--Hier staat de dappere ridder, Brian De Bois-Guilbert, gereed +om te strijden tegen iederen vrijgeboren ridder, die de zaak van de +Jodin Rebekka wil verdedigen, aan wie het vergund is door middel +van een kampvechter te strijden, daar ze in eigen persoon niet in +het strijdperk verschijnen kan; en aan dezen kampvechter vergunt de +eerwaarde en dappere Grootmeester hier tegenwoordig, een vrij veld, +en gelijk voordeel van zon en wind, en al wat er verder tot een +eerlijken strijd behoort!" De trompetten lieten zich nog eens hooren +en er heerschte gedurende eenige minuten doodsche stilte. + +"Er verschijnt geen kampioen voor de aangeklaagde," zei de +Grootmeester. "Ga, heraut, en vraag haar, of zij iemand verwacht, +om de wapens voor haar in deze zaak op te nemen." De heraut ging naar +den stoel, waarop Rebekka zat, en Bois-Guilbert plotseling zijn paard +naar dat einde van het strijdperk wendende, was, in weerwil van de +wenken van Malvoisin en Mont-Fitchet, even schielijk als de heraut +naast Rebekka's stoel. + +"Is dit in den regel en naar de wet van den strijd?" vroeg Malvoisin, +den Grootmeester aanziende. + +"Dat is het, Albert de Malvoisin," antwoordde Beaumanoir; "want in +het beroep op een Godsgericht mogen wij de partijen niet beletten +die gemeenschap met elkander te hebben, welke het best dienen kan, +om de waarheid aan het licht te brengen." + +Intusschen sprak de heraut tot Rebekka in deze woorden: "Meisje, +de geëerde en hoogeerwaarde Heer Grootmeester vraagt, of gij een +kampvechter hebt, om op dezen dag voor u te strijden, dan of gij het +tegen u uitgesproken vonnis voor rechtvaardig erkent?" + +"Zeg aan den Grootmeester," hernam Rebekka, "dat ik mijn onschuld +staande houd, en mij niet als rechtvaardig veroordeeld erken, +omdat ik niet schuldig mag worden aan mijn eigen dood. Zeg hem, +dat ik zulk uitstel vorder, als zijne wetten toelaten, om te zien, +of God, die dikwijls in den uitersten nood uitkomst schenkt, mij een +verlosser zenden zal; en als die tijd verloopen is, dan geschiede +Zijn heilige wil!" + +De heraut verwijderde zich, om dit antwoord aan den Grootmeester over +te brengen. + +"God verhoede!" zei Lucas Beaumanoir, "dat Jood of Heiden ons van +onrechtvaardigheid zou beschuldigen.--Tot de schaduwen inplaats van +westwaarts, oostwaarts vallen, willen wij wachten om te zien, of een +kampvechter voor die ongelukkige verschijnt!" + +De heraut deelde het besluit des Grootmeesters aan Rebekka mede, die +het hoofd onderdanig boog, de armen kruiste, en naar den hemel ziende, +die hulp van boven scheen te verwachten, welke zij zich van de menschen +nauwelijks meer beloven durfde. Gedurende deze ijselijke stilte, trof +de stem van Bois-Guilbert haar oor;--het was slechts een gefluister, +en toch verschrikte het haar meer, dan de opeisching van den heraut. + +"Rebekka," zei de Tempelier, "hoort gij mij?" + +"Ik heb niets met u te doen, wreed, hardvochtig man!" antwoordde het +ongelukkig meisje. + +"Maar verstaat gij mijn woorden wel?" vroeg de Tempelier; "want de +klank mijner stem is verschrikkelijk in mijn eigene ooren. Ik weet te +nauwernood op wat grond wij staan, of waarom men ons hierheen gebracht +heeft.--Dit strijdperk,--deze stoel,--deze takkenbossen,--ik weet de +beteekenis van dit alles, en echter komt het mij als iets onwezenlijks +voor, als een verschrikkelijke nachtelijke verschijning, welke mijn +geest met afgrijselijke beelden vervult, zonder mijn verstand te +overtuigen." + +"Mijn verstand en mijn zinnen erkennen den wezenlijken tijd en de +plaats," antwoordde Rebekka, "en zeggen mij duidelijk, dat deze +takkenbossen bestemd zijn om mijn lichaam te verteren, en mij een +smartelijken, maar korten weg naar een betere wereld te openen." + +"Droomen, Rebekka, droomen!" hernam de Tempelier. "IJdele +verbeeldingen, welke de wijsheid van uwe eigene Sadduceërs verworpen +heeft. Hoor mij, Rebekka," vervolgde hij met vuur; "gij hebt eene +betere kans op leven en vrijheid, dan gindsche schurken en die +domkop zich verbeelden. Stijg achter op mijn paard,--op Zamor, het +dappere ros, dat zijn ruiter nooit teleurstelde. Ik heb het in een +tweegevecht met den Sultan van Trebizonde gewonnen.--Stijg achter mij +op, zeg ik; in een klein uur zijn wij aan alle vervolging en nasporing +ontkomen:--een nieuwe wereld van genot opent zich voor u,--en voor +mij een nieuwe loopbaan van roem. Laat hen het vonnis uitspreken, +dat ik veracht, en den naam van Bois-Guilbert van de lijst hunner +kloosterslaven uitschrappen! Ik zal iedere vlek, waarmede zij mijn +wapen bespatten, met bloed afwasschen!" + +"Verzoeker!" hervatte Rebekka, "Wijk van mij!--Zelfs in dezen uitersten +nood kunt gij mij geen haarbreed doen wijken.--Door vijanden omringd, +zooals ik nu ben, houd ik u voor den ergsten en doodelijksten van +allen; wijk van mij in den naam van God!" + +Albert Malvoisin, die ongeduldig en onrustig werd over de langdurigheid +van haar gesprek, naderde thans om het af te breken. + +"Heeft het meisje hare schuld bekend?" vroeg hij Bois-Guilbert; +"of blijft ze bij haar ontkenning volharden?" + +"Zij _volhardt_ inderdaad!" antwoordde Bois-Guilbert. + +"Dan moet gij uwe plaats weder innemen om den uitslag af te wachten, +edele broeder," zei Malvoisin;--"de schaduw rukt verder op den +zonnewijzer;--kom, dappere Bois-Guilbert,--kom, gij steun van onze +heilige Orde, gij die weldra ons opperhoofd zult zijn!" Terwijl hij +dit op vleienden toon zeide, legde hij de hand op den teugel van den +ridder, alsof hij hem naar zijne plaats terug leiden wilde. + +"Valsche schurk! wat beteekent die hand op mijn teugel?" riep +Bois-Guilbert op toornigen toon. En, de hand van zijn makker +terugstootende, reed hij naar het bovenste einde van het strijdperk +terug. + +"Er zit nog moed in hem," zei Malvoisin ter zijde tegen Mont-Fitchet, +"zoo het maar goed geleid wordt;--maar, evenals het Grieksche vuur, +verbrandt het alles, wat in de nabijheid komt." + +De rechters hadden nu twee uren in het strijdperk getoefd, te vergeefs +op de aankomst van een kampvechter wachtende. + +"Ik begrijp de reden zeer goed," zei broeder Tuck; "het is, omdat ze +eene Jodin is,--en evenwel, bij mijn orde, het is hard, dat een zoo +jong en bekoorlijk schepsel sterven moet, zonder dat er één slag tot +hare verdediging gedaan wordt. Al ware ze tienmaal eene heks, als +ze maar een droppeltje Christenbloed in de aderen had, dan zou mijn +knots op den stalen helm van gindschen trotschen Tempelier dansen, +eer hij er zoo gemakkelijk afkwam!" + +Het was echter het algemeen geloof, dat niemand voor eene Jodin +die van tooverij beschuldigd werd, kon of wilde verschijnen, en de +ridders, aangezet door Malvoisin, fluisterden elkander toe, dat het +tijd werd Rebekka's pand voor verbeurd te verklaren. Op dit oogenblik +verscheen er een ridder, die zijn paard tot haast aanspoorde, op de +vlakte, die tot het strijdperk leidde. Honderd stemmen riepen: "Een +kampvechter! een kampvechter!" en in weerwil van de vooringenomenheid +en vooroordeelen van de menigte, juichten allen luid, toen de ridder +op de toernooiplaats reed. De tweede blik echter diende om de hoop, +die zijne aankomst, zoo juist op het rechte tijdstip, verwekt had, +te vernietigen. Zijn paard, dat verscheidene mijlen met den uitersten +spoed geloopen had, scheen van vermoeidheid te struikelen, en de +ruiter, hoe onverschrokken hij zich in het strijdperk vertoonde, +scheen door