summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/25554-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '25554-8.txt')
-rw-r--r--25554-8.txt3841
1 files changed, 3841 insertions, 0 deletions
diff --git a/25554-8.txt b/25554-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..655b063
--- /dev/null
+++ b/25554-8.txt
@@ -0,0 +1,3841 @@
+The Project Gutenberg EBook of Van hoog en laag, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Van hoog en laag
+ Het eerste levensboek
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: May 21, 2008 [EBook #25554]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN HOOG EN LAAG ***
+
+
+
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Van Hoog en Laag
+
+ Het Eerste Levensboek
+
+
+ Door
+
+ Cyriel Buysse
+
+
+
+ Uitgave van C. A. J. van Dishoeck
+ Te Bussum, in het jaar 1913.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ N.V. Boekdr. v/h L. v. Nifterik Hzn., Leiden.
+
+
+
+
+
+
+HET EERSTE LEVENSBOEK.
+
+
+I.
+
+
+Het kasteel van "meneer den b'ron" stond boven op een mooi-begroeiden
+heuvel, vlak tegenover het kasteel van "meneer de groave" dat zich
+insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder
+en daartusschen lag het dal, met het dorpje en de zacht door groene
+weilanden heen kronkelende rivier.
+
+Het kasteel van "meneer de groave" was grooter en grootscher dan
+het kasteel van "meneer den b'ron". Het had ouderwetsche koepels en
+torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der
+breede bochten van het stille water. Maar het minder grandioos kasteel
+van "meneer den b'ron" was toch pittoresker gelegen: het heuveltje
+waarop het stond was ietwat hooger dan de andere heuvel; het zicht
+van daar uit ontvouwde zich ruimer en mooier over de gansche streek;
+en vrij dicht bij, als 't ware er bij behoorend, stond een oude, oude,
+houten molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch
+verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader die
+zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven.
+
+Daaronder lag het dorpje, en 't heette "Meulegem". Heel héél oude
+papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder van 't
+gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór
+het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. De huizen, het kerkje,
+de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners
+wisten daar niets of slechts weinig van af. Meulegem veranderde niet:
+wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger
+en niets noemenswaard was er ooit bijgekomen. 't Leek wel of Meulegem
+zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd
+om altijd zoo te blijven.
+
+Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de
+velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee herbergen:
+het "Vosken" en de "Nachtegaal". Het Vosken en de Nachtegaal waren als
+twee vooruitgeschoven posten, die, elk op zijn manier, sprekend door
+hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde
+vos met zijn enormen staart en schittervalsche oogen, scheen je toe
+te roepen "Pas op, 't is hier niet pluis!" Maar de nachtegaal, die
+kweelend, met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd,
+deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman
+uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: "Kom maar
+gerust, het is hier aller-liefelijkst."
+
+En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra
+pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde
+geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar
+een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: en
+zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets
+anders was dan een verbreeding van den straatweg: het witgekalkt,
+ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes,
+een popperig gemeentehuisje, een nog al mooie pastorie, en daarachter
+'t park en het kasteel van den "b'ron" en den ouden, houten molen op
+den liefelijk-begroeiden heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich
+een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond
+het kasteel van meneer de "groave". En 't was alsof de twee mooie
+buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als
+twee bezielde, solidaire wezens over die wijde ruimte aankeken.
+
+Soms zei de baron tot den graaf: "Wat staat je kasteel daar toch mooi,
+met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in 't water!" Maar
+de graaf kon niet anders dan antwoorden: "Je weet niet hoe poëtisch
+en hoe schilderachtig dat oud molentje daar boven 't kerkje op zijn
+heuvel staat te draaien!"
+
+De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op
+de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander
+bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der
+rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over om elkaar
+te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had
+een dochter en de baron had een zoon, en samen speelden zij veel
+spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren.
+
+De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige
+heerschers over 't nederig dorpje. Alles was van hen: de landen, de
+boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten
+rustig en beschermend zelfs, tevreden als alles goed ging in de
+gemeente en niemand hen dwarsboomde.
+
+Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen
+politieken strijd in 't dorp verwekte, geregeld naar de kerk ging en
+verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De
+baron was burgemeester der gemeente, omdat hij meer verstand had van
+bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan
+zou de graaf het wel geworden zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk
+is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid
+op een dorp bekleedt.
+
+De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die
+heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee regeerende
+kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een
+vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden zij, onbewust,
+een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en
+kregen zij ook wel den indruk, dat men ruimer ademde in dorpen waar
+er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten
+of verzuchtingen, dat lag stil in hen, als iets dat bij hun leven
+hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem
+een andere atmosfeer en zagen de menschen er ook anders uit, dan
+in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars
+en toch alomtegenwoordigs, dat in voortdurende drukking over alles
+hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier
+waren er andere menschen dan hun confraters uit 't omliggende. De
+dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris
+was een ander mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het
+uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan
+van de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking
+kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen,
+jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de
+schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: wanneer iemand
+zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend:
+
+--Komt ge misschien van Meulegem?
+
+En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar
+niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er glunderde en
+tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke
+almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, want èn de graaf, èn de
+baron behandelden hem als een gelijke en wel eens als een meerdere,
+die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden
+van wat door lange jaren van overgeleverde traditie "het" leven zelf
+van Meulegem geworden was.
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+Aan dat leven-van-Meulegem konden slechts dezen ontsnappen, welke er
+zich van verwijderden, en daartoe behoorden de jonge koewachtertjes,
+die den ganschen dag met hun beesten in de vrije weide waren.
+
+De koeien graasden rustig alom in het groen, en van verre waren 't
+als groote, langzaam zich groepeerende en voortbewegende bloemen, nu
+eens helder verlicht in de zon, dan weer verkleurloosd en verwazigd,
+wanneer wolken-schaduwen zich wijd over de wei uitspreidden. Als
+groote, witte schepen dreven die wolken in de blauwe lucht. Van
+hoog en verre kwamen zij uit het azuren zuiden aangewaaid en 't
+was alsof enorme grauwe zeilen meteen over de groene weiland-zee
+neerstreken. Het gras werd dof, de boomen versomberden, de koetjes
+smolten weg in nevelgrijs. Maar ginds laag aan den einder tintelde
+weldra een goudzoom op, het werd een vlek, een plas, een meer, een
+oceaan van goud; de logge, grauwe wolkenzeilen schenen er, als bang,
+voor weg te vluchten, de even uitgewischte koetjes fleurden opnieuw
+als eigenaardige, groote bloemen op en spoedig was 't weer alles licht
+en leven, wijd over het blijde, groene zomerland, onder den wijden,
+blijden, blauwen hemel.
+
+
+
+In de koele schaduw, onder het zacht wuivend en suizend bladerengewelf
+van een trosje hooge populieren, die daar als een eilandje van veilige
+gezelligheid, midden in de uitgestrekte weilanden tusschen de twee
+kasteelen stonden, speelden de jonge koewachtertjes een groot gedeelte
+van den dag allerlei koewachtersspelletjes, slechts met verstrooide
+oogen wakend op hun wijze, kalme beesten, die aldoor, áldoor graasden
+en hun waakzaamheid bijna niet noodig hadden.
+
+Zij klauterden in de populieren en roofden er de vogelnesten;
+zij liepen in de wei en vingen er kikkers, die zij dan vilden en
+in houtvuur lieten braden; of zij speelden gewoon met knikkers en
+dobbelden om centen, wat wel eens gekrakeel en ruzie gaf. 't Was soms
+net een bende jonge spreeuwen, die zich kwetterend en kwebbelend
+ergens laat neervallen. Andermalen, bij mooi, warm weer, als er
+niemand van de kasteelbewoners in aantocht was, kleedden zij zich
+spiernaakt uit en gingen zwemmen in de rivier, en dikwijls zongen
+zij hun jubelend opgalmend "alahoe! alahoe!" onder het luid klappen
+met hun "dzjakken." Hun eten en drinken hadden zij in een zakje en
+een kruikje met zich mee en feitelijk bestond hun eenige ernstige
+en verantwoordelijke taak in het dagelijks heen en weer loodsen der
+koeien, die 's ochtends en 's avonds moesten overzwemmen, bij den
+overzet van 't dorpje.
+
+Dat was telkens een druk-levendig gedoe en 't ging gepaard met heel
+wat zweepgeklap en schrille kreten. Ze konden ook zoo teuten, die
+koeien, voornamelijk bij het terugkeeren. Altijd hadden zij nog op
+'t laatste oogenblik wat langs den oever op te knabbelen, terwijl ze
+toch den ganschen dag niets anders deden dan zich dik grazen. Ware 't
+niet geweest dat Blesse, boer Galle's wijze, bonte koe, toch eindelijk
+het goede voorbeeld gaf, nooit waren zij erover gekomen. Want eerst
+nadat Blesse met een weerspannig gebulk 't water was ingegaan,
+wilden de andere, allen te gelijk dan, volgen. De koewachtertjes
+dreven met het overzetbootje mee over, en van daaruit schreeuwden en
+zweepklapten zij naar hun zwemmende beesten: "Bloare, gie deugeniete,
+wilt-e ne kier op ou ploatse blijven! Sterre, gie vuilkonte, goat ou
+muil hêwen!" tot zij er mee aan den overkant kwamen, waar de troep
+dan moest gescheiden worden. Er waren steeds enkele achterblijvers, de
+koewachtertjes gilden zich heesch en gooiden er naar met aardkluiten,
+maar eindelijk zwommen ook de laatsten over, het zware lijf gansch
+onder, den snuivenden snoet boven 't water, de oogen wreed blikkerend,
+de horens als twee scherpe, dorre takken uit de kolken opgeprikt. 't
+Bootje werd tot den volgenden ochtend vastgemeerd en met hun druipende
+beesten vertrokken de koewachtertjes zingend, roepend, fluitend en
+zweepklappend, elk naar zijn afzonderlijke hoeve.
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+Er waren in 't geheel zeven koewachtertjes, en onder die zeven was
+er een, zeer verschillend van de anderen.
+
+Dat was Fonske, het koeiertje van boer Monteyne.
+
+Hij was elf jaar oud en had een eigenaardig snoetje, mager, stil
+en schuchter, met kleine, weemoedige oogjes. Hij deed niet mee aan
+'t ruwe vogelnesten-rooven noch aan 't wreede kikkers-villen, maar
+in zijn lange, vrije uren zat hij graag alleen onder het lommer van
+de populieren en krabbelde daar teekeningjes, met een potlood op een
+stuk papier. Hij teekende de koeien uit, hij teekende de boomen, den
+ouden molen en de twee kasteelen; hij probeerde zelfs zijn kameraadjes
+uit te teekenen, als deze maar even voor hem wilden stilzitten.
+
+Maar dit was moeilijk te verkrijgen. De andere koewachtertjes
+lachten hem uit met zijn teekenmanie en beschouwden hem zoowat
+als een half-onnoozele suffer. Zij kwamen gekscherend om hem staan,
+duwden elkaar in de zij, hadden dolle pret bij iedere spot-bemerking,
+die de een of ander waagde. Toch molesteerden zij hem niet bepaald;
+en naarmate Fonske handiger werd in zijn oefeningen, ontwaakte zelfs
+een zekere belangstelling bij hen en vonden zij er een opgewekt
+genoegen in de voorwerpen, beesten of wezens die Fonske geteekend
+had naar de werkelijkheid te herkennen. Met den molen, 't kasteel van
+meneer den baron of 't kasteel van meneer den graaf gaf dat natuurlijk
+geen moeite; maar toen zij op een middag duidelijk Blesse herkenden,
+die altijd vóór de anderen in 't water ging, en, naast Blesse, al
+zoo duidelijk herkenbaar, Rietje Koarelkes, die er met zijn zweep
+achterna zat, toen voelden zij voor 't eerst een soort ontzag voor
+Fonske en was het als om strijd dat zij nu allen hun portret door
+hem wilden laten maken.
+
+Erger nog was het, toen Fonske eens met een kleurendoosje,--een
+zoogenaamd "virfbaksken"--, dat hij in een winkeltje van 't dorp
+gekocht had, kwam aanzetten, en me daar waarachtig, als een echte
+schilder, zijn teekeningen begon te kleuren. Nu gold het heelemaal geen
+lachen of spotten meer: de wei werd prachtig groen, de hemel glanzend
+blauw en op zijn heuvel stond het rood-gewiekte molentje te draaien,
+terwijl 't kasteel van den baron zóó duidelijk onder zijn hooge
+boomen uitkwam, dat men iedere deur en ieder raam en in ieder raam elk
+vensterruitje kon tellen. Ook Rietje Koarelkes en zijn Blesse werden
+gekleurd; en dàt meesterstuk vestigde wel beslist Fonske's roem onder
+de koewachtertjes: Rietje had een scheel oog en veel gele sproeten in
+'t gezicht, die er allemaal op gestippeld stonden; en de bruine en
+witte vlekken op Blesse's huid waren precies uitgemeten en uitgerekend,
+terwijl haar linker horen, een weinig afgeknot, juist zooveel korter
+en stomper op de schilderij leek als dat in werkelijkheid het geval
+was. Alle handen te gelijk strekten zich gretig naar de schilderijtjes
+uit, al de koewachtertjes smeekten om die te mogen hebben; en Fonske,
+die Rietje Koarelkes 't zijne cadeau gaf, beloofde ook aan al de
+andere makkertjes hun schilderij te zullen maken.
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Zoo zat Fonske op een zachten zomermiddag eens alleen te schilderen. De
+andere koewachtertjes waren verder in de wei, bezig met kikkers vangen
+en niets stoorde hem in het vlijtig genot, waarin hij gansch verdiept
+zat. Fonske schilderde het landschap: het weiland met de koeien,
+een hooibergje, en in de verte het kasteel met 't molentje.
+
+Het was een volmaakt-mooie dag, zoo rustig-vast in zijn glansrijke
+schoonheid, alsof het nooit anders geweest was en altijd zoo zou
+blijven. 't Was of de gansche natuur in haar eigen rijke innigheid lag
+te genieten. De kort-gegraasde wei strekte zich tengergroen ver-uit
+achter de lange schaduwstreep der hooge populieren, in den blauwen
+hemel hingen witte wolkjes, die nauwelijks schenen voort te drijven en
+'t diepe water sliep tusschen zijn bloeiende oevers, waar de fijne
+karrekiet zoo landelijk en zoo zoet in het riet zat te kweelen.
