diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 25554-8.txt | 3841 | ||||
| -rw-r--r-- | 25554-8.zip | bin | 0 -> 72258 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 25554-h.zip | bin | 0 -> 79128 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 25554-h/25554-h.htm | 4060 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
7 files changed, 7917 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/25554-8.txt b/25554-8.txt new file mode 100644 index 0000000..655b063 --- /dev/null +++ b/25554-8.txt @@ -0,0 +1,3841 @@ +The Project Gutenberg EBook of Van hoog en laag, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Van hoog en laag + Het eerste levensboek + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: May 21, 2008 [EBook #25554] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN HOOG EN LAAG *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + + + + Van Hoog en Laag + + Het Eerste Levensboek + + + Door + + Cyriel Buysse + + + + Uitgave van C. A. J. van Dishoeck + Te Bussum, in het jaar 1913. + + + + + + + + + + N.V. Boekdr. v/h L. v. Nifterik Hzn., Leiden. + + + + + + +HET EERSTE LEVENSBOEK. + + +I. + + +Het kasteel van "meneer den b'ron" stond boven op een mooi-begroeiden +heuvel, vlak tegenover het kasteel van "meneer de groave" dat zich +insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder +en daartusschen lag het dal, met het dorpje en de zacht door groene +weilanden heen kronkelende rivier. + +Het kasteel van "meneer de groave" was grooter en grootscher dan +het kasteel van "meneer den b'ron". Het had ouderwetsche koepels en +torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der +breede bochten van het stille water. Maar het minder grandioos kasteel +van "meneer den b'ron" was toch pittoresker gelegen: het heuveltje +waarop het stond was ietwat hooger dan de andere heuvel; het zicht +van daar uit ontvouwde zich ruimer en mooier over de gansche streek; +en vrij dicht bij, als 't ware er bij behoorend, stond een oude, oude, +houten molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch +verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader die +zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven. + +Daaronder lag het dorpje, en 't heette "Meulegem". Heel héél oude +papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder van 't +gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór +het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. De huizen, het kerkje, +de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners +wisten daar niets of slechts weinig van af. Meulegem veranderde niet: +wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger +en niets noemenswaard was er ooit bijgekomen. 't Leek wel of Meulegem +zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd +om altijd zoo te blijven. + +Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de +velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee herbergen: +het "Vosken" en de "Nachtegaal". Het Vosken en de Nachtegaal waren als +twee vooruitgeschoven posten, die, elk op zijn manier, sprekend door +hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde +vos met zijn enormen staart en schittervalsche oogen, scheen je toe +te roepen "Pas op, 't is hier niet pluis!" Maar de nachtegaal, die +kweelend, met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd, +deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman +uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: "Kom maar +gerust, het is hier aller-liefelijkst." + +En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra +pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde +geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar +een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: en +zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets +anders was dan een verbreeding van den straatweg: het witgekalkt, +ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes, +een popperig gemeentehuisje, een nog al mooie pastorie, en daarachter +'t park en het kasteel van den "b'ron" en den ouden, houten molen op +den liefelijk-begroeiden heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich +een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond +het kasteel van meneer de "groave". En 't was alsof de twee mooie +buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als +twee bezielde, solidaire wezens over die wijde ruimte aankeken. + +Soms zei de baron tot den graaf: "Wat staat je kasteel daar toch mooi, +met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in 't water!" Maar +de graaf kon niet anders dan antwoorden: "Je weet niet hoe poëtisch +en hoe schilderachtig dat oud molentje daar boven 't kerkje op zijn +heuvel staat te draaien!" + +De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op +de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander +bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der +rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over om elkaar +te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had +een dochter en de baron had een zoon, en samen speelden zij veel +spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren. + +De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige +heerschers over 't nederig dorpje. Alles was van hen: de landen, de +boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten +rustig en beschermend zelfs, tevreden als alles goed ging in de +gemeente en niemand hen dwarsboomde. + +Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen +politieken strijd in 't dorp verwekte, geregeld naar de kerk ging en +verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De +baron was burgemeester der gemeente, omdat hij meer verstand had van +bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan +zou de graaf het wel geworden zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk +is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid +op een dorp bekleedt. + +De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die +heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee regeerende +kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een +vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden zij, onbewust, +een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en +kregen zij ook wel den indruk, dat men ruimer ademde in dorpen waar +er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten +of verzuchtingen, dat lag stil in hen, als iets dat bij hun leven +hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem +een andere atmosfeer en zagen de menschen er ook anders uit, dan +in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars +en toch alomtegenwoordigs, dat in voortdurende drukking over alles +hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier +waren er andere menschen dan hun confraters uit 't omliggende. De +dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris +was een ander mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het +uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan +van de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking +kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen, +jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de +schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: wanneer iemand +zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend: + +--Komt ge misschien van Meulegem? + +En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar +niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er glunderde en +tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke +almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, want èn de graaf, èn de +baron behandelden hem als een gelijke en wel eens als een meerdere, +die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden +van wat door lange jaren van overgeleverde traditie "het" leven zelf +van Meulegem geworden was. + + + + + +II. + + +Aan dat leven-van-Meulegem konden slechts dezen ontsnappen, welke er +zich van verwijderden, en daartoe behoorden de jonge koewachtertjes, +die den ganschen dag met hun beesten in de vrije weide waren. + +De koeien graasden rustig alom in het groen, en van verre waren 't +als groote, langzaam zich groepeerende en voortbewegende bloemen, nu +eens helder verlicht in de zon, dan weer verkleurloosd en verwazigd, +wanneer wolken-schaduwen zich wijd over de wei uitspreidden. Als +groote, witte schepen dreven die wolken in de blauwe lucht. Van +hoog en verre kwamen zij uit het azuren zuiden aangewaaid en 't +was alsof enorme grauwe zeilen meteen over de groene weiland-zee +neerstreken. Het gras werd dof, de boomen versomberden, de koetjes +smolten weg in nevelgrijs. Maar ginds laag aan den einder tintelde +weldra een goudzoom op, het werd een vlek, een plas, een meer, een +oceaan van goud; de logge, grauwe wolkenzeilen schenen er, als bang, +voor weg te vluchten, de even uitgewischte koetjes fleurden opnieuw +als eigenaardige, groote bloemen op en spoedig was 't weer alles licht +en leven, wijd over het blijde, groene zomerland, onder den wijden, +blijden, blauwen hemel. + + + +In de koele schaduw, onder het zacht wuivend en suizend bladerengewelf +van een trosje hooge populieren, die daar als een eilandje van veilige +gezelligheid, midden in de uitgestrekte weilanden tusschen de twee +kasteelen stonden, speelden de jonge koewachtertjes een groot gedeelte +van den dag allerlei koewachtersspelletjes, slechts met verstrooide +oogen wakend op hun wijze, kalme beesten, die aldoor, áldoor graasden +en hun waakzaamheid bijna niet noodig hadden. + +Zij klauterden in de populieren en roofden er de vogelnesten; +zij liepen in de wei en vingen er kikkers, die zij dan vilden en +in houtvuur lieten braden; of zij speelden gewoon met knikkers en +dobbelden om centen, wat wel eens gekrakeel en ruzie gaf. 't Was soms +net een bende jonge spreeuwen, die zich kwetterend en kwebbelend +ergens laat neervallen. Andermalen, bij mooi, warm weer, als er +niemand van de kasteelbewoners in aantocht was, kleedden zij zich +spiernaakt uit en gingen zwemmen in de rivier, en dikwijls zongen +zij hun jubelend opgalmend "alahoe! alahoe!" onder het luid klappen +met hun "dzjakken." Hun eten en drinken hadden zij in een zakje en +een kruikje met zich mee en feitelijk bestond hun eenige ernstige +en verantwoordelijke taak in het dagelijks heen en weer loodsen der +koeien, die 's ochtends en 's avonds moesten overzwemmen, bij den +overzet van 't dorpje. + +Dat was telkens een druk-levendig gedoe en 't ging gepaard met heel +wat zweepgeklap en schrille kreten. Ze konden ook zoo teuten, die +koeien, voornamelijk bij het terugkeeren. Altijd hadden zij nog op +'t laatste oogenblik wat langs den oever op te knabbelen, terwijl ze +toch den ganschen dag niets anders deden dan zich dik grazen. Ware 't +niet geweest dat Blesse, boer Galle's wijze, bonte koe, toch eindelijk +het goede voorbeeld gaf, nooit waren zij erover gekomen. Want eerst +nadat Blesse met een weerspannig gebulk 't water was ingegaan, +wilden de andere, allen te gelijk dan, volgen. De koewachtertjes +dreven met het overzetbootje mee over, en van daaruit schreeuwden en +zweepklapten zij naar hun zwemmende beesten: "Bloare, gie deugeniete, +wilt-e ne kier op ou ploatse blijven! Sterre, gie vuilkonte, goat ou +muil hêwen!" tot zij er mee aan den overkant kwamen, waar de troep +dan moest gescheiden worden. Er waren steeds enkele achterblijvers, de +koewachtertjes gilden zich heesch en gooiden er naar met aardkluiten, +maar eindelijk zwommen ook de laatsten over, het zware lijf gansch +onder, den snuivenden snoet boven 't water, de oogen wreed blikkerend, +de horens als twee scherpe, dorre takken uit de kolken opgeprikt. 't +Bootje werd tot den volgenden ochtend vastgemeerd en met hun druipende +beesten vertrokken de koewachtertjes zingend, roepend, fluitend en +zweepklappend, elk naar zijn afzonderlijke hoeve. + + + + + +III. + + +Er waren in 't geheel zeven koewachtertjes, en onder die zeven was +er een, zeer verschillend van de anderen. + +Dat was Fonske, het koeiertje van boer Monteyne. + +Hij was elf jaar oud en had een eigenaardig snoetje, mager, stil +en schuchter, met kleine, weemoedige oogjes. Hij deed niet mee aan +'t ruwe vogelnesten-rooven noch aan 't wreede kikkers-villen, maar +in zijn lange, vrije uren zat hij graag alleen onder het lommer van +de populieren en krabbelde daar teekeningjes, met een potlood op een +stuk papier. Hij teekende de koeien uit, hij teekende de boomen, den +ouden molen en de twee kasteelen; hij probeerde zelfs zijn kameraadjes +uit te teekenen, als deze maar even voor hem wilden stilzitten. + +Maar dit was moeilijk te verkrijgen. De andere koewachtertjes +lachten hem uit met zijn teekenmanie en beschouwden hem zoowat +als een half-onnoozele suffer. Zij kwamen gekscherend om hem staan, +duwden elkaar in de zij, hadden dolle pret bij iedere spot-bemerking, +die de een of ander waagde. Toch molesteerden zij hem niet bepaald; +en naarmate Fonske handiger werd in zijn oefeningen, ontwaakte zelfs +een zekere belangstelling bij hen en vonden zij er een opgewekt +genoegen in de voorwerpen, beesten of wezens die Fonske geteekend +had naar de werkelijkheid te herkennen. Met den molen, 't kasteel van +meneer den baron of 't kasteel van meneer den graaf gaf dat natuurlijk +geen moeite; maar toen zij op een middag duidelijk Blesse herkenden, +die altijd vóór de anderen in 't water ging, en, naast Blesse, al +zoo duidelijk herkenbaar, Rietje Koarelkes, die er met zijn zweep +achterna zat, toen voelden zij voor 't eerst een soort ontzag voor +Fonske en was het als om strijd dat zij nu allen hun portret door +hem wilden laten maken. + +Erger nog was het, toen Fonske eens met een kleurendoosje,--een +zoogenaamd "virfbaksken"--, dat hij in een winkeltje van 't dorp +gekocht had, kwam aanzetten, en me daar waarachtig, als een echte +schilder, zijn teekeningen begon te kleuren. Nu gold het heelemaal geen +lachen of spotten meer: de wei werd prachtig groen, de hemel glanzend +blauw en op zijn heuvel stond het rood-gewiekte molentje te draaien, +terwijl 't kasteel van den baron zóó duidelijk onder zijn hooge +boomen uitkwam, dat men iedere deur en ieder raam en in ieder raam elk +vensterruitje kon tellen. Ook Rietje Koarelkes en zijn Blesse werden +gekleurd; en dàt meesterstuk vestigde wel beslist Fonske's roem onder +de koewachtertjes: Rietje had een scheel oog en veel gele sproeten in +'t gezicht, die er allemaal op gestippeld stonden; en de bruine en +witte vlekken op Blesse's huid waren precies uitgemeten en uitgerekend, +terwijl haar linker horen, een weinig afgeknot, juist zooveel korter +en stomper op de schilderij leek als dat in werkelijkheid het geval +was. Alle handen te gelijk strekten zich gretig naar de schilderijtjes +uit, al de koewachtertjes smeekten om die te mogen hebben; en Fonske, +die Rietje Koarelkes 't zijne cadeau gaf, beloofde ook aan al de +andere makkertjes hun schilderij te zullen maken. + + + + + +IV. + + +Zoo zat Fonske op een zachten zomermiddag eens alleen te schilderen. De +andere koewachtertjes waren verder in de wei, bezig met kikkers vangen +en niets stoorde hem in het vlijtig genot, waarin hij gansch verdiept +zat. Fonske schilderde het landschap: het weiland met de koeien, +een hooibergje, en in de verte het kasteel met 't molentje. + +Het was een volmaakt-mooie dag, zoo rustig-vast in zijn glansrijke +schoonheid, alsof het nooit anders geweest was en altijd zoo zou +blijven. 't Was of de gansche natuur in haar eigen rijke innigheid lag +te genieten. De kort-gegraasde wei strekte zich tengergroen ver-uit +achter de lange schaduwstreep der hooge populieren, in den blauwen +hemel hingen witte wolkjes, die nauwelijks schenen voort te drijven en +'t diepe water sliep tusschen zijn bloeiende oevers, waar de fijne +karrekiet zoo landelijk en zoo zoet in het riet zat te kweelen. + +Fonske werkte. Zijn hoofdje stond scheef en zijn wenkbrauwen fronsten +zich van de inspanning. Hij voelde dat het stuk karton waarop hij +schilderde te klein was voor het vele dat hij erop weer wou geven +en 't speet hem zoo dat hij geen grooter had genomen. Het molentje, +dat nu zoo rustig met gekruiste wieken op zijn heuvel stond, kon er +beslist niet bij, en dat maakte Fonske verdrietig, want juist het +molentje was wel het mooiste van het gansche tafereel. Zou hij er +morgen nog geen stuk langs boven kunnen aanplakken? Hij bewoog het +schilderij op en neer, hield het met gestrekte armen vóór zich uit, +keek in de verte naar het molentje en praktizeerde en peinsde: hij kon +het met zichzelf niet eens worden en aarzelde en tobde; hij lei het +ding eindelijk zuchtend neer en wilde opstaan, toen iets ongewoons, +dat hij als 't ware achter zich had voelen naderen, hem plotseling +het hoofd deed omwenden. + +Hij schrikte hevig en zijn rechterhand ging in instinctmatig groeten +naar de plaats waar op zijn verkleurd stoppelhoofd zijn pet had moeten +zitten. Vlak naast hem waren, ongemerkt, twee jonge dames verschenen: +mejonkvrouw Elvire, het dochtertje van den graaf, met haar engelsche +gouvernante. + +--Doe moar veurt; woarom 'n doeje nie veurt? zei het jong meisje +aanmoedigend, met een zoeten glimlach. + +Zij stond voor Fonske, geheel in 't wit gekleed, het zacht gezicht +met levendige, donkere oogen warmbruin-verbrand van zonnegloed onder +een gelen, strooien hoed met roode en blauwe bloemen en haar blikken +weken niet van 't schilderij, dat Fonske in zijn ontzetting scheef +over het gras had neergegooid. Fonske kende haar wel, hij wist dat +zij ook schilderde, onder de leiding van een meester; en nu bleef +hij daar met neergeslagen oogen roerloos van ontroering staan alsof +hij iets misdreven had, dat niet meer goed te maken was. Maar zacht +en lief klonk weer haar stem: "Mag ik het ne keer zien?" en Fonske +bukte zich sprakeloos, raapte zijn schilderij op, en gaf het haar. + +Zij ging er enkele passen mee op zij staan, door haar gouvernante +gevolgd. Samen spraken zij even vlug in een voor Fonske onverstaanbare +taal. Toen kwam het meisje met het schilderij weer naar hem toe en +vroeg heel ernstig, met naïef-groote oogen: + +--Wie het er ou da geleerd? + +--Niemand, fluisterde Fonske, de oogen ten gronde. + +--Hèt-e gij dat amoal uit ou eigen gedoan? + +--Joajik, schuchterde Fonske. + +--Hoe heet-e gij? + +--Fonske. + +--Fonske wie? + +--Fonske Vermoare. + +--Van woar zij-de? + +--Van Meulegem. + +--Hèt-e nog meer van die schilderijtjes? + +Fonske knikte. + +--Hoevele nog wel? + +--'n Stik of zeven of achte. + +--Woar zijn ze? + +--Thuis. + +--Keunt-e ze mij nie ne keer teugen? + +Fonske zweeg, wist niets te antwoorden. + +--Zoe-de ze morgen nie ne keer willen meebrijngen? + +Fonske knikte. + +--En zoe 'k dit nou ne keer meugen meenemen, om aan mijne meester te +loate zien? + +Fonske knikte. Hij knikte herhaaldelijk en zijn benauwd gezichtje +scheen weer op te leven. + +Opnieuw wisselde het jong meisje vlug eenige woorden in een vreemde +taal met haar gouvernante, aan wie ze 't schilderij overhandigde. De +gouvernante tastte in een zakje, dat zij aan den arm droeg, haalde +er een zilverstukje uit, stak het Fonske toe. + +--O nie nie, ieffreiwe, schudde Fonske doodsverlegen het hoofd. + +--Toe toe, ge moet! drong het kasteelmeisje aan. En Fonske +gehoorzaamde. + +--Tot morgen, nie woar, hier aan dezelfde ure, mee al 't geen da ge +geschilderd hèt! 'K zal vroagen of de miester meekomt, riep ze nog +onder het weggaan. + +En Fonske knikte sprakeloos-toestemmend. + +Hij zag ze vertrekken. De gouvernante, in 't groen gekleed, droeg zijn +schilderij onder den arm. En mejonkvrouw Elvire, gansch in 't wit, +de losse bruine haren glanzend-golvend onder den bloemenhoed over haar +schouders, had den vrijen arm der gouvernante vastgegrepen en scheen +te jubelen en te juichen, alsof haar een buitengewoon groot pleizier +was overkomen. Zij gingen naar 't kasteel van den baron toe, slank +als twee jeugdige, slank-stengelige bloemen: een groene en een witte, +in de weelde-harmonie van 't zomerlandschap. En Fonske, roerloos op +den grasrand, in de schaduw der zacht-suizelende populieren, begreep +vagelijk, dat er iets gewichtigs in zijn leven was gebeurd, zonder +dat hij ook kon voorgevoelen of het iets goeds of iets ongunstigs was +voor hem. Alleen dìt voelde hij: dat een van de almachtige kasteelen, +die daar al de menschen en de gansche streek beheerschten, zich iets +van zijn levenslot had aangetrokken, en er mee doen kon wat het wilde. + +De andere koewachtertjes, die van verre de ontmoeting zagen, hadden hun +spelen gestaakt en wachtten, roerloos in een groepje, tot de jonkvrouw +met haar gouvernante onder de hooge boomen van 't kasteel verdwenen +was. Toen namen zij allen te gelijk hun aanloop en bestormden Fonske +met hartstochtelijke vragen. + + + + +V. + + +Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met +zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes waren reeds +op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien. + +--Nie g', zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij +bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den blik gevestigd op +'t kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest. + +Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten 't van verre en riepen +'t naar Fonske: + +--Ze zijn doar! + +Fonske zag een groep van vier personen 't grafelijk kasteel verlaten en +naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een afstand jonkvrouw +Elvire in 't wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de +twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk te +noemen, en toen hij 't eindelijk zag neep hem de schrik om 't hart: +'t was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw Elvire's meester. De +koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen +in de hand, riepen het nog eens halfluid naar Fonske, met als 't ware +schrikbevangen stemmen: + +--De groaf es d'er euk bij! + +De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met +een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos naast zijn +schilderijen onder 't trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken +ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. Maar een der +koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had +omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing in elkaar en schreeuwde +in ondertoon naar Fonske toe: + +--Fons, den b'ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan. + +Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes +zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron aankomen, met +zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allen wel terstond en duidelijk, +ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op +waggelende o-beenen, zoo dat men 't landschap er doorheen zag en meneer +Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een +hoofd dat als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. 't +Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om het +door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op +'t gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst. + +De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van +strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet meer bewoog; +en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen +een boomstam. + +--Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug. + +Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw +Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde menier +de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand +naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en sloeg dan dadelijk weer +schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde. + +--Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg! riep het jong meisje, +opgewonden naar de teekeningen loopend. + +--Haha, les chefs-d'oeuvre! glimlachte de graaf, zijn dochtertje +volgend. + +Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon, +met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke +uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij +licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets schaadde +aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van +zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen baard en iets +plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met +afgemeten passen. + +--Voyez, monsieur Wattenberg, n'est-ce pas que c'est beau! riep +juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam +omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, nog vóór de meester +goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig +"aoh" spoedig neer om het weer overeind te zetten. + +De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand +aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als 't ware in +de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een +absoluut-roerloos groepje, allen met star-ronde oogen van gespannen +aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de +bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen +glinsterend in de zon. + +Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd +en scheen op 't punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen +meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor +een oogenblik de belangstelling af. + +--C'est donc vrai qu'Elvire a découvert un petit génie? vroeg ietwat +ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van +het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen +welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde, +onder het frissche lommer der populieren verscheen. + +--Il parait, l'exposition allait justement commencer, glimlachte de +graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend. + +De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg +moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen +baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat +uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand +die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan +hij, was een donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje +en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de +menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends +en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door +een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in 't geniep zijn +"luizenboulevard" noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp +beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire +zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg +door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook +dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken. + +Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer +Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en +onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en +oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek +als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een +matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem, +dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden +de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde +genegenheid, en voor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van +benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid. + +Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon +en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes +staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij, +die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam +hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en +een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende +koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend, +en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties. + +Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn +woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van +blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets +gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde, +frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de +groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen +van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede +en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten, +donkere oogen telkens van de schilderijtjes afgeleid naar Elvire en +meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht +nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal +op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de +groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting, +dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun +blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes, +roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon. + +Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe. + +--Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij: + +--Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk +weer de oogen neerslaande. + +--Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse +wille goan! + +--Os ik mage van moeder, knikte Fonske. + +--Ge zil meugen, menier de groave zal 't aan ou moeder vroagen en +ouën trein betoalen. + +Fonske knikte, zwijgend. + +--Hoe êwd zijt-e gij? + +--Twoalf joar. + +--Hèt-e nog broerkes of zusterkes? + +Fonske schudde 't hoofd. + +--Hawèl, 't es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier +de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e +veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik +mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken? + +Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het +verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen +maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken +hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan. + +Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe. + +--Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen. + +--O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar 'n mag van moeder, antwoordde +Fonske met een vuurkleur. + +--Is n't he nice! streelde de Engelsche met verteederden glimlach. + +--Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan +met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet +eens naar Fonske's antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in +vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij +aan 't lachen wist te brengen. + +Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen +werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje, +keken naar meneer Gaëtan's achterhoofd, naar zijn blauw-witten +"luizenboulevard" tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er +was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een +vermanend "zwijg, gie loeder" werd hij onzacht door de anderen den +mond dicht gestompt. + +Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met +meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was +afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met +Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken +zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over +enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen. + +Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het +welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand +te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan +om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf +en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de +uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelend op zijn o-beenen, +naar zijn kasteel terug. + +In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen +nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar +om goed te zien en wisselden hun indrukken. + +--Ge'n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers. + +--Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje +Koarelkes. En hij zal rijke worden euk. + +Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar. + +--Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor. + +--En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps +Dolfke van de Wiele. + +--Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar +het grafelijk kasteel omkijkend. + +--Lach gulder moar, hij es hij den besten. 'K wensche dat de jonkvreiwe +mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes. + +Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand +van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school. + +Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar +bijtend toe en de verkleurde piekharen schenen dreigend overeind +te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren +en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en +zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend +vee bebloemde weilandschap. + + + + + +VI. + + +Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de +teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den +graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den +weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig +idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden. + +Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken +zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast +dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een +aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar +meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in +ontvangst en stelde hem aan den directeur der teeken-academie voor; +en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem 't pleistermodel +getoond, dat hij moest uitteekenen. + +Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat +hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel +zeldzame leerlingen van 't platteland, en een der allerjongste ook; +hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap +waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders +en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd +en vrij alsof ze 'r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal: +het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel +woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe +minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat +maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was +het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij +met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste +kracht om althans zijn werk goed af te maken. + +Maar 't ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend +was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die +benauwde zaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen, +alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind, +gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar +nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen. + +Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken, +over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het +tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske +aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder +hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die +anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen +meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de +meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid +en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele +omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren +en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend +tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende +blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen. + +Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij +wist wel dat de kameraadjes hem in opgewonden nieuwsgierigheid bij +het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral +zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij +zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo'n portefeuille +onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf, +waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige +en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op +het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had +gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat +er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige +dingen gezien had. + +Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald, +gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn +moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van +den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en +dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met +haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht +van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat +het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond. + +Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten +van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te +machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier, +hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering +kan beheerschen noch verbergen. + +Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn +album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan 't schilderen. Hij +schilderde van verre 't grafelijk kasteel uit, 't kasteel van zijne +weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde 't schilderen +voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid +en hij schilderde 't met een soort van veneratie en van liefde, +die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven. + +Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel +van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den +stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende +zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel +en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij +daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong +in hem als een zegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij +voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij +voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind, +als 't ware de gansche wereld ten geschenke gaf. + + + + + +VII. + + +De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd +op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den +omgang met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar +schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch +voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en +zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij vreemd bleef. Had +hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder +elkander spraken en die hen wegen scheen te openen, welke voor hem +gesloten bleven! 't Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren +stand behoorden, bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw +Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in +bekwaamheid voor de teekenkunst. De meesters waren zeer tevreden; +hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens +iets belemmerde dat de ontplooiing van zijn jonge, frissche kracht +begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol +leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze van die pleisteren modellen, +in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te +fleuren. Hij kòn er niet met liefde werken; hij wrocht er uit plicht, +omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn +gloed en voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche +en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare uurtjes +ging slijten. 't Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit +dankbaarheid ten geschenke gegeven; en 't meisje was verrukt geweest, +en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs +met eigen hand eenige correcties aan zijn werkje toegebracht. + +Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene +uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende kasteelen, +was en bleef Fonske's lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het +middenpunt van zijn gansche leventje voelde. Daar was hij in zijn +element, daar was hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar +gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid +beschermd voelde. Hij leefde als het ware iets mee in 't leven van de +twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester naar +hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende +in 't heen en weer bezoek tusschen de bewoners der beide landgoederen. + +Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens +verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende +bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon, +die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem een warme +kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen +zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, was als de nacht, +die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan, +als voor iemand die hem kwaad zou kunnen doen. Ook voor den graaf was +hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende +spot-oogen, alsof de graaf hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er +feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in +'t geheel geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheel en al +was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van +den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust met schildersoogen, +het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond +het zoo grappig, dat telkens tusschen die schommelende o-beenen een +stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een +grazende koe, dan weer een ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat +zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een +zeescheepje tusschen het waggel-loopen van 't barontje, die het met +zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij +zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret +om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij wachtte zich +wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde 't haastig +toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn bleek, als naar gewoonte +ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige, +ondeugende oolijkheid meer te bespeuren. + + + + + +VIII. + + +Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine +bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter en de +nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte +vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden in stille, gele tranen +neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte +twijgen. + +Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide +worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen, +thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op +hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En de +vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals +kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de een hier, +de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de +zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten 's winters op +de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in +de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke zomeroogsten, +bij het eentonig snorren van den tredmolen, van 's ochtends vroeg tot +'s avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid. + +En hij was wel steeds vooruit bekend in 't dorp, de afscheidsdag van +de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, en mevrouw de +barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven +zij iets, als hulp en onderstand voor den langen, guren winter. + +Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij +de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest en mevrouw +de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij +twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra iemand komen. + +En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en +verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante. + +Fonske was thuis toen zij kwamen. 't Was op een grijzen +November-ochtend en zij stonden daar ineens voor 't kleingeruite +raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken. + +--Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd. + +Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen. + +De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek +te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het woord. + +Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en +gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder: + +--As 't ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter. + +--O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers +bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood +stoelen aan. + +Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte +zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire keek naar +Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen. + +--Goat 't goed? vroeg ze zacht. + +--Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend. + +--Zij-de aan iets nieuws bezig? + +--'K tiekene 't meuleken uit, van hier. + +--Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje. + +Fonske liet het haar zien. + +--'t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte +met een dweeperig "very nice indeed". + +De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was, +kwam gansch ontroerd weer in 't armoedig keukentje. Zij had tranen +in haar oogen, zij vatte alle bei 's jong meisjes handen, boog bijna +knielend tot haar neer en stamelde bevend: + +--O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme +klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel veur ons, +mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe, +Fons moe ou toch 'n heule greute scheune schilderijnge moaken en ik +zal heul de winter 's morgens en 's oavens veur ou bidden. + +Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op +naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar stond, +als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht +had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends tusschen de twee +kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen +was er een afstand als een afgrond, de onoverschrijdbare kloof tusschen +armoede en rijkdom. + +'t Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend, +alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche jeugd en +weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield +geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid een bevend handje toe. Fonske +merkte 't niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille +tranen over 's knaapjes wangen rollen. Schrikkend trok zij zich terug. + +De moeder bromde: + +--Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou 'n hand wil +geven. + +Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte +die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs niet aan. Heel +stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo +helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes van een levende +bron. + +Zij waren weg. 't Deurtje was dichtgeslagen en even werd het +kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd. + +'t Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze +winter heerschen. + + + + + +IX. + + +Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter +in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, in de vrije, +frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde +sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest vaarwel worden gezegd +aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen +een spade of een vork te hanteeren in plaats van de koewachterszweep; +zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór 't +vroege daglicht naar de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met +'t sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen +meer, geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in 't galmend +knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten van +vermoeienis en vroegtijdige zorg; en hun aardige kindernaampjes: +Rietje, Pierke, Feelke veranderden in 't hardklinkende en stugge: +Riek, Pier, Feel. + +Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer +en hij zou ook door 't harde leven worden opgeëischt. + +Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met +hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: hij wist +wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet +vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te zwak; van arbeid in de +groote stadsfabrieken--wreede gevangenissen van gedruisch en stof en +stoom--had hij een gruwel; het eenige wat hem aantrok was een nuttig +bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld: +het schilderen. + +Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor +zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te komen. Het +andere, 't kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker +ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij de liefelijke goedheid +van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning, +'s zondags en in zijn schaarsche vrije uren. Eén enkele, laatste zomer +van vrijheid zou hij dus nog genieten, en in dat vooruitzicht leefde +hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid +voordeed, die het onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen. + +Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij +Fonske's moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere dingen, +kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje +kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen krijgen. + +Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar +Van Belleghem zei haar hoeveel hij 't jongetje al dadelijk zou geven +en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen, +dat zij al spoedig toesloeg. 't Was ook immers wat Fonske verlangde; +het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer; +maar een jaar vroeger of later moest het toch zoo eindigen en nog +eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van 't accoord, +zijn hand uitstak en met een slag die in de hare klapte. + +Dat nieuws hoorde Fonske toen hij 's avonds van zijn werk bij boer +Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. Hij schreide om +zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles +wat daarmee gepaard ging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander +leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn +liefste illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen +in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire niet +meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen +meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende kasteelen! + +Dat was de harde dwang van 't noodlot, de nooddwang van den arme, +die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, omdat +hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het +mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder zelve was +bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had +het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was er en mocht niet +ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich +gedwee bij het onvermijdelijk noodlot neer. + +Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met +een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast den +zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem, +de binnenportaaldeur van de "Warande", een der dorpsherbergen te +beschilderen. + + + + + +X. + + +'s Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens, +ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, met doffe oogen +van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van +de weiden aan, en om hun doode praal was geen bekoring noch mysterie +meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen +en alles leek nu ijl en klein en kil en nuchter. Somtijds, wanneer +een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles +voor een oogenblik frischlevend op te fleuren: het gras schitterde, +de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen +schenen even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te +ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht en +hun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles. + +De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen +voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. Het +galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en +jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel getuigenissen +van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der +meesters, nog tastbaar heerschte. De géést van de kasteelen bleef +aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht. + +Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een +soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele +heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun +prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, in +warme, vreemde landen? De menschen wisten 't niet, maar het mysterie +verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid als een telkens +nieuwe openbaring. + +Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er +werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer geloop, +gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug, +als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen terug in 't +heerlijkste getijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes +op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige +verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het +water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde en bloeide, +met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij +zich als groote, zware bloemen langzaam in den zonneglans bewogen, +terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder 't trosje hooge +populieren, in wild gestoei hun lentevreugd uitjubelden. + +Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem +op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den rentmeester, +met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven. + +Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire's +kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder het iemand te +durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af, +wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als ze hem daar bezig vond. Hij +hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór +haar komst reeds weg zou zijn. + +Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dag dat zij +er werkten, kwam de rentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer +der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar +razend haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver +kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven op den +ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen, +het erf opreed. + +De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun +meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, met zijn hoed +in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op +een afstand. + +Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde +maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou worden; +maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar +de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester hoe het kwam +dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht +van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, en de Engelsche, en op +haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske. + +--Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd. + +Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn pet om te groeten. Maar +in zijn ontroering deed hij 't zoo onhandig, dat de verfborstel van +tusschen zijn vingers wegglipte en met een spat op den grond viel. + +--Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af. + +Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met +schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan weer den +blik ten gronde. + +--Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw +Elvire. En in den klank van haar stem lag als 't ware iets van +teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd +tot de voeten opnam. + +--Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske. + +--En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier? + +--Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen. + +--What a pity! jammerde halfluid de stem van de Engelsche. + +Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks +vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel kunnen schreien, +zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en +vond haar zóó veranderd, dat hij haar haast niet herkende. 't Was of +daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich +bijna tot volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken, +zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar +gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier +zelfs dan 't jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, verder van +hem af als 't ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen +afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid en 't maakte +hem nog bedeesder, het stolde als 't ware zijn ziel in zijn binnenste. + +--G' hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek +hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk als vroeger. + +--O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden. + +--Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; 'k zal ne keer kome kijken. Goên +dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en de Engelsche +in het kasteel. + +Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór +zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden. + +--Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem. + +--Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan 't borstelen. + +Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en +weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij jonkvrouw Elvire +en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij +zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. O! 't was dus haar kamer, +waaraan hij werkte! + +Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen +zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster toe kwam. Zij +knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden, +en meteen liet ze 't ratelend rolgordijn neer. + +Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had +het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan en tot +straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt. + + + + + +XI. + + +Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een +het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, met hun +werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds +'s zondags de herbergen, speelden biljart of kaart, dronken bier en +jenever en keken naar de meisjes. + +Rietje Koarelkes was al flink aan 't vrijen met Emeranske Casteel; +Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor en Dolfke van +de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde +Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand. + +Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes +althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, en dat was niemand +minder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van +Fonske's eigen baas. + +Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit +en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, blauw +als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet +en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die eigenaardig konden +blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in +het ververswinkeltje en uit háár hand was het, dat Fonske zijn eerste +"virfbakske" gekocht had. + +Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem +vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte er dan +ook meestal het middagmaal en als 't wat laat werd met hun werk, ook +wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje bediend en 't meisje +zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest +telkens voor de te milde hoeveelheid bedanken, maar telkens ook drong +Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar +bloeme-oogjes en haar schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer +verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen. + +'s Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles +te nemen, was het hoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het +station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans +op den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche +lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden dat alles al +lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en +allen lachten en gekten er om: alleen Fonske merkte daar niets van, +of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde +aanhoudend in zijn schaarsche, vrije uren, met trillend-gespannen +hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en, +wijl hij de sympathie van het meisje wel voelde, zonder den aard +daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien +en juichte inwendig van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige +bewondering in elkaar geslagen handen "zeu scheune, o, toch zeu +scheune" vond. + +Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar +portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde dankbaarheid +in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht. + + + + + +XII. + + +Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte +naar Fonske's werk te komen kijken, volbracht. + +Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong +meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer Gaëtan en +den baron, van het eene kasteel naar 't ander door de weiden heen +zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. Telkens vroeg hij +'s avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: "Hè jonkvreiw +Elvire hier nog nie geweest?" Telkens moest moeder hem met het spijtig: +"nien z' jongen, nog niet" teleurstellen. + +Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp +een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire zag niet meer +naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets +aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan als zij het +niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen +eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl hij in Van Belleghem's +huis bezig was met Lisatje's portret te schilderen, zijn moeder, +vergezeld van jonkvrouw Elvire en haar gouvernante, daar buiten vóór +het raam verschenen. + +--Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand, +net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was. + +--Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk +opgesprongen was. + +Maar ze waren reeds binnen. "Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij" +riep Fonske's moeder, de beide jonge dames voorloodsend. + +--Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten +glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl de Engelsche +verrukt uitriep: + +--Oh! what a beauty! + +Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam +bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele, +korte zinnetjes de belangstellende vragen van het jong meisje +beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek +dan ook lang en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden. + +--Es dat 'n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een +raadselachtigen glimlach. + +--O nie nien 't, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken, +met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij een vuurkleur +zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk, +als 't ware boos, den blik van hem afwendde. + +--Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune. + +En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele +woorden in vreemde taal met haar gouvernante. + +--'t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde +onderdanig Fonske. + +--Joa 't, mejonkvreiwe, 't es lijk of hij zegt, meende Fonske's moeder +gewichtig te moeten beamen. + +Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood, +met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes +en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet +op met verlakte klep, die hij even afnam om te groeten en hij riep +dadelijk vet-lachend, op familiairen toon: + +--Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen +mee 't expezeeren! + +En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde. + +Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij +voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid van den +triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in +hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan Fonske: + +--Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es? + +--Joa joa g' mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk +bereid haar te vergezellen. 'K zal weere komen om 't hier op te +kuischen, zei hij tot Lisatje. + +Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur +en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte gloed van +droeve spijtigheid. + +--Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche +groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in Lisatje's +benauwden wedergroet verkropte haast een snikje. + +Zij zag, als 't ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam +passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag haar ook, +maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien. + +Toen Fonske na een uur in 't huisje van Van Belleghem terug kwam +om voort aan Lisatje's portret te werken, was 't meisje nergens +te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd +en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter was. Van +Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove, +zware stem naar achter in het tuintje: + +--Hei, Liza, woar zit-e dan? + +--Hier, klonk zacht een zwak stemmetje. + +--Ge moet binnen komen, Fons es doar weere. + +Maar Lisatje kwam niet. + +--Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons, +goa zelve ne kier zien. + +Schoorvoetend ging Fonske 't tuintje in. Het was een heel klein +tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, met +aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel +alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske toegekeerd. + +--Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht. + +--Nien ik, hoofdschudde zij kortaf. + +Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld. + +--Woarom niet? vroeg hij eindelijk. + +--Dóáromme! + +Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan! + +--Toe, kom, streelde hij vleierig. + +--Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide +een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was. + +--Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend. + +En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt, +wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime en Pharaïlde +Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden. + + + + + +XIII. + + +Drie jaar waren verloopen. Fonske werd nu zeventien. Hij was lang +uitgegroeid en mager opgeschoten, en een fijn, bruin snorretje +beschaduwde zijn bovenlip, maar verder droeg zijn smal gezichtje +nog altijd iets van die schuchtere, weemoedig-getrokken uitdrukking +der kinderjaren, alsof vroeg verdriet en stille armoede er een +onuitwischbaren stempel op hadden gegrift. + +Om hem heen ging 't leven den gewonen gang, waarin het nu eenmaal +scheen vastgegroeid. Steeds leefde hij alleen met zijn moeder in het +kleine dorpshuisje, steeds ging hij werken bij en met Van Belleghem, +steeds trok hij iederen zondagochtend naar de teeken-academie in de +stad, en steeds ook kwamen met de lente en vertrokken met den winter +de bewoners der regeerende kasteelen. Meneer de graaf hinkte wat +aristocratisch-stijver op zijn stokje, meneer de baron opende een +steeds ruimer uitzicht over 't groene wei-landschap tusschen zijn +waggelende o-beenen; en meneer Gaëtan, heel lang en slank geworden, +droeg nog steeds zijn griezelig-weggekamden "boulevard" op 't zwarte +achterhoofd en beoefende verder velerlei sporten: jagen, paardrijden, +automobielen, het laatste dikwijls in gezelschap van jonkvrouw Elvire +en haar engelsche gouvernante. + +Van jonkvrouw Elvire kreeg Fonske af en toe nog eens bezoek. Het +meisje, dat nu een mooie, jonge dame was geworden, bleef belang +stellen in haar beschermeling, doch haar jeugdige geestdrift +van den eersten zomer, toen ze zijn talent ontdekt had, was toch +nooit teruggekomen. Sinds den dag, dat ze Fonske gezien had, in +kladpotterskiel op den ladder aan 't kasteel, was er iets in haar +bejegening veranderd, alsof zij pas dan had gevoeld een afstand, +die niet mocht overschreden worden. + +In de eerste tijden had Fonske sterk daaronder geleden. Voor hem +toch had die verandering geen reden van bestaan, al voelde hij +ook instinctmatig wel, dat die verhouding juist de eenig mogelijke +was tusschen hem en een meisje van haar stand. Hij had er soms 's +nachts in zijn bed om geschreid en dat onbevredigd gevoel tegenover +jonkvrouw Elvire had hem ook bestendig de zachte genegenheid doen +verwaarloozen van Lisatje, die na haar eerste en eenige pruilbui, +weer dadelijk zoo lief-toeschietelijk naar hem toegekomen was. Iets +van verbitterde teleurstelling was diep op den bodem van zijn zieltje +blijven liggen; en, zonder dat hij 't zelf vermoedde, hadden de jaren +en het ontwikkelingsproces van zijn groeiend leven, dat pijnlijk gevoel +scherp in hem wakker gehouden. De minste aanraking van 't teeder +onderwerp deed de zieke snaar weer trillen, en hoe meer ze trilde, +hoe meer het heimelijk leed, door allerhande bijoorzaken onderhouden +en gevoed, zijn angel in de wond omkeerde. + +Een van die bij-oorzaken, een der scherpste en gevoeligste, kwam van +buiten af op hem inwerken. In den loop der jaren had hij van lieverlede +inniger aanraking gekregen met enkele leerlingen der teeken-academie, +en wel voornamelijk met twee: Florimond Brandt en Sylvain Van Wetering. + +Zij waren alle bei zoowat anderhalf jaar ouder dan Fonske. Sylvain +had reeds schilderijen op tentoonstellingen geplaatst gekregen en +verkocht; en Florimond, die als aspirant-beeldhouwer was begonnen, +scheen langzamerhand een kentering in de uiting van zijn kunstgevoel te +volgen, en was bepaald op weg om dichter en schrijver te worden. Beiden +waren geboren stedelingen. Florimond's ouders hielden een klein +handeltje en de vader van Sylvain was klerk bij een notaris. + +Het waren twee eigenaardige typen: Florimond, een en al uitbundigheid; +Sylvain geconcentreerd en stug. Twee contrasten, ieder op zichzelf +heel sterk-individuëel, en beiden een onbewust-krachtigen invloed +uitoefenend op Fonske, die met een soort bewonderende vereering naar +hen opzag. + +Reeds hun uiterlijk boezemde 't eenvoudig kind van 't platteland +zulk een ontzag in. Zij waren alle twee een hoofd langer dan Fonske, +sterk en flink als echte mannen, met oogen vol zelfvertrouwen en een +baard, dien zij maar lieten groeien: blond bij Florimond, bruin bij +Sylvain. Hun geest, hun ideeën, waren als de uiting zelve van hun +fyziek wezen. Alles bij hen klonk affirmatief-beslist, sterk voor of +sterk tegen iets, zonder toegevendheid noch middelmaat. Er waren geen +vraagstukken, op welk gebied ook, waar ze geen verstand van hadden +en waarvoor ze niet dadelijk de oplossing vonden. Zij wisten het en +transigeerden nooit; 't was zoo en niet anders, en wie dat niet aannam +was minder dan niets en had geen reden van bestaan. In een paar dozijn +droge woorden brak Sylvain de gansche teeken-academie af en bouwde +een nieuwe, onaantastelijke kunstleer op; met enkele grootzwaaiende +gebaren haalde Florimond beeldhouwkunst, poëzie, litteratuur en tooneel +omver en rees zelf, als een jonge Titan, op de puinen daarvan in de +plaats. Zoo had Fonske hen dikwijls bezig gehoord, de een exuberant en +praterig, de andere koel en stil, en zoolang had hij in bewondering +naar hen staan gapen, tot zij hem eindelijk opgemerkt en, door zijn +stille vereering gevleid, eenigszins in hun midden opgenomen hadden. + +Zij toonden belang in hem te stellen en hadden gevraagd wie hij was +en hoe hij op de teekenacademie was gekomen. + +Fonske, met kleurende wangen, vertelde hun van den graaf, en van +den baron, en van jonkvrouw Elvire, en van meneer Wattenberg. Bij +het hooren van dezen naam schimpten zij vinnig: dat was een uil, een +ploert, een vent van niks, maar de bescherming van den graaf en zijn +dochter stemde de twee intransigante estheten tot grondiger nadenken, +en weldra uitte de prater van het tweetal, zijn ideeën over het geval +en wat er van kon komen. + +--De kunst, zei hij, stond boven alles. Dat was het hoogste en +eigenlijk het eenigste. Al het overige was niets, bestond niet. Fonske, +als schilder met talent,--en dat zou hij worden--stond hooger, +duizend maal hooger dan de graaf, en de baron, en de jonker, en de +jonkvrouw. Maar Fonske was arm en dat maakte hem ondergeschikt. Hij +moest dus, als het kon, zien rijk te worden. Zij allen, artiesten, +moesten trachten rijk te worden, hadden het recht en zelfs den plicht +zoo spoedig mogelijk rijk te worden, omdat rijkdom vrijheid was en +vrijheid, volle, onbezorgde en onbegrensde vrijheid onontbeerlijk voor +'t ontbloeien van de kunst. En in Fons' speciaal geval was de weg +zeer eenvoudig en zeer helder aangewezen: de jonkvrouw was rijk, zij +had zich voor hem geïnteresseerd, hem onder haar bescherming genomen: +hij moest het er dus maar op aanleggen om haar zoo spoedig mogelijk +tot de zijne te maken. Nog eens: Hij was in niets haar mindere; +wel integendeel in alles haar meerdere, behalve in 't fortuin. De +jonkvrouw mocht zich zeer gelukkig achten als ze door haar geld, +door haar ellendig geld, later een groot kunstenaar tot echtgenoot +kon hebben. + +Fonske luisterde vreemd op, en vroeg zich even af, of die twee hem +soms voor den gek hielden. Doch neen, in 't geheel niet, zij waren +volkomen ernstig; de stille beaamde met gewichtig hoofdgeknik de +woorden van den prater, en beweerde in een paar korte zinnen, dat +zulke dingen veel gebeurden, dat er ontelbare voorbeelden van waren. + +Vol van tegenstrijdige gedachten en gewaarwordingen ging Fonske dan +naar huis en bespiegelde tot in 't oneindige de mogelijkheid van +de hem voorgetooverde illuzie. Dat leek hem alles wel bereikbaar en +gemakkelijk zoolang hij ginds in de stad was en de moed-ingevende, +opbeurende woorden van Florimond en van Sylvain aanhoorde, maar hier, +in 't nederig dorpje waar eigenlijk iedereen gebukt ging, en vooral +in het armoedig huisje van zijn moeder, zoo zwak en klein, onder de +wel-beschermende, maar tevens benauwende schaduw der twee machtige, +regeerende kasteelen, hier leek het plotseling weer domme waan en +onzin, en de jongen werd boos op zichzelf, dat hij ook maar één enkel +oogenblik ernstig zulk een ongerijmde hersenschim kon koesteren. Hij +schudde 't als een gekheid van zich af, hij wilde er niet meer aan +denken, hij wilde aan niets meer denken dan aan zijn kunst, die hem +meer en meer in beslag nam en waaraan hij tot de laatste minuutjes +van zijn zoo zeldzame vrije uren opofferde. + + + + + +XIV. + + +Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte +en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had jonkvrouw +Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en +toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het zijne daar nu reeds +verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar +meerdere te zijn, hem dagen lang troost had gegeven. Hij wist het, +hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook +zij zelve had het gevoeld, want zij had hem gezegd: + +--Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons. + +Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar +gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, en, +waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldra als tot een +meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en +Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! Als kunstenaar, ja, +maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie, +de manieren, en ook het onverstoorbaar zelfvertrouwen en aplomb van +zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist +niets, hij kende nog niet eens enkele woorden Fransch--de taal die +zij gewoonlijk sprak--en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe +dieper en schrijnender voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak +aan verdere opleiding. + +Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn +plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie zou het +hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over +na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam hem ineens als een +alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk +moest verrichten om aan zijn brood te komen, dat hij met zijn moeder +in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het +groote euvel, dat hij geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens, +in den nood van zijn ontreddering, bekende hij 't aan Florimond en +aan Sylvain: + +--'t Zoe meschien meugelijk zijn, da 'k moar 'n beetse Fransch kon. + +--Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig +vlaamsch-gezinde was. + +--Da kan ze, zuchtte Fonske. + +Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende +oogen, als in geestdriftig nadenken. + +--Hawél, weet-e watte: 'k zal ou Fransch leeren. + +Fonske sprong van blijdschap op. + +--O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in +een vrome bede. + + + + + +XV. + + +En het gebeurde. Elken zondag, na de teekenles, nam Florimond, de +heetgebakerde, hartstochtelijke flamingant, die het Fransch goed kon +maar onverzoenlijk haatte, Fons mee naar huis en gaf hem fransche +les. Fonske schoot er wel zijn middagmaal bij in, maar wat kon het +hem schelen: hij leerde Fransch! + +De eerste keeren waren pijnlijk. Fonske wanhoopte of het wel ooit +zou gaan. Maar hij wilde met een stugge energie en eindelijk ging het +een beetje. Weldra kon hij sommige dingen in de courant lezen en een +elementair gesprek voeren. + +Maar behalve 't speciale doel waarvoor het buitenkind zich wenschte +te ontwikkelen, deed de groeiende kennis in hem ook van lieverlede een +gansche wereld van onbekende emoties en verlangens ontwaken. Hij voelde +reeds den invloed der beschaving in haar duizenden vertakkingen en 't +was hem als een telkens nieuwe openbaring, als de kennismaking met een +tooverwereld waar hij 't wonderkind van was. Wat was het leven anders +dan 't geen hij tot nog toe op zijn dorpje kende! Wat was 't oneindig +rijker en veelzijdiger! En, de algemeene verschijnselen tot zijn eigen +bestaan terugbrengend, dacht hij aan 't geen er noodzakelijkerwijze in +moest veranderen om hem eenigszins op het peil te brengen, waar hij +zich, althans voorloopig, wenschte te handhaven. Hij moest andere, +meer steedsche kleeren dragen; hij moest het minderwaardig werk, +bij Van Belleghem, zoo spoedig mogelijk verlaten om zich, zoo veel +en zoo uitsluitend als 't maar kon, enkel aan zijn kunst te wijden; +en eindelijk moest hij zijn moeder zien te bewegen om zich ook netter +en fatsoenlijker te kleeden en een andere, ruimere, ietwat deftiger +woning te betrekken. Maar voor dat alles was geld--en nog wel tamelijk +veel geld--noodig; en hoe zou hij daar aan geraken? + +Naarmate zijn betrekkingen met Florimond en Sylvain intiemer werden, +drong hij ook wat dieper tot hun eigen leven door en kwam er van zelf +toe hun voorbeeld eenigszins te volgen. Dat waren krachtige modellen, +van wie een sterken invloed en een vast vertrouwen uitging. Sylvain +had weer een schilderijtje verkocht en van Florimond waren verzen +opgenomen in een tijdschrift dat betaalde; zij hadden beiden geld +op zak; en Fonske, door zijn sterk verlangen en den nood gedwongen, +nam eindelijk al zijn moed bij elkaar en vroeg eens aan Sylvain: + +--Keunt-e mij euk nie ne keer aan azeu ne keuper helpen? + +Nog al verbaasd en misschien wel een ietsje geërgerd over Fonske's +durf, keek Sylvain naar hem op. Maar meteen voelde hij zich gevleid +dat het buitenkind zoo nederig zijn hulp inriep, en, na een oogenblikje +aarzeling, antwoordde hij, flegmatisch-kortaf, als naar gewoonte: + +--Misschien. Hèt-e wat? + +--Joa joajik, verzekerde Fonske. + +Tot nog toe hadden de beide estheten zich eigenlijk niet geïnteresseerd +voor wat Fonske, buiten de academie-lessen om, al of niet aan teekenen +en schilderen presteerde. Evenmin hadden zij eenig verlangen getoond +om te weten waar hij woonde of kennis met zijn omgeving te maken. Nu +leek het hen echter wel leuk om daar eens heen te gaan en op een +mooien zondagmiddag werd het plan ten uitvoer gebracht. + +Na iets gebruikt te hebben in een restauratie--ook al weer een +ontroerende nieuwigheid voor Fonske, waar hij zich voorzeker nooit +alleen zou gewaagd hebben,--haalden zij den trein en stapten een half +uurtje later bij het klein stationnetje Meulegem af. + +Fonske had vooruit zijn moeder gewaarschuwd. Zij zou zich op haar +uiterst-best-mogelijk aankleeden en het armoedig huisje zou er zoo +weinig armoedig en zoo netjes uitzien als het maar kon. + +'t Was geen geringe emotie voor Fonske, toen hij zoo tusschen zijn +twee voorname vrienden den weg naar 't dorp opwandelde. Zij droegen +breedgerande, zwarte deukhoeden op hun wilde haren en hadden elk een +zwaren knuppel mee, alsof ze zich aan een aanranding verwachtten. Zij +waren echte stadsmenschen, die nooit naar buiten kwamen en zij stelden +Fons al dadelijk de gekste vragen over wat zij op het land bemerkten. + +Hun verschijning maakte ophef. Die langen haren, die groote hoeden, +die wild-groeiende baarden, 't was alles heel ongewoon op Meulegem; +de deuren vlogen in 't voorbijgaan open en Fonske hoorde duidelijk +genoeg de onbehouden-nieuwsgierige uitroepingen: + +--Wie zijn datte? Mee wie leupt Fons Vermoare doar? Ha da zijn +zeker zotten! + +Florimond glimlachte, zeer uit de hoogte: + +--De naturellen 'n zijn hier nie geweune van meinschen te zien, +geleuf ik! + +Eigenlijk schaamde Fons zich een beetje, èn over 't eigenaardig +uiterlijk van zijn twee vrienden, dat niet paste in die omgeving, èn +over de opdringerige onbescheidenheid zijner mede-dorpelingen. Vóór het +"Vosken" onder andere, waar Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers met +nog twee andere jonge boerenkinkels aan het bolspel waren, ging het +er wel wat erg toe. Zij staakten hun spel om met gapende monden en +oogen te kijken en Feelke riep brutaal-luid terwijl ze voorbijtrokken: + +--Fon, .... verdome, .... wa ès da? Mee wie leupt-e gij doar? + +Fons gaf geen antwoord, maar achter hun rug ging een hoongebrul op, +gevolgd door hevig schaterlachen. + +--'t Zijn hier nog wilden, glimlachte kalm Sylvain. + +Fonske was maar blij dat ze al spoedig aan zijn huisje waren. + +--Welgekomen, meniers, welgekomen! groette Fonske's moeder, hen +nederig op haar drempel te gemoet komend. + +Zij namen even hun geweldige flaphoeden af en groetten haar als +"madam". + +--Tut tut tut, madam, Noem gulder mij "vreiwe" meniers. We 'n zijn +wij moar simpele wirkmeinschen, meniers. Kom binnen as 't ulder blieft. + +Zij traden binnen, hun hooge gestalten onder 't laag deurgewelf +buigend. + +Fonske leidde hen in 't slaapvertrek, liet hun daar zijn schilderijen +zien. + +--Dàt es slecht! riep dadelijk, op categorischen toon, Florimond, +naar een doek waarop 't kasteel stond afgebeeld, wijzend. + +Sylvain, sprakeloos, hoofdknikte beamend. Fonske voelde zich pijnlijk +te leur gesteld. + +--Menier Wattenberg vond het pertan [1] goed, waagde hij schuchter. + +Dat deed de anderen opspringen. + +--Dat es wel 't duidelijkst bewijs dat 't niet 'n deugt! triomfeerde +Florimond. En Sylvain, vol minachting glimlachend, beaamde nogmaals +met een zwijgend hoofdgeknik. + +Andere doeken werden getoond. + +--Dàt es goed, zie, dàt es goed! riep Florimond een landschapje ter +hand nemend. En, op een spottoon: + +--Wat hè menier Wattenberg dóarvan gezeid? + +--Hij 'n hè 't nie gezien, antwoordde Fonske. + +--Dìt es goed, dìt is nog veel beter, zei nu op zijn beurt, in kalme +woorden, Sylvain, een lijstje uit den stapel nemend. En hij ging er +mee bij 't raampje staan. + +'t Was 't conterfeitsel van Lisatje Van Belleghem. Zonder het zelf +te weten had Fonske er iets werkelijk-aardigs van gemaakt. Hij had +het jong meisje de profil geschilderd, tegen het licht van een +kleingeruit raampje, dat uitzicht op een bloementuintje had. En +het frisch wangetje, het mooi-omschaduwd bloemen-oogje, het zuiver +voorhoofdje en heel het fijn profiel met blonde haren, alles kwam in +zachte harmonie van lijn en kleuren overeen met de omgeving: 't was +of het knap gezichtje midden in de bloemen stond, zelf bloem onder de +bloemen, met iets van zalige verrukking om de half-ontsloten lippen, +alsof het heerlijke geuren inademde. Nu kon ook Florimond niets +anders dan juichend goedkeuren; zij gingen alle twee bij 't venster +nauwkeurig de details ontleden en toen keerden zij zich met een oolijk +lachje naar Fons om en vroegen hem of dat een meisje uit het dorp was. + +--Joajoa 't, antwoordde Fons, 't es Lisatje Van Belleghem, 't dochterke +van mijnen boas. + +--'t Es spijtig da z'in de stad nie 'n weunt, 'k zoe euk ne kier heur +portret moaken, zei Sylvain. En weer lachte hij ondeugend. + +Fonske ging daar niet verder op door, maar de toon van zijn vrienden +over Lisatje beviel hem maar half. 