zwakheid, of vermoeienis, of door beide, nauwelijks in +staat, om zich in den zadel te houden. + +Op de opeisching van den heraut, die naar zijn rang, zijn naam en +zijn voornemen vroeg, antwoordde de vreemde ridder vlug weg en stout: +"Ik ben een goed en edelgeboren ridder; en kom hier, om met lans +en zwaard de rechtvaardige en goede zaak van dit meisje, Rebekka, +de dochter van Izaäk van York, staande te houden; om het tegen +haar uitgesproken vonnis voor onrechtvaardig en waarheidschendend +te verklaren, en om den ridder Brian De Bois-Guilbert uit te dagen +als een verrader, moordenaar en leugenaar; wat ik in dit veld met +mijn lichaam tegen het zijne staande wil houden, met behulp van God, +onze Heilige Maagd, en van St. George, den heiligen ridder!" + +"De vreemdeling moet eerst bewijzen," zei Malvoisin, "dat hij een edele +ridder en van eervolle afkomst is. De Tempel zendt zijne kampioenen +niet tegen naamlooze mannen af." + +"Mijn naam," antwoordde de ridder, zijn helm afnemende, "is bekender +en mijn stam edeler dan de uwe, Malvoisin. Ik ben Wilfrid van Ivanhoe." + +"Ik wil niet met u vechten," zei de Tempelier, met een veranderde, +holle stem. "Laat uwe wonden heelen, verschaf u een beter paard, en +dan zal ik het misschien niet beneden mij keuren om uwe kinderachtige +snoeverij te tuchtigen!" + +"Ha! trotsche Tempelier," hervatte Ivanhoe, "hebt gij vergeten, dat +gij tweemaal voor deze lans bezweken zijt? Denk aan het strijdperk +van Accre,--denk aan het toernooi van Ashby,--denk aan uw trotsche +snoeverij in de zalen van Rotherwood, en aan het pand van uw gouden +keten tegen mijn reliquie, dat gij met Wilfrid van Ivanhoe strijden +en uw verloren eer herwinnen wildet! Bij dit kistje en de heilige +reliquie, die het bevat, zal ik u, Tempelier, aan ieder hof van Europa, +in iedere Preceptorij van uw Orde, voor een lafaard verklaren, zoo +gij niet zonder verder uitstel met mij strijdt!" + +Bois-Guilbert wendde zijn hoofd besluiteloos naar Rebekka, en riep +toen, met een woesten blik op Ivanhoe: "Hond van een Sakser, neem uw +lans, en wees voorbereid op den dood, welken gij u berokkend hebt!" + +"Vergunt de Grootmeester mij het gevecht?" vroeg Ivanhoe. + +"Ik mag niet weigeren, wat gij gevorderd hebt," antwoordde de +Grootmeester, "mits het meisje u tot haar kampvechter aanneemt. Echter +wenschte ik, dat gij u in een beteren toestand bevondt om te kunnen +vechten. Gij zijt altijd een vijand van onze Orde geweest; maar ik +wilde toch gaarne, dat gij eervol streedt." + +"Zoo als ik ben, en niet anders," hernam Ivanhoe; "het is een +Godsgericht;--in Zijn hoede beveel ik mij aan!--Rebekka," zei hij, +naar den noodlottigen stoel rijdende, "neemt gij mij tot uw kampvechter +aan?" + +"Dat doe ik, dat doe ik!" antwoordde zij, met eene aandoening, welke +zelfs de vrees voor den dood niet bij haar had kunnen opwekken; +"ik neem u als den kampvechter aan, welken de hemel mij gezonden +heeft. Maar neen, neen,--uwe wonden zijn nog niet genezen!--Vecht +niet met dezen woesten man,--waarom zoudt gij op deze wijze omkomen?" + +Maar Ivanhoe was reeds op zijn post, en had zijn vizier gesloten +en zijn lans opgenomen. Bois-Guilbert deed hetzelfde, en zijn +schildknaap bemerkte, toen hij zijn vizier sloot, dat zijn gelaat, +dat niettegenstaande de verschillende aandoeningen, door welke hij +geschokt werd, den geheelen morgen doodsbleek geweest was, nu eensklaps +vuurrood geworden was. + +De heraut, beide kampvechters op hun plaats ziende, verhief zijn stem +en herhaalde drie malen; "_Faites vos devoirs, preux chevaliers!_" +Na den derden uitroep begaf hij zich naar de andere zijde van het +strijdperk en maakte opnieuw bekend, dat niemand, op straf van een +oogenblikkelijken dood, door woorden, geschreeuw of daden dezen edelen +strijd mocht verhinderen of storen. De Grootmeester, die het pand voor +den strijd, Rebekka's handschoen, in de hand hield, wierp dien thans in +het strijdperk, en sprak de noodlottige woorden uit: "_Laissez aller!_" + +De trompetten klonken en de ridders renden in volle vaart tegen +elkander. Het vermoeide paard van Ivanhoe en zijn niet minder afgematte +ruiter vielen, zooals allen verwacht hadden, voor de welgerichte +lans en het sterke paard van den Tempelier ter neêr. Dezen uitslag +van het gevecht hadden allen voorzien; maar ofschoon Ivanhoe's speer +als het ware maar even het schild van Bois-Guilbert aangeraakt had, +wankelde deze, tot verbazing van alle aanschouwers, in den zadel, +verloor de stijgbeugels, en rolde in het strijdperk. + +Ivanhoe, zich van zijn gevallen paard losmakende, sprong ijlings +op, om zijn geleden nadeel door het zwaard weder te vergoeden; maar +zijn vijand bleef liggen. Wilfrid zette zijn voet op zijn keel, hem +bevelende zich over te geven, zoo hij niet dadelijk des doods wilde +zijn. Bois-Guilbert gaf geen antwoord. + +"Dood hem niet, heer ridder!" riep de Grootmeester; "dood hem niet, +zonder biecht en aflaat;--dood niet lichaam en ziel tegelijk. Wij +erkennen hem voor overwonnen!" + +Hij trad in het strijdperk, en beval dat men den overwonnen kampioen +den helm afnemen zou. Diens oogen waren gesloten;--de donkerroode +gloed lag nog op zijn gelaat. Toen men verbaasd op hem zag, openden +zich zijn oogen;--maar ze waren verglaasd en zonder uitdrukking. Het +rood verdween van zijn aangezicht en maakte plaats voor een doodsche +bleekheid. Ongekwetst door de lans van zijn vijand, was hij gevallen +als een slachtoffer van het geweld zijner eigene woeste driften. + +"Dit is inderdaad een Godsgericht!" zei de Grootmeester, naar boven +ziende:--"_Fiat voluntas tua!_" + + + + + +VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Zoo loopt het ten einde, gelijk een oud' wijven sprookje. + + Webster. + + +Toen de eerste oogenblikken van verbazing voorbij waren, vroeg Wilfrid +van Ivanhoe aan den Grootmeester, als kamprechter, of hij zijn plicht +in het gevecht manhaftig en eerlijk gedaan had? + +"Manhaftig en eerlijk," antwoordde de Grootmeester; "ik verklaar +het meisje voor vrij en onschuldig!--De wapens en het lijk van den +overleden ridder zijn ter beschikking des overwinnaars." + +"Ik wil hem van zijne wapens niet berooven," hernam de ridder van +Ivanhoe; "en zijn lichaam niet aan de schande prijs geven;--hij +heeft vroeger voor de Christenheid gestreden;--Gods arm, en geene +menschenhand heeft hem heden ter neêr geveld. Maar laat zijne +begrafenis stil zijn, gelijk het betaamt voor iemand, die in eene +onrechtvaardige zaak gesneuveld is.--En wat het meisje betreft,--" + +Hier werd hij verhinderd voort te gaan door het getrappel van paarden, +welke in zulk een groot aantal en zoo schielijk aankwamen, dat de +grond er onder dreunde; en de Zwarte Ridder joeg in het strijdperk, +gevolgd door een talrijke bende gewapenden en verscheidene ridders, +in volle wapenrusting. + +"Ik kom te laat!" zei hij, rondziende. "Ik had Bois-Guilbert voor +mijn eigen deel uitverkoren--Ivanhoe, was het goed gedaan, dat gij +zulk een waagstuk op u naamt, daar gij nog nauwelijks in staat waart +in den zadel te blijven?" + +"De hemel," antwoordde Ivanhoe, "heeft dezen trotschen man tot zijn +slachtoffer verkozen, mijn Vorst. Hem moest de eer niet wedervaren, +door uw hand te sterven." + +"Vrede zij met hem!" zei Richard ernstig op het lijk starende, "als +het zoo zijn kan:--hij was een dapper ridder, en is ridderlijk in zijn +stalen harnas gestorven. Maar wij moeten geen tijd verspillen.