+
+Fonske werkte. Zijn hoofdje stond scheef en zijn wenkbrauwen fronsten
+zich van de inspanning. Hij voelde dat het stuk karton waarop hij
+schilderde te klein was voor het vele dat hij erop weer wou geven
+en 't speet hem zoo dat hij geen grooter had genomen. Het molentje,
+dat nu zoo rustig met gekruiste wieken op zijn heuvel stond, kon er
+beslist niet bij, en dat maakte Fonske verdrietig, want juist het
+molentje was wel het mooiste van het gansche tafereel. Zou hij er
+morgen nog geen stuk langs boven kunnen aanplakken? Hij bewoog het
+schilderij op en neer, hield het met gestrekte armen vóór zich uit,
+keek in de verte naar het molentje en praktizeerde en peinsde: hij kon
+het met zichzelf niet eens worden en aarzelde en tobde; hij lei het
+ding eindelijk zuchtend neer en wilde opstaan, toen iets ongewoons,
+dat hij als 't ware achter zich had voelen naderen, hem plotseling
+het hoofd deed omwenden.
+
+Hij schrikte hevig en zijn rechterhand ging in instinctmatig groeten
+naar de plaats waar op zijn verkleurd stoppelhoofd zijn pet had moeten
+zitten. Vlak naast hem waren, ongemerkt, twee jonge dames verschenen:
+mejonkvrouw Elvire, het dochtertje van den graaf, met haar engelsche
+gouvernante.
+
+--Doe moar veurt; woarom 'n doeje nie veurt? zei het jong meisje
+aanmoedigend, met een zoeten glimlach.
+
+Zij stond voor Fonske, geheel in 't wit gekleed, het zacht gezicht
+met levendige, donkere oogen warmbruin-verbrand van zonnegloed onder
+een gelen, strooien hoed met roode en blauwe bloemen en haar blikken
+weken niet van 't schilderij, dat Fonske in zijn ontzetting scheef
+over het gras had neergegooid. Fonske kende haar wel, hij wist dat
+zij ook schilderde, onder de leiding van een meester; en nu bleef
+hij daar met neergeslagen oogen roerloos van ontroering staan alsof
+hij iets misdreven had, dat niet meer goed te maken was. Maar zacht
+en lief klonk weer haar stem: "Mag ik het ne keer zien?" en Fonske
+bukte zich sprakeloos, raapte zijn schilderij op, en gaf het haar.
+
+Zij ging er enkele passen mee op zij staan, door haar gouvernante
+gevolgd. Samen spraken zij even vlug in een voor Fonske onverstaanbare
+taal. Toen kwam het meisje met het schilderij weer naar hem toe en
+vroeg heel ernstig, met naïef-groote oogen:
+
+--Wie het er ou da geleerd?
+
+--Niemand, fluisterde Fonske, de oogen ten gronde.
+
+--Hèt-e gij dat amoal uit ou eigen gedoan?
+
+--Joajik, schuchterde Fonske.
+
+--Hoe heet-e gij?
+
+--Fonske.
+
+--Fonske wie?
+
+--Fonske Vermoare.
+
+--Van woar zij-de?
+
+--Van Meulegem.
+
+--Hèt-e nog meer van die schilderijtjes?
+
+Fonske knikte.
+
+--Hoevele nog wel?
+
+--'n Stik of zeven of achte.
+
+--Woar zijn ze?
+
+--Thuis.
+
+--Keunt-e ze mij nie ne keer teugen?
+
+Fonske zweeg, wist niets te antwoorden.
+
+--Zoe-de ze morgen nie ne keer willen meebrijngen?
+
+Fonske knikte.
+
+--En zoe 'k dit nou ne keer meugen meenemen, om aan mijne meester te
+loate zien?
+
+Fonske knikte. Hij knikte herhaaldelijk en zijn benauwd gezichtje
+scheen weer op te leven.
+
+Opnieuw wisselde het jong meisje vlug eenige woorden in een vreemde
+taal met haar gouvernante, aan wie ze 't schilderij overhandigde. De
+gouvernante tastte in een zakje, dat zij aan den arm droeg, haalde
+er een zilverstukje uit, stak het Fonske toe.
+
+--O nie nie, ieffreiwe, schudde Fonske doodsverlegen het hoofd.
+
+--Toe toe, ge moet! drong het kasteelmeisje aan. En Fonske
+gehoorzaamde.
+
+--Tot morgen, nie woar, hier aan dezelfde ure, mee al 't geen da ge
+geschilderd hèt! 'K zal vroagen of de miester meekomt, riep ze nog
+onder het weggaan.
+
+En Fonske knikte sprakeloos-toestemmend.
+
+Hij zag ze vertrekken. De gouvernante, in 't groen gekleed, droeg zijn
+schilderij onder den arm. En mejonkvrouw Elvire, gansch in 't wit,
+de losse bruine haren glanzend-golvend onder den bloemenhoed over haar
+schouders, had den vrijen arm der gouvernante vastgegrepen en scheen
+te jubelen en te juichen, alsof haar een buitengewoon groot pleizier
+was overkomen. Zij gingen naar 't kasteel van den baron toe, slank
+als twee jeugdige, slank-stengelige bloemen: een groene en een witte,
+in de weelde-harmonie van 't zomerlandschap. En Fonske, roerloos op
+den grasrand, in de schaduw der zacht-suizelende populieren, begreep
+vagelijk, dat er iets gewichtigs in zijn leven was gebeurd, zonder
+dat hij ook kon voorgevoelen of het iets goeds of iets ongunstigs was
+voor hem. Alleen dìt voelde hij: dat een van de almachtige kasteelen,
+die daar al de menschen en de gansche streek beheerschten, zich iets
+van zijn levenslot had aangetrokken, en er mee doen kon wat het wilde.
+
+De andere koewachtertjes, die van verre de ontmoeting zagen, hadden hun
+spelen gestaakt en wachtten, roerloos in een groepje, tot de jonkvrouw
+met haar gouvernante onder de hooge boomen van 't kasteel verdwenen
+was. Toen namen zij allen te gelijk hun aanloop en bestormden Fonske
+met hartstochtelijke vragen.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met
+zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes waren reeds
+op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien.
+
+--Nie g', zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij
+bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den blik gevestigd op
+'t kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest.
+
+Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten 't van verre en riepen
+'t naar Fonske:
+
+--Ze zijn doar!
+
+Fonske zag een groep van vier personen 't grafelijk kasteel verlaten en
+naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een afstand jonkvrouw
+Elvire in 't wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de
+twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk te
+noemen, en toen hij 't eindelijk zag neep hem de schrik om 't hart:
+'t was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw Elvire's meester. De
+koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen
+in de hand, riepen het nog eens halfluid naar Fonske, met als 't ware
+schrikbevangen stemmen:
+
+--De groaf es d'er euk bij!
+
+De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met
+een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos naast zijn
+schilderijen onder 't trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken
+ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. Maar een der
+koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had
+omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing in elkaar en schreeuwde
+in ondertoon naar Fonske toe:
+
+--Fons, den b'ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan.
+
+Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes
+zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron aankomen, met
+zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allen wel terstond en duidelijk,
+ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op
+waggelende o-beenen, zoo dat men 't landschap er doorheen zag en meneer
+Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een
+hoofd dat als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. 't
+Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om het
+door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op
+'t gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst.
+
+De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van
+strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet meer bewoog;
+en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen
+een boomstam.
+
+--Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug.
+
+Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw
+Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde menier
+de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand
+naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en sloeg dan dadelijk weer
+schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde.
+
+--Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg! riep het jong meisje,
+opgewonden naar de teekeningen loopend.
+
+--Haha, les chefs-d'oeuvre! glimlachte de graaf, zijn dochtertje
+volgend.
+
+Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon,
+met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke
+uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij
+licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets schaadde
+aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van
+zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen baard en iets
+plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met
+afgemeten passen.
+
+--Voyez, monsieur Wattenberg, n'est-ce pas que c'est beau! riep
+juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam
+omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, nog vóór de meester
+goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig
+"aoh" spoedig neer om het weer overeind te zetten.
+
+De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand
+aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als 't ware in
+de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een
+absoluut-roerloos groepje, allen met star-ronde oogen van gespannen
+aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de
+bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen
+glinsterend in de zon.
+
+Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd
+en scheen op 't punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen
+meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor
+een oogenblik de belangstelling af.
+
+--C'est donc vrai qu'Elvire a découvert un petit génie? vroeg ietwat
+ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van
+het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen
+welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde,
+onder het frissche lommer der populieren verscheen.
+
+--Il parait, l'exposition allait justement commencer, glimlachte de
+graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend.
+
+De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg
+moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen
+baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat
+uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand
+die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan
+hij, was een donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje
+en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de
+menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends
+en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door
+een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in 't geniep zijn
+"luizenboulevard" noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp
+beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire
+zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg
+door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook
+dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken.
+
+Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer
+Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en
+onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en
+oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek
+als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een
+matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem,
+dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden
+de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde
+genegenheid, en voor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van
+benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid.
+
+Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon
+en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes
+staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij,
+die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam
+hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en
+een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende
+koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend,
+en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties.
+
+Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn
+woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van
+blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets
+gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde,
+frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de
+groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen
+van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede
+en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten,
+donkere oogen telkens van de schilderijtjes afgeleid naar Elvire en
+meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht
+nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal
+op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de
+groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting,
+dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun
+blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes,
+roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon.
+
+Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe.
+
+--Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij:
+
+--Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk
+weer de oogen neerslaande.
+
+--Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse
+wille goan!
+
+--Os ik mage van moeder, knikte Fonske.
+
+--Ge zil meugen, menier de groave zal 't aan ou moeder vroagen en
+ouën trein betoalen.
+
+Fonske knikte, zwijgend.
+
+--Hoe êwd zijt-e gij?
+
+--Twoalf joar.
+
+--Hèt-e nog broerkes of zusterkes?
+
+Fonske schudde 't hoofd.
+
+--Hawèl, 't es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier
+de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e
+veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik
+mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken?
+
+Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het
+verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen
+maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken
+hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan.
+
+Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe.
+
+--Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen.
+
+--O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar 'n mag van moeder, antwoordde
+Fonske met een vuurkleur.
+
+--Is n't he nice! streelde de Engelsche met verteederden glimlach.
+
+--Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan
+met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet
+eens naar Fonske's antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in
+vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij
+aan 't lachen wist te brengen.
+
+Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen
+werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje,
+keken naar meneer Gaëtan's achterhoofd, naar zijn blauw-witten
+"luizenboulevard" tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er
+was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een
+vermanend "zwijg, gie loeder" werd hij onzacht door de anderen den
+mond dicht gestompt.
+
+Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met
+meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was
+afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met
+Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken
+zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over
+enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen.
+
+Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het
+welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand
+te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan
+om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf
+en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de
+uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelend op zijn o-beenen,
+naar zijn kasteel terug.
+
+In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen
+nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar
+om goed te zien en wisselden hun indrukken.
+
+--Ge'n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers.
+
+--Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje
+Koarelkes. En hij zal rijke worden euk.
+
+Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar.
+
+--Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor.
+
+--En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps
+Dolfke van de Wiele.
+
+--Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar
+het grafelijk kasteel omkijkend.
+
+--Lach gulder moar, hij es hij den besten. 'K wensche dat de jonkvreiwe
+mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes.
+
+Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand
+van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school.
+
+Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar
+bijtend toe en de verkleurde piekharen schenen dreigend overeind
+te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren
+en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en
+zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend
+vee bebloemde weilandschap.
+
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de
+teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den
+graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den
+weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig
+idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden.
+
+Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken
+zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast
+dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een
+aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar
+meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in
+ontvangst en stelde hem aan den directeur der teeken-academie voor;
+en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem 't pleistermodel
+getoond, dat hij moest uitteekenen.
+
+Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat
+hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel
+zeldzame leerlingen van 't platteland, en een der allerjongste ook;
+hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap
+waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders
+en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd
+en vrij alsof ze 'r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal:
+het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel
+woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe
+minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat
+maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was
+het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij
+met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste
+kracht om althans zijn werk goed af te maken.
+
+Maar 't ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend
+was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die
+benauwde zaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen,
+alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind,
+gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar
+nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen.
+
+Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken,
+over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het
+tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske
+aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder
+hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die
+anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen
+meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de
+meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid
+en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele
+omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren
+en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend
+tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende
+blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen.
+
+Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij
+wist wel dat de kameraadjes hem in opgewonden nieuwsgierigheid bij
+het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral
+zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij
+zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo'n portefeuille
+onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf,
+waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige
+en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op
+het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had
+gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat
+er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige
+dingen gezien had.
+
+Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald,
+gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn
+moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van
+den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en
+dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met
+haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht
+van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat
+het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond.
+
+Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten
+van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te
+machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier,
+hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering
+kan beheerschen noch verbergen.
+
+Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn
+album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan 't schilderen. Hij
+schilderde van verre 't grafelijk kasteel uit, 't kasteel van zijne
+weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde 't schilderen
+voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid
+en hij schilderde 't met een soort van veneratie en van liefde,
+die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven.
+
+Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel
+van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den
+stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende
+zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel
+en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij
+daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong
+in hem als een zegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij
+voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij
+voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind,
+als 't ware de gansche wereld ten geschenke gaf.
+
+
+
+
+
+VII.
+
+
+De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd
+op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den
+omgang met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar
+schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch
+voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en
+zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij vreemd bleef. Had
+hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder
+elkander spraken en die hen wegen scheen te openen, welke voor hem
+gesloten bleven! 't Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren
+stand behoorden, bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw
+Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in
+bekwaamheid voor de teekenkunst. De meesters waren zeer tevreden;
+hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens
+iets belemmerde dat de ontplooiing van zijn jonge, frissche kracht
+begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol
+leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze van die pleisteren modellen,
+in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te
+fleuren. Hij kòn er niet met liefde werken; hij wrocht er uit plicht,
+omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn
+gloed en voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche
+en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare uurtjes
+ging slijten. 't Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit
+dankbaarheid ten geschenke gegeven; en 't meisje was verrukt geweest,
+en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs
+met eigen hand eenige correcties aan zijn werkje toegebracht.
