summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/23796-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '23796-8.txt')
-rw-r--r--23796-8.txt14458
1 files changed, 14458 insertions, 0 deletions
diff --git a/23796-8.txt b/23796-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..952bc8e
--- /dev/null
+++ b/23796-8.txt
@@ -0,0 +1,14458 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse,
+Deel 1, by Multatuli
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1
+ Uit de 'ideen' verzameld
+
+Author: Multatuli
+
+Editor: J. van den Berg van Eysinga-Elias
+
+Release Date: December 10, 2007 [EBook #23796]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Multatuli
+
+ De Geschiedenis van Woutertje Pieterse
+
+ Opnieuw verzameld uit de "Ideen"
+
+ Door
+
+ Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias
+
+
+ Eerste Deel
+
+
+
+ Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921
+
+
+
+
+
+
+
+
+ N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+In de eerste jaren na 1860 heeft Multatuli zijn lezende en denkende
+landgenooten in heftige beroering gebracht: door de _Max Havelaar_,
+door zijn geschrift _Over vrijen-arbeid in Nederlandsch-Indië_ en
+door zijne _Minnebrieven_ wekte hij geestdrift eenerzijds, sterke
+afkeuring andererzijds door zijne excentrieke persoonlijkheid.
+
+Voor den groeienden kring zijner aanhangers begon hij in 1862 zijne
+_Ideen_ uit te geven. Deze verschenen op ongezette tijden per vel
+druks in een lossen omslag, dien M. als correspondentieblad met
+zijne lezers en lezeressen gebruikte. Zoodoende kreeg hij voeling
+met zijnen lezerskring. De strijd om recht te verkrijgen voor den
+Javaan werd verruimd tot een "strijd tegen Droogstoppelarij in
+alle beteekenissen": "Ik trek te velde tegen al wat op zedelijk,
+maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of
+benauwd is", verklaart M. in I. 403.
+
+En dit deed hij--schrijvende naar den indruk van het oogenblik--in
+kernachtige spreuken en prikkelende paradoxen, in parabelen en
+betoogen, soms zangerig en dichterlijk van taal, dan weer vlijmend
+scherp van toon.
+
+M. leefde voor en in zijn geestelijken strijd. Hij was vol moed
+en vervuld van hoop, toen zijne Ideen bij velen insloegen. Maar
+nieuwe denkbeelden dringen tot de groote hoop, ook tot die der
+intellectueelen uiterst langzaam door: ondanks een groeienden kring van
+geestverwanten lieten werkelijke hervormingen op zich wachten. En dit
+maakt geestelijken strijd zoo ontmoedigend. Deze ontmoediging heeft
+M. ruimschoots gekend en het heeft hem vaak bitter gestemd, ja het
+vervulde hem met walging. En dan barst hij uit in een wanhoopskreet:
+"Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel
+walglyks òm my." (I. 360-361.) En dan zegt Fancy hem tot troost een
+sprookje voor, een sprookje geboren uit heimwee naar de heerschappij
+van 't goede, schoone en ware.
+
+Een zeer eigenaardig sprookje is de _geschiedenis van Woutertje
+Pieterse_: geen zweverig sprookje, dat buiten het alledaagsche
+leven omgaat, maar het wonderverhaal van een ontwakende dichterziel
+temidden der meest stuitende alledaagschheid en van zijn streven
+naar goedheid, waarheid en schoonheid in een wereld, waar platheid,
+zelfzucht en eigengerechtigheid hoogtij vieren. Het is de strijd van
+Multatuli's eigen kinderjaren, dien hij eerst onbewust, later bewust
+gestreden heeft.
+
+Toch moet de Woutergeschiedenis niet opgevat worden als M.'s
+autobiographie. In dieperen zin is dit wel het geval: het leed,
+de droomen, de innerlijke strijd en ontwikkeling zijner kinderjaren
+zijn er in geteekend. Maar _niet_ zijn ouderlijk huis, _niet_ zijn
+moeder vooral. Alleen de schepping van Stoffel staat eenigszins
+in verband met herinneringen aan een niet zeer beminden broeder en
+Leentje is historisch. Episoden als het romanlezen, de pepermenthandel
+met de Hallemannetjes, de kantoorcarrière bij de firma Kopperlith,
+en het twijfelachtig genot van de uitnoodigingen op hun "buiten",
+Femke en Pastoor Jansen (voor wien een braaf dorpsdominee tot model
+diende),--dat alles is min of meer historisch.
+
+De groei van een kinderziel in een gezin en een maatschappij, die
+door conventie verwrongen zijn, en die door de kracht van dien
+zuiveren, innerlijken groei bestemd is om eenmaal de knellende
+vormen te verbreken, maar voorloopig moeite heeft zich te schikken
+in de grootemenschenwereld, die hij niet verstaat: dat is de
+Woutergeschiedenis.
+
+Voor het eerst heeft Multatuli in ons land den ontwikkelingsgang
+van het kind in een kunstwerk geschetst. Wat Rousseau met zijn
+_Emile_, Bernardin de St. Pierre met _Paul et Virginie_, von Sallet
+in _Contraste und Paradoxe_ hebben gedaan, dat deed Multatuli op
+zeer oorspronkelijke wijze in zijn Woutergeschiedenis. De Fransche
+schrijvers plaatsen hun kinderen _buiten_ de werkelijkheid. Maar
+Multatuli plaatst Wouter _midden_ in het leven. Hij laat Wouter
+opgroeien in een uiterst-bekrompen, kleinburgerlijke omgeving. Deze
+omgeving schetst hij met scherpe humor; hij laat zien hoe bekrompenheid
+van woning samenhangt met die van lichaam en ziel: "begrippen van
+deugd, zedelijkheid, godsdienst zijn veelal geschoeid op de leest
+van de ruimte waarin men zich bewoog", en "er bestaat 'n zeer innige
+verwantschap tusschen de benauwde tweede-achter-verdiepingsche
+denkbeelden, en de bekatechiseerde stofferigheid van zoo'n
+omnibus-bedstede. _Alles is in alles._" (I. 401.)
+
+Wouter nu doorbreekt dien samenhang tusschen uiterlijke en innerlijke
+bekrompenheid. Hij ontwikkelt zich juist in sterke tegenstelling
+tot zijn omgeving. Bij deze heerscht harmonie tusschen uiterlijke
+omstandigheden en innerlijk leven. Maar Wouter groeit innerlijk
+tegen de verdrukking in door den adel van zijn aanleg. Telkens
+ontvlucht hij het ouderlijk huis om te droomen bij slooten en molens
+en bruggetjes. Daar gaat de romantische boekenwereld voor hem open,
+daar vindt hij Femke en de liefde en uit al die sensaties wordt
+Fancy geboren.
+
+De tegenstelling tusschen Wouter en zijn familie vinden we terug in de
+tegenstellingen in de omgeving, waarin hij opgroeit: 't huis Pieterse
+en consorten staat tegenover Vrouw Claus en Femke, huisdominee en
+Pennewip tegenover Pastoor Jansen, de holle deftigheid der Kopperliths
+tegenover de wezenlijke superioriteit der Holsma's.
+
+In het tweede gedeelte der Woutergeschiedenis krijgt Wouter een
+lotgenoot: tegenover Wouter, die aan kleinburgerlijke bekrompenheid
+tracht te ontkomen, verschijnt Prinses Erica, die zich tegen
+vorstelijke geesteloosheid en vormelijkheid verzet.
+
+Wouter ziet in Erica de ware verschijning zijner Fancy, door wie de
+liefelijke Femke wordt verdrongen. Erica waant in de ruwheid van
+het volksleven, in den degelijken eenvoud van Vrouw Claus de ware
+menschelijkheid te hebben gevonden.
+
+En onbewust spreekt ze waarheid, als ze bij vergissing in de donkere
+kroeg Wouter _Mein Bruder_ noemt: want als zusterzielen zoeken beiden
+naar poëzie en ware menschelijkheid in de sfeer tegengesteld aan
+de eigene.
+
+Het verzoenende beeld, dat deze uitersten moet opheffen, is geteekend
+in het gezin van dokter Holsma: niet in hoogheid van rang of eenvoud
+van leven, maar in zuiverheid van gemoed, in innerlijken rijkdom
+schuilt de ware menschelijkheid. In de uitspraken van Dr. Holsma,
+Zielearts en Opvoeder in den waren zin des woords, vinden we
+Multatuli's eigen denkbeelden terug.
+
+Wouters ontwikkeling wordt zeer uitvoerig geschetst: zijn kleeding,
+zijn leeren, zijn omgang met kameraden en vriendinnetjes, zijn
+reageeren op moederlijke en Pennewipsche paedagogie, zijn tobben over
+de z.g.n. levenswijsheid der groote menschen en dan het ontwaken in
+zijn gemoed van liefde en begeerte naar macht om het goede te doen
+zegevieren, zijn tobben, waarom een almachtig God zooveel onrecht
+duldt, de botsingen van zijn ontwakend idealisme met het bestaande
+thuis, op school, in den handel.--dat alles wordt in fijn gevoelde,
+humoristische tafreeltjes geschetst.
+
+De Woutergeschiedenis is onvoltooid gebleven. Wel is het Multatuli's
+plan geweest Wouter tot diens dood toe te volgen, daarom liet hij hem
+dan ook omstreeks 1800 geboren worden. Maar de bittere stemming over
+kritiek op zijn werk en persoon, over het uitblijven der zoo vurig
+bepleite hervormingen, verduisterden voorgoed de Fancy-verschijning
+in zijn gemoed.
+
+En zoo verliezen we Wouter uit het oog als een jongen, die op het
+punt staat het groote leven in te gaan. Hij is bezield met goede
+voornemens--maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegt Multatuli
+er aan toe.
+
+En zijn de eerste daad als hij met Pastoor Jansen op pad gaat om
+_eigen_ domheid te herstellen, is een poging twee meisjes van _hare_
+domheid te redden: en dit stemt sceptisch of Wouter zijn goede
+voornemens inderdaad ten uitvoer zal leggen.
+
+
+
+Multatuli beperkt zich niet tot het schetsen van Wouters
+wederwaardigheden: hij wijst telkens op fouten in opvoeding en
+onderwijs, op bekrompenheid, op maatschappelijk onrecht. Hij trekt
+telkens een parallel tusschen de ontwikkeling der kinderziel en
+die der menschheid: hij vindt hierin aanleiding opmerkingen over
+taalontwikkeling, mythologie, folklore en geschiedenis te plaatsen.
+
+De grens tusschen deze uitweidingen en de Woutergeschiedenis is vaak
+moeilijk te trekken: soms zijn het korte kernachtige spreuken, soms
+dijen ze uit tot lange vertoogen.
+
+Zoo vinden we _hoofdstukken mèt_ en _hoofdstukken zònder ideen_,
+ook wel eens _Ideen zonder hoofdstuk_, herhaaldelijk hoofdstukken
+met zijsprongen op 't gebied van kunst, geschiedenis, zedelijkheid,
+politiek of literaire kritiek.
+
+Zoo is de Woutergeschiedenis in en door de Ideen heengewerkt, maar toch
+als een bewuste tegenstelling tot die Ideen. In de Woutergeschiedenis
+geeft Multatuli de idee op de wijze van het sprookje, de idee
+gekleurd door het schoone licht der fantasie. Maar telkens weer
+wekten de beelden door Fancy hem voorgetooverd den beschouwenden,
+kritischen geest van den schrijver; dan onderbreekt hij Fancy om
+redeneerend, afbrekend en opbouwend aan _hare beelden zijne ideen_
+te demonstreeren. En dan gebeurt het niet zelden, dat hij van idee
+tot idee voortredeneerend, Fancy laat glippen.
+
+Zoo is de Woutergeschiedenis zeer nauw, ja haast onverbrekelijk met
+de _Ideen_ verbonden: en tòch, wie de bekoring van Fancy's sprookje
+ten volle wil genieten, zal bij voorkeur achter elkaar die stukken
+van de _Ideen_ opslaan, waarin de Woutergeschiedenis wordt voortgezet,
+en de betoogen, die deze onderbreken, zooveel mogelijk overslaan. Want
+ondanks alle uitweidingen is ze in zichzelven een eenheid van groote
+schoonheid. Dit nu komt beter tot zijn recht in een afzonderlijke
+uitgave, dan in de _Ideen_ zelve.
+
+Wegens den innigen samenhang met de _Ideen_ echter is Multatuli
+nooit overgegaan tot het bewerken eener afzonderlijke uitgave en
+heeft zijne weduwe sterk geaarzeld, eer ze er toe kon besluiten.
+
+In deze nieuwe afzonderlijke uitgave zijn weer meer stukken weggelaten,
+dan in die van Multatuli's weduwe. De eenheid en samenhang dezer
+kunstschepping zuiver te doen uitkomen is hierbij richtsnoer geweest,
+doch allerminst was het de bedoeling den samenhang met de _Ideen_
+weg te doezelen; wie de Woutergeschiedenis volkomen wil leeren kennen,
+leze deze zoowel in de afzonderlijke uitgave, als in de _Ideen_.
+
+Daar vele der weggelaten betoogen in zeer nauw verband staan tot de
+Woutergeschiedenis, is in noten met enkele woorden naar deze _Ideen_
+verwezen; minder belangrijke coupures zijn echter niet aangegeven.
+
+Dat thans eene geïllustreerde uitgave verschijnt is geheel in den
+geest van den schrijver; dat vaderlandsche kunstenaars zich niet
+geroepen voelden Wouter in zijn pittoresk milieu uit te beelden,
+was hem steeds een grievende teleurstelling. [1]
+
+Door besprekingen met den Heer Van der Valk over de keuze der
+illustraties en met ondergeteekende over het al dan niet weglaten
+van sommige stukken heeft Mevrouw de Weduwe Douwes Dekker--Hamminck
+Schepel ook aan deze uitgave hare vriendelijke medewerking verleend.
+
+Dat een en ander _hare_ goedkeuring verwierf, moge gelden als waarborg,
+dat de bewerking dezer uitgave het werk van Multatuli tot zijn recht
+doet komen.
+
+
+J. van den Bergh van Eijsinga-Elias.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.
+ Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over
+ zooveel walg'lyks òm my.
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen? [2]
+
+
+
+
+_Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer
+geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in 'n
+stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van
+valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen 't vermoeden
+van misdaad. Apothéose van Glorioso. 't Gevaar van den roem, en de
+veiligheid van 't bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van
+Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had--ik meen de Kat--als de
+kinderen die z'n versjes moesten leeren--de versjes van Van Alphen,
+meen ik--en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze
+moesten aanhooren._
+
+
+
+
+
+Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip
+te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt,
+zal ik 'n paar punten opgeven als _jalons_.
+
+M'n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. 't
+Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze
+meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. "Dat
+was zoo zuinig, meende de ziel, om 't schoeisel." Daaruit zou men nu
+weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.
+
+Hoe dit zy, 't is lang geleden. Men zeide nog niet: ik heb _bepaald_
+pyn in 't hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, de _inkomende
+Rechten_ bestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen
+nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, 't is
+lang geleden.
+
+Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraat _hartenstraat_ genoemd
+wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit
+heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook
+hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde
+die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker
+beteekent.
+
+Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het 'n
+straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die
+ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een
+der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.
+
+Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet
+blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar
+volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men
+ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke
+stand wordt geregeld bygehouden... er is geen _Ghetto_ geen
+_Templebar_, geen "Chinesche kamp", geen _Cour des miracles_... wie
+er 'n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of
+Jansjen. Alles proza.
+
+Er is moed noodig om 'n verhaal te doen aanvangen in 'n plaats die op
+"dam" uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence's of Héloïzes kan
+laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang
+geprofaneerd zyn.
+
+Hoe maken 't toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions
+aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri's
+en Ernesten die evenzeer doen denken aan _M'sieu_ Henri en _M'sieu_
+Ernest uit den _nouveauté_-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?
+
+Göthe was 'n moedig man: _Grietje_, _Klaartje_...
+
+En ik: in de hartenstraat!
+
+Maar ik schryf geen roman, dat 's waar. En al schreef ik 'n roman, dan
+nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En
+wel van iemand die in z'n jeugd verliefd werd op 'n houtzaagmolen,
+en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.
+
+Want verliefdheid is 'n kwaal, al is 't maar op 'n molen.
+
+Men ziet dat m'n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig
+eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als 't me wat al te mager
+voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de
+Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geen
+_Eau de Lob_ hebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit
+'n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.
+
+In de hartenstraat dan was 'n leesbibliotheek. Een kleine jongen met 'n
+stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het
+was hem aantezien dat-i gebukt ging onder 'n plan boven z'n kracht.
+
+Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens
+veranderde hy die halfvolbrachte beweging in 'n onnoodig neertrekken
+van 't rechthoekig hemdskraagje dat als 'n juk op z'n schouders lag,
+of in 'n even onnoodig tegenhouden van 'n gemaakte kuch.
+
+Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten
+die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot 'n
+staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke
+soldaten, dwaalde z'n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die
+vreest betrapt te worden op misdryf. 't Was duidelyk dat-i 'n opzet
+in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de
+blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de
+krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder 't opgeschort
+kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z'n broekzak,
+zou allicht op 't denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was
+huisbraak te plegen, of zoo-iets.
+
+Want hy heette Wouter.
+
+'t Is wel gelukkig dat ik op 't idee ben gekomen z'n geschiedenis te
+verhalen, en ik beschouw 't als 'n eerste plicht u te zeggen dat-i
+volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.
+
+Maar 't zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken
+van andere vergrypen. 't Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in
+z'n linkerbroekzak, was wel geen _rossignol_, geen _passe-partout_,
+geen _casse-tête_, geen _tomahawk_ of _machine infernale_... maar
+toch 'n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z'n
+Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman op
+_d'ouwenbrug_, en 't plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep
+in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z'n intrede in de
+tooverwereld der romanlektuur: hy wilde _Glorioso_ lezen.
+
+_Glorioso!_ Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso!
+
+Al de Rinaldini's en Fra Diavolo's van later tyden mogen niet op één
+dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte
+by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen,
+en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.
+
+Maar dit laatste was Glorioso's schuld niet, zeker niet. Men zou
+schromen 'n held of 'n genie te wezen--of 'n roover zelfs--als men
+daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na
+jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden.
+
+Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na
+m'n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis
+myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m'n weg naar roem niet
+laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal 'n Nieuw-Testament
+met gezangen kon worden verkwanseld voor 't "_Leven en de daden van
+Multatuli_", schoon ik 't niet duur vinden zou.
+
+--Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen.
+
+Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen van
+_Glorioso_. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als
+'n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden
+toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i
+eenmaal toornig was gemaakt door doelloos "malen" aan de deur. Althans
+Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet
+wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... 't was of de boekwinkel
+hem inslikte.
+
+--_Glorioso_... asjeblieft, m'nheer, en hier...
+
+Hy haalde z'n _machine infernale_ voor den dag.
+
+... en hier is _geld_!
+
+Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met
+de romanziekte, dat men in 'n leesbibliotheek "pand" eischte van
+onbekende klanten.
+
+De boekenman scheen zich "gedekt" te achten door de neergelegde
+veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast 'n deeltje dat, vet
+en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk
+genot.
+
+Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun
+bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de
+lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld
+gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar 't is
+niet moeielyk rein te blyven als men op de bovenste plank staat,
+en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk
+hadden. En dat vind ik van veel preeken.
+
+Na met 'n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette,
+verstopte Wouter z'n misdadig geluk onder 't helend kieltje, en vloog
+de deur uit, schichtig als 'n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze
+"uren lang gedoken zat."
+
+
+
+
+ Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den
+ schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent
+ den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman
+ op Wouter's heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en
+ de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met 'n
+ wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote
+ menschen bezien door de kleine.
+
+
+Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar
+toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte
+was bekrompen.
+
+Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan 'n poort die hy zich
+herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook
+niet. 't Was 'n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar
+asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje
+Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter
+niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl,
+en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z'n durven.
+
+Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis
+was in _Habakuk_, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven
+tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien 'n barometer in z'n
+verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd
+waarschuwde als 't regenen zou.
+
+In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter's overgang van
+de kinderlektuur tot de boeken waarin van "groote menschen" wordt
+verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z'n
+eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken
+der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet
+voorkomen in 'n burgerhuishouden.
+
+Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z'n grootere
+makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die er
+gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in 'n koets rydt, steden
+verwoest, prinsessen trouwt, en 's avends opblyft na tienen, al is er
+niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die wereld, en
+heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo meenen de kinderen. [3]
+
+
+
+
+
+
+ Een Italiaansche roover op 'n buitensingel te
+ Amsterdam. Proefje van 't bitter lyden der deugdzame
+ Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige
+ waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen
+ der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe
+ eerlykheid ryk maakt.
+
+
+Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig
+voor de afwezige schoonheid van 't landschap aan 'n moddersloot kwam,
+waarover 'n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar,
+na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was,
+en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z'n roover.
+
+Ik heb 'n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot
+te maken van Wouter's genot, door 't leveren eener schets van 't
+onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso's
+geschiedenis niet recht ken--wat me trouwens niet volstrekt beletten
+zou er over te spreke--heb ik u veel andere zaken te verhalen van
+dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de
+hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg
+te nemen over _d'ouwen-brug_. Laat het u genoeg zyn te weten dat het
+"heel mooi" was. "De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht,
+aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber
+cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den
+edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen,
+met derzelver zilte tranen... kortom, 't was treffend. Ook was er meer
+zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende
+waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond
+'n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt
+werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen
+die Wouter vergeefs tegen 't licht hield om er meer van te weten.
+
+Hy las tot "sterf verrader". Toen was 't donker, en hy begreep dat
+het tyd werd 'n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de
+Hallemannetjes "_dat_ zulke fatsoenlyke kinderen waren." Met weerzin
+sloot hy 't dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde
+beknord te worden over z'n lang uitblyven.
+
+"Hy zou nooit weer permissie krygen" werd er by zoo'n gelegenheid
+gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe
+wist-i te goed dat men graag de kinderen "eens van de vloer heeft,
+als men zoo klein behuisd is." En: "de Hallemannetjes waren zoo
+buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast 'n huis met 'n balkon,
+en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen."
+
+Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de
+andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef
+van m'n geloof, wil ik hier 'n voorval inlasschen dat iets vroeger
+had plaats gevonden.
+
+Wouter ontving geen zakgeld. Z'n moeder zei dat hoefde niet omdat hy
+thuis alles kreeg wat-i noodig had. 't Stuitte hem altyd te moeten
+wachten op vergunning om "meetedoen" als z'n kameraadjes met den
+bal speelden, en hem verweten dat hy 't zyne niet had bygedragen
+tot aanschaffing van dat meubel. 't Kostte drie duiten in Wouter's
+tyd. Nu zal 't wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de
+staathuishoudkunde.
+
+En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z'n voortdurende
+geldeloosheid. Later zullen we zien of 't waar was, wat z'n moeder zei,
+dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men
+hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over 'n kleinigheid
+te beschikken _naar eigen wil_. Wat toch zoo heel prettig is voor
+kinderen. En voor menschen.
+
+De Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk waren--gaven hem heel
+duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te
+dragen van 't verkeer. Fransje berekende dat Wouter's vriendschap hun
+al negen stuivers gekost had--wat ik duur vind, niet om de vriendschap,
+maar om 't berekenen--en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat
+ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig
+had om z'n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou
+omdat i 'n insteekpakje droeg. [4] Maar de griften had ze aangenomen,
+en overgedaan aan Gus voor 'n zoen.
+
+De bittere verwyten der Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk
+waren--maakten Wouter wanhopig.
+
+--Ik heb gevraagd aan m'n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.
+
+--Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes
+d. z. b. f. w. Je bent 'n klaplooper.
+
+Wouter hoorde dit woord voor 't eerst, maar begreep het terstond. Niets
+maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.
+
+--Klaplooper, klaplooper... ik ben 'n klaplooper!
+
+Schreiend liep hy heen, en koos 'n omweg om de straat te myden, waar
+lange Ceciel's vader 'n lappenwinkel "deed". Och, als ze gezien had
+hoe hy als 'n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was
+èrger dan de broek boven 't buisje.
+
+--Klaplooper, klaplooper!
+
+Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren,
+maar ze huilden er niet om als Wouter.
+
+--Klaplooper!
+
+Hy zag 'n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. 't
+Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.
+
+--Klaplooper!
+
+Daar kwam de man van de vuilniskar, die 't woord naklepperde met z'n
+ratel, 't Was niet uittehouden!
+
+Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes
+d. z. b. f. w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te
+behalen op 'n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had
+men 'n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor 'n duit zou
+'t voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit
+hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet
+alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan
+meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moest _kapitaal_ wezen. Zy
+zouden de inkoopen doen, _zy_ zouden zich belasten met den verkoop,
+en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.
+
+--Klaplooper... klaplooper...
+
+Wouter _stal_ 'n gulden uit het "knipje" van z'n moeder, en bracht
+die aan de Hallemannetjes d. z. b. f. w.
+
+--Hoe kom je 'r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had
+om te antwoorden, en tevens dat-i 't antwoord niet verstond, dat deze
+gaf door zwygende verlegenheid.
+
+--Hoe kom je 'r aan--zonder vraagteeken alzoo--zie, nu zullen Franssie
+en ik ieder 'n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan
+koopen _wy_ de peperment. Op de Rozengracht is 'n fabriek... zóó'n
+zak voor vier schellingen! _Wy_ zullen al de moeite doen,
+Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten,
+weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld--hy zal betalen
+na de vakantie--_wy_ zullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft
+niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...
+
+Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou 'n
+daalder teruggeven in 't knipje van z'n moeder, en voor lange Ceciel
+'n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in 't hout van
+z'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan 'n paar
+griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot
+'n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den
+weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden
+ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik
+weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig
+insliep, in de hoop dat-i weldra 'n goed geweten hebben zou over 't
+bestolen knipjen en 'n voldaan hart over z'n liefde tot lange Ceciel.
+
+Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en 't fatsoen
+van de Hallemannetjes!
+
+Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school
+verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder 't
+gewicht van 'n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten
+of Kris Kloskamp z'n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die
+brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich
+bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen
+geen zak peperment droeg, maar bovendien 'n zeer ernstig gezicht
+meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.
+
+--Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder 'n woord te spreken. Hy
+was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag
+anders te uiten dan door 't geluideloos openen van z'n mond en 't
+vooruitsteken van zyn gelaat.
+
+--Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.
+
+Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z'n geweten en z'n
+hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend "moeder's
+knipje" weg, houtborend potlood dat 'n opening klieven zou in 't hart
+van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!
+
+--Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...
+
+--Ja...a...a, hikte de arme jongen.
+
+--En die Kris Kloskamp, die 'r twaalf besteld heeft, weetje?...
+
+--Ja...a...a...
+
+Of Kris ook smelten zou?
+
+...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.
+
+--Zoo...o...o?
+
+--Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik,
+dat er veel minder in 'n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment
+tegenwoordig heel zwaar is, weetje?
+
+--Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in
+levensgevaar 'n "eerst" beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel
+zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet 't weeromgeven.
+
+En hy bood Wouter 'n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig
+woog op z'n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i
+'t... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op
+dat oogenblik.
+
+Fransje stak 't zware pepermentjen in z'n mond, en zei, al zuigende:
+
+--Ja wezenlyk, heel zwaar... 't is engelsche, weetje? En dan is
+'r nog wat... niet waar Gus? 't Fatsoen! Toe Gus, zeg jy 't maar.
+
+--'t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.
+
+--We meenen 't fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.
+
+Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.
+
+--Zeg jy 't maar, Gus.
+
+--Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met
+'n zakje, en by ons "op" de gracht...
+
+--Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont
+m'nheer Krullewinkel die 'n buiten heeft...
+
+--En 'n balkon ...
+
+--'t Is maar om 't fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek
+komt, dan prezenteert onze mama...
+
+--Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is
+van zilver...
+
+--Né, Franssie... maar 't is net als zilver, weetje Wouter?
+
+De arme jongen zei maar dat-i 't wist, hopende eindelyk te weten te
+komen wat-i inderdaad _niet_ wist: het verband tusschen al die dingen
+en _zyn_ vervlogen hoop. Hy stamelde:
+
+--Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?
+
+--'t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.
+
+--Ja. Gus.
+
+--En braaf.
+
+--Ja...a...a... Franssie!
+
+Arme Wouter!
+
+--En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...
+
+--Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als
+'t winter wordt kan je 't zien, dan gaat-i rond met 'n weesjongen...
+
+--Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...
+
+--Dat je...
+
+--Die gulden...
+
+--Die gulden, weetje?
+
+--Dat je 'm niet...
+
+--Dat je 'r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die
+'n tweede pepermentjen uit z'n zak haalde en in den mond stak, tot
+versterking zeker na dat beslissend woord.
+
+'t Was er uit! Arme, arme Wouter!
+
+--En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maar _gelyk_
+deelen... dat is afgesproken!
+
+--Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... _wy_ hebben al de moeite
+gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!
+
+De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en
+alzoo... Wouter ontving acht stuivers.
+
+--Weetje, zei Gus, 't is omdat onze pa diaken is.
+
+--Ja... en onze tabakspot... al is 't dan geen zilver, 't lykt precies
+op zilver.
+
+Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de
+buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over
+tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan 'n uitvindsel
+van Wouter's moeder, omdat ze "nauw behuisd" was. 't Is de vraag of
+zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt
+hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in
+'t huishouden. [5]
+
+
+
+
+
+
+ Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de
+ rechtbank van 't geweten. De onmannelykheid der natie,
+ volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de
+ gebreken van Leentje, beschouwd uit 'n menschenvriendelyk
+ oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke
+ spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen
+ van 't vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip's
+ eer. Leentje's onzichtbaar talent om kleeren en zielen te
+ herstellen.
+
+
+Hoe 't zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte,
+Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent
+den oorsprong. Over z'n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet
+zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z'n
+nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z'n
+uitstapjen in de Abruzzen, en by z'n terugkeer in Amsterdam viel hem
+de herinnering aan z'n boosheid--of liever 't voorzien van de straf
+die er volgen zou op die boosheid--drukkend zwaar op 't gemoed.
+
+Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen
+vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou 't Nieuw-Testament
+niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de
+week zou er niet naar gevraagd worden.
+
+Nogeens: 't was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of
+zoo-iets van dagelyksch gebruik...
+
+Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten _Glorioso_ achter
+de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong
+z'n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z'n moeder
+'t nooit geweten heeft.
+
+Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik
+weet niet of "broek" mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken,
+vooral omdat ik 't toch niet begrypen zou, al vond ik "_broek, m._"
+in 'n woordenlystje. Onlangs vond ik géén _m._ achter _natie_. Dat zal
+'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.
+
+Of Wouters's broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de
+scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en
+ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en 's avends 'n boterham.
+
+Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: "goeien
+avend, juffrouw. Goeien avend, m'nheer en jonge-juffrouwen. Goeien
+avend, Wouter"... en de rest.
+
+Want Wouter's moeder heette "juffrouw" om de schoenmakery. De
+jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n
+broer was "m'nheer" sedert diens benoeming tot derden ondermeester
+aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z'n buis
+gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en "Stoffel" paste
+toen niet langer, meende Wouter's moeder. Maar dezen noemde Leentje
+eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar 'n kleine jongen was. Ook was hy
+haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy
+haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld
+wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.
+
+Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was
+foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook
+beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze 'n booze tong voerde. Ze
+zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken
+in _de Nederlanden_.
+
+Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers
+en 'n boterham? 'k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch
+niet aangenaam in den omgang.
+
+Dat Leentje scheef was, kwam van 't aanhoudend naaien. Ze hield het
+gansche gezin "heel" en verstond de kunst om een broek, twee buisjes
+en 'n lakenschen pet te maken uit 'n duffelsche jas, en toch schoten
+er nog lappen over voor de _sous-pieds_ die Stoffel noodig had voor
+z'n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door 'n fout
+in Euklides.
+
+Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men
+bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De
+"jonge-juffrouwen" spraken gedurig van "stand" en "dat ieder op
+z'n plaats moest blyven." Dit gold háár. Leentje's vader namelyk
+was 'n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de
+jonge-juffrouwen had 'n winkel "gedaan" waarin-i schoenen verkocht die
+uit Parys kwamen. Dit maakt 'n groot verschil. Want het is deftiger
+iets te verkoopen dat gemaakt is door 'n ander, dan zelf wat te maken.
+
+De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist
+gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid
+van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en
+geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was 't er geweest,
+het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje. [6]
+
+Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z'n hemdsboordjes,
+"die zoo nadeelig werkte op 't respekt" en klaagde dat ze hem altyd
+zoo mal aankeek, als-i "heeren had."
+
+Dat "heeren hebben" was 'n _privatissimum_ over de leerwyze van
+Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd
+voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet
+geslaagd in 't wegbyten van 'n lach, toen ze Stoffel z'n naam hoorde
+spellen, en uitvaren tegen 't onkiesche ouwerwetsche "esse té" dat
+dan ook leelyk is.
+
+En dan, die bessen met suiker!
+
+Aldus had ieder z'n grieven tegen 't arme Leentje. Maar Wouter hield
+veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam,
+misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel
+genoodzaakt was, of genoopt althans, z'n troost te zoeken by haar. Want
+alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin
+in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.
+
+Wouter's moeder noemde hem: "die jongen." Z'n broers--er waren er meer
+dan Stoffel--beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig
+sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem
+'n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De
+zusters verklaarden hem voor "sleets" of "sleetsch." Ik weet niet
+hoe ze 't spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar
+by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond
+het schande dat men niet meer "werk maakte van 'n jongen als hy." Ze
+scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En
+dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis
+te vertellen.
+
+Tot kort na de expeditie naar _ouwenbrug_, hartenstraat en aschpoort,
+was Leentje Wouter's eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen
+die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z'n smart over
+de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm "redelyk" gaf,
+en "uitmuntend" met 'n krul, aan 't roodharig Keesje. Aan Keesje,
+die geen "som" alleen wist te maken en altyd steken bleef in de
+hollandsche graven.
+
+--Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in 't huis
+van Beieren... 't is wel schande! En dat om 'n duit op 't pond.
+
+Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje's
+vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die
+graven en hun gedurig verhuizen.
+
+Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat
+Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt
+van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van
+'s mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was
+door Keesje's voorzitterschap. Want waar onze eer in 't spel is,
+of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander.
+
+Of, als z'n broers hem plaagden met 'n sarrend "professer
+Wouter"... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat "mal
+gekrabbel op 't behangsel"... of, als z'n moeder hem strafte voor
+dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist
+zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was 't altyd Leentje die
+Wouter's gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze
+den winkelhaak in z'n kleeren onzichtbaar maakte met 'n onnavolgbaar
+"heen-en-weertje."
+
+O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief
+gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat
+al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk:
+
+--Daar heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje
+voor je griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven
+die gedurig overgingen van 'n eene huis in 't ander.
+
+
+
+
+
+
+
+ Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie
+ van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende
+ terugblik op Scelerajoso's dood, dien we, om 't gevoel des
+ lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreide _binnenlandsche
+ betrekkingen_, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk
+ sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven
+ magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen
+ eener eigenaardige stofwisseling.
+
+
+Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van
+'t wegmaken van z'n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de
+man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de
+ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig
+en beweerde dus dat zoo'n jongen opgroeide voor de galg, want:
+
+--Men begon met 'n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met
+wat anders.
+
+Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch dat
+_andere_ wel wezen zou, als men begonnen was met 'n bybel. Ik denk dat
+zyzelf 't niet wist, en dat ze 't maar zoo zeide om de menschen in
+den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de
+zaken verstond dan zy uiten wilde. 't Is my wel, schoon 'k niet houd
+van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als
+'t myn zaak geweest was, zou 'k juffrouw Laps den duim tusschen de
+deur gezet hebben.
+
+Stoffel hield 'n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee
+vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets
+dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met
+'n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: "dat de eer van de familie
+op _d'ouwenbrug_ was verloren gegaan, dat hy, als "eenige" oudste
+zoon van 'n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads
+tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van 't huis...
+
+--Van Beieren, zei Leentje zacht.
+
+...dat 'n huwelyk of 'n _andere konditie_ voor de meisjes kon
+afspringen door Wouter's schuld, want dat niemand zou willen tedoen
+hebben met meisjes, die... in 't kort, Stoffel beweerde "dat het
+schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg
+van 't feit. Hy had duidelyk bemerkt dat "de jongens" er ook al van
+wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken."
+
+En eindelyk: "dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt [7] te gaan, omdat
+die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling
+van juffrouw Laps omtrent Wouter's toekomst."
+
+Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de
+heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend
+was.
+
+Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken
+werd van "dat andere" dat komen zou volgens juffrouw Laps, droomde
+hy van z'n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd
+door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als
+ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.
+
+'t Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot
+het openbaren der wyze waarop hy 't ontvangen geld had besteed,
+ydel waren. Men moest daarvan afzien, na 't vruchteloos aanwenden
+van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood,
+brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk,
+juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de
+jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk
+gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we
+gezien hebben.
+
+Zoodra 't hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes
+d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z'n
+boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig
+oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z'n held, die op 't laatste
+blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de
+deugdzame Elvira.
+
+Toen Wouter z'n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z'n blik
+aangetrokken door amandeltaartjes by 'n banketbakker op den hoek. Hy
+handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig
+zoo'n held optevolgen, en binnen weinig tyds was 't overschot van
+'t Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer
+veranderde.
+
+Wat het aandeel der "gezangen" betreft in het saldo dat Wouter restte
+na z'n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste
+stof tot 'n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde,
+en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor
+de schoolrust.
+
+
+
+
+ Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.
+
+
+Pennewip was 'n man van den ouden stempel. [8] Zoo althans zoud-i ons
+nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z'n gryze schooljas, dyvest,
+korte broek met gespen, en dat alles gekroond met 'n bruin pruikje,
+dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in 't begin der week altyd
+zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen
+geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer.
+
+Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i
+niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men 'tzelfde van ons zal
+zeggen. Hoe dit zy, de man heette _meester_, z'n school was 'n _school_
+en geen _instituut_, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik
+vind het 'n vreemde manier van vooruitgang, de dingen anders te noemen
+dan ze werkelyk heeten. Op z'n school, waar volgens de naïve gewoonte
+van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men--of kón
+men leeren--lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis,
+psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles
+was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of
+gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in 't verzenmaken,
+een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.
+
+Hy maakte de jongens "klaar" tot het "aannemen" toe, en met behulp van
+z'n vrouw voerde hy de meisjes op tot 'n merklap met 'n rood vader-ons
+op zwarten grond, of 'n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan
+waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden
+van onzen tegenwoordigen burgerstand.
+
+Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens
+ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het
+is 'n kind nutter te weten hoe 't koren groeit, dan het te kunnen
+toespreken in vreemde taal. Maar 't zou kunnen samengaan.
+
+Buiten 't verzenmaken bereed meester Pennewip nog 'n stokpaardje, dat
+hem boven ieder ander aanspraak gaf op 'n troon. Hy was bezeten door
+de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar
+zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed
+begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra
+ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van
+'n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip's
+onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot
+familiën, _genera_, klassen, _species_ en onderdeelen, en maakte
+alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de
+Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot
+'n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring
+van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te
+beweren dat Wouter's Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn,
+als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man
+behoorde, die 't gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.
+
+Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip's
+verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m'n
+lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner
+geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord
+zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken--dat _après-tout_
+niet verboden is--wanneer ik niet voorzag weldra 'n paar gedichten
+van z'n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.
+
+Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield--waarby de
+goeieman stoutweg den mensch 'n ziel gaf--volgde 'n stelsel dat
+er uitzag als 'n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder
+toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen
+op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogte
+stonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en
+dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en
+kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche
+dingen--mits tweepaardig--advokaten en ongedokterde dominees,
+kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en
+zoo voort. Wysgeeren--maar ze moesten 'n _stelsel_ hebben--dokters
+met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry
+naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III
+klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.
+
+
+
+ BURGERSTAND, IIIe KLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.
+
+ _Burgermenschen "op kamers" wonende._
+
+
+ _a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met
+ achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich
+ in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en
+ reciteeren den_ Kerstnacht. _De meisjes heeten_ Lena, Maria,
+ _soms--maar zelden_--Louise. _Ze borduren, en zeggen: U. De
+ jongens op 'n kantoor. Houden meid, naaister, en 'n "mensch
+ voor 't grove werk." De was nat thuis. Lezen preeken van_
+ v.d. Palm. _Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na
+ de koffi. Godsdienst en fatsoen._
+
+ _b1_) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen
+ buren die "tweemaal schellen." (Zie b2) Leentje, Mietje,
+ Jansje. Louise _komt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt
+ opengetrokken met 'n touw dat glimt van lange dienst. Slapen
+ in één kamer. Kraamschut. Meid, "halve naaister" en 'n
+ "mensch." Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst
+ en fatsoen als-boven._
+
+ _b2_) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid,
+ maar met 'n "mensch." Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd
+ tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.
+
+ _c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer
+ die inspringt om de binnenplaats. 't Heele gezin slaapt in
+ twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heeten_
+ Louw, Piet _of_ Gerrit, _en gaan "op" horologiemaken
+ of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig
+ twist met de buren over dien verstopten gootsteen in 't
+ portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan
+ "heel fatsoenlyke menschen." Lezen den Haarlemmer samen met
+ III 7, b2_ (Pp.) _Geen meid of "mensch" maar 'n naaister van
+ zeven stuivers en 'n boteram..._
+
+
+Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.
+
+De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter's omgeving,
+en begrypt waarom ik z'n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor
+'t eerst zagen in de hartenstraat.
+
+
+
+
+
+
+ Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd
+ tusschen willen en zyn, geopenbaard in 'n kindermymering
+ (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet,
+ eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met 'n
+ luchtreis.
+
+
+'t Was woensdag. Er zou 'n "avendje" wezen by de Pietersens. Juffrouw
+Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man
+"aan de beurs" was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had
+"maar altyd heel in 't fatsoenlyke." Dan de weduwe Zipperman, "die
+'n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster,
+of zoo-iets." Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet
+anders, want het was "zoo opvallend als men allerhande en janhagel
+liet halen zonder haar meetevragen." Dan de juffrouw van onder-achter
+die wel niet komen zou, dacht men "maar men wou graag de minste wezen
+na dat gekibbel over 't gebroken glas." En kwam ze nù niet, dan was
+'t ook _uit_, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou 't uit wezen met de
+juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet
+gekomen is, en dat het dus met die juffrouw _uit_ was.
+
+De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van 'n
+kop koude saliemelk aan 't ontbyt "als men ze den heelen avend niet
+hoorde." 't Is ook lastig de kinderen te "hooren" als men 'n avendje
+heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om
+te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest
+thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op 'n toon die hem
+deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer
+uitbleef. Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was, en gewoonlyk
+'s avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party
+te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by 't
+tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf--ze
+hadden de belydenis en den merklap achter den rug--en Stoffel zat
+voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de
+juffrouwen kwamen halen, en 't gezelschap vermaken met vertellingen
+over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder
+sterk was.
+
+Leentje zou blyven tot de "menschen" er waren, wyl 't anders voor de
+jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon
+ze wat helpen aan 't wegzetten van de latafel, en aan al 't geredder
+dat onafscheidelyk is van 'n avendje. "Maar ze moest wat vlugger wezen,
+of anders deed men 't waarlyk liever zelf."
+
+Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk
+zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de
+bestellen, "maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst
+zoo droog waren."
+
+'t Zou allerprettigst wezen "als nu juffrouw Laps maar niet altyd
+het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak." Ook was
+het te hopen dat de weduwe Zipperman "wat minder opsneed van haar
+schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op 't laatst." En de
+juffrouw boven den melkkelder "mocht ook wel wat bescheidener wezen,
+want ze had niet altyd in 'n _toehuis_ gewoond, en 'n _winkel_ was
+geen schande, en _op-kamers-wonen_ ook niet... heere, neen!" Ook kon
+niemand weten waar-i toe komen zou.
+
+Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd
+zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den
+burgerstand, "en als ze-n-'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook
+maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen
+volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe 't hoort."--En
+"dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging
+juffrouw Pieterse voort, 't raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om
+haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z'n
+beenen maar vóór zich houden... en dáár 'n stoel... ja, zóó... 't is
+heel goed dat ze niet komt, 't was toch te vol geworden... Leentje,
+ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga 'ns even naar juffrouw
+Laps, en vraag of de juffrouw me-n-'n paar krukjes wil leenen, zonder
+leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen,
+dat schuift niet in... ja, vraag 'n paar krukjes aan de juffrouw, en
+zeg aan de juffrouw dat 't voor my is, en dat ik de juffrouw wacht
+tegen zevenen... maar doe 't kompliment aan de juffrouw, en snuit
+je neus."