--Bohun, +verricht uw ambt!" + +Een ridder uit des Konings gevolg trad voor, en de hand op den schouder +van Albert de Malvoisin leggende zei hij: "Ik neem u in hechtenis, +wegens hoogverraad!" + +De Grootmeester had tot hiertoe verbaasd gestaan over de verschijning +van zoo vele krijgslieden. Thans sprak hij: "Wie durft een ridder van +den Tempel van Sion binnen den omtrek van zijn eigene Preceptorij en +in tegenwoordigheid van den Grootmeester, in hechtenis nemen? En op +wiens gezag geschiedt deze stoute beleediging?" + +"Ik neem hem in hechtenis," hernam de ridder;--"Ik, Henry Bohun, +Graaf van Essex, Groot-Connetable van Engeland." + +"En hij neemt Malvoisin in hechtenis," zei de Koning, zijn vizier +openende, "op bevel van Richard Plantagenet, hier tegenwoordig. Conrad +Mont-Fitchet, het is uw geluk, dat gij niet mijn onderdaan van +geboorte zijt.--Maar wat u betreft, Malvoisin, gij sterft met uw +broeder Philips, eer de wereld een week ouder wordt!" + +"Ik verzet mij tegen uw vonnis," zei de Grootmeester. + +"Trotsche Tempelier," hervatte de Koning, "dat kunt gij niet;--zie, +de koninklijke standaard van Engeland wappert boven uw torens in +plaats van de banier van uw Tempel!--Wees verstandig, Beaumanoir, +en bied geen nutteloozen tegenstand.--Uwe hand is in den leeuwenmuil!" + +"Ik zal te Rome tegen u appelleeren," zei de Grootmeester, "wegens +inbreuk op de rechten en vrijheden van onze Orde." + +"Het zij zoo!" hernam de Koning; "maar om uw eigen wil, beschuldig +mij thans niet van overweldiging.--Ontbind uw Kapittel, en vertrek +met uw aanhangers naar de naaste Preceptorij, welke geen tooneel van +verraderlijke samenzwering tegen den Koning van Engeland geworden is, +indien gij een dusdanige vinden kunt.--Of, zoo gij wilt, blijf dan, om +in onze gastvrijheid te deelen, en onze gerechtigheid te aanschouwen." + +"Ik een gast in het huis, waar ik bevelen moest?" zei de +Tempelier. "Nooit!--Kapelanen, heft den Psalm aan: _Quare fremuerunt +gentes?_--Ridders, knapen en dienaren van den heiligen Tempel, +bereidt u om de banier van _Beau-Séant_ te volgen!" + +De Grootmeester sprak met eene waardigheid, welke zelfs die van +Engelands Koning evenaarde, en zijn verrasten en verschrikten +aanhangers moed inboezemde. Zij verzamelden zich rondom hem, gelijk +de schapen rondom den herdershond, als zij het gehuil van den +wolf hooren. Maar zij vertoonden de vreesachtigheid van de wollige +kudde niet;--hun sombere blikken en houding gaven eene vijandige +gezindheid en bedreigingen te kennen, welke zij niet in woorden durfden +uitdrukken. Zij trokken bijeen, één donkere reeks van speren vormende, +waarin de witte mantels der ridders uitblonken tusschen de sombere +kleeding van hun dienaars, gelijk de lichte randen van een zwarte +wolk. De menigte, welke luide kreten van haat had doen hooren, zweeg +en zag in stilte op de geduchte en ervarene bende, welke zij op een +zoo onbedachtzame wijze getergd had, en week vreesachtig terug. + +De Graaf van Essex gaf, toen hij de Tempeliers dus verzameld zag, +zijn paard de sporen, en rende heen en weêr om zijn lieden tegen +een zoo geduchte bende in slagorde te scharen. Richard alleen, +alsof hij het gevaar beminde, hetwelk zijne verschijning uitgelokt +had, reed langzaam voorbij het front der Tempeliers, luid roepende: +"Hoe, mijn heeren! is er onder zoo vele dappere ridders geen één, +die een lans met Richard durft breken?--Heeren van den Tempel! uw +dames moeten erg door de zon verbrand zijn, als zij de splinters van +een gebroken lans niet waard zijn!" + +"De broeders van den Tempel," zei de Grootmeester, uit de rij +voorwaarts rijdende, "vechten niet in zulk eene ijdele, onheilige +zaak,--en geen Tempelier zal in mijne tegenwoordigheid een lans tegen +u opheffen, Richard van Engeland. De paus en de Vorsten van Europa +zullen onzen strijd beslissen en beoordeelen, of een Christen-Vorst wel +doet eene zoodanige zaak voor te staan, als gij heden gedaan hebt. Zoo +men ons ongemoeid laat vertrekken, zullen wij niemand aanvallen. Aan +uwe eer vertrouwen wij de wapens en het huisraad van de Orde, welke +wij achterlaten, en uw geweten verantwoorde de ergernis en den hoon, +welke gij heden het Christendom hebt aangedaan!" + +Na dit gezegd te hebben en zonder een antwoord af te wachten, gaf +de Grootmeester het teeken tot het vertrek. De trompetten lieten +een wilden marsch, in Oosterschen trant hooren, welke gewoonlijk het +teeken tot den aanval voor de Tempeliers was. Zij veranderden hunne +slagorde in een marsch-kolom, en reden weg, zoo langzaam als hunne +paarden stappen konden, alsof zij toonen wilden, dat het slechts de +wil van hun Grootmeester was en geene vrees voor de tegenover hen +staande macht, die hen dwong om af te trekken. + +"Bij het schitterend gelaat van onze Lieve Vrouw," zei Koning Richard, +"het is jammer dat deze Tempeliers niet even goed te vertrouwen, +als zij goed gedisciplineerd en dapper zijn!" + +De menigte, die, gelijk een vreesachtige hond met blaffen wacht, +tot het gevreesde voorwerp hem den rug gekeerd heeft, verhief een +flauw vreugdegeschreeuw, toen de achterhoede de plaats verliet. + +Gedurende het gedruisch, dat den terugtocht der Tempeliers vergezelde, +zag en hoorde Rebekka niets;--zij lag in de armen van haar ouden +vader, verward en bijna bewusteloos door den plotselingen ommekeer +van haar lot. Maar één woord van Izaäk riep eindelijk haar verwarde +zinnen terug. + +"Laat ons gaan, mijne dierbare dochter," zei hij; "mijn herwonnen +schat,--laat ons gaan, om ons aan de voeten van den goeden jongeling +te werpen!" + +"Dat niet," antwoordde Rebekka, "o neen,--neen,--neen!--Ik durf op dit +oogenblik niet met hem spreken.--Helaas! ik zou meer zeggen dan--neen, +vader, laten wij dadelijk deze ongelukkige plaats verlaten!" + +"Maar, mijne dochter," zei Izaäk, "hem zóó te verlaten, die als een +sterk man met speer en schild is opgetrokken, zijn leven voor niets +achtende, zoo hij u maar uit de gevangenschap redde; en u, de dochter +van een volk, dat vreemd voor hem en de zijnen is!--Dit is een dienst, +die dankbaar moet erkend worden!" + +"Hij wordt zeer dankbaar,--zeer ootmoedig erkend,--en zal nog meer +erkend worden;--maar thans niet;--ter liefde van uwe beminde Rachel, +vader,--willig mijn verzoek in,--thans niet!" + +"Ja maar," zei Izaäk dringende,--"men zal ons voor ondankbaarder +houden dan de stomme dieren." + +"Maar gij ziet, lieve vader, dat Koning Richard tegenwoordig is, +en dat--" + +"Het is waar, mijne beste,--mijne verstandige Rebekka! laat ons van +hier gaan;--laat ons van hier gaan!