+
+Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene
+uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende kasteelen,
+was en bleef Fonske's lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het
+middenpunt van zijn gansche leventje voelde. Daar was hij in zijn
+element, daar was hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar
+gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid
+beschermd voelde. Hij leefde als het ware iets mee in 't leven van de
+twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester naar
+hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende
+in 't heen en weer bezoek tusschen de bewoners der beide landgoederen.
+
+Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens
+verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende
+bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon,
+die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem een warme
+kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen
+zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, was als de nacht,
+die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan,
+als voor iemand die hem kwaad zou kunnen doen. Ook voor den graaf was
+hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende
+spot-oogen, alsof de graaf hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er
+feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in
+'t geheel geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheel en al
+was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van
+den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust met schildersoogen,
+het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond
+het zoo grappig, dat telkens tusschen die schommelende o-beenen een
+stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een
+grazende koe, dan weer een ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat
+zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een
+zeescheepje tusschen het waggel-loopen van 't barontje, die het met
+zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij
+zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret
+om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij wachtte zich
+wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde 't haastig
+toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn bleek, als naar gewoonte
+ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige,
+ondeugende oolijkheid meer te bespeuren.
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine
+bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter en de
+nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte
+vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden in stille, gele tranen
+neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte
+twijgen.
+
+Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide
+worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen,
+thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op
+hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En de
+vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals
+kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de een hier,
+de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de
+zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten 's winters op
+de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in
+de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke zomeroogsten,
+bij het eentonig snorren van den tredmolen, van 's ochtends vroeg tot
+'s avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid.
+
+En hij was wel steeds vooruit bekend in 't dorp, de afscheidsdag van
+de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, en mevrouw de
+barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven
+zij iets, als hulp en onderstand voor den langen, guren winter.
+
+Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij
+de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest en mevrouw
+de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij
+twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra iemand komen.
+
+En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en
+verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante.
+
+Fonske was thuis toen zij kwamen. 't Was op een grijzen
+November-ochtend en zij stonden daar ineens voor 't kleingeruite
+raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken.
+
+--Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd.
+
+Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen.
+
+De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek
+te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het woord.
+
+Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en
+gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder:
+
+--As 't ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter.
+
+--O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers
+bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood
+stoelen aan.
+
+Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte
+zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire keek naar
+Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen.
+
+--Goat 't goed? vroeg ze zacht.
+
+--Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend.
+
+--Zij-de aan iets nieuws bezig?
+
+--'K tiekene 't meuleken uit, van hier.
+
+--Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje.
+
+Fonske liet het haar zien.
+
+--'t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte
+met een dweeperig "very nice indeed".
+
+De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was,
+kwam gansch ontroerd weer in 't armoedig keukentje. Zij had tranen
+in haar oogen, zij vatte alle bei 's jong meisjes handen, boog bijna
+knielend tot haar neer en stamelde bevend:
+
+--O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme
+klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel veur ons,
+mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe,
+Fons moe ou toch 'n heule greute scheune schilderijnge moaken en ik
+zal heul de winter 's morgens en 's oavens veur ou bidden.
+
+Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op
+naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar stond,
+als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht
+had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends tusschen de twee
+kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen
+was er een afstand als een afgrond, de onoverschrijdbare kloof tusschen
+armoede en rijkdom.
+
+'t Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend,
+alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche jeugd en
+weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield
+geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid een bevend handje toe. Fonske
+merkte 't niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille
+tranen over 's knaapjes wangen rollen. Schrikkend trok zij zich terug.
+
+De moeder bromde:
+
+--Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou 'n hand wil
+geven.
+
+Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte
+die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs niet aan. Heel
+stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo
+helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes van een levende
+bron.
+
+Zij waren weg. 't Deurtje was dichtgeslagen en even werd het
+kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd.
+
+'t Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze
+winter heerschen.
+
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter
+in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, in de vrije,
+frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde
+sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest vaarwel worden gezegd
+aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen
+een spade of een vork te hanteeren in plaats van de koewachterszweep;
+zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór 't
+vroege daglicht naar de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met
+'t sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen
+meer, geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in 't galmend
+knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten van
+vermoeienis en vroegtijdige zorg; en hun aardige kindernaampjes:
+Rietje, Pierke, Feelke veranderden in 't hardklinkende en stugge:
+Riek, Pier, Feel.
+
+Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer
+en hij zou ook door 't harde leven worden opgeëischt.
+
+Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met
+hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: hij wist
+wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet
+vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te zwak; van arbeid in de
+groote stadsfabrieken--wreede gevangenissen van gedruisch en stof en
+stoom--had hij een gruwel; het eenige wat hem aantrok was een nuttig
+bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld:
+het schilderen.
+
+Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor
+zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te komen. Het
+andere, 't kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker
+ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij de liefelijke goedheid
+van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning,
+'s zondags en in zijn schaarsche vrije uren. Eén enkele, laatste zomer
+van vrijheid zou hij dus nog genieten, en in dat vooruitzicht leefde
+hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid
+voordeed, die het onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen.
+
+Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij
+Fonske's moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere dingen,
+kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje
+kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen krijgen.
+
+Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar
+Van Belleghem zei haar hoeveel hij 't jongetje al dadelijk zou geven
+en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen,
+dat zij al spoedig toesloeg. 't Was ook immers wat Fonske verlangde;
+het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer;
+maar een jaar vroeger of later moest het toch zoo eindigen en nog
+eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van 't accoord,
+zijn hand uitstak en met een slag die in de hare klapte.
+
+Dat nieuws hoorde Fonske toen hij 's avonds van zijn werk bij boer
+Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. Hij schreide om
+zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles
+wat daarmee gepaard ging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander
+leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn
+liefste illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen
+in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire niet
+meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen
+meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende kasteelen!
+
+Dat was de harde dwang van 't noodlot, de nooddwang van den arme,
+die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, omdat
+hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het
+mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder zelve was
+bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had
+het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was er en mocht niet
+ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich
+gedwee bij het onvermijdelijk noodlot neer.
+
+Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met
+een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast den
+zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem,
+de binnenportaaldeur van de "Warande", een der dorpsherbergen te
+beschilderen.
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+'s Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens,
+ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, met doffe oogen
+van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van
+de weiden aan, en om hun doode praal was geen bekoring noch mysterie
+meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen
+en alles leek nu ijl en klein en kil en nuchter. Somtijds, wanneer
+een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles
+voor een oogenblik frischlevend op te fleuren: het gras schitterde,
+de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen
+schenen even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te
+ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht en
+hun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles.
+
+De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen
+voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. Het
+galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en
+jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel getuigenissen
+van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der
+meesters, nog tastbaar heerschte. De géést van de kasteelen bleef
+aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht.
+
+Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een
+soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele
+heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun
+prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, in
+warme, vreemde landen? De menschen wisten 't niet, maar het mysterie
+verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid als een telkens
+nieuwe openbaring.
+
+Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er
+werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer geloop,
+gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug,
+als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen terug in 't
+heerlijkste getijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes
+op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige
+verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het
+water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde en bloeide,
+met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij
+zich als groote, zware bloemen langzaam in den zonneglans bewogen,
+terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder 't trosje hooge
+populieren, in wild gestoei hun lentevreugd uitjubelden.
+
+Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem
+op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den rentmeester,
+met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven.
+
+Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire's
+kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder het iemand te
+durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af,
+wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als ze hem daar bezig vond. Hij
+hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór
+haar komst reeds weg zou zijn.
+
+Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dag dat zij
+er werkten, kwam de rentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer
+der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar
+razend haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver
+kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven op den
+ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen,
+het erf opreed.
+
+De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun
+meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, met zijn hoed
+in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op
+een afstand.
+
+Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde
+maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou worden;
+maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar
+de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester hoe het kwam
+dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht
+van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, en de Engelsche, en op
+haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske.
+
+--Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd.
+
+Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn pet om te groeten. Maar
+in zijn ontroering deed hij 't zoo onhandig, dat de verfborstel van
+tusschen zijn vingers wegglipte en met een spat op den grond viel.
+
+--Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af.
+
+Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met
+schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan weer den
+blik ten gronde.
+
+--Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw
+Elvire. En in den klank van haar stem lag als 't ware iets van
+teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd
+tot de voeten opnam.
+
+--Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske.
+
+--En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier?
+
+--Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen.
+
+--What a pity! jammerde halfluid de stem van de Engelsche.
+
+Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks
+vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel kunnen schreien,
+zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en
+vond haar zóó veranderd, dat hij haar haast niet herkende. 't Was of
+daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich
+bijna tot volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken,
+zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar
+gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier
+zelfs dan 't jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, verder van
+hem af als 't ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen
+afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid en 't maakte
+hem nog bedeesder, het stolde als 't ware zijn ziel in zijn binnenste.
+
+--G' hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek
+hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk als vroeger.
+
+--O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden.
+
+--Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; 'k zal ne keer kome kijken. Goên
+dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en de Engelsche
+in het kasteel.
+
+Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór
+zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden.
+
+--Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem.
+
+--Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan 't borstelen.
+
+Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en
+weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij jonkvrouw Elvire
+en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij
+zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. O! 't was dus haar kamer,
+waaraan hij werkte!
+
+Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen
+zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster toe kwam. Zij
+knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden,
+en meteen liet ze 't ratelend rolgordijn neer.
+
+Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had
+het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan en tot
+straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt.
+
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een
+het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, met hun
+werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds
+'s zondags de herbergen, speelden biljart of kaart, dronken bier en
+jenever en keken naar de meisjes.
+
+Rietje Koarelkes was al flink aan 't vrijen met Emeranske Casteel;
+Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor en Dolfke van
+de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde
+Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand.
+
+Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes
+althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, en dat was niemand
+minder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van
+Fonske's eigen baas.
+
+Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit
+en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, blauw
+als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet
+en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die eigenaardig konden
+blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in
+het ververswinkeltje en uit háár hand was het, dat Fonske zijn eerste
+"virfbakske" gekocht had.
+
+Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem
+vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte er dan
+ook meestal het middagmaal en als 't wat laat werd met hun werk, ook
+wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje bediend en 't meisje
+zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest
+telkens voor de te milde hoeveelheid bedanken, maar telkens ook drong
+Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar
+bloeme-oogjes en haar schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer
+verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen.
+
+'s Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles
+te nemen, was het hoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het
+station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans
+op den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche
+lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden dat alles al
+lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en
+allen lachten en gekten er om: alleen Fonske merkte daar niets van,
+of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde
+aanhoudend in zijn schaarsche, vrije uren, met trillend-gespannen
+hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en,
+wijl hij de sympathie van het meisje wel voelde, zonder den aard
+daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien
+en juichte inwendig van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige
+bewondering in elkaar geslagen handen "zeu scheune, o, toch zeu
+scheune" vond.
+
+Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar
+portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde dankbaarheid
+in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht.
+
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte
+naar Fonske's werk te komen kijken, volbracht.
+
+Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong
+meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer Gaëtan en
+den baron, van het eene kasteel naar 't ander door de weiden heen
+zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. Telkens vroeg hij
+'s avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: "Hè jonkvreiw
+Elvire hier nog nie geweest?" Telkens moest moeder hem met het spijtig:
+"nien z' jongen, nog niet" teleurstellen.
+
+Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp
+een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire zag niet meer
+naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets
+aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan als zij het
+niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen
+eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl hij in Van Belleghem's
+huis bezig was met Lisatje's portret te schilderen, zijn moeder,
+vergezeld van jonkvrouw Elvire en haar gouvernante, daar buiten vóór
+het raam verschenen.
+
+--Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand,
+net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was.
+
+--Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk
+opgesprongen was.
+
+Maar ze waren reeds binnen. "Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij"
+riep Fonske's moeder, de beide jonge dames voorloodsend.
+
+--Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten
+glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl de Engelsche
+verrukt uitriep:
+
+--Oh! what a beauty!
+
+Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam
+bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele,
+korte zinnetjes de belangstellende vragen van het jong meisje
+beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek
+dan ook lang en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden.
+
+--Es dat 'n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een
+raadselachtigen glimlach.
+
+--O nie nien 't, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken,
+met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij een vuurkleur
+zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk,
+als 't ware boos, den blik van hem afwendde.
+
+--Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune.
+
+En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele
+woorden in vreemde taal met haar gouvernante.
+
+--'t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde
+onderdanig Fonske.
+
+--Joa 't, mejonkvreiwe, 't es lijk of hij zegt, meende Fonske's moeder
+gewichtig te moeten beamen.
+
+Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood,
+met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes
+en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet
+op met verlakte klep, die hij even afnam om te groeten en hij riep
+dadelijk vet-lachend, op familiairen toon:
+
+--Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen
+mee 't expezeeren!
+
+En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde.
+
+Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij
+voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid van den
+triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in
+hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan Fonske:
+
+--Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es?
+
+--Joa joa g' mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk
+bereid haar te vergezellen. 'K zal weere komen om 't hier op te
+kuischen, zei hij tot Lisatje.
+
+Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur
+en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte gloed van
+droeve spijtigheid.
+
+--Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche
+groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in Lisatje's
+benauwden wedergroet verkropte haast een snikje.
+
+Zij zag, als 't ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam
+passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag haar ook,
+maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien.
+
+Toen Fonske na een uur in 't huisje van Van Belleghem terug kwam
+om voort aan Lisatje's portret te werken, was 't meisje nergens
+te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd
+en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter was. Van
+Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove,
+zware stem naar achter in het tuintje:
+
+--Hei, Liza, woar zit-e dan?
+
+--Hier, klonk zacht een zwak stemmetje.
+
+--Ge moet binnen komen, Fons es doar weere.
+
+Maar Lisatje kwam niet.
+
+--Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons,
+goa zelve ne kier zien.
+
+Schoorvoetend ging Fonske 't tuintje in. Het was een heel klein
+tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, met
+aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel
+alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske toegekeerd.
+
+--Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht.
+
+--Nien ik, hoofdschudde zij kortaf.
+
+Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld.
+
+--Woarom niet? vroeg hij eindelijk.
+
+--Dóáromme!
+
+Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan!