't Was eenigszins alsof de hand +werd geslagen aan iets dat hem alleen toebehoorde. Hij voelde iets +als een heel klein beetje jaloezie; en meteen kreeg Lisatje voor hem +een beteekenis die ze totnogtoe niet had. Hij nam het schilderij en +stopte het weg; liet andere dingen zien. + +Zij vonden nog twee of drie stukken goed en al het overige +onvoorwaardelijk prullen, en Sylvain besloot dat hij die enkele doeken +zou meenemen en ze aan zijn kunstverkooper laten zien. Hij hoopte wel, +dat hij er twee of drie van de hand zou kunnen doen. Fonske was al +bij voorbaat dankbaar-tevreden. + +Toen was er daar in 't huisje niets meer te bekijken en nu verlangden +zij den tijd dien zij nog over hadden te gebruiken om iets van het +dorp en de omgeving te zien. + +--We zillen op de Meulenberg goan, zei Fonske. Van doar uit zie-je +alles. + +Zij gingen. + +Fonske leidde hen eerst tusschen de enkele huizen van 't dorpje, +waar alweer de menschen zeer nieuwsgierig op hun drempel kwamen +kijken. Enkelen groetten met diepe buiging, uit slaafsche gewoonte +hun heeren te groeten, maar de meeste deden het niet, gedeeltelijk +omdat Fons er bij was, maar ook wel alsof zij instinctmatig voelden, +dat het hier geen echte heeren gold, zooals zij die gewend waren. Toen +zij voorbij het huis van Van Belleghem kwamen was Fons eigenlijk blij +dat daar niemand op den drempel stond en hij zei hun ook maar niet, +dat Lisatje daar woonde. Langs een smal, stijgend paadje, tusschen +twee, dicht met kreupelhout begroeide zandheuvels, bracht hij hen +boven op den molenberg. + +Daar strekte zich een heerlijk zicht van urenwijde ruimte uit. En +'t was zóó onverwacht, daar midden in het vlakke Vlaanderen, dat +zelfs aan de twee stedelingen, vrij ongevoelig voor natuurschoon, +een kreet van verraste bewondering ontsnapte. + +Het gansche land lag er onder hun voeten, met bosschen, bouwland, +weiden en rivier, in doezelige golvingen wegdeinend naar de +blauwachtige heuvelverten, alsof een goede reus met groote, zachte +hand in liefdevol gebaar over de wijde streek had heengeaaid. Hier +had hij een glinsterenden zilverkronkel der rivier getrokken, dáár +had hij een donker bosch geplant, ginds verder nog het tintlend goud +der oogstvelden gestrooid, en alles als het ware overgoten met een +heilig-stille atmosfeer van zoete rust. Het nietig dorpje, met zijn +spits kerktorentje, dat daar vlak onder lag, was als een nestje van +geluk en poëzie; de oude, grijze molen stond met naakt-gekruiste +wieken in zijn eenzaamheid te droomen en heel in het verschiet, heel +licht en nauwelijks zichtbaar boven de eindelooze, dichte deining van +de donkere boomenkruinen heen, verrezen de hooge torens van de verre +stad, ijl als lichtbakens over de wijde uitgestrektheid van een zee. + +Fonske, trotsch dat ze zijn streek zoo mooi vonden, wees hun de twee +kasteelen: 't kasteel van "menier den b'ron," 't kasteel van "menier +de groave". + +--Zeu 't es doar da ze weunt? glimlachte Florimond naar de koepels +en de torens wijzend. + +Fonske kreeg een kleur. + +--Joa 't, knikte hij met inspanning. + +--Hawèl, ik hier, en gij doar, Sylvain, schertste Florimond, om beurt +naar de twee kasteelen wijzend, da zoe mij goan. En ou? + +Sylvain grinnikte dat hij er niets tegen op had, maar dat er toch +ook wel een plaatsje voor Fons en de jonkvrouw moest openhouden worden. + +Zij gingen daar een tijd op door, tot stille ergernis van Fonske, die +dat alles wel misplaatst vond; en eindelijk drukten zij 't verlangen +uit, althans één van die twee kasteelen, het mooiste, waar Fons later +zou wonen, van dichtbij te zien. + +Fonske kon niet anders dan er hen heen brengen. + +Zij huppelden vlug den molenberg af, liepen dwars door het dorp, +kwamen in de weide. + +--Wa veur 'n biest es dat! riep eensklaps Sylvain, angstig op zij +springend. + +Nu kon Fonske ook eens hartelijk met hem lachen. + +--Zij-je gij schouw van nen oakpuit [2]! spotte hij. + +Sylvain had blijkbaar nog nooit een kikker gezien. Met aandachtig +wantrouwen ging hij 't beest nauwkeuriger opnemen, telkens weer +'n beetje schrikkend bij iederen wipsprong. Florimond, die wél eens +kikkers had gezien, lachte hem vierkant uit. + +--'K ben d'r vies van, griezelde Sylvain met opgekrulde bovenlip. + +In kalme nieuwsgierigheid kwamen nu ook de koeien op hen af. Zij +stapten loom en breed over de wei en bulkten. De beide stedelingen +bleven staan en hielden hun knuppels in de hoogte. + +--'t Zijn stieren! riep Sylvain. + +Fonske moest schaterlachen, ging naar de koeien toe, klopte hen +pletsend op de schoften: + +--Ala, Bloare, ala, Blesse, uit de wig! + +--'K 'n zoe buiten toch nie keune weunen, verzekerde Sylvain. + +Zij kwamen bij de rivier en stonden vóór 't kasteel, Fonske vol +overgeërfd ontzag, de beide stedelingen met iets superieur-schimpends +in de oogen. + +--'t Ziet er parvenu-achtig uit, beweerde Florimond; en Sylvain +hoofdknikte, sprakeloos beamend. Fonske begreep het woord wel niet, +maar voelde een afkeuring. + +Florimond ging naar het bootje toe, dat aan den oever lag. + +--O! ge 'n meug niet! schrikte Fonske, 't es 't beutse van 't kastiel. + +--'t Beutse van 't kastiel! riep Florimond verbaasd. En 't ligt hier +in de wei! + +--'t Es gelijk, 't es 't beutse van de groave, doar 'n mag niemand +mee voaren! verzekerde Fonske. + +--Hoe komen de meinschen dan over 't woater? ergerde zich Florimond. + +--Ginder, 'n endeke verder, aan den overzet van boerke Floncke, +zei Fonske. + +Zij volgden de rivier tot aan den overzet van boerke Floncke, waar, op +hun geroep, een stevig-knappe meid hen met een bootje naar den anderen +oever bracht. Zij liepen dwars door boerke's hof; de beide stedelingen +even neus-dichthoudend voor een scherp-riekende mestvaalt en kwamen +weldra in een lange, prachtige beukendreef, de dreef van het kasteel. + +Fonske vond het niet bepaald prettig daar met zijn twee voorname +vrienden te loopen. Eigenlijk achtte hij hen beter geschikt voor de +stad dan voor buiten en 't speet hem wel een beetje dat hij ze naar +Meulegem had meegenomen. Zij bewonderden zoo weinig wat hijzelf zijn +leven lang had leeren waardeeren en vereeren, en hij wist niet goed of +hij wel verheugd dan bang moest zijn voor een mogelijke ontmoeting met +jonkvrouw Elvire of een der andere adelijke familieleden. Terwijl hij +dat in zichzelf overwoog werd het gesnor van een automobiel hoorbaar +en door 't kasteelhek kwam de welbekende, grafelijke auto aangereden. + +Fonske kreeg een vuurkleur en trok zenuwachtig zijn vrienden bij +de mouw. + +--Z' es doar! kreet hij dof. + +De twee estheten drongen op zij. Zij maakten front naar den weg en +bleven onbeweeglijk staan, als palen. Heel langzaam kwam de open auto +aangereden. Aan 't stuur zat meneer Gaëtan, naast hem jonkvrouw Elvire +en in den achterwagen de Engelsche, die glimlachte met bloote tanden. + +Fonske nam zijn hoedje af en groette met diep-nederige buiging. Hij +kreeg een minzaam knikje, toch een beetje als van verre, terug. Toen +vertrok 't gezicht der jonkvrouw plotseling als van ontstemde +verwondering en in het snorren van den motor keek zij met hautaine +strakheid naar de twee groote flaphoeden en de wilde baarden. De +estheten hadden geen lid verroerd. In arrogant-stugge houding namen zij +het meisje vrijpostig op en keken ook den jonker met zijn "boulevard" +na. 't Was zóó gewild en vlug-vijandig, dat Fonske ervan schrikte. Met +een grijnslach van minachting keerden zij zich in 't opgejaagde stof +der auto om, en Florimond zei tot Sylvain: + +--Ik 'n zoe ze nie moeten hén. En gij? + +Sprakeloos-grinnikend schudde Sylvain het hoofd. Neen, hij ook niet. + +--Wa veur nen ignobele crétin es dat, die nevens heur zit? vroeg +Florimond aan Fonske. + +--Menier Gaëtan, de zeune van menier den b'ron, antwoordde Fonske, +die maar half begreep. + +--Es dat heur lief? + +De ruwe woorden troffen Fonske als een kaakslag. Nog nooit had hij +iemand zoo oneerbiedig over hun traditioneele heerschers hooren +spreken. Het deed hem pijn en het maakte hem nijdig. Hij gaf geen +antwoord. En toch,.... diep in zijn binnenste, voelde hij een soort +ontzag voor die twee flinke kerels, die zoo maar raak, en zonder vrees, +de geduchte dorpsafgoden van hun voetstuk durfden gooien. Het was een +kracht welke hij niet bezat; een vrijheid, en daardoor een waardigheid, +hoe ruw ook, die steun gaf aan hun leven. Zij hadden niet gegroet, +zij hadden niet het hoofd gebogen, zij kenden schuwheid noch ontzag, +zij voelden zich niets minder, wel het tegendeel, dan die machtigen +en rijken, en Fonske onderging, in weerwil van zichzelf, een soort +van afgunstigen eerbied voor een durf en kranigheid, die hij wel +nooit bezitten zou. + +Langzaam keerden zij naar 't dorp terug: de zon ging onder in oranje +glorie en de stille populieren wierpen lang hun dwarsche schaduwvlekken +over 't glinstergroene weiland. Het dorpje lag zich als 't ware te +spiegelen in avondluister en 't roomig vee, door de koewachtertjes +opgedreven, stond roerloos-wachtend bij den oever der rivier, als +met goud omgoten. + +De twee regeerende kasteelen op hun heuvel, keken elkaar met +schitter-ruiten aan. Het was alsof ze alle twee, in rijk genieten, +elkander's pracht en macht bewonderden. Zij heerschten, men zag ze +voelbaar heerschen over 't gansche land, en zelfs de twee teugellooze +en vrijgevochten estheten werden iets als een benauwende drukking +gewaar, want Florimond zei tot Sylvain terwijl hij naar de beide +imposante buitens wees: + +--Dà zoe hier weg moeien, dà stoort. + +Zij kwamen weer in 't dorpje. Op elken drempel zaten nu de menschen +van de zachte avondfrischheid te genieten; en reeds van verre zag Fons +Lisatje met haar moeder staan, vóór 't huisje van Van Belleghem. Hij +hoopte maar dat zijn vrienden het meisje niet zouden opmerken, +maar het liep mis: Sylvain ontdekte haar dadelijk, bleef staan, +en zei glimlachend: + +--Dat es 't scheun meiske van 't portret. + +--Verdeeke joa 't, riep Florimond. Ala, Fons, presenteert ons ne keer. + +Met tegenzin, hoog kleurend en gegeneerd, voldeed Fonske aan +'t verzoek: + +--Lisatje, da zijn tweeë van mijn kameroaden uit de tiekenschole. + +--W'hèn ou portret gezien mademoiselle, 't es scheune, zilde, zei +Florimond met stralende oogen. + +--Es 't woar, meniere; glimlachte 't meisje schuchter den blik +neerslaande. + +--Moar 't origineel es nóg scheunder, complimenteerde Sylvain. + +Lisatje, die maar half begreep, keek nog bedeesder even op en sloeg +de oogen dadelijk weer neer. Fonske beet op zijn lippen, inwendig +spijtig en geërgerd, en hij voelde weer een diep-priemend steekje van +vluchtige jaloezie, alsof aan iets getornd werd, waar hij alleen recht +op had. De moeder bleef stijf en vagelijk-wantrouwend naast den muur +staan; Van Belleghem, opgeblazen-dik en rood, verscheen in de deurpost, +die hij geheel vulde, en tikte even aan zijn glimmend petvizier. + +De twee estheten namen hun flaphoeden af en groetten tot +afscheid. Fonske zei "tot morgen" aan Van Belleghem en keek Lisatje +strak en glinsterend in de oogen aan. Hij zou zijn vrienden op het +dorp maar niet meer nooden. Hij was wel niet verliefd op Lisatje, +maar--hij wist niet waarom--hij had toch niet gaarne gezien, dat een +van die twee op haar ging verlieven. + +Beiden waren hoogst verrukt van Lisatje. Zij hielden daar een betoog, +midden op de straat, over 's meisje's frissche schoonheid, die voor +Fonske als een openbaring klonk. Met zulke oogen had hij haar toch +nooit aanschouwd. Zij vonden haar tienmaal, honderdmaal, duizendmaal +mooier dan de jonkvrouw en begrepen niet hoe Fonske dat ook niet zag +en voelde. Zij zouden niet aarzelen. Al was de jonkvrouw nog zoo rijk, +honderdmaal, duizendmaal zouden zij de voorkeur aan Lisatje geven. 't +Gaf Fonske een gevoel van troost, gemengd met wrevel. + +In Fonske's huis pakten zij de schilderijen bij elkaar. Sylvain koos +er vijf uit, waaronder het portret van Lisatje. Fonske had dit laatste +nu veel liever bij zich gehouden, maar dorst Sylvain, die hem wellicht +aan koopers zou helpen, niet mishagen. Hij droeg het pak en vergezelde +hen naar het station. + +Onderweg kwamen zij meneer den pastoor tegen. Fonske nam haastig +zijn hoed af en groette zoo nederig en zoo diep als hij mejonkvrouw +Elvire en meneer Gaëtan had gegroet. De twee estheten, daarentegen, +namen in 't minst geen notitie van den geestelijke. Fonske was er +gansch ontsteld van, want meneer de pastoor was geen mindere macht dan +meneer de graaf of meneer de baron en hij vreesde strenge verwijten, +dat hij in slecht gezelschap verkeerde. Meneer de pastoor had héél +verbaasd en zelfs héél boos naar zijn twee gezellen opgekeken. + +--Saleweert-e gulder de pàsters niet? kon Fonske niet nalaten gansch +ontdaan te vragen. + +--Den dienen die doar veurbij gekomen es? vroeg Florimond minachtend +uit de hoogte. We 'n kennen hem niet. + +--'t Es menier de pàster van Meulegem, antwoordde Fonske vol benauwd +ontzag. + +--Al was ie-hij de Paus, we 'n kennen hem niet, zei Sylvain smalend. + +--Hoe durven ze toch! dacht Fonske. En weer voelde hij, in een mengsel +van angst en bewonderende afgunst, bij hen die sterkende kracht, +dien waardigheidstrots tegenover machtigen en rijken, welke hem zoo +zeer ontbraken. + +Op het perron van 't stationnetje namen zij van elkander +afscheid. Sylvain beloofde vast reeds den volgenden ochtend met de +schilderijen bij zijn kooper aan te gaan en hoopte wel dat hij over +weinige dagen Fonske eenig gunstig bericht zou kunnen zenden. + + + +Den volgenden ochtend--Fonske was bezig aan wat decoratiewerk in het +gemeentehuis--klopte de daar langs komende postbode op een der ramen +om zijn aandacht te wekken. + +--Fons, vroeg hij, toen de jonge man met zijn borstel in de hand naar +buiten kwam, het-e gij gisteren oavond ou schilderijen in den trein +nie loate stoan? + +Fonske schrikte geweldig. + +--Mijn schilderijen! Ha 'k hé ze meegegeven aan iene van mijn +kameroaden! + +--Hawèl, den dienen hé ze vergeten stoan, zei de postbode. Gelukkig +hét de conducteur ze gevonden en, omdat hij ou kent, hè z' hij weere +noar Meulegem meegebrocht. Ze stoan in de stoassie. + +Fonske liet vallen wat viel en holde wanhopig naar huis toe. + +Juist kwam zijn moeder hem gansch ontsteld te gemoet, met een blauw +papiertje in de hand. + +--Och Hiere, Fons, 'n dépêche! Wa mag da zijn! + +'t Was van Sylvain. Hij maakte excuses, had gelukkig vernomen dat de +schilderijen weer naar Meulegem waren, vroeg onmiddellijk terugzending +aan zijn adres. + +Drie dagen later ontving Fonske een tweede telegram: + +"Vier schilderijen verkocht samen driehonderd vijf en zeventig frank." + +'t Was of Fonske eensklaps gek werd. Hij sprong letterlijk op van +geluk, hij danste van geluk en kwam met 't blauw papiertje naar zijn +moeder toegeloopen, luid-jubelend. + +--Moeder! moeder! 't 'n es niet te geleuven! Vier schilderijen +verkocht veur drei honderd vijf en tsjeventig fran! moeder, moeder, +we zijn rijke! + + + + + +XVI. + + +Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer +in Fonske's leven. Hij was niet langer 't schuwe mannetje, dat +vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; 't gelukte +hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van +zich af te schudden. + +Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende +geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij +mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op, +zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn +stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem +in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij +flink op afstuurde. + +Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn +brood mee verdienen! + +Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon +aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog +wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen +kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel +Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar +Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van +Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, 't +was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem +een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station +gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon +om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van +Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske +de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen: +een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw +en verder 't kasteel van meneer den graaf en 't kasteel van meneer +den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol +grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip +van logisch verband, de wolvenjacht te doen vervangen door een ander +tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien +er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den +omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven +aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging +niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens +gesproken over wat zij noemden "hun artistiek geweten", dat hun slechts +toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting +strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel +af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht +niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter +niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog +wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen. + +Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig, +maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer, +en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een +deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich +nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ook op zijn +werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en +machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op +zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In +enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet +meer herkenden. + +In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam +uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere +jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en +enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes +gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn +arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste +zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het +leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik +omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen +hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf, +meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname +en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en +stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele +afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan +kwam te staan. + +Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek +volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij +voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend +was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen +belang te stellen: hij las boeken, 's avonds, als hij tijd had en +meer dan eens was 't reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie +in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje +lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde. + +Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het +kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst +op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken; +'t was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan +langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen +van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring +kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten. + + + + + +XVII. + + +Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain, +wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en +een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds, +door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en +slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling, +waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd +hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of +verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij. + +Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in +zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had +gepredikt. Geen mensch, op 't dorp, zou het gewaagd hebben met zulk +een man ook maar even om te gaan en nu stond Fonske vóór hem, vóór +dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was. + +Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij +kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu +ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der +regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het +bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden +doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu +stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord +en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding, +gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem +dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie +werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en +naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en +eerlijk gebleven, verre verheven boven 't lage ideaal van geld en +weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een +ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken. + +Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder 't spreken +had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren en +waarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare +bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf +geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen +en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar +hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht +uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske's schilderijen en vond er wel +veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en +diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat +was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en 't +moest en 't zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk, +die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom +een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in +dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot +den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping, +voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend +en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender: +een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets, +of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den +barren muur dier fabriek, van afgematheid zit te hijgen! En waarom, +als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom +moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende +paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke, +anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig, +afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, de +Menschheid zelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele +machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore, +vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud +van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen? + +Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden +als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door +een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten, +die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van +zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden +hem namen in 't gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske +voor het geweld van 't twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik +bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat +die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen +in een andere lijn bereiken: men moest vooral willen en durven, +hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen +steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns' blakende +woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen +gevloeid; 't werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit +vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds, +als 't ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend. + + + + + +XVIII. + + +Hij had hem ook bovenal,--en voor het eerst, en heel wat sterker dan +totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle waardigheid +als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen. + +Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer +de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan, +ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij +mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd wezen +op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de +andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn op alle twee; +het was geen schande, zooveel groote kunstenaars--dat had hij immers +herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain en ook van vele anderen +gehoord--zooveel groote kunstenaars waren te gelijkertijd op meer +dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in +hun voortreffelijkste werk geïnspireerd. + +Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten +slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar! + +Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij +kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, dat men in +een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid +van alles voor hem, en zijn aanbidding, die hij in zijn eigen diepste +binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna +als iets wandadigs verborg, had feitelijk de naïeve, frissche reinheid +van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna +tyrannisch-menschelijk in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar +één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken +en éénmaal van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou +hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. 't Was de +romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin! + +Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de +stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking +zijner liefde beschouwde, oneindig veel gemakkelijker te bereiken, +dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand +stond ze meer in nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw +voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal +met zijn voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even +meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar +liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der +regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare godin, +waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even +van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, haar moeder, +of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders +niet meer bestond, hem als een afgrond aan en weer voelde hij zich het +jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar +weldaden leefde. En hij begreep heel goed dat alleen iemand uit haar +eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken. + +Nog steeds werd er in 't dorp verteld, dat die twee zeer zeker met +elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden samen +op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere +jongelui en jonge meisjes op de twee kasteelen, doch dat was maar +tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker +en de jonkvrouw aldoor samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als +iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich +in zijn droomen en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was +in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar +jonkvrouw Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag +meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den +omvang van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij +den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen of +door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding +en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke bekoring wel van +zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij +er wel zou uitzien als hij zulke kleeren en manieren had als meneer +Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das +zooals meneer Gaëtan er droeg en eens, op een vroegen zondag-ochtend, +vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op +het hoofd een "boulevard" te kammen. + +--Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamt ou lijk menier Gaëtan! riep +de vrouw verbaasd. + +Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel, +haastig weer zijn haren platstrijkend. + +--Och, moeder, zij-je nie wijs; 't es omda 'k 'n beetse brand hé op +mijn achterheufd. + +--Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. 'k Miende dat-e menier +Gaëtan wildet noardoen. Ge 'n zoedt nie meugen, jongen, ze zoên +'t ons kwoalijk nemen op 't kastiel. + +--Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen +lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd. + +De moeder ging daar maar liever niet verder op door. + + + + + +XIX. + + +Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit +zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als 't ware +vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw +of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook niet meer noodig; +hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud +en in dat van zijn moeder te voorzien; hij wachtte zelfs maar op een +gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij +besloot, vóór het wintervertrek naar de stad, aan de jonkvrouw een +brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn +beste schilderijtjes als geschenk aan te bieden. + +Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief +in die taal te schrijven. Dat stelde hem alweer op meer gelijken +voet met haar; hij ging maar dadelijk aan 't werk, en toen hij er, +na groote inspanning, mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag +lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten +uit te halen. + +De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het +een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in 't Fransch wilde +schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun +nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende men dit +gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had +zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. Doch zij kregen ten +slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond +de fouten uit het epistel, die talrijk waren. + +Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig +over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen +leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij +invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat naar +het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee +te zenden, maar toen voelde hij als 't ware iets vernederends voor +zichzelf in die opdracht. Beter ging het door den veldwachter. Zoo +had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij +de plechtigheid van den franschen brief. De veldwachter, trouwens, +vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen +Fonske hem een frank gaf om onderweg een paar "dreupelkes" te drinken. + +Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige +ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch sliep, +zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van 't kasteel, +buigend onder 't lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. Hij liep +hem na, ontving den brief uit zijn handen. + +Reeds het adres was een emotie: + + Monsieur Alphonse Vermaere + artiste-peintre + Meulegem. + + +Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open. + + + Monsieur, + + + Quelle agréable et double surprise vous me faites en m'envoyant + une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet + de neige! J'ignorais totalement que vous connussiez le français + et surtout que vous l'écriviez si bien. Je vous en fais mon + compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu'il + ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand + artiste. L'oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je + suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement. + + A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour + le printemps prochain. J'en ai dejà parlé à mes parents, + qui sont d'accord avec moi. En attendant, continuez à bien + travailler et à faire des progrès dans votre art. + + Veuillez croire à l'assurance de mes sentiments distingués. + + + Cesse E. d'Assonville. + + +Fons vouwde 't briefje dicht en stopte 't in zijn zak. Hij zag heel +bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord begrepen, +maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes, +in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich verwerken. + +--Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder. + +--O, joa z' zilde, antwoordde Fonske verstrooid, en voegde er bij, +dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest. + +In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg +en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het kreupelhout +verschuilen. + +Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak. + +Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den +linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en daar +streek hij even met zijn vingers overheen en voelde 't hard relief +der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, woord voor +woord, weer over. + +"Connussiez"; die verbuiging kende hij niet, maar 't leek hem heel +knap en heel mooi en hij begreep toch. "Constater" begreep hij niet, +heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar 't deed +er niets toe, hij verstond den zin en voelde zich gloeien van geluk en +trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde +en geheel van streek bracht waren de laatste zinnen: "A mon tour je +vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain". + +Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem +in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing waar haar ouders +reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook +van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen hen te dempen? Zag +zij de mogelijkheid in, met hem... och, 't was onzinnig, en toch, +welke verrassing--een verrassing die hem zou gelukkig maken--kon het +anders wel wezen?.... Het suisde in hem en 't nevelde vóór zijn oogen: +hij voelde zich eensklaps door een groote, weeke teederheid bevangen +en zijn blik werd vochtig. + +Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat +te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten kring van +struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij +het vreedzaam dorpje in de diepte en verder het smaragden kleed der +weilanden, waarop de koeien graasden, en achter 't zilver-kronkellint +van de rivier, den weg-wazenden overheuvel, met de torens en de tuinen +van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat +baadde alles om hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo +groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig +veel rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En +die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat hem gegeven +werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie, +maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht rijker dan een +tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets +meer, niets dan het heerlijk woekeren en ontbloeien van den schat, van +al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde. + + + +Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen, +hadden dezen maar één roep: + +--Ça y est! Ze wil mee ou treiwen! + +Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de +gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente +bewaarde. + + + + + +XX. + + +Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te +werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te +ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als 't ware +voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem +in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de +aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen +kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen +rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen +en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en +werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat +Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe +voelde Fonske wel, dat er op kunstgebied nog hoogere ambities waren; +doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit +gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en +was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust. + +Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en +manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers +aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand +die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers, +evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef +gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer 't besef +van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms +geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als +hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens +naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij +zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te +nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet +liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist +onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan +wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was 't keurig door hem +ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en +luchtig atelier in 't noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij +heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd +hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een +soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen +stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een +zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het +tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in +harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag: + + + "Villa du Moulin". + + +Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn, +omdat hij 't niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre, +dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor +maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw +van 't kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in +bewaring hield. + +In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd +hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die +vonden er zelfs hoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen +telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars +die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven, +trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul +genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie +zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. 