--Hij zal geld noodig hebben, +want hij is pas uit Palestina teruggekeerd, en, gelijk men zegt, +uit de gevangenis;--en zoo hij eenig voorwendsel noodig heeft het te +vorderen, dan kan hij zulks vinden in mijn verkeer met zijn broeder +Jan. Kom, kom, laat ons gaan!" + +Nu dreef hij zijne dochter op zijne beurt tot spoed aan, geleidde haar +uit het strijdperk en bracht haar met een wagen, dien hij gereed had, +veilig naar het huis van den Rabbijn Nathan. + +De Jodin, wier lot aller belangstelling op dien dag opgewekt had, zou +niet aldus onopgemerkt hebben kunnen vertrekken, zoo niet de aandacht +van het volk op den Zwarten Ridder gevestigd geweest ware. Men verhief +thans luide kreten van: "Lang leve Richard Leeuwenhart! Weg met de +overweldigers! Weg met de Tempeliers!" + +"In weerwil van deze schijnbare getrouwheid," zei Ivanhoe tot den Graaf +van Essex, "was het een geluk, dat de Koning de voorzorg gebruikte u +mede te brengen, edele Graaf, en zoo vele van uw getrouwe aanhangers!" + +De graaf antwoordde met een glimlach, het hoofd schuddende: "Dappere +Ivanhoe, gij kent onzen heer zoo goed, en echter gelooft gij, dat hij +eene zoo wijze voorzorg zou nemen? Ik trok naar York, daar ik gehoord +had, dat Prins Jan aldaar eene partij verzamelde, toen ik Koning +Richard ontmoette, als een ware dolende ridder hierheen rijdende, +om het lot van den Tempelier en der Jodin met zijn arm alleen te +beslissen. Ik vergezelde hem bijna tegen zijn wil met mijne bende." + +"En welke tijdingen zijn er van York, dappere Graaf?" vroeg +Ivanhoe. "Zullen de rebellen ons daar tegenstand bieden?" + +"Niet meer dan de December-sneeuw aan de Juli-zon," antwoordde de +Graaf; "zij gaan uit elkander, en niemand anders kwam als koerier om +ons deze tijding te brengen, dan Prins Jan zelf!" + +"Die verrader! die ondankbare, onbeschaamde verrader!" riep +Ivanhoe. "Heeft Richard hem niet in de gevangenis laten werpen?" + +"O!" hernam de Graaf, "hij heeft hem ontvangen, alsof ze elkander +na eene jachtpartij ontmoet hadden; en op mij en onze gewapenden +wijzende, zei Richard: "Gij ziet, broeder, ik heb eenige vertoornde +mannen bij mij;--gij zult best doen naar onze moeder te gaan, haar +mijne onderdanige groeten over te brengen, en bij haar te blijven +tot de gemoederen bedaard zijn!"" + +"En dit was alles, wat hij zei?" hervatte Ivanhoe. "Zou men niet +zeggen, dat deze vorst juist door zijne goedertierenheid tot oproer +uitnoodigt?" + +"Evenals men zeggen kan," hernam de graaf, "dat hij den dood +uitnoodigt, die een strijd onderneemt met eene gevaarlijke wonde, +welke nog niet geheeld is." + +"Ik vergeef u de scherts, graaf," zei Ivanhoe; "bedenk echter, dat +ik slechts mijn eigen leven waagde;--maar Richard de welvaart van +zijn koninkrijk." + +"Zij, die geheel zorgeloos zijn omtrent hun eigen welzijn," hernam +de Graaf, "zijn zelden zeer bezorgd om dat van anderen.--Maar laten +wij ons naar het kasteel spoeden, want Richard is van zin, om eenigen +van de mindere deelgenooten der samenzwering te straffen, ofschoon +hij hun aanvoerder vergiffenis geschonken heeft." + +Uit het gerechtelijke onderzoek, dat bij deze gelegenheid volgde, +en hetwelk het Wardour Handschrift uitvoerig mededeelt, blijkt, +dat Maurice De Bracy over zee ontsnapte en in dienst van Philips van +Frankrijk ging; terwijl Philips De Malvoisin en zijn broeder Albert, +Preceptor van Templestowe, ter dood gebracht werden, ofschoon Waldemar +Fitzurse, de ziel der samenzwering, met verbanning vrij kwam, en +Prins Jan, om wiens wille alles ondernomen werd, zelfs geen verwijt +van zijn goedaardigen broeder ontving. Niemand betreurde evenwel +het lot der beide Malvoisins, daar ze slechts den dood ondergingen, +welken beiden door allerlei daden van trouweloosheid, wreedheid en +onderdrukking ruimschoots verdiend hadden. + +Kort na het tweegevecht, werd Cedric de Sakser aan het Hof van Richard +geroepen, die toen te York vertoefde, ten einde de graafschappen, +welke door zijns broeders eerzucht verontrust waren, weder te +bevredigen. Cedric schudde het hoofd, en zuchtte meer dan eens over +de boodschap;--maar hij weigerde niet te gehoorzamen. Inderdaad +had Richard's terugkomst alle hoop, die hij gekoesterd had om eene +Saksische dynastie in Engeland te herstellen den bodem ingeslagen; +want, welk voordeel ook de Saksers uit een burgeroorlog hadden kunnen +trekken, het was duidelijk, dat niets van belang geschieden kon +tegen het onbetwiste gezag van Richard, die wegens zijne persoonlijke +hoedanigheden en zijn krijgsroem bij het volk bemind was; ofschoon +zijne regeering willekeurig en zorgeloos was,--nu eens te toegevend +en dan weder te nauw aan willekeur grenzende. + +Maar buitendien kon het Cedric niet ontgaan, dat zijn ontwerp voor +een volkomene vereeniging der Saksers door het huwelijk van Rowena +en Athelstane, nu geheel te niet gegaan was door de tegenkanting der +beide daarin betrokken partijen. Dit was wezenlijk een voorval, hetwelk +hij, bij zijn ijver voor de zaak der Saksers niet had kunnen voorzien; +en zelfs toen beider ongenegenheid zich klaar en duidelijk geuit had, +kon hij nauwelijks gelooven, dat twee Saksers van koninklijken stam +zich om persoonlijke redenen tegen eene verbintenis verzetten zouden, +welke voor het welzijn der natie hem zoo noodzakelijk scheen. Maar dit +was toch zeker: Rowena had altijd haar afkeer van Athelstane te kennen +gegeven, en thans was deze niet minder vast en stellig in zijn besluit, +om geene aanspraak op de hand van Jonkvrouw Rowena te maken. Zelfs de +aangeborene hardnekkigheid van Cedric bezweek onder deze hinderpalen, +daar hij, op hunne vereeniging staande, zou verplicht geweest zijn aan +iedere hand een onwilligen verloofde naar het altaar te sleepen. Hij +deed echter nog een laatsten krachtdadigen aanval op Athelstane, en +hij vond dien wedergeboren spruit der Saksische koningen, evenals +de landedellieden onzer dagen, in een woedenden oorlog tegen de +geestelijkheid gewikkeld. + +Het schijnt, dat na al zijne doodelijke bedreigingen tegen den Abt +van St. Edmunds klooster, Athelstane's wraakzucht gedeeltelijk door +zijne natuurlijke loomheid en goedaardigheid van karakter, gedeeltelijk +door de beden van zijne moeder Edith, welke, gelijk de meeste vrouwen +(van dien tijd), aan de geestelijke heeren verkleefd was, daarop +was uitgeloopen, dat hij den Abt en zijne monniken gedurende drie +dagen bij magere kost in de gevangenissen van Coningsburgh gehouden +had. Voor deze wreedheid bedreigde de Abt hem met den ban, en maakte +eene geduchte lijst van klachten op over pijn in de ingewanden en in de +maag, welke hij zelf en zijne monniken, ten gevolge van de tirannieke +en onrechtvaardige gevangenzetting, geleden hadden. Cedric vond het +gemoed van zijn vriend zoo geheel en al vervuld met dezen twist en +de middelen, welke hij bij de hand genomen had om de geestelijke +vervolging te ontgaan, dat hij voor geen ander denkbeeld vatbaar +was. En toen Rowena's naam genoemd werd, verzocht de edele Athelstane +verlof om een vollen beker op hare gezondheid en op hare spoedige +vereeniging met zijn neef Wilfrid te mogen ledigen. De zaak was +dus wanhopig. Er was klaarblijkelijk niets meer met Athelstane te +beginnen; of, zooals Wamba het uitdrukte in eene spreekwijze, welke +van den tijd der Saksers tot op ons is gekomen, hij was "een haan, +die niet vechten wilde." + +Cedric had nog slechts twee bezwaren tegen het huwelijk der minnenden +te overwinnen;--zijne eigene hardnekkigheid en zijn afkeer tegen de +Normandische dynastie. Het eerste week allengs voor de liefde jegens +zijn pupil en den trots welken hij over den roem van zijn zoon +gevoelde. Buitendien was hij niet ongevoelig voor de eer om zijn +eigen stam met dien van Alfred te vereenigen, nu de afstammeling +van Eduard den Belijder zijne hoogere aanspraken voor altijd had +laten varen. Cedric's afkeer van den Normandischen koningsstam was +ook zeer ondermijnd,--vooreerst, door de onmogelijkheid om Engeland +van de nieuwe dynastie te bevrijden, eene overtuiging, welke veel +afdoet om getrouwheid bij den onderdaan te verwekken; en ten tweede, +door de persoonlijke ingenomenheid van Koning Richard met hem, die in +het openhartig karakter van Cedric behagen schepte, en, om de woorden +van het Wardour Handschrift te gebruiken, zoo met den edelen Sakser +"omsprong," dat, eer hij zeven dagen als gast aan het Hof geweest was, +hij zijne toestemming tot het huwelijk van zijn pupil Rowena met zijn +zoon Wilfrid van Ivanhoe gegeven had. + +Het huwelijk van onzen held, dat dus plechtig door zijn vader +goedgekeurd was, werd in dien heerlijken tempel, de hoofdkerk van +York, voltrokken. De Koning was er zelf bij tegenwoordig, en door de +wijze, waarop hij bij deze en andere gelegenheden de ongelukkige en +tot hiertoe verachte Saksers behandelde, gaf hij hun een veiliger en +zekerder vooruitzicht, dat ze hun billijke rechten zouden herkrijgen, +dan ze ooit met eenige reden van de wisselvallige kansen van een +burgeroorlog hadden kunnen verwachten. De kerk spreidde bij deze +gelegenheid allen glans ten toon, welken de Roomsche geestelijkheid +met zulk eene schitterende uitwerking weet te gebruiken. + +Gurth, prachtig uitgedoscht als schildknaap, vergezelde zijn jongen +meester, dien hij zoo getrouw gediend had, evenals de edelmoedige +Wamba, versierd met een nieuwe kap, en een menigte prachtige, zilveren +bellen. Daar deze beiden in Wilfrid's gevaren en tegenspoed gedeeld +hadden, zoo deelden ze ook, gelijk ze recht hadden te verwachten, +in zijn geluk. + +Maar behalve door dit huiselijk gevolg, werd deze doorluchtige bruiloft +vereerd door het bijzijn van vele edelgeboren Normandiërs zoowel +als Saksers, waarbij zich het algemeen gejuich der mindere standen +voegde, welke het huwelijk van deze twee personen als een onderpand van +toekomstigen vrede en eensgezindheid tusschen twee stammen beschouwden, +die sedert dien tijd zoo volkomen vereenigd zijn, dat het verschil +tusschen beide onmerkbaar geworden is. Cedric beleefde de nauwere +vereeniging tusschen de stammen; want, naarmate de twee volken in +gezellig verkeer met elkander traden en huwelijken onder elkander +sloten, vergaten ook de Normandiërs hunne minachting, en legden de +Saksers hunne lompheid af.--Maar het was eerst onder de regeering +van Eduard den Derde, dat de gemengde taal, welke thans Engelsch +genoemd wordt, aan het hof te Londen gesproken werd, en de vijandige +verhouding van Normandiër en Sakser geheel schijnt verdwenen te zijn. + +Het was op den tweeden morgen na deze gelukkige verbintenis, dat +Rowena door haar kamenier Elgitha onderricht werd, dat een meisje +begeerde tot haar toegelaten te worden, en haar zonder getuige te +spreken. Rowena verwonderde zich, aarzelde, werd nieuwsgierig, en +eindigde met bevel te geven, dat het meisje zou binnengelaten worden, +en dat hare bedienden zoolang buiten de kamer zouden blijven. + +Ze trad binnen;--eene edele en fiere gestalte, terwijl de lange, witte +sluier, in welken ze gewikkeld was, de aanvalligheid en het gebiedende +van hare gestalte eerder overschaduwde dan bedekte. Hare houding was +ook eerbiedig, zonder dat er de minste zweem van vrees, of eenige +wensch om gunst te verwerven, in doorstraalde. Rowena was altijd +gereed om de aanspraken van anderen te erkennen en haar deelneming +in de gevoelens van anderen te betoonen. Ze stond op, en wilde de +schoone vreemdelinge naar een stoel geleiden, maar de onbekende zag +naar Elgitha, en gaf nog eenmaal haar wensch te kennen, om met Rowena +alleen te spreken. Nauwelijks had Elgitha zich met dralende schreden +verwijderd, of de schoone vreemdelinge knielde tot groote verbazing +van de echtgenoote van Ivanhoe neder, drukte haar handen tegen haar +voorhoofd, boog het hoofd tot op den grond, en kuste, in weerwil van +Rowena's tegenstand, den geborduurden zoom van haar gewaad. + +"Wat beteekent dat?" riep de verbaasde jonge vrouw; "waarom betoont +ge mij eene zoo ongewone vereering?" + +"Omdat ik aan u, de echtgenoote van Ivanhoe," antwoordde Rebekka, +opstaande en weder met haar gewone bedaarde waardigheid, "op een +rechtmatige en betamelijke wijze de dankbaarheid, welke ik aan +Wilfrid van Ivanhoe verschuldigd ben, betoonen mag. Ik ben,--vergeef +de stoutheid, waarmede ik u mijne hulde volgens de gebruiken van +mijn stam bewezen heb,--ik ben de ongelukkige Jodin, voor wie uw +echtgenoot zijn leven aan een zoo dreigend gevaar in het strijdperk +van Templestowe blootstelde!" + +"Meisje," hervatte Rowena, "Wilfrid van Ivanhoe vergold op dien dag +slechts in geringe mate uwe onvermoeide zorgen voor hem in ziekte en +ellende. Spreek, is er nog iets, waarin hij en ik u dienen kunnen?" + +"Niets," hernam Rebekka bedaard, "dan dat ge hem een dankbaar vaarwel +van mij overbrengt." + +"Verlaat ge Engeland dus?" vroeg Rowena, ter nauwernood van hare +verbazing over dit zonderling bezoek hersteld. + +"Ik verlaat het land, eer de maan weêr verandert. Mijn vader heeft +een broeder, die in hooge gunst staat bij Mohammed Boabdil, Koning +van Grenada;--dáár gaan wij heen, zeker dat wij vrede en bescherming +zullen genieten, tegen betaling van de schatting, welke de Muzelmannen +van ons volk vorderen." + +"En wordt gij in Engeland niet even goed beschermd?" vroeg +Rowena. "Mijn echtgenoot staat in gunst bij den Koning;--de Koning +zelf is rechtvaardig en edelmoedig." + +"Edele vrouw," zei Rebekka, "ik twijfel er niet aan;--maar het volk +van Engeland is een woest geslacht, dat altijd met zijne buren of +onder elkander twist, en gereed is om het zwaard in zijns naasten hart +te stooten. Ephraïm is een moedelooze duif,--Issaschar een gedrukte +slaaf, die tusschen twee lasten gebukt gaat. Niet in een land van +oorlog en bloed, omringd door vijandelijke naburen, en verscheurd +door binnenlandsche partijen, kan Israël hopen van zijne omzwerving +uit te rusten." + +"Maar gij, meisje," zei Rowena, "gij kunt toch niets te vreezen +hebben. Zij, die Ivanhoe aan zijn ziekbed opgepast heeft," ging +zij voort, met geestvervoering opstaande, "kan in Engeland niets te +vreezen hebben, waar Sakser en Normandiër wedijveren zullen, wie haar +de meeste eer zal bewijzen." + +"Uw woorden zijn edel," hernam Rebekka, "en uw voornemen nog schooner; +maar het kan niet zijn;--er is een kloof tusschen ons. Onze opvoeding, +ons geloof, beide verbieden ons om die te overschrijden. Vaarwel;--maar +eer ik ga, sta mij één verzoek toe. De bruidssluier hangt nog over +uw gelaat; licht dien op, en laat mij de trekken zien, welke zoo +geroemd worden!" + +"Ze zijn nauwelijks bezienswaardig," antwoordde Rowena; "maar van +mijne bezoekster hetzelfde verwachtende, licht ik den sluier op." + +Zij sloeg den sluier terug, en gedeeltelijk uit de bewustheid +van hare schoonheid, gedeeltelijk uit bedeesdheid, bloosde zij zoo +sterk, dat hare wangen, haar voorhoofd, haar hals en haar boezem met +karmozijn bedekt werden. Rebekka bloosde ook, maar het was slechts een +voorbijgaande opwelling; en daar zij door dieper gevoel bezield was, +lag de blos slechts één oogenblik op haar gelaat, als de purperroode +wolk, die van kleur verandert, als de zon onder den gezichteinder +daalt. + +"Edele dame," zei ze, "het gelaat, dat gij u verwaardigd hebt, mij te +toonen, zal lang in mijn geheugen blijven. Er heerscht vriendelijkheid +en goedheid in; en als een zweem van wereldschen hoogmoed of ijdelheid +zich op een zoo liefelijk gezicht vertoont, hoe zou men datgene, +wat van de aarde komt, berispen, omdat het eenig teeken van zijn +oorsprong draagt? Lang, lang zal ik aan uwe trekken denken, en God +zegenen, dat ik mijn verlosser verlaat, vereenigd met,--" zij zweeg +eensklaps;--haar oogen vulden zich met tranen, die zij echter schielijk +afdroogde, en op de angstige vragen van Rowena antwoordende, zei ze: +"Ik ben wel,--zeer wel. Maar mijn hart loopt over, wanneer ik aan +Torquilstone en aan het strijdperk van Templestowe denk.