+
+--Toe, kom, streelde hij vleierig.
+
+--Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide
+een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was.
+
+--Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend.
+
+En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt,
+wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime en Pharaïlde
+Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden.
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Drie jaar waren verloopen. Fonske werd nu zeventien. Hij was lang
+uitgegroeid en mager opgeschoten, en een fijn, bruin snorretje
+beschaduwde zijn bovenlip, maar verder droeg zijn smal gezichtje
+nog altijd iets van die schuchtere, weemoedig-getrokken uitdrukking
+der kinderjaren, alsof vroeg verdriet en stille armoede er een
+onuitwischbaren stempel op hadden gegrift.
+
+Om hem heen ging 't leven den gewonen gang, waarin het nu eenmaal
+scheen vastgegroeid. Steeds leefde hij alleen met zijn moeder in het
+kleine dorpshuisje, steeds ging hij werken bij en met Van Belleghem,
+steeds trok hij iederen zondagochtend naar de teeken-academie in de
+stad, en steeds ook kwamen met de lente en vertrokken met den winter
+de bewoners der regeerende kasteelen. Meneer de graaf hinkte wat
+aristocratisch-stijver op zijn stokje, meneer de baron opende een
+steeds ruimer uitzicht over 't groene wei-landschap tusschen zijn
+waggelende o-beenen; en meneer Gaëtan, heel lang en slank geworden,
+droeg nog steeds zijn griezelig-weggekamden "boulevard" op 't zwarte
+achterhoofd en beoefende verder velerlei sporten: jagen, paardrijden,
+automobielen, het laatste dikwijls in gezelschap van jonkvrouw Elvire
+en haar engelsche gouvernante.
+
+Van jonkvrouw Elvire kreeg Fonske af en toe nog eens bezoek. Het
+meisje, dat nu een mooie, jonge dame was geworden, bleef belang
+stellen in haar beschermeling, doch haar jeugdige geestdrift
+van den eersten zomer, toen ze zijn talent ontdekt had, was toch
+nooit teruggekomen. Sinds den dag, dat ze Fonske gezien had, in
+kladpotterskiel op den ladder aan 't kasteel, was er iets in haar
+bejegening veranderd, alsof zij pas dan had gevoeld een afstand,
+die niet mocht overschreden worden.
+
+In de eerste tijden had Fonske sterk daaronder geleden. Voor hem
+toch had die verandering geen reden van bestaan, al voelde hij
+ook instinctmatig wel, dat die verhouding juist de eenig mogelijke
+was tusschen hem en een meisje van haar stand. Hij had er soms 's
+nachts in zijn bed om geschreid en dat onbevredigd gevoel tegenover
+jonkvrouw Elvire had hem ook bestendig de zachte genegenheid doen
+verwaarloozen van Lisatje, die na haar eerste en eenige pruilbui,
+weer dadelijk zoo lief-toeschietelijk naar hem toegekomen was. Iets
+van verbitterde teleurstelling was diep op den bodem van zijn zieltje
+blijven liggen; en, zonder dat hij 't zelf vermoedde, hadden de jaren
+en het ontwikkelingsproces van zijn groeiend leven, dat pijnlijk gevoel
+scherp in hem wakker gehouden. De minste aanraking van 't teeder
+onderwerp deed de zieke snaar weer trillen, en hoe meer ze trilde,
+hoe meer het heimelijk leed, door allerhande bijoorzaken onderhouden
+en gevoed, zijn angel in de wond omkeerde.
+
+Een van die bij-oorzaken, een der scherpste en gevoeligste, kwam van
+buiten af op hem inwerken. In den loop der jaren had hij van lieverlede
+inniger aanraking gekregen met enkele leerlingen der teeken-academie,
+en wel voornamelijk met twee: Florimond Brandt en Sylvain Van Wetering.
+
+Zij waren alle bei zoowat anderhalf jaar ouder dan Fonske. Sylvain
+had reeds schilderijen op tentoonstellingen geplaatst gekregen en
+verkocht; en Florimond, die als aspirant-beeldhouwer was begonnen,
+scheen langzamerhand een kentering in de uiting van zijn kunstgevoel te
+volgen, en was bepaald op weg om dichter en schrijver te worden. Beiden
+waren geboren stedelingen. Florimond's ouders hielden een klein
+handeltje en de vader van Sylvain was klerk bij een notaris.
+
+Het waren twee eigenaardige typen: Florimond, een en al uitbundigheid;
+Sylvain geconcentreerd en stug. Twee contrasten, ieder op zichzelf
+heel sterk-individuëel, en beiden een onbewust-krachtigen invloed
+uitoefenend op Fonske, die met een soort bewonderende vereering naar
+hen opzag.
+
+Reeds hun uiterlijk boezemde 't eenvoudig kind van 't platteland
+zulk een ontzag in. Zij waren alle twee een hoofd langer dan Fonske,
+sterk en flink als echte mannen, met oogen vol zelfvertrouwen en een
+baard, dien zij maar lieten groeien: blond bij Florimond, bruin bij
+Sylvain. Hun geest, hun ideeën, waren als de uiting zelve van hun
+fyziek wezen. Alles bij hen klonk affirmatief-beslist, sterk voor of
+sterk tegen iets, zonder toegevendheid noch middelmaat. Er waren geen
+vraagstukken, op welk gebied ook, waar ze geen verstand van hadden
+en waarvoor ze niet dadelijk de oplossing vonden. Zij wisten het en
+transigeerden nooit; 't was zoo en niet anders, en wie dat niet aannam
+was minder dan niets en had geen reden van bestaan. In een paar dozijn
+droge woorden brak Sylvain de gansche teeken-academie af en bouwde
+een nieuwe, onaantastelijke kunstleer op; met enkele grootzwaaiende
+gebaren haalde Florimond beeldhouwkunst, poëzie, litteratuur en tooneel
+omver en rees zelf, als een jonge Titan, op de puinen daarvan in de
+plaats. Zoo had Fonske hen dikwijls bezig gehoord, de een exuberant en
+praterig, de andere koel en stil, en zoolang had hij in bewondering
+naar hen staan gapen, tot zij hem eindelijk opgemerkt en, door zijn
+stille vereering gevleid, eenigszins in hun midden opgenomen hadden.
+
+Zij toonden belang in hem te stellen en hadden gevraagd wie hij was
+en hoe hij op de teekenacademie was gekomen.
+
+Fonske, met kleurende wangen, vertelde hun van den graaf, en van
+den baron, en van jonkvrouw Elvire, en van meneer Wattenberg. Bij
+het hooren van dezen naam schimpten zij vinnig: dat was een uil, een
+ploert, een vent van niks, maar de bescherming van den graaf en zijn
+dochter stemde de twee intransigante estheten tot grondiger nadenken,
+en weldra uitte de prater van het tweetal, zijn ideeën over het geval
+en wat er van kon komen.
+
+--De kunst, zei hij, stond boven alles. Dat was het hoogste en
+eigenlijk het eenigste. Al het overige was niets, bestond niet. Fonske,
+als schilder met talent,--en dat zou hij worden--stond hooger,
+duizend maal hooger dan de graaf, en de baron, en de jonker, en de
+jonkvrouw. Maar Fonske was arm en dat maakte hem ondergeschikt. Hij
+moest dus, als het kon, zien rijk te worden. Zij allen, artiesten,
+moesten trachten rijk te worden, hadden het recht en zelfs den plicht
+zoo spoedig mogelijk rijk te worden, omdat rijkdom vrijheid was en
+vrijheid, volle, onbezorgde en onbegrensde vrijheid onontbeerlijk voor
+'t ontbloeien van de kunst. En in Fons' speciaal geval was de weg
+zeer eenvoudig en zeer helder aangewezen: de jonkvrouw was rijk, zij
+had zich voor hem geïnteresseerd, hem onder haar bescherming genomen:
+hij moest het er dus maar op aanleggen om haar zoo spoedig mogelijk
+tot de zijne te maken. Nog eens: Hij was in niets haar mindere;
+wel integendeel in alles haar meerdere, behalve in 't fortuin. De
+jonkvrouw mocht zich zeer gelukkig achten als ze door haar geld,
+door haar ellendig geld, later een groot kunstenaar tot echtgenoot
+kon hebben.
+
+Fonske luisterde vreemd op, en vroeg zich even af, of die twee hem
+soms voor den gek hielden. Doch neen, in 't geheel niet, zij waren
+volkomen ernstig; de stille beaamde met gewichtig hoofdgeknik de
+woorden van den prater, en beweerde in een paar korte zinnen, dat
+zulke dingen veel gebeurden, dat er ontelbare voorbeelden van waren.
+
+Vol van tegenstrijdige gedachten en gewaarwordingen ging Fonske dan
+naar huis en bespiegelde tot in 't oneindige de mogelijkheid van
+de hem voorgetooverde illuzie. Dat leek hem alles wel bereikbaar en
+gemakkelijk zoolang hij ginds in de stad was en de moed-ingevende,
+opbeurende woorden van Florimond en van Sylvain aanhoorde, maar hier,
+in 't nederig dorpje waar eigenlijk iedereen gebukt ging, en vooral
+in het armoedig huisje van zijn moeder, zoo zwak en klein, onder de
+wel-beschermende, maar tevens benauwende schaduw der twee machtige,
+regeerende kasteelen, hier leek het plotseling weer domme waan en
+onzin, en de jongen werd boos op zichzelf, dat hij ook maar één enkel
+oogenblik ernstig zulk een ongerijmde hersenschim kon koesteren. Hij
+schudde 't als een gekheid van zich af, hij wilde er niet meer aan
+denken, hij wilde aan niets meer denken dan aan zijn kunst, die hem
+meer en meer in beslag nam en waaraan hij tot de laatste minuutjes
+van zijn zoo zeldzame vrije uren opofferde.
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte
+en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had jonkvrouw
+Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en
+toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het zijne daar nu reeds
+verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar
+meerdere te zijn, hem dagen lang troost had gegeven. Hij wist het,
+hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook
+zij zelve had het gevoeld, want zij had hem gezegd:
+
+--Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons.
+
+Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar
+gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, en,
+waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldra als tot een
+meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en
+Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! Als kunstenaar, ja,
+maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie,
+de manieren, en ook het onverstoorbaar zelfvertrouwen en aplomb van
+zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist
+niets, hij kende nog niet eens enkele woorden Fransch--de taal die
+zij gewoonlijk sprak--en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe
+dieper en schrijnender voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak
+aan verdere opleiding.
+
+Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn
+plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie zou het
+hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over
+na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam hem ineens als een
+alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk
+moest verrichten om aan zijn brood te komen, dat hij met zijn moeder
+in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het
+groote euvel, dat hij geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens,
+in den nood van zijn ontreddering, bekende hij 't aan Florimond en
+aan Sylvain:
+
+--'t Zoe meschien meugelijk zijn, da 'k moar 'n beetse Fransch kon.
+
+--Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig
+vlaamsch-gezinde was.
+
+--Da kan ze, zuchtte Fonske.
+
+Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende
+oogen, als in geestdriftig nadenken.
+
+--Hawél, weet-e watte: 'k zal ou Fransch leeren.
+
+Fonske sprong van blijdschap op.
+
+--O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in
+een vrome bede.
+
+
+
+
+
+XV.
+
+
+En het gebeurde. Elken zondag, na de teekenles, nam Florimond, de
+heetgebakerde, hartstochtelijke flamingant, die het Fransch goed kon
+maar onverzoenlijk haatte, Fons mee naar huis en gaf hem fransche
+les. Fonske schoot er wel zijn middagmaal bij in, maar wat kon het
+hem schelen: hij leerde Fransch!
+
+De eerste keeren waren pijnlijk. Fonske wanhoopte of het wel ooit
+zou gaan. Maar hij wilde met een stugge energie en eindelijk ging het
+een beetje. Weldra kon hij sommige dingen in de courant lezen en een
+elementair gesprek voeren.
+
+Maar behalve 't speciale doel waarvoor het buitenkind zich wenschte
+te ontwikkelen, deed de groeiende kennis in hem ook van lieverlede een
+gansche wereld van onbekende emoties en verlangens ontwaken. Hij voelde
+reeds den invloed der beschaving in haar duizenden vertakkingen en 't
+was hem als een telkens nieuwe openbaring, als de kennismaking met een
+tooverwereld waar hij 't wonderkind van was. Wat was het leven anders
+dan 't geen hij tot nog toe op zijn dorpje kende! Wat was 't oneindig
+rijker en veelzijdiger! En, de algemeene verschijnselen tot zijn eigen
+bestaan terugbrengend, dacht hij aan 't geen er noodzakelijkerwijze in
+moest veranderen om hem eenigszins op het peil te brengen, waar hij
+zich, althans voorloopig, wenschte te handhaven. Hij moest andere,
+meer steedsche kleeren dragen; hij moest het minderwaardig werk,
+bij Van Belleghem, zoo spoedig mogelijk verlaten om zich, zoo veel
+en zoo uitsluitend als 't maar kon, enkel aan zijn kunst te wijden;
+en eindelijk moest hij zijn moeder zien te bewegen om zich ook netter
+en fatsoenlijker te kleeden en een andere, ruimere, ietwat deftiger
+woning te betrekken. Maar voor dat alles was geld--en nog wel tamelijk
+veel geld--noodig; en hoe zou hij daar aan geraken?
+
+Naarmate zijn betrekkingen met Florimond en Sylvain intiemer werden,
+drong hij ook wat dieper tot hun eigen leven door en kwam er van zelf
+toe hun voorbeeld eenigszins te volgen. Dat waren krachtige modellen,
+van wie een sterken invloed en een vast vertrouwen uitging. Sylvain
+had weer een schilderijtje verkocht en van Florimond waren verzen
+opgenomen in een tijdschrift dat betaalde; zij hadden beiden geld
+op zak; en Fonske, door zijn sterk verlangen en den nood gedwongen,
+nam eindelijk al zijn moed bij elkaar en vroeg eens aan Sylvain:
+
+--Keunt-e mij euk nie ne keer aan azeu ne keuper helpen?
+
+Nog al verbaasd en misschien wel een ietsje geërgerd over Fonske's
+durf, keek Sylvain naar hem op. Maar meteen voelde hij zich gevleid
+dat het buitenkind zoo nederig zijn hulp inriep, en, na een oogenblikje
+aarzeling, antwoordde hij, flegmatisch-kortaf, als naar gewoonte:
+
+--Misschien. Hèt-e wat?