+
+Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. 't Was
+zoo onbeleefd, vond ze.
+
+
+
+Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z'n brug, die
+ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens
+van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot,
+en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy
+gedachteloos of vol gedachten--wat byna 't zelfde is--daarin wierp,
+werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd
+moesten worden door de beide molens: "_d' Morgenstond_" en "_den
+Arend_" welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.
+
+Na _Glorioso_ namelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te
+vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig
+weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige
+romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld
+uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de
+grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken,
+dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe
+hy ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.
+
+Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van
+dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden
+maakten met z'n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat
+voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel
+beter gaan, meende hy in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van z'n
+moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen
+sleep, zooals die gravin? Hy had z'n bybel niet moeten verkoopen... dat
+is waar... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar
+dan behoorde hy toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer
+op z'n muts, zooals in 't boek stond.
+
+Ook verveelde hem z'n broer Stoffel, en z'n zusters, en juffrouw Laps,
+en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie
+niet naar Italie ging, om daar 'n behoorlyke roovery optezetten. Maar
+Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.
+
+'t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z'n vers...
+
+Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend
+waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar
+den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had
+opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel gekregen,
+niet zonder toespeling op z'n vroegtydige verdorvenheid, en den
+wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelyke
+verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en
+hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i
+de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem
+'t naast aan 't hart lag, de roovery.
+
+Hyzelf was, als alle schryvers--en menschen--zeer ingenomen met z'n
+werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en
+hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de
+deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden
+gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter
+tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.
+
+Zoo droomde hy, en wierp z'n strootjes in 't water. Ze dreven langzaam
+voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig
+begon Wouter's verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der
+strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar
+ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia
+had geen beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf:
+hy naderde Amalia's kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit
+haar gevangenschap, of die te deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt
+door 'n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's
+laatste strootje, en in 't geklapper van den molen hoorde hy duidelyk
+Amalia's verwytend geklaag:
+
+
+ Warre, warre, warre, wou.
+ Waar is warre, warre, wou...
+ Wouter die me redden zou?
+
+
+Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden 'n steen te
+werpen naar den eend die door z'n gulzigheid oorzaak was van Amalia's
+twyfel aan z'n riddereer.
+
+De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben
+uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niet te
+storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper
+voort.
+
+Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat
+weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die
+ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening
+dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat
+ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles
+wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de
+weerklank der aandoeningen in z'n eigen gemoed.
+
+--Wie 't snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk
+beginnen... zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens.. nu! Och,
+weer verkeerd!
+
+Wie nu 't eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van
+die wolk af. _Morgenstond_, pas-op... mis weer! Ik kan 'r geen oog
+op houden... wat 'n gedraai!
+
+Zoo, ben je moê? 'k Wil 't wel gelooven!
+
+Als ik eens op zoo'n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat
+zou de molenaar gek kyken!
+
+Waarom heetje _Morgenstond_? Hebje wat in den
+mond? En... _Arend_... kunje vliegen? Wilje my meenemen? _Ik_ zou
+wel willen... wat 'n ruimte daarboven... en geen school!
+
+Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst... 'n
+school of 'n meester?
+
+Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die
+eerste school moet toch 'n meester gehad hebben...
+
+Of zou de eerste meester vanzelf...
+
+Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den
+wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens,
+_Arend_... toe! Kryg de _Morgenstond_... gauw, gauw... pak 'm
+beet... mooi!
+
+Nu weer samen... _karre, karre, kra, kra_... steek-uit je armen... neem
+me mee... wilje niet? Goed _Arend_! Zet je hoed op... wat fladderen
+die linten... hoe heetje? _Warre, warre, warre, wou_... ik kon 't
+niet helpen... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? _Fanne, Fanne, fan,
+fan_... heetje _Fan_? En jy, _Morgenstond_, hoe is je naam? _Sine,
+sine, sine, si_... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu tegelyk,
+komaan... samen... zingt 'n liedje samen:
+
+
+ Fanne, fanne, fan, fan...
+ Sine, sine, si, si...
+ Fanne, sine, fanne, sine,
+ Fanne sine... Fan... cy...
+
+
+_Fancy_... wat meenje daarmee? Heetje _Fancy_! En... wat is
+dàt... hebje vleugels?
+
+Ja, "_d' Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden
+vleugels en heetten _Fancy_.
+
+Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.
+
+Toen ze hem weer neerzette op de brug, was 't al lang donker. Wouter
+schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit,
+en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch
+moeten daartoe 'n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet
+te _collet monté_ is tot het aannemen van m'n uitnoodiging op de
+saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf
+maakte, en alles van Parys kreeg.
+
+In 't voorbygaan echter, wenschte ik 'n kort bezoek te brengen by
+meester Pennewip.
+
+
+_Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop._
+
+De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen
+daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa
+keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes
+lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes
+en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten
+aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al
+haar luister op 't zwarte bord, maar toch, de school was geen school
+meer, de geest was er uit, 't was 'n lyk.
+
+Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen 'n groote
+hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra
+blyken.
+
+Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip
+de dichterlyke voortbrenselen van 't genie zyner leerlingen keuren
+zou. Daar zat-i. Z'n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die
+hem bezielden by 't lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden
+genoeg om over z'n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te
+worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.
+
+Pruik: recht en in rust.
+
+
+ "TRYNTJE FOP, _op haar muts_.
+
+ Ik heet Tryntje Fop.
+ En heb een muts op myn kop."
+
+
+--Niet kwaad... maar... laat zien--ja, zóó is 't beter--die beide
+laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver
+overtolligheid.
+
+Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje
+Fop heel eenvoudig 'n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.
+
+Pruik: iets of wat links.
+
+
+ "LUKAS DE BRYER, _op het Vaderland_.
+
+ Vaderland, koek en amandelen.
+ Ik ga in de maneschyn wandelen.
+ Koek, vaderland en brandewyn,
+ Ik ga wandelen in de maneschyn.
+ Vyf vingers heb ik aan myn hand
+ Ter eer van 't lieve vaderland."
+
+
+--Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet
+brandewyn, en 't vaderland daartusschen.
+
+Pruik: rechts.
+
+
+ "LYSJE WEBBELAAR, _op het beroep van haar vader_.
+
+ De kat viel van de trappe,
+ Myn vader verkoopt aardappe-
+ Len en uyen."
+
+
+--Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur
+ik af.
+
+Pruik: links.
+
+
+ "JANNETJE RAST, _op een windwyzer_.
+
+ Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet.
+ En wyst aan den wind hoe hy waaien moet."
+
+
+--Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als
+dichterlyke vryheid kan het er door.
+
+Pruik: vooruit.
+
+
+ "GRIETJE WANZER, _op een rups_.
+
+ Het rupsje zonder schromen,
+ Springt rond op alle boomen."
+
+
+--Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van
+die onbeschroomd rondspringende rups.
+
+Pruik: in rust.
+
+
+ "LEENDERT SNELLEMAN, _op de lente_.
+
+ In de lente is het heel aardig.
+ In Mei is myn broertje jarig.
+ Maar nu heeft hy wintervoeten.
+ Zoodat wy de lente pryzen moeten.
+ Dan gaan wy samen kuieren.
+ En op paasch, vacantie met eieren."
+
+
+--'t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn
+inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is
+zeer eigenaardig.
+
+Pruik: in den nek.
+
+
+ SLACHTERSKEESJE, _lofdicht op den meester_.
+
+ Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,
+ Maar meester Pennewip is nog in leven.
+ Soms waren zy mager en somtyds vet.
+ En hy heeft zyn pruik op zy gezet."
+
+
+De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.
+
+--Hm... 't is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?
+
+De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.
+
+--Wat heb ik met die ossen te maken?
+
+De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen
+alle verwantschap met die ossen.
+
+--Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers _humor_
+noemen?
+
+De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.
+
+Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...
+
+De pruik kwam weer terecht op 't zenith, om haar tevredenheid
+uittedrukken over meester's voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg
+onder-handen te nemen.
+
+
+ "LUKAS DE WILDE, _op de godsdienst_.
+
+ De godsdienst is een goede zaak.
+ En geeft het menschdom veel vermaak."
+
+
+--Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve
+had iets meer uitgewerkt behooren te worden.
+
+De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.
+
+
+ TRUITJE GIER, _op juffrouw Pennewip_.
+
+ Het pad der deugd wyst zy ons aan.
+ Wie zou niet gaarne medegaan?
+ En in verloren oogenblikken
+ Leert zy ons naaien, stoppen en stikken."
+
+
+De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden
+elkaar. Meester kon niet nalaten z'n vrouw terstond deelgenoot te
+maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den
+schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.
+
+By 't volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar
+onbewogen, maar de oplettende beschouwer had 'n hysterische
+geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.
+
+
+ "KLAASJE VAN DER GRACHT, _op God_.
+
+ Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven
+ Met stof, en stergewoel, van 't aardsch bazuingeschal!
+ Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,
+ Wie zegt ons waar 't gewoel, een einde nemen zal?
+ Tot weêrklank van Genaè, met Eng'len op de transen,
+ Gevaar van 't smalle pad, uit onbekend genot...
+ Een vader weegt zyn kind, met eeuw'ge kroonbalansen,
+ Zich spieg'lend in, en door, en op, en onder God.
+ Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen.
+ Het zevenslotig boek, een zang van 't boos geslacht,
+ Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.
+
+
+_Dit vers is saamgedicht door_ Klaasje van der Gracht _van den
+katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud
+dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de
+vliegende theeketel uithangt._"
+
+
+
+--Verheven! Als z'n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het
+verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en
+telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my
+boven het hoofd... het is verbazend!
+
+Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.
+
+
+ "LOUWTJE DE WILDE, _op de vriendschap_.
+
+ De vriendschap is een schoone zaak.
+ En geeft het menschdom groot vermaak."
+
+
+De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd
+voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes
+vriendschap.
+
+--Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één
+denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of
+zyn.
+
+
+ "WIMPJE DE WILDE, _op het hengelen_.
+
+ Het heng'len is...
+
+
+--Hoe... wat is dat?
+
+Ja waarachtig, 't stond er:
+
+
+ "Het heng'len is een schoone zaak.
+ En geeft het menschdom veel vermaak."
+
+
+De pruik was in voortdurende beweging. 't Scheen wel dat ze
+meehengelde.
+
+Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de
+voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje
+de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden
+met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen,
+bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak
+gaven aan 't menschdom! 't Was 'n stortvloed van schoone zaken en
+vermakelykheden.
+
+Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden
+'t beste was, en meer kan men niet verlangen. Na 't inzien der
+vruchteloosheid harer bemoeiingen om onderscheid te vinden tusschen
+hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool,
+hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in 't juiste
+midden, met 'n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag
+naar 't vervolg, als de lezer.
+
+
+ "LEENTJE DE HAAS, _op admiraal de Ruyter_.
+
+ "Hy is op een toren geklommen,
+ En heeft daar touw gedraaid.
+ Toen is hy op zee gekommen,
+ En werd met roem bezaaid.
+
+ Hy wou 't er niet by laten,
+ En heeft _Saleh_ geveld.
+ Toen hebben heeren Staten
+ Hem aangesteld als held.
+
+ Toen is hy aangekomen
+ In 't roofziek Engeland.
+ Dat heeft hy zonder schromen
+ Belegerd en verbrand.
+
+ Hy heeft veel christenslaven
+ Met vryheid overstrooid.
+ Toen hebben Neêrlands braven
+ Zyn glazen ingegooid.
+
+ Tot afschrik van verraders
+ Toen hy de zee bevoer.
+ Was zyn naam bestevader,
+ Zyn vrouw was bestemoêr.
+
+ Hy gaf de eer den Heere,
+ En was als Christen groot.
+ Toen kreeg hy door zyn kleeren
+ Een kogel, en was dood."
+
+
+De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen
+verheugd. Helaas... de vreugde van zoo'n pruik duurt niet lang! Ook
+de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet
+vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien...
+
+
+ "WOUTER PIETERSE, _Rooverslied_..."
+
+
+--Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd?
+
+Meester vertrouwde z'n oogen niet. Hy keerde 't blad om en bekeek de
+achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...
+
+Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter's
+blaadje!
+
+Arme pruik!
+
+Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit 'n pruik
+onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op
+'n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van
+de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze
+tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort:
+_heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven_,
+hoe komt-i er aan!... plakte ze met 'n vuistslag weer op z'n
+schedel... dekte haar toe met z'n eerwaardig driepuntjen, en vloog
+de deur uit als 'n bezetene.
+
+Hy ging den weg op naar Wouter's woning, waar we hem weldra zullen
+zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld
+als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.
+
+
+
+
+ Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke
+ gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet
+ wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel's
+ zoölogische geestigheid, oorzaak van 'n laatsten punischen
+ oorlog. Pennewip homoeopaath en vredestichter _malgré lui._
+ Arme Wouter!
+
+
+--Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou
+die stoel wech, en cheef ereis 'n tessie in die stoof... toe as 'n
+meit, of 'k doe 't liefer sellif. En-oe maak je 't, mens? Juffrò-Laps
+k'mt ook, weet je?--Myntje, denk 'm je deeg, en skei uit mê-kamme--ze
+ken niet f'n d'r hare blyve, die meit, as 'r folk is... ga sitte,
+mens... né, niet in die hoek... 't tocht 'r so...
+
+Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw
+Stotter was 'n "vrouw" en geen "juffrouw." Ze had dus geen recht op
+de eereplaats, want eens-vooral, 'n juffrouw gaat boven 'n vrouw,
+zoo goed als 'n mevrouw gaat boven 'n juffrouw. Ieder moet op z'n
+plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7. _b1_ of c, (Pp) waar
+de _préséance_ nauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan 't hof te
+Madrid, jazelfs met 'n angstvalligheid die 't ceremonie-meesterschap
+op die hoogte der maatschappy, tot 'n hoofdbrekend werk maakt voor
+menige juffrouw Pieterse.
+
+Ik zeg dit maar, om door 't woord "hoofdbreken" ongezocht te
+geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de
+juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik
+niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor
+'t afleggen van 'n bezoek op dezen of genen III. 7, _b_1. (Pp).
+
+Want als 't nu eens later iemand in 't hoofd komt, vrouw Stotter
+te verheffen tot algemeene baker van 't heele menschdom, zal 't
+dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd
+heeft, en hòe ze 't gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist
+hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft,
+'k wasch m'n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt.
+
+Ik ben er geweest! Ziehier:
+
+--Och me lieffe juffre Pieterse... 'k was so bedaan toe Louweris
+me kwam fraache. Want 'k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt,
+weetje--né, dankie f'r fuur. Strakkies, Pietje--'t zech al so teuche
+Wimpie, hoe sou juffre Pietersen 't make, 'mdâ-'k in so lang niet
+fâ-je chehoort-ep, weetje,--ja, lech 'm m'r neer,'t is m'n outje--je
+neemt ommes nie kwalik, dâ-'k m'r m'n outje hep omchedaan?... en doe
+sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse...
+
+Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het "outje"
+van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan 't voeteneind op de
+bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt
+lagen, de beenen niet uittesteken, om baker's "outje" niet te bederven.
+
+--Wel mens, cha sitte... ja, dâ's f'rons... 't is tweemaal--Leentje,
+wâ-benje weer... d'r wordt cheskelt, hoorje niet!--'t Sel juffre
+Sipperman wese... w'nt juffre Sipperman k'mt ook, weetje...
+
+Ik weet alweer niet of 't inderdaad juffrouw Zipperman was die
+gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen
+vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in 't onzekere latende of
+'t ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den
+koekbakker, of juffrouw Krummel "die 'n man op de beurs had" of
+juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde
+op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was 't heele gezelschap
+kompleet, en Stoffel rookte z'n pyp alsof 't zoo hoorde. Leentje
+was weggegaan zonder boterham. "Die zou ze morgen wel krygen, omdat
+'t zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen."
+
+--En toe hebbe ze daadelik 'n and're chenome... uwe weet wel... die
+soo'n flakki op 'r neus het.
+
+--Och, 't is soo'n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe,
+neemt uwe d'r noch eentje, en lâ-je nie nooie... 't is 'n koekie f'n
+j'eiche deech.
+
+--Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met 'n konynenmondje, dat
+fatsoen beduidt.
+
+--Kemän, of 'k sou denke dâ-je 't niet lustte.
+
+Dat mocht ze niet laten denken, want ze had 't zelf gebakken.
+
+--Dan mach 'k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en
+dankie wel.
+
+--En uwé, juffre Laps, toe, mach 'k 'r j'eentje cheefe?
+
+Juffrouw Laps koos janhagel.
+
+--Skenkerissin, Trui!--Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je
+meedrinken, 't wort je f'n harte chechunt, mens!--Pietje, feeg de tafel
+'r's of... só, as 'n meit... en cha nou 'r's kyke na de kleintjes,
+en sech dâ'k se nie hoore mot.--Och, juffre Mabbel, 't is zoo'n chedoe
+mettie kindere... en hoe faart uwe's Sientje mette kinkhoest?
+
+--We hebbe d'r nou 'n machenetisseur bycheroepe, m'r 't wil nie
+vatte... 't m'nkeert 'm an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul.
+
+--Isset moooochelik... wat 'n mens al beleeft! En w'nneer komt-i... die
+kle ... klik... kleer...
+
+--Dat leit 'm an de sénewe, juffre Sipperman. M'r nou het-i d'r
+slaapmussie, en d'r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en
+nou sel 't chou komme, seit-i.
+
+--Wel mens, wat sech-i! M'r oe cháát 't dan?
+
+--Wel... dan sel de sonnebuul 't seche, wâ-me doen motte.
+
+Juffrouw Laps was er tegen.
+
+--Ik dééj't niet, ik dééj't niet... fô-cheen werels choet! Want
+weetje wat _ik_ sech? Ik sech maar, as Chot 't wil, d'n mô-je beruste,
+dâ-sech _ik_!
+
+--Ja, juffre Laps, m'r de juffr' uit de chruttery het 't ook chedaan,
+en d'r kint is veel beter.
+
+--Dat seit uwé, juffre Mabbel, m'r _ik_ sech dâ-se wat in d'r oochies
+het, wâ-me niet befalt...
+
+--Wâ-dan, juffre Laps?
+
+--Se kykt onstichtelik... en ik houw 't f'r sonde... en dàt sech _ik_
+maar. 't Benne allemaal m'r kunste die nie te-pas komme... en as Chot
+wil, mô-je beruste.
+
+--Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis
+'n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken
+'n heel fers f'n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook
+ken-i al de werrikwoorden f'n 't frouwelyk cheslacht.
+
+--Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-'k
+rook.
+
+--Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-'s 'n werrikwoord
+opseche.--Je sou seche, w'r haalt de jong' 't f'ndaan, juffre
+Sipperman.--Hoe is 't 'k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn,
+en hy sou beskonke chewees syn--och heere, begryp 't goet, mens, niet
+omdat-i dronke was, gut né, m'r 't kwam so te-pas in s'n werrikwoort,
+'tis 'm je slap te lachen, as-i bechint.--Skenkerissin, Trui, en
+blaas es in de tuit... d'r sit 'n blaatje foor.
+
+De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap over
+de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook in 't
+verder relaas van juffrouw Pieterse's avendje, my eenige afwyking
+veroorloof van den juisten tekst der gesprekken. [9]
+
+Stoffel dreunde z'n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de
+dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken
+geweest was, en dat zy 't wezen zouden. Daarop werd de buurt over den
+hekel gehaald, en de juffrouw van "onder-achter" kreeg haar deel. Dat
+spreekt vanzelf want ze was er niet.
+
+De godsdienst en 't geloof speelden 'n groote rol, en juffrouw Laps
+gaf te kennen dat ze van plan was 'n "oefening" optezetten, omdat de
+tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet
+goed in de hoeken veegden.
+
+--Ik zeg maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is,
+riep ze, en dáár kom _ik_ maar op. Men moet 't niet beter willen
+weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade
+komt door 't geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de
+genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat
+je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee
+maal twee, zieje... en daarom wou 'k zoo graag 'n eigen oefeningetje
+houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om 'n zakduitje
+op kermis en nieuwjaar. Denk 'r 'ns over juffrouw Mabbel.
+
+Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag 's
+avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien:
+"'t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat 'n
+"werkelyk" beroep was."
+
+--Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat 't wel gaan
+zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen
+in de schoteltjes... want om geld is 't me niet te doen, gut né! We
+zouden beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet
+uwé... oefening, weet u?
+
+Juffrouw Zipperman wist 't wel, doch haar schoonzoon van de
+assurantie--of van 't kadaster--had gezegd dat de dominees voor die
+zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten
+wezen zou.
+
+Die heeren van 't kadaster--of van de assurantie--zyn zoo gek niet.
+
+--Wat denkt uwe d'r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat
+zoo'n oefeningetje...
+
+Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de
+beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw
+Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke
+aanbiedingen te doen aan 'n "vrouw."
+
+--Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als
+ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van
+de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik
+heb altyd heel in 't fatsoelyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met
+'n hooge stoep, en in de gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en
+wind... en die zei altyd: "vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie
+vrouw, zeit-i en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen,
+zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar
+zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net
+doen of je 't niet hoort"--dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is
+omgekeerd, dat zie je wel--en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet
+weten wat-i doet.
+
+--Maar zoo'n oefeningetje... vrouw Stotter.
+
+--'t Is mogelyk, juffrouw Laps, 't is wel mogelyk... maar ik heb al
+zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m'n eigen gang
+ga, en dat 's dan ook maar 't beste. Want ik ben in 'n kraam geweest
+by m'nheer De Witte die 'n oom heeft aan 't stadhuis, weetje, want
+ik baker altyd heel in 't fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo
+grappig was, weetje, die zei altyd: "baker, baker, zeit-i, je bent
+m'n 'n baker!" Zoodat ik maar zeggen wil dat 'k heel goed weet wat
+'k doe, want ik heb 'r al wat ingespeld van m'n leven. Daar heb je
+nou m'nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen,
+op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i...
+
+De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van 't punt in
+kwestie. Maar dat doen er wel meer.
+
+--En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over 'n oefeningetje?
+
+--Och mensch, ik heb al zoo'n geoefen met m'n kinderen! Je weet niet
+wat 't is, mensch, om 'r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar
+m'n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee
+'r wat voor, ik hoor 'r weer.
+
+Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer
+ging om kleine Kee er "wat vóór te geven." Men kon 't haar aanzien
+dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke
+waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.
+
+--Waar was ik weer? Ja, dat is m'n godsdienst, zeg ik maar. 't Is
+'n getob met die kinderen, mensch, je wéét 't niet! En ik vind, als
+ik ze goed opbreng... ga jy nu 'ns, Pietje, en breng Simon terecht,
+die knypt zeker z'n zussie weer, dat doet-i altyd als 'r volk is.
+
+Simon werd terechtgebracht.
+
+--Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik
+daar weer? Myntje, ga 'ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.
+
+Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat "ze wat hadden omgegooid."
+
+Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van
+"achter-onder." 't Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van
+achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien,
+achter. Vreeselyke opschudding.
+
+Eindelyk:
+
+De kinderen waren "terechtgebracht." Juffrouw Zipperman zat weer in
+den hoek "waar 't zoo tochtte" waaruit men ziet hoe alle aardsche
+grootheid 'n keerzy heeft, en dat 'n schoonzoon by 't kadaster--of
+de assurantie--regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw
+Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen
+waren gekastyd. "'t Was juist als in de Schrift stond", zei ze, en ze
+haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar
+'t staat, weet ik niet, maar 'k ben zeker dat het èrgens staat. Want
+in die Schrift staat alles. Vooral van slaan.
+
+--Kom, Stoffel, vertel jy nou 'reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw,
+die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.
+
+--'k Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste
+sokratische hovaardy.
+
+--Och toe, zeg maar 'reis wat je verleden zei... och toe--zoo
+is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden,
+anders gaat 't niet. Maar dan weet-i 't wel, dat zal uwe zien--toe,
+Stoffel!--hy zal moe wezen van z'n school, weet u... 't is 'n gedoe
+met zoo'n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is 'n heele boel aan
+vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk
+zyn. Is 't niet waar, Stoffel?
+
+--Né, moeder.
+
+--Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je--'t is maar, weet uwe,
+juffrouw Zipperman, om 'm aan 't praten te krygen, maar dat kan zoo
+in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z'n school--verleden zei
+je, dat alles...
+
+--Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.
+
+--Nou hoort uwé 't, juffrouw Mabbel... waar haalt-i 't vandaan! Begryp
+'ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook--je
+korrenet, weetje--en jy ook...
+
+--Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en
+baker ook.
+
+Baker keek heel vreemd. _Zy_ mannelyk... dat had ze nooit geweten.
+
+--Baker is mannelyk, ging Stoffel voort--nou begint-i! riep z'n
+moeder--alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker,
+bakker... raker, maker, baker.
+
+--Is 't mogelyk! riepen de gasten uit één mond.
+
+--Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd
+staan als je 't hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?
+
+--Ik... ik? Wat ik bèn?
+
+--Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?
+
+--Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei 't mensch, maar ze zei 't met wat
+twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse,
+en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in 't
+eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.
+
+De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van
+'n byzondere zaak 'n algemeene makende, vroeg Stoffel's moeder,
+kringsgewys rondgaande met haar blik:
+
+--En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw
+Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat
+je bent?
+
+Ze wisten 't geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen
+die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende
+de hoogschalke Stoffel 't niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps
+antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:
+
+--Ik ben juffrouw Laps!
+
+--Mis... mis... glad mis!
+
+--Wel heerem'ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?
+
+--J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet
+gevraagd _wie_ je bent, maar _wat_ je bent... daar zit 'm 't fyne!
+
+--Wàt ik ben? Wel... griffermeerd!
+
+--J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is 't nu
+niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens...
+
+Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal
+mogelyk:
+
+--Juffrouw Laps, ik wenschte te weten wat gy zyt uit een dierlyk
+oogpunt.
+
+--Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op
+'t punt staat zich beleedigd te voelen.
+
+--Ik ben 'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.
+
+--En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw,
+met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan
+was vasttehouden aan die meening.
+
+--Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt...
+
+--Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.
+
+--Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we
+komen voor ons plezier.
+
+--Menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek--Stoffel, zeg 't
+maar--je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat
+'t in 'n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen--toe, Stoffel,
+zeg 't maar!
+
+--Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig--en er was 'n gewichtig oogenblik
+aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse--juffrouw Laps,
+je bent 'n zoogdier.
+
+Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er
+volgde op dat vreeselyk woord.
+
+Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen,
+en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants
+in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die
+gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. De voorlaatste
+fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las,
+bepaalde zy zich tot 'n schrikinboezemend violet, en riep... neen,
+ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel
+tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op 'n wyze
+die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien
+avend waren komen te overlyden.
+
+Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen
+als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in 'n dikken wolk van
+rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze
+stamelde deemoedig:
+
+--'t Staat in 'n boek, 't staat waarachtig in 'n boek! Och, lieve
+menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek!
+
+Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te
+bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna 'n oogenblik, hoestte, wierp
+'t mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon:
+
+--Juffrouw Pieterse, je bent 'n keronje. Je mag zelf 'n zoogdier wezen,
+jy en je zoon, dat zeg _ik_ je! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te
+denken, want m'n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie
+zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me
+ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder
+'t zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over 't
+bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen,
+hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit
+is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag,
+zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En
+ik zeg je nou nog 'ns dat je-n-'n keronje bent, jy en je zoon en je
+heele familie--weg, Trui!--m'n vader was in de granen, weetje... en
+ik ben te fatsoenlyk om door jou...
+
+--Maar mensch, 't staat in 'n boek... omdeliefdewil, geloof me... 't
+staat in 'n boek!
+
+Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die
+Godswoord hebt verkwanseld en verdaan op _d'ouwenbrug_...
+
+Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z'n
+moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer 't een voor
+'t ander.
+
+--Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys 't toch aan
+de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!
+
+--Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te
+wyzen in je boek, dat zeg _ik_ je! En ik zeg je nogeens dat je-n-'n
+keronje bent, jy en je lummel van 'n zoon, en je sletten van dochters
+die opgroeien als...
+
+Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets
+haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. 't Overige
+gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd 'n woordje tusschen. Er
+kwam weer 'n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de
+politie dreigde. De kinderen maakten gebruik van de opschudding,
+om hun konsigne te breken. Ze hadden 't bed verlaten, en loerden
+door 't sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar "lodderyndoos"
+en zei dat ze 't besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar "oudje"
+en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.
+
+Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. "Men kon veel verdragen,
+maar dàt niet." Juffrouw Krummel zou 't geval meedeelen aan haar
+man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of 't kadaster. Vrouw
+Stotter zou 't vertellen aan dien m'nheer op de Prinsengracht, dien ze
+gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder
+wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet
+of 't by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de
+huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken
+door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in
+'t vorige hoofdstuk.
+
+
+
+
+
+
+ Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag
+ van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek
+ baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje
+ voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt
+ dat nog gebeuren moet.
+
+
+Ja, daar werd gescheld... nog eens: 't was ...f'r ons."
+
+Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon
+'t altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men 'n
+ander was dan men is. 't Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar
+geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen
+kan dat ze 't in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men
+in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en
+verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw
+Pieterse op dit punt wel 'n mensch zal geweest zyn als 'n ander.
+
+--Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de
+heeren wezen.
+
+De "dames" beweerden dat de "heeren" nog niet konden dáár zyn, wyl
+'t nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf 't de heeren waren, gaf
+'n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.
+
+Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet
+in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als
+men gestoord wordt in toorn, is 't heel moeielyk het juiste punt
+weertevinden waar men gebleven was.
+
+Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar 't ging niet, want haar: "'n
+zoogdier... hebje van z'n leven, 'n zoogdier!" werd overstemd door:
+"hedenm'ntyd, anders komt-i nooit voor tienen." Juffrouw Pieterse
+maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te
+bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou "opentrekken". Truitje werd
+belast met het "terechtbrengen" van de kinderen--die er heel slecht
+by voeren--en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met 'n nieuwe
+zoölogische verhandeling die 'n ongehuichelde vrede zou herstellen
+onder de krygvoerende partyen, toen de deur geopend werd, en meester
+Pennewip zich vertoonde aan 't nog ontstemd gezelschap. Ook hy was
+ontstemd, de lezer weet het.
+
+De homoeopathen zullen hier denken aan hun _similia similibus_,
+want de verrassing van z'n komst werkte gunstig op de aangevangen
+vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend 'n wapenstilstand gesloten
+tusschen de krygvoerende partyen--niet zonder voorbehoud aan den
+Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid
+naar de oorzaak van Pennewip's komst zou voldaan zyn--en ze ging
+hiertoe te gemakkelyker over, wyl men 't den man kon aanzien dat-i
+wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en
+brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.
+
+--Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik
+zie, ge hebt gezelschap, maar...
+
+--Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.
+
+'t Gezelschap was _niets_, en: "ga _maar_ zitten." Daar heerscht
+'n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, _b_1, (Pp).
+
+--Wil uwe-n-'n koppie meedrinken, meester... saliemelk?
+
+--Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen
+om saliemelk te drinken!
+
+--Maar ga toch zitten, meester...
+
+Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en 't kwam er toe.
+
+Pennewip kuchte met ernst. Hy zag 't gezelschap rond, haalde een rol
+papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:
+
+--Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw
+man... verkocht schoenen...
+
+Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met 'n zegevierenden blik.
+
+--Ja meester, dat deet-i!
+
+--Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot
+verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó
+groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?
+
+--Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen
+over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip's toon, jawel,
+dat is waar, meester.
+
+--En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door
+middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school,
+klachten hebt--ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse--over de
+wyze waarop ik--met behulp myner echtgenoote--aan uwe menigvuldige
+kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen,
+vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en
+de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?
+
+Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot
+tevredenheid.
+
+--Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester, terwyl
+hy 'n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen,
+doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen
+jaren later.
+
+--Maar, meester...
+
+--Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u--want het is
+volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel
+achterwege te laten--ik vraag u of gy klachten hebt--ik bedoel
+natuurlykerwyze: _gegronde_ klachten--over myn onderwys in lezen,
+schryven, rekenen...
+
+--Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...
+
+--Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw
+zoon Wouter?
+
+--Wouter?--'t Is waar ook--is-i niet thuisgekomen. Trui?--Wouter is
+uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke
+kinderen, meester, en ze wonen...
+
+--Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school
+gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men
+die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7 _a_1... misschien
+_a_... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn--want dat is
+hetzelfde, juffrouw Pieterse--het kan niet anders... zedeloosheid,
+verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg
+u dat uw zoon...
+
+--Hè?
+
+--Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...
+
+De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die
+'n gevolg was van z'n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte
+zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven
+aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haar
+_eau-de-la-reine_-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren
+zou over Wouter "dien jongen" die haar altyd zooveel verdriet had
+gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van 'n
+beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen
+stryd. Dit geschiedde dan ook.
+
+--Hèb ik 't niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men
+begint met 'n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik
+verwonder me niet over de zaak... in 't geheel niet! Ik heb 't lang
+voorzien. Wat kan men ook verwachten in 'n familie, waar...
+
+Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich 'n gelegenheid
+opdeed om 't voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had
+gezegd: het stond in 'n boek... wat in 'n boek stond, moest meester
+weten; en dus:
+
+--Meester, riep ze, is 't waar of niet, dat juffrouw Laps 'n
+zoogdier is?
+
+Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse
+der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z'n onvoltooide beschuldiging
+tegen Wouter. Hy keek over z'n bril heen en beschreef langzaam 'n
+kring met z'n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette,
+met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw
+Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide:
+antwoord of sterf, ben ik 'n zoogdier?
+
+--Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk
+zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl
+'t nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps
+afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen
+en beroep.
+
+--Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.
+
+--Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der
+zoogdieren.
+
+Er slaakte zich in 't gezelschap 'n tienvoudige zucht. Juffrouw
+Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers,
+is 'n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden
+zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.
+
+De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van
+zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:
+
+--Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...
+
+--Juffrouw Laps, antwoord my...
+
+--Gut ja, meester, maar...
+
+--Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt;
+wáárin woont gy?
+
+--Waarin ik woon? Wel... in m'n kamer, hieronder... twee ramen... vrye
+opgang... kwart in den regenbak beneden...
+
+--Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver
+bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van
+bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?
+
+--Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt
+de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!
+
+En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.
+
+Juffrouw Laps zag in dat ze dan 'n verloren mensch was, want ze moest
+erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in 'n oesterschelp.
+
+Dit was 'n illuzie van 't schepsel.
+
+Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde
+aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon
+en pruik, voortging:
+
+--Kunt gy leven in 't water? Hebt gy kieuwen?
+
+--In 't water? Maar, meester...
+
+Pruik links. Dat beduidde: geen maren.
+
+--Of half in 't water, half op het land?
+
+--Meester hoe zou ik...
+
+Pruik rechts: geen uitvluchten!
+
+--Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende
+jongen ter wereld?
+
+--'t Is zonde, meester.
+
+De pruik had iets van 'n stormram, en te-recht. Want daar volgde de
+stormrammige vraag:
+
+--Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit:
+kunt gy eieren leggen... hè?
+
+Dàt kon ze niet!
+
+--Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.
+
+En de pruik kwam weer in 't midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps
+uit het veld geslagen.
+
+Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich 't gezelschap
+voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep
+toeliet, want Pennewip's gelaat had het voorkomen van 'n gewysde. Ook
+was er geen spoor van gratie in z'n saamgeknepen wenkbrauwen.
+
+
+
+De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden
+worden te-voorschyn gebracht over wat er na 't zoo-even verhaalde
+voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m'n boek sloot, en hoevele
+duizende gissingen 't menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik
+verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.
+
+Het lust my 'n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en 'k lees
+duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:
+
+
+_EERSTE BERICHT_.
+
+"Er heeft weder 'n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de
+Stoffelianen. De laatsten hebben 't veld geruimd, doch niet zonder
+hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden,
+maar er is 'n gat in. Men ziet dagelyks 'n nieuw treffen te-gemoet,
+waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de
+behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om 'n
+eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der
+Pennewippers, 'n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.
+
+"Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons
+voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons
+privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer
+landeryen en 't melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over
+dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in 't verloren hoekje
+gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa."
+
+
+_TWEEDE BERICHT_.
+
+"Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de
+oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd,
+de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De
+oude Stotters hebben 't genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders
+geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw
+Stotter's oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist."
+
+
+_DERDE BERICHT_.
+
+"Er is 'n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre
+afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid
+van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond
+wezen op z'n malle houding in _de Nederlanden_. (Het bekende
+bessen-met-suikerdogma.)
+
+"De oude Stoffelianen hebben 'n concilie gehouden, waarin besloten is,
+de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet
+is doorgedrongen. Er zal 'n algemeene kollekte worden gehouden, om
+ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er 'n korps europeesche
+wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot
+het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen,
+waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) 'n instinktmatigen aanleg
+schynen te bezitten."
+
+
+_VIERDE BERICHT_.
+
+"Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps
+werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie
+gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.
+
+"Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat,
+en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen
+op brood en brandstof."
+
+
+_VYFDE BERICHT_.
+
+"By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is
+verschenen: _Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats
+gevonden op_ III, 7, _b_1 (Pp), _na de kategorische verklaring des
+meesters over de ware natuur van juffrouw Laps._
+
+Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische
+en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den
+zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is
+vertaald uit het Europeesch.
+
+De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven 'n
+geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen
+ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat
+met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.
+
+Ook beweert men dat er 'n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste
+verzuchting des bakers, die 'n eind maakt aan den langen stryd over
+zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse's
+grammatikaal-theologische roeping in 't helderst licht plaatst,
+waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de
+wetenschap en de heilige boeken van ons geloof."
+
+
+_ZESDE BERICHT_.
+
+"De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in
+de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is
+vasttehouden aan juffrouw Zipperman's verkoudheid, met uitdrukkelyke
+bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid,
+mits men vaststa in 't kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa
+hebben aangetoond dat het venster op III, 7, _b_1 (Pp) redelyk goed
+gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen
+omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde
+verbroedering geleid te hebben."
+
+
+_ZEVENDE BERICHT_.
+
+"Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen
+van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel
+degelyk aan meester Pennewip 'n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk
+hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde
+onderzoeker heeft namelyk in 't hooge Noorden, waar ons gezegend
+Azië grenst aan 't oude Europa, 'n ysbeer ontmoet die zich vermaakte
+met 'n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende
+hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling
+onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met
+den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps,
+op de autentieke schildery te Foppipolis."
+
+
+_ACHTSTE BERICHT_.
+
+"Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename
+tyding dat onze stad dezer dagen 'n waar feestgenot heeft gesmaakt,
+en wel 'n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.
+
+Er is namelyk 'n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze
+handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn
+dan onze burgemeester.
+
+De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil
+van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden
+gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de
+eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.
+
+De schuldigen zyn onder 't meten en branden, tot afleiding en
+opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft
+op Stoffel's verdienste en dood, in verband met de lengte van z'n
+buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z'n edel pogen
+tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.
+
+Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak
+veel
+bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van 'n feest,
+dat in aangename
+herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had."
+
+
+_NEGENDE BERICHT_.
+
+We kunnen ons niet weerhouden 'n kort verslag te geven van de
+ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door
+den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen
+baker's onwaardeerbaar gezegde: "_dankie wel/ Juffre Pieterse/ m'n
+Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!_"
+
+
+Hierop volgt 'n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit
+de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó
+belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den
+lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z'n geheel
+te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst
+tot z'n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik
+doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf,
+wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt
+hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog
+aan ons denkt. Zie hier:
+
+
+ Voorzang.
+
+ O/ Baker vol van Zaligheid/
+ Wie zou Uw Lof niet zingen!
+ O/ Baker Die de Baker zijt
+ Van alle Stervelingen!
+ O Baker/ hoor ons juichen aan/
+ Als wij met U uit baak'ren gaan.
+
+ O Baker/ groot in Lief en Leed/
+ In Kraamzaal of Saletje!
+ Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt'
+ Gespeld in een Servetje!
+ Wij knielen bidden voor U neer
+ En zingen/ Baker/ U ter Eer.
+
+ Zie op uw Kroost genadig neer
+ Van uwen Troon op Wolken
+ Er leeft als Gij geen Baker meer/
+ Gij bakert alle Volken
+ Gloei eeuwig door van Kindermin/
+ En speld ons in Uw Luiers in.
+
+
+"Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de
+luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!
+
+"Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op
+elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is
+het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien
+te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In
+het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier
+saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?
+
+"Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen
+oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: "dat is verre van
+ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er
+zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten
+naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons
+hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid."
+
+"Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de
+verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven:
+"_daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen_" en weldra zal 't koppie
+worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden
+versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: "_dat zieje wel!_"
+
+"Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my
+aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de
+behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen
+bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo
+verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol
+en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel
+kortelyk tot klaarheid te brengen.
+
+"Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den
+grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfde _Stoffelium_, en
+daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.
+
+"Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfden
+_Stoffeliums_, waar we--met gepasten eerbied--het volgende lezen:
+
+
+
+Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit 't negende bericht,
+en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.
+
+
+ "Hoe langer wy de onschatbare heilige _Stoffeliën_ beoefenen,
+ geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat
+ daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot
+ de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid
+ juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te
+ houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken
+ van de poelen der Pennewipsche kettery.
+
+ "Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in 't
+ byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die
+ niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste
+ bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig
+ zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden
+ openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom
+ van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige
+ toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons
+ voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften
+ te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te
+ twyfelen aan Baker's bestaan, en durft beweren dat wy geen
+ verstand hebben van natuurkunde.
+
+ "Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te
+ volgen met uwe aandacht, als ik, na:
+
+
+ "_ten eerste_, den historischen zin myner tekstwoorden
+ te hebben toegelicht,
+
+ "_ten tweede_, zal overgaan tot de ontwikkeling van
+ de stralen die daarin doorlichten, en wel:
+
+
+ _a) Eerste straal._ De straal van Baker's
+ _goedheid_.
+ _b) Tweede straal._ De straal van Baker's
+ _wysheid_.
+ _c) Derde straal._ De straal van Baker's
+ _menschenkennis_.
+ _d) Vierde straal._ De straal van Baker's
+ _matigheid_.
+ _e) Vyfde straal._ De straal van Baker's
+ _Standvastigheid_.
+ _f) Zesde straal._ De straal van Baker's
+ _algemeenheid_.
+ _g) Zevende straal._ De straal van Baker's
+ _zelfkennis_.
+ _h) Achtste straal._ De straal van Baker's
+ _edelmoedigheid_.
+ _i) Negende straal._ De straal van Baker's
+ _nederigheid_.
+ _j) Tiende straal._ De straal van Baker's
+ _kuisheid_.
+ _k) Elfde straal._ De straal van Baker's
+ _levenswysheid_.
+ _l) Twaalfde straal._ De straal van Baker's
+ _onschuld_.
+ _m) Dertiende straal._ De straal van Baker's
+ _dubbelslachtigheid_.
+ _n) Veertiende straal._ De straal van Baker's
+ _eeuwigheid_.
+ _o) Vyftiende straal._ De straal van Baker's
+ _waarheidlievendheid_.
+ _p) Zestiende straal._ De straal van Baker's
+ _voorzichtigheid_.
+ _q) Zeventiende straal._ De straal van
+ Baker's _geduld_.
+ _r) Achttiende straal._ De straal van Baker's
+ _zedigheid_.
+ _s) Negentiende straal._ De straal van Baker's
+ _geheimzinnigheid_.
+ _t) Twintigste straal._ De straal van Baker's
+ _eenvoud_.
+ _u) Een-en-twintigste straal._ De straal van
+ Baker's _liefde_.
+ _v) Twee-en-twintigste straal._ De straal
+ van Baker's _trouw_.
+ _w) Drie-en-twintigste straal._ De straal
+ van Baker's _yver_.
+ _x) Vier-en-twintigste straal._ De straal
+ van Baker's _schranderheid_.
+ _y) Vyf-en-twintigste straal._ De straal van
+ Baker's _fatsoen_.