--Vaarwel! Het +geringste gedeelte van mijne schuld is nog maar voldaan. Neem dit +kistje aan,--en verwonder u niet over den inhoud!" + +Rowena opende het kleine met zilver beslagen kistje, en zag een +halssnoer en oorringen van diamanten, welke, zooals men zien kon, +van onschatbare waarde waren. + +"Het is onmogelijk," zei ze, het kistje teruggevende, "ik mag een +geschenk van zoo groote waarde niet aannemen." + +"O, neem het maar!" antwoordde Rebekka.--"Gij bezit macht, rang, +gezag en invloed; wij rijkdom, de bron evenzeer van onze kracht als +van onze zwakheid. De waarde van dezen tooi, tienmaal vermenigvuldigd, +zou niet half zoo veel macht hebben als uw geringste wensch. Voor +u is dus het geschenk van geringe waarde, en voor mij is hetgeen, +waarvan ik mij ontdoe, van nog veel minder belang. Laat mij niet +denken, dat gij zulke lage gedachten van mijne natie koestert als +de groote hoop. Denkt gij, dat ik deze schitterende steenen boven +mijn vrijheid acht? of dat mijn vader ze in de weegschaal legt tegen +de eer van zijn eenig kind? Neem ze aan; voor mij zijn ze van geene +waarde. Ik zal nooit weder juweelen dragen!" + +"Gij zijt dus ongelukkig," zei Rowena, getroffen door den toon, waarop +Rebekka deze laatste woorden uitsprak; "o, blijf dan bij ons;--de +raad van heilige mannen zal u van uw verkeerd geloof afbrengen, +en ik zal eene zuster voor u zijn!" + +"Neen!" antwoordde Rebekka, met dezelfde onderwerping en +zwaarmoedigheid in haar zachte stem en op haar schoone trekken.--"Dat +kan niet zijn! Ik kan en mag het geloof mijner vaderen niet afleggen, +als een kleed, dat niet past voor de luchtstreek, waarin wij wonen, +en ongelukkig zal ik niet zijn, edele vrouw. Hij, wien ik mijn overige +levensdagen toewijd, zal mijn trooster zijn, zoo ik Zijn wil doe!" + +"Hebt gij dan kloosters, in een van welke gij u begeven wilt?" vroeg +Rowena. + +"Neen," antwoordde de Jodin; "maar er zijn, sedert Abraham tot op onze +tijden toe, onder ons volk vrouwen geweest, die hare gedachten aan den +Hemel, en hare daden aan werken van liefdadigheid toegewijd hebben; +welke de zieken oppassen, de hongerigen voeden en de ongelukkigen +ondersteunen. Onder deze vrouwen zal Rebekka opgenomen worden. Zeg +dit aan uw gemaal, zoo hij naar het lot van haar vraagt, wier leven +hij gered heeft!" + +Er was eene onwillekeurige aandoening in Rebekka's stem en eene +teederheid van uitdrukking, welke misschien meer verried, dan zij +gaarne zou te kennen gegeven hebben. Zij haastte zich om Rowena +vaarwel te zeggen. + +"Vaarwel!" zei ze. "Moge Hij, die Jood en Christen geschapen heeft, +zijne uitgelezenste zegeningen op u uitstorten! De boot, die ons van +hier brengen moet, zal onder zeil zijn, eer wij de haven bereiken +kunnen!" + +Zij verdween uit het vertrek, en liet Rowena verbaasd staan, alsof +hetgeen zij gezien had eene geestverschijning geweest ware. De schoone +jonge vrouw verhaalde het zonderlinge gesprek aan haar echtgenoot, +op wiens gemoed het diepen indruk maakte. Hij leefde lang en gelukkig +met Rowena, want ze waren aan elkander verknocht door de banden +van jeugdige liefde, en zij beminden elkander te vuriger wegens de +herinnering aan de hinderpalen, welke hunne vereeniging in den weg +hadden gestaan. Evenwel zou het moeielijk te beslissen zijn, of de +herinnering aan Rebekka's schoonheid en grootmoedigheid Ivanhoe niet +al te dikwijls in de gedachte kwam, dan dat de schoone afstammeling +van Alfred het goedgekeurd zou hebben. + +Ivanhoe muntte in den dienst van Richard uit, en verwierf verdere +bewijzen van de koninklijke gunst. Hij had nog hooger kunnen klimmen, +zonder den ontijdigen dood van den heldhaftigen Richard Leeuwenhart, +voor het kasteel Chaluz bij Limoges. Met het leven van dezen +edelmoedigen, maar onbezonnen en romanesken Vorst vervielen ook al de +ontwerpen, welke zijne eerzucht en edelmoedigheid gesmeed hadden, en +op hem kunnen met een geringe verandering de regels toegepast worden, +welke Johnson op Karel XII van Zweden geschreven heeft: + + + "Getroffen door den pijl eens mans van lagen stand, + Nabij een kleine veste aan ver verwijderd strand, + Biedt ons zijn naam, die door de wereld schrik verspreidde, + Ruim stof tot leering aan, en tot verdichting beide." + + + + + +NOTEN VAN DEN SCHRIJVER. [39] + + +Noot A., Bladz. 7: _Over het verminken der honden._ + +De jachtwetten, in deze tijden van onderdrukking, gaven tot zeer +gevoelige grieven aanleiding. Deze harde wetten waren een gevolg +van de Normandische verovering, want de Saksische jachtwetten waren +vrijzinnig en menschlievend, terwijl die door Willem ingevoerd, die +met de jacht dweepte en alle jachtrechten streng handhaafde, in alle +opzichten tyranniek waren. De planting, of liever de inrichting van +het _New Forest_ (in Hampshire,) getuigt van zijn liefde tot de jacht, +daar menig schoon dorp verwoest werd, om het jachtgebied te vergrooten. + +Het verminken der herdershonden, om ze te verhinderen het grof wild +na te loopen, noemde men _lawing_, en was in algemeen gebruik. + +Het reglement voor het behoud van het _New Forest_ bepaalt, dat het +onderzoek, of de bezichtiging der honden tot dit doel, om het derde +jaar plaats zal hebben door gekwalificeerde personen, en niet anders, +en dat diegenen wiens honden niet behoorlijk aan de pooten verminkt +zijn, een geldboete van drie _shillings_ betalen zullen, maar dat, +voor het vervolg, niemands os wegens het overtreden van dezen regel +in beslag zal genomen worden. Het verminken zal op de gebruikelijke +wijze moeten geschieden, dat is, drie klauwen aan den buitenkant van +den rechtervoorpoot zullen afgesneden worden. + +Men zie verder over dit onderwerp "Een Historische Verhandeling" +over de _Magna Charta_ van Koning Jan, door Richard Thomson.-- + + +Noot B., Bladz. 14: _Over de Negerslaven._ + +Eenige strenge beoordeelaren hebben geklaagd over de kleur van Brian De +Bois-Guilbert's slaven, als geheel en al in strijd met den tijd en met +de waarschijnlijkheid. Ik herinner mij, dat men dezelfde zwarigheden +maakte tegen eenige zwarte dienaren, welke mijn vriend de schrijver +Mathew Lewis laat optreden, als wachters en onheilstichtende trawanten +van den boosaardigen Baron in zijn "_Spook van het Kasteel_." Lewis +behandelde deze afkeuring met de meeste minachting, en beweerde, dat +hij de slaven zwart gemaakt had, ten einde een treffend contrast te +krijgen, en als hij dezelfde uitwerking had kunnen verkrijgen door +zijn heldin blauw te maken, hij haar ook blauw zou voorgesteld hebben. + +Ik eisch niet dat men de _licentia poetica_ zóó ver gedreven, goed +zou keuren; maar ik kan toch niet toegeven, dat de schrijver van +een modern-antieken roman verplicht is zich stiptelijk te bepalen +tot de schildering alleen van die gebruiken, welke als bewezen +aangenomen worden voor de tijden die hij schetst--als hij zich maar +tot de natuurlijke en waarschijnlijke bepaalt en geen anachronismen +begaat die hinderlijk zijn.