diff options
Diffstat (limited to '23812-0.txt')
| -rw-r--r-- | 23812-0.txt | 19519 |
1 files changed, 19519 insertions, 0 deletions
diff --git a/23812-0.txt b/23812-0.txt new file mode 100644 index 0000000..3c85c72 --- /dev/null +++ b/23812-0.txt @@ -0,0 +1,19519 @@ +The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, +Deel I, by Gerrit Kalff + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I + +Author: Gerrit Kalff + +Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + + GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE + + DOOR + + G. KALFF, + + HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN. + + EERSTE DEEL. + + TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906. + + STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS. + + + +VOORREDE. + + +_Van 1868-1872 ontving ons volk van _JONCKBLOET'S_ hand de eerste +volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde._ + +_Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven. Met die twee +feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de rustelooze voortgang der +wetenschap en de ontwikkeling onzer denkbeelden over literatuur en +geschiedschrijving der literatuur een nieuwe geschiedenis onzer +letterkunde wenschelijk, ja noodig, maken._ + +_Het is waar_, JONCKBLOET _heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk, +werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch het wezen van zijn +boek is daardoor niet veranderd._ + +_Ongeveer twintig jaar na_ JONCKBLOET _ondernam_ Dr. J. TE WINKEL _een +nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens op eigen +wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk boek mocht toen +reeds om meer dan een reden noodig genoemd worden, zooals door den +schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet. Doch_ Dr. TE WINKEL _liet +zijn verdienstelijk werk na het eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe +volledige geschiedenis onzer letterkunde een desideratum_[1]. + +[1] De geïllustreerde _Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_ van +Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote publiek +en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde werken, kan hier +buiten beschouwing blijven. + +_De firma_ J.B. WOLTERS _te Groningen, die indertijd_ JONCKBLOET'S +"Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" _had uitgegeven, verzocht +mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen en ik heb die taak op mij +genomen, in de overtuiging dat hier werk viel te doen nuttig voor +anderen en voor mijzelf._ + +_Voor anderen--want ook in de 18 jaren, verloopen sedert de verschijning +van_ Dr. TE WINKEL'S _boek, zijn weer tal van nieuwe werken en teksten +gevonden; is onze feitenkennis door voortgezet onderzoek gewijzigd en +vermeerderd; hebben buitenlandsche geleerden werken geschreven die ons +in staat stellen, dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling +onzer literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot +verwerking en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch er is +meer. Een der redenen waarom_ Dr. TE WINKEL _het wenschelijk achtte, +naast_ JONCKBLOET'S _werk het zijne te plaatsen, was gelegen in een +"afwijkende aesthetische beschouwing der letterkundige voortbrengselen." +Ook die reden bewoog mij tot het samenstellen van mijn werk. De +opvatting en beschouwing mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het +wenschelijk eene geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen, +uitgaand van een andere opvatting van leven en literatuur, van den +samenhang tusschen die beide, en van de taak der +literatuur-geschiedschrijving._ + +_Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een goede +aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen een bijna +25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en te denken heeft +gegeven._ + +_Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving hier +uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit mijn werk +voldoende kunnen opmaken._ + +_Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst een +droevigen plicht had te vervullen._ + +_De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de uitgever_ +E.B. TER HORST, _is eenige dagen geleden ontvallen aan de zijnen, aan +den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor hij als uitgever in zijn kort +leven zooveel heeft gedaan. Het doet mij hartelijk leed, dat deze +rusteloos, te rusteloos, voortvarende man in de volle kracht zijner +werkzaamheid van ons moest scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn +raad bij de voortzetting van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de +herinnering aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch +aangename samenwerking_. + +LEIDEN, 20 October 1905. G.K. + + + +INHOUD. + + +VOORSPEL I +VOORSPEL II + +BOEK I. +STANDENPOËZIE + +Inleiding +1. Ridderpoëzie +2. Geestelijke Poëzie (Hadewych) +3. Poëzie der Gemeenten (Reinaert) +Vroegste Lyriek +Jacob van Maerlant +Dichters, Voordragers, Publiek +Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel + +BOEK II. +STANDENPOËZIE. DE STEM DER GEMEENTEN + +Inleiding +Ridderpoëzie in verval +Geestelijke epische poëzie en proza (Ruusbroec) +Poëzie der Gemeenten (Vervolg) + Het Leerdicht--Reinaert II + Verhalende en lyrische poëzie +Ontwikkeling van het Literair Leven +Willem van Hildegaersberch +Dirc Potter + +Alphabetisch Register + + + + +VOORSPEL. + + + + +VOORSPEL. + +I. + + Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom. + Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspoëzie ligt + braak. Latijnsche poëzie en prozawerken. + +Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden van ons volk, +stuit allerwegen op een ring van duisternis. Slechts langzaam en +tragelijk wijken voor het wassend licht der wetenschap, de dikke nevelen +die verbreid liggen over het ontkiemen van ons volksbestaan. + +Wat zien wij in die schemering? + +Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal afgebroken +door plassen en meren en breede rivieren; eenzame heiden en uitgestrekte +bosschen, afgewisseld door poelen en moerassen. Over die woeste gronden +zwerven Kelten en Germanen, jagers en visschers, levend van de hand in +den tand, een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde +dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten vloed +zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk. Nog staan, +indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche heidevelden de +hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden. + +Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de schetterende +trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche soldaten en als +sterren door de nevelen schitterend zien wij de zilveren adelaren zich +wiegen boven de helmen dier legioenen die de wereld hadden veroverd. + +In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen leerden onze +voorouders het aanleggen van wegen en dijken, het bouwen van bruggen en +huizen; in landontginning, landbouw, handel en nijverheid waren de +Romeinen onze voorgangers en leermeesters. Met de zee, "de wilde zee" +zooals men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een strijd +aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan de Friezen haar +bevaren om handel te drijven. + +Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun wereldrijk +verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de legioenen zich uit de +verre streken terug, de greep van Rome's ijzeren vuist verslapt. Wanneer +eindelijk het Romeinsche rijk bezweken is onder de slagen der Germanen, +komen de Franken hier als heerschend volk de plaats der Romeinen +innemen. Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt met +de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd land en meer en +meer onder den invloed geraakte van de beschaving en het Christendom der +overwonnelingen, dringen zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de, +benoorden den Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene +botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid en +beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven de Friezen onder +hunne koningen RADBOUD en POPPO zich verdedigen tegen de Franken onder +hunne PEPIJNS en KAREL MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd +opgeven; het Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin +had uitgestrekt, wordt in de 8ste eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd. +KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne roemvolle +regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen van orde en +vrede eenigermate te leeren kennen en genieten. + +Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze volken eenig +spoor vinden van letterkundig leven. Aan het Friesche volk komt de eer +toe, het eerst zijne stem te hebben opgeheven in het veelstemmig koor +van Nederlands poëzie; aan de poort onzer literatuur staat--Frysk bloed, +tsjoch op!--een vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF. + +Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald door ALTFRIDUS, +bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving van den apostel +LIUDGER, een edelen Fries die in Friesland het werk van BONIFACIUS heeft +voortgezet[1]. + +In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van "den blinden zanger +BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne minzaamheid en omdat hij +de daden van het voorgeslacht en de oorlogen der koningen wel in zijne +harpzangen wist te verhalen." Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat +BERNLEF met zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie +jaar lang met volslagen blindheid bezocht was. + +Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor ons, gelijk +zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers van de oude inheemsche +volkspoëzie[2]. Al kennen wij BERNLEF'S liederen helaas! niet, wij wagen +niet veel met de onderstelling dat zij hetzelfde karakter zullen hebben +gedragen als die "alleroudste liederen over de daden en oorlogen der +vroegere koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en +opteekenen[3]. Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht te +zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan eene poging +daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere mededeeling aangaande +dezen Frieschen zanger in hetzelfde _Leven van Liudger_: "Overal waar +deze BERNLEF den man Gods (LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en +hij bleef in de "verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden +totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf." + +De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die Oudgermaansche +volkszangen, wijkend voor de Christelijke kerkliederen, zien wij de +worsteling van Heidendom en Christendom die nu onze aandacht vraagt. + +Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was geweest, +maar zij was toch nog verre van geëindigd. De oudste verkondigers van +het Christendom hier te lande: SINT SERVAES, SINT AMAND, SINT ELOY, en +hunne meerendeels Angelsaksische opvolgers WILLEBRORD, LEBUÏNUS, +BONIFACIUS en zoovele anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden +als belijders van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen. Wodan +was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht der stormende +wolken; Donar was een onweersgod, Moeder Aarde werd vereerd als eene +godheid, sporen van boomvereering zijn ook hier aan te wijzen evenals +van het geloof aan elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in +lucht en aarde, bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom +zich kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig ros de +luchten doorzwevend--God de Vader; tegen den wilden Donar met zijn +pletterenden hamer--de bleeke man der smarte met de doornenkroon; tegen +de bloedwraak--het "hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van +zinnelijkheid en hartstocht--de eisch van zelfbeheersching, +zelfverloochening, kastijding van het booze vleesch. Overal, in +Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich de stem van +het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen, die hier het Evangelie +brengen, worden vaak grimmig ontvangen, hun leven in gevaar gebracht, +BONIFACIUS door de Friezen vermoord--zij versagen niet. Gestadig gaan +zij voort met prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes, +het stichten van kloosters. RADBOUD, "de vijand Gods", zooals MELIS +STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche Friezen en het pas +gestichte vernielen en verbranden--geen nood! een nieuwe kerk, een nieuw +klooster verrijst. + +Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt zich terug, +overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan als ondergrond van +het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven en zich openbaren in tal +van gewoonten en gebruiken, hoezeer ook bedreigd door den banvloek des +priesters. Lustig bleven op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen +de heidenen van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en +tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij met paarden +en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog lang zijne diensten bij +het zoeken naar verborgen schatten. De lijkmaaltijden bleven in zwang; +men hechtte er gewicht aan, welk dier men des morgens het eerst +tegenkwam, aan welken kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche +godheid, menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet +overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof te verjagen. +Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar gesticht op de plaats +waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom had gestaan. Immers, wij lezen +in het _Leven van Sint Amand_: + + Het was omme den torre Blandijn, + Daer die afgod der Sarrasijn + In stont, die Marcurius hiet. + +al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk zoo menigmaal +elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder den naam Mercurius Donar of +een andere Germaansche god. Nog in het midden der 14de eeuw toonde men +den geloovigen de zeven boomen "waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam" +[4]. Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental Sint +Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken zal geweest zijn, +zooals de overlevering er ook te Wolfhezen toont. En menig halfbekeerde +Vlaming, wiens weg hem in het schemeruur langs die boomen voerde, zal er +een eerbiedig schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude +goden. + +Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel; reeds vóór de +kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid[5] en in het Noorden +moeten zij ook al spoedig talrijk zijn geweest. Gewoonlijk werd zulk een +klooster gesticht ergens in de "solitudines", de woeste gronden die een +groot deel dezer landen besloegen. Bosschen moesten dan gerooid, +moerassen gedempt, heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een +aanvang. Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cisterciënsers +zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands. + +Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten waren maar +menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid, vechtlust en zedeloosheid +der geestelijken van de 8ste eeuw wordt luide geklaagd.[6] De kerkelijke +tucht verslapte zóózeer, dat in de 10de eeuw de regel van SINT +BENEDICTUS bijna geheel vergeten was, dat menig abt zich van de +wereldlijke machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.[7] + +Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden invloed, +door het Christendom en een deel der geestelijkheid geoefend, voorbij te +zien. En zeker zou menig literair werk van dezen tijd niet geschreven +zijn, indien zijn maker niet in een klooster die veiligheid, rust en +kalmte van geest had gevonden, zonder welke de meeste letterkundige +werken niet kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen +waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9de-12de eeuw, die ons +deze landen toonen in een toestand van verwarring en verwildering. +Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze rivieren op, allerwege schrik +verbreidend; zij moorden, plunderen, sleepen den buit naar een versterkt +kamp, worden soms verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met +fellen wrok terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen, +vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof, moord, verwoesting. +Tal van kleine graven, behalve den graaf van Friesland (die zich later +graaf van Holland zal noemen), trachtten zich onafhankelijk te maken. +Het groote rijk van Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze +landen behalve Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven +maar loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes[8]. + +Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de Christelijke +Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt in hare eenheid. Ook op +de literatuur dezer eeuwen heeft zij haar stempel gedrukt. Want terwijl +er nauwlijks sprake kan zijn van de vorming eener literatuur in de +volkstaal, kiezen de letterkundigen dier eeuwen bijna zonder +uitzondering de klassieke kerktaal, waar zij uiting willen geven aan +hetgeen hun geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn +geschreven werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met +hetgeen door sommige geleerden als _Oudnederlandsche Letterkunde_ is +aangeduid[9]. + +Evenals de Engelschen vóór hunne middeleeuwsche letterkunde eene +Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen aanwijzen en de +Duitschers vóór de Middelhoogduitsche eene Oudhoogduitsche, zoo moesten +ook de Nederlanders, meende men, eene Oudnederlandsche letterkunde +hebben gehad. Vaderlandsliefde die in het teeken der Romantiek stond, +strekte verlangend de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, zóó vurig +zelfs dat zij in de knel raakte--uit die vereeniging werd een +"twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo bekorend, dat een +hunner profeteerde als ziener met den blik achterwaarts gericht, "dat er +eene Oudnederlandsche letterkunde _moet_ bestaan hebben"[10]. + +Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken waren en zijn +afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met gewag te maken van het +Hildebrandslied, het Lodewijkslied, van den Oudsaksischen Hêliand, van +OTFRID'S Evangeliën-harmonie en dergelijke werken. En zeker, wanneer men +zegt: wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, _dus_ hebben ook wij +deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te lande hebben +Saksen gewoond, _dus_ kunnen wij den Hêliand tot onze literatuur +rekenen, dan kan men van die werken gewag maken in een geschiedenis +onzer nationale literatuur. Doch dan moet men nog heel wat meer tot de +Oudnederlandsche letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn +verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel +mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen deze volken van +ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben, die zal dit deel der +Oudnederlandsche literatuur afwijzen als onrechtmatig verkregen goed. +Sterker meenen de scheppers dier literatuur te staan in hunne aanspraken +op een aandeel in de vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN. +Dat die dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn +geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische +aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en GUDRUN nooit +gerept. "Het mag daarom met recht bevreemding wekken", lezen wij bij een +der bovenbedoelde geleerden, "dat zij hier volkomen in vergetelheid zijn +geraakt"[11]. + +Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met vlijt en +scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins dienen kon om +te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd is geweest, of +ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen die in de Gudrun-sage +verhaald worden, voor een deel in ons land te zoeken is. De Franken en +Friezen worden genoemd in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van +Friesland, en allerlei andere plaatsnamen die _kunnen_ doen denken aan +deze landen bij de zee. + +Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de aardrijkskundige +en staatkundige namen en aanwijzingen in dat gedicht zulk een verward +mengelmoes te zien geven, dat wij ons daarvan kwalijk als +wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen[12]. Doch laat het waar zijn, +dat de gebeurtenissen, in die heldendichten bezongen, ten deele op onze +kusten hebben plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan +dat Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? "Ja", zal men +zeggen, "want dan hebben wij tot het ontstaan van die gedichten +bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate gewaagd. + +Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst naar een +of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van dat land? Dan zal +men de literatuurgeschiedenis van menig volk moeten gaan herzien. + +Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd voor de stelling, +dat ook ons volk deel heeft gehad aan de vorming dier Oudgermaansche +heldendichten, acht ik het beter geene poging te doen ons te tooien met +veeren uit de pluimage van Duitschers en Engelschen. + +Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van den +Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant maar ook +elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene +bewijzen[13]. Een deel dezer sage, ook dat staat vast, ten minste voor +sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te Nijmegen. Wat meer zegt, +hier _weten_ wij, dat de sage te onzent in de middeleeuwen bekend is +geweest: MAERLANT immers acht het de moeite waard, de sage te bestrijden +die verhaalde dat de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder. +"Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan dat HELIAS, de +Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde was" zegt hij in zijn +_Spieghel Historiael_ en elders in datzelfde werk over GODFRIED +sprekend: + + Noch wijf, no man, als ict vernam, + Ne was noit zwane, daer hi af quam, + Al eist dattem Brabanters beroemen, + Dat si vanden zwane sijn coemen[14]. + +Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over den +Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons nu "alle reden +om te doen vermoeden dat er evengoed een Nederlandsche roman van den +Zwaanridder zal bestaan hebben, als er een Fransche _Roman du Chevalier +au Cygne_ in verschillende redacties, en meer dan ééne bewerking in de +Middel-hoogduitsche letterkunde van bestaat"?[15] + +Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het Nederlandsch +bezeten hebben, geloof ook ik. Echter--en daarop komt het aan, indien +men spreekt over sagen als materiaal voor de poëzie--voorzoover wij nu +zien kunnen, is dit Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der +inheemsche sage, maar eene navolging van een of ander Fransch +origineel[15]. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande populair; +doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne geschiedenis behandelt, +is bewerkt naar het Fransch. + +Wij zien dus, dat ook hier poëtische stof voor het grijpen lag; maar +geen dichter die er de hand op legde om er een poëtisch werk in de +volkstaal uit te scheppen. + +De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien aard. Wat kan +sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed en de verbeelding onzer +voorouders, dan die telkens herhaalde rooftochten der Noormannen? +Wanneer de gevreesde viking zich vertoonde aan boord van zijn hooge +kromsteven, dan sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst, +want hij wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling, +moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en slavernij veelal +het lot was van wie gespaard bleven. De gansche negende eeuw door +bestoken de Noormannen de kusten van Holland en Vlaanderen. Zij zeilen +de rivieren op, diep landwaarts in; zij bouwen versterkte legerplaatsen +bij Maastricht en Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in +het omliggend land.[16]. + +Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in de volkstaal +dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een gedicht van veel lateren +tijd, de _Legende van het heilige Kruis_ (naar het schijnt uit de 14de +eeuw), vinden wij verwarde herinneringen aan het verblijf der Denen +(Noormannen) in Brabant. + +Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers is het waar, wat +in later tijden Vader CATS een Latijnsch dichter nazeide: + + Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer + En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer. + +Doch de akker der volkspoëzie is braak blijven liggen ook op plaatsen, +waar eene verklaring als de bovenstaande niet van pas zou zijn. + +Wat al gerucht is, in den aanvang der 12de eeuw, in den lande gemaakt, +in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper TANCHELM! Een voorlooper +van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar zóó welsprekend, dat hij de +geleerde klerken ijverzuchtig maakte; die door zijn grooten invloed op +de vrouwen ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar +optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten die een +banier en een zwaard voor hem uitdroegen; die de geestelijkheid en de +kerkleer durfde aantasten in zijne prediking en door de Utrechtsche +Kanunniken aan den aartsbisschop van Keulen werd afgeschilderd als de +voorlooper van den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne +gezellen: een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het +voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen en ééne +vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria), weet hij zich door +de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen tegen hem ingebracht. +Later treedt hij weer in het openbaar op; in een vorstelijk kleed en met +schitterend hoofdtooisel trekt hij, omgeven door drieduizend mannen, +door stad en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden. In +1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester +verslagen.[17] + +Een poëtische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor onze +middeleeuwsche dichters, wien het--indien men mag afgaan op zoo menig +dichterlijk werk van later tijd--waarlijk niet haperde aan gevoel voor +het indrukwekkende of aangrijpende. Maar de nationale poëzie zwijgt over +TANCHELM en de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den +smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De verklaring +schijnt mij voor de hand te liggen. + +Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog zooveel andere +dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben op de gemoederen der menschen +van toen. Verscheidene daarvan nu zijn wel herschapen tot literaire +werken van grooter of kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar +in de taal der Kerk, het Latijn. + +Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche menschen +van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal. Het Dietsch was +de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN, en werd nog niet als +schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn eerbiedwaardig verleden, den +roem en het gezag der klassieke schrijvers, was de taal der Kerk in +gansch West-Europa, de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich +schriftelijk bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het +opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde werden ook +hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek der beroemde abdij van +Egmond vond men in de 11de en 12de eeuw tal van klassieke dichtwerken: +VIRGILIUS' _Bucolica_ en _Georgica_; OVIDIUS' _Tristia_; CICERO's _De +Senectute, De Amicitia_, de _Orationes_; SALLUSTIUS' werken. Van de +lateren vond men er: PERSIUS' _Satiren_, STATIUS' _Thebaïs_; SENECA'S +_De Clementia_; AULUS GELLIUS' _Noctes Atticae_. Voorts talrijke glosen +op de klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken dier +auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche werken trof +men er aan o.a.: eene _Vita Brendani_, de _Gesta Francorum id est +Cronica cum Vita Karoli_, DARES FRIGIUS' _De Excidio Trojae, Gesta +Alexandri Magni_[18]. Onder de boeken welke de abdij Bloemhof te +Wittewierum in een latere eeuw (de 13de) bezat, vinden wij OVIDIUS, +VIRGILIUS, eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken +over grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders AUGUSTINUS +en GREGORIUS[19]. In diezelfde eeuw vinden wij aan de abdij van +Mariëngaarde te Hallum eene "scola publica" verbonden; aan haar hoofd +stond zekere magister FREDERIK, die met zijne leerlingen 's morgens de +heidensche poëten en geschiedschrijvers en na het middagmaal de +Kerkvaders las[20]. + +Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling der volkstaal +waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem heeft "tier noch zwier" in +de schaduw van den grooten boom die haar het vrije genot van zon en wind +en regen beneemt en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde. + +Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den lateren abt +MENKO, vele gaven en talenten--doch niet de gaaf der wereldlijke +welsprekendheid "in lingua teutonica"; daarvan was hij geen beminnaar en +hij oefende er zich ook niet in "propter studium et amorem vitae +spiritualis et lectionis". Nog op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn. + +Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van zulke +mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke schrijvers: in EMO'S +Kroniek b.v. verzen of sententie's van CICERO, HORATIUS, SENECA, +LUCANUS; in een reisbeschrijving van een Friesch of Groningsch pelgrim +uit den aanvang der 13de eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' _Eclogae_ en +aan zijne _Aeneis_[21]. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier +tot navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking +waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte gevoelden zich te +uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen waarmede zij vertrouwd +waren, die reeds op zich zelve zekere waardigheid aan een literair werk +bijzette, het verhief boven het alledaagsche, en waarin zij allerlei +wendingen, uitdrukkingen, vergelijkingen vonden waarmede zij hun +voordeel konden doen. + +In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de volkstaal +bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig werk, zou alleen +dan verwacht kunnen worden, indien er toen onder ons volk een krachtig +gevoel van zelfbewustheid, een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig +ware geweest. Daarvan was nog geene sprake. Indien men zich herinnert, +dat de grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vóór het +schrijven der _Commedia_ geweifeld moet hebben tusschen de volkstaal en +het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den _Inferno_ in Latijnsche +hexameters gedicht heeft, dan zal men zich over de toestanden te onzent +in vroeger eeuwen niet verwonderen. + +Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter, die geen +Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot eene poëtische +uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is geen enkel voorbeeld +van zoodanige uiting tot ons gekomen. + +Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen te onzent +gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een zwak voorspel +vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen. MAERLANT sprak in +zijn _Wapene Martijn_ dit kloeke woord over den adel: + + Mine roec, wiene droech of wan [Zijnoot: Ik geef er niet om wie zijn +moeder of zijn vader was.], + Daer trouwe ende doghet es an + Ende rene es van seden; + Uut wat lande dat hi ran, + Dats, dien ic der namen an [Zijnoot: toeken (gun)] + Van der edelheden. + +Maar lang vóór hem had de adellijke Fries LUDGER, in den proloog van +zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en GREGORIUS, verklaard "dat er +een adel des geestes bestaat, welks leden boven alle aanzienlijken van +geboorte, de hoogste liefde en vereering waardig zijn"[22]. + +Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een paar Latijnsche +kronieken dier eeuwen; eene bewerking der Reinaert-sage, eenige +heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte een paar staaltjes van +lyrische poëzie. Het schijnt mij de moeite waard, de meeste dezer +werken, het een iets korter, het ander iets uitvoeriger, te +behandelen[23]. + +MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die omstreeks 872 +stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche dichters te onzent. +Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND in 1800 hexameters, op +aansporing zijner kloosterbroeders, en als een hulde door hem op den dag +van Sint Amand aan dien heilige gebracht. + +Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een omvangrijk +leerdicht in twee boeken _De Sobrietate_, waarin door tal van +voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond, hoe nadeelig de +gevolgen der gulzigheid en hoe goed die der matigheid zijn. Tusschen die +voorbeelden vindt men hier en daar, evenals in de leerdichten van +lateren tijd, uitweidingen over de priesters, over de onkuischheid van +velen in dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid is +hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; poëzie zoo min als in verreweg +de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten. + +Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER, beide in proza, +spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding gemaakt van een ander +leven van BONIFACIUS, geschreven door een tijdgenoot van LUDGER, een man +van merkwaardige belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche +klassieken en mythologie. In de eerste helft der 9de eeuw schreef een +Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving van +LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor een dichter. In de +laatste helft der 10de eeuw gaf een ander Friesch monnik ter abdij van +Werden een verhaal van de romantische lotgevallen en vele mirakelen der +Heilige Ida[24]. + +Bisschop RADBOUD van Utrecht (± 917) toonde vooral eene voor dien tijd +zeldzame kennis van grammatica en metriek in zijne _Versus de +hirundine_, zijn _Carmen Allegoricum_ op Sint Suitbert en zijne _Ecloga_ +op Sint Lebuïnus; in deze en andere stukken van zijne hand vinden wij +wel loofwerk van antieke mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar +nergens eene wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest +of het volksgemoed dier dagen[25]. + +Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke uiting van het +gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche gemeenschap +tusschen het innerlijk leven en de taal die dat innerlijk leven moet +verklanken, kon onder die heerschappij niet bestaan. Om uit te drukken +wat men gevoelde, moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden, +wendingen, vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met hetgeen men +wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot poëzie, die op echte poëzie +gelijkt als een kunstbloem op een levende bloem. + +Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de verzen die gewijd +zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED, bisschop van Utrecht, die in +1010 stierf. + +Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop, hoe rijk ook +aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke schoonheid, aan +verhevenheid. + +Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van Leuven te +zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap bezit vijftien +graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier, die van Keulen, leiden +zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I kiest hem op een tocht naar +Italië tot zijn zwaarddrager; onder diens roemrijke leiding wordt hij +een bekwaam veldheer. Spoedig is hij een der machtigste edelen van zijn +tijd. Van de vroomheid en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in +onzen tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen de +roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij--zijns ondanks--door +den keizer tot bisschop van Utrecht verheven; hij legt in de kapel te +Aken zijn zwaard op het altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar +dienst. Alle omstanders barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven +meer en meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst in +het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort. Zijn leven +daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS: hij put water om +melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt zich tot eene +onbegrensde teederheid voor alle schepselen van den Heer. Zelfs den +vogelkens was hij weldadig. Des winters liet hij uit medelijden met +hunne armoede volle korenschooven in de boomen van zijn heuvel plaatsen. + +Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren niet rustten, +vóórdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne stad hadden gevoerd, +waar het onder psalmen en lofzangen en den toeloop eener ontelbare +menigte in de Sint-Maartenskerk begraven werd[26]. Geen wonder ook dat +een Utrechtsch priester zich niet lang daarna opgewekt, misschien +gedrongen, gevoelde om den lof van zulk een man en zulk een leven te +zingen. Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop +in een 26-tal Latijnsche hexameters. + +Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben, bevreemdt +ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is juist algemeen en +onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten toch voor het minst in deze +uiting van droefheid en bewondering eenige warmte van gevoel te zullen +opmerken en dat des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen +schreef. Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren, +maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die over het +bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden invloed der +rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar juiste uitdrukkingen en +tegenstellingen in een vreemde taal, is, wat er aan gevoelswarmte moge +geweest zijn, vervlogen en wij vinden meerendeels slechts verzen als de +volgende: + + Quondam bellator, nunc autem pacis amator. + ... + Deposuit parmam, cepitque levare patenam. + +Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind prelaat in +het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht in de volkstaal te +voorschijn roepen, dat is een halve eeuw later in Duitschland geschied. +Toen een jongere tijdgenoot van ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO +van Keulen in 1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet +lang daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied voor +den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling van het +nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te onzent: het +bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit 900-tal verzen geeft +ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche hexameters van den +Utrechtschen klerk. + +Welk een rijke ader van echte poëzie zien wij telkens glinsteren in het +ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts van dat Anno-lied! +Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook hier die zonderlinge +overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis, dat gemis aan +samenhang en overgang; herinneringen aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden +dezer speelmans-poëzie.... Maar hoe leven hier de middeleeuwen in +visioenen van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorieën, in +verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting. Hoe gloeit +de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd op in stalen +helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche zwaarden, die door +helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op uit verzen als: + + Ha! hoe kletterden de wapenen + Toen de rossen op elkander in vlogen, + Legerhoornen loeiden, + Beken bloeds vloten. + +Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk beheerschte +stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den "dierbaren" man, den +"heiligen bisschop" in Keulen, de schoonste burg in het Duitsche land. +Telkens waar SINT ANNO in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige +bloemen onder zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op: +te midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO als de +turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door lijden gelouterd +zooals de goudsmid goud in het vuur smelt, wanneer hij een kostbare +spang wil maken; als een leeuw zat hij voor de vorsten, als een lam ging +hij tusschen de behoeftigen; hij is ten hemel opgestegen om ons den weg +derwaarts te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren +vliegen, in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig +zweeft[27]. + +Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat hij durfde +zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke muziek had ook hier +kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel krachtig genoeg ware +geweest; indien een Dietsch dichter de hand had durven slaan aan de +poëtische stof die ook te onzent lag opgehoopt. + +Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide Latijnsche kronieken +van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS en zijn Vlaamschen genoot +GALBERTUS te aanschouwen[28]. Ik heb hier het oog vooral op de +geschiedenis van den edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van +den machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De +levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van +langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die den +vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open veld; +dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden; van vrouwen in eene +belegerde vesting die helmen op het hoofd zetten om de belegeraars te +misleiden; de vernietiging der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den +Rijn); den sluipmoord op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en +de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied was. +Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen voor Keizer HENDRIK +komen verantwoorden. Als hij vóór den Keizer staat, verbieden de +hertogen GODFRIED en BERNHARD hem te spreken. Wanneer hij +desniettegenstaande zich gaat verdedigen, knarstanden zij van woede en +het scheelt weinig of hij wordt door hunne krijgers afgemaakt. + +ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan Lady MACBETH +denken: op de tijding van des Keizers komst, wordt BALDERIK moedeloos; +ADELA verliest den moed niet, doch wekt haren man op tot dappere +tegenweer. Van haar gaat het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun +tegenstander, die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij +hem vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan een +paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en neerstooten. +Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe misdaden. "Et sicut Hiezabel +Achab, ita et ista hunc ad flagitia semper concitavit, dans ei consilia, +quibus ad perniciem suam uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus +fieret"[29]. + +Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal van den +moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd werd op KAREL DEN +GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het volbrengen van den moord verschansen +de moordenaars onder hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en +ROBBRECHT, in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den graaf +belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving van +GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch karakter. Begrijpelijk is +het, dat men een oogenblik denkt aan het indrukwekkend slottafreel der +_Nibelungen_, in BOUTSAERT den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in +ROBBRECHT "Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt, +springt WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel +verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden--een sprong +die doet denken aan den vervolgden HERNANT in de _Chanson des +Lorrains_[30]. Maar er is in de middeleeuwen meer gelijk dan eigen, en +dergelijke overeenkomsten bewijzen alleen, hoe zeer het middeleeuwsch +epos _in hoofdzaak_ juiste afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet +dat een episch dichter het oog hield gericht op een of ander historisch +feit. + +Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig goeden wil +anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen, dat SHAKESPEARE +in zijn _Macbeth_ het oog moet hebben gehad op de geschiedenis van ADELA +en BALDERIK. + +In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS, blijkt op meer dan +eene plaats vrij sterke aandoening; er was ook wel voldoende +zelfbeheersching en neiging om het waargenomene en gevoelde te verwerken +tot een met kunst geschreven verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het +voorbeeld der Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische +toon, de redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers, +doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden zijner +verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet ons o.a. gezegden +mede te deelen, die midden in een vreeselijk bloedbad geuit zullen zijn +en wat een eenzaam opgesloten man denkt, vóórdat hij sterft. Maar toch, +had deze monnik eens den moed gehad zich van zijne moedertaal te +bedienen--misschien waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker. +Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken met de +Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze kronieken volgt, +zooals in de nationale literaturen van Franschen, Duitschers en +Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op het ridder-epos. + +Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: _Ysengrimus_ heet, is +vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister NIVARDUS, +eerst monnik in het klooster Blandinium, later scholaster der Kerk van +S. Pharahilde te Gent[31]. + +Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dierfabels in +distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel verbonden. Het +verhalend element is in dit werk gering, de dialoog overheerscht; het +zijn al te vaak eindelooze gesprekken waarin de middeleeuwsche +dialectiek triomfen viert, maar die den lezer na eenigen tijd vermoeien +en ten slotte vervelen. De dichter was een zeer belezen man, die de +klassieke Latijnsche schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende; +onder het schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne +lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich aan +slaafsche navolging schuldig. + +Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen klassicisme +telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij speuren en zien den +volksgeest in die ietwat ruwe rondheid die alles bij zijn naam noemt, in +de ironie, de komische of groteske overdrijving, de grappen, de +vergelijkingen en spreekwoorden aan het dagelijksch leven ontleend[32]. +In zijne uitdrukkingen en aardigheden, in woorden als _mantica, bulga, +follis_ te vergelijken bij het latere middelnederlandsche _male_ (maag), +als _taberna (taverne), carmina completoria ("van uwen complete dat +ghetide")_ doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren, _Reinaert_ +denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar die hier niet kan +uitschieten in de laag van klassicisme waarmede de Vlaamsche +geestesakker overdekt was. + +Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd heeft! Wat +zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg niet hebben +kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter zulk eene stof in de +volkstaal zou durven behandelen, was nog verre. Er moest nog veel +veranderen in het uiterlijk en innerlijk leven van de bewoners dezer +landen, eer het zoover kon komen. + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] Deze _Vita Liudgeri_ is uitgegeven in PERTZ _Monumenta G._, II, 404 +seqq. + +[2] Vgl. P. PIPER, _Die Spielmannsdichtung_, I, 29. + +[3] In EGINHARD'S _Vita Caroli Magni_ 29 (PERTZ, _Monum._, II, 458). +"Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum actus et +bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit." + +En in _Annales Caroli Magni_, V, 545 (PERTZ, _Monum._, I, 276) leest +men: + +Quae veterum depromunt praelia regum Barbara mandavit carmina +litterulis. + +[4] _Leven van Sint Amand_ (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303. + +[5] PIRENNE, _Geschichte Belgiens_, I, 91. + +[6] _Bonifacins_ door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86. + +[7] PIRENNE, t.a.p. I, 86-7. + +[8] Vgl. hier als elders BLOK'S _Geschied. v.h. Nederl. Volk_. + +[9] Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet +en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede +"_over Angelsaksische Poëzie_" (1899). + +[10] COSIJN, t.a.p. bl. 21. + +[11] Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._ + +[12] _Hilde--Gudrun...._ von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof. +SYMONS, die de _Gudrun_ uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel. + +[13] Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33 +volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studiën van +Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in _Romania_, 1901, +en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in _Versl. en Meded. d. Kon. Akad._, +XII, 253 volgg. + +[14] _Sp. Hist._, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne +_Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 250 volgg. + +[15] Vgl. _Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 255. + +[16] PIRENNE, t.a.p. bl. 41-43. + +[17] Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S _Kerkgeschiedenis_, +II, 3, bl. 45-55. + +[18] Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S +_Huiszittend Leeven_ en, in veel beter uitgaaf, in _Archief voor Ned. +Kerkgesch._, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN. + +[19] A.W. WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 78-79. + +[20] MOLL, t.a.p. II, 2, 239. + +[21] In het _Itinerarium_ van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit +MATTHAEI _Veteris Aevi Analecta_, II, 26-33 b.v.: "Natales fines et arva +dulcia linquentes" (_Ecl._, I, 3); aan het slot: "et tunc demum quae +passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (_Aen._, I, 203). Vgl. ook +de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. +31. + +In de Kroniek van ALPERTUS, _De Diversitate Temporum_ (ed. DEDERICH) +o.a.: uit Juvenalis: "Intolerabilius nihil est quam foemina dives." + +[22] MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie +FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Gedichten_, +bl. LXXVIII. + +[23] Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S _Allgem. +Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande_, van MOLL's +_Kerkgeschiedenis_ en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S _Liber de +vita_ etc. + +MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in _Poetae +Latini Aevi Carolini_, III, 557 seqq. + +[24] Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg. + +[25] Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H. +PEERLKAMP, p. 11. De _Versus de hirundine_ medegedeeld in _Zeitsch. f.d. +Alt._ N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in _Kerkhistor. +Archief_, III, 213 volgg. + +[26] Zie voor het medegedeelde MOLL'S _Kerkgesch._, I, 275 volgg. en +ALPERTUS' Kroniek _De Div. Temporum_. + +[27] _Der Lobgesang auf den heiligen Anno_ (ed. GOLDMANN), Leipzig und +Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men _Grundriss der +Germ. Phil._, II, 1, 251; en PIPER'S _Spielmannsdichtung_, II, 1. +Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105-1110. + +[28] De Kroniek van ALPERTUS: _De diversitate temporum libri_ II, is van +ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, _Kerkgesch._, +II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF +HENNING, _Nibelungen--Studiën._ Strassburg. 1883. + +[29] _De Div. Temp._, II, 5. + +[30] R. HENNING in het aangehaald werk. + +[31] Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van +den _Ysengrimus_, (Halle a.S., 1884). In zijne _Etude sur l'Ysengrinus_, +(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan +VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151-1152; V.c. 1148. W. gelooft +dat een "flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest +en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der +trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het +tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van +Dr. J.W. MULLER in _Museum_ (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan +vereenigen. + +[32] VOIGT, _Einl._ LXIII. + + + +II. + + De Kruistochten. De "lage landen bij de zee" als grensland tusschen + Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric + van Veldeke (_Leven van Sint Servaes_, _Eneïde_, liederen). Vertaling + van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (_Van den bere Wisselau_; + _Van Sente Brandane_). Losmaking van Duitschland. + +Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet vergaan was, +ademden ook de bewoners dezer landen op. + +Niet alsof met die 11de eeuw een tijd van ongestoorden vrede en rust +aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende eeuw, wij hebben er +reeds staaltjes van gezien, was er nog allerwege verdeeldheid; soms +schijnt het alsof ieders hand tegen allen is opgeheven. Zeker, tegenover +de verdeelende stonden verbindende krachten: de kerk, het leenwezen, +eene zelfde of ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten. +Maar voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere +volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, Brabant en +andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake van één band die ze +onderling vereenigt. + +Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed geoefend +op onze volkswording als de kruistochten! + +Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen "het Westen +zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God wil het!" vinden wij ook +onze voorouders. Reeds omstreeks 1030 zien wij een graaf van Holland ter +kruisvaart trekken en aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke +de latere graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien[1]. +Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende eeuwen +graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen van oud-adellijke +geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, VAN LYNDEN'S; Friesche edelen +uit den stam van GALAMA en BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht, +die in 1147 voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom +op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK ULVINGA in de +nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, ook aanzienlijke burgers, +gewone poorters, lijfeigenen trokken naar het Heilige Land. +Waarschijnlijk waren er maar weinig ridders onder die Antwerpenaars, +Hollanders en Friezen, die volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de +Middellandsche zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op +hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het leger der +kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen[2]. + +Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor deze +tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; de naam "groote +aflaat" dien men in de 13de eeuw aan een kruistocht gaf, wijst reeds op +iets anders dan op liefde tot God om Gods wil. En dat vooral bij degenen +die slechts geld, niet zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook +bezwaardheid van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord; +ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: lust +naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof te behalen. + +Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier in de +ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk verschijnsel, dat +voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren gebleven: Vlamingen, +Friezen, Hollanders, Gelderschen en zoovele anderen, in het besef hunner +éénheid als Christenen, gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre +gewesten. + +De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van ons volk is +bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun "intocht in de Kerk waardoor +zij inderdaad vereenigd werden met het groote lichaam, waarvan zij +vroeger leden heetten, maar niet waren"[3]. Handel en nijverheid, ook de +kunsten ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze +lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk een indruk +moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig +achterland, hebben gemaakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen +dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen +buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap! + +Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed geweest, dien de +aanraking met andere volken moet hebben geoefend op het onze. Door dat +herhaald en langdurig samenzijn en samenwerken met andere volken of +volksdeelen, moeten onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn +geworden van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om +door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; nu eerst +begint door den morgennevel der naïeveteit heen het beeld der eigen +persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. Ook van het volk, +waarvan zij nog een deel uitmaakten en waaraan zij zich het nauwst +verwant gevoelden: de Duitschers, moeten zij zich reeds onderscheiden +hebben gevoeld in taal en karakter. Welk een aanzienlijk verschil +bestond er reeds omstreeks 1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn _Sint +Servaes_ dichtte, tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat +verschil kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden. + +Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage +landen tot Duitschland; hunne ligging in Europa maakte ze tot een +schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Langzamerhand zullen +wij den band met het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte +feitelijk wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al +wordt hij later wel eens opnieuw aangeknoopt. + +Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in +woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk +paalde aan het Fransch, was oorzaak dat Fransche taal en letterkunde te +onzent gemakkelijk ingang konden vinden. + +Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, waarbij de +invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen wij nu in de +geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen. + +De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland vertoont zich +ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche kolonisten, welke in de +11de en 12de eeuw een deel van Nederduitschland bevolkt en er zeker toe +bijgedragen hebben daar het gevoel van eenheid met de bewoners der lage +landen levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te onzent +sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden dan in het +Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil tusschen Noord- en +Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds op den voorgrond brengen. + +Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten of zulke +die Dietsche en Waalsche elementen in zich vereenigden. Vlaanderen, +Brabant, Limburg waren in hoofdzaak Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk, +Henegouwen, Namen en het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche. +Echter deed zich in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk +gelden; Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had wel het +meest recht op den naam van: grensland. + +Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden +zich één. Reeds in VELDEKE'S _Leven van Sint Servaes_ worden "Dutschen +ende Walen" tegenover elkander gesteld[4], Maar niet zóó scherp stonden +zij tegenover elkander, of de meerdere geestesbeschaving en kunstzin van +het Fransche volk oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder +ontwikkelde bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch +verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent, +zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde bestond, had +de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal van voortreffelijke of +belangwekkende werken voortgebracht. Kort vóór of na den eersten +Kruistocht waren de oudste _Chansons de geste_ reeds gedicht: de +grootsche _Chanson de Roland_, de indrukwekkende _Lorreinen_, barbaarsch +als de Roodhuiden, de bloedige _Raoul de Cambrai_, _Girart de +Roussillon_, een deel van den _Guillaume d'Orange_, de _Aiol_. De +aanvang der 12de eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht +("épopée courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren +de meeste verhalen, die de onderscheidene "branches" van den _Roman du +Renart_ vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld[5]. + +Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der literatuur te +onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; behalve de vroeger genoemde +dichtwerken hadden zij reeds: het Walthari-lied, EZZO'S lied over de +Wonderen van Christus, een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale +literatuur, in hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon +zich echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, die +toen reeds den toon aangaf. De _Alexander_ van PFAFFE LAMBRECHT en het +_Rolands-lied_ van PFAFFE KONRAD waren reeds in de eerste helft der 12de +eeuw uit het Fransch vertaald; in de tweede helft dier eeuw zou de +vertaling eener branche van den _Roman du Renart_ volgen en de Fransche +lyriek de ontwikkeling der Duitsche bevorderen. + +Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van Frankrijk op +Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, dat meer dan eenig ander +een schakel tusschen hen vormde: Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of +bij de grenzen van dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en +BLANCEFLOER bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver +Limburgsch geweest is of althans met evenveel recht tot het Nederlandsch +als tot het overige Nederduitsch kan gerekend worden[6]. Het is den +schrijver dezer bewerking, die een Fransch voorbeeld volgde, blijkbaar +slechts om het verhaal te doen geweest; reflexie is, naar het schijnt, +afwezig. Zijn verhaaltrant is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar +droog; van de aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters +zou wekken, is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht +zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen waarin +dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere rijmen, wijzen op +geringe technische vaardigheid. + +Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed der +literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling der onze in +het werk van HEINRIC VAN VELDEKE. + +In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt van Maastricht +vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, welke wij hier +achtereenvolgens hebben leeren kennen: hij legt den band tusschen de +Latijnsche literatuur en de nationale door zijne omwerking van een +Latijnsch heiligenleven tot het Limburgsch _Leven van Sint Servaes_; uit +het Fransch vertaalt hij een riddergedicht over ENEAS in zijne +moedertaal, waaruit het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht +(_Eneît_); in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche +(Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens in het +Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne _Eneïde_ als zijne +minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de ontwikkeling der +Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie. + +Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of andere wijze +in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het +klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende hij behalve de Fransche ook +de Latijnsche literatuur, o.a. de _Aeneïs_, de _Metamorphosen_ en het +epos van STATIUS[7]. Hij ondernam c. 1171 de bewerking der _Vita_ van +den H. Servatius op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren +kanunnik HESSEL, "die doen der costeryen plach." Hij heeft in +Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van Kleef en gaf +zijn onvoltooide _Eneïde_ daar te lezen aan gravin MARGARETA, de bruid +van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen. Zijn handschrift werd hem +ontstolen en eerst veel later terug bezorgd, zoodat de voltooiing der +_Eneïde_ waarschijnlijk kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In +Duitschland zal hij kennis gemaakt hebben met de daar bestaande +nationale literatuur, o.a.: het _Anno-lied_, LAMPRECHT'S _Alexander_, +KONRAD'S _Rollands-lied_; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen hem +niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen misschien uit +denzelfden tijd als zijne _Eneïde_. Ook heeft hij nog een gedicht van +"Salomon en de Minne" geschreven, dat ons slechts uit eene aanwijzing +van een Duitsch dichter bekend is[8]. + +Indien "meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen te dichten, +vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman waarvan de minne +schering en inslag is, en daarna, ouder en ernstiger geworden, getracht +had door middel van een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven +had met het dichten dier wereldsche poëzie--dan zou hij gedaan hebben, +wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters gedaan is. Die +gang van zaken zou bovendien in overeenstemming zijn geweest met wat de +gewone levenservaring ons leert. Naar het schijnt, heeft het +tegenovergestelde plaats gehad: is hij begonnen met de bewerking van een +heiligenleven, om zich daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te +wenden. Zoolang deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is, +zullen wij ons er aan moeten houden. + +Daar zoowel _Sinte Servatius Legende_ als de _Eneïde_ bewerkt zijn, de +eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch voorbeeld, komt het +er bovenal op aan, het karakter dezer bewerkingen te leeren kennen. Over +het algemeen volgt VELDEKE zijne Servatius-legende, die hij telkens +aanduidt als "die vite", op den voet[9]. De letterkundige waarde dezer +bewerking is gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de +ontwikkeling onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, de +afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun drietal heffingen doen +ons denken aan de oude volkspoëzie. In eene periode als: + + Alle die vergaderinghen + Al weynende dat sij songhen + Met luder stemmen: Osanna! + Doen was vroude ende yamer da, + +meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het +Lodewijkslied: + + Joh alle saman sungun + "Kyrieleison". + Sang was gisungan + Wig was bigunnan. + Enz. + +Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen +onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij eenige +aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek: + + Daer nae sprack der heilighe man, + --Die salighe diet ghemercken can-- + "Men mach in menghen synnen + "Gods heerscapie bekennen, + "Sijne ghenade ende sijne ghewalt. + "Ghij siet wale wie der wynter kalt + "Die eerde bevroret + "Ende haer vrocht testoret + "Ende tewrijvet ende verkeert; + "Ende als hij dan henne veert, + "Ende der somer aen gheyt, + "Dien alle die werelt gherne ontfeyt, + "Ende daer toe alle creatueren, + "Eyn yeghelijck nae sijnre natueren, + "Verhoghen sich ende vervrouwen. + "Allen die Gode ghetrouwen + "Ende doer hem lijden arbeit, + "Dien gheeft hij grote rijcheit, + "Woninghe in hiemelrijck + "Ende vroude ewelijck." + +Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de +overeenkomstige plaats lezen: "en", ait "quomodo verna temperies redit +post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat +VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel +van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10]. + +Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich +in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen, +wordt die verwachting niet vervuld[11]. + +Toen VELDEKE zijn _Leven van Sint Servaes_ bewerkte, gevoelde hij zich +een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen +man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12]. +Maar de levensgeschiedenis van den heilige moge hem hebben gesticht, zij +heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was +dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch +dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13]. + +Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de +liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de +groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de +hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der +liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken +viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der +vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was +dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de +Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun +eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de +vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de +opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel +van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, +vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd. + +In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij +uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is +een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het +eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld +gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd +of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de +juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te +verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen +smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen, +overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen. +Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000 verzen meer dan het +oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de +wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het +uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van +zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont +VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn +smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij +ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS "toe Icônjen in her hûs" bezocht. +Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking +uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk +mag spreken: + + grôt ende grâ was her dat hâr + end harde verworren-- + dat wir wale spreken dorren-- + alse eines perdes mane. + die frouwe hadde ane + vele onfrouwelîch gewant. + ein boech hade sî an der hant. + dar ane sach sî ende las. + doe schoude sî Enêas. + He marcde sî rechte. + dat mies [Zijnoot: mos.] lockechte + hiene her ût den ôren. + sî enmochte niet gehôren, + et enwâre, dat man riepe. + her ougen stonden er diepe + onder den ouchbrâwen, + langen ende grâwen, + die dâ vore hiengen-- + end her ter nase giengen, + grouwelîch was her lîf: + hem enwart nie wîf + alsô wonderlich kont. + swart ende kalt was her der mont. + sî sat in den gebâre, + alse er leven wâre + ân alre slachte wonne. + die tande stonden er donne [Zijnoot: dun (geplant).] + end wârn her lanc ende gele. + her was der hals end die kele + swart end gerompen [Zijnoot: gerimpeld.]. + sî selve was geskrompen + in bôsen gewande. + her arme end here hande + waren âdern ende vel[15]. + + +Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef kunstenaar +met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht +dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn +wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. +Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of +wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht +moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde +paardemanen--de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens +der kieschheid--een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in +de hand; nu weer de détails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de +ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan +plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna +terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr een algemeene +indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo +gaat het voort. + +Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S +invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt +zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker. + +Duidelijker nog dan in zijne _Eneide_ blijkt die aanleg in het dertigtal +minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek +gedicht. + +In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen +blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen +vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en +elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid +als in de poëzie. + +De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht, +wordt voorgesteld als een _dienst_: zij is de meesteres, hij de dienaar. +Telkens is ook in deze liederen sprake van _dienen_ en _dienst_. De +minne wordt verheerlijkt: + + Von minne kumet uns allez guot: + diu minne machet reinen muot. + Waz solte ich sunder minne dan?[16] + + +De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar +toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide +seksen (het "umbevân") wordt dorperlijk genoemd: + + Wie mohte ich dat für guot entstân, + dat hê mî dorpelîche bâte + dat hê mî muoste al umbevân?[17] + +vraagt eene vrouw, die--naar de gewoonte in deze minnepoëzie--sprekend +wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen; +daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook +moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de ("rueger" en +"nider") [18]. Niet zelden begint een lied--ook dat was conventioneel +geworden, maar conventie waarin waarheid schuilt--met een klein +natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om +overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en +gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in +het eerste lied: + + Ez sint guotiu niuwe mâre, + daz die vogel offenbâre + singent dâ man bluomen siet. + Zuo den zîten in dem jâre + stuende wol daz man frô wâre: + leider des enbin ich niet[19]. + + +Overeenstemming treft men aan in verzen als deze: + + Ez tuont die vogele schîn [Zijnoot: toonen.] + daz si die boume sehent gebluot [Zijnoot: bloeiend.]. + ir sanc machet mir den muot + sô guot daz ich vrô bin + noch trûric niht kan sîn[20]. + +Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de +natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het +"umbevân" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan: + + ich bat sie in der kartâten + daz si mich müese al umbevân[21]. + +en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind, +hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet: + + Swer den vrouwen setzet huote [Zijnoot: bewaking.], + der tuot daz übele dicke stêt. + vil manic man der treit die ruote [Zijnoot: draagt de roede.] + da er sich selben mite slêt[22]. + +Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen: + + geschihet mir als deme swan, + der singet als er sterben sal, + sô vliuse [Zijnoot: verlies.] ich ze vil dar an[23]. + +Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting +kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend +zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid +zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende +literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds +zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend +bewijs hebben. Ten opzichte der _Eneide_ verkeeren wij in iets gunstiger +omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne _Historie van +Troyen_, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: "Oec ist +gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog +heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen +regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen. + +Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling +der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre +na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal +van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne +_Eneide_, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn +dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der +epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche +dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als +WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken +GOTTFRIED VON STRASSBURG[25]. + +VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die reeds zekere +mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpoëzie dier +dagen. In die poëzie is een Nederlander de Duitschers vóórgegaan. Naast +die kunstpoëzie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende +volkspoëzie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken, +reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende +heldendichten _Nibelungen_ en _Gudrun_ leveren daarvan het bewijs en +toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer +volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos. +Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal +verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12de eeuw gemaakt en +voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten +onder den naam: _speelmanspoëzie_, omdat zij zwervende dichters en +voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een +speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn: _Orendel, Salman und +Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald_. Alle herinneren door hun inhoud en +hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de +geschiedenis van _Koning Rother_, al beweegt dat verhaal zich in hooger +sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den +historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook +telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier +tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots +gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor +oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat +wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, +gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten +kon[26]. + +Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en Nederduitsche +in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dáár was het onzerzijds +_geven_, hier _nemen_. Beide boven aangewezen soorten van volkspoëzie +vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed +der hoofsche ridderpoëzie in eene vertaling der _Nibelungen_; de +speelmanspoëzie in het gedicht _van den Bere Wisselau_ en misschien ook +in dat _van Sinte Brandaen_. + +In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis +gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord +schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen +een aandeel toe te kennen in de _vorming_ van het Oudgermaansch +heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk +niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die _elders +ontstane_ heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen. + +Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10de eeuw en in +den _Reinaert_ vermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der +heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de +11de of in het begin der 12de eeuw een exemplaar van het _Walthari-lied_ +heeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling +waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het +aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen +gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een +bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage. + +Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten, +Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit die liederen +ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen +met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste +Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en +dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan +1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn _Leven van Sint +Servaes_ spreekt van ATTILA als "Bodelinghes son" [30]; deze vadersnaam +komt ook in de _Nibelungen_ meer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen +naam bekend geworden door de _Nibelungen_ of kende hij dien van elders? +Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen +der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in de +_Eneïde_ spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het +schijnt, eerst na het dichten van den _Servaes_ in Duitschland gereisd. + +Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen +in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15de eeuw vinden wij den +melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd: _Ver Broenelden +strait_[31]. + +Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op +langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat +een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener +schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan +den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering? + +Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het +Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche +geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is vervaardigd[32]. Hoe +lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat +reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13de +eeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over +de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de +fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13de +eeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk +_Alexander_ den vernederlandschten naam van ATTILA: _Ettel_ gebruikt en +in zijn _Spiegel Historiael_ dien van _Diederic van Berne_, mag doen +vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling der _Nibelungen_ +heeft leeren kennen. + +Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van +72 verzen, die een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure +van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht +vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het +genoemd hebben. Dat men van het _Nevelingen-lied_ of van de _Nevelingen_ +zal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de +13de eeuw eene gansch andere beteekenis had (_neef_ of _verwant_). + +Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het +karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne +taak heeft gekweten[33]. + +Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn +vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel +weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde +hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een +vers niet begreep, liet hij het weg, of--erger--verving het door een +stoplap als: "dat doe ic u verstaen" en "dies was hi wel blide". Aan +zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat, +vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar +onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel +heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den +beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog +ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het +goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht +over KRIEMHILDE'S droefheid: + + ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen, + dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man. + "daz wolde got" sprach Kriemhilt, "waer iz mir selber getân". + +zijn weergegeven door het onbeteekenende: + + Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen. + +Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te +laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking. + +Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de +auteurs van _Wisselau_ en _Brandaen_. Dat is geen toeval, maar in +overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspoëzie, in +tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele +kunstpoëzie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste +couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting +vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een +geestelijke voor den bewerker te houden. + +Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal _van den +Bere Wisselau_ heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman +verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk +er in de 12de en 13de eeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op +een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend "au seul son +des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was + + in taberna mori, + ubi vina proxima + morientis ori + +wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk: + + "Deus sit propitius + isti potatori". + +Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte +speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht +kan dat blijken[34]. + +Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning +ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne +"genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige +beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester +gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door +Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne +vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het +schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de +zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier +kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van +een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan +ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau +jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de "gargoensche +tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken +moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel +werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer +schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal +binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL +gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last. +ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel. +Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de +reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt +GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn +gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden; +Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling +geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen +man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is; +ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt boos en schudt zich, zoodat de +kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het +vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een +jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te +staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een +maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het +nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT +denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit +het reuzenland zal brengen.--Daar eindigt het fragment. + +De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of +ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een +ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER +voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage +bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand +eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie +broeders: WIDOLF "mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders +WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten +meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren +stang woedend om zich heen. + +Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch +fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den +held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang +neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop +doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens +voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list +te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo +door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen, +slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn +beer, dien hij _Vizleo_ (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. +OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene +schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig +groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig, +vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF +bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt +den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood. +Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem +een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit +af op de "bronie" (maliënkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de +zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den +speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de +reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt +bevrijd en keert terug tot THIDRIK. + +In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor +schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter +moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt +echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met +andere, ook tot poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke +verhalen moet de dichter van den _Wisselau_ gekend hebben; daar heeft +hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn +bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden +ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in +liederen als dat "von dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen +wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de +vorm van den naam _Wisselau_, die in het Nederlandsch _Wittelau_. zou +moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit +speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk kort na den tijd, waaruit +ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen--, nl. het laatst der +12de of den aanvang der 13de eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, +want in zijn _Spieghel Historiael_ laat hij er zich afkeurend over uit. +Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne +poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard +vermeldt hij ook "van bere Wisslau die saghe" en + + Van bere Wisslau die snodelhede [Zijnoot: onwaardige, armzalige dingen.] + ende meneghe favele groet ende cleine[37]. + +MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden, +dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap +bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet +behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een +dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest +en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant, +dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden +met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe +ook de "Sarrasijn" behoorde, "die voor mijn here speelde met +eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14de eeuw +gewag maakt[38]. + +Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als +MAERLANT zich ver verheven. + +De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen; +gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van _lachen_ en _scop_ +(scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan +men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met +kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen +soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: "o wi, o wach!"; +schenkers en drossaten die, hals over kop, een zaal komen +binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te +verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik +gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich +schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een +reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast +loerend--alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische +kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te +plooien tot een breeden lach. + +Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner +gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn +verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge +schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen +als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend +hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er +onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid +worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot +hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen +wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst +leven moesten. + +Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedicht +_van Sente Brandane_ zich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een +Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen +van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en +wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot +straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan +en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel +wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar +zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna. + +De kern van dit verhaal is reeds in de 10de eeuw te vinden in een +Latijnsche legende: _Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis_ en werd later +in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in poëzie, +bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173-1180 aan den +Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in +het Nederlandsch vertaald[39]. + +Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet +betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is +van deze soort poëzie. Evenals in den _Oswald_ en den _Orendel_ hebben +wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (de _Brandaen_ +spreekt van "recken"); vooral in het gedicht van _Hertog Ernst_ vinden +wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen: +zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het +prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met +zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de +vermelding der Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont, +vindt men weer in het verhaal van _Sint Oswald_. + +Dat ook in den _Brandaen_ drossaten en schenkers voorkomen, die +veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd +jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de +speelmanspoëzie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden +op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en +droog hadden voorzien. + +Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet +vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het +oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de +merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat +door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal vindt +men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende +is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een +gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide +reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de +Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het +reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij +vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en +zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger +gestraft worden. En dus, zoo besluit hij: + + willic weder varen + Te mijnre aermer scaren + In die deemsternesse [Zijnoot: duisternis.] [41]. + +Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze +vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning +RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. +Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de +plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de +doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de +Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte +heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een +komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven +Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk +van een speelman voor ons hebben[43]. + +Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons +duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe +kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te +nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling der +_Nibelungen_ en het gedicht _Van den Bere Wisselau_ dagteekent uit het +laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. Ook de twee laatstgenoemde +werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van +dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig +Duitschland te toonen. + +Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de +aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling +van _Nibelungen_ en _Brandaen_, als de bewerking van _den Bere +Wisselau_. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere +blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de +overige Duitschers; het gedicht _van den Bere Wisselau_, zelfstandige +bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger +mate. + +Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van +Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij +steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat +Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den +achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral +Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij +daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der +_Nibelungen_ misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties +van den _Brandaen_ in het oosten des lands of elders gemaakt? +Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in +één adem noemt met de "sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd +als de _Wisselau_? + +Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog +niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: "ja" +antwoorden of: "het is waarschijnlijk." + +Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers +moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot +een zelfstandig volk en ook: dat de hier aanwezige kiemen van +nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en +aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg. + +In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13de eeuw, op +welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale +kunst groeien en bloeien. + +Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich +ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen. + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S _Kerkgesch._, +II, 1, bl. 7 volgg. + +[2] Vgl. MAERLANT'S _Spiegh. Historiael_ (edd. DE VRIES en VERWIJS), +III, bl. 366. + +[3] MOLL, t.a.p. + +[4] Zie I, 1116. Zie ook I, 682-3: "In ebreuschen, in dietschen || In +walschen ende in vriesschen". Vgl. ook _Roman van Torec_, vs. 2556: +"Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den _Rinclus_, vs. 602 +_walsch_ en _vriesch_ tegenover elkander gesteld. + +[5] Vgl. _Hist. de la langue et de la Littérature française...._ sous la +direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100-101), 171 +en L. SUDRE, _Les sources du Roman de Renart_, p. 341. + +[6] Vgl. SCHERER, _Gesch. der D. Lit._, S. 143-4; PIPER, +_Spielmannsdichtung_, II, 299; _Grundriss der German. Phil._, II, 1, +258. Uitgegeven door STEINMEYER in _Z.f.d.A._, 21, Bd. S. 307 flgg. +STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint +gegeven heeft. + +De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit +no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn +voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs. +2315-3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele +plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700 +verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger +is, telt er slechts 3980. + +[7] Dat hij zich "ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel +eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij +zich zelven tegenover de "ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn +in den proloog en eene plaats als II, 944-946. + +[8] Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding +tot BEHAGHEL'S _Eneide_. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof +J.H. KERN mededeelt in _Museum_ 1900, bl. 213-218. Overigens nog +BORMANS' Inleiding op _Sint Servatius Legende_. + +[9] VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S. +SERVAES, dat men vindt in de _Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium +et Leodiensium_ in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl. +over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: _Z.f.d.A._, Bd. +27, 146-157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer +denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: _Z.f.d.A._, 1845, V, 75 flgg. + +[10] Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S _Gesta_, wel in +de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser +monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter +omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE +gebruikte _Vite_ ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie +CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de +vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe +multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces +etc. + +[11] Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931. + +[12] Vgl. den proloog van Boek I. + +[13] Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE +JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, _Introduction à une édition +critique du Roman d'Eneas_ ('s-Gravenhage, 1888). + +[14] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, CL-CLVI. + +[15] Vs. 2708-2741; in het Fransche gedicht vs. 3456-3460. + +[16] _Minnesangs Frühling_, p. 62. + +Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal +gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze--in tegenstelling met de +werken der overige Minnesinger--gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch +(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.: + +van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic +ane minne dan? + +[17] Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk +Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met _entfaen_ +(ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen +weergeven: + +hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi +moeste ombevaen? + + +[18] Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30-32; 60, 32; 61, 10; 58, 17-19. + +[19] M.F. 56, 1-6. + +Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men +bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware: +lacen, des en ben ic niet. + + +[20] M.F. 64, 17-21. + +Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc +maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn. + + +Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10-18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1. + +[21] M.F. 57, 5-6. + +ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen. + + +Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1. + +[22] M.F. 65, 21-24. + +So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel +menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet. + + +Vgl. voorts: 65, 11-12; 67, 1-2; 62, 11-22. + +[23] M.F. 66, 13-15. + +geschiedet [Zijnoot: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch: +_gescege_?]" mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so +verliese ic te vele daer ane. + + +[24] Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S _Historie van Troyen_ door Dr. J. +VERDAM, p. 27-28. + +[25] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, S. CLXXXVI flgg. + +[26] Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in +PIPER'S _Spielmannspoesie_. Vgl. voorts: _Grundriss_, II, 1, 305 vlgg. + +[27] Vgl. _Reinaert_ (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. _Ermenrijc_ en W. +MÜLLER, _Mythologie der deutschen Heldensage_, S. 178. + +[28] Vgl. KLEYN'S Catalogus in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147. + +[29] Over die tijdsbepaling _Grundriss_, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE +houdt het er voor dat B. "um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan. +(_Das Nibelungen-Lied, Einl._, S. XIV). + +[30] Boek II, 115. + +[31] _Teuthonista_ (ed. VERDAM), p. 486: "die witte wech des nachtes an +der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait, +_galaxia_." + +[32] Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt +aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne _Middelned. Epische +Fragmenten_, p. 1-3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in _De Gids_, 1889, +I, 29-79. + +[33] In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander +medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn +voortreffelijk _Gids_-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met +het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: _Der Nibelunge Nôt._ +(Leipzig. BROCKHAUS, 1870-1880) waarin men ook de varianten der hss. +vindt. + +[34] Vgl. _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 9-32; het genoemde stuk van +Dr. FRANTZEN in _De Gids_ en de uitgave van E. MARTIN in _Quellen und +Forschungen_, 65. Heft. + +[35] Vgl. _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 10. + +[36] Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p. + +[37] _Sp. Hist._, IIIe Deel, bl. 170, 204. + +[38] Vgl. _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het +Henegouwsche huis_, III, p. 96. + +[39] Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden: +1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam. +Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, _Bijdrage tot de +Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten_; 3o. _Van +Sente Brandane_ in _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, VII, 85 vlgg.; 4o. +_Romanische Studiën...._ von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de +tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I, +116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee +redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik +houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen +en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter +is dan in het Comburgsche hs. + +De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar +hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn. + +[40] Vgl. _Van Sente Brandane_ (ed. BONEBAKKER), p. 10. + +[41] Vs. 249-251. + +[42] Het hier en elders in den _Brandaen_ voorkomende _aerme scaren_ +(zie BONEBAKKER'S _Aant._, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te +veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord _harmschare_ (straf, +kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij +niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van +"keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is +op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van +"blide scare" voor hemelbewoners; (zie _Stroph. Ged._ edd. FRANCK en +VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen +waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping +van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de +spelingen van haar critisch vernuft. + +[43] Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075-1081, H. 1022-1028. + + + +BOEK I. + +STANDENPOËZIE. + + + + +INLEIDING. + +Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig +eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van +onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar +volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg +zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk +afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of +andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te +weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden +weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om +onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven. + +Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het +water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en +weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt +meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen +ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens +te draaien. + +Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont. +Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God--zegt DIRC +POTTER in zijn _Minnen Loop_--heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld: +de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet +opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft, +moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren +en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook +de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der +bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN +HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook "van der drierehande staet der werelt" +en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2]. + +Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op +het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen +bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die, +eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel +bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen. + +In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN +VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij +voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van +Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten +tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, +EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN +VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan +de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche +ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der "tafelronde" +vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder. + +Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen, +want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais +die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots +neersloeg--omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover +hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor +monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers, +Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het +monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der +Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare +hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg, +Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in +Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd +een eenzaam leven leiden. + +Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers +langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers +en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of +eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die +in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den +tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van +marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of +klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten. +Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met "eiken tune +(planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen +gevangenis (_steen_) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen +volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding +gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren +van hout en met riet gedekt). + +De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen +minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding +tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover +zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het +gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden +iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw +eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier +eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden. + +Er wordt--het spreekt vanzelf in dien tijd--ter dege onderscheid gemaakt +tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een +ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen +dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den +aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel +niet een _heerschende_ stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren +ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel +huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger +zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als +in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van +het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der +vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als +zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in +maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest, +tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf +overdragen. + +Maar stadig rees de ster der gemeenten[5]. + +In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten, +kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de +onderscheidene "sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen +bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch +alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde. +Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner +"sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling. + +Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking +met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de +ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen +hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende "sibbe" in de +nagels der handen geplaatst, en vandaar "nagelmagen" genoemd werd. De +maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het +recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen +bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de +barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne +naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak +hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te +eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in +de 14de eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner +naaste magen (in Drenthe "keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het +weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij +voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over +een hunner komt. + +Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP +hem zijn jachtvogel en zegt: + + Ic moet nu op desen tijt + Uwen sconen sperwaer draghen, + _U te lachtre [Zijnoot: schande.] ende uwen maghen_. + +Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil +opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij: + + _Eest dat ghi sijt van haren maghen_, + So moetti nuwe wapene draghen, + Keren ende wreken dese overdaet. + +En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning +ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien +slag te noemen: "ic vergat al mire mage"[7]. + +Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het +samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien +wij in deze eeuwen ook elders. + +Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater, +met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve. +Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van +afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men +eigengebakken brood (_huisbakken_ kreeg eerst later zijne ongunstige +beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in +Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en +der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER +BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten +alles wat er in dien tijd te weten valt. + +Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest +geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het +wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van +groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een +zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van den _Brandaen_: + + Die Heleghe Gheest moet mi leeren, + --Die welke der ezelinnen + Wijlen dede sprekens beghinnen, + Daer up dat reet Balaam, + Dat was een heydin man, + Dat so [Zijnoot: zij.] meinschelike sprac, + Daer sij den inghel Gods sach + Commen in haer ghemoet: + Den wech hi haer wederstoet [Zijnoot: versperde.] + Met eenen zwerde vierijn [Zijnoot: van vuur.]; + Si vloo van den inghel fijn + Ende dede haeren heere cont-- + Dese moete ontsluten minen mont: + Die ghene die haer gaf de macht, + Dat si wert redene acht [Zijnoot: met spraak begaafd.] [8]. + +Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het +gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht +op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte--ook andere deelen +van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard +gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch +geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching. + +Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet +van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen +door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere +eilanden liggen volgens MAERLANT "twee dachseilinghe verre" van Afrika; +zeker arts is beroemd: "alse [Zijnoot: even.] verre als God de sonne +seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar +ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De +tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van +den eenen winter op den anderen door: "tusschen twee sneeuwe". De lente +door: "alst ten nieuwen gerse [Zijnoot: gras.] kwam", najaar en voorjaar +door "te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch +_staat_; een brug _loopt_ over een rivier; men hangt iemand niet op--men +hangt hem "_bi der kelen_"; men kust een meisje "_ane haren mont_", zit +met haar in het "_groene gras_", begraaft haar onder "_de rooskens +root_". + +Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen +tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die wij--als onnoodig, +immers: vanzelf sprekend--weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van +twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het +andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals: +"daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig--voor de +middeleeuwsche menschen waren zij dat niet. + +Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: _antwoordde ende seide, +bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot +ende sine woorde_ tautologieën te noemen: toen had elk der deelen van +zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil +tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan +hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan +wij. Om dezelfde reden zijn in: _God, die coninc van den trone_ +[Zijnoot: hemel.], de op _God_ volgende woorden volstrekt geen stoplap, +evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond +behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9]. + +Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een +middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant +van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte +vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen +spreken in afhankelijke zinnen: + + Dat sijn vader doot ware + Ende sijn moeder ooc mede. + +Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen: + + "Ende in u lant is groot onvrede, + "Want vremt volc, sonder waen, + "Hebben u lant ondergedaen [Zijnoot: onderworpen.]