diff options
Diffstat (limited to '25843-8.txt')
| -rw-r--r-- | 25843-8.txt | 3583 |
1 files changed, 3583 insertions, 0 deletions
diff --git a/25843-8.txt b/25843-8.txt new file mode 100644 index 0000000..c60ca99 --- /dev/null +++ b/25843-8.txt @@ -0,0 +1,3583 @@ +Project Gutenberg's De Klucht der Vergissingen, by William Shakespeare + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Klucht der Vergissingen + +Author: William Shakespeare + +Translator: Dr. L. A. J. Burgersdijk + +Release Date: June 19, 2008 [EBook #25843] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLUCHT DER VERGISSINGEN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + +DE KLUCHT DER VERGISSINGEN. + + +PERSONEN: + + Solinus, hertog van Ephesus. + Ęgeon, een koopman van Syracuse. + Tweelingbroeders, zonen van Ęgeon en Ęmilia. + Antipholus van Ephesus, + Antipholus van Syracuse. + Tweelingbroeders, dienaren van de gebroeders Antipholus. + Dromio van Ephesus, + Dromio van Syracuse. + Balthazar, een koopman. + Angelo, een goudsmid. + Een Koopman, vriend van Antipholus van Ephesus. + Een Koopman, handelende met Angelo. + Knijp, een schoolmeester. + Ęmilia, vrouw van Ęgeon. + Adriana, vrouw van Antipholus van Ephesus. + Luciana, haar zuster. + Lucie, dienstmaagd van Adriana. + Een Courtisane. + + Een Cipier, Gerechtsdienaars, Wachten en verder Gevolg. + + +Het tooneel is in Ephesus. + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een zaal in het paleis van den Hertog. + +De Hertog, Ęgeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg +komen op. + +ĘGEON. Spreek 't vonnis uit, Solinus; en de dood, +Het eind van alles, eindige ook mijn nood. + +HERTOG. Koopman van Syracuse, spaar uw reed'nen; +Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet. +De bitt're vijandschap, die onlangs rees, +Doordien uws hertogs wreede toren woedde +Op hand'laars, wakk're burgers onzer stad,-- +Die, 't geld ontberend om zich los te koopen, +Zijn wet bezeeg'len moesten met hun bloed,-- +Bant alle ontferming van ons gram gelaat. +Want sedert tusschen uw onrustig volk +En ons een diep rampzaal'ge twist ontstond, +Verboden hier en ginder raadsbesluiten +Zoowel aan Syracusers als aan ons, 12 +Den handel tusschen beide ontvlamde steden; +Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig, +Zich wagen durft op Syracuse's markten, +Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig, +'t Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij, +En al zijn goed'ren zijn verbeurd verklaard, +Tenzij hij duizend mark betalen kan +Als boete voor zijn schuld en als zijn losgeld. +Maar al uw have, op 't allerhoogst geschat, +Is zeker nog geen honderd mark in waarde; +En dus veroordeelt u de wet ter dood. + +ĘGEON. 'k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt, +De zon, die daalt, voor 't laatst mijn jammer ziet. + +HERTOG. Spreek, Syracuser, meld mij nog in 't kort, +Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt, +En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen. + +ĘGEON. 't Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen, +Dat ik mijn onuitspreek'lijk leed u meld; +Maar opdat elk getuig', dat drang des harten, +Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood, +Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat. +Ik stam uit Syracuse en was gehuwd; +Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hare +Geweest zijn, had niet onheil ons vervolgd. +Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdom +Nam toe door meen'ge welgeslaagde reis +Naar Epidamnum, tot mijn factor stierf +En mij de zorg om de onbeheerde goed'ren +Uit mijner gade zoete omarming reet. +Nog geen zes maand was onze scheiding oud, +Toen zij, schoon bijna door de zoete straf +Bezwijkend, die de vrouw te dragen heeft, +Zich toerustte om mij na te reizen, en +Voorspoedig veilig aankwam waar ik was. +Zij had er nog niet lang vertoefd, of werd +De blijde moeder van twee flinke zoons, +En, wonder! de een den and'ren zoo gelijk, +Dat naamverschil alleen verschil kon geven. +Terzelfder uur en in hetzelfde huis +Was ook een vrouw van lagen stand verlost +Van tweelingknaapjes, evenzoo gelijk. +Die kocht ik,--de ouders leden broodsgebrek-- +Opdat zij dienaars werden van mijn zoons. +Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar, +Hield dag aan dag op onze huisreis aan; +Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroeg +Betraden wij een schip. 62 +Wij waren pas een mijl van Epidamnum, +Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig, +Reeds teekens, boden van een bitt'ren nood, +En dra was alle hoop voor ons vervlogen. +Het duist're licht, dat ons de hemel schonk, +Bracht ons beangst gemoed, in steź van troost, +De zekerheid van de' onvermijdb'ren dood, +Dien ik voor mij wel daad'lijk hadde omarmd, +Maar 't stāge jamm'ren van mijn gade, die +Vooruit beweende, wat zij naad'ren zag, +En 't bitter schreien van mijn lieve kleinen, +Die weenden nu zij 't and'ren zagen doen, +Deed mij naar uitstel streven van ons lot; +Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet. +Het scheepsvolk zocht zijn redding in de boot +En liet aan ons het zinkend vaartuig over. +Mijn vrouw, voor de' eerstgeboor'ne meest bezorgd, +Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast, +Zooals de zeeman meevoert voor een storm, +En met hem een van de gekochte kind'ren; +En evenzoo deed ik met de andre twee. +En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik, +Steeds turend op het voorwerp onzer zorg, +Onszelven vast aan de einden van den spriet; +En dreven met een sterke stroom, zooveel +Wij gissen konden, naar Corinthe toe; +En eind'lijk brak de zon weer helder door +En dreef de neev'len weg, die ons verdierven. +En bij het stralen van 't gewenschte licht +Werd ook de zee weer rustig en wij zagen +Twee schepen uit de verte tot ons naad'ren, +Een van Corinthe en een van Epidaurus. +Doch eer ze er waren,--o, verlang niets meer; +Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer. + +HERTOG. Neen, oude, breek niet af; want mededoogen +Mag ik u schenken, schoon genade niet. + +ĘGEON. O, hadden zoo de goden zich erbarmd, +Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen. +De schepen waren nog tien mijlen ver, +Daar stieten we op een scherp en kantig rif; +Geweldig was door onze vaart de schok, +Zoodat ons noodschip in het midden brak. +Zoo deelde ons dan het lot, bij 't wreed verbreken +Van onzen echt, gelijk'lijk beiden toe, +Wat ons geluk en wat ons droef'nis bracht. +Het deel van haar, die arme, dat gewis +Wel min gewicht droeg, maar niet minder wee, +Werd sneller voortgedreven door den wind, +En ik zag alle drie aan boord genomen, +Door visschers van Corinthe, naar 't ons scheen. +In 't eind kwam ņns een ander schip op zijde; +En toen zij zagen, wie er was gered, 114 +Was liefdevolle hulp ons deel; zij hadden +De visschers gaarne van hun prooi beroofd, +Waar' niet hun bark te slecht bezeild geweest; +Doch daarom werd er koers gezet naar huis.-- +Zoo weet gij nu, hoe mij 't geluk ontvlood +En 't ongeluk mijn leven heeft gerekt, +Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden. + +HERTOG. Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt, +Welwillend mij volledig mede, wat +Aan hen en u tot nu weervaren is. + +ĘGEON. Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon, +Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broeder +Te willen zoeken, en hield telkens aan, +Dat ik zijn dienaar,--wien, gelijk zijn meester, +Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,-- +Hem mee zou geven, dat zij samen zochten, +'t Verlangen naar het lang verloren kind +Deed mij 't verliezen van mijn eenling wagen. +Ik heb in 't verste Griekenland vijf zomers +Gezworven en heel Aziė doorkruist, +En kwam naar Ephesus op mijn terugweg, +Wel zonder hoop, maar hier als overal, +Waar menschen zijn, in 't zoeken onverdroten. +Doch hier is 't einde van mijn leed en leven, +En zeeg'nen zou ik mijn verhaasten dood, +Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven. + +HERTOG. Rampzaal'ge Ęgeon, door het lot bestemd +Om zulk een overmaat van leed te dragen! +Geloof mij, waar' 't niet tegen onze wet, +Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,-- +Die schoon hij 't will', geen vorst miskennen mag-- +Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn. +Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt, +En, zonder groote schade voor onze eer, +'t Geslagen vonnis geen herroeping duldt, +Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan. +Ik schenk u dezen ganschen dag, opdat +Gij hulpe zoekt, die u het leven redde. +Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeek +Of borg uw losgeld bij elkaār, en leef; +Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald. +Bewaker, houd hem in het oog. + +Cipier. Het zal geschieden, vorst. + +ĘGEON. Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood; +'t Is uitstel van een reeds begonnen dood. + +(Allen af.) + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een plein in Ephesus. + +Antipholus en Dromio van Syracuse, benevens een Koopman, +komen op. + +KOOPMAN. Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt, +Want anders legt men op uw goed beslag. +Nog heden raakte een Syracuser koopman +In hecht'nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd; +En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij, +Zooals de wet van onze stad bepaalt, +Nog eer de moede zon in 't westen zinkt. +Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hier, Dromio, ga, breng dit naar den + Centaurus, +En blijf er wachten, tot ik bij u kom. +'t Is binnen 't uur reeds tijd voor 't middagmaal; +Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien; +De winkels eens bekijken, de gebouwen; +Dan kom ik eten en een slaapje doen; +Want ik ben moede en stijf van 't lange reizen; +Ga, loop maar door. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel menig hield u bij uw woord en ging +Met zulk een aardig duitje werk'lijk door. + +(Dromio van Syracuse af.) + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak, +Als zorg en somberheid mij nederdrukken, +Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts. +Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad, +En blijft gij dan van middag bij mij eten? + +KOOPMAN. Ik heb een samenkomst van hand'laars, heer, +En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen; +Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ik +U tegen vijf uur op de markt ontmoeten, +En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst. +Thans roepen mij mijn zaken elders heen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent'ren +En recht op mijn gemak uw stad bezien. + +KOOPMAN. Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen. + +(Koopman af.) + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Die mij genoegen met mijzelven wenscht, +Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt. +Ik ben een waterdroppel in de wereld, +Die in de zee een and'ren droppel zoekt, +En als hij zich tot onderzoek er in stort, +Bij 't zoeken spoorloos zich er in verliest; +Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder, +Verlies ik mij, onzaal'gen, zelf er door. + +(Dromio van Ephesus komt op.) + +Daar komt mijn trouwe levensalmanak. 41 +Hoe is 't? wat keert gij daar zoo ras terug? + +DROMIO VAN EPHESUS. Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier! +De kip brandt aan, de bigge valt van 't spit, +De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, en +Mijn meesteres reeds één hier op mijn wang; +Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is, +Het eten koud, omdat gij niet te huis komt, +Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt, +Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt; +Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden, +Wij boeten voor uw euveldaān van heden. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst: +Waar hebt gij 't geld, dat ik u gaf, gelaten? + +DROMIO VAN EPHESUS. Den schelling meent gij van verleden Woensdag, +Voor--, voor een staartriem van mijn meesteres? +Dien heeft de zadelmaker lang en breed. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik ben nu in geen stemming om te schertsen; +Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld? +Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op, +Niet zelf te passen op een som zoo groot? + +DROMIO VAN EPHESUS. Heer, 'k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit. +Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw, +Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost, +En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin. +Is u dan niet, als mij, uw maag een klok, +Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts; +Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben. +Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde? + +DROMIO VAN EPHESUS. Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen; +Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen? + +DROMIO VAN EPHESUS. Heer, 'k moest u zoeken op de markt en vragen, +Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt; +Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen, +Waar 't geld in veiligheid geborgen is, +Of ik sla u dien bol vol grappen in, +Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta. +Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf? + +DROMIO VAN EPHESUS. 'k Heb een'ge merken op mijn bol van u, +En enkele op mijn rug van de eed'le vrouw, +Maar van u beiden saam geen duizend merken. +Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug, +Misschien waar' 't ras met uw geduld gedaan. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Van de eed'le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw? + +DROMIO VAN EPHESUS. Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix, +Die vast, totdat gij thuis om te eten komt, +En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot + met mij, +En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar! + +(Hij slaat hem.) + +DROMIO VAN EPHESUS. Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis! +Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen. + +(Hij loopt heen.) + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo waar ik leef, door de' een of and're' + streek +Is al mijn geld den kerel afgezet. +De stad is, zegt men, vol bedrog en list, +Vol beurzensnijders die het oog bedotten, +Nachttoov'naars, die verbijst'ren, heksen, die +De ziel verdervend, 't lichaam tevens sloopen, +Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven, +En zulke godvergeten schurken meer. +Zoo 't waarheid blijkt, reis ik onmidd'lijk af. +Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht, +Doch vrees, er komt niet veel van 't geld terecht. + +(Antipholus van Syracuse af.) + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +In het huis van Antipholus van Ephesus. + +Adriana en Luciana komen op. + +ADRIANA. Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens, +Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken! +En, Luciana, twee uur moet het zijn. + +LUCIANA. Een koopman heeft hem moog'lijk uitgenoodigd, +Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging. +Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos; +De man is van zijn doen en laten baas; +Hem is de tijd de baas; hij ziet: 't is tijd; +En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm. + +ADRIANA. Wat is 't, dat hem die meerd're vrijheid geeft? + +LUCIANA. 't Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft. + +ADRIANA. Deed ik als hij, hij nam 't mij kwalijk af. + +LUCIANA. Met recht: zijn wil voert over u den staf. + +ADRIANA. Een ezel is 't, die zulk een staf verdraagt! + +LUCIANA. Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt! +Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet, +Voert één deel over 't ander steeds gebied; +Zie 't vee, den visch, den vogel in de lucht, +'t Is steeds de man, die orde houdt en tucht; +De man, half god, van alle scheps'len 't eerst, +Die 't breede land, de woeste zee beheerscht, +Door ziel en geest, die krachtig in hem leven, +Ver boven vogels, vee en visch verheven, +Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil! +En plooi łw willen naar des meesters wil. + +ADRIANA. U schrikt van de' echt die slavernij wis af? + +LUCIANA. Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf. + +ADRIANA. Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren. + +LUCIANA. 'k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren. + +ADRIANA. Maar als uw man zijn toevlucht elders nam? + +LUCIANA. Ik zou het dragen, tot hij wederkwam. + +ADRIANA. Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond; +Zacht blijft men, is voor 't tegendeel geen grond. +Een armen mensch, door 't nijdig lot geplaagd, +Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt; +Maar drukte eens ņns hetzelfde leed als hem, +Niet min, licht meer, verhieven we onze stem; +Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt, +Van 't voos geduld, dat dit verlichting schenkt; +Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en ras +Blijkt uw geduld u dwaas en smelt als was. + +LUCIANA. Nu 'k huw wel eens en neem de proef er van.--42 +Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man. + +(Dromio van Ephesus komt op.) + +ADRIANA. Nu, is de komst uws tragen heers op handen? + +DROMIO VAN EPHESUS. O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren +weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten. + +ADRIANA. Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij? + +DROMIO VAN EPHESUS. Zijn doen? dat heeft hij mij aan 't oor +verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan. + +LUCIANA. Sprak hij zoo zacht, dat gij 't niet vatten kondt? + +DROMIO VAN EPHESUS. Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen +maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het +mijn bevatting te boven ging. + +ADRIANA. Maar 'k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis? +Hij leeft, zoo 't schijnt, om mij pleizier te doen. + +DROMIO VAN EPHESUS. Nu, meesteres, hij is een dolle stier. + +ADRIANA. Een dolle stier, gij schelm? + +DROMIO VAN EPHESUS. Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol. +Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten, +Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud; +"'t Is etenstijd," riep ik; "mijn goud!" riep hij; +"Uw maal brandt aan," riep ik; "mijn goud!" riep hij; +"Komt gij naar huis?" riep ik; "mijn goud!" riep hij, +"Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?" +"Het vleesch brandt aan," riep ik; "mijn goud!" riep hij; +"Heer, de eedle vrouw,--" riep ik; "hang op uw vrouw! +"Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!" + +LUCIANA. Dat zeide, wie? + +DROMIO VAN EPHESUS. Dat zeide hij, mijn meester; +"'k Weet niets," riep hij, "van huis of vrouw of lief." 71 +En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap, +Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis, +Want, kort en goed, zijn rans'len dreef mij voort. + +ADRIANA. Terug, schavuit, en breng uw meester hier. + +DROMIO VAN EPHESUS. Terug? en dan met slagen weer naar hier? +Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan. + +ADRIANA. Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien. + +DROMIO VAN EPHESUS. En hij zou 't gloeien doen met rooden schijn; +Zoo schonkt gij beiden mij een heil'genglorie. + +ADRIANA. Weg, domme prater, haal uw meester hier! + +DROMIO VAN EPHESUS. Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dįįrom +Te schoppen als een bal van hier naar ginds? +Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer, +Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer. + +(Dromio van Ephesus af.) + +LUCIANA. Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat! + +ADRIANA. Wis zit hij bij het een of ander liefje' en praat, +Terwijl ik naar een enk'len lach verlang. +Ontnam reeds rimp'lige ouderdom mijn wang +Haar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd, +Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd? +Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed, +'t Is barschheid, ruw en hard als steen, die 't doet, +Lokt and'rer fraai gewaad hem van mijn zij, +'t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij. +Wat is in mij vervallen en is 't niet +Door hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet, +Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraal +Van hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal. +Doch grillig springt mijn hert naar jonger hout +En nieuwe wei, ik arme ben hem te oud. + +LUCIANA. Wat plaagt u de ijverzucht!--Foei, schaam u toch! + +ADRIANA. 'k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik 't nog. +Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis; +Waarom is hij niet hier, zoo 't dit niet is? +Gij weet, hij zou me een gouden keten geven, +Waar' enkel dit, dit achterweeg gebleven, +En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen! +Ik zie het nu, de fijnst geslepen steen +Verliest zijn glans, en blijve goud ook goud, +Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudt +Het niet aldoor; en op den schoonsten naam +Werpt valschheid en verleiding vaak een blaam. +Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven, +Wil ik 't in tranen met mijzelf begraven. + +LUCIANA. Wat de ijverzucht bespott'lijk door kan draven! + +(Beiden af.) + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een plein. + +Antipholus van Syracuse komt op. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veilig +En wel in den Centaur; de trouwe borst +Is uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken. +Naar wat ik reken en de waard mij zeide, +Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik 't eerst +Hem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij. + +(Dromio van Syracuse komt op.) + +Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit? +Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt, +Gij weet van geen Centaurus? van geen goud? +Mijn vrouw doet mij door u voor 't eten roepen? +De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was 't, +Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik heb u niet gezien, sinds gij mij 't goud +Van hier naar den Centaurus brengen liet. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van +'t goud geloochend, +Van een meest'res en van een maal gesproken, +Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt. + +DROMIO VAN SYRACUSE. 't Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt. +Maar wat bedoelt gij, heer? wil 't mij verklaren. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, waagt gij 't weer, den draak met mij +te steken? +Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat! + +(Hij slaat hem.) + +DROMIO VAN SYRACUSE. Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst. +Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel, +Als met een nar, misbruikt ge in overmoed +Mijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren, +Alsof ze u toebehoorden, in beslag. +Maar dans' de mug ook in den zonneschijn, +Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt; +Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat, +En richt uw doen naar mijnen blik, of ik +Leer op uw bol u beter maat te houėn. 34 + +DROMIO VAN SYRACUSE. Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan +wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met +dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te +krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders +zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weet gij 't nog niet? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik weet alleen, dat ik geslagen ben. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Moet ik dus zeggen, waarom? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn +daarom, zegt het spreekwoord. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom?--vooreerst, gij dreeft den spot +met mij. +Waarom nog eens?--gij dorst het tweemaal doen. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik +er in? +In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin. +Toch, heer, dank ik u. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, dankt ge mij? waarvoor? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft +voor niets. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik zal het de volgende maal weer goed maken +en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog +iets ontbreekt, dat ik heb. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een mooi ding, en wat? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Het geklopt zijn. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er +niets van. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom niet? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Het mocht u de gal doen overloopen en mij een +tweede klopping bezorgen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; +er is een tijd voor alles. 66 + +DROMIO VAN SYRACUSE. Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, +zou ik dit hebben durven ontkennen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Op welken grond, man? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde +kale kop van Vader Tijd zelf. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Laat hooren. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar +terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Is geld niet bij machte het hem terug te +bezorgen? + +DROMIO VAN SYRACUSE. O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn +verloren haar herkrijgt van een ander man. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, +terwijl het toch zulk een welige uitbotting is? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee +beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat +heeft hij in verstand vergoed. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer +haar hebben dan verstand. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg +om zijn haar te verliezen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, gij hebt daar harige lieden voor +onnoozele halzen zonder verstand verklaard. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij +het kwijt te raken; maar hij verliest het met een soort van genot. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Om welke reden? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Om twee redenen, en wel zeer gezonde. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Neen, gezonde juist niet. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Nu, zekere redenen dan. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, +neen. 95 + +DROMIO VAN SYRACUSE. Bepaalde redenen dan. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Noem ze maar op. + +DROMIO VAN SYRACUSE. De een is, dat hij het geld voor friseeren +uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen +vallen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, +dat er niet voor alles een tijd is. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat +er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom +er geen tijd is om het terug te krijgen. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is +kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit +zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar? + +(Adriana en Luciana komen op.) + +ADRIANA. Antipholus, ja blik maar vreemd en koud; +Een ander liefje ziet gij teeder aan; +Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw. +Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert: +Geen enkel woord was in uw oor muziek, +Geen enk'le blik welsprekend voor uw oog, +Geen enk'le handdruk lieflijk voor uw hand, +Geen enk'le spijs welsmakend voor uw tong, +Dan woord of blik of druk of spijs van mij. +Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar, +Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf? +Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt, +Van mij, die met u een, ondeelbaar, beter +Dan 't beet're deel ben van uw dierbaar ik. +O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los, +Want ja, geloof mij, in de woeste branding +Laat ge even licht een waterdroppel vallen +En schept dien onvermengd er weder uit, +Verminderd noch vermeźrd, dan dat ge uzelf +Aan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij. +Hoe trof 't u niet in 't diepste van uw ziel, +Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was, +Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd, +Bevlekt zou zijn met booze', onkuischen lust! +Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen, +Uw naam van gā mij sling'ren in 't gezicht, +De huid mij scheuren van 't boeleerend voorhoofd, +Den trouwring snijden van mijn valsche hand, +Dien breken met een vloek van eeuw'ge scheiding? +Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu. +Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk; +Mij woelt een overspeel'ge lust in 't bloed; +Want zijn wij tweeėn één en zijt gij valsch, +Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn', +En door uw smetstof word ik tot boelin. +Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed, +Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet. 148 + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet. +Twee uren pas ben ik in Ephesus, +En vreemder dan de stad is mij uw taal; +Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord, +'k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord. + +LUCIANA. Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen? +Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend? +Zij liet door Dromio voor het maal u roepen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Door Dromio? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Door mij? + +ADRIANA. Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis: +Hij had u afgeranseld en, bij 't slaan, +Mijn huis als 't zijn, mij als zijn vrouw geloochend. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken? +Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt, +Was uwe boodschap aan mij op de markt. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt? +Of is dit door een geest haar ingefluisterd? + +ADRIANA. Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid, +Dit guichelspel te spelen met uw slaaf, +Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg'! +Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat, +Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad. +Laat toe, dat ik om u mijn armen sla; +Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gā; +Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt, +Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt: +Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam', +'t Is onbeschaamd klimop of mos of braam; +Het snoeimes kappe 't weg; 't zou u verderven, +Uw groei verstikken, leven van uw sterven. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het is tot mij, dat zij die reed'nen houdt! +Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd? +Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor? +Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor? +Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard, +Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard. + +LUCIANA. Dromio, ga, zeg hun, 't eten op te dragen. 