't Was iets waarvan +'t eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met +deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof 't voor eeuwig +was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij +elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken +bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden +haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure +kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel, +feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen. + +Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse, +was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding +van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom +ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van +Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zou +een ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen, +of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden +en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in +hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan +dom heeten als hij 't nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed. + +Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske's zinnen, wekte +geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine +eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd +duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te +beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat +zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees, +ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te +eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem 't voorbeeld gaven. Maar hij +lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan +vroeger notitie van Lisatje, en 't aardig kind, dat lang onder zijn +onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn, +blijde dagen te gemoet. + + + + + +XXI. + + +Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden +alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog winternaakte +kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en 't was alsof +hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk de zoo lang sluimerende +bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen +doorschijnend-groene, kanten hemdjes, de lijsterbes bloeide alom op +'t molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en +plat tegen den groenen grond blonken de blauwe oogen der viooltjes en +schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom +de gele tuilen der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een +reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in 't rond +gestrooid. De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde, +ging 's avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige +oranje glorie, en toen kwam 't maantje kijken, een beetje blikkerig-kil +in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende sterren; en het +gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de +heilige stilte. + +En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de +nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als 't ware de blijde +komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór +het werkelijkheid zou worden. Reeds waren de regeerende kasteelen uit +hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun +wijd-open ramen en deuren, als blij elkaar weer op hun oude plaats +terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun +vrije blijdschap uit te midden van het jonge vee, dat lentedronken na +de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest +vieren, vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in +'t malsche groen aan 't grazen ging. + +En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families, +zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, en +'t gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachte en toch +telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen, +'t uitsterven van een jaar en het geboren worden van een nieuw jaar, +waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het +jaarlijks gaan en komen der regeerende families; er kwam al dadelijk +een andere toon in de gemeenschap; 't was of een stille sluier +alles dempte en wie een tijdlang los en vrij en zonder vrees rechtop +geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn +gangen met dat eigenaardig gangetje, dat aan andere dorpsbewoners, +waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed: + +"Dat is de gang van Meulegem." + +En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed, +onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die benauwende +drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners. + +Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen +zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, en er gebeurde +niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd +had, vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,--wat +was ze mooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in 't vol +bewustzijn van haar rijke schoonheid!--hij had haar diep gegroet en +ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was +alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met 't zelfde heen +en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te +wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, het zoolang verwacht +verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel +wilde komen. + +Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur +trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en zijn adem +hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste +kleeren wilde uitleggen. + +Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij +toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half vol laten staan. + +Om half drie trok hij 't weiland in. Hij had een hoog boord, een +bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen aan; +hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine +handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, blond snorretje had +hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te +rijden op het heel mooi rijwiel, dat hij zich onlangs had aangeschaft; +maar na overweging vond hij het te voet toch passender. + +De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen, +staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken. + +--'t Es Fons, hij goa noar 't kastiel, fluisterden zij met een soort +eerbied. + +Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al +die jaren! + +Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid +een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige kasteellaan in. + +Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier +te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij kreeg een +bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede +grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in. + +Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te +beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op 't vlakke lag, kalmeerde dat +eenigszins. 't Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en +de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. Vrij onbevangen schreed +hij over de brug en 't pleintje dat er achter lag, klom op de stoep +en belde aan. + +Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in +de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht en +verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween +langs den breeden trap met zachten looper. + +Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes, +hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met speelwerk in +een hoek. 't Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam +in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. De hall liep in de +gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en +Fonske zag hoe mooi het van daar uit was aan de beide kanten: aan +den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop 't kasteel +van den baron stond en het oude molentje; en aan den anderen kant +een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch +eikenbosch, hoog en ondoordringbaar als een donkergroene muur. + +Binnen in 't kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de +gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. Fons +hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar +gebeurde heel héél verre van hem af lag. 't Scheen wel of wat daar +leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging +eensklaps een deur open en weer dicht en het kwam Fonske voor of hij +gesmoord gestommel en gegichel hoorde. + +Hij rees op en keek naar boven. + +Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper +afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen rok en +vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond +hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die hem glimlachend te +gemoet traden. + +Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. 't Was +hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het was alsof +zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte, +hij schrikte geweldig en voelde 't in zijn binnenste ijskil worden, +toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw +Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los en stak die met haar +vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend: + +--Dag menier Alfons. Hoe goat 't mee u? + +--Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en +hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen, +donkeren, sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander +aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte. + +De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en 't was de eerste, +die met eenige inspanning begon: + +--Menier Alfons,.... + +Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en +vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over haar, en deed +haar wangen kleuren. 't Was week en teeder als de liefdesglimlach van +een overwonnen vrouw, die zich wil geven, en zij keek Fonske aan met +oogen, die als 't ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort, +zwak lachje van haar mooie lippen gleed. + +--Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend, +of da ge 't gij nu weet of morgen, dat es 't zelfde: meneer Gaëtan +en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op 't kasteel +inweunen. We willen onz' appartementen deur u loaten decoreeren en dàt +es de surprise, woar da 'k u verleden joar van gesproken hè. Wilt-e +gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien? + +Fons wist zich bijna goed te houden. Even duizelde 't zóó overweldigend +vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar +'t oogenblik daarna werd hij als 't ware wakker en zag ze schemerig +vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach, +hij met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem +starend, op zijn antwoord wachtend. + +--Dat 'n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met +iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding. + +En Fonske had den moed te antwoorden: + +--Nien ik, mejonkvreiwe, dàt 'n he 'k zeker nie gepeisd. Proficiat, +mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan. + +--Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de +trap omgekeerd: + +--Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons? + +--Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden +volgend. + +--Il a l'air un peu maboul, ton protégé, grinnikte halfluid meneer +Gaëtan onder het trappen-klimmen. + +--Tais-toi, fluisterde zij, kleurend, il comprend le français. + +Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn +aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg om +te gissen waarover ze 't hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten; +kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende +hardop uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer: +hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit. + +De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek, +dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. Deuren en +kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand +onder 't plafond en als plint boven den vloer. Dat zou dus alles +zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij +wandschilderingen van hem. Zij verlangde er twee: tegen den linkermuur +het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en +het kasteel van den baron als achtergrond; en, aan den rechterwand, +juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de +rivier, maar met den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders +tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken? + +Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men +hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche stem of er +ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouw antwoordde +dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel +koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger zelf daar liep, +glimlachte zij. + +Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij +merkten 't niet, namen hem mee door de gang, naar het vertrek, dat +meneer Gaëtan's werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan +verlangde muurschilderingen, maar geheel andere dan jonkvrouw Elvire. + +--Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik +'n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. Mijn +koamer wordt in 't iekenheit gesteken en ik zoe geern 'n beetsen +donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien lileiwe koeien +veur mij. Zoe-de gij keunen 'n wilde-zwijnenjacht schilderen? + +--'K peis 't toch wel, menier Gaëtan. + +--En nen automobiel? + +--Euk wel, menier Gaëtan. + +--Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça? vroeg zij, +zacht-afkeurend. + +--Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j'aime, antwoordde hij, +even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen +hen gedebatteerd was. En dan weer tot Fons, op den toon waarmee hij +een schotel in een restaurant zou bestellen: + +--Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur 'n wildezwijnenjacht +ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, bruine +beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan +de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we de dreve van 't +kastiel oprijen. Hedde 't goe verstoan? + +--Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos. + +Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs +onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje midden in +'t vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking +als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; en 't was ten +slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg: + +--Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près +zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten? + +Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte +op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen, +dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde +en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op een toon, die hem even +in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden: + +--O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij +gedoan dat 't alles goed es 't gien da ge mij wil geven, en al gaaft +ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat 't eug nog goed zoe zijn. + +--Vois-tu bien! zei 't meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek +Fonske minzaam, met een soort verteedering aan. + +Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde +hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij kende +ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als +mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. Maar hoe kon +hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer +niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, en, omdat zij tevreden +waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te +gaan. De maatschappelijke kloof, die even tusschen hen was overbrugd +geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich +alleen staan, terwijl hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun +laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem +óverduidelijk dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht +gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden en smachtend verlangen; +zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de +verste verte niet dat hij één enkel oogenblik gelukkig was geweest en +dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden; +zij knikte en glimlachte hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend +dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht +beginnen; en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande +naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat +hij gaan kon. + + + +Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar +in een naren droom. De zon daalde naar 't westen in oranje glorie +en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over 't +gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes, +die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen, +om hem nu ook bij zijn terugkomst van 't kasteel nieuwsgierig te +bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders +dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn makkertjes van +vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van +de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk zooverre boven stond, leken +hem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die +dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere ambitie +dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen +en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, met Mietje Pruime, +met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu. + +Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar +eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw van +'t kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde! + +Toen Fons over het water en al spoedig weer in 't dorpje was, voelde +hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. 't Idee dat +hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou +uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, of dat ze zijn onsteltenis +zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, 't was hem alles zóó +onuitstaanbaar, dat hij maar dadelijk besloot vooreerst nog niet naar +huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om 't even waar te dwalen. + +Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de +bosschen leidde. Weldra was hij in 't midden van de dennenwouden. De +naglans van de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het +verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds +spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een +nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf +ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even 't heftige van Fonske's +lijden. Een bittere weemoed kwam in hem op, en daar, in de heimvolle +eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij +zich week, en zwak, en klein, tegenover de gebeurtenis die daar nu +voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke +almacht! Wat was hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel +laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee +steedsche vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der +hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen +getooverd! Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf, +die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm +koewachtertje van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit, +wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit +geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid +en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen, die toch fataal op +een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij +eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende wreedheid. Dàt wat hij ook +eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het +werk der groote meesters zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht, +zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog, +op zoo velerlei gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar, +die hem van die genieën scheidde; hij voelde 't nu nog oneindig +veel scherper, hij voelde 't in zich als de ijzig-koude dood van +al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps 't +eenige ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke, +opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles voort +moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit +beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; en die gedachte +was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop +vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, bijna als een misdadiger. + +Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in 't open veld, +dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar hij liep. + +De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje over het zwartgroen der +bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid, +die met verlegen aangezicht schuchter komt kijken. Haar stille komst +was in weemoedige harmonie met Fonske's lijden, en hij ging met haar +mee als 't ware, stil loopend langs de stille wegen, waar nu haar +twijfellicht zijn vage schaduw wierp. + +Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er +vóór hij 't bewust werd, en schrikte dat hij er reeds was. + +Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol +angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek geworden +zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde +zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in wanhoop stug-besloten +daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door +te brengen. + +Hijgend en afgemat kwam hij door 't kreupelhout langs steile +kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer in 't +heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam +over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar zijn geest werkte, +zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open. + +Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchtere werkelijkheid. De maan +was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel +en haar koud, blank licht bescheen het nederig dorpje met hier en daar +een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch, +elk op zijn heuvel, de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en +als 't ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar +over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen. + +Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander +van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over de gelukkige +gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn! + +Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn +geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke zalen, +hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar +verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, hem van haar kunnen +wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach +van wreedheid en van valschheid en 't schreeuwde in hem op als tegen +een wandaad, die niet mocht gebeuren. + +Maar plots was 't of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds +verre, bij 't grafelijk kasteel, was in den nacht een vuurpijl +opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil +openbloeide, en een schot knalde, door het gesmoord, lang-aangehouden +"aaah!" eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu +reeds de verloving bekend was en gevierd werd; en, terwijl nog meer +vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de +deuren open, kwamen de menschen opgewonden in de straat en holden +joelend naar 't kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen +leeg en weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder +den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn +breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer. + +Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch +meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof hij gansch alleen +was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een +soort bittere troost: de triestige berusting van hem wien geen geluk +meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de +ontgoochelde levensmoeheid van een grijsaard. Niets leek hem meer de +moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij +voelde zich zoo oud en afgeleefd als het geraamte van den molen die +al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit +schouwspel nog bijwoonde. 't Was als een óveroude, grijze wijsaard, +die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos +hoog en verre boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende +sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken +spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen +van lang-verleden en vergane wee. + +En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in +Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij hoorde nog +slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en 't geknal der +schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende kasteelen week al +verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend +verlangen meer: daar nu in zijn volle eenzaamheid op den heuvel in +te slapen en er nooit meer te ontwaken. + +Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn +dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer deed pijn, +alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe; +hij zou weldra voor goed inslapen. + +Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zacht en dof +vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en +'t kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. Hij luisterde en +trok zijn oogen open. + +Drommen menschen kwamen weer in 't dorpje, daar beneden aan den heuvel +en in 't verschiet over de weilanden waren de lichten der regeerende +kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de +menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; en nu hoorde hij +ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn +moeder liep in angst van huis tot huis, en geen mensch had hem gezien: +men begon voor een ongeluk te vreezen. + +Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu +moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen komen. Hij +walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde +even ontembaar weer in hem op; het bruisde in hem tot een opstand; maar +meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden +kreet van zijn moeder, die als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf +hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er +zelf van schrikte: + +--Hier ben ik! + +Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het +paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld. + +--O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da 'k ou zoeke! Wa +schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij. + +--'K ben ziek, 'k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen +herkende hij, in 't manelicht, de vrouw die met zijn moeder was: +Lisatje Van Belleghem. + +Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in, +dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. 't Was als een streelende troost +in zijn verdriet en even keek hij 't meisje dankbaar aan. Zij zag +bleek in den maneschijn, met groote, donkere, angstig-starende oogen; +en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal, +dien zij tegen de avondkoelte over haar hoofd geslagen had en met de +linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder +leidde weer zijn aandacht af: + +--O, jongen, we mienden dat er ou 'n ongeluk overkomen was. Wa schilt +er toch? + +--Heufpijne, 'k voele mij ziek, 'k lag hier 'n beetsen uit te rusten, +herhaalde Fons neerslachtig. + +--Kom mee noar huis, jongen, en eet watte, of legt ou in ou bedde, +drong zacht de moeder aan. Weet ge 't greut nieuws al? Weet ge da +mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen? + +--Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet. + +De beide vrouwen schrikten. + +--Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder. + +--Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig. + +--Och, nien, os 't ou b'lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk +weer te schreien. + +--Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje. + +Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden +karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door de +maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen +benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag lichtend-blond als +zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken +verkronkelden tot vreemd-wanstaltig vormen, als gefolterde wezens die +krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar +gestengelde, reeds ietwat ontbladerde hoogste twijgen vlochten een +donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote +droefheid voelde Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond. + +O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem +begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde 't hoofd. + +Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd +opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? Schuchter +keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij +strakke tranen blinken in haar lieve oogen. + +Fons schrikte. 't Was om hem, hij voelde 't, dat Lisatje schreide. Zij +schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de jonkvrouw, +beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón +het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het slachtoffer van een +vergissing, waar hij alleen de schuld aan had? + +Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar, +achter de moeder, 't maneglanzend pad afdaalden en een diepe, zachte +emotie woelde even vol verteedering in hem op. + +--Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als +een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol teedere +verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die +jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt geluk verwaarloosd +om een hersenschim na te jagen? Iets trilde in hem, van angst en van +geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog +niet te laat was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps +in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon +die hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang +en te vergeefs gezochte, 't eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, dat +jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op +hem gewacht had? + +Zij waren aan zijn huisje en 't speet hem, dat zij er reeds waren. Maar +Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den avond en zijn moeder +zelve zond hem met haar mee. + +Eerst spraken zij geen enkel woord. 't Was of 't verlangde alleen-zijn +hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook nog even als +een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg, +heel zacht, met een stem die eventjes hikte: + +--Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd? + +Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in +de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. 't Was of +ze vluchten wilde. + +--Wilt ge 't mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij +eensklaps abrupt. + +Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het +duizelde in haar. + +--O, Fons, zuchtte zij. + +Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel. + +--O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij. + +Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn +eersten zoen. + +--Lisatje, 'k zie ou geirne, zuchtte hij. + +--De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend. + +Dat beet hem als een gift; hij liet haar los. + +--Ge'n meugt da nie zeggen! riep hij barsch. + +Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar, +tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij voelde +zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er +aan om plotseling weer af te breken, om haar geen blik meer te gunnen. + +'t Was of ze 't voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand, +heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder en smolt +zuchtend weg in tranen. + +--'K zie ou toch al zeu lange geirne, snikte zij dof. + +Zij stonden vóór haar ouder's woning. Er was nog licht achter de +gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten +dag het opschrift van het uithangbord: + + + Xaveer Van Belleghem, + huisschilder en tapissier. + + +Fonske gaf haar een stillen, langen zoen. + +--Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En +hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af. + +--Wanneer zie 'k ou weere? vroeg ze fluisterend. + +--Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje, +we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. 'K hè ou toch zéúvele +te zeggen, veur loater, veur de toekomste. + +--Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke +nieuwsgierigheid. + +--Morgen, zei hij, morgen, nou es 't te loate. + +Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De +portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den drempel, +breed en zwaar in 't schijnsel van den lichtkring. + +--Ha! zij-je doar eindelijk! 'K miende da ge ginder ging blijve +sloapen! lachte hij vettig. + +Fonske wou, ondanks Van Belleghem's aandringen, niet binnenkomen. Hij +wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg. + +Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche +wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef hij even +staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal, +sluipend als een dief, den zandigen Molenberg. + +Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol +in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren. + +Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van +den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend door de +naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd +en zijn gloeiende wangen. Wat was 't daar alles schoon en grootsch +in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar +beneden rond zijn kerkje en hoe sereen wond de rivier haar zilveren +slingerlint omheen de sluimerende weilanden! + +Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij +al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij voelde 't +ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen +zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaan had was niets dan zoeken +en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn +leven, zijn rijke, mooie, milde, echte leven lag daar vóór hem open +als een tooverwereld, verheerlijkt door 't geluk der liefde, glanzend +en glinsterend als 't ware van de kunst waarmee hij 't zou bezielen. + +Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol +bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in hem over +van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch 't verleden +scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen droom. + +Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het +manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere silhouet der +twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend +lichtje elkander melancholisch schenen aan te kijken. Ook alles wat +daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden +had, scheen reeds heel verre van hem af te liggen. Zijn geest was +er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien +en zacht kwam hij terug naar 't nederig huisje onder aan den heuvel, +het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar +nu ook Lisatje Van Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde +geluk te droomen lag. + +Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed, +na veel strijd en vergissing. + +Nu mocht het leven beginnen. + + + EINDE VAN HET EERSTE LEVENSBOEK. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Pourtant. + +[2] Kikvorsch. + + + + + + + VAN DIT BOEK ZIJN 10 + EXEMPLAREN GEDRUKT OP + GESCHEPT HOLLANDSCH + PAPIER VAN PANNEKOEK. + + + + + + + + +Van CYRIEL BUYSSE verscheen bij VAN DISHOECK: + + + 't Bolleken. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. + Lente Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. + In de Natuur. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. + Het Leven van Rozeke + van Dalen. 2 dln. Ingen. f 4.25. Geb. f 5.50. + Het volle leven. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. + 'k Herinner mij. Ingen. f 1.90. Geb. f 2.50. + Het Ezelken. Ingen. f 2.90. Geb. f 3.50. + De vroolijke Tocht. Ingen. f 0.90. Geb. f 1.25. + Stemmingen. Ingen. f 1.90. Geb. f 2.50. + De Nachtelijke Aanranding. Ingen. f 2.25. Geb. f 2.90. + Per Auto. Ingen. f 0.90. Geb. f 1.25. + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Van hoog en laag, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN HOOG EN LAAG *** + +***** This file should be named 25554-8.txt or 25554-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/5/5/5/25554/ + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/25554-8.zip b/25554-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bef38c6 --- /dev/null +++ b/25554-8.zip diff --git a/25554-h.zip b/25554-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b607ffc --- /dev/null +++ b/25554-h.zip diff --git a/25554-h/25554-h.htm b/25554-h/25554-h.htm new file mode 100644 index 0000000..7830684 --- /dev/null +++ b/25554-h/25554-h.htm @@ -0,0 +1,4060 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>Van Hoog en Laag</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Cyriel Buysse"> +<meta name="DC.Creator" content="Cyriel Buysse"> +<meta name="DC.Title" content="Van Hoog en Laag"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> +/* Standard CSS stylesheet */ + + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; + +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} + +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} + + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + + +.red +{ +color: red; +} + +.displayfootnote +{ +display: none; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + + +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} + +.fraktur +{ +font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} + +.poem +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsoff { list-style-type: none; } + +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } + + + + + +/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml +" */ + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} + + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Van hoog en laag, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Van hoog en laag + Het eerste levensboek + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: May 21, 2008 [EBook #25554] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN HOOG EN LAAG *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="front"> +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">Van Hoog en Laag</h1> +<h1 class="docTitle">Het Eerste Levensboek</h1> +<h2 class="byline">Door +<br> +<span class="docAuthor">Cyriel Buysse</span></h2> +<h2 class="docImprint">Uitgave van C. A. J. van Dishoeck<br> +Te Bussum, in het jaar 1913. +</h2> +</div><div class="div1"> +<p class="aligncenter">N.V. Boekdr. <span class="abbr" title="voorheen"><abbr title="voorheen">v/h</abbr></span> L. v. Nifterik Hzn., Leiden. + + +</p> +</div> +</div> +<div class="body"><div class="div1"> +<h2 class="super">Het Eerste Levensboek.</h2><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1">1</a>]</span><h2 class="label">I.</h2> +<p>Het kasteel van “meneer den b’ron” stond boven op een mooi-begroeiden heuvel, vlak tegenover het kasteel van “meneer de groave” +dat zich insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder en daartusschen lag het dal, met het dorpje en +de zacht door groene weilanden heen kronkelende rivier. + +</p> +<p>Het kasteel van “meneer de groave” was grooter en grootscher dan het kasteel van “meneer den b’ron”. Het had ouderwetsche +koepels en torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der breede bochten van het stille water. Maar +het minder grandioos kasteel van “meneer den b’ron” was toch pittoresker gelegen: het heuveltje waarop het stond was ietwat +hooger dan de andere heuvel; het zicht van daar uit ontvouwde <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2">2</a>]</span>zich ruimer en mooier over de gansche streek; en vrij dicht bij, als ’t ware er bij behoorend, stond een oude, oude, houten +molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader +die zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven. + +</p> +<p>Daaronder lag het dorpje, en ’t heette “Meulegem”. Heel héél oude papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder +van ’t gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. +De huizen, het kerkje, de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners wisten daar niets of slechts weinig +van af. Meulegem veranderde niet: wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger en niets noemenswaard +was er ooit bijgekomen. ’t Leek wel of Meulegem zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd om altijd +zoo te blijven. + +</p> +<p>Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee +herbergen: het “Vosken” en de “Nachtegaal”. Het Vosken en de Nachtegaal waren als twee vooruitgeschoven posten, <span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3">3</a>]</span>die, elk op zijn manier, sprekend door hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde vos met zijn enormen +staart en schittervalsche oogen, scheen je toe te roepen “Pas op, ’t is hier niet pluis!” Maar de nachtegaal, die kweelend, +met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd, deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman +uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: “Kom maar gerust, het is hier aller-liefelijkst.” + +</p> +<p>En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde +geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: +en zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets anders was dan een verbreeding van den straatweg: het +witgekalkt, ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes, een popperig gemeentehuisje, een nog al +mooie pastorie, en daarachter ’t park en het kasteel van den “b’ron” en den ouden, houten molen op den liefelijk-begroeiden +heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond het kasteel +van meneer de “groave”. <span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4">4</a>]</span>En ’t was alsof de twee mooie buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als twee bezielde, solidaire +wezens over die wijde ruimte aankeken. + +</p> +<p>Soms zei de baron tot den graaf: “Wat staat je kasteel daar toch mooi, met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in +’t water!” Maar de graaf kon niet anders dan antwoorden: “Je weet niet hoe poëtisch en hoe schilderachtig dat oud molentje +daar boven ’t kerkje op zijn heuvel staat te draaien!<span class="corr" id="xd0e133" title="Niet in bron">”</span> + +</p> +<p>De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander +bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over +om elkaar te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had een dochter en de baron had een zoon, en samen +speelden zij veel spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren. + +</p> +<p>De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige heerschers over ’t nederig dorpje. Alles was van hen: +de landen, de boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten rustig en beschermend zelfs, tevreden <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span>als alles goed ging in de gemeente en niemand hen dwarsboomde. + +</p> +<p>Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen politieken strijd in ’t dorp verwekte, geregeld naar +de kerk ging en verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De baron was burgemeester der gemeente, omdat +hij meer verstand had van bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan zou de graaf het wel geworden +zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid op een dorp bekleedt. + +</p> +<p>De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee +regeerende kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden +zij, onbewust, een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en kregen zij ook wel den indruk, dat men +ruimer ademde in dorpen waar er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten of verzuchtingen, dat lag +stil in hen, als iets dat bij hun leven hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem een andere atmosfeer +<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span>en zagen de menschen er ook anders uit, dan in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars en toch alomtegenwoordigs, +dat in voortdurende drukking over alles hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier waren er andere menschen +dan hun confraters uit ’t omliggende. De dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris was een ander +mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan van +de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen, +jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: +wanneer iemand zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend: + +</p> +<p>—Komt ge misschien van Meulegem? + +</p> +<p>En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er +glunderde en tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, +want èn de graaf, èn de baron behandelden <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span>hem als een gelijke en wel eens als een meerdere, die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden van +wat door lange jaren van overgeleverde traditie “het” leven zelf van Meulegem geworden was. + + +<span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">II.</h2> +<p>Aan dat leven-van-Meulegem konden slechts dezen ontsnappen, welke er zich van verwijderden, en daartoe behoorden de jonge +koewachtertjes, die den ganschen dag met hun beesten in de vrije weide waren. + +</p> +<p>De koeien graasden rustig alom in het groen, en van verre waren ’t als groote, langzaam zich groepeerende en voortbewegende +bloemen, nu eens helder verlicht in de zon, dan weer verkleurloosd en verwazigd, wanneer wolken-schaduwen zich wijd over de +wei uitspreidden. Als groote, witte schepen dreven die wolken in de blauwe lucht. Van hoog en verre kwamen zij uit het azuren +zuiden aangewaaid en ’t was alsof enorme grauwe zeilen meteen over de groene weiland-zee neerstreken. Het gras werd dof, de +boomen versomberden, <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span>de koetjes smolten weg in nevelgrijs. Maar ginds laag aan den einder tintelde weldra een goudzoom op, het werd een vlek, een +plas, een meer, een oceaan van goud; de logge, grauwe wolkenzeilen schenen er, als bang, voor weg te vluchten, de even uitgewischte +koetjes fleurden opnieuw als eigenaardige, groote bloemen op en spoedig was ’t weer alles licht en leven, wijd over het blijde, +groene zomerland, onder den wijden, blijden, blauwen hemel. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>In de koele schaduw, onder het zacht wuivend en suizend bladerengewelf van een trosje hooge populieren, die daar als een eilandje +van veilige gezelligheid, midden in de uitgestrekte weilanden tusschen de twee kasteelen stonden, speelden de jonge koewachtertjes +een groot gedeelte van den dag allerlei koewachtersspelletjes, slechts met verstrooide oogen wakend op hun wijze, kalme beesten, +die aldoor, áldoor graasden en hun waakzaamheid bijna niet noodig hadden. + +</p> +<p>Zij klauterden in de populieren en roofden er de vogelnesten; zij liepen in de wei en vingen er kikkers, die zij dan vilden +en in houtvuur lieten braden; of zij speelden gewoon met knikkers en dobbelden om centen, wat wel eens gekrakeel en <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>ruzie gaf. ’t Was soms net een bende jonge spreeuwen, die zich kwetterend en kwebbelend ergens laat neervallen. Andermalen, +bij mooi, warm weer, als er niemand van de kasteelbewoners in aantocht was, kleedden zij zich spiernaakt uit en gingen zwemmen +in de rivier, en dikwijls zongen zij hun jubelend opgalmend “alahoe! alahoe!” onder het luid klappen met hun “dzjakken.” Hun +eten en drinken hadden zij in een zakje en een kruikje met zich mee en feitelijk bestond hun eenige ernstige en verantwoordelijke +taak in het dagelijks heen en weer loodsen der koeien, die ’s ochtends en ’s avonds moesten overzwemmen, bij den overzet van +’t dorpje. + +</p> +<p>Dat was telkens een druk-levendig gedoe en ’t ging gepaard met heel wat zweepgeklap en schrille kreten. Ze konden ook zoo +teuten, die koeien, voornamelijk bij het terugkeeren. Altijd hadden zij nog op ’t laatste oogenblik wat langs den oever op +te knabbelen, terwijl ze toch den ganschen dag niets anders deden dan zich dik grazen. Ware ’t niet geweest dat Blesse, boer +Galle’s wijze, bonte koe, toch eindelijk het goede voorbeeld gaf, nooit waren zij erover gekomen. Want eerst nadat Blesse +met een weerspannig gebulk ’t water was ingegaan, wilden de andere, allen te gelijk dan, volgen. De <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span>koewachtertjes dreven met het overzetbootje mee over, en van daaruit schreeuwden en zweepklapten zij naar hun zwemmende beesten: +“Bloare, gie deugeniete, wilt-e ne kier op ou ploatse blijven! Sterre, gie vuilkonte, goat ou muil hêwen!” tot zij er mee +aan den overkant kwamen, waar de troep dan moest gescheiden worden. Er waren steeds enkele achterblijvers, de koewachtertjes +gilden zich heesch en gooiden er naar met aardkluiten, maar eindelijk zwommen ook de laatsten over, het zware lijf gansch +onder, den snuivenden snoet boven ’t water, de oogen wreed blikkerend, de horens als twee scherpe, dorre takken uit de kolken +opgeprikt. ’t Bootje werd tot den volgenden ochtend vastgemeerd en met hun druipende beesten vertrokken de koewachtertjes +zingend, roepend, fluitend en zweepklappend, elk naar zijn afzonderlijke hoeve. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">III.</h2> +<p>Er waren in ’t geheel zeven koewachtertjes, en onder die zeven was er een, zeer verschillend van de anderen. + +</p> +<p>Dat was Fonske, het koeiertje van boer Monteyne. + +</p> +<p>Hij was elf jaar oud en had een eigenaardig snoetje, mager, stil en schuchter, met kleine, weemoedige oogjes. Hij deed niet +mee aan ’t ruwe vogelnesten-rooven noch aan ’t wreede kikkers-villen, maar in zijn lange, vrije uren zat hij graag alleen +onder het lommer van de populieren en krabbelde daar teekeningjes, met een potlood op een stuk papier. Hij teekende de koeien +uit, hij teekende de boomen, den ouden molen en de twee kasteelen; hij probeerde zelfs zijn kameraadjes uit te teekenen, als +deze maar even voor hem wilden stilzitten. +<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span></p> +<p>Maar dit was moeilijk te verkrijgen. De andere koewachtertjes lachten hem uit met zijn teekenmanie en beschouwden hem zoowat +als een half-onnoozele suffer. Zij kwamen gekscherend om hem staan, duwden elkaar in de zij, hadden dolle pret bij iedere +spot-bemerking, die de een of ander waagde. Toch molesteerden zij hem niet bepaald; en naarmate Fonske handiger werd in zijn +oefeningen, ontwaakte zelfs een zekere belangstelling bij hen en vonden zij er een opgewekt genoegen in de voorwerpen, beesten +of wezens die Fonske geteekend had naar de werkelijkheid te herkennen. Met den molen, ’t kasteel van meneer den baron of ’t +kasteel van meneer den graaf gaf dat natuurlijk geen moeite; maar toen zij op een middag duidelijk Blesse herkenden, die altijd +vóór de anderen in ’t water ging, en, naast Blesse, al zoo duidelijk herkenbaar, Rietje Koarelkes, die er met zijn zweep achterna +zat, toen voelden zij voor ’t eerst een soort ontzag voor Fonske en was het als om strijd dat zij nu allen hun portret door +hem wilden laten maken. + +</p> +<p>Erger nog was het, toen Fonske eens met een kleurendoosje,—een zoogenaamd “virfbaksken”—, dat hij in een winkeltje van ’t +dorp gekocht had, kwam aanzetten, en me daar waarachtig, als een <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>echte schilder, zijn teekeningen begon te kleuren. Nu gold het heelemaal geen lachen of spotten meer: de wei werd prachtig +groen, de hemel glanzend blauw en op zijn heuvel stond het rood-gewiekte molentje te draaien, terwijl ’t kasteel van den baron +zóó duidelijk onder zijn hooge boomen uitkwam, dat men iedere deur en ieder raam en in ieder raam elk vensterruitje kon tellen. +Ook Rietje Koarelkes en zijn Blesse werden gekleurd; en dàt meesterstuk vestigde wel beslist Fonske’s roem onder de koewachtertjes: +Rietje had een scheel oog en veel gele sproeten in ’t gezicht, die er allemaal op gestippeld stonden; en de bruine en witte +vlekken op Blesse’s huid waren precies uitgemeten en uitgerekend, terwijl haar linker horen, een weinig afgeknot, juist zooveel +korter en stomper op de schilderij leek als dat in werkelijkheid het geval was. Alle handen te gelijk strekten zich gretig +naar de schilderijtjes uit, al de koewachtertjes smeekten om die te mogen hebben; en Fonske, die Rietje Koarelkes ’t zijne +cadeau gaf, beloofde ook aan al de andere makkertjes hun schilderij te zullen maken. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">IV.</h2> +<p>Zoo zat Fonske op een zachten zomermiddag eens alleen te schilderen. De andere koewachtertjes waren verder in de wei, bezig +met kikkers vangen en niets stoorde hem in het vlijtig genot, waarin hij gansch verdiept zat. Fonske schilderde het landschap: +het weiland met de koeien, een hooibergje, en in de verte het kasteel met ’t molentje. + +</p> +<p>Het was een volmaakt-mooie dag, zoo rustig-vast in zijn glansrijke schoonheid, alsof het nooit anders geweest was en altijd +zoo zou blijven. ’t Was of de gansche natuur in haar eigen rijke innigheid lag te genieten. De kort-gegraasde wei strekte +zich tengergroen ver-uit achter de lange schaduwstreep der hooge populieren, in den blauwen hemel hingen witte wolkjes, die +nauwelijks schenen voort te drijven en ’t diepe water sliep tusschen <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>zijn bloeiende oevers, waar de fijne karrekiet zoo landelijk en zoo zoet in het riet zat te kweelen. + +</p> +<p>Fonske werkte. Zijn hoofdje stond scheef en zijn wenkbrauwen fronsten zich van de inspanning. Hij voelde dat het stuk karton +waarop hij schilderde te klein was voor het vele dat hij erop weer wou geven en ’t speet hem zoo dat hij geen grooter had +genomen. Het molentje, dat nu zoo rustig met gekruiste wieken op zijn heuvel stond, kon er beslist niet bij, en dat maakte +Fonske verdrietig, want juist het molentje was wel het mooiste van het gansche tafereel. Zou hij er morgen nog geen stuk langs +boven kunnen aanplakken? Hij bewoog het schilderij op en neer, hield het met gestrekte armen vóór zich uit, keek in de verte +naar het molentje en praktizeerde en peinsde: hij kon het met zichzelf niet eens worden en aarzelde en tobde; hij lei het +ding eindelijk zuchtend neer en wilde opstaan, toen iets ongewoons, dat hij als ’t ware achter zich had voelen naderen, hem +plotseling het hoofd deed omwenden. + +</p> +<p>Hij schrikte hevig en zijn rechterhand ging in instinctmatig groeten naar de plaats waar op zijn verkleurd stoppelhoofd zijn +pet had moeten zitten. Vlak naast hem waren, ongemerkt, twee jonge dames verschenen: mejonkvrouw Elvire, het <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>dochtertje van den graaf, met haar engelsche gouvernante. + +</p> +<p>—Doe moar veurt; woarom ’n doeje nie veurt? zei het jong meisje aanmoedigend, met een zoeten glimlach. + +</p> +<p>Zij stond voor Fonske, geheel in ’t wit gekleed, het zacht gezicht met levendige, donkere oogen warmbruin-verbrand van zonnegloed +onder een gelen, strooien hoed met roode en blauwe bloemen en haar blikken weken niet van ’t schilderij, dat Fonske in zijn +ontzetting scheef over het gras had neergegooid. Fonske kende haar wel, hij wist dat zij ook schilderde, onder de leiding +van een meester; en nu bleef hij daar met neergeslagen oogen roerloos van ontroering staan alsof hij iets misdreven had, dat +niet meer goed te maken was. Maar zacht en lief klonk weer haar stem: “Mag ik het ne keer zien?” en Fonske bukte zich sprakeloos, +raapte zijn schilderij op, en gaf het haar. + +</p> +<p>Zij ging er enkele passen mee op zij staan, door haar gouvernante gevolgd. Samen spraken zij even vlug in een voor Fonske +onverstaanbare taal. Toen kwam het meisje met het schilderij weer naar hem toe en vroeg heel ernstig, met naïef-groote oogen: +<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span></p> +<p>—Wie het er ou da geleerd? + +</p> +<p>—Niemand, fluisterde Fonske, de oogen ten gronde. + +</p> +<p>—Hèt-e gij dat amoal uit ou eigen gedoan? + +</p> +<p>—Joajik, schuchterde Fonske. + +</p> +<p>—Hoe heet-e gij? + +</p> +<p>—Fonske. + +</p> +<p>—Fonske wie? + +</p> +<p>—Fonske Vermoare. + +</p> +<p>—Van woar zij-de? + +</p> +<p>—Van Meulegem. + +</p> +<p>—Hèt-e nog meer van die schilderijtjes? + +</p> +<p>Fonske knikte. + +</p> +<p>—Hoevele nog wel? + +</p> +<p>—’n Stik of zeven of achte. + +</p> +<p>—Woar zijn ze? + +</p> +<p>—Thuis. + +</p> +<p>—Keunt-e ze mij nie ne keer teugen? + +</p> +<p>Fonske zweeg, wist niets te antwoorden. + +</p> +<p>—Zoe-de ze morgen nie ne keer willen meebrijngen? + +</p> +<p>Fonske knikte. + +</p> +<p>—En zoe ’k dit nou ne keer meugen meenemen, om aan mijne meester te loate zien? + +</p> +<p>Fonske knikte. Hij knikte herhaaldelijk en zijn benauwd gezichtje scheen weer op te leven. +<span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span></p> +<p>Opnieuw wisselde het jong meisje vlug eenige woorden in een vreemde taal met haar gouvernante, aan wie ze ’t schilderij overhandigde. +De gouvernante tastte in een zakje, dat zij aan den arm droeg, haalde er een zilverstukje uit, stak het Fonske toe. + +</p> +<p>—O nie nie, ieffreiwe, schudde Fonske doodsverlegen het hoofd. + +</p> +<p>—Toe toe, ge moet! drong het kasteelmeisje aan. En Fonske gehoorzaamde. + +</p> +<p>—Tot morgen, nie woar, hier aan dezelfde ure, mee al ’t geen da ge geschilderd hèt! ’K zal vroagen of de miester meekomt, +riep ze nog onder het weggaan. + +</p> +<p>En Fonske knikte sprakeloos-toestemmend. + +</p> +<p>Hij zag ze vertrekken. De gouvernante, in ’t groen gekleed, droeg zijn schilderij onder den arm. En mejonkvrouw Elvire, gansch +in ’t wit, de losse bruine haren glanzend-golvend onder den bloemenhoed over haar schouders, had den vrijen arm der gouvernante +vastgegrepen en scheen te jubelen en te juichen, alsof haar een buitengewoon groot pleizier was overkomen. Zij gingen naar +’t kasteel van den baron toe, slank als twee jeugdige, slank-stengelige bloemen: een groene en een witte, in de weelde-harmonie +van ’t zomerlandschap. En Fonske, roerloos op den grasrand, in de schaduw der zacht-suizelende <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>populieren, begreep vagelijk, dat er iets gewichtigs in zijn leven was gebeurd, zonder dat hij ook kon voorgevoelen of het +iets goeds of iets ongunstigs was voor hem. Alleen dìt voelde hij: dat een van de almachtige kasteelen, die daar al de menschen +en de gansche streek beheerschten, zich iets van zijn levenslot had aangetrokken, en er mee doen kon wat het wilde. + +</p> +<p>De andere koewachtertjes, die van verre de ontmoeting zagen, hadden hun spelen gestaakt en wachtten, roerloos in een groepje, +tot de jonkvrouw met haar gouvernante onder de hooge boomen van ’t kasteel verdwenen was. Toen namen zij allen te gelijk hun +aanloop en bestormden Fonske met hartstochtelijke vragen. + + +<span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">V.</h2> +<p>Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes +waren reeds op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien. + +</p> +<p>—Nie g’, zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den +blik gevestigd op ’t kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest. + +</p> +<p>Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten ’t van verre en riepen ’t naar Fonske: + +</p> +<p>—Ze zijn doar! + +</p> +<p>Fonske zag een groep van vier personen ’t grafelijk kasteel verlaten en naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een +afstand jonkvrouw Elvire <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span>in ’t wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk +te noemen, en toen hij ’t eindelijk zag neep hem de schrik om ’t hart: ’t was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw +Elvire’s meester. De koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen in de hand, riepen het nog eens +halfluid naar Fonske, met als ’t ware schrikbevangen stemmen: + +</p> +<p>—De groaf es d’er euk bij! + +</p> +<p>De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos +naast zijn schilderijen onder ’t trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. +Maar een der koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing +in elkaar en schreeuwde in ondertoon naar Fonske toe: + +</p> +<p>—Fons, den b’ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan. + +</p> +<p>Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron +aankomen, met zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allen <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>wel terstond en duidelijk, ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op waggelende o-beenen, zoo dat +men ’t landschap er doorheen zag en meneer Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een hoofd dat +als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. ’t Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om +het door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op ’t gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst. + +</p> +<p>De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet +meer bewoog; en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen een boomstam. + +</p> +<p>—Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug. + +</p> +<p>Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde +menier de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en +sloeg dan dadelijk weer schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde. + +</p> +<p>—<span lang="fr">Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg!</span> <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>riep het jong meisje, opgewonden naar de teekeningen loopend. + +</p> +<p>—Haha, <span lang="fr">les chefs-d’oeuvre</span>! glimlachte de graaf, zijn dochtertje volgend. + +</p> +<p>Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon, met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke +uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets +schaadde aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen +baard en iets plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met afgemeten passen. + +</p> +<p>—<span lang="fr">Voyez, monsieur Wattenberg, n’est-ce pas que c’est beau!</span> riep juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, +nog vóór de meester goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig “aoh” spoedig neer om het weer overeind +te zetten. + +</p> +<p>De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als ’t +ware in de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een absoluut-roerloos groepje, allen met star-ronde +<span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>oogen van gespannen aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de bijna wit-verkleurde haren als +een boschje kortgeknipte stoppelhalmen glinsterend in de zon. + +</p> +<p>Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd en scheen op ’t punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist +kwamen meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor een oogenblik de belangstelling af. + +</p> +<p>—<span lang="fr">C’est donc vrai qu’Elvire a découvert un petit génie?</span> vroeg ietwat ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van het loopen, met een laatste waggeling zijner +o-beenen, tusschen welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde, onder het frissche lommer der populieren +verscheen. + +</p> +<p>—<span lang="fr">Il parait, l’exposition allait justement commencer</span>, glimlachte de graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend. + +</p> +<p>De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen +baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van +iemand die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan hij, was <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span>een donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank +de menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden +door een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in ’t geniep zijn “luizenboulevard” noemden. Dikwijls werd door de +menschen in het dorp beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire zou trouwen. Het heette dat het om +zoo te zeggen al van in hun wieg door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook dat het een heel mooi +paar zou zijn, omdat zij op elkander leken. + +</p> +<p>Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs +en onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar +teint was bleek als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een matheid om heel zacht te aaien en te +streelen, iets als een wasem, dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden de menschen voor jonkvrouw +Elvire een uitgesproken en verteederde genegenheid, en <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span>voor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid. + +</p> +<p>Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes +staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij, die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee +nam hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende +koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend, en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige +explicaties. + +</p> +<p>Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen +van blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, +als van teleurgestelde, frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de groene Engelsche met glimlachenden +tandenmond en vreemde uitroepingen van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede en meneer Gaëtan met +zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten, donkere oogen telkens van de <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span>schilderijtjes afgeleid naar Elvire en meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht nauwkeurig scheen +op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de groep +der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting, dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes +en hun blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes, roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon. + +</p> +<p>Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe. + +</p> +<p>—Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij: + +</p> +<p>—Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk weer de oogen neerslaande. + +</p> +<p>—Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse wille goan! + +</p> +<p>—Os ik mage van moeder, knikte Fonske. + +</p> +<p>—Ge zil meugen, menier de groave zal ’t aan ou moeder vroagen en ouën trein betoalen. + +</p> +<p>Fonske knikte, zwijgend. + +</p> +<p>—Hoe êwd zijt-e gij? + +</p> +<p>—Twoalf joar. + +</p> +<p>—Hèt-e nog broerkes of zusterkes? +<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span></p> +<p>Fonske schudde ’t hoofd. + +</p> +<p>—Hawèl, ’t es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen +meugt-e veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. +Verstoan, manneken? + +</p> +<p>Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon +alleen maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige +bewondering aan. + +</p> +<p>Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe. + +</p> +<p>—Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen. + +</p> +<p>—O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar ’n mag van moeder, antwoordde Fonske met een vuurkleur. + +</p> +<p>—<span lang="en">Is n’t he nice!</span> streelde de Engelsche met verteederden glimlach. + +</p> +<p>—Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar +hij luisterde niet eens naar Fonske’s antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in vreemde taal gekheid te maken tegen +Elvire en de Engelsche, die hij aan ’t lachen wist te brengen. +<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span></p> +<p>Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje, +keken naar meneer Gaëtan’s achterhoofd, naar zijn blauw-witten “luizenboulevard” tusschen het glimmend-weggestreken donker +haar. Er was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een vermanend “zwijg, gie loeder” werd hij onzacht door +de anderen den mond dicht gestompt. + +</p> +<p>Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was +afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; +en reeds spraken zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over enkele belangen der gemeente in verband +met hun persoonlijke belangen. + +</p> +<p>Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de +hand te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan +ging met den graaf en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelend +<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span>op zijn o-beenen, naar zijn kasteel terug. + +</p> +<p>In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten +elkaar om goed te zien en wisselden hun indrukken. + +</p> +<p>—Ge’n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers. + +</p> +<p>—Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje Koarelkes. En hij zal rijke worden euk. + +</p> +<p>Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar. + +</p> +<p>—Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor. + +</p> +<p>—En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps Dolfke van de Wiele. + +</p> +<p>—Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar het grafelijk kasteel omkijkend. + +</p> +<p>—Lach gulder moar, hij es hij den besten. ’K wensche dat de jonkvreiwe mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje +Koarelkes. + +</p> +<p>Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten +op school. + +</p> +<p>Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar bijtend toe en de verkleurde <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>piekharen schenen dreigend overeind te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren en weldra verspreidden +de koewachtertjes zich joelend en zingend en zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend vee bebloemde +weilandschap. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">VI.</h2> +<p>Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst +van den graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester +op het eigenaardig idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden. + +</p> +<p>Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske +naast dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal +wordt gebracht. Maar meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in ontvangst en stelde hem aan den <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>directeur der teeken-academie voor; en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem ’t pleistermodel getoond, dat hij +moest uitteekenen. + +</p> +<p>Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was +er een der heel zeldzame leerlingen van ’t platteland, en een der allerjongste ook; hij kreeg terstond den indruk alsof al +die anderen ongeloofelijk knap waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders en mooier gekleed dan +hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd en vrij alsof ze ’r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal: het dialekt +der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe minachtend +aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was +het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in +met uiterste kracht om althans zijn werk goed af te maken. + +</p> +<p>Maar ’t ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, +die benauwde <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span>zaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen, alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind, +gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen +voortbrengen. + +</p> +<p>Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken, over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend +op het tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets +minder hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. +Had hij den goedigen meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de meester weg was besloop hem weer het +besef zijner ellendige zwakheid en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele omgeving. Het uur +van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend +tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen. + +</p> +<p>Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij wist wel dat de kameraadjes <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>hem in opgewonden nieuwsgierigheid bij het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral zijn teleurstelling +niet laten blijken. Het speet hem dat hij zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo’n portefeuille onder den arm, +dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf, waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige en hij +wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk +had gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij +er zulke prachtige dingen gezien had. + +</p> +<p>Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald, gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, +bij zijn moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van den ochtend weer goed maakte en hem een geluk +bezorgde, dat dagen en dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met haar gouvernante geweest en had +iets voor hem afgegeven: een pracht van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat het juichend kind +zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond. +<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span></p> +<p>Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten +zich de àl te machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier, hij schreide als een onnoozel, zwak, klein +kind, dat zijn ontroering kan beheerschen noch verbergen. + +</p> +<p>Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan ’t schilderen. +Hij schilderde van verre ’t grafelijk kasteel uit, ’t kasteel van zijne weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde +’t schilderen voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid en hij schilderde ’t met een soort van veneratie +en van liefde, die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven. + +</p> +<p>Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw +op den stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen +de blauwe hemelkoepel en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij daar zat en kwam hem storen en +de volheid van zijn zoet geluk drong in hem als een <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>zegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij voelde +een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind, als ’t ware de gansche wereld ten geschenke gaf. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">VII.</h2> +<p>De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den omgang +met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch +voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij +vreemd bleef. Had hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder elkander spraken en die hen wegen +scheen te openen, welke voor hem gesloten bleven! ’t Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren stand behoorden, +bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in bekwaamheid +voor de teekenkunst. <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>De meesters waren zeer tevreden; hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens iets belemmerde dat de ontplooiing +van zijn jonge, frissche kracht begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze +van die pleisteren modellen, in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te fleuren. Hij kòn er niet +met liefde werken; hij wrocht er uit plicht, omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn gloed en +voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare +uurtjes ging slijten. ’t Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit dankbaarheid ten geschenke gegeven; en ’t meisje +was verrukt geweest, en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs met eigen hand eenige correcties aan +zijn werkje toegebracht. + +</p> +<p>Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende +kasteelen, was en bleef Fonske’s lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het middenpunt van zijn gansche leventje voelde. +Daar was hij in zijn element, daar <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>was hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid beschermd +voelde. Hij leefde als het ware iets mee in ’t leven van de twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester +naar hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende in ’t heen en weer bezoek tusschen de bewoners +der beide landgoederen. + +</p> +<p>Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende +bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon, die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem +een warme kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, +was als de nacht, die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan, als voor iemand die hem kwaad zou kunnen +doen. Ook voor den graaf was hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende spot-oogen, alsof de graaf +hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in ’t geheel +geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheel <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>en al was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust +met schildersoogen, het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond het zoo grappig, dat telkens tusschen +die schommelende o-beenen een stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een grazende koe, dan weer een +ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een zeescheepje +tusschen het waggel-loopen van ’t barontje, die het met zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij +zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij +wachtte zich wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde ’t haastig toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn +bleek, als naar gewoonte ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige, ondeugende oolijkheid meer te bespeuren. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">VIII.</h2> +<p>Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter +en de nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden +in stille, gele tranen neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte twijgen. + +</p> +<p>Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen, +thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En +de vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de +een hier, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten ’s winters +op de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke +zomeroogsten, bij het eentonig snorren van den tredmolen, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid. + +</p> +<p>En hij was wel steeds vooruit bekend in ’t dorp, de afscheidsdag van de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, +en mevrouw de barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven zij iets, als hulp en onderstand voor den +langen, guren winter. + +</p> +<p>Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest +en mevrouw de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra +iemand komen. + +</p> +<p>En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante. + +</p> +<p>Fonske was thuis toen zij kwamen. ’t Was op een grijzen November-ochtend en zij stonden daar <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>ineens voor ’t kleingeruite raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken. + +</p> +<p>—Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd. + +</p> +<p>Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen. + +</p> +<p>De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het +woord. + +</p> +<p>Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder: + +</p> +<p>—As ’t ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter. + +</p> +<p>—O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood +stoelen aan. + +</p> +<p>Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire +keek naar Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen. + +</p> +<p>—Goat ’t goed? vroeg ze zacht. + +</p> +<p>—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend. + +</p> +<p>—Zij-de aan iets nieuws bezig? + +</p> +<p>—’K tiekene ’t meuleken uit, van hier. + +</p> +<p>—Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje. +<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span></p> +<p>Fonske liet het haar zien. + +</p> +<p>—’t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte met een dweeperig “<span lang="en">very nice indeed</span>”. + +</p> +<p>De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was, kwam gansch ontroerd weer in ’t armoedig keukentje. Zij had +tranen in haar oogen, zij vatte alle bei ’s jong meisjes handen, boog bijna knielend tot haar neer en stamelde bevend: + +</p> +<p>—O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel +veur ons, mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe, Fons moe ou toch ’n heule greute scheune schilderijnge +moaken en ik zal heul de winter ’s morgens en ’s oavens veur ou bidden. + +</p> +<p>Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar +stond, als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends +tusschen de twee kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen was er een afstand als een afgrond, +de onoverschrijdbare kloof tusschen armoede en rijkdom. +<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span></p> +<p>’t Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend, alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche +jeugd en weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid +een bevend handje toe. Fonske merkte ’t niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille tranen over ’s knaapjes wangen +rollen. Schrikkend trok zij zich terug. + +</p> +<p>De moeder bromde: + +</p> +<p>—Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou ’n hand wil geven. + +</p> +<p>Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs +niet aan. Heel stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes +van een levende bron. + +</p> +<p>Zij waren weg. ’t Deurtje was dichtgeslagen en even werd het kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd. + +</p> +<p>’t Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze winter heerschen. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">IX.</h2> +<p>Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, +in de vrije, frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest +vaarwel worden gezegd aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen een spade of een vork te hanteeren +in plaats van de koewachterszweep; zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór ’t vroege daglicht naar +de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met ’t sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen meer, +geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in ’t galmend knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten +van vermoeienis en vroegtijdige <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>zorg; en hun aardige kindernaampjes: Rietje, Pierke, Feelke veranderden in ’t hardklinkende en stugge: Riek, Pier, Feel. + +</p> +<p>Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer en hij zou ook door ’t harde leven worden <span class="corr" id="xd0e559" title="Bron: opgëeischt">opgeëischt</span>. + +</p> +<p>Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: +hij wist wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te +zwak; van arbeid in de groote stadsfabrieken—wreede gevangenissen van gedruisch en stof en stoom—had hij een gruwel; het eenige +wat hem aantrok was een nuttig bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld: het schilderen. + +</p> +<p>Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te +komen. Het andere, ’t kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij +de liefelijke goedheid van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning, ’s zondags en in zijn schaarsche +vrije uren. Eén enkele, laatste zomer van vrijheid zou hij dus nog <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>genieten, en in dat vooruitzicht leefde hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid voordeed, die het +onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen. + +</p> +<p>Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij Fonske’s moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere +dingen, kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen +krijgen. + +</p> +<p>Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar Van Belleghem zei haar hoeveel hij ’t jongetje al dadelijk +zou geven en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen, dat zij al spoedig toesloeg. ’t Was ook immers +wat Fonske verlangde; het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer; maar een jaar vroeger of later moest +het toch zoo eindigen en nog eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van ’t accoord, zijn hand uitstak en met +een slag die in de hare klapte. + +</p> +<p>Dat nieuws hoorde Fonske toen hij ’s avonds van zijn werk bij boer Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. +Hij schreide om zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles wat daarmee gepaard <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span>ging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn liefste +illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire +niet meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende +kasteelen! + +</p> +<p>Dat was de harde dwang van ’t noodlot, de nooddwang van den arme, die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, +omdat hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder +zelve was bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was +er en mocht niet ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich gedwee bij het onvermijdelijk noodlot +neer. + +</p> +<p>Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast +den zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem, de binnenportaaldeur van de “Warande”, een der dorpsherbergen +te beschilderen. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">X.</h2> +<p>’s Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens, ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, +met doffe oogen van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van de weiden aan, en om hun doode praal was +geen bekoring noch mysterie meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen en alles leek nu ijl en klein +en kil en nuchter. Somtijds, wanneer een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles voor een oogenblik +frischlevend op te fleuren: het gras schitterde, de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen schenen +even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht +en <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span>hun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles. + +</p> +<p>De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. +Het galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel +getuigenissen van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der meesters, nog tastbaar heerschte. De géést +van de kasteelen bleef aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht. + +</p> +<p>Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele +heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, +in warme, vreemde landen? De menschen wisten ’t niet, maar het mysterie verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid +als een telkens nieuwe openbaring. + +</p> +<p>Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer +geloop, gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug, als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen +terug in ’t heerlijkste <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>getijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige +verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde +en bloeide, met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij zich als groote, zware bloemen langzaam in +den zonneglans bewogen, terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder ’t trosje hooge populieren, in wild gestoei hun +lentevreugd uitjubelden. + +</p> +<p>Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den +rentmeester, met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven. + +</p> +<p>Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire’s kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder +het iemand te durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af, wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als +ze hem daar bezig vond. Hij hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór haar komst reeds weg zou zijn. + +</p> +<p>Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dag<span class="corr" id="xd0e602" title="Bron: ,"></span> dat zij er werkten, kwam de <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>rentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar razend +haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven +op den ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen, het erf opreed. + +</p> +<p>De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, +met zijn hoed in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op een afstand. + +</p> +<p>Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou +worden; maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester +hoe het kwam dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, +en de Engelsche, en op haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske. + +</p> +<p>—Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd. + +</p> +<p>Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn pet <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span>om te groeten. Maar in zijn ontroering deed hij ’t zoo onhandig, dat de verfborstel van tusschen zijn vingers wegglipte en +met een spat op den grond viel. + +</p> +<p>—Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af. + +</p> +<p>Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan +weer den blik ten gronde. + +</p> +<p>—Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw Elvire. En in den klank van haar stem lag als ’t ware iets van +teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd tot de voeten opnam. + +</p> +<p>—Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske. + +</p> +<p>—En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier? + +</p> +<p>—Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen. + +</p> +<p>—<span lang="en">What a pity!</span> jammerde halfluid de stem van de Engelsche. + +</p> +<p>Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel +kunnen schreien, zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en vond haar zóó veranderd, <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>dat hij haar haast niet herkende. ’t Was of daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich bijna tot +volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken, zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar +gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier zelfs dan ’t jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, +verder van hem af als ’t ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid +en ’t maakte hem nog bedeesder, het stolde als ’t ware zijn ziel in zijn binnenste. + +</p> +<p>—G’ hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk +als vroeger. + +</p> +<p>—O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden. + +</p> +<p>—Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; ’k zal ne keer kome kijken. Goên dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en +de Engelsche in het kasteel. + +</p> +<p>Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden. +<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span></p> +<p>—Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem. + +</p> +<p>—Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan ’t borstelen. + +</p> +<p>Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij +jonkvrouw Elvire en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. +O! ’t was dus haar kamer, waaraan hij werkte! + +</p> +<p>Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster +toe kwam. Zij knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden, en meteen liet ze ’t ratelend rolgordijn +neer. + +</p> +<p>Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan +en tot straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XI.</h2> +<p>Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, +met hun werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds ’s zondags de herbergen, speelden biljart of +kaart, dronken bier en jenever en keken naar de meisjes. + +</p> +<p>Rietje Koarelkes was al flink aan ’t vrijen met Emeranske Casteel; Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor +en Dolfke van de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand. + +</p> +<p>Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, +en dat was niemand <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span>minder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van Fonske’s eigen baas. + +</p> +<p>Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, +blauw als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die +eigenaardig konden blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in het ververswinkeltje en uit háár hand +was het, dat Fonske zijn eerste “virfbakske” gekocht had. + +</p> +<p>Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte +er dan ook meestal het middagmaal en als ’t wat laat werd met hun werk, ook wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje +bediend en ’t meisje zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest telkens voor de te milde hoeveelheid +bedanken, maar telkens ook drong Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar bloeme-oogjes en haar +schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen. + +</p> +<p>’s Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles te nemen, was het <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>hoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans op +den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden +dat alles al lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en allen lachten en gekten er om: alleen Fonske +merkte daar niets van, of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde aanhoudend in zijn schaarsche, vrije +uren, met trillend-gespannen hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en, wijl hij de sympathie van +het meisje wel voelde, zonder den aard daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien en juichte inwendig +van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige bewondering in elkaar geslagen handen “zeu scheune, o, toch zeu scheune” vond. + +</p> +<p>Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde +dankbaarheid in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XII.</h2> +<p>Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte naar Fonske’s werk te komen kijken, volbracht. + +</p> +<p>Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer +Gaëtan en den baron, van het eene kasteel naar ’t ander door de weiden heen zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. +Telkens vroeg hij ’s avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: “Hè jonkvreiw Elvire hier nog nie geweest?” Telkens +moest moeder hem met het spijtig: “nien z’ jongen, nog niet” teleurstellen. + +</p> +<p>Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire +zag niet <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span>meer naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan +als zij het niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl +hij in Van Belleghem’s huis bezig was met Lisatje’s portret te schilderen, zijn moeder, vergezeld van jonkvrouw Elvire en +haar gouvernante, daar buiten vóór het raam verschenen. + +</p> +<p>—Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand, net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was. + +</p> +<p>—Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk opgesprongen was. + +</p> +<p>Maar ze waren reeds binnen. “Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij” riep Fonske’s moeder, de beide jonge dames voorloodsend. + +</p> +<p>—Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl +de Engelsche verrukt uitriep: + +</p> +<p>—Oh! what a beauty! + +</p> +<p>Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele, +korte zinnetjes <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>de belangstellende vragen van het jong meisje beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek dan ook lang +en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden. + +</p> +<p>—Es dat ’n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een raadselachtigen glimlach. + +</p> +<p>—O nie nien ’t, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken, met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij +een vuurkleur zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk, als ’t ware boos, den blik van hem afwendde. + +</p> +<p>—Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune. + +</p> +<p>En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele woorden in vreemde taal met haar gouvernante. + +</p> +<p>—’t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde onderdanig Fonske. + +</p> +<p>—Joa ’t, mejonkvreiwe, ’t es lijk of hij zegt, meende Fonske’s moeder gewichtig te moeten beamen. + +</p> +<p>Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood, met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes +en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet op met verlakte klep, die hij <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span>even afnam om te groeten en hij riep dadelijk vet-lachend, op familiairen toon: + +</p> +<p>—Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen mee ’t expezeeren! + +</p> +<p>En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde. + +</p> +<p>Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid +van den triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan +Fonske: + +</p> +<p>—Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es? + +</p> +<p>—Joa joa g’ mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk bereid haar te vergezellen. ’K zal weere komen om ’t hier +op te kuischen, zei hij tot Lisatje. + +</p> +<p>Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte +gloed van droeve spijtigheid. + +</p> +<p>—Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in +Lisatje’s benauwden wedergroet verkropte haast een snikje. +<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span></p> +<p>Zij zag, als ’t ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag +haar ook, maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien. + +</p> +<p>Toen Fonske na een uur in ’t huisje van Van Belleghem terug kwam om voort aan Lisatje’s portret te werken, was ’t meisje nergens +te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter +was. Van Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove, zware stem naar achter in het tuintje: + +</p> +<p>—Hei, Liza, woar zit-e dan? + +</p> +<p>—Hier, klonk zacht een zwak stemmetje. + +</p> +<p>—Ge moet binnen komen, Fons es doar weere. + +</p> +<p>Maar Lisatje kwam niet. + +</p> +<p>—Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons, goa zelve ne kier zien. + +</p> +<p>Schoorvoetend ging Fonske ’t tuintje in. Het was een heel klein tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, +met aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske +toegekeerd. +<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span></p> +<p>—Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht. + +</p> +<p>—Nien ik, hoofdschudde zij kortaf. + +</p> +<p>Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld. + +</p> +<p>—Woarom niet? vroeg hij eindelijk. + +</p> +<p>—Dóáromme! + +</p> +<p>Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan! + +</p> +<p>—Toe, kom, streelde hij vleierig. + +</p> +<p>—Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was. + +</p> +<p>—Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend. + +</p> +<p>En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt, wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime +en Pharaïlde Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XIII.</h2> +<p>Drie jaar waren verloopen. Fonske werd nu zeventien. Hij was lang uitgegroeid en mager opgeschoten, en een fijn, bruin snorretje +beschaduwde zijn bovenlip, maar verder droeg zijn smal gezichtje nog altijd iets van die schuchtere, weemoedig-getrokken uitdrukking +der kinderjaren, alsof vroeg verdriet en stille armoede er een onuitwischbaren stempel op hadden gegrift. + +</p> +<p>Om hem heen ging ’t leven den gewonen gang, waarin het nu eenmaal scheen vastgegroeid. Steeds leefde hij alleen met zijn moeder +in het kleine dorpshuisje, steeds ging hij werken bij en met Van Belleghem, steeds trok hij iederen zondagochtend naar de +teeken-academie in de stad, en steeds ook kwamen met de lente en vertrokken met den winter de bewoners der regeerende <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span>kasteelen. Meneer de graaf hinkte wat aristocratisch-stijver op zijn stokje, meneer de baron opende een steeds ruimer uitzicht +over ’t groene wei-landschap tusschen zijn waggelende o-beenen; en meneer Gaëtan, heel lang en slank geworden, droeg nog steeds +zijn griezelig-weggekamden “boulevard” op ’t zwarte achterhoofd en beoefende verder velerlei sporten: jagen, paardrijden, +automobielen, het laatste dikwijls in gezelschap van jonkvrouw Elvire en haar engelsche gouvernante. + +</p> +<p>Van jonkvrouw Elvire kreeg Fonske af en toe nog eens bezoek. Het meisje, dat nu een mooie, jonge dame was geworden, bleef +belang stellen in haar beschermeling, doch haar jeugdige geestdrift van den eersten zomer, toen ze zijn talent ontdekt had, +was toch nooit teruggekomen. Sinds den dag, dat ze Fonske gezien had, in kladpotterskiel op den ladder aan ’t kasteel, was +er iets in haar bejegening veranderd, alsof zij pas dan had gevoeld een afstand, die niet mocht overschreden worden. + +</p> +<p>In de eerste tijden had Fonske sterk daaronder geleden. Voor hem toch had die verandering geen reden van bestaan, al voelde +hij ook instinctmatig wel, dat die verhouding juist de eenig mogelijke was tusschen hem en een meisje van haar stand. Hij +had er soms ’s nachts in zijn bed om geschreid <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>en dat onbevredigd gevoel tegenover jonkvrouw Elvire had hem ook bestendig de zachte genegenheid doen verwaarloozen van Lisatje, +die na haar eerste en eenige pruilbui, weer dadelijk zoo lief-toeschietelijk naar hem toegekomen was. Iets van verbitterde +teleurstelling was diep op den bodem van zijn zieltje blijven liggen; en, zonder dat hij ’t zelf vermoedde, hadden de jaren +en het ontwikkelingsproces van zijn groeiend leven, dat pijnlijk gevoel scherp in hem wakker gehouden. De minste aanraking +van ’t teeder onderwerp deed de zieke snaar weer trillen, en hoe meer ze trilde, hoe meer het heimelijk leed, door allerhande +bijoorzaken onderhouden en gevoed, zijn angel in de wond omkeerde. + +</p> +<p>Een van die bij-oorzaken, een der scherpste en gevoeligste, kwam van buiten af op hem inwerken. In den loop der jaren had +hij van lieverlede inniger aanraking gekregen met enkele leerlingen der teeken-academie, en wel voornamelijk met twee: Florimond +Brandt en Sylvain Van Wetering. + +</p> +<p>Zij waren alle bei zoowat anderhalf jaar ouder dan Fonske. Sylvain had reeds schilderijen op tentoonstellingen geplaatst gekregen +en verkocht; en Florimond, die als aspirant-beeldhouwer was begonnen, scheen langzamerhand een kentering in <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>de uiting van zijn kunstgevoel te volgen, en was bepaald op weg om dichter en schrijver te worden. Beiden waren geboren stedelingen. +Florimond’s ouders hielden een klein handeltje en de vader van Sylvain was klerk bij een notaris. + +</p> +<p>Het waren twee eigenaardige typen: Florimond, een en al uitbundigheid; Sylvain geconcentreerd en stug. Twee contrasten, ieder +op zichzelf heel sterk-individuëel, en beiden een onbewust-krachtigen invloed uitoefenend op Fonske, die met een soort bewonderende +vereering naar hen opzag. + +</p> +<p>Reeds hun uiterlijk boezemde ’t eenvoudig kind van ’t platteland zulk een ontzag in. Zij waren alle twee een hoofd langer +dan Fonske, sterk en flink als echte mannen, met oogen vol zelfvertrouwen en een baard, dien zij maar lieten groeien: blond +bij Florimond, bruin bij Sylvain. Hun geest, hun ideeën, waren als de uiting zelve van hun fyziek wezen. Alles bij hen klonk +affirmatief-beslist, sterk voor of sterk tegen iets, zonder toegevendheid noch middelmaat. Er waren geen vraagstukken, op +welk gebied ook, waar ze geen verstand van hadden en waarvoor ze niet dadelijk de oplossing vonden. Zij wisten het en transigeerden +nooit; ’t was zoo en niet anders, en wie dat niet aannam was minder dan niets en had geen reden <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>van bestaan. In een paar dozijn droge woorden brak Sylvain de gansche teeken-academie af en bouwde een nieuwe, onaantastelijke +kunstleer op; met enkele grootzwaaiende gebaren haalde Florimond beeldhouwkunst, poëzie, litteratuur en tooneel omver en rees +zelf, als een jonge Titan, op de puinen daarvan in de plaats. Zoo had Fonske hen dikwijls bezig gehoord, de een exuberant +en praterig, de andere koel en stil, en zoolang had hij in bewondering naar hen staan gapen, tot zij hem eindelijk opgemerkt +en, door zijn stille vereering gevleid, eenigszins in hun midden opgenomen hadden. + +</p> +<p>Zij toonden belang in hem te stellen en hadden gevraagd wie hij was en hoe hij op de teekenacademie was gekomen. + +</p> +<p>Fonske, met kleurende wangen, vertelde hun van den graaf, en van den baron, en van jonkvrouw Elvire, en van meneer Wattenberg. +Bij het hooren van dezen naam schimpten zij vinnig: dat was een uil, een ploert, een vent van niks, maar de bescherming van +den graaf en zijn dochter stemde de twee intransigante estheten tot grondiger nadenken, en weldra uitte de prater van het +tweetal, zijn ideeën over het geval en wat er van kon komen. + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e805" title="Bron: “">—</span>De kunst, zei hij, stond boven alles. Dat was <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span>het hoogste en eigenlijk het eenigste. Al het overige was niets, bestond niet. Fonske, als schilder met talent,—en dat zou +hij worden—stond hooger, duizend maal hooger dan de graaf, en de baron, en de jonker, en de jonkvrouw. Maar Fonske was arm +en dat maakte hem ondergeschikt. Hij moest dus, als het kon, zien rijk te worden. Zij allen, artiesten, moesten trachten rijk +te worden, hadden het recht en zelfs den plicht zoo spoedig mogelijk rijk te worden, omdat rijkdom vrijheid was en vrijheid, +volle, onbezorgde en onbegrensde vrijheid onontbeerlijk voor ’t ontbloeien van de kunst. En in Fons’ speciaal geval was de +weg zeer eenvoudig en zeer helder aangewezen: de jonkvrouw was rijk, zij had zich voor hem <span class="corr" id="xd0e810" title="Bron: geïnterresseerd">geïnteresseerd</span>, hem onder haar bescherming genomen: hij moest het er dus maar op aanleggen om haar zoo spoedig mogelijk tot de zijne te +maken. Nog eens: Hij was in niets haar mindere; wel integendeel in alles haar meerdere, behalve in ’t fortuin. De jonkvrouw +mocht zich zeer gelukkig achten als ze door haar geld, door haar ellendig geld, later een groot kunstenaar tot echtgenoot +kon hebben. + +</p> +<p>Fonske luisterde vreemd op, en vroeg zich even af, of die twee hem soms voor den gek hielden. Doch neen, in ’t geheel niet, +zij waren volkomen <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>ernstig; de stille beaamde met gewichtig hoofdgeknik de woorden van den prater, en beweerde in een paar korte zinnen, dat +zulke dingen veel gebeurden, dat er ontelbare voorbeelden van waren. + +</p> +<p>Vol van tegenstrijdige gedachten en gewaarwordingen ging Fonske dan naar huis en bespiegelde tot in ’t oneindige de mogelijkheid +van de hem voorgetooverde illuzie. Dat leek hem alles wel bereikbaar en gemakkelijk zoolang hij ginds in de stad was en de +moed-ingevende, opbeurende woorden van Florimond en van Sylvain aanhoorde, maar hier, in ’t nederig dorpje waar eigenlijk +iedereen gebukt ging, en vooral in het armoedig huisje van zijn moeder, zoo zwak en klein, onder de wel-beschermende, maar +tevens benauwende schaduw der twee machtige, regeerende kasteelen, hier leek het plotseling weer domme waan en onzin, en de +jongen werd boos op zichzelf, dat hij ook maar één enkel oogenblik ernstig zulk een ongerijmde hersenschim kon koesteren. +Hij schudde ’t als een gekheid van zich af, hij wilde er niet meer aan denken, hij wilde aan niets meer denken dan aan zijn +kunst, die hem meer en meer in beslag nam en waaraan hij tot de laatste minuutjes van zijn zoo zeldzame vrije uren opofferde. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XIV.</h2> +<p>Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had +jonkvrouw Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het +zijne daar nu reeds verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar meerdere te zijn, hem dagen lang +troost had gegeven. Hij wist het, hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook zij zelve had het gevoeld, +want zij had hem gezegd: + +</p> +<p>—Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons. + +</p> +<p>Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, +en, waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldra <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>als tot een meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! +Als kunstenaar, ja, maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie, de manieren, en ook het onverstoorbaar +zelfvertrouwen en aplomb van zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist niets, hij kende nog niet eens +enkele woorden Fransch—de taal die zij gewoonlijk sprak—en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe dieper en schrijnender +voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak aan verdere opleiding. + +</p> +<p>Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie +zou het hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam +hem ineens als een alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk moest verrichten om aan zijn brood +te komen, dat hij met zijn moeder in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het groote euvel, dat hij +geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens, in den nood van zijn ontreddering, bekende hij ’t aan Florimond en aan Sylvain: +<span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span></p> +<p>—’t Zoe meschien meugelijk zijn, da ’k moar ’n beetse Fransch kon. + +</p> +<p>—Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig vlaamsch-gezinde was. + +</p> +<p>—Da kan ze, zuchtte Fonske. + +</p> +<p>Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende oogen, als in geestdriftig nadenken. + +</p> +<p>—Hawél, weet-e watte: ’k zal ou Fransch leeren. + +</p> +<p>Fonske sprong van blijdschap op. + +</p> +<p>—O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in een vrome bede. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XV.