+ _z) Zes-en-twintigste straal._ De straal van
+ Baker's _goedertierenheid_.
+ _z bis.) Zeven-en-twintigste straal._ De
+ straal van Baker's _volmaaktheid_.
+
+
+ "om daarna: _ten derde_, over te gaan tot de
+ beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane
+ bakerbeschouwing voortvloeien.
+
+
+ "Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis
+ en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat
+ er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de
+ blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en
+ Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot
+ op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er
+ werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in
+ geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die
+ omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde,
+ zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.
+
+ "Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans
+ ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke
+ jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt
+ van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch
+ met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden
+ berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor
+ heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den
+ tekst die voor ons staat als 'n berg van genot.
+
+ "De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende
+ blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door
+ den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste
+ der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de
+ onvergankelyke ziel stelde boven 't brooze lichaam, en de
+ oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy
+ die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend
+ was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte
+ om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene
+ tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.
+
+ "Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu
+ uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal,
+ maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik
+ my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet
+ my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker
+ Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige
+ lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe
+ Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy
+ den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden: _dat
+ zeiti!_ Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de
+ onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...
+
+ "Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het
+ is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.
+
+ "Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een
+ klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat
+ er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep
+ en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante
+ tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy
+ zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld
+ zal hy worden door den wind onzes geloofs!
+
+ "Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle
+ wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van
+ dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan
+ en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die
+ wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel,
+ en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?
+
+ "Of--helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende,
+ maar noodige vraag--of is die storm wellicht in uwe harten
+ geworden tot een zuchtje? Is misschien uw wind weggekrompen
+ tot eene labberkoelte, te zwak om 't lichtste voorwerp
+ voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de
+ eeuwige gelukzaligheid?
+
+ "En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep
+ gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde
+ leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des
+ heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der
+ genade, te verlagen tot 'n dorpeltje, hoog genoeg--ja, maar
+ ter-nauwer-nood hoog-genoeg--om opteklimmen tot de bovenste
+ plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt
+ om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?
+
+ "Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het
+ my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?
+
+ "Gy zwygt?
+
+ "Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem
+ onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en
+ onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!
+
+ "Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die
+ stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk
+ de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom,
+ dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man
+ die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was:
+ "_Je bent 'n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en 'n knappe Baker!_"
+
+ _Een goeie vrouw en 'n knappe baker!_ Kan er treffender
+ getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:
+ _Je bent 'n goeie vrouw, en daarmee uit!_ En niet: _Je bent
+ 'n knappe baker, en daarby blyft het!_ Neen, duidelyk staat
+ er: _Je bent 'n goeie vrouw èn 'n knappe baker_, zoowel dus
+ het één als het ander.... het andere niet minder dan het
+ één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!
+
+ "Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd
+ onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan
+ die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst,
+ zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend:
+ "_maar_" en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk
+ bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen niet _naast_
+ maar _tegenover_ die der vrouw, maar de Baker die zorge draagt
+ voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet
+ gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en
+ daarom heeft Hy toegelaten--wat zeg ik, Hy heeft bewerkt--dat
+ de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in het
+ _Stoffelium_ naar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.
+
+ "Ja Geliefden, dáár staat het: "_en een knappe Baker!_"
+ Dat zegevierende "_en_" springt in het oog als een vonk
+ van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die
+ door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor
+ de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de
+ verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: "_en_."
+
+ "_En_, geliefden, _en!_ Uwe zaligheid berust op, hangt af
+ van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met,
+ is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelyke _en!_
+
+ "Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer
+ dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven
+ verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting
+ der waarheid....
+
+ "Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door
+ uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven
+ leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken
+ wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet
+ dat elke aanval op het gebied der Bakerlyke _Stoffelien_
+ uitloopt op uwe beschaming? Was _Hy_ niet heilig, _Hy_ de
+ eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men
+ dit toestemt--wat dan toch wel niet kàn ontkend worden--moet
+ dan niet ook _hy_ heilig en onfeilbaar wezen, die de daden en
+ woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En
+ aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er
+ dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder
+ den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken
+ Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven
+ door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen
+ heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen
+ waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien
+ hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?
+
+ "Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze
+ zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons
+ niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan
+ de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenen
+ _Stoffeliums!_ Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel
+ gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel,
+ roepen wy juichend uit: "_Gij was een goeie Vrouw en een
+ knappe Baker!_"
+
+ "Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper
+ nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen
+ onzer toekomst.... _Hy zal altyd 'n goeie vrouw en 'n knappe
+ baker blyven!_ Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy
+ was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren
+ of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was,
+ altyd, eeuwig... _'n goeie vrouw en 'n knappe baker!_
+
+ "De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan: _Hy_ zal
+ blyven! De zon zal maan worden, of in 't geheel niets! _Hy_ zal
+ blyven! Het heelal zal verzinken: _Hy_ zal blyven voortbakeren
+ ten einde toe!
+
+ "O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen
+ van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren
+ tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven
+ voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit
+ denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt
+ er niets van, aanbidt en... zwygt.
+
+ "Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie,
+ o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie
+ onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare
+ mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan
+ blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles
+ vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner
+ jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en
+ de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als
+ uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: "_dat zeiti!_"
+
+ "En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor
+ my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit
+ we onzen tekst kozen: "_mijn heele Familie zal je altyd
+ gebruiken!_"
+
+ "Ziet gy, Geliefden: _zyne heele familie!_ Wat is de
+ familie van iemand die eene _zoo_ hooge stoep heeft, en een
+ windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker
+ van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn
+ Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker,
+ Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons
+ allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers
+ en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.
+
+ "Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt,
+ die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels
+ en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe
+ gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige
+ verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!
+
+ "Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! "_Ma_, staat
+ er verder, _als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of
+ je 't niet hoort!_" De bedoeling dezer verhevene woorden is:
+ het zal gebeuren dat uw zuigeling--het ingebakerd menschdom,
+ namelyk--wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend
+ teweerstelt... doe of je 't niet hoort, Baker! Speld er maar
+ dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware
+ beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen
+ voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen
+ met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de
+ aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven
+ stoepsels en des windkloks!
+
+ "_Doe net of je 't niet hoort, Baker!_ Stop uwe ooren voor de
+ gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die
+ meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste
+ natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker,
+ speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker
+ blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der
+ eeuwen. "_Gloei eeuwig door_ zooals de psalmist zegt,
+
+
+ "Gloei eeuwig door van Kindermin/
+ En speld ons in Uw Luiers in!
+
+
+ "Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt--of volgens
+ sommigen, minder--Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje
+ van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en
+ iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen
+ moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: "_Dankie/Juffrouw
+ Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel._"
+
+ "_Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het
+ wel!_ Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte,
+ ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd
+ Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige
+ handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby: _dat zieje wel!_
+
+ "Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid,
+ maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen
+ beweren dat het woord "koppie" in den europeeschen grondtekst
+ tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden
+ van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang
+ gebruikt werd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te
+ werpen op de deftigheid van Multatuli den _Stoffelist_. Doch,
+ zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des
+ rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist
+ dat wedergeven van vrouw Stotter's aanbiddelyke taal, letterlyk
+ zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door
+ juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen
+ boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy
+ 't beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen
+ of krulgewaden...
+
+
+Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit
+pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog
+inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.
+
+De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik 'n fragment
+meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik
+verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag
+van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en
+dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige
+godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7, _b_1 (Pp) de
+elementen byeentezoeken tot 'n bruikbaar windselsysteem.
+
+Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen
+zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m'n
+boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd
+gezelschap, na Pennewip's beslissing, zich bepaalde tot den uitroep:
+"Z...ó...ó...ó!" zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander
+molest aan te doen.
+
+
+
+
+
+ Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa,
+ waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer 't nut blyken kan
+ van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der
+ dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe
+ versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!
+
+
+De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk
+gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen,
+en waarom 't saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in 'n geval dat
+nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?
+
+Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken
+der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip's vonnis,
+splitsen in drie deelen:
+
+_Vooreerst._ Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.
+
+_Ten tweede._ Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag
+met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan 't
+wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met
+aangeboren talent de taktiek van 't "verdeel en heersch!" Mèt de
+mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen 't "huis" der
+Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip's
+meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken
+uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon
+op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of
+misschien juffrouw Zipperman zelve, zou overgaan tot den vyand, al ware
+het uit bekrompen eerbied alleen voor meester's bewegelyke pruik? Neen,
+neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie
+voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: "'k zal je
+later wel krygen!" en als we ons haar, en al de verhoudingen van 't
+gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen,
+zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene
+"onder invloed staande" Juffrelapsche krant te lezen: _"De verhouding
+met het ryk der_ Pietersens _is allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van
+'n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder 't
+minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders
+aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren
+omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur
+van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy
+die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld."_
+
+_Ten derde._ De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand
+was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf,
+of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou
+niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat
+aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer
+dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam
+ware geweest in meester's oogen, hadden die oogen waarschynlyk 't
+lot ondergaan dat hun in zoo'n geval door den archaeoloog Klesmeyer
+eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.
+
+--Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse--na op 't overwonnen zoogdier
+'n blik te hebben geworpen die gelden kon voor 'n: "waar blyf je
+nou?" met rang van overwinningsbulletin--maar meester, wat heeft die
+Wouter dan nu weer uitgevoerd?
+
+--Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw
+Laps, die zich verheugde omdat het gesprek 'n andere wending nam,
+en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo
+godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar 'n ding waarop
+men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we
+gezien hebben.
+
+Juist zou Pennewip 'n begin maken met de akte van beschuldiging, toen
+de bel ging... nogeens...--"'t was f'r ons"--en de arme delinkwent
+trad de kamer in.
+
+Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren
+vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...
+
+--Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op
+Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?
+
+--Och ja, meester.
+
+--Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar
+heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en
+deugd staan by my op den voorgrond. Ik zoude u verzen kunnen toonen
+over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy
+ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg
+ik... zelfs heb ik 'n zoontje gehad van iemand op Wittenburg--van den
+blokkenmaker--en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over
+de verbetering van 'n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.
+
+--Gut, meester!
+
+--Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien
+ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos--de man was doodgraver,
+en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste
+figuren op de zerken--maar juist dáárom--ik bedoele om de godsdienst
+en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben--voel ik my verplicht u by
+dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school
+te zien verloren gaan door uw deugniet van 'n zoon die dáár staat!
+
+De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan 'n pauselyke
+aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had
+zoo-even 'n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.
+
+Z'n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en
+hem 'n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen
+te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond
+stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er
+aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den
+patiënt inniger te maken.
+
+--Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers,
+moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...
+
+Meer niet.
+
+"Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige
+christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is 't
+mogelyk! Wat 'n mensch moet beleven!" Zoo omtrent--maar ik sta niet
+in voor de juistheid--was de stortvloed van uitroepingen waaronder
+de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter
+bedolven werd. Arme Wouter!
+
+--Ik zal u 'n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna
+nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...
+
+'t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk
+dat de meester daarop voorlas, was dan ook van 'n aard dat die twyfel
+heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held,
+zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was
+als-i er uitzag in z'n vreeselyk
+
+
+"ROOVERSLIED.
+
+ Met myn zwaard.
+ Op m'n paard.
+ En myn helm op het hoofd.
+Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,
+ En vooruit!
+
+
+--Christenzielen, riep 't heele gezelschap, is-i dol?
+
+
+ "En vooruit!
+ Op den weg,
+ Langs de heg,
+ Met een houw en een stoot
+De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...
+
+
+--Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde
+de moeder.
+
+
+ Om den buit!
+
+
+--Zieje, 't is om den buit, zei juffrouw Laps, _ik_ zeg maar altyd,
+men begint met 'n bybel, en...
+
+
+ "En die buit
+ Is myn bruid...
+
+
+--Hebje van z'n leven... z'n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!
+
+
+ "En die buit
+ Is myn bruid...
+ My gekocht met m'n staal...
+
+
+--Met z'n st...a...a...a...l!
+
+
+ "En die buit
+ Is myn bruid,
+ My gekocht met m'n staal,
+En ik voer, als een veêr, met my mee haar in 't zaal,
+ Naar de grot...
+
+
+--Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?
+
+
+ "Als de wind
+ Zoo gezwind,
+ Jaag ik voort met myn vracht,
+En ik sla op haar schreien en kermen...
+
+
+--Och, gerechtige vrede, 't mensch kermt 'r van!
+
+
+"En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,
+ Wat genot!
+
+
+--Dat noemt-i genot! Ik word 'r koud van!
+
+
+ "En dan weer
+ Op-en-neer,
+ Rechts en links door het land...
+
+
+--Lieve Jesis, daar gaat-i weer!
+
+
+ "En dan weer
+ Op-en-neer,
+ Rechts en links door het land,
+Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,
+ Tot vermaak!
+
+
+--De hel zit in dien jongen... tot vermaak!
+
+
+ "En dan voort
+ Weer gespoord
+ Naar een nieuw aventuur...
+
+
+--Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? 't Is om
+te bezwyken...
+
+
+ En dan voort
+ Weer gespoord
+ Naar een nieuw aventuur,
+En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,
+ Om de wraak...
+
+
+--Goeie god, wat hebben ze 'm toch gedaan?
+
+
+ "Want de wraak
+ Is de taak
+ Van den koning van 't woud...
+
+
+--Is-i razend... 'k zal 'm koningen!
+
+
+ "Want de wraak
+ Is de taak
+ Van den koning van 't woud...
+Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...
+
+
+--Wat 's dàt voor 'n ding?
+
+
+"Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,
+ En banier!
+ Op, hoezee...
+ Wie gaat mee?
+
+
+'t Gezelschap rilde op die uitnoodiging.
+
+
+ "Op, hoezee...
+ Wie gaat mee?
+ Nu geen schepsel verschoond,
+Nu de mannen gehangen...
+
+
+--Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...
+
+
+"Nu de mannen gehangen, de vrouwen...
+
+
+--Lodderyn... lodderyn!
+
+
+ "de vrouwen gehoond...
+
+
+--Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!
+
+
+ "de vrouwen gehoond,
+ Voor pleizier!"
+
+
+--Voor pleizier... herhaalde meester op 'n graftoon, voor
+pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!
+
+'t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel's pyp was uitgegaan. Maar
+Wouter had iets kalms in z'n wezen, en toen z'n moeder hem genoeg
+geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet
+ontevreden neer in 'n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep
+om te droomen van Fancy.
+
+
+
+
+
+
+ Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen
+ van deze geschiedenis, na de katastrofe.
+
+
+Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken,
+en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy
+ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben
+doorgebracht, zullen we in 't voorbygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel
+weer aan 't bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan
+'t bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg
+werden toevertrouwd tot 'n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid,
+zeker om den pasgeborenen 'n prettig denkbeeld inteboezemen van hun
+nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken
+luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun
+geboorte.
+
+Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren
+onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z'n pruik, nog niet
+geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend
+naar zondag.
+
+Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met 'n plechtig:
+"ga zoo voort, myn zoon!" Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik
+gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid,
+bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen
+zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan
+de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen
+dien laster. 't Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou
+'t voor 'n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren
+worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft
+voort in z'n volgelingen, en dit vind ik 'n schoone onsterfelykheid.
+
+Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar
+ben ik zeker van.
+
+Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk 'n zoogdier was,
+en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde
+na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de
+helft. "In dit geval: de laatste" zeid-i er binnen-'smonds by.
+
+Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar
+ze had het er voor over, want ze was 'n "schikkelyk mensch." Alleen kon
+ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar
+vader "in de granen" en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy,
+was niet _in_ de granen geweest, maar er _onder_. Hy had ze namelyk
+gedragen in 'n zak op z'n hoofd, dat heel anders is dan granen te
+verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat
+draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar
+deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller
+die zulke zware bakkebaarden had. "'t Was niet om 't mensch te
+skandeliseren, heere neen! 't Was maar dat men 't wist, en dat men er
+van sprak... dàt was 't maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen
+van 'r deugd." Juffrouw Zipperman wou echter "de zegs_man_ niet wezen,
+omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller
+keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!"
+
+Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor
+'t venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar
+gezichten in 'n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden
+"terechtgebracht."
+
+De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou
+"want 't was 'n schandaal by de Pietersens... 'n wààr schandaal." En:
+"er had juist wat onder gestaan!"
+
+Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als 'n
+"mensch". Van-tyd tot-tyd "deed" ze haar godsdienst op de kinderen
+die, als ze 't voor 't wenschen hadden gehad, gewis liever waren
+ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat
+minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.
+
+Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen
+doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór
+me omdat ik nooit m'n onderwerp uitput.
+
+Stoffel was naar z'n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd
+verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van 'n gedicht
+dat gemaakt scheen op 'n vliering, door iemand die vermoedelyk niet
+veel last had van z'n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en
+schenen maar niet te vatten welk genoegen 'r in stak geen geld te
+hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner
+harten toe aan Wouter's wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van
+den aanslag op 't leven van dien markgraaf, en van dat zonderling
+logeeren in 'n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel,
+dan hem toekwam als derden ondermeester met 'n verlengd buis.
+
+En Wouter?
+
+Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots
+verdiend had, want z'n moeder had hem te kennen gegeven dat de
+"terechtstelling" van den vorigen avend maar 'n voorloopige
+godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging
+zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken
+met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst,
+heeft de dominee--huis- of niet--'n stem. Hy wordt er voor betaald,
+en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de
+geestelyken uit z'n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.
+
+Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan,
+kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen
+uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. "God weet wat
+je weer uitvoert als ik je-n-uit m'n oogen verlies" zei de moeder,
+die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters,
+maar eigenlyk alleen daarom 't verlof tot uitgaan weigerde, omdat
+Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het
+voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.
+
+Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd
+te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd
+tot zedelyke verbetering, en dan had-i 'n bezoek kunnen brengen aan
+z'n molens.
+
+En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen "hem niet
+konden zien." Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van
+roovers en Wouter's verdorvenheid uit.
+
+Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker
+geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de
+dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1 (Pp).
+
+Als 'n looden domper drukt zoo'n verblyf iemand op 't hart, en
+ik mag niet toegeven, aan wat misschien m'n plicht was, aan de
+begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo'n hol, om niet oorzaak
+te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by
+zulke beschryving. [10]
+
+
+
+
+
+ Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door 'n zot sprookje.
+
+
+Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als 'n nieuwe
+Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van
+'n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter
+zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk
+toegehaalde banden van z'n geheel bestaan.
+
+De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z'n geboorte
+af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met
+_twee woorden_ spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes,
+mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten,
+zwarte mannen voor stoute kinderen, "oogjes toe" voor en na 'n boteram,
+slapen met opgetrokken knieën, _zonde_ doen, angst over gescheurde
+broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van
+gevoeligheid... arme Wouter!
+
+Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar
+juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen
+opwekt tot de klacht: arme _wouters!_
+
+En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor
+'n ander, en Wouter's ziel was van ongewone leest.
+
+Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door 't pas gelezen
+boek, toonde hoe z'n maagdelyke verbeelding was getroffen door
+de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind,
+en bovendien 'n _goed kind_. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan,
+zoodat de hoogst krimineele strekking van z'n lied alleen voortkwam
+uit de zucht om op-eenmaal 't _hoogste_ te grypen, het _verste_
+te bereiken, de _eerste_ te zyn, in 't wedperk dat z'n kinderlyke
+fantazie hem had ingeleid.
+
+Roover... goed! Maar dan ook 'n flinke roover, 'n roover boven alles,
+'n roover zonder genade, 'n roover voor pleizier!
+
+Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om
+'t rym, en wyl-i uit 'n paar zinsneden van z'n boek had opgemaakt
+dat het zoo'n byzonder aangename uitspanning was.
+
+Als-i voor z'n veertien stuivers toevallig 'n _Karel
+Grandisson_--vervelender gedachtenisse!--had te lezen gekregen, zou
+z'n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had
+misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan
+Slachterskeesje, en dien wellicht nog 'n paar griften toegegeven,
+met volkomen vergiffenis voor 't onjuist verhuizen van dezen of
+genen graaf.
+
+Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze
+geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan
+oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen 't
+eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te
+wachten zyn, wanneer niet het toeval--d. i. deze of gene natuurlyke
+oorzaak die we niet kennen, en die we _toeval_ noemen uit schaamte
+over dat gebrek aan kennis--wanneer niet zoo'n toeval zich vermaakte
+de Wouters te doen geboren worden in 'n kring waar ze niet worden
+begrepen... en dus mishandeld. [11]
+
+Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd
+rusten. Hy scheen verdiept in 't _over'shandsche_ naadje dat Leentje
+bezighield, maar we zullen terstond zien dat z'n gedachten elders
+waren, en wel zeer ver van _Burgerstand III_, 7, _b_1(Pp).
+
+Men had haar verboden te spreken met "dien kwajongen" en slechts
+van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje
+gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon 't haar in
+'t oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen
+zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister
+en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die
+zaak aftedoen.
+
+--Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?
+
+--Och... ik meende... sjt!
+
+--En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?
+
+--'t Was 'n markgraaf... sjt!
+
+--Wat is dat voor 'n graaf? Zeker weer uit 'n ander huis?
+
+--Ja... 't was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik
+heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!
+
+--Amalia? Wie is Amalia?
+
+--Dat was m'n bruid. Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!
+
+--Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?
+
+--Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef
+daarheen... toen kwam er 'n eend... maar, Leentje, dat is de zaak
+niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!
+
+--Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?
+
+--Amalia. Ze zat in 't kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!
+
+--Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom
+toch wou je die vrouwen...
+
+Arme Leentje... _zy_ was nooit gehoond! Ze had er zooveel voor
+over gehad!
+
+--Die vrouwen stonden in 't boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!
+
+--En dat klooster?
+
+--Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal
+'t je zeggen, Leentje ... sjt!
+
+--M'n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!
+
+Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik
+naar de balken, legde de rechterhand op 't hart, stak de linker uit
+als om 'n spaanschen mantel te drapeeren...
+
+Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en
+zeide:
+
+--Leentjen, ik ben 'n prins!
+
+Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met 'n paar oorvegen
+uit Leentje's tegenwoordigheid.
+
+Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.
+
+Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.
+
+Lang voor het begin dezer geschiedenis--ja, zéér lang geleden was
+er 'n koningin der geesten, juist als in _Hans Heiling_. Ze heette
+A-OO.
+
+Ze bewoonde geen hol, zooals in _Hans_, maar hield haar hof ver boven
+de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor 'n koningin.
+
+Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met 'n waaierslag
+verjaagde zy de firmamenten.
+
+Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die
+zoo moeilyk waren weer te vinden na 't wegrollen tusschen 't huisraad.
+
+Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover,
+en verlangde gedurig ander speelgoed.
+
+De koningin liet hem 'n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds
+waren ook deze weer verloren. Doch 't was Upsilon's eigen schuld. Hy
+had maar beter moeten achtgeven op z'n speelgoed.
+
+Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf,
+gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was 'n fout
+in 't karakter van den kleinen prins.
+
+De moeder, die als koningin der geesten 'n zeer verstandige vrouw was,
+begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich 'n beetje te
+gewennen aan ontbering.
+
+Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed
+laten zou.
+
+Dit geschiedde.
+
+Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan 't kaatsen was
+met prinses Omikron, z'n zusje.
+
+Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z'n uitdrukkingen
+zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.
+
+Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld--want niets is
+verderfelyker dan slechte voorbeelden--wierp met driftig gebaar haar
+palet tegen 't heelal. En dat staat niet voor 'n meisje.
+
+Nu bestond er in 't ryk der geesten 'n wet dat wie 't ontzag voor
+de koningin uit het oog verloor, of iets tegen 't heelal aangooide,
+daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.
+
+Prins Upsilon werd 'n zandkorl.
+
+Na zich 'n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de
+heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.
+
+In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat 'n goed mosplantje
+behoort te doen.
+
+Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.
+
+Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen
+te bereiden met vuur.
+
+Hy bouwde 'n paar werelddeelen, en werd 'n eeuw of duizend daarna
+tot belooning van z'n yver veranderd in 'n garnaal.
+
+Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z'n gedrag,
+en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.
+
+Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de
+zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang
+van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op 't land.
+
+Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand,
+en hield zich bezig met geologische opmerkingen.
+
+Een paar millioen eeuwen later...
+
+Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in 't oog dat al die tyd
+te-zamen genomen in het ryk der geesten maar 'n klein kwartiertje
+was... of juister: dat die tyd volstrekt _niets_ was. Want _tyd_ is
+uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan
+kinderen. Voor geesten is _toen_, _nu_ en _dan_ volkomen hetzelfde. Zy
+grypen _gisteren_, _heden_ en _morgen_ te-zamen met één blik, even
+als men zonder spellen 'n woord leest. Wat _was_ en _wezen zal_, is.
+
+Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen
+hebben 't vergeten.
+
+Fancy begreep dat Wouter niet _lezen_ kon, en daarom _spelde_ ze hem
+Upsilon's geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.
+
+Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en 'n
+geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren--menschelyke jaren
+ditmaal--vóór den aanvang van m'n verhaal, werd-i overgeplaatst in
+de klasse der menschen.
+
+Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.
+
+Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen
+weinig tyds hersteld te worden in z'n rang als prins van den geeste,
+moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets
+verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou 't wel gaan.
+
+Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw
+Pieterse. "Dit wàs nu eenmaal zoo!" zei Fancy.
+
+Die Fancy scheen 'n soort hofdame van Wouter's moeder te wezen, die
+hem 'n bezoek bracht in z'n ballingschap om hem wat optebeuren en moed
+in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel,
+niet zou opvatten alsof men boos op hem was.
+
+Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...
+
+--Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m'n zusje?
+
+--Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is 'n
+lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft
+beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft
+zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal;
+en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén
+dat het 'n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf
+niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en
+voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van
+kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te
+gebruiken. Weldra werd ze 'n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie
+niet geschikt voor 'n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in
+'n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.
+
+Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...
+
+--Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár
+... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt
+ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar
+schoot houdt en liefkoost...
+
+Wouter zag het duidelyk, en riep:
+
+--Omikron ... Omikron!
+
+--Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat
+uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. 't Is
+reeds 'n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen
+onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden,
+zyn ze heel ver van elkaar gezet.
+
+Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag 'n kus gegeven
+aan al die sterren met 'n pop op den schoot, die z'n zusje waren...
+
+--Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!
+
+Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als
+iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen
+eener hoogstmoeilyke zaak.
+
+Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z'n bede:
+
+--Ach, laat me samenwezen met m'n zusjen ... al moest ik weer gras
+eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met
+yver als ik mag samenzyn met Omikron!
+
+'t Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar
+macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te
+kunnen geven:
+
+--Ik zal 't vragen, fluisterde zy, en nu...
+
+Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was 't brugje ... dáár
+de sloot...
+
+Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...
+
+Hy zag z'n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!
+
+Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?
+
+Die molens heetten _d'Morgenstond_ en _den Arend,_ en zy riepen zooals
+houtzaagmolens gewoon zyn:
+
+
+ Karre karre, kra kra...
+
+
+Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem
+daar wachtte.
+
+
+
+
+
+
+ Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan
+ de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, 't
+ huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon,
+ prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!
+
+
+Daar de lezer veel ondervinding heeft--ik zoek sedert jaren te-vergeefs
+naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar--zal-i weten
+dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in
+de verte.
+
+Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven 't
+hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze
+wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.
+
+De man was eigenlyk maar beunhaas in 't vak. Hy behoorde namelyk tot
+de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot
+'n wezenlyken dominee, als 'n likdoornsnyder tot 'n geneesheer. Maar
+voor de eksteroogen van III, 7, _b_1 (Pp) was-i bekwaam genoeg. En
+al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering
+zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen
+aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.
+
+Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw
+Pieterse had 'n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er
+was 'n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party
+te wezen: "om de stichting" zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar
+huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was,
+en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.
+
+--Jon_ch_elin_ch_ ... sprak de man, en er scheen al terstond indruk
+noodig te wezen, jon_ch_elin_ch_...
+
+Het is zeer opmerkelyk hoe 't geloof en de genade invloed hebben op
+de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zou zeker niet
+gezegd hebben, _lanche_ pyp of _jonche_ doperwten, maar de heiligheid
+verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord-
+en zinvorming verandert door 't geloof. Ik ben niet ongenegen dit
+aantenemen als 'n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen,
+en denk ernstig aan 'n verhandeling: "over den invloed der genade op
+de hollandsche taal." Ja, 'k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel
+koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier,
+zonder zalving of gebrouw, my 'n opmerking meedeelt over 't weêr,
+of tyding vraagt van m'n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet
+die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens
+op of niet 'n dominee z'n neus anders snuit dan 'n ander?
+
+--Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...
+
+Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan
+z'n pyp, met 'n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw
+Pieterse hield 'n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te
+wezen als ze huilen moest.
+
+--Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...
+
+'t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor 'n _lapsus
+linguae_. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op 'n
+woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.
+
+--Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als
+hoochepriester in den Heere... want ieder die 't Evangelium verkondigt,
+is 'n hoochepriester in den Heere... in den Heere...
+
+De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.
+
+--In den Heere...
+
+Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik
+kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z'n buitengewoon lang
+toeven by dien "Heere."
+
+Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.
+
+--Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche
+dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met
+de koningen der aarde.
+
+Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor 't juist weergeven van
+huisdominee's taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid
+nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen
+veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve
+zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.
+
+Dit was 't dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw
+Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die
+babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen
+gaf dat _zy_ nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw
+Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden
+der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht
+geweest zyn. Neen, de verbazing van 't gezelschap had 'n heel anderen
+grond.
+
+Men moet erkennen dat meester Pennewip by 't oplezen van Wouter's
+zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en
+zie, daar komt huisdominee die 't brandstichten overslaat, het rooven
+vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen
+op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel
+onverwacht beschuldigt van "hoerery met de koningen der aarde." Dit
+was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak,
+juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus 'n bescheiden:
+_friskuus!_ het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo
+gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier
+was 't geval ernstig genoeg om 't gebruik van wat vreemds te wettigen.
+
+--Friskuus, dominee! Wouter heeft...
+
+Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:
+
+--Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho's, gy die 'n huis van ontucht
+bewoont op de wallen der stad...
+
+--Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...
+
+--Ja, en m'n vader was...
+
+--Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik
+zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...
+
+--Maar dominee, Wouter is 'n jongen!
+
+--Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is
+weggezonken in 'n poel van ongerechtigheid...
+
+--Laat 'm begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy
+zal op Wouter neerkomen met 'n omweg... dat doen ze wel meer.
+
+Hierin had juffrouw Laps gelyk.
+
+--Dit meisje, ging huisdominee voort, met 'n uitdrukking van indruk
+die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen
+van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee's
+welsprekendheid, dit meisjen is ... 'n meisje!
+
+--In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.
+
+Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker
+te gelooven dan 'n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet,
+maken 'n onderscheid.
+
+--In-godsnaam dan...
+
+--Ja ... dit meisjen is 'n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene
+vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...
+
+--Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!
+
+--Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp 't heel goed.
+
+--Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die
+er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet
+je de verzenen tegen de prikkels slaan.
+
+Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur
+tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als 'n hulde aan haar diepere
+geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de
+verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of
+de anderen kon verwacht worden. Maar toch wou ze nu graag een woordjen
+in 't midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen
+de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:
+
+--Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder
+onderscheid, maar...
+
+--Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de
+muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...
+
+--Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.
+
+Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen
+aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos
+als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.
+
+--Hé ... hoe meent u dat, dominee?
+
+--Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit _Josua twee_ ... er hangen
+roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen
+der aarde...
+
+Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets
+deftigs, en schaadt niet. Maar:
+
+... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke
+dikke bakkebaarden heeft.
+
+Dit was èrger dan "zoogdier."
+
+Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door 't
+verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:
+
+--De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft
+gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens
+loopen 'm na ... kyk hier!
+
+En ze wees door 't raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens
+met veel gejuich 'n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden
+te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen
+... houd je staart recht!
+
+Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar
+dronken was-i. In 't wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en
+Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid
+te hebben, en door de openbaring van 's mans toestand de pyniging
+van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen
+door huisdominee zelf, die in 't wynhuis had hooren spreken over
+die geschiedenis van den briefbesteller, en by z'n aankomst in de
+woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i
+behandelen moest.
+
+--En, voegde Leentjen er by, 't is niet nu alleen ... 't is niet
+altyd even erg, maar laatst met Habakuk...
+
+--Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd
+was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee
+bearbeidde.
+
+My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat
+ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen
+eind gemaakt had.
+
+Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede van
+juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon,
+en leverde hem over aan de straatjongens die terstond 'n liedjen
+op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk
+niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat
+uittegeven als echten _codex_, strydt tegen m'n principes.
+
+Zoodra juffrouw Laps zich 'n beetje hersteld had, koos zy de
+verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.
+
+--O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is,
+om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de
+Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren
+Jeruzalem's. Dàt heeft-i bedoeld met z'n briefbesteller. M'n vader was
+in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar
+ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening,
+weetje?
+
+--Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...
+
+--Zoo zegt Leentje, maar...
+
+--En al dat volk op de straat! Hoor eens...
+
+--Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen
+op de straat, en toen kwamen er beeren...
+
+"Hei, hei ... pas op je verzenen!" klonk het buiten.
+
+--Waarom zendt de Heer z'n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag
+dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller,
+bestond in 't verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had
+ze alweer gelyk. Wat 'n profeet zegt, kan men opnemen zooals men
+wil. Een bruid is 'n kerk, een tempel is 'n lichaam, een vader is
+'n zoon, een zoon is 'n geest, een geest is 'n vader, één is drie,
+drie is één, en 'n briefbesteller is niemendal.
+
+--Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze
+hierin 'n reden vond om huisdominee's taal niet zóó ver wegtewerpen
+als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.
+
+--En al waar-i voor 'n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft
+men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te
+doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?
+
+Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.
+
+Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade,
+en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en
+sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men 'n gebouw
+wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar 'n pyler omhalen of
+'n hoeksteen wegbreken. _Sit ut est, aut non sit._ Huisdominee was
+dus geheel in z'n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de
+zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid,
+wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.
+
+--Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep
+Juffrouw Pieterse in 't eind.
+
+Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn
+tot de preek van den dag. Hy behandelde _Ezechiel_ en de afscheiding
+van de tien stammen, en deed er wat by uit _Mattheus_. Daarna ging-i
+over op de _Makkabeen_, en sloot met Daniel, Paulus, 'n _Onze Vader_
+en den H. Geest.
+
+--Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?
+
+Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt,
+waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.
+
+--Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken
+van de _Openbaring_?
+
+--Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters
+... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...
+
+--Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.
+
+--Als we hem eens 'n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren,
+van-achteren-af?
+
+Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor
+den dag gekomen waarin slot en zin stak.
+
+--Als ik hem eens by _my_ nam, juffrouw Pieterse? Om 't geld is
+'t me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...
+
+Wouter rilde.
+
+--Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven,
+en ik zou hem oefenen ... want om 't geld is 't me volstrekt niet te
+doen. _Oefenen_, weetje?
+
+Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal
+voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen
+heeft, en dit vind ik dan ook--alles in aanmerking genomen--maar het
+beste. [12]
+
+
+
+
+
+
+ Doorslaand bewys van Wouter's beterschap, blykbaar uit 'n
+ kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie
+ in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.
+
+
+Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om
+hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon
+wys worden uit haar beschermeling.
+
+In 't mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over
+de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes--dat toch alles is wat
+men van heen-en-weertjes verlangen kan--doch haar bevattingsvermogen
+schoot te-kort by Wouter's vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon
+zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met 'n
+medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z'n
+verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige duiten van haar schraal
+weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten
+... helaas, Wouter's ziel was haar pepernoten ontwassen, en de
+ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.
+
+--Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het
+hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe 't schepsel
+heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.
+
+--Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker
+dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.
+
+--Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch
+vroeger moeten weten, dunkt me.
+
+--Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide,
+wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam 't my weer
+duidelyk voor den geest.
+
+--Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.
+
+En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar
+die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken,
+den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht
+toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.
+
+En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde
+hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis "van
+den vloer" wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning
+van z'n brugje, en luisterde naar 't geklepper van de molens. Ze
+vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.
+
+--Ze zal te veel bezigheid hebben aan 't hof myner moeder, zuchtte
+Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.
+
+Maar als-i door 't venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk
+tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets
+beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze
+ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen "naar huis", en
+met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:
+
+--Omikron, Omikron! [13]
+
+
+
+
+
+Na lang beraad, en op Wouter's uitdrukkelyke belofte van
+beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden,
+en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of
+althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen
+in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplange
+_o_'s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.
+
+Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was,
+en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou 't dus ook
+wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderen van huisdominee,
+want de tegenwoordige "behoorde tot de klasse der wynzuipers." Nu,
+dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie "gedaan" by 'n wezenlyken
+dominee die na kerktyd uit 'n boekje "vragen overhoorde." Den titel
+van 't boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren:
+
+1e. _Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?_
+
+Wouter had graag willen zeggen: wel, van m'n moeder ... maar in
+'t boekje stond:
+
+_Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht._
+
+2e _Vraag: Hoe weet gy dit?_
+
+_Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring._
+
+Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde
+hy trouwhartig wat er in z'n boekje stond. Wel speet het hem dat
+de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt
+tot wandelen, bedorven werd door 't "opzeggen" der koningen
+Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden
+"weggevoerd"--'n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam--maar
+hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de
+zaligheids-leerlingen. Althans toen 't jaar om was, ontving hy 'n
+boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig
+gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden
+en de artikelen des geloofs. Er was 'n voorschrift by, hoe dat alles
+moest gebruikt worden: eens _pr_ dag, 'n jaar lang ... driemaal daags,
+'n week lang by herhaling ... en de rest _quantum sufficit_. Voorin
+stond op 'n ingeplakt blaadje:
+
+
+ ter belooning
+ aan _Wouter Pieterse_
+ omdat hy
+ de lessen in de Noorderkerk
+ wel
+ heeft opgezegd,
+ en
+ ter aanmoediging
+ om
+ ter eere Gods
+ op
+ den ingeslagen weg
+ voorttegaan.
+
+
+En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen
+die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.
+
+
+
+Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen
+huurden een tuin "aan den Overtoom." Dat was zoo "heelemaal buiten"
+zeiden zy, en "men kon toch niet altyd in de stad blyven." Bovendien
+"de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor 't heele
+pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd
+'n aardigheid." Ook zou er wel gras genoeg zyn om 't kleingoed te
+bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch "want, zei de stamvrouw
+der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy's _Kanesoe_ ... dus
+was 't heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over
+spraken--want dat deden "ze" altyd--was 't uit pure jaloezie. Ook was
+er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was,
+maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls
+je wat doet, heb je-n-altyd zoo'n gemaal met de menschen ... want 't
+was vooraan op d'Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje
+nooit iets doen ... en voor de kinderen was 't 'n heele uitspanning
+... die juffrouw Karels moest maar letten op 'r zelf ... en als Gus
+jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...
+
+Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk,
+Wouter was onder de uitverkorenen.
+
+Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie
+bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel
+voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd
+opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld
+voelde door den omgang van haar zoon met "menschen die 'n buiten
+houwen" werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter
+beloofde "heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet
+te ravotten, z'n kleeren niet te scheuren" en zoo-al meer. Ook zeide
+juffrouw Pieterse "dat 't zoo lief van 'r was, dat ze dit toestond,
+want 't was toch 'n heel ding voor 'n kind om zoo eens uittegaan."
+
+Ja, Wouter zou uitgaan! Voor 't eerst uitgaan, voor het eerst eten,
+drinken, zich vermaken onder 'n vreemd dak. 't Was 'n hoofdgebeurtenis
+in z'n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo
+dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.
+
+De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid
+stapte Wouter de poort uit. "'t Was rechts, links, weer links, dan 'n
+brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen" had Gus gezegd. En
+de tuin heette _Stad-rust, dus_: "Wouter moest maar vragen, dan zou-i
+'t zeker vinden."
+
+Dit was ook zoo. Wie voor 't eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter
+was op _Stad-rust_ vóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie
+ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden
+dat Wouter 'n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was
+geweest.
+
+De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en 't stoeien,
+draven, gooien, nam 'n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk
+is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade "die heel langzaam
+moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren."
+
+Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes
+en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de
+volkomenheden van _Stad-rust_, ook dat prieel moeten opnoemen, waar
+Betsy zat met dien heer...
+
+--Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met
+de jongens.
+
+--Wel, dat is Betsy's vryer.
+
+Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter
+z'n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat
+gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was 'n vrystertje,
+in zyn meening, 'n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en
+die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond
+dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving
+hem de lust om te weten hoe 'n volwassen heer vryt met 'n meisje dat
+niet meer school-gaat.
+
+--Haar vryer?
+
+--Wel zeker ... geëngageerd!
+
+Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is,
+kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar
+ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich
+slechts de vraag: wanneer is in de Klasse _Burgerstand_, III, 7, _a_1
+(Pp) 't flauwe "geëngageerd zyn" in zwang gekomen voor 't hartelyke:
+vryen?
+
+--Ge ... wàt? vroeg Wouter.
+
+--Geëngageerd ... ze verkeeren.
+
+--Wat is dat?
+
+--Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?
+
+Wouter voelde schaamte dat-i zoo'n eenvoudige zaak niet wist, en
+zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.
+
+--Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje
+met _my_ trouwen?
+
+Emma kon op 't oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar
+mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan
+had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze
+weghuppelde om te voldoen aan 'n konvokatie tot "stuivertje-wisselen"
+in 'n anderen hoek van den tuin.
+
+
+
+Als den lezer de _Spectator_ van Van Effen bekend is, zal-i zich
+herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eener
+_burger-vryaadje_. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef
+dezen Justus makkelyker 't afluisteren dan 't verzinnen, 't Eerste
+is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen
+bestudeert om _Spectators_ of _Ideen_ te schryven. Wie 't afkeurt,
+moet ook den geneesheer veroordeelen die z'n patient bespiedt met
+het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.
+
+Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins
+jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben
+tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van 't huiselyk leven
+der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor
+'n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren
+zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen in helder licht,
+wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die
+kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van 't geslachtsleven--in
+alle beteekenissen!--dat zich meer dan andere handelingen verbergt
+voor de blikken van den opmerker.
+
+"Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?" vraag ik altyd myzelf
+als ik 'n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige
+vraag: "_zouden_ ze elkaar wat te zeggen hebben?"
+
+Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik 'n lid van myn geslacht,
+'n wederdeel dus van myzelf, een _mensch_, moet verdacht houden
+van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der
+schoonste--neen, van de eenige--kracht der Natuur, van opstand tegen
+de aantrekkingswet. Liefde--ik heb 't al meer gezegd, en men heeft
+myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet--liefde
+is neiging tot éénzyn.
+
+Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk
+overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig in _regel_, veelvoudig in
+_toepassing_. De liefde van 'n dief zal wel beduiden: kom, laat ons
+saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z'n geliefde
+in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: "elck ghedierte naer
+synen aerdt."
+
+Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen,
+by sommigen tevens de begeerte wezen tot het _goede_?
+
+By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in
+naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan 't vogeltje dat zoo
+angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen,
+en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreep _zy_ niet dat er verband
+was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en 't kloppen van z'n
+hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer,
+maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had
+liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven 't buisje.
+
+Hoe dit zy, hèm ware 't onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads
+als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou
+hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien
+roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan
+'t schryven van 'n _Spectator_, voelde Wouter groote begeerte om te
+weten hoe de jongeheer die met Betsy in 't prieel zat, zich kweet van
+'t "verkeeren." Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z'n
+kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte
+in z'n liefdestudie.
+
+--Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...
+
+--Wel zeker, om de bovenhuizen...
+
+--'t Is 'n gemaal! En wat zegt je moeder?
+
+--Zóó ... zy vindt we moesten 't nog 'n jaartjen aanzien. 't Is zoo
+onfatsoenlyk gauw te trouwen. 't Is net, weetje, of...
+
+--Vier jaar...
+
+--Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...
+
+Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy
+begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen 'n bovenhuis huren,
+liefst in Mei.
+
+--En kryg je nou die linnenkast?
+
+--Neen ... die wil m'n moeder zelf houden. Maar als we nog 'n jaar
+wachten, zal ze ons 'n andere geven, zegt ze, 'n kleine.
+
+--'k Had liever de groote.
+
+--Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast
+noodig. Maar toen m'n zuster trouwde, heeft ze toch 'n groote kast
+"meegekregen."
+
+--Zeg dan dat je 'r ook een moet hebben.