+
+--Joa joajik, verzekerde Fonske.
+
+Tot nog toe hadden de beide estheten zich eigenlijk niet geïnteresseerd
+voor wat Fonske, buiten de academie-lessen om, al of niet aan teekenen
+en schilderen presteerde. Evenmin hadden zij eenig verlangen getoond
+om te weten waar hij woonde of kennis met zijn omgeving te maken. Nu
+leek het hen echter wel leuk om daar eens heen te gaan en op een
+mooien zondagmiddag werd het plan ten uitvoer gebracht.
+
+Na iets gebruikt te hebben in een restauratie--ook al weer een
+ontroerende nieuwigheid voor Fonske, waar hij zich voorzeker nooit
+alleen zou gewaagd hebben,--haalden zij den trein en stapten een half
+uurtje later bij het klein stationnetje Meulegem af.
+
+Fonske had vooruit zijn moeder gewaarschuwd. Zij zou zich op haar
+uiterst-best-mogelijk aankleeden en het armoedig huisje zou er zoo
+weinig armoedig en zoo netjes uitzien als het maar kon.
+
+'t Was geen geringe emotie voor Fonske, toen hij zoo tusschen zijn
+twee voorname vrienden den weg naar 't dorp opwandelde. Zij droegen
+breedgerande, zwarte deukhoeden op hun wilde haren en hadden elk een
+zwaren knuppel mee, alsof ze zich aan een aanranding verwachtten. Zij
+waren echte stadsmenschen, die nooit naar buiten kwamen en zij stelden
+Fons al dadelijk de gekste vragen over wat zij op het land bemerkten.
+
+Hun verschijning maakte ophef. Die langen haren, die groote hoeden,
+die wild-groeiende baarden, 't was alles heel ongewoon op Meulegem;
+de deuren vlogen in 't voorbijgaan open en Fonske hoorde duidelijk
+genoeg de onbehouden-nieuwsgierige uitroepingen:
+
+--Wie zijn datte? Mee wie leupt Fons Vermoare doar? Ha da zijn
+zeker zotten!
+
+Florimond glimlachte, zeer uit de hoogte:
+
+--De naturellen 'n zijn hier nie geweune van meinschen te zien,
+geleuf ik!
+
+Eigenlijk schaamde Fons zich een beetje, èn over 't eigenaardig
+uiterlijk van zijn twee vrienden, dat niet paste in die omgeving, èn
+over de opdringerige onbescheidenheid zijner mede-dorpelingen. Vóór het
+"Vosken" onder andere, waar Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers met
+nog twee andere jonge boerenkinkels aan het bolspel waren, ging het
+er wel wat erg toe. Zij staakten hun spel om met gapende monden en
+oogen te kijken en Feelke riep brutaal-luid terwijl ze voorbijtrokken:
+
+--Fon, .... verdome, .... wa ès da? Mee wie leupt-e gij doar?
+
+Fons gaf geen antwoord, maar achter hun rug ging een hoongebrul op,
+gevolgd door hevig schaterlachen.
+
+--'t Zijn hier nog wilden, glimlachte kalm Sylvain.
+
+Fonske was maar blij dat ze al spoedig aan zijn huisje waren.
+
+--Welgekomen, meniers, welgekomen! groette Fonske's moeder, hen
+nederig op haar drempel te gemoet komend.
+
+Zij namen even hun geweldige flaphoeden af en groetten haar als
+"madam".
+
+--Tut tut tut, madam, Noem gulder mij "vreiwe" meniers. We 'n zijn
+wij moar simpele wirkmeinschen, meniers. Kom binnen as 't ulder blieft.
+
+Zij traden binnen, hun hooge gestalten onder 't laag deurgewelf
+buigend.
+
+Fonske leidde hen in 't slaapvertrek, liet hun daar zijn schilderijen
+zien.
+
+--Dàt es slecht! riep dadelijk, op categorischen toon, Florimond,
+naar een doek waarop 't kasteel stond afgebeeld, wijzend.
+
+Sylvain, sprakeloos, hoofdknikte beamend. Fonske voelde zich pijnlijk
+te leur gesteld.
+
+--Menier Wattenberg vond het pertan [1] goed, waagde hij schuchter.
+
+Dat deed de anderen opspringen.
+
+--Dat es wel 't duidelijkst bewijs dat 't niet 'n deugt! triomfeerde
+Florimond. En Sylvain, vol minachting glimlachend, beaamde nogmaals
+met een zwijgend hoofdgeknik.
+
+Andere doeken werden getoond.
+
+--Dàt es goed, zie, dàt es goed! riep Florimond een landschapje ter
+hand nemend. En, op een spottoon:
+
+--Wat hè menier Wattenberg dóarvan gezeid?
+
+--Hij 'n hè 't nie gezien, antwoordde Fonske.
+
+--Dìt es goed, dìt is nog veel beter, zei nu op zijn beurt, in kalme
+woorden, Sylvain, een lijstje uit den stapel nemend. En hij ging er
+mee bij 't raampje staan.
+
+'t Was 't conterfeitsel van Lisatje Van Belleghem. Zonder het zelf
+te weten had Fonske er iets werkelijk-aardigs van gemaakt. Hij had
+het jong meisje de profil geschilderd, tegen het licht van een
+kleingeruit raampje, dat uitzicht op een bloementuintje had. En
+het frisch wangetje, het mooi-omschaduwd bloemen-oogje, het zuiver
+voorhoofdje en heel het fijn profiel met blonde haren, alles kwam in
+zachte harmonie van lijn en kleuren overeen met de omgeving: 't was
+of het knap gezichtje midden in de bloemen stond, zelf bloem onder de
+bloemen, met iets van zalige verrukking om de half-ontsloten lippen,
+alsof het heerlijke geuren inademde. Nu kon ook Florimond niets
+anders dan juichend goedkeuren; zij gingen alle twee bij 't venster
+nauwkeurig de details ontleden en toen keerden zij zich met een oolijk
+lachje naar Fons om en vroegen hem of dat een meisje uit het dorp was.
+
+--Joajoa 't, antwoordde Fons, 't es Lisatje Van Belleghem, 't dochterke
+van mijnen boas.
+
+--'t Es spijtig da z'in de stad nie 'n weunt, 'k zoe euk ne kier heur
+portret moaken, zei Sylvain. En weer lachte hij ondeugend.
+
+Fonske ging daar niet verder op door, maar de toon van zijn vrienden
+over Lisatje beviel hem maar half. 't Was eenigszins alsof de hand
+werd geslagen aan iets dat hem alleen toebehoorde. Hij voelde iets
+als een heel klein beetje jaloezie; en meteen kreeg Lisatje voor hem
+een beteekenis die ze totnogtoe niet had. Hij nam het schilderij en
+stopte het weg; liet andere dingen zien.
+
+Zij vonden nog twee of drie stukken goed en al het overige
+onvoorwaardelijk prullen, en Sylvain besloot dat hij die enkele doeken
+zou meenemen en ze aan zijn kunstverkooper laten zien. Hij hoopte wel,
+dat hij er twee of drie van de hand zou kunnen doen. Fonske was al
+bij voorbaat dankbaar-tevreden.
+
+Toen was er daar in 't huisje niets meer te bekijken en nu verlangden
+zij den tijd dien zij nog over hadden te gebruiken om iets van het
+dorp en de omgeving te zien.
+
+--We zillen op de Meulenberg goan, zei Fonske. Van doar uit zie-je
+alles.
+
+Zij gingen.
+
+Fonske leidde hen eerst tusschen de enkele huizen van 't dorpje,
+waar alweer de menschen zeer nieuwsgierig op hun drempel kwamen
+kijken. Enkelen groetten met diepe buiging, uit slaafsche gewoonte
+hun heeren te groeten, maar de meeste deden het niet, gedeeltelijk
+omdat Fons er bij was, maar ook wel alsof zij instinctmatig voelden,
+dat het hier geen echte heeren gold, zooals zij die gewend waren. Toen
+zij voorbij het huis van Van Belleghem kwamen was Fons eigenlijk blij
+dat daar niemand op den drempel stond en hij zei hun ook maar niet,
+dat Lisatje daar woonde. Langs een smal, stijgend paadje, tusschen
+twee, dicht met kreupelhout begroeide zandheuvels, bracht hij hen
+boven op den molenberg.
+
+Daar strekte zich een heerlijk zicht van urenwijde ruimte uit. En
+'t was zóó onverwacht, daar midden in het vlakke Vlaanderen, dat
+zelfs aan de twee stedelingen, vrij ongevoelig voor natuurschoon,
+een kreet van verraste bewondering ontsnapte.
+
+Het gansche land lag er onder hun voeten, met bosschen, bouwland,
+weiden en rivier, in doezelige golvingen wegdeinend naar de
+blauwachtige heuvelverten, alsof een goede reus met groote, zachte
+hand in liefdevol gebaar over de wijde streek had heengeaaid. Hier
+had hij een glinsterenden zilverkronkel der rivier getrokken, dáár
+had hij een donker bosch geplant, ginds verder nog het tintlend goud
+der oogstvelden gestrooid, en alles als het ware overgoten met een
+heilig-stille atmosfeer van zoete rust. Het nietig dorpje, met zijn
+spits kerktorentje, dat daar vlak onder lag, was als een nestje van
+geluk en poëzie; de oude, grijze molen stond met naakt-gekruiste
+wieken in zijn eenzaamheid te droomen en heel in het verschiet, heel
+licht en nauwelijks zichtbaar boven de eindelooze, dichte deining van
+de donkere boomenkruinen heen, verrezen de hooge torens van de verre
+stad, ijl als lichtbakens over de wijde uitgestrektheid van een zee.
+
+Fonske, trotsch dat ze zijn streek zoo mooi vonden, wees hun de twee
+kasteelen: 't kasteel van "menier den b'ron," 't kasteel van "menier
+de groave".
+
+--Zeu 't es doar da ze weunt? glimlachte Florimond naar de koepels
+en de torens wijzend.
+
+Fonske kreeg een kleur.
+
+--Joa 't, knikte hij met inspanning.
+
+--Hawèl, ik hier, en gij doar, Sylvain, schertste Florimond, om beurt
+naar de twee kasteelen wijzend, da zoe mij goan. En ou?
+
+Sylvain grinnikte dat hij er niets tegen op had, maar dat er toch
+ook wel een plaatsje voor Fons en de jonkvrouw moest openhouden worden.
+
+Zij gingen daar een tijd op door, tot stille ergernis van Fonske, die
+dat alles wel misplaatst vond; en eindelijk drukten zij 't verlangen
+uit, althans één van die twee kasteelen, het mooiste, waar Fons later
+zou wonen, van dichtbij te zien.
+
+Fonske kon niet anders dan er hen heen brengen.
+
+Zij huppelden vlug den molenberg af, liepen dwars door het dorp,
+kwamen in de weide.
+
+--Wa veur 'n biest es dat! riep eensklaps Sylvain, angstig op zij
+springend.
+
+Nu kon Fonske ook eens hartelijk met hem lachen.
+
+--Zij-je gij schouw van nen oakpuit [2]! spotte hij.
+
+Sylvain had blijkbaar nog nooit een kikker gezien. Met aandachtig
+wantrouwen ging hij 't beest nauwkeuriger opnemen, telkens weer
+'n beetje schrikkend bij iederen wipsprong. Florimond, die wél eens
+kikkers had gezien, lachte hem vierkant uit.
+
+--'K ben d'r vies van, griezelde Sylvain met opgekrulde bovenlip.
+
+In kalme nieuwsgierigheid kwamen nu ook de koeien op hen af. Zij
+stapten loom en breed over de wei en bulkten. De beide stedelingen
+bleven staan en hielden hun knuppels in de hoogte.
+
+--'t Zijn stieren! riep Sylvain.
+
+Fonske moest schaterlachen, ging naar de koeien toe, klopte hen
+pletsend op de schoften:
+
+--Ala, Bloare, ala, Blesse, uit de wig!
+
+--'K 'n zoe buiten toch nie keune weunen, verzekerde Sylvain.
+
+Zij kwamen bij de rivier en stonden vóór 't kasteel, Fonske vol
+overgeërfd ontzag, de beide stedelingen met iets superieur-schimpends
+in de oogen.
+
+--'t Ziet er parvenu-achtig uit, beweerde Florimond; en Sylvain
+hoofdknikte, sprakeloos beamend. Fonske begreep het woord wel niet,
+maar voelde een afkeuring.
+
+Florimond ging naar het bootje toe, dat aan den oever lag.
+
+--O! ge 'n meug niet! schrikte Fonske, 't es 't beutse van 't kastiel.
+
+--'t Beutse van 't kastiel! riep Florimond verbaasd. En 't ligt hier
+in de wei!
+
+--'t Es gelijk, 't es 't beutse van de groave, doar 'n mag niemand
+mee voaren! verzekerde Fonske.
+
+--Hoe komen de meinschen dan over 't woater? ergerde zich Florimond.
+
+--Ginder, 'n endeke verder, aan den overzet van boerke Floncke,
+zei Fonske.
+
+Zij volgden de rivier tot aan den overzet van boerke Floncke, waar, op
+hun geroep, een stevig-knappe meid hen met een bootje naar den anderen
+oever bracht. Zij liepen dwars door boerke's hof; de beide stedelingen
+even neus-dichthoudend voor een scherp-riekende mestvaalt en kwamen
+weldra in een lange, prachtige beukendreef, de dreef van het kasteel.
+
+Fonske vond het niet bepaald prettig daar met zijn twee voorname
+vrienden te loopen. Eigenlijk achtte hij hen beter geschikt voor de
+stad dan voor buiten en 't speet hem wel een beetje dat hij ze naar
+Meulegem had meegenomen. Zij bewonderden zoo weinig wat hijzelf zijn
+leven lang had leeren waardeeren en vereeren, en hij wist niet goed of
+hij wel verheugd dan bang moest zijn voor een mogelijke ontmoeting met
+jonkvrouw Elvire of een der andere adelijke familieleden. Terwijl hij
+dat in zichzelf overwoog werd het gesnor van een automobiel hoorbaar
+en door 't kasteelhek kwam de welbekende, grafelijke auto aangereden.
+
+Fonske kreeg een vuurkleur en trok zenuwachtig zijn vrienden bij
+de mouw.