</h2> +<p>En het gebeurde. Elken zondag, na de teekenles, nam Florimond, de heetgebakerde, hartstochtelijke flamingant, die het Fransch +goed kon maar onverzoenlijk haatte, Fons mee naar huis en gaf hem fransche les. Fonske schoot er wel zijn middagmaal bij in, +maar wat kon het hem schelen: hij leerde Fransch! + +</p> +<p>De eerste keeren waren pijnlijk. Fonske wanhoopte of het wel ooit zou gaan. Maar hij wilde met een stugge energie en eindelijk +ging het een beetje. Weldra kon hij sommige dingen in de courant lezen en een elementair gesprek voeren. + +</p> +<p>Maar behalve ’t speciale doel waarvoor het buitenkind zich wenschte te ontwikkelen, deed de groeiende kennis in hem ook van +lieverlede een gansche wereld van onbekende emoties en verlangens <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span>ontwaken. Hij voelde reeds den invloed der beschaving in haar duizenden vertakkingen en ’t was hem als een telkens nieuwe +openbaring, als de kennismaking met een tooverwereld waar hij ’t wonderkind van was. Wat was het leven anders dan ’t geen +hij tot nog toe op zijn dorpje kende! Wat was ’t oneindig rijker en veelzijdiger! En, de algemeene verschijnselen tot zijn +eigen bestaan terugbrengend, dacht hij aan ’t geen er noodzakelijkerwijze in moest veranderen om hem eenigszins op het peil +te brengen, waar hij zich, althans voorloopig, wenschte te handhaven. Hij moest andere, meer steedsche kleeren dragen; hij +moest het minderwaardig werk, bij Van Belleghem, zoo spoedig mogelijk verlaten om zich, zoo veel en zoo uitsluitend als ’t +maar kon, enkel aan zijn kunst te wijden; en eindelijk moest hij zijn moeder zien te bewegen om zich ook netter en fatsoenlijker +te kleeden en een andere, ruimere, ietwat deftiger woning te betrekken. Maar voor dat alles was geld—en nog wel tamelijk veel +geld—noodig; en hoe zou hij daar aan geraken? + +</p> +<p>Naarmate zijn betrekkingen met Florimond en Sylvain intiemer werden, drong hij ook wat dieper tot hun eigen leven door en +kwam er van zelf toe hun voorbeeld eenigszins te volgen. Dat waren <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>krachtige modellen, van wie een sterken invloed en een vast vertrouwen uitging. Sylvain had weer een schilderijtje verkocht +en van Florimond waren verzen opgenomen in een tijdschrift dat betaalde; zij hadden beiden geld op zak; en Fonske, door zijn +sterk verlangen en den nood gedwongen, nam eindelijk al zijn moed bij elkaar en vroeg eens aan Sylvain: + +</p> +<p>—Keunt-e mij euk nie ne keer aan azeu ne keuper helpen? + +</p> +<p>Nog al verbaasd en misschien wel een ietsje geërgerd over Fonske’s durf, keek Sylvain naar hem op. Maar meteen voelde hij +zich gevleid dat het buitenkind zoo nederig zijn hulp inriep, en, na een oogenblikje aarzeling, antwoordde hij, flegmatisch-kortaf, +als naar gewoonte: + +</p> +<p>—Misschien. Hèt-e wat? + +</p> +<p>—Joa joajik, verzekerde Fonske. + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e873" title="Bron: —"></span>Tot nog toe hadden de beide estheten zich eigenlijk niet geïnteresseerd voor wat Fonske, buiten de academie-lessen om, al +of niet aan teekenen en schilderen presteerde. Evenmin hadden zij eenig verlangen getoond om te weten waar hij woonde of kennis +met zijn omgeving te maken. Nu leek het hen echter wel leuk om daar eens heen te gaan en op een mooien zondagmiddag werd het +plan ten uitvoer gebracht. +<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span></p> +<p>Na iets gebruikt te hebben in een restauratie—ook al weer een ontroerende nieuwigheid voor Fonske, waar hij zich voorzeker +nooit alleen zou gewaagd hebben,—haalden zij den trein en stapten een half uurtje later bij het klein stationnetje Meulegem +af. + +</p> +<p>Fonske had vooruit zijn moeder gewaarschuwd. Zij zou zich op haar uiterst-best-mogelijk aankleeden en het armoedig huisje +zou er zoo weinig armoedig en zoo netjes uitzien als het maar kon. + +</p> +<p>’t Was geen geringe emotie voor Fonske, toen hij zoo tusschen zijn twee voorname vrienden den weg naar ’t dorp opwandelde. +Zij droegen breedgerande, zwarte deukhoeden op hun wilde haren en hadden elk een zwaren knuppel mee, alsof ze zich aan een +aanranding verwachtten. Zij waren echte stadsmenschen, die nooit naar buiten kwamen en zij stelden Fons al dadelijk de gekste +vragen over wat zij op het land bemerkten. + +</p> +<p>Hun verschijning maakte ophef. Die langen haren, die groote hoeden, die wild-groeiende baarden, ’t was alles heel ongewoon +op Meulegem; de deuren vlogen in ’t voorbijgaan open en Fonske hoorde duidelijk genoeg de onbehouden-nieuwsgierige uitroepingen: + +</p> +<p>—Wie zijn datte? Mee wie leupt Fons Vermoare doar? Ha da zijn zeker zotten! +<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span></p> +<p>Florimond glimlachte, zeer uit de hoogte: + +</p> +<p>—De naturellen ’n zijn hier nie geweune van meinschen te zien, geleuf ik! + +</p> +<p>Eigenlijk schaamde Fons zich een beetje, èn over ’t eigenaardig uiterlijk van zijn twee vrienden, dat niet paste in die omgeving, +èn over de opdringerige onbescheidenheid zijner mede-dorpelingen. Vóór het “Vosken” onder andere, waar Rietje Koarelkes en +Feelke Brouwers met nog twee andere jonge boerenkinkels aan het bolspel waren, ging het er wel wat erg toe. Zij staakten hun +spel om met gapende monden en oogen te kijken en Feelke riep brutaal-luid terwijl ze voorbijtrokken: + +</p> +<p>—Fon, .... verdome, .... wa ès da? Mee wie leupt-e gij doar? + +</p> +<p>Fons gaf geen antwoord, maar achter hun rug ging een hoongebrul op, gevolgd door hevig schaterlachen. + +</p> +<p>—’t Zijn hier nog wilden, glimlachte kalm Sylvain. + +</p> +<p>Fonske was maar blij dat ze al spoedig aan zijn huisje waren. + +</p> +<p>—Welgekomen, meniers, welgekomen! groette Fonske’s moeder, hen nederig op haar drempel te gemoet komend. +<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span></p> +<p>Zij namen even hun geweldige flaphoeden af en groetten haar als “madam”. + +</p> +<p>—Tut tut tut, madam, Noem gulder mij “vreiwe” meniers. We ’n zijn wij moar simpele wirkmeinschen, meniers. Kom binnen as ’t ulder blieft. + +</p> +<p>Zij traden binnen, hun hooge gestalten onder ’t laag deurgewelf buigend. + +</p> +<p>Fonske leidde hen in ’t slaapvertrek, liet hun daar zijn schilderijen zien. + +</p> +<p>—Dàt es slecht! riep <span class="corr" id="xd0e917" title="Bron: dadalijk">dadelijk</span>, op categorischen toon, Florimond, naar een doek waarop ’t kasteel stond afgebeeld, wijzend. + +</p> +<p>Sylvain, sprakeloos, hoofdknikte beamend. Fonske voelde zich pijnlijk te leur gesteld. + +</p> +<p>—Menier Wattenberg vond het pertan<a class="noteref" id="xd0e924src" href="#xd0e924">1</a> goed, waagde hij schuchter. + +</p> +<p>Dat deed de anderen opspringen. + +</p> +<p>—Dat es wel ’t duidelijkst bewijs dat ’t niet ’n deugt! triomfeerde Florimond. En Sylvain, vol minachting glimlachend, beaamde +nogmaals met een zwijgend hoofdgeknik. + +</p> +<p>Andere doeken werden getoond. + +</p> +<p>—Dàt es goed, zie, dàt es goed! riep Florimond een landschapje ter hand nemend. En, op een spottoon: +<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span></p> +<p>—Wat hè menier Wattenberg dóarvan gezeid? + +</p> +<p>—Hij ’n hè ’t nie gezien, antwoordde Fonske. + +</p> +<p>—Dìt es goed, dìt is nog veel beter, zei nu op zijn beurt, in kalme woorden, Sylvain, een lijstje uit den stapel nemend. En +hij ging er mee bij ’t raampje staan. + +</p> +<p>’t Was ’t conterfeitsel van Lisatje Van Belleghem. Zonder het zelf te weten had Fonske er iets werkelijk-aardigs van gemaakt. +Hij had het jong meisje de profil geschilderd, tegen het licht van een kleingeruit raampje, dat uitzicht op een bloementuintje +had. En het frisch wangetje, het mooi-omschaduwd bloemen-oogje, het zuiver voorhoofdje en heel het fijn profiel met blonde +haren, alles kwam in zachte harmonie van lijn en kleuren overeen met de omgeving: ’t was of het knap gezichtje midden in de +bloemen stond, zelf bloem onder de bloemen, met iets van zalige verrukking om de half-ontsloten lippen, alsof het heerlijke +geuren inademde. Nu kon ook Florimond niets anders dan juichend goedkeuren; zij gingen alle twee bij ’t venster nauwkeurig +de details ontleden en toen keerden zij zich met een oolijk lachje naar Fons om en vroegen hem of dat een meisje uit het dorp +was. + +</p> +<p>—Joajoa ’t, antwoordde Fons, ’t es Lisatje <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>Van Belleghem, ’t dochterke van mijnen boas. + +</p> +<p>—’t Es spijtig da z’in de stad nie ’n weunt, ’k zoe euk ne kier heur portret moaken, zei Sylvain. En weer lachte hij ondeugend. + +</p> +<p>Fonske ging daar niet verder op door, maar de toon van zijn vrienden over Lisatje beviel hem maar half. ’t Was eenigszins +alsof de hand werd geslagen aan iets dat hem alleen toebehoorde. Hij voelde iets als een heel klein beetje jaloezie; en meteen +kreeg Lisatje voor hem een beteekenis die ze totnogtoe niet had. Hij nam het schilderij en stopte het weg; liet andere dingen +zien. + +</p> +<p>Zij vonden nog twee of drie stukken goed en al het overige onvoorwaardelijk prullen, en Sylvain besloot dat hij die enkele +doeken zou meenemen en ze aan zijn kunstverkooper laten zien. Hij hoopte wel, dat hij er twee of drie van de hand zou kunnen +doen. Fonske was al bij voorbaat dankbaar-tevreden. + +</p> +<p>Toen was er daar in ’t huisje niets meer te bekijken en nu verlangden zij den tijd dien zij nog over hadden te gebruiken om +iets van het dorp en de omgeving te zien. + +</p> +<p>—We zillen op de Meulenberg goan, zei Fonske. Van doar uit zie-je alles. + +</p> +<p>Zij gingen. +<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span></p> +<p>Fonske leidde hen eerst tusschen de enkele huizen van ’t dorpje, waar alweer de menschen zeer nieuwsgierig op hun drempel +kwamen kijken. Enkelen groetten met diepe buiging, uit slaafsche gewoonte hun heeren te groeten, maar de meeste deden het +niet, gedeeltelijk omdat Fons er bij was, maar ook wel alsof zij instinctmatig voelden, dat het hier geen echte heeren gold, +zooals zij die gewend waren. Toen zij voorbij het huis van Van Belleghem kwamen was Fons eigenlijk blij dat daar niemand op +den drempel stond en hij zei hun ook maar niet, dat Lisatje daar woonde. Langs een smal, stijgend paadje, tusschen twee, dicht +met kreupelhout begroeide zandheuvels, bracht hij hen boven op den molenberg. + +</p> +<p>Daar strekte zich een heerlijk zicht van urenwijde ruimte uit. En ’t was zóó onverwacht, daar midden in het vlakke Vlaanderen, +dat zelfs aan de twee stedelingen, vrij ongevoelig voor natuurschoon, een kreet van verraste bewondering ontsnapte. + +</p> +<p>Het gansche land lag er onder hun voeten, met bosschen, bouwland, weiden en rivier, in doezelige golvingen wegdeinend naar +de blauwachtige heuvelverten, alsof een goede reus met groote, zachte hand in liefdevol gebaar over de wijde streek had heengeaaid. +Hier had hij een glinsterenden <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>zilverkronkel der rivier getrokken, dáár had hij een donker bosch geplant, ginds verder nog het tintlend goud der oogstvelden +gestrooid, en alles als het ware overgoten met een heilig-stille atmosfeer van zoete rust. Het nietig dorpje, met zijn spits +kerktorentje, dat daar vlak onder lag, was als een nestje van geluk en poëzie; de oude, grijze molen stond met naakt-gekruiste +wieken in zijn eenzaamheid te droomen en heel in het verschiet, heel licht en nauwelijks zichtbaar boven de eindelooze, dichte +deining van de donkere boomenkruinen heen, verrezen de hooge torens van de verre stad, ijl als lichtbakens over de wijde uitgestrektheid +van een zee. + +</p> +<p>Fonske, trotsch dat ze zijn streek zoo mooi vonden, wees hun de twee kasteelen: ’t kasteel van “menier den <span class="corr" id="xd0e971" title="Bron: bron">b’ron</span>,” ’t kasteel van “menier de groave”. + +</p> +<p>—Zeu ’t es doar da ze weunt? glimlachte Florimond naar de koepels en de torens wijzend. + +</p> +<p>Fonske kreeg een kleur. + +</p> +<p>—Joa ’t, knikte hij met inspanning. + +</p> +<p>—Hawèl, ik hier, en gij doar, Sylvain, schertste Florimond, om beurt naar de twee kasteelen wijzend, da zoe mij goan. En ou? + +</p> +<p>Sylvain grinnikte dat hij er niets tegen op had, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>maar dat er toch ook wel een plaatsje voor Fons en de jonkvrouw moest openhouden worden. + +</p> +<p>Zij gingen daar een tijd op door, tot stille ergernis van Fonske, die dat alles wel misplaatst vond; en eindelijk drukten +zij ’t verlangen uit, althans één van die twee kasteelen, het mooiste, waar Fons later zou wonen, van dichtbij te zien. + +</p> +<p>Fonske kon niet anders dan er hen heen brengen. + +</p> +<p>Zij huppelden vlug den molenberg af, liepen dwars door het dorp, kwamen in de weide. + +</p> +<p>—Wa veur ’n biest es dat! riep eensklaps Sylvain, angstig op zij springend. + +</p> +<p>Nu kon Fonske ook eens hartelijk met hem lachen. + +</p> +<p>—Zij-je gij schouw van nen oakpuit<a class="noteref" id="xd0e998src" href="#xd0e998">2</a>! spotte hij. + +</p> +<p>Sylvain had blijkbaar nog nooit een kikker gezien. Met aandachtig wantrouwen ging hij ’t beest nauwkeuriger opnemen, telkens +weer ’n beetje schrikkend bij iederen wipsprong. Florimond, die wél eens kikkers had gezien, lachte hem vierkant uit. + +</p> +<p>—’K ben d’r vies van, griezelde Sylvain met opgekrulde bovenlip. + +</p> +<p>In kalme nieuwsgierigheid kwamen nu ook de koeien op hen af. Zij stapten loom en breed over <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>de wei en bulkten. De beide stedelingen bleven staan en hielden hun knuppels in de hoogte. + +</p> +<p>—’t Zijn stieren! riep Sylvain. + +</p> +<p>Fonske moest schaterlachen, ging naar de koeien toe, klopte hen pletsend op de schoften: + +</p> +<p>—Ala, Bloare, ala, Blesse, uit de wig! + +</p> +<p>—’K ’n zoe buiten toch nie keune weunen, verzekerde Sylvain. + +</p> +<p>Zij kwamen bij de rivier en stonden vóór ’t kasteel, Fonske vol overgeërfd ontzag, de beide stedelingen met iets superieur-schimpends +in de oogen. + +</p> +<p>—’t Ziet er parvenu-achtig uit, beweerde Florimond; en Sylvain hoofdknikte, sprakeloos beamend. Fonske begreep het woord wel +niet, maar voelde een afkeuring. + +</p> +<p>Florimond ging naar het bootje toe, dat aan den oever lag. + +</p> +<p>—O! ge ’n meug niet! schrikte Fonske, ’t es ’t beutse van ’t kastiel. + +</p> +<p>—’t Beutse van ’t kastiel! riep Florimond verbaasd. En ’t ligt hier in de wei! + +</p> +<p>—’t Es gelijk, ’t es ’t beutse van de groave, doar ’n mag niemand mee voaren! verzekerde Fonske. + +</p> +<p>—Hoe komen de meinschen dan over ’t woater? ergerde zich Florimond. +<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span></p> +<p>—Ginder, ’n endeke verder, aan den overzet van boerke Floncke, zei Fonske. + +</p> +<p>Zij volgden de rivier tot aan den overzet van boerke Floncke, waar, op hun geroep, een stevig-knappe meid hen met een bootje +naar den anderen oever bracht. Zij liepen dwars door boerke’s hof; de beide stedelingen even neus-dichthoudend voor een scherp-riekende +mestvaalt en kwamen weldra in een lange, prachtige beukendreef, de dreef van het kasteel. + +</p> +<p>Fonske vond het niet bepaald prettig daar met zijn twee voorname vrienden te loopen. Eigenlijk achtte hij hen beter geschikt +voor de stad dan voor buiten en ’t speet hem wel een beetje dat hij ze naar Meulegem had meegenomen. Zij bewonderden zoo weinig +wat hijzelf zijn leven lang had leeren waardeeren en vereeren, en hij wist niet goed of hij wel verheugd dan bang moest zijn +voor een mogelijke ontmoeting met jonkvrouw Elvire of een der andere adelijke familieleden. Terwijl hij dat in zichzelf overwoog +werd het gesnor van een automobiel hoorbaar en door ’t kasteelhek kwam de welbekende, grafelijke auto aangereden. + +</p> +<p>Fonske kreeg een vuurkleur en trok zenuwachtig zijn vrienden bij de mouw. + +</p> +<p>—Z’ es doar! kreet hij dof. +<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span></p> +<p>De twee estheten drongen op zij. Zij maakten front naar den weg en bleven onbeweeglijk staan, als palen. Heel langzaam kwam +de open auto aangereden. Aan ’t stuur zat meneer Gaëtan, naast hem jonkvrouw Elvire en in den achterwagen de Engelsche, die +glimlachte met bloote tanden. + +</p> +<p>Fonske nam zijn hoedje af en groette met diep-nederige buiging. Hij kreeg een minzaam knikje, toch een beetje als van verre, +terug. Toen vertrok ’t gezicht der jonkvrouw plotseling als van ontstemde verwondering en in het snorren van den motor keek +zij met hautaine strakheid naar de twee groote flaphoeden en de wilde baarden. De estheten hadden geen lid verroerd. In arrogant-stugge +houding namen zij het meisje vrijpostig op en keken ook den jonker met zijn “boulevard” na. ’t Was zóó gewild en vlug-vijandig, +dat Fonske ervan schrikte. Met een grijnslach van minachting keerden zij zich in ’t opgejaagde stof der auto om, en Florimond +zei tot Sylvain: + +</p> +<p>—Ik ’n zoe ze nie moeten hén. En gij? + +</p> +<p>Sprakeloos-grinnikend schudde Sylvain het hoofd. Neen, hij ook niet. + +</p> +<p>—Wa veur nen ignobele crétin es dat, die nevens heur zit? vroeg Florimond aan Fonske. + +</p> +<p>—Menier Gaëtan, de zeune van menier den <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span>b’ron, antwoordde Fonske, die maar half begreep. + +</p> +<p>—Es dat heur lief? + +</p> +<p>De ruwe woorden troffen Fonske als een kaakslag. Nog nooit had hij iemand zoo oneerbiedig over hun traditioneele heerschers +hooren spreken. Het deed hem pijn en het maakte hem nijdig. Hij gaf geen antwoord. En toch,.... diep in zijn binnenste, voelde +hij een soort ontzag voor die twee flinke kerels, die zoo maar raak, en zonder vrees, de geduchte dorpsafgoden van hun voetstuk +durfden gooien. Het was een kracht welke hij niet bezat; een vrijheid, en daardoor een waardigheid, hoe ruw ook, die steun +gaf aan hun leven. Zij hadden niet gegroet, zij hadden niet het hoofd gebogen, zij kenden schuwheid noch ontzag, zij voelden +zich niets minder, wel het tegendeel, dan die machtigen en rijken, en Fonske onderging, in weerwil van zichzelf, een soort +van afgunstigen eerbied voor een durf en kranigheid, die hij wel nooit bezitten zou. + +</p> +<p>Langzaam keerden zij naar ’t dorp terug: de zon ging onder in oranje glorie en de stille populieren wierpen lang hun dwarsche +schaduwvlekken over ’t glinstergroene weiland. Het dorpje lag zich als ’t ware te spiegelen in avondluister en ’t roomig <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>vee, door de koewachtertjes opgedreven, stond roerloos-wachtend bij den oever der rivier, als met goud omgoten. + +</p> +<p>De twee regeerende kasteelen op hun heuvel, keken elkaar met schitter-ruiten aan. Het was alsof ze alle twee, in rijk genieten, +elkander’s pracht en macht bewonderden. Zij heerschten, men zag ze voelbaar heerschen over ’t gansche land, en zelfs de twee +teugellooze en vrijgevochten estheten werden iets als een benauwende drukking gewaar, want Florimond zei tot Sylvain terwijl +hij naar de beide imposante buitens wees: + +</p> +<p>—Dà zoe hier weg moeien, dà stoort. + +</p> +<p>Zij kwamen weer in ’t dorpje. Op elken drempel zaten nu de menschen van de zachte avondfrischheid te genieten; en reeds van +verre zag Fons Lisatje met haar moeder staan, vóór ’t huisje van Van Belleghem. Hij hoopte maar dat zijn vrienden het meisje +niet zouden opmerken, maar het liep mis: Sylvain ontdekte haar dadelijk, bleef staan, en zei glimlachend: + +</p> +<p>—Dat es ’t scheun meiske van ’t portret. + +</p> +<p>—Verdeeke joa ’t, riep Florimond. Ala, Fons, presenteert ons ne keer. + +</p> +<p>Met tegenzin, hoog kleurend en gegeneerd, voldeed Fonske aan ’t verzoek: +<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span></p> +<p>—Lisatje, da zijn tweeë van mijn kameroaden uit de tiekenschole. + +</p> +<p>—W’hèn ou portret gezien mademoiselle, ’t es scheune, zilde, zei Florimond met stralende oogen. + +</p> +<p>—Es ’t woar, meniere; glimlachte ’t meisje schuchter den blik neerslaande. + +</p> +<p>—Moar ’t origineel es nóg scheunder, complimenteerde Sylvain. + +</p> +<p>Lisatje, die maar half begreep, keek nog bedeesder even op en sloeg de oogen dadelijk weer neer. Fonske beet op zijn lippen, +inwendig spijtig en geërgerd, en hij voelde weer een diep-priemend steekje van vluchtige jaloezie, alsof aan iets getornd +werd, waar hij alleen recht op had. De moeder bleef stijf en vagelijk-wantrouwend naast den muur staan; Van Belleghem, opgeblazen-dik +en rood, verscheen in de deurpost, die hij geheel vulde, en tikte even aan zijn glimmend petvizier. + +</p> +<p>De twee estheten namen hun flaphoeden af en groetten tot afscheid. Fonske zei “tot morgen” aan Van Belleghem en keek Lisatje +strak en glinsterend in de oogen aan. Hij zou zijn vrienden op het dorp maar niet meer nooden. Hij was wel niet verliefd op +Lisatje, maar—hij wist niet waarom—hij had toch niet gaarne gezien, dat een van die twee op haar ging verlieven. +<span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span></p> +<p>Beiden waren hoogst verrukt van Lisatje. Zij hielden daar een betoog, midden op de straat, over ’s meisje’s frissche schoonheid, +die voor Fonske als een openbaring klonk. Met zulke oogen had hij haar toch nooit aanschouwd. Zij vonden haar tienmaal, honderdmaal, +duizendmaal mooier dan de jonkvrouw en begrepen niet hoe Fonske dat ook niet zag en voelde. Zij zouden niet aarzelen. Al was +de jonkvrouw nog zoo rijk, honderdmaal, duizendmaal zouden zij de voorkeur aan Lisatje geven. ’t Gaf Fonske een gevoel van +troost, gemengd met wrevel. + +</p> +<p>In Fonske’s huis pakten zij de schilderijen bij elkaar. Sylvain koos er vijf uit, waaronder het portret van Lisatje. Fonske +had dit laatste nu veel liever bij zich gehouden, maar dorst Sylvain, die hem wellicht aan koopers zou helpen, niet mishagen. +Hij droeg het pak en vergezelde hen naar het station. + +</p> +<p>Onderweg kwamen zij meneer den pastoor tegen. Fonske nam haastig zijn hoed af en groette zoo nederig en zoo diep als hij mejonkvrouw +Elvire en meneer Gaëtan had gegroet. De twee estheten, daarentegen, namen in ’t minst geen notitie van den geestelijke. Fonske +was er gansch ontsteld van, want meneer de pastoor was geen mindere <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>macht dan meneer de graaf of meneer de baron en hij vreesde strenge verwijten, dat hij in slecht gezelschap verkeerde. Meneer +de pastoor had héél verbaasd en zelfs héél boos naar zijn twee gezellen opgekeken. + +</p> +<p>—Saleweert-e gulder de pàsters niet? kon Fonske niet nalaten gansch ontdaan te vragen. + +</p> +<p>—Den dienen die doar veurbij gekomen es? vroeg Florimond minachtend uit de hoogte. We ’n kennen hem niet. + +</p> +<p>—’t Es menier de pàster van Meulegem, antwoordde Fonske vol benauwd ontzag. + +</p> +<p>—Al was ie-hij de Paus, we ’n kennen hem niet, zei Sylvain smalend. + +</p> +<p>—Hoe durven ze toch! dacht Fonske. En weer voelde hij, in een mengsel van angst en bewonderende afgunst, bij hen die sterkende +kracht, dien waardigheidstrots tegenover machtigen en rijken, welke hem zoo zeer ontbraken. + +</p> +<p>Op het perron van ’t stationnetje namen zij van elkander afscheid. Sylvain beloofde vast reeds den volgenden ochtend met de +schilderijen bij zijn kooper aan te gaan en hoopte wel dat hij over weinige dagen Fonske eenig gunstig bericht zou kunnen +zenden. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Den volgenden ochtend—Fonske was bezig <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>aan wat decoratiewerk in het gemeentehuis—klopte de daar langs komende postbode op een der ramen om zijn aandacht te wekken. + +</p> +<p>—Fons, vroeg hij, toen de jonge man met zijn borstel in de hand naar buiten kwam, het-e gij gisteren oavond ou schilderijen +in den trein nie loate stoan? + +</p> +<p>Fonske schrikte geweldig. + +</p> +<p>—Mijn schilderijen! Ha ’k hé ze meegegeven aan iene van mijn kameroaden! + +</p> +<p>—Hawèl, den dienen hé ze vergeten stoan, zei de postbode. Gelukkig hét de conducteur ze gevonden en, omdat hij ou kent, hè +z’ hij weere noar <span class="corr" id="xd0e1125" title="Bron: Meulegen">Meulegem</span> meegebrocht. Ze stoan in de stoassie. + +</p> +<p>Fonske liet vallen wat viel en holde wanhopig naar huis toe. + +</p> +<p>Juist kwam zijn moeder hem gansch ontsteld te gemoet, met een blauw papiertje in de hand. + +</p> +<p>—Och Hiere, Fons, ’n dépêche! Wa mag da zijn! + +</p> +<p>’t Was van Sylvain. Hij maakte excuses, had gelukkig vernomen dat de schilderijen weer naar Meulegem waren, vroeg onmiddellijk +terugzending aan zijn adres. + +</p> +<p>Drie dagen later ontving Fonske een tweede telegram: +<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span></p> +<p>“Vier schilderijen verkocht samen driehonderd vijf en zeventig frank.” + +</p> +<p>’t Was of Fonske eensklaps gek werd. Hij sprong letterlijk op van geluk, hij danste van geluk en kwam met ’t blauw papiertje +naar zijn moeder toegeloopen, luid-jubelend. + +</p> +<p>—Moeder! moeder! ’t ’n es niet te geleuven! Vier schilderijen verkocht veur drei honderd vijf en tsjeventig fran! moeder, +moeder, we zijn rijke! + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e924src" id="xd0e924">1</a></span> Pourtant. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e998src" id="xd0e998">2</a></span> Kikvorsch. +</p> +</div> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XVI.</h2> +<p>Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer in Fonske’s leven. Hij was niet langer ’t schuwe mannetje, dat +vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; ’t gelukte hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid +van zich af te schudden. + +</p> +<p>Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde +meer, hij mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op, zijn oogen keken recht en frank de menschen +en de dingen aan, zijn stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem in het verschiet, waaraan veel ander +heil verbonden was en waar hij flink op afstuurde. +<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span></p> +<p>Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn brood mee verdienen! + +</p> +<p>Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog wel binnenhuis-versiering +en decoratie-geschilder, maar geen kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel Van Belleghem maar +half en even zette hij een norsch gezicht; maar Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van Belleghem +lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, ’t was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem +een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen +persoon om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd +besloten dat Fonske de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen: een hertenjacht in groene bosschen, een +wolvenjacht op de sneeuw en verder ’t kasteel van meneer den graaf en ’t kasteel van meneer den baron, ieder op zijn heuvel, +met de rivier en de weilanden vol grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip van logisch verband, +de <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>wolvenjacht te doen vervangen door een ander tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien er misschien +nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven aangedrongen +en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel +eens gesproken over wat zij noemden “hun artistiek geweten”, dat hun slechts toeliet die werken uit te voeren, welke met hun +esthetische opvatting strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel af en Fonske vroeg zich even af, +of het nu ook zijn artistieke plicht niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter niet. Voor ditmaal +gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen. + +</p> +<p>Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig, maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch +was een heer, en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, +kocht Fonske zich nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ook <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span>op zijn werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende +beweging op zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, +dat de menschen hem niet meer herkenden. + +</p> +<p>In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk +van andere jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en enkele menschen waren hem komen aanspreken, +hadden hem komplimentjes gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn arbeid geschreven. Meer en meer +ontwikkelde hij zich tot bewuste zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het leven waren, buiten het nauwe +kringetje, dat totnogtoe zijn blik omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen hem niet langer de eenige, +bestaande wereldmachten; meneer de graaf, meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname en superieure +wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele +afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan kwam te staan. +<span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span></p> +<p>Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, +vrij voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere +kunst-uitingen belang te stellen: hij las boeken, ’s avonds, als hij tijd had en meer dan eens was ’t reeds gebeurd, dat hij +ook na de teekenacademie in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje lunchte en daarna een muzikale +of theatrale matinee bijwoonde. + +</p> +<p>Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende +kunst op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken; ’t was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar +dat loste zich dan langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt +in levenskennis en ervaring kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XVII.</h2> +<p>Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain, wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met +een personage en een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds, door de dorps-autoriteiten afgeschilderd +werden als het snoodste en slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling, waar hij weer iets ingezonden, +en zeer gelukkig verkocht had, werd hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of verafgoodde, kopstuk +der sociale volkspartij. + +</p> +<p>Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed +had gepredikt. Geen mensch, op ’t dorp, zou het gewaagd hebben met zulk een man ook maar even om te gaan en nu <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span>stond Fonske vóór hem, vóór dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was. + +</p> +<p>Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. +Dat was nu ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman +was hij de kamp om het bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden doorgebracht in de gevangenis +voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord en vooral man +van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding, gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem +dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen +en naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en eerlijk gebleven, verre verheven boven ’t lage ideaal +van geld en weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een ondergeschikt deel was van wat hij had willen +en kunnen bereiken. + +</p> +<p>Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder ’t spreken had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen +waren en <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>waarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, +dat hij zelf geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen +en ervaringen, waar hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske’s +schilderijen en vond er wel veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en diepers te verwezenlijken! +Het gansche lijden van het proletariaat was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en ’t moest en ’t zou +geschieden door de krachtige jongens uit het volk, die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom een droomerig, +arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot den avond, +hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping, voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend en zelfs +gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender: een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets, +of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den barren muur dier fabriek, van afgematheid <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>zit te hijgen! En waarom, als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom moesten het telkens schitterende +uniformen zijn, en steigerende paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke, anonieme, vuile en triestige +doodsellende van één enkel, onschuldig, afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, de <span class="corr" id="xd0e1189" title="Bron: Menscheid">Menschheid</span> zelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore, +vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen? + +</p> +<p>Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, +door een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten, die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs +voor een man van zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden hem namen in ’t gezicht: Millet! Géricault! +Delacroix! terwijl Fonske voor het geweld van ’t twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik bevangen. Maar nieuwe horizonnen +gingen meteen voor hem open; wat die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen in een andere lijn bereiken: +<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>men moest vooral willen en durven, hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen steeds halsstarrig-strak +gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns’ blakende woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen gevloeid; +’t werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten +tijds, als ’t ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XVIII.</h2> +<p>Hij had hem ook bovenal,—en voor het eerst, en heel wat sterker dan totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle +waardigheid als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen. + +</p> +<p>Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan, +ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd +wezen op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn +op alle twee; het was geen schande, zooveel groote kunstenaars—dat had hij immers herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain +en ook van vele anderen gehoord—zooveel groote kunstenaars <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>waren te gelijkertijd op meer dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in hun voortreffelijkste werk +<span class="corr" id="xd0e1206" title="Bron: geinspireerd">geïnspireerd</span>. + +</p> +<p>Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar! + +</p> +<p>Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, +dat men in een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid van alles voor hem, en zijn aanbidding, die +hij in zijn eigen diepste binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna als iets wandadigs verborg, +had feitelijk de naïeve, frissche reinheid van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna tyrannisch-menschelijk +in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken en éénmaal +van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. ’t Was +de romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin! + +</p> +<p>Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking +zijner liefde beschouwde, <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>oneindig veel gemakkelijker te bereiken, dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand stond ze meer in +nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal met zijn +voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar +liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare +godin, waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, +haar moeder, of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders niet meer bestond, hem als een afgrond +aan en weer voelde hij zich het jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar weldaden leefde. En hij +begreep heel goed dat alleen iemand uit haar eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken. + +</p> +<p>Nog steeds werd er in ’t dorp verteld, dat die twee zeer zeker met elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden +samen op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere jongelui en jonge meisjes op de <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span>twee kasteelen, doch dat was maar tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker en de jonkvrouw aldoor +samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich in zijn droomen +en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar jonkvrouw +Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den omvang +van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen +of door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke +bekoring wel van zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij er wel zou uitzien als hij zulke kleeren +en manieren had als meneer Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das zooals meneer Gaëtan er droeg +en eens, op een vroegen zondag-ochtend, vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op het hoofd een “boulevard” +te kammen. + +</p> +<p>—Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamt <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span>ou lijk menier Gaëtan! riep de vrouw verbaasd. + +</p> +<p>Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel, haastig weer zijn haren platstrijkend. + +</p> +<p>—Och, moeder, zij-je nie wijs; ’t es omda ’k ’n beetse brand hé op mijn achterheufd. + +</p> +<p>—Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. ’k Miende dat-e menier Gaëtan wildet noardoen. Ge ’n zoedt nie meugen, jongen, ze +zoên ’t ons kwoalijk nemen op ’t kastiel. + +</p> +<p>—Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd. + +</p> +<p>De moeder ging daar maar liever niet verder op door. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XIX.</h2> +<p>Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als ’t +ware vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook +niet meer noodig; hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud en in dat van zijn moeder te voorzien; +hij wachtte zelfs maar op een gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij besloot, vóór het wintervertrek +naar de stad, aan de jonkvrouw een brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn beste schilderijtjes +als geschenk aan te bieden. + +</p> +<p>Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief in die taal te schrijven. Dat <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>stelde hem alweer op meer gelijken voet met haar; hij ging maar dadelijk aan ’t werk, en toen hij er, na groote inspanning, +mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten uit +te halen. + +</p> +<p>De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in ’t Fransch wilde +schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende +men dit gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. +Doch zij kregen ten slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond de fouten uit het epistel, die talrijk +waren. + +</p> +<p>Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen +leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat +naar het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee te zenden, maar toen voelde hij als ’t ware iets vernederends +voor zichzelf in die opdracht. Beter <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>ging het door den veldwachter. Zoo had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij de plechtigheid van +den franschen brief. De veldwachter, trouwens, vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen Fonske hem +een frank gaf om onderweg een paar “dreupelkes” te drinken. + +</p> +<p>Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch +sliep, zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van ’t kasteel, buigend onder ’t lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. +Hij liep hem na, ontving den brief uit zijn handen. + +</p> +<p>Reeds het adres was een emotie: + +</p> +<div class="blockquote" lang="fr"> +<p>Monsieur Alphonse Vermaere +<br>artiste-peintre +<br>Meulegem. + +</p> +</div><p> + +</p> +<p>Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open. + + +</p> +<div class="blockquote" lang="fr"> +<p>Monsieur, + + + +</p> +<p>Quelle agréable et double surprise vous me faites en m’envoyant une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet +de neige! J’ignorais <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>totalement que vous connussiez le français et surtout que vous l’écriviez si bien. Je vous en fais mon compliment le plus +sinçère et suis heureuse de constater qu’il ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand artiste. L’oeuvre que +vous y ajoutez du reste le prouve et je suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement. + + +</p> +<p>A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain. J’en ai dejà parlé à mes parents, qui sont +d’accord avec moi. En attendant, continuez à bien travailler et à faire des progrès dans votre art. + + +</p> +<p>Veuillez croire à l’assurance de mes sentiments distingués. + + + +</p> +<p>C<sup>e</sup>sse E. d’Assonville. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Fons vouwde ’t briefje dicht en stopte ’t in zijn zak. Hij zag heel bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord +begrepen, maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes, in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich +verwerken. + +</p> +<p>—Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder. + +</p> +<p>—O, joa z’ zilde, antwoordde Fonske verstrooid, <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>en voegde er bij, dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest. + +</p> +<p>In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het +kreupelhout verschuilen. + +</p> +<p>Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak. + +</p> +<p>Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en +daar streek hij even met zijn vingers overheen en voelde ’t hard relief der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, +woord voor woord, weer over. + +</p> +<p>“<span lang="fr">Connussiez</span>”; die verbuiging kende hij niet, maar ’t leek hem heel knap en heel mooi en hij begreep toch. “<span lang="fr">Constater</span>” begreep hij niet, heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar ’t deed er niets toe, hij verstond den +zin en voelde zich gloeien van geluk en trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde en geheel van +streek bracht waren de laatste zinnen: “<span lang="fr">A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain</span>”. + +</p> +<p>Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing +waar haar <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span>ouders reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen +hen te dempen? Zag zij de mogelijkheid in, met hem... och, ’t was onzinnig, en toch, welke verrassing—een verrassing die hem +zou gelukkig maken—kon het anders wel wezen?.... Het suisde in hem en ’t nevelde vóór zijn oogen: hij voelde zich eensklaps +door een groote, weeke teederheid bevangen en zijn blik werd vochtig. + +</p> +<p>Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten +kring van struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij het vreedzaam dorpje in de diepte en verder +het smaragden kleed der weilanden, waarop de koeien graasden, en achter ’t zilver-kronkellint van de rivier, den weg-wazenden +overheuvel, met de torens en de tuinen van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat baadde alles om +hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig veel +rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat +hem <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span>gegeven werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie, maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht +rijker dan een tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets meer, niets dan het heerlijk woekeren en +ontbloeien van den schat, van al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen, hadden dezen maar één roep: + +</p> +<p>—<span lang="fr">Ça y est!</span> Ze wil mee ou treiwen! + +</p> +<p>Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente +bewaarde. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XX.</h2> +<p>Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht +te ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als ’t ware voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij +voor Van Belleghem in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de aandacht getrokken en viel zoozeer +in den smaak, dat hij nu ten allen kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen rekening te beginnen; +en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en werden +vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en +toe voelde Fonske wel, dat er op <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span><span class="corr" id="xd0e1333" title="Bron: kustgebied">kunstgebied</span> nog hoogere ambities waren; doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit gehoopt had; hij telde mee +onder de jonge schilders van zijn tijd en was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust. + +</p> +<p>Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers +aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke +Brouwers, evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook +meer ’t besef van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms geen lust had om te werken, dan ging hij ook +niet werken; en als hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens naar de stad te gaan, dan ging hij +naar de stad. Sinds lang had hij zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te nemen; en tegen Kerstdag +deed zich een kansje voor, dat hij niet liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist onder aan den Molenberg: +hij huurde het per brief van den baron, aan wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span>’t keurig door hem ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en luchtig atelier in ’t noorden, op +de mansarde-verdieping. Nu was hij heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd hem bijna te min; hij +voelde zich zeer een heer geworden, bijna een soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen stand der +twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het +tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar +vlak achter lag: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<p>“Villa du Moulin”.