+
+--'t Zal niet helpen.
+
+--Probeer 't maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.
+
+--'k Wil 't wel vragen, maar ...
+
+Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in 't
+prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in 'n donker
+hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine
+Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht
+dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik
+riep hy:
+
+--Zou _zy_ 't wezen ... m'n zusje?
+
+'t Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens'huis
+worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zou _verteld_
+worden door een van de _grooten_.
+
+Welke "_groote_" verdwaald was op _Stad-rust_, om dáár Moore's _Peri
+en Paradys_ te behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet
+paste by Betsy's "engagement" en die liefdesmorende linnenkast. Maar
+evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht
+door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke
+omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat "aan wie 't vatten wil"
+de gelegenheid geeft zich te verheffen boven 't alledaagsche. Eénmaal
+wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!
+
+De "groote" volgde in z'n vertelling den engelschen dichter niet.
+
+Hy volgde een van de vele wyzen waarop de _peri_-legende in alle
+talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan
+was. [14]
+
+"_De_ Peri _die voor de poorten van 't paradys vruchteloos smeekte te
+worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo
+na veel vergeefsche pogingen eindlyk als 't schoonste wat de aarde
+opleverde, den laatsten zucht van 'n berouwhebbend zondaar, en vond
+genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der
+gave die zy offerde..._
+
+--Nu pandverbeuren! riep Gus.
+
+--Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.
+
+Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest "gezoend"
+worden, dat spreekt vanzelf. "Een raadseltjen opgeven." 't Werd niet
+geraden... natuurlyk. Wie 't _wist_, mocht het niet zeggen! Dat is
+by raadsels zoo de gewone konditie.
+
+--Wat zal de eigenaar van dit pand doen?
+
+--Op één been staan!
+
+--Over 'n strootje springen!
+
+--Een vers opzeggen!
+
+--_Neen_, 'n fabel... _la cigale_, of zoo-iets!
+
+--Ja, ja, ja!
+
+'t Pand was van Wouter.
+
+--Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.
+
+--Ik zal je helpen, riep Emma... _le pere_, _du père_.
+
+--Och, dat 's geen fabel... toe, Wouter!
+
+'t Was 'n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen
+fabel kende en geen fransch verstond. Als 'n bekwaam mensch wist
+hoeveel genoegen hy velen doet met 'n blyk van wat _on_bekwaamheid,
+zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.
+
+Maar Wouter dacht ditmaal niet aan 't pleizier van de anderen, dat-i
+ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester
+Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.
+
+--Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.
+
+--'t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar 'n fabel.
+
+--Maar ik weet niet wat 'n fabel is.
+
+--Wel, dat 's 'n vertelling met beesten.
+
+--Ja... of met boomen: _le chêne, un jour, dit au roseau_, zieje,
+er hoeft juist geen beest in te komen.
+
+--Ja, ja... 'n fabel is 'n vertelling, anders niet... er mag inkomen
+wat 'r wil.
+
+--Maar 't moet rymen!
+
+Wouter was op 't punt z'n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht
+zich, en gelukkig! Want dat ware 'n groot schandaal geweest in den
+huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.
+
+--Wel neen, 't hoeft niet te rymen ook, riep 'n ander die al weer
+wyzer was dan de rest, "de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes
+hangen, prins Willem de eerste was 'n groot wysgeer." Zieje Wouter,
+'t gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.
+
+Wouter begon:
+
+"Er was eens 'n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht..."
+
+--Ho, ho, dat 's de geschiedenis van de _Peri_! Wat anders!
+
+--Ik zal 't anders maken, beloofde Wouter verlegen.
+
+"Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch
+verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ook omdat-i
+meestal z'n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...
+
+Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over 't onzalige
+"moedersknipje." Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te
+grieven door 'n schynbare toespeling op den pepermenthandel.
+
+"... omdat-i eens gelachen had onder 't bidden. Want, dit is zeker,
+jongetjes die lachen onder 't bidden, komen niet in den hemel.
+
+--Z... o... o... o? vroegen 'n paar schuldbewusten.
+
+"Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen 'n zusje
+gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar
+gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z'n zusje. "Wie
+is uw zusje?" vroeg men hem...
+
+--Wie vroeg dat?
+
+--Stil, val 'm niet in de rede, laat Wouter voortgaan.
+
+"Ik weet niet wie dat vroeg. Maar 't jongetje zei dat z'n zusjen... 'n
+blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...
+
+--Net als Emma.
+
+--Ja, net als Emma.
+
+"Men zei hem dat er in den hemel 'n klein meisje was, dat er juist
+zoo uitzag. Ze was daar 'n jaar geleden gekomen, en had verzocht
+haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar
+'t jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom."
+
+--Had _zy_ altyd 'r "vragen" gekend?
+
+--Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.
+
+"Hy was heel verdrietig omdat-i z'n zusje niet zou weerzien, en vond
+nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. "Och,
+laat me toch binnen!" vroeg-i heel vriendelyk aan 'n heer die aan de
+deur stond...
+
+--Aan de _poort_, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden
+door de dagelyksheid eener _deur_, maar niet getroffen waren door de
+verhevenheid van Wouter's begrippen over 't sterven.
+
+Zoo gaat het meer.
+
+"Goed, aan de _poort_, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich
+zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei:
+neen. Daarop keerde 't jongetje terug naar de aarde."
+
+--Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.
+
+--Laat 'm toch voortgaan... 't is immers maar 'n vertelling.
+
+"Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer
+voor de... poort stond, zeid-i _owi, m'sieu!_ Maar 't hielp niets,
+hy mocht toch niet binnengaan.
+
+--Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen: _j'aime_, _tu aimes_.
+
+--Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.
+
+"Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z'n "vragen" zóó dat-i ze
+kon opzeggen van-achter-af, van: _Heer, kom haastelyk_ tot: _met
+privilegie_. En dat deed-i aan de poort. Maar 't hielp weer niet... hy
+mocht nog niet binnen."
+
+--Dat wil ik wel gelooven, riep 'n wyze. Om in den hemel te komen,
+moet men "aangenomen" zyn. Was-i aangenomen?
+
+"Ach neen, zei Wouter, daarom juist was 't zoo moeilyk! Hy beproefde
+telkens wat anders, maar 't lukte niet. Hy zei dat-i met z'n zusje
+geëngageerd was...
+
+--Net als Betsy, riep Emma.
+
+"Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met
+'r trouwen wilde... maar 't hielp alles niet, hy mocht niet in den
+hemel. Op 't laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer
+aan de poort knorrig worden zou...
+
+--Nu, en hoe is 't verder?
+
+--Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat
+het jongetje doen moest om in den hemel te komen.
+
+Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i
+wist. Dit bleek 'n uur later.
+
+By 't naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog
+om 't rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed
+Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men
+loosde een gil... nòg een...
+
+Wouter was 't kind nagesprongen.
+
+Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de "heer aan de
+poort" hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet
+"aangenomen" was.
+
+Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps
+dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was 't toch, als men
+te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.
+
+Ik vind dat die "Heer" 't best te-pas komen zou by iemand die niet
+zwemmen kan. Wie 't wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen.
+
+En juffrouw Pieterse klaagde "dat er met dien jongen altyd wàt was."
+
+Nu, dàt vind ik ook.
+
+
+
+
+
+ Groote verandering in de familie. Wouter's benoeming tot
+ lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als
+ behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.
+
+
+Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de
+Pietersens verhuisden op eenmaal naar 'n "fatsoenlyker" buurt, en de
+jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze
+waren "op naaien geweest." Zulke dingen hooren by erfenissen, of by
+verhuizen "met verbetering." En er waren nog andere blyken. Leentje
+werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord "gezeid" te
+veranderen in: "gezegd" want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de
+"de mevrouw van hier-naast" zoo conjugeerde. Dus zou 't wel goed
+wezen. En Stoffel zei, dat hy 't al lang geweten had:
+
+--Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. 't Is _pla_,
+moeder. Denkt uwe maar om _plaats_...
+
+--Remplaats...
+
+--Né moeder, _pla ... plas_...
+
+Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten
+letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar
+'t zou moeielyk wezen, want er was juist "zoo'n gedoe over de militie"
+en ze vertelde gaarne: "hoe ze heel goed in-staat was haar zoon
+te rempl...
+
+--Né, moeder, _uwe_ remplaceert Laurens niet...
+
+--Och wat 'n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast
+gezeid heeft...
+
+--_Gezegd_, moeder.
+
+--Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen: _gezegd_. Onthou 't
+nou, en laat ik 't nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus.
+
+Wouter had 'n jasje gekregen, met 'n kraagje zoo-als nu palfreniers
+dragen. De _garricks_ hadden afgedaan, en _cloaks_ waren er nog
+niet. 't Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt
+men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote
+sprongen doen. En 't spreekt vanzelf, dat nu 't buisje boven den broek
+was geraakt. "'t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen
+gezegd, voor 'n jongen die al rymen kon."
+
+Want, dat Wouter _rymen_ kon, vertelde men aan ieder die 't hooren
+wou. Eigenlyk was 't nog-al valsch, roem te oogsten van 'n feit dat
+zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die 't verrichtte. Dit
+bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men
+wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten
+verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.
+
+Het huis Pieterse handelde hierin als veel _natiën_ gewoon
+zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te
+verheffen op deugd of genie--och, ook dàt is één--van mannen die
+men wreed en dom pennewipte toen ze "er by waren" dat is: zoolang
+die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn,
+wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet
+tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van 't denkbeeld dat hy
+zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet
+ware bewaard gebleven door z'n "kinderachtigheid." Stoffel namelyk
+trok den neus op voor 't jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor
+z'n griften, met 'n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had
+gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden,
+by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder
+fluisteren gevraagd: "wat het was?" Nu... "zoo'n groote jongen moest
+toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden."
+
+Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter's hart, en ook
+de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd
+haar gelaat toonen in de sterren, om 't kind aan z'n liefde te
+herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, als hy werd aangedaan
+door dat onuitsprekelyk verlangen _naar het goede_... dan nog bestond
+Wouters's aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in
+'t onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. Er bestond reeds
+in z'n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te
+scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische
+of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. In den
+grooten droom dien 't kind droomde, was verwarring tusschen zyn en
+niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden
+hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne
+fantazie die trouwens evenzeer _werkelykheid_ was. De kleuren der
+teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken,
+na vergeefsch pogen om helder te zien in z'n eigen hart, voelde hy
+iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou
+hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in,
+en onmachtig verdriet. Maar daar 't hem ontbrak aan de handigheid
+om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen,
+en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z'n gevoel.
+
+Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig
+dat z'n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der
+Gracht, met 'n soort van eerbied.
+
+Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder
+dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van
+z'n eigen hart.
+
+Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. 't Was hem
+een pure revelatie.
+
+'t Mensch "had aanstaande week 'n oom jarig." En ze legde een
+staatsie-bezoek af by de Pietersen's om te vragen of Wouter een
+"aardigheidje" wou maken voor die gelegenheid. Ze had er 'n ons
+ulevellen voor over.
+
+--Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig
+moet wezen, en dat m'n oom 'n _weduwman_ is. Ziet u ... dat moet u
+er in brengen. En ik wou 't graag hebben op de wys van psalm 103,
+dan kan 't gezongen worden, want m'n oom heeft die psalm op 'n liertje.
+
+De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo's
+lier. Ze meende zoo'n draaiding dat 'n jingelend geluid geeft.
+
+Jufvrouw Pieterse zou 't Wouter zeggen als-i van school kwam, maar
+overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten,
+dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. "Want, dat
+haatte ze als de dood ... in 'n kind."
+
+Ik ook, als 't ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik 't zeer
+aftekeuren maar niet alleen in kinderen.
+
+--Heb je je les gekend, Wouter?
+
+--Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist
+er maar negen.
+
+--Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je
+dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden?
+
+Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet weet hoe
+allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen? [15]
+
+
+
+
+
+ Wouter's eerste les in verzemakery, en z'n 1001e in
+ nederigheid. Belangryke ontmoeting van 'n waschvrouw en haar
+ dochter. Onderricht in 't alleen zaligmakend geloof. Beminnen,
+ weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.
+
+
+De opdracht om 'n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse
+en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn
+talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte
+van genoegen, by de ontdekking dat men hem "voor iets aanzag." Hy
+had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooit _iets_
+worden zou ... dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die
+z'n moeder en broêr in 't werk stelden, om hem te doen gelooven dat
+de heele commissie eigenlyk een straf was voor z'n onkunde in de
+namen van bergen. "Ja," zei Stoffel:
+
+--Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest
+... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en
+staande regels...
+
+--Hè? vroeg Wouter.
+
+--Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je
+dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet? Kyk ... zoo!
+
+En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar 't lukte niet.
+
+--Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter: _hoog, omhoog, het
+hart naar boven_... dat 's liggend, zieje, En: _hier beneden is het
+niet_... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...
+
+--Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.
+
+--Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang
+wezen.
+
+--En je krygt ulevellen... en als je 'r niet meê terecht kunt, zei
+de moeder, vraag het dan maar aan Stoffel.
+
+--Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt, 't is heel makkelyk...
+
+Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei,
+en schreef er op. Maar mooi was 't niet. Ook kon-i maar niet verder
+komen dan: _Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar..._
+
+Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden
+slee op z'n grift, en 't grift tot gruis... maar ach, 't ging niet. Hy
+was 'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft,
+want nu begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide:
+"dat er van dien jongen nooit iets komen zou."
+
+Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staande regels
+waren? En daar zy 't ook niet wist, besloot hy "morgen eens weêr te
+probeeren. Misschien zou 't dan beter gaan." Dit vond Leentje ook.
+
+--My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert
+voor jufvrouw Laps ... want ik heb gezeid dat je 't kon ... en de
+man is jarig woensdag over acht dagen ... dus veel tyd heb je niet.
+
+Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter
+te schreien.
+
+--Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen
+tot een meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker
+iets verloren.
+
+--Heb je wat verloren, jonge-heer?
+
+Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat
+herkende. 't Deed hem denken aan Fancy.
+
+--O, nu is alles goed ... nu _gy_ daar zyt! Ik heb zoo naar u
+verlangd...
+
+--Naar my, jonge-heer?
+
+--Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde ... maar nu weet ik
+het. O, zeg het my toch spoedig ... wat staande regels zyn, en hoe
+ik m'n vers moet maken.
+
+Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op 't gras,
+keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te
+weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker.
+
+--Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.
+
+En daarop haalde ze uit 'n klein huisjen in de buurt, wat water dat
+ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen
+dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het
+voorkomen en in de wyze van doen van 't meisje, dat hy zich tot
+haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde
+haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy,
+dat al veel was.
+
+Femke wees Wouter 'n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te
+vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet. Wouter deed dit zoo goed
+hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezighielden met haar "bleek."
+
+--Misschien kan _ik_ je wel helpen, jonge-heer ... zei de moeder,
+want m'n man heeft 'n aangetrouwden neef die wewenaar is...
+
+--Ja, jufvrouw ... maar de liggende regels. En er moet van God inkomen.
+
+--Precies, jonge-heer. Och, 't is 'n heele historie. Z'n vrouw was
+m'n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof
+goed ... leg 'n steentjen op die asseldoekjes Femke, anders waaien
+ze weg ... ja, jonge-heer, 't is 'n heel ding met zoo'n bleek, je heb
+'r geen begrip van, zoo 'n ding als 't is ... nu, ze onderhield haar
+godsdienst, en daar deed ze goed aan, want--dat zal je ook wel weten,
+jonge-heer--als 'n mensch z'n godsdienst niet doet, is er niet veel
+aan, maar hy ... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in
+de sloot ... maar hy gaf er niet om, en zei dat 't allemaal gekheid
+was ... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd ... 't was
+pater Jansen die 'r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen ... hy
+loopt altyd met zoo'n stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond...
+
+De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op 't omgekeerd
+korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy
+luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die
+vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens
+aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.
+
+--Nu, 't was pater Jansen die 'r bediende. En toen m'n mans neef
+dat zag ... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op
+... ja, toen-i zag dat 'n mensch toch niet sterft als 'n stom beest,
+toen had-i 'r weet van, en naderhand heeft-i z'n paschen gehouden net
+als 'n ander ... en toen-i verleden jaar z'n been brak, want hy is
+schilder, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuiver van
+de armen gehad ... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook 'n wéwenaar
+in m'n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer,
+want ik heb 't noodig.
+
+Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen
+in 't gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een
+ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te
+roepen als 'r kwaêjongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze.
+
+--Ben je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke.
+
+--O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal
+te-pas brengen in m'n vers.
+
+Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op 't denkbeeld komen,
+dat Wouter moed noodig had om z'n gebrek aan begrip te erkennen. We
+zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin
+berusten. En 't gedurig waarnemen van die berusting in anderen,
+maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen alleen
+te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en
+hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair
+wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich
+verheugde over _algemeene_ toejuiching, den indruk onderzoeken dien
+z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren,
+dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand,
+en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat
+gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle
+anderen veronderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van
+naam, hebben daaraan hun roem te danken.
+
+Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z'n
+vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.
+
+--Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regels even
+lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan ... want dat heeft
+m'n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is.
+
+Femke peinsde, en op-eens:
+
+--Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.
+
+--Ach neen...
+
+--Nu, 't doet er niet toe, riep ze, 't hollandsch staat er naast
+... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen?
+
+Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.
+
+Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in
+'t diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe
+daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden
+onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had
+'n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de
+bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen
+tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z'n
+dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de
+ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf
+ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide
+op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weêr--voor 't eerst in
+langen tyd--dat prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo verschrikt
+had. Z'n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen
+vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel,
+van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter.
+
+--O Fancy ... Fancy ... sterven voor u ... sterven met zulk een kus
+op de lippen!
+
+Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest,
+hy had lust in ongelyken stryd.
+
+En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep
+hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in 't bezit
+van de _rouerie_ die de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy
+voelde Wouter's ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die
+ridderlykheid beloonen kon.
+
+--Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met
+beide handen, en kuste hem weêr, en nog-eens ... op 'n wyze alsof ze
+'t meer gedaan had. Wat toch niet waar was.
+
+--En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan Mischien
+zal 't je helpen voor je tante...
+
+--Ze is m'n tante niet, antwoordde Wouter, maar 't boekje wil ik
+wel zien.
+
+Hy legde 't op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke,
+grooter dan hy, had den arm om z'n hals geslagen, en wees hem met de
+andere hand wat hy lezen moest. Een lieve schildery!
+
+--Zie, die regels zyn even lang, zei 't meisje.
+
+--Ach ja ... maar ze rymen niet.
+
+En Wouter las:
+
+
+ Allerreinste moeder,
+ Allerzuiverste moeder,
+ Ongeschonden moeder,
+ Onbevlekte moeder,
+ Machtige maagd,
+ Goedertierene maagd,
+ Getrouwe maagd,
+ Geestelyk vat,
+ Eerwaardig vat,
+ Schoon vat van devotie,
+ Geestelyke roos,
+ Toren van David,
+ Ivoren toren,
+ Deur des hemels...
+
+
+--Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er
+niets van.
+
+Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert
+vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd
+tevreden geweest met de maat van haar begrip. Maar nu ze door Wouter's
+onnoozelheid _in morâ_ gesteld werd, reden te geven van haar geloof,
+bemerkte zy voor 't eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde
+schaamte hierover, en sloeg 't boekje dicht.
+
+--Maar _ken_ je dan 't geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider
+domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.
+
+--Zóó niet, zei Wouter. Ik heb 't anders geleerd.
+
+--Maar je gelooft toch aan Jezus?
+
+--O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en
+torens. Hoort dat by 't geloof?
+
+--Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.
+
+--Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het.
+
+--En 't vagevuur?
+
+--Daar weet ik niet van.
+
+--En de biecht?
+
+--Gut né...
+
+--Maar hoe maak jelui 't dan?
+
+--Hoe meenje dat, Femke?
+
+--Wel ... om zalig te worden.
+
+--Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel
+te komen?
+
+--Wel zeker. Daarom is 't te doen, en dat kan niet zonder de Heilige
+Maagd, en zonder zoo'n boekje. Wilje dat ik je 't geloof leer,
+Wouter? Dan komen we samen in den hemel.
+
+Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:
+
+--God schiep de wereld...
+
+--Wat deed hy vóór dien tyd, Femke?
+
+--Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een
+slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont
+te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer
+goed te maken ... dat is lang geleden...
+
+--Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy
+begon met nul by z'n geboorte.
+
+Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan van den
+ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van 't geloof,
+al was het dan volgens Femke 't ware niet.
+
+--Nu, Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en als je nu goed
+bidt uit zoo'n boekje, dan word je zalig. Begryp je 't nu, Wouter?
+
+--Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?
+
+--Wel, dat is zoo'n benaming van de Heilige Maagd. 't Is by-voorbeeld
+alsof je ... _pater_ tegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...
+
+Femke zocht een voorbeeld.
+...daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?
+
+--Wel ... ik zeg: moeder.
+
+--Juist. Maar hoe noemt haar een ander?
+
+--Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.
+
+--Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren
+toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men
+roept: _jufvrouw Pieterse!_ dan is het, dat ze luisteren zal, en
+zoo wil _ivoren poort_ zeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet
+doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is 't te doen.
+
+--Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk ... een maagd?
+
+Femke kleurde.
+
+--Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...
+
+--Ik? vroeg Wouter verbaasd.
+
+--Wel neen, malle jongen ... 't moet een meisje wezen.
+
+--Ben jy een maagd?
+
+--Wel zeker...
+
+Femke sprak de zuivere waarheid.
+
+--Wel zeker ... omdat ik niet getrouwd ben.
+
+--Maar Maria was toch getrouwd ... en Jezus was haar kindje.
+
+--Dat is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom
+heet ze _ivoren poort_. Begryp je 't nu, Wouter?
+
+Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje meê te
+nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het
+dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer
+spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets
+bedorven werd aan Femke's zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit,
+dikwyls weêrtekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van
+de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze 't aan pastoor Jansen
+vragen. Dan kon Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste.
+
+Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met
+dat meisje, dat geheimzinnige boekje, 't zaligworden, zyn gevecht met
+de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan
+'t vers dat-i maken moest. En--zonderling!--ook scheen er verband
+tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit
+had hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die
+z'n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by 't kort
+begrip van Femke's theologie. Hy zou _begrepen_ hebben dat haar
+weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn onbestuurd _gevoel_
+veranderde alles van zin. Thuiskomende bladerde hy in Stoffel's
+boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten,
+ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond
+niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden,
+maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en
+z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen.
+
+Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze
+vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich 't
+_niet-zyn_ niet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen
+doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn
+ongeoefend denkvermogen stuitte op 'n onmogelykheid, of afdwaalde op
+bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang,
+om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar 't ééne
+onbekende: de oorzaak van het _zyn_.
+
+--Meester Pennewip heeft 'n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy
+... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was ... zou dàt ook
+de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet afdwalen. Die
+oude heer Pennewip moet ook 'n vader gehad hebben ... en die weer
+... en die ook ... en die weer ... ja altyd ... maar wie is de
+_eerste_ Pennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben,
+vóór er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog
+geen varken was?
+
+En waar is 't eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of
+'t eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit?
+
+En God? Toen hy aan 't scheppen ging, moest hy toch een wil gehad
+hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er
+niets van, en zou 't toch zoo graag willen weten.
+
+Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht
+is door alle wysgeeren. 't Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef
+vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich een _begin_ te denken. En
+als veel anderen--ouder, maar niet veel wyzer dan hy--wanhoopte hy
+niet. Eenmaal zou hy 't weten, dacht-i...
+
+Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem
+niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken.
+
+En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende
+omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten
+betalen als-of 't wysheid geweest ware.
+
+Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust
+ware geweest over den afloop van 't vers, dat nog altyd niet op stapel
+stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste
+oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van
+Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die
+zachte lippen. En van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een
+lieve, lieve jongen...
+
+--Zou _zy_ 't wezen ... Omikron? dacht hy.
+
+Zoo droomde 't kind. En by den knaap, als in de ontwikkelingsperiode
+der menschheid, werkten de krachten van de driedubbele veêr die ons
+voortdryft, in ééne richting.
+
+_Beminnen, weten, stryden_--alles saêmtevatten in: _beweging_--ziedaar
+de zielkundige analyse van 't doel dat de jeugd aantrekt, en die
+tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis, vooral
+uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch die in zekeren
+zin helderder voor ons oog staan, dan de zoogenaamd-strikthistorische.
+
+
+
+De knaap _Wouter_, evenals 't kind: _Menschdom_, werd voortgedreven
+door 'n driedubbele kracht, door behoefte aan _liefde_, aan
+_wetenschap_ en aan _stryd_.
+
+Als in de _genesis_-legende, en in het drama van Faust, moest ook de
+weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aantrekkingskracht
+die 'n onbeduidend meisjen op hem uitoefende, het middel wezen om
+hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te voeren hebben. [16]
+
+
+
+
+
+ Waarheid in legende.
+
+
+--Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over 't geloof?
+
+Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden dag weèr
+by haar zat op 't omgekeerd mandje.
+
+--Ja, maar ze zyn niet mooi.
+
+--Ken je niet wat van-buiten?
+
+Wouter zei 'n vers op van een protestanterig gezang, dat geen genade
+vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i 't mooi opzei.
+
+--Lees je niets anders?
+
+Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van
+Stoffel: _Werken van 't dichtlievend genootschap_... Ippel,
+_Aardrykskunde... Verhandeling over de spelling... Reglement op de
+brandwacht... Geschiedenis van Jozef, door_ Hulshoff ... _De brave
+Hendrik ... Vader Jakob onder zyne kindertjes ... Preêken van domine_
+Hellendoorn... _Kathechismus van_ idem... Hoorn _liedeboek_...
+
+Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by
+Femke. Eindelyk:
+
+--Ik weet wel iets, maar 't is niet van 't geloof... het is van
+Glorioso...
+
+Femke beloofde te zullen luisteren, en Wouter vertelde. Eerst sprak
+hy afgebroken, en met al de _en toens_ die niet gemist kunnen worden
+by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich in den
+toestand van z'n held, en verhaalde beter dan-i gelezen had in dat
+voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond hy op van
+z'n korf, en bootste de daden van z'n held na, zoodat Femke er van
+schrikte. Maar prettig vond ze 't toch, en toen hy eindelyk zweeg,
+was er een vonk van zyn zonderling bestuurde maar oprechte geestdrift
+gevallen in haar hart, dat als 't zyne klopte van verrukking over al
+'t schoone dat zy gehoord had. Beider wangen gloeiden, en waarlyk als
+'r een trekschuit had gereed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke
+oogenblikkelyk ware meêgereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar,
+zooveel aventuren, en... zooveel minnary. En 't fraaist was, dat er
+uit Wouter's vertelling bleek hoe zuiver zoo'n italiaansche roover in
+'t geloof is.
+
+--Weet je niet nog iets?
+
+--Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... 't staat in
+een klein boekje ... een almanak, geloof ik.
+
+En hy verhaalde:
+
+--Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca heette. Al
+de koningen van dat land heetten Inca...
+
+--Zoo als hier Oranje ...
+
+--Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru--want het land heette
+Peru--waren de koningen uit de zon gekomen, en als ze stierven, keerden
+zy terug naar de zon. En zy mochten niet trouwen met 'n meisje dat
+niet uit de zon voortkwam. Dat was zoo de wet in Peru...
+
+--Is 't waarlyk gebeurd, Wouter?
+
+--Het staat zoo in 't boekje, Femke. Nu was er een koning die drie
+kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons heetten Telasco
+en Kusco, maar den naam van 't meisje heb ik vergeten.
+
+--Zeg maar Marie.
+
+--Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is beter,
+of... Emma. Of wil je dat ik Femke zeg?
+
+--Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van my spreekt,
+of van die prinses.
+
+--Goed: Emma. Emma was 't eenige zonnekind in heel Peru. En niemand
+wist wie na den dood van den koning, Inca worden zou, want Telasco
+en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat meer?
+
+Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er drie te-gelyk
+gehad... dat kan heel goed.
+
+--Nu, Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist niet wie
+hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook het volk van
+Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat mocht niet, omdat er
+in de wet stond dat er altyd maar één Inca wezen zou. Toen riep de
+koning alle priesters by elkaar op een hoogen berg, om nader aan de
+zon te wezen... want de zon zou beslissen wie koning worden moest.
+
+--Maar Wouter, dat kan niet waar zyn.
+
+--Het staat zoo in 't boekje, Femke. En ... 't is lang geleden, heel
+lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net als de
+ivoren poort.
+
+Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar 't verhaal,
+hield ze zich of Wouter's oplossing haar voldeed.
+
+--Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote
+brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen. Maar
+ze staken het hout niet aan ... dit moest de zon zelf doen.
+
+--Dat kan heel goed ... met 'n brandglas.
+
+--Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen brandglazen. En
+bovendien het was juist te-doen om den wil van de zon te weten. De
+kransen op den éénen brandstapel waren gelegd of 't een letter T was,
+dat beduidde Telasco. Op den ander had men een K geschreven ... ik
+meen: met bloemen. Die K wilde zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de
+koning op de knieën, en alle priesters ook, en zy zongen een gebed
+aan de zon...
+
+--Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen, dan voor
+de Heiligen. En dat bidden mag ook niet ... dat is afgodery.
+
+--Ja juist, 't staat ook in 't boekje dat die menschen in Peru
+afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschouwen,
+zie ... 't is lang geleden ... en 't was een ander volk ... een
+heel ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld ... in
+Frankryk ... daar noemen ze een vader: _père_ ... dus je ziet wel
+dat ieder volk zoo z'n eigen manieren heeft.
+
+Femke knikte, als byna overtuigd.
+
+--Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusco en Emma zongen meê,
+want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen, dit begryp je wel,
+want als Kusco's houtstapel 't eerst brandde, zou hy Inca worden, en
+Telasco bleef maar prins. En als Telasco's stapel 't eerst aanging,
+werd _hy_ koning, en niet Kusco. Nu, voor Emma was 't ook een heele
+zaak ... want ze moest trouwen met den nieuwen Inca. Ze wou dus graag
+weten wie 't wezen zou...
+
+--Maar ... 't waren haar broêrs!
+
+--Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy 't eenige zonnekind was. Ze woonden
+in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan by ons...
+
+--Ja, dat 's waar, zei Femke, die bang was dat te veel ongeloof
+haar de vertelling kosten zou. 't Zal wezen als met Glorioso en die
+gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet ... dat vind je alleen in
+verre landen.
+
+--Ja ... of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de zon
+geen der beide brandstapels aan...
+
+--Hé... zei 't meisje verwonderd, want na al 't zonderlinge dat ze
+vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te hooren.
+
+--Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Inca en 't volk van
+Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en Kusco. Wie ze
+'t meest beminde zou koning zyn.
+
+--Toen was 't gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze.
+
+--Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar een maand
+tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde, en kon niet tot
+een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende te weten wien zy
+voortrok in haar hart, dan wilde zy 't niet zeggen, omdat ze den ander
+te lief had om hem te bedroeven. Want zy wist dat beiden haar beminden,
+en dat haar voorkeur van den één, de dood van den ander wezen zou. Zy
+vraagde om raad by Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen...
+
+--Hé? riep Femke weêr. En er was een vragende toon in haar uitroep. Zy
+meende niet goed verstaan te hebben.
+
+--'t Was in Peru ... en heel lang geleden. En daarop smeekte zy Kusco,
+haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde dat Telasco haar
+gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen moest. Ook vond hy Telasco
+waardiger om Inca te worden, dan zichzelf.
+
+Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters ook
+niet. En ook niet by den koning, die in 't geheel geen raad geven
+wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmeê hy zich niet mocht
+bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco haar had. 's
+Avonds in 't woud had ze hem beluisterd, toen-i een lied zong waarin
+hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen was zy hem om den
+hals gevallen, en ze ging naast hem zitten op de zodenbank, en ze zei:
+lieve Kusco... en ze legde 't hoofd tegen zyn schouder, en begon bitter
+te schreien, omdat ze hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke.
+
+--Kun je 't boekjen niet eens meêbrengen? vraagde het meisje. Ze
+wilde zoo gaarne dat prentje zien.
+
+--Ach neen, 't boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat ik niets
+mag wegnemen uit z'n kastje. Dat is zyn bibliotheek, weetje, omdat-i
+schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde. En Kusco ook ... kàn dat?
+
+--Wel neen!
+
+--In 't boek staat het toch. Maar hoor verder. Toen ze daar zoo zaten,
+kwam Telasco. Hy beluisterde hen--één oogenblik maar--en trad op-eens
+te voorschyn. Daarop viel hy op de knieën voor Kusco, en zeide: "heil
+u, Inca van Peru, de dochter der zon heeft u gekozen." En hy boog z'n
+hoofd tot de aarde, en wilde Kusco's voet op z'n nek plaatsen. Dat
+beduidde onderwerping, in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op,
+en beiden te-gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. "Zy heeft
+_u_ lief, broeder, sprak Kusco, aan _u_ denkt zy, van _u_ droomt zy,
+_u_ bemint zy, o Telasco! Gy zyt koning in haar hart, en dus Inca
+van Peru."
+
+Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief, om te willen dat het waar
+was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst recht moeielyk
+voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en kuste hem innig,
+en trok hem naast zich op de bank van zoden. Maar terwyl ze aan de
+eene zyde Telasco omarmde, trok ze met de andere hand Kusco tot zich,
+en... toen zat ze in 't midden, tusschen de beide broeders. En als ze
+Telasco kuste, zuchtte zy: "Lieve Kusco!" en als ze Kusco liefkoosde,
+fluisterde zy Telasco's naam... och, Femke, 't was zoo moeielyk!
+
+--Ja, zuchtte Femke, 't was een moeielyk geval.
+
+--En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco was,
+zeide hy: "Gy moet kiezen, Emma!" in de hoop dat ze Kusco gelukkig
+maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als hy meende
+te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z'n eigen smart
+dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z'n broeder.
+
+En Kusco riep: "Kies, Emma!" telkens als zy zich wendde naar Telasco's
+zyde, maar hy zweeg als Emma's hoofd op _zyn_ schouder lag. Hy vreesde
+den dood niet--want, Femke, hy wilde sterven als-i niet leven kon met
+háár--maar hy was bekommerd over Telasco's jammer, als deze Emma's
+beeld zou moeten verdryven uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen,
+Femke? Ik weet niet of ik 't goed vertel, maar 't staat zoo in
+'t boek...
+
+--Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren tweelingen,
+zieje, daar komt het van.
+
+Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen geloof
+te slaan aan Femke's begrip. Ik verdenk haar van "schipperen" met
+het geloof aan Wouter's vertelling. Zy drong zich het begrypen op,
+omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en offerzucht der
+drie helden van 't heelal. Ze was niet geleerd genoeg om met spot
+neêrtezien op 't verhevene, al werd het haar dan ook meêgedeeld op 'n
+wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd--van individu en Mensheid
+alweêr--is romantiek. Ze heeft behoefte aan onmogelykheid, of wat daar
+naby komt, en nu Wouter eenmaal Femke zoo ver had vervoerd dat zy zich
+verplaatste in zoo vreemde toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een
+sterken bondgenoot in Femke's vurige begeerte om 't vervolg te weten
+dier aandoenlyke geschiedenis. _Zy_ had hem--met minder moeite, want
+Wouter was jonger, en bovendien onevenredig kinderlyker--haar "ivoren
+toren en geestelyke vaten" ingegeven, nu zou 't hem weldra gelukt zyn
+haar 't zonnestelsel te doen slikken. Maar de arme jongen wist dit
+niet. Om te ontleden hoe zucht tot _weten_ wordt afgeleid door behoefte
+aan _liefde_, had hy eenige tientallen jaren ouder moeten wezen, en
+niet zelf de patient van dit zielkundig verschynsel. De lezer zal wel
+zoo goed zyn myne opmerkingen aftescheiden van Wouter's indrukken,
+en niet den natuuronderzoeker verwarren met den kikvorsch die dezen
+tot onderwerp diende van z'n galvanische proef. Wie te traag is om de
+analyse te volgen van 'n menschenhart, abonneere zich op de romans van
+Xavier de Montépin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken. Wie
+zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed, raad ik aan
+octrooi te verdienen op 't uitvinden van iets belangrykers. En wie,
+eindelyk, myn werk afkeurt als onvolledig, of myn slotsommen als
+onwaar... ik zal hem dankbaar zyn voor terechtwyzing. Maar in dat
+geval wenschte ik de blyken te zien van wat inspanning en studie,
+want dat kost het my ook... en nog iets.
+
+Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma's hart
+begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broêrs. Wanneer hy dàt
+had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden. Nu drukte Femke's
+snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid met de peruaansche historie,
+en hy vond ze schooner dan ooit. Deze indruk maakte hem welsprekender
+dan-i tot nog toe geweest was. Het werd hem nu een punt van eer,
+Femke's goede meening te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande
+van den verhaaltoon tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne
+personen sprekende in. Er was een _quousque tandem_ van teederheid in
+'t naspreken van Telasco's woorden:
+
+"Dochter der zonne, beslis! _Hy_ heeft u lief, Kusco, myn broeder, de
+edele Kusco. Is er een ree vlugger op 't gebergte, een jager zekerder
+van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru, vlugger, zekerder,
+heldhaftiger dan hy?
+
+"Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder,
+de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe
+hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om u te
+zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen bewogen zich
+als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den edelen Kusco!"
+
+"Niet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied, den
+verhevensten telg van de Inca's. Hy schreef uwen naam, o dochter der
+zon, met kunstigen knoop in z'n gordel en luid heeft hy dien naam
+geroepen in den stryd tegen de vyanden van Peru. Zy vloden op dien
+roep, als ware de beschermende zon zelve neergedaald, om de belagers
+van haar kinderen te verdelgen. Kies Telasco, den dapperen Telasco... o
+gy verhevene dochter van 't licht!"
+
+"Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik verslagen. _Hy_
+heeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid van 't land. Hy
+worstelde, streed en overwon in uwen naam...
+
+"Telasco _liet_ my de overwinning! Hy doodde z'n eerzucht in uwen
+naam...
+
+"Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten...
+
+"Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie...
+
+"Bedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven alles bemint,
+hem alleen...
+
+"Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde?
+
+Eindelyk sprak het meisje:
+
+"Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kàn niet kiezen,
+zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand beeft zoodra gy
+me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt evenzeer als zy den druk
+voelt van uwe hand. Myn hart siddert by de gevaren des oorlogs, als ik
+weet dat gy beiden vooraan staat in de reien der kinderen van de zon,
+en ik kàn niet beslissen hoe ik den pyl richten zou, die bestemd was
+één uwer te treffen... als ik veroordeeld was die richting te bepalen.
+
+"Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al 't wee en al de
+zaligheid van 'n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er in
+myn hart plaats voor 'n alles verterenden gloed, by 't inzuigen der
+goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden van Kusco
+begeleidt. Myn ziel leeft door 't genieten van uw beider bestaan. Uw
+beider namen hoor ik roepen door den tortel in 't geboomte, door den
+wind als ze suist of buldert. Uw beider naam staat me in liefelyke
+kronkeling geschreven op de vlakte van 't meer, in rangschikking
+van kleur op de blaadjes der bloemen, in gloeiend schrift op de zon
+zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons bestaan. En, Telasco, als
+ik neêrkniel naast den Inca, om met al de kinderen van Peru onzen
+god te bidden om zegen voor zyn land, dan was myn bede één zucht:
+uw naam! En, Kusco, by 't danken voor de zegeningen die de oorsprong
+van het licht schonk aan 't blinkend land van Peru, dankte ik, de
+dochter der Inca's, met dit ééne woord: Kusco!
+
+"Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kàn niet... ik
+kàn niet!"
+
+Aldus sprak de dochter der zon.
+
+Maar Telasco antwoordde:
+
+"De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt, Aztalpa...
+
+--Hé? Emma heette zy...
+
+--Neen, Aztalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen weergaf,
+ze heette Aztalpa. Telasco zeide:
+
+"De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy 't gebod der zon
+niet opvolgen?"
+
+"Laat my sterven, Telasco!"
+
+"Neen, _ik, ik_!... riepen beide broeders tegelyk ...
+
+"Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen."
+
+"Kies Telasco! riep Kusco.
+
+"Kies Kusco! riep Telasco.
+
+Maar het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-gelyk,
+en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden.
+
+Telasco bedacht zich.
+
+"Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor naar myn
+voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de vederen uwer
+pylen blauw, myn broeder? Zyn niet de myne rood? Hooraan! Morgen, voor
+'t verschynen der zon, zullen wy te-zamen uitgaan naar 't jachtveld. Wy
+zullen ons in het kreupelhout plaatsen... gy, honderd schreden voorby
+den boom die Aztalpa's naam draagt, door ons beiden gesneden in de
+schors. Ik, honderd schreden van deze zyde van dien boom. Daar zullen
+wy het uitzicht hebben op den heuvel, waarlangs 't wild vlucht, als
+het wordt opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op
+de eerste hinde die er opdaagt uit het woud. Als de vederen van den
+pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze. Als
+'t uw pyl is Kusco, die 't wild treft ... als de getroffen hinde _uw_
+kleur draagt...
+
+De beide broeders bedekten zich 't gelaat, als vreesden zy iets te
+zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien Telasco
+voorsloeg.
+
+"Ik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen voorslag
+aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een boodschap der
+goden. Ik neem aan, ik neem aan ... my zal zy kiezen, als de vederen
+blauw zyn! O stem toe, Aztalpa, beloof dat gy berusten zult in den
+uitslag van Telasco's voorstel!"
+
+"Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa! smeekte de andere broeder.
+
+En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar hart
+te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den volgenden
+dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit het woud.
+
+Den volgenden morgen vroeg, by 't eerste licht der zon, hoorde Telasco
+van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met trom, bekkens
+en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de kleine heuvel, waar
+gewoonlyk 't wild het geboomte verliet, als het schrikkend wegvlood
+voor 't gevaarspellend geraas. Zóó jaagde anders Telasco niet. Zóó
+was de buit te licht gewonnen, en zelfs kwam zoo'n jacht hem voor
+als verraad. En ook nu jaagde Telasco niet op die wyze, want zie,
+z'n pylkoker lag naast hem, en de hand die de boog moest spannen,
+ondersteunde het hoofd.
+
+Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch vatte z'n
+trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot misschieten, als
+de eerste hinde zich vertoonen zou. "Misschien heeft de opmerkzame
+Kusco myn pylen geteld, by 't samen uitgaan, dezen nacht." Zoo dacht
+hy, en maakte zich gereed tot zorg dat er één pyl zou ontbreken aan
+'t getal...
+
+Het gerucht kwam nader. Weldra zou...
+
+Daar vloog een hert, hooggeweid ... wilde buffels ... zwynen
+... bevallige gazellen ... méér herten, méér buffels ... zwynen
+weer ... o God, de hinde, de hinde ... daar was zy! Daar stond het
+verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de wisse
+schoten der beide jagers ... neen, ditmaal beschermd door Telasco's
+en Kusco's edelmoedigheid.
+
+Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z'n pyl met de oogen,
+maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hemzelf het
+hart doorboorde.
+
+En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z'n pyl in den grond,
+en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy daar zichzelf
+begroef.
+
+Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die ongedeerd
+verder vluchtte.
+
+"Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep Kusco,
+die wild te-voorschyn sprong.
+
+"Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebt _my_ misleid. Gy
+hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z'n broeder
+te-gemoet snelde.
+
+"Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco.
+
+En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden aan
+Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over misleiding.
+
+Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco's ziel. Hy zeide:
+
+"Wederom zullen wy ons, tegen den dageraad, plaatsen in het
+kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild opjagen
+naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de eerste hinde
+treft, Aztalpa's keuze bepalen, maar ... Telasco, zweer my dat gy
+schieten zult, ditmaal!
+
+"Ik zàl schieten! En gy, beloof my dat gy treffen zult.
+
+"Ik zàl treffen!
+
+"Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel om te
+raken en te dooden? Werkelyk, de eerste hinde? Waarlyk? Zult ge?"
+
+"Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?"
+
+"Kusco, ik beloof het u."
+
+Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den vorigen. Wel
+waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden op wild. Straks
+omklemde de linkerhand de slangenhouten boog. Duim en voorvinger van
+de rechter weerhielden den pyl tegen 't halfgespannen koord. Het oog
+staarde over den gestrekten duim, zich richtend langs de punt van de
+schicht naar de opening van het woud. O, lang vóór de hinde den top
+des heuvels bereikt had, zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog
+een bison snuivend uit de wildernis...zwynen...herten... een hinde...