+
+--Z' es doar! kreet hij dof.
+
+De twee estheten drongen op zij. Zij maakten front naar den weg en
+bleven onbeweeglijk staan, als palen. Heel langzaam kwam de open auto
+aangereden. Aan 't stuur zat meneer Gaëtan, naast hem jonkvrouw Elvire
+en in den achterwagen de Engelsche, die glimlachte met bloote tanden.
+
+Fonske nam zijn hoedje af en groette met diep-nederige buiging. Hij
+kreeg een minzaam knikje, toch een beetje als van verre, terug. Toen
+vertrok 't gezicht der jonkvrouw plotseling als van ontstemde
+verwondering en in het snorren van den motor keek zij met hautaine
+strakheid naar de twee groote flaphoeden en de wilde baarden. De
+estheten hadden geen lid verroerd. In arrogant-stugge houding namen zij
+het meisje vrijpostig op en keken ook den jonker met zijn "boulevard"
+na. 't Was zóó gewild en vlug-vijandig, dat Fonske ervan schrikte. Met
+een grijnslach van minachting keerden zij zich in 't opgejaagde stof
+der auto om, en Florimond zei tot Sylvain:
+
+--Ik 'n zoe ze nie moeten hén. En gij?
+
+Sprakeloos-grinnikend schudde Sylvain het hoofd. Neen, hij ook niet.
+
+--Wa veur nen ignobele crétin es dat, die nevens heur zit? vroeg
+Florimond aan Fonske.
+
+--Menier Gaëtan, de zeune van menier den b'ron, antwoordde Fonske,
+die maar half begreep.
+
+--Es dat heur lief?
+
+De ruwe woorden troffen Fonske als een kaakslag. Nog nooit had hij
+iemand zoo oneerbiedig over hun traditioneele heerschers hooren
+spreken. Het deed hem pijn en het maakte hem nijdig. Hij gaf geen
+antwoord. En toch,.... diep in zijn binnenste, voelde hij een soort
+ontzag voor die twee flinke kerels, die zoo maar raak, en zonder vrees,
+de geduchte dorpsafgoden van hun voetstuk durfden gooien. Het was een
+kracht welke hij niet bezat; een vrijheid, en daardoor een waardigheid,
+hoe ruw ook, die steun gaf aan hun leven. Zij hadden niet gegroet,
+zij hadden niet het hoofd gebogen, zij kenden schuwheid noch ontzag,
+zij voelden zich niets minder, wel het tegendeel, dan die machtigen
+en rijken, en Fonske onderging, in weerwil van zichzelf, een soort
+van afgunstigen eerbied voor een durf en kranigheid, die hij wel
+nooit bezitten zou.
+
+Langzaam keerden zij naar 't dorp terug: de zon ging onder in oranje
+glorie en de stille populieren wierpen lang hun dwarsche schaduwvlekken
+over 't glinstergroene weiland. Het dorpje lag zich als 't ware te
+spiegelen in avondluister en 't roomig vee, door de koewachtertjes
+opgedreven, stond roerloos-wachtend bij den oever der rivier, als
+met goud omgoten.
+
+De twee regeerende kasteelen op hun heuvel, keken elkaar met
+schitter-ruiten aan. Het was alsof ze alle twee, in rijk genieten,
+elkander's pracht en macht bewonderden. Zij heerschten, men zag ze
+voelbaar heerschen over 't gansche land, en zelfs de twee teugellooze
+en vrijgevochten estheten werden iets als een benauwende drukking
+gewaar, want Florimond zei tot Sylvain terwijl hij naar de beide
+imposante buitens wees:
+
+--Dà zoe hier weg moeien, dà stoort.
+
+Zij kwamen weer in 't dorpje. Op elken drempel zaten nu de menschen
+van de zachte avondfrischheid te genieten; en reeds van verre zag Fons
+Lisatje met haar moeder staan, vóór 't huisje van Van Belleghem. Hij
+hoopte maar dat zijn vrienden het meisje niet zouden opmerken,
+maar het liep mis: Sylvain ontdekte haar dadelijk, bleef staan,
+en zei glimlachend:
+
+--Dat es 't scheun meiske van 't portret.
+
+--Verdeeke joa 't, riep Florimond. Ala, Fons, presenteert ons ne keer.
+
+Met tegenzin, hoog kleurend en gegeneerd, voldeed Fonske aan
+'t verzoek:
+
+--Lisatje, da zijn tweeë van mijn kameroaden uit de tiekenschole.
+
+--W'hèn ou portret gezien mademoiselle, 't es scheune, zilde, zei
+Florimond met stralende oogen.
+
+--Es 't woar, meniere; glimlachte 't meisje schuchter den blik
+neerslaande.
+
+--Moar 't origineel es nóg scheunder, complimenteerde Sylvain.
+
+Lisatje, die maar half begreep, keek nog bedeesder even op en sloeg
+de oogen dadelijk weer neer. Fonske beet op zijn lippen, inwendig
+spijtig en geërgerd, en hij voelde weer een diep-priemend steekje van
+vluchtige jaloezie, alsof aan iets getornd werd, waar hij alleen recht
+op had. De moeder bleef stijf en vagelijk-wantrouwend naast den muur
+staan; Van Belleghem, opgeblazen-dik en rood, verscheen in de deurpost,
+die hij geheel vulde, en tikte even aan zijn glimmend petvizier.
+
+De twee estheten namen hun flaphoeden af en groetten tot
+afscheid. Fonske zei "tot morgen" aan Van Belleghem en keek Lisatje
+strak en glinsterend in de oogen aan. Hij zou zijn vrienden op het
+dorp maar niet meer nooden. Hij was wel niet verliefd op Lisatje,
+maar--hij wist niet waarom--hij had toch niet gaarne gezien, dat een
+van die twee op haar ging verlieven.
+
+Beiden waren hoogst verrukt van Lisatje. Zij hielden daar een betoog,
+midden op de straat, over 's meisje's frissche schoonheid, die voor
+Fonske als een openbaring klonk. Met zulke oogen had hij haar toch
+nooit aanschouwd. Zij vonden haar tienmaal, honderdmaal, duizendmaal
+mooier dan de jonkvrouw en begrepen niet hoe Fonske dat ook niet zag
+en voelde. Zij zouden niet aarzelen. Al was de jonkvrouw nog zoo rijk,
+honderdmaal, duizendmaal zouden zij de voorkeur aan Lisatje geven. 't
+Gaf Fonske een gevoel van troost, gemengd met wrevel.
+
+In Fonske's huis pakten zij de schilderijen bij elkaar. Sylvain koos
+er vijf uit, waaronder het portret van Lisatje. Fonske had dit laatste
+nu veel liever bij zich gehouden, maar dorst Sylvain, die hem wellicht
+aan koopers zou helpen, niet mishagen. Hij droeg het pak en vergezelde
+hen naar het station.
+
+Onderweg kwamen zij meneer den pastoor tegen. Fonske nam haastig
+zijn hoed af en groette zoo nederig en zoo diep als hij mejonkvrouw
+Elvire en meneer Gaëtan had gegroet. De twee estheten, daarentegen,
+namen in 't minst geen notitie van den geestelijke. Fonske was er
+gansch ontsteld van, want meneer de pastoor was geen mindere macht dan
+meneer de graaf of meneer de baron en hij vreesde strenge verwijten,
+dat hij in slecht gezelschap verkeerde. Meneer de pastoor had héél
+verbaasd en zelfs héél boos naar zijn twee gezellen opgekeken.
+
+--Saleweert-e gulder de pàsters niet? kon Fonske niet nalaten gansch
+ontdaan te vragen.
+
+--Den dienen die doar veurbij gekomen es? vroeg Florimond minachtend
+uit de hoogte. We 'n kennen hem niet.
+
+--'t Es menier de pàster van Meulegem, antwoordde Fonske vol benauwd
+ontzag.
+
+--Al was ie-hij de Paus, we 'n kennen hem niet, zei Sylvain smalend.
+
+--Hoe durven ze toch! dacht Fonske. En weer voelde hij, in een mengsel
+van angst en bewonderende afgunst, bij hen die sterkende kracht,
+dien waardigheidstrots tegenover machtigen en rijken, welke hem zoo
+zeer ontbraken.
+
+Op het perron van 't stationnetje namen zij van elkander
+afscheid. Sylvain beloofde vast reeds den volgenden ochtend met de
+schilderijen bij zijn kooper aan te gaan en hoopte wel dat hij over
+weinige dagen Fonske eenig gunstig bericht zou kunnen zenden.
+
+
+
+Den volgenden ochtend--Fonske was bezig aan wat decoratiewerk in het
+gemeentehuis--klopte de daar langs komende postbode op een der ramen
+om zijn aandacht te wekken.
+
+--Fons, vroeg hij, toen de jonge man met zijn borstel in de hand naar
+buiten kwam, het-e gij gisteren oavond ou schilderijen in den trein
+nie loate stoan?
+
+Fonske schrikte geweldig.
+
+--Mijn schilderijen! Ha 'k hé ze meegegeven aan iene van mijn
+kameroaden!
+
+--Hawèl, den dienen hé ze vergeten stoan, zei de postbode. Gelukkig
+hét de conducteur ze gevonden en, omdat hij ou kent, hè z' hij weere
+noar Meulegem meegebrocht. Ze stoan in de stoassie.
+
+Fonske liet vallen wat viel en holde wanhopig naar huis toe.
+
+Juist kwam zijn moeder hem gansch ontsteld te gemoet, met een blauw
+papiertje in de hand.
+
+--Och Hiere, Fons, 'n dépêche! Wa mag da zijn!
+
+'t Was van Sylvain. Hij maakte excuses, had gelukkig vernomen dat de
+schilderijen weer naar Meulegem waren, vroeg onmiddellijk terugzending
+aan zijn adres.
+
+Drie dagen later ontving Fonske een tweede telegram:
+
+"Vier schilderijen verkocht samen driehonderd vijf en zeventig frank."
+
+'t Was of Fonske eensklaps gek werd. Hij sprong letterlijk op van
+geluk, hij danste van geluk en kwam met 't blauw papiertje naar zijn
+moeder toegeloopen, luid-jubelend.
+
+--Moeder! moeder! 't 'n es niet te geleuven! Vier schilderijen
+verkocht veur drei honderd vijf en tsjeventig fran! moeder, moeder,
+we zijn rijke!
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer
+in Fonske's leven. Hij was niet langer 't schuwe mannetje, dat
+vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; 't gelukte
+hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van
+zich af te schudden.
+
+Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende
+geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij
+mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op,
+zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn
+stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem
+in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij
+flink op afstuurde.
+
+Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn
+brood mee verdienen!
+
+Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon
+aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog
+wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen
+kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel
+Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar
+Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van
+Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, 't
+was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem
+een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station
+gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon
+om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van
+Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske
+de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen:
+een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw
+en verder 't kasteel van meneer den graaf en 't kasteel van meneer
+den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol
+grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip
+van logisch verband, de wolvenjacht te doen vervangen door een ander
+tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien
+er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den
+omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven
+aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging
+niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens
+gesproken over wat zij noemden "hun artistiek geweten", dat hun slechts
+toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting
+strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel
+af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht
+niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter
+niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog
+wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen.
+
+Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig,
+maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer,
+en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een
+deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich
+nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ook op zijn
+werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en
+machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op
+zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In
+enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet
+meer herkenden.
+
+In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam
+uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere
+jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en
+enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes
+gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn
+arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste
+zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het
+leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik
+omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen
+hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf,
+meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname
+en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en
+stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele
+afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan
+kwam te staan.
+
+Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek
+volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij
+voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend
+was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen
+belang te stellen: hij las boeken, 's avonds, als hij tijd had en
+meer dan eens was 't reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie
+in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje
+lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde.
+
+Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het
+kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst
+op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken;
+'t was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan
+langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen
+van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring
+kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten.
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain,
+wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en
+een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds,
+door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en
+slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling,
+waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd
+hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of
+verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij.
+
+Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in
+zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had
+gepredikt. Geen mensch, op 't dorp, zou het gewaagd hebben met zulk
+een man ook maar even om te gaan en nu stond Fonske vóór hem, vóór
+dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was.
+
+Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij
+kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu
+ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der
+regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het
+bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden
+doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu
+stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord
+en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding,
+gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem
+dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie
+werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en
+naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en
+eerlijk gebleven, verre verheven boven 't lage ideaal van geld en
+weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een
+ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken.
+
+Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder 't spreken
+had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren en
+waarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare
+bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf
+geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen
+en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar
+hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht
+uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske's schilderijen en vond er wel
+veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en
+diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat
+was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en 't
+moest en 't zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk,
+die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom
+een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in
+dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot
+den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping,
+voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend
+en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender:
+een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets,
+of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den
+barren muur dier fabriek, van afgematheid zit te hijgen! En waarom,
+als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom
+moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende
+paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke,
+anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig,
+afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, de
+Menschheid zelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele
+machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore,
+vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud
+van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen?
+
+Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden
+als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door
+een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten,
+die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van
+zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden
+hem namen in 't gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske
+voor het geweld van 't twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik
+bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat
+die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen
+in een andere lijn bereiken: men moest vooral willen en durven,
+hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen
+steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns' blakende
+woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen
+gevloeid; 't werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit
+vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds,
+als 't ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend.
+
+
+
+
+
+XVIII.
+
+
+Hij had hem ook bovenal,--en voor het eerst, en heel wat sterker dan
+totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle waardigheid
+als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen.
+
+Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer
+de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan,
+ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij
+mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd wezen
+op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de
+andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn op alle twee;
+het was geen schande, zooveel groote kunstenaars--dat had hij immers
+herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain en ook van vele anderen
+gehoord--zooveel groote kunstenaars waren te gelijkertijd op meer
+dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in
+hun voortreffelijkste werk geïnspireerd.
+
+Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten
+slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar!
+
+Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij
+kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, dat men in
+een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid
+van alles voor hem, en zijn aanbidding, die hij in zijn eigen diepste
+binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna
+als iets wandadigs verborg, had feitelijk de naïeve, frissche reinheid
+van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna
+tyrannisch-menschelijk in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar
+één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken
+en éénmaal van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou
+hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. 't Was de
+romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin!