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn, omdat hij ’t niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was +al zooverre, dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, +tot de jonkvrouw van ’t kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in bewaring hield. + +</p> +<p>In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. +Die vonden er zelfs <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>hoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars die door +prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven, trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul genoeg +inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. ’t Was iets waarvan +’t eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof ’t voor +eeuwig was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes +met plat-gestreken bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: +vrouwen, die de superieure kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel, feitelijk de eenige waren, +die werkelijk de artiesten-ziel begrepen. + +</p> +<p>Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse, was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, +onder leiding van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom ook konden zij Fons niet genoeg aanraden +de opvoeding van Lisatje Van Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zou <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>een ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen, of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër +verleid worden en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden +en hij mocht meer dan dom heeten als hij ’t nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed. + +</p> +<p>Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske’s zinnen, wekte geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde +de reine eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede +toe Lisatje te beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat zijn persoonlijk bezit was, een bezit +dat hij zich enkel nog uit vrees, ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te eigenen, zooals Sylvain +en Florimond hem ’t voorbeeld gaven. Maar hij lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan vroeger notitie +van Lisatje, en ’t aardig kind, dat lang onder zijn onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn, blijde +dagen te gemoet. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">XXI.</h2> +<p>Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog +winternaakte kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en ’t was alsof hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk +de zoo lang sluimerende bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen doorschijnend-groene, kanten hemdjes, +de lijsterbes bloeide alom op ’t molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en plat tegen den groenen grond +blonken de blauwe oogen der viooltjes en schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom de gele tuilen +der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in ’t rond gestrooid. +<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span>De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde, ging ’s avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige +oranje glorie, en toen kwam ’t maantje kijken, een beetje blikkerig-kil in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende +sterren; en het gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de heilige stilte. + +</p> +<p>En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als ’t +ware de blijde komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór het werkelijkheid zou worden. Reeds waren +de regeerende kasteelen uit hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun wijd-open ramen en deuren, als +blij elkaar weer op hun oude plaats terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun vrije blijdschap uit +te midden van het jonge vee, dat lentedronken na de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest vieren, +vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in ’t malsche groen aan ’t grazen ging. + +</p> +<p>En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families, zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, +en ’t gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachte <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span>en toch telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen, ’t uitsterven van een jaar en het geboren worden +van een nieuw jaar, waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het jaarlijks gaan en komen der regeerende +families; er kwam al dadelijk een andere toon in de gemeenschap; ’t was of een stille sluier alles dempte en wie een tijdlang +los en vrij en zonder vrees rechtop geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn gangen met dat eigenaardig +gangetje, dat aan andere dorpsbewoners, waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed: + +</p> +<p>“Dat is de gang van Meulegem.” + +</p> +<p>En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed, onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die +benauwende drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners. + +</p> +<p>Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, +en er gebeurde niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd had<span class="corr" id="xd0e1376" title="Bron: .">,</span> vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,—wat was ze <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span>mooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in ’t vol bewustzijn van haar rijke schoonheid!—hij had haar diep gegroet +en ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met +’t zelfde heen en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, +het zoolang verwacht verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel wilde komen. + +</p> +<p>Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en +zijn adem hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste kleeren wilde uitleggen. + +</p> +<p>Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half +vol laten staan. + +</p> +<p>Om half drie trok hij ’t weiland in. Hij had een hoog boord, een bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen +aan; hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, +blond snorretje had hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te rijden op het heel mooi rijwiel, +dat <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span>hij zich onlangs had aangeschaft; maar na overweging vond hij het te voet toch passender. + +</p> +<p>De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen, staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken. + +</p> +<p>—’t Es Fons, hij goa noar ’t kastiel, fluisterden zij met een soort eerbied. + +</p> +<p>Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al die jaren! + +</p> +<p>Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige +kasteellaan in. + +</p> +<p>Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij +kreeg een bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in. + +</p> +<p>Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op ’t vlakke lag, +kalmeerde dat eenigszins. ’t Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. +Vrij onbevangen schreed hij over de brug en ’t pleintje dat er achter lag, klom op de stoep en belde aan. +<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span></p> +<p>Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht +en verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween langs den breeden trap met zachten looper. + +</p> +<p>Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes, hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met +speelwerk in een hoek. ’t Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. +De hall liep in de gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en Fonske zag hoe mooi het van daar uit +was aan de beide kanten: aan den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop ’t kasteel van den baron stond en het +oude molentje; en aan den anderen kant een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch eikenbosch, hoog +en ondoordringbaar als een donkergroene muur. + +</p> +<p>Binnen in ’t kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. +Fons hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar gebeurde heel héél verre van hem af lag. <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span>’t Scheen wel of wat daar leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging eensklaps een deur open en weer +dicht en het kwam Fonske voor of hij gesmoord gestommel en gegichel hoorde. + +</p> +<p>Hij rees op en keek naar boven. + +</p> +<p>Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen +rok en vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die +hem glimlachend te gemoet traden. + +</p> +<p>Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. ’t Was hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het +was alsof zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte, hij schrikte geweldig en voelde ’t in zijn binnenste +ijskil worden, toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los +en stak die met haar vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend: + +</p> +<p>—Dag menier Alfons. Hoe goat ’t mee u? + +</p> +<p>—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen, +donkeren, <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span>sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte. + +</p> +<p>De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en ’t was de eerste, die met eenige inspanning begon: + +</p> +<p>—Menier Alfons,.... + +</p> +<p>Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over +haar, en deed haar wangen kleuren. ’t Was week en teeder als de liefdesglimlach van een overwonnen vrouw, die zich wil geven, +en zij keek Fonske aan met oogen, die als ’t ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort, zwak lachje van haar mooie +lippen gleed. + +</p> +<p>—Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend, <span class="corr" id="xd0e1430" title="Bron: “"></span>of da ge ’t gij nu weet of morgen, dat es ’t zelfde: meneer Gaëtan en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op +’t kasteel inweunen. We willen onz’ appartementen deur u loaten decoreeren en dàt es de surprise, woar da ’k u verleden joar +van gesproken hè. Wilt-e gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien? + +</p> +<p>Fons wist zich bijna goed te houden. Even <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>duizelde ’t zóó overweldigend vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar ’t oogenblik daarna +werd hij als ’t ware wakker en zag ze schemerig vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach, hij +met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem starend, op zijn antwoord wachtend. + +</p> +<p>—Dat ’n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding. + +</p> +<p>En Fonske had den moed te antwoorden: + +</p> +<p>—Nien ik, mejonkvreiwe, dàt ’n he ’k zeker nie gepeisd. Proficiat, mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan. + +</p> +<p>—Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de trap omgekeerd: + +</p> +<p>—Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons? + +</p> +<p>—Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden volgend. + +</p> +<p>—<span lang="fr">Il a l’air un peu maboul, ton protégé</span>, grinnikte halfluid meneer Gaëtan onder het trappen-klimmen. + +</p> +<p>—<span lang="fr">Tais-toi</span>, fluisterde zij, kleurend, <span lang="fr">il comprend le français</span>. + +</p> +<p>Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg +om te gissen <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span>waarover ze ’t hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten; kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende hardop +uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer: hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit. + +</p> +<p>De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek, dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. +Deuren en kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand onder ’t plafond en als plint boven den vloer. +Dat zou dus alles zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij wandschilderingen van hem. Zij verlangde +er twee: tegen den linkermuur het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en het kasteel van den baron +als achtergrond; en, aan den rechterwand, juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de rivier, maar met +den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken? + +</p> +<p>Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche +stem of er ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouw <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>antwoordde dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger +zelf daar liep, glimlachte zij. + +</p> +<p>Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij merkten ’t niet, namen hem mee door de gang, naar het +vertrek, dat meneer Gaëtan’s werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan verlangde muurschilderingen, maar geheel +andere dan jonkvrouw Elvire. + +</p> +<p>—Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik ’n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. +Mijn koamer wordt in ’t iekenheit gesteken en ik zoe geern ’n beetsen donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien +lileiwe koeien veur mij. Zoe-de gij keunen ’n wilde-zwijnenjacht schilderen? + +</p> +<p>—’K peis ’t toch wel, menier Gaëtan. + +</p> +<p>—En nen automobiel? + +</p> +<p>—Euk wel, menier Gaëtan. + +</p> +<p>—<span lang="fr">Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça?</span> vroeg zij, zacht-afkeurend. + +</p> +<p>—<span lang="fr">Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j’aime</span>, antwoordde hij, even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen hen gedebatteerd was. En dan weer +tot Fons, op <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span>den toon waarmee hij een schotel in een restaurant zou bestellen: + +</p> +<p>—Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur ’n wildezwijnenjacht ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, +bruine beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we +de dreve van ’t kastiel oprijen. Hedde ’t goe verstoan? + +</p> +<p>—Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos. + +</p> +<p>Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje +midden in ’t vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; +en ’t was ten slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg: + +</p> +<p>—Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten? + +</p> +<p>Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen, +dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op een <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span>toon, die hem even in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden: + +</p> +<p>—O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij gedoan dat ’t alles goed es ’t gien da ge mij wil geven, +en al gaaft ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat ’t eug nog goed zoe zijn. + +</p> +<p>—Vois-tu bien! zei ’t meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek Fonske minzaam, met een soort verteedering aan. + +</p> +<p>Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij +kende ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. +Maar hoe kon hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, +en, omdat zij tevreden waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te gaan. De maatschappelijke kloof, +die even tusschen hen was overbrugd geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich alleen staan, terwijl +hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem óverduidelijk +dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden en <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span>smachtend verlangen; zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de verste verte niet dat hij één enkel +oogenblik gelukkig was geweest en dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden; zij knikte en glimlachte +hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht beginnen; +en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat hij +gaan kon. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar in een naren droom. De zon daalde naar ’t westen in oranje +glorie en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over ’t gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes, +die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen, om hem nu ook bij zijn terugkomst van ’t kasteel nieuwsgierig +te bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn +makkertjes van vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk +zooverre boven stond, leken <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>hem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere +ambitie dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, +met Mietje Pruime, met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu. + +</p> +<p>Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw +van ’t kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde! + +</p> +<p>Toen Fons over het water en al spoedig weer in ’t dorpje was, voelde hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. +’t Idee dat hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, +of dat ze zijn onsteltenis zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, ’t was hem alles zóó onuitstaanbaar, dat hij maar +dadelijk besloot vooreerst nog niet naar huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om ’t even waar te dwalen. + +</p> +<p>Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de bosschen leidde. Weldra was hij in ’t midden van de dennenwouden. +De naglans <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span>van de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds +spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber +nachtgewelf ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even ’t heftige van Fonske’s lijden. Een bittere weemoed kwam in hem +op, en daar, in de heimvolle eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij zich week, en zwak, en klein, +tegenover de gebeurtenis die daar nu voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke almacht! Wat was +hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee steedsche +vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen getooverd! +Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf, die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm koewachtertje +van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit, wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit +geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen, <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>die toch fataal op een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende +wreedheid. Dàt wat hij ook eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het werk der groote meesters +zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht, zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog, op zoo velerlei +gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar, die hem van die genieën scheidde; hij voelde ’t nu nog oneindig veel scherper, +hij voelde ’t in zich als de ijzig-koude dood van al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps ’t eenige +ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke, opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles +voort moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; +en die gedachte was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, +bijna als een misdadiger. + +</p> +<p>Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in ’t open veld, dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar +hij liep. + +</p> +<p>De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje over <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span>het zwartgroen der bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid, die met verlegen aangezicht schuchter +komt kijken. Haar stille komst was in weemoedige harmonie met Fonske’s lijden, en hij ging met haar mee als ’t ware, stil +loopend langs de stille wegen, waar nu haar twijfellicht zijn vage schaduw wierp. + +</p> +<p>Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er vóór hij ’t bewust werd, en schrikte dat hij er reeds +was. + +</p> +<p>Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek +geworden zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in +wanhoop stug-besloten daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door te brengen. + +</p> +<p>Hijgend en afgemat kwam hij door ’t kreupelhout langs steile kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer +in ’t heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar +zijn geest werkte, zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open. + +</p> +<p>Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchtere <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>werkelijkheid. De maan was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel en haar koud, blank licht bescheen +het nederig dorpje met hier en daar een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch, elk op zijn heuvel, +de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en als ’t ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar +over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen. + +</p> +<p>Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over +de gelukkige gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn! + +</p> +<p>Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke +zalen, hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, +hem van haar kunnen wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach van wreedheid en van valschheid en +’t schreeuwde in hem op als tegen een wandaad, die niet mocht gebeuren. + +</p> +<p>Maar plots was ’t of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds verre, bij ’t grafelijk kasteel, <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>was in den nacht een vuurpijl opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil openbloeide, en een schot knalde, +door het gesmoord, lang-aangehouden “aaah!” eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu reeds de verloving bekend +was en gevierd werd; en, terwijl nog meer vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de deuren open, kwamen +de menschen opgewonden in de straat en holden joelend naar ’t kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen leeg en +weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn +breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer. + +</p> +<p>Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof +hij gansch alleen was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een soort bittere troost: de triestige berusting +van hem wien geen geluk meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de ontgoochelde levensmoeheid van +een grijsaard. Niets leek hem meer de moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij voelde zich zoo +oud en afgeleefd <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span>als het geraamte van den molen die al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit schouwspel nog bijwoonde. +’t Was als een óveroude, grijze wijsaard, die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos hoog en verre +boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken +spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen van lang-verleden en vergane wee. + +</p> +<p>En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij +hoorde nog slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en ’t geknal der schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende +kasteelen week al verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend verlangen meer: daar nu in zijn volle +eenzaamheid op den heuvel in te slapen en er nooit meer te ontwaken. + +</p> +<p>Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer +deed pijn, alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe; hij zou weldra voor goed inslapen. + +</p> +<p>Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zacht <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span>en dof vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en ’t kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. +Hij luisterde en trok zijn oogen open. + +</p> +<p>Drommen menschen kwamen weer in ’t dorpje, daar beneden aan den heuvel en in ’t verschiet over de weilanden waren de lichten +der regeerende kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; +en nu hoorde hij ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn moeder liep in angst van huis tot huis, +en geen mensch had hem gezien: men begon voor een ongeluk te vreezen. + +</p> +<p>Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen +komen. Hij walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde even ontembaar weer in hem op; het bruisde +in hem tot een opstand; maar meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden kreet van zijn moeder, die +als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er zelf van schrikte: + +</p> +<p>—Hier ben ik! +<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span></p> +<p>Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld. + +</p> +<p>—O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da ’k ou zoeke! Wa schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij. + +</p> +<p>—’K ben ziek, ’k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen herkende hij, in ’t manelicht, de vrouw die met zijn moeder +was: Lisatje Van Belleghem. + +</p> +<p>Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in, dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. ’t Was als een +streelende troost in zijn verdriet en even keek hij ’t meisje dankbaar aan. Zij zag bleek in den maneschijn, met groote, donkere, +angstig-starende oogen; en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal, dien zij tegen de avondkoelte +over haar hoofd geslagen had en met de linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder leidde weer zijn +aandacht af: + +</p> +<p>—O, jongen, we mienden dat er ou ’n ongeluk overkomen was. Wa schilt er toch? + +</p> +<p>—Heufpijne, ’k voele mij ziek, ’k lag hier ’n beetsen uit te rusten, herhaalde Fons neerslachtig. + +</p> +<p>—Kom mee noar huis, jongen, en eet watte<span class="corr" id="xd0e1586" title="Bron: .">,</span> of legt ou in ou bedde, drong zacht de moeder aan. <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span>Weet ge ’t greut nieuws al? Weet ge da mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen? + +</p> +<p>—Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet. + +</p> +<p>De beide vrouwen schrikten. + +</p> +<p>—Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder. + +</p> +<p>—Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig. + +</p> +<p>—Och, nien, os ’t ou b’lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk weer te schreien. + +</p> +<p>—Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje. + +</p> +<p>Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door +de maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag +lichtend-blond als zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken verkronkelden tot vreemd-wanstaltig +vormen, als gefolterde wezens die krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar gestengelde, reeds ietwat +ontbladerde hoogste twijgen vlochten een donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote droefheid voelde +Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond. +<span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span></p> +<p>O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde ’t hoofd. + +</p> +<p>Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? +Schuchter keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij strakke tranen blinken in haar lieve oogen. + +</p> +<p>Fons schrikte. ’t Was om hem, hij voelde ’t, dat Lisatje schreide. Zij schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de +jonkvrouw, beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het +slachtoffer van een vergissing, waar hij alleen de schuld aan had? + +</p> +<p>Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar, achter de moeder, ’t maneglanzend pad afdaalden en een +diepe, zachte emotie woelde even vol verteedering in hem op. + +</p> +<p>—Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol +teedere verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt +geluk verwaarloosd om een hersenschim na te <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>jagen? Iets trilde in hem, van angst en van geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog niet te laat +was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon die +hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang en te vergeefs gezochte, ’t eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, +dat jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op hem gewacht had? + +</p> +<p>Zij waren aan zijn huisje en ’t speet hem, dat zij er reeds waren. Maar Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den +avond en zijn moeder zelve zond hem met haar mee. + +</p> +<p>Eerst spraken zij geen enkel woord. ’t Was of ’t verlangde alleen-zijn hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook +nog even als een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg, heel zacht, met een stem die eventjes hikte: + +</p> +<p>—Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd? + +</p> +<p>Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. +’t Was of ze vluchten wilde. + +</p> +<p>—Wilt ge ’t mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij eensklaps abrupt. +<span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span></p> +<p>Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het duizelde in haar. + +</p> +<p>—O, Fons, zuchtte zij. + +</p> +<p>Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel. + +</p> +<p>—O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij. + +</p> +<p>Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn eersten zoen. + +</p> +<p>—Lisatje, ’k zie ou geirne, zuchtte hij. + +</p> +<p>—De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend. + +</p> +<p>Dat beet hem als een gift; hij liet haar los. + +</p> +<p>—Ge’n meugt da nie zeggen! riep hij barsch. + +</p> +<p>Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar, tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij +voelde zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er aan om plotseling weer af te breken, om haar +geen blik meer te gunnen. + +</p> +<p>’t Was of ze ’t voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand, heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder +en smolt zuchtend weg in tranen. + +</p> +<p>—’K zie ou toch al zeu lange <span class="corr" id="xd0e1653" title="Bron: geiren">geirne</span>, snikte zij dof. + +</p> +<p>Zij stonden vóór haar ouder’s woning. Er was <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span>nog licht achter de gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten dag het opschrift van het uithangbord: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<p>Xaveer Van Belleghem, +<br>huisschilder en tapissier. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Fonske gaf haar een stillen, langen zoen. + +</p> +<p>—Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af. + +</p> +<p>—Wanneer zie ’k ou weere? vroeg ze fluisterend. + +</p> +<p>—Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje, we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. ’K +hè ou toch zéúvele te zeggen, veur loater, veur de toekomste. + +</p> +<p>—Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke nieuwsgierigheid. + +</p> +<p>—Morgen, zei hij, morgen, nou es ’t te loate. + +</p> +<p>Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den +drempel, breed en zwaar in ’t schijnsel van den lichtkring. + +</p> +<p>—Ha! zij-je doar eindelijk! ’K miende da ge ginder ging blijve sloapen! lachte hij vettig. + +</p> +<p>Fonske wou, ondanks Van Belleghem’s aandringen, <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span>niet binnenkomen. Hij wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg. + +</p> +<p>Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef +hij even staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal, sluipend als een dief, den zandigen Molenberg. + +</p> +<p>Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren. + +</p> +<p>Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend +door de naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd en zijn gloeiende wangen. Wat was ’t daar alles +schoon en grootsch in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar beneden rond zijn kerkje en hoe sereen +wond de rivier haar zilveren slingerlint omheen de sluimerende weilanden! + +</p> +<p>Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij +voelde ’t ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaan <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span>had was niets dan zoeken en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn leven, zijn rijke, mooie, milde, +echte leven lag daar vóór hem open als een tooverwereld, verheerlijkt door ’t geluk der liefde, glanzend en glinsterend als +’t ware van de kunst waarmee hij ’t zou bezielen. + +</p> +<p>Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in +hem over van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch ’t verleden scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen +droom. + +</p> +<p>Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere +silhouet der twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend lichtje elkander melancholisch schenen aan +te kijken. Ook alles wat daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden had, scheen reeds heel verre van +hem af te liggen. Zijn geest was er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien en zacht kwam hij terug +naar ’t nederig huisje onder aan den heuvel, het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar nu ook Lisatje +<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>Van Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde geluk te droomen lag. + +</p> +<p>Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed, na veel strijd en vergissing. + +</p> +<p>Nu mocht het leven beginnen. + + +</p> +<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van het Eerste Levensboek.</span> + + + + + +</p> +</div> +</div><span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span><div class="back"> +<div class="div1"> +<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Van dit boek zijn 10 <br> +exemplaren gedrukt <br> +op geschept Hollandsch <br> +papier van Pannekoek.</span> + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<p>Van CYRIEL BUYSSE verscheen bij VAN DISHOECK: + + +</p> +<div class="table"> +<table width="100%"> +<tr valign="top"> +<td valign="top">’t Bolleken. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 2.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 3.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top"><a href="https://www.gutenberg.org/etext/18069">Lente</a> +</td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 2.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 3.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">In de Natuur. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 2.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 3.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top"><a href="https://www.gutenberg.org/etext/16881">Het Leven van Rozeke van Dalen</a>. 2 dln. +</td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 4.25. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 5.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">Het volle leven. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 2.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 3.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">’k Herinner mij. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 1.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 2.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">Het Ezelken. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 2.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 3.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">De vroolijke Tocht. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 0.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 1.25.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">Stemmingen. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 1.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 2.50.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">De Nachtelijke Aanranding. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 2.25. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 2.90.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">Per Auto. </td> +<td valign="top">Ingen. ƒ 0.90. </td> +<td valign="top">Geb. ƒ 1.25.</td> +</tr> +</table> +</div><p> + + +</p> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team +op <a href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at <a href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde +van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn +gemarkeerd met het corr-element. + +</p> +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ol class="lsoff"> +<li>2008-05-19 Begonnen. + +</li> +</ol> +<h3>Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e133">Bladzijde 4</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e559">Bladzijde 49</a></td> +<td width="40%">opgëeischt</td> +<td width="40%">opgeëischt</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e602">Bladzijde 54</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e805">Bladzijde 72</a></td> +<td width="40%">“</td> +<td width="40%">—</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e810">Bladzijde 73</a></td> +<td width="40%">geïnterresseerd</td> +<td width="40%">geïnteresseerd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e873">Bladzijde 80</a></td> +<td width="40%">—</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e917">Bladzijde 83</a></td> +<td width="40%">dadalijk</td> +<td width="40%">dadelijk</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e971">Bladzijde 87</a></td> +<td width="40%">bron</td> +<td width="40%">b’ron</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1125">Bladzijde 97</a></td> +<td width="40%">Meulegen</td> +<td width="40%">Meulegem</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1189">Bladzijde 107</a></td> +<td width="40%">Menscheid</td> +<td width="40%">Menschheid</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1206">Bladzijde 110</a></td> +<td width="40%">geinspireerd</td> +<td width="40%">geïnspireerd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1333">Bladzijde 122</a></td> +<td width="40%">kustgebied</td> +<td width="40%">kunstgebied</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1376">Bladzijde 128</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1430">Bladzijde 133</a></td> +<td width="40%">“</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1586">Bladzijde 148</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1653">Bladzijde 152</a></td> +<td width="40%">geiren</td> +<td width="40%">geirne</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Van hoog en laag, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN HOOG EN LAAG *** + +***** This file should be named 25554-h.htm or 25554-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/5/5/5/25554/ + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..6c0a754 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #25554 (https://www.gutenberg.org/ebooks/25554) |