+
+Doodelyk getroffen stortte 't arme dier neer...
+
+"Ik groet u, Inca van Peru!"
+
+Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn tredend
+uit het kreupelhout.
+
+"Gy hebt verwonnen, Kusco... 't was _uw_ pyl!
+
+"_De uwe, Telasco!_ 't Kàn de myne niet geweest zyn ... myn hand
+sidderde toen ik schoot.
+
+"Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde.
+
+"Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa!
+
+"Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon.
+
+"_Gy_, broeder!
+
+"_Gy!_"
+
+"Ik verzeker u dat _myn_ pyl...
+
+"'t Kàn de myne niet geweest zyn...
+
+"Den heuvel op!
+
+Dit laatste riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden zy
+naar de plek waar de hinde gevallen was...
+
+"Ik zie uwe kleur ... riep Kusco, nog op een afstand.
+
+"Onmogelyk broeder... de pylveêr is... blauw! En 't _moet_ blauw
+zyn, want...
+
+"Het _moet_ rood zyn, want...
+
+Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide broeders
+hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met verwisselde kleur.
+
+Want 's nachts was Kusco, voorzichtig als 'n misdadiger, geslopen in
+de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl geroofd uit den koker
+zyns broeders. En niet moeielyk was deze diefstal, want Telasco's
+legerstede was ledig. Er was niemand ter bewaking van de wapens,
+waarmeê hy niet wilde overwinnen...
+
+Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde? Telasco was
+ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om den blauwgeveêrden
+pyl te stelen, waarmeê hy Kusco wou maken tot Aztalpa's uitverkorene,
+tot Inca van Peru. Begryp je 't, Femke?
+
+--Ja ... maar...
+
+--Je moet altyd denken, 't was vèr van hier, en 't is lang
+geleden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd,
+en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de zon. Dit
+deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon antwoordde altyd hetzelfde:
+dat Aztalpa kiezen moest...
+
+--Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde?
+
+--Altyd. 't Staat zoo in 't boekje... 't was vèr, weetje. Nu, Aztalpa
+moest kiezen. Daar was niets, niets, niets tegen te doen. En toch
+wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde.
+
+Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide:
+
+"Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte. Gy wilt
+niet kiezen, Aztalpa... welnu, ge zult sterven...
+
+--O God, riep Femke...
+
+--Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal je
+zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat Aztalpa niet
+zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde legde hy haar uit, waarom:
+
+"Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid komen in
+'t land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat ge my kiest,
+omdat men weet hoe 't den goeden Kusco zou bedroeven, my verstooten
+te zien. En wie my liefheeft, vordert dat ge aan Kusco uwe hand
+reikt, wyl men beseft hoe 't my zou smarten, gelukkig te wezen by zyn
+wanhoop. Gy moet sterven, Aztalpa! Geen burgeroorlog mag 't gevolg zyn
+der verdeeldheid van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn
+tot den oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen
+de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweërlei toon in
+de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden opstygen,
+en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze lofliederen. Daar
+... daar ... daarboven, zyt ge ons beiden even naby, Aztalpa! Daar
+kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den oneindigen rykdom uwer
+bescherming. Gy zult Kusco antwoorden in 't ruischen der palmen, zonder
+dat ik te-vergeefs naar uw stem luister in de muziek van de zee. Hem
+en my zult ge verschynen in den droom... en myn arm zal niet slap
+nêervallen by de gedachte aan Kusco's verlatenheid, noch hy bedroefd
+zyn door 't besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor 'n liefde
+als de uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het,
+gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die 't wist dat gy
+noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verheffing tot geest,
+omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting van zoo veel gevoel.
+
+Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is geen
+plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor ons beiden
+op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel...
+
+Aldus sprak Telasco.
+
+Kusco zweeg.
+
+En Aztalpa zeide:
+
+"Broeders, ik ben bereid."
+
+En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het woud
+op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon. En daar was
+veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin Aztalpa zou
+opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze verbrand worden.
+
+Je weet, Femke, de rook gaat altyd naar boven. Dat is om optestygen,
+weetje?
+
+--Ja, antwoordde 't meisje, met 'n overtuiging als-of ze Velleda
+zelf was. Och, ze had 'r boekje vergeten, en was ontrouw aan al
+haar Heiligen.
+
+--O God, Wouter, 't doet me zeer! Moest Aztalpa nu waarlyk sterven? 't
+Was wreed van Telasco...
+
+--Wat zou jy gedaan hebben, Femke?
+
+--Ik zou, ik zou... ik weet het waarlyk niet, Wouter.
+
+--Zieje, 't was moeilyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen de beide
+broeders. Ze was in 't wit gekleed, en een witte sluier hing haar
+over 't gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men knielde. Aztalpa
+omhelsde haren vader, groette de menigte met de hand, en riep:
+
+"Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!"
+
+Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den
+brandstapel. Kusco's houding was gebogen, en zyn tred was
+wankelend. Maar Telasco scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa
+niet sterven zou...
+
+Een diepe ademhaling verluchtte Femke's gemoed. Met open mond staarde
+zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ontknooping opvangen met
+al de kracht van haar ziel.
+
+--Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het wist. Hy
+trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving... Kusco stond met de
+handen voor 't gelaat... Aztalpa kruiste de armen voor de borst...zy
+boog het hoofd...
+
+Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco:
+
+"Broeder... één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood ontvangen
+van Kusco's hand!"
+
+Telasco slingerde den dolk weg, en riep:
+
+"Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar staat uw
+Inca! Aztalpa, vaarwel!"
+
+Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco.
+
+Maar, toen deze z'n broeder zocht, was Telasco verdwenen. Men heeft
+hem nooit wedergezien. Vindje 't niet mooi, Femke?
+
+--Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco haar verzoek
+zou uitleggen, had ze 't niet gedaan. Maar de vertelling is mooi. Ik
+wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan?
+
+--Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, 't staat zoo
+in 't boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen stuiver om
+den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten. Och, Femke,
+ik wou zoo graag dat m'n vers al af was...
+
+--'t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets moeielyks
+te doen.
+
+--Neen, ik zal denken aan 't meisje. Goeden avend, Femke...
+
+Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z'n
+vertelling. En droomend van Aztalpa, die op 'n bleek paste, stapte hy
+door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en 't speet
+hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy verbeeldde
+zich dat hy nu by 't maanlicht, beter nog dan anders zou verteld
+hebben. Maar 't kon niet, om den stuiver, dien-i niet had.
+
+
+Wouter's _droom_.
+
+--Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht,
+en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat "die jongen"
+zelfs in den slaap z'n rust niet houden kon.
+
+Ziehier de oorzaak waarom Wouter z'n broeder Laurens zoo onheusch
+bejegende.
+
+
+DAAR ZAT EEN SLAPEND MEISJE IN 'T GRAS... OF 'T FEMKE WAS?
+
+ Wat stond zich de maan te vervelen,
+ Dien avend in 't luchtruim alleen!
+ De sterretjes waren verdwenen.
+ Omdat zy te flikkerend schéén.
+
+ Het is voor zoo'n maan niet pleizierig
+ Alleen aan den hemel te staan.
+ Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,
+ En helpt het humeur... naar de maan.
+
+ Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing,
+ En troostte wat smachtend gevoel,
+ En hielp een paar dichters aan verzen,
+ Maar bleef als die verzen zoo koel.
+
+ Zy straalde wat hoop in de harten,
+ En droogde in 't voorbygaan een traan,
+ Maar 't mooist wordt ten-laatste vervelend...
+ Ze had dit zoo vaak al gedaan.
+
+ Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde...
+ Vervelend was al wat ze zag.
+ "Och, riep zy, als dàt niet verandert,
+ "Dan neem ik als maan m'n ontslag.
+
+ "Ik sta als een gek te schynen,
+ "En schitter me kreupel en lam.
+ "Geen mensch die me 'r ooit voor bedankte,
+ "Of die er notitie van nam.
+
+ "Dat menschvolk is bitter ondankbaar!
+ "Voor 't zonnetje maakt men zich mooi,
+ "Háár opent men deuren en vensters...
+ Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.
+
+ "Men moest daar beneden bedenken
+ "Dat 'k nooit van m'n overvloed scheen.
+ Ikzelf sta in 't kryt by m'n zuster...
+ "Die leent me... sints Genesis één.
+
+ "'t Is drukkend--vooral aan famielje--
+ "Zoo'n schuld van 'n eeuw of wat licht!
+ "Ik schrik als de zon me komt manen,
+ "En bleek wordt m'n mane-gezicht."
+
+ Zoo pruilde op een avend het maantje,
+ En dit had de nachtwind verstaan.
+ Hy vond dat ze recht had tot treuren,
+ En was met haar droefheid begaan.
+
+ En suizend begon hy te jagen
+ Langs wegen en vaarten en wei:
+ "Hop ... hop ...al wat mee kan, aan 't dansen,
+ "Wy geven de maan een party!
+
+ "Hop, hop... in de rondte... naar boven...
+ "Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!"
+ Daar dansten de bladen in de ronde,
+ Of schuifelden voort in galop.
+
+ Daar knakten de takken der boomen,
+ En zeiden de stammen vaarwel,
+ En zwierden als dansende spoken,
+ En speelden een wonderlyk spel.
+
+ Daar vlogen de pannen der daken,
+ En namen hun deel aan het feest.
+ De schoorsteenen bogen deemoedig,
+ Als waren zy hoflui geweest.
+
+ De molens vergaten het malen,
+ En noodden de boomen ten dans,
+ En walsten met hunne beminden
+ Op hun muren en wallen en schans.
+
+ "Hop, hop... in de rondte... vooruit maar...
+ "Dien weg uit... omlaag by de poort...
+ "Wat 'n vischlucht!... om 't even... vooruit maar!
+ "Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!"
+
+_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_
+
+ Daar naderde joelend de bruiloft,
+ En huppelde om 't slapende kind.
+ Haar bleekgoed rees op van de zoden,
+ En danste op muziek van den wind.
+
+ Daar neigden de hemden potsierlyk,
+ En boden elkaêr hun manchet.
+ Daar danste een pudiek chemisetje
+ Met 'n onderbroek een menuet.
+
+ Daar lonkte de slaapmuts van passie,
+ En maakte haar pluimpje zoo mooi.
+ En drukte aan het fladderend jabootje
+ Heel sentimenteelig de plooi.
+
+ De zakdoeken werden zoo dartel,
+ En waagden zich boven hun stand,
+ En reikten aan nuffige kraagjes
+ Hun opengewerkten rand.
+
+ De slobkous, verliefd van complexie,
+ Maakte aan een fichutje de cour,
+ En sloot het verrukt in z'n knoopen,
+ En zuchtte zoo innig: bonjour!
+
+ Daar walste een bretel met een vestje,
+ Een kindersok met een servet,
+ En 't windje gaf lustig de maat aan,
+ En maakte geen eind aan de pret.
+
+ En warrelde vroolyk daartusschen,
+ En joeg alles rond op de baan ...
+ En suisde: "hop, hop ... à vos dames ...
+ "Wy geven een bal aan de maan!"
+
+_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_
+
+ En dichter en dichter gedrongen,
+ Sprong alles om 't slapende kind ...
+ Daar fladderden wild haar de lokken
+ Omhoog, op muziek van den wind ...
+
+ Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze!
+ En ylings ... de stoet nam haar meê,
+ En droeg haar ... o hemel ...
+
+
+--Femke ... Femke!
+
+--Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning,
+die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en
+halsboordjes, op weg was naar de maan ...
+
+Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen
+werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit
+hoofdstuk zoo dramatisch begint.
+
+Het "huis" Pieterse vergaderde voor Wouter's bed. Daar was de edele
+stamvrouw, gehuld in 't eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien
+neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar
+domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten
+de meisjes niet meer, na 't verhuizen. Truitje was Gertrude geworden,
+zoo goed als 'n ongekeurde vorstin van Hessen. Myntje heette nu Mina,
+en wie haar pleizier woû doen, sprak de _a_ uit als een _e._ Dat
+gaf zoo'n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond
+nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje
+heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.
+
+Hyzelf kwam ook voor 't licht, en verbaasde zelfs z'n moeder die
+zooveel van hem wachtte, door z'n deftigheid in gang en houding.
+
+--Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.
+
+--O, moeder, moeder ... Femke!
+
+--De jongen is gek, was 't eenstemmig oordeel der Pietersens.
+
+En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.
+
+--Ze zouden haar wegdragen ... al draaiende ... altyd in de rondte
+... en ze sloot zich aan den rook die opstygt ... opstygt ... dochter
+van de zon, beslis ... hier is Telasco ... neen, sterven zult gy niet,
+Emma, Aztalpa ... Femke, o god, blyf, blyf ... ik zal op de bleek
+passen ... ik zal de hinde schieten ... blyf, Femke, blyf ... een
+weduwnaar met god ... samen door de ivoren poort ... daar gaat ze
+weêr ... alléén ... omhoog ... Omikron, blyf!
+
+--Als we eens den dominee lieten roepen? vraagde de moeder,
+aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft
+... of beide.
+
+En voor 't eerst van z'n leven misschien, had Stoffel een goede
+gedachte:
+
+--Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig, is ... Wouter is ziek.
+
+Zoo was het. De arme jongen was aangetast door 'n
+zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer
+die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke
+terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter's gemoed. Maar dit
+kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van
+'t kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking
+nuttig. De dokter vertelde haar, tot 'r groote verbazing, dat men z'n
+kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er
+lucht, licht, leven, beweging, _genot_ noodig is tot ontwikkeling van
+ziel en lichaam. Dat _straffen_--met of zonder _Heer_ dan--niet te-pas
+komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding
+... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord
+had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter ...
+
+--Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i
+komt. Hy schryft z'n receppies met 'n gouwe pen, en z'n koetsier
+heeft een bruine beer om z'n hals ...
+
+Ja, juist! zoo'n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen
+die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden,
+dan zou 't gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal
+is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in
+'t geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En
+ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.
+
+--Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter
+er was. Ga 't haar eens zeggen, Sertrude ... dat Woutertje ziek is,
+meen ik ... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe ... zoo
+laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny ... er moet
+toch zout wezen ... en maak 'n praatje ... 't is niet om te praten,
+weetje ... je weet, ik hou niet van praterigheid ... 't is maar,
+weetje, om te weten of de menschen 't gezien hebben? En jy, Petró,
+denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want 't is
+m'n 'n man ... zoo'n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak
+... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet ... maar
+ik ben benieuwd of ze 't gezien hebben in de komeny.
+
+Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat
+jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter's ziekte. Er was iets
+voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur. _Alas, poor mankind!_
+
+
+
+
+
+
+_Weêr een avendje._
+
+--Maar, lieve jufvrouw Pieterse, hoe moet het nu met m'n oom? Jelui
+bent allemaal gevraagd, en ik heb 'm gezegd dat er een vers wezen zou.
+
+--Dat 's moeielyk, jufvrouw Laps. Je begrypt dat het wurm nu geen
+verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel? Als we 't hèm eens vroegen?
+
+--Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben ik
+geskandeliseerd.
+
+Stoffel werd uitgenoodigd Wouters plaats te vervullen. Hy had er
+veel tegen.
+
+--Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-kort
+doen aan 't respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met de jeugd,
+dan is respekt nummer een, en zoo'n vers...
+
+--Maar de jongens op je school hoeven 't niet te weten...
+
+--'t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet uwe zoo
+niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook verzen maakte
+... en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost, moeder ... en hy is
+me nog de helft schuldig in een kruik inkt. Zieje, moeder, dat komt
+er van. Ieder moet op z'n zaken passen. Zoo'n vers ... dat is goed en
+wel voor een jongetje als Wouter ... maar als men zelf onderwyzer is...
+
+--En meester Pennewip dan? vroeg jufvrouw Laps.
+
+--Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de
+bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip...
+
+--Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel!
+
+--Juist ... je hebt een vers van hem gelezen ... dat is ... dat
+komt... hoe zal ik 't je nu precies uitleggen, jufvrouw Laps. Je
+begrypt, by zoo'n vak als 't onderwys, heb je allerlei soort van
+dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik maar
+eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u, moeder?
+
+--Jawèl, jawèl, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou...
+
+--Amsterdam aan 't Y. Precies. En dan heb je weêr heel andere dingen,
+want jufvrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al zoo by dat
+onderwys te-pas komt. Een kruidenier mengt z'n suiker met wat anders,
+en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy 't pond moet verkoopen,
+om geen schaê te hebben, verbeeld je eens! En dan heb je nog de
+gezelschapsrekening, en de breuken, en de werkwoorden ... maar nu
+moet ik weg, anders slaan de jongens den boel stuk.
+
+Stoffel ging dien middag vroeger naar z'n school dan gewoonlyk, en liet
+jufvrouw Laps heel ongesticht achter. 't Mensch wou maar niet begrypen,
+hoe Madrid en die kruidenier met de breuken, hinderpalen konden wezen
+voor Stoffel's rymgenie of schoolmeestersfatsoen. Jufvrouw Pieterse
+praatte het goed, ik weet niet hoe, en ze stuurde jufvrouw Laps naar
+meester Pennewip zelf.
+
+De man zag vreemd op, by 't bezoek van het vertoornde zoogdier,
+maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling.
+
+--Tot welke klasse behoort uw oom, jufvrouw?
+
+--Wel ... tot de klasse van ... van ... meent u weer iets van
+oesterschelpen en eieren?
+
+--Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat ... ik
+bedoel ... op welke hoogte ... ik herzeg op welken trap ... als gy
+deze uitdrukking begrypt--het is eene beeldspraak, juffrouw--op welken
+trap dan van den ladder der maatschappy?
+
+--In de granen, meester. Meent u dat?
+
+--Dit is niet voldoende, jufvrouw Laps. Men kan in de granen zyn
+... als koekbakker ... als broodbakker ... als kleinhandelaar ... als
+groothandelaar ... als tusschenhandelaar ... en ook deze bedryven
+hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt
+ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman,--die door sommigen
+onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt, ofschoon anderen
+beweren ... doch dit zullen wy onbeslist laten--zeker is het, dat Jozef
+granen opkocht, en op den bovensten trap stond, want, jufvrouw Laps,
+wy lezen in _Genesis XLI_...
+
+--Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao's wagen, en droeg een witte zyden
+rok. Myn oom is fakter. Dat was m'n vader ook.
+
+--Zóó ... o ... o! Fakter ... ten-rechte gezegd: factor ... ei! Daarvan
+zegt _Genesis_ niets ... en ik weet niet met zekerheid of deze klasse
+van personen ...
+
+--Myn oom is wéwenaar ...
+
+--Ziet ge, daar hebt gy 't verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk dat
+Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den priester te On,
+en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote--of volgens sommigen,
+echt_genoot_--reeds overleden was, toen hy zich toelegde op den
+graanhandel. Dus jufvrouw Laps ... ik zou u raden, als 't u ernst is
+uwen oom te bezingen in een godsdienstig lied, u te begeven naar een
+myner leerlingen ... Klaasje van der Gracht.
+
+En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind vinden
+kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te scherp is, maar
+ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie, ik meen te weten dat
+hyzelf het gevraagde vers zou geleverd hebben, als jufvrouw Laps oom
+een wit kleed van den Koning had gekregen, of den Haag was doorgereden
+in een hofkoets. Maar 't bezingen van een "fakter" liet hy over aan
+'t genie van den _vliegenden theeketel_ in de Peperstraat. Dit was niet
+mooi van Pennewip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was
+gegooid door z'n broêrs? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren? Dat-i
+geen droom kon uitleggen? En dat men tegenwoordig geen scherpzinnigheid
+beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onderkoningschap?
+
+Hoe dit zy, jufvrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte
+kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid voelde door
+'t bezoek.
+
+Er werd plechtig besloten dat Klaasje dienzelfden avend nog het vers
+kant en klaar zou maken. Hy zou 't den volgenden ochtend by jufvrouw
+Laps komen opzeggen, en als 't waardig werd gekeurd de tolk te zyn
+van hare gevoelens jegens 'r oom, zou Klaas meêgenood worden op 't
+avendje. En, had z'n vader gezegd, dan zou hy 'n witten das om hebben,
+met 'n opstaand boordje.
+
+--ja, net als Jozef, zei jufvrouw Laps ... zoo zieje hoe de Schrift
+toch alles vooruit wist.
+
+En 't mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte
+overeenkomst te vinden tusschen Jozef's verheffing en de apotheose
+die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht dat ze
+een mantel in de hand hield.
+
+De _poëta laureatus_ meldde zich den volgenden morgen by haar aan,
+en dreunde z'n vers op. Wy zullen het later hooren, als het wordt
+voorgelezen op 't avendje dat ons wacht, maar voor-af moet ik melding
+maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize van de Pietersens
+plaats vond.
+
+Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter had rust
+voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van 't behangsel, en dwong
+zich die anders te rangschikken in zyne verbeelding. Hy liet ze over
+elkaêr springen, inëenvloeien. Hy zag er gezichten in ... personen
+... legers ... wolken ... och, alles leefde! Wel was 't vermoeiend,
+maar hy kon niet anders. En als-i zich omkeerde naar de muur-zy, was
+'t nog erger. De hieroglyfische krassen vertelden allerlei dingen
+die hy niet noodig had te weten, en overlaadden hem met onnoodige
+indrukken. Hy moest de oogen wel sluiten, maar vond geen rust. Het was
+hem, of-i werd meêgevoerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest
+deelnemen aan 't bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en
+warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd als om de
+afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te brengen, maar
+'t baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die muur, die bloemen,
+die dans, dat opnemen van Femke door den wervelwind ... zyne poging
+om haar vasttehouden ....
+
+Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeelding
+was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet konden
+dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde, om de maan
+wat op te beuren in haar eenzaamheid ... maar toch ...
+
+Schreiend riep hy zachtkens Femke's naam, zacht genoeg om niet te
+worden gehoord door zyne verwanten, luid genoeg om wat lucht te geven
+aan zyn beklemd gemoed ...
+
+--Wat is dat? ... riep hy op-eens, antwoordt ze? Is dát ook
+verbeelding?
+
+Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en 't was Femke's stem!
+
+--Ik _wil_ weten of ik droom, zeî 't kind, en hy richtte zich overeind
+in z'n bed. Dàt is een roode bloem ... daarnaast een zwarte ... ik
+heet Wouter ... Laurens is op 't letterzetten ... dit is alles juist
+... ik droom niet ...
+
+En hy luisterde weêr, en boog zich buiten de bedstede, en opende mond
+en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden ter-hulpe
+komen aan zyn gehoor ...
+
+--O God ... Femke's stem! Ja, ja, zy is het!
+
+Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van 't bed af, de deur uit, rolde de
+trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van 't bleekmeisje,
+dat in 't portaal beneden een harden stryd voerde met het gezin
+der Pietersens.
+
+Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche vertelling. Eerst
+meende zy dat het om 't prentje was, waarop Aztalpa de beide
+broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter's schoolmeesterlyke
+broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen afstand te doen van den
+almanak die zooveel schoons bevatte. En ook zonder dat prentje, Femke
+verlangde Wouter weêrtezien. Om z'n persoon kon 't niet wezen--zoo'n
+kind!--maar Wouter vertelde zoo aardig. En misschien vloeiden in
+'t hart van dat meisje Wouter's persoon in-een met de verhalen die
+hy deed. Analyseeren, verdeelen, is een hulpmiddel tot studie. _Qui
+bene distinguit, bene docet_, ja, en zelfs: _qui bene distinguit,
+bene discit_... dit alles is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy
+onderwees niet, en leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die
+niet studeert, en maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met
+allerlei aandoeningen door elkaêr, en liet het over aan dezen of
+genen professer in de ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes
+in elkander zaten, waarmeê Femke--die lieve karper!--zou rondzwemmen
+in den vyver van haar zestien jaren.
+
+--Leg 't goed in de zon, riep haar de moeder toe...
+
+En dit vertaalde Femke aldus: _zon_... _Peru..._
+Aztalpa... Kusco... Wouter!
+
+--Jaag de kinderen weg... ze gooien vuil op de bleek... Femke
+vertaalde: _moedig in den stryd tegen de vyanden van_ Peru... _hy de
+edelste telg der_ Inca's... Telasca... Wouter!
+
+Och... alles riep: Wouter!
+
+En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den tweeden,
+ongeduldig. Den derden, ongerust...
+
+--Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat 'n vers
+moest maken...
+
+--Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je 'm te vinden?
+
+Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet waar Wouter
+woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te erkennen. Er lag moed
+in haar voornemen om 't kind optesporen, welks woning zy niet wist,
+en die moed wilde zy verbergen. Waarom?
+
+Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy 't: _hoe mal!_ dat zoo
+vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is 'n eigenaardige _pudeur_ in
+liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy 't goede dat in ons is,
+en pronken liever met fouten. Dit is huichelary _à rebours_.
+
+Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het weinige geld
+mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers. Ze liep
+met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een winkel
+wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam ze terecht in
+de Hartestraat. De loop der straten die in 't eerste hoofdstuk der
+geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had geleid naar de aschpoort,
+voerde nu Femke van die poort naar den boekwinkel, waar we onzen
+held het eerst aantroffen. Minder beschroomd dan Wouter--Femke was
+ouder, had meer omgegaan met menschen, en dacht minder na--vraagde
+zy flinkweg den onvriendelyken man van den winkel: "om 't boek over
+die gravin met den sleep?"
+
+--Hé? Hoe is de titel?"
+
+--Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar 't is over een roover ... de
+Paus komt er ook in ... of eigenlyk ... och 't is my te doen om een
+jongetje dat gelezen heeft in zoo'n boek. Ik wilde u vragen waar dat
+jongetje woont ... en ik wil er graag voor betalen ...
+
+--Kom je my hier voor den gek houden? Denk je dat ik hier zit om
+jongetjes optezoeken.
+
+--Maar m'nheer, ik wil er voor betalen, zei 't meisje, en zy legde
+haar schat op de toonbank.
+
+--Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje!
+
+Nu werd Femke boos:
+
+--Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed ... dat laat ik me
+niet doen. Als je 't niet zeggen wilt, dan kun je 't laten ... maar
+ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent.
+
+En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps:
+
+--Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren?
+
+--Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben?
+
+--Ik vraag 't boek van den roover en Amalia, zei Femke.
+
+O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te vragen
+om-niet ... zy voelde zich _klant_ nu.
+
+--Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Rinaldini?
+
+--Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe, _asjeblieft_,
+help my...
+
+Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy verwaardigde zich
+optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen.
+
+Vry spoedig noemde hy Glorioso...
+
+--Dàt is het... juist, dàt is het! riep Femke verrukt.
+
+--Maar je moet pand geven, zei de man, terwyl hy op een trapje klom,
+om 't dierbaar boek te krygen.
+
+--Neen, neen ... ik heb 't boek niet noodig, ik wil maar weten waar
+het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo graag
+voor betalen!
+
+En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde niet,
+zei de man. "Hy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst doen, als men
+'t hem vrindelyk vraagde." Och, Femke zag er zoo lief uit, en ze had
+iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte.
+
+De man zag na in 't register, waar-i spoedig den naam vond dien Femke
+opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de woonplaats. Hy wees
+het haar, en wilde nu bovendien uitleggen, hoe zy den kortsten weg
+nemen kon....
+
+Femke was al de deur uit, en had zelfs vergeten, haar neêrgelegd
+geld meêtenemen. De man liep haar achterna om 't terug te geven,
+maar-i had moeite om 'r intehalen. Zoo liep ze!
+
+Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie Pieterse,
+verhuisd was "naar een fatsoenlyker buurt." 't Was nog al ver, maar
+'t meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens aangeland, werd
+ze ontvangen met een barsch "wat moet je?" van de jonge-jufvrouwen.
+
+--Och, jufvrouw, ik wilde weten hoe Wouter 't maakt?
+
+--Wie ben je?
+
+--Ik heet Femke, jufvrouw, en m'n moeder is een waschvrouw ... maar
+ik wou weten hoe 't met Wouter is?
+
+--Wat heb jy met Wouter te maken? vraagde nu jufvrouw Pieterse,
+die kwam aanloopen op 't gerucht.
+
+--Och jufvrouw ... wees 'r niet boos om ... ik wou 't zoo graag weten
+... en m'n moeder weet er van, dat ik hier ben om 't te vragen. Wouter
+heeft my verteld van Telasco, en van dat meisje dat sterven moest ... o
+god, jufvrouw, zeg me of hy ziek is ... ik kan er niet van slapen ...
+
+--Jy hebt niks te maken met Wouter ... je kunt heengaan ... ik zeg
+je nu dat je heen gaat ... ik houd niet van volk aan de deur ...
+
+--Om-godswil, jufvrouw! riep 't meisje, en wrong de handen.
+
+--De meid is mal! Duw 'r de deur uit, Trui, en gooi die toe ...
+
+Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myntje en Pietje maakten zich
+gereed haar bytestaan, maar 't moedig kind hield vol. Ze greep de
+leuning van de trap, en klemde zich vast.
+
+--Gooi 'r de deur uit, die brutale meid ...
+
+--O god, jufvrouw, ik ben niet brutaal ... och, ik zal terstond gaan
+... zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, jufvrouw, zeg me dat! Dan
+zal ik gaan ... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter ziek is, jufvrouw
+... en ... of ... hy ... sterven ... zal?
+
+Hier berstte 't kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen van
+de soort als waarmeê zy te-doen had, konden ongeroerd blyven, by
+'t aanzien van Femke's smart. Maar de jufvrouwen Pieterse hadden
+burgerlyke zielen.
+
+Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door adel. 't
+Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat komt niet in
+aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises naast elkaêr. De
+"heele fatsoenlyke menschen, die schoenen verkochten uit Parys"
+komen daar niet.
+
+--Ik ga niet, gilde Femke ... o god, ik ga _niet_! Ik _wil_ weten,
+of 't kind ziek is ...
+
+Men hoorde boven aan de trap een deur openen. Wouter vertoonde zich,
+rolde de trap af, viel als een bom op de strydenden, en daarna voor
+Femke's voeten in zwym.
+
+--Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes stonden
+roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem naar boven. Men
+wees haar Wouter's bed, en daar legde zy 't kind neer. Niemand had
+den moed haar te verjagen, toen ze zich neêrzette voor de legerstede,
+en als er op dat oogenblik had moeten gestemd worden over voorrecht,
+rang, gezag ... o, aller stemmen waren op Femke gevallen. Maar zyzelve
+wist niet dat ze groot was. Ze schreide, en mompelde: "Och, neem
+'t me niet kwalyk jufvrouw, maar ik kon er niet van slapen ... zoo
+dacht ik aan dat kind!"
+
+
+
+De avend is dáár, Leentje past op Wouter, en 't huis Pieterse is
+present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den
+salon op.
+
+--'t Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat
+wou ze eigenlyk, dat meisje?
+
+--Gut m'nheer ... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan
+Gertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ... een vreemd
+schepsel, zoo maar baasspelen in je huis ... en ik zeg al zoo tegen
+Mina! gooi 'r toch de deur uit ... en toe zei Petró ...
+
+--Nou ... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en
+toonde een blauwe plek aan de pols, waaruit _ik_ zou besluiten dat
+Femke háár had beet gehad.
+
+--Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal 't haar verleeren!
+
+--En _ik_, zei Mina.
+
+Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel
+meer. Maar zeker is 't, dat Femke's naam _nu_ niet zou getriumfeerd
+hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.
+
+--Een gemeene meid, m'nheer!
+
+--Een _heele_ gemeene meid!
+
+--O, zoo'n gemeene meid!
+
+--En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?
+
+--Ja, dat was moeielyk... ik zei...
+
+--Né moeder... _ik_ zei...
+
+--Né, _ik_!
+
+--Né, _ik_!
+
+Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor 't middelpunt
+der gebeurtenissen die 'r werden verhaald.
+
+--Ik wou wel 'ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei
+jufvrouw Laps. Ja, oom, er is 'n verrassing...
+
+'t Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar
+iemand anders, als zy iets te vertellen had.
+
+--Nu dan, wy zeiden ... ja wat zeiden we ook, Sertrude?
+
+--Moeder ... ik zei ... dat het schande was.
+
+--Ja dat heb ik ook gezeid. Nu ... toen vroeg dat schepsel koud water
+... en toen we 't niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de
+pomp ... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte ... en maakte
+een doek nat, en legde dien op Wouter's hoofd. Ik was ontdaan over
+zooveel brutaligheid. En ze huilde, of 't naar jongen was, m'nheer! Nu,
+'t kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen ... verbeelje, daar we
+by waren!
+
+Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!
+
+--En toen bleef ze nog wat zitten voor 't bed, en praatte met
+Wouter ...
+
+--Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw
+Laps. 't Is maar, weet u, oom, omdat we 'n verrassing hebben.
+
+--En eindelyk ging ze heen ... en ze liep als een prinses.
+
+--Net 'n prinses ... betuigden de meisjes, die niet wisten dat ze
+waarheid zeiden.
+
+--En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat
+zal mis wezen ...
+
+Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op ... och ja, de
+katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer
+in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Ze gevoelde dat de ster
+van haar discours verbleeken zou voor de zon van 't vers dat
+Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve
+katechiseermeesters er deftig uit! Wat 'n stap, wat 'n houding, wat
+'n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!
+
+--Myn heer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen
+op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ... van wien u
+wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen ... maar u
+begrypt wel ... als men vader is ... nu, alle zegen komt van boven!
+
+--Ja oom, er is een verrassing.
+
+--Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen
+heer ... op den heugelyken dag van zyn verjaren ... brengt ons in de
+stemming van den Psalmist ... en ik verheug my door de genade ... want
+mynheer ... alles komt van boven ... dat zal uwe ook wel weten.
+
+--Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er
+een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?
+
+--Ja, 't is frissies. Koud kan ik niet zeggen, 't Is wat je noemt
+... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen
+... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.
+
+--Och ja! riep 't heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te
+wezen. Verbeelje 't lot van een armen drommel die in dezen kring eens
+had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig
+was men 't eens, ditmaal.
+
+--Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing?
+
+--Ga je gang, nicht. Wat is het?
+
+--Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn
+zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet ... want hy is me te
+na ... maar 't is mooi, dat durf ik gerust zeggen. 't Is niet om te
+roemen ... alles komt van boven ... neen, roemen zal ik niet. Als ik
+roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.
+
+De dichter Klaas maakte z'n mondje klein, alsof-i met z'n lippen te
+drinken gaf aan een vogeltje.
+
+Hy sloeg de oogen neèr, en speelde met den ondersten knoop van z'n
+vest. Z'n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs
+in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op
+'n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op
+'n gebruikt servet... neen, op ongaar brood...
+
+Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke
+jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van
+de soort die ik bedoel, _adept-clowns_ in de kermistent des Heeren,
+_pierrots van de onanie_.
+
+--Dus, myn heer, 't is niet om te roemen ... haal 't maar voor den dag,
+Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen ... 't is mooi! Want ziet
+u, in de Schrift ...
+
+Klaas haalde z'n vers voor den dag.
+
+... in de Schrift wordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van
+weduwnaars ... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat
+doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol
+weduwen ...
+
+Klaas legde 't vers voor zich op tafel.
+
+... vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de
+weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.
+
+--Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw
+Laps.
+
+--Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer ... zeventig
+weduwen! Lees nu maar op, jongen!
+
+Klaas stroopte z'n armen op, streelde z'n boordjes, en begon:
+
+
+ Al de weduwen der Heilige Schrift
+ Worden hier tot een vers gezift;
+ Ter verblyding op 't verjaren
+ Van godzalige weduwnaren;
+ Juichend, bloeiend in den Heer,
+ Aan Jehovah lof en eer.
+
+
+--Dat is 't opschrift, lichtte de vader toe.
+
+--Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:
+
+
+ In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezen
+ Dat 'n weduw in 't huis van haar schoonvader moet wezen;
+ En Exodus XXII, ik zeg 't zonder vrees,
+ Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...
+
+
+--Merk op, myn heer, dat het vers en 't kapittel beide twee-en-twintig
+zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods
+wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!
+
+
+ Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren;
+ Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;
+ Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewis
+ Dat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;
+ Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons weten
+ Dat een weeuw zonder kinderen 't brood van haar vader mag eten;
+ En Numeri XXX, vers negen, wel geteld,
+ Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt;
+ In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...
+
+
+--Hé? vroeg jufvrouw Laps.
+
+--Ja, dat wil zeggen: _majesteit_, legde de Katechiseermeester
+uit. Luister maar verder, jufvrouw... 't is niet om te roemen... ik
+zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!
+
+
+ met geschreeuw,
+ Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw;
+ In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoord
+ Om alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;
+ Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezen
+ Hoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;
+ In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeld
+ Dat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op 't veld;
+ In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschreven
+ Dat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.
+ Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt 't voort:
+ Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort;
+ Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen,
+ In vers 19, dat men 't recht van de weduw niet mag buigen;
+ _Twee_ Samuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk van
+ Dat Davids bywyven leefden als weduwen, by 't leven van haar man...
+
+
+--By... _wat_? vraagde jufvrouw Pieterse.
+
+--Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet
+hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen...
+
+--De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en
+staan niet om-en-om.
+
+--Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester
+bent ... maar dàt kan _my_ nu niet schelen. Ik vind die by ... by
+... by ... hoe zal ik zeggen?
+
+--Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps.
+
+--Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort
+Klaas!
+
+--_Noen, zulke dingen wil ik niet hooren ... 't is om de meisjes._
+
+Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in
+zoo'n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn,
+en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands
+bywyf te willen worden.
+
+--Ga voort, Klaas!
+
+--Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden
+gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten ...
+
+--Maar, jufvrouw, 't staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten
+tegen 't woord des Heeren?
+
+--Né ... ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk
+is. Myn man ...
+
+--Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw ... maar uwe
+zal toch niet tegen de Schrift ...
+
+--Ik doe niets tegen de Schrift ... maar ik houd niet van
+gemeenigheid. Kom, Sertrude ...
+
+Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was
+zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger
+dingen uit die _Schrift_ geslikt, zonder de minste walging. Maar
+'t verhuizen van een zystraat naar 'n hoofdstraat ... en kinderen
+met fransche namen ... en 'n dokter met bont op z'n koetsier ... och,
+'t is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten
+samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg.
+
+Als ik nu 'n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te
+regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven,
+om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weêr terug viel
+in 't gemeene. De bybelwoede openbaart zich 't duidelykst by _groot_
+en _klein_ gemeen. De tusschenstand schrikt terug voor 'n naaktheid
+van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straatkansel- of hoftaal,
+maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens "fatsoen" _bewys_
+noodig heeft.
+
+
+
+Extra-fine-superior-water-colours ... warranted! _Oude en nieuwe
+prenten. Stoffelsche wyshedens._
+
+De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer. Toen
+hy zich sterk genoeg voelde om voor 't eerst het bed te verlaten,
+vond de familie dat-i "groot" geworden was. En wie dit niet zelf kon
+zien, zei 't den anderen na. Maar niemand scheen inniger van de zaak
+overtuigd dan juffrouw Pieterse. "De jongen was uit al z'n kleeren
+gegroeid, verzekerde zy, en 't zou heel wat _in_ hebben, hem weer
+fatsoenlyk voor den dag te doen komen!" Na van Wouters ziekte zooveel
+_wichtigkeit_ te hebben geoogst als maar eenigszins mogelyk was, begon
+'t mensch zich nu al toeteleggen op 't uitbuiten van de belangwekkende
+bereddering die er kon worden vastgeknoopt aan z'n beterschap.
+
+'t Kind zat prenten te kleuren, die hy met 'n verfdoos ten-geschenke
+had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch, had Stoffel
+gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond 'n woord op,
+dat niemand begrypen kon: _warranted!_ En ook de moeder hield zich
+overtuigd dat het wel "goed spul" wezen zou, omdat "zoo'n dokter toch
+'n heele man is!"
+
+Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i op
+weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had,
+dan de figuren die den huiselyken tegenspoed van _Jan de Wasscher_
+moesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt
+onbelangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot vermaak
+van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ontwikkeld zyn
+om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste. Maar kinderen
+staan te laag om 't dagelyksche te waardeeren. Sommigen myner lezers
+zouden waarschynlyk even als ik, veel geven willen voor 'n eenigszins
+volledige verzameling van de prenten waarop men in Wouter's tyd de
+kleine gemeente vergastte, en toch zuilen misschien slechts weinigen
+zich een der eigenaardigheden herinneren, waardoor die kunstgewrochten
+zich onderscheidden. Ze waren namelyk op allerzonderlingste wyze
+gekleurd. Op elk der twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo'n vel
+papier--dat in de kinderwereld _de_ prent heette--verdeeld was, had
+de smaakvolle fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder
+in 't minst acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen,
+noch op den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De
+rechter-bovenhoek van 'n huisjen op den linker-voorgrond, mocht mèt 'n
+stuk hemel en 'n paar helften van boomen of de bovenlyven van twee of
+drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing 'n roode of groene
+vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee koeien, 'n sloot, en
+'n heele kudde schapen met herder en al, in 't blauw. Zoo'n prent was
+"gekleurd" en kostte, dùs toegetakeld, in Wouters tyd twee duiten. Waar
+de finantieele krachten der kleine koopers zoover niet reikten, konden
+ze ook 'n halve bekomen, by welke gelegenheid het viertal plaatjes
+dat de middelste rei vormde, _sans façon_ werd doorgescheurd, en al
+zoo vry geschonden de wereld intrad. Maar dit scheen onze jeugdige
+kunstliefhebbers niet te deren. Een halve prent was hun 'n even
+bruikbaar voorwerp als 'n halve koek.
+
+'t Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo'n vandaalsche berusting
+ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in 't bezit gezien van
+wat beters, doch nooit van 'n schat als die hem nu van den goeden
+dokter was ten-deel gevallen. Z'n nieuwe prenten bestonden meerendeels
+uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had iets als smaak
+by 't kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich kon oefenen in 't
+schaduwen. De geheele familie vermaakte zich met de geschiedenissen die
+daarop waren voorgesteld. Men vond er _Genoveva, den verloren Zoon, de
+ridders van de ronde tafel, Ursyn en Valentyn, de vier Heemskinderen,
+gevechten tusschen Grieken en Turken, het overtrekken van den Balkan,
+den dood van Marco Bozzaris, 't beleg van Silistria, Salomo's Recht,
+de wyze en dwaze maagden, de geschiedenis der schoone Helena "princesse
+van het Oosten"_ en wat er al verder by zoo'n kollektie behoort.
+
+Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de personen
+uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy bezat de
+zeer nauwkeurig gekostumeerde afbeeldingen der figuren uit _Macbeth_,
+_Othello_, _Koning Lear_, _Hamlet_, _Tooverfluit_, _Barbier van
+Sevilla_, _Freyschütz_ en nog 'n tal van andere stukken, waarvan het
+een hem nog romantischer voorkwam dan het ander. En hy vermaakte
+zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van z'n helden
+en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche familie werd
+ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam. Gewoonlyk was men
+'t on-eens, maar dit zette de zaak gewicht by. In één opzicht slechts
+scheen de familie door 'n soort van H. Geest geleid te worden tot
+eenstemmigheid: gezichten en handen moesten vleeschkleurig zyn, en
+de lippen rood. Dit had men altyd zoo gezien, en bovendien ... waarom
+anders zou die verf _vleesch_kleur heeten? Hamlet voer er slecht by,
+en kreeg 'n welvarender tint dan by z'n melancholie paste.
+
+--Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk beduiden,
+klaagde Wouter.
+
+--Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z'n moeder. Wacht
+tot-i van z'n school komt.
+
+En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel
+van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol
+die we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de
+Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich
+de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestooten
+op 'n toon alsof er geurige wysheid van z'n lippen vloeide. Z'n
+heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op.
+
+--Wat al die poppen beduiden? Ja, zieje... 't zyn, om zoo te zeggen,
+de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu, by-voorbeeld,
+die daar... met 'n kroon op z'n hoofd, dat is 'n koning.
+
+--Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde
+de moeder.
+
+--Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i
+gedaan heeft?
+
+--Wel zei Stoffel, 't staat er onder. Je kunt toch lezen?
+
+--Macbeth?
+
+--Wel zeker! Dat is Macbeth, 'n beroemde koning uit den ouden tyd.
+
+--En die daar, met 'n zwaard in de hand?
+
+--Ook 'n koning... of 'n generaal... of 'n held... of zoo-iets. 't
+Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander
+de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies
+weten kan.
+
+--En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken.
+
+--Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje?
+
+--Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond?