189 + +DROMIO VAN SYRACUSE. Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen! +Dit is een tooverland! O wee ons, wee! +Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee. +Verzetten we ons, dan brengen ze ons in 't nauw, +En knijpen voor het minst ons bont en blauw. + +LUCIANA. Wat praat gij in uzelf en staat nog daar? +Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar! + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ja, zeker is 't uw geest, zooals de mijne. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Naar geest en lichaam beide, of ik slaap. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Uitwendig niet. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ja toch ik werd een aap. + +LUCIANA. Wat zoudt gij wezen, als 't geen ezel was? + +DROMIO VAN SYRACUSE. 't Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras. +Ja 't moet wel zijn, dat ik een ezel ben, +Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken. + +ADRIANA. Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen, +Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween, +Nu heer en dienaar spotten met mijn nood. +Kom, man, aan tafel.--Dromio, wees portier.-- +'k Wil heden boven met u spijzen, man; +Gij zult mij al uw dolle streken biechten.-- +Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt, +Dan spijst hij elders: laat geen sterv'ling toe.-- +Kom, zuster.--Dromio, wees een goed portier. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat is het, hemel, hel of aarde, hier? +Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west? +Ik ken mijzelven niet en zij mij best. +Hoe 't zij, 'k wil meegaan zonder verder vragen, +En blindlings in dit avontuur mij wagen. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Is 't uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd? + +ADRIANA. Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt! + +LUCIANA. Kom, kom, Antipholus, of 't maal is koud. + +(Allen af.) + + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Voor het huis van Antipholus van Ephesus. + +Antipholus van Ephesus, Dromio van Ephesus, +Angelo en Balthazar komen op. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed; +Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw. +Zeg, dat ik met u in de werkplaats was, +En naar het maken van haar halssnoer keek, +En dat gij 't morgen thuis bezorgen zult. +Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande, +Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg, +En duizend mark in goud van hem begeerde, +En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.-- +Spreek op, gij drinkebroźr, wat meent ge er mee? + +DROMIO VAN EPHESUS. Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet, +Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt; +Waar' mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt, +'k Had een schrift'lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij zijt een ezel, zie ik. 15 + +DROMIO VAN EPHESUS. Dat dacht ikzelf ook alreź, +Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee, +Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht, +Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de' ezel in acht. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, +dat het maal +Beantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal. + +BALTHAZAR. Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar' ook 't eten +schraal. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel +liever zie ik den disch, +Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch. + +BALTHAZAR. Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik meer dan hoff'lijke woorden; een woord +vervliegt als rook. + +BALTHAZAR. Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik +gaarne te gast. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een +vrekkigen gastheer past. +Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied; +Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend'lijker welkomst +niet.-- +Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan! 30 + +DROMIO VAN EPHESUS. Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, +Jaan! + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Bloed, domoor, ezel, schaapskop, +lompe beer! +Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer! +Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij 't dozijn, +Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn! + +DROMIO VAN EPHESUS. Wat lomperd werd portier hier?--Doe open, mijn +meester wacht. + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Hij ga van waar hij kwam, en neem +voor de koū zich in acht. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat +ons door. + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Ja heer, 'k zeg u wanneer, als +gij mij zegt, waarvoor. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet. + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). De deur is dicht van daag; wacht +tot gij ze open ziet. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt +mij daar zoo? + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Wel, die vandaag portier is, +en mijn naam is Dromio. + +DROMIO VAN EPHESUS. Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, +o schurk! u beklagen; +De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen. +Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld, +Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld. + +LUCIE (van binnen). Welk een leven! wie is 't, die voor de deur +hier staat? + +DROMIO VAN EPHESUS. Laat, Luus! wat vlug mijn heer in. + +LUCIE (van binnen). Wat heer? hij + komt te laat. +Vertel dat uw meester. 50 + +DROMIO VAN EPHESUS. Mijn god, het is te gek. +Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek. + +LUCIE (van binnen). Des te beter, dat gij daar moet blijven, +gij bloed! + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Is Luus uw naam? wel Luus dan, +dat antwoord was wel goed. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch +in, naar ik meen? + +LUCIE (van binnen). Gij hebt reeds het antwoord. + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). En dat was neen. + +DROMIO VAN EPHESUS. Wel zeker, ja, help haar; zij kan 't niet alleen! + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Kom, kreng, laat mij binnen. + +LUCIE (van binnen). Waarvoor? vraag +ik maar. + +DROMIO VAN EPHESUS. Heer, bons op de deur. + +LUCIE (van binnen). Ja, bons ze uit elkaār. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij +uw loon. + +LUCIE (van binnen). Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis +ter woon. + +ADRIANA (van binnen). Wie maakt aan de deur toch dat heidensch +gedruisch? + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Op mijn eer, in uw stad is +onrustig gespuis. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zijt gij daar eind'lijk, vrouw, voorwaar, +gij komt vrij laat. + +ADRIANA (van binnen). Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is +mijn raad. + +DROMIO VAN EPHESUS. Dat "schavuit", heer, wis blijft het u bij, +waar ge ook gaat. + +ANGELO. Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken +ons aan. + +BALTHAZAR. Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons +ontgaan. + +DROMIO VAN EPHESUS. Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten +staan. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wij komen niet in de haven; de wind is ons +hier tegen. + +DROMIO VAN EPHESUS. Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in +den regen. +Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koū, 71 +Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou? + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt +ons geklop? + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Breek in, als gij durft, en ik +breek u uw schurkenkop. + +DROMIO VAN EPHESUS. Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen +wel stuiten, +En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten. + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Eer breekt ge uw woord dan de deur; +gij gaat u in woorden te buiten. + +DROMIO VAN EPHESUS. En gij zijt buiten westen. Voor 't laatst nog, +laat ons binnen. + +DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Als vogels zonder veźren zijn, +en visschen zonder vinnen. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een +koevoet hier. + +DROMIO VAN EPHESUS. Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker +dan een stier. +Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veźren, +Die enk'le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan! + +BALTHAZAR. Bedwing u, heer, niets overijld gedaan! +Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort, +En bracht de vlekk'looze eer van uwe vrouw +Licht in 't bereik van achterdocht en laster. +In 't kort: gij kent haar lang; haar schrand're geest, +Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg, +Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd; +En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen, +Dat thans de deur voor u gesloten blijft. +Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen, +En laat ons in den Tijger saam gaan eten; +En tegen de' avond gaat ge alleen naar huis, +En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef. +Want tracht gij met geweld hier in te breken, +Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopen +Er daad'lijk dwaze praatjes door de stad, +En vinden ingang bij 't gemeene volk; +En zoo wordt op uw vlekkeloozen naam +Een booze smet geworpen, die blijft kleven, +En na uw dood uw graf onteeren zou; +Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot, +En blijft aan 't groeien, waar zij wortel schoot. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan, 107 +En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn. +Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend, +Vol geest, gevat,--ja vrij, maar toch ook zacht; +Daar zullen we eten; 't is een meisje, waar +Mijn vrouw,--doch ik bezweer u, zonder reden +Zich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haar +Gebruiken wij het maal.--Ga gij naar huis, +En haal den ketting;--die is nu wel klaar;-- +En breng hem, bid ik, met u in den Egel; +Want dat is 't huis; dien ketting schenk ik nu,-- +Al waar' het enkel om mijn vrouw te plagen,-- +Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed. +'k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen, +En klop nu elders aan om onderkomen. + +ANGELO. Gij ziet mij ras daar bij u, binnen 't uur. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ja doe dat, goed.--Die grap wordt wel wat duur. + +(Allen af.) + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Binnenplein in het huis van Antipholus van Ephesus. + +Luciana en Antipholus van Syracuse komen op. + +LUCIANA. Antipholus, is 't moog'lijk? Gij verzaakt +Uw plicht van echtgenoot? wat worm ontstal +Uw jonge liefdebloem het hart? hoe raakt +Uw jong geluk, bij de' opbouw, in verval? +Naamt gij mijn zuster om den wil van 't geld, +Behandel om den wil van 't geld haar goed; +Mint gij thans elders, hįįr zij 't niet gemeld, +Verberg uw valschheid diep in uw gemoed; +Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez', +Uw tong uw eigen schande nooit verkonde; +Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees, +Hul in het vlekk'loos kleed der deugd uw zonde; +Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet; +Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil'ge speelt; +Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet? +Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt! +'t Is boos, afkeerig van haar kus te zijn, +Maar dubbel, dat gij 't aan den disch verraadt; +Door fraaie taal redt schande vaak den schijn, +Maar booze taal is dubbel-booze daad. +O, veins slechts liefde en--ach! zoo is de vrouw!-- +Wij achten 't waar; gij hebt onze' angst gestild; +Geeft gij aan and'ren de' arm, en ons de mouw, +Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt. +Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch! +Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man; +Een weinig huich'lens is een vroom bedrog. +Als zoete vleitaal twist bedwingen kan. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Volschoone!--wat uw naam is, weet ik niet, +Noch door wat wonder gij den mijnen weet;-- +Doch grooter wonder boeit mijn oog; het ziet +Een hemelgeest, met lieflijkheid omkleed. +Zeg, dierb're, hoe ik denken, spreken moet; +Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak, +Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt, +Den duist'ren zin van wat uw mond daar sprak. +Gij doet mij twijf'len, of ik niet verschil +Van wat ik was, voert me in een tooverland; +Zijt ge een godin, die mij vervormen wil? +Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand. +Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar: 41 +Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw; +Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar, +Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw. +Lok niet in uwer zuster tranenmeer +Mij, schoone meer-elf, met verdervend lied; +Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer, +En spreid uw haargoud op den zilv'ren vliet; +Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust, +En stel met trots mij voor, dat, als ik zink, +De dood aldus gewin is, weelde en lust;-- +Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink'! + +LUCIANA. Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet +niet recht. + +LUCIANA. Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wijl 't, schoone zon! gestaard heeft in +uw stralen. + +LUCIANA. Blik waar 't behoort, en 't oog herwint zijn kracht. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zou 'k turen, mijn geliefde, in sombre nacht? + +LUCIANA. Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Uw zusters zuster! + +LUCIANA. Mijne zuster! + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. O! +Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven, +Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven, +Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een'ge have, +Mijn aardsche hemel, een'ge hemelgave! + +LUCIANA. Dat alles is mijn zuster, moest het zijn. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn. +U wijd ik mij, u zweer ik eeuw'ge trouw; +Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw; +Reik mij uw hand! + +LUCIANA. O zwijg, heer, houd u stil! +Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil. + +(Luciana af.) + +(Dromio van Syracuse komt haastig aangeloopen.) + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe? 72 + +DROMIO VAN SYRACUSE. Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw +slaaf? ben ik mijzelf? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij +zijt uzelf. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; +ik ben niet mijzelf. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor +aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij +wil hebben. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Welke aanspraak maakt zij op u? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw +paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat +zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer +beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat is zij voor een schepsel? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, +waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: "met verlof +gezegd." Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is +zij een verwonderlijk vette partij. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe zoo een vette partij? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en +al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, +dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen +licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een +Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, +brandt zij een week langer dan de heele wereld. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe ziet zij er uit? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht +wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij +zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat is een gebrek, dat met water te +verbeteren is. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; +geen zondvloed zou het kunnen doen. 109 + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe is haar naam? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: +'n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dus, zij is nog al breed? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Zij is niet hooger, dan zij breed is; zij is +een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan +de moerassen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Schotland? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden +in de holte van haar hand. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Frankrijk? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand +tegen zijn hoofd. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Engeland? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets +wits vinden; doch ik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten +stroom tusschen haar kin en Frankrijk. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Spanje? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de +hitte er van in haar adem. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Amerika en de beide Indiėn? + +DROMIO VAN SYRACUSE. O heer, op haar neus, die over en over met +robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar +den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, +om aan haar neus lading in te nemen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar liggen Belgiė en de Nederlanden? + +DROMIO VAN SYRACUSE. O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het +kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,--noemde mij +Dromio,--bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,--vertelde mij, +welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op +mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn +linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als +voor een heks. + +En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo + weet dit: +Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het + spit. 151 + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Begeef u oogenblikk'lijk naar de haven, +Want waait er een'ge wind van land naar zee, +Dan blijf ik in deez' stad geen nacht meer over;-- +Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt; +Ik loop daar op en neer, totdat gij komt. +Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar! +Is vluchten best en blijven vol gevaar. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Snel, als een wand'laar, voor een beer beducht, +Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht. + +(Dromio van Syracuse af.) + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. In deze plaats zijn enkel heksen thuis; +En daarom is 't hoog tijd van hier te gaan. +Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw, +Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster, +Onwederstaanbaar door bevalligheid, +Betoov'rend door haar wezen en gesprek, +Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf. +Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang, +Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang. + +(Angelo komt op.) + +ANGELO. Antipholus! + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ja, ja, dat is mijn naam. + +ANGELO. Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting. +Ik had hem u in de' Egel wel gebracht, +Maar hij is pas zoo even klaar gekomen. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. En wat moet ik met dezen ketting doen? + +ANGELO. Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt. 175 + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Voor mij gemaakt, heer? 'k Heb hem niet + besteld. + +ANGELO. Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal. +Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee; +Ik hoop van avond bij u aan te komen +En haal dan voor den ketting zelf het geld. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ontvang, heer, liever thans het geld, + want anders +Ziet gij misschien noch geld noch ketting ooit. + +ANGELO. Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer! + +(Angelo af.) + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een vreemd geval! wat is dit nu alweer? +Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die niet +Een gift aanvaardt, die men zoo hoff'lijk biedt. +En ik erken, hier is nog wel te leven, +Als vreemden zoo maar gouden ketens geven. +Doch naar de markt, en Dromio gewacht; +Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht. + +(Antipholus van Syracuse af.) + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een open plein. + +Een Koopman, Angelo en een Gerechtsdienaar komen op. + +KOOPMAN. Gij weet, met Pinkst'ren was de som verschuldigd, +En sedert drong ik niet bijzonder aan, +En zou het nog niet doen, maar 'k moet op reis +Naar Perziė, waartoe ik geld behoef. +Gelief mij dus onmidd'lijk te betalen, +Of deze man voert u ter gijz'ling heen. + +ANGELO. Gelijk bedrag als ik u schuldig ben, +Heb ik te vord'ren van Antipholus. +Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ik +Aan hem een keten overhandigd, en +Te vijf uur zou ik daar het geld voor innen. +Wil mij dus begeleiden naar zijn huis, +Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af. + +(Antipholus van Ephesus en Dromio van Ephesus komen op.) + +GERECHTSDIENAAR. Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga, +Mij een eind touw, want dat heb ik bestemd +Voor mijne vrouw en die haar helpers waren +Om op den dag mij buitenshuis te sluiten. +Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug, +En koop het touw en breng 't mij thuis. + +DROMIO VAN EPHESUS. Dat is 20 +Wel duizend ponden 's jaars mij waard! een touw! + +(Dromio van Ephesus af.) + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend! +Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting, +Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam. +Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zij +Werd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet? + +ANGELO. Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota, +Hoeveel uw ketting weegt, tot op 't karaat, +'t Gehalte van het goud, en 't duur fatsoen; +Het is zoo omtrent drie dukaten meer, +Dan ik aan dezen koopman schuldig ben; +Voldoe gij hčm thans, bid ik, want hij moet +Ras onder zeil en wacht op niets dan dit. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb op 't oogenblik het geld niet bij mij, +En heb ook in de stad nog iets te doen. +Breng, beste heer, den vreemd'ling naar mijn huis, +En neem de keten mee en vraag mijn vrouw, +Dat zij die in ontvangst neem' en voldoe. +Misschien ben ik er even vroeg als gij. 39 + +ANGELO. Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf? + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Neen, doe gij 't maar; ik mocht mij eens + verlaten. + +ANGELO. Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer? + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt; +Want anders gaat gij zonder geld naar huis. + +ANGELO. Neen, geef de keten, heer, in allen ernst; +De koopman wordt gewacht door wind en tij, +En 'k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp'len, +Dat gij mij in den Egel zitten liet. +Het was aan mij u daarom hard te vallen, +Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist. + +KOOPMAN. De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit! + +ANGELO. Gij hoort, hoe hij mij dringt;--de keten, heer! + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld. + +ANGELO. Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zend +De keten, of geef een bewijs mij mee. 56 + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. O foei, dat is geen scherts meer; 't gaat +te ver; +Waar is de ketting? 'k Bid u, toon hem mij. + +KOOPMAN. Mijn zaken dulden die vertraging niet. +Spreek, heer, hoe is 't? betaalt gij mij of niet? +Zoo niet, dan neem' die dienaar hem gevangen. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik u betalen? wat zou ik betalen? + +ANGELO. Wat gij mij voor de keten schuldig zijt. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig. + +ANGELO. Ik heb ze voor een half uur u gegeven. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij + 't zegt. + +ANGELO. Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij 't ontkent. +Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel. + +KOOPMAN. Neem, dienaar, hem in hecht'nis op mijn klacht. + +GERECHTSDIENAAR. Ik geef gehoor.-- +In naam des hertogs hebt gij mij te volgen. + +ANGELO. Dit komt mijn goeden naam te na.-- +Kies dus: betaal die som voor mij aan hem, +Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz'ling. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik zou betalen, wat ik nooit ontving? +Neem mij in hecht'nis, schaapskop, als gij durft. + +ANGELO. Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.-- +Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hij +Mij zoo in 't openbaar te schande maakte. + +GERECHTSDIENAAR. 'k Neem u in hecht'nis, heer. Gij hoort de klacht. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.-- +Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur, +Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert. + +ANGELO. Nu, heer, er is nog recht in Ephesus, +Dat u beschamen zal; ik ben gerust. 83 + +(Dromio van Syracuse komt op.) + +DROMIO VAN SYRACUSE. Er is een schip van Epidamnum, heer, +Dat enkel op de komst des reeders wacht, +Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer, +Heb ik aan boord gebracht en 'k heb ook de olie, +Den balsem, de aqua vitae aangekocht. +Het schip is zeilreź; lustig blaast de wind, +Aflandig; en op niets meer wordt gewacht, +Dan op den eig'naar, meester, en op u. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Weer een bezeet'ne! welk een schip, gij + schaapskop, +Van Epidamnum wacht alleen op mij? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij dronken slaaf, gij, moest een touw + mij halen; +En 'k zeide u ook waarom en tot wat einde. + +DROMIO VAN EPHESUS. Een touw, heer? dan toch met een schip aan 't eind? +Gij zondt mij naar de haven, om een schip. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik doe die zaak wel nader met u af, +En leer uw ooren beter acht te geven. +Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana, +Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg, +Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed, +Een beurs vindt met dukaten; breng die hier, +En deel haar mee, dat ik op straat in hecht'nis +Genomen ben en borg wil stellen. Vlug!-- +'k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is. + +(De Koopman, Angelo, Gerechtsdienaars en +Antipholus van Ephesus af.) + +DROMIO VAN SYRACUSE. Naar Adriana? dat is waar wij aten, +Waar Dowsabel tot man mij hebben wil! +Ze is al te dik, naar 'k hoop, voor mijn omarming. +Al heb ik weinig lust, ik moet er heen; +Een meester heeft een wil, een dienaar geen. + +(Dromio van Syracuse af.) + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Binnenhof in het huis van Antipholus van Ephesus. + +Adriana en Luciana komen op. + +ADRIANA. Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd? +Gelooft gij, dat hij 't waarlijk meende? spreek! +Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagt +Ge er leed of vreugd in? was hij rood of bleek? +En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht, +Ook strijd des harten op zijn aangezicht? + +LUCIANA. Hij zwoer: gij hadt op hem in 't minst geen recht. + +ADRIANA. Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht. + +LUCIANA. Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd'ling wist. + +ADRIANA. Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is 't. + +LUCIANA. Toen nam ik uw partij. + +ADRIANA. En wat deed hij? 11 + +LUCIANA. Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij. + +ADRIANA. En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan? + +LUCIANA. Kįns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan. +Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,-- + +ADRIANA. Spraakt gij zoo lief? + +LUCIANA. O stil toch! welk een gloed! + +ADRIANA. Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in; +Nu hebb', zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin! +Hij is verdraaid, krombeenig, rimp'lig, oud, +Van top tot teen een monster, hartloos, koud, +Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer, +Misvormd naar 't lijf, maar naar den geest nog meer. + +LUCIANA. En plaagt u ijverzucht om zulk een man? +Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan? + +ADRIANA. O, maar ik acht hem beter dan ik zeg; +Als and'rer oog hem maar zoo haatlijk vond! +De kievit schreeuwt, is hij van 't nest ver weg; +Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond. + +(Dromio van Syracuse komt op.) + +DROMIO VAN SYRACUSE. Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit + haar open! + +LUCIANA. Waarom zoo buiten adem? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Is dat loopen! + +ADRIANA. Waar is uw meester, Dromio? Is 't hem wel? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Hij is in 't voorportaal, neen, in de hel! +Hem heeft een duivel beet, in eeuw'gen dos, +Een man, wiens hart met staal benageld is; +Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer, +Een kerel, gansch gehuld in buffelleźr, +Zoo'n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt; 37 +En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt; +Een hond op 't valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt, +En arme zielen, vóór 't gericht, ter helle sleurt. + +ADRIANA. Spreek, man, 'k begrijp u niet. + +DROMIO VAN SYRACUSE. En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep. + +ADRIANA. Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd? + +DROMIO VAN SYRACUSE. 'k Weet niet, op welke klacht hij in hecht'nis + is gebracht, +Maar die het deed, was in een buffelleźren dracht. +Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist? + +ADRIANA. Ga 't halen, zuster. (Luciana af.)--'k Sta verwonderd, dat +Mijn man zoo iets als stille schulden had.-- +Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Niet om papier, maar om een sterker ding; +Een keten, keten was 't! Wat hoor ik, kling ling ling! + +ADRIANA. Hoort gij de keten daar? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan; +'t Was twee, toen 'k hem verliet, en 'k hoor het één daar slaan. + +ADRIANA. Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom! + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt + het en keert om. + +ADRIANA. Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde 't ooit? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op + 't uur betalen nooit. +En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht, +Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht! +Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht, +Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht? + +(Luciana komt terug, met een beurs.) + +ADRIANA. Hier, Dromio, breng hem 't geld, en vlug! met spoed! +En kom terstond toch met uw meester thuis.-- +Ach, zuster, 'k weet niet, wat ik denken moet; +Nu geeft mij 't denken troost, dan is 't mijn kruis. + +(Allen af.) + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een open plein. + +Antipholus van Syracuse komt op. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik kom geen sterv'ling tegen of hij groet mij, +Als ware ik hun een welbekende vriend; +Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam; +Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich; +Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid; +Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop; +Daar even riep een snijder me in zijn winkel, +En liet mij zijde zien, voor mij ontboden, +En nam meteen mij ongevraagd de maat. +Geen twijfel, 't moeten droomgezichten zijn, +En Laplands heksenmeesters huizen hier. + +(Dromio van Syracuse komt op.) + +DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt +uitgestuurd.--Maar waar hebt gij dat evenbeeld van den ouden Adam in +zijn nieuw gewaad gelaten? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, +den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat +voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, +als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Mensch, ik versta u niet. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen +den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; +den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; +den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt +en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn +ambtsstaf meer exploten gedaan heeft, dan een Moor met zijn piek. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn +banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; +een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: "Blijf maar zitten!" + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt +er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, +dat de brik "Voorwaarts" van avond zee kiest; maar toen werdt gij +door een rakker genoopt te blijven op de kogge "Rustuit". Hier zijn +de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden. 41 + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. De kerel is verbijsterd, maar ik ook; +Van de eene dwaling komen wij in de and're; +Een goede geest help' veilig ons van hier! + +(Een Courtisane komt op.) + +COURTISANE. Getroffen, heer Antipholus, getroffen! +Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet; +Is dat de keten, heden mij beloofd? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Meester, is dit mejuffer Satan? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het is de duivel. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, erger dan dat, zij is des duivels moźr, +die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, +als de deernen zeggen: "De Duivel hale mij", dit zooveel wil zeggen +als: "Ik zou een lichte deerne willen zijn". Daar staat geschreven, +dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel +van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken +aan. Kom haar niet te na. + +COURTISANE. U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed. +Gaat gij weer mee? Ook 't avondmaal is goed. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost +en zorg voor een langen lepel. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom, Dromio? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen +lepel hebben. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij +zijt, +Zooals gij allen zijt, een tooverkol; +Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort! + +COURTISANE. Geef dan den ring, dien ik aan 't maal u gaf, +Of wel de keten, die gij hebt beloofd; +Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Meest vragen heksen naar een nagelsnippel, +Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets, +Een noot, een kersepit, +Die daar wat meer, een gouden keten, ja! +Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammelt +De duivel ons er schrik mee op het lijf. + +COURTISANE. Ik bid u, heer, den ring of wel de keten; +'k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio. + +DROMIO VAN SYRACUSE. "Nooit ijdel", zei de pauw; die les is niet van +stroo. 81 + +(Antipholus en Dromio van Syracuse af.) + +COURTISANE. Nu, buiten kijf, Antipholus is gek; +Want anders stelde hij zich zoo niet aan. +Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard, +Heeft hij een gouden keten mij beloofd, +En nu ontkent hij mij čn 't een čn 't ander. +Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleen +Door dit bewijs van dolle drift, maar ook +Door 't dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed, +Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield. +Gewis zijn haar zijn vlagen welbekend +En hield zij daarom 't huis voor hem gesloten. +Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed, +En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dol +Mijn woning binnendrong en met geweld +Den ring me ontnam. Ja, die manier is goed; +Veertig dukaten waar' te groot bankroet. + +(De Courtisane af.) + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Op dezelfde plaats. + +Antipholus van Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet; +Maar geef u, eer ik van u ga, de som, +Waarvoor gij mij in hecht'nis hebt genomen. +Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd, +En schenkt misschien mijn bode geen geloof. +Dat ik in Ephesus gegijzeld werd, +Geloof mij, 't zal haar schril in de ooren klinken. + +(Dromio van Ephesus komt op, met een eind touw.) + +Daar komt mijn dienaar, denk'lijk met het geld.-- +Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest? + +DROMIO VAN EPHESUS. Zie maar, genoeg om allen te betalen. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Maar waar is 't geld? + +DROMIO VAN EPHESUS. Wel, heer 'k heb met het geld het touw betaald. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw? + +DROMIO VAN EPHESUS. Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis? + +DROMIO VAN EPHESUS. Om een eind touw, en 'k breng dat eind u hier. 17 + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan. + +(Hij slaat hem.) + +GERECHTSDIENAAR. Geduld, mijn waarde heer, geduld. + +DROMIO VAN EPHESUS. Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben +de lijdende partij. + +GERECHTSDIENAAR. Kom aan, hou je mond. + +DROMIO VAN EPHESUS. Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis +te houden. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel! + +DROMIO VAN EPHESUS. Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf +zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, +precies als een ezel. + +DROMIO VAN EPHESUS. Ja, ik ben een ezel, inderdaad; 't is aan mijn +ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.--Ik heb hem gediend +van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor +mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, +maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; +ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de +deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; +ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar +kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, +zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen. + +(Adriana, Luciana, de Courtisane en Knijp komen op.) + +DROMIO VAN EPHESUS. Meesteres, "Respice finem", denk aan uw einde, +of liever aan de voorspelling van den papegaai: "Pas op voor het +eindje touw!" + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Maakt gij nog praatjes? + +(Hij slaat hem.) + +COURTISANE. Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol? + +ADRIANA. Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel. +Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp; +Geef, beste heer, hem zijn verstand terug, +En wat gij vordert, zal ik u betalen. + +LUCIANA. Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond! 53 + +COURTISANE. Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij! + +KNIJP. Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hier is mijn hand en dat uw oor die voel'! + +(Hij geeft hem een oorveeg.) + +KNIJP. Gij satan, die in dezen mensche huist, +Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden, +En spoed u heen naar 't rijk der duisternis; +Bij alle heil'gen, geef gehoor, ik ban u! + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zwijg, suffe toov'naar, zwijg, ik ben niet dol. + +ADRIANA. Ach, waar' dit zoo, gij zwaar beproefde ziel! + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek! +Deed die snaak daar met dat saffraangezicht +Vandaag in mijne woning zich te goed, +Terwijl de deur u helersdiensten deed +En mij den toegang tot mijn huis ontzeide? + +ADRIANA. O man, God weet, gij hebt te huis gegeten; +O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd, +Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard! + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Te huis gegeten!--Vlegel, wat zegt gij? + +DROMIO VAN EPHESUS. Te huis gegeten!--heer, neen, waarlijk niet. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten? + +DROMIO VAN EPHESUS. Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt? + +DROMIO VAN EPHESUS. In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En heeft haar keukenmeid mij niet bespot? + +DROMIO VAN EPHESUS. Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En ging ik niet in dolle woede weg? + +DROMIO VAN EPHESUS. Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen; +Die heeft uw dolle woede wel gevoeld. 81 + +ADRIANA. Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden? + +KNIJP. Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming, +Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz'len! + +ADRIANA. Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding, +Door Dromio hier, die 't ijlings hebben moest. + +DROMIO VAN EPHESUS. Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil, +Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan +halen? + +ADRIANA. Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem. + +LUCIANA. Ik kan getuigen, dat zij 't goud hem gaf. + +DROMIO VAN EPHESUS. God en de touwverkooper zijn getuigen: +Niets anders moest ik halen dan een touw. + +KNIJP. Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar; +Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken! +Men boeie en breng' hen in een donk're cel. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS (tot Adriana). Spreek, waarom sloot gij + heden mij de deur? +(Tot Dromio.) En waarom loochent gij de beurs met goud? + +ADRIANA. Maar, beste man, ik sloot de deur u niet. + +DROMIO VAN EPHESUS. En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen; +Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht. + +ADRIANA. Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch + in alles; +En zijt het met vervloekte schoeljes eens, +Om hoon en smaad te staap'len op mijn hoofd; +Maar 'k rijt u met mijn nagels de oogen uit, +Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien. + +ADRIANA. O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af! + +KNIJP. Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist. + +LUCIANA. Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan! + +(Drie of vier Helpers komen op, om Antipholus +van Ephesus te binden, die tegenstand biedt.) + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat! legt gij 't op mijn leven toe? Gij rakker, +'k Ben uw gevang'ne; duldt gij, dat zij mij +Aan u ontrukken? 114 + +GERECHTSDIENAAR. Mannen, laat hem los; +'t Is mijn gevang'ne; gij blijft van hem af. + +KNIJP. Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten. + +(Zij trachten ook Dromio van Ephesus te binden.) + +ADRIANA. Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee? +Is 't u een lust, als een ellendig man +Zichzelven kwaad en leed en schande doet? + +GERECHTSDIENAAR. 't Is mijn gevang'ne; ontsnapt hij mij, dan wordt, +Wat hij betalen moet, op mij verhaald. + +ADRIANA. Daarvan onthef ik u, aleer ik ga. +Breng mij tot hem, die 't geld te vord'ren heeft! +Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald. +En, goede dokter, breng hem ongedeerd +Bij mij aan huis!--O diep onzaal'ge dag! + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. O diep onzaal'ge sloor! + +DROMIO VAN EPHESUS. Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam! + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol? + +DROMIO VAN EPHESUS. Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester, +Wees dol! schreeuw: "Duivel! Hel!" + +LUCIANA. God helpe u, armen! ach wat ijd'le taal! + +ADRIANA. Gaat, voert hem weg!--Kom, zuster, ga met ons. + +(Knijp en zijn Helpers af, met Antipholus +van Ephesus en Dromio van Ephesus.) + +Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld. + +GERECHTSDIENAAR. Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien? + +ADRIANA. Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig? + +GERECHTSDIENAAR. Twee honderd stuks dukaten. + +ADRIANA. En waarvoor? + +GERECHTSDIENAAR. 't Is voor een ketting, aan uw man geleverd. + +ADRIANA. Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen. + +COURTISANE. Zeer kort, nadat vandaag uw man als dol +Bij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,-- +Dien ik daareven aan zijn vinger zag,-- +Kwam ik hem tegen met een gouden keten. + +ADRIANA. Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.-- +(Tot den Gerechtsdienaar.) Kom, breng mij naar den goudsmid; + ik verlang +Te weten, wat er van dat alles is. + +(Antipholus van Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd door +Dromio van Syracuse.) + +LUCIANA. God sta ons bij, daar zijn zij weder los! + +ADRIANA. En 't zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hem +Op nieuw te binden! + +GERECHTSDIENAAR. Voort! het geldt ons leven! + +(Adriana, Luciana en de Gerechtsdienaar af.) + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed; +O, waren wij reeds goed en wel aan boord! + +DROMIO VAN SYRACUSE. Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal +ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons +toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet +gezegd zijn;--en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw +wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven +en ook heksenmeester te worden. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier; +Dus voort, en alles nu aan boord gebracht! + +(Beiden af.) + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Voor een vrouwenklooster. + +De Koopman en Angelo komen op. + +ANGELO. Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde, +Maar 'k zweer u, dat ik hem de keten gaf, +Al is hij laag genoeg om dit te looch'nen. + +KOOPMAN. Hoe staat de man hier in de stad bekend? + +ANGELO. Hij heeft een besten naam, heer; zijn crediet +Is onbeperkt, hij algemeen bemind; +Hij is van de allereersten van de stad, +Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord. + +KOOPMAN. Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds. + +(Antipholus van Syracuse en Dromio van Syracuse komen op.) + +ANGELO. Hij is 't; met de eigen keten om den hals, +Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien! +Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.