+
+Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de
+stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking
+zijner liefde beschouwde, oneindig veel gemakkelijker te bereiken,
+dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand
+stond ze meer in nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw
+voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal
+met zijn voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even
+meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar
+liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der
+regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare godin,
+waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even
+van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, haar moeder,
+of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders
+niet meer bestond, hem als een afgrond aan en weer voelde hij zich het
+jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar
+weldaden leefde. En hij begreep heel goed dat alleen iemand uit haar
+eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken.
+
+Nog steeds werd er in 't dorp verteld, dat die twee zeer zeker met
+elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden samen
+op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere
+jongelui en jonge meisjes op de twee kasteelen, doch dat was maar
+tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker
+en de jonkvrouw aldoor samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als
+iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich
+in zijn droomen en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was
+in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar
+jonkvrouw Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag
+meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den
+omvang van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij
+den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen of
+door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding
+en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke bekoring wel van
+zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij
+er wel zou uitzien als hij zulke kleeren en manieren had als meneer
+Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das
+zooals meneer Gaëtan er droeg en eens, op een vroegen zondag-ochtend,
+vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op
+het hoofd een "boulevard" te kammen.
+
+--Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamt ou lijk menier Gaëtan! riep
+de vrouw verbaasd.
+
+Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel,
+haastig weer zijn haren platstrijkend.
+
+--Och, moeder, zij-je nie wijs; 't es omda 'k 'n beetse brand hé op
+mijn achterheufd.
+
+--Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. 'k Miende dat-e menier
+Gaëtan wildet noardoen. Ge 'n zoedt nie meugen, jongen, ze zoên
+'t ons kwoalijk nemen op 't kastiel.
+
+--Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen
+lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd.
+
+De moeder ging daar maar liever niet verder op door.
+
+
+
+
+
+XIX.
+
+
+Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit
+zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als 't ware
+vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw
+of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook niet meer noodig;
+hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud
+en in dat van zijn moeder te voorzien; hij wachtte zelfs maar op een
+gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij
+besloot, vóór het wintervertrek naar de stad, aan de jonkvrouw een
+brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn
+beste schilderijtjes als geschenk aan te bieden.
+
+Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief
+in die taal te schrijven. Dat stelde hem alweer op meer gelijken
+voet met haar; hij ging maar dadelijk aan 't werk, en toen hij er,
+na groote inspanning, mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag
+lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten
+uit te halen.
+
+De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het
+een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in 't Fransch wilde
+schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun
+nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende men dit
+gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had
+zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. Doch zij kregen ten
+slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond
+de fouten uit het epistel, die talrijk waren.
+
+Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig
+over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen
+leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij
+invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat naar
+het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee
+te zenden, maar toen voelde hij als 't ware iets vernederends voor
+zichzelf in die opdracht. Beter ging het door den veldwachter. Zoo
+had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij
+de plechtigheid van den franschen brief. De veldwachter, trouwens,
+vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen
+Fonske hem een frank gaf om onderweg een paar "dreupelkes" te drinken.
+
+Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige
+ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch sliep,
+zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van 't kasteel,
+buigend onder 't lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. Hij liep
+hem na, ontving den brief uit zijn handen.
+
+Reeds het adres was een emotie:
+
+ Monsieur Alphonse Vermaere
+ artiste-peintre
+ Meulegem.
+
+
+Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open.
+
+
+ Monsieur,
+
+
+ Quelle agréable et double surprise vous me faites en m'envoyant
+ une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet
+ de neige! J'ignorais totalement que vous connussiez le français
+ et surtout que vous l'écriviez si bien. Je vous en fais mon
+ compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu'il
+ ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand
+ artiste. L'oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je
+ suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement.
+
+ A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour
+ le printemps prochain. J'en ai dejà parlé à mes parents,
+ qui sont d'accord avec moi. En attendant, continuez à bien
+ travailler et à faire des progrès dans votre art.
+
+ Veuillez croire à l'assurance de mes sentiments distingués.
+
+
+ Cesse E. d'Assonville.
+
+
+Fons vouwde 't briefje dicht en stopte 't in zijn zak. Hij zag heel
+bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord begrepen,
+maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes,
+in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich verwerken.
+
+--Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder.
+
+--O, joa z' zilde, antwoordde Fonske verstrooid, en voegde er bij,
+dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest.
+
+In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg
+en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het kreupelhout
+verschuilen.
+
+Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak.
+
+Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den
+linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en daar
+streek hij even met zijn vingers overheen en voelde 't hard relief
+der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, woord voor
+woord, weer over.
+
+"Connussiez"; die verbuiging kende hij niet, maar 't leek hem heel
+knap en heel mooi en hij begreep toch. "Constater" begreep hij niet,
+heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar 't deed
+er niets toe, hij verstond den zin en voelde zich gloeien van geluk en
+trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde
+en geheel van streek bracht waren de laatste zinnen: "A mon tour je
+vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain".
+
+Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem
+in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing waar haar ouders
+reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook
+van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen hen te dempen? Zag
+zij de mogelijkheid in, met hem... och, 't was onzinnig, en toch,
+welke verrassing--een verrassing die hem zou gelukkig maken--kon het
+anders wel wezen?.... Het suisde in hem en 't nevelde vóór zijn oogen:
+hij voelde zich eensklaps door een groote, weeke teederheid bevangen
+en zijn blik werd vochtig.
+
+Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat
+te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten kring van
+struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij
+het vreedzaam dorpje in de diepte en verder het smaragden kleed der
+weilanden, waarop de koeien graasden, en achter 't zilver-kronkellint
+van de rivier, den weg-wazenden overheuvel, met de torens en de tuinen
+van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat
+baadde alles om hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo
+groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig
+veel rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En
+die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat hem gegeven
+werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie,
+maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht rijker dan een
+tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets
+meer, niets dan het heerlijk woekeren en ontbloeien van den schat, van
+al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde.
+
+
+
+Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen,
+hadden dezen maar één roep:
+
+--Ça y est! Ze wil mee ou treiwen!
+
+Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de
+gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente
+bewaarde.
+
+
+
+
+
+XX.
+
+
+Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te
+werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te
+ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als 't ware
+voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem
+in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de
+aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen
+kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen
+rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen
+en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en
+werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat
+Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe
+voelde Fonske wel, dat er op kunstgebied nog hoogere ambities waren;
+doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit
+gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en
+was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust.
+
+Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en
+manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers
+aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand
+die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers,
+evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef
+gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer 't besef
+van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms
+geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als
+hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens
+naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij
+zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te
+nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet
+liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist
+onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan
+wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was 't keurig door hem
+ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en
+luchtig atelier in 't noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij
+heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd
+hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een
+soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen
+stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een
+zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het
+tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in
+harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag:
+
+
+ "Villa du Moulin".
+
+
+Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn,
+omdat hij 't niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre,
+dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor
+maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw
+van 't kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in
+bewaring hield.
+
+In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd
+hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die
+vonden er zelfs hoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen
+telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars
+die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven,
+trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul
+genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie
+zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. 't Was iets waarvan
+'t eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met
+deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof 't voor eeuwig
+was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij
+elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken
+bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden
+haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure
+kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel,
+feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen.
+
+Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse,
+was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding
+van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom
+ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van
+Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zou
+een ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen,
+of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden
+en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in
+hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan
+dom heeten als hij 't nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed.
+
+Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske's zinnen, wekte
+geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine
+eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd
+duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te
+beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat
+zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees,
+ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te
+eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem 't voorbeeld gaven. Maar hij
+lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan
+vroeger notitie van Lisatje, en 't aardig kind, dat lang onder zijn
+onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn,
+blijde dagen te gemoet.
+
+
+
+
+
+XXI.
+
+
+Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden
+alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog winternaakte
+kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en 't was alsof
+hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk de zoo lang sluimerende
+bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen
+doorschijnend-groene, kanten hemdjes, de lijsterbes bloeide alom op
+'t molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en
+plat tegen den groenen grond blonken de blauwe oogen der viooltjes en
+schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom
+de gele tuilen der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een
+reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in 't rond
+gestrooid. De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde,
+ging 's avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige
+oranje glorie, en toen kwam 't maantje kijken, een beetje blikkerig-kil
+in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende sterren; en het
+gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de
+heilige stilte.
+
+En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de
+nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als 't ware de blijde
+komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór
+het werkelijkheid zou worden. Reeds waren de regeerende kasteelen uit
+hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun
+wijd-open ramen en deuren, als blij elkaar weer op hun oude plaats
+terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun
+vrije blijdschap uit te midden van het jonge vee, dat lentedronken na
+de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest
+vieren, vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in
+'t malsche groen aan 't grazen ging.
+
+En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families,
+zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, en
+'t gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachte en toch
+telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen,
+'t uitsterven van een jaar en het geboren worden van een nieuw jaar,
+waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het
+jaarlijks gaan en komen der regeerende families; er kwam al dadelijk
+een andere toon in de gemeenschap; 't was of een stille sluier
+alles dempte en wie een tijdlang los en vrij en zonder vrees rechtop
+geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn
+gangen met dat eigenaardig gangetje, dat aan andere dorpsbewoners,
+waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed:
+
+"Dat is de gang van Meulegem."
+
+En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed,
+onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die benauwende
+drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners.
+
+Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen
+zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, en er gebeurde
+niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd
+had, vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,--wat
+was ze mooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in 't vol
+bewustzijn van haar rijke schoonheid!--hij had haar diep gegroet en
+ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was
+alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met 't zelfde heen
+en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te
+wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, het zoolang verwacht
+verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel
+wilde komen.
+
+Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur
+trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en zijn adem
+hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste
+kleeren wilde uitleggen.
+
+Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij
+toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half vol laten staan.
+
+Om half drie trok hij 't weiland in. Hij had een hoog boord, een
+bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen aan;
+hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine
+handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, blond snorretje had
+hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te
+rijden op het heel mooi rijwiel, dat hij zich onlangs had aangeschaft;
+maar na overweging vond hij het te voet toch passender.
+
+De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen,
+staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken.
+
+--'t Es Fons, hij goa noar 't kastiel, fluisterden zij met een soort
+eerbied.
+
+Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al
+die jaren!
+
+Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid
+een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige kasteellaan in.
+
+Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier
+te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij kreeg een
+bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede
+grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in.
+
+Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te
+beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op 't vlakke lag, kalmeerde dat
+eenigszins. 't Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en
+de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. Vrij onbevangen schreed
+hij over de brug en 't pleintje dat er achter lag, klom op de stoep
+en belde aan.
+
+Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in
+de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht en
+verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween
+langs den breeden trap met zachten looper.
+
+Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes,
+hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met speelwerk in
+een hoek. 't Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam
+in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. De hall liep in de
+gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en
+Fonske zag hoe mooi het van daar uit was aan de beide kanten: aan
+den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop 't kasteel
+van den baron stond en het oude molentje; en aan den anderen kant
+een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch
+eikenbosch, hoog en ondoordringbaar als een donkergroene muur.
+
+Binnen in 't kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de
+gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. Fons
+hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar
+gebeurde heel héél verre van hem af lag. 't Scheen wel of wat daar
+leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging
+eensklaps een deur open en weer dicht en het kwam Fonske voor of hij
+gesmoord gestommel en gegichel hoorde.
+
+Hij rees op en keek naar boven.
+
+Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper
+afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen rok en
+vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond
+hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die hem glimlachend te
+gemoet traden.
+
+Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. 't Was
+hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het was alsof
+zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte,
+hij schrikte geweldig en voelde 't in zijn binnenste ijskil worden,
+toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw
+Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los en stak die met haar
+vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend:
+
+--Dag menier Alfons. Hoe goat 't mee u?
+
+--Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en
+hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen,
+donkeren, sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander
+aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte.
+
+De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en 't was de eerste,
+die met eenige inspanning begon:
+
+--Menier Alfons,....
+
+Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en
+vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over haar, en deed
+haar wangen kleuren. 't Was week en teeder als de liefdesglimlach van
+een overwonnen vrouw, die zich wil geven, en zij keek Fonske aan met
+oogen, die als 't ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort,
+zwak lachje van haar mooie lippen gleed.
+
+--Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend,
+of da ge 't gij nu weet of morgen, dat es 't zelfde: meneer Gaëtan
+en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op 't kasteel
+inweunen. We willen onz' appartementen deur u loaten decoreeren en dàt
+es de surprise, woar da 'k u verleden joar van gesproken hè. Wilt-e
+gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien?
+
+Fons wist zich bijna goed te houden. Even duizelde 't zóó overweldigend
+vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar
+'t oogenblik daarna werd hij als 't ware wakker en zag ze schemerig
+vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach,
+hij met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem
+starend, op zijn antwoord wachtend.
+
+--Dat 'n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met
+iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding.
+
+En Fonske had den moed te antwoorden:
+
+--Nien ik, mejonkvreiwe, dàt 'n he 'k zeker nie gepeisd. Proficiat,
+mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan.
+
+--Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de
+trap omgekeerd:
+
+--Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons?
+
+--Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden
+volgend.
+
+--Il a l'air un peu maboul, ton protégé, grinnikte halfluid meneer
+Gaëtan onder het trappen-klimmen.
+
+--Tais-toi, fluisterde zij, kleurend, il comprend le français.
+
+Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn
+aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg om
+te gissen waarover ze 't hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten;
+kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende
+hardop uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer:
+hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit.
+
+De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek,
+dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. Deuren en
+kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand
+onder 't plafond en als plint boven den vloer. Dat zou dus alles
+zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij
+wandschilderingen van hem. Zij verlangde er twee: tegen den linkermuur
+het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en
+het kasteel van den baron als achtergrond; en, aan den rechterwand,
+juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de
+rivier, maar met den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders
+tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken?
+
+Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men
+hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche stem of er
+ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouw antwoordde
+dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel
+koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger zelf daar liep,
+glimlachte zij.
+
+Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij
+merkten 't niet, namen hem mee door de gang, naar het vertrek, dat
+meneer Gaëtan's werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan
+verlangde muurschilderingen, maar geheel andere dan jonkvrouw Elvire.