+
+--Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen?
+
+Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.
+
+--Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan 'n mensch antwoorden kan.
+
+Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, 'n gelegenheid te
+zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit
+was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang
+inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen
+waren voorgesteld.
+
+De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld,
+en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had
+de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op
+'n woord dat-i niet vertalen kon--'t spreekt immers vanzelf, dat we
+hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?--toch was de hoofdzaak
+helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters
+fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide
+zich die fantazie niet.
+
+Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere
+leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, _niet_ zonderling? Ze blyft
+in-allen-geval opmerkelyk.
+
+Maar we willen nu liever dat gebrek aan _kritiek_, in Woutertje
+beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op 't laatste plaatje volkomen
+gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo
+lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van 'n woesteling als
+de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis
+jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke
+dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen
+zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag
+dit wel, en hy was er wel jaloers op...
+
+Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens,
+waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!
+
+Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo'n woestynleven
+opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid 'n plekjen optezoeken,
+waar 't ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar 't kwam hem niet in
+den zin, naar de herkomst van zoo'n garderobe te vragen. [17]
+
+De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. En _Salomo's Recht_ ook. Al
+had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek,
+van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier 'n bybelsche zaak
+gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere
+beschouwingen te plaatsen over 't Beleid der Justitie in Israël, zou
+in 't huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men
+nog heden in de meeste kringen z'n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter
+zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te
+vinden, en om niet te denken aan al 't ònrecht dat gewis niet uitblyven
+kòn, in 'n land waar 't Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.
+
+
+
+
+
+
+ Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. De
+ geest van _Femke_ komt manen, en wordt in die funktie
+ welwillend bygestaan door _Wouters_ neus. We staan voor 't
+ kleine te laag. Rehabilitatie van _Petrus. Ophelia_ zonder
+ vlekken... niet _warranted_ voor de toekomst. Beschouwingen
+ van _Stoffel_ en _Leentjen_ over dramatische kunst.
+
+
+Niets alzoo boeide onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige
+peinzende, tot opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen
+zy zich aan z'n verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen zou
+toespreken, en dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich reden wist
+te geven van z'n indrukken, kwamen die stomme beelden hem als spoken
+voor, die om zynentwil verschenen waren. Als geesten die hem iets te
+zeggen hadden, die hem kenden, en van hem wilden gekend zyn.
+
+Met huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken met de
+voorwerpen van z'n vereering, en al verstond-i de antwoorden niet,
+toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam gekleede personen
+schenen het niet beneden zich te achten, in aanraking te komen met
+het kind dat zich zoo nederig voelde in z'n katoenen nachtjapon, met
+'n "bakkertjen" op 't hoofd.
+
+Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde, stipt
+besloten binnen de grens van de gegevens waarover hy in z'n herinnering
+te beschikken had, al zou dan ook menigeen, indien Wouter overluid had
+durven denken, telkens hebben uitgeroepen: waar haalt de jongen 't
+vandaan? Och, hy rangschikte. En zelfs de onwillekeurigheid waarmee
+dit geschiedde, had hare niet moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe
+nauwer z'n omgeving, hoe wilder de sprongen die hy wel maken _moest_
+om de leedjes van z'n ziel uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op
+'t onbegrensd terrein dat hèm behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in
+'t breed domein dat-i bezig was te veroveren! O, die onverzadelyke
+Alexander Philipse in z'n nachtjurk!
+
+Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest zich
+vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met de weinige
+personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i
+beleefd had.
+
+De helden van z'n prenten bracht-i in aanraking met den dokter die hem
+zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z'n nog altyd niet
+vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche geschiedenis leverde
+eenige onderdanen aan z'n Ryk. Hy huwde Telasko uit aan de min van
+Juliet, en de priesters van de Zon kregen 'n schitterende _revanche_
+op Elias en _I Kon._ 18. Meester Pennewip ontving 'n splinternieuwe
+pruik, en wel van gouddraad, waartoe 't model werd ontleend aan den
+strooien krans van zekeren King Lear, die 'r heel verdrietig uitzag,
+en z'n leed scheen te willen verzetten door met 'n soort van arlekyn
+gehurkt in 'n hoekje te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen
+was zeker 'n nar, want: "narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter
+van den winter hooren, zoodra er sneeuw lag."
+
+Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden
+dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte
+hy gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag voorbygaan. Met
+zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen. Toch deed-i dit liever
+dan dat-i uit armoed aan bouwstoffen, zou hebben gebruik gemaakt van
+z'n onmiddellyke omgeving. Het scheen hem niet in den zin te komen,
+een van z'n verwanten te kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfs
+Lady Macbeth, die er toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk
+haar handen waschte, scheen hem van hooger natuur dan z'n moeder of
+jufvrouw Laps. Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op
+zoo'n prent te staan.
+
+En de kleeding! Kronen, diademen, _toques_ en beretten! Helmen met
+fladderende vlerken, met 'n bos pluimen, met yzeren tralies als 't
+venster van 'n gevangenis! Zwaarden en dolken met kruisgevest waarop
+men zweren kon! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels met afhangende
+_châtelaine-_keten... alles van goud zeker, en hy zou er dan ook braaf
+wat gittegom aan te-koste leggen! En wat aardige kereltjes waren die
+pages met 'n vogel op den kruk! Zelfs zoo'n vogel was byzonder, en
+gaf raadsels op. Want hy had 'n kapjen over z'n gezicht, als iemand
+die niet bekend wil zyn. Neen, neen, al die schoone zaken behoorden
+by Wouters omgeving niet! "Hoe is 't mogelyk, dacht-i, dat iemand
+die zulke prenten bezit, ze verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd."
+
+Al had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifiëerde voorstelling
+was van misdaad, dan nog zoud-i 't heiligschennis geacht hebben,
+haar in aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de draagsters
+eener deugd, die hem instinktmatig tegenstond door burgerlyke
+ordinairheid. De eerste, inbreuk op deze richting was door dien
+strookrans van Koning Lear veroorzaakt, en misschien zou 't daarby
+gebleven zyn, wanneer hy niet op een-maal in Ophelia's gestalte iets
+ontdekt had, dat hem herinnerde aan... Femke. Zóó ook zou zy kunnen
+staan, meende hy, bloemen vernielend, en de blaadjes om zich heen
+strooiende...
+
+Hy schrikte!
+
+Wel had-i 'n flauwe herinnering dat er gedurende z'n ziekte iets met
+het meisje was voorgevallen, maar 't rechte wist-i niet. Aztalpa's
+moeielyke keus... staande en liggende regels van 't vers dat-i niet had
+kunnen maken... de bons van z'n val, toen-i in z'n ziekte Femke's stem
+gehoord had... de wilde bruiloft van 't bleekgoed... pater Jansen met
+de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp herinnering. En hy
+nam zich dit kwalyk, als iemand die door slordigheid iets kostbaars
+liet verloren gaan of bederven. Hy trilde by 'n onbestemd gevoel,
+en spande zich in om terug te vatten wat ontglipt scheen aan z'n
+gemoed. Toen-i met 'n paar gemaakt-onverschillige woorden naar "dat
+meisje" gevraagd had...
+
+O, die kleine huichelaar! Waarom noemde hy 't lieve kind niet by haar
+naam? Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i 't goed meende. Men
+zou kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke's naam te liefelyk
+klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petró...
+
+Neen, neen, neen! Zóó is 't niet geweest. De besten onder ons hebben
+iets van Petrus, met z'n: ik ken dezen man niet! Juist de besten het
+meest. Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien verklaart
+dit het vertrouwen van Jezus op den apostel die hem verloochende.
+
+Och, de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen zal
+voor ik gereed ben, en me de konklusie afsnyden met 'n: dat spreekt
+vanzelf, ik heb 't nooit anders ingezien.
+
+
+
+Om Petrus te leeren begrypen, den moedigsten van Jezus' volgelingen,
+behoeft men zich slechts voortestellen dat er, vóór 't verraad, aan
+_Judas_ gevraagd was: zyt gy ook niet uit zyne discipelen? Judas zou
+waarachtig niet neen gezegd hebben! Een betuiging kost den laaghartige
+niets, maar den oprechte is zy 'n daad. Petrus was niet gereed voor
+'n offer, vooral omdat het gevorderd scheen zonder dat het op 'n offer
+geleek. Voorzeker zou hy z'n heer niet verloochend hebben, indien hem
+de vraag ware gedaan door gewapende en dreigende krygslieden. Hy had
+z'n karakter niet by-de-hand, omdat de ondervraging geschiedde door
+'n dienstmaagd, en... eens verloochend hebbende, struikelde hy over
+de geringe moeielykheid van 't terugkomen op z'n woord, hy die zich
+met moed en lust zou hebben teweer-gesteld tegen 't schrikkelykst
+gevaar. Waar 'n held zich klein toont, is 't by vergissing... het
+toonen niet, maar 't klein-voelen zelf. We kunnen dien toestand
+vergelyken by de penurie van den ryke die, ongewoon aan geringe
+geldelyke bezwaren, verzuimd heeft zich by zekere gelegenheid te
+voorzien van pasmunt.
+
+Wel jammer, dat die pasmunt zoo'n groote rol speelt in de wereld! En
+heel onbillyk, dat lieden die _gewoon_ zyn aan kopergeld, zich zoo
+vermeien in den nood van den millionair wanneer hy tengevolge van _hun_
+armoed, z'n bankpapier niet gewisseld kan krygen!
+
+
+
+Waarachtig, onze Wouter zou Femke niet verloochend hebben als men
+den dood gezet had op z'n... liefde! Nu, liefde was 't eigenlyk
+niet. Misschien ook was het dit wel, of iets er van. Maar dan moeten
+we 'n gansch ander woord zoeken voor de duizend-en-een aandoeningen
+die daarvoor in de wereld en litteratuur gewoonlyk worden aan de
+markt gebracht.
+
+Naar "dat meisjen" alzoo had-i gevraagd, 't Was al veel dat-i z'n
+lippen niet kon dwingen tot de uitdrukking: "die meid" gelyk volgens
+anderen de ware lezing was in de huisannalen der Pietersens.
+
+En men had hem afgescheept met 'n paar onverschillige woorden, die hem
+deden voelen dat er in die omgeving geen plaats was voor z'n roman,
+al stelde hyzelf die zoo byzonder hoog niet. Hy nam zich voor, Femke
+te bezoeken, zoodra hy 't huis zou kunnen verlaten, en klaagde aan
+z'n moeder, dat het "bakkertje" hem zoo kneep... omdat-i niet graag
+door Femke, als ze soms mocht voorbygaan, wou gezien worden met
+'n kinderachtige pluimmuts. Zoo'n ding paste niets by peruaansche
+brandstapels. En zelfs by "ivoren poorten" maakte het 'n ontwydend
+effekt.
+
+Al was er veel uitgesleten van de indrukken die hem overweldigden,
+en neerwierpen op 't ziekbed, toch was-i braaf genoeg om iets als
+zelfverwyt te voelen dat-i zich zoo lang had bezig gehouden òf met
+niets, òf met iets anders dan 't meisje dat hem zoo'n hartelyken
+zoen gaf, toen-i dapper geweest was. Dat wegwerpen van vernielde
+bloemen door Ophelia, had wel iets van: zie Wouter, zóó hebje met my
+gedaan! Waren we niet afgesproken dat...
+
+Wel neen, afgesproken was er niets. Toch kwam 't Wouter voor, dat-i
+'n woordbreker was en 'n gloed van schaamte overtoog z'n gelaat.
+
+Die Ophelia... ja, ja, ze wàs het! Want zie, daar kwam Petrò met
+'n bak hemden en sokken en allerlei ondergoed, dat zich in een der
+talryke stadiën bevond, die men 't vuillinnen laat doorloopen, voor
+'t geschikt is om weer op-nieuw vuil gemaakt te worden. Wasschen,
+spoelen, styven, rekken, mangelen, stryken... weet ik het! Het zoodje
+rook naar loog... zóó'n lucht was er ook by Femke's bleekgoed, en
+alzoo riep Wouter's neus hem toe: ja, ja, zy is 't wel, zy, de dame
+met de uit elkaar gereten bloempjes... de heele kamer ruikt er na!
+
+--Als je beter bent moet je-n-eens naar den dokter gaan, zei de moeder,
+en hem bedanken voor je beterschap... naast God. En me dunkt dat je
+'m dan met-een wel 'ns kon laten zien wat je al zoo gekleurd hebt.
+
+--Ja zeker, moeder, dàt zal ik doen! Ik zal haar den heelen prins
+van Denemarken geven... ik meen... hem, den dokter!
+
+--Ga je gang, jongen. Maar zorg dan, dat je 'r geen vlekken op
+maakt. En denk er aan, dat die geest van den ouden ridder heel bleek
+moet zien. Stoffel heeft het gezegd... omdat het 'n geest is, weetje.
+
+--Ja, moeder. Ik zal 'm heelemaal wit maken.
+
+--Goed. En als je nu eens die dame daar in 't geel zette?
+
+De moeder wees met 'n breipen op Ophelia.
+
+--Neen, o neen, riep Wouter snel. Ze was in 't blauw!
+
+--Ze was? Wie was?
+
+--Ik meen maar, moeder, dat ik al zoo veel gelen heb. En daarom wou
+ik haar... deze... die--Ophelia heet ze, 't staat er onder--nu eens
+blauw maken. De dame die 'r handen wascht, kan dan weer geel zyn?
+
+--My wel, zei de moeder. Als je maar zorgt dat er geen vlekken
+op komen.
+
+De ontwikkelde lezer weet dat Lady Macbeth tamelyk bevlekt was,
+lang voor ze in prent werd gezet. Maar Ophelia's beeld is rein uit
+Wouters handen gekomen. Wat daarmee later geschiedde...
+
+Helaas!
+
+Ik zal nog veel moeten toenemen in menschkunde en schryftalent, voor
+ik dàt behoorlyk schetsen kan. Maar ik zal m'n best doen. Gelukkig
+dat we nog in lang zoo ver niet zyn. Er is ruim tyd tot oefening.
+
+
+
+De slimme Stoffel was te weten gekomen wat dat dan toch eigenlyk
+voor prenten waren. Hy hing 'n tafereel op van zaken die, hoe bekend
+ook in andere kringen, door de Kinderen-Pietersens voor nieuw werden
+aangezien. Een van Stoffels kollegaas was verwant aan de tooneelwereld,
+en had hem verhaald dat zulke afbeeldingen van kostumes 'n groote rol
+spelen onder de behoeften van akteurs. By deze zelfde gelegenheid
+vernam men nu een-en-ander over de stukken waaraan Wouters prenten
+ontleend waren, en over tooneelspelen in 't algemeen.
+
+'t Was voor Wouter 'n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze
+kennis in 't huis bracht. Van elken anderen kant gekomen, ware ze
+misschien afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nageplozen
+als iets verdachts. De woorden "tooneel" en "schouwburg" hebben nog
+thans in de ooren van velen 'n zeer onzedelyken klank, en dat was
+'n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegenwoordig. Maar
+'t genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel tot gunstiger
+voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met
+de bekrompenheid die by hem de funktien van 't geweten vervulde.
+
+--Zie je, moeder, er is komedie en komedie. Uwe moet onderscheid maken
+tusschen 'n treurspel en... de vertooning van allerlei gekheid, waaruit
+'n mensch niets leeren kan. Er zyn van die komedies, die... heel
+treurig zyn, en de menschen huilen er van... heele deftige menschen.
+
+--Gut, zei jufvrouw Pieterse.
+
+--Ja, moeder! En dan zyn er weer andere stukken waar ze by zingen
+en muziek maken, en dat kan ook heel mooi en zedelyk wezen, en dat
+noemen ze dan by voorbeeld... 'n _opera_. En heel veel fatsoenlyke
+menschen gaan er heen. Uwe ziet, moeder, dat daarin niets onzedelyks
+is, en dat men niet zoo bekrompen moet zyn, en alles zoo terstond
+afkeuren. By de oude Grieken speelden ze ook komedie, en daarin
+studeeren nog tegenwoordig onze eerste professers.
+
+--Is 't mogelyk!
+
+--Ja, moeder. Al die prenten van Wouter zyn genomen uit wezenlyke
+stukken, en 't zyn heele geschiedenissen. Ik kan nu zoo op-eenmaal
+niet alles vertellen, en wil maar zeggen dat er ook goede komedies zyn.
+
+--Dàt moet ie dan toch eens aan juffrouw Laps vertellen! Zy, zegt
+altyd...
+
+--Wat _zy_ zegt! 't Mensch heeft nooit 'n komedie gezien.
+
+Dit was wel waar, maar de heele Pietersens-familie was op dit stuk
+geen haar breed verder. Slechts Leentje misschien...
+
+--Daar heb je 't! riep de moeder. Ze zal dien donderdag avend in
+de komedie geweest zyn... want het was 'n donderdag... zoo zieje,
+hoe dan toch _obboedekon_ alles aan den dag komt! [18]
+
+Een geheimzinnige zaak nu was 't geweest, dat Leentjen eens 'n
+achtermiddag verlof had gevraagd wegens "schrikkelyke hoofdpyn"--by
+burgerluî is elke pyn terstond _schrikkelyk_--en... er was later
+gebleken dat ze den avend van dien dag niet by haar moeder thuis was
+gebleven. Den storm die hierdoor werd opgewekt, kan ik overslaan, omdat
+de goede Virgilius dien voor my beschreven heeft: _quos ego_... en
+_ite, deae pelagi_! Gut, wat de tritons zich weerden... Trui, Mine,
+Petró! En Aeolus, de brave Stoffel! Alles blaasde braafheid, en
+'t Ryk der ondeugd sidderde.
+
+--Als 't schepsel dan in-godsheerennaam maar zeggen wou waar ze
+geweest was, kermde de moeder. Ik kan toch geen _sichetten_ over den
+vloer houden, die den nacht hebben doorgebracht... god weet waar!
+
+Den nacht? Dit stond juffrouw Pieterse heel leelyk! Die vervloekte
+liefdeloosheid der hyperbolen! Den nacht?
+
+Ze wist beter dan gy en ik, lezer--want ze had het van Leentje's
+moeder, die er niet om jokken zou--dat de stumpert "heel bedaard
+zoo tegen elven was thuis gekomen onder begeleiding van de
+kleermakers-juffrouw van hier-naast."
+
+Den nacht? Den nacht?
+
+Wàt toch, om 's hemels wil had de onbehagelyke Leentje met haar nachten
+kunnen uitvoeren? 't Viel het onnoozel meiske reeds moeielyk genoeg,
+niet groots te worden op de hoogdravende verdenking. Ach, wat had er
+veel anders moeten zyn, voor ze 'r aan denken kon iets te gebruiken van
+de massa deugd die by haar braak lag! En dat wist juffrouw Pieterse ook
+wel. Ze schoof dien problematischen nacht maar tusschen de dithyramben
+van haar verontwaardiging, om de delinkwente te dwingen tot bekentenis.
+
+Maar Leentje was taai en verklapte niets. Ze had geheimhouding beloofd
+aan de kleermakers-juffrouw, die zich "zoo in-acht moest nemen voor
+de menschen, omdat haar man 'n _nieuwlichter_ was."
+
+Deze zaak was verheven tot rang van mysterie. En de belangstelling nam
+toe, toen men in Leentje's naaidoosjen 'n afgescheurd stuk vond van
+'n "personen-" lystje. Ook had men Leentje betrapt op 't neurien van
+'n lied dat voor 't eerst uit haar mond gehoord werd, en duidelyk
+heenwees op onbekende relatien. Het was de roerende aria: "'k bèn
+vol eer, 'k bèn vol eer, ziet ik ben d'r 'n man vol eer!"
+
+En nu eindelyk was, na Stoffels bekeering tot het tooneel, 't plechtig
+oogenblik aangebroken, waarop al die duisternissen zouden worden
+opgehelderd. Leentje werd geroepen, en viel door de mand.
+
+Ach ja, ze had "de komedie" bezocht, en wel die van den befaamden
+Jan Gras, den toenmaligen Apollo van de _Elandstraat_.
+
+Ik ben daar nooit geweest, maar wel herinner ik me, met welken eerbied
+ik sommige schoolmakkertjes aanzag, die over dien tempel der Muzen
+wisten meetespreken.
+
+'t Spreekt vanzelf dat Leentje begon te schreien. Ze meende iets zeer
+verschrikkelyks geopenbaard te hebben en wilde juist beloven dat ze
+'t nooit weer zou doen, toen ze tot haar verwondering vernam "dat er
+volstrekt geen kwaad stak in zoo'n uitspanning, en dat de grootste
+professers wel eens daarheen gingen...
+
+--Né, moeder, dàt heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat onze Grieksche
+professers...
+
+--Nu, dat's hetzelfde, riep juffrouw Pieterse. Ik bedoel maar dat 'n
+mensch zich wel eens veramuseeren mag. En zeg me nu eens _fransiman_
+wat je daar zoo al gezien hebt.
+
+Leentjen aan 't vertellen. Wouter legde z'n penseel neer. Petrò's
+strykyzer werd er koud van. Ook Stoffel luisterde, en wel met de
+eigenaardige uitdrukking van iemand die heel nieuwsgierig is, doch niet
+wil laten merken dat-i wat nieuws hoort. By elke zinsnede uit Leentjes
+mond, zette hy 'n gezicht alsof-i zelf dat even goed zou hebben
+kunnen vertellen, als-i 't maar niet zoo druk gehad had met z'n pyp,
+en hy keek z'n moeder aan met blikken die haar sommeerden te erkennen
+dat-i dit alles vooruit had geweten. De wereld is vol Stoffels.
+
+Het spreekt vanzelf dat Leentjen en de kleermakers-juffrouw waren
+onthaald geworden op "De Onechte Zoon" van Kotzebue. Hoogstens was er
+kans geweest dat ze "_Menschenhaat en Berouw_" of "_De dood van Rolla_"
+als eersteling plukte op den akker van haar tooneel-ondervinding. Maar
+die "_Onechte Zoon_" gaat voor. Er is meestal 'n hysterisch element in
+de uitspattingen van burgerlyke styfheid, en de kleermakers-juffrouw
+die aan nieuwlichtery getrouwd was, en sedert jaren op den sprong stond
+eens van de wereld te snoepen, had geen weerstand kunnen bieden aan
+de aanlokkelyke onechtheid van dezen titel. Kotzebue was 'n _faiseur_
+die z'n zaak verstond. Geen van z'n stukken maakte dan ook zooveel
+opgang als dat fameuse "_Kind der Liebe_." Of deze benaming aanduidt
+dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten beschouwen als
+voortbrengsels van haat of onverschilligheid, durf ik niet beslissen.
+
+Ziehier iets van Leentje's verhaal.
+
+--Eerst was er muziek, juffrouw, en ze speelden heel mooi, en toen
+'t scherm opging was er 'n groot bosch, en 'n vrouw zat te huilen
+onder 'n boom, en er was 'n baron die haar zoon gevangen nam omdat-i
+'n jager was, en toen moest-i in de gevangenis, en hy heeft toen
+heel mooi gesproken, en de moeder ook, maar de baron zei dat-i heer
+en meester op z'n land was, en de gauwdieven straffen zou, en hy was
+woedend van kwaadheid, en toen zei de moeder... neen, er kwam 'n ander
+die zei... neen, zoo was 't ook niet, maar toen viel de gordyn weer,
+en de kleermakers-juffrouw kocht wafelen die rondgeprezenteerd werden
+in de zaal door arme jongetjes, en we hebben chocolaad gedronken,
+omdat de kleermakers-juffrouw zei dat 't alle dagen geen kermis
+was. En er zat 'n heer achter ons, die alles uitlei, en die de kopjes
+van ons aannam toen ze leeg waren. Ook zeid-i dat de menschen hier
+zoo mooi speelden, en dat er maar één komedie van Jan Gras was,
+en de kleermakers-juffrouw heeft 'm 'n pepermuntje geprezenteerd,
+maar hy zei dat we-n-'ns moesten kyken naar 't scherm, omdat daarop
+allerlei geschilderd was, groote beelden in 'n wolk, en bloemen, en
+'n man die op 'n instrument speelde, en er vlogen engeltjes om-heen
+... snoepig! En de muzikanten speelden weer, maar begryp nu eens wàt,
+juffrouw? Ze speelden: _mooie meissies, mooie bloemen_...
+
+--Foei, riepen de drie gratiën. Zoo'n gemeene straatdeun! [19]
+
+
+
+
+
+
+ Vervolg: _Onechte Zoon_, gekompliceerd met 'n _echt_ zilveren
+ doosje, _onechte_ eerlykheid, _echte_ naïveteit van _Leentje,
+ onechte_ bravigheid der juffrouwen _Pieterse_.
+
+
+--En toen ging de gordyn weer omhoog, juffrouw, heelemaal vanzelf,
+maar de heer die achter ons zat, zei dat het gedaan werd door menschen
+die men niet zien kon, misschien wel door den onechten zoon, want
+zeid-i, zoolang de gordyn neer was, zat-i niet in de gevangenis,
+en mocht heen-en-weer loopen net als 'n ander. En toen prezenteerde
+de kleermakers-juffrouw hem weer 'n pepermentje, maar hy zei: "kyk
+nu liever naar 't stuk, juffrouw, want je bent hier nu eenmaal voor
+je geld." We hadden twaalf stuivers betaald ... twaalf stuivers de
+man, weet u, buiten de wafels en de chocola. En toen zei de baron
+... och, uwe begrypt, ik kan alles nu zoo precies niet vertellen. Ik
+wil maar zeggen dat die oude vrouw gedurig huilde, en niet tot
+bedaren komen kon, omdat ze zoo ongelukkig was. Want, juffrouw,
+begryp eens, die onechte zoon was haar eigen zoon, en hy was ook
+'n onechte zoon van dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee
+inzaten ... omdat-i 'n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht
+kon. En papieren had-i ook niet, en de moeder ook niet. En daarom
+zoud-i nu sterven ... omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut,
+het was zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we
+namen nog 'n wafel. En toen zei die heer achter ons, dat er altyd
+zooveel slecht volk in de zaal was ... zakkenrollers, weet u? En 't
+was heel goed, zeid-i, dat men stukken speelde met 'n gevangenis er
+in, om de menschen te waarschuwen tegen slechtigheid. Want, zeid-i,
+eerlyk duurt het langst. En toen wou juist de kleermakers-juffrouw
+hem weer 'n pepermentje prezenteeren, maar ... och, ze schrok zoo,
+want haar doosje was weg. En we zochten in onze zakken, en op den
+grond, en in onze stoven, en we zochten overal, want ze had het van
+haar peetemoei ... en dus, uwe kunt begrypen hoe 't mensch ontdaan
+was. En we vroegen aan den heer achter ons, of hy ons ook zeggen
+kon wie 't gedaan had? En hy vroeg of 't doosje van zilver was? Ja,
+zei de kleermakers-juffrouw, 't was van echt zilver, en ... dat ze
+'t van 'r peetemoei had. En toen vroeg-i of 't glad of geribd was? En
+de juffrouw zei dat het geribd was. En toen zeid-i dadelyk dat het dan
+zeker gestolen was door 'n zakkenroller, maar hy kon niet zeggen door
+wien, omdat er zoovéél in de zaal waren, zeid-i. Maar anders... 't
+was zeker door 'n zakkenroller gedaan.
+
+--Hyzelf kan 't wel gedaan hebben! riepen 'n paar toehoorsters.
+
+Leentje was verontwaardigd, en wees die verdenking met drift terug.
+
+--Neen, juffrouw Sertrude, zeg uwe zoo-iets niet! Dat's zonde! 't Was
+'n allerfatsoenlykste man, dat kan _ik_ u zeggen! Den heelen avend
+is er geen onvertogen woord over z'n lippen gekomen en hy noemde my
+"juffrouw" zoo goed als de kleermakers-juffrouw zelf! En hy is zelf
+opgestaan om den dief te zoeken, en hy vroeg waar de juffrouw woonde,
+en als-i 't doosje vond, zeid-i, zoud-i 't haar terugbrengen. Hy had
+'n wit piqué vest aan, met paarse bloempjes... och, hoe kan uwe zoo
+iets zeggen!
+
+--Nou, ga maar voort met je _Onechte Zoon_, eischte het Publiek.
+
+--Gut, juffrouw, de muziek was zoo mooi! En als ze speelden, was er
+'n heer, die met 'n stok wees hoe de wys was. Maar er werden veel wyzen
+gespeeld, die ik nooit heb hooren zingen, en dus niet navertellen kan.
+
+--Maar vertel dan toch van 't stuk!
+
+--Ja, ziet u, dat 's zoo makkelyk niet! 't Was heel mooi, maar er zyn
+zoo van die dingen die men zelf moet gezien hebben om ze te begrypen,
+want ik kan niet alles zoo nadoen. De baron merkte dat die jager
+in de gevangenis z'n eigen zoon was, omdat-i eens... in vroeger
+tyd... kennis had gehad... weet u...
+
+Er heerschte 'n sterke spanning onder Leentjes auditorium. Al de
+hoorders hygden naar de door den titel beloofde onechtheid, en Leentje
+wist geen raad met 'r vertelling. Ze werd vuurrood.
+
+--Hy had die oude vrouw vroeger gekend, en toen was-i met haar
+in... konversatie geweest, zal ik nou maar zoo 'reis zeggen,
+en ze zouden getrouwd zyn, maar... er was iets tusschenbeide
+gekomen... en... daarom heet het stuk de _Onechte Zoon_...
+
+Wouter luisterde met evenveel inspanning als de anderen, maar z'n
+verbeelding was rustiger. De beurt was nu aan de meisjes om de teugels
+lostelaten van háár fantazie. Ze keken voor zich. De nuchtere Stoffel
+kende 'n paar boekenfrazen van-buiten, die hy hier te-pas bracht.
+
+--Juist! Hy had hare onschuld misbruikt--zoo wordt zulks genoemd--en
+daarna haar ten-prooi gelaten aan de schande. Ik kan u niet genoeg
+zeggen, moeder, hoe de jeugd zich daarvoor moet in-acht nemen. Ik zeg
+'t de jongens alle dagen op m'n school...
+
+--Hoorje 't, Wouter? Let daar 'ns goed op, en onthoud wat Stoffel zegt.
+
+Toen Stoffel merkte dat z'n kommentaar in den smaak viel, ging
+hy voort:
+
+--Juist, moeder! De deugd moet geëerd worden. Dat is Gods wil, en wat
+God doet, is welgedaan. Onder alle zonden is de wellust... 'n zeer
+groote zonde, omdat God het verboden heeft, en omdat alle zonde hier
+of hier-namaals gestraft wordt...
+
+--Hoorje 't, Wouter?
+
+--Hier of hier-namaals, moeder! Gepaste vreugd màg wel, maar
+ongeoorloofd zingenot is... niet geoorloofd. Dat rukt alle banden
+van de menschelyke Maatschappy... uwe ziet wel, dat zoo'n komedie
+heel mooi wezen kan, als men 't maar goed opvat, en alles behoorlyk
+weet uitteleggen. Dàt is het maar!
+
+--En hoe liep het toen af met dien baron?
+
+--Wat zal ik u daarvan zeggen, juffrouw! Hy heeft veel gesproken,
+en was erg bedroefd omdat hy eens... die oude vrouw...
+
+--Verleid had, viel Stoffel hulpvaardig in, daar Leentje 't ware woord
+niet vinden kon, of niet noemen durfde. Men noemt zulks verleiden.
+
+--Ja juist, zoo zei dat mensch ook. En hy beloofde haar dat-i 'r nooit
+weer zoo-iets zou aandoen. En toen zeid-i tot den onechten zoon,
+dat men altyd op 't pad van de deugd moet blyven, en dat-i met die
+oude vrouw trouwen zou. Ze was er erg mee tevreden.
+
+--Dat geloof ik, riepen de drie meisjes, als uit één mond, en met
+'n snelheid die verklapte waar eigenlyk 't zwaartepunt ligt van
+sommige zedelykhedens. Dàt geloof ik graag, riepen ze, toen werd ze
+'n ryke barones!
+
+--Ja, zei Leentje, ze werd 'n groote dame. En de onechte zoon
+viel den baron om den hals, en toen speelden ze 't "_Kamertje van
+'n Waschmeisje_" en de zoon was huzaar, en zong: "_'k bèn vol eer,
+'k ben vol eer, zie ik ben d'r 'n man vol eer!_ Maar waar de oude
+baron gebleven is, weet ik niet. En toen zyn we naar huis gegaan,
+maar de kleermakers-juffrouw had geen pleizier meer, omdat ze haar
+doosje kwyt was. Of die heer 't haar nog thuis gebracht heeft, zou
+ik de juffrouw niet kunnen zeggen.
+
+Hier was de vertelling uit.
+
+De meisjes dachten: barones!
+
+Stoffel: de deugd!
+
+De moeder: twaalf stuivers "de man" buiten wafels en chocolade!
+
+Wouter: die jager! ik zou wel zoo'n jager willen zyn in een bosch... in
+'n heel groot bosch... heelemaal alleen...
+
+Hy nam z'n penseel op, en zag Ophelia aan:
+
+...heelemaal alleen in 'n groot bosch, met... Femke!
+
+Zoo had ieder z'n byzondere indrukken, die niet alleen onderling
+verschilden, maar ook in dezelfde persoon telkens verwisselden
+van kleur. Kotzebue zou vreemd hebben opgezien, als-i Leentje's
+verhaal gehoord had. Vreemder nog, wanneer hy had kunnen weten wat
+het achterliet in de gemoederen van haar hoorders. Deze verwondering
+zou trouwens het deel zyn van èlken kunstenaar, die 'n blik sloeg
+in de gemoederen van z'n publiek. Gelukkig ditmaal dat er aan
+Kotzebue's fabrikaat niet veel te bederven viel. Of de uitwerking
+van z'n effektstuk op de gemoederen van Leentje's auditorium ook zoo
+onschuldig was, zou ik niet durven verzekeren. De meisjes berekenden
+dat het "verleiden" op zichzelf nu juist zoo heel erg niet wezen zou,
+als men maar zeker was dat zoo'n baron... tenlaatste... en niet àl
+te laat...
+
+Er zou, meenden zy, 'n niet onaardige _carrière_ te vervaardigen
+zyn uit 'n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen. 't
+Mutsenmaken was er niets by.
+
+Petrò vroeg met gemaakte onverschilligheid, hoe oud de huilende vrouw
+zoo ongeveer kon geweest zyn, en voelde zich versterkt in haar deugd,
+toen Leentje heel onnoozel antwoordde:
+
+--Zoo tegen de zestig, juffrouw...
+
+Deze _Odyssee_ der bedelende gewezen onschuld kwam Petrò wat lang
+voor. Maar 't "mutsenmaken" stond haar weer erg tegen, toen Leentje
+voortging:
+
+--Tegen de zestig, toen ze onder dien boom zat. Later, toen de baron
+terugkeerde tot de deugd, en haar trouwen wilde, fleurde ze erg op. Ze
+kan toen zoo-wat 'n goeie veertigster geweest zyn...
+
+"Dat vervloekte mutsenmaken!" riep... geen van de diep nadenkende
+meisjes, maar ze dachten 't.
+
+In één opzicht was de heele familie 't eens. Ieder wilde gaarne ook
+eens zoo'n "komedie" zien. Maar juffrouw Pieterse zei dat de kosten
+haar "begrootten." En dit werd nog erger, toen Stoffel 'n booze tyding
+thuis bracht over den "troep van Jan Gras in de _Elandstraat_, waar
+geen fatsoenlyke familie zich vertoonen kon." Dit was hem verzekerd
+door iemand die 't wel weten kon, want hy was 'n bloedneef van den
+rol-uitschryver by den grooten Schouwburg op 't Leidsche Plein. Dàt
+was de ware komedie!
+
+--Verbeeld u eens, moeder, die is van de stad, en de Burgemeester zelf
+zoekt de stukken uit... om de zedelykheid, weet u. En begryp eens,
+als er in zoo'n stuk staat: "o God!" dan verandert de Burgemeester
+dit in: "o hemel!" omdat het niet te-pas komt, van onzen-lieven-heer
+te spreken in 'n zaal waar ook wel gedanst wordt. Want... gedanst
+wordt er ook, moeder. Maar als wy er eens heen gaan, kunnen we best
+'n stuk afwachten waarin niet gedanst wordt, en dat heelemaal is
+nagezien door den Burgemeester... [20]
+
+
+
+
+
+ _Laps_ versus _Pennewip. Wouters_ embryologische studiën.
+
+
+De groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen
+geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de
+physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter,
+noch de filosoof, noch de staatsman. Ze staat voor politie en justitie
+te hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is _onpoëtisch_.
+
+Ik zou waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar den
+stipten zin dien _ik_ aan al die benamingen hecht. Doch als men met
+de dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze waarschynlyk geen
+verdediging noodig hebben. Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis
+zag ik de moeielykheid in, den lezer belangstelling inteboezemen voor
+'n romanheldje dat, by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk
+geen behoorlyk heldje wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste
+geweest zyn, die zich voor zooiets uitgaf. En juist dááronder leed
+hy. En hoe hy in z'n gedachten dat ondichterlyke van z'n toestand
+noemde, kan ik niet zeggen. Hyzelf had er evenmin 'n benaming
+voor. Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam
+'t hem niet in den zin, zich aftescheiden van z'n omgeving, veel
+minder nog zich daartegenover te stellen.
+
+Behalve door z'n zeer onbestemde begeerte om iets meer van al die
+poppen te weten, voelde hy de eigenaardige ontevredenheid die hem
+kwelde, 't smartelykst als er diligences of reiskoetsen voorby z'n
+venster reden. Dat _vice-versa_ en _sauvegarde_--zóó stond er op
+de postwagens in zyn tyd--kwamen hem voor als tooverspreuken die hy
+wel niet begreep, doch waarachter gewis iets zeer belangryks schuilen
+moest. En die reizigers! Hoe voornaam, zoo van-verre te komen, van héél
+ver, misschien wel van Rotterdam! En zou ieder nu precies weten waar-i
+wezen moest, en wat-i daar te doen had, zonder broer Stoffel? Zoo'n
+koetsier, en de man die naast hem zat met 'n trompet... och, die
+menschen waren toch ook eenmaal kinderen geweest! Hoe hadden ze 't toch
+aangelegd om 't zoo ver te brengen? En hoe of ze 't wel maakten met de
+roovers? Of zouden die alleen in Italië zyn? Dat zou toch jammer wezen!
+
+Hy was nu geheel hersteld, en wachtte slechts op de nieuwe broek en de
+verdere nieuwigheden die z'n moeder voor hem liet vervaardigen uit de
+afgelegde kleedingstukken van z'n broer, om 't voorgenomen bezoek by
+den dokter te maken. Te-gelyk met nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze
+was zeer verontwaardigd, dat men op 't punt stond: "den medicynmeester
+meer eer te geven dan den Heere." Wouter moest eerst z'n kerkgang doen,
+zei ze. Dat stond in de Schrift! En als-i 't niet deed, zou de Heer
+z'n koninkryk vàn hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op rekenen.
+
+--Gut, mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat ook, zei de
+moeder, maar... we zyn ver van zondag, en omdat nu de blauw-lakensche
+broek van Laurens zoo netjes "ingenomen" is...
+
+--Dat zyn juist de wereldsche dingen die 'n mensch van 't ware pad
+leiden, betuigde juffrouw Laps.
+
+--Maar zou dan nu 't kind vyf dagen thuis moeten blyven, alleen
+omdat-i nog niet in de kerk geweest is?
+
+--Wat beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is wel
+veertig dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten... denk
+eens! En al dien tyd zonder eten... dat's wat anders! Geloof me,
+juffrouw Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen door
+Laurens z'n broek. Maar 't is netjes gedaan, dat moet ik zeggen. Wat
+vraagt de man er voor?
+
+Gedurende 't nu volgend gesprek over de handigheid van den kleermaker,
+zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er wel zin in. Het kwam
+hem zeer byzonder voor, en daarom belangwekkend. Eensklaps vroeg hy
+aan juffrouw Laps, hoelang _zy_ in de woestyn geweest was?
+
+--Heb je van je leven... zoo'n kwajongen! Waar haalt-i de
+ondeugendigheid vandaan? Neen, mannetje, ik ben nooit in de woestyn
+geweest, en dat hoeft ook niet, omdat ik m'n godsdienst thuis doe,
+weetje, en... om de andere tyden, zieje. De Heer leefde in 't Heilige
+Land, en... 't is lang geleden. Jy met je malle vragen zoudt 'n mensch
+verlegen maken. Ik blyf er by, juffrouw Pieterse, dat je verdriet van
+den jongen hebben zult. 't Is je eigen schuld. Je had 'm al lang z'n
+wyzigheid moeten verleeren.
+
+--Maar 't kind heeft niets miszeid, jufvrouw!
+
+--Zoo? Vindt uwe dat? Nu, _ik_ vind dan op myn beurt...
+
+We schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van 'r
+verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat
+grof bedrog zich niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit. Juffrouw
+Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor Wouters
+eenvoud.
+
+En zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog wel met
+het beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te nemen. Stoffel zou
+de komedie-veldtocht openen! De slimmert had zich van 'n bondgenoot
+voorzien: hy trad de kamer binnen met... meester Pennewip!
+
+Na de gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op 't
+onderwerp gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-onder te
+brengen. Ze liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den aanval uit,
+door flinkweg al wat naar 'n schouwburg geleek, tot zaken van de hel
+te verklaren.
+
+--Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer
+algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste
+klasse. Myn jonge vriend hier--hy wees op Stoffel--heeft my uw
+vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of... te kennen gegeven. En
+het is juist hierom dat ik...
+
+--Dat moet je nu niet zóó opnemen, riep de moeder, alsof de meester
+expres daarom hier gekomen was. 't Is maar, zieje dat Stoffel
+by-toeval...
+
+--Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om over de
+zaak te spreken.
+
+Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper
+voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van
+vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene. De
+"zinnelykheid" kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne
+de beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop
+hy zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek
+naar die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen
+tot-i groot was.
+
+--Maar, meester uwe zal toch niet ontkennen dat zoo'n komedie 'n
+wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps.
+
+Dit woord "wereldsch" heeft 'n booze klank, en Pennewip moest al z'n
+onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z'n thema prys te
+geven aan zoo'n aanval.
+
+--Zekerlyk... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar... ook wereldsche
+zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbehoorlyke, in
+dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken, die... die...
+
+--Dàt's niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd... dat zeg
+ik maar! 't Staat in de Schrift!
+
+Het doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i by deze
+gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En ook Stoffel
+durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyk woord niet aan.
+
+Het ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een
+zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van
+'n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige
+benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan
+de redeneering waaruit ze voortsproot. De afgezaagde tegenstelling
+van zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als: _wereld_,
+_zinnelykheid_, _vleeschelyke begeerten_, enz. heeft die uitdrukkingen
+tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich laat verschrikken,
+al zoud-i dan ook overigens ontwikkeld genoeg zyn tot nagenoeg zuivere
+redeneering. De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die
+klanken zich 't denken heeft afgewend. Dit is ook van toepassing op
+heel andere kringen dan die waarin Woutertje op dit oogenblik met
+open mond zat te luisteren.
+
+Pennewip stamelde, en nam 't eene snuifje voor, 't andere na. De
+goeie man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met offeren op
+'t altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z'n vyand dacht er niet
+aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou Pennewip op den weg
+geholpen hebben om de zinnelykhedens te gaan verdeelen in klassen,
+en haar te wyzen op de vreeselyke zonde die ze beging door 't slorpen
+van haar sterk gesuikerde thee.
+
+Wat overigens dat "wereldsche" van den Schouwburg aanging, de man
+scheen er niet aan te denken dat ook z'n school toch wèl beschouwd
+'n wereldsche zaak was. En z'n pruik! En z'n dyvest! En z'n
+neusknypertje. En... de heele juffrouw Laps zelf immers ook? Wat
+ànders?
+
+Ach, hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer der
+geloovery hadden z'n kracht gebroken. Z'n tegenvoetster begreep
+dat ze aan de winnende hand was, en om hem te vervolgen tot in z'n
+uiterste schuilhoeken:
+
+--Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester! Al
+zulke dingen zyn verlokkingen des duivels... dat zeg ik! Daar heb je
+nu by my in de straat, de juffrouw boven den spekslager... die heeft
+ook op 'n komedie gespeeld--althans zoo zeggen de menschen--en ze is
+getrouwd, laat zien... verleden Maart... zes maanden... reken maar
+na meester--uwe ziet dat ik de waarheid zeg!--zes maanden, zeg ik,
+en wat gebeurt er? Ze ligt in de kraam, meester, zoo zondig als ik
+hier voor je zit... dat komt van dat vervloekte komedie-spelen!