-- +Signor Antipholus, ik sta verbaasd, 13 +Dat gij in ongelegenheid mij brengt, +En, waarlijk niet in 't voordeel van uw naam, +Door woord en eed de ontvangst geloochend hebt +Der keten, die gij openlijk nu draagt. +Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz'ling, +Deedt ge onrecht, schade aan deez' mijn wakk'ren vriend, +Die, had hem onze twist niet opgehouden, +Nu onder zeil zou zijn, in volle zee. +Ik leverde u die keten; kunt gij 't looch'nen? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij deedt het, zeker; ik ontkende 't nooit. + +KOOPMAN. Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wie hoorde die verlooch'ning; wie dien eed? + +KOOPMAN. Gij weet wel, dat mijn eigen ooren 't hoorden. +Ellend'ling foei! 't is zonde, dat gij leeft, +En nog verkeert waar brave lieden zijn. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont. +Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw straf +Mijn eer en eerlijkheid terstond u staven. + +KOOPMAN. Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt. + +(Zij trekken de degens.) + +(Adriana, Luciana, de Courtisane en Anderen komen op.) + +ADRIANA. Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.--33 +Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindt +Ook Dromio, en voert hen naar mijn huis. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Loop, meester, loop; ga, red u in een huis, +In 't klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren! + +(Antipholus en Dromio van Syracuse vluchten in het klooster.) + +(De Abdis komt op.) + +ABDIS. Stil, menschen! Wat is 't doel van dezen oploop? + +ADRIANA. Mijn van 't verstand beroofden man te halen. +Ach, laat ons in, opdat wij hem weer binden +En ter verpleging voeren naar zijn huis. + +ANGELO. Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn. + +KOOPMAN. Nu is 't mij leed, dat ik den degen trok. + +ABDIS. Hoe lang is 't, dat uw man waanzinnig werd? + +ADRIANA. Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil, +Ontstemd, een ander man dan ooit te voren, +Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemming +Zich in een vlaag van razernij geuit. + +ABDIS. Is hem een kostlijk schip op zee vergaan? +Een dierb're vriend gestorven? Heeft zijn oog +Misschien zijn hart verleid tot laakb're min? +Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen, +Die al te vrij hun oogen zwerven doen. +Wat van dit alles was het, dat hem trof? + +ADRIANA. Niets van dit alles, of misschien het laatste: +Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis. + +ABDIS. Hadt dan daarover ernstig hem berispt! + +ADRIANA. Dit deed ik wel. + +ABDIS. Misschien niet streng genoeg. + +ADRIANA. Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet. + +ABDIS. Als gij alleen waart? + +ADRIANA. Ook wel in gezelschap. + +ABDIS. Maar moog'lijk niet genoeg. + +ADRIANA. O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders; +In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op; +Alleen met hem, was dit mijn onderwerp; +En waren we onder menschen, 'k doelde er op; +"'t Was laag en slecht", ziedaar mijn gansch gesprek. + +ABDIS. En daardoor werd de man ten laatste gek; +'t Venijnig razen van jaloersche vrouwen +Doodt wisser dan de beet eens dollen honds; +Door uw gekijf werd hij belet te slapen, +En daardoor werd hij eindlijk zwak in 't hoofd; +Met uw verwijten werd zijn maal gesausd; +Onrustig eten stoort de spijsvertering; 74 +Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt; +En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin? +Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken; +Maar roof eens ied're vroolijkheid,--wat volgt? +Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zuster +Van radelooze, onstuimige vertwijf'ling +Met haren langen stoet, verderf verspreidend, +Van bleeke kwalen, vijanden van 't leven? +Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoor +Gestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor, +Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzucht +Nam wis uws mans verstand in 't eind de vlucht. + +LUCIANA. Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw; +Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.-- +Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets? + +ADRIANA. Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.-- +Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier! + +ABDIS. Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen. + +ADRIANA. Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen. + +ABDIS. Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich; +En die zal hem beschermen voor uw hand, +Tot ik hem zijn verstand hergeven heb, +Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken. + +ADRIANA. Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wil +Zijn krankheid heelen, dit is mijne taak; +En hierbij trede niemand in mijn plaats; +Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem'. + +ABDIS. Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schat +Van welgestaafde midd'len heb beproefd, +Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden, +Om hem een man als vroeger te doen zijn. +Dit is van de gelofte, die ik deed, +Een deel, een heil'ge liefdeplicht der orde; +Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij. + +ADRIANA. Ik gaan, met achterlating van mijn man? +Voorwaar, het is geen heilig doen, als gij +De vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot. + +ABDIS. Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit. + +(Abdis af.) + +LUCIANA. Klaag over deze krenking bij den hertog. + +ADRIANA. Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen, +En rijs niet, eer mijn tranen en gebeden +Van hem verwerven, dat hij herwaarts koom', +En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk'. + +KOOPMAN. De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf; +Zoo daad'lijk komt de hertog zelf hier langs +Op zijnen weg naar 't somber dal des doods, +De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden; +Zij ligt aan de overzij der kloostergracht. + +ANGELO. Wat roept hem daar? 123 + +KOOPMAN. Een achtbaar man, een Syracusisch koopman, +Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,-- +Wat tegen onze wetten strijdt,--en wordt +Om dit vergrijp in 't openbaar onthoofd. + +ANGELO. Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij. + +LUCIANA. Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat. + +(De Hertog met zijn Gevolg, Ęgeon, blootshoofds, vergezeld van +den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.) + +HERTOG. Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd; +Wanneer een vriend de som voor hem betaalt, +Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe. + +ADRIANA. O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis! + +HERTOG. De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw! +Onmoog'lijk is 't, dat zij u onrecht deed. + +ADRIANA. Vergun mij, edel vorst: Antipholus, +Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid, +Tot heer van mij en 't mijne maakte, werd +Deez' boozen dag van razernij bevangen, +Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar, +Als een bezeet'ne door de straten liep, +En tot ontstelt'nis van de burgers, binnen +Hun huizen drong, juweelen roofde, ringen, +Ja alles, waar zijn razend oog op viel. +Ik liet hem binden, voeren in ons huis, +En ging toen uit om weder goed te maken, +Wat hier of daar zijn woede had misdaan. +Maar,--'k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,-- +Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers, +Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij; +En beide', ontvlamd in woede, 't zwaard ontbloot, +Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten, +Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug, +Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten, +Door ons vervolgd, in deze abdij; en hier +Sluit nu de abdis de poort voor ons en weigert +Aan ons verlof, dat wij hem komen halen, +En weigert ook, hem aan ons uit te leev'ren. +Gelast dus, eed'le hertog, dat hij ons +Gebracht word' ter verpleging in zijn huis. 160 + +HERTOG. Uw man heeft mij in de' oorlog goed gediend, +En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand, +Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet, +Door daden steeds hem alle gunst te toonen. +Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort; +Ik wensch de abdis te hooren, want ik wil +De zaak beslechten, eer ik verder ga. + +(Een Dienaar komt op.) + +DIENAAR. Meest'res, meest'res, o snel! en red u, snel! +Want heer en dienaar zijn weer los, de meiden +Geranseld en de dokter vastgebonden; +Dien zengden zij met brandend hout den baard; +En als die vlamde, goten zij met kuipen +Er stinkende aalt op om het haar te blusschen. +Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijl +De knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar; +Als gij niet oogenblikk'lijk bijstand zendt, +Dan dooden zij den duivelbanner nog. + +ADRIANA. Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier; +Onwaar is alles, wat gij daar bericht. + +DIENAAR. Neen, neen, meest'res, ik zweer u, het is waar; +Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik 't zag. +Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u, +Hij u 't gelaat verzengt, ontoonbaar maakt. + +(Geschreeuw achter het tooneel.) + +Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht. + +HERTOG. Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treź voor. + +ADRIANA. Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf, +Dat een onzichtb're toovermacht hem drijft! +Zoo even was hij in de abdij verborgen, +Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe. + +(Antipholus van Ephesus en Dromio van Ephesus komen op.) + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht, +Ter wille van mijn diensten in den krijg, +Toen ik u dekte met mijn lijf als schild, +Gewond werd tot uw redding; 'k vraag bij 't bloed, +Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht. + +ĘGEON. Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ik +Mijn zoon Antipholus en Dromio daar. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw! +Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt, +Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd, +Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat. +O, ongelooflijk is de smaad, dien zij +Mij schaamt'loos dezen dag heeft aangedaan. + +HERTOG. Zeg hoe, en u zal alle recht geworden. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij, +Terwijl zij binnen met schavuiten braste. 205 + +HERTOG. Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus? + +ADRIANA. Neen, eed'le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster, +Wij aten samen thuis. God straff' mijn ziel, +Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht. + +LUCIANA. 'k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen, +Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt. + +ANGELO. O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch; +Op dit punt heeft de dolleman gelijk. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg; +'k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol, +Niet blind door woede, schoon, wat mij weźrvoer, +Genoeg ware, om een wijs man gek te maken. +Die vrouw sloot mij de deur bij 't middagmaal, +En is de goudsmid hier niet in 't komplot, +Hij kan 't getuigen, want hij was er bij. +Van daar ging hij voor mij een keten halen, +Die hij me in de' Egel brengen zou, want daar +Heb ik met Balthazar gemiddagmaald. +Toen hij na 't maal nog niet gekomen was, +Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen, +En deze heer was bij hem. Maar daar zwoer +Die valsche goudsmid mij een duren eed, +Dat hij de keten mij gegeven had, +Die ik, bij God, nooit had gezien, en liet +Mij daad'lijk voor 't bedrag in hecht'nis nemen. +Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummel +Naar huis om geld; hij keerde zonder geld. +Toen heb ik mijn bewaker overreed, +Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen. +Op weg daarheen ontmoetten wij +Mijn vrouw, haar zuster en een gansche bent +Van lage saamgezwoor'nen, onder hen +Een zeek'ren Knijp, een schralen maag'ren deugniet, +Een wandelend geraamte, een marktbedrieger, +Een kalen kunstenmaker en voorspeller, +Holoogig, scherp van trekken en in lompen, +Een levend lijk. Dat aak'lig monster gaf +Zich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mij +In de oogen, voelt mijn pols, en keert +Brutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht, +En roept: "Hij is bezeten!" Toen werpt alles +Zich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis, +En brengt mij daar, te zaam met Dromio, +Gebonden, in een kil en donker hok. 247 +Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk, +Herwon mijn vrijheid en liep onverwijld +Hier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek, +Genadig mij voldoening te verschaffen +Voor een behand'ling, zoo vol schande en smaad. + +ANGELO. Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meź; +Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten. + +HERTOG. Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen? + +ANGELO. Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood, +Zag ieder hier de keten om zijn hals. + +KOOPMAN. En ik kan ook bezweren, dat mijn ooren +De erkent'nis hoorden van de ontvangst, en toch, +Gij hadt die vroeger op de markt geloochend. +En daarop trok ik tegen u het zwaard, +En zijt gij hier het klooster ingevlucht, +Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik zette nooit een voet in deze abdij; +Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en 'k heb +De keten nooit gezien. God sta mij bij! +Waar gij mij meź bezwaart, 't is alles logen. + +HERTOG. Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels! +Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe's nap. +Waar' hij hier ingevlucht, hij zou er zijn; +En waar' hij dol, hij pleitte niet zoo kalm. +Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hier +Ontkent dit stellig.--Knaap, en wat zegt gij? + +DROMIO VAN EPHESUS. Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de' Egel. + +COURTISANE. Zoo is 't, en trok dien ring mij van den vinger. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. 't Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik +van haar. + +HERTOG. En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan? + +COURTISANE. Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie. + +HERTOG. 't Is wondervreemd;--ga, roep de abdis nu hier; +Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen. + +(Een van het Gevolg af.) + +ĘGEON. Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord; +Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden, +De som, die mij bevrijdt, betalen zal. + +HERTOG. Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij. + +ĘGEON. Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar? +En die man is uw dienaar Dromio? 287 + +DROMIO VAN EPHESUS. Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer; +Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd, +Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend. + +ĘGEON. Gij beiden zult u mijner wis herinn'ren. + +DROMIO VAN EPHESUS. Neen, wij herinn'ren ons ons-zelf door u: +Wij waren pas in banden zooals gij; +Doch gij zijt geen patiėnt van Knijp, niet waar? + +ĘGEON. Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur. + +ĘGEON. Sinds gij mij zaagt, heeft droef'nis mij veranderd; +Door zorgvolle uren heeft de maag're hand +Des Tijds mij vreemde trekken ingegrift: +Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch? + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ook niet. + +ĘGEON. En Dromio, gij? + +DROMIO VAN EPHESUS. Ik ook niet, heer. + +ĘGEON. Gij kent die zeker. + +DROMIO VAN EPHESUS. Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook +iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven. + +ĘGEON. Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds! +Hebt gij in zeven jaar mijn arme tong +Doorboord, gesplitst, zoodat mijn een'ge zoon +Den zwakken toon niet kent mijns schorren kommers? +Zij mijn gerimpeld aangezicht bedekt +Met 's winters doodsche vlokkensneeuw, en werden +De buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeft +De nacht mijns levens nog herinnering, +Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn, +Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en die +Getuigen, die mij bleven, zeggen mij: +Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien. + +ĘGEON. Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het, +In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon, +Nu ik ellendig ben, mij te herkennen? + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. De hertog, en een elk, die hier mij kent, +Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is; +Ik ben in Syracuse nooit geweest. 325 + +HERTOG. Ik zeg u, Syracuser, twintig jaar +Was ik beschermer van Antipholus, +En zoo lang was hij nooit in Syracuse. +Wis maken ouderdom en angst u kindsch. + +(De Abdis komt op, met Antipholus van Syracuse en Dromio van +Syracuse.) + +ABDIS. Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed. + +(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.) + +ADRIANA. Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij. + +HERTOG. De een moet geleigeest van den ander zijn, +En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch, +En wie de geest? wie kan hen onderkennen? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan. + +DROMIO VAN EPHESUS. Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wie zijt gij, spreek! Ęgeon of zijn geest? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Mijn oude meester! wie heeft u geboeid? + +ABDIS. Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los, +En win een echtgenoot door zijn bevrijding. +Spreek, oude Ęgeon, als gij 't zijt, die eens +Een vrouw, met name Ęmilia, bezat, +Die op één dag twee schoone zoons u schonk, +Als gij dezelfde Ęgeon zijt, zoo spreek, +En spreek dan tot die zelfde Ęmilia! + +ĘGEON. Als ik niet droom, zijt gij Ęmilia! +En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon, +Die met u dreef op dien onzaal'gen mast. + +ABDIS. Door Epidamniėrs werden hij en ik, +En ook de tweeling Dromio gered; +Doch weldra namen visschers van Corinthe +Hun met geweld mijn zoon en Dromio af, +Maar lieten mij aan die van Epidamnum. +Wat later van hen werd, bleef me onbekend; +En mij viel 't lot ten deel, dat gij hier ziet. + +HERTOG. 't Verhaal van dezen morgen gaat nu voort: +Die twee Antipholussen, zoo gelijk, +En die twee Dromio's, ook van uitzicht één,-- +En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;-- +Ja, dit zijn de ouders van die beide kind'ren, +Die hier het toeval samen heeft gebracht. +Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse. + +HERTOG. Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie. 364 + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe. + +DROMIO VAN EPHESUS. En ik met hem. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hierheen gebracht door hertog Menaphron, +Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom. + +ADRIANA. Wie van u beiden at vandaag bij mij? + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik, eed'le vrouw. + +ADRIANA. En gij zijt niet mijn man? + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Neen, neen, zeg ik daarop. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo; +En deze schoone jonkvrouw, hare zuster, +Sprak steeds van zwager.--(Tot Luciana.) Wat ik toen u zeide, +Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld, +Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is. + +ANGELO. Dat is de keten, heer, die ik u gaf. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En mij, heer, deedt gij voor die keten +gijz'len. + +ANGELO. Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet. + +ADRIANA. Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld, +Door Dromio; maar 't schijnt, hij bracht het niet. + +DROMIO VAN EPHESUS. Neen, niet door mij. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. De buidel met dukaten kwam tot mij; +En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien. +Zoo trof staāg de een den dienaar van den ander; +Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij, +En zoo ontstonden die vergissingen. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader. + +HERTOG. Behoud het vrij; ik schonk hem 't leven reeds. + +COURTISANE. Heer, geef mijn diamant mij nu terug. + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hier is hij, met mijn' dank voor 't goed + onthaal. + +ABDIS. Doorluchte hertog, sta de gunst mij toe +Van met ons in de abdij te gaan, en hoor +Uitvoerig, wat ons ieder is weervaren; +En allen, die hier nu verzameld zijt, +En meegeleden hebt door al de dwaling +Van éénen dag, treedt binnen; allen zullen +Ten volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.--399 +Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ik +In arbeid over u en eerst dit uur +Werd ik van mijnen zwaren last bevrijd.-- +Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons, +En gij, kalenders van hun levenstijd, +Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd; +Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd! + +HERTOG. Ja! gaarne zal ik peter zijn op 't feest. + +(De Hertog, de Abdis, Ęgeon, de Courtisane, de Koopman, Angelo +en het Gevolg af.) + +DROMIO VAN SYRACUSE. Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen? + +ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, wat van u in den Centaurus lag. + +ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, + Dromio; +Ga thans maar mee; dat alles komt te recht. +Omarm uw broeder, wees met hem verheugd. + +(Antipholus van Syracuse, Antipholus van Ephesus, Adriana en +Luciana af.) + +DROMIO VAN SYRACUSE. Dat dikke lief van u, ginds in uw huis, +Die mij voor u tot keukenman wou maken, +Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw. + +DROMIO VAN EPHESUS. Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn + broeder; +Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch. +Komaan, naar binnen, om bij 't feest te zijn. + +DROMIO VAN SYRACUSE. Ga voor, man; gij zijt de oudste. + +DROMIO VAN EPHESUS. Dat is de vraag, hoe zullen wij 't beslissen? + +DROMIO VAN SYRACUSE. Wij zullen om 't langste strootje trekken voor +de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor. + +DROMIO VAN EPHESUS. Neen, dan zij 't zoo: +Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander; +Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander. + +(Beiden af.) + + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +Van de "Comedy of Errors" is geen afzonderlijke druk bekend; men kan +als zeker aannemen, dat het stuk voor het eerst verscheen in 1623, +in de folio-uitgave van Shakespeare's gezamenlijke tooneelwerken. In +1598 maakte Francis Meres,--zie boven blz. 120,--er gewag van, maar +zeker is het verscheiden jaren ouder en onder de eerstelingen des +dichters te rekenen. De bewijzen hiervoor zijn in het stuk zelf +te vinden. Vooreerst merke men op, welk een uitgestrekt gebruik +Shakespeare maakt van zoogenaamde _doggerel rhymes_ of knuppelverzen, +die in oudere Engelsche tooneelwerken veelvuldig gebezigd worden, +zoodat zelfs geheele stukken er in geschreven werden; Shakespeare +gebruikt ze alleen voor boertige tooneelen of gezegden, maar oudere +tooneelschrijvers achten ze ook voor ernstige onderwerpen geschikt; +zoo geeft in een ernstig stuk van 1570 of daaromtrent, _Damon and +Pithias_ geheeten, Dionysius zijn rechtspraak met deze woorden: + + + "Pithias, seeing thou takest me at my word, take Damon to thee: + For two months he is thine; unbind him, I set him free; + Which time once expired, if he appear not the next day by noon, + Without further delay thou shalt lose thy life, and that + full soon." + + +Behalve in dit stuk van Sh. vindt men deze verzen, die ongeveer het +midden houden tusschen regelmatige verzen en proza, bijna alleen +in "De getemde Feeks" (_Taming of the shrew_) en in "Veel gemin, +geen gewin" (_Love's labour's lost_), beide, of ten minste het +laatstgenoemde, onder Sh.'s eerste stukken te rekenen. In "De klucht +der vergissingen" zijn deze verzen over het algemeen regelmatiger +dan in "Veel gemin, geen gewin", waar soms alleen het rijm uitwijst, +dat er verzen bedoeld zijn; men zie daar b.v. IV. 2. 29, de regels: +"Zoo dorre planten" enz.--Een tweede bijzonderheid is het veelvuldig +voorkomen van afwisselend rijmende verzen, die Sh. in zijn Venus en +Adonis (1593) zoo meesterlijk weet te bezigen en die in de latere +stukken van Sh. zelden voorkomen, maar wel in de oudere, met name +in "Veel gemin, geen gewin", den "Midzomernachtdroom", en "Romeo +en Julia".--Volgens velen komt in "De Klucht der vergissingen" een +toespeling op de tijdsomstandigheden voor, die vermoeden doet, dat het +stuk in 1591 of 1592 geschreven is. In het tweede tooneel van het derde +bedrijf geeft de Syrac. Dromio aan zijn heer een beschrijving van de +keukenmeid uit het huis van Antipholus van Ephesus; hij vergelijkt +haar met een globe en zegt, dat hij landen op haar onderscheiden +kan. Op de vraag van zijn meester, waar dan Frankrijk ligt, antwoordt +hij: _In her forehead, armed and reverted, making war against her +heir_. Dit heir is in de tweede folio-uitgave in _hair_ veranderd, +waarschijnlijk, omdat de woordspeling met _heir_ en _hair_ niet +begrepen werd. Verstaat men _hair_, dan was het voorhoofd gewapend, +bekleed met iets, dat voortwoekerend het haar doet uitvallen en het +voorhoofd vergroot, een gevolg der Fransche ziekte, ook bij Bredero +de Francoysen genoemd. Verstaat men _heir_, erfgenaam, dan wordt er +gezinspeeld op den binnenlandschen oorlog in Frankrijk, die na het +vermoorden van koning Hendrik III, in Augustus 1589, ontbrand was +tegen zijn erfgenaam, Hendrik IV, en eerst een einde nam, toen deze, +in Juli 1593, Parijs wel een mis waard achtte. Koningin Elizabeth +had in 1591 aan Hendrik IV 4000 man hulptroepen gezonden onder Essex +en diens broeder Walter en steunde hem ook later meer dan eens op +gelijke wijze. De toestand in Frankrijk was dus ongetwijfeld in +Londen bekend genoeg, dat zulk een woordspeling met _hair_ en _heir_ +dadelijk verstaan werd.--Men weet verder, dat er in December 1594 +in Gray's Inn ter eere van een groot heer een _Comedy of Errors_ +vertoond werd, waarschijnlijk dit stuk. Later werd het ook wel voor +Koning Jacobus I opgevoerd, naar gemeld wordt op 28 December 1604. + +Neemt men aan, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is, dan zal +men der waarheid zeker zeer nabij zijn. Verder kunnen wij als zeker +aannemen, dat Sh. bekend was met het blijspel _Menęchmei_ van den +ouden Romeinschen dichter Plautus, en daaruit aanleiding putte om dit +stuk te schrijven. Wel is het oude blijspel niet vóór 1595 in het +Engelsch verschenen, maar Shakespeare was hoogstwaarschijnlijk het +Latijn genoeg machtig om Plautus in het oorspronkelijke te lezen. Er +was in Stratford een Grammarschool, dus een school, waar het Latijn +hoofdvak was; deze werd ongetwijfeld door Shakespeare bezocht en men +mag gerust vermoeden, dat hij zijn meesters geen oneer zal hebben +aangedaan en, om Plautus te leeren kennen, niet behoefde te wachten op +het verschijnen eener gebrekkige vertaling; zijn Venus en Adonis, en al +zijn oudere stukken leggen getuigenis af, dat hij het Latijn vrij goed +machtig was en de Latijnsche schrijvers, zooals Ovidius en Plautus, +in het oorspronkelijke las; in zijn latere stukken laat hij die kennis +minder uitkomen, maar men kan er toch op velerlei wijze de sporen van +opmerken, tot in den zinsbouw en de beteekenis, die hij somwijlen aan +de woorden toekent [1]. De folio-uitgave maakt het bovendien hoogst +waarschijnlijk, dat Sh. Plautus' Menęchmi in het Latijn gelezen heeft: +de Antipholus van Ephesus heet er _Sereptus_, een blijkbare fout van +den afschrijver of zetter voor _Surreptus_, "de gestolene", het woord, +waarmede in Plautus' stuk, de eene broeder telkens wordt aangeduid, +gelijk hij ook in de inhoudsopgave, het _argumentum_, driemaal zoo +genoemd wordt; de andere broeder heet in Sh.'s folio-uitgave nu eens +_erotes_, dan weder _errotes_, een dergelijke fout voor _erraticus_, +de zwervende, dus de reiziger, die zijn broeder overal gaat zoeken. + +Ter juiste waardeering van Sh.'s stuk mag het nuttig heeten, met dat +van Plautus eenigszins nader kennis te maken. Bij Plautus is geen +onder 't leed gebogen vader, die, van zijn beide zoons beroofd, +ze gaat opzoeken; de vader der tweelingen is lang dood; door een +proloog worden wij ingelicht over het vroeger gebeurde. In Syracuse +leefde een oud koopman, aan wien zijn vrouw twee geheel gelijke +tweelingen schonk. Toen de jongens zeven jaren oud waren, neemt de +vader den eenen mee op zijn reize naar de groote en rijke koopstad +van Beneden-Italiė, Tarente. Daar wordt op de markt de knaap door een +koopman uit de bekende handelsstad van Grieksch Illyriė, Epidamnus, +bij de Romeinen meest Dyrrachium geheeten, gestolen en naar zijn +woonplaats medegenomen; de vader sterft weinige dagen later van +verdriet. Toen de grootvader der tweelingen te Syracuse dit verneemt, +geeft hij aan den overgebleven tweeling, Sosicles, den naam van zijn +verloren lieveling en naamgenoot, en noemt hem dus Menęchmus.--De +koopman uit Epidamnus, die geen kinderen had, neemt den gestolen +knaap als zoon aan, bezorgt hem later een rijke vrouw, komt weldra +te sterven en laat hem al zijn schatten na. Zijn broeder Menęchmus +(Sosicles) heeft geen rust in Syracuse, maar gaat zijn broeder zoeken; +na een jaar of zes zwervens komt hij eindelijk te Epidamnus aan. + +Juist na zijn aankomst begint het stuk van Plautus. Eerst treedt de +Parasiet of Tafelschuimer van den Epidamnischen Menęchmus op, die bij +zijn begunstiger wil gaan eten. Weldra komt deze zelf uit zijn huis, +onder het uiten van verwijten tegen zijn vrouw, die jaloersch is, +en altijd weten wil waar hij heengaat. Het arme schepsel heeft er wel +reden toe, want haar man wil juist naar een liefje, een lichtekooi, +gaan, met name Erotium; hij heeft zelfs een fraai opperkleed van zijn +vrouw bij zich, dat hij heimelijk heeft weggekaapt en aan Erotium +schenken wil. Hij treft deze bij haar huis aan, geeft haar het gewaad, +en zegt, dat hij, na op de markt geweest te zijn, met zijn Parasiet +bij haar zal komen eten. Erotium zendt haar kok uit om de noodige +inkoopen te doen en gaat in huis. + +Nu komt de broeder uit Syracuse, Menęchmus-Sosicles, op. De kok, +die van zijn boodschappen terugkeert, is de eerste, die hem voor +zijn broeder aanziet; weldra doet ook Erotium, die uit haar huis te +voorschijn komt, hetzelfde; de man staat verbijsterd, dat zij niet +alleen zijn naam weet, maar ook dien zijns vaders en nog andere +bijzonderheden uit Syracuse, doch gaat op haar aandringen met haar +eten, na eerst zijn geldbuidel aan zijn slaaf Messenio te hebben +toevertrouwd.