." + +Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van +afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche +uiting, als natuurlijker, hun aangenamer. + +Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die +perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat +varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen +overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in +hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10]. + +De taal--wij zeiden het reeds--was hier spiegel van het leven. Welk een +brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken! +Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog +zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de +rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde +men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook +het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met +den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel +binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de +kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld +van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok +doormidden beet. + +MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en +als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg +klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel +overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander +sloegen. + +De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn--zij konden den hartstocht +niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een +veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich +nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed +staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het +klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen +de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Wat is er ook binnen +de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe +heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die +zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbach _acedia_ +noemden en die een middeleeuwsch prototype van _spleen_ en _weltschmerz_ +schijnt te zijn geweest[11]. + +Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover +elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en +DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN +tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de +Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux, +die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en +vele dorpen worden verbrand. + +De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer +dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche +edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan +over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER +LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en +slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het +Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de +burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de +patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog +beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering +gunden[12]. + +Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand +tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de +strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre; +tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en +WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude +tegen de Friezen sneuvelt. + +Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood +in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof. + +"Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze +voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte +heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten +schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van +den neus. "Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals +afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte "alle duytsche +lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander +het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche +munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met +verlies van een oog, een "pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim +moest missen. + +Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de +kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een +ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone +straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven +jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door +de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als +vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan +wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik +samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat +lijden geeft: + + Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror. + +Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met +krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de +teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot +het graf begeleidde zij den mensch, ja, haar invloed eindigde ook met +den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de +gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling +die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden. +Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig +schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij +het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot +aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde, +aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige +hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde +waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig +leven in eeuwigheid. + +In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen +die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar +den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis +ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT +CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL +beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne +trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat +nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de +heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik +een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat +er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214 +kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van +Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, zóó eenvoudig van +hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de +zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid +voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het +niet begrijpelijk, dat de dichter van den _Karel ende Elegast_ in den +aanvang van zijn verhaal "wonder en waarheid" in één adem noemt? + +Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven +van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging +daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal +kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de poëzie heeft +geuit. Zóóveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat +gedurende de 13de eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere, +het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven +heeft zich toen vooral _standsgewijze_ geuit. En zoo bevat de poëzie, +die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van +individuen, maar van standen. Daarom mag zij _standenpoëzie_ heeten. + +In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde +persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Zóó is +het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT +vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig +van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons +gekomen, doch het zijn _slechts_ namen. Wat baat het ons of wij weten +dat "CLAES VER BRECHTEN ZONE" den _Willem van Oranje_ vertaald heeft? +Dat WILLEM VAN UTENHOVE "een priester van goeden love" was en dat de +dichter van den _Reinaert_ eveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen +nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der +bewerkers ons onbekend. + +Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie als +volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende stroomingen +die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpoëzie, +geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] _Der Minnen Loop_, IV, vs. 4 vlgg. + +[2] _Gedichten_ (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den +Henegouwschen dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een _dis des trois estas +dou Monde_ (_Dits et Contes de Baudouin de Condé_, II, 49 suivv.). Beide +stukken hebben overigens niets gemeen. + +[3] Vgl. Boek VIII, vs. 1070. + +[4] VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 141. + +[5] Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE, +MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, _Höfisches Leben zur zeit der Minnesinger_; +SCHOTEL, _De Abdij van Rijnsburg_; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Studiën en +Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique_, no. 32; _Kronijk +v.h. Histor. Genootschap_, XII, (164-165); twee artikelen van POLS in +_Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh._ (stuk over Graaf JAN I van Holland) +en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879. +_De Slag van Woeringen_ (ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de +Aant. p. 542. + +Wat den _Grêgorjus_ van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de +tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan. + +[6] Vgl. _Reinaert_, vs. 2006-'98: + +Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer +worden wi gesellen. + +[7] Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S _Deutsche +Rechtsalterthümer_, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in: +_Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin_, p. 259 vlgg.; +_Nederd. Regtsoudheden_, p. 298; _Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd. +Lett._, 4e Reeks, Deel I; MOLL, _Kerkgesch._, II, 4, 225; _Kroniek van +Melis Stoke_ (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; _Kerken Claghe,_ +vs. 212; _Moriaen_, vs. 174-177; voorts _Grimb. Oorlog_, II, vs. 291, +413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; _Parthonopeus_, vs. 1227; +_Limborch_, II, 1862. In het _Mnl. Wdb._ zullen i.v. nog wel andere +voorbeelden genoemd worden. + +[8] Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De +oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van +wat zij: _inlapsels_ noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn. +Wie een citaat uit den _Brandaen_ niet afdoend acht uit hoofde van +mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den +Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in +MAERLANT'S _Alexander_, I, 953-960; VII, 61-84; 93-105; _Leven van S. +Lutgarde_, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694-6716; 9542-'48; +9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III, +548-557; 850-864. _Der Leken Spieghel_, II, c. 48, vs. 668-685 (men +lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). _Der Minnen +Loep_, I, 2047-2060. STOETT, _Syntaxis_, p. 146; _Hildegaersberch's +Gedichten_, 155, 203 vlgg.; 157, 129-138; 157, 1-15. FRANCK onderstelt +in den dichter van het _Leven der H. Lutgarde_ opzet bij het maken +zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. +Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te +hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in _Neue Jahrbücher für das +Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit._, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432-434. +F. denkt aan invloed van het Latijn). + +[9] Deze en andere voorbeelden vindt men: _Karel en Elegast_ (ed. +KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; _Sp. Hist._, I, p. 34, vs. +21; _Alexander_, I, 1121; _Moriaen_, vs. 86, 3795; _Tijdschr. v. N.T. en +L._, XVII, 297 vlgg.; _Kar. e. Eleg._, 100, 198; _Merlijn_, p. 72, vs. +6696; _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 572; STOETT, _Syntaxis_, p. 121; +BOTERMANS, _Die hystorie van die seven wijse mannen van romen_. +Proefschrift, p. 50; _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM). +Inl. XXXVI. + +[10] _Torec_, 3800-3804; 3738-'41; _Moriaen_, 355, 573, 972; _Karel en +El._, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S _Syntaxis_, p. 144. + +Het verwante verschijnsel in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 187; +behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: _Flovent_, 395; _Madelghijs +Kintsheit_, p. 69, vs. 40; _Aiol_ (Vlaamsche redactie), vs. 663; _Karel +de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)_, p. 12, vs. 287; p. 31, vs. +872 (weer het eerste verschijnsel). LONGINUS of althans de schrijver van +het boek [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij +HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI _de Sublimitate_ (ed. B. WEISKE. +Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII. + +[11] Vgl. TE WINKEL'S _Maerlant_, p. 257, noot 2; WYBRANDS, _De Abdij +Bloemhof_, p. 72; _Naturen Bloeme_, II, 690-2; MOLL, _Kerkgesch._, II, +2, 78; _Brab. Yeesten_, V, 144-146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE +HOOP SCHEFFER, _Stud. en Bijdr._, II. + +[12] DEWEZ, _Histoire générale de la Belgique_, III, 43; HEELU'S _Slag +bij Woeringen_, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL, +_A.v.R._, o.a. p. 100-101; PIRENNE I, 416, 422. + +[13] BLOK a.w. I, 175. + +_Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap_, XXIII, 43. + + + +1. RIDDERPOËZIE. + + Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom + der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de "matières" + te onzent geoorloofd? + + Romans: _Flovent_, _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, + _Renout van Montalbaen_, _Geraert van Viane_, _Lorreinen_, _Aiol_, _Aubri + de Borgengoen_, _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_. Overige + romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Karel en Elegast_. + + II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: _Lancelot_, _Percevael_, + _Ferguut_, _Floris en Blancefloer_, _Partonopeus en Melior_. Overige + romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Moriaen_, _Walewein_. + + Eindbeschouwing. + +Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch +uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door +overmaat van weelderigheid--zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het +ridderwezen. + +Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige +bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de +Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der +kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling +met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn "grootmoedig in +tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid, +voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke +braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren +lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil +hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars +bevrijden, weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen, +onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot +bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene +steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen +Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat +ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks +vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven." + +Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in +veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der +maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende +rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na +eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden +haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de +vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst +waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid, +die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de +losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en +bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht, +roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een +stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke +beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal +overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke +ontwikkeling[1]. + +De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn +ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie +kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van +FRANCESCA DA RIMINI en die verzen: + + Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse: + Quel giorno più non vi leggemmo avante. + +Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben +uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den +aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden, +uit den tijd der Merovingen, zooals de _Floovant_; uit dien der +Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote +vazallen des rijks optreden: de _Chanson de Roland_, de _Chanson des +Saisnes_ (Saksen), den _Ogier_, den cyclus van _Guillaume d'Orange_, de +_Lorrains_ (hertogen van Lotharingen), _Renaus de Montauban_, _Aiol_, +_Auberi le Bourgoing_. Kort voor of in den aanvang der 12de eeuw +begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den +Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken: +den _Roman de Troie_, den _Roman d'Enéas_, _Roman de Thèbes_, de _Geste +d'Alexandre_, den _Roman de Jules César_. + +Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch +element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12de eeuw een +nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die +rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land +hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al +spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters. +Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden +ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij +vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne +gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig +doet gelden òf zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene +hoofdrol spelen als: de _Tristran_, _Ivein_, _Lancelot_, _Erec_, +_Gauvain_, _Cligès_. + +Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans als _Le +Grand Saint Graal_, die bestaat uit deze drie deelen: _Jozef van +Arimathea_, _Merlijn_, _Perceval_; voorts _la queste_ (het zoeken) _du +Saint Graal_ en een gedicht _Le Petit Saint Graal_. + +Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan +ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie +voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In de _Chanson +des Saisnes_ heet het: + + Ne sont que trois matières a nul home entendant: + De France et de Bretaigne et de Rome la grant. + +Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn, +bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns geestes kinderen; de +romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan +een anderen geest. + +Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden in twee groote +afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het +uitheemsche. + +Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude +nationale _Chansons-de-Geste_ met hunne ruwheid en grootschheid, ziet +men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen +vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met +mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in +de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in +zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden +weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder +ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep +staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het +kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en +kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de +makers der oudste _Chansons-de-Geste_: _Roland_, _Girard de Roussillon_, +_Jourdain de Blaives_, _Floovant_, zijn ons onbekend; van de dichters +der latere _Chansons_ kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI, +BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE TROYES, BÉROL, +BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE +DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters +hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere +hebben uitheemsche gedicht. + +Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken +vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen +van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere +decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2]. + +Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig zich te +ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar +bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der +ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren +Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12de eeuw in +een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch +werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in +Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge +geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den +Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168-1191) leefde en werkte de +beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans; +BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar +bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te +Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de +Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene +Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder den invloed der Fransche. + +Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet +mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het +laatst der 12de of althans de eerste helft der 13de eeuw als zoodanig +moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken +(_Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael_) gewaarschuwd tegen +den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende +ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de +bovengenoemde "nationale" groep behooren, zooals _Willem van Oranje_ en +de _Heemskinderen (Renaus de Montauban)_; enkele zoogenaamde klassieke +romans, zooals die over _Alexander_; een paar die in het Oosten spelen: +de _Floris en Blancefloer_ en den _Partonopeus_; eindelijk een groot +aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van +_Lancelot_ en _Tristan_[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende, +bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het _Leven van Sinte Lutgart_ +gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet +willen luisteren naar "goede exempelkine", maar gaarne komen: + + Daer men van ouden ijeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] singet, + Oec daer men voert die sagen bringet + Van wigen [Zijnoot: strijden.] och van tavelronden, + Daer wilen eer hen onderwonden + Te dichtene af die menestrele. + ... + Mar wonder hevet mi van desen + Warumme si so gerne lesen + Van ouden sagen dat gedichte + Ende oc geloeven also lichte + Din logeneren die se tellen. + ... + Mar die die oude bourden scriven, + Si swegen bat, dat seggic hen[6]. + +Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op +Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de +gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of +geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis +van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van +Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS, +wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in +het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks +zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer +zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij +geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst +vertaald hoorde voordragen? + +Indien men nu in aanmerking neemt, dat de _Alexander_, het oudste der +genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257-1260 zal zijn vervaardigd +en het _Leven van Sinte Lutgart_ tusschen 1263-1274; dat de romans, +waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben +behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke +Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der +12de eeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen--dan +zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12de of +den aanvang der 13de eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans +heeft verdietscht. + +Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie zich bedienen +van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche +(Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In +allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche +literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich +bewust is geweest van een onderscheid in drie "matières". Niet, als in +Frankrijk, beantwoorden hier de beide groepen aan verschillende +cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel, +voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te +onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen. +VELDEKE'S _Eneïde_ is het vroegste episch vertaalwerk dat wij met +zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van den _Roman de +Troie_, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van de +_Chanson de Roland_ niet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet, +zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht +reeds vóór den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang +gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene +Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen. +Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het +laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw, zonder oordeel des +onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien +wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van +riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een +verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen +wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen. + + +FRANKISCHE ROMANS. + +De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel +krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende +gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en +geëerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne +oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en +burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden +strijd tegen het "Saracynsche diet" dien ook de groote Koning met zijne +dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans +voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde "genooten", +lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en +zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den +strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van +Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het +geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel +indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door +dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen. + +Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden +bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te +blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten +doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar +Spanje gekeerd, maar het hart vol van "het zoete Frankrijk" en zijne +maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God +zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met +saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf +ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige +hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer +neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, "als de eik +tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen, +die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de +gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen, +binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn +scherp zwaard over zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden +bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op +zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord spreken. De +afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet +aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij, +nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord +uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft +zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden +schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man +dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat +woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het +aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort. + +Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook +voor het zachte, het teedere is er eenige plaats. + +In de grootsche _Chanson de Roland_ komt de teederheid soms te +voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken. +ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met +moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn +blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND +die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner +laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe. +ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat +met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.--Ik hoor u, zegt OLIVIER; +ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u +getroffen, vergeef mij.--Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik +vergeef het u. + +Hoe treffend is het tooneel in den _Willen van Oranje_, waar de +roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster +uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd, +ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge +kinderen. + +Aandoenlijk is in den roman der _Heemskinderen_ de trouw van het +reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den +eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de +steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang +het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu +dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar +Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het +boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, "alsof 't een +mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit +hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet, +zinkt het ros en verdrinkt. + +De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den +voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een +komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages +zich vermaken, zijn ruw of grimmig. + +Behalve de kleine roman van _Karel en Elegast_, die een afzonderlijke +plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons +gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner +fragmenten[9]. Wij noemen den roman van _Flovent_ in de eerste plaats, +omdat de _kern_ van dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste +Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als +oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS. +Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap +RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de +Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen +schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander +FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door +zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen +worden verslagen en FLOVENT later koning van Frankrijk. Ons fragment van +ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche +redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere. + +Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats het +_Roelants-lied_ te worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het +verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van +KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën +door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde +van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de +Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is +waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke +vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal +fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten. +Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan +komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen +van het Fransch ten deele teruggevonden worden. + +Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten +welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der +voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen +wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën +te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer werken, het +zoogenaamde _Moniage Guillaume_ (WILLEM'S monniksschap) hier vertaald; +van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment +van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de +wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, "VER BRECHTEN SONE", deze +vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen +de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en +eenige van zijne latere lotgevallen. + +Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen +geeft de roman van _Renaus de Montauban_ ons een voorbeeld[11]. Een der +machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in +strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten +dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien +strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde +koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan +den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS +spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den +naam van den oudste der vier Heemskinderen--zooals zij later te onzent +genoemd werden--daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans +telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht +eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het +mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der +bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch +origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons +overgebleven redactiën is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche +bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de +bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke +Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12]. + +De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien +slechts een zevende der gansche bewerking[13]. + +Naast den _Reinout van Montalbaen_ moet de _Geraert van Viane_ genoemd +worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van +CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier +verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in +Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van +dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche roman +van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen +bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking. + +Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden +wij in de _Chanson des Lorrains_. Door die geheele grootsche epopee +immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de +"veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van +FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens +wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit +weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen +sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen +en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der +Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT +doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de "veede" +over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven +ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen, +misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht +bevattend[14]. + +Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten de _Aiol_ in. +Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen +ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn +verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste +wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en +wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten--maar hij wint zijne +zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide +bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg +vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons +bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600 +verzen bedragend, omvatten vs. 2538-10092 van het origineel. Eenige +verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58-73) vindt men in het +Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn +overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde. +Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons +onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld +worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel +in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft +veel weggelaten (vs. 518-601 komen overeen met vs. 8354-9061: 83 verzen +in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801-1200 +dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze +bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het +feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam +vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: _Scaerdeline_, terwijl in het Fransche +gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het +origineel als _Elie, Avisse_ zijn weergegeven door _Helline_ en +_Anflisse_, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts +kende van "hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede +fragment dezer bewerking (_Baselie, Mersaelien ende Eggermort, +Florette_, het wout van _Bonival, Godevert van Brusewijc_) in het +Fransch in het geheel niet voor. + +Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman van _Auberi le +Bourgoing_. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een +jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in +Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door +een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat +land wordt. + +Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot +dusverre geacht worden ontleend te zijn aan den roman van _Doon de +Mayence_ en aan de _Chanson des Saisnes_ (Saxons). Het eerstgenoemd +fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO +(ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere, +welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten +drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats +hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de +ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt +aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en +de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote +rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in +aanmerking neemt dat de roman van _Fierabras_ hier volgens MAERLANT'S +mededeeling reeds vóór het eind der 13de eeuw vertaald was; dat in den +_Geraert van Viane_ de strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats +heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den +roman van _Karel en Elegast_, optreedt als toovenaar; dat de naam van +ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van +CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men +waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche +epische stoffen vóór ons hebben. + +Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam _Gwidekijn van +Sassen_, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18]. +Met JEAN BODEL'S _Chanson des Saxons_ heeft ons fragment niets gemeen; +dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die +bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik +onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment +verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger, +waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend), +OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden, +heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC, +GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft +plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking +kende het _Roelants-lied_ blijkbaar; met den ridder in de zwarte +wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook +hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van +epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door +mondelinge overlevering bekend waren geworden. + +Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd +vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene +Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt van _Fierabras_. +Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in +Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt, +leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook +Nederlandsche bewerkingen der romans van _Foulque de Candie_ en van +_Karel en Galie_, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in +den _Karlmeinet_ is bekend gebleven. + +Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds +behandelde: _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Reinout van +Montalbaen_, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der +13de eeuw, ten deele misschien (het _Roelants-lied_ b.v.) nog uit het +laatst der 12de eeuw dagteekenen. Ook van den _Flovent_, _Geraert van +Viane_, de _Lorreinen_, den _Aiol_ (ten minste de Limburgsche redactie) +en den _Aubri de Borgengoen_, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de +eerste helft der 13de eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van +den _Aiol_, de _Doon de Mayence_, de _Gwidekijn van Sassen_ tot +dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13de eeuw +moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer en beter gegevens hebben, +zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20]. + +Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische stof wordt +gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die poëzie echter was +voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier +gewag gemaakt van die poëzie alleen om den smaak onzer voorouders in +dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben +slechts eenig aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben +nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche +werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of +navolging?[21] + +Over het algemeen kan men zeggen, dat--met uitzondering van het +_Roelants-lied_--bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen +bestond. In de _Lorreinen_ die vrij letterlijk vertaald schijnen, worden +de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in de _Geraert van +Viane_ zijn verzen als: + + Wi sullen hem marghiin laten weten, + Of onse swerde connen sniden, + +tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke +voorkomen. In den _Aubri_ is sympathie voor het ridderwezen; de bewerker +heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn +meester terugvindt. + + Ende het begonde neyen [Zijnoot: hinneken.] zeere + Ende scrabbelde metten voete. + +Ook in den _Renout_ kan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van +het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel. + +Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van het +_Roelants-lied_. Niet zoozeer, doordat de bewerker slechts gebrekkig +Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de +meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt +ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in +zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel, +hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in +zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de +wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte +halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de +lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de +gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet +op een prik of de den neus beschermende strook metaal (_le nasel_) al +dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het +lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt +tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde +toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij +weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een +getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor "douce France" heeft hij alles +over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens +worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: "halt sunt +li pui e tenebrus li val" [Zijnoot: Hoog zijn de bergen en duister de +dalen.], verhoogt nog den indruk van het geheel. + +Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets +gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die +uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke +mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton +toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de +heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer +OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk +tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het +Fransch: + + Vus ne gerrez [Zijnoot: zult liggen.] jamais entre sa brace + +in het Nederlandsch: + + Nemmermeer en wert si u wijf. + +Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen +ondergegaan. + +Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar +krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van +zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van den +_Aiol_, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort +of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN +daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met +dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze: + + Ware Macharijs mijn oem hier, + Hi soud u, Ayoel, _selc een bier + Met vullen nappe scinken_, + Ghi souds langhe mogen dinken[22]. + +Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654-700) vinden wij in +het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers +als het derde van dit drietal: + + De hermite starf cortelike, + Want hi voer te Gods rike: + _Daer moeten wi alle comen_! + +De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de "maechscap" die haar verhindert +AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23]. + +De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen +gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie +heffingen al te lange verzen afwisselen. De rijmen zijn achteloos +behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen +is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene +eigenaardigheid des bewerkers van _Reinout van Montalbaen_ is, dat hij +in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord _man_ moet _sente +Jan_ te hulp komen; bij _trouwe_: _onse Vrouwe_; bij _huus_: _Jesus_ +enz.[24]. Niet alleen het _Roelants-lied_, maar ook de _Lorreinen_, de +_Reinout van Montalbaen_ wemelen van stoplappen; met _Flovent_, _Aubri +den Borgengoen_, _Willen van Oringen_ schijnt het in dezen beter +gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er +ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde +dichters (_clercken_) te doen hebben. + +Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij in _Doon de +Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_ en de Vlaamsche redactie van _Aiol_ eer +vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien +hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen van _Karel +ende Elegast_. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden, +dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof +hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering, +tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel +hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen. +Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden, +die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd +en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt +de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eene +_cantilena_ (lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige +Oudfransche gedichten, vooral den _Renaus de Montauban_ en een werk van +lateren tijd, _le Restor du Paon_, wordt over dit verhaal gesproken. Dat +er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen +omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een +episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het +Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een +Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan +noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de +Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne +stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de +meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn +naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van +een bron, nergens eene uitdrukking als "die boec seit" of iets +dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze +verzen uit den aanhef: + + Wat den coninc daer ghevel, + _Dat weten noch die menighe wel_ + +wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de +richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om +reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons +gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer: +de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen, +waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons +verhaal--anders dan in de Fransche vermeldingen--de landstreek rondom +KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt +in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar +verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk +AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken, +het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden bassen; de +kennis van een tooverspreuk (hier _bede_ genoemd) waardoor hij de +bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men +in Germaansche sprookjes terugvindt[27]. + +Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een +geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande +uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken +aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver +afstaat. + +Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en +vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als "een +heilich enghel", "d'enghel die van Gode quam", "d'enghel van den +paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van +Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den +nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen +riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: "varen +stelen of God verwerken [Zijnoot: van zich afkeerig maken.]!" Hoe goed +kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide +gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de "witte" +halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den +wachter die "den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is +hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, "d'edel man" zooals hij telkens +wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST, +door hem op valsche aantijgingen verjaagd. + +Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de +sympathie die de "vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook +beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen +den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken +vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft van _roof_, maar dat +verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Dat +publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en +edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS +talenten als dief en inbreker. + +En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met +slechts een enkele reflexie over "vrouwenlist", zelden ontsierd door +stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar +doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over +"ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit +bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten +ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in +EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te +boeien en met zich te voeren--zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan +zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan. + + +KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS. + +Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat +hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans. +Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven +daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar +op grooter schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop +gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd +was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en +wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij +begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving, +fijnheid van vormen en omgangstaal. + +Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche +ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder; +koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen +eene glanzende schaar van ridders, getrouwe vazallen, bereid hun leven +voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en +jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en +op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een +levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke +veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding. + +Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden +van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden +alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij +geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken +gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den _Roman van Troye_: +HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.--Word toch wakker, +POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel +gij wilt.--Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te +zitten slapen?--Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers +in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het +u slecht bekomen.--Sliep ik dan?--Ja zeker.--Als gij het zegt, moet het +waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?--Ja gij, maar +onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.--Mag ik zoo vrij zijn +u te vragen, wat ik miszegd heb?--Ja gij: eerst zegt gij tot mij: +"genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u, +wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik +die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u +wakker.--Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol +van is, daar loopt de mond van over.-- + +Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet, +want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende jonkers gold: +"vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht +blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die +hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen +rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne +eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi +te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS +voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; de liefde voor GALIENE +doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt +ridder. + +Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het +voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let, +hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken +werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS +denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons MELIOR, +TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke +VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de +bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne +misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE? + +Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der poëzie; +nergens misschien liefelijker dan in den roman van _Lancelot_, waar ons +verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee +MORGUEYNE.--Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het +venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit +hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne +wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren +verschijnt meermalen ééne vrouw--de koningin. Dikwijls gaat hij op haar +beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij. +De Mei is gekomen; April heeft oorlof genomen. Weer ziet hij de boomen +bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen... hij ziet haar +rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg +opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ééne is +er, pas ontloken--zóó was zij, toen hij haar zag ten tournooi te +Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het +venster, maar de ijzeren traliën houden hem tegen. "Zouden traliën mij +tegenhouden?--Neen!"--met beide handen grijpt hij de twee staven aan; +één ruk... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht. +Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en +legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een +goed ros, zit op en rijdt heen. + +Waarheen? Op een der vele tochten ("questen") die deze dolende ridders +ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een +wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken. +Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar +kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar +tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij +geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar +ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars. + +Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen +aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een +tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan +in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den +strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon +MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt +het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld; +LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN, de ridder met den leeuw, +ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde +staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De +Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde. +Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet +hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten +bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in +een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het +zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een +heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn +gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en +wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest +hem weldra uit het oog. + +Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met +hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der +Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch +WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de +reine GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal +zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten +geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een +tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de +Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een +schotel, later een beker (_gradale, graäl_ is een Romaansch woord voor +_schotel_), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal. +De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische +mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de +Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschéor) wordt in +Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal +reeds in CRESTIEN DE TROYE'S _Conte del Graal_ (omstreeks 1175). +PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page +binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot +de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan +een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Zóó +verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller +kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk +door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo +blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met +het brood des levens. + +Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons +gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van _Lancelot,_, +_Percevael_, _Walewein_; de romans _van Ferguut_, _van Torec_, _van den +Graal_ en _van Merlijn_; de roman _van Alexander_ en die _van Troje_; +eindelijk de verhalen _van Floris en Blancefloer_ en _van Partonopeus en +Melior_. + +Over de romans _van Merlijn_, _van den Graal_ en _van Torec_, evenals de +roman _van Alexander_, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later. + +Onder den naam: _roman van Lancelot_, is tot ons gekomen een groot werk +dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige +werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men +langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1o een groot werk +waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is +gekomen, 2o de _Graalqueste_ en 3o _Artur's dood_. Voorts hebben wij, +blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE +TROIE'S _Percevael_, van de _Wrake van Ragisel_, een _Walewein-boek_, +een roman _van den Ridder metter mouwen_ en de vertaling van een paar +Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32]. + +De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal +verzen uit den proloog van den _Lancelot_ (II, 11-14): + + Ghi sult hier horen scone die jeesten [Zijnoot: verhalen.] + Bede van rouwen ende van feesten, + Van ridderscape groote daet, + Van selsieneheden [Zijnoot: vreemde dingen.] menich baraet [Zijnoot: + bedrieglijk spel.]. + +In den _Lancelot_ vinden wij vele "wandele" of "dolende" ridders. +Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen +hier o.a. reeds "'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die "den +boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft +twintig telgen: de eerste telg draagt "melthede", de tweede +"oetmoedechede", de derde "sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde +deel, dat de vertaling bevat van de _Queste van den Grale_, vinden wij +veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de "hertheid van ertrike" +voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders +zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de +nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op +een leeuw gezeten[33]. + +De roman _van Ferguut_ heeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers +is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is +vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen +der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te +worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting +trekt hij naar ARTUR'S hof--evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR +geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone +GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand +een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door +den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel +uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling +der moderne volken onder den invloed der liefde. + +Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE, +ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot +den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt +deel aan het beleg van eene stad enz. + +Iets eigens hebben ook de romans van _Floris en Blancefloer_ en van +_Partonopeüs en Melior_. In beide staat de liefde op den voorgrond, de +avonturen--hoe talrijk en wonderbaarlijk ook--op den achtergrond. Maar +in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen +opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door +de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde, +met naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt +Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van +KAREL DEN GROOTE. + +In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof +als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPEÜS +VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een +geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend, +gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich +naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te +zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en +daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin +PARTONOPEÜS half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De +geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van +Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer +van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf. + +Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een +historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het +Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom +en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar +zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS. +Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze +waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld +zijn. + +Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze +soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van: _Tristan +en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine_[34]. Al zijn ons +geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er +bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke +werken, hierbij te voegen. Want--wij stipten het reeds aan--men mag ter +wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of +Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn +al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat +reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw, +indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen. +Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de +namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen +op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen, +gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed +en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans +ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil +tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere +Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke +heldinnen uit een Keltischen roman. + +De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het +midden der 13de eeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden +door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel +tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten +deele, nog wel tot de eerste helft der 13de eeuw behooren. + +Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze: +welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk +Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak +opgevat en uitgevoerd? + +De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan; +zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd, +niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk +uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van +den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den +eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35]. +Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in +den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden +gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een +bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te +maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den roman _van +Percevael_ in zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van +nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts +hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te +hebben[37]. + +Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den _Ferguut_. Het is +mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken +hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou +hebben begonnen. Doch in allen gevalle bestaat er geen reden, om het +eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk +van een "hoofsch" tegenover dat van een "dorper" dichter; beide deelen +der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker +eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den +Franschen roman _Fergus_ was blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE +TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het +Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier +niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam +dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS' +_Ivain_, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam +draagt[39]. + +De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige poëzie en de +Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo +zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem +weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het +oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede +is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden. +Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of +ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling van _vilain_ +door _vrient_; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de +opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de "mamelettes comme pumetes +[Zijnoot: appeltjes.]" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets +gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht +in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk +blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in +het bosch niet heeft _gezien_; niet gezien "hoe de Koning gaat staan in +de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe "de +bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt "het hijgen en +woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt +bovendrijven met "den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen +water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker +ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor +Koning ARTUR en zijne ridders: "Hi stont ende sweette als een das"; +iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets "aen sijn +cleet wriven" of iemand "sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg +van zijne minnares; "een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de +Nederlandsche dichter, en: "zijne rapen zouden wel eens kunnen +aanbranden"[42]. + +In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de +grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat +GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR +tot GALIENE doet zeggen: "ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw". + +Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene +uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje +hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat +niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze +bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat, +doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan +de gewenschte fijnheid van gevoel. + +Meer talent dan uit de bewerking van den _Ferguut_ blijkt ons uit die +van den _Partonopeüs_, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen) +tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van +ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde +zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch +element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen +heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken +hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming +daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de +vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van +meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner +bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van +sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den +ridderslag en het houden van een tournooi--aan _gevoel_ voor deze dingen +ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van den _Ferguut_ heeft +hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen; +hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den +jachthond aan de "leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den +ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij +blijkbaar behagen: + + scone gewapent quamen si echt [Zijnoot: achteraan.], + scilt ane hals ende spere gerecht, + helm op 't hovet, baniere gebonden, + ende neder totter hant ontwonden. + +Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat +menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij: + + Dus souden wi die roede houwen + daer men ons soude mede blouwen [Zijnoot: slaan.], + +Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden +door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45]. + +Hooger dan de _Partonopeüs_, het hoogst misschien van al deze +bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S _Floris ende Blancefloer_. +Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch +gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd +verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische +opvatting der liefde. Het zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen +als _Tristram en Isoude_, _Paris en Helena_ en andere werken der +hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen +dorperlijk gemoed--hij besefte het--kon de edele minne op den rechten +prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken, +leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren +kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur, +zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het +"walsch": + + men moet corten ende lingen + die tale, salmen se te rime bringen. + +en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne +worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch +daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met +zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke +door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat, +beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naïeve bevalligheid +van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke +wijze in zijn dietsch weergegeven. + +Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een +Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in +zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in +gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze +de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000 +Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne +wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48]. + +Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de +kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het +bouwen van verzen en het vinden van rijmen, dan wordt ons dat moeilijk +gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie +tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn +wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen +ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen +minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romans +_van Ferguut_ en _van Partonopeüs_. Daar, evenals in den _Walewein_ en +den _Moriaen_, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamd +_rime riche_ (gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie), +zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het +eigenaardig soort van rijm, dat wij in den _Renout van Montalbaen_ +aantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet +voorzien, vinden wij in den _Ferguut_ terug[49]. + +Zooals onder de Frankische romans o.a. de _Aiol_ den overgang vormt van +de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk als _Karel en +Elegast_, zoo staat hier de bewerking van _Floris en Blancefloer_ +tusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen +zelfstandig te zijn: _Moriaen_ en _Walewein_. + +Ook de roman _van Moriaen_ is ons bewaard gebleven in de +Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen +te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te +zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze +roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon, +een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt +oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De +zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit +andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot +een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en +versbouw, doch overigens niets eigens noch veel kunstvaardigheid toont. +Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt +gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de +handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen +tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een +sterk kasteel--dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze +romans werden samengesteld. + +Bovendien heeft de dichter gedurig den roman _van Karel en Elegast_ voor +oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke +navolging opmerken[52]. + +Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had +leeren kennen, schijnt ook de roman _van Walewein_, waarvan door den +dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300 +verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld +van onderscheidene "questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig +schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet +WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren +aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij +daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN +bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard +slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S +dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van +JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen, +wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook +haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de +moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te +overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het +schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning +ARTUR die zijn schaakbord ontvangt. + +Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder +belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen. + +Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden +geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE +en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van +den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in +andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien +aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis +_van Peredur (Perceval)_; daar ook de vermelding van het "Castle of +Wonders" of "van den wondere dat casteel" zooals het in den roman _van +Lancelot_ genoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald +wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene +tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn +ons van elders bekend[55]. + +Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een +geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in +het bekende sprookje: + + Toen ging hij naar de Galg: + "Galg, wil jij Man hangen? + "Man wil niet Os dollen, + "Os wil niet water slobberen + ... + ... + Ja, zei Galg. + En Galg hing Man, + En Man dolde Os + En Os slobberde water + enz. + +Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt +moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel +verhalen over _Walewein_; of zij echter het oog hebben juist op dezen +roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij +sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die +over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd +zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13de eeuw, en eer tot de eerste +helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij +groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te +geven[57]. + +De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar +praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen +hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De poëzie, uit dat +ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar +waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan +de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk +gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest. + +Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde onder den +invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan om die bewering te +staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het +geval. Doch--en dat feit weegt zwaarder--de volksziel nam hier te lande +het ridderwezen niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo +krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale +ridderpoëzie werd geboren; eene _eigen_ ridderpoëzie, gelijk de +Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG, +HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk +epos van _Nibelungen_ en _Gudrun_. + +Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door hen vertaalde +of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor +het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en +zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen: +die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende +opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan +verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij +voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee +zelfstandig bewerkte Keltische romans. _Karel en Elegast_ staat niet +veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus; +_Moriaen_ en _Walewein_ veel lager dan de beste Fransche romans van den +uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich +afspiegelt in de Frankische romans, heeft--zou men zeggen--sterker +indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden, +kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende +periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche +bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren. + +Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk +ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren poëzie +heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die +idealen en die poëzie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij +afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder +geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al +niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene +andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting +vragen nu onze aandacht. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE +SAINTE PALAYE, _Mémoire sur l'ancienne Chevalerie_; L. GAUTIER, _La +Chevalerie_; A. SCHULZ, _Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger_; +MOLL, a.w. II, 4, 235. + +De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland--aanlokkelijke maar +zware taak--moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig +bewerkte studie: _Het kasteel in de XIIIe eeuw_, later omgewerkt tot: +_Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans_. Maar het blijft de +vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als +bronnen mogen dienen. + +[2] De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn +hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de +Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal +verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit +overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS +(_Histoire poétique de Charlemagne_); L. GAUTIER, _Le Epopées +Françaises_ (2e éd.); PIO RAJNA, _Le origini dell'epopea francese_; K. +NYROP, _Den oldfranske heltedigtning_. Ik volgde vooral NYROP en de +auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S _Histoire_, I, 49-344. + +Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke +aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur +(tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet +gevoegd o.a.: _Studies on the Legend of the Holy Grail_ by ALFRED NUTT +(1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk +door Prof. H. ZIMMER in _Gött. gel. Anzeigen_ (1890); _Studies in the +Arthurian Legend_ by JOHN. RHŶS. (1891). Zie voorts de literatuur bij +PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. +FOERSTER'S _Der Karrenritter_ (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899. + +[3] Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368-9; JONCKBLOET, I, 113 (noot). + +[4] Vgl. TE WINKEL, p. 79-83 en J. STECHER, _Hist. de la Litt. Néerl._, +p. 21 suivv. + +[5] JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen +gevestigd. Vgl. o.a. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 140 vlgg.; 289 +vlgg. + +TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn _Maerlant's +Werken_, (2e druk), bl. 402-408. + +[6] _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39-57. Vgl. ook +de plaats uit _Van den Levene ons Heren_ die later vermeld zal worden. + +[7] _Acta Sanctorum Junii_, III, p. 242-3: "in quadraginta annis, quibus +postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici +addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit." +_Leven van Sinte Lutgart_, II, 461 vlgg. + +S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246. + +[8] De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in +zijne voortreffelijke uitgave der _Chanson de Roland_, p. 30-31 (in de +aanteekeningen). + +[9] Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier +behandelde fragmenten naar mijne _Mnl. Epische Fragmenten_. Daar ook +vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz. + +[10] _Spiegh. Hist._, IV, 1, c. 29, vs. 73-76. + +[11] Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875). + +[12] Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p. +XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers. + +[13] Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het _Volksboek_ (ed. MATTHES), +dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het _Volksboek_ overeenkomen +met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het +gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar het _V._ +184 bladzijden telt. + +[14] Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in _Tijdschrift voor Ned. T. en +Lett._, II, 209 vlgg. + +[15] Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte +ik, dat SUCHIER dat deel der _Lorreinen_ hetwelk niet te vinden is in +het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het +aan een verloren Fransch werk ontleend acht. + +De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde +over dit onderwerp zijn gepubliceerd: _Romania_, XXI, 361 suivv. en +XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne _Gesch. der Franz. +Lit._ (1900), p. 45. + +[16] _Scaerdelijn_ ziet er uit als eene afleiding van _scaert_ +(_scaerde_). Zie o.a. _Karel ende Elegast_, vs. 413 de "scaerde ende +vlegghen" in de helmen. + +[17] Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen voor. +Zie o.a. Pio RAJNA, _Le Origini_, p. 402. + +[18] Eene collatie van het hs. gaf ik later in _Tijdschr. v. Ned. T. en +Lett._, IXe jaarg., p. 166, 189. + +Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: "Winechkijn, der Sassen here"; +zie: _Spieghel Historiael_, III, 8, c. 86, vs. 3. + +[19] Met terugneming van hetgeen ik vroeger (_Tijdschr. v. N.T. en L._, +IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met _El'e_ of _Es'e_ in het hs. +Elegast bedoeld is. + +[20] Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als +die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk +gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het +gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van +mijn verhaal naar mijne _Middelnederlandsche Epische Fragmenten_ en de +vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische poëzie. Doch er valt +ook in onze ridderpoëzie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de +verhouding van den _Karlmeinet_ tot de Mnl. ridderpoëzie. + +[21] In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den +tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene _vertaling_ in onzen +zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer een +_bewerking_ dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS +(_Mnl. Ep. Fragm._, p. 51) zegt: "traduire c'était imiter; on +retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes +manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in +te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene +redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet +vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben +gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn +onderzoek van den _Partonopeus_, Dr. BOTERMANS in dat van _die hystorie +van die seven wyse mannen van romen_; ik meen ook te mogen wijzen op +mijne Inleiding tot de fragmenten van het _Roelantslied_. + +Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene +vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest +der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen +vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten +zetten. + +Bij de vergelijking der bewerkingen van _Nibelungen_, _Roelantslied_, +_Reinaert_, _Rinclus_ e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen +van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende +afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker. [ +F2] _Aiol_ (ed. VERDAM), vs. 14-17. + +[23] T.a.p., vs. 390-405: + +"Verdoemt moete de maechscap sijn" "Ay, maechscap, wat heb di mi +gedaen!" enz. + + +[24] Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103 +(pass.), 1147, 1248, 1515, 1774. + +[25] Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON. +1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'S +_Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast_. (Groningen. +1890). + +[26] Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar +JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche +Chanson-de-geste--hoe uitnemende vruchten die studiën ook hebben +gedragen--en had daarbij zóó weinig geloof in het dichterlijk vermogen +van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk +afdoende voorkwamen. + +[27] _Karel ende Elegast_ (ed. KUIPER), vs. 768-9, 837-839, 923. + +[28] _Roof_ was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte +onderscheid tusschen "diefte ende roof" (_Limborch_, X, 505). MAERLANT +zegt in zijn _Rijmbijbel_, (I, p. 206): "Ne roof niet, hen si dijn"; in +den _Spiegh. Historiael_, III, p. 374: "onse aerme worden rike met +rove". Zie verder _Nederd. Regtsoudheden_, p. 282. De dichter van _Van +den Levene ons Heren_ legt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943). + +[29] Vs. 105 vlgg; 203 vlgg. + +[30] Een overzicht van den _Oorsprong van den Graal_ gaf TEN BRINK in +eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk +uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897). + +[31] Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen +der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL, +MOLTZER en FRANCK in _Tijdschr. v. N.T. en L._, X, XIII, XIV, XIX, en +door VAN VEERDEGHEM in de _Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique_, 3me +série, tome XX, no. 12. + +[32] TE WINKEL, _Geschiedenis,_ p. 190. + +[33] Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg. + +[34] Vgl. _Maerlant's Werken_ door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg. + +Ook in _Floris en Blancefloer_, (vs. 58-59) wordt melding gemaakt van de +geschiedenis _van Tristram en Ysoude_. + +In het gedicht _Van den Levene ons Heren_, vs. 15, wordt onder de romans +waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die + +_Van Pyramuse_, hoe hi sijn leven Verloos.... + + +In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. (Vgl. P. +DE JULEVILLE'S, _Histoire_ etc., I, 244). + +[35] Zie JONCKBLOET'S _Inleiding_ op Deel II, p. CCVI. + +[36] Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50. + +[37] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIII, 38. + +[38] VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX. +Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste deel niet +19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. 59-60, 121-122, +563-4, 605-6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, 1331-2, 1673-4). + +Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne _Gesch. +der Ned. Lett._, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. scharen; +doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen gevalle de +geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft. + +[39] Zie o.a. RHŶS, _Studies_, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE a.w. I, +310. + +[40] Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog); +1658 en 1666; vs. 1182 vlgg. + +[41] Vs. 75 vlgg. + +[42] Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen: +399-400, 402-4, 1170, 2099. + +[43] Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke reuzin +PANTASALE "scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533. + +[44] Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. VAN +BERKUM: _De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman_. +(Groningen, WOLTERS. 1897.) + +[45] Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; CIII, CXXXIII; +XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII. + +[46] Die opvatting in vs. 3-13, 53-75, 1012 (door MOLTZER blijkens zijne +aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het hs. _sot_ moet +worden gelezen). + +[47] Vgl. vs. 22, 86; vs. 19-20; al te lange verzen of zulke waarin men +geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, 2647, +2859, 3567, 3853. + +[48] Uit vs. 282-4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een redactie van +het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL uitgegeven +redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij DIEDERIC'S werk +dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene ons onbekende redactie +gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn geweest als of dicht gestaan +hebben bij de door FLEKE gebruikte: in vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81, +staat D.'s bewerking dichter bij die van FLEKE dan bij version A. + +Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S Inleiding +voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, _Die altfranzösische und mhd. +Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur_. (Göttingen. 1872) en +H. HERZOG in _Germania_, 1884, 149. SUNDMACHER overschat FLEKE'S +bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk werk ware; +onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol geleerdheid, +gewaagde onderstellingen en slotsommen. + +Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het +Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81, +1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750-2820, 2827-'31, +3173-'95, 3376-'81. + +Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, 410-'20, +570-'85, 714-831 (iets daarvan in version B), 2197-2204, 2841-'9, +2887-'9, 3139-'49, 3396-3415, 3482-'97. + +Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; maar +DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg. + +[49] Vgl. vs. 657-8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749, +4783, 4839, 5275, 5392. + +Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend. Vgl. +NYROP in de vertaling van _Gorra_, p. 383. + +[50] Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, +45-46. + +[51] In den _Merlijn_ wordt vs. 31706 zekere ridder _Morian_ genoemd +("Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier +echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt, +verderop in dat hoofdstuk, tweemaal _Moriaval_ genoemd (vs. 31942, +31989). Misschien had het hs. _Moriau'_; het is bekend hoe licht _u_ en +_n_ verwisseld werden. + +[52] Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van _K.e.E._, bl. 47-48. Bij de daar +opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het tooverkruid uit +den _K.e.E._) en _M._ 607-8 = _K.e.E._, vs. 1205-6. + +[53] JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de +bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch origineel +is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT (II, 33) voor +eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), meerendeels +gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan men den proloog maar +niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er zijn inderdaad vele +verwijzingen naar een bron of bronnen (bij VOSTAERT meer dan bij +PENNINC); doch die geven nog geen recht om aan te nemen, dat hier een +voorbeeld werd nagevolgd. + +[54] Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave van den +roman (II, 152-153). + +[55] Vgl. RHŶS, _Studies_, 105 en 55; _Lancelot_, II, 40393; _Walewein_, +vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153. + +[56] Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135. + +[57] Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de +beschrijving van het gevecht, vs. 10598-10635. VOSTAERT heeft eens de +platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte koe. +(8830-1). + +De godsdienstige tint in vs. 147-9, 236-8, 292-4, 378-9, 384, 460, +478-'81, 495 vlgg., 574-6, 666, 1154-6, 1326-'30, 2684, 2695, 2980-4, +3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, 3875-'7, 3946-'54, +4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, 4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg., +6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, 7198-7200, 7687-'8. + +Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, 9531, +9866, 11088. + +De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek (4838-4845) +zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, als van een +afschrijver afkomstig. + +Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde woorden +komen echter ook in later tijd voor. + + + +2. GEESTELIJKE POËZIE. + + Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. _Van den + Levene ons Heren_. Heiligenlevens. _Rinclus_. Ontstaan der mystiek. + Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van + Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies, + Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van + Tongeren. _Leven van Sinte Lutgart_. De Minne. Hadewych. + +Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken, +daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid +die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid +trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide +standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel +behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een +Westvlaamsch auteur der 14de eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt: + + Van vier moneken sijn die drie + Gheboren van groten maghen.[1] + +In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige +maatschappij vereenigd. + +Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp +verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel, +alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel +te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne +roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden. + +De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder +wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest +kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen +moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij +waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier +ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen +op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond +geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. Wij hebben +reeds vroeger eene plaats uit het _Leven van Sinte Lutgart_ leeren +kennen, die ons dien gang van zaken toont[2]. + +Tegenover al die "sagen van wigen och van tavelronden", [Zijnoot: +Verhalen van oorlogen en tournooien.] van "minne" die niet tot de +"gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN +AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE "dat vromelic es ende goet". +Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht _Van den +levene ons Heren_. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter +zijn publiek tegen zoo menige "rime die ter zielen luttel smaect"; hij +heeft daarbij het oog op verhalen + + Van battalien ende van minnen + Van meneghen die wi niet kinnen: + Van Roelande ende van Oliviere, + Van Alexandre ende van Ogiere, + Van Walewaine ende van siere macht, + Hoe hi jeghen sine viande vacht; + Van Digenen, hoe hi sijn lijf + Tormente omme een scone wijf; + Van Pyramuse hoe hi sijn leven + Omme minne verloos....[3] + + +Doch dat zijn alles "boerden", al zijn zij op schrift gebracht. +Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin _waarheid_ +verkondigd wordt: van "waarheid" spreekt zijn werk, immers van den +heiligen Christus. + +Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern +van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt +dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4]. + +De ons onbekende maker, misschien een "clerc", heeft zijne stof tusschen +1260-1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en +uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde +apocriefe evangeliën in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel +kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei +uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve +die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men +andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea +en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het +godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke +bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te +verheven; de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen +waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht +naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van +JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen +uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan +het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer +plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte. +Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken +die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit +door zijne dichterlijke gaven. + +Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden, wanneer men +ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde: + + Selen wy dragen bont ende grau, + Ende ons sieren als enen pau, + Ende die arme sal sijn in selc bedwanc, + Dat hi ne sal hebben spel no sanc? + + +Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. Deze is +het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der +volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de +rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL Gods wil aan MARIA +komt boodschappen: + + Vant hi Marien ter venstren staen? + Vant hise achter [Zijnoot: langs.] straten gaen? + Vant hise in plaetsen [Zijnoot: pleinen.], vant hise int spel? + Neen hi, niet; die maecht pensde al el [Zijnoot: andere dingen.]. + + +Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: "Doe sprac een jode: +Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten +vleugelslag van des dichters gedachten[6]. + +De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij +later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich +hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen +van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven. +Telkens hooren wij van "dat zoete kint", zijne heilige, zijne +gebenedijde hand, zijn zoete hart; God "van hemele", "d'alweldeghe God", +de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in +verzen als: "Kinder, seit hi, hoert na mi" of "Kinder, seit hi, lieve +vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat +tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een +hond; hij is een "dief" (in de taal onzer voorouders: het inbegrip van +alle kwaad), een "onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het +helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de +dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet +schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en +martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide +in hooge mate naïef. "God is een goed wreker", zegt de dichter, "al +spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: "Hart, kondt gij +spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van +GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter +verklaring daarvan: "Hine dorst laten, want hi was God". De duivel +spreekt van "mijn hel"[10]. + +Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den +afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem +maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in +acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt +niet, de schamele hut, het "huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt, +met zachte ironie "dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te +zeggen, dat hij "zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of +ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door +kruipt om bij JEZUS te komen[11]. + +Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid schiepen +naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de +bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en +huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving, +zooals lang vóór hem de dichter van den Oudsaksischen _Hêljand_ had +gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf "gezellen" mede, dat de smartelijke +kruisdood hem wacht; de "gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER +"zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS +nog berouw moge krijgen over hetgeen hij gezegd heeft: "Ghi sijt een so +scone man", zegt hij, "hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?" + +Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of +zittend "in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande +gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED +gelooven; zij komen "met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester +wordt "bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven "meier". Hier en +daar klinken tonen uit de ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie +heen: wij treffen woorden aan als stegereep [Zijnoot: stijgbeugel.], +ghereide en vorboech" [Zijnoot: borstriem.], als "glaviën" voor lansen; +geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een +slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: "dat hi +en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der +Israëlieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de +Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der +elementen herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg +in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne +zwerftochten bezocht[13]. + +Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het +leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op telkens wanneer een deel +van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S +moederweelde schetst: + + Sat Maria, ghinc se ochte stoet [Zijnoot: of stond zij.], + Sie custe dicke [Zijnoot: dikwijls.] haers kindes voet, + Daer sijt in die wieghe leide ofte nam; + Soe lanc soe meer tkint haer bequam [Zijnoot: behaagde.]. + Als tkint weende, haer was onsachte, + Sie sweghet [Zijnoot: suste.] minlike, soete ende sachte; + Als tkint hadde honger ofte dorst, + Sie gaf hem haer ghebenedide borst; + Sine cleder waren altoos wit, + Nieuwe gedweghen [Zijnoot: pas gewasschen.], groot recht was dit; + Sijn bat ne was no heet no cout, + Met rechte was tkint sire moeder hout [Zijnoot: genegen.]. + Maria herde wel dies wachte, + Dat sine wieghe was scone ende sachte; + At sie, dranc sie, al dat sie dede, + Haer oghen volgden den kinde mede. + +Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend +tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen +treffen: + + Daer tkint sach blicken [Zijnoot: schitteren] tscarpe swert, + Tkint loech ten mordenare wert. + +Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het +rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal +telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te +hooren in: + + Drie coninge woenden in Oriënt, + D'een den anderen wel ghehent [Zijnoot: naburig.]. + ............... + Een werf [Zijnoot: eens]" in ere avontstont + Een clare sterre an den hemel stont. + .................. + Sie lasen op, (sie lasen) nedere, + Ter sterren si keerden wedere. + ............... + Een coninc vant ende las, + Wat dat scone boekijn [Zijnoot: voorteeken.] was. + Enz. + +Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen +gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het +epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen +door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit +niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in +beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het +nu reeds doet. + +Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen +Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk +waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk +blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van naïve +kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert. + +Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen brengen tot +de 13de eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene +terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook werken als het _Leven van +Sinte Lutgarde_ en _Van den Levene ons Heren_ zijn natuurlijk niet +voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans +geestelijke poëzie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te +verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te +verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der +christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken +ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen, +tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpoëzie. + +Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13de eeuw, dat ons een fragment +van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal +berijmde levensverhalen van heiligen: _van sente Marie Egyptiake, van +sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente +Waerneer_[15]. + +Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De +meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een +eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde +heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit +het Latijn; ook het beroep op eene "scrifture" dat men in het leven _van +sente Eustaesse_ vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De +legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid +geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een +Christenkind "wit [Zijnoot: blank.], blosende ende root." + +Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch +het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts +betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het +onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het leven _van sente Aechte_ zooveel +assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten +schaarscher zijn of, zooals in het leven _van sente Marie Egyptiake_, +schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen +hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat +het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge +medegerekend worden[17]. + +Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden +gerekend een klein fragment van _de boec der biechten_, dat eveneens in +het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is +dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In +allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk +vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar +reeds in de 9de eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan +de Denen het evangelie zouden verkondigen[18]. + +Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch +Christendom de voorstelling van God als "een goed wreker", volgens de +uitdrukking in _Van den Levene ons Heren_. Het is niet geheel zeker maar +toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vóór het midden der 13de eeuw te +onzent een gedicht _van onses Heren wrake_ bekend was, vertaald of +vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal +waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van +Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als +Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn +boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht "wyde becant"; +was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van +het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het +dus ten minste in de eerste helft der 13de eeuw ontstaan zijn[19]. + +Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een +Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12de of den aanvang +der 13de eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord _Miserere_ genoemd +wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd +gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortweg +_Rinclus_ genoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten +gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De +97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp +van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het +gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch +geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging +der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de +wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de +dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft +zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel +zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven ontleend zijn. Ook de +priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard. + +De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken +van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms +heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar +iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen +kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten, +waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid +ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op +het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het +Fransche verhaal _van Sint Maarten_ die zijn mantel doorsnijdt, krijgt +men "het stalen zwaard" te zien--de Nederlandsche bewerking spreekt +slechts van de "snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene +tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene +realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch +ingetogener dan het Fransch[22]. + +Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld +schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij--GIELIJS +meer dan HEINREC--iets van het hunne in; onder die invoegsels of +wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten. +In no. 33 is sprake van priesters die--zooals HEINE zegt--"water +preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als +kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke "verlucht" +met dit beeld: "eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal +hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak "on veut +bien étain pour argent" door: "want hi neemt rogge daer hi leent evene" +(haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet +het bij GIELIJS: "men sant hem niet dan hontgebas". Van een begeerig man +die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch: +"tant huka [Zijnoot: schreeuwde.] et tant apela"; GIELIJS vertaalt: "Hi +claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht +een hoovaardige in dit vers: "orguieus va dou col coloiant" [Zijnoot: +rek (reik)-halzend.]! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn +voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere +plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van +een dialoog[23]. + +Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan +GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs +plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die +bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van den _Rinclus_ en MAERLANT +tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op +den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de +Nederlandsche bewerking nog in de 13de eeuw te plaatsen. + + +DE MYSTIEK. + +De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare +macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige +bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers +logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid +en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag +eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide +in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling. + +Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden +ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige +geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te +herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden? + +Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn tusschen God en +den mensch--dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God +gezocht. + +Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven +der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder +den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het +gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer +te hoog, geen diepte te diep. + +Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken +en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk. +In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over +Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux +het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde +zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene +eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en +teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den "bruidegom der armoede", die zijn +kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw +leven te wekken. + +Omstreeks het midden der 12de eeuw zien wij een paar abdissen van +Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en +ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer, +paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese +van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het +evangelie te mogen verkondigen. + +Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de +voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne +vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de +prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier, +gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op +zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen der +Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven +vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13de eeuw; Luik zag +omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine +stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13de eeuw +duizend; nog vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien +plaatsen in België die een begijnhof bezaten. + +Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12de en 13de eeuw zijn +eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het +oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar +godsdienstig gemoedsleven. + +Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en +ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters van beroemde namen in de +geschiedenis der mystiek. + +HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104-1178 en stierf als +abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De +bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den +Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden +haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het +Roermondsche, een krans hebben gezonden. + +Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door +haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn +opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader +GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift +heet: _Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres_[25]. Zij zegt +ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat +als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt +zij _visioen_. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg, +ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister +uitstraalt, dat zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem. +Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods +heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en +daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan +aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en +kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels. + +Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH, +"magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord. + +Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van +der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op +het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig +voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schönau +bij Bingen, waar zij van 1141-1165 leefde, ontvangt zij, evenals +HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en +bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te +onttrekken door aan te voeren dat zij niet "wel ter tale" is ("nescio +loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij +vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed, +weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet. + +Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning. +Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur; +een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top +schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen +schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd, +haar als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, die +vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen; +een hoogen berg, welks top schittert van licht; + +van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische +beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op +welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze +geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26]. + +Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls--geen wonder bij zulk een +lichaams- en gemoedstoestand--wordt zij overvallen door droefheid en +somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan +tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad +en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare +somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den +Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook +aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere +droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. "Maak +er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook +in hare ellende. + +Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet +geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in +de 13de eeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar +leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van +zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN +MAAGDEBURG (c. 1212-1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een +aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar +innerlijk leven ten deele blootlegt. + +Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de +zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend +te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de +gewijde liefde, de _minne_ als middelares tusschen God en de ziel. +Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en +zijne ziel in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De +geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij +aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de +Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer +uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar +beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar +ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd--maar ook, welk +een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen. + +Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit +streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze +zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen. +MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want poëzie is +hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart +met "een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij +Suso vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie +van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God +sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade +komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil +te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die +in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige +Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder +en zich vlijt aan haar borst. + +De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben +waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der +12de eeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in +Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster verrees. Tal van andere +kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters: +Syon en Nazareth in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij +Assen, Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste +dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de +abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen +en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE, +TEILINGEN, DUVENVOORDE. + +Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een +hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster +Mariëngaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als +eene groote genade-gave: "totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het +dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een +toestand verkeerde, werd "intus debriatus" genoemd. Ook van het +zoogenaamde "tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND, +tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde, +werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vóórdat de tijding van zijn +dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in +een visioen den abt zien sterven. + +Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in +het Zuiden dezer landen. + +Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij +getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden +in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door +verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts +enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de +tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in +zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek +met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos. + +Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons +nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan in het Latijn opgesteld +door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN +OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als +bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150-1224; +MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21ste jaar overleed en +LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster +te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk +ging, waar zij in 1246 stierf. + +De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een +streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de +wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren +begaafd met het "tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in +Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij +in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen +lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen +dan: "ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een +wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk +licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een +spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken +invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht +welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke +van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte +naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet +vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat +zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid +is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van +mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan +verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat +haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap +viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of +zag[28]. + + +LEVEN VAN SINTE LUTGART. + +Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te +worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar, +slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde +te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks +de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene +rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met +Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des +nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden +gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons +verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van +speeksel wonderen verrichtte. + +Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29]. +Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden +Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die +gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar +hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een +vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de +eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar +herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin--zij was +omstreeks 18 jaar ouder dan hij--hem had getroost en opgebeurd, wanneer +hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was +zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven, +niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was +hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen +behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar +lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte +aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar--dit +kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of +hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te +bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar "minste vingerkijn", had +LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in +scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een +paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van +Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts, +nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te +zullen beschrijven. + +Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne _Vita Lutgardis_; dat +werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar van HADEWYCH +aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld +in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het +begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons +LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het +tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de +Cisterciënser-nonnen van Aywières; het derde hare elf laatste +levensjaren. + +Deze _Vita Lutgardis_ nu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch +dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig _Leven van Sinte +Lutgart_. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210 +te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk +geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van +Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van +Sint Truyen en stierf in 1297. Zijn _Leven van Sinte Lutgart_ is door +hem waarschijnlijk tusschen 1262-1274 gedicht[31]. + +Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche _Vita_ niet geweest +voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de +gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk +breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het +tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten +samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig +weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden +naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen. + +Zoo vertelt THOMAS ons in zijne _Vita_ van eene non, door den duivel +bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer +dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar +niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de +non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er +angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop +van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der +bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier +duivelbezwering vinden wij daarentegen in de _Vita_ weinig of niets[33]. + +Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel. +In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn +voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven +ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven +worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen, +de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die "fantasijen" van oude +vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek +bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige +schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die +haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, "zooals iemand zich de +vliegen met een kwispel of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó +vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te +naderen. + +Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om +vermaningen te richten tot de "heren en vrouwen" die zich onder zijn +gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te +bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het +slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog, +hoe LUTGART slechts door de "sterke minne" tot God den duivel en zijne +trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige +huichelaars, de "papelarde metten grisen langen barde", die den armen +onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij +betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van +Afflighem aan andere ten voorbeeld. + +Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van +bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient +erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en +onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger +eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van +het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft +bevangen onder de voordracht: + + Dat heldekoppen [Zijnoot: knikkebollen.] ende nigen, + Dat metten hoofden neder sigen + Gaf mi litteeken [Zijnoot: blijk.] dat hem somen + Die vaec in d'ogen ware comen. + +Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar +wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond, +maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste +eenige der wezenlijke eigenschappen van een dichter. Men zou dat reeds +vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na +een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd, + + Meer dan u iemen soude mogen + Geseggen wel met didscher spraken + [Zijnoot: in het dietsch (de volkstaal).]. + +Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft +hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen +schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet +van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan +het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4de hoofdstuk van het +Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden +den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot +eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene +mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in God vond, is ons in +het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid +van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier +vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er +is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË + + die har herte voeget + So simpellic an onsen Here, + Dat men ne can no min no mere + Vergronden noch genemen ware + Hoe 't tusschen hem stoet ende hare. + Si es so schamel [Zijnoot: bedeesd.] ende so blode, + Dat si mi soude ontdekken node + Des iwent [Zijnoot: iets.] ochte condech maken[35]. + +Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid +voor den vorm van zijn werk: zijne verzen zijn gebouwd met eene +regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche +literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood +eene enkele assonance onder aantreft[36]. + +Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk +buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het +streven der ziel naar vereeniging met God, dat hij _minne_ noemt. Als +een stroom van wit licht doorgloeit die "minne" het _Leven van Sinte +Lutgart_; in de _Vita_ van THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een +glimpje te zien. + +Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware "minne" is, namelijk niet de +wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan +moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te +worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich +gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in +den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten. +In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch +indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij +kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij +die "der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd. +Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART +dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al +hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet +weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene "zeghe +vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met +gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de +minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die +blijft strijden. En dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne +geschonken, zoodat hij in "orewoet" [Zijnoot: geestverrukking.] geraakt +en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de +school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar +zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde +met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37]. + +Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der minne in meerdere of +mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante +zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben +gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken, +of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne +het zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de +ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren +"disputeren van der minnen". + +Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer +zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het +klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche +ziel vervulden. + +Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die +gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan 't hart lag, dat zij +"het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene +levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan? + +Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita +Lutgardis_ opdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog +toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard +en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied? + +Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het +antwoord geven. + + +HADEWYCH. + +Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in +proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar +handschriften van de 13de en den aanvang der 14de eeuw _visiones +haywigis, epistole haywigis_ en _ritmata haywigis_ genoemd worden[38]. + +De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in +extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de +minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds +blijkt uit den aanvang: "God die de clare Minne die onbekint was, +verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (_ritmata_) is de minne +schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vóór ons van ééne +dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ook _in_ haar werk wordt die +naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al +deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer, +waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in +den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S +visioenen melding gemaakt vinden van "Heldegaert die al de visione +sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis +HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39]. + +Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en +Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig +ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt, +zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog +aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag +van de "vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken +aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth +(bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40]. + +Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een +Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de +abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non heeft geleefd, +eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven +genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, één +zijn geweest met de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ +zijne _Vita Lutgardis_ heeft opgedragen. + +Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver +lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere +geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met "lieve +kint". Deze "joncfrouwe" is nog "ongheproeft van allen dinghen". +HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der +Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten +ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel +van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit +ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij +verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve +"zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster [Zijnoot: +onbevredigd.] minnen". + +Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie +HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede +daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan +totdat het haar verboden werd[42]. + +Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel +te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk +nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart +bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang +bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al +kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af had zij +haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet +betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der +heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen +naar het genot van één te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog +te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor +ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot +heiliging. + +Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was +haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en +versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar +behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet +ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden, +klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten +waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar +begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare +ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden: +zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet +gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet +zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die +een menschenhart verblijden kan. Bedroef u--zegt zij tot het jonge +meisje--zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga, +hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is +al der minnen werk, dat de "vreemden" niet kennen[44]. + +Op die gevangenschap die haar bedreigde en die "vreemden" komen wij +terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van +haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot +hiertoe medegedeelde. + +Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. "Mint de +minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken. Wie naar minne +streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker +dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede +bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede +zij hare kinderen kastijdt. + +Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het +bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en "het swaerste inder +scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: "Du salt minnen dinen +Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al +dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten, +slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij, +dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet +dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te +verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op +aarde--maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God, +die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft. + +Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de +minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat +hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te +gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze. +Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen +mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis +hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet +trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij +in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen--dan gaat het ons +zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen +ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij +arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke wegen in een +vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der +minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich +zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed. +Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne +brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de +diepte der minne. + +Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der +menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk +gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de +menschen kan richten in al wat zij wil[46]. + +Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig. + +Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner +vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke +dronkenschap "daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo +"buten den geest" en blijft zij zóó verzwolgen in de minne, dat zij +geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn +met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip +en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij +geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op +Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene +extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij +drie dagen en drie nachten "in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een +hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende +schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie "overste" hemelen met de +tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de +zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: "Ende ic keerde mi +van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre +[Zijnoot: helderder.] ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien +een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel +ghelijc eener sciven ende [Zijnoot: die.] was claerre ane te siene dan +die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie +colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke +omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike +daer of verwonderen mochte ende vervaren [Zijnoot: vreezen.]. De zetel +beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H. +Geest. + +Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl +zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op +eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van "eenen den Zoon des +menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd +door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: "Daer ne magh +ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke [Zijnoot: onzegbaar.] +grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken +wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in +ghelikenessen." + +Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische +ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en +aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars +harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te +verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn +zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van +hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij één waren +"zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de +zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt. + +Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten +aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren +vertellen, dat soms al hare leden schudden en beven van begeerte; dat +zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden +neerslachtig of ellendig voelt[47]. + +Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de +aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk +toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en +gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede +dat hij "in den geest was", eens "op den dag des Heeren"; ook hij heeft +velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den +arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen +bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven +vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel "een ghestille" maakt. In +de woorden der Openbaring: "gij moet wederom profeteren voor vele volken +en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben +gezien--zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN +SCHÖNAU--haar dwingend hare visioenen te openbaren[48]. + +Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen +waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde. +Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch +waar HADEWYCH'S poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van +"der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan +eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat +de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50]. + +Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en +verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook +haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES, +noch AUGUSTINUS. De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX +moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar +zoo geliefden tekst uit het Hooglied: "dilectus meus mihi et ego illi" +tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich +zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van +dien "amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet +worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een +ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt; +zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd +wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de +Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld +vóórdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer +HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God +dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten +tegenover elkander stelt als "knechten" en "zonen", dan schijnt haar +daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te +staan[51]. + +Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het +Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer +wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt in _redene_, _wille_ +en _memorie_, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling: _ratio, +voluntas, memoria_[52]. + +Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen, +nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en +denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het +mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken +met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in +haar proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij "_vreemde_" +noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij +elders noemt: "valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs". +Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den +naam van de "_nuwe_" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet +waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche +secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest, +doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten +wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woord _nieuw_ in +geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenen _nieuwen_ hemel +en eene _nieuwe_ aarde; het _nieuwe_ Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen +_nieuw_[54]. + +Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal +geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij +daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken +als deze: "ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God +also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of +niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar +proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin +als deze: "Mer in ghebrukene [Zijnoot: genot]" van minnen es men God +worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema +uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God +zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene +kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD +VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat +"de diligendo Deo" geschreven heeft: "sic affici deificari est"?[55] + +In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan eens getuigd van +haren eerbied voor de "heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in +mag men haar niet van ketterij beschuldigen. + +Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S +persoon zijn beantwoord. + +Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de +menschen haar "soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb +sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen +tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging +om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere +over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men +tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en +trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder +hare geestverwanten noemt zij immers ook "eene beghine die meester +ROBBEERT doedde _om hare gherechte Minne_"[56]. Eerst in lateren tijd +zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cisterciënser-nonnen +van Aywières en abdis zijn geworden. + +Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het +vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of +abdis, dankbaar moeten zijn. + +Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het +oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend: +"Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou +het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die +periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men +toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van +zijne vlucht: + +"Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec.... +Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen +diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare +vriheit.... Dat sien dat naturelec in de ziele ghescapen es, dat es +caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene +en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust +niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne, +mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen +hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne +verlicht redene"[57]. + +HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid. +Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij +de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij +niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen "in die hoechede +Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en +zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten +en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem +behagelijk is. + +"Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van +hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe +u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode, +die es bequame [Zijnoot: passend.] in die ghehele nature Gods". + +Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want +zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons +mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te +hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare +onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens +Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: "Nu gaat het +mij", zegt zij, "als iemand wien men iets aanbiedt "te spele" (uit de +grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt: +vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene +uiteenzetting van haar "ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde +uitleggingen der "vreemden": "de vreemde souden netelen planten daer de +rosen staen zouden"[58]. + +Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is, +heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het +b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst: +"Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien +soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte +verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine +gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy [Zijnoot: +verdriet.] sere verdroeven." + +Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo +veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor. + +Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het +proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien +wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige +verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier +waar het niet gaan kon. + +Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop +der echte poëzie kunnen hooren. + +HADEWYCH mocht al zeggen: + + Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe + Ende mi selven mine quale linghe [Zijnoot: verleng.]. + +Zij liet het daarom niet; zij wist te goed: + + Maer dien ouden ende dien jonghen + Coelt sanc van minnen haren moet. + +Wel ons, dat zij "van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het +bezit van geestelijke poëzie te danken, niet zelden duister, ook wel +eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen +voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte +en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur +niet dikwijls zullen aantreffen. + +Ook tot hare "vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord +gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij +zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan +zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid, +macht--lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper: + + jeghen avont + Sal men loven den sconen dach. + +Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie +wachtten haar, onnoozele; want: + + Suer ende donker ende overwreet + Sijn der minnen weghe in haer beghin. + + +Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en +dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet: + + Want ic sach eene lichte wolke opgaen + Over alle swerke, soo scone gedaen [Zijnoot: van gedaante.], + Ic waende met volre weelden saen [Zijnoot: spoedig.] + Vri spelen in de zonne.... + Doe wert mijn hoge [Zijnoot: blijdschap.] maer een waen; + Al storve ic, wie es dies mi wanconne [Zijnoot: misgunnen zou.]? + +Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren +kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven; +hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het +geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel, +waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de +minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de +minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei +geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene +den grond der minne moet doorglanzen. + +Nu kan de ziel de onderscheidene trappen ("graden" en "staghen") der +minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet +geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne +deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een +klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet: + + Die gherne woude doghen tsuete ellende: [Zijnoot: ballingschap.] + Die weghe ter hogher mînnen lant, + Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende, + Des ghevet de trouwe seghel ende pant. + Nu es menech dorper soo truwant [Zijnoot: (schooierig) verachtelijk.], + Hi nemt dat hem es naest ghehende [Zijnoot: nabij.] + Ende blivet vore minne die onbekende; + Metter truanciën cleet, + Soo en hevet hi vorme noch ere, + Daer minne dat haer bi versteet. + +In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen +merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der +minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen! + +Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een +licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles +verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar +overgeeft. "Den middenweg houden, dat is zalig leven", zeggen de +vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden--maar HADEWYCH zegt: + + Middelheit moet af, + Eer men in mach + Ten edelen goede. + +Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en +klagen, maar daarin is toch zaligheid: + + Bi wilen lief, bi wilen leet, + Bi wilen verre, bi wilen ghereet [Zijnoot: dicht bij.], + Die dit met trouwe van minnen versteet, + Dat es jubileren: + Hoe minne versleet [Zijnoot: verslaat.] + Ende ommeveet [Zijnoot: omvangt.] + In één hanteren. + + Bi wilen licht, bi wilen swaer, + Bi wilen doncker, bi wilen claer, + In vriën troost, in bedwongen vaer [Zijnoot: vrees.], + In nemen ende in gheven, + Moeten die sinne + Die dolen in minne + Altoos hier leven[60]. + +Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor +ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vóórdat MARIA +door haren ootmoed de minne zelve had gevangen: + + Wat soo ons god ye onste [Zijnoot: ooit gunde.], + Hen wert nie man [Zijnoot: er kwam nooit iemand.], die conste + Gherechte minne verstaen, + Eer dat maria de goede + Met diepen ootmoede + Die minne hadde gevaen [Zijnoot: gevangen.]. + T'ierst was si wilt, doe wert si tam, + Si gaf ons vore den leeuwe een lam: + Si maecte de demsterheit [Zijnoot: duisternis.] claer, + Die hadde geweest donker wel menech jaer[61]. + +Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap +tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der +wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde +ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne ("der minnen gewat"); +zij geniet de minne en geniet totdat zij in "orewoet" en geestelijke +dronkenschap zich zelve verliest. + +Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan +kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van +de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen +spreken over den samenhang van HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór +haar. Dat er te onzent, vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen, +eene lyrische poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen; +doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de +poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen. + +HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare +verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vóór haar in de +aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit +"zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in +de wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten +over den band en den brand der minne, de ellende die de minnaar moet +doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem +van zinnen berooft--dat alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie. +Woorden als _zeelde_ (minneweelde), _merkaren_ (kwaadwillige spionnen en +verklikkers), eene uitdrukking als: "de minne heeft de dagen en ik de +nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der +grootere lyrische gedichten: + + Viere meisteren seiden een coninc: + Welc ware de starcste dinc + +is de gewone van zoovele _tenzonen_ (strijdgedichten) welke, +in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken +gemaakt werden[63]. + +Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S +liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat +natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door +overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie +aanvangscouplet: + + Tsaermeer [Zijnoot: thans.] sal in corten tide + Tsap van den wortelen opwaert slaen! + Daerbi sal, verre ende wide, + Beemt ende cruut sijn loof ontfaen; + Dies so hebben wi sekeren waen [Zijnoot: vast geloof.], + Die voghele werden blide; + Die gheet in minnen te stride, + Hi sal verwinnen saen [Zijnoot: spoedig.], + Opdat hi niet en mide [Zijnoot: zich niet spare.] [64]. + +Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het +natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet +te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door den dauw, op den +dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: "na groten storme werdet +dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt, +daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen +verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil +bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich +zelve bij een kind "dat na sprect dat het spreken hoort"; op de +vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een +gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of +beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte +staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten +bedient. Aan de volkspoëzie en wel aan de oudste leugenliederen +herinneren ons deze verzen: + + Want niet bat en can 't getoonen mijn sin, + Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66]. + +Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare +beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In +het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt +van de "wijsheit" die "alle die edele ridderen achemeert" [Zijnoot: +uitrust.] in den strijd der minne; doch in de poëzie wemelt het +ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het +zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft +overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij +hooren van "doorhouwen schilden" en "schermen onder den scilt", van +"joesten", eenen "keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs +denzelfden weg terugkeeren), van "sinen hoghen telt (draf) riden", van +"heervaert", "kimpen" (kampvechters), "vesten", muren en grachten; van +koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van +"schachten die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het +ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het +is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers: + + Fiere herte en was nie [Zijnoot: nooit.] bloode + +gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is +geweest[67]. + +Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest +en haar gemoed. + +Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te +vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins +kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls +onbestuurd en doet hare poëzie dan vervloeien tot muzikale +woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen +wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige +plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener +ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat +brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor +het eerst--immers nog vóór WILLEM VAN AFFLIGHEM--vinden wij in de +geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen +der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over +de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: "van al dien dat in ertike es, mach men +redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch +noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den +mensch in God: "ay, ic en dar [Zijnoot: durf.] hier af nemmeer scriven, +ic moet emmer van den besten meest swighen... ende hier omme quetse ic +mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat +der pinen [Zijnoot: moeite.] wert es, ochte woorde na [Zijnoot: +volgens.] miere zielen gront." Ook in hare poëzie vinden wij uitingen +als: + + Het mochte dat inneghe gedinken + De tonge verminken, + Sprake siere af meer[68]. + +Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten +der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe +rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van +rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein. + +Eentonig--heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de +heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de +blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het +diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle +beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn +stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der +erica. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] _Spiegel der Zonden_ (ed. VERDAM), vs. 4852-3. + +[2] Zie bl. 124, 6. + +[3] Vs. 5-15. Den naam _Digenen_ kan ik niet thuisbrengen. De eenige mij +bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder _Degener_ die +door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de romance in H. v. +FALLERSLEBEN'S _Horae Belgicae_, II, 29. + +[4] Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten vermeld +door TE WINKEL, _Gesch._, bl. 266 en in PETIT'S _Bibliographie_, no. 478 +en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: _Versl. en +Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 4e Reeks, Deel IV. + +[5] In vs. 4055 wordt "die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 "sinte +Gregorijs"; in vs. 4067 "sinte Augustijn". Doch is dit deel van het +gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de +_leverzee_ noemt, (vs. 1130)? + +[6] Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, 2076; +vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen. + +[7] Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; 860 +vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775-8, 1802, 1910. + +[8] Vs. 517, 757 vlgg. + +[9] Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, 2950 +vlgg.; 3039 vlgg. + +[10] Vs. 754-5, 1634, 271-2, 4277. + +[11] Vs. 354-5 (het Ovidiaansch: "eodem argento" maar minder fijn); +2251, 1402. + +[12] Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396; +2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340-1. + +[13] Vs. 1130. + +[14] Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; 1986 +vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; 3395 +vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg. + +Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of meerregelige +coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen wordt aangegeven, +herkennen. Door te letten op den bouw dier liederen kan men dan den +blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst zuiveren. In het door WILLEMS +uitgegeven fragment naar een hs. der 14e eeuw vinden wij de coupletten, +MARIA MAGDALENA in den mond gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den +afschrijver verknoeid; het volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een +zuiverder tekst. Echter heeft ook deze eene critische zuivering +hoognoodig. Opmerkelijk is (VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van +vier verzen met gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig +interpolaties blijken. + +[15] Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN van +Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over dat hs. _Belg. +Museum_, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, _Mnl. Gedichten_, II, Inleid.; +PRIEBSCH, _Deutsche Handschriften_ enz., no. 177. + +In vs. 752 van het leven _van S. Aechte_ wordt als jaar der +vervaardiging 1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven in +1287 en in vs. 13-15 van zijn leven lezen wij: "dat doet es bleven _nu +nichtinghe_"; in het leven _van S. Marie Egyptiake_, vs. 687-9: "dit was +ghemaect.... MCC ende neghentech jaer." + +[16] Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF schreef +eveneens eene _Vie sainte Marie l'Egyptianne_. De Mnl. bewerking, die +uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met deze bewerking +gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. vindt in de _Legenda +Aurea_ (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI. + +[17] _Van sente Aechte_, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; _van sente +Waerneer_, vs. 5 vlgg.; ook het slot van _van sente Marie Egyptiake_. + +[18] Vgl. PIRENNE'S _Gesch. Belgiëns_, I, 36. Het klooster Thorout +(Thor-hout?) lag niet ver van Sluis. + +[19] Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een Fransch werk +zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S _Gesch. der Ned. Lett._, II, 88-90. + +FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan hebben +bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend voor. Zou +MAERLANT trouwens wel van een _Fransch_ werk hebben kunnen zeggen, dat +het "wyde becant" was? Kennis van het Fransch was in de 13e eeuw +geenszins algemeen in Vlaanderen. + +[20] Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook den +titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch werk. Ik +verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. LEENDERTZ. +(Amsterdam. 1893). + +[21] Vgl. b.v. no. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den _Rinclus_ +met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke. + +[22] Vgl. no. 38 (v.d. _Rinclus_) met het origineel; vs. 936 (_Rinclus_) +met str. no. 81, 11; voorts no. 5, 12 v. _Mis._ met de bewerking; no. +104 (met 103 v.d. _Rinclus_) no. 109 (met 108); in no. 112 de +uitdrukking: _n'en leva pas le ventre vuit_, die niet in no. 111 (_R._) +te vinden is; no. 120 (_Mis._). De varianten van 29 door VAN HAMEL +medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis. + +[23] Vgl. _Rinclus_, no. 117; vs. 526 (_Mis._, no. 43, 5-8); vs. 691 +(_Mis._, no. LVII); vs. 1114 (_Mis._, no. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg. + +[24] Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. zijne +_Gesch. der Ned. Lett._, I, 434. Meer punten van overeenkomst zijn +aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Ged._, +Inl. LXXXVIII. + +[25] _Scivias_ i.e. _nosce vias Domini_ (onderzoek (leer kennen) de +wegen des Heeren). + +[26] Vgl. _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 ("Deinde cum +inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum enim +erat), veni in extasim." "Et his dictis, ab extasi reversa sum", p. 617: +"In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: "Accidit +in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut venirem in +mentis excessum"; p. 620: "In die ad Missam, cum inchoaretur Passio +Domini, iterum in extasim veni." + +[27] In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE (_Epistola_ +CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen adellijke +jonkvrouwen in haar klooster opneemt. + +[28] Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral aan: +MOLL'S _Kerkgesch._, (zie: _Alg. Reg._, p. 181-2. Zonden heerschende bij +geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: II, 2, 1 vlgg. en +148 vlgg.; PREGER, _Gesch. der deutschen Mystik_, I; SABATIER, _Vita di +S. Francesco d'Assisi_; MIGNE, _Patrolog._, T. 197; _Acta Sanct._ (ord. +S. BENED). Junii III, 604-643. _Offenbarungen der Schwester Mechthild +von Magdeburg...._ herausgeg. von P. GALL MOREL; WYBRANDS, _De Abdij +Bloemhof_, p. 136-7. AUGER'S _Etude sur les Mystiques des Pays-Bas_ +geeft weinig nieuws van beteekenis. + +[29] Vgl. _Leven van Sinte Lutgart...._ door F. VAN VEERDEGHEM. Leiden, +voorheen E.J. BRILL. 1899. + +[30] Vgl. ald. III, 4580-'84. De _Vita_ schijnt slechts van _de hand_ te +spreken. Zie _Inl._ XI. + +[31] Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S _Inleiding_. + +[32] Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI. +[33] _Vita_ (in de _Acta Sanct._, Junii, T. III), p. 246, c. 11; _Leven +van S. Lutgart_, IIe Boek, c. XII. + +[34] II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956-979. + +[35] De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt men +II, 1297; 516-562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, waar men +slechts deze woorden vindt: "cum Moniales alta voce cantarent." + +[36] De uitgever zegt: "assonances hebben wij er niet opgemerkt" (_Inl._ +LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241-2: _talen_ || _maken_). + +[37] De voornaamste plaatsen waar over de _minne_ gesproken wordt, zijn +II, 81-88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; 6388-'98; +6969-'88; 7787-7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; 2008-'32; +3070-'84; 4564-'7. + +_Orewoet_ genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927. + +Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts van +III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug ("pia Lutgardis in +oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem vero, ubi +in ira Dominum misericordias continentem evincere non valebat" etc.). + +[38] Uitgaven van haar werk: _Gedichten_ in Maetschappij der Vlaemsche +Bibliophilen, 4e Reeks, no. 2; _Proza_, id. no. 11. De hss. ter Bibl. +Royale te Brussel Cat. Ned. hss., no. 2877-'80 en ter Univ.-Bibl. te +Gent. Vgl. voorts over die hss. _Vaderl. Museum_, II, 136 vlgg. Een +artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: _De geheimzinnige ketterin +Bloemaerdinne_. (Zuster HADEWYCH) in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad. +v. Wet._, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van E. VAN EVEN in +_Dietsche War._ van 1896. Voorts: _Untersuchungen über die Werken van +Zuster Hadewych...._ von M. JÖRIS. Strassburg. 1894. + +De voorstelling van RUELENS--FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne is m.i. +onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele aangetoond. + +Tegen die voorstelling pleit vooral: + +1o. dat de namen der beide vrouwen verschillen; _Hadewijch_ en +_Heilwijch_ zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, _Die +Personennamen_, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien tijd +ook wel verwisseld worden + +2o. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit HADEWYCH'S +werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad van ketterij sprake +mag zijn; ook van die "allerschandelijkste seraphische liefde" zijn in +HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen. + +3o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed +bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN, +spreekt van "een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare "edel +goddelike leringhe"; die "leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S +geschrift: _die rolie der woedegher minnen_. Zie daarover het artikel +van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: _De XXe eeuw_, IX, 181. + +[39] _Proza_, bl. 187. + +[40] Vgl. _Quinque prudentes Virgines...._ auctore P.F. CHRYSOSTOMO +HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de _Vita B. Beatricis_. Was zij +de Cisterciënser-non, "quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat +de se ipsa"? (_Vad. Museum_, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN +AFFLIGHEM in het Latijn "satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan +HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer +verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien wij WILLEM VAN +AFFLIGHEM in betrekking tot deze. + +[41] Vgl. o.a. _Proza_, blz. 5-6, 15, 20-21, den aanvang der _Epistolae; +Gedichten_, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5-10; 210, 25-28. + +[42] _Proza_, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige +Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese? + +[43] _Proza_, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL +FRÉDÉRICQ. + +[44] _Proza_, bl. 106-7, 128. + +[45] _Deuteronomium_ VI, 5. (De tekst van het proza heeft "_diere_ +herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik _dijnre_). + +[46] Vgl. _Proza_, bl. 72-3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63. + +[47] _Proza_, bl. 104, 143, 179, 119, 126-7. (_Openb._ I, 13 vlgg.), +146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83. + +[48] Vgl. _Openb._ VIII, 6 en _Proza_, 135; VI, 1 en 135-6; VIII, 13 en +153-4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met _Proza_, 135, +139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: "gij moet wederom" enz. + +In _Openb._ II, 4 lezen wij: "Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste +liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: "maar ik heb eenige weinige dingen +tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: "Mer ic hebbe een dinc te di, daer +ic mi omme belghe" enz. + +[49] Vgl. _De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken...._ door W. +DE VREESE, I, 427. + +[50] _Proza_, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: "ic di, wes mi" in hare +_Poëzie_, bl. 94, 131, 244. + +[51] S. BERNARDI _Opera omnia...._ D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC. +GNOCCHI, 1850, I, _Ep._, XI te vergelijken met: _Gedichten_, XI, 19-20: + +Want der knechten wet es vaer [Zijnoot: vrees.] Maer minne es wet der +sonen. + +"Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi: +tertius filius et defert patri." + +Voorts: _Tract. de Conversione_; _de diligendo Deo_; _In cantica sermo +67_. + +[52] Vgl. _Proza_, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS +van Gent, spreekt van: _nosse_, _velle_ et _posse_. Vgl. _Heinrich von +Gent_ von Dr. K. WERNER, S. 37. + +[53] B.v. _Proza_, p. 43, 93, 107. _Gedichten_ o.a.: p. 5, 41; 26; 86, +41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2; +86, 27 en pass. + +[54] _Proza_, 14, 24; voorbeelden van _nuw_, _Mnl. Wdb._, IV, 2422 en +pass. in HADEWYCH'S _Gedichten_. Tegenover de _nieuwe_ plaatst H. ook +wel eens de _oude_ en tegenover de _vreemde_ de _bekende_. Zie b.v. +_Ged._, bl. 224 (b.). + +[55] _Proza_, 35, 58. + +[56] _Gedichten_, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is +190, 1 vlgg. _Proza_, bl. 176. + +Met "broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e +eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90. + +[57] _Proza_, bl. 61-2. _Minne_ en _Redene_ als de twee voornaamste +zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S _voluntas_ en _ratio_. + +Inderdaad vinden wij in de _Gedichten_, bl. 196, vs. 15 vlgg. _redene_ +en _wille_ in verband met _memorie_ behandeld. + +[58] _Proza_, bl. 87, 5, 3, 68. + +[59] _Proza_, bl. 32; voorts 17, 96, 104. _Rijmklanken_ o.a. op bl. 23, +42, 57, 89. + +[60] Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de _Gedichten_, p. 84, 69, +18, 56, 61, 66-7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92, +93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne), +242, 264, 21-22, 32; (de geestelijke "dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105, +123, 235. + +[61] Vgl. _Ged._, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17-18; ("hoech +gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; ("gewat"), 9; +("ghebruken"), _orewoet_, (28, 51, 69, 107, 30-31), 43. + +[62] _Ged._, p. 69, 134, 142, 146, 156-7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93. + +[63] Vgl. bl. 186. + +[64] Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35, +41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143. + +[65] _Ged._, bl. 11, 15, 24. + +[66] _Ged._, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich +het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den +aanvang: + +Een blinde zag een molensteen Ronddrijven in den stroom. + +[67] Vgl. _Proza_, bl. 60-61; _Ged._ 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83, +124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers: +"Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling is op +haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. In +den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking m.i. eer: dat men +zich een schepsel Gods dan dat men zich van adellijk geslacht voelt. + +[68] _Proza_, bl. 59, 77; _Ged._, bl. 252, 254, 257. + + + +3. POËZIE DER GEMEENTEN. + + De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. _Disticha Catonis_. + Dietsche _Ars Amandi_. _Bestiaris_. _Esopet_. De eerste boerde. Roman + _van den VII. Vroeden van Rome_. _Van den Vos Reinaerde_. + +De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal karakter. De +adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden gevoelen door +afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot tijd met zijne landgenooten +tegenover andere volken staan--toch had hij met den adel van andere +West-europeesche volken veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor +allen, hun begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten, +waren grootendeels van denzelfden aard. + +Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het Westen van +Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; dezelfde +klooster-orden vond men in onderscheiden landen; overal droegen "gelijke +monniken gelijke kappen" en konden van gedachten wisselen in de +gemeenschappelijke kerktaal. + +Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten het +zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans aan stad of dorp +gebonden, kwamen zelden buiten hunne streek of hunne gouw, veel minder +in vreemde landen, tenzij een bedevaart of een krijgstocht er hen toe +dwong. In die talrijke kleine kringen welker samenhang door onderling +gesloten huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het +oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, recht, +maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts Dietsch, gaf +en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen, en bewaarde de +eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, zeden en gewoonten. + +Het ideale streven van den adel en de geestelijke "minne" waren voor +hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche minne, in de ridderromans +verheerlijkt, konden nog niet veel aantrekkelijks hebben voor harde +werkers, tuk op winst die slechts de vrede hun brengen kon; voor +eenvoudige boeren en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem, +uiterlijke beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan +iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In die behoefte +voorzagen de kerk en het geloof voor een groot deel; doch naarmate het +geestelijk leven onder de gemeenten zich ontwikkelde, begonnen ook zij +smaak te krijgen in eenig letterkundig werk dat hen kon vermaken, +onderrichten of stichten. Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden +voldeed, had kans de gemeente te behagen--indien het niet te omvangrijk +was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen tijd als +in kasteel of klooster. + +Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige zedelessen +onder den naam _Disticha Catonis_ uit de eerste eeuwen onzer +jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen of vertalingen onder de +volken van West-Europa was verbreid[1]. + +Dat "bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd reeds in 1253 zóó +hoog geschat, dat men het op de scholen van Yperen als leerboek +gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE zijn _Floris en Blancefloer_ +bewerkte, nam hij in zijn gedicht een drietal verzen uit den "bouc van +zeden" op, die hem blijkbaar nog van de schoolbanken heugden. De korte, +grootendeels vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans +paarsgewijze rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun inhoud +kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel doen. Zij vonden hier +enkele voorschriften in den geest van het Christendom, zooals: den dood +niet vreezen, zich niet schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel +meer echter zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op +de praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, het +aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet te veel eten en +drinken, niet veel praten onder het eten, zijn kinderen een ambacht +laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed maken wat gij in dronkenschap +misdreven hebt; ais gij ziek zijt, kies dan iemand die verstand heeft +van de geneeskunst; let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe +kracht te boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof uwe +vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk dat zij menschen +zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine gift, scheld niet die u +liefhebben; bespot oude menschen niet; tracht wijs te worden: onderricht +in den landbouw kunt gij vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij +LUCANUS, in de minne bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig +spreken: + + Men seit: die vloet die stille staet, + Soe [Zijnoot: zij.] es dieper dan die harde gaet. + +Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, geniet er dan +van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen. + +OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de _Dietsche Catoen_ spreekt, +was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald gedicht, dat +waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de _Ars Amandi_ behandelde. Ook +in een _bestiaire_--wij zouden zeggen: een _beestenboek_--zooals een +Fransch geestelijke van hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den +aanvang der 13de eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op de +liefde. Zulk een "bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit dezen tijd, +kwam gedeeltelijk tot ons. + +Veel meer in trek echter waren de echte "bestiaires" die een overzicht +van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT verhaalt ons dat Heer +WILLEM UTENHOVE, "priester van goeden hove" te Aardenburch, zulk een +_Bestiaris_ had gemaakt. Doch hij was van den rechten weg afgedwaald, +doordat hij een Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was +dit voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S _Bestiaire_ uit den aanvang der 12de +eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de eenhoorn die +zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald is tot Maria; de +krokodil den duivel; de sirenen die in zee de schippers verlokken: de +rijkdommen in de wereld de menschen verleidend enz.[2]. + +Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de verbeelding +niet aan het werk en vermochten dus niet, wat men van een literair werk +vooral verlangt: de toehoorders (lezers) aan zich zelven te ontrukken. + +Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal dat tevens een +nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de oudste tijden af bij +alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in zwang geweest en hebben zich +langs de wegen van mondelinge en schriftelijke overlevering, de eeuwen +door, van het eene volk tot het andere verbreid. In tijden toen de +mensch zijne meerderheid boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als +later, verplaatste de verteller zijne hoorders gaarne te midden der +dierwereld. Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan kon +niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en het verhaal won aan +zinrijkheid doordat het den geest der hoorders aan het werk zette, en +hen zelven de toepassing deed maken. Niet zelden ook voerde de verteller +de dieren in gezelschap van een of meer menschen ten tooneele of +vertelde hij een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder +verdichte namen of aangeduid in algemeene bewoordingen. + +Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld door den loop +der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap op verre na niet in staat. +Slechts hier en daar kan zij ons een kijkje geven op de veelheid hunner +elkander kruisende kronkelwegen. In het Oosten met name in Voor-Indië, +zijn vele dezer verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken +vereenigd; van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs +schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen gekomen; +vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der menschheid geweest en +mondeling van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan, ook al +kreeg men door vertalingen eene schriftelijke overlevering naast die +mondelinge[3]. + +Waarschijnlijk waren er in de 13de eeuw ook hier te lande verscheidene +dierenfabels in omloop[4]. Echter berust de eenige Nederlandsche +fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen niet op mondelinge +overlevering, maar bevat zij eene vertaling van een Latijnsch origineel +dat bekend staat onder den naam _Romulus_. Misschien had MAERLANT het +oog op dezen bundel, toen hij in zijn _Spieghel Historiael_ verhaalde +dat de "favele" van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en +NOYDEKIIN, waren verdietscht "in rime scone ende fijn" en ze aanprees om +de "spellecheit [Zijnoot: vermakelijkheid.] ende wijsheit van zinne" die +men er in vond[5]. + +De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk _Esopet_ genoemd, was +natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid mede te deelen. +De schrijver van den proloog bereidde zijne hoorders (lezers) daarop +voor, toen hij aldus aanving: + + Ic wille u, in die ere ons Heren, + Bi beesten ende bi vogelen leren, + Wisen ende wel bedieden + Die nature van den lieden. + +Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in een paar +regels of een spreekwoord samengevat. In die goede lessen achtte de +proloogschrijver de verdienste van het boek gelegen. "Let op den inhoud, +niet op den vorm", zegt hij; in elk woord vindt gij "redene ende goeden +sin"[6]. Toch mag de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten, +al is zij onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet +beter op geworden. De 67 fabelen die hier uit den _Romulus_ ter +bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen van vos en +kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel enz.; zij zijn meerendeels +levendig verteld; hier en daar heeft de bewerker de levendigheid +verhoogd door zijne personages sprekend op te voeren, zooals dat ook in +de epische ridderpoëzie gebruikelijk was[7]. Hier en daar heeft de +volksaard aan de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de +vertaler de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met: + + Hets recht, dat valsche taverniere + Drinken van hars selfs biere[8]. + +Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch +Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker ons een kijkje in +de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de (met kokend sulfer en +pik gevulde) ketels moeten ronddrijven[9]. + +In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook menschen ten +tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; zij handelen over de +bruiloft van een dief, over Juno en Venus, een jonkman en eene +jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren zoon, een man die uit twee +monden spreekt. Daar had de dichter een greep gedaan in het algemeen +menschelijke, daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor +hen werkelijkheid was[10]. + +In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen bundel dat ik +tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het een karakter draagt, +verschillend van dat der overige. Het is het bekende verhaal van de +ontroostbare weduwe die niet wil scheiden van haar mans lijk. Niet ver +van haar zit een soldaat op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een +misdadiger hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone +weduwe, stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat +verwanten van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd voor +straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem uit den brand door +het lijk van den betreurden echtgenoot in de plaats van het +misdadigerslijk te hangen. + +Het middeleeuwsch woord _fabel_ was, evenals het Oudfransche _fabliau_, +ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen uit het dierenleven +te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche bewerking vergelijken met +het Latijnsche origineel, dan zien wij duidelijk dat wij hier een +voorlooper onzer latere _boerden_ voor ons hebben. Van het sober, bijna +droog, vertelde Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een +klein tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd +tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. het +eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter: + + "Vrouwe," seegt hi, "God houde u!" + "Ay mi!" seegt si, "wie es daer nu?" + "Vrouwe," seegt hi, "hier es een man." + "Ay mi!" seegt si, "nu vlie dan! + "Nemmermeer so ne wil ic comen, + "Of God wilt daer men _man_ hort noemen. + "Ay mi!" seegt si, "hier leget doet + "Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet + ... + + +Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost: + + "Bi Gode!" seegt hi, "lieve vrouwe, + "Mi es herde leet uw rouwe; + "Maer die levende ende die dode + "Moeten sceden, al doen sij 't node." + ... + + +Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge jeugd. Zoo'n +mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw man mag flink zijn +geweest... daar zijn nog betere dan hij: + + "Beter?" seegt si, "ay mi! ay mi! + "Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"-- + "Vrouwe," seegt hi, "dat ben ic, + "Die u ghemint hebbe een stic" [Zijnoot: eenigen tijd.].-- + "Ghi hout u scaren [Zijnoot: gij spot.], ic wane," seegt soe. + "God weet, vrouwe," seegt hi, "in doe." + +Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort tot het +eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze getracht het slot te +verknoeien[11]. + +Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men met +verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels, +welke de wereldliteratuur kent, nl.: _van den VII. vroeden binnen Rome_. + +Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in Azië en Europa +deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot bundels, die onderling +verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, telkens weer andere +verhalen zich samenvoegen tot een nieuw geheel. De lijst om die verhalen +blijft dezelfde; overal is het een stiefmoeder die haren schoonen +voorzoon, een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de +vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens daarvan +afgebracht door een waarschuwend verhaal van een der zeven vroede mannen +die den jongeling hebben opgevoed. Tegenover elk dier verhalen plaatst +de stiefmoeder een verhaal met tegenovergestelde strekking, totdat de +vader de waarheid ervaart en de booze stiefmoeder doet verbranden. In +die lijst vindt men telkens weer een verschillend samenstel van +verhalen, al komen ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen +voor[12]. + +In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij waarschijnlijk de +bewerking eener Fransche proza-redactie[13]. MAERLANT zal wel het oog op +dit gedicht hebben gehad, toen hij in zijn _Spiegel Historiael_ schreef: + + Maer noit en vand ic, als ic ghome [Zijnoot: naar ik meen.], + Ghene VII. vroede te Rome, + _Els dan die valsche faloerde [Zijnoot: Behalve dan dat logenverhaal.] + Veinset daer af eene boerde_[14]. + +Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der verhalen +zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in _Esopet_ of omgekeerd, +zoodat beide werken niet zoo heel lang na elkander zullen vervaardigd +zijn[15]. + +Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der meest bekende +verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om eenig denkbeeld van het +geheel te geven. Wij vinden hier o.a. het verhaal van den trouwen hond +die een kind in de wieg verdedigt tegen een slang, de slang doodt en, +met bloed bevlekt, zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht +ondersteboven is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt, +de wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de hond +het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den kop af. Voorts +het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, van de dieven die in des +Konings schatkamer binnendringen, waarin één hunner gevangen blijft; dat +van de vrouw die het geduld van haar man op zware proeven stelt, door +SHAKESPEARE in zijn _Taming of the Shrew_ gedramatizeerd; van de +overspelige vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten +de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem te laden. + +Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld dat zij +over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de vertaler in +menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een stuk aan dat mooi +verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze herhalingen en stoplappen; +de bouw zijner zinnen laat nogal eens te wenschen over. Anderzijds is er +in zijn werk zekere frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en +de vele teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk +nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging iets van +zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van zijn volk en zijn tijd +openbaart zich hier en daar duidelijk. Op meer dan een plaats vinden wij +een godsdienstig tintje, waar dat in het Fransen ontbreekt; elders +integendeel een realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet +gevonden wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier +dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag zijne magen +ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod om 's avonds na klokslag +zonder lantaarn uit te gaan toen reeds bestond of, verlevendigt zijn +verhaal door het aardig weergeven eener tevreden stemming in een regel +als deze: + + Dat halp den keyser in sijn merch[16]. + +Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den ganschen geest der +bewerking en de blijkbare onbedrevenheid van den bewerker in het +hanteeren der taal, doen mij eer aan een volksdichter dan aan een +ontwikkeld dichter denken, al blijkt ons niet tot welk publiek hij zich +bij voorkeur richt. + +Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen van +dezen aard--zij konden immers alle afzonderlijk worden +voorgedragen--zich in dezen tijd onder ons volk openbaart. En +begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet hebben genoten van een +dichtwerk waarin een aantal dierfabels waren verbonden tot een veel +hechter en schooner geheel dan dat der _VII. vroeden van Rome_. + +Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk middeleeuwsch +kunstwerk + +VAN DEN VOS REINAERDE[17]. + +In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de +fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog +niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht +_Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee +werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet +ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier +waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of +onder de schriftelijke. + +De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere +fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit +den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden? +Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam +_Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder +dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de +ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam) +spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij +vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele +spelen". + +Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels +kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde +zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen, +waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was +voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te +voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende +dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve +waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den +hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den +hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij +"vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich +hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een +ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote +heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede". + +En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd +voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en +zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de +vrouwen, tot goelijken spot werd. + +Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel +grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in +het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in +_Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht, +en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren +een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das, +ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche +als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de +feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te +rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet +bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei +misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos +Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig, +telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis +verlatend. + +Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn +tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan. +Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der +aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden +ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden, +komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het +aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld +tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht +te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij +verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af +met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram +Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met +Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert +met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis. + +In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen +aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten +wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de +vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar +opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn +kunstwerk bij ons achter? + +Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der +Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een +zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld +heeft gevolgd. + +Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvères, +meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, maar vooral uit +Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld, +zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in +kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos +et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering. +Langzamerhand ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en +kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond +komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel +gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de +veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204) +zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht +_Le Plaid_. + +Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen +dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van +bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met +tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het +eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele +het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het +verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook +andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of +uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij +nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit +de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge +overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is +er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun +gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan +die tegenstelling niet genoemd worden. + +Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht +en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die +overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar +minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst +kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot +dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd. + +Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl +hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een +tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch +gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door +Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om +koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der +andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde +omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door +Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept +zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE, +de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_ +slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der +"prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het +gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar +gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de +pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding; +wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft +in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als +in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike +gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige +plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20]. + +In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen; +behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst +sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de +schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven. +Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvère's +gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk +niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische +uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge +overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen. + +Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als +parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der +Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een +verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend +heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den +spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers +vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het +gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiëering +der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien +weet te geven. + +Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, zooals het hem +uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en +Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene +plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is +meer van dien aard te noemen. + +In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met +snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf +en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle +waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch +niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman +_van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met +vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele: + + + _Reinaert_, vs. 718 vlgg. + + Doe volchde hem een mekel here. + Int dorp ne bleef man no wijf: + Den bere te nemene sijn lijf + Liep 't al dat lopen mochte. + Sulc was die enen bessem brochte, + Sulc enen vleghel, sulc een rake: + Sulc quam ghelopen met enen stake, + _So si quamen van haren werke_ + _Lancelot_, II, 38377 vlgg. + + (Die meyer liep sere verbolgen: + Die scepenen gingen hem volgen. + Men geboet al ute daer, + Wat elc conste vinden vorwaer, + Waes 't riec, pike, vleghel, stocken, + Hake, sceppen, swingen, rocken, + Wat dat si gegripen conden, + _Also alsi in haer ambacht stonden_, + Nam elc dat ende volgede naer. + Sulc nam enen timberbiel daer + Ofte ene reke oft een gysarme; + En si dattene God bescerme + Soe es min here Walewein verloren. + +De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_ +eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen +_Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij +dat niet zoo waarschijnlijk voor. + +Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In +het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers +(1075): + + wat cost Reinaerde scone tale? + +Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch +(vs. 782) lezen: + + Mes sa parole que li coste? + +dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen +heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den +verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde +omstandigheden) hooren zeggen: + + Want mi cost niet hoefsce tale + +dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet gekend hebben. +En dat met meer reden, omdat er ook andere plaatsen in de _Lorreinen_ +zijn, die ons aan het gedicht _van den vos Reinaerde_ doen denken. + +In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer KAREL te Aken; hij +zal uitspraak doen in "'t gedinge" tusschen een paar zijner groote +vazallen: koning OTTE en koning YOEN; de laatste wordt namelijk +beschuldigd van overspel met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen +Isegrim, Reinaert en Hersent). + +Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname vazallen met +hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne zaak bepleitend. GELLOEN, +de verrader, die in dezen roman eene gewichtige rol speelt, boos, sluw, +dapper, doet ons meer dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij +in een strijd tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de +zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S dochter; toen +hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, kwam hij koning KAREL +"smeken ende lecken || Als die sine quaetheit woude decken." Tot straf +voor zijne misdaden wordt hem eene "heilege bedevaert" opgelegd[21]. Het +eerste geval herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd +tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, ook +Reinaert tot straf opgelegd. + +Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst reeds kan +bestaan hebben tusschen de _Chanson des Lorrains_ en den _Renart_ en dus +het Nederlandsch gedicht niet of niet in de eerste plaats raakt. Doch +zoo oordeelend zou men geene rekening houden met een gewichtigen, tot +dusver onopgemerkten karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de +groote rol die _de maagschap_ daarin speelt. + +In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne maagschap +opkomen en vinden wij over het algemeen een levendig besef van de +beteekenis der maagschap; in de Fransche gedichten over Renart vindt men +op de overeenkomstige plaatsen niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking +dat die maagschap vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den +voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten zijn, +waarin de maagschap vaker genoemd wordt dan juist in de _Lorreinen_, het +verhaal der veete tusschen twee voorname geslachten--dan geloof ik wel +te mogen aannemen dat WILLEM ook de Nederlandsche _Lorreinen_ +zelfstandig heeft geparodieerd[22]. + +Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten slotte niet het +minst in den proloog, die juist om die reden zoo uitnemend strookt met +het gansche gedicht. Wie den proloog van den _Reinaert_ leest na die van +_Walewein_ en van _Floris en Blancefloer_, zal in gelijke woorden, +wendingen en rijmklanken meer dan eens de parodie opmerken[23]. + +WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek eener dame. +Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de waarheid zegt; doch +waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook hier de ridderromans +parodieert, waarin wel eens meer gewag wordt gemaakt van zulk een +verzoek. + +Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman _van Alexander_ heeft +ondernomen ter eere van haar die hem "gevangen" houdt. En nu is het +opmerkelijk dat wij juist in den _Alexander_ tal van plaatsen vinden die +ons aan den _Reinaert_ herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat +WILLEM ook dezen roman heeft gekend[24]. + +Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, loopt +gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek te weinig zal +ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in hun wezen zekere +tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk publiek gaarne bereid den +dichter ook in zulke verbeeldingen te volgen, en naarmate een publiek +eenvoudiger is, zal het te minder gestoord worden in zijn genot door het +overschrijden der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact +des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste maat +weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, ons toch +binnen den kring van het dierenleven te houden. + +De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit anthropomorphisme +geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier immers eene voorstelling der +feodale maatschappij: de koning bestuurt den staat, zijne groote heeren +zijn zijne raadslieden, hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij +zendt gezanten die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een +kapelaan, van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand +van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven met eene +lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, schatten, gaan op +een bedevaart met "palster ende scerpe", worden terechtgesteld; de galg +staat voor hen klaar, er wordt bij de terechtstelling op een hoorn +geblazen. De leden dezer feodale maatschappij vertoonen onderscheidene +menschelijke aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert +bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand +betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in onmacht, Reinaert +zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen langs de knevels[25]. + +Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste daarvan, +had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. Nergens echter gaat hij +de grenzen van den tact zoozeer te buiten als de dichters van _Le Plaid_ +en der overige "branches". Deze laten de dieren op bankjes zitten, +blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den +vinger steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm gevallen +kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. In den _Reinaert_ +vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, aan het paardrijden +ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en Tibeert de kater loopen + + daer si lopen wilden, + dat si nie toghel uphilden[26]. + +Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal sprake is +van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer beteekenen dan: +_stilstaan_. + +In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze uitdrukking +("onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere die ons de dieren +werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe zij hun rijdier de sporen +geven en door de vlakte draven. + +WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der buitenwerken +daarvan, de "barbecane". Doch daarbij blijft het. In de Fransche +gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor ons met zijne hooge +muren, ophaalbruggen, het wiket in de poort; in een der "branches" wordt +zelfs een formeel beleg beschreven; elders gewag gemaakt van het +Grieksch vuur[27]. Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke +vermenschelijking der dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij +de dieren in hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te +brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar flauwtjes door dat +dierenleven heen zien schemeren. + +Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan eens aan de +kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor zij stekeblind worden. +Wij zien hem om een hoenderpark sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat +de vlokken hem van den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich +te koesteren op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes, +totdat hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden +moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij zijn vader te +bespieden, den ouden vos die met den staart zijn spoor uitwischt; hij +zelf krabt met zijn pooten het zand weg van den toegang tot een hol, pas +door zijn vader gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den +koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij bijt Cuwaert +de keel af en het vossengezin smult van den "goeden vetten hase." + +Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat hij niet +meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst is binnengekomen; +die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, onder het vreten tegen +Reinaert gromt en hem de tanden laat zien; Isegrim met zijne magen die +ons zoo goed geschetst worden in dat ééne vers: "met scerpen claeuwen, +met diepen monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de "barbecane" +van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop en voorpooten +gevangen in een halfgespleten eik; later zien wij hem afgemat en +bloedend op den oever liggen, "ende sloech met beiden sinen lanken" +[Zijnoot: zijden.]; daarna op weg naar des konings hof, beurtelings +voortschuivend op zijne achterdeelen of zich over den grond wentelend. +Tibert de kater, op de + +muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den bijna +naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die zich uit den +strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is voorts de haan +Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig en rustig leeft in dat +mooie park, totdat de roode vijand hen komt belagen; Cantecleer, +klapwiekend gaande voor de lijkbaar, waarop de door Reinaert vermoorde +kip Coppe ligt; Coppe "die so wale conste scraven [Zijnoot: (met de +pooten) schrabbelen.]." Elders zien wij haan en kippen op de hanebalken +of losloopend bij een schuur, hond en kat kijvend om een worst, de +ooievaar die de kikkers opslokt en tal van andere beesten die ons +slechts terloops genoemd worden. + +Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt grootendeels +afgespeeld onder den blooten hemel in Gods vrije natuur. + +Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen staan in het +groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; een hooge steen is 's +konings troon. Onbezorgd wandelt Cantecleer met zijne kippen rond waar +de groene velden vol bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde +(rustplaats van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis +door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen breeden +heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en hij het erf van +LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit het bosch heeft gehaald om +hem te splijten; een rivier stroomt in de nabijheid. In die rivier +ontkomt de mishandelde beer aan zijne vervolgers. Op den oever van die +rivier ligt hij uitgeput, als Reinaert die op een heideheuvel een vet +hoen heeft verorberd, daarheen komt om zich wat op te frisschen. + +Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. "Al heil, edel voghel!" roept hij, +"vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel vliegt in het +kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! 's Avonds laat bereikt +hij Maupertuis; helder als de dag schijnt de maan over de heide; bij dat +licht loopen hij en Reinaert naar pastoors schuur. + +Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt de bron +Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; jonge berken staan +in den bemosten grond om de put. Een dergelijke wildernis moet het zijn, +waarheen Reinaert ten slotte met zijn gezin de wijk neemt, waar het op +de heide en in het kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte. + +Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich reeds in de +karakteristiek zijner personages? + +Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den echtbreker; +die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin van den koning, naar het +schijnt, te na is gekomen; die voor zich zelf weet te zorgen en tijdens +het gevecht der dorpelingen met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof +uiten zich zijne teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als +deze den beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de +weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op Isegrim en +Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. Bij zijn afscheid weet +hij den haas Cuwaert en den ram Belijn met zich te lokken; den eerste +vermoordt hij en zendt den ander met den kop des vermoorden in een zak +naar den Koning terug; "er zitten brieven in", zegt hij, "waarvoor de +Koning u dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in +de klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen na al +zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij het hoofd op, hij +loopt als een prins bij den weg. Met de galg voor oogen spot hij nog met +Isegrim. Zijn zelfvertrouwen begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft +zijn vindingrijke geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets +van een schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en Koningin +gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal over eene samenzwering +der dieren om Bruin op Nobels troon te zetten. Dat verhaal besluit hij +op voortreffelijke wijze met de klacht: "ende arm man Reinaert es de +blare [Zijnoot: zondebok.] "; langs dien weg weet hij het verhaal weer +op zich te wenden. Niets is hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht +en begint Latijn te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de +biecht onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor +mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel van +Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. Hoe ootmoedig +houdt hij zich tegenover den Koning; hoe nederig tegenover den beer: ik +moet wel honing eten uit nood, een arm man is geen graaf! Maar des te +bitterder en onbarmhartiger is zijn spot later, als hij het spel +gewonnen ziet. Want hij kent geen genade; boven alles is hij _fel_: "de +felle metten roden baerde", het "felle dier", "die felle creature"--zoo +noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt is de liefde +voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al zoo aardig aan zijn +muiltje staan en die een aardje naar zijn vaârtje zal hebben; Rosseel, +"den schonen dief", die hij zoo lief heeft als eenig vader zijne +kinderen. + +Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim en Bruin, +naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl Tibert de kater zich +later ook tegenover Reinaert plaatst. + +Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem zien handelen of +hooren spreken. In den aanvang van het verhaal staat hij met zijne vrouw +Hersinde en zijne magen vóór den Koning; hij is degeen die de reeks der +klagers opent. Uit onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert +en hij als "gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er +gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling van Reinaert +is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den schuldige stevig vast te +houden, Hersinde moet den schelm bij zijn baard grijpen, onderwijl zal +hij met Bruin en Tibert de galg in gereedheid brengen. In zijn triomf +over den gehaten vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij +hoort dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug +naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt en hem +met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten gevild worden, +ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen verkropt hij zwijgend zijne +woede. + +Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend in zijn +domme zelfgenoegzaamheid. "Maak u niet bezorgd over mij" zegt hij tot +den Koning, die hem waarschuwt tegen Reinaerts bedriegelijken aard. +Komisch is hij in zijn naieven lofzang op den honing, niet minder in de +deftigheid waarmede hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de +gulzigaard, over het "maathouden"! Dan zien wij "arm man Brune" in de +knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts één oor, drijft +hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, steunend van pijn, +ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts bittere grappen te +verdragen, springt hij opnieuw in het water. Welk een krachtig komische +werking doet zijn droefheid over de vermindering van zijn uiterlijk, het +verlies van zijne "mooie wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde +aan het hof verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt +hij deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling. + +Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert heeft, die hem +van den aanvang af verdedigt, die hem trouw blijft, ook nadat zijn oom +hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer hij ziet, dat Reinaert gevaar +loopt door niet aan de indaging gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan +'s Konings hof. Is Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen +heen, om zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne +trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert ook hem +van deelname aan de samenzwering tegen den koning. + +Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. Maar hij, +"een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's mislukten tocht +weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. Onderweg is hij angstig, +al tracht hij zich goed te houden. Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn +snoepzucht is hem de baas; voor de opening in pastoors schuurdeur +aarzelt hij, maar Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook +koning Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan dat +beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook nu nog dieren +"qui se respectent." Met welbehagen neemt hij later de beulsrol op zich: +"ic ne dede nie so lieve pine." Het loopen met het zware stroptouw valt +hem wat moeilijk, maar hij doet het met goeden wille. In groote zorg +zien wij hem ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het +bericht brengt van Reinaerts vrijspraak. + +Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige Cantecleer, zoo +fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; de angstige en +domme ram Belijn en andere dieren die geheel op den achtergrond blijven. +Boven deze staat koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust, +een spotbeeld van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen +ridderroman. + + Dus siet men dat behendichede + Beter es dan sterchede. + +Die slotverzen van een der fabels uit _Esopet_ moeten wel den voornamen +indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche gemeenten gemaakt door +dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. Voor hen geen ridderidealen +noch hooge minne. Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe +vermetele boef, koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel, +die spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne meerderen; +grappenmaker met een scherpe tong, die ook het heilige niet spaart, die +pleizier heeft in eigen schelmstukken; wien gewetenloosheid en wreedheid +werden vergeven, omdat hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij +bovendien immers maar een dier was. + +Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters en +boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden werd door +het geloof en de wet, wier nuchter verstand gescherpt werd vooral door +den lust naar voordeel en gewin; wien hartige scherts en losse grappen +zoo smaakten al liep er wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo +onbarmhartig en genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne +vijanden; die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen +de hoogere standen. + +Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, hadden zij +te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien wij slechts weten +dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc (uit den Britschen +sagenkring) had gedicht, en van wien wij mogen vermoeden dat hij in +Oost-Vlaanderen woonachtig was. + +Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek, +maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een eenheid heerscht daar! +Reinaert's figuur beheerscht het gansche gedicht; hij vervult +voortdurend onze gedachten; is hij niet ten tooneele, dan spreekt men +van hem. Doch niet minder voortreffelijk is de wijze waarop WILLEM al +deze, deels overgenomen deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en +vereenigd. Hoe is hij _in_ zijn verhaal, dat slechts hier en daar door +eene reflexie wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in +zijne stof; zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid +en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens het +gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden van +menschen, dieren, de natuur. + +Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet een fijn man +zijn geweest. + +Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met de wolvin, +in het Fransch de spil waarom alles draait, naar den achtergrond heeft +geschoven. Hoe geestig weet hij den hoofschen spreektrant na te volgen +in dat half omsluieren van het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel +aan Grimbaert biecht; want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat +maar een rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat +oogenblik door Reinaert worden ontzien. + +Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft +bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn +verhaal mede te deelen. + +Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld met zijn +volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het +juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht +tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: "oom, praat je Fransch? +spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan". + +Den hoofschen dichter van _Sinte Lutgarts Leven_, WILLEM VAN AFFLIGHEM, +smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen +van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28]. + +Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert +blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming +voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek, +volkslied, volkssprookje kwam "'t looze Reintje" de geesten bekoren met +zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of +scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de kinderkamer. +Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de +hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of +om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden. + +Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedicht +_van den vos Reinaerde_ een kleinood der Dietsche letterkunde, en de +nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche +kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns +gelijke heeft gevonden. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885). + +[2] Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of +vertaald?) en van een gedicht getiteld "_Hier beghint Ovidius_", dat uit +het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: _Bulletins de l'Acad. +Roy. de Belgique_, T. XXVII, 488. + +MAERLANT'S mededeeling in _Der Naturen Bloeme_, (ed. VERWIJS), bl. 5. +Zie voorts over de _bestiaires_: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, 164 suivv. +en: _Geschichte des Physiologus_ von Dr. F. LAUCHERT. Strassburg. 1889. + +[3] Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn +bekend werk _Les Fabliaux_. + +[4] Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_, XIV, +490. + +De verzen uit _Sinte Lutgart's Leven_ (II, 95-6): + +Daer doen si stomme beesten spreken _Daer doen si simmen speren breken_ + +wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken, +dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van +apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons +gekomen. + +[5] T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL. + +[6] Aldus versta ik de verzen (vs. 19-20): + +Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert. + +[7] Vgl. b.v. no. 11, 1-2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg. + +[8] De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe. + +[9] Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze +plaatsen niets van dien aard. + +[10] no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen +den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld +(LXV). + +[11] De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk +van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn. + +Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het +volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret +feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio." +Vgl. _Romulus_ (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p. +69, III, 9. + +[12] Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf +Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: _Die hystorie van die seven +wijse mannen, van romen._ 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I. + +[13] Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, _De Middelnederlandsche bewerking +van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome._ (Utrecht. 1899). + +[14] I, p. 92. + +[15] Vgl. _Esopet_, vs. 51-2: + +Mi es te nacht een dief verstolen, Die mi op thoeft was bevolen + +met _VII. Vroeden,_ 3248-9: + +Ende hem van der galgen verstolen, Die hem te wachten was bevolen. + +Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave +van Dr. STOETT in _Noord en Zuid_, X, 6. + +[16] Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg. + +Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "_Maer so +een meer maelt, so hi moeder es._" (Vgl. mijn _Lied in de Midd._ over de +molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod +van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen +van 1438-'9: "dat nyement by nachte en ga achter de straten na de +diefclocke sonder lanteern ofte licht." (_Antw. Bibliophilen_, no. 3, +bl. 134). + +[17] Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet +gevoegd worden vooral: _Les Sources du Roman de Renart_ par L. SUDRE, +(Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER in +_Taal en Letteren_ van 1895; de nieuwe uitgave + +"_van den Vos Reinaerde_" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de +artikelen dezer geleerden in _Taal en Letteren_, 14e jaargang. + +Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor +de Fransche branches naar MARTIN'S _Roman de Renart_, ook naar een +uitnemend artikel van VORETZSCH in _Zeitschr. für roman. Philol._, XV en +XVI. + +[18] Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens +in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. _Siècle des Artevelde_, +p. 251 en _Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg._, XXXII, 221. + +[19] Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W. +MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel +in _Taal en Letteren_. + +[20] Vgl. _Reinaert_, vs. 623-6 met _Br._, XIV, 302-6 (al is daar geen +"gepeins" maar "dire soef"); dit "binnensmonds spreken" ook I, 2785, +2841. _Rein._, 960-'81 met _Br._, X, 687-716; _Rein._, 1258 vlgg. met +_Br._, I, 879-882; VI, 207-224; _Br._, I b. 2702-2722; _Rein._, 3368 +vlgg. met _Br._, I, 942-3; _Rein._, 1510 vlgg. met _Br._, I, 1050-'54 en +XIV, 258-9, 665 vlgg. + +[21] Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (_Karel de Groote en +zijne XII. Pairs_), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244. + +[22] De bedoelde plaatsen in den _Reinaert_ zijn: vs. 62: "Isingrijn +ende sine maghe"; 1024: "te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084-5; +voorts: vs. 1666: "ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic +eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: "so arem no van so cranken maghen"; +vs. 1850: "Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884-5: "Orlof nam +Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899-1900: "al es +Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: "som van +minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228, +2913); vs. 2463: "ser Isingrijns maghe"; 2720: "doe haddics rauwe als +een sijn maech"; 3398-9: "hi was een deel des coninx maech || hi mocht +wel doen"; vs. 3449: "alle sheren Belijns maghe"; 3456-7: "Reinaerde... +ende allen sinen maghen". + +[23] Vgl. _Rein._, 11-17, 32-7 met _Flor. en Blanc._, 1-13, 65-75; +_Rein._, 1-9 met _Wal._, 1-6; _Rein._, 1-2 met _Wal._, 23-24. + +[24] Vgl. FRANK'S uitgave van den _Alexander_, Inl. XVII-XVIII. F. +gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij +komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij +de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie van F.'s +werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: _Alex._, VIII, 315 te verg. +met _Rein._, 1589. + +VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht, +dat de rijmen dier verzen: _oghen_ || _ghedoghen_ in datzelfde boek nog +tweemaal voorkomen: VIII, 251-2, 751-2. + +Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den _Alexander_, +welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn +blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den _Reinaert_ +zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben. + +Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van +WILLEM'S proloog en dat der _Enfances Ogier_ van ADENEZ LE ROI: Li roi +ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit +corrompue, pour ce i veut penser etc. + +[25] Vgl. o.a. _Rein._ 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713, +1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993, +3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen. + +[26] 1159-1160. + +[27] Vgl. _Br._, I, 271, 342; 134: "Hersent rogist, si ot vergoine"; +967: "au col li met andous les braz"; 1447-'59: "Renart mist l'anel en +son doi"; 1617: "baignier... ventuser... sener"; 344; 577 ("onques n'i +ot resne tenue"); 580: "Iloc s'arestent li destrer"; 705: "tant a alé +esporonant"; 744: "tant a sa mule esporonee" en voorts 1146, 1190, +1461-2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; _Br._, I a.; het Grieksch vuur +I, 282. + +[28] T.a.p. II, 89 vlgg. + + + +VROEGSTE LYRIEK. + + Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied. + +VELDEKE'S minneliederen--wij zagen het in een vroeger +hoofdstuk--vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; in hun +Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne plaats tusschen de +werken der Minnesinger, omdat immers ook de Duitsche lyriek van minne +zich had ontwikkeld onder den invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch +en de Fransche lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als _zeelde_ +en _merkaren_ in hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger; +doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend hebben, kan +nauwlijks betwijfeld worden[1]. + +Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH tot den +adel behoorden; de erotische lyriek immers, waarop wij het oog hebben, +was _hoofsche_ lyriek, werd vooral door den adel voor den adel gemaakt; +tot den adel behoorden zoowel de Zuidfransche troubadours als de +Hoogduitsche Minnesinger. Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit +Brabant, Vlaanderen, het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld; +onder hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche +minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak +hetzelfde karakter als de overige "lyrique courtoise", die wij reeds in +VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier dezelfde opvatting en +voorstelling der liefde, de geveinsde wanhoop, dezelfde klachten, +hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's (tenzonen) waarin twee +tegenovergestelde meeningen door een paar vrienden verdedigd worden, +vele pastourellen; niet zelden vangt een lied aan met een klein +natuurschetsje, vele dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt +QUENES DE BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat: + + Aï, amors, com dure departie, + Me covient faire à perdre la millor + Ki onkes fust amée ne servie; + Deus me ramainst à li, par sa douçor, + Si voirement com j'en part à dolor! + Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie: + Se li cors vait servir Nostre Signor, + Tous li miens cuers remaint en sa baillie. + + +GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus: + + Kant li boscage retentist + Dou chant des oisillons en mai + Et la rose el vergier florist, + En icel tens joious et gai, + Lors chanterai de cuer verai, + Car quant li maus d'amer me prist, + El plus haut lieu del mont me mist. + +Verderop in dat lied lezen wij: + + + Douce Dame, quant je vos vi + A celle fois premièrement, + Ne cuidai pas il fust issi + De tout en tout à vo talent; + Por vos languis à esciant, + Et quant n'i puis merci trover, + Bien veul morir por bien amer[2]. + + +Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan? Men moet het +wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er meermalen gewag van wordt +gemaakt. In den proloog der _Disticha Catonis_ lezen wij: + + Dieghene die in haren sinne + Draghen waerlike [Zijnoot: wereldsche.] minne, + Si maker of riim ende liet. + +Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke liefde, blijkt +wel uit hetgeen hij laat volgen: + + Der minne so ne draghic niet[3] + +ook uit zijne uitdrukking "ter minnen dienste staen" die immers ontleend +is aan de hoofsche lyriek. + +Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen + + Die loes baraet [Zijnoot: sluw bedrog.] ende arge treken + Bedekken metter minnen name + +over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4]. + +Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar +MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie waarschuwt en haar tevens +kenschetst. In zijn _Wapene Martijn_ zegt hij tot zijn vriend: + + Martijn, ic ben wel berecht: + Het seghet al, heren ende knecht [Zijnoot: schildknaap.], + Vrouwen ende joncfrouwen, + In sanghe ende in rime slecht, + Dat si met minnen sijn verplecht [Zijnoot: verstrikt.], + Ende men cans niet bescouwen. + Mi dinke dat al die werelt vecht + Jeghen der reenre minnen lecht + Ende volghen ontrouwen. + Menich seghet nu ende echt [Zijnoot: daarna.]: + "Mijn sin is ane u ghehecht + So sere, ic wane bedouwen" [Zijnoot: wegkwijnen.]; + Achtre maken si de mouwen [Zijnoot: steken zij er den draak mede.] [5]. + +MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers +van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepoëzie maakten, +blijkt ons uit den _Spieghel Historiael_. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS' +_Speculum_, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier +gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan "heilige +minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden: +"dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT: + + noch laten gaen + Salute, subtijleke ghedicht + Ende met sconen rimen verlicht[6]. + +Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen +gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het kan niet waarschijnlijk +worden geacht. Zoowel de dichter der _Disticha Catonis_ als MAERLANT +richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de +gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid, +en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het +Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden +maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er +omstreeks het midden der 13de eeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet +zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van +overgebleven. + +Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde +"clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, herinnerde hij zich +misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een "clerc", indertijd den +roman _van Troje_ had vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat. +Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de +onbekende jonkvrouw voor wie hij zijn _Alexander_ heeft bewerkt? Het is +licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de +vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor +een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet: + + Nye en droech vrouwe + Ghestadighen rouwe, + Noch nummer en doet; + Haer ketsen [Zijnoot: zich inspannen.], haer jaghen, + Haer mynne draghen + Is saen te voet[7]. + +Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden +toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is +overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN +toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche +overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat +zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen +wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het +Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8]. + +In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn +bevallig en welluidend. Zoo b.v.: + + Eens meienmorgens vroe + Was ic opgestaen; + In een scoen boemgaerdekijn + Soudic spelen gaen. + Daer vant ic drie joncfrouwen staen; + D'ene sanc voren, d'ander sanc na: + Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. + + Doe ic versach dat scone cruut + In den boemgaerdekijn, + Ende ic verhoerde dat soete geluut + Van den mageden fijn, + Doe verblide dat herte mijn, + Dat ic moeste singen na: + Harba lori fa, enz. + + Doe groette ic die allerscoenste, + Die daer onder stont; + Ic liet mine arme al omme gaen; + Doe ter selver stont + Ic woude se cussen an haren mont; + Si sprac: "laet staen, laet staen, laet staen!" + Harba lori fa, enz. + +Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de +overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo +vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier +de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen. + +Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons +overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH. + +Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van +"minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des +harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen +tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit het _Leven van +Sinte Lutgart_. In een visioen ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA +en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in +witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen +zingen zij "enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam, +slechts hier voorkomend, woord _leec_ blijkt in allen gevalle dat ook +WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt +zich onze wetenschap in dezen. + +Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in +latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v. +het lied: + + Nu zijt wellecome, Heere Christ, + Want ghy onser alder Heere bist + enz. + +dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vóór het +jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te +zeggen[10]. + +Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte +lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk +of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in +dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer +aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen +kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de +kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat +eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet +geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11]. + +Liederen, vóór of in den strijd aangeheven--men zou ze in navolging van +onze oostelijke buren: _wijchliederen_ kunnen noemen--waren bij de +Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook +verminkt, door een Engelsch kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS +PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst +van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vóór den +strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen: + + Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin, + Engelond is min ant tin [13]. + +Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit: +dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder: +dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog +vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaalde +_hoppe_[13]. + +Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de +Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar +nog altijd tot liederen verwerkt. + +In zijn roman _van Alexander_ zegt hij: + + Alse die liede seghe + ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in + meneghen staden. + +Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche +woorden: "toto radiaret in orbe" door: + + Men soude van siere doghet + singhen Al van daer die sonne up staet, + Tote daer soe weder neder gaet. + +Ook de typische uitdrukking _een nieuw lied_ waarmede de liedjesdichters +en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben +geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers +waarin hij van ALEXANDER zegt: + + Van joien sanc hi nuwen sanc[14]. + +Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de +Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds, +waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de +zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne +tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15]. + +Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de +12de eeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling +van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd +in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders +sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden +door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de +pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en +verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen +die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed +verdwenen zijn. + +Omstreeks het midden der 13de eeuw moet er een aantal vroolijke, dartele +of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard +zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt +ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn +_Liber Apum_ ("der Biën Boeck") dat tusschen 1258-1261 geschreven is. In +menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld, +vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven +onzer voorouders. + +Zoo lezen wij b.v.: "Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende +Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was +karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder +wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS, +die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande. +De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen +ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe +die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was +alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den +weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee +herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den +bliksem getroffen, ineenzinkt. "Mercke hier", besluit de schrijver, "dat +alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit +schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher +wraeken"[17]. + +Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer +GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: "hy hadde eenen knechte, +ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes +te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen +doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi +plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende +jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende +dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat +die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper +huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe +hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde +ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende +alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede +verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig +tijds later wordt ook deze knecht "van gode gheslaghen"[18]. + +"Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op eene andere plaats +van zijn boek, "dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van +kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19]. + +Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke +Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare +1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten +aanhoore van het volk gezegd hebben: "dat vermaarde lied van _Martijn_ +heb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van +Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: "dit +nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20]. + +Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende +oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen +weigeren aan het getuigenis van CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat +dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die +liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen; +opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek +en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest. + +Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn +verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden +bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet +opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der +moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der +burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige +kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden. +Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die +meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene +samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT. + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de hare vgl. +MARTIN JÖRIS, _Untersuchungen_ enz., bl. 81 vlgg. + +[2] Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn _Lied in de +Middeleeuwen_, bl. 252 vlgg. + +De aangehaalde verzen zijn te vinden in: _Trouvères Belges du XIIe au +XIVe siècle...._ par A. SCHELER, p. 2, 35, 36. + +[3] _Der_ moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere +plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: _Diere +minne ne garic niet_. + +[4] T.a.p. II, 63 vlgg. + +[5] _Strophische Gedichten_ (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35. + +Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in _Het Lied in de +Middeleeuwen_; vgl. ald. bl. 253. + +[6] A.w. II, bl. 82, vs. 40-42. + +[7] Vgl. _Historie van Troyen_ (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. Het +Fransche vers (13421) luidt: "One nule ne pot doel aveir." + +Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666-6677 over den dood van +HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een drietal +verzen vindt. + +[8] Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld door H. +BOERMA in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV, 220 vlgg. Onder de daar +genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was opgemerkt in +hetzelfde Tijdschrift IX, 274. + +[9] A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; vgl. _A. +Sanct._ Junii III, p. 245, 9. + +[10] Vgl. _Kerstliederen en Leisen_ door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, JOH. +MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER, _Niederl. geistl. lieder_ in: +_Vierteljahrsschrift für Musikw._, 1888, bl. 157. + +[11] In R. HENNING'S _Nibelungen-Studiën_ (_Quell. u. Forsch._, 31, p. +21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften +Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischen +und nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in het +_Chronicon Hierosolymitanum_ de plaatsen te vinden, welke die bewering +zouden kunnen staven. + +[12] Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S _Gesch. des deutschen +Kirchenliedes_, p. 44-5. + +[13] Vgl. _Onze historische Volksliederen_ door PAUL FRÉDÉRICQ, bl. 8 en +_Middelnederlandsche Historieliederen_ door Dr. C.C. v.d. GRAFT, bl. 43. + +[14] Vgl. _Alexander_ (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en de +aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont dat deze +verzen van MAERLANT zijn. (Het "singhen ende lesen" in X, 1254 b.v. is +van GAUTIER DE CHATILLON). + +[15] Vgl. _Rymkronyk van Jan van Heeln_ (ed. WILLEMS), p. 343, DXX vlgg. +JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in vs. 5184 vlgg. + +[16] PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8. + +[17] Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER VAN OS, +Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men fo 169 vo. + +[18] T.a.p. fo 140. + +[19] _Liber Apum_ c. XLVIII: "obscenis et venereis cantibus corda etiam +religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri". + +[20] A.w.c. XLVIII: "Cantum hunc celebrem de Martino ego cum collega meo +composui et per diversas partes gallie, theutonie promulgavi. Erat autem +turpissimus et plenus luxuriosis plausibus cantus ille." + +Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der Dietsche +vertaling. + +Het, mij en anderen onduidelijk, "plenus luxuriosis plausibus" heb ik +gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen. + + + +JACOB VAN MAERLANT. + + Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der + Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. Besluit. + +In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen en hunne poëzie +vereenigd. + +Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; hij behoort +tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke poëzie; hij zegt +den adel en vooral den geestelijken de waarheid en tracht door zijne +latere werken aan de gemeentenaren die kennis en ontwikkeling te +verschaffen die zij begeerden en noodig hadden. + +Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband met zijne +werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, in de eerste helft +der 13de eeuw, vermoedelijk in de buurt van Brugge, geboren; misschien +woonachtig te Damme. Later in zijn leven vinden wij hem als koster te +Oost-Voorne en in betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN +CATS, wien hij zijn _Naturen Bloeme_ ten geschenke gaf, en ALBRECHT, +Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman van FLORIS +V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg hij zijn roman _van Merlijn_ op. + +Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, schreef hij +zijne eerste werken: den roman _van Alexander_ (1257-1260), _van +Merlijn_ (c. 1261), _van Torec_ (c. 1262) en _van Troyen_ (c. 1264)[1]; +waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak die naar de aanvangswoorden +_Wapene Martijn_ (c. 1266) genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar +Damme, waar hij, volgens de overlevering, "scepenclerc" +(gemeentesecretaris) zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien +omstreeks 1266 plaats gehad. + +Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, nog +eenige groote werken: _der Naturen Bloeme_ (1266-1269); _Rijmbijbel_ +(vóór 1271); _Sinte Franciscus Leven_ (c. 1271-1272?) en daarvóór het +_Leven van Sinte Clara Spieghel Historiael_ (1282 of 1283 tot 1289 of +1290[2]). + +In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem belet het +te voltooien. Aan het slot van het 3de boek der 4de Partie van dat +groote werk gekomen, schreef hij: + + Ende verstaet dat Jacob moet + Van Maerlant rusten terre stede + Van der vierder paertyen mede, + Ende beiden tote dats hem God jan [Zijnoot: vergunt.], + Dat hire weder coemet an, + Omme te dichtene in redene claer + Die dinghe diere volghen naer. + +In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden. + + +RIDDERPOEZIE. + +Wie MAERLANT door latere dichters "vader der Dietsche dichteren algader" +hoort noemen, zou kunnen vergeten dat ook deze vader eens jong geweest +is en de minne heeft gekend, al was hij nog zoo degelijk. De zoete +heugenis dier minne overvalt hem later midden in de geleerdheid van _der +Naturen Bloeme_. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene +beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over de vreugde +der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in zijn vertaling een anderen +weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker zingt dan eenige andere, wien in +eene kooi de gevangenschap weelde schijnt, vergelijkt hij bij + + Hem die met minnen es bevaen, + _Dat een zwaer karker es ende soete_. + Cume [Zijnoot: nauwlijks.] hevet hi enighe moete [Zijnoot: tijd.] + Om yet te pensen dan omme sanc, + Ende om feeste ende om spel ghemanc [Zijnoot: samen.], + _Der minnen karker geeft hi prijs [Zijnoot: lof.], + Want et dinct hem een paradijs_[3]. + +In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand +sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene +schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve den +_Alexander_ bewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans. +Het is begrijpelijk dat twee daarvan: _Merlijn_ en _Torec_ behooren tot +die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een +lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S +omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee +overige: _Alexander_ en _Troyen_ behooren tot die klassieke romans die +naar den geest zoo verwant waren met de Keltische. + +De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing, +voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn +proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van +zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen +niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de +oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen +hiermede niet vergeleken worden. Voor MAERLANT zijn blijkbaar alle +gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als +schilderingen van het verleden. + +Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over +ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even +gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet +daartoe hebben bijgedragen. De _Alexandreïs_ waarmede de scholaster +GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER +hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de +Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke +boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van +deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt +van Wittewierum in den aanvang der 13de eeuw, noemt in de kroniek van +zijn klooster de _Alexandreïs_ in één adem met de _Aeneïs_; een zijner +tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit +werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat +liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen +was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en +gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk +gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen +luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een +sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den +last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt, +zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden. + +Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten +introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel +indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer +MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij +zich dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat +al wonderen verhaalden de auteurs van de _Alexandreïs_ en dergelijke +werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn; +gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een +schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van +achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de +verbeelding in werking te brengen behaagde de _Alexandreïs_; in de +schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping +en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht +wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was +veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest +voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen, +dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet +zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar +heeft verdietscht[7]. + +Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer +eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten +einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht +gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe +aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van +alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den +bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk +niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde +Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer +door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort +hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk +volgt, als om eene vergoeding te geven[8]. + +Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die + +waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de +teekening van "meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche +werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar +een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig +jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid +even vroolijk te maken over de dwaze "warmoesdeernen" die zich hoofsche +namen hebben aangeschaft en beweren "vrouwe YMME" en "vrouwe MARGRIETE" +te heeten[9]. + +Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche +vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer +"meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin +heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde +schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het +kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van +hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE "met +de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en +eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S "amie" en DEJANIRA, +DIDO, BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR... waarlijk, men behoeft niet +te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot +nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven. + +Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de _Historie van Troyen_. + +Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13de +eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar +gedeelten van den Franschen _Roman de Troie_ vertaald of bewerkt[11]. In +het eene stuk, _tprieel van Troyen_ genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij +zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de +koninginnen van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend +in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den +oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe +wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken. + +MAERLANT heeft den ganschen _roman de Troie_ van BENOÎT DE ST. MORE +vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter +na het zóó te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12]. + +De _Roman van Troyen_ is vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk, +dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der +lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook +elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOÎT +over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene +elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op +gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13]. + +Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op +menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van +zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij +b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene +fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking +heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in +het verhaal te brengen[14]. + +Tusschen den roman _van Alexander_ en dien _van Troye_ bewerkte hij een +paar romans uit den Britschen sagenkring. De _Historie van den Grale_ en +_Merlijns Boeck_ vormen de beide deelen van het eene werk, dat eene +vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON. + +In de _Historie van den Grale_ worden ons in hoofdzaak de lotgevallen +van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van PILATUS een "nap" of +"scotele" had ontvangen, "daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij +na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar +verre landen trok en hoe "die scotele die men heet den Grael" het +vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de +goeden de "gracie" te doen gewinnen. Later wordt de "heilige Grael", +"dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager +BROEN, die "de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet +vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet +worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier +afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten +verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij +verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt +zich tot de geschiedenis van MERLIJN. + +Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht +op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der +duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk +verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een +hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist +bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne +bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden. +MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens +broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische +indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE, +"des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde +is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren +tegen de weerbarstige baronnen in zijn land. + +Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN +VELTHEM zal worden voortgezet[16]. + +Noch in de _Historie van den Grale_, noch in _Merlijns boeck_ vind ik +plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel +mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke +liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal +zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke +liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den roman _van Torec_ niet +hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de +_Lancelot-compilatie_ is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene +verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans, +met name in den _Lancelot_, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone +maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn +ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van +het verhaal overwonnen moeten worden; het "josteeren" tegen de gezellen +van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen. + +Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt +van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als +"TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: "met rouwe gedragen" (er is daar +sprake van een kind); uit riddernamen als "VAN DER BASSE RIVIERE" en "DE +ORGELIOUS"; de hier voorkomende "camere van wijsheden" herinnert ons aan +"la Chambre de Beauté" in den _Roman de Troie_[18]. De eenmaal +voorkomende uitdrukking "also als ic 't int romans hore" kan wel grond +geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn +werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen +aan te nemen dat de _Torec_ vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog +op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt. +Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van +MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in +aanwijzen. + +Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen +roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als: + + Dat hare doe een splinter stac + Van reinre minnen in haer herte + +in eene lyrische ontboezeming over de minne, "die alle hovescheit +wiset"; in het "saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE +zendt[19]. + + +OMKEER. + +In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor +vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere +verklaring. + +Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men +betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had +gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd, +dat hij "bloedde als een rund" of uit den roman _van Troyen_ juist +beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag +hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT _historie_. +In zijn _Alexander_ verklaart hij met nadruk dat hij "die waerheit, meer +no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; èn in dien roman èn in de +overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij +vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de +historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige +kennis, blijkt duidelijk waar wij in den _Alexander_ allerlei +wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de +Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS, +XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het +schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts zijn geheugen +geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan +"der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES +tot zijne geliefde BRISEÏS laat zeggen: "wy lesen in ouden vyten", waar +het Fransch slechts van "hooren zeggen" spreekt[20]. + +Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft +zich helder bewust dat deze toch een _heiden_ was en hij verzuimt niet +DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21]. +Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor +uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet +halen bij + + ... de vrouwe die noit en dede + Sonde no ooc dorperhede + +met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde +eerbiedige liefde voor "de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van +den _Alexander_ en in den roman _van Troyen_, waar hij eene onbekende, +door BENOÎT aangeduid als "riche dame de riche roi", vervangt door haar +die "moeder es ende maghet". + +Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van +dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog +hunne eer verloren. En waarom--gaat hij voort--laat men zich onder +Christenmenschen nog altijd voorlezen van die "overdaet"--Want aan +weerszijden waren het louter heidenen--? Het antwoord luidt: opdat + + ... elc man mercken sal, + Hoe onreene dat averal + Hoerdom es ende hoe groot quaet + Datter af te comene staet[22]. + +Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als +afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal MAERLANT zijn geweten +hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak, +zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als +dichter gevolgd. + +Gaf de _Alexander_ ons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne +neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij +in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van +de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over +hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht. + +Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT zóó duidelijk +wat hij later worden zal als in den _Torec_. In het hoofdstuk, getiteld +"hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die +later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij +daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen +die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de +minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en +arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook +reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in den _Wapene +Martijn_ zullen terugvinden[23]. + +Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen, +die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en +geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis +verheft en aanprijst--zal het winnen van den verliefden bewerker van +ridderromans. Zal het winnen--langzamerhand. Want van eene bekeering in +den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder +zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de +gesteenten (_Lapidarijs_) en een werkje over droomen (_Somniarijs_) dat +een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in +latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijn _Troyen_ en zijn +_Alexander_ verwijst hij de lezers ook nog in zijn _Rijmbijbel_ en zijn +_Spieghel Historiael_ zonder ze af te keuren; van den _Alexander_ zegt +hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil +herhalen. Anders is het met den _Merlijn_ en de Britsche romans in het +algemeen. Zoowel in _Rijmbijbel_ als in _Spieghel Historiael_ laat hij +zich geringschattend uit over "die boerde van den Grale", over "MADOCS +droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24]. + +Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij +tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg +was afgedwaald. In den _Rijmbijbel_ zien wij die overtuiging zoo sterk +geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der +wille van dit werk + + dat ic mi besmet + Ebbe in logenliken saken, + Die mi de lichtheit dede maken + Van der herten ende van den zinne + Ende van der wereliker minne[25]. + +Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te +hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting +voortgaan. Meer dan eens stelt hij "der poëten fabelen", de "boerden +ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het +duidelijkst in den aanvang van _Sinte Franciscus Leven_: + + Cume [Zijnoot: nauwlijks.] es hi van mi bekint, + Die nu leeft ende waerheit mint; + Maer Tristram ende Lanceloot, + Perchevael ende Galehoot, + Ghevensde [Zijnoot: verzonnen.] namen ende ongheboren, + Hier of willen de lieden horen; + Truffe van minnen ende van stride + Leestmen dor de werelt wide. + Die ewangelie es ons te zwaer, + Omdat soe recht seit ende waer. + +Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien +"coninc van versen" + + Die vinden conste ende maken + Veerse die ter werelt smaken + +maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan "pensde te +betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch +zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet +hooren, naarmate hij ouder wordt[26]. + +Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche +romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is het, dat +nu in het vervolg alle "Walsch" voor hem "valsch" is, terwijl het +Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de +waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen +zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; "waerheit +ende menech wonder", "wonder ende waer" worden door hem, evenals door +andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één adem genoemd[27]. + +GEESTELIJKE POËZIE. + +Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in +den bijbel? In die overtuiging heeft hij de _Historia Scolastica_ van +PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam van +_Rijmbijbel_. + +In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der +geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien +der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten wat +hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den +bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging +van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden +de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te +gispen[28]. + +Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder +het bereik der leeken brengen. Van poëzie is in dit werk geen sprake; +van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen, +namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar +van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29]. +Blijkbaar was de bewerking der _Scolastica_ voor den auteur louter +plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben, +wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de +voltooiing der bewerking van den _Pentateuch_ slaakt hij dan ook de +verzuchting: + + God danc, ic heb se overleden [Zijnoot: achter den rug.]. + +Minder zwaar zal hem de bewerking van _Sint Franciscus' Leven_ zijn +gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek +van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder +ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van +SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in +de persoonlijkheid van den "edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn +geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de +aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt +hij nog eens eene waarschuwing van vroeger: + + Dat minnen gaet vor alle ere; + _Want arem man heet emmer sot_. + +En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op +kostelijker altaar geheven, dan juist "il Poverello"? + +Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens, +weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de +levensopvatting en den levenswandel van "SINTE FRANSOYS". Waar wij hier +en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking +met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene +vertaling[30]. + +Met _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_ had MAERLANT werken gegeven +die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen +dwaasheden "van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche +kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook +nog andere geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog +moeten richten. + +Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische +gedichten, waarvan een drietal: _Van den vijf Vrouden_ [Zijnoot: +vreugden.], _Van ons Heren Wonden_ en _Clausule van der Bible_ +misschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is +waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het +vierde gedicht _Van der Drievoudichede_ bevat een zeer vrije bewerking +van een Latijnsch gedicht als dat _De Sancta Trinitate_; _Clausule van +der Bible_ en _Disputatie van den Cruce_ schijnen zelfstandige +bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die +men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het +eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van +MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen. +_Clausule van der Bible_ bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen +veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament, +vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een +veertigtal strofen heen, de Moedermaagd telkens weer onder een andere +gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak +terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en +opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind +MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw +neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op +MOZES' gebed een klare fontein ontsprong... zoo volgt het eene beeld op +het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want "volprisen" kan hij +haar niet, "de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen +gelijk de zonneschijn. + +In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om +JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier +ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen. + +Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: _Van der +Drievoudichede_ en _Disputatie van den Cruce_. Hier kon hij niet +volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als +dat der Drieëenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis, +eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te +begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat +wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het +lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang +gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche +geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de +samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo +verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling +gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken; +de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting +tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT, +man van veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de +Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch +zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de +"débats", "jeux-partis" en "tençons" die in de toenmalige nationale +Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de +Belgische trouvères gedicht werden[32]. + +Zoo zien wij in de tweespraak _Van der Drievoudichede_ JACOB in +gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God +leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt +JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister +naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil +doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd +zullen worden als zij den Horeb beklimmen.--Ook ik ben overtuigd, +herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen +omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan +bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder +alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest. +Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; daarna +den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten +Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid van _macht_, _const_ +en _wille_, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil +voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats +omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde, +Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof +draagt hier de kroon. + +Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT +eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van +de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van +het Laatste Oordeel. Hij is van ons heengegaan, doch Hij heeft zijn +vleesch en bloed hier gelaten om het te "sacreeren" in der priesters +handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing +tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen +worden wordt het gedicht besloten[33]. + +In _Disputatie van den Cruce_ zien wij MARIA handenwringend staan onder +het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en +dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.--Niet alleen +uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die "der wereld +gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch +onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op +Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet +met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid +heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik +voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of +gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te +vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders +voorgaan: al het kwaad komt uit de "sacristie" [Zijnoot: de kerk.]; +vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen--het vindt zijn +oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet. +Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de +vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en +vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar +wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land +aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het +niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden +heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat +door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis +noch Maagd kan ontberen. + + +POËZIE DER GEMEENTEN. + +In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten +der bespiegeling; in _Disputatie van den Cruce_ zien wij hem afdalen tot +de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was +echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken, +nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in +twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige +vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, _de +eerste_ en _d'ander Martijn_, heeft hij getracht samen te vatten wat in +hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen, +gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen, +over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten +deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den +dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn +eigendom--zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken +bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste +andere vervat zijn; in _de Eerste Martijn_, de omvangrijkste tweespraak +van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een +dichterlijke gloed waaruit ware poëzie is voortgekomen; _d'ander +Martijn_, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan poëzie +al is deze niet geheel afwezig. + +De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche +minnelyriek en de minachting van "truffen ende poëtriën", het +meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des +dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt _de Eerste +Martijn_ van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat +die evenals in den _Roman van Troyen_ bekroond wordt door een AVE MARIA, +en toont _d'ander Martijn_ zulk een welbehagen in het behandelen van +eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter +kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen, +dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de +dertig en veertig tot ons spreekt. + +Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in _de Eerste +Martijn_ in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te +volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de +schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet: +"Wapene [Zijnoot: wee!]", Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden +bespot, verdrukt--de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere. +Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en +deugd was, tot heer boven den "dorper"--nu spannen de heeren samen, +vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen. +Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert? +Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval. + +MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug! +God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de +brandstapel wacht u! Vertrouw op God: + + God en was noit moede no mat; + In 't wout en es loof no blat + Buten siere hoede. + Al dat es in elke stat + Dat behoet hi ende besat + Met godliken goede [Zijnoot: voorziet Hij van goddelijken zegen.]. + Al ghehinghet hi dan dat, + Dat die quade ghewinnet scat + Ende menne heet den vroede: + So hi hoghere sit up 't rat [Zijnoot: van Avontuur.], + So hogher val, so meere plat [Zijnoot: zwaarder smak.] + In der helscher gloede + Onder der duvele roede. + +JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten +eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden +MARTIJN.--Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord, +moet hij ook eeuwige straf ondergaan. + +Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien +ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware +ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager +moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is +"menich onbescheden [Zijnoot: onverstandig.] swijn" onder; God is ook +een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men +zegt--herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er +zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de "caritate" die +God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard, +strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de "cracht die twee +herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepoëzie geeft +JACOB zijne instemming te kennen. + +Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen, +keert de dichter de rollen om. + +MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar +komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel? +Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAÏN; anderen: van CHAM; doch het +is onwaar, de "Duutsche loy" [Zijnoot: Het Duitsche wetboek: de +_Saksenspiegel_.] weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van +krijgsgevangenen. En wat den adel betreft--wat gaat het mij aan, wie +iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam +is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN +stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus +bloedverwanten zijn, hoe is dan de "maechscap" zoo verdwenen? Van waar +dan al die afgunst en strijd?--LUCIFER is daarmede in den hemel +begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn +en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een +ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de +liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de +oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde +Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan +tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door +vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met +de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De +priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij +een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de +armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan +de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op +den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de +vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die +hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich +overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de "hooge +vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de +tweespraak een einde. + +_D'ander Martijn_ is in zoover eene voortzetting van _den Eersten +Martijn_, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien +als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de +vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij +niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet--tot welke der twee +moet ik mij wenden? + +Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der "Cours d'amour" +bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in "_het schip van +aventuren_" had hooren behandelen. + +In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met +allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den +Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan +de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons +spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft, +wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan +haar die mij lief heeft. + +In den _Verkeerden Martijn_ hebben wij een aardig voortbrengsel van +middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit +den _Eersten Martijn_ omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en +daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van +den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste +couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten +glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel +jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In +zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten +vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen +aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of +MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien +meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een +zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur, +naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35]. + +De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het +maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de +misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering +te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De _Martijn's_, +vooral _de Eerste Martijn_, werkten vooral afbrekend; in een drietal +andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen. + +Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger +motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT +terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche +vorstenschool uit den _Alexander_ wordt overtroffen door de handleiding +voor vorsten in _Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs_ is +uitgebreid tot het groote werk _der Naturen Bloeme_; de historische +overzichten uit _Alexander_ en _Merlijn_ tot den _Spieghel Historiael_. + +Het oorspronkelijke _Liber de Secretis Secretorum_, in dezen vorm zeker +niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en +zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar +een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet +onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den +twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht +gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in +menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten. +_Heimelijkheid der Heimelijkheden_ zou dan min of meer als een +correctief van den _Alexander_ moeten worden beschouwd, dat des te beter +zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo +hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo +was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den "grammen moet" voor den +_Alexander_ van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet overbodig[36]. + +_Der Naturen Bloeme_ en _Spieghel Historiael_ moesten, evenals vroeger +_Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_, voorzien in de behoefte aan +degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van +THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk _De Naturis Rerum_ kon elk die zijne +bekomst had van fabelen en leugens, "nutscap ende waer" vinden. Alles +wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men +hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten, +in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn +voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er +iets aan toegevoegd[37]. + +In zijn _Spieghel Historiael_ leverde hij populair-wetenschappelijk +werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de +leeken tot dusver één nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest; +deze _Spiegel_ wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en +doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste +omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver +af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men +leefde. + +Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS, +bewerkte MAERLANT slechts een deel, het _Speculum Historiale_; de twee +voorgaande deelen: _Speculum Naturale_ dat over God, het heelal en den +mensch handelde en het _Speculum Doctrinale_ dat een overzicht der +menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van +het _Speculum Historiale_ eer eene bewerking dan eene vertaling; hij +raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen +kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en +de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk +met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook +had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns +inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of +vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN +GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden +samengesmolten tot éénen; hij houdt zich aan de _Historia Caroli Magni +et Rolandi_; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich +tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de +verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis +Bouillon[39]. + +Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van +verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap +opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid +gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen "clerc" bewonderen om zijn +helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van +zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen +sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed +als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige +aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk +grapje maken over de vlooien, de "clene wichten" die ons in dit aardsche +tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen +waar hij het dier Furions ter sprake brengt--doorgaans blijft hij in +_der Naturen Bloeme_ de ernstige leermeester[40]. + +In den ganschen _Spieghel Historiael_ vond ik slechts een paar plaatsen +waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel +indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt. +CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar +getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer + + ... grongierde [Zijnoot: brulde.] in der gebare + Alse oft een leuwe ware + Die sine jonge vonde vermort. + +Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel +niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te +vinden[41]. + +Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in +bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een +geestverwant herkent. Daar komt hem zijn _Eerste Martijn_ weer voor den +geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier +weer opklinken[42]. + + +DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT. + +Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons +vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit +zijn ouderdom. _Van den Lande van Oversee_ moet gedicht zijn na den val +van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in _der Kerken Claghe_ hooren wij den +dichter zeggen: + + Wat sagh ic in den spieghel claer? + Mijn oude leven, mijn graeuwe haer, + Hoe sterven es met mi gheboren! + +Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De +klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene, +ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43]. +De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw +van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn. +Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering +is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne +verdiepte in ridderromans. In den roman van _Lancelot_ toch legt een abt +aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft +gezien. Wij lezen daar: + + Tot u quam op dien nacht besien + Die heilege kerke ende al om dien + In eens droefs wijfs gelike, + Die u clagede droeffelike, + Datmen hare onrecht dede + Ende nam hare ervechtechede. + Sine quam niet gecleet met siden, + None togede met den bliden; + Maer si quam in groter droefheden + Ende gecleet met swerten cleden + Om den toren die hare kinder + Daden mere ende minder; + Dat sijn besondechde kerstine + Dat haer kinder (sculdech) te sine, + Ende gelijc hare moder hare + Altoes sculdech te houdene waren[44]. + +Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd +had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid. +In zijn _Naturen Bloeme_, zijn _Rijmbijbel_, zijn _Spieghel Historiael_ +had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht, +weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren + + ... vor mine ogen smeker [Zijnoot: vleiend.] + Ende achter valsch als de verrader. + +De critiek, welke zijn bewerking van den _Rijmbijbel_ hem van de zijde +der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn _Spieghel Historiael_ +nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het +"paepscap" rekening gehouden, in _der Kerken Claghe_ spaart hij hen +niet. Onversaagd springt deze strijdbare "clerc", ridder naar geest en +gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken, +dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De +wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle +waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen--hoe zou hij bejegend +worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede +zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al +fierheid--ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de +waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig, +naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene +vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij +behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik. +Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij +drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren +zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze +geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En +krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de heilige Kerk! +Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en +deze wandaden te keer gaan en wreken. + +Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen, +tastte MAERLANT ook in het gedicht _Van den Lande van Oversee_ de Kerk +van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier +durft hij zeggen: + + Die Kerke van Romen is dusdaen vraet, + Si is dronken ende al sonder raet, + Die hovet is van Kerstijnhede. + +Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet, +door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid +gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging +ontglippen. In _Disputatie van den Cruce_ had hij reeds eenmaal een +klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der +Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de +ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef: + + Kersten man, wats di gheschiet? + Slaepstu? hoe ne dienstu niet + Jhesum Christum dinen here? + Peins, doghedi dor di enich verdriet, + Doe hi hem vanghen ende crucen liet, + Int herte steken metten spere? + Tlant, daer hi sijn bloet in sciet [Zijnoot: stortte.], + Gaet al te quiste, als men siet: + Lacy, daer en is ghene were! + Daer houdt dat Sarracijnsche diet [Zijnoot: volk.] + Die Kerke onder sinen spiet + Daerneder, ende doet haer groot onnere + Ende di en dunkets min no mere [Zijnoot: gij geeft er niet om.]! + +In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de +Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt--gij leeft in weelde; +Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk +gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die +schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat +er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van +zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op +in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen... Kerk van Rome, trek +het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen! +Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette +prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. "Reinaerdie" +speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En +waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken--de +duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf +vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de +koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd +het schild "van sabel en van goude", het "lazuren" schild met de leliën +op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne +moeder wreekt--hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop: +Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven? +Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van +CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter +valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij +u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot +God besluit de dichter zijn bezielden oproep. + +Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is +het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de +kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid +twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift +en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere +idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne +kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie +verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was +nagebootst. + +MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte, +schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En +indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een "prijzer +van 't verleên" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij +dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden +en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend +heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat +gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die, +sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van +adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij +heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem +een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen. + +Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder +de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor +niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in +den _Eersten Martijn_, vooral in de eerste helft waar de aandoening door +de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt +afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond +in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn +overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag +heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging +der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de +afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde +hecht aan de zuiverheid zijner rijmen. + +Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in +zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd +proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd +onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn +volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de +zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk +wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen, +niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien +heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op +zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan. + +Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime +plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer +letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander +auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in +hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten +die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter +wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele +zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke +dat wij poëzie noemen. + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] De romans _van Alexander, Merlijn_ en _Troyen_ zijn tot ons gekomen +in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een +dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland +gesproken werd _(Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XXIII, 156). De _Torec_ +schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den +_Lancelot_ (a.w. X, 173; XIX, 36). + +[2] Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk +boek van Prof. J. TE WINKEL: _Maerlant's Werken_, (2e druk, 1892), vgl.: +Tweede Hoofdstuk. + +[3] Vgl. _Nat. Bloeme_ (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en _Inleid_. XXIV. +Over den kalander-leeuwrik: BREHM, _Het Leven der Dieren_ (bewerking van +HUIZINGA), II, 100. + +[4] De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn +gedicht, heette waarschijnlijk _Gheile_ en zal wel eene Vlaamsche +geweest zijn. Vgl. FRANCK'S _Inl_. op den _Alexander_, XI-XII. + +[5] WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 134. + +[6] Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig. + +[7] Vgl. X, 1530-1. + +[8] Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke _Inleiding_, +inzonderheid naar het hoofdstuk: _Maerlants verhouding tot zijne +bronnen._ + +[9] Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454. + +[10] T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481. + +[11] Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een _Simon die +Godgaf_ (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen +I, 6). + +[12] Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S _Inleiding_ op zijne +_Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen_, met name p. 17, 154-5, +181. + +MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON +DE PAUW. + +[13] Vgl. VERDAM'S _Episodes_, vs. 6666-6711 met _Roman de Troie_, vs. +16179-16181. + +[14] Vgl. _Episoden_, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, op +bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327, +10166; 341, 10694. + +[15] FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL +beweert het tegendeel. Vgl. _Anzeiger f.d.A._, IX, 367-8 en TE WINKEL'S +_Gesch. der Ned. Lett._, bl. 168 noot. + +[16] Vgl. _Merlijn_ (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave +kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S +vernietigende maar rechtvaardige critiek. + +[17] _Merlijn_, vs. 7639 vlgg. (7770-8, 8164, 8175-'80). + +[18] Vgl. _Torec_ (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene +"Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S _Conte du Graal_; zie +de Aant. op FRANCK'S _Alexander_, bl. 481). Afbeelding der _Chambre de +Beauté_ bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192. + +[19] _Torec_, vs. 869-870; 1228-'49; 3231-'51. + +[20] Vgl. _Alex._, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl. +GAUTIER, _Alex._, IX, 258-260. Of M. deze vergelijking misschien uit den +_Lancelot_ heeft overgenomen, doet weinig ter zake. _Episoden_ enz. vs. +767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; _Alex._, I, 68; +VERDAM'S _Inl._ op _Episoden_ enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in _Tijdschr. +v. N.T. e. L._, I, 332 vlgg.; _Merlijn_, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S +_Inl._ op den _Alex._, L-LI; _Episoden_, bl. 163-4, vs. 4159 en vs. 4219 +in verg. met het oorspronkelijke. + +[21] _Alex._, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook _Troyen_, vs. +10736. + +[22] _Alex._, VIII, 126-9; X, 1535 vlgg.; _Episoden_ etc. bl. 159-160. +Over die _riche dame_ te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197-8; +_Episod._, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht, +door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne +uitgaaf v.d. _Roman de Troie_: "Sur les manuscrits" in Deel I. + +[23] Vgl. _Alex._, VIII, 637 vlgg.; _Torec, Inl._, bl. XXII vlgg. + +[24] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; _Sp. +Hist._, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg. + +[25] A.w. I, 64 vlgg. + +[26] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 2755; _Sinte Franc._, 9-10; 51-40. Het +verhaal van den "coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het +ook in het Latijn. + +[27] Vgl. o.a. den Proloog van _der Nat. Bloeme_, vs. 108-116; TE +WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 368; waai heidsliefde o.a.: _Rijmb._, I, +25, 4885, 34830; waarheid en wonder: _Nat. Bl._, I, 486-'93; IV, 5 +vlgg.; V, 413 vlgg.; _Sp. Hist._, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7. + +[28] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 337-9. + +[29] Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen: + +Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel, +Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas. + + +In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: "firmavit faciem suam ut iret +in Hierusalem" aldus weergegeven: + +Doe de tijd naken began Vander Passiën, maecte vast Sijn anscijn, _die +lieve gast_ [Zijnoot: vreemdeling.], Te Jherusalem te gane. + +[30] Zoo b.v. vs. 7811-'14: + +Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie +wonde van der zide Bloeide als ene rose blide. + +Het Latijn heeft hier (in de bewerking van _Bonaventura Vulcanius_): +"Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris +rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa +quaedam pulcherrima videbatur." + +[31] Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen +op de uitgave der _Strophische Gedichten_ door FRANCK en VERDAM. + +[32] Vgl. over den dialoog: Inleid. der _Stroph. Ged._, LXXX; EBERT, +_Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt._, II, 16; JEANROY, _Les Origines de +la poésie lyrique_, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER, +_Trouvères Belges_ o.a. I, 6-7, 137, 139, 141. + +[33] In sommige handschriften heet dit gedicht _De derde Martijn_. + +[34] Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den +kerkvader HIERONYMUS. Zie _Inleiding_, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook +reeds in ARISTOTELES' _Ethica_. Vgl. BURCKHARDT, _Die Cultur der +Renaissance_, II, 90. Vgl. ook _Heim. der Heim_ (ed. CLARISSE), vs. +1831-2; in het Latijn: "quia Deus creavit aequales." + +[35] FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie _Inleiding_, +p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen. + +Nagevolgd werd de _Eerste Martijn_ door een dichter die in 1299 den +_Vierden Martijn_ dichtte (uitgeg. door SERRURE in _Vad. Mus._, IV, 55 +vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet. +HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is +geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het +dichten "op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter +verzen dan deze dichter. + +[36] _Heim. der Heim._ (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij +wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie +de vergelijking in KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 289 vlgg. + +[37] Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg. + +Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een +klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek +IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de +Inleiding in VERWIJS' uitgave. + +[38] Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de +ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding +van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den _Sp. Hist._ en TE +WINKEL t.a.p. het _Achtste Hoofdstuk_. + +[39] Vgl. _Sp. Hist._, III, p. 170, 204; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_, +p. 422-5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p. +79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c. +6, vs. 5-11. + +[40] Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg. + +[41] Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, _Lib._ 24, +c. 20): "Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis +super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore +magno." + +[42] Zie: _Inleiding_, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: _hove +|| verscrove_. + +[43] Vgl. _v.d. L. v. O._, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200. + +[44] Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige +verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen. + +[45] Vgl. _Nat. Bl._, II, 469-'76; 680 vlgg.; _Rijmb._, I, 78 vlgg.; +5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485-7; _Sp. Hist._, +I, bl. 16, vs. 80 vlgg. + + + +DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK. + +Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die +gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht; +de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond +moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling +eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder +gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien +achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die +dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid +mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten, +van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen +ter kennisse van het publiek kwamen. + +Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping +toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf, +dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het +beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten. + +Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er +behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of "clercken" mogen +rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH, +MAERLANT, de dichters van _Rinclus_, _Van den Levene ons Heren_, van den +_Dietschen Catoen_, _Esopet_ en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT, +de edelen en hoofsche "clercken" die minneliedjes dichtten en de +dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer +dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of +stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner +bewijzen. De bewerker der _Disticha Catonis_ namelijk verhaalt ons in +zijn proloog: + + Als ic die minne sach, ic louch; + Nu haticse al in minen sinne + Die minne draghen entie minne + Ende hebbe ghekeert minen moet + An die ghenen die siin vroet. + +Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN +AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij +_menestrelen_ noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn +_Spieghel Historiael_ gewijd aan "'t scelden jegen die borderers", d.i. +romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog +heeft op de "menestrele", die dus ook door hem als de dichters der +ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de +menestrelen als van "logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne +geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en +vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige +verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al +te wereldschgezinde "clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene +schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden: + + Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2]. + +Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt, +tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn +"gezinde" met muziek en zang of voordracht van poëzie te vermaken. Een +dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den +Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was "te pipen +ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der +maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie vinden wij ook +bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in _der Naturen Bloeme_ naar +aanleiding van den vogel _Garrulus_[3]. Het "pipen en mauwen" van den +menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de +pijpen ter begeleiding van zang of voordracht. + +Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen; +zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te +prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem +verwerven--MAERLANT zegt het ons--daarnaar streefden de meeste ridders: + + Want die ridder niet gheroet [Zijnoot: rust.], + Hine verslijt vleesch ende bloet, + Updat sijn prijs mere. + +En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen +wij eveneens uit zijne woorden: + + ... der idelre gloriën cleet, + Daer menestraudië met omme gheet[4]. + +In zijn _Spieghel Historiael_ laat hij nog eens een waarschuwing hooren +tegen de "smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van +hunne praktijken zien wij in de bewerking van den _Aiol_. In eene +opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche +bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de +graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de +overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld. +Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des +menestreels jegens zijn publiek te zien[6]. + +Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld, +kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de +met hen eenigszins verwante "yrauden" (herauten). Meer dan eens worden +"menestrele ende yraude" of--wat hetzelfde is--"yraude ende spelmanne" +in één adem genoemd[7]. + +In den roman _van Torec_ zien wij den held in de wapenrusting van een +anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken. +De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en +yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk: + + Doe riepsi ende dyraude mede: + "Ha ha! Myduel, Myduel! + "Hi heeft den prijs ende niemen el; + "Hi es die beste van den velde: + "Hi es genindech [Zijnoot: dapper.], coene ende melde" + [Zijnoot: mild.] [8]. + +Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij +die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders +verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het +ons ten overvloede in zijn _Rijmbijbel_[9]. Omgekeerd werd de plaats van +den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een "scriver", +die doorgaans wel een "clerc" zal zijn geweest. In de _Heimelycheit der +Heimelychede_ lezen wij: + + Nu betaemt wel elken heere + Die bewaren wille sine eere, + Dat hi scrivers met hem houde, + Vroede liede, jonghe ende oude, + Die scone ende wel connen dichten, + Ende met sconen worden verlichten + Connen dat sijn heere wille. + ... + Want ghelijc dat smenscen lede + Scoonre sijn ghecleedt dan naect, + Also eist dat men een dicht maect, + Daer men der wareit niet ut en gheet + Ende ment met scone worden cleet. + +MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het +schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen +gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een +dichtwerk door een "clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman +vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman +mede: + + Dese historie van den Grale + Dichte ick ter eren Heren Alabrechte, + Den Heer van Vorne, wael met rechte; + Want hoge liede met hoger historie + Menechfouden zoecken hoer glorie + Ende korten daer mede hoer tijt. + +En in de opdracht van zijn _Spieghel Historiael_ lezen wij: + + Grave Florens, coninc Willems sone, + Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone + Die mi dit dede anevaen. + +Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij +den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door "clercken". +De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de +bewerking van het _Roelandslied_ en over den roman _van Walewein_ ligt, +die misschien ook in de _Lorreinen_ te zien valt, geeft tot dit +vermoeden wel eenigen grond[11]. + +In ontwikkeling zullen de "clercken" over het algemeen wel boven de +menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten +niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den _Partonopeüs_ +b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij +zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met +het oog op eene reeds vermelde plaats uit den _Spieghel Historiael_. +MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de +wereldsche "clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen +trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer +"petits abbés" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug: + + Dese setten al haer doen + (Om) haer surcoet [Zijnoot: tabbaard.] ende haer caproen, + Hoe hare gescoyte [Zijnoot: schoeisel.] ten besten staet; + Om specie ende mossceliaet [Zijnoot: parfums.], + Dat si wel rieken van den crude; + Nuwe scoen met behagelen hude, + T'haer gelu enten crooc [Zijnoot: krullende lokken.], + Met vingerlinen verciert ooc: + Si gaen rechts of si pleyen [Zijnoot: dansen.] souden. + +Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over +wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met +het vers: + + Dit en sijn niet clerke, maer menestrele. + +Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige +menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten +dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van +kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN +VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den _Willem +van Oringen_ door MAERLANT: "Claes _ver_ Brechten zone" wordt genoemd, +geeft ons daarvan geen voorbeeld, want _ver_ wordt in de 13de eeuw reeds +van burgervrouwen gebezigd[13]. + +Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel--zeker +is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in +maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving; +onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van één heer, +als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne +rondzwervende kunst-broeders. Ook die "gezeten" menestrelen zullen wel +eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in +den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen +vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die +rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij, +afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE "die +speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk +beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: "menestrele +|| Die altoes zijn onghestade"[15]. + +Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de "speelman" en het +"speelwijf", waarvan de bewerker van den _Partonopeus_ (niet zijn +voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook "alle die singen broet +om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der _Rose_ genoemd +worden, waar het Fransch ze niet noemt[16]. + +Dat onze voorouders bij het woord _menestreel_ in de eerste plaats +dachten aan een _muzikant_, een "_speelman_" zooals zij zeiden, blijkt +ook uit eene plaats in MAERLANT'S _Alexander_. Een paar verzen der +_Alexandreïs_ waarin over _mimi_ gesproken wordt, geeft hij aldus weer: + + Die menestrele quamer mede + Vor dien coninc in die stede + Ende loofdene met haren sanghe. + Daer was menich trompe langhe, + Vedelen, haerpen ende sijmphonien, + Cystolen die wel leren vrien, + Salterien, orghelen ende sciven[17]. + +Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen: + + Men speelder met sweerden ende met kniven + +dan zien wij hoe rekbaar het begrip _speelman_ was en dat het in de +middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat +zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie +_Karlmeinet_ die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is +samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de +kunsten van + + Hundert mynistrere + De wir nennen speleman. + +Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de +harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en +van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar +draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten +vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18]. + +Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die +paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne +middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de +Romeinsche "mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende +klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij +waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen _Bere Wisselau_, +misschien ook de reize _van Sente Brandaen_ hebben vervaardigd. + +Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het +publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, en zeker het +grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats +bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in +onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog +op uitdrukkingen als: "Nu hoort....", "dat u te hoorne dunket zoete", +"hoort er naer", "nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de +voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk, +wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan. +Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: "gi heren ende gi +vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: "gi vrouwen +ende heren"[20]. + +Soms wordt deze benaming afgewisseld met: "gi goede liede"; doch men +moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene +beleefdheidsformule was: "een goet man" is wat wij noemen: een +fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van _Floris ende +Blancefloer_ spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van +stand en ontwikkeling[21]. Het _Leven van Sinte Lutgart_ richt zich nu +eens tot "heren ende vrouwen", dan weer tot "closterliede", "grote ende +clene", "man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: "die hier te +ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om +den voordrager heen zat. + +Iets gemoedelijks ligt er in het "kinder" of "lieve kinder", waarmede +MAERLANT in zijn _Merlijn_ en de bewerkers van het _Roelands-lied_ en +van het gedicht _Van den Levene ons Heren_ soms hun publiek +aanspreken[22]. + +Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag, +tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die +wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van +niet-geestelijken die later hun werk voordroegen. + +Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot +voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager +van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans +hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch +zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd +was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen +van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de +dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van +des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst +doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In +sommige gedichten (_Moriaen_, _Carel en Elegast_, _Levene ons Heren_, +_Seven Vroeden_) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde +persoon te zijn + +geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den +eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later +voordrager dat _ic_ kon behouden. In andere werken (_Floris en +Blancefloer_, _S. Frandscus_, _Walewein_, _Troyen_, _Merlijn_) begint de +dichter wel met _ic_, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam +en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij +eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het +omgekeerde komt voor: de dichter van den _Reinaert_ begint met: "WILLEM, +die... hem... hi" en spreekt later van zich zelven met _ic_; hetzelfde +geval treffen wij aan in _der Naturen Bloeme_ en den _Rinclus_. Hier +zullen wij moeten denken aan den overgang van _oratio indirecta_ tot +_directa_, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken. + +Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? Indien men +MAERLANT'S uiting dienaangaande in _Heimelijcheid der Heimelijcheden_ +gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich +op allerlei wijze te vermaken: + + Ende men brinct soeten sanc te voren, + Ende men moet dan geesten [Zijnoot: geschiedenissen.] horen + Die ghenouchlijc sijn int vertellen + Ende lachen dan met goeden ghesellen[24]. + +Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist +des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke +voordrachten dan in de andere seizoenen. + +Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard, +dan verzocht hij een "ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij +dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen +tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij +begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman _van +Lancelot_: + + Hi tymperde die harpe eer iet lanc, + Ende begonste harpen enen sanc[25]. + +Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid +heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de +verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend +voorgedragen werden. + +Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der +verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten +minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden? +Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners +van Provence een speelman: _contrafazedor_, d.i.: conterfeiter, +nabootser. Het voordragen van een stuk door één persoon met +verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en +waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een +menschenstem nabootsen?[26] + +Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden +pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen +(wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine +steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de +hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent. +Vooral de Vlaamsche gaai moet "een der meest begaafde en onderhoudende +inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen, +anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen +als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij +eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster +hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster, +de stem van den spreeuw... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai +boven zich zag[27]. + +Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van _der Naturen Bloeme_ nu +lezen wij van de gaai: + + Wat so bi hem lijt [Zijnoot: hem voorbijgaat.] ooc mede, + Ist man, ist voghel, ist enich dier, + Bespot dit voghelkijn al hier, + Ende conterfaet alrehande luut + ... + ... + Gheplumt ist van menigher ghedane + ... + ... + Garrulus dit dinct mi vele + Bedieden some menestrele, + Die altoes sijn onghestade, + Ende callende vroe ende spade + Vele boerden, vele lueghen, + Ende conterfeiten dien si moeghen, + Bede riddere ende papen, + Porters, vrouwen ende knapen, + Daer si scone sijn omme gheplumet. + +Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande +mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de +bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen +in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog +op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms +gekostumeerd zijn opgetreden. + +Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op +zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van _lesen_ +sprake is in den zin van _voorlezen_[28]. In verband daarmede wordt, ten +minste in _Sinte Lutgarts Leven_, de voordracht zelve _lesse_ +genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking "singen no +lesen" of "lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend +is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche _singen und sagen_ +herinnert[30]. + +Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd +opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu +nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder +beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men +zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen +zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht +oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen +doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn. + +Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden, +indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op +eene vroeger vermelde plaats van den _Karlmeinet_, dat er menestrelen +waren + + De van mynnen ind leve [Zijnoot: liefde.] + Sprachen _sunder breve_[31]. + +Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij +kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen. +Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet +spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op +bedacht, aan het dreigend "te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij +hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als: +"Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit _Floris en +Blancefloer_: + + Het soude u allen dinken te lanc, + Noemdic u die gherechten alle[32]. + +Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen +op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door +bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal +volgen. Het zijn wendingen als: "Hoort hier wonder groot!", "Hoort hier +ontfermelike dinc!" of: + + Nu alre irst so mogedi horen + Utenemende aventuren. + +Ook klinkt het wel overredend: + + Maer wildi vort met lesen duren, + Ghi sult hier horen scone die jeeste[33]. + +Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld +hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen +stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen +waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor +een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het +_Leven van Sinte Lutgart_ zal wel in verscheidene "lessen" en op +achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf +dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met +de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men +behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen; +het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed +juist tot gedeeltelijke voordracht. + +De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ééne +"lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk, +niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of +gezegd[35]? + +Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog +niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door +een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op +vinden kan worden gezocht. + +In den grooten roman der _Lorreinen_ die waarschijnlijk uit een +honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel +kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het +begin, andere die het eind eener "lesse" schijnen aan te wijzen; niet +zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te +voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te +vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den _Walewein_ +en den _Reinaert_. In de _Lorreinen_ leest men b.v. (na de gewone +opwekking tot aandacht: "Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze +samenvatting: + + Gi hebt hier voren wel gehort, + Hoe van Bordeas der port + Was gereden her Garijn + enz. + +Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der +drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van +het voorafgaande: + + Gi hebt hier voren verstaen wel, + Hoe Gelloen die ridder fel + enz. + +Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie +vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote +geschilderde hoofdletter[36]. + +Zoo ook in den _Walewein_: + + Nu latic hier of die tale, + Ic salre weder toe keren wale. + Ghi hebt wel ghehort hier voren + Hoe Walewein die ridder uutvercoren + Jeghen den roden ridder vacht + Die.... + +Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: "Ic wille corten +mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat +men het gedicht _Van den Vos Reinaerde_, bijna 3500 verzen, in ééne +"zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch +waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal +hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8: + + nu moet hi pleghen siere sele + Reinaert bi Grimbeerts rade, + ende ghinc te hove up ghenade. + +om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689: + + Nu es die biechte ghedaen. + +Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs. +1962. Wij lezen daar: + + Nu waren die drie heren gereet, + die Reinaerde waren te wreet. + dat was de wulf ende Tibeert + ende her Bruun die hadde gheleert + honich stelen te sinen scaden. + +Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne "lesse" +midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die +tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht +zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke +kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs +bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: "Eensklaps weergalmde +een schot!" of: "De doodstraf nam een aanvang"? + +Behalve de mogelijkheid dat men den _Reinaert_ in zijn geheel of in twee +deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens +slechts één of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het +gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als +deze: Inleiding (vs. 1-464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs. +465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043-1356); zending van +Grimbaert (vs. 1357-1750); Reinaert ten hove (1751-3018; misschien met +een rust vóór vs. 2551: "Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's +wraak (3019-3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de +Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal +hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij +afgedeelde, "lessen". + +Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht +geeft ons o.a. de roman _van Limborch_. Dit verhaal is verdeeld in een +aantal boeken, welke--evenals in de _Lorreinen_--door eene groote +gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van +1000-1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In +de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig +onderdeel een "amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39]. + +Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten +wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang +gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat +brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang +dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij +uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk +zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat +van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000 +en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of +welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den +aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de +persoonlijkheid van den voordrager? + +Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons +verhaal kunnen besluiten. + +Alle poëzie--zeiden wij vroeger--en het grootste deel van het proza der +middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en +aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook +langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men +begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen. + +Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin +des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste +plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden. +Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch +gedicht _Van der Drievoudecheide_: + + Als ic dit lese ende spelle + Maghic leren, als ic vertelle, + Mijn ghelove al bloot. + +In den proloog van _Sinte Lutgarts Leven_ lezen wij: + + Mar wonder hevet mi van desen + Warumme si so gerne lesen + Van ouden sagen dat gedichte, + Ende oc geloeven also lichte + Din logeneren die se tellen[40]. + +En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet +gelooft aan: + + Dat hi die vite van der maget + ... + Of selve lese, ochte imene el + Hem lesen doe[41]. + +In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der _Historie van +Troyen_ voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood: + + Oec alle heren ende vrouwen + Diet lesen, sullen maken rouwe[42]. + +En in _der Naturen Bloeme_ zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS: + + Ghebiedijt, here, dit suldi lesen, + Die wile dat ghi ledich sout wesen[43]. + +Misschien heeft MAERLANT in zijn _Rijmbijbel_, die toch tenminste +evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd was, het oog op +zelf lezen, als hij schrijft: + + Nu merct ghi die hier in zult lesen, + Wat nutscap hier an zal wesen. + +Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest +zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld +worden. Ook had de adel tal van vermaken en ontspanningen die hij hooger +stelde dan deze vermoeienis des geestes. De geestelijken konden wel +lezen, doch Latijnsche geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de +kloosters werd bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen. +Voorzoover de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur +waarschijnlijk tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de +gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het lager +onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al kon lezen, dan +eischte het koopen van een handschrift toch eene vrij hooge mate van +stoffelijke welvaart, want een handschrift bleef vooreerst nog een +voorwerp van weelde; het lezen eischte smaak in geestelijke ontspanning, +vrijen tijd en niet minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en +denken, zich openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van +algemeen verbreid was. + +Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van gevoelen en +denken konden komen, hadden zij nog menig stadium van ontwikkeling te +doorloopen. In het eerstvolgende dier stadiën zullen wij hen nu +gadeslaan. + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] _Sp. Hist._, IV, 1, cap. XXIX. + +[2] A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor: +"_sponsos_ magis estimatos quam clericos." + +[3] T.a.p. III, 2146: + +"Als hi dus pipet ende mauwet." + + +Vgl. ook XI, 149: "blasen ende pipen" in verband met het woord "noten" +in vs. 151. + +[4] _Eerste Martijn_, vs. 371-388. + +[5] A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22. + +[6] _Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk_., II, 230, vs. 493-4. + +[7] Vgl. b.v. _Moriaen_ 4641-2: "Menestrele ende yraude mede || Ward +daer gegeven grote rijchede"; _Lorr._ (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs. +1342. _Torec_, vs. 2714-'5: "Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi +alle gichte danne". Dat _menestreel_ verdietscht werd met _speelman_, +zien wij in _Karlmeinet_, A. 287, vs. 12-13: + +Hundert mynistrere, De wir nennen speleman. + + +[8] A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN +HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld _Van Feeste +van Heren_ lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: Dan roepen die +eerauden voort Den danc als die vrouwen ramen, Ende noemen overluut bi +namen Wyet verdient nae wapen recht. + + +[9] Vs. 15259 vlgg. + +[10] A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud van +het capittel: _De Electione notarii_. + +[11] Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, +bl. 52, 55. Over den roman _van Walewein_ vgl. het vroeger medegedeelde +en vs. 19-21 van den proloog. Wat de _Lorreinen_ betreft, verwijs ik +naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, p. 17, vs. 371-2; 28, 637-9; +30, 661; 32, 730-'4. + +[12] Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. bl. LI vlgg. + +[13] In de _Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht_ (ed. Mr. CH. M. DOZY), +p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: "Symoen vern Anesoeten sone van +wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn vriend VERDAM. Bij nader +onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande posten nog tal van +dergelijke benamingen voorkomen, die duidelijk maken dat _ver_ in het +laatst der 13e eeuw geene adellijke dame aanduidde. Zoo b.v.: "Thout Jan +ver Haedwien sone"; "Van den mele Jan ver Diewien sone"; "Ysere Heyne +ver Lisbetten sone" enz. + +[14] _Eneide_, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen +weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE +GRAVE) blijkt. + +[15] _Nat. Bloeme_, III, 2135. In afwijking van het _Mnl. Wdb._ vat ik +hier _onghestade_ op als _ongedurig, zwervend_. Immers dan alleen gaat +de vergelijking op met den gaai "die van bome te bome vliecht ende +sprinct.... Noch gheduert in ghere stede." + +[16] A.w. vs. 10514-6. + +[17] _Alex._, V, 1041-7. In de _Alexandreïs_ op de overeenkomstige +plaats, (V, 483): + +Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas Cum cytharis mimi: + + +[18] _Karlmeinet_ (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296_b_, +vs. 48 vlgg. + +[19] Vgl. o.a. _Mnl. Wdb._ i.v. III, kol. 592. + +[20] A.w. II, vs. 5089, 6271. + +[21] Proloog, vs. 3 vlgg.; 72-5. + +[22] Eenige bewijsplaatsen uit vele: _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 124; _Flor. +en Blanc._, 16; _S. Lutgart_, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393, +13817; III; 68, 2737; _Roel._, 210; _Merlijn_, vs. 545; _L.o.H._, vs. +17. + +[23] Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de +proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper +treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek +verdienen. + +[24] A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig. + +[25] II, 29408. + +[26] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neueren Dramas_, I, 380. Over het +voordragen met "Stimmenwechsel" ald. 34, 160. + +[27] Vgl. BREHM'S _Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II, +227-8. + +[28] _Sp. Hist._, I, 280 (2e kol.): "Maer die scone bispele || Diemen +gerne lesen hort"; _Bere Wiss._, 391: "daer ic vormaels ave las"; +_Ferg._, 4509: "dus gedaen dinc hordic noit lesen"; _Rijmb._, 27099: +"Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment +leest bi sullen wesen" (de toehoorders). + +[29] II, 168. Vgl. voorts _Mnl. Wdb._, IV, kol. 403-4. + +[30] _Moriaen_, 2506-7: "Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man +lesen no singhen"; _Walewein_, 4994; _Troyen_ (Epis. ed. VERDAM), 4687, +waar in het origineel staat: "Jamès hom _n'orra_ tel esforz"; _Leven v. +S. Lutgart_, II, 3157, 5580, 7631. + +Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den _Reinaert_, I, +2981 en _Mnl. Wdb._, IV, p. 392, 394, 395, 396. + +[31] D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd. + +Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in _Mnl. Wdb._, I, kol. +1337. + +[32] Vs. 2197-8. + +[33] Vgl. o.a.: _Reinaert_, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en +pass.; _Aiol_, 25, 602, 615, 983; _Van Sente Brandane_, C. vs. 1, 5, 30, +1702; H. vs. 2014, 2026; _Moriaen_, 1688-90; _Lancelot_, II, 10-11. + +Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd, +die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn _Leven van S. +Lutgart_ ten onrechte stoplappen noemt. + +[34] Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM +VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: _Neue Jahrbücher für das klassische +Altertum_ etc., XIII Bd., 6. Heft. + +[35] Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de +Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288. + +[36] Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (_Kar. de Groote en zijne XII. +Pairs_), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl. +74-75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in _Tijdschr. v. N.T. en +L._, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl. +131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg. + +Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere _rubricae_ is het +misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen. + +[37] Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener "lesse" in vs. 1867 en +vs. 2842? + +[38] Inleiding, p. XXXV. + +[39] I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal "amen's"; +in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan +het slot; VI, 2234. + +[40] II, 47-51. + +[41] A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165-7. + +[42] _Epis._, vs. 6676-7. + +[43] _Nat. Bl._, bl. 169, vs. 4029-4030. + + + +TUSSCHENSPEL. + + +ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL. + + Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. _Hughe van Tabarien_; _Roman van + de Roos_; _Roman van Limborch_. Jan van Heelu. _Slag bij Woeronc_. + Lodewijk van Velthem. _Flandrijs_. _Vlaamsche Rijmkroniek_. + _Brabantsche Yeesten_. Melis Stoke. + +Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver meermalen iets +aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk voortgekomen of onder +hen opnieuw geboren, als het inheemsche tegenover het uitheemsche mocht +worden gesteld. + +In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar wel gevoel +voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme, zijn hoofschheid en +fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover het ridderlijke, het +dorperlijke tegenover het hoofsche; uit gemis aan aesthetischen zin het +aanschouwelijke en beeldende opgeofferd aan de eischen van fatsoen en +zedigheid. + +In den _Karel en Elegast_ bewonderden wij eenvoudig en zuiver gevoel, +sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht _Van den Levene ons +Heren_, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, vooral die van HADEWIJCH, +toonden ons innigheid van godsdienstig gevoel in bevallige vormen en de +hooge vlucht der ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal _van +den vos Reinaerde_ sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming +der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren spot +in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden. + +Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk +rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen om te +onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend krachtig en +bezield. + +Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het nationale +tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen stellen. Doch men +zou zoo doende uit het oog verliezen, dat er in dezen tijd van het +nationale in den vollen zin des woords eigenlijk niet gesproken kan +worden, omdat uit de bewoners dezer landen nog niet eene natie, ééne +natie, was ontstaan. + +De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog hebben, +behoorden echter tot de elementen waaruit zich het Nederlandsch +volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het zoover kon komen, moesten +de onderscheiden volksgroepen hier te lande zich nauwer aaneensluiten. +Dat kon weer niet geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger +samenhang ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke +groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, eene +eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en gewoonten, +kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, waaraan zij allen +eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen tegen indringers, waaraan +zij gehecht waren door de kracht der gewoonte en doordat zij er zich +thuis gevoelden. + +MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn volk, dat hij +onder de eersten zich bewust wordt van die gehechtheid aan den +geboortegrond, die zulk een voornaam bestanddeel vormt van het +nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid is hij niet uit zich zelven +gekomen. GAUTIER DE CHATILLON heeft hem door zijne _Alexandreïs_ op die +gehechtheid aan den geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S +warme ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige wijze +weergegeven in deze verzen: + + Owi, here God, hoe macht sijn + Dat elken minsce int herte sijn + So soete dunct sijns selves lant? + Die Brabantsoen prijst Brabant + Ende die Fransois Vrankerike, + Die Duutsce dat Keyserrike, + Die Baertoene [Zijnoot: Bretagners.] prisen Baertaniën, + Die Tsampanoise Tsampaniën, + Also mint die vogel dwout, + Daer hi in hevet grote ghewout [Zijnoot: vrijheid.]. + Al dademene in een waerme mute [Zijnoot: kooi.], + Mach hi, hi vlieghet ute. + Dus priset elckerlijc sijn lant. + Maerlant seide dat hi noit en vant + Also goet lant alse Bruxambocht [Zijnoot: het Vrije van Brugge.]. + Ic waens hem daerbi heeft ghedocht, + Omdat hiere in was gheboren[1]. + +Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting van het begrip +_geboortegrond_, waar hij over Frankrijk en Duitschland als het land van +_de_ Franschen, _de_ Duitschers spreekt. Doch daarnaast zien wij eene +beperkter opvatting, waar hij Champagne en Bretagne in één adem met +zulke landen noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant +als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn geboortegrond +voorstelt. + +MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner tijdgenooten +hebben weergegeven. + +De dichter van den _Reinaert_ moge een enkele maal den blik laten weiden +over het groote laagland "tusschen de Elbe en de Somme", HADEWYCH hare +geestverwanten hebben gehad in Thuringen en Saksen, geestelijken en +clercken als MAERLANT een deel van Europa hebben omvat met hun blik--de +groote meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen binnen +den kring van de eigen stad of de streek, waar zij geboren waren. De +blik der meesten werd beperkt door de grenzen van het graafschap of +hertogdom, waartoe zij behoorden, en richtte zich betrekkelijk zelden op +naburige landen en volken. + +Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo licht zich +uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks het midden der +13de eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen wij in het laatst dier eeuw en +in den aanvang der volgende ook elders in deze landen waarnemen. In +Limburg, Brabant, Vlaanderen, die landschappen dus, waar het +letterkundig leven tot nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien +wij het volksgevoel ontwaken en zich uiten in den roman _van Limborch_ +en den _Flandrijs_, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den _slag bij +Woeringen_, in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE. + +Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de meeste dezer +werken het volksgevoel--of beter: het stamgevoel--verbonden zien met de +verheerlijking van den adel, dat de vorm dier werken ons herinnert aan +dien der ridderromans, dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij +nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, de +ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den roem van dat +geslacht te verhoogen, vinden wij op groote schaal terug bij een +ganschen stam. Zoo kwam een dichter er toe, de verheerlijking van een +geslacht uit te breiden tot den stam, waarover dat geslacht regeerde. + +Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een 14de-eeuwsch +dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een strijd tusschen de machtige +heeren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. De bedoeling van den +dichter was natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van +Grimbergen. Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het +gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang vernemen, +dat "die van Brabant" gekomen zijn "uut dien van Troyen[2]." Langs dien, +ook later niet zelden gevolgden, weg verhief men een gansch volk tot den +adelstand. + +Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer voorstelling +versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de oorspronkelijke +ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich reeds openbaart. Toont de +onbekende dichter der _Chanson de Roland_ niet eene sterke liefde voor +"dulce France"? Het zou geen wonder zijn, dat menig hoorder der +Nederlandsche bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn +geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen: + + Dan wille God niet, dat ghesciet, + Dat soete Vrankrike bi mi + Sijn eere verliese, hets soe vri! + +of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren[3]. + +In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman echter vond ik +de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners zoo diep gevoeld, zoo +uitvoerig in wezen en werking beschreven, als in den roman _van +Lancelot_, in deze verzen: + + Alsi ter zee quamen mettien, + Begonste Lancelot dat lant besien, + Daer hem in was menege ere + Gedaen ende oec vele mere + Dan oit daer vore was, sonder waen, + Enegen riddere allene gedaen. + Hem begonste lopen sere + Die trane op sirie lire [Zijnoot: wangen.], + Ende hi versuchte doe sware + Ende weende sere daernare. + Alsi aldus hadde gewesen + Ene wile, hi sprac na desen + Stillekine, so dat dese word + Nieman en verstont dan Bohort: + "Ay soete lant ende godertire + "Ende mergelijc [Zijnoot: vreugdevol.] in alre manire, + "Wel sittende ende blide mede, + "Vol van alre geluckechede, + "Daer min geest in blivet geellike [Zijnoot: geheel en al.] + "Ende mine ziele dier gelike, + "Gebenedijt moetstu talle stonde + "Wesen van Jhesus Kerst monde, + "Ende gebenediet soe sijn si + "Dire in bliven selen na mi + "Ende wonen selen in desen lande! + "Sijn si mi vriende oft viande, + "God mote hen pays geven + "Ende met rasten [Zijnoot: rust.] doen leven!" + ... + ... + Dit waren sine worde die hi sprac, + Alsi uten lande van Logres trac. + Hi sach ten landewaerd nadien, + Alse lange als hijt conde gesien[4]. + +Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat ons lief +geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, die gefluisterde +zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! Hoe modern reeds, al +hooren wij hier slechts een flauw voorspel van dergelijke poëzie in +lateren tijd, wanneer CHILDE HAROLD zijn "native shore" vaarwel zal +zeggen. + +Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een kiem van +nationaliteitsgevoel, dien wij in het _Roelants-lied_ en den roman _van +Lancelot_ kunnen opmerken, vinden wij ook in de meeste bovengenoemde +Dietsche dichtwerken en dichters. De _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn +ridderromans; HEYN VAN AKEN, dichter van den _Limborch_, toont ook +elders sympathie voor het ridderwezen; de _Slag van Woeringen_ is half +ridderroman half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, zal +wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord hebben; de +edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S _Spieghel Historiael_ +voort, doch is tevens de samensteller van de Lancelot-compilatie. De +_Vlaamsche Rijm-Kroniek_, de _Brabantsche Yeesten_ en MELIS STOKE'S +_Rijmkroniek van Holland_ zijn zuiver-historische werken; doch men +vergete niet, dat deze werken ten deele strekken moesten om de +aanzienlijke afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te +betoogen, en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn recht +van bestaan ontleende. + +De dichter van den _roman van Limborch_, HEYN VAN AKEN, was vermoedelijk +in Brussel geboren en tijdens zijn leven pastoor van Corbeke bij Leuven. +Wij kennen drie werken van hem; twee vertaalde: _Hughe van Tabarien_ en +den roman _van de Roos_; een oorspronkelijk: den _roman van Limborch_. +Het laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291-1318; +het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking van den +_Limborch_ eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van het eerste is +onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven zijn; zeker niet zoo heel +lang na de voleindiging van den _Limborch_[5]. In den aanvang van het +Tiende Boek immers stelt hij zich aan zijn publiek voor als een oud man: +hij is versleten, het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig +genoegen "leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne deugt hij +niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij moge dan pastoor +geweest zijn, aan het slot van zijn _Hughe van Tabaryen_ schreef hij: + + Dit hevet ghedicht, te love ende theeren [Zijnoot: ter eer.] + Allen rudderen, Heyne van Haken[6]. + +Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond of +wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht _De l'Ordene de +Chevalerie_ in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting van het +ridderwezen en van de symbolische beteekenis der plechtigheden bij de +ridderwijding. Evenzoo behelst de roman _van de Roos_, vooral in zijn +eerste deel, eene uiteenzetting van het wezen der hoofsche liefde. +Daarom is de tweede titel van dezen roman, dien wij in het werk zelf +vinden: nl. _Spieghel der minne_, zooveel juister, omdat hij het wezen +van het boek beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der +dingen--dat was de geest der burgerij, die misschien ook over een deel +der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter dit tijdvak van overgang, +dat die geest zich hier richtte op de instelling van het ridderwezen en +op den hartstocht die vooral door den ridderstand tot eene soort van +eeredienst was verheven. Trouwens den ganschen opzet van den _Roman de +la Rose_: een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig +worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd wordt, vindt men +reeds in den roman _van Lancelot_[7]. + +Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs, waarvan +wij hier het een en ander moeten mededeelen. + +Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee dichters: +GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk van den eerste dagteekent +van omstreeks 1225-1230, en is omstreeks 1270 door den tweede +voortgezet. Tusschen die beide dichters bestaat een groot verschil. +GUILLAUME DE LORRIS, uit de school van CRESTIENS DE TROIES, is een +elegant prediker der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een +bevallig kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen +schrijft--JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp verstand, een +open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid, onbevangen, +sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen minacht. GUILLAUME leert +hoe men de vrouwen moet winnen, JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN +is een begaafd dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het +eerste deel van den roman ons vooral eene "minnekonst"; in het tweede +vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs: wijsbegeerte, +godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen de vrouwen, de +geestelijke orden, de grooten, de koningen zoodat wij aan onzen MAERLANT +gaan denken[8]. + +Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half bewerkt half +vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten; bekort zijn +de wijdloopige redeneeringen hier en daar, zoo ook eene beschrijving der +kunstmiddelen van het vrouwelijk toilet, eene opsomming van +voorschriften aangaande de wellevendheid. Weggelaten is de uitweiding +waarin JEAN DE MEUNG zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde +waarheden heeft moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de +Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der Natuur "de +omni scibili", de mededeelingen over de kracht van het Medusa-hoofd, de +uitval tegen de Dominicaner-orde[9]. Hier en daar vinden wij een +eenigszins karakteristieke afwijking; zoo b.v. waar de bewerker spreekt +van "al 't goet van Sassen", waar hij den Rijn in de plaats stelt van de +Seine, of Poitou en Engeland in zijn gedicht brengt[10]. Doch overigens +vertoonen zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter +van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst. + +Meer van hem zelven vinden wij in den _Limborch_, al kan dat werk +slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk worden genoemd. Dat +tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet uit het telkens herhaald +beroep op het Walsch. "Als ict in den Walsche las" en dergelijke +uitdrukkingen dienden slechts om achtbaarheid aan zijn werk te geven of +om hem aan een slot te helpen: "want dWalsch en seges mi nemmeer". + +Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog HENDRIK IV van +Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde op een tocht naar het +Heilige Land. De dichter heeft dezen hertog echter verward met HENDRIK I +die in 1206 te Constantinopel tot keizer werd gekroond en bovendien de +geschiedenis zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het +geheel niet meer dan eene fabel kan geacht worden[11]. Hoofdzaak was +voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg door middel +van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen samenstellen, had hij stof +noodig; die stof heeft hij uit zijne herinneringen aan vroegere werken +samengebracht en op de gebruikelijke wijze verwerkt. + +Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit doodgeboren kind +van belezenheid en gunstbejag. + +Menig dichter vóór hem had zijn werk vervaardigd ter eere eener +jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in dezen niet in +gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor het gevaar, dat +navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers te evenaren, doch +overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen keer gewag gemaakt van de +schoone, ter wille van wie zij hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke +betuigingen door acht boeken heen[12]. Kwam zijne "joncfrouwe +ongheveinst" misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman +vertaalde? DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts voor +hoofsche lieden is weggelegd--HEYN VAN AKEN praat het hem +na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil geven, bedient hij +zich van een paar verzen uit MAERLANT'S _Eerste Martijn_ [13]. + +Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan vroegere +werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET, EVAX, FROMOND vinden +wij terug in het verhaal _van koningin Sibille_, in den _Lancelot_ en +den _Merlijn_, in de _Lorreinen_, den _Lapidarius_ van bisschop +MARBODEUS van Rennes. De verhouding tusschen den gravenzoon ECHITES en +de gewaande dienstmaagd MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als +die tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter der +Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook de toorn der +moeder over die verhouding, de list, aangewend om een eind te maken aan +die liefde, de redding van het meisje door haren minnaar op het +hachelijkst oogenblik, zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den +_Lancelot_ vinden wij eene jonkvrouw "al naect in haer hemde gedaen" te +midden eener menigte, die de "justitie" wil zien, totdat LANCELOT het +meisje bevrijdt[14]. ECHITES werpt zijn vaders kok op het vuur, omdat +deze niet doet wat hij gelast--iets dergelijks doet REINOUT in den roman +der _Vier Heemskinderen_ [15]. Het gevecht met den draak herinnert aan +dat met den vogel grijp in de _Lorreinen_[16]. Het koningspel hier doet +denken aan iets dergelijks in SEGHER'S _Prieel van Troyen_[17]. Van dien +aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig. + +Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek, niet alleen +Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns gesteld werden, is +licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan ook de namen van het zwaard +Mimminc, van den smid WILANT, van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene +herinnering aan de Nibelungen (de "drie meerwiven"), misschien ook aan +TANNHÄUSER en zijn verblijf in den Venusberg[18]. + +HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES ROELANT en OLIVIER +overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke afmetingen geven--zijn werk +kreeg daardoor niets van het heroïeke of ideale, dat echte ridderpoëzie +toch altijd eenigermate bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een +tweegevecht, vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is dit +bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend. MARGRIETE +VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES bij een ouden hond, en +dat nog wel terwijl zij van minne spreken. Wanneer ECHITES in een +tournooi de overige ridders voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN +warm; een beeld ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom, +die turven stroomafwaarts voert[19]. + +In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van den +_Limborch_ andere romandichters wel navolgen, doch hij vermocht niet die +te bezielen met de naïeve vroomheid die den _Karel en Elegast_ zoo +aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid overtrof hij de meeste zijner +voorgangers; de lauweren van JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen +rust. Hij kent VENUS, JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en +speer; hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses +en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie waarmede +de _Roman van de Roos_ zoo vervuld is[20]. + +Ja, indien geleerdheid de waarde van poëzie verhoogde en andermans +veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN VAN AKEN met zijn +_Limborg_ eer hebben ingelegd. Echter, niet zoozeer dat hij zijne stof +van anderen ontleende, komt in zijn nadeel; doch dat hij die ontleende +stof niet tot zijne eigene heeft weten te maken, dat zijn rijmwerk +weinig of niets eigens vertoont. + +Dat geldt ook van den _Slag bij Woeringen_. + +De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN GELRE om het bezit +van Limburg, in 1288 beslist door eene overwinning der Brabanders, werd +omstreeks 1291 verheerlijkt door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU +heette en wel een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest[21]. + +Meer nog dan de _Limborch_ was dit gedicht er op berekend, de roemzucht +van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend deelt de schrijver +ons mede, dat hij gewag maakt van deze of gene ridders, opdat men "hare +daden ewelike gedincken sal." Elders heet het: "zoo groote condicheit" +(stoutheid) werd nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens +verontschuldigt hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen; +ook van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder dat +het aantal namen hier legio is en nog--zegt de auteur--verzwijg ik de +namen van velen die even dapper in den strijd waren of nog dapperder dan +de genoemden[22]. + +Wat HOMERUS niet kon: poëzie maken van een catalogus, kon ook deze +schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs overnemen van anderen, dat +kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling van zijn werk onder den +invloed was zijner lectuur, blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede +Boek, waar hij zegt dat de daden der Maccabeën, van "Roelant ende sine +gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet zoo grootsch en +indrukwekkend zijn geweest als de daden in den slag bij Woeronc +bedreven. De wijze waarop de schrijver van dit rijmwerk den +aartsbisschop van Keulen doet optreden, herinnert hier en daar levendig +aan het gedrag van bisschop TULPIJN in het _Roelands-lied_; op een +andere plaats blijkt dat bisschop TULPIJN hem onder het schrijven +inderdaad voor den geest stond[23]. Poëzie is in dit verhaal nergens te +vinden, wel herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer +overweldigde. Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en +daar door een vergelijking meer verheffing te geven[24]. + +Het verhaal van den _Slag bij Woeringen_, schreven wij +hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide dichtsoorten +vinden wij eveneens, doch onvermengd, in LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk. +VELTHEM zette MAERLANT'S _Spiegel Historiael_ voort op verzoek eener +aanzienlijke Antwerpsche edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij +vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant, +Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens hetgeen hij +zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor de kennis van de +ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk van geringe +beteekenis. Slechts een paar maal, zooals b.v. in het verhaal van den +Leuvenschen kampvechter en in dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd +zou zijn, vinden wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van +stijl iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene +plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend, verzen +schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke bevalligheid[25]. + +Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in MAERLANT'S +voetspoor tredend, een ander werk: het _boek van koning Artur_, dat zich +bij den _Merlijn_ aansluit. Vertaling van een Fransch _Livre du roi +Artus_, bevat het de verdere geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de +machtige toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee +VIVIANE, door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen +een toovercirkel in het woud van Broceliande[26]. + +Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de indruk dien +MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte heeft gemaakt; indruk dien +hij weergeeft in deze regels: + + Wat mach men daer meer af seegen dan? + Negeen dinc, so help mi God, + Dan dat hi was een fijn sot; + Al heet hi vroet ende conde vele, + Nochtan heeften een wijf bij horen spele + Datsi hem toende menechfoude, + Bracht in 't nette daer si woude. + +Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van zulk eene opvatting +der liefde? + +Over VELTHEM als compilator van de in den _Lancelot_ vereenigde +ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij de samengevoegde +werken niet in hunnen oorspronkelijken vorm kunnen vergelijken met dien +waarin zij hier voorkomen, kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend +oordeel worden geveld. Doch zóóveel kunnen wij ook nu reeds zien: dat de +onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder eenige kunst met +een: "nu doet d' aventure verstaen," d' avonture seget hier ter steden" +of dergelijk tusschenvoegsel. Ook dat de compilator weinig op den +samenhang van zijn werk gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde +Boek PERCHEVAL doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden +was. Op een paar plaatsen blijkt, dat de "clerc" VELTHEM zich bezwaard +gevoelde over het berijmen van "alle dese wereltlike daden", waarvoor +hij God en MARIA om vergeving bidt[27]. Geen werk eindelijk is er in +dezen tijd aan te wijzen, dat zoo krioelt van stoplappen als deze +compilatie; in dat opzicht wordt VELTHEM misschien door niemand onder de +Dietsche rijmers der middeleeuwen overtroffen. + +Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan, werd in het eerste +kwart der 14de eeuw door een onbekend auteur voor de Vlamingen verricht +met de bewerking van den ridderroman _Flandrijs_. Indien men ten minste, +wat mij hoogst waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met +_Vlaming_ en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen +van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel[28]. Evenals de _Limborch_ is ook +de _Flandrijs_ een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen, +grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans: _Ferguut_, _Walewein_, +_Moriaen_, _Torec_, _Historie van Troyen_. Ook hier vinden wij bedreigde +en verloste jonkvrouwen, den zoon van een gastheer gedood, gevechten met +roofridders en reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den _Flandrijs_ +schijnt sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder, +doormidden gehouwen "zooals men het een varken doet," brengt ons naar +den slagerswinkel; de aanprijzing van het Christendom hier en daar en +een lang gebed geven het werk iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen +van FLANDRIJS, die door het teeken des kruises een gebraden kapoen van +de tafel doet opvliegen. + +Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer ter zelfder +tijd als de _Flandrijs_ werd vervaardigd en hier slechts om dat +nationale element even vermeld kan worden[29]. + +Gewichtiger is MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_, aangevangen +waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der 13de eeuw, voortgezet +en voltooid in het jaar 1305. + +STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de andere in dit +hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen zijn hier +samengesteld op eigenaardige wijze. Verheerlijking van het regeerend +gravenhuis was een dier beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel +zijner kroniek is opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf +Willem III, wiens "armen clerc" (secretaris) hij zich noemt. Vandaar dat +hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het Hollandsche gravenhuis +"van edelen tronke begonde". Maar, in tegenstelling met JAN VAN HEELU, +onthoudt hij er zich van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen +bij name te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen +"menestreelen" en "clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij niet bij +name wil noemen: + + Die van den stride was de bloeme + Of de quaetste of de beste + +uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van winzucht; uit +vrees ook--het kenschetst den tijd--dat hij vervolgd en doodgeslagen zou +worden[30]. Liefde voor zijn land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging +der Henegouwers, belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne +bewoners behooren evenzeer tot zijne beweegredenen[31]. + +De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde bevatten +weinig meer dan eene vertaling van het _Chronicum Egmundanum_; het +overige deel van het werk berust, naar het schijnt, hoofdzakelijk op +mondelinge overlevering en op hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van +poëzie is ook bij STOKE weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN +AKEN of HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste geene +ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA, gravin van +Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem verdienstelijke verzen als +deze: + + Haer herte was een grondeloos wael [Zijnoot: bron.] + Van miltheit ende van ontfarme, + Van soeticheit op de Gods arme, + Van wakene, van pinen in ghebede + +en: + + Ja! hoech man was hi, weet men wale, + Beide in der daet ende in de tale[32]. + +Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van FLORIS DE +VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren wij oprecht gevoel zich met +naïeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere taal. Treffend is b.v. de +ontzetting van des graven "arme clerc" over het feit, dat men de hand +heeft durven slaan aan een zoo hoog heer: + + Deus, here God, wat hi dochte, + De des eerst ghewaghen durste, + Dat men also groot een vurste + Soude vanghen of verslaen! + +Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen: + + Ay Herman! bi wat zaken + Wilstu der quader name ontfaen? + Was di niet ghenoech ghedaen? + ... + Ende du Gheraert, felle man, + Droeghes oec sine cleder an, + Du hads van kinde met hem ghewesen. + +Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen, was: + + Hi waende, hem sijn volc ghemene + Ghetrouwe waren, groot ende clene. + Ay lasi! hi ne mocht niet weten, + Dat hi van binnen was beseten. + ... + +Zijne naïeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden +betoond aan het lijk van hunnen meester[33]. + +Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een dichter van +beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in den nacht der +vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden om den naam van den +eersten Hollander die zich met bewustheid Hollander heeft gevoeld, den +eersten ook die in de geschiedenis onzer letterkunde den naam van +Holland heeft doen opklinken. + +Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die min of meer +vijandig gezind was jegens de bewoners van andere graafschappen of +hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt hij zijn volk reeds +tegenover het Vlaamsche volk, waar hij beweert dat de Vlamingen, anders +dan de Hollanders, nooit hun verlies willen erkennen: + + Verliesen wi, wi gheliën [Zijnoot: ten volle erkennen.] wale; + Die Vlaminc hevet ander tale: + Verliest hi, hi ne liëts [Zijnoot: erkent.] niet + ... + ... + Het is der Hollanders maniere: + Verliesen si drie manne ofte viere, + Si seggen liever meer dan min-- + Die Vlaminc messaect [Zijnoot: loochent.] int beghin[34]. + +Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door hun inval +in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd. + +Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen en Saksen, +voor hem één volk (immers "die Nederzassen heten nu Vriesen"). In den +aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend over het "onbeschaamde +Friesche volk dat niets van historie weet"[35]. STOKE'S tijdgenoot, +MAERLANT, denkt evenzoo over de "wilde Saksen" en "ruwe Friezen"[36]. +Een eeuw later zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in +denzelfden geest spreken[37]. En hoeveel wrok en minachting open baren +zich in deze woorden van den "clerc uten lagen landen" waar hij in zijne +Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk van den gesneuvelden +Roomsch-Koning WILLEM II van Holland: "dese Vriesche honden en wisten +niet dathet coninc WILLEM die edel man was... ende liepen over hoop +daeromme staen als beesten." + +Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen verdedigden hun +vrij land daarom niet minder krachtig tegen elken indringer. Telkens +doen de Hollandsche graven pogingen zich van Friesland meester te maken, +doch gewoonlijk trekken zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met +de bloem van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf +ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de Friezen +overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen losprijs wordt +geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat den Hollanders in handen +valt, wordt meedoogenloos over de kling gejaagd; in het heetst van den +strijd valt ook de dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman +JUWINGA, die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen +uitstak[38]. + +Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen werden niet tot +gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op hunne zelfstandigheid +en ongezind vreemde machthebbers van welken aard ook te erkennen. +Getuigenis daarvan gaven reeds vroeger (1327) die parochianen van +Bolsward, die weigerden een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te +ontvangen en te erkennen, omdat hij geen Fries was[39]. + +Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen, Vlamingen +en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook elders in deze "lage +landen". Het meervoud in dezen bekenden naam verdient aandacht, want +inderdaad bestond er nog niet één land dat _Nederland_ heette. In naam +bestond het wel. In een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14de +eeuw wordt gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren + + ... al van eenen gheslachte + Gheboren al ut Nederlant. + +Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd: + + Daer mochtmen die tyene horen + Lude roepen: "Nederlant!"[40] + +Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op volkseenheid, +lag nog ver af, als een kust die men over de wateren ziet blauwen. Maar +toch niet zóó ver, of men kon er een paar vooruitstekende punten van +onderscheiden: wordende eenheid van taal en wordende betrekking tusschen +volk en landsheer. + +De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier te lande +spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of "tongen", zooals men +toen zeide. Men voelde zich Vlaming, Brabander, Hollander, Zeeuw; een +enkele besefte ook dat er verschil was tusschen de talen in die +onderscheidene deelen des lands gesproken. In zijn _Leven van Sint +Franciscus_ zegt MAERLANT: + + Men moet om de rime souken + Misselike [Zijnoot: onderscheidene.] tonghe in bouken: + Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus[41]. + +Met _Duuts_ zal hier wel _Hollandsch_ bedoeld zijn in den eigenlijken +zin des woords. + +In den _Spieghel Historiael_ lezen wij: + + Int ander jaer dat Karel de jonge, + Die grouf [Zijnoot: (grof) dik.] hiet in somege tonge. + ... + +Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte, hij was er +zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven die tongvallen een +algemeen Dietsch bestond. In zijn _Naturen Bloeme_ stelt hij op meer dan +een plaats het Vlaamsch of "_ons_ Dietsch" tegenover _het_ Dietsch[42]. +Een tijdgenoot van RUUSBROEC, Heer GERAERT, prior van een +Karthuizer-klooster spreekt van "brabantsch dietsch" en zelfs van +"brusselsch dietsch" in deze opmerkelijke woorden: "Oec is te merken dat +dese boeken (van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden +bruesselschen dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer +woerden ofte van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat +selve brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die +lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale +vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen exempelen: +Als si souden seggen _dat ierste, dat anderde, dat derde, dat vierde_, +soe laten si ghemeinlic after die twie letteren van dien artikele _dat_, +ende segghen: _dierste, dandere, derde, tfierde_, ende des ghelijcs in +noch anderen silleben ende woerden"[43]. Opmerkelijk noemde ik deze +woorden, omdat men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging +waarnemen tusschen de gesproken en de geschreven taal. + +MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen die de eenheid +van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling met het Walsch. +JAN VAN HEELU spreekt van: + + Alle die yeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] die nu sijn + In dietsche, in walsche, in latijn[44]. + +In BOENDALE'S rijmwerk _Van den derden Edewaert_ lezen wij: + + Want tkerstenheit es gedeelt in tween: + Die Walsche tongen die es een, + Dandre die Dietsche al geheel[45]. + +En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid door deze +regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340): + + Van deser hoger victoriën + Die eeuwig blijft in memoriën, + Werden blide ten selven male + Alle die spreken Dietsche tale[46]. + +Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in het Dietsch +geschreven werden, rees die taal in de achting dergenen die haar +spraken. Een blijk van die achting voor de taal zien wij in het feit dat +JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND, +verloofd met den zoon van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er "dietsch +in leeren" mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van +zelfstandigheid, zich openbarend in eerbied voor de moedertaal. Eerst +nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij de individuën +zich had ontwikkeld, kon het zóó krachtig worden, dat Overheid en +Regeering volgden waar de onderdanen waren voorgegaan. Het oudste ons +bekende charter in de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door +de schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde). Daarna komen er +tal van charters en keuren in de landstaal in Vlaanderen, Brabant, +Holland. + +De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken het +Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld wordt langzamerhand +door de andere landsheeren gevolgd, al kunnen de graven van Vlaanderen +in de 14de eeuw en later hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel +opgeven. Gelderland komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog +in de staatsstukken der 14de eeuw, maar wordt toch ook reeds in die eeuw +door het Dietsch overvleugeld[47]. Ook in de rechtsbediening zien wij +dat streven naar eerbiediging der moedertaal. + +Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek toe, dat zij +niet gedwongen zouden worden recht te gaan zoeken bij de geestelijke +rechtbanken van Doornik of, in tweede instantie, te Reims, omdat dan tot +hen gesproken zou worden in een taal die zij niet verstonden[48]. In +1290 werd bepaald, dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in +het Vlaamsch zouden behandeld worden[49]. Die maatregel was zeker niet +naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE, die omstreeks +dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had gedwongen, een door hem +gezonden prevôt toe te laten. Telkens, wanneer die koninklijke prevôt +aanwezig was, moest er Fransch gesproken worden[50]. + +Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die in 1385 in +eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren een geleide-brief in het +Vlaamsch deed opstellen[51]. + +Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag en de leus: +"Schild ende Vriend." + +Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw! + +Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen de +nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel en de rijke +burgers verwelkomden de indringers, maar de gemeenten waakten. In +Kortrijks velden werd het Vlaamsche volk zich voor het eerst van zijne +kracht bewust; daar werden hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd, +toen zij in den strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders, +eene roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand, die +hun volksbestaan bedreigde. + +Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos gemaakt. De +gansche 14de eeuw door moet Vlaanderen zijne onafhankelijkheid tegenover +Frankrijk blijven handhaven; het is daarin geslaagd, maar ten koste van +de Waalsche deelen des lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger +tweetalig was, een zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden +onafhankelijk van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van +Duitschland waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap +Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke +Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band geknoopt tusschen +Noord en Zuid. + +De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak gemaakt met de +gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den graaf slechts te doen was om +de patriciërs te kortwieken; doch toen de patriciërs steun zochten bij +Frankrijk, ontwaakte onder de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en +verdedigden zij hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens. +Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk en +landsheer[52]. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland. Graaf +FLORIS V, "der keerlen god", lag overhoop met den adel. Toen eenige +samengezworen edelen den graaf hadden opgelicht en gevangen gezet, +ontstond er eene algemeene verbijstering in het land. Geen der edelen +snelde toe om den graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het +volk opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, "tghemene diet" van +Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland--alles trekt naar het +kasteel aan de Vecht + + Ende segghen, dat si verliesen + Willen beide lijf ende have, + Of si wreken haren grave[53]. + +Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen, maar met des +te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis in eere gehouden. Dat +bleek, toen acht jaar later de Vlamingen Holland binnendrongen, +overstroomden, aan zich onderwierpen. Slechts achter de muren van een +drietal steden: Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer +geboden; het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe +herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE, onechte zoon van +FLORIS V, te Zandvoort geland, op den Blinkert de banier van Holland +liet wapperen en de poorters uit Haarlem en van elders toestroomden om +hem te verwelkomen. In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij +verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst. MELIS STOKE +heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje op den Blinkert, van +die ontmoeting, ook van dat woord en weerwoord: + + Wie sidi dan? Ic hete Witte + Ende was 's graven Florens kint, + Ende her Willem heeft mi ghesint + Alhier van Zirixe + U te troostene. + +Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw der banier +met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van nationaliteitsgevoel zich +in Holland ontsloten, heeft de betrekking tusschen volk en landsheer +iets in hechtheid gewonnen. Zoolang vreemde landsheeren hier regeerden, +kon die gehechtheid bezwaarlijk sterk worden. Voor een vorst, hier te +lande geboren, zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al +was hij uit het Oostenrijksch stamhuis. + +Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst trachten, +ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen van sommige +toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons oog vertoonen in het +nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de geboorteklok van het +nationaliteitsgevoel. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de _Alexandreïs_, I, +365 seqq. luidt: + +O patriae natalis amor, sic allicis omnes O quantum dulcoris habes! +fugitiva per altum Classis dum patriae raptim furatur alumnos, Sponte +licet properent Persarum invadere fines, Nec trahit invitos ad praedae +praemia ductor, Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes, Nec sinit a +patria divelli mentis acumen, Sed dulces oculos animumque retorquet ad +Argos, Donec ab intuitu longe decrescere visus Europae defecit apex +portusque recessit. + +[2] I, vs. 59-62. + +[3] Vgl. de uitgaaf in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 57 vlgg., vs. +103-4, 110-112, 267-9, 316-7, 340, 547-550; bovendien hebben wij slechts +een deel der vertaling over. + +[4] A.w. IV, 7325 vlgg. + +[5] Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne +_Geschiedenis_, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne _Geschiedenis_, bl. +218-229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne inleidingen. Ten +opzichte der dateering van den roman _van de Roos_ deel ik TE WINKEL'S +zienswijze. Was de roman _van Olivier van Spaengen_ (_Limb._, III, +800-807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht? + +[6] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 93. + +[7] A.w. vs. 23394-23553. + +[8] Vgl. over den _Roman de la Rose_, PETIT DE JULEVILLE a.w. II, +105-161. + +[9] Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg. + +[10] Vgl. vs. 2992 (voor: "por nule riens vivant"); 4916; 7044 ("mainte +terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013-4, waar in het Fransch: +"trestous li ors de Romme". + +[11] Vgl. VAN DEN BERGH'S _Inleiding_, IV. + +[12] Vgl. den aanvang van boek II-IX. + +[13] Vgl. _Limb._, VII, 1683-5 met _Flor. en Blanc._, Proloog, vs. 1-12, +65-75; _Limb._, XI, 642-5 met _Eerste Martijn_, vs. 430-1. + +[14] _Limb._, I, 1316 vlgg.; het tooneel der "justicie" alleen in de 2e +bewerking van _Flor. en Blanc._ (het Fransche gedicht nl.), vs. 359-902. +_Lanc._, I, vs. 19208 vlgg. + +[15] _Limb._, IV, 248-250 te verg. met _De Vier Heemsk._ (ed. MATTHES), +p. 26. + +[16] _Limb._, X, 1013 vlgg. te verg. met _Lorr._ in _Mnl. Ep. Fragm._, +bl. 132-3. + +[17] _Limb._, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, I, 6 +vlgg. + +[18] _Limb._, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374-6). + +[19] _Limb._, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10 voet +breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546-7; zie ook nog VIII, 574-5. + +[20] _Limb._, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.; +X, 279 vlgg. + +[21] Vgl. de uitgave van WILLEMS, _Introd._, VIII. Misschien was de +berijmer ooggetuige. (_Introd._, VII; vgl. echter vs. 8221). + +[22] Vgl. vs. 3372-3; 4084-5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627, 7808 +vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410-12, 8537 vlgg. en tal van andere plaatsen. + +[23] Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard dat +"Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025-8. + +[24] Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke men +vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg., 8073 vlgg. +Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651. + +[25] Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld door +Dr. TE WINKEL in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 355-367. De +bovengenoemde verhalen vindt men: _Sp. Hist._, V, 1, 28-30, en VI, 4. +Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34. + +[26] Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170-171. + +[27] Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek. + +[28] Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK. + +[29] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 381-3. Het eerste +deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw +opgesteld. + +[30] Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40-151 in verband met eene plaats uit Boek +IV. (I, p. 224): "God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz. + +[31] III, 1473-'78; Opdracht van Boek I. + +[32] II, 644-'7; IV, 263 enz. + +[33] Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg. + +[34] In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze verzen in +plaats van VIII, 791-2. + +[35] I, 76, 531. + +[36] _Eerste Martijn,_ vs. 109-110, 665; _Sp. Hist._, III, 8, c. 93, +185. + +[37] _Gedichten_, bl. 3, 180; 125, 174. + +[38] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_ door E. +VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII. + +[39] _Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht_ door Mr. S. MULLER +FZ., I, 165. + +[40] _Dietsche Warande_, IX, 147, 150. De naam _Nederland_ in de +vertaling van het _Nibelungenlied_ (II, vs. 11) heeft hier geen +bewijskracht, daar hij ook reeds in het origineel voorkomt. + +[41] Vs. 131-'3. + +[42] _Inl._ XXXVI-XXXVII. + +[43] W.L. DE VREESE, _Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken +van Jan van Ruusbroec_, bl. 10, 19. + +[44] Vs. 3175-6. + +[45] Vs. 1585-7. + +[46] Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof. PAUL +FRÉDÉRICQ te Gent. + +[47] Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr. TE WINKEL +gegeven in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 541-544. + +Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig, +reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin, +afgedrukt in _Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid +van Zeeuwsch Vlaanderen_, V, 1 vlgg. + +Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het Dietsch +eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche +stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij het +Oosten des lands achteraankomen. + +[48] WARNKÖNIG, _Hist. de la Flandre_, III, 171. + +[49] _Belg. Museum_, II, 387. + +[50] WARNKÖNIG a.w. + +[51] _Belg. Mus._, II, 388-9. + +[52] Vgl. VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 31; PIRENNE a.w. I, +104; II, 7; I, 408 vlgg. + +[53] Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: _Bijdr. voor Vad. +Gesch. en Oudh._ en STOKE V, 222-'30. + + + + +BOEK II. + + + + +STANDENPOËZIE. DE STEM DER +GEMEENTEN. + + +INLEIDING. + +De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst +achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in MAERLANT'S +werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek te onderscheiden; doch in +andere orde en verhouding. + +De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt dien. Handel, +nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden hebben zich +ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral ten goede gekomen aan de +gemeenten, is zichtbaar vooral in de door hen gestichte steden. + +De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort, den oorlog +afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten omgang. Vooral de +Geldersche adel onderscheidt zich in dit opzicht. WILLEM VAN GULIK, +hertog van Gelderland, wordt door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij +doet, evenals vóór hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht +tegen de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen +gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant, voert een +bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een Fransch leger tot +staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen en de instelling van +huurtroepen bedreigen den adel in zijn bestaan[1]. Feestvieren kunnen +zij nog wel; de hoogsten gaan hun daarin voor. De graven van Holland +komen niet zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg, +hetzij met een sleep van baronnen, hetzij met klein "gezinde" om er te +ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank behoefde het +niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en een aam rijnwijn +vooruitgezonden. Daarna ging men "haar met haar en veer met veer" jagen +in den Haarlemmerhout en 's avonds dansen met de edele jonkvrouwen[2]. +In den Haarlemmerhout kon men ook wel eens een ander machtig edelman +vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van Holland. Ook +in Brabant kon men hem vinden aan het "jagen en vliegen" met een groot +aantal edelen en edelvrouwen of aan een grooten avondmaaltijd in het +Katrijnen-klooster te Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten +aanzaten[3]. + +Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms een gevoelige +les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn strijd tegen de steden van +het Oversticht en hun heer den Bisschop, al zat hij ook achter muren die +tachtig voet hoog en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek +in Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE, werd door de +Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen en geslecht[4]. + +Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet zijne verloren +idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer dan door vuurwapenen en +huurtroepen, is de adel gedaald van het vroegere standpunt. JAN +BOENDALE, de schrandere schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen +hij in zijn _Lekenspieghel_ zeide: "vroeger, toen de edelen ouder +gewoonte nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden zij +den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij om der wille van +het geld naar de steden zijn getrokken, heeft hebzucht de schuldelooze +edelheid onder de voet geworpen. Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was +het edele wapenspel in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij +in de grenslanden--nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak, dat +is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt in den lande +niet meer gezien[5]." + +Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid. Ja, ook daar +zag men ten deele de toestanden van vroeger. Te Rijnsburg kwamen niet +alleen de Hollandsche graven, maar ook de abten van Egmond, die er met +hun gevolg eenige dagen "joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare +geestelijken vinden wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER +MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen leidt tot een +stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke uit het Groningsche +klooster Aduard, die, gereed de mis op te dragen, bij een aanval op het +klooster zijn priesterkleed afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd +sneuvelt[6]. + +Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden andere, die, +zonder zich met de wereld in te laten meer dan noodig was, eenvoudig hun +plicht deden, of, de wegen der mystiek volgend, ingekeerd tot zich +zelven, de diepten der eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen. + +Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed gelden +tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover de geestelijken. +Niemand heeft dat deel van het aangroeiend zelfgevoel beter vertolkt dan +diezelfde BOENDALE, dien wij zoo even over den adel hoorden spreken. In +zijne _Teestye_ [Zijnoot: Overtuiging.] durft hij zeggen: + + Du leec man en ontsie di niet, + Dat paepscap en es sekerre [Zijnoot: zekerder.] niet + Hemelrijx dan du bes: + Die best leeft, best es. + Al predect tpaepscap Gods woert, + Ende haer theologie bringt voert, + Ende du sits daer voer hare voete, + Du best lichte also soete + Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren + Als si sijn die di leren; + Want clergye sonder goet leven + En can ghene salecheyt gheven. + Hets beter een doghet allene + Dan alle phylosophye ghemene [Zijnoot: samen.]. + Al eest oec dat si di biechten + Ende dine ziele verlichten + Ende van dinen sonden ontladen daer, + Du best lichte also claer + Oft claerre [Zijnoot: zuiverder.] voer Gode dan hi, + Die daer absolveert di[7]. + +En hierbij laat deze wakkere "scepenclerc" het niet. Een volgend +hoofdstuk brengt: "van den papen noch meer". Kwam Gods Zoon nu op aarde +en dorst hij den priesters de waarheid zeggen, hunne gebreken onder het +oog brengen, het volk tot zich en van hen af trekken--zij zouden "te +zamen raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk de +Farizeën weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden; zelf koopen +zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig. In het sermoen zoekt +men hen te vergeefs, al zou het voor hen evenveel vrucht dragen als voor +de leeken. BOENDALE zegt later, dat hij der papen vriend is + + Maer dat si mesdoen, dats mi leet; + +hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van zulke +vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend. Al te welig +schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid door "JACOB, die +dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger hier blijkbaar voor den geest +stond. En het zou nog erger worden voor de priesters, geloofde BOENDALE. +Uit oude profetieën had hij vernomen: + + Dat men noch zal die papen jaghen + Ende die Kerke doghen [Zijnoot: lijden.] sal, + Ende bider papen ghebreke al, + ... + ... + Maer en sal niet dueren langhe + Si en selen te payse comen weder + Ende haer ghierecheit [Zijnoot: hebzucht.] legghen neder + Ende andre onnutte seden + Ende hem bat hoeden dan si deden + Ende men sal hem meer eeren doen + Dan noyt te voren was gheploen [Zijnoot: gepleegd.]. + +Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming, en ook de +geschiedenis van onzen tijd, deze profetieën op ongedachte wijze +vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen voorzien, doch de fakkel der +waarheid, hem door MAERLANT'S hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt +overgegeven aan wie na hem kwamen. + +Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed op de +ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze volken, ook de +adel, al geraakte hij in de minderheid, deed zijn invloed op de +gemeenten gelden. Doch deze invloed was van anderen aard. Het beginsel +der navolging dat zich ook in het maatschappelijk leven zoo krachtig +openbaart, had langzamerhand uit de bovenste lagen der gemeentenaren een +patriciaat gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door +huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting. Dat waren +de oude geslachten der vermogende kooplieden en grondbezitters, de +stedelijke aristocratieën, die nog in het laatst der 13de eeuw de +leiders of meesters der gemeenten waren. Zij zochten den adel te +evenaren in uiterlijken glans, in vertoon van pracht en praal, in +beschaving en fijnheid van vormen. Zij streefden naar hetgeen de adel +nooit had kunnen bereiken: heerschende stand te zijn. Een tijd lang +gelukte hun dat, doch reeds de eerste helft der 14de eeuw bracht een +omkeer in hun toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd +tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne Dekens +tegenover de "geslachten" en eischten deel aan de regeering van stad en +land. Overal zien wij deze democratische woeling en strijd der partijen. +Doch de zege blijft aan de gilden. JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in +Gent de overwinning; ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in +steden als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing van +het overwicht[8]. Eene nieuwe laag der bevolking komt op ruimer schaal +dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen op het volksleven in al +zijne uitingen. + +Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de begeerte om +hoogerop te komen: + + Die huusman [Zijnoot: boer.] volcht den heren naer, + Om schout te wesen ofte baeliu, + +zegt WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH[9]. + +In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien wij, hoe de +titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen. + +De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn _Alexander_ terloops +gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo sterk geworden +dat een ander dichter er een gansch gedicht aan wijdt, getiteld _Van dat +die liede sijn gherne geheten joncfrou_. Wij lezen daar o.a.: + + Heile, Griete, Lise oft Calle, + heten nu joncfrou alle! + Al hadde haer moeder warmoes vercocht, + oft liede gebeden ter bruloft, + oft te like gebeden [Zijnoot: ter begrafenis genoodigd.] vrouwen, + oft ael [Zijnoot: bier (met minder hop).] oft bier gebrouwen, + natten geknocht [Zijnoot: biezen gevlochten.] oft huven, + hoenre vercocht ende duven--, + Si souden joncfrou willen sijn. + +Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet met _vrouwe_, +kijkt op hem neer zoo trotsch + + Als ene hinne op enen pier![10] + +BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de "heeren" moesten +wijken voor schoenmakers, volders, wevers, slagers en dergelijken--het +was voor hem "de verkeerde wereld"[11]. Doch vruchteloos heeft hij zich +met deze nabetrachting tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet +kunnen keeren. + +Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden de verkeerde +wereld was, men kan daarom toch wel erkennen dat er in die wereld veel +verkeerds was. De vroegere onkunde begon weliswaar te wijken voor den +invloed, die uitging van kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en +bijzondere scholen; de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen +zich langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van vroeger +ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet weten hoe oud zij en +hunne kinderen zijn. Maar de wilde zinnelijkheid van deze krachtige +jonge volken laat zich even bezwaarlijk teugelen als in een vroeger +tijdvak. Dat zij behagen schepten in lichaamsoefeningen: naar den +papegaai schieten, kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven; +minder prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen, +reien en springen in de kroegen op heilige dagen. + +Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog wel een vrijplaats +gevonden hadden, ontzien zich niet de banken af te breken om er vuren +van te stoken, er te dobbelen, te twisten en ontucht te plegen. Het +schenden van heiligenbeelden en van het plaveisel in de +Lievevrouwen-kerk te Dordrecht was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook +onder den dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en +leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden. De leden +van den Raad te Kampen gaan elkander in het Rechthuis te lijf. + +De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk aan +afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat hij de sluis van +NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S land is ondergeloopen. +LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een stomme heeft mishandeld en willen +dwingen tot spreken. NANNE LUTART, omdat hij een brouwsel bier van +JACOB, ALIDE'S ZOON, heeft bedorven, door er een dood varken in te +gooien. GERRIT DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben +getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een vuistslag bij +nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)[12]. Talrijk zijn +de boeten, opgelegd aan gehuwde mannen en vrouwen, die leven met andere +vrouwen en mannen. Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De +rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten "de +fornicacione", "de adulterio" en "de duplici adulterio"[13]. + +Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen mogen niet +vooral op rekening der opkomende democratie worden geschoven. De hoogere +standen bezaten meer uiterlijke verfijning, dan de lagere; doch vaak was +die slechts een vernisje, waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek +doorheen schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als YOLENTE +COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van Kortrijk, zich zóó ver +vergeten kon, dat zij een baljuw in de uitoefening zijner bediening +grovelijk beleedigde en met een stok mishandelde; wanneer de kanonniken +der hofkapel te 's-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten, +scholden, stootten en sloegen--dan kan de beschaving onder den adel over +het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt[14]. + +De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid en ontucht met +wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen en Brabant werden wetten +uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel bezat reeds in de tweede helft +der 14de eeuw tuchthuizen, "goede vaste ghyoelen", "omme de wilde +joncheit te bat in bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd +zwaar en ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen levend +begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te Utrecht veroordeeld +om levend gekookt te worden in een onder het schavot geplaatsten ketel. +Bij wijze van gratie wordt hij uit den ketel getild en onthoofd[15]. +Naar het schijnt, werd deze laatste straf slechts zelden toegepast; doch +er waren zoovele andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk +daardoor weinig gewijzigd wordt. + +Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote ruwheid ja, +maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht. Welk een taaie kracht +was er in die Friezen, die telkens de aanvallen der machtige Hollandsche +graven afslaan en onder wier slagen de bloem van den Hollandschen en +Henegouwschen adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij +Kortrijk wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed +hunne stad te bewaken en te verdedigen. + +Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht! + +Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende verscheidenheid +van vormen en gestalten. Er komt werking in de massa's; hier en daar +gaat zich het bijzondere losmaken van het algemeene, de enkeling zich +onderscheiden van den stand waartoe hij behoort. Bij adel en +geestelijkheid was dat reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu +ziet men dat verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval +dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders +bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL en PIETER DE CONINC; +JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE +en FRANS ACKERMAN; JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, "de Brabantsche +ARTEVELDE"[16]. In de Noordelijke landen, die in algemeene ontwikkeling +bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet zulk een aantal namen +van beteekenis aanwijzen. + +Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel meenen +wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal: de verhouding van den +eenling tot de maagschap. Niet alsof de maagschap hare beteekenis geheel +zou hebben verloren! In eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek +lezen wij van eene bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke +"schippers" (reeders) te Damme uit het laatst der 14de eeuw in deze +woorden: "Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der stede van +den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde twischen twee rijke +mannen, scipperen aldair, met horen magen an beyden sijden, dairaf die +een geheten was JAN PIER ende die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge +onderlinge van horen magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen +toe, van welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen mage +waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde. Welken hate ende +nijde aldus bedect gedragen wert ende van langen tijt opgevoet twischen +desen JAN ende GIJSBERT, hoewail sij te samen spraken, aten ende +dronken, alst so diende te samen of te punte quam, mer altijt lach desen +hate den Mahijewelingeren veel felre ende duenre [Zijnoot: vaster]" +int herte dan dat JAN LIJON dede"[17]. + +In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van "buten maghen in +ellenden" te wonen[18]; daar loopt een der wegen, waarlangs het woord +_ellende_ dat oorspronkelijk: _ander land_ beteekende, aan zijne +overdrachtelijke beteekenis gekomen is. + +Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering in dezen +schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van Graaf FLORIS, zegt +MELIS STOKE: + + Dat dese verraders hebben ghelaten + Den maghen verwijt: si moghense haten. + +Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden van één +hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij: + + Nochtan so nes niement vroeder [Zijnoot: geen verstandig man.], + De dat verwijt iement goeder, + Dat sijn maech hevet misdaen[19]. + +De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn +_Lekenspieghel_ de vraag: of men magen en vrienden moet helpen en +ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: ja, indien uwe magen +arm zijn, in het ongeluk geraakt en brave menschen. Doch zijn zij dwaas +en slecht, doorbrengers of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is +toch boter aan de galg gesmeerd[20]. + +Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de Hollander +STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden volgen. + +In een merkwaardig stuk _Van drierehande lyden_ heeft de +Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH ons een man +geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich van zijne magen +afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel hij slechts "maet van +goede" is. Zijne magen ergeren zich daaraan, maar hij geeft niet om hun +raad. Nu moet hij alleen zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht: + + Misdede ic yet, ic wort ghesleghen, + Ic most den menighen verdreghen + Entaer toe lyden mit hem allen. + Soe wye sijn maghen worden tieghen, + Die moet van des ghelijcke pleghen, + Hem sel veel te lyden vallen[21]. + +Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen het losmaken +van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing zelve blijkt, dat +de dichter dezen nieuwen trek in het volksleven had opgemerkt en +gewichtig genoeg achtte om er de aandacht van zijn publiek op te +vestigen. + +Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij het +slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding openbaart. De +hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn _Nieuwe Doctrinael_ mede: + + Elc wil draghen of hebben dat niemen + En heeft of draghet, can hijt gheraken[22]. + +en de auteur van een ander 14de-eeuwsch leerdicht _Spiegel +der Zonden_ zegt evenzoo: + + Elk zoect om vremde ghedane + In zinen clederen....[23]. + +Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets uiterlijks, +zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich zien ontwikkelen in +een later tijdvak. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] Vgl. BLOK, _Gesch. v.h. Ned. Volk_, II, 24 vlgg., 222. + +[2] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 90-92. + +[3] DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, _Gesch. van Gouda_, I, 137, 141, 154. +BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in zijn handel en +wandel in Deel I van _Het Land van Rembrand_. + +[4] BLOK a.w. II, 42-3, 165-6. + +[5] A.w.B. III, c. 26. + +[6] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20; _Bijdr. +en Meded. v.h. Histor. Gen._, XXIII, 60. + +[7] A.w. (ed. SNELLAERT in _Nederl. Gedichten uit de veertiende eeuw_), +bl. 252. + +[8] Vgl. hierover VANDERKINDERE'S _Siècle des Artevelde_ o.a. p. 185, +112, 126-130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407; S. MULLER FZ. +in _De Gids_ van 1897 (Juni). + +[9] _Ged._, bl. 211, vs. 344-5. + +[10] _Vad. Mus._, I, 76. + +[11] In zijne _Brabantsche Yeesten_, V, 415 vlgg. + +[12] Vgl. _Siècle des Artevelde_; het "papegoy schieten" ao 1361 in de +_Cameraars-Rek._, III, p. 15; _Nieuwe Doctrinael_, 793-5, 1720-4; +EBBINGE WUBBEN, _Over Mnl. Vertalingen van het O.T._, p. 105 (ao 1360). +Mr. S. MULLER FZ., _Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht_, I, +481, 488, 467 vlgg., 474-5. + +[13] _Siècle des Art._ p. 404; ROBERT FRUIN'S _Verspr. Geschr._, I, 155; +MULLER, _Reg. en Rek._, I, 480; 527 vlgg. + +[14] Vgl. _Siècle des Art._, p. 260; CANNAERT, _Bijdragen tot de kennis +van het oude strafrecht_, bl. 69; MOLL a.w. II, 4, bl. 146-7. + +[15] _Belg. Mus._, X, 104 vlgg.; _Cam.-Rek._, I, 134, 199; +_Oud-Utrechtsche Vertellingen_ door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43. + +[16] PlRENNE a.w. II, 33. + +[17] _Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen_ in de vertaling van +GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5. + +[18] _Cyromanchie van den pape van den Hamme_ in N. DE PAUW'S _Mnl. +Ged._, I, 270. + +[19] IV, 1305-'9. + +[20] A.w.B. III, c. 22. + +[21] _Gedichten_, bl. 127, no. 66. + +[22] Vs. 859-860. + +[23] Vs. 11605 vlgg. + + + +RIDDERPOËZIE IN VERVAL[*] + +[*] Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk. + +1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus, Loyhier +ende Malaert, Borchgravinne van Vergy. + +2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos. + +3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem. + +De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die der +ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook hier voortgezet: er +wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; als vroeger zelfstandige +bewerkingen van in het Fransch bewerkte stoffen gegeven; als vroeger +oorspronkelijke romans--voorzoover daarvan hier sprake kan +zijn--samengesteld. Er is echter verschil op te merken in dit opzicht: +de aanwas van zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin, +dat het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig +bewerkte. + +Vertaald werden de romans: _van Baerte metten breden voeten_, _de Ridder +metten Zwane_, _Cassamus_, _Loyhier ende Malaert_ en _de Borchgravinne +van Vergy_; de laatste zelfs in twee bewerkingen. Van den _Loyhier ende +Malaert_, die waarschijnlijk uit het Fransch vertaald is, kan kan men +echter geen Fransch origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde +werken hebben wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere +fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen in eene +volledige en eene onvolledige bewerking[1]. + +Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door Fransche +dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te beschouwen, brengen +ons de romans _van Ogier_, _van Malegijs_, _van Huge van Bordeeus_ en +_van Valentijn en Nameloos_, alle in fragmentarischen toestand tot ons +gekomen. In hoever ook de _Loyhier en Malaert_ tot deze groep kan worden +gebracht, is moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel +niet bezitten[2]. + +De romans _Van den borchgrave van Couchi_ en _van Seghelijn van +Jerusalem_ eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke werken +noemen[3]. + +Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk een denkbeeld +van hetgeen ons in de overige wacht. + +BERTE "metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en BLANCEFLEUR en +huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene dienstmaagd MARGISTE doet hare +dochter ALISTE BERTE'S plaats in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt +na eene valsche beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het +leven af, zwerft rond in de bosschen, komt bij den "foreestier" SYMON en +blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden en in eere +hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN GROOTE. Door dit werk +toont ADENET LE ROI zich in zijn karakter van "remanieur"; aanknoopend +bij een vroeger literair werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van +CHARLEMAGNE anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van +avonturen de aandacht te prikkelen. + +LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld als een zoon +van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche Don Juan. Op aandringen der +hooge edelen van het hof verbannen, trekt hij met zijn trouwen vriend +MALAERT naar het Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog +tal van avonturen. De roman van _den Ridder met den Zwaan_ is eene +poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS te +verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende fragmenten, +die wij van de Dietsche bewerking over hebben, verplaatsen ons naar een +schitterende wapenschouwing over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest +maken op de toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, die +haar vermomd bijwoont. De _Cassamus_ behelst eene der bewerkingen van de +_Alexander-sage_ en spreekt vooral van hoofschheid en van minne. De +_Borchgravinne van Vergy_ is een bevallig maar droef verhaal van de +liefdesbetrekking tusschen deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op +wien ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige +hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot zelfmoord en +wordt zelve met den dood gestraft door haren gemaal, die dan als +Tempelridder naar Palestina trekt. Deze berijmde novelle vormt den +overgang tusschen den ridderroman en de riddersproke. + +De sage van OGIER, een der dappere "genooten" van KAREL DEN GROOTE, was +hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg behandeld. Men mag dat +vermoeden op grond eener vermelding in _Van den Levene ons Heren_ (vs. +10). Doch het is weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze +Dietsche bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende +Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de _Malegijs_, de _Huge van +Bordeeus_ en de _Valentyn en Nameloos_ met de Fransche bewerkingen dier +stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen en voorname feiten. MALEGIJS +is de uit den roman van _de Heemskinderen_ bekende toovenaar; HUGE VAN +BORDEEUS: een leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon +doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard en vier +tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen en allerlei avonturen +gelukkig te boven komt door hulp van den tooverkoning OBERON. _Valentyn +en Nameloos_ behelst eene bewerking der zelfde sage, die in het latere +Fransche volksboek van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke +bonte avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de een +door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, een volmaakt +ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders de wereld +rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte koning van Frankrijk, NAMELOOS +koning van Hongarije. + +Het verhaal _van den Borchgrave van Couchi_ behandelt voornamelijk +COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den Heer van Famweel en +zijn strijd met den bastaard MASEBROUC om het land van Ardennen. Meer +dan eens ook worden wij verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN +KALE, tot wiens vazallen COUCHI behoort. + +SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch vorst; +zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed door een visscher, +helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE de overwinning behalen, huwt diens dochter +FLORETTE, wordt keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij +de gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven vroeden +van Rome te verwekken; op deze wijze--natuurlijker en eenvoudiger kon +het niet!--heeft de dichter, zekere LOY LATEWAERT, zijn werk verbonden +met den naar de Zeven Vroeden genoemden roman. + +Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek, dan +blijkt wel dat wij van verval mogen spreken. + +Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, zijn +heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan weinig of +niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische vertoont zich +daar, doch tegenover die schaduw is er vrij wat licht. Maar hier? Wat is +er geworden van het gevoel voor het ridderwezen, van de ridderlijke +idealen? Ja, er wordt nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de +bezieling is verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het +een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis vergoeden. De +_Limborch_ en de _Flandrijs_, die wij in het Tusschenspel leerden +kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden als schakels tusschen de +oudere en de jongere ridderpoëzie. + +Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, die +wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al te rijkelijk +aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het ridderwezen door lage +boert en platte grappen zoo naar beneden gehaald en onteerd als hier +niet zelden geschiedt. In het gedicht _van den Grimbergschen Oorlog_ dat +wij in het _Tusschenspel_ even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN +OYENBRUGGE de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun +eigen land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden. +Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft op zijn +eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in dat gedicht lezen +wij, dat een schild wordt gekloofd als een raap[4]. Den dapperen OGIER +laat men struikelen over erwten, om hem zoo ten val te brengen[5]. In de +_Couchi_ wordt eene veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder +SEGHELIJN zegt van zich zelven: + + Ende so ic ben een quade sprute, + So moet die pust breken ute. + +Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat te +likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is uwe ouders +nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat SEGHELIJN vijftien jaar +lang gevangen heeft gezeten op water en brood in een donker hol, doet +God een wonder aan hem: nu ziet hij er weer zoo goed uit, "alsof hij +zich had liggen mesten"[6]. + +Maar de _Malegijs_ spant hier de kroon. + +MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders naakt een +rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der omstanders op den +grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt zich daar kostelijk mede en +geeft den raad om ze als vogelverschrikkers in het koren te zetten. +MALEGIJS' oom, meester YVERT, lacht als REINAERT: "mi dochte dat ic +spleet". Beyaert, het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS +voor een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen aan +de pooten, in de Oise verdronken te worden! ROELANT spreekt smalend tot +CHARLEMAGNE over diens "grote coenheide"; gaat gij ons voor in het +gevecht, zegt ROELANT, dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan +vluchten wij ook[7]. + +Evenals de _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ook deze werken slechts +voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch grootendeels uit +herinneringen aan wat de vervaardigers elders gehoord of gelezen hadden. + +De _Seghelijn_ is op-en-top een compilatie; vele bewijzen daarvan zijn +reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog vermeerderd worden; ook +met den _Huge van Bordeeus_ en den _Valentijn en Nameloos_ is dat het +geval. In de overige werken kunnen wij eveneens telkens namen of +toestanden aantreffen die reeds in vroegere werken worden gevonden en +het beroep op "ouden jeesten" in den roman van _Couchi_ begrijpelijk +maken[8]. + +Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge achterstaan bij die +van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. In de onderscheidene +fragmenten van _Valentijn en Nameloos_ en in den _Malegijs_ vertoonen +zich telkens godsdienstige of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels. +De voltooier van het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het +zelfs, dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij +gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij hen mogen +prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot den edelman, voor wien +het werk bestemd was, een bespiegeling over de broosheid des levens en +een waarschuwing, dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen +en laten[9]. Maar eerst in den _Seghelijn_ viert de stichtelijkheid +hoogtij! Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene +reliquieën van CHRISTUS: den geesel, het "vergulde vat", waar JEZUS +azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en de spijkers van het +kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; andere stichtelijke passages +niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger heeft, daalt een soort manna voor +hem uit den hemel. Op zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van +een kapoen en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier +gevaarlijk dicht bij het sprookje van "tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf +wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert laat een +geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, droppels bloed +vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt hij waardig gekeurd[10]. + +Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen en +moralisaties, die in den _Ogier_ zijn gevlochten, en het didactisch +element in dat werk en den _Seghelijn_. In den laatsten roman vinden wij +een tooneel, waar de held door zijne moeder BLENSEFLUER gekust wordt. +Verraders, die de verhouding der koningin tot den jongeling niet kennen, +beschuldigen SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde +verstandhouding met de koningin. "Schurk," zegt SEGHELIJN, "men omhelst +en kust elkander dikwijls in eer en deugd. Wat overigens de kussen +betreft, er zijn vier soorten: "van moeder, van lieve, van peise en van +grieve." Deze scholastieke indeeling en de elders voorkomende "questiën" +met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar het trivium en +het onderwijs in de dialectiek. + +Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging tot +stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden kunnen wekken, +dat de literaire waarde dezer werken niet groot zal zijn. Het +compilatorisch karakter alleen zou voor dat vermoeden te weinig grond +geven; want ook al heeft men dat vastgesteld, dan blijft altijd nog ter +beantwoording deze vraag: Wat hebben de dichters van de door hen +ontleende stoffen gemaakt? + +Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden dan: weinig +moois of verdienstelijks. De _Cassamus_ en vooral de _Borchgravinne van +Vergy_ zijn vloeiend, hier en daar bevallig, vertaald; doch naar het +schijnt hebben deze vertalingen overigens weinig eigens. De meer +zelfstandige werken verheffen zich soms tenauwernood boven het +middelmatige en blijven niet zelden daarbeneden. In den _Couchi_ vindt +men wel eens aardige verzen; zoo b.v. deze: + + Daer so hadde een worm ghebeten + Diepe in ziere rosen blat, + So dat nemmermeer dat gat + Conde heelen noch genezen. + +In den _Malegijs_, die overigens vooral in den versbouw een ongeoefende +hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke +minne-lyriek[11]. Doch over het algemeen is de oogst van het goede of +verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn, +waar de dichters van de beide minst afhankelijke werken telkens toonen +hoe weinig zij _in_ hun verhaal zijn. Den vervaardiger van den +_Seghelijn_ zien wij telkens het oog afwenden van zijn verhaal en zijne +personages, om het op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij +daartoe gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen of te +berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de kijfzucht der +vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt zijn publiek, een dief +van de galg te bevrijden; hij wekt den dommen mensch op, God te erkennen +in Zijne kracht en Hem steeds te dienen[12]. In den roman _van Couchi_ +vinden wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder den +ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene bespiegeling +over "een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin later WILLEM VAN +HILLEGAERTSBERCH zal spreken "van enen cruut ende hiet selve". + +Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der ridderpoëzie in +verval, de naam van een Hollandschen spreker, die de gemeenten +vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing naar de dingen die +komen. De ridderschap als instelling had uitgeleefd, maar niet vergeefs +geleefd. Trouw aan den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen +duldde; vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods het +leven op het spel zette, waar een der ridderlijke idealen te verdedigen +viel; begeerte om het leven ook door de kunst schooner en aangenamer te +maken--naar zulke dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij +die slechts gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in +openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die idealen, +door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, als een zuurdeesem +ook in het leven dezer volken gewerkt en zijn zij dat blijven doen. + + + +AANTEEKENINGEN + +TIJDSBEPALING. + +De Fransche roman van _Berte aus grans piés_ is door ADENET LE ROI +omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens uit het +laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. _Les Epopées françaises_ III, +7). De Fransche roman van _Le Chevalier au Cygne_, waarop wij hier het +oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 253. +Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den tijd der vervaardiging +van _Cassamus_ vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; het Fransche gedicht +dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA, _Proza-bewerking van het +Leven van Alexander den Groote_, Inl. p. XX; de volledige bewerking der +_Borchgravinne van Vergy_ is van 1315; zie vs. 1119 vlgg; de Fransche +_Lohier et Mallart_ moet uit de 14de eeuw zijn: zie _Mnl. Ep. Fragm._, +bl. 266; de overige werken: _Ogier_, _Malegijs (Maugis d'Aigremont)_, +_Huon de Bordeaux_ behooren in de Fransche literatuur tot het tijdvak +der décadence van de ridderpoëzie (laatst der 13de en aanvang der 14de +eeuw) en moeten dus in hun Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht +worden; trouwens de geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien +tijd. Het is ook opmerkelijk, dat b.v. in den _Malegijs_ verscheidene +vreemde woorden voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der +14e eeuw aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel, +rabat, respons, mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De +_Seghelijn van Jeruzalem_ dagteekent van omstreeks 1333-1350 (zie: +Inleiding ed. VERDAM, IV). _Van den Borchgrave van Couchi_ wordt door DE +VRIES m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; (zie +_Tijdschr. v. N.T. en L._, VII, 129-131). De roman _van Valentijn en +Nameloos_ vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel +overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk met de +overige hier te moeten behandelen. + +[1] no. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S _Floris ende Blancefloer_, bl. 131 +vlgg., no. 2 in _Mnl. Ep. Fragm._, XIII; no. 3 uitg. VERWIJS in: _Bibl. +van Mnl. Lett._, 2e afl.; no. 4 _Mnl. Ep. Fragm._ en _Tijdschr. v. N.T. +en L._, XII, 241 vlgg.; no. 5 uitg. STOETT in: _Klassiek Lett. +Pantheon_. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co). + +[2] Ik bediende mij voor no. 1 van de uitgave door MATTHES in _Taal- en +Letterbode_, VI, 241 vlgg.; no. 2: _Madelghijs' Kintsheit_ ed. N. DE +PAUW; nieuwe fragmenten in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV en XX en +_Romania_, 1897; no. 3-4 in _Mnl. Ep. Fragm._, XI-XII; nieuwe fragmenten +in _Tijdschr._, XVII en XI (daarbij te verg. XI, 229 vlgg.). + +[3] De _Couchi_ is uitgeg. door DE VRIES in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, +VII, 97-250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling uit het Fransch +en meende zelfs dat dit "nauwelijks aanwijzing behoefde." Wat hij +aanvoert als grond voor zijne meening, is echter zwak (_Tijdschr._, VII, +124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche woorden schijnen grond te +geven; inderdaad kunnen zij dat niet doen; in den _Limborch_, +_Flandrijs_, _Seghelijn_, _Leven van Sint Amand_ en menig ander, _niet_ +uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, komen eveneens vele +Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de naam _Masebrouc_ en de +verklaring van dien naam door den dichter (II, 371-374) er op, dat wij +hier een oorspronkelijk Dietsch werk hebben. Ons verhaal behelst eene +gansch andere geschiedenis dan die van den _Châtelain de Coucy_ en +nergens blijkt dat er nog eene andere Fransche bewerking is geweest. +Indien men let op de meerdere zelfstandigheid bij de bewerkers van +ridderromans uit dezen tijd, die blijkt o.a. uit _Limborch_, _Flandrijs_ +en _Seghelijn_, ook uit de andere in den tekst genoemde romans; op de +vermenging van verdichting en quasi-historische werkelijkheid, die ook +in den _Limborch_ wordt aangetroffen, en op het didactisch karakter van +het bewuste werk--dan zal men het met voldoenden grond voor een +Nederlandsch werk mogen houden. + +Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: 1o. +een roman _van Cesar_, uitgeg. door N. DE PAUW in _Mnl. Ged._, III, 530 +vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2o. een roman _van +Octaviane_, door BOENDALE vermeld in _Der Leken Spieghel_, III, c. 15, +vs. 125. + +[4] II, 1681-5; 3017-'9. + +[5] _Taal- en Letterbode_, VI, 261. + +[6] _Couchi_, II, 248-250; _Seghelijn_, vs. 640-2; 3134 vlgg.; 5934. + +[7] _Fragmenten_ (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133. + +[8] In den _Seghelijn_ personages uit de Karel-sage (GAURES en ROHAERT); +vooral de _Flandrijs_ is nagevolgd, zie _Inl._, VI. Den reus GRAPAERT +vinden wij terug in AGRAPART uit den _Huge van Bordeeus_; een visscher +die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor ook in _Aiol_; +SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden (2885-'9) gelijk +PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij ligt te slapen, +ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam FLORETTE ook in +_Karlmeinet_. De paardenaam Blankaert uit _Loyhier en Malaert_ ook reeds +in _Aubri de Borgengoen_; de naam van het zwaard Scaerdelijn in _Val. en +Nam._ ook reeds in _Aiol_; de dans van betooverde ridders in den +_Malegijs_ ook reeds in den _Lancelot_, I, bl. 109, vs. 122-3; NAMELOOS +heeft een onzichtbaar makenden ring en knots evenals de dwerg SPYËT; de +auteur v.d. _Malegijs_ heeft geput uit _Patricius' Vagevuur_ en den +_Brandaen_ (_Romania_, p. 504). Vgl. voorts _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 206, +210, 228. En nog noem ik niet alles. + +[9] II, 5203 vlgg. en 6167-'73. + +[10] Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742-2882; 5837-5903; +3318 vlgg.; 6200 vlgg. + +[11] _Couchi_, II, 195-198; _Mal._ (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130 +vlgg.; 79, vs. 141 vlgg. + +[12] Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81. + + + +GEESTELIJKE EPISCHE POËZIE EN PROZA. + + +1. POËZIE. + + 1. Der Ystoriën Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine. + Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen. + + 2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van het H. + Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere. + +Evenals de ridderpoëzie is de geestelijke poëzie van dezen tijd ten +deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt in de eerste plaats van +een aantal heiligenlevens, waarvan enkele misschien uit het laatst der +13de eeuw zijn, andere waarschijnlijk tot de 14de eeuw behooren; een er +van, _het Leven van Sint Amand_ is van 1366. + +In _Der Ystoriën Bloeme_ hebben wij aanzienlijke fragmenten over van een +groot werk, dat volgens den proloog de levens der apostelen, der +martelaren en confessoren en die van heilige vrouwen en maagden zou +bevatten. Slechts de levens der apostelen zijn tot ons gekomen. Om den +afgebroken zinbouw, de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker +waas van oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen, +indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13de eeuw is +ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te verkrijgen. +Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen van een dergelijk +werk over apostelen en martelaren, als "Sinte Pouwels jonghers", "Sinte +Tecla", "Sinte Nasarius en Celsus" deel van _Der Ystoriën Bloeme_ heeft +uitgemaakt. Men zou geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden, +omdat de assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het +eerste werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk +ook, daar het verwijst naar een martyrologium[1]. Uit het Latijn +vertaald zijn ook het _Leven van Sinte Lutgart_ door zekeren "broeder +GERAERT" en dat _van Sinte Kerstine_. Voorts het _Leven van Sinte Amand_ +dat vervaardigd is door zekeren GILLIS DE WEVEL, vertaald uit het +Latijn, onder gebruikmaking van geschriften als UTENBROEKE'S _Spieghel +Historiael_; en ten slotte mag misschien een gedicht _van Sinte Kunera +van Rhenen_, "hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog +tot de 14de eeuw gebracht worden[2]. De vijf eerstgenoemde werken zullen +wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste schijnt, naar het +dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn ontstaan; is dat zoo, dan +ligt het vermoeden voor de hand, dat het in Rhenen zelf of de omstreken +van dat stadje zal zijn vervaardigd. + +Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens van +niet geringe beteekenis zijn--in die der Nederlandsche literatuur kunnen +zij slechts een bescheiden plaatsje innemen. In geen dezer werken vindt +men iets dat op poëzie ook maar gelijkt en weinig of niets +karakteristieks. _Der Ystoriën Bloeme_ bevat slechts gebrekkig berijmd +proza, de levens _van S. Christina_ en _S. Lutgart_ zijn beide +letterlijk vertaald uit het Latijn van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en toonen +weinig of niets eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in +_S. Lutgart's Leven_ zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde[3]. Ook +de beide andere heiligenlevens, vooral dat _van Sinte Kunera_ hebben +voor de geschiedenis der literaire kunst weinig te beteekenen. Van eene +reactie tegen de ridderpoëzie, zooals in de geestelijke poëzie van een +vroeger tijdvak, is hier weinig te bespeuren. Het eenige van dien aard +waarop men zou kunnen wijzen is deze in het _Leven van Sinte Christina_ +gevoegde opwekking: + + En neemt meer bispel aen de papen + Dan aen riddre ocht aen knapen[4]. + +Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking van het +koningspel die men vindt in het _Leven van Sint Amand_. De samensteller +van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden tot zijne hoorders om +hen te vermanen, te waarschuwen of te berispen[5]. In die, trouwens +weinig beteekenende, deelen van zijn werk vinden wij dus iets eigens. +Zoo geeft ook de vertaler der _Vita_ van de H. CHRISTINA op een enkele +plaats een bewijs zijner kieschheid[6]. Daarmede hebben wij alles +genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst, zooals men +ziet. + +Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de ridderpoëzie +van dezen tijd, eenige andere werken, die van meer zelfstandigheid +getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen heeten. Een overgang tusschen +beide soorten vormt het, waarschijnlijk uit het Latijn vertaalde, +gedicht _Van den Vaghevier dat sente Patricius vertoghet was_[7]. Wij +vinden hier eene beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die +volbracht werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door hem +in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton gezien. Het verhaal +had diepen indruk gemaakt op den bewerker, die ons mededeelt: + + ... noit en quam mi dicht soe na + +doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken tot een +letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij mogen de oorzaak +der zwakheid van het werk niet zoeken in de opvatting van den dichter, +voor wien het Vagevier iets stoffelijks was ("materelic"), evenals de +pijnen, die de zielen er te doorstaan hadden. Dat was immers de +algemeene opvatting dier dagen, die men terugvindt o.a. in een +13de-eeuwsch gedicht _Le Purgatoire Seint Patriz_ van MARIE DE FRANCE, +en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar iemand +van geringe poëtische vermogens. Niet veel hooger stond de bewerker van +_dboec vanden houte_, een der talrijke middeleeuwsche verhalen over de +voorgeschiedenis van JEZUS' kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S +zoon SETH van den hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de +vrucht, aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in den +mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk. Uit de drie +pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en pijnboom, zinnebeelden +van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID plantte ze over naar Jeruzalem, waar +zij opwiessen en samengroeiden tot één boom. SALOMO liet den boom +ombouwen om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei +lotgevallen wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor CHRISTUS +uit te maken. + +Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende zijne stof +aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig bewerkt[8]. + +Een zwak dichter was ook de man, die eene legende _van het Heilige +Kruis_, verbonden met een verhaal van Denen in Brabant, heeft +berijmd[9]. Blijkbaar kende de auteur dezer legende de vroegere +speelmanspoëzie: een koning (hier DAVID BRUCE, koning van Schotland) die +wenscht te huwen, die boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van +Denemarken) "over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten van een +schip--dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien gewone motieven uit de +speelmanspoëzie[10]. De prinses, die met dat schip overgevoerd zal +worden, sterft onderweg; de Denen durven zonder haar niet in Schotland +komen, maar besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en +zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in de buurt van +Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den naam van Brunensteen krijgt +en weldra een roofnest wordt. De roovers maken het ten laatste zoo bont, +dat zij op bevel van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE +worden verslagen; hun burcht wordt geslecht. + +Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen, wat +kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig was om verband te +kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis en die van het Heilig Kruis. +In hunne kapel hadden de Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de +slechting van den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar +menig wonder deed. + +Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten der Noormannen +blijven hangen; zeker is, dat noch in de wijze waarop de beide deelen +zijn verbonden, noch in de bewerking van het geheel eenige +kunstvaardigheid of iets literair karakteristieks valt op te merken. + +Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden, welke uit +deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis _van Theophilus_, _van Beatrijs_ +en _van Jonitas en Rosafiere_[11]. Dit vers uit _Beatrijs_: + + Goet berou mach als ghewouden [Zijnoot: alles goedmaken.] + +en deze andere waar sprake is van MARIA: + + Wie aen u soect ghenade, + Hi vint se, al comt hi spade. + +behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS komt ten val +door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden krijgen om hun oprecht +berouw genade door tusschenkomst van de Heilige Maagd. + +THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne vroomheid geliefd +door den bisschop zijner woonplaats, wordt door dezen tot zijn opvolger +gekozen. Uit bescheidenheid weigert hij; een ander krijgt de hem +toegedachte plaats. Kwaadstokers zetten den nieuwen bisschop tegen +THEOPHILUS op; hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand +ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt zijn +vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid. Een driftig +verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat maakt zich van hem +meester; elk middel daartoe is hem goed genoeg. De Booze sluipt zijn +ziel binnen. Heimelijk onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad +is, die zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den +duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne ziel +heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander daartoe heeft +gebracht op hoop van gewin. Te middernacht staat hij stilletjes op en +spoedt zich naar het huis van den Jood. Op zijn herhaald aandringen +opent deze de deur en verneemt de reden van zijn komst. Indien gij uwen +God en uw geloof wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den +volgenden nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een "dwerse strate"; +daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend, loopen te +zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer LUCIFER. Vóór hem +gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten en verloochent God. De Booze +belooft hem zijn vroeger aanzien te zullen wedergeven. Dat geschiedt. +Maar na eenigen tijd ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving +bij MARIA. + +In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne weeklachten tot de +Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare goedheid, hare samenkomsten +met den berouwvollen zondaar en de vergiffenis, die zij voor hem weet te +verwerven. Ten slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan +den bisschop en sterft kort daarna. + +Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare beurt in zonde +gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige Maagd uitstortte. Zij was +eene hoofsche schoone non, die in een klooster den dienst van kosteres +getrouwelijk waarnam. Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet +het vuur van den wellust in haar hart ontgloeien, zóó dat zij meent te +zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te keer; +vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen. Een brief van +hare hand aan een minnaar, een vriend harer jeugd, brengt dezen in het +klooster. Nog acht dagen, dan zal hij wederkomen met mooie kleeren voor +haar en geld voor hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den +kloostertuin. Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar +vóór zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder het +zingen der vogels rijden zij het bosch in. + +Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee kinderen. +Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede, de armoede +verjaagt de liefde--bij den man. Heimelijk verlaat hij haar en hunne +kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe zal zij voor hare kinderen +zorgen? Zich zelve geeft zij prijs. Zeven andere jaren worstelt zij zóó +door, in schande en kommer. Dan doet het berouw zijne stem luider en +luider hooren. Zij walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met +hare kinderen terug naar haar land en haar klooster en wordt uit +barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het klooster woont. +Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt zij, dat deze nog +altijd in het klooster haren dienst getrouwelijk verricht. Een wonder is +geschied: MARIA zelve heeft den dienst waargenomen voor de zondige non, +die altoos, ook in de dagen van zonde en schande, haar _Ave Maria_ is +blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen en +gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving voor haar? +"Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik kruipen, mocht ik daardoor +vergiffenis verwerven." Eene stem in den nacht verkondigt haar, dat +MARIA zich haars ontfermt; zij moet zich heimelijk naar het klooster +begeven; de deur, waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij +treedt de kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en +hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen dien +laatsten keer vóór hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht; als +vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden voor de metten; +daar komen de nonnen afgedaald van den dormter en alles gaat als +vroeger. De abdis heeft zich, op verzoek der weduwe, die waant dat de +moeder heimelijk gevlucht is, met het onderhoud der kinderen belast. +Maar altijd blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig +leven. Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige +biecht aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals +de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de abt de +geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop, verzwijgt hij den +naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn. + +Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn gebleken, +wint de _Beatrijs_ het van den _Theophilus_ in belangwekkendheid en +volheid van leven. THEOPHILUS is een der velen van wie in de +middeleeuwen het verhaal ging, dat zij zich aan den duivel verkocht +hadden; in de middeleeuwsche literatuur is dat niets bijzonders; met het +oog op dat punt van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van +FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af van de +wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt. Wat heeft +deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt? Naar het schijnt +heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage, die in de _Acta +Sanctorum_, de Latijnsche metrische bewerking van MARBODUS, bisschop van +Rennes, en eene Fransche van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt. +Daardoor wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge +grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch werk geleverd, +dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk mag heeten. Niet +zelden schrijft hij passages waar gang en warmte in zijn, zoo b.v. +THEOPHILUS' bede om verschoond te mogen blijven van het bisschopsambt en +zijne berouwvolle weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den +Jood en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk "manscap doen" aan +den Booze. Maar daartegenover staan te veel andere deelen van het +verhaal, waar onze belangstelling niet gaande wordt gehouden, de +wijdloopigheid ons verveelt, de dichter beneden zijn onderwerp blijft. + +Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk worden +toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter; voor een ander +deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet zóózeer in zijne stof +verdiept was als een kunstenaar zijn moet om iets goeds voort te +brengen. Meer dan eens laat hij zijn verhaal in den steek om zich te +richten tot zijne tijdgenooten, om hen te berispen of te vermanen; zoo +o.a. waar hij klaagt over het gebrek aan nederigheid, waar hij zich +keert tegen de huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door +booze tongen aangericht[12]. + +Anders dan de auteur van _Theophilus_, was de, eveneens onbekende, +dichter van _Beatrijs_ geheel _in_ zijn verhaal. Hij moge in den aanvang +terloops een blik slaan op de hedendaagsche nonnen, en +elders--begrijpelijk in eene Maria-legende--met een paar woorden +opwekken tot het bidden van een "Ave" wanneer men MARIA'S beeld +voorbijgaat--doorgaans toont hij zich geheel vervuld van zijn verhaal en +weet ons daarvan vervuld te houden. + +Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge +overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en die vrijheid van +beweging is aan zijn werk ten goede gekomen. + +Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen in de wijze +waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd met den +vleeschelijken hartstocht, met "Venus die duivelinne" zooals het lied +_van Heer Daniëlken_ het uitdrukt. Zij heeft gevast en gebeden, zich +gekastijd--alles tevergeefs; zij meent te zullen sterven in dien strijd. +Voor MARIA'S beeld stort zij nacht en dag hare klachten uit; wat baat +het? Zij vreest krankzinnig te zullen worden. + +Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier gestadig in +toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij niet oorbaar; haar +leven als "ghemene wijf" gaat hij voorbij. Op één plaats vlamt de +hartstocht op: wanneer de gelieven onder vogelgezang in het heldere +licht door de groene velden en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS +verlokken wil om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te +vlijen in het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem +uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn van +gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht doet haar +zeggen: + + Waric in hemelrike gheseten, + Ende ghi hier in ertrike, + Ic quame tot u sekerlike. + +Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis; zij +haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde van den hemel verre +staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn zij, die daarnaar streven; +"maar desniettemin moet ik in zonde vervallen om der wille van u, +schoone lieve vriend." Duidelijker nog zal deze strijd tusschen +vroomheid en hartstocht worden voor wie in de allerbevalligste Fransche +novelle _Aucassin et Nicolette_ eene dergelijke uiting, hier van een +minnaar, vergelijkt met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de +hartstocht daar voortschiet[13]. Met naïef-teedere intuïtie heeft de +dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS bevangt +onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare gedachten +terugvliegen naar het klooster, waar zij anders "priemtijt" zou hebben +geluid. Welke bevallige miniaturen zien wij in dat tooneeltje der beide +gelieven aan weerszijden van het getraliede venster en later in den +boomgaard! Hoe goed zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle, +die door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den _Karel +en Elegast_ naar de kroon steekt. + +Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men den invloed er +van gewaar wordt in het derde bovengenoemde Maria-verhaal: van _Jonitas +en Rosafiere_. JONITAS, een jong en vroom ridder, tevens vurig vereerder +van MARIA, is verloofd met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt +hij haar echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte +geboren, moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang een zondig +leven leiden. JONITAS trouwt nu "t'Oriënten" ROSAFIERE'S zuster +EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE, met toestemming harer +zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet hare kuischheid te bewaren en +JONITAS het geheim van hare toekomst te ontlokken. Op haar verzoek +brengt hij haar in een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster +wordt. Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen, +verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt met +Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling tot waarheid. +JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land, waar zij zeven jaren lang +een zondig leven leidt. Nadat die zeven jaren verloopen zijn, brengt hij +haar terug in haar klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd +ROSAFIERE'S dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden, +JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden opgenomen. + +Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op een paar +punten overeenkomst vertoont met dat van _Beatrijs_[14]. Andere deelen +er van vindt men in andere middeleeuwsche dichtwerken terug. Zoo is het +b.v. opmerkelijk, dat wij het motief der dochter, die haren vader +ontvlucht om bloedschande te ontgaan, aantreffen juist in een paar +Fransche Maria-mirakelen van dezen tijd[15]. Een ander motief: het +verwisselen eener bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de +geschiedenis _van Tristan_, in die _van Baerte metten breden voeten_ en +een Fransch "conte dévot"[16]. Ook de roman _van Limborch_ schijnt den +vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend te zijn +geweest[17]. + +De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit verhaal zijn +verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig talent als de +bewerking van het geheel. + +Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben dan nu, is +niet met voldoende zekerheid te zeggen of het inderdaad nog tot de 14de +eeuw behoort, evenals de twee overige Maria-verhalen; inhoud, taal en +dichttrant maken het m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit +den aanvang der 15de eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen, dan +nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een half-geestelijke, +half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der vroegere poëzie. + + +2. PROZA. + + Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote. + Reisverhaal van Joannes Witte de Hese. + + Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen + Nederlandsche en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche + Sermoenen. Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen. + + Ruusbroeck. + + Eerste bijbelvertaling. + +In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord tenauwernood +denken zonder maat en rijm; begrippen als _poëzie_ en _literatuur_ +omvatten bijna uitsluitend verzen of wat daarop geleek. HADEWYCH'S proza +alleen kwam dat wanbegrip bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of +het door velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien +tijd alleen. + +De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen epische +geestelijke poëzie en geestelijk proza te zien. In omvang reeds +overtreft nu het proza de poëzie. Doch ook in beteekenis; want hoog moge +de poëzie stijgen in het liefelijk verhaal _van Beatrijs_--die bevallige +kleine kapel kan toch niet worden gelijk gesteld met de statige +kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek. + +Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden wij hier de +weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal _van Sinte Kunera_, +van _dBoec vanden Houte_ en _van Theophilus_, alle drie zonder literaire +beteekenis[18]. Van het verhaal _van Sinte Patricius' Vagevier_ bezitten +wij een tegenbeeld in proza: het _Visioen van Tondalus_. + +Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat het +oorspronkelijk Latijn door hem "van woorde te woorde" verdietscht is. +Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn standpunt in dezen aan te +geven: "Maer men sal weten dat ic desen bouc niet en begheere te rimene, +omdat icker no af no toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in +lattine; ende ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te +rimene, want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den hooren +gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle helighe scriftuere +gheconfondeert"[19]. + +Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat wij, naast +sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen dierzelfde +stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter zal men hier rekening moeten +houden ook met den aanwassenden lust tot literaire werkzaamheid onder +menschen die toch niet allen de kunst van verzenmaken meester zullen +zijn geweest. Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren +waarschijnlijk ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN +BAPTIST verricht[20]. Van den bekenden bundel _Vitae patrum_ waren de +beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14de eeuw in het +Nederlandsch vertaald[21]. + +Van heiligenlevens en wonderverhalen op het _Leven van Alexander den +Groote_ schijnt naar de hedendaagsche opvatting een groote sprong. Voor +de middeleeuwsche denkwijze bestond die sprong niet. Immers men vindt de +historie van ALEXANDER gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het +Oude Testament, geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting, +volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der +wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen der +Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden of in de +eerste helft der 14de eeuw zijn ontstaan. De eerste, die eenigszins vrij +en grillig maar beknopt is, berust vooral op Latijnsche bewerkingen: het +zoogenaamd _Epitome_ uit den tijd van KAREL DEN GROOTE en de _Historia +de praeliis_ uit de 10de eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder +is, bevat eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S +_Spieghel Historiael_, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de +_Historia Scholastica_ en MAERLANT'S _Alexander_. De literaire waarde +van beide bewerkingen is gering[22]. + +Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de Alexander-sage +bovendien door de wonderen waarvan wij reeds bij eene vroegere +gelegenheid melding maakten. Men verbaasde zich over die wonderen van +het verleden trouwens weinig in een tijd, toen geloofwaardige priesters +thuis kwamen met verhalen van de wonderen die zij in het Oosten hadden +gezien of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der +Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan "paep JOHANS +woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche priester JOANNES +WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch reisverhaal dat misschien in +1398 in het Nederlandsch is vertaald[23]. + +Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de vertaling, +maar beide zijn van belang voor wie den geest des tijds er uit wil +leeren kennen. Hoe is Palestina voor de menschen van toen met recht "het +_heilige_ land"; hoe leeft het bijbelsch verleden daar voor hen op! In +Hermopolis ziet DE HESE "een hof daer hadde onse lieve vrouwe in +ghewoent" en eene fontein waar zij "haer dinghen in plach te wasschen"; +den steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom dien +MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein waaraan S. PAULUS en +S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE moge vrij wat ontleend hebben aan +andere reisverhalen, zijne mededeelingen vonden daarom niet minder +gretig geloof. Vooral het paleis van "PAEP JAN" (naar het schijnt, een +tot het Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk +gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle nachten +wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt; men gaat vijfhonderd +treden eener trap op, voordat men aan de eerste verdieping komt; op elke +trede staan levende leeuwen die elken ongeloovige of heiden die er op +komt verscheuren; op de eerste verdieping wonen de profeten, op de +tweede de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de +eetzaal van "paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard, dat indien +er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand zou hinderen. Er +is een klok die, wanneer zij geluid wordt, alle booze geesten doet +vluchten, zoodat bezetenen indien zij haar hooren, hun verstand +herkrijgen; er zijn vaten waarin de spijs altijd zuiver blijft en haren +smaak behoudt. Het gansche paleis kan omgedraaid worden als een rad en +het is rond gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf +staan kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten "recht of +die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS slaapkamer +eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is "ende men seghet, ginghe +enich quaet mensche of viant daer in na der sonnen onderghanc, soe soude +hem die roese ter stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en +versierd met edel gesteente. + +Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op! + +De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid en +schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer dan het overige, diende +tot uitstorting van eigen en opbouw van anderer gemoedsleven. Evenals in +de overige landen der Westersche Christenheid, ontwikkelde het +godsdienstig gemoedsleven zich te onzent onder den invloed van de +geschriften der kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van +AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel diepe +gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie en verheven +symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm, dat de Nederlandsche +geestelijken dier dagen wel kortzichtig zouden zijn geweest, indien zij +met dat alles niet hun voordeel hadden gedaan. Bewondering leidde ook +hier tot overneming en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke +geschriften der 14de eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit +aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere, onder wie +vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt[24]. + +Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche mystiek +worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling van het Dietsche +proza als uiting van het godsdienstig gemoedsleven. Echter is hier niet +alleen sprake van geven, doch ook van nemen. Het is vooral Meester +ECKHART op wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere +groote mystieken der 14de eeuw, SUSO en TAULER, waren beiden zijne +leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen. + +Meester ECKHART, "wien God niets verborg," zooals een schrijver van +lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht de grootste en zeker de +diepzinnigste der Duitsche mystieken. Zijne opvatting, beschouwing en +uiteenzetting van het wezen Gods en het wezen der ziel, die twee assen, +waarom zijn stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels +oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der kerkvaders. +Waar ECKHART spreekt van het _wezen_ bedoelt hij datgene, dat alle +dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt, waarin alle dingen nog eene +stille kracht zijn; de duisternis, waaruit het licht nog niet geboren +is; den baaierd, rijke bron van alle kracht en macht, onbewegelijk, +niets voortbrengend. God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als +uitstraling van Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal +blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij geschapen +waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon uit het hart des Vaders +te voorschijn brak als een groene loot uit een boom. In den Heiligen +Geest erkennen beiden hun wezen; "Vader en Zoon hebben éénen wil, dat is +de Heilige Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ééns boven +de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met God één zal worden. +Daarom moet de ziel streven naar eene volslagen ledigheid en +lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij die bereikt heeft kan zij van +God vervuld worden. Om dat hooge doel te treffen moet de mensch alle +vleeschelijke lusten en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de +mensch waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is, dat +wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en boven het +uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het woord van +DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt "de hel dat is: gescheiden zijn van God, +en het hemelrijk: Gods aangezicht"; voor ECKHART is er eene opstanding +slechts der ziel en het Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat +het eigenlijk wezen van ieder mensch wordt onthuld. + +Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke ziel om van +daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te brengen, toch stelt hij +het werkende leven boven het schouwende leven. "Want al ware de mensch +ook in eene geestesverrukking als die van PAULUS en wist hij ergens een +zieke wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter doen +door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den behoeftige te +dienen uit meerder liefde"[25]. + +Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven, was RUUSBROEC +nog maar een knaap; met zijne geschriften konden onze voorouders hun +godsdienstig gemoedsleven nog niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was +blijkbaar niet geheel onbekend en werd ook in de 14de eeuw nog wel +gelezen, maar was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke +lectuur te bevredigen[26]. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken +hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels uit de +tweede helft der 14de eeuw, vinden wij verscheidene zijner tractaten, +sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige terminologie treffen +wij voor een deel ook in Middelnederlandsche werken van dien tijd aan. +Al ontbreekt het in die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals +b.v. in het tractaat _Diu zeichen eines warhaften grundes_, zoo schijnen +toch vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier in +den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als dat van S. +BERNARD en "een bruer in sinte bernardus clooster die altoos gheerne in +syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S vraag naar zijne bezigheden +antwoordt: "In den eersten heb ic een wilde beeste te temmen... die +wilde beeste zijn myn vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te +temmen." Op het stichtelijk exempel "van eenen devooten vraukin" dat +vertelt van haar werk op Dinsdag: "als ic mijne voghelen antiere" +[Zijnoot: zich bezig houden met.]. Die vogels zijn namelijk hare vijf +zinnen en zij bepeinst dan: "dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe +dan tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert [Zijnoot: gepast +heb op.] hebbe." + +Ook bespiegelingen over de "godlike mynne" zullen wel in den smaak zijn +gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN AFFLIGHEM en HADEWYCH. + +Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier te lande +louter instemming zouden hebben gevonden. Immers ook in Duitschland +waren vooral onder de geestelijkheid velen, wien zijne leer aanstoot gaf +omdat zij haar in strijd achtten met de leer der Kerk. Meer dan eens +heeft hij dan ook terecht moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft +hij zich kunnen vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den +mutsaard rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van +ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte tot God +liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht verklaarbaar. +Doch bovendien werd ook door deze mystiek het middelaarschap der +priesters tusschen God en den mensch in den wortel aangetast en heeft +menig geschrift, van hem of aan hem toegeschreven, de strekking om te +doen zien, hoeveel hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden +door leeken dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van +eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en een arm man, +die, gekwetst, "sonder cousen ende baervoets" vóór de kerk zit. De +doctor staat verbaasd over de diepe gedachten, godsvrucht en vroomheid +van den armen man en vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van +wat gheslachte? De man seyde: Ic ben een conync.--Conync, seyde die +meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien u aermoede ende +waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn siele, dats mijn rijcke, als +ic die dueren sluute van mijnen vyf sinnen ende soucke mijnen alder +liefsten Jhesum Christum duer 't ghelove, alle eertsche saken achter +latende. Oec vyndic Gode int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie, +ende also, mijn vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke +passeert ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want +tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal. + +Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken gewaarschuwd +worden tegen "eggardus sermone"; noch dat ECKHART bij sommigen doorging +voor den vader van de kettersche secte der Vrije Geesten; noch dat JAN +VAN LEEUWEN, de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vóór 1355 "een +boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den meester van dwaling +te overtuigen. Indien men weet dat dit "boecxken" aanvangt met: "Het was +een duvelijc mensche, hiet meester ECKAERT", dan verwondert men zich +niet over uitdrukkingen als: "meester ECKAERT hadde alsoe vele +ghewaregher oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc alsoo vele +als die duvel in caritaten ende in minnen leeft." Wel heeft de kok zijne +beschuldigingen in een later geschrift herroepen, doch zijne eerste +indrukken blijven er even merkwaardig om[27]. + +Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot van +RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk: _het Boek der Waarheid_, +waarin de speculatieve mystiek tot de erkentenis van Gods wezen tracht +door te dringen. Het is opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit +werk van SUSO, maar slechts zijn andere voorname geschrift: _Horologium +aeternae sapientiae_ (c. 1337), op het eind der 14de eeuw in het +Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel der +practische mystiek. Geboren uit een oneindig verlangen naar een hoogste +goed, dat de ledigheid der ziel zal vervullen met duurzamen vrede, +behandelt het vooral het lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige +waarheid, goedheid en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip +der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen CHRISTUS, die +de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen wij hier schilderingen +van de heerlijkheid dier wijsheid, van de goddelijke minne, de +hemelweelden, het lijden van CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met +en in CHRISTUS wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene +verheerlijking van God. + +Vooral in dit werk toont deze "Minnesinger in Prosa" eene innigheid en +diepte van gevoel en eene hooge opvatting der geestelijke minne, die wel +indruk moesten maken op een Nederlandsch publiek, dat de lyriek van +HADEWYCH en MAERLANT en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM geheel +of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook onze landgenooten +moeten onder den indruk zijn gekomen van het verhaal van SUSO'S +bekeering, van eene wonderfraaie passage daaruit als deze: "Doen gheviel +op enen dach dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende +sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic scuwen woude +die middach hitte; daer sach ic op enen hogen berch alse ene scone edele +veltbloeme, die lusteleken was aen te siene ende scoen sceen sonder +ghelike allen den bloemen die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese +bloeme te siene, doen wert si verwandelt [Zijnoot: veranderd.] ende en +sceen niet meer bloeme, maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir +mi staende. Si roedde [Zijnoot: bloosde.] alse ene roede rose; si blicte +[Zijnoot: schitterde.] alse snee ende si scheen claerre dan die sonne +ende hair sprake was vol scoenheden. Dese godinne hadde in hare alle dat +men begheren mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende +wide, daer si mede toech [Zijnoot: trok.] tot hare minnen alle die ghene +die den roke ghevoelden." + +Deze godin blijkt de "moeder der scoenre minnen" te zijn; zij bemoedigt +hem en hij spreekt haar toe. + +Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek de +onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van THOMAS VAN +CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY heeft gekend. De levensgeschiedenissen der +ecstatische vrouwen, ons door JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer +in de gedachte, als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke +zelfpijnigingen tusschen zijn 18de en 40ste jaar: het haren onderkleed +met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen geboeid, +opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn lichaam; het kruis met +spijkers, waar hij op lag; de deur, waarop hij sliep; honger, koude, +dorst, geeselingen ten bloede--totdat zijn lichaam gezwollen, vol zweren +en litteekens, en zijne sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn +leven gevaar loopt. + +Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met +Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals ECKHART, van ketterij +beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal Kapittel van 's-Hertogenbosch +moest terechtstaan[28]. + +Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche +mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden der groote Duitsche +mystieken: JOHANNES TAULER, evenals SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC, +doch met dezen bekend en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift +van dezen tijd lezen wij: "Dese Tauweler hadde den prior Jan van +Ruysbroeck in groter ende sonderlingher reverenciën. Daer om dat hi en +oec dick te visiteren plach... navolghende, als een oetmoedich discipel +des prioers, syns meesters voetstappen, welcke leere hi oec te menighen +steden heeft doen vloyen als een rivier, comende ut Ruysbroecs +boecken[29]." + +Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der Nederlandsche +mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien juist tot dien Duitschen +mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige en de praktijk van het +zedelijk leven op den voorgrond stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt +zich niet tot TAULER. Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook +onder de zoogenaamde "Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd, +RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S _Chierheit +der geestelijker Brulocht_ voor de broeders vertaalde. + +In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen wij hier niet +dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat wij hem zelven en zijn +werk gaan beschouwen. Eerst hebben wij nog te spreken over andere +mystieke geschriften. Ik heb hier het oog vooral op de zoogenaamde +_Limburgsche Sermoenen_ waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op +de Nederlandsche vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan twee +derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit het +Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit de buurt van +Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen uit de jaren +tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer preeken zouden, ook al waren +zij oorspronkelijk, van geringe beteekenis voor de +literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals andere vroeger +aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen citaten. Doch andere +zijn van meer beteekenis[30]. Dat deze preeken uit de kringen der +mystiek afkomstig zijn, mag men aannemen op grond van den inhoud, die in +menig opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der 14de +eeuw[31]. Zoo b.v. de opvatting der "minne" in de preek van +"negenrehande minne", die zich onder den invloed van SINT BERNARD +schijnt te hebben gevormd[32]. In "dboec vanden boegarde" vinden wij de +allegorie en het niet zelden spitsvondig vernuft waarvan de mystieke +predikers van dezen tijd zich gaarne bedienen[33]. Op menige plaats in +dezen bundel worden wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene +hoogte van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden. + +Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd wordt: +"Susdans [Zijnoot: zoodanig.] menschen wort ende werc ende al sin leven +es onder anderen liden [Zijnoot: lieden.] een bloyende paradis van +dogeden ende van lichten levene"[33]. In de preek "van seven maniren van +minnen" lezen wij: "Sulke stont [Zijnoot: soms.] geschiet dat die minne +sutliken in der sielen verweckert [Zijnoot: aangewakkerd.] wert ende +blidelike op versteet ende har selver berurt int herte sonder enech +tuduen [Zijnoot: toedoen.] van menscheliken werken. Ende wert dan therte +so morweliken gerenen [Zijnoot: inniglijk beroerd.] in minnen ende so +begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so liflic behelst in +minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter minnen. Hirin gevulse +eenre groter naheit te Gode ende ene gestelike clarheit ende wonderlike +verwentheit [Zijnoot: weelde.] ende ene edele vriheit ende een groet +bedwanc van starker minnen ende ene overvludege volheit van groter +genugden; ende dan gevultse dat al har sinne sin [Zijnoot: zijn.] in der +minnen ende al har wille es worden minne, ende dasse so dipe es +versonken ende verswolgen in minnen ende selver al es worden minne. Die +schonheit des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse +vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid der +minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse behelst, die +purheit der minnen hefse geschirt [Zijnoot: gezuiverd.], die hogheit +der minnen hefse boven getrect, ende in hare geënget [Zijnoot: +vereenigd.], soe dasse altemale mut sin der minnen ende anders nit en +mach plegen." + +Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel voor wie het +leven op aarde "groote ellende en zware gevangenis en hevige kwelling" +is, die verlangt naar het "zoete gezelschap van de geesten daarboven, +die overvloeien van minne"; de prediker vervolgt dan aldus: "Har wille +es dar boven onder die geste [Zijnoot: geesten.] ende har begerlike +wandelinge, ende meest onder die bernende seraphine; ende in die grote +Gotheit ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge +[Zijnoot: rust.] ende har genuglicste woninge. Si suctene in sinre +majesteit, si volgt hem dar ende siten ane [Zijnoot: ziet hem aan.] met +herten ende met geste. Si kenten, si minten, si begerten, soe dasse en +can gagten [Zijnoot: achten.] heilgen noch engle, menschen noch +creaturen dan met gemeinre [Zijnoot: gemeenschappelijk.] minnen in heme, +darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren in minnen boven al +ende onder al ende binnen al." + +Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling en +parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene kunstvaardigheid +zooals die tot dusver in ons proza niet gezien was. Door de samenspraak +weten de schrijvers dezer preeken soms eene hooge mate van levendigheid +te bereiken. Zoo b.v. in _Dbuec van Heren Selfarts [Zijnoot: egöist.] +regelen_ in passages als deze: "Wie [Zijnoot: hoe.] sal ic mi selver +bekennen?--Ic segt di. Met vif dengen. Dirste es daste arm best; dander +daste cranc best; terde daste quaet best; tfirde daste vel sculdech +best; tfifde daste onscoen best.--Du hefs mi seer gescouden [Zijnoot: +berispt.]; es dit waer, so bennic sere bedrogen an mi selver. Want ic +waende ric ende scoen wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war +ombe ben ic arm?--Die nit guts en heft, es di arm?--Ja er [Zijnoot: +hij.].--So beste arm. Dun hefs [Zijnoot: gij hebt niet.] cleder noch +spise, penninch noch penwert [Zijnoot: ter waarde van een penning.] van +di selver. Pruve [Zijnoot: overweeg.]: wat brechste here [Zijnoot: +bracht gij hier.], ende wat sauste hen vuren? Alt gut daste hefs, dat +hefste van Gode: sin est [Zijnoot: het is van Hem.], hi gevet, hi +nemet. Nu seg ochte [Zijnoot: of gij.] arm sis.--Dat weet God, ja ic! ic +ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz. + +Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is geweest; maar +ook binnen een beperkten kring van hoorders en lezers kan het allicht +eenigen invloed ten goede hebben geoefend op de ontwikkeling van het +Dietsche proza. + +De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche mystiek wordt +gekenschetst niet alleen door wederzijdsch geven en nemen maar ook door +het voorkomen van gelijke of gelijksoortige uitingen en vormen. In de +Opperduitsche Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14de +eeuw wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de +Cisterciënser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke +vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen om daar de wereld +en zich zelve te leeren verloochenen. Al deze nonnen, onder wie +ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin, en CHRISTINA EBNER tot de meest +bekende behooren, streven onder ontbering en zelfkastijding naar éénheid +met JEZUS. Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood +voor haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen uit +haar eigen en anderer leven te boek gesteld. + +Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant, +Nederlandsch werk in het boek _van machteldis visioenen_. Voorzoover ik +heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene vertaling der werken van de +begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG, die wij vroeger leerden kennen[34]. + +Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te doen in het +merkwaardig geschrift van een onbekenden leek dat omstreeks 1333 schijnt +te zijn ontstaan en in de werken van "den goeden coc van Groenendaal" +JAN VAN LEEUWEN, over wien wij reeds spraken[35]. + +Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in Noord-Nederland +leefde, heeft den gewonen vorm van een samenspraak tusschen den auteur +(die ook wel een vrouw kan zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den +aanvang "een uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd. + +Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel van +zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de priesterschap +op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen hebben, indien zij waren wat +zij moesten zijn: "lichtdraghers der heiligher kerken." Maar dezulken +schijnt hij niet te kennen. Over het algemeen heeft hij van priesters en +kloosterlingen geen hoogen dunk. Hun geestelijk "habijt" boezemt hem +weinig eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid +ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid. Een goed +mensch is meer monnik voor de oogen Gods dan die het "habijt" draagt en +ongeestelijk leeft. Wee allen, die zijn "apostelen in die tonge ende +rabaude in die oefeninghe [Zijnoot: schurken in de practijk.]" roept +hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van priesters, "meesters in de +vrië consten," die hij gehoord heeft; hij stelt hunne laatdunkendheid +tegenover de leeken aan de kaak. + +Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder in zijne +opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid van denken vinden +wij in dezen middeleeuwer, die durft schrijven: "Die salighe minnende +siele is godliker op haer bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die +stoutheid van denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een +oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet, Meester +EGGAERT de vraag voor te leggen: "Plach God te lieghen, dat Hij Moyses +niet en liet dat lant, dat Hij hem belooft hadde?" Doch als hij vraagt: +"Meester Eggaert, hemel en aarde hadden een begin, en God is eeuwig. +Waar was God dan vóór de schepping?" dan is het antwoord: "Al daer en +betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen." + +Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te bewaren, want +visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft, dat ze meerendeels het +werk zijn van booze geesten. Met de overdreven MARIA-vereering kan hij +zich niet vereenigen, evenmin met die van apostelen en heiligen; allen +zijn zij Gods schepselen, "God es die fonteyne van alre doecht." Dat +sterke besef van God als de bron van alle goed brengt hem tot de +schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo sterk sprekende uiting: +"Ik zou liever met God in den afgrond van de hel zijn, dan met Maria en +alle heiligen en alle engelen in den hemel zonder God." Ook voor +mirakelen en het aanbidden van beelden gevoelt hij weinig. De goede +"verlichte" menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte +menschen, zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs +zoover van te zeggen: "Eer ik één goed mensch van honger liet sterven, +zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken, te Aardenberg en te +Katwijk en er voor hem eten op koken." + +Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den mutsaard, waarop de +ketters verbrand werden! Hier gloeit reeds een sprank van het vuur dat +later zal uitslaan in de Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur +zien wij in zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en +begijnen toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs. +Levendig is reeds in hem het besef: God moet men gehoorzamen boven alle +menschen en boven alle prelaten. Ook de paus, al is hij een aardsch god, +heeft geen recht iets te bevelen, dat in botsing komt met wat God +geboden en verboden heeft. + +Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent en zich +afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar aanwezig in een enkele, +doch die gaandeweg zal aanwassen en zich uitbreiden over duizenden bij +duizenden. + +Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van geest als deze +leek, de opvatting van _adel_ en _dorper_ terug te vinden, die wij +vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen. Zijn oog blijft dan ook niet +gesloten voor zoovele maatschappelijke misstanden, voor het onrecht in +de verhouding tusschen rijken en armen; en zoo hij aan boeren en +ambachtslieden onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten. + +Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht houdt; +als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee naar hooger, reiner +leven: "Siet, wij sijn al pelgrims... ende wij gherne waren tot ons +vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn." + +Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den goeden kok van +Groenendaal, waar hij verzucht: "Rechts [Zijnoot: volkomenlijk.] es hier +mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een armen ghevanghenen +te moede es, die droeve ende serich leghet, ya al vol rouwes in eenen +aleyndeghen [Zijnoot: ellendig.] kerkere des lichamen bevaen [Zijnoot: +omvangen.] ende besloten." + +En dit is--begrijpelijkerwijze--niet het eenig punt van overeenkomst +tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN LEEUWEN ergerde zich aan +het schreeuwend verschil tusschen leer en leven van zoovele +geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid en wellust van vele prelaten; +"die duvel regneert nu onder dat gheestelijke volc"--aldus vat hij +ergens zijne indrukken van hun handel en wandel samen. Ook bij hem +vinden wij die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en +het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger opvatting +van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten was. Hier en daar +weet hij die opvatting weer te geven met treffende levendigheid en +gezonde luim. Zoo b.v. waar hij spreekt over de trouwe kerkgangers die +telkens weer in zonden vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in +het jaar ter biecht te gaan. "Soe seggen si: "Here, ic hebbe gheloghen +ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende dan seit +die pape [Zijnoot: priester.] ter selver stont--ende es also droncken +als een hont--"Absolvo te!" dats in dietsche: "Ic ontbinde oft ic +absolvere di." Ende dan seit die pape: "Joffrouwe, gaet thuuswert; sijt +onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc." JAN VAN LEEUWEN heeft +ook dien waarheidszin die hem doet schrijven: "Want ic bin der waerheyt +meer sculdech dan alre menschen of oec enechs menschen hulde [Zijnoot: +genegenheid.] te houdene, daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme +sterven of oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer wy +selen rechte doerliden [Zijnoot: doorgaan.] voor de oghen Gods, sonder +yemene [Zijnoot: iemand.] te spaerne om gheniets [Zijnoot: voordeel.] +wille, noch arme noch rike, noch vriende noch maghe." + +Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier moet in +acht nemen: "van den alder quaetsten willic swighen". Hij heeft niet de +onafhankelijkheid van geest, waarmede de onbekende leek zich tegenover +kerk en priesters durft plaatsen; hij wil of durft zich niet zoo +uitlaten als deze over Mariadienst, mirakelen, heiligenbeelden, +vervolging om den geloove. Visioenen zullen wel in eere zijn geweest bij +hem, die zich bevoorrecht gevoelde door de "gracie Gods" die hem het +"scouwende leven" deelachtig had gemaakt. + +In dat alles was "de goede kok" een man van zijn tijd, een middeleeuwsch +Katholiek; den onbekenden leek mag men "een middeleeuwsch Protestant" +noemen. + +Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker goeddeels worden +toegeschreven aan den invloed van zijn prior, van den man dien hij +vereerde meer dan een heilige, die voor hem was "een seraphin in +hemelrike, den hoechsten enghelen ghelike", die zijne "edele gloriose +leringhe al eertrike dore ghesaeit ende ghespraeit" had--van JOHANNES +RUYSBROECK, wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar is +geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming van den weg. + +Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen. + + +RUYSBROECK[36]. + +Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd in 1294 +geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van Brussel aan de Senne +ligt. Zijn vrome moeder wilde hem gaarne bij zich houden, maar zucht +naar kennis en ontwikkeling dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar +huis. Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een +bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele. Hij wijdt +zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan de theologie; de +begeerte om tot een schouwend leven te komen wast steeds in hem. Zelfs +het genot van zijne moeder te zien en te spreken ontzegt hij zich. Op +zijn 24ste jaar wordt hij priester, daarna kapelaan aan de kerk van St. +Goedele. Meer en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven. + +Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar bevrijding van +ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem zijn geworden. Op zijn +60ste jaar legt hij zijn ambt neer en gaat met Heer FRANK VAN +COUDENBERGHE, kapelaan van St. Goedele als hij, in het Soniën-bosch +wonen. Daar stichten zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor +hen beiden "eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis +van een kluizenaar gestaan had. + +RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven; maar deze +"begheerde die minne Gods te vermeeren in vele personen." Zoo voegden +zich dan eenige leeken en religieusen bij hen. Allen namen daarna den +regel en het "habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder Heer +FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster heeft hij, zijn +ambt waarnemend en overigens ook het geringste werk niet versmadend, +zich eerst recht aan de oefening in het werkend en schouwend leven +kunnen wijden. De roep van heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne +werken, bracht talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook +wel eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE GROOTE +behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds gaat RUYSBROECK soms +te voet, al viel het hem moeilijk, naar bevriende kloosters, waar men +aanstoot had genomen aan eenig geschrift van zijne hand en voorlichting +van hem begeerde. De Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene +gelegenheid heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen "van sinen +ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen +spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan zijne gezellen +hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik WILLEM JORDAENS, en de +goede kok JAN VAN LEEUWEN. + +RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de mis opdraagt, +kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden. Steeds heeft hij den +psalm op de lippen: "mijn ziele dorst naar God, de levende bron; wanneer +zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van mijn God." +Heugenissen der kindsheid komen op in zijn geest; het beeld zijner +moeder verschijnt hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag +kwam in December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt +hij uit dit leven[37]. + +Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd, zien wij +hem in het Soniën-bosch bezig met het opstellen van een geschrift. De +grijze prior zit onder een boom op den grond; op zijn knie rust een met +groen was bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in +het was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den Heiligen +Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover hem zit een jonge +kloosterbroeder, met bruin haar en blozende wangen, aan een +schrijflessenaartje; links van hem ligt een beschreven was-tafeltje, +vóór hem een vel perkament; den wijsvinger der linkerhand houdt hij bij +het in was gegrifte woord, dat hij juist bezig is op perkament over te +brengen. Dat is de jonge priester, die Heer JAN als "notarius" diende, +gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald[38]. + +Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare +voorstelling van de wijze, waarop menig werk van RUYSBROECK is ontstaan. +De mystieken hadden behoefte aan afzondering, om zich ongestoord in +eigen zieleleven te kunnen verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter +bevredigen dan op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend +in bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden zij +de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods. Welk een innige +verhouding tot de natuur zien wij in Sint FRANCISCUS, die alle +schepselen Gods als zijne broeders en zusters beschouwt en in zijn +_Cantico del Sole_ blijk geeft van een innig samenleven met de gansche +natuur, zooals wij dat eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY, +maar ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S poëzie merkten +wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de voorstelling van +RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het Soniën-bosch, geheel +overeenkomstig de algemeene verhouding tusschen mystiek en natuurleven. + +Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in en bij het +klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers broeder GHERAERT +vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel begon eenige zijner boeken te +maken, en zijn voornaamste werk, de _Chierheit der geesteleker +Brulocht_, was reeds in 1350 voltooid, vier jaar voordat hij de +"habitacie" ten Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is +ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij, dat zijn +_Spieghel der ewigher Salicheit_ in 1359 geschreven is en dat het +tractaat _vanden Rike der Ghelieven_ zijn eerste werk was[39]. + +De oude "verluchter", die op zoo naïeve wijze RUYSBROECK'S werk +voorstelde als ontstaan door "ingheestinghe", toonde daardoor wel de +juistheid van zijn inzicht. Toch mag men niet voorbijzien, dat de in den +vromen prior schuilende scheppingskracht meer dan eens te werk is +gesteld door een oorzaak buiten hem. Zoo werd de _Spieghel der ewigher +Salicheit_ geschreven op verzoek eener non van St. Clara, "die hem +langhe daerom ghebeden hadde". _Dat Boec vander hoechster Waerheit_ werd +geschreven ter verklaring van zijn eerste werk en op verzoek van broeder +GHERAERT en de zijnen. Een derde geschrift: _Vingherlinc [Zijnoot: +vingerring.] of het blickende steentje_, vloeide voort uit een gesprek +met een kluizenaar "van gheesteliker materien" en werd op verzoek van +dezen te boek gesteld. Ook het _Tractaet van Seven sloten_ is +waarschijnlijk geschreven op verzoek eener Clarisse[40]. + +Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog: _Van den +gheestelijken Tabernacule_, het omvangrijkste van alle; _Van den Twaelf +Dogheden [Zijnoot: deugden.] _, dat, zoo al niet door hem, dan toch +zeker geheel in zijn geest is geschreven; _Van seven Trappen_; _Van den +Kerstenen Ghelove_; _Van den vier Becoringhen_; _Van den twaelf +beghinen_. + +Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van een viertal, +reeds door broeder GHERAERT genoemde, (_Rike_ _der Ghelieven, Van der +hoechster Waerheit, Brulocht_ en _Tabernakel_) acht ik dat wel +waarschijnlijk; de overige zouden ook van afschrijvers kunnen zijn. Al +deze titels houden natuurlijk in meerdere of mindere mate verband met +den inhoud der werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve +hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van RUYSBROECK'S +mystieke levensbeschouwing, telkens in ander verband en met meerdere of +mindere volledigheid, terug. Daarom moet men bij eene beschouwing van +RUYSBROECK'S werk niet zoozeer letten op de, door verschillende titels +onderscheiden, deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen. + +Een kort overzicht van de _Chierheit der gheesteleker Brulocht_ kan ons +eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant van RUYSBROECK'S werk. +De _Brulocht_ bestaat uit drie deelen, overeenkomend met de drie +trappen, welke de mysticus in zijn streven naar volmaaktheid heeft te +bestijgen: het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het +geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: "Ziet, de bruidegom komt, +gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen tekst worden nu +achtereenvolgens op elk der trappen toepepast, telkens in dieper zin. +_Ziet_, d.i.: de mensch moet zich telkens weer richten op God; _de +bruidegom komt_: God komt den op Hem ziende tegemoet; _gaat uit_: de +mensch handelend in zijne betrekking tot God; _Hem tegemoet_: de +ontmoeting van God en mensch[41]. + +Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw eene zoo strenge +symmetrie als dit; toch kunnen wij in de meeste wel iets daarvan +terugvinden. Het _Boek van den Tabernakel_ geeft eene voorstelling van +het mystieke leven of van "den loop der minnen", gesymbolizeerd in den +Tabernakel en zijne talrijke onderdeelen. _Van den twaelf Dogheden_, eer +eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene beschouwing der +Christelijke deugd, welker grondslag de ootmoed wordt genoemd. In +_Spieghel der ewigher Salicheit_ ontvangen wij beschouwingen over het +kloosterleven, het Avondmaal en de soorten van avondmaalgangers. In het +_Tractaet van seven Sloten_ worden de kloosterplichten uiteengezet; +doch, evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften, telkens +weer in verband met het gansche mystieke leven en hier inzonderheid met +het schouwende leven. De _Vier Becoringhen_ [Zijnoot: verzoekingen.], +bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn: onbedwongen natuur waaruit +zinnelijkheid en wellust voortkomen; schijnheiligheid; begeerte om met +het natuurlijk verstand alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot +geestelijken hoogmoed leidt; bij de vierde "becoringhe" had RUYSBROECK +het oog op de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen +geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend, hunne ziel +ontledigd van alle andere dingen en slechts met God vervuld achtend, +waanden geene zonde te kunnen doen, omdat God immers alles in hen +werkte. Het _boek van den twaelf beghinen_ is gewijd vooral aan de +Beschouwing. Aanvangend met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen +over de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal, de +vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters, de schepping +der wereld, de bedorven natuur van den mensch enz. De stof moge hier +rijk zijn, de samenhang der deelen laat veel te wenschen over. In +_Vingherlinc_ wordt, aanknoopend bij een bijbeltekst uit _de Openbaring_ +waar gesproken wordt van een "blickend [Zijnoot: schitterend.] +steenken", met kunstige symboliek aangetoond dat met dit in een ring +gevat steentje CHRISTUS bedoeld is. + +Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud van +RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe telkens naast en +boven dit bijzondere het algemeene zich vertoont. Dat algemeene zullen +wij trachten beknopt samen te vatten. + +Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S mystiek af tot den +mensch en klimt weer op tot God. + +God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het "overwesen", de +"onghebeelde blootheit" [Zijnoot: ledigheid zonder beelden (vormen).]. +_Wat_ God is, gaat boven het begrip aller schepselen; doch _dat_ Hij is, +getuigt Natuur en Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit +Zijne drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend plaats, +Gods wijsheid weerspiegelt zich in den _Zoon_; uit beider ontmoeting +ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook deze wordt voortdurend +herboren: steeds is er een nieuw "uutgheesten", een nieuwe vloed van +eeuwige minne. Al kunnen wij God niet volnoemen noch volspreken, toch +kunnen wij als zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht, +wijsheid en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest. Tegenover +de eeuwige schepping: het ideëel vóórbestaan der dingen in God, staat de +schepping in den tijd, die eene vrijwillige daad van Gods liefde is. In +zijne voorstelling dier tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK +PTOLEMAEUS' wereldstelsel over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des +heelals is. Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke: +engelen en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen niet uit +Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te nemen die de +engelen verloren hebben, terug te vloeien tot zijn oorsprong: God. Doch +eerst langzamerhand zal het hoogere in hem het lagere kunnen overwinnen, +onderwerpen, beheerschen. De krachten der menschelijke ziel zijn te +verdeelen in vier lagere "vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn: +toorn, begeerte ("beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van +dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie, verstand en +wil; met deze drie krachten komen overeen deze eigenschappen: +"onghebeelde blootheit", "overste redene" en "vonke der ziele", d.i. de +aangeboren neiging der ziel tot haren oorsprong. Door deze eigenschappen +staat de ziel in betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De +mogelijkheid tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze ziel +gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot stand eerst in +het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking wordt de +mensch belemmerd door de zonde. Zonde is niet: geneigdheid tot het +kwade, doch afwezigheid van strijd tegen het kwade. In zijne leer +aangaande den zondeval, de zegepraal over dood en duivel en onze +loskooping staat RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke +kerk. Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig plaats in +zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral, toonbeeld van het +mystieke leven. + +Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien verstande dat +het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover en naast het, uit +opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven wordt het transcendente +begrip van tijdeloosheid, het "ewigh nu" in God en Gods werken +gehandhaafd. Worden en bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige +vormen van het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed +van de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige +bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche stelsel +als de spitsboog in een kathedraal. + +Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK het gebouw +zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging van theorie en +practijk ligt voor een deel het eigenaardige en de verdienste zijner +mystiek. + +RUYSBROECK neemt drie trappen ("staten" of "ordenen") aan als +evenzooveel stadiën op den heilsweg. Wie tot een hoogeren trap opklimt, +moet toch altijd de plichten van den vorigen trap blijven beoefenen. In +het _Boec van seven Trappen_ noemt hij b.v. als de zeven treden +waarlangs de vrome opklimt tot de zaligheid der beschouwing: 1o. +eendrachtich ende eenwillich sijn met den wil ons Heren; 2o. willich +armoede; 3o. reynicheit der sielen ende suverheit van lichame; 4o. +ghewarighe [Zijnoot: waarachtige.] oetmoedicheit; 5o. edelheit alre +doechde ende alre goeder werke d.i.: begeeren de eere Gods bovenal; 6o. +een claer insien puer van gheeste ende van ghedachten; 7o. een +grondeloos niet weten van God, "een versterven ende overliden [Zijnoot: +overgaan.] in ene ewighe onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De +verdeeling in drieën, die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig +voorkomt, schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden +behooren tot het _Werkende_, de twee volgende tot het _Innige_, de beide +laatste tot het _Schouwende_ leven. + +Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden door tweeërlei +gratie: 1o. de "voirlopende" die den mensch beweegt, van buiten: door +ziekte, leed, goede voorbeelden; van binnen: door overdenking van Gods +lijden, de vergankelijkheid van het aardsche; 2o. de gratie die is "een +heymelic inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan de +"caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende ziele. Wie +deze "caritate" bezit, heeft volkomen rouw van zonden, en wie deze +heeft, zal trachten zich van zonde te reinigen om te komen tot een +onbesmette conscientie. + +Nog is de mensch niet waardig een _zoon_ Gods te heeten; in afwachting +daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een getrouwe _knecht_ te +zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden en heilige werken van +buiten--dat is ongeveer wat door het werkende leven wordt omvat. Op +"caritate", rechtvaardigheid en ootmoed, berust het "gestichte alre +doghede ende alre edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed, +gehoorzaamheid, zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid, +medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de mensch zich +aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij daarbij te weerstaan: +de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch. Bijgestaan door de genade Gods +moet de mensch in dien strijd zich staande houden en zijne ziel ordenen +als een koninkrijk, waarin de vrije wil koning is. Deze geheele +deugdsbetrachting wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS. + +Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als "overlant" [Zijnoot: +Hoogland.] boven "nederlant" [Zijnoot: Laagland.]. Wie in het Innige +Leven wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der Gerechtigheid +schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven, waar voornamelijk de +mensch werkt, werken hier God en mensch gelijkelijk en komen elkander +tegemoet. + +In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1o het +kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke +klaarheid; 2o daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan in inwendige +oefeningen naar gerechtigheid; 3o hij moet opklimmen tot het genieten +van de eenheid met God. In het eerste stadium, waarin RUYSBROECK den +invloed der bovennatuurlijke klaarheid vergelijkt bij den loop der zon, +worden weer tal van deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene +nieuwe zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het +inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven, opbruisend en +neervallend als water waaronder vuur wordt gestookt. Het hart, gewond +door minne, wil telkens zich sluiten, doch telkens schijnt de zon, +CHRISTUS, er in en wordt de wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige +ijver des menschen hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot +tijd opwaarts getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en +revelatiën, die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen. +Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar loop nadert, +zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch verbergen. Droefheid, +gevoel van verlatenheid, van twijfel aan zich zelven maken zich nu van +den mensch meester; doch uit zijn lijden moet hij vreugde scheppen. +Vooral moet hij waken tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot +dusver bereikt heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden +voor het invloeien der genade Gods. + +De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken bij eene +levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren: 1o enkelvoudigheid, die +alle zielekrachten doordringt; hierdoor richt de mensch zich op +_blootheit_, d.i. de waarheid, ontdaan van alle beeld en kleed, vorm en +gelijkenis; 2o geestelijke klaarheid, die geene visioenen en revelatiën +noodig heeft. Nu moet de mensch den blik richten op de Godheid; die +aanblik wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier +ontspringt, nl. "inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen doet +gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet de mensch uitgaan +met overvloedige liefde tot God en alle heiligen, tot de zondaren en +verkeerde menschen, tot hen die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en +alle goede menschen. + +In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de levende ader +in de fontein. De mensch ondervindt het "gherinen" d.i. het beroeren +Gods. De door de genade verlichte rede tracht nu dat beroeren Gods in +het innigste zijns geestes te beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te +kort schiet; zij "faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende +kracht niet rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel +ontbrandt in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor de +zaligheid; "het geschapen vat en can geen onghescapen goet ghevaten" +[Zijnoot: bevatten.] [42]. + +In het Innige Leven zijn de _knechten_ van het Werkende Leven tot +_zonen_ Gods geworden, doch den eindpaal hebben ook zij niet bereikt. + +In den staat van "blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op hen werken. +Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God, zooals de rivier die zonder +ophouden en wederkeeren altijd uitstroomt in de zee. In het Schouwende +Leven wordt de mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat +hem door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods in den +mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat hij niet louter +lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; "minne en mach niet ledich sijn". +Ook het leven der Godheid is tweeledig: naar binnen eeuwig rustend, naar +buiten eeuwig werkend. Zoo keert dan de mensch weer terug tot de +practijk des levens. Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij +tevens de deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten. Door +aldus, in God rustend, onder de menschen te werken, wordt het leven van +den vrome een goddelijk leven dat toch menschelijk blijft. Zoolang de +mensch op deze aarde vertoeft, zal zijn leven steeds een "crighen in +ontbliven" (streven zonder volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer +door zijn terugkeer in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten +verliezen? Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel +alleen zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts +op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende oefening moet +de inkeer van den schouwenden mensch een onbewuste daad worden, evenals +b.v. het vormen van letters voor iemand die schrijft. + +RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn +levensbeschrijver deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen +getuigenis, minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God +omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen[43]. + +De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid der extaze +moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan helpen: "want ware die +mensche in also groter jubilaciën of contemplaciën als Sinte Peter of +Sinte Pauwels ye ghewaren, ende wiste hi enen sieken mensche die +noetorftich [Zijnoot: behoeftig.] ware eens supens [Zijnoot: soep.] oft +anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine oefeninghe van +jubilaciën ende van contemplaciën, ende diende dien noetorftighen +mensche in meerre [Zijnoot: vermeerdering.] van minnen." + +Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S mystiek te +geven in eenige groote lijnen en binnen die omtrekken eenige voorname +punten aanwijzen. Veel van het minder gewichtige moesten wij achterwege +laten. Zoo b.v. de vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel. +Naar het schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en +omvangrijke geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te +brengen met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij +de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang. + +Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S werk oorspronkelijk +mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting van zijn stelsel zal sommige +lezers reeds getroffen hebben als volkomen overeenstemmend met eene +vroeger medegedeelde uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt +van overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen +zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe verwantschap met +ECKHART, met name in de onderlinge verhouding van God, den Zoon en den +H. Geest. Beiden stellen visioenen niet hoog. De terminologie van +ECKHART vindt men voor een deel bij RUYSBROECK terug[44]. + +Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte Goedele de +lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft gevolgd; en in allen +gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften invloed hebben gehad +op zijne theologische vorming. + +Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid +invloed geoefend op die van TAULER. + +In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders en zusters van +den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen blijven om God +ongestoord te laten inwerken op hunne zielen, dat zij niets doen "recht +wie ein Werkzeug ledig ist und auf seinen Meister wartet wenn er +arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S werken wordt van zulke menschen +gezegd: "rechte alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns +meesters beidet, wanneer hi werken wilt"[45]. De overeenkomst is te +treffend om aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op +eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men geneigd +zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft nagevolgd; doch ook +het omgekeerde is mogelijk. + +Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening houden +met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke bron. Ook hier blijkt de +noodzakelijkheid daarvan. Het beeld van Gods natuur dat der menschelijke +ziel ingedrukt is, noemt ECKHART den _Funken der Seele_ en RUYSBROECK +gebruikt, zij het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking +_vonke der siele_. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin gaarne +van het woord _scintilla_. De indeeling der zielekrachten bij RUYSBROECK +gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden kunnen die hebben ontleend aan +AUGUSTINUS. De indeeling der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij +TAULER zoowel als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op +de _begeerte_ en den _toorn_, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd +worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling. + +Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel gekend en er +zijn voordeel mede gedaan. De werken van S. BERNARD worden meer dan eens +door hem aangehaald en hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK +het Werkende Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van +godsdienstige ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in +_mercenarii_, _servi_ en _filii Dei_; RUYSBROECK spreekt evenzoo van +_huurlingen_, _getrouwe knechten_ en _zonen Gods_; echter heeft hij +tusschen de tweede en de derde soort die der _vrienden Gods_ gevoegd. + +Voor zijn geschrift _Van den Tabernacule_ heeft RUYSBROECK gebruik +gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO en RICHARD van St. +Victor[46]. + +Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken doch vooral van +ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden, welke de Roomsche Kerk +geëerbiedigd wilde zien? De beteekenis van dien mogelijken invloed is +moeilijk te bepalen; doch het schijnt wel dat de vrome prior, in +oogenblikken van contemplatie, soms meer heeft gezegd dan hij voor de +Inquisitie zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed +doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den mensch vergeten; +maar telkens doet de rede hem dan later die kloof duidelijk zien en +brengt zij hem tot de besliste verklaring, dat de creatuur niet God kan +worden en dat men de eenheid tusschen God en den mensch, waarvan hij +spreekt, verstaan moet slechts "in minnen", niet "in naturen". + +Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van ketterij +welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets +verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk aantreffen. +Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder GHERAERT en zijne +mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan sommige uitingen daarin; om +dien aanstoot verder te voorkomen, schreef RUYSBROECK toen _dat Boec der +hoechster Waerheit_. Misschien is dat niet overbodig geweest, want in +menig later werk heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de +"princen der heilegher Kerken" niet gespaard[47]. Persoonlijke wrok had +zich licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant van +ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen. Zeker zal het ook +in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in zijne werken de Broeders van +den vrijen geest zoo fel bestrijdt en "hare quade secte ende beestelike +costume"[48]. Tot die secte behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter +van den Brusselschen patriciër BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door +RUYSBROECK openlijk bestreden is. + +De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk zijn geweest voor +zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer is zij van ondergeschikt +belang. Gewichtiger is voor ons de vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van +mystiek uitgewerkt? Het is vooral in de uiteenzetting zijner practische +mystiek, dat hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij +in de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van Werkend, +Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het oog houdend, zullen wij +trachten eenig denkbeeld te geven van de wijze waarop hij zijne taak +heeft volbracht. + +In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de hoogheid van +gevoel waarmede hij spreekt over de "veelike" krachten en lusten in den +mensch; de geringschatting van zulke dingen als spijs en drank, welke de +mensch wel moet nuttigen--maar zooals de zieke een geneesmiddel. De +onafhankelijkheid van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de +wetenschap in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt RUYSBROECK, +meer te doen zijn "om leven dan om weten, want die vele weet ende niet +en leeft, hi verliest den tijt." Zijne menschenkennis, zijn talent van +karakterizeeren en uitbeelding van het gemoedsleven. Hoe scherp is de +blik van dezen man, die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone +menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die afkeerig zijn +van onthouding en nu zeggen, dat zij "cranc ende teder ende edel van +complexiën sijn, ende daerom behoeven si vele gheriefs ende vele +ghemacs." Hoe goed heeft hij de menschen geschetst die lijden aan +zelfverheffing, eigenzinnigheid, die dadelijk kregel worden indien men +hun iets in den weg legt: "Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde, +maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam sijn; +want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes dunct hem dat si recht +hebben jeghen yeghewelken die hem contrarie es. Si werden lichte +gherenen [Zijnoot: lichtgeraakt.], ghestoert, toernich, haestich, +scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in werken, in ghelate" +[Zijnoot: gedrag, houding.]. + +Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen die PETRUS +vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend: "In sinen elendighen +doghene keerde hi hem omme ende sach Petren ane met groter ghenadicheit +ende Peter hem weder met groter bitterheit van herten. Ende inden +onderlinghen siene vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si +te voren was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen +[Zijnoot: vertrouwen.], scande ende sceemte [Zijnoot: schaamte.] dese +dingen vervulden sine herte ende alle sine binnenste; ende sine siele +smalt als die snee voir die sonne ende als was voir een berrende vier. +Ende met sijnre sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme +sine sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in Christo +ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol bliscapen. Hoe dat +sijn mach, dat en weet niemen dan dies ghevoelt heeft."[49]. + +Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en verkeerde +menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is geweest, zien wij in +RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de menschen die hun eigen geluk +niet zien: "Daer af comt in den mensche een geestelike compassie, dat hi +proeft ende merct die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende +soe grote rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si +wouden ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe minlic +dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit maect alsoe groten +wee, dat nieman vremders [Zijnoot: geen vreemde.] bekennen en mach." + +Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen dienen. Wel is hij +zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg te kunnen eeren, doch dat +onvermogen, een bewijs van Gods grootheid, is hem eene reden tot nieuw +genot: "dat is herde lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is, +dat wi hem nemmermeer ghenoech reverenciën ende waerdicheden en sellen +moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den geestelijken +liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder woorden tracht te +brengen; zoo b.v. in eene passage als deze: "dit verberren es ene +volmaectheit in alre dogede, want et es een gebreken [Zijnoot: te kort +schieten.] des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet, ende wert +verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange der eenheit +Gods, die met ewegen hongere ende met ghelosteger niedecheit [Zijnoot: +gretigheid.] al dat mint begaept ende verslint ende verteert in haers +selves eenheit." Welk een kracht van gevoel en wat een durf in dat +"begapen en verslinden", terwijl van God sprake is. + +RUYSBROECK zal, wanneer "al der sielen crachte in storme ende in woede" +verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen tot het loopen, springen +en handgeklap, waarin andere mystieken hunne verrukking lucht gaven; eer +zal hij hebben behoord tot hen die "zwighen ende smelten van weelden in +allen sinnen." Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de +neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd, dat +hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen op zoo teedere wijze in te +kunnen troosten: "Voirtmeere, eest dat gi traecheit, zwaerheit ende +droefheit ghevoelt inder naturen, ende dat ghi sijt sonder smake ende +lost, ende sonder drift te gheesteliken dinghen, arm, ellendich, +begheven [Zijnoot: eenzaam.] ende ghelaten in allen troeste van Gode, in +verdriete, sonder smake ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte +van binnen, ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en +ontsiet u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert dat +sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde wolkene die sal +sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen ons Heren Jhesu +Christi sal u bescinen in meere troest ende gracien dan ghi noyt te +voren ghevoelet [Zijnoot: ghevoeldet.]." + +Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch verlangt, +ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams, hoe de balling het +"vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe slaet hi sijn inwendighe oghen +op ende scouwet die hemelsche sale vol glorien ende vrouden ende sijn +lief ghecroent daer binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker +weelden ende [Zijnoot: en dat.] hi des derven moet. Hier comen bi wilen +in selke menscen uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi +neder ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi niet +ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende van jammere"[50]. + +Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening en +bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van het lagere, +haar te maken tot "een levende spieghel" waar het goddelijk licht in +scheen, toen kon hij, van het Schouwende Leven getuigend, schrijven: +"Ende hier omme heeft ons God ghegheven een leven boven ons ende dat is +een godlic leven. Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in +bloter minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken [Zijnoot: +genieten.] ende versmelten in minnen ende altoes vernuwen in dat selve. +Want daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke, in +bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste ons Heren; ende +daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende werden verclaert in godliker +claerheit, ghelikerwijs dat die locht verclaert wert met den lichte der +sonnen ende alse dat yser doergaen wert met crachte ende met hitten des +viers, alsoe werden wi ghetransformeert ende doerdraghen [Zijnoot: +doortrokken.] van clairheiden in claerheiden, in dat selve beelde der +heyligher Drivoldicheit." + +Maar altijd bleef het een "crighen in ontbliven"; want de hoogste +klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon, hoe ver bleef zij +toch steeds van de klaarheid der heiligen! "Want die scaduwe Gods +verlicht onse inwendighe woestine; mer op die hoghe berghe inden lande +der gheloeften daer en is gheen scaduwe: nochtan eest al één sonne ende +éne clairheit die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer +die staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom +ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch sterfelic +ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave comt die onse +verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode noch hemelsche dinghen niet +bekennen en moghen also clairlic als die heylighen doen"[51]. + +In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer reeds zelf de +zachte welluidendheid of de kracht, de hooge vlucht en den breeden zwaai +van RUYSBROECK'S proza bewonderend hebben opgemerkt. Toch schijnt het +mij wenschelijk een blik te slaan ook op eenige deelen en op het +samenstel van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van +werken iets beter te leeren kennen. + +Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het veelvuldig +zinsverband met "ende", zooals men het nog kan opmerken bij elk kind dat +iets vertelt, vertoont zich ook in dit proza. Niet zelden ook bedient +RUYSBROECK zich van de, hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo +b.v. in: "Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons +gheen dinc moghen ontsaten [Zijnoot: onrustig maken.], noch verlies van +den ertschen goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte, +noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch duvel, noch +helle[52]." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza door een deductieven +schrijftrant, als in: "aldaer verliesen wi ons selven in die woeste +idelheit [Zijnoot: leegte.], ende al verliesende ons selven vinden wi +die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, ende al verkiesende werden +wi vercoren" enz.[53]. Elders zien wij hem parallellisme en +tegenstelling aanwenden om meer kracht en scherpte te bereiken: "Hi +arbeit sere in minnen, want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi +siet sijn lanscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine +crone." Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK: +"Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de +bisscop dat ghelt, de dore [Zijnoot: dwaze]" mensche sine corte +ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: "Hi heeft hem ghenedert +ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, hi heeft hem versmaet +ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem niet +ontedelt[54]." + +Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef tot schrijven, +die aandoening beheerschen en haar verklanken tot breedgolvende zinnen +als deze over JEZUS' dood: "doen verdonkerde die locht, want die +roedekene worden te broken [Zijnoot: verbroken.], die edele speciboem +wart ontwe [Zijnoot: doormidden.] ghescoert, die overste crachten sijnre +zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne verghinghen, sine +ziele sciet van den live, die doet bevinc dat leven, dat leven verwan +die doet, die Apostelen hadden hare licht verloren, die oude wet +[Zijnoot: geloof (der Joden).] verloes oec hare licht, die sonne liet +hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen [Zijnoot: +onverstand.]--maer onse dach ginc op daer wi eweleke inne ghesien[55]." + +Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen van +duisternis en vernietiging, dat juichende slot. + +Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook het rijmend +proza genoemd worden. + +Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker voor te +komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het eindrijm is zoo +veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten denken. Het eindrijm +vertoont zich zoowel aan het slot van opeenvolgende zinnen als van +opeenvolgende woorden, zoowel in: "ende soe hi hem selven naerre +_bekint_, so hi hem in der waerheit meer te versmadene _vint_," als in: +"kinneloos ende minneloos," "verstout ende verout". Op menige plaats +(vooral in _Spieghel der Salicheit_ en _Rike der Ghelieven_) vinden wij +rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid kan +bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van stemming, uit meer +innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de neiging tot rijmen RUYSBROECK +tot last; aan het slot van een berijmd gedeelte van zijn werk immers +zegt hij: + + Nu moet ic rimen laten bliven + Sal ic scouwen clare bescriven[56]. + +In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken zal +RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld hebben gevolgd, hem +gegeven door de kerkvaders, wier werken hij kende. Immers in het proza +b.v. van S. BERNARD, van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij +die eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der oudere +kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den invloed der klassieke +schrijvers[57]. + +Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn proza toont hij +zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en fijn gevoel, zijn vlugge +en sterke verbeelding, zijn gave van waarneming en voorstelling, de +schoonheid zijner taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het +is niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm +van het hoogere ziet, gedurig van het lagere tot het hoogere opklimt, of +dat lagere verheft door eene gelijkenis. + +Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. eeredienst, +liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur of aan het +dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche kerken op het +altaar placht te staan en diende ter bewaring van de hostie, gaf +RUYSBROECK aanleiding tot eene breed uitgewerkte symbolische +voorstelling. Met een onuitputtelijk geduld en een liefdevolle +uitvoerigheid, die aan de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge +mate ook van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle +onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis +geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan "in een kerckhof", "dat +es een sedelec leven van buten met al dien dat daer toe behoort"; om dat +kerkhof moeten staan zestig kolommen: "bi den colummen verstaet men +starke begerte tot allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende +der oefeninghen diere [Zijnoot: welke.] men pleghet in der heileger +kercken". Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, "dat +es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" enz. enz. Het +behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek op den duur voor +een hedendaagsch lezer vermoeiend eentonig en daardoor vervelend wordt; +doch voor RUYSBROECK'S tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring +van een zoo kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk +zijn geweest. + +Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de werkelijkheid +tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale zeker niet te +zien; doch een stap buiten de muren bracht den prior in den kloosterhof, +waar hij zoo menigmaal aan het wieden was, al trok hij in verstrooidheid +de heilzame kruiden wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods +vrije natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard +en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van het +Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of een dier +RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. Zoo heeft hem de +zonnebloem getroffen in haar volgen van de zon: "Alse die sonne opgeet +in oriënten, soe ontpluct hare [Zijnoot: ontsluit zich.] de goutbloeme +jegen die raeien [Zijnoot: stralen.] der sonnen, ende keret hare altoes +omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in occidenten. Ende in +der nacht luuct si hare toe, ende verberget hare varuwe ende ontbeidet +weder der sonnen opganc. Alsoe gelikerwijs sele wi, overmids +ghehoersamheit, onse herte ontpluken jegen dat inscinen der gracien +Goeds, ende oetmoedichlike al nigende sele wi der gracien Goeds volgen, +alsoe lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat +inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi hitte van +minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, dat wi onse herte +selen toe luken jegen al dat ons becoeren [Zijnoot: in verzoeking +leiden.] mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons +beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met nuwen lichte in +nuwen beroerne[58]." + +Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van dale; de +natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in het woud en +dartelt in de minne als de visch in het water. God is "uutstortende ende +vloeyende ghelijc der wilder see, met onbegripeliker weelden in alle die +ghene die sijns ontfanclijc sijn ende weder ebbende is ende intreckende +in die wilde see sijner enicheit." Als een heete bron "alsoe +ghelikerwijs werct dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet, +ende stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen tot +den walle [Zijnoot: koken.] dat is Gode te dankene ende te lovene." Een +mensch die zich "wel regeeren" wil, moet doen als de wijze bij: "si +woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre gheselscap, en vaert +ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten wedere, in schinen der +sonnen, op alle die bloemen daer men soeticheit in vinden mach. Si en +rust niet op ghene blome noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si +trect daer ute honich en was, dat is soeticheit en materie der +claerheit, en voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer +werde tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en "niet +rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen met danke en met +love weder vlieghen in die enicheit, daer si met Gode rusten en wonen +wilt"[59]. + +Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen in eigen +omgeving en het dagelijksch leven. + +De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn goud; doch +ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed allooi is en het volle +gewicht heeft en aan weerszijden wel gemunt. In ons deugdzaam leven +moeten wij allerhande sier van deugden weven, zooals vogelen en bloemen +en gulden sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De +reinheid des harten "ghelijct men der lampten bernender oliën, die hare +vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere herte die beneden +besloten is yeghen die werelt ende boven open die gracie Gods +t'ontfane." + +CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze zinnen, in ons +lichaam en onze ziel, zooals men een zegel drukt en vormt in het was. De +gratie Gods in de ziele is gelijk eene kaars in een lantaarn of glazen +vat, want zij verlicht en verklaart en doorschijnt het vat, nl. den +goeden mensch. Als God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons: +"recht alsof een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons." + +Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, waar +hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, hoe groot Gods genadevolle +vergevensgezindheid is: "al waer alle die werelt een gloet van viere +ende dat midden in dat vier een vese [Zijnoot: vezel.] van een linen +cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe bereet te aensteken, als +God bereet is den sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden +ghewaerachtich leet sijn[60]." + +Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar hij zijne +gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons gevoel soms +de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch men moet daarbij in het +oog houden dat tusschen het hoogere en het lagere, vooral tusschen het +hemelsche en het aardsche, in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag +als thans. RUYSBROECK vergelijkt iemand die waant één te zijn met +CHRISTUS bij een slapenden hond "dien droomt dat hi heeft een stucke +vleeschs in sinen mont" en "alse hy ontwaket, soe en heeft hi niet." Die +vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel van kieschheid in +overeenstemming kunnen brengen door te wijzen op het minderwaardige van +hem die slechts _waant_ met CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal +nog één hedendaagsch lezer behagen scheppen in die talrijke andere +beelden en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal) +verplaatsen. De tekst: "dit is mijn vleesch en mijn bloed" en de hostie +als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan RUYSBROECK alleen, +gereede aanleiding tot het vormen van beelden en gelijkenissen. Zoo zegt +JEZUS tot den mensen: + + Myn vleysch is wel gebraden + Aent cruce om uwe ghenaden. + +"De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door MARIA; God heeft +de olie zijner barmhartigheid in MARIA uitgestort; de Heilige Geest +heeft dat tarwemeel en die olie samengekneed en voor ons gemaakt en +gebakken het zoetste brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der +menschen. Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam der +zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur der caritate." De +zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt RUYSBROECK bij "den +cleinen oesteren die in sculpen ligghen also cleine als eens menschen +naghel". CHRISTUS wil ons geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig +groot, "want hi is een ghierich slockaert [Zijnoot: begeerige +schrokker.] ende heeft den mengherael" [Zijnoot: geeuwhonger.] + +Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS heeft naar +onze zaligheid, "wi en mochten ons niet onthouden [Zijnoot: weerhouden.], +wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur zelf +beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor dien tijd had +overschreden, want hij verontschuldigt zich eenigszins door te zeggen: +"al luden mine worde wonderlike, die mynnende die verstaen my wel"[61]. + +Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige niet talrijk; +zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het algemeen zacht en waardig, +doch een enkele maal klinken er forscher klanken: "arme rasende +mensche", "verscoven [Zijnoot: verstooten.] ende verblinde mensce", +"onwaerdich boeve", "onverstandich esel"[62]. + +Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, want wij krijgen +daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te zien. En ook, doordat hij zich +van tijd tot tijd laat gaan, toont deze Nederlander die zich zoo gaarne +uit de wereld in het innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld +te zijn van dien volkshumor dien wij in den _Reinaert_ en andere +Dietsche werken genieten. + +Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke vrouwen: "si +maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si +in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moeten se +hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel +mede gheliken. Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech +sijn den duvel ende der werelt te behaghene"[63]. De geveinsden en +hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas "die vol is van losen winde; +als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud die ongracelic is te +hoirne"[64]. Nonnen die zich opsieren met zilveren gordels en allerlei +rinkeltuig doen hem denken aan "ene hinne [Zijnoot: hen.] met +bellen"[65]. + +Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, werd +echter ook eene vergelijking geboren als deze: "wanneer een groot coninc +oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, in verren lande, soe +roept hi sine ghenoten [Zijnoot: pairs.] te gader, ende beveelt hem sine +lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, dat si al dat regeren +ende bewaren in payse ende in vreden tote dier tijt dat hi weder comt in +sijn lant. Alsoe ghelikerwijs Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc +der coninghen ende heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen +hadde in dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders +lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier omme, voir +dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi ene grote feeste dat was +een avonteten. Ende daer toe node hi die meeste princen der werelt, dat +waren sine Apostelen...."[66]. + +Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch +heldendicht _Hêliand_ was voortgekomen. + +Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat is het ruime +van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide is "nederlant" en +"overlant", al woont hij liefst op de tergen, waar de zonne der +gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen en knechten, maar ook de +vrienden en zonen Gods. Zijn blik omvat de zonnebloem, den slapenden +hond die van vleesch droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem +vliegt, maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in haar loop +door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, doch blijft ze +liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne menschenliefde niet +uitgedoofd, al openbaart die liefde zich op eigenaardig-middeleeuwsche +wijze. Hij kent het gevoel van geestelijke ellende, maar ook het +zwijgend wegsmelten van innerlijke weelde. + +RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal een ideaal +levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor kloosterlingen, +doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, veel goeds, edels en +schoons bevatte. Tegenover den toenemenden drang naar verlichting des +verstands heeft hij de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig +gemoedsleven gesteld; tegenover het "kennen" het "minnen", zooals reeds +kort na zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover het +"mate is goet t' allen spele"--het "wiselose", het bovenmatige, den +hartstocht, zij het ook slechts in het streven der ziel naar éénheid met +God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet opgetrokken tot één grootsch +gebouw, doch het verwerkt tot een aantal grootere en kleinere +taalmonumenten, die ons niet zelden treffen door schoonheid van lijn en +fijnheid van uitvoering. Ook in dat taalwerk is "nederlant" en +"overlant": het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts +glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in de nevelen +verliest: de "hoge materiën", waarvan hij beseft dat een schrijver ze +slechts kan "voirt bringhen met woorden also verre als ment woorden +mach"[67]. + +Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen welk een +invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die invloed beperkte zich +niet tot de grenzen van het Dietsche taalgebied, noch tot des schrijvers +taalgenooten, maar strekte zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en +was krachtig nog in de 16de eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de +kloosters werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk +gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden. + +In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten +vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór geweest. Maar, is +HADEWYCH de leeuwrik, de "hemellawerke" opwaarts wiekend op de vleugelen +van haar lied en vaak zich verliezend in het blauwe--RUYSBROECK is de +nachtegaal, immers ook een zanger van "minne", zijn smeltend lied, zijn +storm van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch. + +Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het land onzer +literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien wij daarmede dit +deel van ons werk besloten. Wij hebben echter goede reden het niet te +doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier. + +Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament in de +volkstaal te boek gesteld[68]. + +De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, misschien een +Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld man, wien de brieven +van PAULUS, eenige kerkvaders, MAERLANT'S _Spieghel_ en _Rijmbijbel_ +bekend waren, en die zijne vertaling kon toelichten met behulp der +_Scolastica_ en van andere werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche +overzetting geleverd van het _Passionael_ (de "Legenda aurea"). + +Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, zoolang wij +niet weten, welke redactie der _Biblia Vulgata_ door hem gebruikt werd. +Echter deelt de vertaler zelf in den proloog ons mede dat hij voornemens +is, het Latijn "ghetrouwelic te dietschen... die lettere houdende van +woorde te woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, so +dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen lande"[69]. +Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn werk andere dingen op +te merken die vermeldenswaard schijnen. + +De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer dan eens +verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen "dat jeghen Gode ofte +jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist daarom vervulde hem het +onbetamelijk en onzedelijk gedrag van vele priesters en leeken met des +te meer droefheid. Hij ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog +wel, in de taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in +plaats van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk door hun +kwaad voorbeeld verderven, die "amiën" houden en argelooze vrouwen ten +val brengen. Daarom was het hem "langhe in 't herte geweest", het +"fundament van der scrifture" te verdietschen, in de hoop dat menig +ongeleerde er zijn voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet +gerechtigd het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten. +Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, in het diepe +besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar misschien niet +voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY er niet op had +aangedrongen[70]. + +Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler wel niet moeten +zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit zijn spraakgebruik moeten +blijken, en dat is niet het geval. Toch moet er wel eenige +geestverwantschap tusschen hen en hem hebben bestaan. Het Hooglied en de +Openbaring, twee Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door +hem hoog gesteld[71]. Tegenover de priesters toont hij dezelfde +onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en RUYSBROECK. Zijn +wantrouwen in de geestelijke leiding der priesters brengt hem tot het +verdietschen van het Oude Testament, dat hij den leeken in handen wil +geven, opdat zij daar mogen vinden wat de priesters hun onthouden[72]. +Een streven naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig +gemoedsleven ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de vraag +heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der leeken zou hebben +gewenscht. + +Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig +zelfvertrouwen, waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem en zijn +werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft zeer wel, dat het +sommige "clercken" zal ergeren "dat men die heymelicheit der scrifturen +den ghemenen volc ontbynden soude"; dat zijn werk zal worden "benijd en +beknaagd door dolle honden"--maar God kent de bedoelingen, waarmede dit +werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen op God en niet +ontzien wat de menschen hem aandoen[73]. Hier spreekt een dergelijk +vertrouwen op God en het eigen geweten, als wij vroeger opmerkten bij +den onbekenden leek en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo +menigmaal zal gehoord worden. + +Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar het schijnt, +geen enkel afschrift der 14de eeuw is overgebleven, terwijl er dozijnen +afschriften der 15de eeuw bestaan. Mag men aannemen, dat de +geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? Zoolang daarvoor geen enkel +bewijs bestaat, natuurlijk niet. Doch in allen gevalle blijkt uit de +afschriften, dat deze Bijbelvertaling ter kennisse van anderen is +gekomen, zij het waarschijnlijk van slechts weinigen. Daarmede was een +edele kiem in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen +met de langzaamheid die groote zaken past. + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] _Der Ystoriën Bloeme_ in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. Het tweede +werk is als _Fragment van een oud berymd passionael_ uitgegeven door +WILLEMS in _Belg. Museum_, IX, 418 vlgg. + +Vgl. _Der Ystoriën Bloeme_, vs. 2229-'30, 3554; _Belg. Mus._, IX, 424, +vs. 184. + +[2] _Van Sinte Lutgart_ uitgeg. door BORMANS in _Dietsche Warande_, +III--IV. _Van Sinte Christina_ eveneens door BORMANS. Vgl. over de hss. +ook: _Tijdschr. v. N. T. en L._, IX, 161 vlgg. _Leven van Sint Amand_ +uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk TE WINKEL a. w. bl. +279. Over het hs. nog _Tijdschr. v. N. T. en L._, X, 158. Het _Leven van +S. Kunera_ in _Middeln. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 247 vlgg.; het hs. +schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen wijzen naar de 14e eeuw. + +[3] Over broeder GERAERT'S werk vgl. _Willem van Afflighem's Leven van +Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, XXXVIII-XXXIX. + +[4] Vs. 1341 2. + +[5] I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral "questiën van +minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den _Limborch_, XI, 67 vlgg. +en _Cassamus_, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts II, 1331 +vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809. + +[6] In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S "lenden ende ander haer +lede", waar het Latijn _nates_ heeft. + +[7] Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. bl. +283. + +[8] _Dboec van den Houte_ is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844). +Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat +volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het +vermoedelijk origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX--XXI; en: _Abh. der +Kön. Bayer. Akad. der Wiss._, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een +uitvoerig stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in _Taal en Letteren_, +VII, 321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende +lezingen uitgegeven in _Germania_, XV, 360 flgg. + +[9] Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: _Bibl. van Mnl. Lett._ (Groningen. +WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in +_Museum_, 1893, 104. + +[10] Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg. + +[11] _Theophilus_ uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later door +VERDAM; _Beatrijs_ door JONCKBLOET (met _Carel en Elegast_); Over het, +eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal _van Jonitas en Rosafiere_ +zie: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 170 vlgg.; het geheele werk later +uitgeg. door N. DE PAUW in zijne _Mnl. Ged._, afl. 3, bl. 487 vlgg. + +VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van den +door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd. Ik kan +mij met deze handelwijze niet vereenigen. + +1o. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor mij niet +bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn. + +2o. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als +interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen. + +3o. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden +van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt men zoowel in de +verworpene als in de voor echt erkende deelen. + +4o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het +gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer +geschrapt worden. + +[12] Ed. VERDAM, vs. 74-6, 95-116, 319-340. + +[13] Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg. + +[14] Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden. + +[15] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neuern Dramas_, I, 147. Ook in de +geschiedenis der "verduldige Helena van Constantinopel". + +[16] Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121. + +[17] In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB +wordt gebracht en vlucht naar Venetië. + +[18] De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige +dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in +KIST'S _Kerkhist. Archief_, II, 1-48; door STALLAERT vergeleken met het +rijmwerk in _D. Warande_, 1891, 28-36. + +[19] Uitgeg. in BLOMMAERT'S _Oudvlaemsche Ged._, II, 31 vlgg. Zie ook: +_de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken_ door W. DE VREESE, I, +145. Voorts: _Visio Tnugdali...._ A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA +zegt van de Nederl. bewerking o.a.: "con una certa inclinazione a +dilavare alquanto il dettato" (_Sitzungsber. der Wiener Akad. +phil.-hist._, Cl. Bd. 67, 157-206). Met het oog op de verklaring van den +Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor. + +Eene uitvoerige en goede karakteristiek van _Tondalus Visioen_, uit een +algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het _Tweem. Tijdschrift_ +van 1901. + +[20] _Rumbeeksche Avondstonden_, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is +gedagteekend: 28 Sept. 1399. + +[21] DE VOOYS, _Mnl. Legenden_, p. 15. + +[22] Vgl. _Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote...._ +door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje +in de eene bewerking vermeld op p. LVII. + +[23] Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in _Versl. en Meded. der Vereen. voor +oude Ned. Lett._, II, 5-32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569-572. + +Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in _Feestbundel aan M. +de Vries opgedragen_, p. 103. Over "PAEP JAN" vgl. _Zeitschr. f.d. +Alt._, N.F. XXI. + +[24] Vgl. _Stemmen uit den Voortijd...._ door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140 +vlgg., 162, 164-5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN +ITERSON als 14e eeuwsche genoemd). + +[25] Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S _Gesch. der deutschen Mystik_, +I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden +beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven; +daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid. + +[26] ECKHART leefde van 1260-1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van +c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen. + +Een paar uittreksels uit de _Epistolae Haywigis_ in een hs. van +1360-'70; vgl. _Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken_, I, 425. + +[27] Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek +berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in _Ned. Archief voor +Kerkgesch._, N.S., 3e deel en in _De XXe Eeuw_, IX Jaarg. Vgl. voorts: +_De Handschr. v. J. v. Ruusbroec_, II, 642. + +Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen +dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn met de +teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl. +daarover de Inleiding op: _Meister Eckhart und seine jünger...._ +herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895. + +[28] Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. _Einl._, +XIV. DE VOOYS, _Mnl. Leg._ p. 325. + +[29] _Ned. Archief voor Kerkgesch._, N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl. +PREGER a.w. III, 90 vlgg. + +[30] _De Limburgsche Sermoenen_ (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of +geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX, +XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil +tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in _Taal en Letteren_, +Jaargang VIII. + +[31] Vgl. PREGER a.w. II, 3-246. Het in de _Limb. Sermoenen_ voorkomend +_buec vanden Palmboeme_ is blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p. +52-53 vermelde _der Palmbaum; Dboec vanden boegarde_ doet denken aan +_den Baumgarten_ waarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg. + +[32] Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg. + +[33] Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg. + +[34] Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der +14e eeuw, dat aanvangt: "Hier beghint die prologus van desen boke als +der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van +haren visioenen." + +In den aanvang der 15e eeuw waren "Machteldis revelacien" te onzent nog +in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel +exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot +aantal "stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der +heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan "die susteren van +der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL, +_Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster_, p. 32-33. + +In diezelfde boekerij vond men een boek _van Maria van Ogines_ (t.a.p. +bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar +levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn geweest. + +Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef. +Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk +onderzoek. + +[35] Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr. +DE VOOYS (in: _De XXe Eeuw_, 9e Jaargang) die o.a. over den "goeden kok +van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan. + +[36] Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche +Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V. +OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is +bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: de +_Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van +Ruusbroec...._ door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896); _Jan +van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, +1894); wat over R. gezegd wordt in BÖHRINGER'S _Deutsche Mystiker_, II, +3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.: +PRIEBSCH, _Deutsche Hands._, I, 66; _Jahrbuch des Vereins f. niederd. +Spr._ 1884. + +Eene vertaling van _De Chierheit der geesteleker Brulocht_ gaf MAURICE +MAETERLINCK (_L'Ornement des noces spirituelles_); eene bloemlezing van +in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: _Rusbrock +l'Admirable_, (Paris, 1902). + +[37] Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van +"broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg. + +[38] Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in _Oud-Holland_, XIIe +Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES. + +[39] VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168-9; DE VREESE'S _Bijdragen_, bl. +8, 13. + +[40] Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken; +evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, "die +RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en +te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl. +overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en +Editie DAVID, III, 235. + +[41] Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over. +Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is +hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend. + +[42] Eene andere voorstelling van het _Innige Leven_ bij RUYSBROECK +wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265-269. + +[43] VAN OTTERLOO, bl. 128. + +[44] ECKHART spreekt van _istigkeit, entgeisten, weiselos_; RUYSBROECK +van: _istegheit, ontgeesten, wiseloos_. Beiden gebruiken de uitdrukking +_Funken der Seele, vonke der sielen_, zij het misschien niet in geheel +dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake +is) ais: _die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zee_ +doen aan dergelijke van ECKHART denken. + +[45] Uitgave DAVID, VI, 173. + +[46] Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN +OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S +werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de +beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'S +_Expositio tabernaculi foederis_ (MIGNE, _Patrol._, T. 196, p. 211 +seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S _de Archa Morali_ +(MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de +ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de +upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn. + +[47] Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121-2, 178-9; IV, 83-4, 108 +vlgg. + +[48] A.w. I, 2, p. 146; III, 198. + +[49] Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167-8. + +[50] A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256-7 +(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81. + +[51] A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208-9; IV, 104); VI, 230. + +[52] Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met "ende" verbonden); +IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57-8; 250. + +[53] Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184. + +[54] VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48, +116. + +[55] I, 248-9. Vgl. ook III, 59-60: "En daer an en leghet niet allene" +enz. + +[56] Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III, +121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49, +50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240-1. Vgl. andere voorbeelden +in _Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. +SIFFER, 1894) en in _Ned. Museum_, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen +o.a.: III, 201; IV, 4. + +[57] Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: _Die +antike Kunstprosa_ (van de 6e eeuw vóór Chr.--Renaissance), vgl. +_Museum_, 1899, no. 9. + +[58] I, 67. + +[59] Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38-9; _Werken_, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl. +ook nog V, 71 (fontein). + +[60] _Werken_, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; _Werken_, VI, +61; III, 61; 104. + +[61] Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156-7. + +[62] V, 57-9. + +[63] CLAEYS a.w. bl. 33. + +[64] Vgl. IV, 15. + +Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK zal +hebben gelezen, zegt: "L'amour-propre est un ballon gonflé de vent, dont +il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre". + +[65] IV, 111. + +[66] III, 151. + +[67] VI, 82. + +[68] Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van Dr. +C.H. EBBINGE WUBBEN: _Over Middelnederlandsche Vertalingen van het Oude +Testament_. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903). + +[69] A.w. bl. 73. + +[70] Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de Eerste +Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127. + +[71] Zie bl. 87-88. + +[72] Bl. 70; ook bl. 75: "Nu bidde ic elken die hierin lezen sel ende +tijtcortinghe doen"; bl. 85: "meniger zaliger zielen, diere in lesen +moeten". + +[73] Bl. 127. + + + +POËZIE DER GEMEENTEN. + + +(VERVOLG). + + 1. Het Leerdicht.--Reinaert II. + + 2. Verhalende en lyrische poëzie. + +Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied--dat +waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren +in de 13de eeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in +deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd. + +De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van +dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang +met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide +standen zullen wij dan ook op meer dan één plaats in de poëzie der +gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den +omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend, +ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker +tegenover die beide standen kwam te staan. + +Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in + + +1. HET LEERDICHT. + +In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling des volks +te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met de geestelijkheid. +Onder de makers van leerdichten zien wij burgers, ons bij name bekend: +den chirurgijn JAN DE WEERT, den schepenklerk JAN BOENDALE, naast +ongenoemden uit den geestelijken stand: den "simpelen clerc", die den +_Spiegel der Zonden_ samenstelde; den "armen pape", die de _Bediedenis +der Misse_ berijmde. + +Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne poëzie stelden +tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie, zoo zien wij nu den +samensteller van het didactisch werk _Sidrac_, dat in 1329 werd +voltooid, in zijn proloog te velde trekken tegen de verhalen daar weinig +nut in steekt en die slechts van "vechten en vrouwen minnen, van het +veroveren van landen en steden" weten te spreken[1]. + +Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling van hun +werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, wier grootste deel uit +gemeentenaren bestond. Echter vindt men slechts bij een enkele hunner +het bewijs, dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn +_Lekenspiegel_ zegt BOENDALE: + + ... want dat leke is die sake [Zijnoot: oorzaak.] + Daer omme ic dit boecskijn make. + +In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier werken is de vorm +van een gesprek tusschen "Meester" en "Clerc", zooals wij dat in den +_Lucidarius_, tusschen vader en zoon, zooals wij het in _Seneka leren_ +aantreffen; ook het dialogisch karakter van werken als de _disputacie +van Rogier ende Janne_ en de _Melibeüs_. Dat deze dichters hunne lezers +of hoorders van tijd tot tijd aanspreken met "lieve kindre" of "lieve +liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast[2]. + +Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze +leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, even +weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden zij +zulke geschriften als pijlen, waarmede onder hunne duiven geschoten +werd, en de schrijvers als stroopers in een veld, waar de Kerk "eigen +jacht" had. Een dezer leerdichters eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men +voor leeken niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling +onderrichten + + Also verre voirt als den leeken lieden + Gheoorloft is te bedieden[3]. + +Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij: + + Ende oec ontsie ic der papen treken + Dat sijs mi mochten spreken lachter [Zijnoot: schande.] [4]. + +Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de priesterschap +zou mij vervloeken[5]. Dat BOENDALE het met zulke uitingen eens was, +spreekt vanzelf voor wie zich zijne beschouwing van leeken en +geestelijken uit een vroeger hoofdstuk herinnert[6]. In zijn +_Lekenspiegel_ stelt hij zich nog eens tegenover de priesters, waar hij +den ongehuwden staat en het huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en +maagdelijkheid acht hij hoog--wanneer zij gepaard gaan met een rein hart +"van ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. Als +hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, voegt hij er +aan toe: Ik weet wel, dat "liede van gheesteliken abite" zich aan dezen +lof zullen ergeren en mijne woorden berispen... maar hoe zouden zij aan +kost en kleeren komen, indien de gehuwde lieden niet voor hen +zorgden[7]? + +Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de partij der +geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen behoorde. De +"simpele clerc", die den _Spieghel der Zonden_ samenstelde, tracht de +schuld van de simonie van de geestelijken op de leeken te schuiven: "Si +sijn soekers eerst daervan." Dat er priesters zijn die een slecht leven +leiden, geeft hij toe; maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God +Almachtig hen gezonden heeft[8]. + +Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het +voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral het zedelijk +element veld hebben gewonnen op het zuiver wetenschappelijke. Met groote +werken als die van MAERLANT en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte +naar kennis der geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne +_Brabantsche Yeesten_ deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de +geschiedenis van zijn eigen tijd verhalen--meer en meer kiest de +historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis vond +men voldoende in _der Naturen Bloeme_; doch voor sommige onderdeelen +viel wel iets te doen, vooral voor een betere kennis van den mensch. + +Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: _Die Cracht der Mane_ +van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, _Der Vrouwen Heimelicheit_, _Der Mannen +ende der Vrouwen Heimelicheit_ en eenige fragmenten van een leerdicht +dat, voorzoover men kan zien, over de physiologie en de psychologie van +den mensch handelt. Van literaire kunst is in deze +populair-wetenschappelijke werkjes nog minder sprake dan in de meeste +overige leerdichten. Opmerkelijk is slechts, hoe zich in het tweede en +het vierde werk op zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie +vertoont. Zoo goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker +van het laatste physio-psychologische werkje eene "jonkvrouw, die (z)ijn +herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding voor +vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het Latijn van ALBERTUS +MAGNUS ter wille zijner "lieve joncfrouwe", waarschijnlijk eene +vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische hulde hoopte te winnen. +Doch zijne hoofsche verzuchtingen passen bij zijne practische wetenschap +als riddersporen aan de hielen van een dorpsbarbier[9]. + +Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende scholen +langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige leerdichters zich +geroepen om dat onderwijs aan te vullen en uit te breiden. Zoo +ontstonden werken als _die Bediedenisse der Missen_ en de berijmde +zoowel als de proza-bewerking van den _Dietschen Lucidarius_. De inhoud +van het eerste werk wordt voldoende door den titel aangewezen. De +berijmde _Lucidarius_ was een vrije bewerking, hier bekort daar +uitgebreid, van het _Elucidarium_, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het +begin der 12de eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten dienste +van theologen. De _Lucidarius_ in proza, voorzien van een berijmde +voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen catechismus van +het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd tot onderricht der +leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit het eind der 12de eeuw; de +Dietsche bewerking, naar het schijnt, uit den aanvang der 14de. Het +Nederlandsch rijmwerk schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn +geweest[10]. + +Dicht bij deze catechetische werkjes staat het _Boec van der Wraken_, +omstreeks het midden der 14de eeuw gedicht; dit geschrift bevat een +aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, zichtbaar in +allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. Opmerkelijk is hier +vooral de voorstelling dat Gods hardheid en haastigheid zijn afgenomen, +sinds Hij mensch geworden was: + + Aldus haestich ende dus hart + Was God eer hi mensche wart; + Maer sint dat hi die menscheyt kinde, + Ende God die menscheyt minde, + En heeft hi so haestelike + Niet ghewroken op aertrike[11]. + +Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van _Die X Plaghen ende die X. +Ghebode_, dat een allegorischen uitleg der Tien Plagen van Egypte geeft. +Egypte is b.v. de duisternis der zonde, die der ziel schade doet en de +zinnen des menschen verblindt. Overigens vindt men hier een groot aantal +aaneengeregen uitspraken, aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de +kerkvaders ontleend[12]. + +Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of van +theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een +opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer nog in +omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde die der eerste +soort. + +Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren wij al +dadelijk kennen uit dit drietal: _Dietsche Doctrinael_, in 1345 door een +onbekend dichter te Antwerpen voltooid; _Nieuwe Doctrinael_, +samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, chirurgijn te +Yperen; _Spiegel der Zonden_, het werk van een Westvlaamsch dichter der +14de eeuw[13]. Alle drie zijn leerboeken van practische zedekunde; zij +geven eene uiteenzetting der onderscheidene deugden en ondeugden, van de +middelen waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden +tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met voorbeelden, +zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het persoonlijk zedelijk leven +als aan dien van het huiselijk en burgerlijk leven. Dit karakter spreekt +zich uit ook in de titels dezer werken: een _doctrinael_ is een +leerboek, inzonderheid van practische moraal; _Spiegel der Zonden_ +spreekt voor zich zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst: +"_Spieghel der Zonden of Doctrinael_", en de middeleeuwsche titel vóór +den aanvang luidt: "Hier beghint een goet boec van den VII. doetsonden +ende van den X gheboden." + +Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk zijn geweest +van den dichter der _Dietsche Doctrinale_, dat getiteld was _Exemplaer_ +en handelde over de "IIII. doeghden cardinale." + +Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg de meeste +dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of althans naar het Latijn +bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij "uit los aaneengeregen +aanhalingen uit gewijde schrijvers, apocriefe zoowel als canonieke, uit +kerkvaders en voor een klein deel ongewijde schrijvers" [14]. Echter +moet men hier eene uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de +auteurs over hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE +WEERT doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met +voorbeelden, door hen aan de werkelijkheid ontleend. + +De _Dietsche Doctrinale_ beperkt zich in hoofdzaak tot eene +uiteenzetting van deugden en ondeugden; de _Nieuwe Doctrinael_ verbindt +met zijne beschouwing van doodzonden en geboden eene scherpe +zedenhekeling van alle standen; de _Spiegel der Zonden_ staat dichter +bij den _Nieuwen_ dan bij den _Dietschen Doctrinael_, doordat hij +waarschijnlijk berust op eene Latijnsche verhandeling over de zeven +doodzonden en met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN +DE WEERT heeft de "simpele clerc" zijne waarschuwingen en raadgevingen +toegelicht door tal van "exempelen", "ware of verdichte verhalen, +waaruit iets te leeren viel," die in de geschiedenis der +wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol hebben gespeeld [15]. Echter +richt ook de bewerker van den _Spiegel der Sonden_ zijn blik niet zelden +op zijne omgeving en op misbruiken, die hij zelf moet hebben +waargenomen. Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den +adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de kwartjesvinders +dier dagen: + + die schanienisse + Vanden speelre [Zijnoot: spelers.] ende die verradenisse, + Als si noden om drinken of eten + Den ghenen dien si bi ghelde weten, + Ende vake maken si onder hem drien + Of vieren verbond te rovene dien[16]. + +Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier dagen zijn +deze leerdichten van veel belang. Echter zal men bij een werk als _de +Spiegel der Zonden_ nimmer uit het oog mogen verliezen dat het de +bedoeling van den samensteller was: _slechts_ de zonden te doen zien en +dat JAN DE WEERT vooral een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof +weigeren, waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel +placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en opnieuw +aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor de kennis van het +bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over het "werken met +toverringhen" om daarmede vrouwen of iets anders machtig te worden, over +het betooveren van koeien en andere beesten. Doch men moet zich wachten +voor het vormen van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke +plaatsen. + +Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der toenmalige +meisjes: "waren zij niet bang voor de gevolgen, men zou er tenauwernood +ééne maagd onder vinden", zeker wel waarheid maar niet de waarheid +bevatten. + +Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het godsdienstig +gemoedsleven van de Nederlanders der 14de eeuw, kan men door deze +leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt men in den _Nieuwen +Doctrinael_ dezelfde verlichte opvatting omtrent de beteekenis van +beelden die wij reeds vroeger hebben aangewezen en eene uitvoerige +beschouwing van de verhouding tusschen den berouwvollen, boetaardigen +zondaar en God[17]. + +In den _Dietschen Doctrinael_ en den _Spiegel der Zonden_ wordt +gehandeld over de "caritate" en de verdere verhouding tusschen God en +den mensch. Toch houden deze leerdichters den blik niet bij voorkeur op +het godsdienstig gemoedsleven gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat +RUYSBROECK samenvatte onder den naam van het _Werkende Leven_. Waar een +hunner een enkele maal over het _Schouwende Leven_ spreekt, daar is hij +er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover het +Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de samensteller van +den _Dietschen Doctrinael_, welk dier twee het best zou zijn. Zelf is +hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven hooger te stellen; immers dat is +"vele meerre arbeit"; de schouwer doet niets anders dan dat hij "zijnen +Schepper liefheeft". Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den +voorrang te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven +hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van MARIA, dat +zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur van den _Doctrinael_ +niet tot eene slotsom. In overeenstemming met de geringe plaats, door +het Schouwende Leven ingenomen, is ook, dat deze leerdichters slechts +zelden over Gods wezen en het wezen der ziel spreken. In den _Dietschen +Doctrinael_ vinden wij een hoofdstuk "Van der Godheit" en "noch +subtijlre van Gode", in _der Leken Spieghel_ een paar hoofdstukken "van +Gods wesene" en "van den wesene der zielen", doch wat beteekent dat +viertal tegenover de honderde hoofdstukken van anderen aard? + +De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan den +onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, mag ons oog +niet verblinden voor hunne doorgaans geringe waarde als literaire +kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel eens zekere levendigheid en gloed +vertoonen, de samensteller van den _Spiegel der Zonden_ aardige woorden +maken of althans gebruiken als "slaeplief" (concubine), "die +beeste-mensche" of "die mensche-beeste" (la bête humaine), over het +algemeen kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den bouw +der werken, noch in het verband der deelen, noch in de uitwerking der +onderdeelen valt doorgaans--want er zijn uitzonderingen--eenige kunst te +bespeuren. Het mag de vraag heeten of deze dichters in staat waren tot +het voortbrengen van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij +er niet naar gestreefd. + +Het leerdicht der 14de eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger +in den Antwerpschen "scepenclerc" JAN BOENDALE, die waarschijnlijk in +het laatste kwart der 13de eeuw geboren is. Onder den invloed van +MAERLANT begint hij met een paar geschiedkundige werken: de _Brabantsche +Yeesten_ en _Van den derden Edewaert_, dat den krijgstocht van den +Engelschen koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is[18]. Maar +verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in _der Leken +Spieghel_, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld[19]. +In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen wat hij noodig had +om zich als christen, mensch en burger te ontwikkelen. Het werk sprak +eerst over God, den hemel, de goede en kwade engelen, het heelal, de +planeten, de aarde, de hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne +geschiedenis en op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als +aanhangsel der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis +der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van God tot den +mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich gereed weer tot God op +te klimmen; maar lang is de weg. De mensch kan slechts tot hooger +ontwikkeling komen doordat God op aarde is afgedaald. Gods menschwording +wordt dus medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid en +geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door Hem gestichte +kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver den mensch in zijne +verhouding tegenover God, leert hem hoe hij zijn persoonlijk zedelijk +leven kan ontwikkelen, hoe hij zich te gedragen heeft in het huwelijk en +bij de opvoeding zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed +landsheer, van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en +het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, mildheid, +maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit zijn werk met een +groot toekomstbeeld: de Antikrist zal op aarde komen en het volk +verleiden; de Heer zal zijne twee getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen +hem uitzenden, de Antikrist zal hen dooden, doch de "gadoot" [Zijnoot: +plotselinge dood.] zal hem zelven van Gods hand treffen. Dan zullen er +teekenen geschieden: de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich +vertoonen en angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden; +hemel en aarde zullen in brand staan--zóó zal de Dag des Oordeels worden +aangekondigd. Op de wolken zal dan de rechter komen, die in het dal van +Josaphat de menschen zal oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de +boozen ter helle verwijzen. + +Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 verzen, nochtans +beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was daarin veel waarmede de +leeken hun voordeel konden doen. Zij vonden er nuttige kennis en dingen +die hunne algemeene ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de +practijk des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg voor +het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, te waken +tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende jaar naar school te +zenden om lezen en schrijven te leeren[20]. Doch sterker invloed nog zal +hij geoefend hebben door zijne verheffing van het geestelijke boven het +stoffelijke. Hoe forsch pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier +opkomende burgerij aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de "arme +menschelichede" het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat--ten ware +dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. Onder een +geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te veel eten en drinken +("overate" en "overdranc") is BOENDALE een matigheids-apostel geweest +die hun voorhield, dat éénmaal eten: geestelijk is, twéémaal: +menschelijk, driemaal: beestelijk. Hij komt op tegen de voorstelling van +God als een mensch: "God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van +engelen met menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de +kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan[21]. + +De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld zijn, +vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een tweede, veel +kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is _Jan's Teesteye_ +[Zijnoot: overtuiging.] [22]. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging: +dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan achteruit +zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der boozen geleden; dat +de boeren en kooplieden zulke nuttige leden der maatschappij zijn; dat +de vrouwen zoo vele en zoo groote gebreken hebben. Ook over dichters +vinden wij hier eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die +wij liever elders zullen behandelen. + +Vooral in de _Teesteye_ zien wij, welk een sterken invloed MAERLANT op +BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing van de "edelhede" is geheel +die van MAERLANT, soms vinden wij zelfs woordelijke overeenkomst. +MAERLANT'S _Martijn's_, zijn _Spieghel_, zijn _Rijmbijbel_, zijn roman +_van Troyen_ zijn door BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd, +want meer dan eens verkondigt hij den lof van "JACOB, die dichter +hoghe"; in zijn _Lekenspiegel_ noemt hij hem zelfs "'t hooft van alle +Dietsche poëten"[23]. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde tot de +waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf zich zoo onbeschroomd +tegenover de priesters te uiten, die hem ook aan een dichter den eisch +deed stellen, "dat hi uter waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is +hij den naam van dichter onwaardig[24]. + +Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden leerling een +aanmerkelijk verschil. + +MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de idealen van het +ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, maar er toch +weerklank gevonden; de vereering der vrouwen had het in gloed gezet, die +gloed was langzamerhand gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had +al die romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het vuur +zijner jeugd zien wij in zijn _Land van Overzee_ en zijn _Kerken +Claghe_; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans zich +ontwikkeld tot een "miles Christianus". + +BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de vrouwen gehoord. De +"edelhede", zegt hij in zijn _Teesteye_, gebiedt dat men over vrouwen en +jonkvrouwen slechts hoofsche dingen spreke. Maar zich zelven acht hij +blijkbaar aan dat gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in +datzelfde gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan +duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; hij zal +er maar "een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van nature loos, vrekkig, +begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, zonder genade voor wien +zij haten, hoovaardig, kinderachtig, onwetend, lichtgeloovig... men zou +zeggen dat het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen +aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is "noch van den wiven" +en daarop nog een "exempel". Een geluk is er echter: "dat de vrouwe des +mans dienstwijf is", wat men hieruit kan zien dat de vrouw het kind, +door den man gewonnen, moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de +man terecht is vrijgesteld, omdat hij "heer en voogd van het aardrijk" +is. + +Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg dat hij zelf zijn +best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; op deze hoofdstukken +heeft hij een ander laten volgen dat handelt "van den goeden wiven"; +daarin maakt hij onderscheid tusschen "vrouwen" en "wiven": al het kwade +geldt slechts van de "wiven", zegt hij; van de "vrouwen" weet hij +allerlei liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is +haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor zijn leven, +zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij is dikwijls wijs, geeft +goeden raad, houdt vrede met haar man, zij troost hem als hij verdriet +heeft; een goede vrouw gaat zilver en goud te boven en purperen +staatsiekleederen en saffieren... aldus stelt BOENDALE het goede +tegenover het kwade. + +Het feit dat drie hoofdstukken aan de "wiven" gewijd zijn en slechts één +aan de "vrouwen" behoeft hier niet zwaar te wegen. Doch ook al ware hij +even uitvoerig geweest over de goede als over de kwade vrouwen, dan nog +zou men terecht mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden +der vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben gevoeld +voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met elementen van +minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst gevonden werd. Ja, +ook MAERLANT heeft in zijn roman _van Troyen_ wel eenige verzen vertaald +waarin gebreken der vrouwen worden opgesomd, doch wie het _vóór_ en het +_tegen_ de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal toch +moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S vriend MARTIJN: + + Jakob, du best den vrouwen hout [Zijnoot: genegen.], + Du gheves den mannen al de scout [Zijnoot: schuld.]. + +Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, die hem +afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat valt; "middelheit houden +over al", dat moet iemand doen die zich zelven mint. Een ander minnen is +goed, maar ieder minne een ander zóó, "dat hi sijns selfs scade niet en +doe", want doet hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich +zelven--en, wie zóó liefheeft, leeft "onwijslijc". Zoo moet men arme +brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf de minste +schade bij lijdt [25]. + +MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele idealisten +vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, ergert hem; om zijn +geloof aan de menschheid te kunnen behouden, vlucht hij ermee naar een +droomland in een ver verleden waar alles rein en goed was; bij de +toestanden uit die gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde +omringt, gebrekkig, leelijk, zondig. + +BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. In zijn +_Lekenspiegel_ sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen +tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn _Teesteye_ neemt hij +die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na hoe het komt +dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de waarheid zijner +stelling met voorbeelden uit het Oude en het Nieuwe Testament, en hangt +daarna een zóó verlokkend tafereel op van de braafheid en vroomheid +zijner tijdgenooten dat men een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het +gansche werk blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn +woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig licht +te staan, indien men haar naast den proloog van het werk plaatst. +BOENDALE heeft zijn _Teesteye_ opgedragen aan een machtig en invloedrijk +edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, kanselier van Brabant en burggraaf van +Brussel. Heer ROGIER was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De +dichter verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en +ter eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN CLEVE. +Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen daarin: wie kan +mooier namen bedenken dan: ROGIER EN ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu +slechts: dat Heer ROGIER in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt. +Vroeger is hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig +dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij nu voortaan +op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en heeft hem wel eens +berispt over zijne poëzie. + +Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te stout en te +scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke misstanden en +moest de aanvang der _Teesteye_ Heer ROGIER weer in een goed humeur +brengen. Maar een idealist, een echte, doet zulke dingen toch niet. + +MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, het eerst in de +volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de deugd gelegen is. BOENDALE +volgt hem daarin slechts na. MAERLANT zwijgt over de democratische +beweging zijner dagen, die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij +heeft er zich toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE. + +MAERLANT bewerkte den _Rijmbijbel_; BOENDALE voegde bij het werk van +zijn voorganger slechts het een en ander uit de apocriefe +evangeliën[26]. + +MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer en een voorganger; +BOENDALE een verdienstelijk volger en behouder. + +MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van zijn volk veel +berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens werk toch op menige plaats +echte poëzie te zien valt als groene loten tusschen het dorre hout. +BOENDALE'S poëtisch vermogen was blijkbaar gering. In zijne voorstelling +van den naderenden + +Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid die +doen denken aan het Oudhoogduitsche _Muspilli_; doch waarschijnlijk +heeft hij ook deze aan een of andere Latijnsche bron ontleend; indien +hij al iets van deze verhevenheid hebbe beseft, dan is hij er toch niet +in geslaagd het ons te doen zien. + +In zijn beste werk, _der Leken Spieghel_, kan men slechts op een paar +plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche verheffen. De eene is +die waar hij spreekt over de roeping van den dichter; de andere, eene +uiting van verlangen naar de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat +misschien de beste verzen die hij geschreven heeft: + + O edele minne, wanneer seldi + Volkomenlike comen in mi? + Of dat ic uwes ghesmake iet! + Had ic u, mine ghebrake niet [Zijnoot: mij zou niets ontbreken]", + Al mijn vernoy [Zijnoot: verdriet]" ware verdreven. + Ay heere! wilt mi gheven + U vaderlike minne daer toe: + So blivic eeuwelike vroe [Zijnoot: blijde]"[27]. + +_Jans Teesteye_, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S invloed zich +het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm eener samenspraak +tusschen een paar vrienden, WOUTER en JAN; echter niet in regelmatige +afwisseling van vraag en antwoord verdeeld over afzonderlijke +coupletten, maar zóó dat verreweg de meeste hoofdstukken aanvangen met +een vraag van WOUTER die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij +dit dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S +_Martijns_, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit hoofdstuk +zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm. + +Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten die wij nu +zullen behandelen. + +_Meliboeus_ een "boec van troeste ende van rade" is eene vertaling uit +het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd in 1342 door een te +Antwerpen wonend dichter voltooid. Het zou worden opgedragen aan den +hertog van Brabant en de hier aangeboden troost en raad waren dan ook +voornamelijk gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt +medegedeeld. In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht +allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man zich heeft +te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de wereld en den duivel; +verreweg de meeste plaats wordt echter ingenomen door een breedvoerige +behandeling van vragen als: of en wanneer een man rekening moet houden +met den raad zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe +men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere menschen +geen raad moet vragen enz. + +Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst voortgezet +onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge waarschijnlijkheid +kunnen brengen[28]. + +Den invloed van MAERLANT'S _Martijns_ dien wij in BOENDALE'S _Teesteye_ +opmerkten, zien wij eveneens in _Eene disputacie van Rogiere ende van +Janne_, door den Yperschen chirurgijn JAN DE WEERT gedicht, nadat hij +den _Spiegel van Zonden_ had voltooid. Evenals in den _Meliboeus_ wordt +ook hier de strijd van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch, +de wereld en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds +leeren kennen uit RUYSBROECK'S _Werkende Leven_; ook andere deelen +daarvan vinden wij in deze _Disputacie_ terug, zoo b.v. de rol die Gods +gratie vervult in dezen strijd van den mensch met zijne vijanden; de +vergelijking van den mensch bij eene stad waarin de vrije wil koning +is[29]. + +Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S beeld hem voor +oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem dan ook meer dan eens genoemd, de +_Martijns_ vermeld en de trant dier werken nagevolgd. Maar het talent +van den navolger schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig +gebouwde strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en hij +was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef: + + Mijn conste en es niet also groot + Als Jacops hier te voren. + +Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven naar kunst. + +Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna schuil gegaan +achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak tusschen vader en zoon, +die onder den titel _Seneka leren_ eene vertaling bevat van een aan +SENECA terecht of te onrechte toegeschreven werkje _De Remediis +Fortuitorum_[30]. De Dietsche vertaling bevatte een menigte welgemeende +terechtwijzigingen, verstandige voorschriften en lessen van +levenswijsheid, in zuivere taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit +werkje zich aan eenerzijds bij den _Dietschen Catoen_ uit vroegeren tijd +en bij eenige andere gelijktijdige: het _Doctrinael savage_, _die Bouc +van Zeden_ en _Van Zeden_[31]. + +Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes wel niet +zonder belang voor de geschiedenis der literatuur--immers, zooals men de +literatuur toen beschouwde--maar toch belangrijker voor de +zedengeschiedenis. De twee laatste werkjes vooral zijn gewijd aan de +verfijning van manieren en gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet +eruit dat ook de burgerij prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en +tevens dat die beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste +blijkt wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler van +het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al zoo voorhoudt: +eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap gaat aan, in den mond +niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) in den schotel wilt leggen; +gebruik het tafellaken niet om er uwe tanden, tranende oogen of uw neus +mede te vegen; vat den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den +vinger naar iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur, +val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander teeken door +kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften echter waren berekend +niet zoozeer op het te keer gaan der oorspronkelijke ruwheid als wel op +het verhoogen der reeds aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te +veel; lach ook niet in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en +geveinsdheid; spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap +van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; moet gij +slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere, vraag hem dan aan +welken kant hij wil liggen. + +Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den mensch houdt het +bundeltje _Van Zeden_ verband met _Meliboeus_ en JAN DE WEERT'S +_Disputacie_, anderzijds beseft de bewerker wel dat hij iets geeft dat +in den _Dietschen Catoen_ niet gevonden werd[32]. + + +De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, de korte +coupletten, waaruit het bundeltje _Van Zeden_ bestaat, kunnen dienen als +voorbereiding op de didactische lyriek, die wij in een volgend hoofdstuk +zullen leeren kennen. Zij zijn als schakels, die de leerdichten in +epischen vorm verbinden met de didactische lyriek. Geen der in deze +laatste bladzijden behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot +nu niet genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond van eene +aanwijzing in den tekst _Leeringhe der Zalichede_ heeft genoemd[33]. +Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, dan weer in paarsgewijze +rijmende verzen, die onderbroken worden door vier- en zesregelige +coupletten, afgewisseld op hunne beurt door twaalfregelige "motetten", +geeft dit rijmwerk ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen +te zien. Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een bonte +verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich tot de +oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden niet aan +wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen slechts voort te komen +uit zekere onrust, misschien ook uit de zucht van den auteur om met +zijne kunstvaardigheid te pronken. + +Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen wij ons uit +de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene volkomen voorstelling vormen +van het plan des dichters. De aanvang van het fragment verplaatst ons in +een lofzang op de H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met +de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in eene +uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis van THEOPHILUS. +De voorstelling van het leven als een gevaarlijke zeereis wordt breed +uitgewerkt: het lichaam is het schip, het hart de schipper, het gepeins +het anker; het kompas, bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft +een voorstelling van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt; +zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met nadruk +betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer op den voorgrond +gebracht. De auteur, die zich hier wel in de plaats zal stellen van den +gewonen mensch, belijdt dat hij schuldig staat aan de zeven hoofdzonden; +deze worden dan op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een +boom (hoovaardij) met zes takken (_arbor vitiorum_). Staaltjes van de +wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren, worden +medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier ontgelden in hun +wellust, luiheid en hebzucht. Een lang dispuut tusschen Hoovaardij en +Ootmoed volgt; daarna een beschrijving van een strijd tusschen de +deugden en de ondeugden (bekend uit PRUDENTIUS' _Psychomachia_); ten +slotte wordt Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven +uitvoerig verhaald. + +Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur door JAN PRAET +gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe beschouwingen vast aan +Latijnsche teksten of korte Latijnsche verzen, die niet zelden door hem +worden uitgebreid. In die uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten +daarvan, toont deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet +fijn--getuige zijne vergelijking van God, die zich van sommige priesters +afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht[34]--hij weet zich niet te +beheerschen noch te beperken, toont zich niet zelden een +gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn best is, weet hij ook +aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten te dichten, die zekere +natuurlijke bevalligheid vertoonen. Zoo b.v. het "motet" dat aanvangt: + + Bi rimes zucht [Zijnoot: nadeelige invloed van de rijp.] + Verlieset vrucht + Saen hare baten + +of: + + Hooren, peinsen, + Zwighen, veinsen + Ende wel voorsien, + Dat zijn seden + Van wijsheden + Dies willen plien [Zijnoot: plegen.]. + +Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij aan het woord +is, mag hier genoemd worden: + + Ic doe tornieren, + Ridders verfieren [Zijnoot: stouter worden.] + Van haren zinne, + Vrouwen pareren, + Zinghen, baleren [Zijnoot: dansen.] + Om ridders minne; + Knapen [Zijnoot: schildknapen.] josteren [Zijnoot: strijden te paard in +tweegevecht.] + Ende breken speren + Om roeme saken; + Joncfrouwen vermoyen, + Wempelen ployen + Ende horne [Zijnoot: de horens van het middeleeuwsch kapsel.] maken. + +Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14de eeuw eene bloeiende +lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij ons spoedig hebben +bezig te houden. Eerst echter wacht ons een andere taak: na te gaan, wat +er van den _Reinaert_ geworden is onder den invloed van de sterke +didactische neigingen der burgerijen. + + +REINAERT II. + +Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, sinds +een Vlaamsch dichter de geschiedenis _van den vos Reinaerde_ aan zijn +volk had verhaald. + +Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, kunnen wij wel +vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. Moesten wij afgaan +alleen op het ontbreken van handschriften uit de 13de en 14de eeuw, +waarin het gedicht is bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het +weinig of niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van +ernstige mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst wel, dat de +roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan hun lief was. Duidelijk +openbaarde zich die sympathie bij zekeren BALDWINUS, die omstreeks of +eenigen tijd vóór 1280 aan ons gedicht de zeldzame eer eener vertaling +in het Latijn bewees. Maar indien de _Reinaert_ daardoor al in de +schatting ook der ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk +alleen omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij ten +minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw nadat de Latijnsche +vertaling vervaardigd is. In zijn _Lekenspiegel_ zegt hij, sprekend "van +Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den bere ende den das": + + Dat dese dinc vonden was, + Was al om lere ende wijsheit[35]. + +Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem kwamen. Indien +BOENDALE--wat niet waarschijnlijk is--nog heeft geleefd omstreeks 1375, +dan heeft hij zijn hart kunnen ophalen aan een verhaal _van den vos +Reinaerde_, dat waarschijnlijk wel genade zal hebben gevonden in de +oogen der ernstige mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een +onbekend, geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den +geest der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot +grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: 1o het oude +gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, toevoegsels en +weglatingen; 2o eene voortzetting van het oude gedicht in den geest +zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. In zijn werk heeft hij tal van +nieuwe dierfabels gelascht: wolf en merrie, man en slang, paard en hert, +ezel en hond, wolf en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze +zijn ontleend deels aan den _Esopet_ deels waarschijnlijk aan de +Latijnsche fabelverzameling _Romulus_. Aan de voortzetting van het oude +gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking van een deel der +Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche bewerker heeft op +dien grondslag zelf voortgebouwd. + +De dichter van 1375 heeft uit den ouden _Reinaert_ vrij wat weggelaten +doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking van WILLEM'S +gedicht heeft denzelfden omvang als dat gedicht zelf. Door de +voortzetting die meer dan 4000 verzen bedraagt, verkreeg _Reinaert II_, +zooals men het 14de-eeuwsch gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan +den dubbelen omvang van _Reinaert I_. + +Willen wij trachten _Reinaert II_ te leeren kennen en te kenschetsen, +dan zullen wij dat werk voortdurend naast _Reinaert I_ moeten houden om +de overeenkomst en het verschil tusschen beide te beter te zien[36]. + + + +Evenals in de 13de eeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie eene +bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend in wezen van +die der 13de eeuw en onder andere omstandigheden. + +Het oude gedicht _Van den vos Reinaerde_ was, evenals het Fransche +gedicht _Le Plaid_, ontstaan ten deele uit lust tot parodieering van +ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche dichter heeft die parodie op +zelfstandige wijze met onmiskenbaar talent uitgewerkt en voortgezet. De +parodie die in _Reinaert I_ reeds aanwezig was, is door den lateren +dichter grootendeels behouden, doch, behalve de beschrijving van een +tweekamp tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd +waaruit lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een +enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt immers +dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever zou zien dan dien +"van twee riddren in een perc"[37]. Overigens moeten wij niet vergeten +dat er voor zulk eene parodie omstreeks 1375 weinig reden meer bestond; +het ridderwezen was niet meer wat het nog in de eerste helft der 13de +eeuw was en de ridderpoëzie van de eerste helft der 14de eeuw was +grootendeels namaak van de vroegere. + +Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit natuurliefde, +welbehagen, in het wezen en leven der dieren, lust om het leven der +dieren in de natuur met het menschenleven in- en buitenshuis te +vereenigen en te verwerken tot een groot tafereel. Wat is daarvan in de +bewerking der 14de eeuw overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is +er natuurlijk nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar +overschilderd, dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken +vertoont die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien in de +latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in Reinaert's +jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen en zuchten, +wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar Malpertuis teruggekomen, +vóór koning Nobel staat. Verdwenen zijn uit _Reinaert II_ de kinderen +die den wolf een blinddoek voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel +van Reinaert's vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te +hangen[38]. + +Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden dichter, met +natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, vertoont zich hier op +hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: nimmer zal ik meer een zwaard +aangorden of een kroon dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe +Hermeline heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren +dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij "sproken +ende stampiën" [Zijnoot: danslied.] voor; bij het beleg van Malpertuis +bedienen zij zich van "donrebussen en bombaerden" [Zijnoot: kanonnen.] +[39]. + +Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en gedrag te +kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op zijne eigen +voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw laat "brieschen als +een stier" en den vos zijne voetstappen dekken(?) met den mond [40]. + +Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen het +oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons niet te +bevreemden. Zijn voorganger stond _in_, hij _buiten_ de dierenwereld. +Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van eene woordenwisseling +tusschen Reinaert en zijne vijanden, zegt: "nooit hoorde men feller +aanklacht en beter verdediging dan daar, _ten minste van zulke wilde +dieren_"[41]. Een dergelijke uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt +hebben; die voelde zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor +ons doet optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet +meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, met de dieren te +zwerven door bosschen en over heiden, ze na te gaan in hunne gangen, te +beluisteren en te bespieden in hun omgang. Hij is een ontwikkeld man, +een "clerc" die zijne geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht +vindt, haar wil waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van +Reinaert moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in den +aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de "wijsheit" die hier +besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen is, klinkt het op nieuw: + + so wie dit wel verstaet in 't lesen, + al ist som boert, hi vinter in + vroede leer ende goeden sin [42]. + +Om die "vroede leer" en "goeden zin" was het den auteur te doen; dat was +de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt het dan ook, hoe +weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; hoe zeer hij +vervuld is van het heden. Over dat heden is hij slecht te spreken. Er +loopen maar al te veel Reinaerts rond, al + +dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven; +hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij zitten nu op het +kussen. De geestelijkheid moet menige veer laten: Losevont de prior, +bisschop Prendeloor, Rapiamus de deken, de kardinaal Valoot met zijne +concubine. + +Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet in de booze +zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters toont de omwerker +van den _Reinaert_ ook, waar hij veel gewicht hecht aan "raet", +"subtilen raet" en den invloed daarvan aan een hof; waar hij nu eens de +vrouwen in een ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van +vrouwendienst laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der +vrouwen wordt verkondigd door vrouw Venus "die duvelinne". Voor den +rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk +zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon het hem gelukken, den +mysticus te parodiëeren waar hij uit Reinaert's mond sprak van "een +bloot niet", van "bescouwender contemplaciën" en "sonderlinghe +graciën."[43]. + +Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame brood van +practische levenswijsheid--dat was wat volgens hem de burgerij noodig +had! Wijze lessen, kernspreuken deelt onze omwerker dan ook gaarne uit: +zonder dwang gaat het niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn +dikwijls niet de wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen +en zich beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms +komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het zwaarst +wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; karaktervastheid +voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den dag niet eer het +avond is; goede raad kan dikwijls baten[44]. + +Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk worden, +indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert den Tweeden de +aandacht vestigden; indien wij het deden voorkomen alsof het dezen +auteur geheel ontbrak aan medegevoel voor het dierenleven. Dat gevoel +was er wel, doch hij onderdrukte het ter wille van andere gevoelens; het +bloed kroop, waar het niet gaan kon. + +Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne hand, die wel +in den geest van _Reinaert I_ zijn; zoo b.v. waar hij van de vermoorde +kip Coppe zegt: "de beste, die ie [Zijnoot: ooit.] eier leide op +neste."--"Kon de koning geen minderen bode vinden dan u?" laat hij +Reinaert tot den dom-trotschen afgezant Bruin zeggen; en later, als +deze, bebloed en bek-af na de mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den +oever eener rivier ligt te hijgen: "hebt gij iets vergeten daarginds? ik +zal gaarne een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet er +nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook zijn de kapriolen +beschreven van de kleine vossen, die zoo'n pleizier hebben in de +weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, waar zij: + + in plaghen te spieghelen ende voor te springhen, + ende saghen hoe haer steertjens hinghen, + ende hoe hem haer muulken stont[45]. + +Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij voortzetter is +van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, dat hij wel kan +vertellen en beschrijven[46]. Vooral blijkt dat in het verhaal van +Reinaert's bezoek bij de meerkat. "Tante," zegt Reinaert, "wat heb je +mooie jongen! deus, hoe wel behaghen si mi!" En zij: "Reinaert, lieve +neve, weest wellecome!" Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos +later, verdiende ik al dadelijk door dat "tante". Toch verlaat hij het +hol der apin zoo snel mogelijk, "omdattet na die wieghe daer rooc". + +Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden dichter en den +lateren; doch anderzijds dit groote verschil dat voor den oudere de +schepping van zijn werk haar doel vond in zich zelve, terwijl voor den +jongere het dichtwerk vooral een middel was tot verbetering zijner +tijdgenooten. Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit +scheppingslust en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter, +die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts door de +nuttige leering die zij bevatte. + +Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude gedicht op +menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk het te verbeteren +en voor het logisch denkend verstand juister of aannemelijker te maken. +_Reinaert I_ vertelt ons, dat Bruin, bij Reinaert's kasteel Malpertuis +gekomen, de poort waarneemt waar Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór +de "barbecane" [Zijnoot: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.] op +zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was +gesloten.--Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf +sprak!--Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier +gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk +vermoeid op den oever.--Op den _anderen_ oever, zegt de omwerker. Hij +heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat kan het ons schelen? +"Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert ergens. "Door het gat waar ik +wilde zijn"--wordt ons verduidelijkt. Koning Nobel en zijne gemalin gaan +de terechtstelling van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.--Het hof +ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen. + +Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van het +oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht[47]. +Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. Van +"verhoerd" maakt hij "verdoord" [Zijnoot: het hoofd op hol gebracht.], +al past dat niet in het verband; "achterste" wordt "lijf", al gaat +daardoor eene aardige tegenstelling verloren[48]. Op sommige plaatsen +heeft de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk te +zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde +toevoegsels of wijzigingen. + +De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan meegepakt; +Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het gat gespannen in de +hoop den kippendief bij een volgend bezoek te vangen. De rampzalige +Tibeert, gekomen om Reinaert met zich ten hove te voeren, wordt door +Reinaert in den strik gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet +wordt wakker, vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de +huisgenooten: "Er op af, hij is gevangen!" Dat "_hij_" zonder meer zal +door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder zulke +omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft het ook getroffen, +echter niet door zijne waarheid; blijkbaar acht hij zijn voorganger ook +ditmaal niet duidelijk genoeg en dus laat hij Martinet roepen: "Staat +op, de dief is gevangen!" Doch welk een aardig trekje ging hier +verloren[49]. + +Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne vijftien +kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken "in één +broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne echtgenoot, de wijze +Rode, "zeer verstandig opvoedde". Ook al neemt men aan dat dit ironisch +bedoeld is, wat is dan toch het warme leven van het oude gedicht door +deze wijziging verkild[50]. + +Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet +gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren... dat men +soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw Rukenau, de apin, houdt +een pleidooi door 400 regels heen; een ingevoegd verhaal over eenige +kostbaarheden heeft een omvang van niet minder dan 900 verzen. + +Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken, +behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het geheel er door wordt +verbroken[51]. + +Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbevangens; boef +die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de Tweede toont zekere +zelfverheffing in uitingen als: "ic weet so menighen loosen vont"[52]. + +Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van den omwerker +gegaan, zooals Reinaert onder die van tante Rukenau, de apin. + +Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, den sterken +Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen overwinnen. Moei Rukenau +weet raad. Zij scheert neef Reinaert glad tusschen hoofd en staart en +smeert daarna zijn romp met olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem +kunnen krijgen, want "hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij +dien avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan het +gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in nood, dan zich +niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden staart kan hij dan +zijn vijands oogen verblinden. Met behulp van deze en andere listen +gelukt het hem inderdaad de zege te behalen. + +Maar hoe ziet hij er dan ook uit! + +Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den fijnen kop, +nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, de ruige dichte +pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de honden hem te lijf gingen, +is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; zijn lijf staat bol van nuttige +leering en zedelijke verbetering--maar hoe is de natuurlijke schoonheid +van den prachtigen struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren +fraai gevormden staart, doch die hangt neer, druipend... er is een +luchtje aan. + +Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met den wolf +der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier de moraal de kunst +heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; maar, apenliefde. + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] Vgl. _Sp. der. Z._, vs. 16958 en _Bed. der M._ aan het slot; en +VERWIJS, _Van Vrouwen ende van Minne_, XIV. + +[2] _Lekensp._, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. _Dietsche +Doctrinael_, III, 831; 1763; II, 2278. _Boec van der Wraken_, I, 262, +294, 1142 enz. + +[3] _Dietsche Lucidarius_, vs. 38-40; ook vs. 335-6: "Van hem (God) en +dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden. + +[4] _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit_ (in: _Mnl. Ged._ ed. DE +PAUW), I, 121. + +[5] _Boec van der Wraken_ (ed. SNELLAERT), I, 1102-3; zijn betuiging van +eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) is daarmede +niet in strijd. + +[6] Bl. 288. + +[7] I, c. 25, vs. 79 vlgg. + +[8] Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII. + +[9] Over de uitgaaf van _Die cracht der Mane_ zie TE WINKEL en PETIT. +Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S _Mnl. Ged._, I, +203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De uitgaven van no. 2 en +no. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht over "die onghetrouwe merkaren" +in no. 2 (vs. 360) wijst ook op de 14e eeuw. no. 4 is uitgegeven door W. +DE VREESE in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 63 vlgg. + +[10] Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts en +vooral: _Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius...._ van KARL +SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van dat werk door TE +WINKEL in _Museum_, 1895, bl. 17. + +[11] Uitgeg. door SNELLAERT in: _Nederlandsche Gedichten uit de +veertiende eeuw_. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg. + +[12] Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v. + +[13] Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den _Nieuwen_ +_Doctrinael_ gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede +karakteristiek in _Tweem. Tijdschr._ van Jan. 1901. + +Voor den _Spiegel der Zonden_ verwijs ik naar de uitgave van VERDAM, +(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke +Inleiding. + +[14] VERDAM a.w. II, XLV. + +[15] Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. a.w. II, +LI vlgg. + +[16] Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts de +plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX. + +[17] Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg. + +[18] Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, bl. 387 +vlgg. + +[19] Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 moeten +gevoegd de _Baseler Fragmente_ waarover zie: _Germania_, XXXVII, 410. +Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in: _Tweem. Tijdschr._, +1899. + +Over den, in den _Lekenspiegel_ opgenomen, _Sidrac_ vgl. TE WINKEL a.w. +bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen eene +mededeeling van W. DE VREESE in _Tijdschr. voor N.T. en L._, X, 33 vlgg. + +[20] Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10. + +[21] Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. met +RUYSBROECK I, 41: "Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede minschen met +Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met al den anderen." + +[22] Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de _Teesteye_ nà den +_Lekenspiegel_ is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld bij TE +WINKEL, bl. 397. De _Teesteye_ werd uitgegeven door SNELLAERT in zijne: +_Ned. Ged. uit de 14e eeuw_. + +[23] Vgl. _Teesteye_, 393, 812; _Lekensp._ B. II, c. 35, 17-18; vooral +ook de Inleiding op MAERLANT'S _Strophische Gedichten_ (edd. FRANCK en +VERDAM), bl. LXXXVII. + +[24] _Lekensp._, II, c. 38, vs. 103 vlgg. + +[25] _Lekensp._, B. III, c. 20-22. + +[26] _Lekensp._, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg. + +[27] B. I, c. 21, vs. 93-100. + +[28] Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner _Ned. Ged. uit de 14de eeuw_, +bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen _Teesteye_, _Boec +van der Wraken_ en _Melibeus_, is zeker niet voldoende om ons te +overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; doch geeft +voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. Daarbij zou +ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd worden. Immers bij +de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast een paar verzen uit den +_Lekenspiegel_ voegen (III, c. 3, vs. 237-8) die teruggevonden worden in +_Meliboeus_, vs. 2266-7. + +Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder kunnen +brengen. + +Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf van _The +tale of Melibeus_. Staat deze bewerking in verband tot het Mnl. gedicht? + +[29] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altniederl. Gedichte_, II, 14 vlgg. Vgl. o.a. +vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg. + +[30] Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. V.D. HOEK. +1895. + +[31] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altn. Ged._, III, 177-181. Het is vertaald +uit het Fransche "_Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage_"; vgl. PETIT DE +JULEVILLE'S _Hist. de la Litt. Franç._, II, 185, waar het "banal et +confus" wordt genoemd. no. 2 en no. 3 eveneens uitgeg. door Dr. SURINGAR +(Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); no. 2 ontleend aan drie Latijnsche +werkjes waarvan één door den bewerker op den voet is gevolgd (vgl. bl. +XXII vlgg.). no. 3 eene vertaling van den Latijnschen _Facetus_, echter +geen woordelijke vertaling. Vgl. ook _Ned. Spect._, 1891, no. 41; 1893, +no. 1. Over andere derg. geschriften vgl. TE WINKEL, bl. 405. + +[32] Vgl. no. 28, no. 2. _Die Bouc van Zeden_ behelst dergelijke +gegevens als _Van Zeden_. + +[33] Uitgave van J.H. BORMANS (_Speghel der Wijsheit of Leeringhe der +Zalichede_). Brussel. 1872. + +[34] Vs. 2065-6. + +[35] B. III, c. 15, vs. 190-3. + +[36] Ook _Reinaert II_ is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In M's +_Einleitung_, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld wordt, +in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van beide +bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in _De oude en de jongere bewerking van +den Reinaert_. (Amsterdam. 1884). + +[37] Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: "Ic heb minen dume uut sinen +monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit den roman der +Heemskinderen? (Vgl. _Volksboek_ ed. MATTHES, bl. 141). + +[38] Vgl. I, 505 en II, 530-1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 met II, +1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg. + +[39] Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; vgl. +MARTIN, _Einl._, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles is in +_Reinaert I_ niets te vinden. + +[40] II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd +lezen van _moude_ (stof) voor _monde_ doet hier niets af). + +[41] _Reinaert II_, vs. 1899. + +[42] Vgl. vs. 40-44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid vgl. +MARTIN, _Einl._, XLIX-L. + +[43] Vgl. _Reinaert II_, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; 4595; +1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S dissertatie, bl. +122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek vs. 4130 vlgg. + +[44] II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op deze +volgende verzen. + +[45] Zie deze en andere plaatsen in _Reinaert II_, vs. 488, 604-'8. 961 +vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896-5901, 6581 (in +vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van _Reinaert I_). + +[46] Vgl. MULLER a.w. bl. 191-2. + +[47] Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; I, 842 +en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, 1587-'8; II, +1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; II, 2307-'13; I, +2829 en II, 2820. + +[48] I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961. + +[49] Vgl. I, 1235 met II, 1259. + +[50] Vgl. I, 331-2 met II, 359-360. Vgl. voorts het echt epische in I, +643 vervangen door het didactische in II, 692-3; het ironische in I, +1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid in +II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg. + +[51] MULLER a.w. bl. 161-163, 166. + +[52] Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053. + + + +2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE. + + _a_. Boerden en sproken, _b_. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke + liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, _c_. + Geestelijke, stichtelijke en didactische lyriek, _d_. Minnepoëzie. + +Vonden wij in de 13de eeuw nog maar weinige berijmde novellen, hoorden +wij het lied slechts hier en daar als schuchter kweelen der vogels bij +den komenden morgen--nu zien wij ons geplaatst voor eene menigte van +verhalende en lyrische gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het +moeilijk valt in die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en +te groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de taak om +te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te verdeelen. + +Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard _boerden_ en van +ernstigen aard _sproken_ te noemen; doch wij mogen niet voorbijzien, dat +het hedendaagsch en het vroeger spraakgebruik elkander hier niet +volkomen dekken. Een komisch gedicht wordt ook wel "ene boerde" genoemd, +al bevat het niet juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht +verhaal wordt wel met "boerde" betiteld, al heeft het niets komisch[1]. + +Het woord _sproke_ heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt een +"bedinghe" _van onser Vrouwen_ aan het slot genoemd: "desen _sproke_", +en dat is niet het eenige voorbeeld van dien aard; elders treffen wij +eene "sproke up den wijn" aan[2]. Daarentegen heet menig verhalend +gedicht, met min of meer stichtelijke of didactische strekking, niet +_sproke_, maar _exempel_ of _bispel_[2]. + +Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende +gedichten _boerde_ worden genoemd, indien zij van komischen, _sproke_ +indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen ons dus gerechtigd +achten deze gedichten tot eene afzonderlijke groep te vereenigen. Een +tweede groep valt te onderscheiden in de muzikale lyriek: de liederen, +in tegenstelling met de boerden en sproken, bestemd te worden gezongen +niet gezegd; doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot +dichterlijke uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het +algemeen in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat uitingen +van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke en +didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, opwekking en +leering; het karakter van vele dezer stukken blijkt reeds ten deele uit +vooral hier voorkomende benamingen als _bedinghe_, _disputacie_, +_questie_, _notabel_. Het spreekt vanzelf, dat ook tegen deze +groepeering bezwaren bestaan; ook hier ontsnapt het leven op meer dan +een plaats aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling. +Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, indien +daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt versterkt? + + +_a_. BOERDEN EN SPROKEN. + +De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden kennen, waren nog +springlevend. Zij zwierven nog van mond tot mond en van het eene +handschrift in het ander. Hen volgen op al hunne gangen is ons +onmogelijk; wel kunnen wij zien: dat verscheidene hunner op hunne +omzwervingen trekken van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar +het volk waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het +menschenleven den voorrang krijgen op de dierfabels. + +Ook bij de Nederlanders der 14de eeuw vonden zij een gunstig onthaal. +Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche literaturen verwerkt +zijn, werden hier geboetseerd tot berijmde verhalen van komischen of +ernstigen aard, die gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen, +doch ook wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische stoffen, +hier tot _boerden_ verwerkt, vindt men bijna alle terug in de Fransche +literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking niet zelden gelijk is, +zijn er weinig of geen sporen van navolging aan te wijzen. Onze boerden +maken in hoofdzaak den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn +van mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk +hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk gekomen zijn. +Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen in dit opzicht tot +Duitschland, Engeland en andere landen. + +De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel misschien, +afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als _Vitae Patrum_, _Gesta +Romanorum_, _Dialogus Miraculorum_, _Liber Apum_, _Legenda aurea_; voor +een ander deel zeker ook door mondelinge overlevering verbreid. Met den +invloed der Fransche literatuur zal men ook hier rekening moeten +houden[3]. + +Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen omtrent +den weg, waarlangs het verhaal den verteller had bereikt; uitdrukkingen +als b.v.: "Ic quam eens daer men mi sede" of: "Ic vant ghescreven ende +las"; doch zulke aanwijzingen zijn schaarsch en niet alle duidelijk[4]. +Duidelijk is daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te +localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms ook +werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, "in 't lant van Loon," "te +Hasselt in die goede stede," "te Dordrecht in de poort," "Tantwerpen in +die coperstrate"[5]. Zooals men kon verwachten, worden wij hier vaker +naar het Zuiden dan naar het Noorden dezer landen verplaatst. + +Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen zij ons? +Op een paar uitzonderingen na behandelen zij gevallen van minne, van +zinnelijken lust, van overspel; zij vertellen ons van overspelige mannen +of vrouwen, die gefopt of gestraft worden, van minzieke vrouwen of +meisjes, clerken of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de +kroeg zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar de +lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor de +middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, blijkbaar een +komisch karakter had[6]. + +Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de "goede gezellen die lange +in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans uit de kroeg halen; wij +komen in gezelschap van een waard, die bedrogen wordt door de waardin en +haar minnaar; van reizende "clercken", die het hun verleend nachtlogies +aan de vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den +huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk +gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, die zijne +al te dartele vrouw voor den gek houdt. + +Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde +gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk zijn wij onder de +kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek, meelpap eet en +"stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen hout; waar het 's nachts +donker is of een vetpotje ("lichtvat met smoute") een flauw schijnsel +geeft. De koe staat dicht achter de woonkamer, ook in een burgerhuis; in +de boerde "van de gestolen zijde spek" zijn wij op het land ten huize +van een voormaligen boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter +getrouwd. Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers +der Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk +man--hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak met zijne +vrouw--, toont in zijne manieren een buitengewone grofheid; zijne vrouw, +die een handelsman uit de Oostzee-provinciën te gast heeft en waant door +dezen bedrogen te zijn, wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne +kleeren te storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de +schenen te schoppen. + +Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, welke +de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen die onder en naast het +verhalend ridderdicht opgekomen en bestemd waren die ridderpoëzie te +verdringen. De rijke koopman uit een dezer boerden, die "gheleerst, +ghespoort, ghegort wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het +zwaartepunt in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst. + +In de boerde, getiteld _Wisen raet van vrouwen_, worden wij in een "huys +met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier huizingen zooals de rijke +burgers ze in navolging van den adel bouwden. De eigenaar van het huis +houdt daar achter slot en grendel zijne dochter die hij hoopt uit te +huwelijken aan een ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min? + + Al sluiten + Hem buiten + Met grendel en boom + Benagelde poorten + ... + +hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar een +burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader als liefdebode weet +te zenden. + +Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid af, op meer dan +een plaats wordt in deze boerden op spottenden toon gesproken over het +ridderwezen. De vrouw van een drinkebroer die thuis grimmend en grommend +haar man zit af te wachten, zegt: + + Ic woude ic met hem op een pleyn + Mijn leven mochte setten in waechscalen[7]. + +Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen EGGHERIC VAN +EGGHERMONDE! + +Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met een der +"clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het: + + Men sach noit so wel tornieren + Sonder wapene ende sonder corieren [Zijnoot: maliënkolders.] [8]. + +De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele +boerde _Van den tanden_ verhaalt, stelt ons zich zelven voor, op zijn +paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam _Morele_ droeg eertijds +het ros van ridder AMELANT in den roman _van Lancelot_; dien naam ook +het ros van den dapperen TOREC, dat meer waard was dan eene stad[9]. + +In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de sproken binnen. + +Hier verkeeren wij onder "verweende" [Zijnoot: hoovaardig.] keizers en +koningen, heeren "van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele +vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht ook +hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Zeker +keizer die den vrede lief had en wijs en rechtvaardig zijn land +regeerde, maakte korte metten met de veete tusschen een paar zijner +voornaamste edelen. Hij ontbood de beide "helden" en trachtte ze te +verzoenen. Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden "totter +brouc", bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu +maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, vóórdat een +van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het eens. Zóó moesten meer +vorsten doen, zegt de dichter, dan zou er heel wat minder onschuldig +bloed vergoten worden [10]. De ernstige toon en het beroep op den +Almachtigen Rechter aan het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde +hier al één lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In +een ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs voor +den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper maar arm edelman. De +wijze waarop de gierigaard 's nachts door zijn medeminnaar bewerkt wordt +met een hazelaarstwijg, is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding +doet hier en daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het +eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel tot de +boerden zal rekenen [11]. + +Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met eerbied +bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke idealen. Zoo zien wij +in een sproke een hooggeboren rijke maagd aan een dapper arm oud ridder +de voorkeur geven boven een jongen "mooyaert" [Zijnoot: fat.], die den +ouden krijger bespot wiens gelaat met zwaarden geteekend is [12]. Het +fraaie verhaal: _de mantel van eren_, wil toonen, hoe verkeerd het is, +goud hooger te stellen dan riddereer [13]. + +Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan brengen de +sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap van monniken en +kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien aard is o.a. het verhaal van +het _Baghijnken van Parijs_, een aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof +wenscht te worden opgenomen; dat van de non die met haren meester haar +klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een deel van zijn +eten aan het beeld van MARIA brengt; van de edelvrouw die terwijl zij +haar minnaar afwacht, door de geesten der afgestorvenen voor wie zij +placht te bidden, wordt bekeerd en in een klooster gaat. + +Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, die ons +verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het Christendom, een +jodenmeisje dat Christin wil worden en door haar vader vermoord wordt; +weer andere behelzen algemeen bekende korte verhalen die men overal +terugvindt, zooals dat van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat +door hun kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun +ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van zijn vader +wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand op: het +verhaal van een paar trouwe vrienden, een koopman uit Brugge en een uit +Baldac (Bagdad), die zich voor elkander willen opofferen. Het verhaal +van Pyramus en Thisbe, "twee kinderen die droeghen eene sterke minne," +leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; de +oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het verhaal wel +doet passen bij de ridderverhalen en die uit het leven der geestelijken, +beide toch nog altijd op hooger plan gelegen dan het leven van burgers +en plattelanders[14]. + +Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan ons niet +verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs zoo nauw van geweten, +dat hij het noodig acht zijne toehoorders gerust te stellen omtrent +zeker gemis aan waarheid dezer verdichte verhalen. De sproke _van eenen +verwaenden coninc_ vangt aan met deze regels: + + Exempel vertrect [Zijnoot: vertelt.] men hier ende daer, + Niet om dat si alle zijn waer, + Maer om dat mer bi verstaet + Ondersceet tusschen goet ende quaet[15]. + + +In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het verhaal +zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het mededeelen van +zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó sterk, dat hij ook de +personages, die in zijn verhaal optreden, met dien lust bezielt. Een +paar ridders "van quaden levene" komen tot hun meester om hem te zeggen, +dat zij berouw gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen +veranderen. Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken +te doen, antwoorden zij: + + .... Wi merkent bi Alexanderen + Die grote coninc, dat hem en mochte + Die daet ghehulpen die hi wrochte, + .... + Hine moeste der doot doen een ghemoet[16]. + +In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan ook, dat wij +zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige les of stichtelijke +opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is zonde boven al; hooren, +zwijgen en ziende blind // dat's dat nu de wereld mint, enz. Elders +worden de hoorders opgewekt, onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de +dooden te lezen; hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen[17]. + +Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat ook in de +meeste boerden een zedelijke of didactische strekking niet te miskennen +valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw met den "Oosterlinc" vangt +aan met een paar spreukmatige regels, die in het daaropvolgend verhaal +worden toegelicht: + + Tgoede wijf maect den goeden man + Ende de goede man maect tgoede wijf. + +Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: "Elc vrouwe neme hier +exempel an." In den aanvang der boerde van de twee "clercken" en heer +GOBERT wordt ons gezegd, dat men uit sommige gedichten "vroedschap en +dwaasheid" te weten komt[18]. + +Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. In eene +boerde, zóó plat-realistisch als die _van den visscher van Parijs_, +wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij achtten in minzieke +vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot en de moraal der boerde _van +Heile van Berseele_ is samengevat in eene waarschuwing tegen den omgang +met lichte vrouwen. Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt, +in het verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht +iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: "God gheve ons ter +zielen bate" of: "God bringhe ons ten eweghen paradise"[19]. + +Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde vrouwen, in +deze boerden voorgesteld worden als in hooge mate weelderig en onkuisch. +Doch men moet niet vergeten dat deze voorstelling rust op theologischen +grondslag en dat de middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen +aanhangers van den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen +als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron van zoo +groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden niet alleen hier op +aarde maar ook nog in een later leven[20]. Ook dragen de boerdendichters +er zorg voor dat men hen goed begrijpe: niet op "hoofsche vrouwen" +hebben wij het gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen +goede vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken[21]. + +Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een jong rijk +meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert en in een +klooster gaat; een jonge non die zich neus en lippen laat afsnijden om +hare kuischheid te redden; eene adellijke dame die zich nieuwe kleeren +en sieraden ontzegt om haar man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen +de ongeloovigen; THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven +wil. + +Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver vooruit, dat +hij in de bres durft springen voor vrouwen die een misstap begaan +hebben. Een adellijk meisje heeft eene liefdesbetrekking aangeknoopt met +een jonkman van geringen stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was +de jonkman haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel. +Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en verdedigt +haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante die hem zijne +zachtmoedigheid in dezen verwijt.--Ik zelf heb vijf onechte kinderen, +antwoordt de edelman; zal ik een ander dan dingen verwijten die ik zelf +heb begaan?--De hooge vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in +zoo iets willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.--Hij weer: +de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal grooter zijn, want +zij zijn de aanleggers, het is alles hun schuld. + +Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan de gewone +middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later eeuwen en in onzen tijd +opnieuw aantreffen[22]. + +Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend in hun +onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest dezer beide genres. +Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil zich slechts ten deele in +den uiterlijken vorm openbaart. De sproken zijn, op _het Baghijnken van +Parijs_ na, gedicht in doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met +overslaande rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming, +hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend in +coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige of komische +verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld, + +onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst, door +vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare komische kracht. Zoo +hoog als sommige Oudfransche fabliaux staan onze boerden niet, maar op +zich zelf beschouwd staan zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de +sproke _van het Baghijnken van Parijs_ dat ons in zijn dialogisch +karakter en zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie +herinnert. Zoo b.v.: + + Sy ghinck voor haer moeder staen + Ende badt haer door (haer) houde + [Zijnoot: om der wille harer genegenheid.], + Dat syse door haer edelheyt + Baghyne maken woude. + + Sy seyde: lieve dochter mijn, + Soo ghinck aen [Zijnoot: begon.] mijnen rouwe; + Ghy zijt van haven [Zijnoot: bezittingen.] alsoo rijck, + Ghy meucht wel sijn een vrouwe. + +De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, doch te +vergeefs: + + Die dochter keerde haer omme + Ende ghinck al te hant + Totten Baghijnkens hove, + Daer sij de meestersse vant. + + Sy viel neder op haer kniën, + Ootmoedelyck dat syse booch + Ende werp den rooden mantel + Ter aerden dat hy vlooch. + +Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve kracht +voortreffelijk. + +Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sproke _van Pyramus en Thisbe_. +Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid en berekende juistheid +van uitdrukking, den tact, de smaakvolle zelfbeperking, ook de beeldende +kracht van het Ovidiaansch verhaal, welks omvang nog geen vierde der +Dietsche bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en +eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig van het hier +en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. Zij weet hare +gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen door levendigheid van +alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren o.a. door het beeld van +den vermoeiden pelgrim + + Die lange moede heeft ghesijn, + Ende dan een luttel rasten [Zijnoot: rust.] heeft, + Ende [Zijnoot: wanneer.] hi weder gaens dan pleecht, + Es hi moeder dan hi was eer. + +door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen + + Die se van scake souden hoeden + Also als noch doen die vroeden. + +Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt hoe de +aandoening PYRAMUS overmeestert: + + Daer hi Tysbee roepen soude, + Tusschen "Tys" ende tusschen "bee" + Versuchti vijfwerf ofte mee [Zijnoot: meer.]. + +Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke _van den ouden ridder +ende den jonghen_, waar wij een staaltje vinden van de in onze +middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, hier omschreven met de +uitdrukking "ghevensde [Zijnoot: geveinsd.] tale". Doch wij kunnen noch +willen alles noemen, en ook in de boerden is zooveel dat verdient even +naar voren gebracht te worden. + +Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en de beide +"clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, in hare bezorgheid +over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw JULOCKE uit _Reinaert I_. Hier +als elders openbaart eene krachtige zinnelijkheid zich gaarne in +schertsende beeldspraak, in half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan +het dorschen, het bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van +den kuiper. De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één bed +door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle nonnen vergaderd +zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, zooals zij ons in de Odyssee +door dien meester-verteller voor oogen is gebracht. In het verhaal van +de gestolen zijde spek worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan +de grappen en dubbelzinnigheden uit _Uilenspiegel_ en dergelijke +volksboeken; ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een +bij de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot zijn +gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze, waarop zij +elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier en daar aan de +kluchtboeken denken. + +Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, wien +zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt dat hij dood +is, onder een lijkkleed toegedekt, den amoureuzen paap in zijn bedrijf +waarneemt. "Loop liever naar het bordeel!" roept hij toornig; "als ik +maar leefde, zooals gisteren, dan zoudt gij het duur +betalen."--"Lacarijs!" zegt de paap, "houd je oogen maar stijf dicht, +lig stil als een molensteen; zóó doet men als men op de baar ligt; je +zou ons nog bang maken." + +En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde _van Heile +van Berseele_. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak gemaakt met een +drietal minnaars, die achtereenvolgens bij haar zullen komen; maar de +afspraak loopt in de war, en zoo is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij +haar, als zijn medeminnaar, ook weer een priester, komt aankloppen. +WILLEM wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen +tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn kraaiennest is +hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE en den pape. HEILE heeft +den priester stilletjes beduid, wie daarboven te luisteren zit. Deze +begint nu een verhaal van den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het +stijgen van het water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder +krijgt; nog steeds hoort hij van het stijgende water... de angst wordt +hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept: + + Nu wouds God ende goed gheval [Zijnoot: Nu zij het aan God en het +geluk bevolen.] + Of Willem Hooft iet [Zijnoot: ook (soms).] zeilen zal. + +Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil. + + +_b_. LIEDEREN. + +De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in het Zuiden van +Europa en in Oostersche landen gebracht. Een der gevolgen van die reizen +was een krachtige ontwikkeling der muziek. De Grafelijkheids- en +Cameraars-rekeningen der 14de eeuw weergalmen "van sanghe ende van +vedelspele." Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de +onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen. + +Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen +soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding. + +Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje dat ook +met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, behooren blijkbaar +zangers en zangeressen, als de man die den teekenachtigen naam van "die +wilde vos" droeg, "die sanc ende dichte voir minen here" (nl. den graaf +van Holland); "te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen +wive diere op sanc ende eene gokelaer," "'t Scoenhoven eenen menestreel +die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," "te Nyerborch enen +wive, die op de liere speelde ende sanc," "Heerkin die mitten +cornemusekin speelde ende daerop sanc." + +Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in vasten +dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik rekenen: het +"sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", "Hansel tshertogen sanger +van Gelre", "Hannekin die zangher van Apcoude", "Herman den sangher die +miins heren (van Blois) paedse plach te wesen", misschien ook "Jacop +vander Lucht, den zangher" en "Willem den zanger" die van den Graaf van +Blois "twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, blijkbaar ter +voorziening in zijne kleedij. + +Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een menestreel soms +alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden ook wel zangers en +zangeressen die met of zonder begeleiding, éénstemmig of met hooge en +lage stem, zingen. Uit de schrale aanwijzingen is natuurlijk niet altijd +met zekerheid op te maken of wij hier al dan niet reizende +beroepszangers vóór ons hebben. Genoemd worden ons o.a.: "een wijf die +op die ghisterne speelde ende twee ghesellen diere op songhen", "twee +zanghers die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; "vier +wiven die voir minen here speelden op een psalterie ende op ene +quinterne ende daerop songhen", "drie sanghers die voer minen here +gesongen hadden alst kermiss in den Haghe was". Soms zou men meenen een +hedendaagsch a-capella koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt +van zangers of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden +leider zich laten hooren: "Wigant ende sine ghesellen die (te Mechelen) +songhen voor minen jonchere Jan", "Meeu sijn ghesellen ende haer +ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen". In dit laatste geval +hooren wij, evenals hiervoor een enkelen keer, _wat_ er gezongen werd; +want op dien post aangaande MEEU volgt deze andere: "Item den selven +noch ghegheven opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der +sale voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." Tot +de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook "HEYN VAN CALES de +sangher mit sinen ghesellen." + +Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast de +kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die ontwikkeling +zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan wij in het Noorden en +het Zuiden dezer landen melding zien gemaakt. Zoo treffen wij in eene +Cameraars-rekening van 1364 de "meysteryels van der vedelen" aan, "die +do haer schole to Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren +blijkt wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal +onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een rekening van +1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven is aan den "coninc van de +pipers van Oestervant, om mede te riden tot Berghen daer hi scoel soude +houden van pipen." + +Waarschijnlijk zullen ook in de 14de eeuw, zij het eerst in de tweede +helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot een gilde vereenigd +hebben. Daar elk gilde een patroon of patrones had en gewoon was den dag +van dien patroon feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel +tenminste eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden. +Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, een paar liederen +van dezen tijd: eenige leden van een gezelschap, dat, naar 't schijnt, +_het Maria-roosken_ heet, zijn bijeen; een hunner zingt eene opwekking +tot feestvreugd, den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen "die +van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een refrein[23]. + +Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen zou men de +scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag een bisschop uit +hun midden plachten te kiezen en met dezen aan het hoofd naar het koor +kwamen om daar te figureeren en mede te zingen[24]. + +Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van muziek en zang +te onzent in de middeleeuwen blijve de taak der beoefenaars onzer +middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier moge dit weinige volstaan als +inleiding tot hetgeen onze taak is: een overzicht en eene voorstelling +van de liederen, die in de 14de eeuw in deze landen werden gezongen. + + +GEESTELIJKE LIEDEREN. + +Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met voldoende +zekerheid tot de 14de eeuw gebracht kunnen worden. + +Het half Latijnsche half Dietsche lied: "In dulci jubilo singhet ende +weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij er door +herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke Dietsche lyriek met +de Latijnsche hymnen en kerkliederen[25]. Opmerkelijker om zijn inhoud +is "eyn devoet lietgen van den heilighen kerste", een kerstliedje, +kinderliedje, dat aanvangt: + + Sy namen dat kindekyn metten teenen [Zijnoot: bij de toonen.] + Sussoe nynnoe + Der heylighe kerst wil onser ghedencken + Sussoe nynnoe + Als wy suelen van ertrijc sceiden + Sussoe nynnoe. + +Op dezelfde wijze worden dan de "verssen" [Zijnoot: hielen.] daarna de +"enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen van +het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt. + +Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke omwerking +van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers dergelijke kinderliedjes +in den trant van ons "kinne-, kinnewipje", aanbrengers van vroegste +zelfkennis voor het kind, zooals zij nog te onzent en in andere landen +van West-Europa in den volksmond leven, zullen wel overoud zijn[26]. + +Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid betrekking op +een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang naar bergen en +bosschen, smeekt de bescherming van het heilig kruis af op dezen tocht, +roept de hulp der heiligen in tot het vinden van een goede herberg en +beveiliging tegen roovers en moordenaars te land en te water[27]. + +Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE GHEERTRUUT, de +patronesse der reizigers. Een volksdichter heeft waarschijnlijk op dien +tocht voor het overig "gezelschap" dat "tot onsen here god voer" het +verhaal gezongen van den ridder die, ter wille van de schoone heilige al +zijn goed had verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer +rijk te worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT +wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in dit lied, +hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: de eenvoudige +droefheid bij het afscheid van den ridder en zijne geliefde; de naïeve +verzuchting: had ik het maar geweten van te voren! het dwalen op een +duisteren avond langs de wilde heide, de plotselinge verschijning van +den Vijand, het "roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de +plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE: + + Hi nam den nap op sijnre hant, + Hi sette hem voor sinen mont, + Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert, + Hi dranc hem uut al tot den gront[28]. + +Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat een +sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG geen weerstand +heeft geboden aan den lust om de stof dezer geestelijke romance op zijne +wijze te bewerken. + + +MINNELIEDEREN. + +Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de +minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst der 14de +eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman uit het Brugsch +geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna anderhalfhonderd liederen +bewaard die ons een beeld geven van het minnelied dezer tijden. Voor een +deel zijn die liederen misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN +HULST, doch het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen +vallen te onderscheiden[29]. Misschien hebben Duitsche dichters tot het +ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen gevalle worden wij al +dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte taal of het mengsel van +Duitsch en Nederlandsch waarin ettelijke dezer liederen zijn geschreven. +Het Beiersche gravenhuis had het Duitsch hier te lande in zwang +gebracht, Duitsche dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven +en edelen in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht +hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals de +Fransche trouvères der 13de en 14de eeuw, in het Noorden van Italië +rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht Fransch +voordroegen. + +Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die getracht +hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; het is niet +gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden men in bepaalde +gevallen vóór zich heeft[30]. + +Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan Duitschland, hun +inhoud toont in menig opzicht verwantschap met de hoofsche Duitsche +minnepoëzie dier dagen. De opvatting van de liefde als een dienst, die +wij reeds vroeger in dit verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook +hier aan; ook hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht, +treurt, klaagt en weent of vleit--het zwakke is mannelijk en fier; zij +is de "princesse", de "keyserinne"--hij de "dienaer" of de "lijfeigene". +De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke wordt +onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat staat hoog; wordt +de "stedicheit" van den minnaar ook niet beantwoord, toch blijft hij +trouw. Hoofsch is deze opvatting der liefde in hooge mate; een dorper +kan zich dan ook niet daartoe verheffen: "een kerel ghert der vreughden +gheyn." Het is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai +lied aantreffen, dat van diepe minachting voor de "kerels" vervuld is. + +Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed eener +internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal andere die in +taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal mogen worden genoemd. + +Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig realisme en +onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een dartele levenslust en +onbezorgde vroolijkheid, welk een helder opklinkende lach! + +Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich deze +tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen tegenover de +zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als idealisme tegenover +realisme. Want eenerzijds komen er onder die Duitsch-getinte liederen +een paar voor die in dubbelzinnig schertsende beeldspraak over het +minnespel denzelfden trant houden als sommige zuiver-Vlaamsche +liederen[31]. Anderzijds zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht +in den geest der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe het +nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch vernis +heen komt kijken[32]. Overigens vindt men hier verscheidene genre's +vertegenwoordigd: liederen over de droefheid van het scheiden, waarvan +er een doet denken aan de later uitvoeriger te behandelen +"wachterliederen"; nieuwjaarsliederen die waarschijnlijk bestemd waren +om aan de liefste gezonden te worden, evenals andere die ter begeleiding +van een bloeienden meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een +meer verstandelijk karakter en handelen over de "stede" (trouw), over +vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over de +"niders"[33]. + +Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke verscheidenheid +van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts een enkel couplet, de +meeste uit meer coupletten; de gewone vierregelige strophe komt maar een +enkelen keer voor en dan nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone +overslaande rijmen (no. 136); de omvang der coupletten zwelt soms, +misschien onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het +buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! Daar is +dit lied op het scheiden: + + Sceiden, onverwinlic leit, + Onvreuchdelyc es dijn beghin, + Dat nemic waerlic up myn heit [Zijnoot: eed.]: + Ten brinct gheen dinc meer lidens in. + Sceiden, du dwinx herte ende zin, + So langher tyt, so meer verdriet, + Sceiden, du ne ghenouchs [Zijnoot: behaagt.] mi niet. + +Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt: + + Aloëtte, voghel clein! + Dyn nature es zoete ende rein, + So es dyn edel zanc; + Daer dienstu met den here allein + Te love om sinen danc. + +Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust noch duur +laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen minnaar, met +dit aardig couplet: + + Trueren, waken, + Magher caken, + Selden sonder toren [Zijnoot: verdriet.], + Breken, maken, + Niet gheraken, + Achter meer dan voren-- + Dit moeter al toe horen + Ende al den tijt verloren[34]. + +Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij tusschen +ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen twee gezellen of +twee speelnootjes. Als proeve kunnen hier slechts een paar coupletten +worden medegedeeld van den beurtzang tusschen een paar gezellinnen, +waarvan de eene aan de andere een droeve bekentenis doet: + + Ghespele, in caent gheswighen niet, + Nu wilt mijn overzwaer verdriet + In trauwen helpen helen. + Doe ic lesten van u sciet + [Zijnoot: laatst afscheid van u nam.], + Doe addi mi allein bespiet + Ende ic ginc mettem spelen. + Ghespele, wilt beraden mi, + So dat mijn ere behouden zi + Bi wizen rade; + Ic wane in comme hem nemmer bi. + Wat sal ic doen! o wach, o wi! + Het es te spade! + + Die ander sprac: op minen heit [Zijnoot: eed.], + Dat es mi waerlic alzo leit, + Ghespele, ic wil u claghen. + Waer es dijn zuver ommecleit + [Zijnoot: de reinheid waarin gij gekleed waart.]? + Nu moestu dinen aerbeit [Zijnoot: zwangerschap.] + Lange alleine draghen. + Waer es dijns hertzen toeverlaet? + In can di, leider! genen raet + Ghegheven-- + Wint up dijn haer [Zijnoot: maagden lieten het haar los hangen.], dijn + guldin draet, + Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet + Ghebleven! + +De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven zijn niet +minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte handen, dat knort +als een varken, bereidt ons reeds voor op de groteske figuren van +Breughel, en hoe gaarne zou men weten hoe het afloopt met den kapelaan +van Hoedelem, dien wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien +gaan. Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. Dan is +er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken straatroep: + + Naelden, spellen, trompen, bellen, + Ic wil mijn merse hier nederstellen, + Laet zien of ic vercopen can! + +die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat zoo'n moeite +heeft om een speld van het juiste formaat te vinden: + + "Merseman," seidesi, "lieve geselle, + "Ic hebbe een cleine cokerkijn, + "In vinde hier in no naelde no spelle [Zijnoot: speld.], + "Die wel voughen soude daer in. + "Hier sijn grote ende daer so cleine, + "Maer ic ne vinde niet dat ic meine." + --"Joncfrauwe, wat spellen wildi dan? + "Naelden, spellen, trompen, bellen, + "Ic wil mijn merse" enz. + + "Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn, + "Dan es niet aldus cleine." + --"Cnape, wel moeti comen sijn, + "Ghi weit wel wattic meine. + "Wildi de spelle vercopen niet, + "So leen se mi of ghijt ghebiet [Zijnoot: indien gij wilt.], + "Ic salt u lonen, bi sinte Jan-- + "Naelden, spellen, trompen, bellen, + "Ic wil mijn merse hier neder stellen, + "Laet zien of ic vercopen can!" + +Daar is verder de "maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne op de +"bonghe" [Zijnoot: trom?]" wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en +koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen wordt; het +avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en broeder LOLLAERT, +waaraan zulk een onverwacht eind komt--altemaal uitingen eener krachtige +zinnelijkheid die wel eens uit den band springt en grof wordt, doch die +in zijn dartelen moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een +natuurlijke bevalligheid en lossen zwier[35]. + +De hierboven genoemde "bonghe" was een der vele muziekinstrumenten die +na onze kennismaking met het Zuiden en het Oosten ook hier werden +ingevoerd en gebruikt. + +Naar het schijnt, werd de "bonghe" ook wel "bom" genoemd en bediende men +er zich van ter begeleiding van een zanger of zangeres[36]. Het +_rondeel_, een der lyrische dichtvormen die in de 14de eeuw in zwang +kwamen, werd toen ook wel gezongen met muzikale begeleiding. Een rondeel +van amoureuzen inhoud vinden wij in een gedicht "_van den wilden man_" +dat uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel, +als voor den zang bestemd, hier "liedekijn" genoemd: + + Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc + met luder stemmen eer iet lanc: + "Ic was wilt, ic ben ghevaen + "ende bracht in mintliken bande; + "dat heeft ene maghet ghedaen. + "Ic was wilt, ic ben ghevaen; + "Al mochtic, in woude haer niet ontgaen, + "des settic mine trouwe te pande. + "Ic was wilt, ic ben ghevaen + "ende bracht in mintliken bande"[36]. + +Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene +Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen toestand, +dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. Zooveel is echter +wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie moeten worden gebracht. Op +meer dan een plaats immers wordt gesproken over _dienst_ en _vrouwe_, +b.v. in eene uiting als deze: + + Lijfs ende sins is hi versaeght, + Die dlijf [Zijnoot: het lief(je).] mint die sijn dienst meshaeght. + +Elders herkennen wij in "dier verreder ghevensde tale" de klachten over +de "niders" waarvan de hoofsche minnepoëzie vol is. Hier en daar hooren +wij een couplet of een paar verzen die ons een goeden dunk van het +geheel geven. Zoo b.v.: + + En mach verberghen in gheen hol + Hem lief vor lief, die liefs es vol. + +of: + + Liefs troest eest beter niet ghenieten, + Dan na liefs troest liefs troest mesnieten [Zijnoot: ontgelden, boeten.], + + +of dit deel van een couplet: + + dat hem verdrote + 's Levens sere, + Die uyt sire vrouwen + Herte dor trouwen + Ghesloten were[37]. + +Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral in een beter +overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen oordeel zouden kunnen +vormen. + +Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens vindt men +ook--de nabuurschap dagteekent reeds van Anakreon--een aardig drinklied +dat aanvangt: + + Scinc her den wijn, + Gheselle mijn, + Wi willen vroilic leven; + Het mach sulc [Zijnoot: deze of gene.] zijn + Noch up den Rijn, + Die ons gheluc mach geven, + Al moeten wi nu sneven. + +Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in gezelschap van +berooide minnaars die hunne versmade liefde zoeken te vergeten en als +een voorspel vormen van de latere liederen der "gildekens" [Zijnoot: +doorbrengers.] [38]. + + +HISTORISCHE LIEDEREN. + +Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen kring indruk +maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk deel van het +Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij zagen, ook in een vorige eeuw +waarschijnlijk wel tot uiting gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke +uitingen zijn echter niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de +14de eeuw betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen +schijnt zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige +historische liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen. + +Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord op graaf +FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert het ons niet dat +deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch dat dit lied eeuwen lang +in den volksmond is blijven leven. Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop +de uit de geschiedenis bekende feiten hier door een ons onbekenden +volksdichter verwerkt zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen +den op zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij +smadelijk "der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de +verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven. + +Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit moede en wil +haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN opdringen. Deze weigert; "uw +versleten schoenen en wil ic niet", zegt hij in hoonende beeldspraak. +FLORIS zint op wraak; het huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN +biedt hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; terwijl +deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van VELZEN en onteert +haar. Die schennis wreekt GERARD op den schender. Verhaalt de historie +ons dat de moordenaars van den graaf ontsnappen--de volksdichter laat +GERAERT VAN VELSEN gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om +gerold in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag +hem te breken noch te buigen. Op de vraag "hoe hem nu te moede is?" +antwoordt hij: + + Ic ben noch al de selve man, + Die graef Floris sijn jonc leven nam. + +Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling van zaken niet +door den volksdichter is verzonnen, doch dat hij haar ontleend heeft aan +een Nederduitsche sage. + +Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname heeren wordt ons +bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; ook in Deensche liederen +treden koning ERIK GLIPPING en zijn maarschalk, ridder STIG, in dezelfde +verhouding op. + +Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent eene +dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS heeft gegeven, +waarin "der keerlen god" nu juist niet de mooiste rol heeft; zelfs kan +men zeggen dat de sympathie des volksdichters eerder aan de zijde van +den onbuigzamen edelman is, den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan +die der schoone jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf +FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw +inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding brengen zijner +geschiedenis met de Nederduitsche sage? Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM +die zich overigens in dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen +tot den moord: + + Ander secgen: dat om een Vrouwe quam, + Dat men hem sijn leven nam, + Daer hi met soude hebben te doene, + Die wyf was een van sinen baroene, + Ende datten diegene daerom lagen + Leiden vander stont alle dagen[39]. + +Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis eener adellijke +dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als reden tot den moord reeds +verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht leeren kennen uit het Dietsche lied +of langs anderen weg? Tot het geven van een afdoend antwoord op die +vragen zijn wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware +toedracht der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het +begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker +motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk gevoel hem +sterker aandeed dan het belang van een bijzonderen stand, waartoe hij +blijkbaar niet behoorde. Die aandoening zou zich ongetwijfeld +duidelijker openbaren, indien wij het oude lied in zijn oorspronkelijken +vorm bezaten; het moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen, +waarin het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter de +_Rijm-Kroniek van Melis Stoke_ aantreffen. Doch ook in dezen verminkten +vorm treffen ons nog de levendigheid van het verhaal in zijn vluggen +gang, de teekenachtige beeldspraak van VELZEN tot zijn heer, de +aanschouwelijkheid der voorstelling, de dramatische kracht; ook de +vinding om den moordenaar, volgens een uit de sprookjes bekend motief, +in een met spijkers doorboorde ton te rollen[40]. + +Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden wij ook in +een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied ons gebrekkig is +overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: _Van cort Rozijn_; immers de +naam van den edelman die hier de hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK, +"Segher de _Curtroysijn_" (d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door +een Vlaming, die blijkbaar geen Fransch kende. + +Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk en +Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS, heeft de partij +van Frankrijk gekozen; een deel van zijn volk, en daaronder twee +invloedrijke Gentenaars, houden de zijde van Engeland. Die twee zijn +JACOB VAN ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne +tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden (1337). + +Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische kern door de +volkspoëzie is verwerkt. + +In het lied biedt de Graaf zijn "lieven neve" den Cortrosijn het +ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig minder hooghartig +dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, weigert in smadelijke +bewoordingen: "ick leve so noode bi quaden ase" [Zijnoot: voedsel.]. +Die "spitighe woorden" zullen u berouwen, herneemt de ander; met uw +hoofd zult gij ervoor boeten. Onvervaard door dat vooruitzicht beweert +de Cortrosijn, dat hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen. +Toornig wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna +wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te vergeefs; +voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder de bijl. Maar op +Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland zijn aanhanger wreken; toen +de dag ten avond kwam, lag Brugge in het roode bloed. + +Evenals in het lied _van Gerard van Velzen_ is ook hier het bijzondere: +de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het algemeen +menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op den voorgrond[41]. + +Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? Wie zal dat +uitmaken? Dat de historische stukken van dezen tijd niets van zoodanige +verhouding weten, is wel van gewicht, maar levert geen afdoend bewijs. +Doch ook al hebben wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog +eens te meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen +menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook daar, waar het niet +door de gebeurtenissen ten tooneele wordt gebracht. + +Het lied _van den Cortrosijn_ herinnerde ons den grooten patriot JACOB +VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering te werk ging volgens +onze verwachtingen, wat zouden wij dan eer verwacht hebben, dan dat niet +één, maar verscheidene liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige +persoonlijkheid en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch +bezitten wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment van een naar +allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien nog van twijfelachtige +herkomst is. Maar zijne partij, de nationale partij der "Clauwaerts", +die de klauwen van den Vlaamschen leeuw op hunne mouwen geborduurd +droegen, bleef leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de +Franschgezinde "Leliaerts", op wier mouwen de "fleur de lis" prijkte: + + Clauwaert, Clauwaert, + Hoet u wel van den Lelyaert + enz.[42]. + +Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en den haat der +voorname "Leliaerts" jegens de nationale partij. In een vierregelig +gedichtje wordt gewezen op den overmoed van de rijk wordende "kerels". +Uitvoeriger worden de "kerels" ons geteekend in een veel grooter gedicht +van dezen tijd, dat van niet geringe technische vaardigheid getuigt en +waarschijnlijk is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel +die door de "kerels" was gevangen genomen en in den "stoc" [Zijnoot: +gevangenisblok.] gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke +plastiek en scherpen spot is de "kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid +en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen klopt hij +eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen tot hij er +scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij heen, dat hem +het vet langs de vingers druipt. Hoort hem kallen tegen zijn soort: mijn +landheer vroeg mij onlangs ten eten, ik schrokte en vrat mij +boordevol!--"Hei", roept een andere kornuit, "hoort nou ereis een +vreemde klucht: ik heb mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de +schuit van Pieter Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet +gesnoten?--Hadden de "kerels" de macht in handen, het zou spoedig +klinken: slaat de heeren dood! De "kerels" van Gent kunnen het getuigen. +Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; de dorschvlegel is +zijn speer, de wan zijn schild; "ja, zeker!" zeggen dan de overige +rekels, "Roelof weet van steekspel houden!" + +Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een lied "van de +kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, reeds gewag +maakten. In kleiner bestek doch met niet minder talent en met vaster +hand is hier een beeld van den "kerel" omgetrokken, dat bovendien niet +zóó door den tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem: +"vijand van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte +kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd vol wrongel +en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood in de hand gaat hij naar +de ploeg; dan komt zijn vuil wijf er bij, de flarden hangen haar bij de +muilen neer. Gaat hij ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een +graaf is; alles wil hij neerslaan met zijn knuppel"... in dien trant +gaat het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende: + + Wi willen de kerels doen greinsen, + Al dravende over 't velt, + Hets al quaet dat zi peinsen; + Ic weet ze wel bestelt [Zijnoot: ik weet goed raad voor hen.]: + Men sal ze slepen [Zijnoot: nl. op eene horde (naar de galg).] +ende hanghen, + Haer baert es al te lanc; + Sine connens niet ontganghen, + Sine dochten [Zijnoot: zouden niet deugen.] niet sonder bedwanc. + Wrongle ende wey, broot ende caes, + Dat heit [Zijnoot: eet.] hi al den dach; + Daer omme es de kerel so daes [Zijnoot: dwaas.], + Hi etes meer dan hi mach. + +Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige politieke +gedichten van dezen tijd, zooals de _Jammerliche Clage_ over den dood +van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend gedicht op JAN III, +hertog van Brabant, een stuk van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het +ontstaan der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere--welk +een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog van die +gewichtige 14de eeuw! + +Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, de +poëzie zich slechts ten deele openbaart door de kunst van het woord; dat +zij voor een aanzienlijk deel latent bleef in het leven. Hoeveel poëzie +schuilt er in de werkelijkheid dier dagen, ook al richt men het oog in +het bijzonder op de geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld +daarvan levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te +Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14de eeuw. De auteur +verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, op een reis naar +Duitschland door Gelderland trekt. Uit vrees voor hinderlagen van zijn +vijand OTTO, graaf van Gelre, heeft hij zich in geringe kleeren +gestoken; met slechts een enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door +Gelderland. Zijn weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De +gravin staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige +ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het graaf +WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. WILLEM aarzelt +maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin laat hem in een kamer +brengen en betere kleeren uit haar mans garderobe geven; zij begroet hem +als graaf van Holland en laat niet af, al loochent hij het; op slimme +wijs weet zij hem tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen +van den avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet; +hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw vraagt of +hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en doet er een eed op +dat hij zijne belofte zal houden. Daarop zegt zij: huw dan onze dochter +ALEID uit aan WILLEM, graaf van Holland.--"Droomt gij?" zegt de graaf; +"maar mijn eed zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar +WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt hem voor haar +gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen zeggen: geen wijsheid, geen +raad kan bestaan tegenover God. Lag hier niet de stof voor eene romance +te wachten op de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf +in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die gravin voor het +venster--typische houding eener middeleeuwsche edelvrouw--die bode, dat +verwisselen van kleeding, die belofte van den graaf en die +ontknooping--het is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch +durven schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, OVIDIUS en +SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn Latijn vertellen wat een mooi +lied in de volkstaal had kunnen worden[43]. + + +_c_. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK. + + Al waren alle gherse [Zijnoot: grasjes.] tonghen, + Die te meye oit ontspronghen, + Ende si alle van u songhen, + Si en gaven u niet te vollen prijs. + +Deze verzen uit een gedicht _van onser Vrouwen_ wijzen aan, waar het +zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: MARIA neemt de +voornaamste plaats in. Het is haar "opvaert", hare "vijf pinen", hare +"claghe"; wij vinden "bedinghen" tot haar, een "lof van Maria", "Ave +Maria," "Salve Regina" en hoe die stukken verder heeten mogen. Vele +daarvan toonen meer vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den +dichter. Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden. + +Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, HEYNRIC FROMATOR en +JACOB VAN MERLANT, "een edel clerc ende wide becant" in een soort van +wedstrijd bezig met den lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S +lofspraak wordt de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons +onder de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet: + + O maghet, o moeder, o godlijc wijf, + O zoete, o reyne, o leytsverdrijf, + O lieve, o werde, o zalighe vrouwe, + O advocate der zonden kijf [Zijnoot: op wie de zonden kwaadaardig zijn.], + O onser, ellendigher, biblijf [Zijnoot: toeverlaat.]; + O roze, vul van 's hemels dauwe, + O troost in node, o heils beclijf, + O wech der dolender, even stijf [Zijnoot: zeer betrouwbaar.], + O bloeyende minne, o vloeyende trouwe, + O moederlic herte, o maechdelic lijf, + O licht voor thelsche ongherijf, + Com, los mijn herte uut allen rauwe[44]. + +Opmerkelijk is een stuk getiteld _Onser Vrouwen Claghe_ om den geest der +vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden wij hier meer dan eens +dat spreken der personen zonder aankondiging: + + Tote Adame dat hi quam: + "Adam, du ne wet min no mee + ... + +Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de deelneming van den +dichter, die zich lucht moet geven midden in zijn verhaal met een: "Ay, +hoe node dat hi (Adam) 't dede!"[45]. + +Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere _Op het lyden Christi_, +_ons liefs Heren passie_, _de seven ghetide van onsen here_. Hindert ons +hier soms dezelfde platheid, die wij vroeger in de ridderpoëzie +aantroffen, waar een dichter zich niet ontziet te schrijven + + Dat Jhezus naect hinc als een rent [Zijnoot: rund.] + An den cruce moedernaect[46]. + +Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke +volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagt _Van Jhesus Mynnen, een +scoen ryme_. Men oordeele zelf: + + O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot, + Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot? + + O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen, + Want hi wilt noch anders met u spelen gaen. + + O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet, + Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet. + O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel, + U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel. + + O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen: + Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen[47]. + enz. + +Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene paraphrase van +het _Miserere_, van het _Pater Noster_. Het oude geloof, dat voor het +Christendom had moeten wijken, openbaart zich in een tooverformulier, +dat wel gekerstend is, doch waar het oude geloof nog uit opduikt als een +duiveltje uit een verlucht getijdenboek. Want dit is wel het +oud-nationaal geloof: + + ... + ... dat my gheen dinghen en moghen vellen + Noch gheen tonghe en moge quellen, + Noch yser noch stael my sniden noch slaen. + +Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot "den heyligen kerst" +en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt: + + Dat seder ghesmeedt waert + Dat Christus gheboren waert. + +Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van oud-nationaal en +Christelijk geloof zich hier openbaart in het gemis aan samenhang en +harmonie van het gansche stuk[48]. + +Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en JEZUS, een enkelen +keer tegenover God, in andere gedichten staat niet het godsdienstige, +maar het zedelijke op den voorgrond. Die gedichten zijn veel en veel +talrijker dan de weinige eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer +en meer zien wij ook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling +van haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters nog +erkennen als middelaars tusschen haar en God. + +De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der gemeente +tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den weg van het +verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, de waarschuwing. + +Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook hier een +paar maal het vaderlijk "lieve kindre" aan te treffen, dat wij vroeger +in de leerdichten aanwezen, noch dat het _debat_ en daarmede verwante +vormen hier vaak voorkomen. Juist die dichtvorm immers gaf gelegenheid, +eene zaak door onderscheidene sprekers van verschillenden kant te doen +beschouwen, vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te +brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van eene +overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige dezer stukken +uitdrukkingen leest als: "Nu mach elc vroet man merken" of "Nu gheraet +hier naer"[49]. + +Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel de lust tot +allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De roman _van de Roos_ +moge invloed geoefend hebben op de ontwikkeling der allegorie ook te +onzent, eene dergelijke neiging van den menschelijken geest kan toch +niet alleen uit een boek worden afgeleid. Allerlei menschelijke +eigenschappen en hoedanigheden, gevoelens, neigingen, toestanden, worden +door de dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en +disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn Vrouw Ere, +Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet [Zijnoot: bedrog.] van Lozane +en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, op jacht met +hare honden Hope en Troost, komt den jager Onrecht tegen met zijne +honden Wankelmoed, Loosheid en Logenaar. In een gedicht van Heer +ERENTRYCK treden o.a. Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op[50]. +Ootmoedigheid disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede, +Solaes tegen Penitentie. + +Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het laatst der 13de +eeuw dagteekent, is "een abel dinc ende een edel leere: _van der Zielen +ende van den Lichame_. Het is eene bewerking van den Bijbeltekst: _de +geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch strijdt tegen den geest_, +die in zijne aangrijpende kernachtigheid het zedelijk leven der meeste +menschen samenvat[51]. Verwant met dit stuk zijn andere als "een edel +exempel", waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend, +waarschuwend en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: ik +was jong, schoon, bloeiend--nu ben ik zwart, verrot, de wormen eten mij; +wat ik ben, zult gij worden; let dan op het eeuwige, geef aalmoezen enz. +Ook "een figure" van een zondaar, die in de hel zijne zonden beweent en +zijne medemenschen waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een +levenden en een dooden koning[52]. + +Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van het nieuwe +jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg van het woord _liden_ +volgens de onderscheidene letters, die elk weer een afzonderlijke +beteekenis hebben; eenige droomen en visioenen. De allegorie ontbreekt +ook hier niet; zoo wordt ons b.v. verhaald van het paard dat "de +menschelijke nature" voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den +breidel van "redelic verstaen"; in dien trant is de allegorie verder +uitgewerkt[53]. + +Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of zedelijke +strekking; doch de dichters bedienen zich tot den opbouw van het +zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten van allerlei materiaal. De +tweespraak is geliefd; behalve de bovengenoemde, vinden wij er een +tusschen den Zomer en den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid; +een andere over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? weer +een ander maakt er eene "questie" van: of iemand zijn lam zal hoeden +tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een belager. Andere stukken +geven rechtstreeksche opwekkingen tot zelfkennis, het bewaren zijner +eer, bescheidenheid jegens zijne meerderen; zij waarschuwen tegen +"baraet en reinaerdie", hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons +het beeld voor "van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben: +HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen ons van "een +geestelijken boomgaard"; van den hemel, voorgesteld als een schoone zaal +met vele woningen, waarin God de waard is; van een ridder die zijn zoon +de eigenlijke beteekenis van het woord _wapen_ leert; van de raadslieden +die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van dienaren. + +Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen hoorders of +lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, zich gaarne bedienden +van spreuken of spreukachtige verzen. Hunne gedichten zijn dan ook vol +spreukenwijsheid, die men vindt samengevat in een refrein, in een +slotregel of aan het begin van een stuk als tekst; verzen als: + + Gherne soud se visschen, die catte, + Maer node steec se den poot in 't natte. + + Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken [Zijnoot: goede wijn + behoeft geen + krans.]. + + Vele onderwinden en was noit goet. + + Swigen brinct vele rusten in. + +Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels samen en +alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn in onbruik geraakt; ik heb +het oog op een aardige spreuk als: + + Boven macht piint men dicke om haven + [Zijnoot: geeft men zich moeite om rijkdom.], + Want noot doet oude quenen [Zijnoot: vrouwen.] draven. + +Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm: + + Hi en dunct mi niet te sere riesen [Zijnoot: dwaas zijn.], + Die van tween quaden dminste can kiesen. + +Of: + + Met dommen dom, met wisen wijs, + Want het es nu der werelt prijs. + +Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen vorm +teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat onder den naam +_Fridankes Bescheidenheit_. + +Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. Soms houden +deze "voghel sproexkene" verband met het karakter dat men een of anderen +vogel toekende. De raaf, een onheilsvogel, zegt b.v.: + + Here, dune machs niet genesen [Zijnoot: behouden blijven.] + Du en wilt [Zijnoot: tenzij gij wilt.] scalc und ontrou wesen. + +De koekoek, een "beroemech" vogel volgens onze voorouders, omdat hij +altijd van zich zelven spreekt, zegt: + + Oetmoedecheit salmen miden, + Want hoverde geet voren tallen tiden. + +Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid niet +aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken slechts verklaren +uit hetzelfde samenleven met de natuur, dat ook vroeger het lied of den +roep van zoo menigen vogel vertolkte met menschenwoorden die er +eenigszins op leken[54]. + +Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhand vrucht +dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich ontwikkelen; men +begint scherper oog te krijgen voor eigen feilen en gebreken, en +vooral--het waren ook toen immers maar menschen?--voor die van anderen. +De critiek begint zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands +vooral op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij elk +geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien dat geen +zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong: + + Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere + Als tonghe, die rovet des menschen eere. + +Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het besef dezer +toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt zekere EGIDIUS op met +een naïeve klacht over het eeuwige "begrijpen" [Zijnoot: aanmerkingen +maken.] der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: ga ik dikwijls naar +de kerk--ik ben een schijnheilige; laat ik het--ik ben erger dan een +hond; draag ik een wapen--ik ben een vechtersbaas; laat ik het thuis--ik +heet een lafaard; praat ik veel--zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg +ik weinig--hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne--de hel is +zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom ik er weinig--'t is +een saaie Piet! "Jeghen quade tonghen helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet +er niets anders op dan de tien geboden houden en de heilige kerk volgen; +zóó alleen kan men rust vinden in "dit ellendighe erdsche dal." + +Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de "begripers" gestemd. Dat +voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever op zich zelven +letten: + + Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast. + Dat anderen weecht, es mi gheen last. + Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn, + Twi [Zijnoot: waartoe.] soudic yemens begripere zijn? + +En tot den "begriper" zeggen zij: + + So wie dat spreken wille up mi, + Bezye hem selven, wie hi zi. + Es hi goet ende al de zine, + So eist mi te mindre pine[55]. + +Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg daarom niet. +Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij reeds zagen opkomen in de +leerdichten, droeg ook hier vrucht bij genoemden en ongenoemden. +Ongenoemde dichters hekelden in hunne verzen het bandeloos leven in +sommige kloosters en het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig +zedentafreeltje van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten +buitenshuis op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op te +staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den kaproen licht; +weer een ander zingt ironisch den lof van de "plaesteraers" [Zijnoot: +vleiers.] en besluit telkens een couplet met het refrein: "ic moet emmer +[Zijnoot: volstrekt.] plaestren leeren"[56]. + +Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar "sprekers", die wij +spoedig als dichters van beroep nader zullen leeren kennen: BOUDEWIJN +VAN DER LOREN, waarschijnlijk een Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT. +Hunne niet talrijke werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit +hoofdstuk behandelde poëzie. + +BOUDEWIJN'S _Maghet van Ghend_ (omstreeks 1381) geeft een kijkje in de +vijandige verhouding tusschen die stad en den graaf van Vlaanderen, +LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S gedicht "van (den) Sceepkene" is +eene allegorische voorstelling van den droevigen toestand waarin de +Hoeksche en Kabeljauwsche twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie +vindt men ook in zijn _Borch van Vroudenrijc_, eene voorstelling van het +lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en toestanden zijner +dagen op scherpe wijze in de "edele sproke": _Dits Tijt's verlies_, +AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot de pausen te richten: + +Petrus leyde oetmoedich leven, Daden die pausen diere gelike, Dat soude +schinen in Kerstenrike. + +Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie vinden wij +terug in zijn gedichten over _de Schepping, Sinte Jans Ewangelium, van +der Rycheit ende van der Doot_[57]. + +Beide "sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel eenig talent. In +BOUDEWIJN'S _Tijt's verlies_, in het laatstgenoemde stukje van +AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier en daar wel aardige +verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in zijn "_Sceepken_": dat bootje, +drijvend in de Merwede, waar de dichter "in 't risen van der sonnen" +instapt, waarin hij zich laat drijven op goed geluk, totdat hij +eindelijk de riemen ter hand neemt--geeft ons eene aardige +verzinnelijking der verbeelding die "vaart spelen daar draaiboom sluit +noch hek." + +Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder WILLEM VAN +HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende en lyrische poëzie, in een +kort bestek samengevat, op nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe +overgaan hebben wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar +den geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van deze +verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen aan de daar +gegeven voorstelling. + + +_d_. MINNEPOËZIE. + +Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied behoort, de +invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de liefde te zien. De +vrouwendienst, zooals wij dien vroeger hebben leeren kennen, komt in al +deze stukken op den voorgrond, gewoonlijk in verband met allerlei +herinneringen aan het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht +_Van der feesten_ bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne, +op scholastieke wijze verdeeld in deelen en "poenten". Wij vinden hier +antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor men minne kan verwerven +en weer verliezen? wie gestadiger zijn in de liefde: vrouwen of mannen? +eene uiteenzetting wordt gegeven van de wijze, waarop de vier +onderscheidene temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen +tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het "helen" van +den naam zijner liefste of "vrouwe" zijn niet zeldzaam. Telkens en +telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid der vrouwen. + +Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is: _van XII +cnechten [Zijnoot: schildknapen.] die ruddren worden van heeren_ +[Zijnoot: eere.]. Twaalf dappere schildknapen hebben, zonder van +elkander te weten, een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner +geeft zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven; +dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de wereld in en worden +ridders met eere. Teruggekeerd vragen zij om hun loon. Gij hebt het +reeds ontvangen, zegt zij, in uw met eere verworven ridderschap. + +Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming is van de +ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer gedichten, schoon +nergens zoo duidelijk. + +Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een ridderlijk +publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren zeker voor de burgerij +bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke voorstellingen. Zoo ziet men +ook in deze poëzie den invloed door den eenen stand op den anderen +geoefend. + +Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk karakter +treft ons deze spreuk: + + Spere, schilt, helm ende sweert + _Hebben_ gode ridders weert[58]. + +Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare honden op +jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, worden ook in de +burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan eens vinden wij herinneringen +aan de ridderromans; in het gedicht _Van der Feesten_ worden er +ettelijke genoemd; het Koningspel uit den roman _van Limborch_ is +verwerkt tot een afzonderlijk stuk; de "vijf heren" en "vijf vrouwen", +wier "wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, die +waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, behooren thuis +in Troje; de "vier heeren", die wij voor het vuur zien zitten in een +ruime zaal en die zich met "wenschen" den tijd korten, zijn helden uit +het _Nibelungen-lied_. Opmerkelijk is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S +_Achte Persone Wenschen_ een ridder en een edele jonkvrouw met +geestelijken en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken +om het gelag[59]. + +De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische poëzie +opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich de invloed van +den roman _van de Roos_ zelfs in eene rechtstreeksche navolging. Wij +bezitten nl. een gedicht van dezen tijd van meer dan 2000 verzen, dat +blijkbaar in navolging van dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien +ook verwantschap toont met een deel der hier behandelde stichtelijke, +didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom als +inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, de ontmoeting +met allegorische personages als Vrouw Hope en Twifel; later komen de +vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien, Heer Smakelijn, Rieke-lucht, +Licht-gevoel en Hoor-na. Zij komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit, +waar Jonkheer Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de +heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten[60]. + +Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische minnepoëzie, +openbaart zich ook in de overige lyriek van minne, die van burgerlijke +dichters afkomstig was. De liefde wordt in de poëzie aangewend als een +verstandsspel tot scherping van het vernuft. Een reeks van raadsels en +vragen aangaande de minne, onder den titel _Der Minnen Guet_, was +blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij zijne +voordrachten. Ook de dialogen en "twistspraken" over de minne hadden de +strekking om in gezelschappen de wellicht eenigszins trage geesten +gaande en de tongen los te maken. De spreker vertelde b.v. van twee +gezellen, die uitgenoodigd worden mede te trekken naar het land van +Overzee en die hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje +stemt toe, het andere weigert. "Nu, welc harer hadde den besten wille?" +luidt de vraag aan het slot van het gedicht. Elders zijn wij +tegenwoordig bij een "strijd van minne" tusschen een ridder en eene +jonkvrouw, tusschen "Vrouw Venus en een gheselle". Ook de bovenvermelde +"wenschdichten", al handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn +met deze gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het +_Jugement van Vrouw Venus_, al is dat gewichtiger als voorstelling der +middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire waarde[61]. + +Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het moet ook +dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel genre van den +berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche en Middelhoogduitsche +literatuur aantreft, werd in de 14de eeuw ook in de Nederlanden +beoefend. Een vijftal Dietsche stukken van dezen aard zijn volgens het +gewone model vervaardigd en hebben dus weinig eigens; titels als "ene +vriendelike groete van enen lieve ten anderen" en "noch een vriendelike +saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche "saluts +d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche "liebesbriefe." In zulk een +"saluut" zong een verliefd jonkman den lof eener schoone, verklaarde +haar zijne liefde, verzocht om antwoord, hetzij een "brief" hetzij "eene +tafele" [Zijnoot: gewast schrijftafeltje.], sloot ook wel eens eene +roos in die hij dan als antwoord terugverzocht[62] + +Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer ophouden. Dat +blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van den trotschen GUNTHER, +den edelen RÜDEGER, den grimmigen HAGEN, die in de 13de eeuw toch nog +indruk maakten? Het is hun vooral te doen om te lachen, met mooie +vrouwen uit visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij +BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene maagd van hoogen +geslachte met monniken en nonnen te drinken--om het gelag! Het kan ons +niet verwonderen dat wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET +die men door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds onder +deze minnepoëzie aantreffen: + + Ic minne een wijf die scande geert + Nemmermeer si pijnt na ere; + Wijflijcheit hat hare onweert [Zijnoot: minacht haar.] + Nicht [Zijnoot: niet.] haren prijs kan si meerren. + enz.[63]. + +Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie van den +hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. in deze verzen: + + Ende of ic troest sochte an hare + Ende sijt ontseide, wat lagher an? + Ic sal haer claghen mijn mesvaren; + In sal [Zijnoot: ik zal het niet doen.]; ic sal; in sal nochtan! + Ic ware een verloren man, + Ghelijc den snee in sonnenschine, + Hope ende troest dies ben ic van [Zijnoot: mis ik.]! + Ay lacen, die scouden [Zijnoot: schul(en).] die sijn mine![64] + +Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met de +hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte +klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels: + + Doe ich har clagede minen noot, + Vragede zi mi: "is Brugge groot?"[65] + +Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen tijd eerst in +dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, aanvangend: + + Ic quam gegaen met liste, + Daer ic mijn suete lief wiste, + Ic sprac: "lief, waer biste,?" + +en wat daar meer volgt. + +Zoo ook in de "goede boerde" van de bagijn en haar minnaar die op een +laken door den zolder komen vallen te midden der andere bewoonsters van +het bagijnhof; alle bagijnen slaan de handen voor de oogen, maar meer +dan eene gluurt door de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje +_Dmeisken metten sconen vlechtken_ dat aan zijne naïeve zinnelijkheid +zooveel verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer +er onder schreef: "Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"[66]. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] Vgl. _Vad. Mus_., I, 369 (ook _Mnl. Ged_., ed. DE PAUW, III, 667). +VERWIJS, _X Goede Boerden_, no. VIII: "ene boerde" en _Mnl. Wdb._ i.v. +b.v. "die boerde van den Grale". + +[2] Vgl. _Mnl. Ged_. (ed. DE PAUW), I, II, 37; _Rumbeeksche +Avondstonden_, p. 23: "eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige +coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden +uitgesproken; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204, 222, 131, 114, 109 ("dese +miracle"). _Goede Boerden_, p. 11 (ook vs. 222: "dit exempel"); _Belg. +Mus_., I, 326. + +[3] In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, zou ons +in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid +bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer boerden en +sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de aanwijzingen, in +dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1o eene verwijzing naar de _Hist. +Littéraire de la France_, T. XXIII, 143, 201. 2o. De stof _van den cnape +van Dordrecht_ vindt men terug in het fabliau _du fotéor (Recueil +général et complet des Fabliaux_ van MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3o. +De stof der tot nog toe onuitgegeven boerde _van Heile van Berseele_ +vindt men, naar het schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij +CHAUCER in _The Miller's Tale (Canterbury Tales)_. De vraag mag gesteld +worden, of CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook +in _The Pardonere's Tale_ de passage aanvangend: "In Flandres whilom was +a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: _Anglia_, I, 38, 186; II, +135. (R. KÖHLER). 4o. Aan het slot van het fabliau _De le vescle a +prestre_ (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij: + +Jakes de Baisiu, sans dotance, L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc +rimée. + +Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een +paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking zijne +blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke "Van eenen +verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204-212) +vinden wij in "_Li dis dou Magnificat_" van den Henegouwschen menestreel +JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl. _Dits +et Contes de Baudouin de Condé_ par A. SCHELER, II, 355 suivv. + +[4] Vgl. _Goede Boerden_, p. 11, vs. 4; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 101; +voorts: ald. III, 111, vs. 4-5; III, 186; _Vad. Mus._, I, 50, vs. 6-8; +_Belg. Mus._, I, 326, vs. 12-17; 328, vs. 64-5; 336, vs. 354-5. + +[5] _Goede Boerden_, bl. 1, 4, 19; _Belg. Mus._, III, 108-114; KAUSLER, +_Denkmäler_, III, 165. In de boerde _van Heile van Berseele_ behalve +Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd. + +[6] In de _Chansons du XVe siècle_ (ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX) +de uitdrukking: "faire la follie" of "faire la sottise" in dezen zin. +Vgl. ook: _Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged._, no. LXXI: "dat sotte dinc +doen". Ook de Oudfransche "gabs" in de _Pélérinage à Jérusalem_. + +[7] _Belg. Mus._, X, 52. + +[8] _Goede Boerden_, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is +verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen. + +[9] Vgl. _Lancelot_, III, 16040 en _Torec_, vs. 276. + +De hier bedoelde boerden zijn: _Van enen man die lach gheborghen in ene +scrine_; _van den cnape van Dordrecht_; _een bispel van II. clerken; van +Lacarise den katijf_ (_Goede Boerden_, ed. VERWIJS, I-IV); _Belg. Mus._, +X, bl. 51 vlgg.: _van den man die gherne dranc_; _tghoede wijf maect den +goeden man_; _van III. ghesellen die den bake stalen_; _Belg. Mus._, +III, 108: _Wisen raet van Vrouwen_, vollediger in VERWIJS' _Bloemlezing +uit Mnl. Dichters_, III; _Van Vrouwen ende van Minne_ (ed. VERWIJS), no. +II; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 111 _van der weldaet die de duvele dede_. +Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te +Brussel, no. 1171, 2e serie: _van den visscher van Parijs_ (_Recueil +Gén. des Fabl._, III, 68: "Du péschéor de pont seur Saine"); _van Heile +van Bersele_ (zie boven) en _Van der vrouwen die boven haren man minde_ +(_Rec. Général_, V, 132-142: "De la dame qui fist entendant son mari +qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken +aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger +vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt +medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundel _Van Vrouwen ende van +Minne_, zal wel eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die +ook behandeld wordt in het fabliau _de Trois aveugles de Compiègne_ +(_Rec. Général_, I, p. 70). + +[10] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 118-120. + +[11] _Van Vrouw. e.v. M._, no. VIII. + +[12] _Belg. Mus._, VIII, 96. + +[13] _Id._, X, 64. + +[14] Het _Baghynken van Parijs_ uitgeg. door de Maetschappij der +Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche +uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in _Konst- en Letterbode_ +van 1853, II, 50-55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijne _Annales_, +no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (_Geistliche Gedichte des +XIV. u. XV. Jahrh._, O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste +helft der 15e eeuw. Vgl. ook: _Jahrb. des Ver. für niederd. +Sprachforschung_, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er +mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen. + +De overige sproken vindt men: _Belg. Mus._, I, 326: _Een scone exempel +van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester_; _Belg. Mus._, X, +57 vlgg.: _van den verwenden keyser_; _de mantel van eren_; _van enen +here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder_. (Ook in +KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 131: _een goet exemple_); _van tween +kinderen die droeghen ene starcke minne_. (Ook in: _Taalk. Bijdr._, I, +244, een andere bewerking); _Belg. Mus._, X, 339: _van enre nonnen +verduldechede_; _Van Vrouwen ende van Minne_, no. VIII; KAUSLER, +_Denkm._, III, p. 101, 118, 165, 186; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII, +46; _Belg. Mus._, VIII, 96: _Van den ouden ridder ende den jonghen_; +_Vad. Mus._, I, 50: _Van enen ridder die God sine sonden vergaf_; 57: +_vanden goeden Brueder_; de exempelen in den _Spieghel der Sonden_ +opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg. + +[15] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204. + +[16] _Vad. Mus._, I, 51. + +[17] KAUSLER, _Denkm._, III, 165, 109; _Belg. Mus._, X, 76, vs. 1; 58, +vs. 11; _Vad. Mus._, I, 57, 66; p. 49-50; p. 98, vs. 34-5. + +[18] _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3. (_Depllijcheit_ zal wel eene +verschrijving zijn voor _Spellycheit_.) + +[19] Vgl. _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104; +_Belg. Mus._, X, 218 vlgg. + +[20] PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205. + +[21] _Goede Boerden_, 22, vs. 93 en 1, vs. 11. + +[22] _Vad. Mus._, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing +eerst in _Manon Lescaut_; in HOOD'S _Bridge of Sighs_, b.v. in: + +Still, for all slips of hers, One of Eve's family. + + +De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S _Handske_. + +[23] _Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten_, no. 99, 101. + +[24] De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen +berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen +achter JONCKBLOET'S _Gesch. der Middennederl. Dichtkunst_, III en verder +in de _Cameraars-Rekeningen_, III, 349; DE LANGE VAN WIJNGAERDEN'S +_Gesch. van Gouda_, I, 656; Oudste rekening der stad Antwerpen ao 1324 +(in: _Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen._, IV, 114); _Het Lied in de +Middeleeuwen_, hoofdstuk VII. Over muziekscholen der meistreels Deel XX +der "_Annales de la Société d'Emul. pour l'Etude de l'histoire et des +antiquités de la Flandre_", p. 53. _Préludes historiques sur la ghilde +des Ménestrels de Bruges_ door DÉS. VAN DE CASTEELE. + +[25] BÄUMKER'S _Niederl. geist. lieder_ etc. in: _Vierteljahrschrift für +Musikwissenschaft_, Leipzig, 1888, no. 63. + +[26] Medegedeeld door ACQUOY in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, IV, +334-6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van "Kinne Wippchen" +in: _Das deutsche Kinderbuch_ von KARL SIMROCK, S. 5. Een Engelsch +voorbeeld: "Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S _Nursery Rhymes_, +p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: "_Menton d'or, bouche d'argent_" +etc.; vgl. SCHEFFLER'S _Französische Volksdichtung_, I, 239. + +De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes vond is +van 1680 in het liedboekje _Amsterdamse-Spinhuys_, bl. 76: "Een aerdig +Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille": + +De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. Hey, wat is dat, +Hille? Dat is mijnen krullebol, Och vader enz. + + +Achtereenvolgens komen dan de _oogjes_ (kijck-uyt), _neusje_ +(snuyt-uyt), _montje_ (slock-op), _kinnetje_ (kinne-klap) enz. Dat dit +lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak +niet af. + +[27] Vgl. bl. 199 van: _Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der +XIVe en XVe eeuwen_. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der +14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt +en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding. + +De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen +zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel. + +[28] Vgl. _Horae Belgicae_, X, no. 39 en _Het Lied in de Midd._, bl. 605 +vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie +overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens "overslaghend" dan +paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz. + +[29] Uitgeg. in den bovengenoemden bundel _Oudvlaemsche Liederen_ enz. + +[30] De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht +worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd +in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: _Het Lied in +de Midd._, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, _Les Epop. Franç._ (2e éd.), III, +555 en A. DARMESTETER, _De Floovante_, p. 78: "Hodie demonstratum est" +etc. Dr. A. NIJLAND, _Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift_ en +de critiek van Dr. FRANTZEN in _Taal en Letteren_, 1896, afl. 3. + +[31] Vgl. no. XXXVIII en CXXI. + +[32] Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: "Woude mi de +vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet: +"In 't scade van tween witten dien" enz. + +[33] Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen +doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no. +45: "den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de +"niders" in no. 84. + +[34] no. 96, 125, 140 (opgenomen in _Het Lied in de Midd._, bl. +269-270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91. + +[35] no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121. + +[36] _Vad. Mus._, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het +bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men: +"Dits een rondeel.... Vrou met eren... nacht. Ene ander maniere den bom" +geschreven boven muzieknoten (_Vad. Mus._, III, 141). _Bonghe_, _bom_ +wordt in het _Mnl. Wdb._ verklaard met _trom_; maar in de _Oudvl. +Lied._, no. 38 wordt van de _snaren_ der _bonghe_ gesproken. + +[37] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIV, 260 vlgg. + +[38] Vgl. _Oudvl. Lied._, no. 56, 41, 45, 49. + +[39] Boek III, c. 43. + +[40] Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij +te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (_De Gids_ van +Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: _Hor. Belg._, II, no. 3. Vgl. +voorts _Het Lied in de Midd._, bl. 117 vlgg. en _Middelned. +Historieliederen_ door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN +LENNEP'S _Vondel_, III, 350 noot op vs. 113-114. Over de bekendheid van +het lied in lateren tijd vgl. _Het Lied in de Midd._, bl. 694, 708, 714, +715, 729, 734. + +Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de +16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende +overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S _Henrik +de Groote_ (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van _Antonis +Nantoillet du Prat_. + +[41] De tekst o.a. _Hor. Belg._, XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL +FRÉDÉRICQ, _Onze Historische Volksliederen_, bl. 16. (F. zag het eerst +de beteekenis van den zonderlingen titel _van cort Rozijn_). Dr. V.D. +GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._, bl 453. De +beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van +Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor; +vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een "fier ghelaet" +toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de +stad Gent te onteeren. + +[42] Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. V.D. GRAFT +in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S +_Ned. Geschiedzangen_, bl. 44 en 56. + +[43] _Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon_ (ed. C. PYNACKER +HORDIJK), p. 1-3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI). +Dat dit eerste deel "krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS +Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID +VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van +weinig gewicht. Van belang voor ons is, _dat_ de kapelaan deze +geschiedenis in 1322 zóó voorstelt. + +[44] VERDAM in: _Versl. en Meded. Kon. Akad._, 4e Reeks, Dl. II, 156. + +[45] _Mnl. Gedichten_ (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat +_Onser Vrouwen Claghe_ uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk +genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede +gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze +loopen, terwijl vs. 1-185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst +slordig overgeleverd. + +[46] A.w. I, 56, 332-'4. + +[47] A.w. I, 245. + +[48] VERDAM t.a.p. bl. 170. + +Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de +genoemde werken en de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._, bl. 1 vlgg. + +[49] Vgl. _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT, +_Oudvl. Ged._, II, 116, vs. 175-6; 119, vs. 179-182; 120, vs. 137-140. + +[50] Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; vgl. de +bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60. + +[51] Vgl. BLOMMAERT, _Theophilus_, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S +_Bibliographie_ i.v. In het Fransch bestaat eene "Desputaison du corps +et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht. +Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209-210. Voorts _Romania_, IX, 311; XX, +1-55, 513-578 en _Zeitschr. f. rom. phil._, IV, 74-80. Een afzonderlijk +onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen +bepalen. + +[52] Vgl. _D. War._, II, 352; III, 242; _Belg. Mus._, II, 237. Indien +men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8, +12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie +variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan +ééne). + +[53] De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: _D. War_, +VII, 377; IX, 6, 142; _Vad. Mus._, II, 151; _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. +380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; _Versl. en Meded. der Kon. +Akad._, 3e Reeks, Deel XII. + +[54] De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in +_Vad. Mus._, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A. +NIJLAND, p. 185; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 94 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. +en L._, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.; +XVI, 306 vlgg. + +Vogel-spreuken vindt men behalve _Vad. Mus._, I, 319-321, ook nog in het +Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig +bundeltje, getiteld: "Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc. + +Vgl. voorts nog: _Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung_, +no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend +VERDAM). + +[55] Zie deze stukken in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 210, 289 en _D. +War._, I, 134. + +[56] _Vad. Mus._, I, 82, 86, 322, 324. + +[57] Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S _Oudvl. Ged._, II en III. + +[58] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XII, 103. + +[59] Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' _Van Vrouwen ende +van Minne_, p. 1, 8, 40, 42; _Vad. Mus._, I, bl. 80, 318; KAUSLER, +_Denkm._, III, 162; BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, II, 111-120; _Tijdschr. v. +N.T. en L._, XI, 286, vs. 15; XII, 103. + +In _Achte Persone Wenschen_, vs. 20 te lezen _'t Gelach_ in plaats van +_'t Gelaet_ dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs. +179-180. + +[60] In de _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 233 vlgg. De invloed van den +roman _van de Roos_ op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche +navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er +een, getiteld _Li Mireoirs as Dames_ (eerste helft der 14e eeuw). Vgl. +_Dits de Watriquet de Couvin...._ par A. SCHELER, p. 1 suivv. + +[61] Vgl. o.a.: _Van Vrouw. e.v. Minne_, bl. 37 vlgg.; _Belg. Mus._, +VII, 229; X, 84; _Vad. Mus._, I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A. +NIJLAND, bl. 152 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 269 vlgg. +(misschien aanvang der 15e eeuw); _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 314 vlgg. + +[62] _Vad. Mus._, I, 366-369, 387-391. Voorts: _Die gereimten +Liebesbriefe des deutschen Mittelalters...._ von ERNST MEYER. (Marburg. +1899). Op bl. 88-92 behandelt de S. in "_Die niederländischen +Liebesbriefe_", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het +is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend +heeft. + +[63] _Vad. Mus._, I, 369. + +[64] _Vad. Mus._, I, 393. + +[65] Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199. + +[66] _Goede Boerden_, no. VIII en no. VII. + + + +ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR LEVEN. + + _a_. Meistreels. Sprekers en andere dichters. + + _b_. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek. + + _c_. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem. + + +_a_. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS. + +Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen met vedel, +trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden b.v. der Heeren VAN +ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST met eene kennisgeving aan de schepenen van +Deventer van huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een +enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar 1365 vinden +wij den heraut HOPEZOMER in de _Cameraars-rekeningen_ vermeld[1]. Nog +altijd beoefenen zij naast de muziek de kunst van het woord. Meester JAN +VAN VLAERDINGHEN, die genoemd wordt onder de "menistreylen" die in 1364 +te Middelburg "vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter ook +tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. In het +toenmalig woord _vedelsage_ [Zijnoot: praatjes voor de vaak.] zien wij +dat verband tusschen muziek en woordkunst uitgedrukt en in +overeenstemming daarmede het woord _vedelaar_ gebruikt om een _dichter_ +(misschien een liederdichter) aan te duiden[2]. + +Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. Ook zij zijn +werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt van "des heren hyraut +ende sengher van Gaesbeke"; een "mynstreel", maar ook van "Jan Dyllen +den yraut, die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden +als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel ruimen voor +anderen. Hebben de herauten hen ook hier te lande op den achtergrond +gedrongen? In Frankrijk was dat, naar het schijnt, het geval. Naarmate +de heraldiek zich ontwikkelde en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg, +steeg het aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien +heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een paar +menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, wanneer hij een +meistreel tot den ander doet zeggen: + + En condi geen reinaerdie, + Smeken [Zijnoot: vleien.], no leckeberden [Zijnoot: flikflooien?]", + Men sal segghen: "gaet uwer verden [Zijnoot: gaat heen.], + Hier en es u nu niet te doene [Zijnoot: heeft men u niet noodig.] ."[3] + +Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die +vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, niet die +idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg de meesten hunner gaan +zich uitsluitend aan de muziek wijden. Sommigen hunner laten het beroep +varen en vestigen zich onder de burgerij; anderen zetten het zwervende +dichtersleven voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn +het die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander vinden. +De een, die zich "ter neringhe geset" heeft, ontraadt den ander het +voortzetten van het zwervend leven: vroeger ging het goed, toen de +heeren mild waren en goedgeefsch jegens de meistreels; toen kon men van +zijne kunst leven--maar nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De +ander erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar--zegt hij--ik eet +zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de taverne, waar ik met +weinig moeite aan kom, dat ik de "wandelinghe" niet kan laten.--Met +hoevele zwervers is het slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens +aan GIELIJS VAN TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN +[Zijnoot: muts, kapje.], die allen op hunne tochten het leven hebben +verloren. Welnu--is het antwoord--die kregen hun verdiende loon, en dan, +ik kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud dat ik +op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen[4]! + +Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief heeft, is +een type dier dagen. De gansche 14de eeuw door blijven wij hem +aantreffen. Nog in 1396 worden "piperen, heralden, ministrelen" in één +adem genoemd met de "varende lude"; onder deze "varende lude" vond men +de reizende dichters in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters +"van suptilen drachten" [Zijnoot: behendige kunstgrepen.], +gasten die een levend "hoofd van Jut" op hunne schouders droegen, zooals +zekere Brabander, "die hem up sijn hooft liet slaan hoe seere [Zijnoot: +hard.] men woude"; onder hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan +wien wij de gewilde dwaasheid van "de frenesie" te danken hebben[5]. + +Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. Sommigen +hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar het schijnt, de muziek +varen om zich uitsluitend aan de woordkunst te wijden. Dezen zien wij +gedurende de tweede helft der 14de eeuw in deze landen optreden onder +den naam van _sprekers_ of _zeggers_. Velen hunner zijn, evenals vroeger +de menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: zoo +vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van Zevenberghen", "des +hertoghen spreker van Gulic", van "meester JAN, een spreker die bi den +here van Abcoude is", "eenen seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren +Vranken knecht van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van +Wassenaer placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke", "enen +spreker die den here van Lymburch toebehoorde", "enen spreker +toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen van adellijke +heeren het wapen van hun heer droegen op hunne kleedij, mag men +vermoeden uit een rekeningpost, die spreekt van "enen vreemden spreker +sonder wapen". + +De burgerij volgde ook hier den adel na en nam "stadssprekers" aan; zoo +vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE als stadsspreker van Gent; "Meyster +PETER VREUGDEGAER, den seggher van Breda", "den spreker van Monickedam". +Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN en MEEUS +VAN DORDT, "Meester JAN, de dichter van Sente Gheerdenberghe", +"GODEKIJN, de spreker van Tricht", "meester JAN VAN MACHELEN", "DAEM, de +seggher van IJsselsteyn" en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij +kunnen echter ook, evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar +hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd. + +Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder de menestrelen, +verschil van ontwikkeling en aanzien hebben bestaan. Sommigen spraken +"voor mijnen here den grave" en konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van +zich zelven zeggen: + + Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen + Te sijn pleecht. + +Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. "twee segghers ut +Brabant", "twee duytsche segghers" zullen van minder aanzien geweest +zijn. Doch bij gemis aan gegevens is het moeilijk hier scheidingslijnen +te trekken en eene plaats te wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den +spreker, SNELRYEM den spreker, "den Jonchere van der minnen", "JANNES +DEN COSTER" en zoo menig ander. + +Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT--indien deze tot de +sprekers gerekend mag worden--kenden Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH +daarentegen, toch een aanzienlijk spreker, kent het niet. + +Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers vinden, kan +ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in het gevolg der +Beiersche graven of Duitsche edelen of althans in hunne omgeving zullen +wij een "blinden dichter van Mens" moeten zoeken, sprekers van "Beem" +(Bohemen), Trier, Keulen, Westfalen; een spreker "die men hiet Ghetuose" +en "enen jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover +deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: "CUDELIER, +des conincs spreker van Vrancrike"[6]. + +Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo talrijk zijn, +zoowel onder de ons bekende sprekers als onder de overige dichters van +dezen tijd, die wij niet met zekerheid onder de sprekers kunnen +rangschikken. Tegenover eenige weinige sprekers en dichters van Gent, +Mechelen, Brussel staan vele uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele +sprekers uit het Zuiden ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend; +doch in elk geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten +in de tweede helft der 14de eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen aan de +beoefening der literaire kunst. Evenals hunne voorgangers, de +meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets voor niets: geschenken +in geld of kleeren zijn het loon waarvoor zij hunne kunst ten gehoore +brengen. AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, die een el wit laken krijgt voor een +paar kousen, een paar laarzen met sporen om er "mijns heren zomer +[Zijnoot: lastpaard.] mede te riden", mag ook hier als type zijner soort +gelden. + +Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd dichters, die +voor geld verzen leveren, al weten wij niet of wij daar met eigenlijke +_sprekers_ te doen hebben. Zoo begint een stichtelijke opwekking tot +menschen van allerlei nering of bedrijf met deze regels: + + Omme 't ghebrec van goeden lone + Blijft menich rijm te makene scone + Van den dichters openbaer + Die lustelic te hoorne waer[7]. + +In een allegorisch gedicht over een burcht, die _Vaste Hoede_ heet, +deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw verzocht had hem +een onderwerp voor een gedicht te geven, "want ic met dichtene mi +ghenerde". Met het voordragen van _boerden_ vielen kostelijke kleeren te +verdienen; "constenaers", die in een herberg een "nieuwen zanc" ten +gehoore brachten, werden daarvoor beloond[8]. Dat de berijmde +minnebrieven en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en voor geld +gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne volslagen kleurloosheid +zou doen vermoeden, dat zij gemaakt zijn door anderen dan door de +minnaars zelven en dan zeker niet voor niet[9]. + +Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat als een +beroep--dat scheidt deze dichters van andere, die andere beweegredenen +hadden tot dichten. + +Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de beroepsdichters +stonden; immers niet zelden laken zij dezen in hunne geschriften. De +auteur van _den Grimbergschen Oorlog_ berispt de "consteneren die hem +met dichten generen", omdat zij verzonnen en onware zaken vertellen; in +den _Spieghel der Sonden_ worden speellieden en goochelaars genoemd in +één adem met degenen, die "valsche rime visieren" [Zijnoot: verzinnen.]; +in een ander didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de +"smekende [Zijnoot: vleiende.] menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn +meester ook in diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne +_Teestije_ laat hij zich minachtend uit over hen: + + Die asaghen [Zijnoot: sprookjes.] ende tureluren + [Zijnoot: beuzelpraatjes.] + Dichten vander avonturen. + +Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan rabouwen, +meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen en hun lof overal +verkondigen; een mooie lof, voegt hij er aan toe, die door "knechten en +boeven" gegeven wordt! En in zijn _Lekenspieghel_ klinkt het nog eens +schamper: zoo zijn de "yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het +elders gratis kunnen krijgen[10]. + +Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die tot deze +groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen tot dichten mogen +onderling verschillen, alle wortelen zij toch in het godsdienstig of +zedelijk gemoedsleven. De Ypersche chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij +wat wereldsche poëzie gedicht vóórdat hij zijn _Nieuwen Doctrinael_ +schreef, om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als +dichter van _Sinte Amands Leven_ kennen wij den jongen geestelijke +GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den nadruk op, dat hij met +zijn werk geen "winninghe van gelde" of ander loon beoogt; zijn loon +wacht hij slechts van God. Een andere beweegreden, door hem genoemd, is +angst voor de "ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen. +Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit "groote vreeze", blijkbaar +voor de vergelding die den zondaar wacht. Het _Vagevier van Sinte +Patricius_ dankte zijn ontstaan aan het verlangen des dichters om den +boozen afkeer van hunne boosheid in te boezemen. Andere geestelijke +dichters vragen: bid voor mij die dit schreef, of beloven den lezers +kwijtschelding van zonden[11]. + +Is ook de liefelijke sproke _van Beatrijs_ te beschouwen als een soort +van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. De dichter +(dichteres?) vangt zijn werk aan met: + + Van dichten comt mi cleine bate; + Die liede raden mi dat ict late + Ende minen sin niet en vertare + +Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze "bate" al dan niet +geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter vóór ons +hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een leek, die vroeger wereldsche +poëzie had gedicht en nu iets beters wil geven. + +Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid blijven +omtrent de personen der dichters van de 14de eeuw. Van sommige kennen +wij de namen, doch ook weinig meer; van andere weten wij zelfs den naam +niet en naar hunne persoonlijkheid kunnen wij slechts gissen. Wij weten +dat LODEWIJK VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den +aanvang der 14de eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. door zijne +"stampiën" (misschien eene soort van dansliederen). OTTO VAN ORLEIEN +schreef eene "bedinghe van onsen Here", die niets karakteristieks heeft; +de samensteller van _die Cracht der Mane_ heette HEINRIC VAN HOLLANT. +Als dichter van den _Seghelyn van Jeruzalem_ noemt zich LOY LATEWAERT, +dien wij om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven +vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten houden. Was +hij misschien een "clerck", verbonden aan den dienst van een edelman? +Diezelfde gissing zou men willen wagen ten opzichte van den man, die ons +het verhaal _Van den borchgrave van Couchi_ naliet; bij den _Malegijs_ +en de overige ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen +misschien eer aan meistreelen dan aan "clercken" moeten denken. + +In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die met WILLEM IV +in Friesland sneuvelden, meen ik de hand van een heraut te herkennen. +Elders kunnen wij zelfs geen gissing wagen. Wie schreef b.v. den +geestelijken roman _Van Jonitas en Rosafiere_? BOUDEWIJN VAN DER LORE +noemt zich als auteur van _Achte Persone Wenschen_; doch wie schreef de +overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die bij +voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, waarin wij +een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger als die EGIDIUS, wiens +dood ons gemeld wordt in dat roerend klaaglied dat aanvangt: + + Egidius, waer bestu bleven? + Mi lanct na di, gheselle mijn! + Du coors [Zijnoot: verkoost.] die doot, du liets mi tleven. + Dat was gheselscap goed ende fijn, + Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn[12]. + + +_b_. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK. + +Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af evenals vroeger +naar gelang van de poëzie en van den voordrager. + +Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG en AUGUSTIJNKEN VAN +DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken hebben begeven om hun +werk voortedragen. Dat blijkt wel uit het "heren en cnapen", waarmede +zij hunne hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel in +de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo wordt in _de +Mantel van eren_ het wapenschild beschreven van den edelen ridder, wiens +lof hier was verkondigd: "van lazure // met twee ramshorne van +goude"[13]. In een andere sproke echter, van het Jodenmeisje dat +Christin wordt, spreekt de dichter zijn publiek aan met: "gi goede +liede"; diezelfde uitdrukking vindt men in het heiligenleven _van Sint +Amand_, doch afgewisseld door: "ghi lieden alle ghemeene... knapen, +joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden vooral voor de burgerij +bestemd waren zou men op zich zelf reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt +meer zekerheid door een aanvang als: "Alle swighet ende hoert," of: + + Ghi goede liede, hoort na mi! + Selke boerde en hoerdi nie + Als ic u hier sal vertellen. + +Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker wel eens voor +de mindergegoede standen zijn voorgedragen. De sproke van de edelvrouw, +die "vigilyen" voor de dooden placht te lezen, richt zich niet tot edele +heeren of vrouwen, doch tot "alle... eist wijf of man", en aan het slot +van een notabel lezen wij: "Secht "amen" die hier zijn omtrent[14]." + +Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om te worden +voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk werkje +als _die Cracht der Mane_; ook een prozawerk als het _Leven van Jezus_ +richt zich tot degenen "die dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren +lesen". Het verzoek om stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog +niet overbodig. Evenals in de 13de eeuw werd de voordracht van poëzie +nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde _van Heile van +Berseele_ ten minste wordt het vertellen van schoone avonturen genoemd +in verband met "vedelen en singhen" en "somtijd spelen metter harpen". +De taverne zal wel--wij hoorden het reeds van den zwervenden +meistreel--de plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een +rondreizend dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen. +Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne een rooden +mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons hoe hij "te wine" of "te +biere" zit: + + Ende hoor daer singen ende boerden spreken. + +Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; aan het slot der +zedenschets _van den man die gherne dranc_--een dorstige stof--klinkt +het: + + Nu, gheeft mi drincken metter vaert + Want drincken dat es al mijn aert[15]. + +Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig literair werk +zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar ook eenige lezers. Die +lezers zullen langzamerhand talrijker worden, al blijven zij nog lang +tevens hoorders. + +Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende burgerij +vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen tijd steeds toe. De +literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog altijd aftrek; de werken +der 13de eeuw immers zijn ons bewaard gebleven vooral in afschriften der +14de eeuw. Doch ook de geschriften van tijdgenooten worden door +afschrijvers vermenigvuldigd. De bescheiden RUUSBROECK was er niet op +gesteld dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen bracht. +Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn "notarius" geweest was, +Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen tot het nemen van +een afschrift[16]. + +Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het samenstellen +van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen een stuk dat men hun +waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, in bezit te hebben. Zoo schenkt +in 1360 de Graaf VAN BLOYS 19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den +"segger", "want hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf, +van minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt de spreker +van Monickedam "die mynen here een sproke van de Vriezen overgaf" twee +"nye gulden"[17]. Men begint een boek als een geschenk te beschouwen: +jonkvrouw JOHANNA VAN BLOIS krijgt voor haar Paschen "enen nuwen +boexkine" ten geschenke, "daer in stont onser Vrouwen legende"[18]. Ook +uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: de +Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek van _Godefroi de +Bullion_, van _Merlin_ en de _contes du Barisiel_; een Henegouwsch +edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337), bezit reeds eene kleine +boekenverzameling: _le message Carlemaigne_, de geschiedenissen _d'Aëlis +et l'Empereur et du roy Ingres_, van _Atis et Prophelias_, van +_Sidraach_, van _Mainnet_, de _Aventures d'Oultremer_ en den _Veus dou +Paon_. + +Lezen de Leliaerts Fransch--de Clauwaerts houden zich aan hun Vlaamsch. + +Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt er uit de +boeken, die wij in de tweede helft der 14de eeuw in het bezit vinden van +aanzienlijke en eenvoudige Gentsche burgers. De handschoenmaker JAN DE +BEERE heeft een _Bestiaris_, een _Lucidarius_, een _(Wapene) Martin_, +een boek _van den Landsheren_ en _Evangeliën in vlaems_. WILLEM VAN DEN +PITTE, lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den "_Spieghel +Ystoriaelle_ in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN ELYAES, +waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een _Barlaäm_, een "cleennen" +_Spieghel_" en "een deel van der Biblen". De Clauwaert JAN WASSELINS +heeft een heele bibliotheek. Evenals de twee eerstgenoemde Gentenaars +heeft ook hij een "Bibele in vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet +meer! Zijne boekerij is bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche +literatuur, voorzoover daarin de voorname genres behalve het lied en het +drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken geestelijke +werken over _de Passie_, over _Adam en Eva_, _van der Zielen_ en _van +der ghuldene baghe_; ridderromans _van Ogier, Seghelijn, Isenbaert_[19]; +zedekundige werken en leerdichten: van SENECA, "_Pietagoras bloume_", +_Jans Testye_, een paar "doctrinaelen", een _Bestiaris_, _Melibeus_, een +_Wapene Martijn_; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek van +Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften over +astronomie en medicijnen. Ook "_een bouc van Reynaerde_" ontbreekt +niet[20]. + +Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken geweest zijn? Met +het oog op het groote aantal handschriften der 14de eeuw, zal men wel +mogen aannemen dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De +lust tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken brachten op +hunne beurt meer menschen aan het lezen. JAN BOENDALE waarschuwt wel +tegen de lezing van ijdele boeken, maar toch: + + Alse ghi den tijt corten wilt, + In u camere ghi u sluten silt + Ende roepen uwen sceppre an; + Oft ghi selt boeke hebben dan + Van Gode oft van goeden zeden + Ende niet van idelheden + Ende selse lesen oft doen lesen[21]. + +De _Melibeus_ spreekt niet alleen van _lezen_ maar ook van _overlezen_ +en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt in zijn afschrift van +RUUSBROECK'S _Tabernakel_ ook meeningen van anderen op, opdat "een +subtijl ende verlicht lesere yet orberlics [Zijnoot: nuttigs.] daer uut +moghe _mediteren_"[22]. + +Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk ten ooren +invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat men niet +onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het nadenken over het +gelezene, het worstelen met een stuk dat men niet dadelijk vat. In een +vroeger door ons genoemd allegorisch gedicht zien wij vier personages, +die elk een der temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan +zij den zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af: + + Dat si souden al ghemeen + Studeren, peinsen, nacht ende dach, + Bezien wiet eerst ghevinden mach[23]. + +Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken der +onderscheiden handschriften van één werk om daaruit een goeden tekst +samentestellen. Devote bewondering van RUUSBROECK'S geschriften bracht +een lateren bewoner van Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars +der waarheid, om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te +vergaderen "op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, dan uut den +anderen, den gherechten sinne vinden ende setten moghen."[24]. + + +_c_. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR. LETTERROEM. + +Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek +langzamerhand ontwikkelen. + +De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil in aard, +temperament en smaak der menschen. MAERLANT had zich ook hier weer een +vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, want in zijn werk vooral vinden +wij die klachten over het "beniden", de "niders" en de "nidechede" onder +degenen voor wie zijn werk bestemd was[25]. Doch in de 14de eeuw zien +wij de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van _Der Mannen ende der +Vrouwen Heimelycheit_ klagen over de "beniders" evenals hunne +voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van een hunner +tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook tot hen die in +wetenschap of muziek zich onderscheiden, en daardoor de ijverzucht van +anderen opwekken. Want zóó laag is de opvatting van critiek in 't +algemeen nog, dat men haar toeschrijft in de eerste plaats aan +ijverzucht of afgunst. + +In het bovenbedoeld stukje lezen wij: + + Predict een cleerc die waerheit + Of toecht een zijn meesterie, + Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit, + Of spel toecht of melodye, + Ezels ende rude saeftiere [Zijnoot: broddelaars, knoeiers.] + Die der consten niet en weten een haer, + Sullen bi ombekender maniere [Zijnoot: uit gemis aan ontwikkeling.] + Haestelic vinden daer an een "maer"[26]. + +Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en talent gaat de +literaire critiek zich richten. + +De samenstellers van _Sinte Amands Leven_ en van _de Tien Plaghen_ +beseffen wel dat zij geene "meesters" in de kunst zijn, dat "diepheit +van dichtene" en "sproken van cunsten fijn" hunne zaak niet is. De +bewerker van den _Spieghel der Sonden_ is zich ook wel van iets +dergelijks bewust; doch hij acht dat van geringe beteekenis: "de rime" +moge van minder allooi zijn, wat schaadt dat, indien de _Spiegel_ maar +helder is[27]? + +En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT brengt zijns +ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie waartegen hij in +later tijd te velde trok en BOENDALE volgt hem ook in die hulde. +MAERLANT zelf werd bewonderd en geprezen door wie na hem kwamen en +AUGUSTIJNKEN VAN DORDT na zijn dood geroemd als "een constenare fijn." + +Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men toentertijd te +onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer wij gewag hooren +maken van + + Die meerkeren ende de wijsen + Die de grote cunste prisen[28]. + +Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint gedicht +ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande wel, dat men aan +poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht gaat hechten dan vroeger. + +Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen vorm wijst op +een hooger opvatting van poëzie. De dichters wilden hierdoor op naïeve +wijze te kennen geven dat poëzie iets buitengewoons is, iets dat buiten +of boven de gewone werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt +zich in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons volk uit. + +Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen van het +dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog slechts één +bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH laat "een leeck dichter" en +een "clerck" zich onderhouden over "dichten ende const". JAN VAN HULST +(of welke andere Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons +het dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig +te beschrijven. + +Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting en +beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan JAN BOENDALE. + +In den proloog van zijne _Teestye_ doet hij ons reeds eenige +bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van poëzie. +Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie komt bij hem voort +uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit zijne natuur; poëzie is +vermoeienis des geestes, doch daarom verzaakt hij haar niet. Hij hoopt +zich met deze "reyne onlede" [Zijnoot: bezigheid.] bezig te houden, +zoolang God hem het leven gunt, en zijn talent aan te wenden ten dienste +van zijn beschermer, Heer ROGIER VAN LEEFDALE[29]. + +Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk uit het +derde Boek van _der Leken Spieghel_. + +Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken naast de +"clercken" optreden als dichters; daarom acht hij wenschelijk uiteen te +zetten, wat noodig is om een recht dichter te zijn. Wenschelijk, want: +"dichten en is geen spel." Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de +taalkunde en de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij +zijn en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone taal en de +woorden te voegen "elc na sinen scoonsten accoorde", hij moet juist +schrijven en spellen, begrip hebben hoe men een stuk moet opzetten, +voltooien, en stevigen door kracht van voorbeelden. Leeken, die van dit +alles, de kunst der "gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor +dichter; zij missen den onontbeerlijken grondslag. + +Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht toch, dat men +zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij nu op onwaarheid +betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven en zijn dichternaam is +verloren. Er zijn bovenal twee dingen, waarin hij niet mag liegen: +historische feiten en de Bijbel. "Eere wien eere toekomt", dat zij de +leus van den rechten geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst +doen de waarheid vaak verzwijgen--maar men bedenke, dat leugen de ziele +doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk ijdel woord. Terecht is +JACOB VAN MAERLANT, "die vader is der Dietsche dichtren algader", zoo +uitgevaren tegen de leugendichters, die met vernuft en in mooie taal +allerlei onwaarheid verteld hebben van historische personages als KAREL +DE GROOTE en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd uit +stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij een dienstmaagd +verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven geboren is "ten Zeven +Tommen" [Zijnoot: bij de zeven graven.]. Alles leugens! Zulken +leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij willen de +menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer mede te winnen. Ja, +men vertelt wel eens verzonnen dingen, zoo b.v. van Reynaert en Izegrim +en Bruin den beer; maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God +zelf sprak immers ook in parabelen! + +Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat zijn heilige +boeken, levens der heiligen en alles wat tot de heilige Kerk behoort; +want die heeft haar grondslag in JEZUS CHRISTUS, die alleen de waarheid +is. + +Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, priesters en +ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, dan moet hij zelf +een deugdzaam man zijn. Leeringen wekken, voorbeelden trekken. Let eens +op de dichters die er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS, +ARISTOTELES, CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS die den +Bijbel vertaald heeft--allen dichters in eere en deugd. Niemand heeft +ooit JACOB VAN MAERLANT op een leugen betrapt, want zijn leven was +eerzaam, zooals een dichter past. + +Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur niet tot +dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren hoe gij het worden +zult. Rechte dichters moet men op hoogen prijs stellen. Zij zijn +onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en wet, ons geloof, onze +handvesten en onze geschiedenis--alles zou verloren zijn gegaan, hadden +de dichters het niet in hunne geschriften bewaard. + +Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn. + +De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, weer een ander +om geld--maar dat is de rechte poëzie niet; zulke menschen dichten uit +winstbejag, zonder natuurlijke aandrift + + Een rechte dichtere, God weet, + Al waer hi in enen woude, + Dat hi nemmermeer en soude + Van dichtene hebben danc, + Nochtan soude hi herde onlanc [Zijnoot: zeer korten tijd.] + Sonder dichten daer gheduren, + Want het hoort te sire naturen: + Hi en mochts niet laten, al woude hi. + Dichten moet uut herten vri + Comen ende uut claren zinne, + Daer God behoude inne + Elken dichter die waerheit mint. + +Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien mogen wij +zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene moderne volkstaal +geschreven is; mij althans is in geen der moderne literaturen een +vroeger of gelijktijdig geschrift bekend dat met dit hoofdstuk van JAN +BOENDALE vergeleken kan worden. Reeds om die reden acht ik deze +verhandeling van groote beteekenis; doch ook om andere redenen. + +Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand uit de handen der +meistreelen en "clercken" overging in die der burgerij; en daar de +dichters voor hem blijkbaar de dragers van het ideaal zijn, tracht hij +de komende dichters in het rechte spoor te brengen. Vandaar zijne +omschrijving der eischen waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij +moeten ontwikkelde mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met +hunne poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip +_waarheid_ hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht van het +nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; hij heeft ook +beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts uit belangelooze +aandoening en aandrift, en niets gemeen kan hebben met eenige zelfzucht. +Waar hij er op wijst, hoeveel de menschheid aan de poëten te danken +heeft, herinnert hij even aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne +_Defence of Poetry_ deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van +gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van taal, waarvan +de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling heeft kunnen vormen. + +Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de berijmde +verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een merkwaardig +literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener dan zij is, dan +nog zouden wij BOENDALE dankbaar moeten blijven voor dezen eersten stap +op een onbetreden weg; niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin +voor de eerste maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat +men dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, "al zong +hij zichzelve' alleen"[30]. + +BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op de +ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met een paar +staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd. + +MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn Rijmbijbel, heeft +ons reeds vroeger getoond dat men de macht der literatuur in de +volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt zich ongerust over de +wraakzucht van het publiek; bij de beschrijving van een gevecht acht hij +het veiliger dappere strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij +kent zijne tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve +maatregelen[31]. In het verhaal _van den borchgrave van Couchi_ wordt +een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan een boom[32]. + +Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds bracht +zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van _Sinte Amands Leven_ en +van _Theophilus_ vreezen dat hun naam zal bekend worden en dat men dan +hun werk zal toeschrijven aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de +Karthuizer, verbaast er zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is +van "ydelre gloriën"[33]. + +Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale verhoogde +zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook op de auteurs die +na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S aanzien en invloed op latere +schrijvers verhoogd door de vervolging waaraan hij bloot stond. + +In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den invloed door +MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de schrijvers die na hen kwamen, +hebben wij in onze literatuur de eerste voorbeelden van de literaire +vorming welke een volgend geslacht van het voorgaande ontvangt. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] Vgl. Mr. S. MULLER FZ., _De Registers en Rekeningen van het bisdom +Utrecht_ (ao 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; _Rekeningen der +Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis_ (ed. HAMAKER), +III, p. 49, 92 vlgg.; _Cameraars-rekeningen_ (ed. VAN DOORNINCK), I, 47, +84; II, 20, 308, 783; III, 498, 518 (ao 1339, 1340, 1360, 1365). + +[2] Vgl. _Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg_ (ao 1364), +uitgeg. door het Historisch Genootschap in _Codex Diplom. Neerl._, 1853, +II, p. 5, 6. _Oudvl. Lied. en Ged._, p. 267 en _Versl. en Med. Kon. +Akad._, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144. + +[3] Vgl. _Dits et Contes de Baudouin de Condé...._ par AUG. SCHELER, I, +153: _Li Contes des Hiraus_; I, 448 een citaat uit de _Hist. Litt. de la +France_, XXIII, 272; "A la fin du XIIIe siècle la profession des hérauts +etc." + +In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst +_lecken berden_. VERDAM wil hiervoor lezen: _leckeberden_ in den zin van +_flikflooien_. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te +komen (_Mnl. Wdb._ i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor +mij. Wat beteekent _bert_ hier? In de beteekenis _schotel_ schijnt het +niet voor te komen. Kan het misschien _(wapen)bord_ beteekenen? Zoo ja, +dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten hebben. + +[4] _Belg. Mus._, VII, 318. + +[5] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_, bl. 63; +_Cam. Reken._, III, 1, p. 624 (ao 1366); III, 2, p. 239 (ao 1369); +_Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis_, III, 385; _Goede +Boerden_, p. 37 vlgg. + +[6] Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der +_Grafelijkheids-rekeningen_ achter JONCKBLOET'S _Mnl. Dichtk._, Deel +III. COLPAERT in _Vad. Mus._, I, 50. De Holsteinsche _Hopezomer_ wordt +ao 1392-'3 _jong_ genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn +naamgenoot de heraut. + +[7] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 114. + +[8] _Vad. Mus._, I, 335, vs. 44 vlgg.; _Vierde Martijn_, vs. 789-791; +_Van den Borchgrave van Couchi_, I, 94 vlgg. + +[9] Die naamdichten (voor _Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette Calle_ +e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in _D. War._, I, 542) in _Oudvl. +Lied. en Ged._ + +[10] _Grimb. Oorlog_, I, 12-21; _Sp. der Zonden_, vs. 7739-'40; _Oudvl. +Ged._ (ed. BLOMMAERT), III, 115; _Teestije_, vs. 1615 vlgg.; 922 vlgg.; +_Lekensp._, III, c. 4, 190-2. Misschien zouden wij in dit verband ook de +zonderlinge _Tweespraak van Scalc ende Clerc_ moeten behandelen (vgl. TE +WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet van MAERLANT). Doch +zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen tekst kennen, is het +beter zich van een oordeel te onthouden. + +[11] Vgl. _N. Doct._, vs. 19 vlgg.; _Leven Van S. Amand_, 1379 vlgg.; +_Theoph._, 28-29; _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 12; _Vaghevier van S. +Patr._, 24-26; _Bed. der Missen_ aan het slot; _Mnl. Ged._ (ed. DE +PAUW), I, 41 vlgg.; _S. Kerstine's Leven_, vs. 151-3; _Der Ystor. +Bloeme_, 36-40, 725 vlgg. + +[12] Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. _Lied in de Midd._, bl. 587; maar +vooral: VANDER STRAETEN'S _Les Ménestrels aux Pays-Bas_, p. 88 suivv. +OTTE VAN ORLEIEN, _Vad. Mus._, II, 394; de hand van een geestelijke of +clerck meen ik te zien in _Couchi_, II, 1628 vlgg., 1746-'7, 2171 vlgg.; +de bedoelde wapendichten in _Belg. Mus._, V, 104 vlgg.; het groot aantal +assoneerende rijmen in _Jonitas en Rosafiere_ (zeker een 40-tal op 1200 +verzen) zou aan een volksdichter doen denken; de rijmen van BOUDEN VAN +DER LOREN zijn over het algemeen zuiver, terwijl men in de overige +wenschliederen nog al wat assoneerende rijmen aantreft. Over JAN VAN +HULST vgl. een artikel van ARNOLD in _D. Warande_, (N. Reeks), I, 542 en +de Inleiding tot de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._ Een nauwkeurig +onderzoek der onderscheiden liederen en gedichten van dezen bundel zal +misschien meer zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het +komt mij voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl. +233 vlgg. en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen +schreef: op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar +letterlijk herinneren aan eenige uit het lied op de "kerels". Vgl. ook +bl. 311-312 met no. 36, no. 103, no. 140 (de kleuren). De liederen op +bl. 247, 261, 276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en +inhoud aan vele der 145 die den bundel openen. + +Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter; + +juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen +den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den zanger +EGIDIUS te verg. no. 98 en no. 100 der _Oudvl. Lied. en Ged._; op p. 470 +van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; voorts _Tijdschr. +v. Ned. T. en L._, XI, bl. 286-7, 289-292. + +[13] _Belg. Mus._, X, 69. + +[14] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII, 46; _Leven van S. Amand_, I, +676, 2807, 3920; _Goede Boerden_, p. 4; _Belg. Mus._, X, 69; KAUSLER, +_Denkm._, III, 109, 203. + +[15] De plaatsen over het _hooren_ van poëzie zijn, na de vroeger +vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk vinden. +Vgl. overigens: _Vad. Mus._, I, 337; _Belg. Mus._, X, 57. + +[16] Vgl. _Werken_ (ed. DAVID), I, bl. IX. + +[17] _Het Leven van S. Kerstine_ ondernomen op verzoek der geestelijke +jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon zijne voortzetting +van den _Sp. Hist._ op verzoek van de Vrouwe VAN BERLAER; de +_Brabantsche Yeesten_ werden gemaakt in opdracht van Heer WILLEM +BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de _Grimb. Oorlog_ werd +"beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk van een edelman (zie +vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); _Tondalus Visioen_ voor +een "edele Jonfer". + +De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S _Gesch. der Mnl. Dichtkunst_, +III, 618, 611. + +[18] DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, _Geschied. van Gouda_, I, 187 (omstreeks +1387). + +[19] Vgl. over dien roman _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 263-4; voorts +_Das Epos von Isembard und Gormond...._ von Dr. R. ZENKER, Halle a.S. +1896; THEODOR FLURI, _Isembart et Gormond_ (Züricher Diss., 1895); +_Romania_, Avril, 1897, Janv. 1898. + +[20] Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in _Ned. Museum_, 1879. + +[21] _Lekensp._, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg. + +[22] _Melib._, 55-58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel +voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S _Bijdragen_, bl. 15. +Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van _lezen_ in onze +beteekenis, zijn: _Jans Teesteye_, vs. 812-'4; _Vlaamsche Rijmkroniek_ +(in KAUSLER'S _Denkmäler_), vs. 4124-'5; _Tondalus Visioen_ in den +aanvang (ed. BLOMMAERT), II, 31: "So wie datter neerenstelic in wille +lesen ende de woorden merken, hi sal" enz. + +[23] _Oudvl. Lied. en andere Ged._, bl. 268. + +[24] DE VREESE, a.w. bl. 24. + +[25] _Alex._, vs. 6, 29; _Merlijn_, 6 vlgg.; _Troyen_, 24-26; _Rijmb._, +I, 73 vlgg. + +[26] Proloog v.d. _Lekensp._; _M.e.V. Heim._, vs. 25 vlgg.; KAUSLER, +_Denkm._, III, bl. 215. + +[27] _S. Amand_, II, 5333 vlgg.; _Tien Plaghen_, 30-33; _Sp. der Zond._ +I, p. 218. + +[28] _Oudvl. Ged._, III, 105; _Tien Plaghen_, vs. 43-44. + +[29] A.w. vs. 64 vlgg. + +[30] _Licht en Schaduw_ door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6. + +[31] A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40-151. + +[32] A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. +270 en _Brab. Yeesten_, V, 3181 vlgg. + +[33] DE VREESE, t.a.p. bl. 13. + + + +WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH. + +Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de persoonlijkheid en +het werk van den dichter wiens naam hierboven staat. + +Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel trekken van +veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen ons den invloed +der vroegere literatuur zooveel beter dan die der meeste anderen uit +dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke en ontleende zooveel +eigens--dat WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een +afzonderlijke plaats in dit verhaal[1]. + +Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar het +schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is hij de +eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven en van wien wij ons +daardoor eene betrekkelijk zoo volledige voorstelling kunnen vormen. + +Misschien is hij omstreeks het midden der 14de eeuw geboren, en +gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als spreker zijn +opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot het aanvaarden van dat +beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten minste komt het niet +onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner gedichten over zich zelven +spreekt waar hij een jonkman over zijne jeugd laat verhalen: hoewel van +matigen rijkdom, leefde hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan +zijn gedrag en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde +zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af en het liep mis +met hem[2]. + +Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid van Holland +gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij daar genoemd wordt: +"WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, _enen_ spreker" zou men opmaken, dat hij +toen nog niet zeer bekend was aan des graven hof. In het volgend jaar +echter schijnt "Meester WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn +geworden. Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor +andere "hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, te +grootsch om zes "nieuwe schilden" aan te nemen voor een rok en een paar +"Henegouwsche kronen" als drinkgeld. Met spijs en drank als loon voor +kunst is hij niet zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar +hij geen kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize van +Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, daar licht hij +zijne hielen. + +Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op eigen +aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een opgegeven +onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse van Rijnsburg iets +over de Tien Geboden[3]. + +HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een groot deel der +toenmalige literatuur: men vindt er tal van stichtelijke of zedekundige +stukken, een paar dierfabels, een paar boerden, ook historische +gedichten aan de tijdsomstandigheden ontleend. In zijn werk is de +invloed van vroegere auteurs duidelijk zichtbaar en wij vinden er +onderscheidene trekken der gelijktijdige literatuur in terug. Een +geleerd dichter als MAERLANT of BOENDALE was hij allerminst; Latijn +kende hij niet en zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald +hebben tot den bijbel[4]. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan +met wat de geleerde "clercken" vóór hem hadden gedicht. MAERLANT'S +werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn hem niet onbekend +gebleven; doch meer had hij te danken aan het werk van BOENDALE die een +paar geslachten ouder moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker. +Stukken van _der Leken Spieghel_ zijn door WILLEM in zijne werken +opgenomen. Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat "God is als +een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God "altemale een +gheest" is, herinneren ons ook aan den _Lekenspieghel_. BOENDALE'S +beschouwing der literaire kunst is door HILDEGAERSBERCH overgenomen; de +verzen: + + Const is die alrehoochste schat + Die men ter werelt ye besat. + +zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk _Hoe dichters dichten +sullen_[5]. + +Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel slechts waarde +als voertuig van nuttige leering: "Zoo sprac Reynaert, ende hi was +vroet"--daarmede besluit hij een zijner dierfabels en in een andere waar +hij een hond doet spreken, acht hij zich verplicht den lezer te +waarschuwen: + + Niet dat honden yet spreken moghen, + Mar in 't ghelijcke wert vertoghen + Menighe leer tot onser bate[6]. + +Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE zien wij in WILLEM'S +beschouwing der vrouwen. Bij hem als bij MAERLANT vinden wij vooral den +hoofschen vrouwendienst die zich vertoont o.a. in regels als deze uit +een stuk _Vanden goeden vrouwen_: + + Twaer een kaerl onwijs te weten + Off by maten dat uut te meten, + Wat loff den vrouwen toebehoort. + +"Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en ook in andere +stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht betuigd. Die eerbied +is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen die zich onder de eerzame +mengen, bellen zou willen aanhangen "die lude cloncken waer si +ghinghen"; op die wijze zou men zich voor haar kunnen wachten[7]. + +Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en innerlijken +vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH zich een kind van +zijn tijd. Allegorische personages als Trouw en Gerechtigheid, Rede als +portier, Trouwe als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook +bij hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en "disputacie", hij +speelt met woorden als _beschermen_ dat tot _bescheren_ wordt, met +_vaer_ [Zijnoot: vrees.] en _varen_[8]. Zijne stukken zijn, gelijk +zoovele andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld +en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De stof is er op +de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, die achtereenvolgens +nauwgezet en degelijk worden behandeld; reeksen los aaneengeregen +sententie's zijn ook bij hem niet zeldzaam. + +Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: invloed +ten goede te oefenen op de menschen en de maatschappij. Wij weten te +weinig van de poëzie der overige sprekers om te kunnen beslissen of hij +ook hier als type zijner soort mag gelden; doch indien de stichtelijke +en didactische lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden +toegeschreven--en ik zie daartegen geen bezwaar--dan bevat WILLEM'S werk +ook hier het meest wezenlijke van dat zijner tijdgenooten. + +Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en waarschuwingen +om wel te leven, ten einde zalig te kunnen sterven; te geven "metter +wermer hant" [Zijnoot: nog bij iemands leven.], niet gierig te zijn, de +goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, indachtig te +blijven dat wij "geen _morgen_ hebben", dat wij allen "op de lange +vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge heeren met de bede om recht +en billijkheid te betrachten, klaagt over het onrecht dat zij laten +geschieden, waarschuwt anderen zich niet al te veel met de groote heeren +in te laten. Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den +waarachtigen rechter: God "die elken man ghelike recht". Den steden +wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig zijn, +geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen[9]. + +Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij WILLEM het +verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken van het heden +scherp uitkomen. Het heden ligt voor hem in het booze: Reinaert staat +aan het roer en Simon [Zijnoot: verpersoonlijking der simonie.] op de +voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden Trouw en +Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan zijn eigen kist te +vullen. Midden in een of ander verhaal uit het verre verleden zien wij +hem soms plotseling terugkeeren tot zijn eigen tijd, om dien tegenover +het betere verleden te plaatsen[10]. + +Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT zóó forsch +deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH die leven moest van het +publiek. De zorg voor het dagelijksch brood hing den armen spreker als +een kluister aan het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of +hij zal het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag: + + Want een dichter moet hem hoeden + Voer den ghenen diet sullen horen, + Dat sijs [Zijnoot: zij het.] in nide noch in toren + Niet en nemen dat hi maect. + +Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge hun toch niet +te lang vallen als zij goede leering hooren! Zijnerzijds belooft hij +maat te houden: + + Een dichter die hem wel verstaet, + Dien dicht niet al sijns selfs begheren. + +Niet te lang, "dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan zal hij +zich ook maar houden[11]. Vandaar in zijne gansche houding tegenover +zijn publiek iets slaps en zwaks. Het hoogste waartoe hij het in dezen +brengt, is zachte ironie die in haar soort vooral voor dien tijd +verdienstelijk is: + + Waerom souden wy trueren yet? + Sint God die werelt werden liet, + So ne was sy nye so wel te vreden. + Die paeus die leeft by goeden reden + Om te dienen onsen Heer + +al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus kent men geen +afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten zijn rechtschapen waar men +komt--meer zal ik er niet van zeggen. + +Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de middeleeuwsche +literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk tracht ook deze +leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; doch van hoe weinig +idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche argumenten. De tien +geboden moet men houden. Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder +te doorstaan dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden +zelden oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen jichtig +en lam. Met "wychelinge" [Zijnoot: de zwarte kunst.] moet men zich niet +afgeven: zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden; men +kan immers "met minre arbeide" één God aanbidden dan vele? God moet men +"te vriend houden" en eenvoudig weg gelooven dat Hij, onze Heer van den +hemel, is één God en drie personen--"daer comt men by ten hoghen loon." +Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden +zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige schapen wel +scheren, maar het vel moeten zij hun laten; dan kan er immers nieuwe wol +op groeien! Wat overigens het onrecht betreft, dat moet men verdragen en +zachtkens terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel +kwaad, zijne onderdanen moeten steeds + + smeken ende nygen [Zijnoot: vleien en buigen.] + Om hoers heren hulde [Zijnoot: gunst, genegenheid.] te crigen. + +WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten weg is +afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch de leeken moeten er +zich maar niet te zeer aan ergeren en slechts letten op wat de priesters +hun _leeren_; er kan wel goed zaad gestrooid worden uit een slechten +korf[12]. + +Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der waarheid te +zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH geleerd; +hij heeft getracht die leer in praktijk te brengen, doch zijn beroep +kwam telkens met zijne roeping in strijd. "De waarheid wil niet gehoord +zijn" dat was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden +dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die berusting hem niet tot +lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien met de riemen die hij had. +Ik zal leeren dicht bij het wit te schieten, niet het wit zelf te +treffen, zegt hij in het gedicht _van den coninc van Poertegael_. Maar +zijn eerlijk eenvoudig hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid, +blijft droevig gestemd: + + Hoe sal ic dan, arme oude, + Die gaerne die waerheit spreken soude, + Der heren gunst of hulde verwerven? + +In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk +blijven verkeeren tot zijn dood. + +Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. Doch al +was zijn voorspoed naar de wereld gering, hij wilde zijn loon verwachten +van God, zijn lijden geduldig dragen. Had het sprekerswerk hem geen +stoffelijke winst gebracht, ook den invloed, door hem als dichter +geoefend, schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit? +vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de menschen +worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging en billijkheid in hen +blijven als in bodemlooze vaten. Elders klinkt het zonder spot en +mismoedig: + + Oft al om niet is dat ic doe, + Wat sel dan arbeit onderstaen? + [Zijnoot: Waartoe mij dan moeite gegeven?]" + +Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone "exempelen" +heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen spraken van +rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk men treedt op het +pad naar den hemel--hoe vuil het pad is dat ter helle voert. Maar weinig +hebben de menschen er zich om bekommerd; zij hebben den achterkant naar +voren gekeerd + + Dus clop ic veel an doofmans deur; + Al roep ic lude, en mach niet in. + +Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt vergeten, +zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het vesperklokje luiden. +Zelf is hij moede en verlangt naar rust. Eindelijk komt de man "met het +witte kleed",.die niemand spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht +graaf WILLEM VI een boek "dairin stonden vele schoonre sproken, die +Willem van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste +nalatenschap van onzen spreker geweest zijn[13]. + +Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, indien zijn +talent zich onder gunstiger omstandigheden had kunnen ontwikkelen. Want +eenig talent had WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen +zijn niet zelden aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke +woorden, die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen +langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk tooneeltje, +waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het spinrokken zien, terwijl de +jonge kuikens met de klokhen om haar heen in de zon loopen. De +vergelijking van het leven bij een zeereis is ook verdienstelijk +uitgewerkt[14]. + +Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne fabels en +de sproke _van Sinte Gheertruden min_, maar vooral uit de twee boerden +_van het gestolen varken_ en _van den Monnik_[15]. Welk een levendigheid +en gang is in die verhalen, al worden zij hier en daar vertraagd door de +zucht tot leering en vermaning; welk een talent van waarnemen en +voorstellen; welk een blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De +door den duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor echten +volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen van waarneming. +Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; hij toont het ook waar hij +anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. Hoe juist heeft hij die zwakke +en zorgelooze menschen gezien, die zich geene behagelijke zonden willen +ontzeggen en denken: als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf +wel afnemen en onze "nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst +de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in woorden +gebracht: + + Als my die tijt verlanghen dede, + So had ic ziecte ende onghevoech, + Ic hoorde wat die clocke sloech, + Die tijt, die ghinc van ure tot uren[16]. + +Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden genoemd. Zoo +b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt: + + Ic heb op [Zijnoot: tegen.] scheyden horen spreken, + Dattet vroechde mochte breken + Onder tfolc, verre off naer, + Die uut dier nature beke + Mit ghenoechten soude leken, + En dede [Zijnoot: indien er niet was.] der argher nyders schaer, + Die menichwerve binnen der weken + Goet gheselscap doen versteken, + Die liever bleven tsamen daer, + Al moeten si scheiden ane vaer [Zijnoot: zonder vrees.] [17]. + +Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat ons in een +middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft en dat wij vóór +dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen bij MAERLANT, waar +hij zijne grijze haren in den spiegel ziet. Ik heb het oog o.a. op een +reeds vroeger vermeld stuk, dat wel een van des dichters laatste zal +zijn: + + Ic bin al moede, ic wil gaen rusten; + Van des mi wilen [Zijnoot: vroeger.] plach te lusten + Des wordic sat, en weet niet hoe. + enz.[18] + +Ook op de inleiding van het gedicht _Van Ghilden_, waar hij op zoo +naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij zich gevoelt door +zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd is hij bang in strijd te +komen met "die scrifture", wanneer hij iets gemaakt heeft. Die "anxte +zwaer" voor de wijsheid, die in geschriften ligt opgetast, benauwt hem, +drukt op zijn denken en zijn verbeelding, als het net op een vogel. +Denkt hij over iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles +misschien lang en breed in een of ander geschrift te vinden is: + + Want die clergie [Zijnoot: de geleerden.] is so subtijl: + Daer ic om peynse lange wijl, + Dat vinden sy varinc [Zijnoot: schielijk.] inder scrift; + Dit doet dat ic met anxten dicht. + Anxte die heeft my veel becoort, + Als ic dichte of brenghe voort + Enigherhande hoghe sake[19]. + +In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het behoeft geen +betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft. De boerde _van den +Monnik_ en, in mindere mate, die _van het gestolen varken_ toonen ons +wat hij kan, indien hij zich durft laten gaan; doch vermoedelijk zal hij +zelf deze stukken niet hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er +onder zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance _van Sinte +Gheertruut_[20]. WILLEM'S bewerking heeft meer dan driemaal den omvang +van de romance; in dichterlijke waarde echter overtreft het lied van den +volksdichter de sproke van den spreker: de eerste is een werk van +verbeelding, de laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er +HILDEGAERSBERCH van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de +beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere deelen der +stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders aannemelijker te +maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich +zoozeer aangetrokken voelde. Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan +zijn publiek ter leering: + + By desen _exempel_ moochdi leren, + Dat hem nyemant en laet bedrieghen. + +en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te richten +met een stichtelijke waarschuwing of opwekking. + +De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in wien het +verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij eens onverstandig +handelt, daarover door den dichter berispt wordt: "Doe en dede hi niet +als die vroede." Hij gevoelt wel liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het +is hoofsche liefde: + + Ghestade te bliven in horen dienst + Sonder enich dorperheit; + +De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; hij +houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt den beker tot den +bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone non tenauwernood +bedwingen: als hij haar in het klooster eens niet mag zien of spreken, +vreest hij dat zijn hart breken zal. + +Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie die uit de +sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. Nergens blijkt +dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van den ridder, wanneer +hij al zijn goed in den dienst van SINTE GHEERTRUUT heeft verteerd. De +overeenkomstige deelen van beide gedichten volgen hieronder: + + + _Lied_ (c. 10-14). + + Drie jaer lanc heeft die ridder dit + [ghepleghen, + Des so en heeft hi niet behouden: + Sijn schat ende sijn goet heeft hem + [altemael begheven, + Des hadde die ridder also groten rouwe. + "Adieu, goet lief ende blijft ghesont, + "Adieu, ende ic moet immer van u + [scheiden! + "Die wech en is mi niet becant, + "Te dwalen aen gheenre wilder heiden. + + "Och, lacy, god, het is altemael verloren: + "Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit! + "Hadde ic dat so wel gheweten te voren, + "Ic woude van der joncfrouwen hebben ghescheiden." + + Dus is die ridder uutghestreken + In eenre duustre avontstont, + Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder heiden, + + Die wech en was hem onbecant. + + Doe dat quam omtrent der middernacht, + Druc ende liden so ghinc den ridder an, + Die viant [Zijnoot: de duivel.] die hadde hem also schier verwracht, + Hi stont gheschapen of dat waer een man. + + + + _Sproke_ (vs. 148-170). + + Daer nae wart hi des ghevens mat, + Want sinen staet die quam ten ende. + Doe was die ridder in ellende, + Ende hi en wiste hem ghenen raet: + Dat dede, hi most sijn hoghe staet + Dalen laten aen sinen danck. + Doe wort sijn hope al te cranck, + Ende hi dochte in sijn moet: + "Al creghe ic dese joncfrou goet, + "Ic en mochtse niet in eren houden, + "Waer op so willic mi verhouden + "Off verstroyen tenighen tijden?" + Doe most die ridder sorghe lyden, + Des hi onghewone was + Daer te voren, als ic las. + Ende als hi stont in dit ghepeyns + Ende dochte harwaert ende gheyns + Doe quam die bose tot hem ghegaen + Ende was recht als een man ghedaen + So wye dat in wanhope sy, + Daer is die vyant gheerne by; + Want hy en [Zijnoot: hem.] dan best becoren mach, + So poecht hire om nacht ende dach. + + +Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het contract met +den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, de tweede +samenkomst van den ridder met den duivel zien wij dergelijke +tegenstellingen als in de boven medegedeelde stukken. Opmerkelijk is +ook, dat bij die tweede samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT, +blijkbaar onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, den +Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor eene heilige minder +passend zal hebben gevonden, maakt er geen gewag van. + +De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon en werk ten slotte +bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een dichter van eenig talent +die gaarne zijne roeping als dichter zoo goed mogelijk zou vervullen, +daarin belemmerd of verhinderd door den dwang van zijn beroep; dien de +ontwakende wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft +laten gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een +ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die scheidt uit +dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij tevergeefs heeft +geleefd. + +Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een merkwaardig +type van de dichters der 14de eeuw; merkwaardig ook als +vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid waartoe hij +behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover de Vlamingen--deze +Hollander vond zijne voorname leermeesters in den Vlaming MAERLANT en +den Brabander BOENDALE. In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het +eerst dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden +geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen zullen +gewagen. + + + +AANTEEKENINGEN + +[1] Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door +BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar +hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht +van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld in +_jahrbuch d.V.f.N. Sprachf._, XII, 106; XV, 39 flgg. + +[2] _Ged._, bl. 127. + +[3] Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de _Gedichten_, +bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot de +_heren_ o.a. bl. 16, 23-24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127-8; 109, 167; +111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14-18; 166, 224; 183, 115; 216, 257. _Van +den X Gheboeden_ op bl. 12 der _Gedichten_. + +[4] _Ged._, bl. 45, 32-34; 71, vs. 14-17; 155, 153-4. + +[5] _Ged._, bl. 173, 131-2. + +[6] _Ged._, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg. + +[7] _Ged._, p. 73, no. 34; 195, 38-42; p. 240 (no. 114). Over den +invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de _Stroph. Ged._ (edd. FRANCK +en VERDAM), p. LXXXIX. + +[8] _Ged._, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65-7; 71, 25 vlgg.; +149, vs. 46. + +[9] Vgl. o.a. _Ged._, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5-8; +107, 18; 156, 77-78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96, +104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139-141. + +[10] _Ged._, 25, 8; 36, 12-25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55, +190; 146, 290-2. + +[11] _Ged._, 164, 26; 109, 149 vlgg. + +[12] _Ged._, bl. 40 (no. XIX _Van Mer._); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101, +73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193. + +[13] Opvatting zijner taak als dichter vgl. _Ged._, 16, 1; 45, 18-20; +53, 1; 66, 9-10; 169, 10-23; 247, 5-7. Over zijn zwerven en zijn +tegenspoeden, bl. 183 (_Van der Avontuer_); invloed zijner poëzie: +_Ged._, 226, 17-21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs. +9-10; 183, 1-8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling +van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202, +213-'6. Nalatenschap _Inleid._ tot de _Ged._, IX. + +[14] _Ged._, 2, 116-117; 31, 109-132; 245, 137-150. + +[15] De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliau _du +Boucher d'Abbeville_ (Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III, +227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden. + +[16] _Ged._, 242, 36. + +[17] _Ged._, bl. 116. + +[18] _Ged._, bl. 236. + +[19] _Ged._, bl. 117; vgl. ook vs. 16 "mit anxten zeer bevaen" en vs. +20, 23. + +[20] In _Het Lied in de Middeleeuwen_, bl. 605 vlgg. is door mij +aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten +(vgl. bl. 616-617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied +het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt. +Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de +vermelding van eene bron vinden in vs. 162: "als ic las." + + + +DIRC POTTER. + +Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van DIRC POTTER als +een ander type van veertiend'eeuwsche dichtkunst. + +POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, later +WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. In die hoedanigheid +vergezelt hij zijne meesters op reis en wordt ook wel met zendingen +belast; een tijd lang vervult hij den post van baljuw van den Haag. Voor +zijne getrouwe diensten wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de +hofstede ter Loo in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later +een andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf +zou stichten. + +Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede diensten in +dankbare gedachtenis houden; de zoon van den trouwen dienaar, GERRIT +POTTER VAN DER LOO, zag het erf, hem door zijn vader nagelaten, met nog +vijftien morgen lands vergroot[1]. + +In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd hij met een +geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er langer dan een jaar. +Overviel hem bij wijlen de melancolie--zou het geen heimwee zijn +geweest?--dan ging hij wandelen langs een stroomend water. Daar +verschijnt hem vrouw Venus die hem opwekt in een gedicht "den loop der +minne" te beschrijven, opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen +daaruit mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf hij +gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven _der Minnen Loop_ is +genoemd[2]. Mogen wij POTTER'S voorstelling van zaken naar de letter +opvatten, dan had hij, toen hij zijn gedicht schreef, met de liefde +afgerekend. Zelf had hij meer last dan lust van haar gehad: "wat hij +jaagde, bleef ongevangen"; den zoeten drank had hij nooit gedronken[3]. +Nu wilde hij jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte +pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade. + +Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest zijn, in +allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid als een _leerdicht_. De +woorden _leer_ en _leeren_ vloeien hem telkens uit de pen: "had hij maar +gedacht aan zijne leer!" zegt hij van een ongelukkigen minnaar, die niet +op zijne hoede is geweest en ten gevolge daarvan met een hamer "opten +cop" werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. "Denkt +maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, "dan dwaalt gij niet van +het rechte pad af." Een minnaar moet _leeren_; vóór alles moet hij +geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, haastigheid is nooit goed, en +dan: de boom valt immers niet met den eersten slag? + +In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft POTTER zijn +werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens handelen over dwaze, +goede, ongeoorloofde en geoorloofde liefde. In de goede reine liefde +onderscheidt hij weer vier graden, zooals de mystieken die in de +goddelijke liefde aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van +meer of minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een +les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere algemeene +zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend verhaal als +"exempel". Tusschen _der Minnen Loop_ en een leerdicht als _De Spiegel +der Zonden_ is dus alleen dit verschil, dat de liefde hier de plaats der +hoofdzonden inneemt en dat de "exempelen" in het eerste werk meer plaats +beslaan dan in het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden +en wendingen als: "kinder mijn", "salighe wiven", "lieve vrienden" +ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is over den +"scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen[4]. + +Evenals de overige leerdichten is ook _der Minnen Loop_ een vrucht +vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven van Holland was +een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan eens vertelt. De Godheid +contempleeren, dat liet hij den theologen, de medici mochten zich moeien +met hetgeen den zieken te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en +digesten--"poëten ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte. Vrouw +Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen in zijn +geheugen terug te roepen om ze aan anderen opnieuw te vertellen. + +Tal van verhalen, aan OVIDIUS' _Heroïdes_ en _Metamorphosen_ of aan den +Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk gevlochten: _Pyramus en +Thisbe_, _Hero en Leander_, _Phoedra en Hippolytus_, _Ahasverus en +Vasthi_, _David en Michol_, _Jacob's dochter Dina_ zijn eenige der meest +bekende. Ook van elders heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent +blijkbaar het werk van den Duitschen "minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL +("Heer Nytert van Ruwendael"), den roman _van Tristan en Isolde_ en +WOLFRAM VON ESCHENBACH'S _Titurel_; ook de romans _van Malegijs_ en _van +Parcival_ en eene novelle als die _van Griseldis_, hier onder den naam +_van Orphaen en Lympiose_[5]. POTTER is zoozeer vervuld van zijne +literaire herinneringen, dat hij soms een beroep doet op de lectuur van +zijn publiek. In het verhaal _der Borchgravinne van Vergi_ dat ook door +hem in zijn werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders: + + Dat hebdi lichte ghelesen mee. + +De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een of ander +geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden dienst kan hebben van +een vertrouweling; eerst die mededeeling brengt haar op de gedachte zich +te verzekeren van de hulp eener kamenier. Aan het slot van zijn werk +verzuimt POTTER niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de +dichters, zooveel over haar geschreven hebben[6]. + +Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die zooveel las, +zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; dat denkbeelden en +opvattingen, langzamerhand door de literatuur tot gemeen goed geworden, +in zijn werk worden aangetroffen. + +De kleurensymboliek die wij hier en daar in _der Minnen Loop_ vinden; +het ontstaan van een dichtwerk uit eene "fantasie" waarin de dichter +eene verschijning ziet; eene "vraghe" door den auteur aan zijn publiek +gesteld, en die hij zelf niet kan "solveren"; het noemen van zijn naam +in de aanvangsletters der slotregels van zijn gedicht--dat zijn altemaal +trekken die wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren[7]. + +De gansche voorstelling der liefde als een "verband der herten" +herinneren wij ons reeds uit den _Wapene Martijn_. En waar wij POTTER +met nadruk hooren beweren dat alle verschil van stand voor de liefde +moet wijken en met blijkbare instemming vermelden dat de gemaal van +LYMPIOSE deugd boven afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan +MAERLANT'S invloed moeten denken? + +Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien in POTTER'S +klacht over zijn vijand "die avontuyer", die hem in de minne altijd +ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed zien wij in de gelijkstelling +van leeken en geestelijken; die wij aantreffen in deze regels: + + Elck dient bijsonder sinen God: + Soe wael dient Gode Hein ende Han [Zijnoot: Jan, Piet en Klaas.], + Ghelijck doet een begheven man [Zijnoot: kloosterling.], + Al staet die een in hogher scouwe. + +Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den ongehuwden staat +en in zijn onderscheiding van _vrouwen_ en _wiven_ mogen wij staaltjes +van BOENDALE'S invloed vermoeden[8]. + +Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met BOENDALE'S +invloed rekening moet gehouden worden met den ganschen tijdgeest; immers +ook in dit onderscheid openbaarde zich die vrouwendienst die zulk een +gewichtig aandeel heeft gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne +volken. + +Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door dezen +Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft overgenomen en in +hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor ongewijzigd is gebleven. + +Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch dichter van +vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht begrip van liefde kan +wonen in "rude menschen van grover aert": boeren, visschers, slagers, +smeden, spitters en delvers, monniken, schippers en allerlei ambachtslui +zijn nooit door de liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne +uitzondering en wel voor hen "die van naturen edel sijn" en die hij +plaatst nevens de lieden "van goeder gheboort". Hij kan zich wel +voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn van "een +graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit over huisbakken +jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te begrijpen. Overal houdt +hij in zijn werk de eer hoog. Zijn kieschheidsgevoel is reeds vrij +ontwikkeld: bij verhalen als dat van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op +een meisje dat hem in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich +voor zijne hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke +mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen zijner +dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de eerbare goede +vrouwen nog wel zou vinden die voor hare mans zouden willen sterven[9]. +Maar niet zoozeer is hij in bewondering voor de vrouwen of hij blijft +indachtig dat zij toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel +eens "neen" zeggen als zij "ja" meenen. De vrouw moet "heer" zijn en de +man "knecht"--ja, zegt POTTER, dat geldt voor de rechtbank der liefde, +maar in het huwelijk is het iets anders: "daer sal die man een voocht +[Zijnoot: de baas.] wesen". + +Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte staat toch +de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming daarmede handelt het +tweede boek dat verreweg het omvangrijkst is, over de "goede reine +minne"; het derde, verreweg het kleinste, over de ongeoorloofde +liefde[10]. + +In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst kon bezwaarlijk +plaats zijn voor eenig medegevoel met den hartstocht. Eene liefde als +die van MEDEA, DIDO, HELENA, ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de +"gecke minne". Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven +kost, daar kan hij niet bij: + + Om sulc wee te bliven doot, + Dat en docht mi sijn gheen noot. + +HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de droeve geschiedenis +dezer twee koningskinderen die elkander zoo lief hadden, verteld heeft +en hoe HERO met LEANDER'S lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf +onder den indruk en stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde: + + O edel vrouwe ende goede man, + Hier sal men truwelic deyncken an. + Hier liet truwe [Zijnoot: trouwe.] truwe bliken. + Der truwen en woude sy niet bezwiken. + Die wile si leefden waren sy + Onverscheiden ende wandels vry: + Dus sijn sy in der lesten noot + Onghescheiden ghebleven doot. + Daer wrocht Venus den rechten aert. + +Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit zijn lofzang +met: + + Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert, + Also als ic voer hebbe bescreven. + +Liefde is goed, maar--getemperd: + + Minne sal sijn te maten heet, + Te maten cout ende wail ghesmeet + .... + Vrou mate is een edel vorstinne. + +Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen +hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde zinnelijkheid. +Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet bijzonder hoog ontwikkeld. +Kan een minnend paar zich volstrekt niet bedwingen, dan moeten zij hun +gang maar gaan--indien het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer +naar de wereld ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door +bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone HIPPODAMIA; PELOPS +heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester +nu komt manen om de vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar +hij verdrinkt. POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken +eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef kreeg loon +naar werken. + +Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, dat gaat +niet aan, zegt POTTER. De eer van den man lijdt er naar de wereld niet +onder of hij al eenige bastaarden heeft; bij de vrouw is dat heel wat +anders. Ook heeft men dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere +mannen twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw twee +mannen--nooit! Kortom, het is een verschil als van dag en nacht[11]. + +POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van GODFRIED VON +STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, hij moge OVIDIUS' _Heroïdes_ +en _Metamorphosen_ hebben gelezen--een dichter als zij is hij niet +geweest. Het licht en liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding, +WOLFRAM'S diepte en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS, +men zoekt ze in zijn werk tevergeefs. + +Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat men reeds +vermoeden wanneer men eene vermelding van PARCIVAL'S zoeken naar den +Graal aantreft op bedenkelijk korten afstand van de jacht op een wilden +witten haas, die door een vijftal gezellen drie jaar lang werd +voortgezet. Dat vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar +slordige of lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste +boek, van de "gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt gij last van +de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van uw minnaar of zooals hij +het uitdrukt: kookt uw spek in goed rivierwater! Van minnende paren heet +het elders: + + Sijn zij in kercken of in clusen, + Die cat siet altoos na den musen. + +Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden vriend, maar laat +hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar worde, die de "potage +met het spek" naar zich toe haalt[12]. Doch tegenover zulke plaatsen die +bovendien niet talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat +POTTER, al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot +was. Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de + + Rechte mynnentlike minne, + Die den menschen in den zinne + Verwerret lecht ende ghestricket. + +Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen zot, die +door een meisje voor de grap als minnaar is aangenomen, slechts voor +deze Meimaand en niet langer. Wat is dat zomergekje dan opgewonden! Hij +brengt zijn liefste een meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden +uit Zotteghem--soort zoekt immers soort?--dat hij een liefje heeft die +doet wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien. +Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een dronk op staan: + + So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen + In den wijn; daer gaen si sitten. + Die wile hi zweeft in deser hitten, + So werpt hi sijn arm in die lucht + Ende maect een heerlic gherucht [Zijnoot: geroep.]: + "Wy hou! ic heb minen boel ghesien! + "Huden [Zijnoot: heden.] en mach mi niet misschien + [Zijnoot: niets kwaads overkomen.]!" + Vrolic is hi mit ghesanghe. + So vraghen die ander also langhe, + Dattet die heelghesel al seit, + Wair dat Hannen sin op steit. + Des wondert den ghesellen dan + Ende segghen: "Is Hannen alsulken man?" + Ende dat hoert Hannen al te gaern, + Dat die ghesellen van der tavaern + Weten van sire minnen staet[13]. + +Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel min evenaren, men +kan toch zien dat het verhaal van HERO en LEANDER, zooals het in de +_Heroïdes_ voorkomt, indruk op hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft +ons hier en daar door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt +door den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in dat deel +van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op LEANDER zit te wachten: + + Als my die vake dan bestaet + Ende twater an die mure slaet, + Soe waen ic alle weghe [Zijnoot: telkens.] dan + Dattu daer biste, mijn liefste man. + Wat ic lope, en vinde niet. + O wy! wat is my gheschiet! + Ic wachte, ic wake, twort my zuyr; + Ic sitte dromende by den vuyr; + My donct dan dattu by mi bist, + Dat alle gader niet en ist. + Als ic dan weder wakende werde, + So sitte ic noch bij den haerde + Ende droghe die schone sachte doecken. + O wy! ic mach dat water vloeken, + Dat so onstuyr [Zijnoot: onstuimig.] heeft gheweest + Van groten storme ende tempeest[14]. + +En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, omdat hij +immers "van goede reine minne" spreekt, hoe verrast hij ons daar met dit +liefelijk miniatuurtje van een paar gelieven: + + Daer legghen sy in groter lust: + Menichwerff wart dair ghecust, + Die lipkijns werden gheconreydet [Zijnoot: uitgestoken.], + Vroechde meret, trueren beydet, + Menich guetlic, lieflic woert + Wort van beyden daer ghehoert, + Vriendelick drucken sy die armen, + In gueder vroechden sy hem warmen, + Lachende blencken dair die oghen, + Elck anderen troest van allen doghen [Zijnoot: verdriet.]: + Al waer hi sieck ende onghesont, + Elck ghenase in sulker stont. + Die witte kele ende wancskijn root + Mach men handelen daer al bloot. + Die borstkijns mach men wel anstoten, + Sijn sy niet te vast besloten, + Ende byeden hem gueden dach[15]. + +In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; toch heeft hij +ook als verteller zijne verdiensten. Een meester in die kunst, zooals +zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en CHAUCER, was hij niet, doch er is +in zijn zestigtal sproken van minne menig goed of aardig brok aan te +wijzen, dat eene plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde +sproken van onbekende dichters. + +Houden wij _der Minnen Loop_ ten slotte naast een vroeger leerdicht over +dezelfde stof: _den Spiegel der Minnen_ of den _roman van de Roos_, dan +merken wij vrij wat verschil op. Het voornaamste punt van verschil is +zeker, dat tegenover een vertaald werk nu een werk is gekomen dat +oorspronkelijk mag heeten, al heeft het--gelijk zoo menig ander +oorspronkelijk werk--een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit +toont reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; doch +er is meer. Van de elementen, waaruit de _roman van de Roos_ bestaat, +vinden wij er hier eenige terug, doch op andere wijze dan daar +verbonden. In _der Minnen Loop_ is geen plaats voor de minachting der +vrouw, noch voor het scepticisme, noch voor het cynisme, dat JEAN DE +MEUNG kenmerkt, wel voor een deel van den hoofschen eerbied, dien +GUILLAUME DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier +hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in het +Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het langst stil; +de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens den hartstocht is +hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat, is verwerkt door een +didactischen geest die weer aan JEAN DE MEUNG doet denken, tot een +eenigszins schoolsch geheel, waarin theorie en practijk des levens nog +niet zijn versmolten, doch onderling verbonden naast elkander staan als +leering en voorbeeld. + +Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk +Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over zijn werk. Hij +had immers willen waarschuwen en leeren, en aan het nuttige +gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? Verhalen van minne, +zelfs al waren zij verdicht, vonden immers genade ook bij kunstrechters, +die van de kunst bevordering der zedelijkheid eischten? Zoo zou men +meenen, doch te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of +verzenmaker vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij berouw +over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die met ander werk te +boeten. + +In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven + +_Blome der Doechden_ [Zijnoot: Bloem der Deugden.] genoemd, waarin hij +_der Minnen Loop_ wel niet verloochent, maar toch scherp laakt[16]. + +Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke wijze den +auteur van _der Minnen Loop_ tegenover dien van de _Bloem der Deugden_ +gesteld; die tegenstelling is door POTTER zelf in den aanvang van zijn +laatste werk bovendien toegelicht. Die miniatuur toont ons in een +lusthof een "out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een +mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt en tevens +vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende kruiden. Die had hij +alle te zamen in zijne onwetendheid en onnoozelheid in één korf +geworpen. Zóó, dat hij de goede niet van de kwade had gescheiden, wat +hem ook niet mogelijk was. + +Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig gekleed, die een +paar mooie bloemen uit den korf neemt. Deze stelt den ouderen POTTER +voor, die tot beter inzicht gekomen is; want dat de auteur van _der +Minnen Loop_ voorgesteld wordt als "van grover erde ende onghemaect van +lijflijker scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de oudere +POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. Deze immers heeft de +onwetendheid van dien groven mensen bemerkt en de heilige goddelijke +Drievuldigheid aangeroepen, hem wijsheid te verleenen, opdat hij de +goede, reine bloemen, waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de +overige. Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en +bijeengebracht in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter +zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt iemand zijn +hand in het pik, zij zal er in blijven steken. + +Deze _Bloeme der Deugden_ zou misschien kunnen goedmaken, wat hij +eertijds had misdreven met een ander boek "van wer(l)tlijker mijnnen +ende van menschelijker ijdel liefde die ut vleyschelijker becoringhen +hoeren oerspronck nemt" dat hij in zijne jonge jaren te Rome had +gemaakt; over die liefde had hij daarin veel geschreven en, naar hij +vreesde, "meer dan gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal +vergeven, omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. In zijn +tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag meer maken. + +Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit _Der Minnen Loop_ terug, doch +alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting van de zedelijke +verplichtingen der kunst oorbaar achtte. De neiging tot kleurensymboliek +komt ook hier nog wel eens voor den dag en de "bose Hecuba" die het in +_Der Minnen Loop_ zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder +handen genomen[17]. + +Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer verschillend van +het werk zijner jonge jaren. De verdichte verhalen zijn naar den +achtergrond gedrongen of van het tooneel verdwenen. De schrijver laat +zich afkeurend uit over "woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte +of corttinghe des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die +schoone woorden schrijven, van "veel dichters ende sproeken sprekers +ende sonderlinghen [Zijnoot: in 't bijzonder.] in valsschen +hystoriën"[18]. Sprak hij vroeger luchtigjes over zijn onvoldoende +kennis, liet hij de wetenschap aan wie er lust in had om zich alleen aan +"poetryen ende oude gesten" te wijden--nu heeft hij zijne schade +ingehaald. De _Bloem der Deugden_ is samengesteld uit den bijbel en de +werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig ander geleerd +auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof heeft hij scherp +gescheiden in voorbeelden van deugd en van ondeugd; want ook de ondeugd +heeft hij in zijn boek opgenomen: op elk hoofdstuk waarin een deugd +behandeld en toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die +ertegenover staat; immers: "witte verwe onderscheidt haer selven van der +swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij ghestelt +wort"[19]. + +_Der Minnen Loop_ is in verzen geschreven, de _Bloem der Deugden_ in +proza. Ook dat verschil is in overeenstemming met den aanwas van +strakken ernst dien de ouder wordende POTTER te zien geeft. "Soeticheit +van sanghe van melodiën ende die genoechten van instrumenten, van dansen +ende desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS niet +geleerd, dat de "luxurie" wast door instrumenten en melodieën zooals de +kruiden bij de oevers der rivieren?[20] + +Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk tot +plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering waar zij in hem mocht +opkomen te onderdrukken. De aesthetische waarde van dit prozawerk in +zijn geheel is dan ook niet groot. Maar het bloed kruipt waar het niet +gaan kan: waar POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE +BERNARDUS onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi +Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de omschrijving van +een deugd of een ondeugd de taal wel meester te zijn, al moet ook hier +natuurlijk de vraag naar de oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal +leggen[21]. + +DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH tot de poëten +van lager orde. Hij zelf is zich daarvan wel bewust geweest[22]. Doch +schoonheid is niet het eenige wat een literair werk van vroegeren tijd +belangrijk maakt voor den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat +het karakter. Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie +zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. Een +Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met de +bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft over +wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet ontmoet hebben; +als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter HILDEGAERSBERCH en +kondigt hij, ook als verteller, den Zeeuw CATS aan[23]. + +Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel blijkt te +hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische gezindheid waarin +hij kunsten en wetenschappen verheft als het middel waardoor de arme den +rijke kan evenaren en overtreffen. Opmerkelijk ook het gevoel van +onafhankelijkheid tegenover zijn publiek--zoo geheel anders dan bij +HILDEGAERSBERCH en andere sprekers en dichters--dat hem in den aanvang +van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne geschriften +allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is niet van plan zich +daarover druk te maken, hij wil dichten naar zijn eigen zin, en, zoo +vervolgt hij: + + Ist dat ic yet scrive hier in, + Dat den enen of oec den anderen + Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen + Ende latent anderen luden lezen[24]. + +Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen +vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing van +later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een paar andere trekken van +zijn werk en zijne persoonlijkheid. Flauwtjes klinkt ons uit de verte +het bellengerinkel van STULTITIA'S narrenkap in het oor, waar wij in _De +Bloem der Deugden_ lezen: "Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele +meer scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"[25]. + +ERASMUS, de schrijver der _Laus Stultitiae_, doet ons denken aan Italië. +POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche dichter die +Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er gebleven, doch dat +verblijf schijnt weinig of geen invloed te hebben geoefend op zijne +ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft gekend, mag betwijfeld worden. In +allen gevalle maakt hij met geen enkel woord gewag van de Italiaansche +literatuur, en toch waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen +tijd geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook van +den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was geweest, is in +POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men als zoodanig de vermelding +van een paar groote oude steenen laten gelden[26]? Maar wat dan nog? + +De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, zal hem niet +hebben opgewekt, nader kennis te maken met hun taal en hun kunst. "Ter +wereld is geen vuiler volk", zegt hij in zijn _Minnen Loop_; die vuile +honden leven in allerlei zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer +in; schelden kunnen zij, "maer sy en willen niet ten zwaerde"; +hebzuchtig, onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars, +roovers--dat zijn zij. Maar de vrouwen zijn de "schoonste creaturen die +men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER blijkbaar +geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de Italianen met wie hij +in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben gemaakt over zijn Hollandsch. +Immers nog in de _Bloem der Deugden_ acht hij het noodig te verdedigen +dat "een yeghelijc sprect nae sijns lants taele"; en "daerom so sijnt in +den iersten dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre +talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"[27]. + +Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen onder wie zijne +zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, kunnen zich over zijn +Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. En ook dezen kan zijne ergernis +gelden; want, overtuigd van de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft +hij het op andere volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land +hebben volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; Lombarden, +Engelschen en Walen hebben daar over het algemeen geen begrip van; +enkelen mogen er zijn, maar dan zeker niet over de bergen. Ook in zijn +later leven was hij er nog steeds van overtuigd, dat men de meeste +ijdelheid en "onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen[28]. + +POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld, dat de kunst der +Oudheid een indruk op hem kon maken, sterk genoeg om hem te dwingen tot +eene uiting van eenige beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen +beschouwing van het Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene +kennismaking met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens met +eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua en Florence +vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften der werken van DANTE, +PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde die en bracht langs die nieuwe baan +zijn eigen kunst tot hooger ontwikkeling. + +POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige soort, dat zich +openbaart vooral in overmatige verheffing van het eigen volk en in +vijandige gezindheid tegenover andere volken. In beide opzichten was hij +een type van zijn volk[29]. Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van +de baan zijner ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar +invloed ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het +nationaliteitsgevoel ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer +baan zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen. + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het +onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in +LEENDERTZ' uitgave van _Der Minnen Loep_. Vgl. ook het degelijk +overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft in _Het +Land van Rembrand_ menige aardige of geestige opmerking over POTTER en +_der Minnen Loop_ ten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel +over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard--wie het om historische +waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog +verliezen, dat ook in _Het Land van Rembrand_ de schrijver der +_Literaire Fantasieën_ aan het woord is. + +[2] Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet +gemakkelijk. Uit _Der Minnen Loop_ zou men opmaken, dat POTTER reeds een +man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I, +73: "vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in +zijn tweede werk _Bloeme der Deugden_, spreekt P. van _Der Minnen Loop_ +als van "een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome." + +[3] I, 169; II, 2394. + +[4] Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091, +2372, 3025; III, 1104; I, 1841. + +[5] De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De +opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL, +bl. 508 vlgg. + +De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in _Der Minnen Loop_, +II, 705-6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die +TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde +opgenomen in _Van Vrouwen ende van Minne_, no. II (Inl. XVI). + +[6] II, 560, 1430; IV, 2276. + +[7] II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg. + +[8] I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18; +IV, 38 vlgg.; 1839-'42. + +[9] II, 665-704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621-2; III, 191; IV, 1089 +vlgg. + +[10] I, 1225-'30; 2700 vlgg. + +[11] I, 459-460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I, +3116-'7, 3129-'30; II, 1798-1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365-386, +612 vlgg. + +[12] I, 1280 vlgg.; 585-6, 613-614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9; +II, 815-'6; 3894-'6. + +[13] I, 736 vlgg. + +[14] II, 297 vlgg. + +[15] II, 1299-1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef +slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste. + +[16] Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze, +uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den +titel _Dat Bouck der Bloemen_ (Hoogstraten, L. VAN HOOF--ROELANS, 1904). +Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die +met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7-12) leest en dan +let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de +"yseren roede" vgl. _M. Loop_, I, 78-79), op het "boec van wer(l)tlijker +minnen" dat hij "in jonghen tijden maecte te rome", op alle in _Der +Minnen Loop_ voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek +worden genoemd. De "lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal +misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds +spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van +Froissard. + +[17] Vgl. bl. 9, 54, 97. + +[18] Bl. 35-36. + +[19] Bl. 9. + +[20] Bl. 79. + +[21] Vgl. b.v. bl. 10, 31 (_wreetheit_), bl. 85 (_gierigheid_) en +passim. + +[22] Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025. + +[23] I, 66; II, 636. + +[24] I, 1-25; III, 1-17. + +[25] Bl. 44. + +[26] I, 2613; II, 3207. + +[27] _Der Minnen Loop_, III, 98 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 43. + +[28] _M. Loop_, II, 721 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 101. + +[29] Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijd +_Giotto_ schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet +ontzenuwen. + + + +ALPHABETISCH REGISTER[*]. + +[*] Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt. + +A. + +_Aechte (Van Sente)_, I, 137-138. +_Aiol_, I, 94, 97, 100. +_Alexander den Groote (Leven van)_, I, 362. +_Alexander_, I, 230-235, 239. +Alpertus' _De diversitate temporum_, I, 22. +_Amadas en IJdoine_, I, 112. +_Amand (Leven van Sint)_, I, 349-351. +_Amand (Leven van S.)_ Latijn, I, 17. +_Anno-lied_, I, 21. +_Ansfried (Loflied op bisschop)_ Latijn, I, 20. +_Artur's dood_, I, 109. +_Aubri de Borgengoen_, I, 95, 97, 98. +Augustijnken van Dordt, I, 497, 515, 516. + +B. + +_Baerte metten breden voeten_, I, 337-8. +_Beatrijs (Van)_, I, 353 vlgg. 518. +_Becoringhen (Van den vier)_, I, 382 vlgg. +_Beghinen (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg. +_Beovulf_, I, 10. +Bernlef, I, 5. +Bertelmeeus van Delf, I, 515. +_Bestiaris_, I, 186. +_Bestiaris (van minnen)_, I, 185. +_Biechten (Boec der)_, I, 138. +_Biën Boeck (der)_, 225 vlgg. +_Bloeme der Doechden_, I, 565 vlgg. +Boendale (Jan), I, 427 vlgg. 517-518, 524, 527-'31. +_Boerde (de eerste)_, I, 189. +_Boerden_, I, 455 vlgg. +_Boerden en Sproken_, I, 504 vlgg. +_Bonifacius (Leven van S.)_ Latijn, I, 18. +Boudewijn van der Loren, I, 497, 515, 520. +_Brandaen (Van Sinte)_, I, 53. + +C. + +Chaucer, I, 504, 570. +_Chierheit der geesteleker Brulocht_, I, 382-3. + +D. + +Daem van IJsselsteyn, I, 515. +_Disputatie van den Cruce_, I, 245 vlgg. +_Disticha Catonis_, I, 184. +_Doctrinael (Dietsche)_, I, 423 vlgg. +_Doctrinael (Nieuwe)_, I, 334; 423 vlgg. +_Doctrinael savage_, I, 436. +_Dogheden (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg. +_Doon de Mayence_, I, 96, 97. +_Drievoudichede (Van der)_, I, 245 vlgg. + +E. + +Eckhart, I, 365 vlgg. +_Edewaert (Van den derden)_, I, 313, 427. +Egidius, I 520. +_Eneïde_, I 38. +Erasmus, I, 568. +_Esopet_ ("favele" van Esopus), I, 187, 193. +_Eustaesse (van sente)_, I, 137-138. + +F. + +_Fierabras_, I, 97. +_Flandrijs_, I, 306-7. +_Floris en Blancefloer_ (Limburgsche bewerking), I, 34. +_Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)_, I, 111-112, 116, 117. +_Flovent_, I, 91, 97. +_Foulque de Candie_, I, 97. +_Franciscus Leven (Sinte)_, I, 231, 244. +Froissart (Vertaling van Kroniek), I, 332. +_Ferguut_, I, 110-111, 113-115, 118. + +G. + +_Galbertus (Kroniek van)_, I, 23. +Geraert (Heer), I, 313. +_Geraert van Viane_, I, 93, 97, 98. +_Ghelove (Van den Kerstenen)_, I, 382 vlgg. +Gielys van Molhem, I, 139. +Gielijs van Trecht, I, 514. +Godekijn van Tricht, I, 515. +Gillis de Wevel, I, 305, 518. +Graal (de heilige), I, 108-109. +_Graalqueste_, I, 109, 110. +_Grale (Historie van den)_, I, 236. +_Grimbergsche Oorlog_, I, 295, 341-2. +_Gudrun_, I, 10. +_Gwidekijn van Sassen_, I, 96, 97. + +H. + +Hadewych, I, 150, 155, 156 vlgg. +Heelu (Jan van), I, 304. +_Heemskinderen_, I, 89, 91, 93, 97, 98. +_Heimelijkheid der Heimelijkheden_, I, 254. +_Heimelicheit (Der Vrouwen)_, I, 421. +_Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)_, I, 421. +Heyn van Aken, I, 298. +Heinrec, I, 139 (vgl. _Rinclus_). +Heinric van Hollant, I, 519. +Herman de Spreker, I, 515. +Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, 363. +Hillegaertsberch (Willem van), I, 328, 333, 345. +Hopezomer, I, 512, 516, 533. +_Horologium aeternae sapientiae_, I, 369. +_Houte (Dboec van den)_, I, 352, 361. +_Huge van Bordeeus_, I, 338 vlgg. +_Hughe van Tabaryen_, I, 299. + +I. J. + +Jan I van Brabant, I, 221. +Jan Bot, I, 522. +Jan Dyllen, I, 513. +Jan van Sente Gheerdenberghe, I, 515. +Jan van Hulst, I, 520. +Jan metter Huven, I, 514. +Jan van Lier, I, 514. +Jan van Machelen, I, 515. +Jan Praet, I, 437 vlgg. +Jan van Vlaerdinghen, I, 512, 515. +Jan de Weert, I, 334, 423, 435, 518. +Jannes den Coster, I, 515. +_Jonitas en Rosafiere (Van)_, I, 353 vlgg. +Jonchere van der Minnen, I, 515. + +K. + +Calfstaf, I, 187. +_Karel en Elegast_, I, 101. +_Karel en Galie_, I, 97. +_Carmen allegoricum (S. Suitbert)_, I, 18. +_Cassamus_, I, 337-9, 344. + +_Caterine (Van sente)_, I, 137-138. +_Kerstine (Leven van Sinte)_, I, 350-1. +_Claghe (der Kerken)_, I, 257. +_Clara (Leven van Sinte)_, I, 231. +_Clausule van der Bible_, I, 245 vlgg. +Colpaert, I, 515. +_Couchi (Van den borchgrave van)_, I, 338 vlgg. 347. +_Cracht der Mane_, I, 421. +_Kruis (Van het heilige)_, I, 13, 352-3. +_Kunera (Van Sinte)_, I, 350, 361. + +L. + +Lambert van Waterloos, I, 225. +_Lancelot_, I, 106, 109, 110, 113, 296, 306. +_Lande van Overzee (Van den)_, I, 259. +_Lebuïnus (Ecloga op S.)_, I, 18. +_Leec_ (geestelijk lied), I, 223. +_Leek (Geschrift van den onbekenden)_, I, 375. +_Levene ons Heren (Van den)_, I, 132-137. +Leeuwen (Jan van), I, 368, 377. +_Limborch (Roman van)_, I, 301. +_Lorreinen_, I, 89, 94, 97, 98. +Lodewijk van Vaelbeke, I, 519, 534. +Loy Latewaert, I, 519. +_Loyhier ende Malaert_, I, 337-8. +_Lucidarius (Dietsche)_, I, 422. +_Leven van Ludger_ (Latijn), I, 18. +_Lutgart (Leven van Sinte)_ door broeder Gheraert, I, 350. +_Lutgart (Leven van Sinte)_ door Willem van Afflighem, I, 149-155. + +M. + +_Machteldis visioenen (Van)_ I, 374, 441. +_Madocs droom_, I, 112. +_Malegijs_, I, 338 vlgg. +_Marie Egyptiake (Van sente)_, I, 137-138. +_Maartensliedjes (Sint)_, I, 227. +_Martijn (Vierde)_, I, 267. +_Martijns-zangen_, I, 249 vlgg.; 267. +Meeus van Dordt, I, 515. +_Meliboeus_, I, 435, 451. +_Merlijn_, I, 230, 236-238. +_Minnen Loop (Der)_, I, 553 vlgg. +_Missen (Bediedenisse der)_, I, 422. +_Moriaen_, I, 118-119. + +N. + +_Naturen Bloeme (der)_, I, 231, 254-6. +Nederlant, I, 311-2. +Neidhart von Reuental, I, 555, 571. +_Nibelungen-lied_ (Dietsche vertaling), I, 45. +Noydekijn, I, 187. +"_Nu zijt wellecome_", I, 223. + +O. + +_Octaviaan_, I, 112. +_Ogier_, I, 338 vlgg. +_Oranje (Willem van)_, I, 90, 92, 97. +Otto van Orleien, I, 519. + +P. + +_Partonopeüs en Melior_, I, 111-112, 115-116, 118. +_Passionael_, I, 408. +Peter Vreugdegaer, I, 515. +_Plaghen (Die X)_, I, 423. +_Percevael_, I, 109, 113. + +R. + +_Ragisel (Wrake van)_, I, 109. +_Reinaerde (Van den Vos)_, I, 193. +_Reinaert II_, I, 440-449. +_Ridder metter mouwen_, I, 109. +_Ridder metten Zwane_, I, 337-9. +_Rike der Ghelieven_, I, 382 vlgg. +_Rinclus_, I, 139-141. +_Roelants-lied_, I, 89, 90, 92, 97. +_Rogiere (Disputacie van--ende van Janne)_, I, 435. +_Roos (Roman van de)_, I, 299. +Ruusbroec, I, 371, 379. +_Rijmbijbel_ (Maerlant's), I, 231, 243. + +S. + +_Scivias_, I, 143. +_Seghelijn van Jerusalem_, I, 338 vlgg. +_Seneka leren_, I, 436. +_Sermoenen (Limburgsche)_, I, 371. +_Sinte Servatius' Legende_, I, 36. +Snelryem de spreker, I, 515. +_Sobrietate (De)_, I, 18. +_Spaengen (Olivier van)_, I, 318, noot 5. +_Spieghel Historiael_, I, 231, 255-6. +_Spiegel (der Leken)_, I, 427. +_Spieghel der ewigher Salicheit_, I, 382 vlgg. +_Spiegel der Zonden_, I, 334, 423 vlgg. +_Sproken_, I, 456 vlgg. +Stoke (Melis), I, 307-310, 317. +Suso, I, 369. + +T. + +_Tabernacule (Van den gheestelijken)_, I, 382 vlgg. +Tauler, I, 371. +_Oude Testament (Eerste vertaling van het)_, I, 408. +_Teestye_ (Jans), I, 325-327, 429. +_Theophilus (Van)_, I, 353 vlgg.; 361. +Thomas van Cantimpré, I, 149. +_Tondalus (Visioen van)_, I, 361. +_Torec_, I, 230, 238-239. +_Tractaet van seven sloten_, I, 382 vlgg. +_Trappen (Van Seven)_, I, 382 vlgg. +_Tristan en Isolde_, I, 112. +_Troyen_, I, 105, 230, 235-236, 240. + +U. + +Willem Utenhove, I, 186. + +V. + +_Vaghevier (Van S. Patricius')_, I, 351-2. +_Valentijn en Nameloos_, I, 338 vlgg. +Heinric van Veldeke, I, 34. +Veldeke's _Minneliederen_, I, 41. +Velthem (Lodewijk van), I, 305-6. +_Vergy (Borchgravinne van)_, I, 337-9, 344. +_Versus de hirundine_, I, 18. +_Vingherlinc_, I, 382 vlgg. +_Vitae patrum_, I, 362. +_Vroeden (Van den VII... binnen Rome)_ (gedicht), I, 190. +_Vrouden (Van den vijf)_, I, 245 vlgg. + +W. + +_Walewein_, I, 119-121. +_Walewein-boek,_ I, 109. +_Boek der Waarheid_ (Suso), I, 369. +_Waerheit (Boec vander hoechster)_, I, 382 vlgg. +_Waerneer (Van sente)_, I, 137-138. +Willem van Afflighem, I, 150. +_Wraken (Boec van der)_, I, 422, 451. +_Wrake (Van onses Heren)_, I, 139. +_Wisselau (Van den bere)_, I, 48. +_Woeringen (Slag bij)_, I, 303. +_Wonden (Van ons Heren)_, I, 245 vlgg. +_Wychliederen_, I, 223 + +Y. + +_Yeesten (Brabantsche)_, I, 427. +_Ysengrimus_, I, 24. +_Ystoriën (Der--Bloeme)_, I, 349. + +Z. + +_Zalichede (Leeringhe der)_, I, 437 vlgg. +_Zeden (Bouc van)_, I, 436. +_Zeden (Van)_, I, 436. +_Zwaanridder-sage_, I, 11. + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche +letterkunde, Deel I, by Gerrit Kalff + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE *** + +***** This file should be named 23812-0.txt or 23812-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/3/8/1/23812/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