+
+O, o, o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks
+optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de
+ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart,
+of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit
+alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de
+moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten
+beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde. Helder
+was de zaak nog niet, vooral daar-i de zoo gretig afgeluisterde
+inlichting in nauw verband bracht met Leentjes relaas over den
+"_Onechte Zoon_." Ook daaruit was hem zekere verwantschap gebleken
+tusschen de geboorte van 'n kind en komediespel, en omdat nu deze beide
+onderwerpen gelykelyk schenen te deelen in den afschuw dien juffrouw
+Laps ten-toon spreidde voor wereldsche zaken, lag het in de rede dat hy
+ze vry onbepaald vereenzelvigde. Hoe dan ooit z'n moeder er toe gekomen
+was zich aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar... ook dat
+probleem werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer benieuwd
+naar 't stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel? Of 'n komedie
+met zang en muziek... 'n _opera_, zooals Stoffel dat genoemd had. Die
+muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwerpelyk niet voor. Hy voelde
+inderdaad iets in zich dat naar 'n synfonie geleek. Maar 't benauwde
+hem, omdat-i te ongeoefend was om 't stuk te spelen.
+
+Juffrouw Laps ging voort:
+
+--Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrrristis-wil terecht komen
+van zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè?
+
+Wouter werd angstig. De meester trok verlegen aan z'n pruik,
+en mompelde iets van "christelyke liefde en Gods byzondere
+goedheid." Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat
+stuk. Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men
+mocht niet nederzitten met de goddeloozen. En dat had de juffrouw
+boven den spekslager gedaan! En daarom zei zy maar dat zoo'n komedie...
+
+--Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister of
+eergister, viel juffrouw Pieterse in.
+
+--Dàt's mogelyk, maar ik hou me-n-aan de Schrift. En daarin staat
+van geen komedie. [21]
+
+Wat Pennewip aangaat, hy durfde haar begrippen omtrent gewone komedies
+niet aan, toen zy de zaak op 'n zoo verheven terrein bracht. Toch
+was de man niet byzonder dom. Maar: geloof, schoolmeestery en
+verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo'n cerberus van biologie?
+
+_Lapsen-triumf. Galgebrokken. Weldadighedens_ in extremis. _De roem
+van_ Floris V _gestaafd door de verhevenheid van'n komma. Letterkundige
+oefeningen onder de leiding van meester_ Pennewip.
+
+--Maar hebje dan wel ooit 'n komedie gezien? vroeg Pennewip, schoon hy
+'t antwoord wel raden kon.
+
+Het mensch betuigde haar zondagsche verontwaardiging over 't
+veronderstellen van zoo'n mogelykheid, en riep daarby duchtig haren
+Heer aan.
+
+--Of gelezen?
+
+--Né, meester! Wat _ik_ lees, lees ik in de Schrift ... dat lees ik!
+
+--Voorzeker behoort de H. Schrift tot de klasse der alleruitstekendste
+boeken ... jazelfs, men kan zeggen, Gods Woord _is_ het
+alleruitstekendste boek. Dit zal niemand betwisten, juffrouw. Doch
+het is den mensch geoorloofd, of ... vergund ...
+
+De meester haalde hier 'n boekjen uit den zak, dat-i voor de
+gelegenheid had meegebracht, en betoogde dat men niet juist terstond
+ieder als verdoemd behoefde te beschouwen, die ... nu-en-dan ... met
+mate ... onder opzien tot hooger ...
+
+--Wel zeker, riep Stoffel, by my op school ook! De jongens lezen in
+'n _Chrestomathie_ van 't _Nut_ ...
+
+--In wát voor 'n ding? snauwde juffrouw Laps.
+
+--In 'n _chres ... to ... ma... thie_, juffrouw. _C,h,r,e,s ... kres!_
+
+--Of, volgens sommigen: _gggres_, kommenteerde de meester. _Krisius_
+of... _Gggristus_ ...
+
+--Dat zyn allemaal heidensche nieuwigheden! Ik zeg maar: Kristisss
+... want zóó heet de Heer, en niet anders! Jelui zult me toch m'n
+geloof niet willen afnemen?
+
+--Maar juffrouw ...
+
+--Ik wil er niets van weten! Dat komt van al die wereldsche
+geleerdhedens! Wat zegt Paulis ... of neen, wat zeiën ze tegen
+Paulis? Ze zeiën dat-i gek was van geleerdheid. En zóó is het! Want
+ik zeg: Kristisss is Kristisss, en daar ga ik niet af, al ging jelui
+op je hoofd staan met je beîen. En voor Wouter is 't ook niet goed,
+juffrouw Pieterse, dat-i zulke praatjes aanhoort, 't Kind is pas
+ziek geweest, en als de Heer hem niet gespaard had, zoud-i nu al voor
+'t Gericht staan ... zoodat ik maar zeggen wil, dat ik vasthoud aan
+m'n geloof. Maar als-i uitgaat, moet-i 'ns by me komen, dan zal ik
+hem eens onder-handen nemen, want met z'n kathechizatie zit het er
+dun op. Dat heb ik al lang gemerkt. En nu, dankje voor je koppie
+thee, juffrouw Pieterse ... né, meester, geen woord meer ... 't is
+zonde! Verlokken laat ik me niet ... ik blyf by den Heer ... nou,
+stuur 'm eens by me--Wouter meen ik--als-i uitgaat.
+
+Onder dit gerammel was 't schepsel opgestaan, en ze vertrok, met
+overwinnaarsblikken 't slagveld overziende, waarop ze zooveel roem
+meende behaald te hebben.
+
+Juffrouw Pieterse was niet tevreden met den uitslag van den
+veldtocht. Ze had van haar beide maarschalken meer verwacht. Pennewip
+en Stoffel beweerden dat juffrouw Laps te dom was voor 'n behoorlyk
+debat. Wie zal dit ontkennen? Maar 't was de eenige reden niet. Ze vond
+in haar steil _entiérisme_ zekere kracht, die haar tegenstanders niet
+konden putten uit het al te flauw bewustzyn dat er iets kon bestaan,
+wat naar gezond verstand geleek. Ze zou dan ook met behulp van
+haar frazeologie de overwinning behaald hebben op veel ontwikkelder
+vyanden nog, dan ze zoo-even uit het veld sloeg. De eerste pogingen
+tot overgang van volstrekt geloof tot onafhankelyk nadenken, werken
+verlammend, en het is niet te verwonderen dat zoo weinigen de kracht
+bezitten, zulke pogingen doortezetten tot het uiterste toe. Zeker
+is het, dat deze kracht niet kon gezocht worden by den ouwerwetschen
+Pennewip en den bekrompen Stoffel. [22]
+
+
+
+En wat heeft uwe daar dan voor'n boekje? vroeg juffrouw Pieterse.
+
+--Het is een voortbrengsel, of anders gezegd: een werk van een
+onzer eerste vaderlandsche dichters, sprak Pennewip met plechtigheid,
+jazelfs... ik zou durven zeggen van den eersten of... den voornaamsten,
+ook wel de Vorst der nederlandsche dichteren genoemd. Hy is 'n man,
+juffrouw, die in godzaligheid voor niemand behoeft uit den weg te
+gaan. In den vollen zin des woords zou ik hem durven rangschikken
+onder de Belyders. Dit boek, juffrouw, bevat eene komedie, en wel van
+de soort die wy gewoon zyn treurspelen te noemen... omdat er iemand
+in sterft.
+
+--Zieje, moeder, precies wat ik uwe altyd gezegd heb, reklaamde
+onze Stoffel.
+
+--Ja, juffrouw, daar wordt in gestorven. Ziehier op 't laatste blaadje
+zekere Machteld... _"dank, Hemel, ik bezwyk_" zegt ze, en ze stort
+neder op 't lyk van Floris... ah ja, die Floris zelf is ook dood. 't
+Is inderdaad een treurspel.
+
+Zie slechts hier. Hy overleed vier regels vroeger aan de gevolgen
+van een groot verraad... en... en...
+
+Meester bladerde.
+
+... op deze bladzyde, of pagina, sterft er ook een. "_Graaf,
+vaarwel! Gedenk my met gebeden! (hy sterft.)_" staat er. Uwe ziet
+dus wel dat het een treurspel is.
+
+--Net wat ik zei, moeder!
+
+--Ja, 'n treurspel! En wel van 'n dichter, juffrouw, 'n dichter... hoor
+eens:
+
+
+Woerden (_de hand aan den degen slaande_).
+Zoo straff' de Hemel my...!
+ Velzen (_hem weerhoudende en op Floris toeschietende_).
+ Laat my hem 't hart doorstoten!
+De Edelknaap (_tusschen beiden schietende met uitgetogen' degen,
+en Velzen een' stoot op het harnas toebrengende_).
+Sta, Moorder, neem de proef...!
+ Velzen (_dezen den opgeheven' dolk in de borst dryvende,
+ die er in zitten blyft_).
+ Lig daar, vermeetle wulp!
+
+
+--Wat zegt uwe dáár van? vroeg de meester.
+
+Alles was 'n oogenblik stom van verbazing.
+
+--Ja, zei eindelyk Stoffel, en alles zoo krek met staande en liggende
+regels. "Wulp" stáát weer, zieje Wouter?
+
+'t Kind had den moed niet, te vragen wat 'n _wulp_ was? Gelukkig.
+
+In 't voorbygaan hoop ik dat de lezer aandachtig genoeg is om me 't
+kwalyk te nemen dat ik aan Stoffel 't woord: _krek_ in den mond leg,
+omdat het alleen by boeren, en dan nog slechts in sommige streken van
+ons landje gebruikelyk is. Welnu, dit is niet altyd zoo geweest. In
+den tyd van m'n verhaal was de uitdrukking: "_Correct_" wel reeds
+gedaald tot de sfeer der Pietersens, maar nog niet voorgoed naar
+'t land verhuisd.
+
+Pennewip keurde Stoffels opmerking volkomen goed, en zei dat men zóó
+de voortbrengselen der letterkunde moest genieten...
+
+--Let daar dan goed op, Wouter, vermaande de moeder.
+
+--En méér nog, juffrouw, ging de meester voort. Om de ware grootheid
+van zoo'n dichter goed te beseffen, moet men vooral bedreven zyn
+in... de taal. De kunde van zoo'n man is verbazend. Al wat ik aan
+myne voedsterlingen, leeraar, of... onderwys, of... inprent--want
+leerären is zooveel als onderwyzen, juffrouw. Ik zoude ook vryheid
+gehad hebben te zeggen, alle zaken waaromtrent ik mynen leerlingen
+onderricht mededeel--nu, juffrouw, dat alles is hem tot in de fynste
+byzonderheden bekend. De man kon gerust eene school opzetten... niet
+dat ik hem dit aanraad--de verdiensten zyn gering, juffrouw!--doch
+ik bedoel slechts dat dezelve de daartoe noodige bekwaamheid wel
+bezitten zoude. Zoolang ons Vaderland zulke personen in deszelfs
+boezem draagt...
+
+Het heele gezelschap was één poging tot verbaasdheid. Stoffel knikte
+tevreden, alsof er nu eens eindelyk wat verkondigd werd, dat de moeite
+van 't aanhooren waard was. Al de anderen, op Wouter na, steunden op
+elkaar. Zoo gaat het meer. We hebben hier 'n vry juist model van _'t
+profanum vulgus_ voor ons.
+
+Toch verstoutten zich de gelaatstrekken van Pennewips publiekjen,
+iets vragends uittedrukken. Een beetje opheldering scheen niet
+ongewenscht. Het was alsof men stilzwygend beloofde dat de bewondering
+er niet onder lyden kon. Men scheen niet te vragen: waarom moeten we
+dat zoo mooi vinden? De bedoeling was: mooi-vinden zùllen we... help
+ons maar aan 'n reden!
+
+Nu, die reden zou Pennewip leveren:
+
+--Zie eens hier, juffrouw! Ik weet wel, of liever, ik kan gissen
+of... veronderstellen--volgens sommigen: vóóronderstellen, omdat het
+'n onderstelling is die de zekerheid als 't ware voorafgaat--ik
+kan dan als nagenoeg uitgemaakt aannemen, dat uwe zich in den
+regel, of... gewoonlyk, of... wat men zou kunnen noemen: dagelyks
+en... uitsluitend, niet bemoeit met deklinatien...
+
+--Gut né, meester!
+
+...ook wel genoemd: verbuigingen. Maar uwe zult toch wel begrypen,
+of inzien, dat alles om 't zoo eens uittedrukken deszelfs eischen
+heeft, niet waar?
+
+Juffrouw Pieterse betuigde met 'n hoofdknikje dat zy de gegrondheid
+van deze meening volkomen inzag of... begreep. Pennewip scheen dit
+zeer verstandig te vinden, en ging voort:
+
+--Ziet uwe daar die komma wel, of... juister gezegd die... _apostrofe_?
+
+--Jawel, jawel, meester, riep juffrouw Pieterse, o zeker, zeker,
+ik zie 'm heel goed. Kyk jy ook eens, Trui!
+
+--En dáár staat er nog een, ging Pennewip voort. Laat de andere
+juffrouw ook eens zien.
+
+'t Boek ging rond. Juffrouw Pieterse was bly dat de inspanning tot
+begrip, die weldra van haar zou geëischt worden, 'n beetje verdeeld
+werd over 't heele gezelschap. Om de verantwoordelykheid nog wat
+verder afteleiden, betrok ze ook Wouter in de zaak.
+
+--Laat het kind toch ook 'ns zien! Hy is er net in de jaren voor. Kyk
+nu goed, Wouter! Een jongen als jy moet altyd probeeren wat te
+leeren. Zieje 'm nu wel, die... die... hoe heet het ook, meester?
+
+--Wat de gedaante aangaat, juffrouw, zoude men het eene komma kunnen
+noemen, doch ten-gevolge der eenigszins verheven plaats waarop de
+zeer kundige schryver dat teeken zette, ontvangt hetzelve de kracht...
+
+Wouter tuurde in 't boek, en was verdrietig over z'n domheid. 't
+Mocht hem niet gelukken iets schoons te zien.
+
+... de kracht of de beteekenis of de strekking...
+
+Wouter wreef z'n oogen uit, en kon maar niet aan 't genieten raken. Hy
+was te eenvoudig-oprecht om verbazing te toonen die hy niet voelde.
+
+--Het onleent aan z'n verheven plaats de strekking, ging meester voort,
+om de hoofdeigenschap diens uitgetogenen degens te verklaren. Die
+degen is vierde naamval, juffrouw! En dit is almede de eigenschap
+des opgehevenen dolks.
+
+--Precies! riep Stoffel.
+
+--Vierde naamval! De kundige dichter...
+
+--Kyk dan toch in 't boek, Wouter, en luister goed, riep de
+moeder. Zieje 't nu?
+
+--'t Is 'n afsnydingsteeken, riep Pennewip. En waarom? Wat doet de
+Edelknaap? Hy schiet tusschen-beiden.
+
+--Zie je 't nu eindelyk, Wouter?
+
+'t Kind staarde op het boek, en werd bleek van verdriet, en begon
+te beven. Och, het was dan wáár, wat men altyd zeide, dat er van hem
+nooit iets zou te-recht komen! Hy voelde zich wanhopig.
+
+--De Edelknaap schiet tusschen-beiden... waarmee? Waarmee, juffrouw?
+
+Juist! Waarmee... waarmee... komaan, Wouter, zeg jy nu eens, waarmee
+die... hoe heet-i ook?
+
+--De Edelknaap. De vraag is, gelyk ik u reeds zeide, waarmee schiet
+hy tusschen-beiden? Waarmee? waarmee?
+
+Alles zweeg.
+
+--Ik zoude myne vraag dan aldus kunnen inkleeden:
+waardoor wordt "uitgetogen degen" taalkundiglyk
+gesproken... geregeerd? Welnu? Door... mê... mê... mê...
+
+Al blatend monsterde hier onze Pennewip z'n auditorium op eigenaardige
+wys. [23]
+
+--Mê... mê... wel nu, juffrouw, weet uwe 't nog niet?
+
+--Is 't iets van... 'n schaap, meester?
+
+--Geenszins, juffrouw. Het woordje _met_ behoort tot de klasse der
+voorzetsels...
+
+--Precies, betuigde Stoffel.
+
+...en regeert alzoo--let wel op!--den vierden naamval. Die komma
+of die apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed opmerken,
+een afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aangaat... besef
+wel, juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet bezig houde met
+het vervaardigen van... poëzie, en dus geene aanleiding vinde iets
+aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel?
+
+--Ja, ja, meester, o ja! Zie je 't nu eindelyk, Wouter?
+
+Met tranen in de oogen bleef 't kind verklaren dat-i niets van de
+zaak gewaar werd. Het gebluf van de anderen op snel begrip, had hem
+in den waan gebracht dat er in dat boekjen iets van die uitgetogen of
+opgeheven moordtuigen te zien was, iets tragisch, iets heldhaftigs,
+of iets van dien edelknaap althans. En nu de meester bovendien van
+afsnyden begon te spreken:
+
+--Ik zal nooit iets leeren, jammerde hy.
+
+--Dan moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel je
+wat uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achterlyk
+geweest. _Senie_ in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan 't er
+maar niet in krygen.
+
+Dit kon den meester nu minder schelen, als hy maar mocht voortgaan
+met onderwyzen. Z'n bewondering over die fameuze afsnydings-teekens
+was nog niet uitgeput.
+
+--Het zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden verdeeld
+worden in mannelyke, vrouwelyke en onzydige?
+
+--Ja, meester, dat heeft Stoffel ook gezegd.
+
+--Juist! "Degen" is mannelyk, en "dolk" ook, dit begrypt u?
+
+--Wel zeker, dat 's heel duidelyk.
+
+En al de meisjes riepen: zeker, zeker!
+
+De meester had met welgevallen die gulle betuigingen aangehoord,
+en z'n stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op z'n beurt
+gelukkig te maken met 'n blik van goedkeuring. Z'n tevredenheid scheen
+eindelyk domicilie te kiezen by de vrouw des huizes. Met schouder,
+oog, duim en wysvinger trachtte hy haar in de ziel te grypen:
+
+--Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens "uitgetogen degen" juffrouw,
+of--indien u dit misschien gemakkelyker mocht voorkomen--beproef eens
+het te verbuigen.
+
+--Ja, ja, juist! Dat moet jeluî nu maar 'ns doen met je allen,
+riep ze. En jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar,
+meester? En ik moet abseluut na de keuken, anders laat ze weer de
+gort aanbranden... want we eten gort, meester, en we hebben 'n nieuwe
+meid. 't Schepsel weet van toeten noch blazen... 't is 'n gedoe!
+
+Onder dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk van
+'t slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de rest van
+z'n auditorium aan 't verstand te brengen hoe inkunstig de auteur van
+het treurspel de uitgetogenheid van dien degen had weten te knotten,
+zonder 't minste nadeel voor de ware taalkunde. Dáárin zat 'm 't fyne
+van de zaak, zeide hy, en al de meisjes waren 't weer volkomen met
+hem eens. Maar Wouter had 'n gevoel als iemand die op distelen kauwt,
+en dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken. 't Ergste
+was dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen,
+bleef zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid.
+
+--Ook in konjugatien is de man een eerste meester, in konjugatien
+of... vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys?
+
+De juffrouwen knikten.
+
+--Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys?
+
+"Zeker, zeker, heel partikulier!" schenen alle blikken te antwoorden.
+
+--Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? "_Zoo straff' de Hemel
+my!_" Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een afsnydingsteeken
+geplaatst, en gy ziet wel...
+
+--Daar wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er niet om
+open te doen.
+
+Aldus retireerde zich juffrouw Sertrude.
+
+--Uwe dan, juffrouw. _Dat ik straffe, dat gy straffet... dat hy_,
+of _dat de Hemel_...
+
+--Precies, zei Stoffel. Zeg jy 't nu eens, Petrò! _Dat de
+Hemel_... welnu, hoe is 't verder?
+
+--De Hemel? Wel... de hemel? Daar gaat de groentevrouw voorby... ze
+heeft me gister 'n zesthalf voor 'n schelling in de hand gestopt...
+
+Weg was Petrò. Ze verzaakte den "hemel" voor vier aardsche duiten, want
+zooveel bedroeg 't verschil tusschen de twee muntstukken die ze noemde.
+
+En ook Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taalkundig
+schoonheidsgevoel te bemantelen onder 'n overhaaste vlucht.
+
+Wouter torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouwhartig in om
+te begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit gelukte redelyk
+wel wat hun taalkundery aangaat, maar z'n begrip bleef steken in
+'t verband daarvan met de treurspelkundige schoonheid die er uit
+voortvloeide, naar 't zeggen van z'n meesters.
+
+Hy droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik
+wakker. De onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van wat
+allen anderen zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, pynigde hem
+vreeselyk. Hy bad God om vergiffenis voor z'n domheid, en beloofde z'n
+best te doen om even knap te worden als Petrò, als Trui, en zelfs als
+Stoffel of Pennewip. Maar, als dit mislukte, of als 't soms te veel
+gevergd was... dan verzocht-i God hem toch asjeblieft maar bekwaam
+genoeg te maken voor bleekersjongetje. Dàt zou dan toch met eenige
+inspanning wel gaan, meende hy. En als God z'n wensch niet al te
+onbescheiden vond, zou hy van zyn kant dapper meewerken om 't zoo ver
+te brengen... _dat ik straffe ... dat gy straffet... dat hy_... en
+dan 't afsnydingsteeken, precies 'n komma, maar wat hooger. God kon
+nu zelf zien hoe hy z'n best deed... _straffe... straff'_... komma
+in de lucht... 'n bleekersjongetje...
+
+Zoo sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer 't een-of-ander teeken
+z'n slaap afsnyden. Pennewip had eer van z'n taalkunde!
+
+De schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deugniet alle
+toespeling op Femke in z'n gebedjes oversloeg. God mocht eens denken
+dat-i om harentwil zoo bescheiden was. En ook hyzelf moest erkennen
+dat-i liever koning was geworden--om Femke prinses te maken!--of
+kondukteur van zoo'n diligence--om haar ver, vèr weg te brengen naar
+'n vreemd land!--of roover... om z'n dame te omhangen met 'n snoer
+van diamanten, en... op haar schoot te zitten in 'n grot.
+
+Nu ja, dat zou 't allermooist wezen, maar omdat dit nu eenmaal niet
+kon, door z'n verregaande domheid...
+
+Neen, neen, hy zei van dit alles aan God niets in z'n gebedjes. De
+Heer zal zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging van
+den kleinen huichelaar, om hem 'n beetje te foppen in de waarde van
+'t gevraagde. Zoo'n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen
+zware post geweest zyn op 't budget van 't heelal, maar als de zaak
+dreigde uitteloopen op den schoot van Femke...
+
+Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is,
+en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden
+heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor 'n vyand,
+niet... _krek_ is, omdat juist de zachtmoedigheid van 't slachtoffer
+de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten...
+
+'t Is te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in
+_waarheid_, en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn,
+dan de ruwaardy van 'n bleekveld.
+
+Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in
+z'n gebedjes. God zal 't wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde
+is godenplicht.
+
+Pennewip had de fameuze "komedie waarin driemaal gestorven wordt" in
+den huize Pieterse achtergelaten. De juffrouwen stelden zich aan of ze
+'t lazen, maar Wouter deed meer nog dan lezen. Met den ernstigen wil
+om te begrypen, bestudeerde hy 't stuk. En dit gelukte hem tendeele,
+maar hy slaagde volstrekt niet in de voorgeschreven opgetogenheid. Hy
+bleef Glorioso mooier vinden. En 't peruaansch geschiedenisjen ook. En
+zelfs dat arme _Roodkapje_.
+
+Om rechtvaardig te zyn jegens den auteur van dat sterfstuk, moeten
+wy erkennen dat de manier waarop men hem by 't kind had ingeleid,
+niet zeer geschikt was om de schoonheden te doen uitkomen, die
+sommigen gewoon zyn de _dichterlyke_ te noemen. De meester had
+door z'n taalkundige opmerkingen 't genieten vry moeielyk gemaakt,
+en aldus in dezen kleinen kring vry nauwkeurig de rol vervuld die
+onze scholen spelen in de klassieke litteratuur. We zouden van de
+antieken meer geleerd en genoten hebben, wanneer ze ons niet waren
+vergald geworden door skolastiek.
+
+Toch beweer ik niet dat het boekske waarmee men voorgaf Wouters
+hongerige ziel te spyzigen, heel veel verloor aan dat vooropstellen
+van komma's in de lucht en dergelyke merkwaardigheden. De auteur
+verdiende niet beter. Pennewip zou 'n lofwaardig werk hebben gedaan,
+indien hy met verontwaardigd sarkasme dezelfde zotternyen had voor
+den dag gebracht, die nu slechts uitvloeisels waren van z'n nuchtere
+schoolmeestery.
+
+De lezer kan reeds weten dat het werkje waarmee onze Wouter zich
+moest bezig-houden, de meer of min bekende "_Floris de Vyfde_" van
+Bilderdyk was. [24]
+
+
+
+
+
+ Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve
+ en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in 'n paar bezoeken
+ die _Wouter_ byna niet aflegt.
+
+
+Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze
+gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: "alles was
+zoo toepasselyk!"
+
+--'t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.
+
+--Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z'n nieuwe broek scheurt. Er
+moet zoo zuur voor gewerkt worden.
+
+Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want "zuur gewerkt"
+werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar
+huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde
+uit pure liefhebbery. 't Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook
+'t klagen daarover, of liever 't roemen op die bereddering, lag in
+haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd
+had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van 't Heelal.
+
+Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na
+z'n kerkgang, was 'n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen
+van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12,
+en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw
+Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist niet _alles_
+wat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen...
+
+--Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als 't ware geloof er maar is,
+en ... de Genade! Waarom anders, m'n lieve mensch, zou de Heer die
+verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen
+door den H. Geest? Alles heeft z'n beteekenis, weetje!
+
+--Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ...
+
+--Dat 's 't ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur 'm eens by me,
+na zondag. Of ... al wàs 't zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i
+me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och
+wat weet zoo'n kind daarvan!
+
+Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren
+voor "geleerd" aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas
+kwamen. "Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder 't begrypen
+kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam
+alles neer." Op den broodnyd na, die haar deze meening in 't gemoed
+lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die
+"Genade" zoo'n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen
+zich weinig bekommeren over "goede werken" en zelfs niet erg opzien
+tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster.
+
+--Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ...
+
+En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen
+die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten.
+
+Wanneer wy aannemen--en dit mogen we--dat juffrouw Laps op 'n bezoek
+van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe
+kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde
+napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat
+m'n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En
+... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster
+in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male
+afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch 't spreekt vanzelf dat-i dit
+niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i 't wist, want de tyd
+was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z'n aandoeningen
+te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!
+
+Instinktmatig voelde hy angst voor 't alleen-zyn met dat schepsel. Ze
+was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah
+noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël
+... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze
+zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien
+hy den moed had gehad rond-uit te spreken, zoud-i haar verzocht
+hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten
+haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed
+had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z'n moeder over
+hem beschikte, en 't bezoek toezei.
+
+--En waarom ben je 'r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels
+opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren.
+
+Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen
+ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen
+onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door 't aankweeken van
+eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde
+Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen
+de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de
+sympathie met z'n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was?
+
+Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd 'n uitvloeisel
+wezen zou van 't _belang_. Aanvankelyk is ze, even als sommige
+lichamelyke wanstaltigheden, slechts 'n gevolg van knelling. Een kind
+dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt
+beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen,
+onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw
+haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste
+gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar
+'t onbekende voort, naar 't verre--dikwyls naar 't onbereikbare--dat
+mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op
+gelyke wyze als het gezin en 't ouderlyk toezicht. "Dat mag niet!" en:
+"dat is onbehoorlyk!" wordt er van alle kanten geroepen, zoodra
+iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. "Hoe dwaas!" is terstond
+het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan
+men gewend is. De meesten gaan 'n wyden stap verder, en noemen 't
+"misdadig" wanneer de eenling zich aanmatigt z'n individualiteit te
+bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.
+
+'t Gevolg is: _leugen_. Want de lust om zich te verzetten tegen
+overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!
+
+Opmerkelyk is 't dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt
+uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden,
+doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of
+verlieten. Wie 'n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur
+inloopt, vindt z'n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers
+der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed
+zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat 'n ander den moed
+had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers
+opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als
+Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje
+had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z'n
+tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want:
+
+--Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. 't Is maar weer
+omdat je 'n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt.
+
+Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter
+veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem
+te wachten stond ... och, 't leek niets naar 'n katechizatie! Hy werd
+ontvangen met 'n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in
+de war bracht.
+
+--Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang
+uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres
+voor jou!
+
+Ze drukte hem op 'n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen
+toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem
+streelde en liefkoosde.
+
+--En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich
+aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te
+onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?
+
+--De tekst was...
+
+--Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst 'n paar
+taartjes. 'n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola,
+en 'n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je 'n lieve
+jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe,
+m'n jongen, en doe gerust of je thuis was...
+
+Nu, dit was eigenlyk 't ware woord niet om Wouter op z'n gemak te
+zetten. Thuis!
+
+Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig
+te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja
+waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z'n moeder hem bevolen
+had niet lang uitteblyven.
+
+Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar
+Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i
+zich door den vyand heenteslaan.
+
+Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer "eens zou terugkomen"
+raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem 'n
+onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor
+hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans
+bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z'n
+tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z'n vertrek 'n kus had
+willen geven, en dat-i zich door 'n snelle wending daaraan onttrokken
+had. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte
+hem 'n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den
+overgang van waken tot slapen worden gestoord.
+
+En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden
+van z'n spoedige terugkomst.
+
+Onwillekeurig richtte hy z'n schreden naar de aschpoort. Het was z'n
+voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had
+z'n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet 'n duidelyk
+bewys dat-i by 't verlaten van z'n woning niet aan Femke gedacht had?
+
+En zelfs toen-i op den buitensingel z'n molens in 't gezicht kreeg...
+
+Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?
+
+De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en
+vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar
+"kuierde." _Gewandeld_ wordt er door de zondagsmenschen eigenlyk
+niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar
+heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze "buiten" zyn,
+omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten
+hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of
+schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan
+op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.
+
+Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke's
+huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond,
+die 't erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan,
+en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld
+van z'n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.
+
+--O, als ik m'n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ...
+
+Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou
+geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets
+te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke's moeder hem vroeg:
+"maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?
+
+Wy, schryver en lezer, _wy_ zouden misschien kunnen antwoorden. En
+'t is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van 't
+kind dat daar weifelend stond te leunen op 't lage hekje. Hy staarde
+met open mond het huisjen aan. Z'n knieën knikten, 't hart bonsde,
+tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?
+
+Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem
+wakker. Als er eens brand kwam in Femke's huisje! Dàn immers moest-i
+wel binnen gaan! Dàn zou 't hem vrystaan haar te redden haar in z'n
+armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan 't
+einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men
+gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren
+groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo'n sleep Femke
+goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen
+... neen, naast haar ryden met 'n valk op z'n vuist!
+
+--Als er maar brand kwam!
+
+Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och,
+'t was zoo'n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere
+huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en
+overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van
+'n bezigheid, die niet van Femke's bezigheid scheen te verschillen. Hoe
+was 't mogelyk!
+
+Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het
+niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke! Zoo-even
+nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de
+vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat
+ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach
+waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! 't Zou juist hebben gepast
+by z'n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: "zie
+daar geschiedt 'n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen
+ten-hemel!" ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was,
+maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van
+z'n hart.
+
+Hèm kwam 't eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat
+hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd
+half-voldaan door 't aanschouwen van iets dat misschien door haar
+gezien was, en toch, toch te schuw om 't erf optegaan, den klink van
+de deur te lichten, en binnentredend te roepen: "Femke, hier ben ik
+... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!"
+
+Want hy had 'n gevoel alsof hy zich over z'n lang wegblyven
+verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen
+waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy
+zich als 't ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.
+
+Daar naderde 'n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben
+in een der etablissementen langs den weg, waar men "ververschingen"
+bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in 't voorbygaan Wouter
+van z'n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.
+
+Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan
+kyken naar dat huisjen en dien rook? 't Zou wel zonderling wezen
+als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En
+... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...
+
+Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z'n prent meenemen. En hy
+beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan
+voor dat hekje!
+
+Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen,
+zwaarden en harnassen, op z'n prenten. Zeker hadden zy moed, al
+die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben
+uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als 't niet beterde, zou
+men nooit hèm op 'n prent zetten, zoo'n laffen durfniet!
+
+Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe
+verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden
+dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke's moeder
+te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u!
+
+Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen
+zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar
+boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs
+betrapte hy zich op 'n regel uit Bilderdyks "_Floris_" en voorziende
+dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in de voorbaat
+met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten
+dichter.
+
+Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou?
+
+En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat 'n
+"wulp" was, en 'n "echtkoets" en "kuisheid" en zoo voort. Al wat-i
+niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen,
+en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den
+weg helpen kon, het was hem reeds 'n heerlyk vooruitzicht al die
+mysteriën met haar te zullen bespreken.
+
+Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der
+verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen
+heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te
+doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken
+rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en--waarom zouden we
+'t ontkennen?--ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust
+tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel,
+vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in 'n boek. Maar er
+waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor,
+of liever: "groot." Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van
+'n kind 'n hooge waardigheid mee.
+
+Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z'n
+nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot
+haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen van _zyn_
+kennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid
+Femke deelgenoot maken van z'n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat,
+en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk
+voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk 'n
+vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.
+
+Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen
+hebben, daar-i 't waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar
+aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik
+bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in
+z'n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist
+toevallig voorby z'n huis gekomen, en dan was 't zoo heel moeielyk
+niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?
+
+O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet
+binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al
+de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen
+ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak
+dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze
+meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo'n
+bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had
+evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken
+die hem beletten eenvoudig te zyn, en 't ware dus eerlyk geweest
+haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf
+beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy
+zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.
+
+'t Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende
+dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen,
+en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke's vrindje
+was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo'n groot meisje heeft
+al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met
+jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...
+
+Dien pater Jansen had-i graag 'n hartelyken stomp gegeven. Wat moet
+men doen om _pater_ te worden, Femke's pater? Als er mogelykheid was
+op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen
+al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou
+haar graag 'n zoen geven, elken keer als ze haar "vragen" goed had
+opgezegd. Jazelfs, hy zou haar 'n zoen geven als daaraan wat haperde
+of ook al wist ze 't eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren
+torens. Och hy zou voor Femke zoo'n vriendelyke pater zyn!
+
+Hoe legt men het toch aan, om 't zoover te brengen in de wereld? En
+kon men er zeker van zyn, dat 'n pater altyd durfde binnengaan als-i
+ergens wezen wilde?
+
+Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest
+overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo
+besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep
+hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als
+'t maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen
+zyn tot in 't binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over
+de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in
+z'n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke's moeder? En ... Femke
+zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! "Toch
+niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven
+binnengaan!"
+
+Nu kwam 't hem voor, dat-i liever Femke's moeder had gevonden. Hy
+zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel
+aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke's moeder niet.
+
+Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika
+eigenlyk doen?
+
+En ... àls men 't gevraagd had ... welnu, _hy_ kon makkelyk
+antwoorden. Zoo'n reiziger in 'n boek met prentjes is nooit verlegen.
+
+Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen
+die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands
+kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op 'n schimmel
+met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar
+de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z'n ziekte: "omdat de
+vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had." Hy
+zou ze koninklyk beloonen...
+
+Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke
+koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En
+die gouden diadeem!
+
+Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, om al die
+heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten,
+_zy_ kwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z'n vlammende verbeelding,
+haar 't eerst, haar 't meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want
+hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel
+Afrika kunnen wezen, zonder 'n koning! En wie anders kon dit zyn dan
+hy, Wouter, haar vrindje?
+
+Och dat veroveren van werelddeelen was zoo'n gemakkelyke zaak, meende
+hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus
+gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl
+hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen
+en die vervloekte _regula de tri_! En hy wist zeer goed dat er nog
+zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen
+veroveren kan, of zelfs koning worden van 'n kleiner land. Ook z'n
+zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de
+week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor
+z'n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen
+hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig
+vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar
+'n ander kind, iets nader aan 't grootzyn dan hy, hem den pas zou
+afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z'n vlucht neer. Hoe moest
+hy 't aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z'n moeder,
+wanneer hy op z'n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer
+uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde?
+
+Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine
+droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z'n
+verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.
+
+Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven
+worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op 'n
+salomonischen troon waarvan 't model aan z'n prentenbybel ontleend
+was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde
+'t heel wel weten "voor 't aangezicht van 't geheele volk" dat ze
+vroeger maar 'n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even
+buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield
+lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder,
+wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin
+was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En 't volk hoefde nu
+voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...
+
+Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo
+kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z'n moeder en van Stoffel,
+by-voorbeeld. Die twee mochten 't wel eens zien, vond-i, hoe al die
+menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was
+bejegend toen ze in z'n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar
+als moeder en Stoffel 't éénmaal gezien hadden, was 't genoeg. Dan
+zoud-i alles vergeven, en voor z'n moeder 'n groot huis laten bouwen,
+vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i 'n ruime school te
+laten oprichten voor Pennewip, met groote zwarte borden, inktkokers,
+schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van 't
+vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z'n ouden meester vergunnen
+daarin den ganschen dag onderwys te geven, van 's morgens vroeg tot
+'s avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de
+jongetjes vervelen..
+
+Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van 't vraagstuk hoe hy
+te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden
+stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk
+had-i z'n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry
+onverwachts zag overgeplaatst in 'n geheel anderen kring dan waarin
+hy sedert 'n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning
+noodig om te begrypen wat z'n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe
+z'n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest
+over 't verslag van de preek?
+
+Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk
+te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z'n moeder en
+Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar
+den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z'n
+bezoek uit 'n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie
+was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i
+niet erkennen zonder zekere gaping te doen in 't oog vallen, die z'n
+relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om
+de vier boeken _Mosis_ aftehandelen, en begreep dat die tydruimte
+niet te vullen was met twee taartjes en 'n kop chocola. Voorbereid op
+'t na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van 't
+oogenblik af dat-i de aschpoort en z'n molens had weergezien, had-i
+zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat 't mensch zonder genade zou
+gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.
+
+'t Was 'n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook,
+of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z'n
+hakkelen, want wie goed luisterde naar z'n mededeelingen, kon in
+waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.
+
+Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken
+van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog 'n reden
+die Wouter belette 'n duidelyk verslag te geven van z'n bezoek. Hy
+was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid,
+als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had
+hem zeer gestuit, en nu kwam 't hem voor dat er iets laakbaars lag
+in 'n aandoening die hy zeker nog minder by z'n moeder en Stoffel
+zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. "De jongen lykt wel mal,
+meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i
+boos weg. Wat is er aantevangen met zoo'n kind?"
+
+Z'n stamelen bracht evenwel 'n heel andere werking voort dan-i
+verwachten kon. Er scheen 'n reaktie te hebben plaats gehad sedert
+men hem de deur uitzond. Misschien hadden z'n beide inkwiziteurs zich
+bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheid van de
+oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z'n gewoon:
+
+--Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om 't
+háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan 'n ander...
+
+--Zóó is het, riep de moeder. 't Mensch is gek en verwaand, dat zeg
+ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo'n kind vergen kan
+dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan
+ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat
+geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo'n kind! Ze doet
+het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze 't!
+
+Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door
+z'n byval.
+
+--Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat
+zyzelf 'n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het
+mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op 'n
+kind dat pas ziek geweest is! 't Is 'n ware schande! Wat hoefje ook
+daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat
+doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...
+
+Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z'n bezoek
+gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met 'n vermaning om
+z'n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de
+verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich
+in 'n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje:
+"waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoo _sleetsch_
+was. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!"
+
+--En dan zoo'n kind 'n heel uur lang op 'n droogje te laten zitten! En
+ze had nogal gezegd...
+
+Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy
+viel z'n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z'n
+gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...
+
+Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen
+naam geven kon. Waarom toch?
+
+Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...
+
+--Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu,
+dat's hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten
+bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die
+menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op 'n ander, maar naar zichzelf
+kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel
+van zoo nu-en-dan eens, als m'n huishouden aan-kant is, wat degelyks
+te hooren uit de Schrift, of van 't Geloof, of zoowat, maar om nu
+juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In 't praten zit
+'t 'm niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat 'n mensch z'n werk moet
+doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit,
+dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef 'm z'n ouwe!"
+
+Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker,
+dat-i in Afrika alle dagen op z'n zondags zou gekleed gaan.
+
+
+
+
+
+ Onze held legt weer 'n bezoek af, en woont akelige tooneelen
+ by. Sporen van kannibalismus in _Europa_. Saturnalie op
+ dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun
+ vader mishandelen.
+
+
+Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z'n hartje beefde,
+want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en,
+na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: "maar boven te komen." Dit "maar"
+is 'n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis
+dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende
+oefening in 't gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan
+'t verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven.
+
+Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch
+naar de "studeerkamer" waar dokter Holsma bezig was met het vervullen
+van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen.
+
+Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen
+in 'n hoek aan 'n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide
+anderen, 'n knaapje van Wouters leeftyd, en 'n meisje dat een paar
+jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten
+was, en waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp
+was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit
+met kennis zoo'n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er
+nog 'n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk
+voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer,
+dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch
+prentte zich alles diep in z'n geheugen, en later, veel later eerst,
+geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die
+hy by z'n binnentreden opving.
+
+Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der
+kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar
+zoodra hy z'n figuurtje vertoonde, werd alles als door 'n tooverslag
+op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als
+soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou
+hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om 't komieke
+daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in
+'n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste
+menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de
+dokter Wouter verwelkomde, en hem 'n stoel aanwees, stond de kleine
+jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte
+hy op 'n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert!
+
+De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys 'n
+oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking
+van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig
+onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral
+kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het
+onuitgesproken: "_wie ben jy?_" heeft by zulke gelegenheden den rang
+van stilzwygende oorlogsverklaring.
+
+By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat
+het aan weinigen onbekend is. Om 't optemerken by de mensch-exemplaren
+die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk "wilden" genaamd
+worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van
+individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid
+schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken
+waarmee "dames" die elkander op 'n wandeling ontmoeten, dit kenmerk
+van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze
+meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen,
+en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van 't
+kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons
+aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet
+te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de
+_rudera_ uit 'n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons
+toeteroepen: "vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet
+wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. 'n zyden japon aan 't lyf en
+'n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!"
+
+'t Is mogelyk dat die "dames" 't zoo kwaad niet meenen, en dat
+enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie
+zouden onthouden. Ik heb de hier bedoelde _mene-mene-tekel_-woede
+waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden
+waarlyk niet in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden. Om
+evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt,
+moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo'n beestje zich
+nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan?
+
+Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van 'n dame die op de wandeling
+mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit
+niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te
+loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men
+kent haar niet!
+
+Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen
+aan Juffrouw B. 't Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in
+den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. 'n heel
+ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo
+byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit
+alles 'n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna
+niet te byten?
+
+In dat: "ik ken je niet, dus: vyandig!" openbaart zich 'n zonderlinge
+opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte:
+primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in
+holen of op boomen woonden, maar 't is te veronderstellen dat ze
+door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan
+zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en
+voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die 'n gevolg
+was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op
+gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemde deed aanzien als 'n
+indringer, als 'n veroveraar, als 'n dief. Eenmaal moet dit anders
+geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden,
+dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt
+hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.
+
+Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even
+aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma
+wel. En Willem scheen te weten dat z'n vader scherp zag. Vandaar de
+haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den
+Titus Livius die hem vandaag begunstigde met 'n _pensum_.
+
+--Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat's heel braaf
+van je. Wat heb je daar?
+
+En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:
+
+--Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel
+van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.
+
+Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde _Lady_ Macbeth,
+en wist niet recht hoe hy z'n geschenk aan den man zou brengen. Hy
+vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten
+vol boeken ... och, z'n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het
+ding wel willen inslikken.