+
+--Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik
+'n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. Mijn
+koamer wordt in 't iekenheit gesteken en ik zoe geern 'n beetsen
+donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien lileiwe koeien
+veur mij. Zoe-de gij keunen 'n wilde-zwijnenjacht schilderen?
+
+--'K peis 't toch wel, menier Gaëtan.
+
+--En nen automobiel?
+
+--Euk wel, menier Gaëtan.
+
+--Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça? vroeg zij,
+zacht-afkeurend.
+
+--Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j'aime, antwoordde hij,
+even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen
+hen gedebatteerd was. En dan weer tot Fons, op den toon waarmee hij
+een schotel in een restaurant zou bestellen:
+
+--Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur 'n wildezwijnenjacht
+ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, bruine
+beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan
+de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we de dreve van 't
+kastiel oprijen. Hedde 't goe verstoan?
+
+--Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos.
+
+Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs
+onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje midden in
+'t vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking
+als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; en 't was ten
+slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg:
+
+--Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près
+zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten?
+
+Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte
+op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen,
+dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde
+en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op een toon, die hem even
+in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden:
+
+--O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij
+gedoan dat 't alles goed es 't gien da ge mij wil geven, en al gaaft
+ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat 't eug nog goed zoe zijn.
+
+--Vois-tu bien! zei 't meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek
+Fonske minzaam, met een soort verteedering aan.
+
+Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde
+hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij kende
+ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als
+mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. Maar hoe kon
+hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer
+niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, en, omdat zij tevreden
+waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te
+gaan. De maatschappelijke kloof, die even tusschen hen was overbrugd
+geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich
+alleen staan, terwijl hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun
+laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem
+óverduidelijk dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht
+gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden en smachtend verlangen;
+zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de
+verste verte niet dat hij één enkel oogenblik gelukkig was geweest en
+dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden;
+zij knikte en glimlachte hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend
+dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht
+beginnen; en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande
+naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat
+hij gaan kon.
+
+
+
+Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar
+in een naren droom. De zon daalde naar 't westen in oranje glorie
+en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over 't
+gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes,
+die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen,
+om hem nu ook bij zijn terugkomst van 't kasteel nieuwsgierig te
+bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders
+dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn makkertjes van
+vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van
+de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk zooverre boven stond, leken
+hem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die
+dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere ambitie
+dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen
+en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, met Mietje Pruime,
+met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu.
+
+Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar
+eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw van
+'t kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde!
+
+Toen Fons over het water en al spoedig weer in 't dorpje was, voelde
+hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. 't Idee dat
+hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou
+uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, of dat ze zijn onsteltenis
+zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, 't was hem alles zóó
+onuitstaanbaar, dat hij maar dadelijk besloot vooreerst nog niet naar
+huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om 't even waar te dwalen.
+
+Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de
+bosschen leidde. Weldra was hij in 't midden van de dennenwouden. De
+naglans van de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het
+verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds
+spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een
+nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf
+ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even 't heftige van Fonske's
+lijden. Een bittere weemoed kwam in hem op, en daar, in de heimvolle
+eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij
+zich week, en zwak, en klein, tegenover de gebeurtenis die daar nu
+voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke
+almacht! Wat was hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel
+laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee
+steedsche vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der
+hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen
+getooverd! Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf,
+die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm
+koewachtertje van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit,
+wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit
+geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid
+en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen, die toch fataal op
+een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij
+eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende wreedheid. Dàt wat hij ook
+eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het
+werk der groote meesters zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht,
+zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog,
+op zoo velerlei gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar,
+die hem van die genieën scheidde; hij voelde 't nu nog oneindig
+veel scherper, hij voelde 't in zich als de ijzig-koude dood van
+al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps 't
+eenige ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke,
+opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles voort
+moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit
+beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; en die gedachte
+was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop
+vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, bijna als een misdadiger.
+
+Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in 't open veld,
+dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar hij liep.
+
+De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje over het zwartgroen der
+bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid,
+die met verlegen aangezicht schuchter komt kijken. Haar stille komst
+was in weemoedige harmonie met Fonske's lijden, en hij ging met haar
+mee als 't ware, stil loopend langs de stille wegen, waar nu haar
+twijfellicht zijn vage schaduw wierp.
+
+Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er
+vóór hij 't bewust werd, en schrikte dat hij er reeds was.
+
+Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol
+angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek geworden
+zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde
+zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in wanhoop stug-besloten
+daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door
+te brengen.
+
+Hijgend en afgemat kwam hij door 't kreupelhout langs steile
+kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer in 't
+heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam
+over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar zijn geest werkte,
+zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open.
+
+Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchtere werkelijkheid. De maan
+was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel
+en haar koud, blank licht bescheen het nederig dorpje met hier en daar
+een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch,
+elk op zijn heuvel, de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en
+als 't ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar
+over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen.
+
+Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander
+van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over de gelukkige
+gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn!
+
+Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn
+geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke zalen,
+hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar
+verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, hem van haar kunnen
+wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach
+van wreedheid en van valschheid en 't schreeuwde in hem op als tegen
+een wandaad, die niet mocht gebeuren.
+
+Maar plots was 't of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds
+verre, bij 't grafelijk kasteel, was in den nacht een vuurpijl
+opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil
+openbloeide, en een schot knalde, door het gesmoord, lang-aangehouden
+"aaah!" eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu
+reeds de verloving bekend was en gevierd werd; en, terwijl nog meer
+vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de
+deuren open, kwamen de menschen opgewonden in de straat en holden
+joelend naar 't kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen
+leeg en weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder
+den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn
+breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer.
+
+Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch
+meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof hij gansch alleen
+was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een
+soort bittere troost: de triestige berusting van hem wien geen geluk
+meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de
+ontgoochelde levensmoeheid van een grijsaard. Niets leek hem meer de
+moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij
+voelde zich zoo oud en afgeleefd als het geraamte van den molen die
+al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit
+schouwspel nog bijwoonde. 't Was als een óveroude, grijze wijsaard,
+die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos
+hoog en verre boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende
+sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken
+spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen
+van lang-verleden en vergane wee.
+
+En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in
+Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij hoorde nog
+slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en 't geknal der
+schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende kasteelen week al
+verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend
+verlangen meer: daar nu in zijn volle eenzaamheid op den heuvel in
+te slapen en er nooit meer te ontwaken.
+
+Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn
+dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer deed pijn,
+alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe;
+hij zou weldra voor goed inslapen.
+
+Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zacht en dof
+vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en
+'t kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. Hij luisterde en
+trok zijn oogen open.
+
+Drommen menschen kwamen weer in 't dorpje, daar beneden aan den heuvel
+en in 't verschiet over de weilanden waren de lichten der regeerende
+kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de
+menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; en nu hoorde hij
+ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn
+moeder liep in angst van huis tot huis, en geen mensch had hem gezien:
+men begon voor een ongeluk te vreezen.
+
+Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu
+moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen komen. Hij
+walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde
+even ontembaar weer in hem op; het bruisde in hem tot een opstand; maar
+meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden
+kreet van zijn moeder, die als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf
+hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er
+zelf van schrikte:
+
+--Hier ben ik!
+
+Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het
+paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld.
+
+--O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da 'k ou zoeke! Wa
+schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij.
+
+--'K ben ziek, 'k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen
+herkende hij, in 't manelicht, de vrouw die met zijn moeder was:
+Lisatje Van Belleghem.
+
+Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in,
+dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. 't Was als een streelende troost
+in zijn verdriet en even keek hij 't meisje dankbaar aan. Zij zag
+bleek in den maneschijn, met groote, donkere, angstig-starende oogen;
+en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal,
+dien zij tegen de avondkoelte over haar hoofd geslagen had en met de
+linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder
+leidde weer zijn aandacht af:
+
+--O, jongen, we mienden dat er ou 'n ongeluk overkomen was. Wa schilt
+er toch?
+
+--Heufpijne, 'k voele mij ziek, 'k lag hier 'n beetsen uit te rusten,
+herhaalde Fons neerslachtig.
+
+--Kom mee noar huis, jongen, en eet watte, of legt ou in ou bedde,
+drong zacht de moeder aan. Weet ge 't greut nieuws al? Weet ge da
+mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen?
+
+--Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet.
+
+De beide vrouwen schrikten.
+
+--Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder.
+
+--Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig.
+
+--Och, nien, os 't ou b'lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk
+weer te schreien.
+
+--Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje.
+
+Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden
+karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door de
+maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen
+benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag lichtend-blond als
+zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken
+verkronkelden tot vreemd-wanstaltig vormen, als gefolterde wezens die
+krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar
+gestengelde, reeds ietwat ontbladerde hoogste twijgen vlochten een
+donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote
+droefheid voelde Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond.
+
+O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem
+begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde 't hoofd.
+
+Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd
+opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? Schuchter
+keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij
+strakke tranen blinken in haar lieve oogen.
+
+Fons schrikte. 't Was om hem, hij voelde 't, dat Lisatje schreide. Zij
+schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de jonkvrouw,
+beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón
+het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het slachtoffer van een
+vergissing, waar hij alleen de schuld aan had?
+
+Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar,
+achter de moeder, 't maneglanzend pad afdaalden en een diepe, zachte
+emotie woelde even vol verteedering in hem op.
+
+--Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als
+een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol teedere
+verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die
+jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt geluk verwaarloosd
+om een hersenschim na te jagen? Iets trilde in hem, van angst en van
+geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog
+niet te laat was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps
+in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon
+die hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang
+en te vergeefs gezochte, 't eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, dat
+jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op
+hem gewacht had?
+
+Zij waren aan zijn huisje en 't speet hem, dat zij er reeds waren. Maar
+Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den avond en zijn moeder
+zelve zond hem met haar mee.
+
+Eerst spraken zij geen enkel woord. 't Was of 't verlangde alleen-zijn
+hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook nog even als
+een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg,
+heel zacht, met een stem die eventjes hikte:
+
+--Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd?
+
+Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in
+de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. 't Was of
+ze vluchten wilde.
+
+--Wilt ge 't mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij
+eensklaps abrupt.
+
+Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het
+duizelde in haar.
+
+--O, Fons, zuchtte zij.
+
+Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel.
+
+--O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij.
+
+Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn
+eersten zoen.
+
+--Lisatje, 'k zie ou geirne, zuchtte hij.
+
+--De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend.
+
+Dat beet hem als een gift; hij liet haar los.
+
+--Ge'n meugt da nie zeggen! riep hij barsch.
+
+Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar,
+tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij voelde
+zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er
+aan om plotseling weer af te breken, om haar geen blik meer te gunnen.
+
+'t Was of ze 't voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand,
+heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder en smolt
+zuchtend weg in tranen.
+
+--'K zie ou toch al zeu lange geirne, snikte zij dof.
+
+Zij stonden vóór haar ouder's woning. Er was nog licht achter de
+gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten
+dag het opschrift van het uithangbord:
+
+
+ Xaveer Van Belleghem,
+ huisschilder en tapissier.
+
+
+Fonske gaf haar een stillen, langen zoen.
+
+--Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En
+hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af.
+
+--Wanneer zie 'k ou weere? vroeg ze fluisterend.
+
+--Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje,
+we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. 'K hè ou toch zéúvele
+te zeggen, veur loater, veur de toekomste.
+
+--Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke
+nieuwsgierigheid.
+
+--Morgen, zei hij, morgen, nou es 't te loate.
+
+Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De
+portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den drempel,
+breed en zwaar in 't schijnsel van den lichtkring.
+
+--Ha! zij-je doar eindelijk! 'K miende da ge ginder ging blijve
+sloapen! lachte hij vettig.
+
+Fonske wou, ondanks Van Belleghem's aandringen, niet binnenkomen. Hij
+wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg.
+
+Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche
+wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef hij even
+staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal,
+sluipend als een dief, den zandigen Molenberg.
+
+Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol
+in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren.
+
+Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van
+den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend door de
+naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd
+en zijn gloeiende wangen. Wat was 't daar alles schoon en grootsch
+in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar
+beneden rond zijn kerkje en hoe sereen wond de rivier haar zilveren
+slingerlint omheen de sluimerende weilanden!
+
+Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij
+al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij voelde 't
+ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen
+zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaan had was niets dan zoeken
+en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn
+leven, zijn rijke, mooie, milde, echte leven lag daar vóór hem open
+als een tooverwereld, verheerlijkt door 't geluk der liefde, glanzend
+en glinsterend als 't ware van de kunst waarmee hij 't zou bezielen.
+
+Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol
+bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in hem over
+van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch 't verleden
+scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen droom.
+
+Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het
+manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere silhouet der
+twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend
+lichtje elkander melancholisch schenen aan te kijken. Ook alles wat
+daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden
+had, scheen reeds heel verre van hem af te liggen. Zijn geest was
+er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien
+en zacht kwam hij terug naar 't nederig huisje onder aan den heuvel,
+het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar
+nu ook Lisatje Van Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde
+geluk te droomen lag.
+
+Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed,
+na veel strijd en vergissing.
+
+Nu mocht het leven beginnen.
+
+
+ EINDE VAN HET EERSTE LEVENSBOEK.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Pourtant.
+
+[2] Kikvorsch.
+
+
+
+
+
+
+ VAN DIT BOEK ZIJN 10
+ EXEMPLAREN GEDRUKT OP
+ GESCHEPT HOLLANDSCH
+ PAPIER VAN PANNEKOEK.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Van CYRIEL BUYSSE verscheen bij VAN DISHOECK:
+
+
+ 't Bolleken. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50.
+ Lente Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50.
+ In de Natuur. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50.
+ Het Leven van Rozeke
+ van Dalen. 2 dln. Ingen. f 4.25. Geb. f 5.50.
+ Het volle leven. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50.
+ 'k Herinner mij. Ingen. f 1.90. Geb. f 2.50.
+ Het Ezelken. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50.
+ De vroolijke Tocht. Ingen. f 0.90. Geb. f 1.25.
+ Stemmingen. Ingen. f 1.90. Geb. f 2.50.
+ De Nachtelijke Aanranding. Ingen. f 2.25. Geb. f 2.90.
+ Per Auto. Ingen. f 0.90. Geb. f 1.25.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Van hoog en laag, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN HOOG EN LAAG ***
+
+***** This file should be named 25554-8.txt or 25554-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/5/5/5/25554/
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.