--Uit dit oogpunt beschouwd, wat zou er dan +natuurlijker zijn, dan dat de Tempeliers,--die, zooals wij wel weten, +de weelderigheid der Aziatische krijgslieden, met wie ze kampten, +navolgden,--de diensten zouden gebruiken der Afrikaansche slaven, +welke de wisselvalligheden van den oorlog in hun handen leverden? Ik +ben overtuigd, dat als er geen bepaalde bewijzen hiervoor bestaan, +er toch aan den anderen kant niets gevonden wordt om ons te doen +besluiten, dat zulks in het geheel niet gebeurde. Bovendien vindt +men er een voorbeeld van in de romances uit dien tijd. + +Jean De Rampayne, een uitstekende goochelaar en minnezanger, ondernam +om Audolf De Bracy te helpen ontvluchten, door zich verkleed te begeven +aan het hof van den Koning, door wien hij gevangen werd gehouden. Tot +dit doel "verwde hij zijn haar en zijn geheele lichaam pikzwart, zoodat +er niets wits aan hem te zien was, dan zijn tanden," en bracht den +koning dus in het denkbeeld dat hij een Ethiopische zanger was. Door +deze list gelukte het hem den gevangene te bevrijden. De Negers moeten +dus reeds in zeer vroege tijden in Engeland bekend geweest zijn. [40] + + +Noot C., Bladz. 45: _Over de taal der jagers_. + +De jachttaal werd door de Normandiërs streng afgescheiden van die van +het dagelijksch leven. Het wild, hetzij vogel of viervoetig dier, +veranderde elk jaar van naam en er waren honderderlei bijzondere +spreekwijzen, welker kennis een gedeelte eener goede opvoeding +uitmaakte. Er bestaat een boek door Juliana Berners over dat onderwerp +geschreven. De oorsprong dezer wetenschap werd aan den beroemden ridder +Tristram toegeschreven, bekend wegens zijn liefde tot de ongelukkige +Ysolte. Daar de Normandiërs het vermaak van de jacht voor zich zelven +alleen behielden, is het natuurlijk dat deze jachttaal geheel uit +het Fransch ontstaan is. + + +Noot D., Bladz. 175: _Over de minnezangers_. + +Het is bekend, dat oudtijds Frankrijk, wat de taal betreft, in het land +van _Oui_ en het land van _Oc_ verdeeld werd; men noemde de zangers +in de eerste taal _Menestrels_ en hun liederen _Lais_; in de andere +taal heetten zij _Troubadours_ en hun gedichten werden _Sirventes_ +genoemd. Richard, een bekende bewonderaar der zangkunst, kon òf een +_Lai_ òf een _Sirvente_ voordragen. Het is minder waarschijnlijk, +dat hij een Engelsche ballade dichten of voordragen kon; evenwel zal +de wensch, welke den schrijver bezielde, om Leeuwenhart geheel en +al te vereenzelvigen met de krijgslieden, die hij aanvoerde, deze +anachronisme, indien ze bestaat, gereedelijk doen vergeven. + + +Noot E., Bladz. 210: _Over den slag van Stamford_. + +De schrijver moet bekennen, een grove topographische vergissing +gemaakt te hebben, in de noot aan den voet van bladz. 210, door te +veel op zijn geheugen te vertrouwen en twee plaatsen van denzelfden +naam met elkander te verwarren. Het plaatsje Stamford, Strengford, of +Stanford, waar de slag voorviel, is aan de rivier Derwent, ongeveer +zeven Eng. mijlen van York gelegen. De vergissing van den schrijver +werd hem beleefdelijk aangewezen door den Heer Robert Bell. De slag, +welks gebeurtenissen overigens nauwkeurig verhaald zijn in den tekst +en de noot er onder, had plaats in het jaar 1066.-- + + +Noot F., Bladz. 220: _Over de rijen ijzeren staven, boven de gloeiende +houtskool_. + +Deze verschrikkelijke marteling zal den lezer herinneren aan de +wreedheid door de Spanjaarden op Guatimozin uitgeoefend, om hem te +dwingen zijn verborgene schatten te ontdekken. Maar een voorbeeld +van dergelijke barbaarschheid wordt in Engeland zelf gevonden, in +den tijd van Koningin Maria; en Bannatyne, de secretaris van Knox, +verhaalt breedvoerig een dergelijke marteling door den Graaf van +Cassilis op zekeren Allan Stewart uitgeoefend, die een koninklijke +schenking van kerkelijke landerijen gekregen had, waarop de Graaf +zich verbeeldde een beter recht te hebben. + +Het blijkt ook uit papieren in het bezit van den Schrijver, dat de +grenswachters (_Country Keepers_) tusschen Engeland en Schotland, +gewoon waren de gevangenen te martelen, door hen aan de ijzeren +staven hunner schoorsteenen vast te binden, om hun een bekentenis +hunner misdaden af te dwingen. + + +Noot G., Bladz. 297: _Het Wapen van den Zwarten Ridder_. + +Men heeft den Schrijver verweten, dat hij zich vergist had, door +metaal op metaal in dit wapenschild te plaatsen. Men moet echter +niet vergeten, dat de wapenkunde eerst in de Kruistochten ontstaan +is, en dat al de _minutiae_ van deze fantastische wetenschap slechts +langzamerhand en veel later ingevoerd werden. Hij, die anders hierover +denkt, moet zich verbeelden, dat de Godin der wapenkundigen in de +wereld kwam van top tot teen met de bonte sieraden der wetenschap, +welke zij beschermt, behangen. Ter bevestiging van het gezegde dient, +dat Godfried van Bouillon, na de verovering van Jeruzalem, een wapen +voerde, waarin ook metaal op metaal prijkte. Men zie hierover Ferne's +_Blazon of the Gentry_, Ed. 1586, p. 238, en Nisbets _Heraldry_ +2e Ed. dl. 1 p. 113. + + +Noot H., Bladz. 330: _Over Ulrica's lied._ + +De oudheidkundige zal duidelijk begrijpen, dat deze verzen navolging +zijn van de oude poëzie der _Skalden_, de zangers der Scandinaviërs. + +De poëzie der Angel-Saksers, na hun beschaving en godsdienstige +bekeering was van een geheel anderen, zachteren aard; maar in de +omstandigheden van Ulrica, is het niet onnatuurlijk te veronderstellen, +dat zij zich de woeste zangen herinnerde, welke haar voorouders +bezielden in den tijd van het Heidendom en van hun onverminderde +woestheid. + + +Noot I., Bladz. 345: _Over Richard Leeuwenhart._ + +Deze vechtpartij tusschen Richard en den vroolijken priester is niet +strijdig met zijn karakter, als hij in de romances goed begrepen +wordt. In een zeer merkwaardige romance over zijn avonturen in het +Heilige Land wordt een dergelijke gebeurtenis, die gedurende zijn +gevangenschap in Duitschland voorviel, vermeld. Zie Ellis, _Specimens +of English Romances.--Coeur-de-Lion._ + + +Noot K., Bladz. 357: _Over de verloopen Priesters._ + +Het is merkwaardig te zien, dat in alle maatschappijen eenige +soort van geestelijke troost gezocht wordt, door die menschen, die +zich tot doelen vereenigen, welke lijnrecht in strijd zijn met den +godsdienst. Een bende bedelaars heeft hun _Patrico_, en de roovers +der Apenijnen hebben personen bij zich, welke de rol van priesters +en monniken vervullen. Het is ontegenzeggelijk, dat zulke eerwaarde +heeren hun zeden en gebruiken wijzigden naar hun omgeving, en zoo zij +wel eens geëerbiedigd werden wegens hun geestelijke gaven, werden zij +toch meestal ook onbarmhartig bespot, als volstrekt in tegenstelling +met alles, waarmede zij omgingen. + +Een der vroegere bisschoppen van Durham heeft een geschrift +uitgevaardigd tegen zulke verloopen priesters, die zich met de roovers +vereenigd hadden op de grenzen van Engeland en Schotland. + + + + + +VOETNOTEN + + +[1] Men zie noot A, aan het einde van het werk.--Schrijver. + +[2] Knecht van Odysseus. (Od. XIV).--t. B. + +[3] Zie noot B. over de negerslaven.--Schrijver. + +[4] Het oorspronkelijke heeft _Cnichts_, met welk woord de Saksers +een soort van krijgshaftige dienaren schijnen aangeduid te hebben, +soms vrijen en somtijds lijfeigenen, maar altijd hooger in rang +dan de gewone bedienden, hetzij in het koninklijke huis of in dat +der _Aldermans_ en _Thanes_. Maar het woord _Cnicht_, hetwelk nu +_Knight_ geschreven wordt, in de Engelsche taal opgenomen zijnde, +in dezelfde beteekenis als het Normandische _Chevalier_, (Ridder), +heb ik het niet hier willen gebruiken. + +[5] Dit waren dranken bij de Saksers in gebruik, zooals de heer Turner +ons leert. _Morat_ was uit honig gemaakt met moerbeziënsap; _Pigment_ +was een zoete en sterke drank, uit gekruiden wijn en ook met honig +zoet gemaakt. De andere dranken behoeven geene verklaring.