--Weldra komt de Parasiet op, die van zijn begunstiger is +afgeraakt en reeds ontevreden is, dat hij nog niet aan het lekkere maal +zit. Daar ziet hij zijn Menęchmus, zoo hij meent, uit het huis komen; +deze neemt het oppergewaad mee, met de belofte, dat hij dit nog zal +laten verfraaien. De Parasiet spreekt hem aan, maar wordt afgegrauwd, +zoodat hij woedend besluit, aan Menęchmus' vrouw het gedrag van haar +man te gaan verklappen. Juist als Menęchmus-Sosicles heen wil gaan, +komt de dienstmeid van Erotium uit het huis met een gouden ketting, +vroeger, zoo zij zegt, door hem van zijn vrouw gestolen, hij belooft +op haar verzoek, dat hij dien zwaarder en nieuwerwetscher zal laten +maken en dan aan haar meesteres zal terugbrengen; hij is echter +wel degelijk van plan dien, zoowel als den mantel, voor zich te +houden.--De Parasiet heeft inmiddels Menęchmus' vrouw met de ontrouw +van haar man bekend gemaakt, en haar ook gemeld, dat deze het gestolen +opperkleed bij zich heeft, om het nog mooier te laten maken; beiden +wachten den man op, die door zaken is opgehouden en zich nu naar +zijn liefste spoedt. Zoodra zij hem ontwaren, heeft hij het hard te +verantwoorden; liegen en ontkennen helpt hem niet; zijn vrouw wil hem +niet meer het huis laten betreden, als hij het kleed niet meebrengt +en gaat in huis. Hij gaat naar Erotium, maar wordt door haar, als +hij beweert nņch mantel nņch ketting van haar te hebben ontvangen, +met verwijten overladen en buiten gesloten, en gaat zijn vrienden +over het geval raadplegen. Nu komt de andere Menęchmus, met den mantel +om, op, wordt door de vrouw zijns broeders met verwijtingen begroet; +ten hoogste verontwaardigd, dat hij haar niet wil kennen, laat zij +haar vader roepen, die haar wel de les leest over haar wantrouwen +en jaloerschheid, maar eindelijk, daar de gewaande echtgenoot nņch +vrouw nņch schoonvader wil kennen, en zich ook opzettelijk als een +dolle aanstelt, het met haar eens is, dat hij gek is, zoodat een +geneesheer ontboden wordt. Hij weet echter te ontkomen alvorens deze +er is. De geneesheer treft daarentegen den anderen Menęchmus nabij +zijn huis aan, houdt hem om zijn ontkentenis van het gebeurde voor +waanzinnig, en ontbiedt helpers, die den dolleman willen grijpen +en medevoeren. Deze wordt echter ontzet door den slaaf Messenio, +die zijn heer in gevaar meent te zien, en tot loon voor dezen dienst +zijn vrijheid verzoekt, maar hem wel wil blijven dienen, en terstond +het toevertrouwde geld, dat veilig in de herberg geborgen ligt, gaat +halen. De gehuwde Menęchmus gaat nog eens beproeven den mantel zijner +vrouw terug te krijgen. Nu ontmoet Messenio zijn echten heer, die +niets van den bewezen dienst en de vrijlating van zijn slaaf afweet, +maar onder het gesprek komt de tweelingbroeder op en dan wordt, door +bemiddeling van den slaaf, alles opgehelderd; de broeders besluiten +samen Epidamnus te verlaten; de slaaf wordt vrijgelaten en mag den +verkoop van het huis en de goederen des Epidamniėrs bekend maken; +als er maar een kooper komt opdagen, is zelfs de vrouw te koop. + +De vergelijking van beide stukken in bijzonderheden zou het bestek +der aanteekeningen verre te buiten gaan en zij, naar aanleiding van +het medegedeelde, aan den lezer zelf overgelaten; slechts enkele +opmerkingen kunnen hier nog plaats vinden. Shakespeare heeft +aan het eene tweelingpaar een tweede toegevoegd en daardoor een +grootere en zeer vermakelijke verscheidenheid in de vergissingen +verkregen. Hij maakte daarbij gebruik van het onloochenbare recht +van den kluchtspelschrijver om toestanden te onderstellen, die +onwaarschijnlijk zijn; genoeg is het, als zij slechts mogelijk zijn en +tevens geschikt om den toeschouwer te boeien en te vermaken. Aan dit +vereischte voldoet Shakespeare's stuk ten volle. Uit de onderstelling +vloeit alles zoo geregeld mogelijk voort; en daar de toeschouwer in +het geheim is en veel meer weet dan de optredende personen, vindt +hij genot in het gevoel, dat hij alles, wat voor deze een raadsel is, +zelf onmiddellijk kan oplossen. Als men daarbij nu nog in aanmerking +neemt, dat er in het stuk wel degelijk karakterschildering is, dat +er een kennelijk verschil bestaat in geaardheid tusschen de twee +gebroeders Antipholus, en ook, hoewel in geringere mate, tusschen de +twee Dromio's; dat Adriana en haar zuster Luciana, de oude Ęgeon, +de Hertog, kortom alle personen met zorg geteekend zijn,--als wij +nagaan, hoe indrukwekkend de lotgevallen van den rampspoedigen +vader zijn medegedeeld, zoodat zij ons gedurende het geheele stuk +voor den geest staan, hoe de blij-eindende ontknooping ons inderdaad +roert, geruststelt en bevredigt, dan kunnen wij niet nalaten in dit +tooneelwerk van den jeugdigen Shakespeare een meesterstuk te zien. + + + +I. 1. 13. _Verboden hier en ginder raadsbesluiten._ In een stuk, +uitgevaardigd in het begin van Elizabeth's regeering, wordt erkend, +dat beperkende bepalingen tot bescherming van eigen handel groot +ongenoegen wekken tusschen vorsten, en aan de kooplieden veel leed en +schade toebrengen. Toch riep Elizabeth zelf, weinige jaren later zulke +bepalingen in het leven. Het is, of de dichter hier wil uitdrukken, +welke noodlottige gevolgen zij desnoods zouden kunnen hebben. + +I. 1. 41. _Door meen'ge welgeslaagde reis naar Epidamnum._ Wel staat +in 't Engelsch, dat hij meen'ge reis naar Epidamnum deed, doch de +bedoeling is ongetwijfeld, dat hij menig schip met koopwaren er +heen zond, want eerst na den dood van zijn factor reisde hijzelf er +naar toe. + +I. 1. 53. _Dat naamverschil alleen verschil kon geven._ Dat de twee +kinderen ooit een verschillenden naam droegen, blijkt niet bij Sh.; +bij Plautus wel. + +I. 1. 79. _Voor de eerstgeboor'ne meest bezorgd._ Bij Sh. staat +_latterborn_, in tegenspraak met reg. 125. Daarom is hier vertaald, +alsof er _elder-born_ staat.--Het is echter ook mogelijk, dat regel +125 moet gelezen worden: _my eldest boy, and yet my youngest care_, +dan ware _jongst-geborene_ hier goed. + +I. 1. 94. _Epidaurus_ is een stad aan de oostkust van de Peloponnesus, +nabij Argos. + +I. 1. 132. _Ik heb in 't verste Griekenland_ enz. Men mag vermoeden, +dat hier een paar regels zijn weggevallen, waar Ęgeon zal gezegd +hebben, dat hij om het uitblijven van zijn zoon, besloot dezen zelf +te gaan zoeken. + +I. 2. 9. _Naar den Centaurus._ Blijkbaar is dit, zooals later ook de +Tijger (III. 1. 95), de naam van een herberg; maar Sh. geeft ook aan +huizen van bijzondere personen, zooals in zijn tijd ook ten onzent +in zwang was, in dit stuk namen, zooals de Feniks (I. 2. 75), de Egel +(III. 1. 116). + +I. 2. 56. _Een staartriem voor mijn meesteres._ In Sh.'s tijd reden, +bij reizen, ook de vrouwen te paard. + +I. 2. 97. _De stad is, zegt men, vol bedrog en list._ De stad Ephesus +stond reeds bij de ouden bekend als een plaats, waar veel tooverkunst +uitgeoefend werd. Men vindt dit ook in de Handelingen der Apostelen +vermeld, XIX, vs. 13 en 19. Dat Sh. juist daarom zijn stuk te Ephesus +liet spelen, is duidelijk genoeg; men vergelijke II. 2. 191; als +de gedachte aan tooverij den zoekenden Antipholus en zijn dienaar +verbijstert, is het verklaarbaar, dat zij, bij al de vergissingen, +niet op de gedachte komen, van nader te onderzoeken, of niet misschien +juist in Ephesus hun evenbeelden wonen. + +II. _Eerste Tooneel._ Wąąr een tooneel speelt, wordt door de +folio-uitgave niet aangegeven; de meeste uitgevers hebben hier als +localiteit een openbaar plein aangegeven. Ten onrechte; Adriana en +Luciana hebben niets op straat te doen, en wachten, zooals blijkt, +thuis den heer des huizes af, naar wien zij hun dienaar op nieuw +willen uitsturen. Men kan hierbij ook aannemen, dat de twee vrouwen +zich daar in een binnenhof of in den tuin bevinden, waar de tafel +voor het maal gereedstaat. Daar kunnen zij, III. 1, zeer wel met +Antipholus van Syracuse het middagmaal gebruiken; op het hooren van +gedruisch gaat Adriana dan naar de deur. + +II. 1. 83. _Te schoppen als een bal._ Voor het voetbalspel, ook thans +nog in zwang, is, zoals bekend is, de bal met leder overtrokken. + +II. 1. 101. _Ik arme ben hem te oud._ In 't Engelsch: _Poor I +am but his stale_. Geheel juist is de plaats niet te vertalen; +in het oorspronkelijke wordt gespeeld met de woorden _deer_ en +_dear_, en met de verschillende beteekenissen van het substantief +_stale_ (zie "_Taming Shrew_" I. 1. 58, en III. 1. 90; "_Much Ado_" +II. 2. 26, en IV. 1. 66) en van het adjectief _stale_, zie _Cymbeline_, +III. 4. 53. Op deze laatste beteekenis is bij de hier gegeven vertaling +vooral gelet. + +II. 1. 109. _Ik zie het nu_ enz. De meest bedorven plaats in het stuk; +het is nog niet gelukt, den tekst op bevredigende wijze te herstellen, +het bederf schuilt vooral in reg. 112: _Wear gold_ enz. + +II. 2. 35. _Op mijn bol?_ In 't Engelsch een woordspeling met _sconce_, +dat "bol" of "hoofd" beteekent, en ook "schans", waarom ook het woord +_ensconce_, "verschansen" volgt. + +II. 2. 89. _Hij verliest het met een soort van genot._ Op de meening, +dat door een losbandige levenswijze ziekten ontstaan, die het haar +doen uitvallen, zinspeelt de dichter meermalen. + +III. 1. 53. _Hoor, meisje, wat is dat?_ In 't Engelsch: _Do you +hear, you minion? you'll let us in, I hope_. In 't Engelsch is dit +gedeelte het eenige vers, dat niet rijmt. Men heeft daarom, met groote +waarschijnlijkheid, vermoed, dat er een regel hier uitgevallen is, +die op _rope_ eindigde en waarin Lucie met een eind touw bedreigd +wordt. Theobald veranderde, om een rijm te krijgen op de volgende +twee regels, _I hope_ in _I trow_. De vertaler moest hier ook met +een drievoudig rijm zich redden. + +III. 1. 81. _Een koevoet zonder koe._ In 't Engelsch: _A crow without +a feather_. "Crow" beteekent _kraai_ en _breekijzer_. Daarop volgt +reg. 83 nog _to pluck a crow together_, in het Duitsch "ein Hühnchen +mit Jemandem pflücken", wat wij zeggen: "een appeltje met iemand +schillen."--Opmerkelijk is, dat Plautus in zijn "Gevangenen", +_Captivi_, V. 4. 9., het woord _upupa_ evenzoo gebruikt als +Shakespeare hier _crow_; _upupa_ is te gelijk een vogel, de _hop_, +en een _pikhouweel_, zooals voor het loswerken van steenachtigen +grond gebezigd word. + +III. Tweede Tooneel. _Binnenplein._ Men kan zich ook voorstellen, +dat na het vertrek der vorigen Luciana en Antipholus van Syracuse +uit het huis te voorschijn komen. Eigenaardiger is het echter, dat +dit gesprek niet op straat gevoerd wordt, maar op een binnenplein, +dat men als aan den ingang grenzend denken kan. + +III. 2. 52. _Is de liefde wuft._ Men vergelijke: _Venus en Adonis_, +149. + +III. 2. 117. _Zij is een kogel, een globe._ Men vergelijke in Rabelais +(L. III. Ch. 28) de beschrijving van den baard van Panurge door +frčre Jean, aldus luidende: "Ta barbe par les distinctions du gris, +du blanc, du tanné, et du noir, me semble une mappemonde. Regarde +ici. Voyla Asie. Icy sont Tigris et Euphrates. Voyla Africque. Icy +est la montaigne de la Lune. Vois-tu les paluz du Nil? Deēa est +Europe. Vois-tu Theleme? Ce touppet icy tout blanc, sont les monts +Hyperborées."--Als het stuk voor koning Jacob I werd opgevoerd, bleef +zeker de vermelding van Schotlands onvruchtbaarheid (reg. 123) wel +achterwege. In den Koopman van Venetiė (I. 2. 83) wordt een Schotsch +edelman belachelijk gemaakt: in de oude quarto staat _the Scottish +lord_, maar in de folio-uitgave van 1623, gedrukt nadat het stuk voor +genoemden koning gespeeld was, staat _the other lord_. + +IV. 1. 93. _Welk een schip, gij schaapskop?_ In 't Engelsch: "_Thou +peevish sheep, what ship_" enz. In Shakespeare's tijd werden _ship_ +en _sheep_ nagenoeg eender uitgesproken. + +IV. 2. 22. _Misvormd naar 't lijf._ In het Engelsch _stigmatical_, +door de natuur geteekend, gebrandmerkt. + +IV. 2. 27. _De kievit schreeuwt_, enz. In Sh.'s tijd werd de +kievit meermalen hiervoor aangehaald, ja de uitdrukking schijnt +spreekwoordelijk geweest te zijn. In Lily's Campaspe leest men: +"You resemble the lapwing, who crieth most where her nest is +not." Shakespeare zelf herhaalt het beeld in "Maat voor Maat," I.4.32. + +IV. 2. 32. _Hij is in 't voorportaal, neen, in de hel._ In het +Engelsch staat: He is in Tartar's limbo; de uitdrukking schijnt +aan de Engelschen uit Dante's Goddelijke Comedie gemeenzaam te zijn +geworden, men vindt haar meermalen bij Shakespeare en ook in Spencer's +Elfenkoningin. De _hel_ was in Sh.'s tijd, en nog een eeuw later de +naam van een gevangenis. Evenzoo was _counter_ (reg. 39) de naam van +een gevangenis; maar _to run counter_ is ook een uitdrukking voor +een jachthond, die op een valsch spoor is of in verkeerde richting +loopt.--De gerechtsdienaars waren in leder gekleed, zie K. Hendrik IV, +I. 2. 48. + +IV. 3. 14. _Den ouden Adam in zijn nieuw gewaad._ Adam na den val, +toen hij zich met beestenvellen bekleedde. + +IV. 3. 28. _Dan een Moor met zijn piek._ Er staat eigenlijk: +"dan een moorenpiek". Een _morris-pike_ was een gevaarlijk wapen; +gerechtsdienaars droegen als teeken van hun ambt een staf, _mace_. + +IV. 3. 34. _Blijf maar zitten._ In 't Engelsch: _God give good +rest_! "Rest" te gelijk voor _rust_ en _arrest_ gebezigd.--De +_engelen_, waarvan reg. 41 gesproken wordt, zijn gouden munten van +10 Shill.; zie "Koopman van Venetiė," II. 7. 65. + +IV. 4. 44. _Respice finem._ Let op het einde. Het bijna gelijkluidende +_Respice funem_, waarop hier gedoeld wordt, beteekent: "Let op het +touw", of "Pas op voor het touw"; Dromio doelt op het touw, dat hij +heeft moeten halen. Als men aan de papegaaien, om de toehoorders te +plagen, leert zeggen: "Beware the rope's end", beteekent dit eer: +"Hoed u voor den strop."--Dokter Knijp, die hier optreedt, wordt in +de Folio-uitgave een schoolmeester genoemd; schoolmeesters verstonden +Latijn, en konden daarom als duivelbanners optreden. + +IV. 4. 78. _De keukenmaagd._ Het Engelsch betitelt haar +_kitchen-vestal_, omdat zij, als de Vestaalsche maagden, het vuur +moet aanhouden. + +V. 1. 175. _Het hoofd hem kaal knipt als een nar._ Het was de gewoonte, +bij de verpleging van narren (gekken, waanzinnigen) hun het haar zeer +kort af te knippen of af te scheren. + +V. 1. 205. _Terwijl zij binnen met schavuiten braste._ In het Engelsch +staat: _While she with harlots feasted in my house_. Het woord _harlot_ +beteekent, van mannen gebruikt, meestal "liederlijk mensch, schoelje, +schavuit." + +V. 1. 400. _Sinds vijf en twintig jaar_ enz. In de Folio-uitgave leest +men: "Sinds drie en dertig jaar." Het is mogelijk, dat Sh. zelf zoo +schreef en niet heeft nagerekend, wat hij vroeger had medegedeeld; maar +drie en dertig is voor deze broeders wel wat oud en door een eenvoudige +optelling van twee, door Sh. gegeven getallen vindt men vijf en twintig +jaar, wat meer met den geest van het stuk overeenkomt. Ęgeon heeft, +I. 1. 126, gezegd, dat de hem overgebleven zoon op achttienjarigen +leeftijd zijn broeder ging opzoeken, en zoo pas, V. 1. 309, dat dit +vertrek eerst zeven jaar geleden is. Reeds voorlang heeft Theobald het +getal veranderd en is door verscheiden uitgevers, b.v. door Knight, +hierin gevolgd. + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Men vindt dit boven blz. 5 en vgg. uiteengezet. Meermalen zal +men in de aanteekeningen het een en ander aantreffen, dat ook in het +"Overzicht van Sh.'s leven en werken" vermeld is. Op deze wijze kunnen +de aanteekeningen een geheel uitmaken, dat geraadpleegd kan worden +zonder dat de lezer telkens naar dit overzicht verwezen wordt. + + + + + +End of Project Gutenberg's De Klucht der Vergissingen, by William Shakespeare + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLUCHT DER VERGISSINGEN *** + +***** This file should be named 25843-8.txt or 25843-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/5/8/4/25843/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