--Schrijver. + +[6] Een drank uit appels, suiker en bier, zonder hop er in, +samengesteld. Wassail, van Wachse heil!--de aloude uitdrukking bij +een feestdronk. Zie Drake's Shakespeare, I, 127, 199 en 254. M. P. L. + +[7] Zie noot C, over de Jacht.--Schrijver. + +[8] In die dagen waren de Joden onderworpen aan een Schatmeester, +bijzonder tot dit ambt benoemd, die verbazende sommen van hen +afperste.--Schrijver. + +[9] Knecht van Odysseus, zie bladz. 10.--t. B. + +[10] Walter Scott gebruikt dezen term enkel voor het gemak van zijn +lezer.--t. B. + +[11] Deze soort van maskerade gaf aanleiding, naar men veronderstelt, +tot de invoering der schilddragers, aan weerskanten van een +wapenschild.--Schrijver. + +[12] Door ongeluk doodde Walter Tyrrel met een pijl, op de jacht, +Willem II, zoon van den Veroveraar.--M. P. L. + +[13] Deze regels zijn uit een nog onuitgegeven gedicht van Coleridge, +wiens Muze ons zoo dikwerf plaagt met fragmenten, welke haar groote +gaven verkondigen, terwijl de wijze waarop zij ze ons toewerpt van +haar grillen getuigt. Evenwel vertoonen deze ruwe schetsen meer talent, +dan de uitvoerigste meesterstukken van vele anderen.--Schrijver. + +[14] Oud Fransch: overmoed, onbeschaamdheid.--Schrijver. + +[15] Een oude volksnaam voor de struikroovers.--M. P. L. + +[16] Beau Séant was de naam van de banier der Tempeliers, die half +zwart, half wit was, om aan te duiden, gelijk men zegt, dat ze eerlijk +en goed gezind waren jegens Christenen, maar zwart en vreeselijk voor +de ongeloovigen!--Schrijver. + +[17] Er werd bij de Saksers niets voor zoo schandelijk gehouden, +als dezen scheldnaam te verdienen. Zelfs Willem de Veroveraar, hoe +gehaat hij bij hen was, kreeg een groot aantal Angel-Saksers onder +zijn vaandels, door hen, die te huis wilden blijven, als Nidderings +te brandmerken. Bartholinus maakt, gelijk ik meen, van een soortgelijk +woord melding, dat dezelfde uitwerking op de Denen had.--Schrijver. + +[18] Zie noot D, over de Minnezangers. + +[19] Het zal niet ongepast zijn, den lezer te herinneren, dat het koor +van "Derrydown," verondersteld wordt zoo oud te zijn, niet slechts +als de tijd der zeven koninkrijken, maar als die der Druïden; en +men wil, dat dit het koor was van de geestelijke lofzangen, welke +deze eerwaardige personen verhieven, als zij in het bosch gingen, +om kruiden te zoeken. + +Schrijver. + +[20] Een na-avondmaal was een nachtmaaltijd, en beteekende soms een +gastmaal op een laat uur gegeven, nadat het eigenlijk avondeten reeds +gedaan was. + +Schrijver. + +[21] Dicht bij Stamford werd, in 1066, de bloedige slag geleverd, in +welken Harald zijn oproerigen broeder Tosti en de Noorwegers versloeg, +slechts weinige dagen voor zijn eigen val bij Hastings. De brug over +de rivier Welland werd woedend betwist. Een Noorweger verdedigde die +lang alleen, en werd eindelijk door een speer getroffen, welke uit +een boot van onder de brug door de planken gestoken werd. Spencer +en Drayton maken beide toespeling op de voorspellingen, omtrent de +noodlottige Welland in omloop. + +"Waardoor die ongeluksstroom veel vrees en ontzag verkreeg." Zie +verder noot E. + +Schrijver. + +[22] Zie noot F. + +[23] Henry's Geschied. uitg. 1805; vol. VII p. 346.--Schrijver. + +[24] Ik wenschte, dat de Prior hen ook onderricht had, wanneer Niobe +heilig gesproken is. Waarschijnlijk gedurende dat verlichte tijdvak, +toen: "Pan aan Mozes zijn herdersfluitje leende."--Schrijver. + +[25] Aêolluôn, de verderver. _Openbaringen_ IX 11.--t. B. + +[26] Zie noot G.--over dit wapen. + +[27] Ieder Gothisch kasteel en elke stad had, behalve de +buitenwallen, een bevestiging van palissaden, Barrière genoemd, +welke dikwijls het tooneel was van bloedige schermutselingen, daar +ze natuurlijk moest ingenomen worden, eer men bij de wallen zelve +komen kon. Verscheidene dier heldendaden van dapperheid, welke de +kronijken van Froissart versieren, vielen voor bij de Barrières van +belegerde plaatsen.--Schrijver. + +[28] De schrijver verbeeldt zich, dat deze plaats een navolging +is van de verschijning van Philidaspes voor de goddelijke Mandane, +gedurende den brand der stad Babylon, als hij voorstelt haar uit de +vlammen te redden. Maar deze diefstal zou te zwaar bestraft worden +door de moeite van het oorspronkelijke te moeten opzoeken in de +eindelooze en vervelende deelen van den "Groote Cyrus."--Schrijver. + +Le grand Cyrus was een beroemde heroïsche roman van Melle. Madeleine +de Scudéry geschreven 1649-53.--t. B. + +[29] Zie noot H. over Ulrica's sterflied.--Schrijver. + +[30] De noten op den horen werden eertijds mots genoemd, en worden +onderscheiden in de oude verhandelingen over de jacht, niet door +muzikale teekens, maar door geschreven woorden.--Schrijver. + +[31] Zie noot I, over Richard Leeuwenhart.--Schrijver. + +[32] Zie noot K.--Schrijver. + +[33] Reginald Fitzurse, William de Tracy, Hugo de Morville en +Richard Brito waren de edellieden van het hof van Hendrik den Tweede, +welke, aangezet door eenige driftige uitdrukkingen van hun vorst, +den beroemden Thomas-à-Becket vermoordden. + +[34] De stichtingen der Tempeliers heetten Preceptorijen, en de +titel van den opperste der Orde was Preceptor, terwijl de voornaamste +ridders van St. Jan Commandeurs en hunne huizen Commanderijen genoemd +werden. Maar deze benamingen werden, naar het schijnt, somtijds +verwisseld.--W. S. + +[35] In de regels der Tempeliers wordt deze spreuk telkens, in +verschillende bewoordingen herhaald, en komt in bijna elk hoofdstuk +voor, alsof ze de leus ware van de Orde: dit zal verklaren waarom de +Grootmeester zóó dikwerf er gebruik van maakt.--W. S. + +[36] Zie het XIIIde hoofdstuk van Leviticus. + +[37] De lezer wordt verwezen op de regels der Vrome Krijgsbroederschap +van den Tempel, welke voorkomen in de werken van St. Bernardus.--W. S. + +[38] De opstanding van Athelstane is zeer gegispt geworden, als +een te groote inbreuk op de waarschijnlijkheid, zelfs in een werk +van fantastischen aard. Het is ook een _tour de force_, waartoe de +schrijver verplicht was toevlucht te nemen, op het dringend aanzoek +van zijn vriend en uitgever, die er ontroostbaar over was, dat de +Sakser ten grave moest dalen.--W. S. + +[39] Deze Noten van den Schrijver, zijn bij de eerste Nederduitsche +Vertaling van Ivanhoe weggebleven. Ik heb gemeend ze te moeten +overbrengen, omdat men als Vertaler verplicht is, het oorspronkelijke +zoo getrouw mogelijk te volgen. De lezer kan ze meestal gerust +overslaan, en zich dus een verveling te meer in zijn leven +besparen;--de eenige vrijheid, welke ik mij bij de vertaling der +Noten veroorloofd heb, is om hier en daar hetgeen alleen voor den +Engelschen lezer van belang kon zijn, weg te laten. + +[40] Ritson's Dissertatie over de romances en minnezangers, vóór zijn +verzameling van "Ancient metrical Romances". Pag. 187.-- + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Ivanhoe, by Walter Scott + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IVANHOE *** + +***** This file should be named 26564-8.txt or 26564-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/6/5/6/26564/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