+
+Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven
+hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links,
+en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den
+dokter kwam bedanken "voor z'n beterschap... naast God."
+
+Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten,
+en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning 'n
+ernstig gelaat vertoonde.
+
+--Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En
+heb je dan nu God wel bedankt?
+
+--Zeker, m'nheer! Alle avenden in m'n bed, en gister in de kerk ...
+
+De kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van
+ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde
+aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z'n neus
+veel harder te snuiten dan voor 't gewone doel van dien handgreep
+noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar
+de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met
+'n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.
+
+--Orrrde! riep hy met 'n donderende stem, die Wouter bang
+maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden onder
+de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde!
+
+Daar begon 'n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by
+elken slag 'n vinger op.
+
+--Ik zal jelui allemaal ...
+
+--Vyf! juichte Sietske. M'n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe:
+vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!
+
+De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. 't Was 'n _quodlibet_ van
+_gaudeamus_ en _vive la joie_, en _God save the King_... help mee,
+jongens! _Vive la vacance, le maître en pénitence... Wilhellemus al van
+Nassouwe... met de ellebogen door z'n... hoed._ Help! Herman! Help,
+Willem! Wraak, wraak, wraak! _A bas les tyrans! Amour sacré_--pak
+'m beet, Willem, jy bent de sterkste--_de la patrie ... de heer van
+Son is 'n brave kapitein ... hy regeert z'n volkje_, neen... _daar
+gang 'n patertje langs den kant_... wraak! _So, so wie ich dich
+liebe_--wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal
+de linkerhand wel houden. Toe, jongens!--_Hier ligt myn Damon_,
+neen ... _io vivat, io vivat ... boum, boum, boum_... hoera! _Dans
+son bivouac, le troubadour fidèle_ ... wraak! _Fleuve du Tage_
+... wraak! _Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall
+he_ ... wraak! _Pro salute horum_--geen latyn, riep Sietske--_hop
+maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho_ ... wraak!
+
+Wouter wreef z'n oogen uit, en vertrouwde z'n ooren niet. Wat-i hier
+zag gebeuren, ging z'n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy
+kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier
+'n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook
+het ten-hemel varen van Elias in 'n gloeienden wagen kwam hem, na
+wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman
+en Sietske hun vader, zoo'n deftigen dokter, om den hals vielen,
+tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van 't lyf plukten
+... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met 'n ouden pantoffel
+van z'n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. 't Verbaasde hem
+dat de wereld niet verging.
+
+--Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid,
+jongens! Kan ik 't helpen, dat jelui geen pleizier hebt in
+aardrykskunde?
+
+--Breng 't dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske
+die te-paard op z'n schouders zat.
+
+De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z'n
+linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan
+den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te
+deklameeren en te gestikuleeren:
+
+--O, dierbaar _Afrika_...
+
+Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde 't nest waarlyk z'n
+werelddeel aan, zyn Afrika! Was 't niet of ze 't er om deed!
+
+--O, _Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi_ ... prachtig! Nog 'n
+oogenblik, papa, dierbare schooltiran--houd vast, Willem, toe!--ik
+wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m'n gezicht
+vertrek. _Mesopotamië, mesopomamo_ ... mondvol, mooi! _Nigritië_--blyf
+staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M'n paardje
+trappelt zoo ... hu, hu!--_Aethiopië_--Herman, houd z'n beenen vast
+... niet kittelen, dan val ik.--_Marokko ... Schiermonnikoog ... hu,
+hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte
+... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal_--de les is uit,
+ik mag zeggen wat ik wil--_Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra,
+Karel de Groote_... wie vangt me?
+
+--Ik, riep Willem.
+
+Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong
+op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.
+
+--Oef! riep de dokter.
+
+--Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aan _oef!_
+Twee volle uren les, en dan terstond: _oef!_ Waar zou dat heen? O,
+neen, dierbare tiran van _Monomotapapa_, van _Monoë ... muggen,
+muggi_ bedenk dat 'n welgeschapen kind z'n rechten heeft. 't Is
+'n ware schande ... ga jy 'ns voort Herman, ik ben 'r heesch van!
+
+--'n Ware schande ... nu jy, Willem!
+
+--'t Is 'n ware schande, m'nheeren, zoo afrikaans-miserabel
+heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen
+behandelen.
+
+--Weg met de ouders! Roep mee, papa!
+
+--Weg, weg, weg met ...
+
+... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte
+hem op dien vreeselyken wanklank.
+
+--Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare
+Vader! _Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch
+huishouden ... nà de les!_
+
+--Juist, schreeuwden de jongens, _orrrde_ na de les! Dat is de ware,
+rechte orde!
+
+--En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe
+prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? 'n Zaag,
+'n zaag, papa's onschuldige liniaal is 'n zaag! O, die vaders, die
+vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!
+
+--Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa!
+
+--Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien
+oproerkreet weer duchtig gestraft.
+
+--Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.
+
+--Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan 'n halve
+sekonde les in ... de eeuw. Nooit _Sofala, Monomotapapa_ ... kom-aan,
+dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...
+
+--Leven de...
+
+Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader 'n vinger op.
+
+--Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee--jy ook,
+mannetje--mama wacht ons zeker met het eten.
+
+Willem nam Sietsken op z'n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed
+de familie de trap af. Wouter volgde, maar _Lady_ Macbeth verdween
+platgedrukt in z'n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te
+overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...
+
+Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was
+immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de
+duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep
+er niets van.
+
+In de eetkamer heerschte weder 'n geheel andere toon dan vóór en na
+vyven in de school.
+
+--Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.
+
+Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:
+
+--Papa, mag ik het doen?
+
+Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by
+de hand, en leidde hem naar 'n dame die aan de gedekte tafel bezig
+was met sla-aanmaken.
+
+--Mama, dit is 'n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe
+heet je?
+
+--Wouter Pieterse.
+
+--Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i
+... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers
+eten, papa?
+
+... die hier blyft eten, Mama.
+
+--Als mama 't goedvindt, zei de vader.
+
+--Juist, als mama 't goedvindt.
+
+Mevrouw Holsma zette Wouter met 'n paar vriendelyke woorden op z'n
+gemak. 't Was noodig!
+
+De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen
+middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem
+'n plaats aan, en 't deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z'n
+postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen
+voor z'n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde,
+verbaasde hem. Toen-i z'n handen vouwde...
+
+--Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.
+
+--J...a, m'nheer, stamelde Wouter.
+
+--Dat's 'n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd
+aan-tafel?
+
+--Ja, altyd... by warm eten, m'nheer!
+
+Er was tucht in dat huis: niemand lachte.
+
+--Bid jy er maar gerust op toe, jongen!
+
+De dokter maakte gebruik van 't oogenblik dat Wouter de oogen gesloten
+had, om zonder 'n woord te spreken z'n kinderen tot beleefdheid te
+vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. 't Was hun schuld niet, dat-i
+later inzag 'n zonderling figuur te hebben gemaakt in _dien_ kring.
+
+--Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen 't niet, en ... daaraan
+doen we misschien ook goed.
+
+--Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging.
+
+Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen
+veronderstellen. _Hy_ ... 'n overtuiging! Het korte gezegde van
+Mevrouw Holsma kende hem 'n waardigheid toe, 'n gewicht, en 'n recht,
+waaraan hy nooit gedacht had. Onder 't gebruiken van de soep, dacht
+hy voortdurend: ik mag 'n overtuiging hebben!
+
+Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon
+worden opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien
+ook--mits 'n volwassen persoon!--werd voorgesteld. De geheele kwestie
+over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als
+'t vernomen nieuws dat _hy_ 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje
+zwol er van...
+
+De dokter, die 'n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien
+Wouters gedachten namen:
+
+--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging
+te geraken, moet men veel onderzocht hebben. _Ik_ ben overtuigd dat
+onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help
+'m eens, Sietske!
+
+Sietske deed het met veel gratie.
+
+Wouter had den zin van Holsma's woorden zeer goed begrepen, en
+... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hy _voelde_
+ten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslag _vyf_ zonder genade
+ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even
+ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery,
+zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel
+heerschte.
+
+In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist inverband
+met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat
+dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen,
+lag in 't gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te
+uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets
+begreep, omdat hy--fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van
+z'n doorzicht--niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen
+zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z'n ziekte had Holsma deze
+eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort,
+die hy 't kind betoonde.
+
+Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop
+men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem
+leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak
+geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is 'n held,
+brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn
+byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy
+wist niet dat er _twyfel_ bestond, en hield dus z'n begeerte om iets
+meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts
+enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z'n weetgierigheid,
+maar 't was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z'n rechtsgevoel
+gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy
+'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't gedrag van den aanstaanden
+aarts-vader, en hy begon reeds met 'n enkel bescheiden woordje ... maar
+de dominee overlaadde hem met verwyten. "Zulke vragen pasten geen
+kind!" heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit
+Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomen
+_fair play_ was. "Men moest niet verstokt zyn." De arme jongen bad
+dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken
+zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan
+zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid
+met dien schurk.
+
+Zoo ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte
+hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden
+niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in
+z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na,
+en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n
+overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal
+op-eens genezen kon.
+
+Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van
+beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen
+veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en Pennewip, en
+dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid,
+dat er soms 'n _keuze_ tusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu,
+hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en--by Wouter in zeer
+letterlyken zin nog--kinderachtig, maar 't was zoo...
+
+Toch kunnen we 't hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe
+'t heele menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters
+onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby
+waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die
+verder-af lagen. Men behoeft slechts 't huis Pieterse en Woutertje
+zelf eenige malen te vergrooten, om 'n gelyk-soortig verschynsel
+_overal_ te kunnen opmerken. De een zweert by z'n dorp, de ander by
+z'n gemeente, 'n derde by z'n vak, enz. Zelden ontmoet men 'n wydte
+van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. 't
+Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn
+wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die
+niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs
+daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we
+toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.
+
+En een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is vinden
+wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast omliggende,
+worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen en naar alles
+te haken wat vreemd en ongewoon is. Trekvogels en hokvast te-gelyk,
+beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor 't geprezene terug,
+zoodra 't afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die
+ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van
+'t vreemde zèlf is 'n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de
+minste huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht
+van den arend bezong. 't Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem 'n paar
+vlerken zond, met 'n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die
+onderscheiding af omdat-i 't jammer vond de schulp te verlaten,waarin
+hy geen wieken bergen kon. [25]
+
+
+
+
+
+ De lotgevallen van 'n vlalepel met een handleiding tot
+ het begraven van ongelukken, 'n Oude historie uit _Straat
+ Magellaan_, niet ontoepasselyk op andere straten.
+
+
+De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets
+goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders
+gewoonlyk verkeerd beoordeeld, 't geen blykt uit de overdrevenheid
+waarmee ze het tegendeel pryzen. "Dàt zal 'n man worden!" hoort men
+dikwyls zeggen van den knaap: _qui ne doute de rien_.
+
+Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van
+buiten-af, en dus aan z'n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral
+niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming
+tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid
+met de _suffisance_ van anderen. Het mag niet ontkend worden dat
+ziekelyke zwakte 't gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging,
+en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl
+'t verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt.
+
+Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op
+de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel
+eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman,
+en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden
+nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart
+van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika,
+kon 't niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de
+vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i,
+toen z'n buurmeisje hem aan 't dessert 'n schotel roomvlâ overreikte...
+
+Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar,
+als 'n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:
+
+
+ "de dat riet en dede niet wale."
+
+
+Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben,
+den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen,
+en dat ding--met wat vlâ er by, waarachtig!--te doen neerkomen in
+Sietske's schoot? Hy deed het, _hy_! Hoogst-eigenhandig. en _proprio
+motu_! Geen Stoke kan 't goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet.
+
+Och, hoe droevig! Juist begon-i 'n beetje verder op z'n stoel te
+schuiven dan by de soep! Nog 'n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad
+gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem
+niet 'n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten
+had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om
+doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te
+schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie
+... och! Hy had liever 'n pink gemist, z'n hand, z'n arm ... alles! Ja
+... hy wou dat-i ergens onder den grond zat!
+
+Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderd was
+tot de vraag hoe z'n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond
+na de katastroof, en alsof 't er by behoorde, begon Sietske:
+
+--Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.
+
+Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter 'n anderen
+lepel aan, dien ze van 't wandbuvet had genomen.
+
+--Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.
+
+En allen drongen om 't hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook
+Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter
+voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z'n ongelukje
+te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke
+liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen,
+zag ze dat er 'n traan over z'n wangen rolde.
+
+--Mama, ik heb 'n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers
+goed? Zoo'n porseleinen ding is topzwaar... ik heb 't wel al driemaal
+laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.
+
+De moeder knikte haar vriendelyk toe.
+
+--Krygen we nu Van Noort, papa?
+
+--Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie
+begin.
+
+--Foei, papa, aan tafel!
+
+--Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie
+van maandag, woensdag en vrydag 't hevigst is. 't Huis dreunt altyd
+na de geografie.
+
+--'n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.
+
+--Oude privilegien, papa! zei Willem.
+
+--Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld,
+was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die
+barbaarsheid. Toen Herman 't eerst in de les kwam...
+
+--Zóó'n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél
+laag. Je kon geen _a_ voor 'n _b_.
+
+--Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de
+helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel
+... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.
+
+--Omdat ik je lezen geleerd heb?
+
+--Olivier Van Noort, papa!
+
+--Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo'n
+verwaand kereltjen eens!
+
+--Ik niet lezen! O papa, luister eens:
+
+Herman nam 'n ulevel, ploos er 't devies uit, en las:
+
+
+ Een vader die z'n zoontje plaagt ...
+
+
+--Dat staat er niet, riep Sietske. _l'Amour est un enfant tromp ..._
+
+--_Trompette_, zei Willem.
+
+--Olivier Van Noort, papa!
+
+Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad 'n heer
+de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid
+als oom Sybrand begroet werd.
+
+De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droeg Herman
+op, 'n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z'n studeerkamer te halen:
+
+--Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding
+kan 't niet helpen dat jelui zoo'n dommen hekel hebt aan geografie.
+
+Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den
+minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen
+reeds gezeten waren, bracht-i 't 5e deeltje mee van de "_Nederlandsche
+Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven door_ Bennet _en_
+Van Wyk."
+
+--_Lees_ nu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei
+Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend
+heeft?
+
+--O papa, al...
+
+--Nu?
+
+--Al komt er nu soms 'n domheid van my aan den dag...
+
+--Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees
+maar op.
+
+Herman las:
+
+
+ "Den volgenden morgen (5 _November_ 1599) ging men weder
+ onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straat
+ _Magellaan_ aan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden
+ besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door
+ ziekten enz. verloren hadden.
+
+ Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen
+ breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er
+ binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd
+ hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van
+ Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaats _de
+ los Virgene(?)_ weder ankerde, zonder dat men de redenen,
+ die hem daartoe bewogen, konde doorgronden."
+
+ "Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor
+ den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy--Van
+ Noort--geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam
+ de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord,
+ wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide,
+ dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken,
+ terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht
+ om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.
+
+ Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van
+ Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord,
+ dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel
+ magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord,
+ werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door
+ hem bewaard."
+
+ "Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die
+ slechts 1/2 myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug."
+
+ "Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige
+ schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit
+ was gebleven, by de andere schepen ten anker."
+
+ Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede
+ Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in
+ apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en
+ ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer
+ gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging
+ opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven,
+ ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon
+ verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...
+
+
+--De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei
+Holsma. Volgende bladzy!
+
+Herman sloeg 'n blaadjen om, en ging voort:
+
+
+ "Den 8sten (_Januari_ 1600) ging eene sloep en jol van den
+ Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat
+ in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de
+ inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die
+ er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der
+ sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de
+ dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde,
+ dat het menschenëters waren."
+
+ "Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van
+ Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen
+ de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy
+ by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...
+
+
+--Genoeg! riep Holsma.
+
+En hy tikte met 'n waarloos tuinstokjen 't boek toe.
+
+--'t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.
+
+--Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.
+
+--Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit
+aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten
+aangaande de bewoners van dat land.
+
+--Als ze maar 't ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er
+zyn vergiftigen onder.
+
+--Er was 'n _R_ in de maand.
+
+--Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen
+'n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wy _Februari_ noemen, komt
+daar in 't hartje van den zomer.
+
+--Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt
+hy in 't hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i
+byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden.
+
+--Dat is niet nader aan 'n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal.
+
+--Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel
+kouder en natter, riep Sietske.
+
+--Wat 'n barbaarsche uitdrukking!
+
+Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: "ja,
+kind!" Ze zei, 't kwam van Livius en kegelsneden.
+
+--Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die 'n oudsten broeder
+versiert.
+
+De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?
+
+Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by 't begin
+van de lezing, 'n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets
+opgeschreven. Hy beweerde dat de _taal_ van 't voorgelezene zeer
+onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden
+hem geschonken.
+
+--Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de
+verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen
+geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze
+van oude zeelui, geven ze 'n modelletje van de hedendaagsche
+rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spelling
+bepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke
+lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron 'n paar horloges op zak te
+geven, en--om de deftigheid--onzen Lieven-heer 'n staart-pruikjen in
+den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven
+is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van
+de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch
+leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar
+de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn
+dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben
+opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten
+ook de taalkenners van deze week?
+
+--Siegenbeek en Weiland, oom.
+
+--Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de
+hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies
+weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i 'n onnoodige letter meer
+of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en
+kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu "zoo" en "oogen"
+met twee _o_'s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er
+weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking
+dat er twee _o_'s zyn in "vrolykheid" en maar één in "drogen" ...
+
+--Hé, oom! riepen de kinderen, met 'n verbazing die het tegenwoordig
+geslacht verbazen zal.
+
+--Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men
+op zoo'n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen
+die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen
+dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden
+in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen
+zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.
+
+--'t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel
+bederft. Waar de "letterkundige" bekwaamheid van deze soort een
+maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in
+die boekjes gesproken van "roeiriemen" en "verdek", woorden die
+nooit over de lippen van 'n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat
+men op zeeschepen 'n "jol" heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit
+van zoo'n ding hooren spreken. Ze hebben daar 'n barkas, 'n boot,
+sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de
+verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren
+zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken,
+en geven 'n pover artikeltjen over zoo'n land of volk uit hun eigen
+"Aardrykskundig Woordenboek" in de plaats. Die berichten zyn onvolledig
+en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen
+wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit
+te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid
+der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen
+nu niet welken indruk 'n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de
+eerste bezoekers maakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis
+brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...
+
+De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!
+
+... we moeten slikken wat zekere m'nheer Van Wyk _thans_ over de
+door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke
+menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua
+naar Kanaän zond, laten terugkeeren met 'n hedendaagsche beschryving
+van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie
+zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes
+voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan
+zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat
+heb je meer in je boekje?
+
+--Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en
+Januari ging men van z'n schip met 'n sloep aan-wal om mosselen te
+zoeken. _Quaeritur_ waar die sloep vandaan kwam?
+
+--Hy kon zich 'n sloep hebben doen afstaan van een der andere
+schepen. Maar ik herinner me iets van 't maken van zoo'n vaartuig.
+
+De dokter bladerde even:
+
+--Ziedaar, zeide hy. En Herman las:
+
+
+ "Dienzelfden dag--2 December--verzeilden de schepen naar een
+ ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk
+ aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37
+ voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet,
+ waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed
+ voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen,
+ wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats,
+ verkreeg den naam van den _Oliviers-baai_."
+
+
+--Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?
+
+--De uitdrukking "_in apprehensie_ houden" bevalt me niet.
+
+--'n Stadhuiswoord!
+
+--Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.
+
+--Maar 't was 'n rechtzaak!
+
+--_Apprehendere_ beteekent aanvatten, aangrypen...
+
+--O hemel, daar komt Livius!
+
+--Neen, kind... Suetonius. _Apprehendo bucculam_--voel maar!--beduidt:
+ik knyp m'n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen.
+
+--Domme jongen, met je latyn!
+
+--En wat heb je nu tegen de _apprehensie_ van dien Ilpendam?
+
+--Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man
+zoo heette. 't Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam
+geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor 'n zeeman van zyn
+tyd gepaster voor.
+
+--Dit kan gegrond zyn.
+
+--En Van Noort dan? riepen 'n paar anderen. Die had ook 'n vàn!
+
+--Dat was 'n Admiraal!
+
+--De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.
+
+--Hm! Dien _rang_ hadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren
+tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber van
+de expeditie. 't Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by
+'t uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor 'n admiraal
+in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen over _apprehensie_?
+
+--Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis te
+_nemen_. De beteekenis van _apprehendere_ is: aangrypen, aanvatten. Men
+kan iemand niet in "aangryping" houden.
+
+--Korrekt! zei de vader. Korrekt als 'n zonnestelsel...
+
+--Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar
+hy weet niet waarom.
+
+--Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m'n breikatoen.
+
+--Willems poot heeft mama's draad in _apprehensie_ ... gehouden,
+plaagde Herman.
+
+Oom Sybrand fluisterde Sietske in 't oor.
+
+--_Hoe weet je, dat apprehendere_ "aangrypen" beteekent?
+
+--'t Staat in alle woordenboeken, kind.
+
+--Wat nu, oom? Laat me niet in den steek.
+
+Oom fluisterde: "'t is knoeilatyn, neen ... 't is latyn ... ook
+'n knoeitaal!"
+
+--'t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan,
+oom. Niet te veel te-gelyk!
+
+--Kind, bezondig je niet. Als 't niet te veel eer voor je was, zou
+ik je 't woord wyzen by Cicero.
+
+--Oom?
+
+Sybrand fluisterde.
+
+--Je heele Cicero verstond z'n eigen latyn niet.
+
+--O goden, wat moet ik vernemen, hier in m'n vaders eigen
+tuin! Kind, ga naar 't land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf
+je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster,
+gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster, _horresco_! Papa, ik ben
+verontwaardigd.
+
+--Dit schynt wel!
+
+--Je zit weer op m'n kluw, jongen!
+
+--Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me 'n flinken latynschen vloek, toe!
+
+--Vraag 'm naar den wortel.
+
+--Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel
+is van je ... Cicero?
+
+Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit
+scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord
+was. Z'n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes
+van 't gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er
+gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon
+was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen
+alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in
+dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen
+wat Juffrouw Laps "wereldsch" noemt, dacht hy, en zou nu die heele
+familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy
+vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den
+dokter over erfzonde en drieëenheid...
+
+Doch z'n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te
+staan. Wat hem bovenal trof, was z'n eigen onwetendheid. Het verdriet
+hierover werd nog grooter, toen 't gesprek 'n litterarische wending
+nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik
+ook wel kunnen _begrypen_ ... als ik 't maar _wist_!...
+
+Oom Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier
+waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde. [26]
+
+Daar kwam zoo-waar 'n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen,
+waar Wouter bleef? 't Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.
+
+--Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje?
+
+--Ja, m'nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal
+gebeurd is.
+
+--Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over
+'t vonnis van dien Jakob Claesz had ik 'n opmerking te maken. Kaatje,
+zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.
+
+Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.
+
+--Dat's waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad
+uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg
+Sybrand.
+
+Holsma schudde ontkennend het hoofd.
+
+--Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó'n
+strengheid niet noodig was...
+
+--Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees
+eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige
+van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder
+menschen die hem dooden zouden.
+
+Herman las:
+
+
+ "Den 24sten (_Januari_ 1600) werd de Vice-Admiraal Jakob
+ Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om
+ zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen,
+ en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd,
+ besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land
+ te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer
+ gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon
+ niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen
+ moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het
+ vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen
+ een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich
+ aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen."
+
+
+--Er ligt 'n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.
+
+--Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam
+de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk
+de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk
+menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou
+misschien kunnen pleiten voor zekeren graad van beschaving. Misschien
+moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand
+worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in 't Journaal van
+kannibalismus gesproken. Van 'n kind dat men aan-wal geroofd, en
+geleerd had zich eenigszins in 't hollandsch uittedrukken, vernamen
+onze reizigers dat z'n landgenooten--sommige stammen althans--zich
+daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad
+verkeerde in de _meening_ dat de ongelukkige dien men verstiet,
+onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen
+'t barbaarsche Vuurland tot beul.
+
+--En dat gebed!
+
+--Niet waar? 't Is om te yzen! Zoo'n afschuwelyke klucht na 't bloedige
+voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de
+akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die
+Vuurlanders 't ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of
+maakten ze af, zònder God. Maar zy die 't ware Geloof hadden, doemden
+den ongelukkige tot zoo'n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie
+hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid
+nog den schimp voegden van de bespotting.
+
+--Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.
+
+--Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had
+ik--voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling
+der zaak in 't Journaal--voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer
+treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het
+noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun
+tyd waren. De straf van "aan-wal zetten" schynt in vroeger eeuwen
+by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die 't
+model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo'n wys op z'n eiland
+geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke
+gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het 'n _wreed_
+gebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van
+den veroordeelde die met 'n weinig brood en wyn op zoo'n ongastvrye
+kust aan-wal stapt! Hy _wist_ wat er met de matrozen die oesters
+gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen
+moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de
+matrozen--kort geleden nog z'n ondergeschikten--hem dwongen de hulk te
+verlaten! Toen ze hem "vaarwel" zeiden! Denkt eens na, jongens, over
+de vreeselyke beteekenis van dàt _vaarwel_! Die wegvarende sloep was
+'t laatste punt van z'n aanraking met de maatschappy. Die matrozen
+zouden 't schip weerzien: hun _te-huis,_ waar ze kameraden hadden,
+en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was
+voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn
+mee, om de marteling te rekken van 't besef dàt dit alles voor hem
+verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan 't ontwyken
+van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?
+
+De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien 't Vaderland
+weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van de reis
+verhalen! En daar klonken stemmen--de ongelukkige moet ze gehoord
+hebben in z'n verlatenheid!--stemmen die aan de teruggekeerden
+vraagden: "waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn
+echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van
+Ilpendam?"
+
+Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by 't staren op den
+geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet
+hem 't aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden
+worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie
+of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig
+doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte
+het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging,
+of hy by 't strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten,
+of 'n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?
+
+Zeker zal hy aan 't strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek,
+en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede,
+van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van 't besef vooral
+dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog
+altyd 'n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn
+"_Fredrik Hendrik_" waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y
+voor Amsterdam. Daar immers voer 'n sloep, bemand met hollandsche
+matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog
+kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze
+hem op die kille kust overlaten aan z'n lot? Maar dit was onmogelyk,
+onmogelyk! Dit kon niet waar zyn!
+
+En toch, toch...
+
+Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den
+laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy
+die hem met 'n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord,
+toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?
+
+Als er 'n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden
+gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om 't arme
+dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men
+niet redden!
+
+Indien een van de roeiers 'n muts had achtergelaten aan den
+wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om 't verlorene te
+zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug!
+
+Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende
+vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van
+broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor 't laatst gezien hebben,
+haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en
+de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen,
+bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs
+de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts
+byblyven in 'n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige
+wezenloosheid der vertwyfeling. Alle aanraking met de mensheid was
+hem afgesneden, op 't vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te
+worden door 't laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.
+
+De Krygsraad vonniste "by meerderheid van stemmen" staat er. Niet
+by _algemeene_ stemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een
+minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de
+overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde
+genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in 'n zaak van dezen aard
+is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van
+het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige
+bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De
+mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van 't admiraalschip na
+de aanvankelyke uitvoering van 't vonnis, zich geroerd voelde? Het
+kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort
+zelf? Was deze niet eenmaal z'n ambtgenoot, z'n kameraad, z'n makker,
+z'n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber
+der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware
+het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet
+eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou
+'t niet zelfs kunnen liggen in 'n welbegrepen taktiek, de opgelegde
+straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid
+te versterken door 'n beroep op de thans in-acht genomen matiging?
+
+De arme balling moet _gehoopt_ hebben.
+
+Zoolang die schepen daar lagen...
+
+Helaas!
+
+Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by 't ankerwinden! Hy
+hoort het neerklikken van den pal in 't braadspil. [27] Elke
+tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden
+cylinder belet, verkort den kabel die 't schip verbindt met anker
+en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de
+richting van de plek waar 't anker den grond vat. En hy, de ervaren
+zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den
+maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig,
+verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de
+noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigen
+ruk. Gedurende het ophalen van de "bocht" liep het geklikklak van
+'t yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het
+touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die 't op den
+bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze
+werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen
+te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang
+uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter
+krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van 't kleine voorwerp,
+als 'n uitroepingsteeken op de verzekering dat er 'n stap méér was
+gedaan ter-voorbereiding van 't wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel
+loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt
+den boeg als 'n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden
+hoorns. Als 'n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de
+gestrekte voorbeenen. De _Frederik Hendrik_, _zyn_ schip, _zyn_
+trouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z'n waterlyn, en heft
+den achtersteven omhoog, en _jumpt_, en schynt zich te willen laten
+neerhieuwen in de diepte, liever dan z'n bevelhebber te verlaten, die
+daar handenwringend om genade staat te smeeken op 't vreemde strand...
+
+En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in 't
+zand, in de steenen, in 't koraal, in de spleet van 'n onderzeesche
+rots misschien...
+
+Zou die bodem medelyden met hem hebben, en 't anker niet loslaten?
+
+Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen 't laatste
+"_o... ho... ho... iiii!_" dat 'n eind maakte aan allen twyfel.
+
+De zeilen, reeds onder 't ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende
+geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd
+tot-tyd sloegen ze _back_, en vertoonden een schyn van onwil tot het
+verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun
+bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor
+de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.
+
+Maar ook dit had opgehouden. Door 'n kleine beweging van 't roer
+boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De
+zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van
+schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder
+de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen
+zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk
+vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z'n strengheid!
+
+De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk
+waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters
+maagdelyk gemoed was zeker 't meest aangedaan. Het kostte hem moeite
+zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen
+verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, 'n
+schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen
+verlatene aftehalen! Even als by die droomery met de wegvlietende
+strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die
+verwytend riep: waar blyft Wouter?
+
+Als 'n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar
+bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan?
+
+De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z'n beschroomdheid
+te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer
+moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in
+z'n toon, alsof hy 'n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de
+opmerking:
+
+--Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!
+
+Indien iemand die niet gelooft, ronduit z'n meening zegt in 'n
+kring van geloovers, neemt men 't hem zeer kwalyk dat hy den moed
+heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk
+zachtmoediger. Niemand van 't gezelschap riep: foei!
+
+Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den
+huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten
+tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen 't
+gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine
+Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob
+Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op
+Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter
+die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had,
+beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die
+hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op 'n ander onderwerp.
+
+--O zeker, m'n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere
+wys den moed hebbe opgedaan om z'n lot te dragen. En al ware dit zoo
+niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk
+eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn,
+toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was
+er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de
+onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om
+daarvan melding te maken in 't Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben,
+zéker op 't schip dat rechtstreeks onder z'n bevel stond, misschien wel
+op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe
+hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of
+hy op de aanhankelykheid en 't plichtsbesef van alle bevelhebbers,
+officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-geval
+_wist_ hy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen 't
+eerste blyk van ongehoorzaamheid en 't by-een roepen van den krygsraad,
+ligt 'n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn,
+waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in 't
+Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide
+uitgaaf die daarvan dezer dagen in 't licht kwam. Hebben de heeren
+taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige
+opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dat er reeds vóór
+'t beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit
+de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte,
+toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by 't eskader
+had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der
+oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!
+
+--'t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet
+had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van
+Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.
+
+--Misschien!
+
+--Het komt me voor, dat hy z'n plicht deed. Het behoud van _allen_ was
+hem opgedragen en daarom moest hy, waar 't noodig bleek, streng te-werk
+gaan met den enkele die zich verzette, en 'n slecht voorbeeld gaf.
+
+--Dit kàn gegrond zyn. 't Is evenwel jammer dat er in datzelfde
+Journaal blyken voorkomen van 'n ruwheid, die 't recht geven tot
+twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk
+gegaan. Van Noort heeft eenmaal 'n spaanschen loods over-boord
+doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op 't Admiraalschip
+vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen
+Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van
+de _oorzaken_ der weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien
+het hem ware te-doen geweest om zich aan 't gezag van Van Noort
+te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van 't eskader kunnen
+afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk
+geschiedde, 't Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het
+oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om 'n oordeel te
+vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis--ik bedoel,
+de groote!--is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden,
+gissen. Alleen de vreeselykheid van 't geslagen vonnis ligt ons
+duidelyk voor oogen. En wat me daarin 't meest treft, is de lakonieke
+vermelding van de waarschynlykheid dat "de inlanders den veroordeelde
+wel zouden afmaken." Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is,
+de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of 't gebruik-maken van
+hun wreede eigenaardigheid? 't Menschen-eten is verboden, maar wel
+scheen het geoorloofd, aan mensch-eters 'n mensch te eten te geven. De
+Romeinen wierpen hun misdadigers in 't wilde-beestenperk. Hier zien
+wy de funktien van verscheurend dier opdragen aan _menschen_!
+
+--'t Waren _wilden_...
+
+--Ja, maar zy die 't vonnis sloegen, gingen voor _beschaafd_ door. En
+bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds
+als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z'n
+onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door 't zien
+van voetstappen ontdekte dat z'n eiland _niet_ onbewoond was. Och,
+kinderen, 't is zoo treurig dat de mensch 'n vyand van den mensch is.
+
+--De beschaving...
+
+--Beschaving legt 'n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens
+altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op,
+met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we
+niet kennen!
+
+De dokter zag Willem even aan.
+
+--Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van
+de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand
+is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken,
+werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door
+zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?
+
+Holsma sprak hierop weder van beschaving, van de _ware_ die iets
+anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er
+in geestelyke ontwikkeling 'n hefboom ligt om 't zedelyk standpunt
+te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen
+of minachten van 't onbekende veelal voortsproot uit gebrek van
+zelfkennis.
+
+Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de
+huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.
+
+De dokter namelyk had 'n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel
+op welk onderwerp 't gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die
+treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m'n redenen
+voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.
+
+
+
+
+
+ Een splinternieuwe _gradus ad Parnassum_, niet precies
+ dezelfde die _Faust_ ten-geschenke kreeg van _Mephisto_. Twee
+ ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken
+ omtrent 'n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.
+
+
+Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal 't hem bevreemden
+te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed
+uitoefende op 't ontwikkelingsproces van z'n geest. Het spreekt
+vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was 'n kiem
+van verandering in z'n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt
+worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu
+toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf
+zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid
+ontbrak. Niet hy, Wouter, zou 'n meening hebben, maar hy begon toch
+intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z'n omgeving,
+en dit was 'n groote stap.
+
+Boven alles echter--heel gelukkig inderdaad!--drukte hem z'n gebrek
+aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier
+gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy,
+en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z'n koningen
+Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme
+jongen had nooit iets van De Foe's kluizenaar gehoord. Hy vroeg aan
+Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als
+Wouter den naam van Robinson maar onthouden had.
+
+--Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet
+zegt welke voetstappen? Voetstappen van _wien_, meen ik. Men moet
+altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.
+
+--Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En
+maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu,
+de knecht zal zeker uit geweest zyn.
+
+By al de verhalen die Wouter omtrent z'n wedervaren werden afgeperst,
+had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die
+in z'n omgeving niet te rekenen hadden op 'n gunstig onthaal. Geen
+woord van de saturnalie! Niets van 't verzuimd bidden by warm
+eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich
+schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan 't
+gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring
+minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan
+beerevellen! Maar dit ging z'n berekening te-boven.
+
+Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel "fatsoenlyk"
+geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk
+te weten wat ze bedoelde, daar hy in z'n gemoedje noch ondervinding
+noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien
+topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy
+wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z'n
+moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske,
+z'n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan
+hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter.
+
+Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z'n gedwongen
+afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit
+voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden,
+niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand
+was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! "Van
+my zal nooit iets terecht komen!" zuchtte hy.
+
+Hy verscheurde z'n _Lady_ Macbeth die hem leelyker voorkwam dan
+ooit. En ... Ophelia?
+
+O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem
+zeer slecht voor. Was 't omdat ze maar 'n bleekmeisje was, en omdat
+de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren?
+
+Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal
+of moord. Hy kon niet leven met zoo'n zelfverwyt, en nam de eerste
+gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want 'n schuld wàs het,
+naar-i voelde.
+
+En dit gevoel gaf hem moed. Met z'n gekleurde prent in de hand,
+stapte hy ditmaal moedig 't welbekende hekje binnen, en klopte aan
+de deur van Femke's huisje. Er werd "binnen" geroepen. Z'n hart
+bonsde benauwend, maar nu moest-i z'n heldenstuk wel dóórzetten. Hy
+stond op-eenmaal voor 't meisje, dat met haar moeder bezig was
+aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m'n held stopte kousen,
+ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! 't Is hard voor 'n schryver,
+zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid
+de eer te geven die haar nog altyd toekomt...
+
+Want afkeer van praktischen eenvoud _is_ bederf!
+
+... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen
+hem in 't minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en
+valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.
+
+Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy 't aanlei om z'n bezoek te
+rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van 'n gesprek
+zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor
+'t nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele
+hoe de overgang geschiedde, tusschen z'n bedremmeld binnentreden
+en 't plaatsnemen op 'n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk
+toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden
+blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:
+
+--Ah!
+
+En ze had hem de hand toegereikt.
+
+--'t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als
+begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. 't Is de kleine
+jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek.
+
+--Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van
+de wurmen?
+
+--Wel neen, moeder! 't Kind heeft zenuwkoortsen gehad.
+
+--Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de
+wurmen komen kan. Geef 'n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt
+immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent...
+
+Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer
+hinderden dan haar kousen. 't Mensch scheen zich voorgenomen te hebben
+hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.
+
+--En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik 'n ander wil
+onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met
+'r waschvrouw... 't kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf
+de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in 't goed zyn,
+maakt Fem ze 'r uit, met "zuringzout" weetje? En nooit raakt er
+'n stuk weg ... ja, eens is 't gebeurd, 'n paar mansetten, maar die
+hebben we vergoed met 'n zesthalf ... vraag maar aan Femke.
+
+Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel
+anders te vragen had! Vrouw Claus maakte 't hoe langer hoe erger. Ze
+tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was,
+ze stoorde, belemmerde en bedierf de _werkelyke_ vlucht van z'n gemoed,
+die beter pleging verdiende.
+
+En zie, het meisje begreep 't ongepaste van dien wanklank! Zou dit
+aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was 't 'n gevolg van de
+betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke
+jeugd 'n rol?
+
+Van alles wat, misschien. Doch zeker is 't, dat de herinnering aan
+de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van
+Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had
+Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik
+waarmee hy by die gelegenheid z'n welsprekendheid getooid had, te
+bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke's smaak was niet
+geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheid _het_
+schoone, _het_ verhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich
+gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder
+aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan 'n eind te maken. Maar ook
+hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de
+rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek
+toch wat ... peruaanscher!
+
+'t Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het
+rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield?
+
+Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit 'n geschenk voor háár
+was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin
+doorstraalde, en verzekerde met 'n eenvoud die meer ernst bevatte
+dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.
+
+--Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want
+... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar
+thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust
+aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat
+het niet goed gestreken is. De ruimte zit in 'n plooi over 't stiksel
+heen. Ook is 't slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem,
+is 't niet streeperig?
+
+Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed
+gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin
+alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo
+was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het
+scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.
+
+Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken
+wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om 'n gesprek
+aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy 'n uitgang. Er
+moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en:
+"de jongeheer kon wel 'n eindje meegaan."
+
+--My wel, zei de moeder.
+
+Het jonge paar vertrok.
+
+Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter
+een der paden in, die in den omtrek van Amsterdam _de_ paden genoemd
+worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht
+van indrukken meenemen om zich niet te vervelen.
+
+Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen,
+dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig
+gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen
+kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht
+had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was
+te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder,
+indien Wouter eens mocht terugkeeren...
+
+--O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken?
+
+--Ja, zei 't meisje aarzelend maar toch met 'n flinkheid die Wouter
+verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb 'n mis
+laten lezen voor je beterschap.
+
+--Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb
+je dat heusch voor me gedaan?
+
+--Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je
+gestorven waart. Ik geloof dat je-n-'n goed jongetje bent.
+
+--Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken,
+ik durfde niet.
+
+Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het
+meisje schreef z'n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe.
+
+--M'n moeder is 'n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort
+doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet,
+met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik
+kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje,
+want voor 'n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. 't Was by
+'n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van
+beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever,
+of je nu heelemaal beter bent?
+
+Wouter gaf verslag van z'n ziekte, en geraakte onwillekeurig op
+'t onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z'n onkunde.
+
+--Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet
+onderwezen op m'n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit
+'n groot man worden.
+
+--Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie
+eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt.
+
+Wouter had eenige moeite haar aan 't verstand te brengen dat hy iets
+anders bedoelde dan 't bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem
+niet verwerpelyk voorkwam.
+
+--Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja,
+hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou...
+
+De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had
+den moed niet, z'n eigen droomen in woorden overtezetten.
+
+--Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in
+'t zuiden, heel ver ... ik zal 't voor je uitteekenen. We kunnen hier
+wel 'n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen
+wat ik bedoel.
+
+Hy geleidde 't meisje naar 'n stapel gezaagde planken, en nam daarop
+naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar 'n takje had weten machtig
+te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om 'n wereld in 't
+zand te teekenen.
+
+--Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit
+twee helften ... als pannekoeken ... kyk, 't lykt wel 'n bril. Nu,
+met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet
+'r gerust je voet op. _Hier_ wonen wy ... daar ligt Engeland ... heel
+omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen
+niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er
+'n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. 't Staat in 'n
+boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren,
+en kleeren geven, en zorgen dat er in 't heele land geen onrecht
+geschiedde, en dan zouden wy...
+
+--Ik ook? vroeg Femke verbaasd.
+
+--Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man
+en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat
+jy dan ...
+
+--_Ik?_ Koningin?
+
+Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande,
+al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd.
+
+--Maar ... wil je dan niet m'n vrouw worden?
+
+--Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan
+haalt. Weet je dan niet dat je nog maar 'n kind bent?
+
+--Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen
+voor je vrindje?
+
+--Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet
+dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er
+gaan zooveel menschen op-reis! By ons op 't "pad" woonde vroeger 'n
+timmerman, die met z'n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar
+... trouwen!
+
+Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen
+trof 't ongelukkig met z'n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd
+het meisjen ernstig:
+
+--Ik geloof dat je 'n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel
+van je...
+
+--En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m'n
+ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet
+weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar 't zal wel aan jou
+geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken
+alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te
+lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco
+of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke,
+mag ik je vrindje wezen?.
+
+Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar
+onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van
+'n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was
+zich 't zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters
+... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook
+ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf
+ditmaal naar 'n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan
+'n lach.
+
+Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid
+die onmiskenbaar in z'n toon lag.
+
+--Zeker, zéker mag je m'n vrindje zyn! Maar ... maar ...
+
+Ze zocht 'n voorwaarde, 'n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch
+terugvoerde naar 't standpunt dat z'n leeftyd hem naar hare meening
+aanwees. Hy was gegroeid sedert z'n ziekte, dit is waar, maar toch
+... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad
+doortedragen, hem die 'r zoo prettig van droomde háár te redden uit
+'n brand.
+
+--M'n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen
+wat ik verlang.
+
+Alles slechts? Och, 't kwam Wouter zoo weinig voor!
+
+--Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan!
+
+'t Werd benauwend voor 't meisje. Want ze wist niet wat ze eischen
+zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had
+altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem
+eens dáártoe aanspoorde?
+
+--Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m'n moeder verteld dat je-n-'t
+knapste jongetje van je school was ...
+
+--Ik? riep Wouter met komieke verbazing.
+
+Het schynt zonderling--doch we nemen dezelfde anomalie in de
+groote-menschenwereld waar--dat hy nooit had achtgeslagen op de
+onevenredigheid tusschen z'n hoogdravende aanspraken en verregaande
+onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te
+opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust
+was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen
+kon op eigenwaan. De allereerste in 'n heel werelddeel... dit kon
+wel. 't Wenschje was billyk en matig, maar:
+
+--Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei
+Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje,
+anders mocht misschien m'n moeder te weten komen dat ik over je gejokt
+heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt...
+
+--O, Femke, ik zal het doen!
+
+--Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.
+
+Zoo zond ze hem weg. By 't afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te
+groot geworden was om hem 'n zoen te geven. En toen pater Jansen, die
+'n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent
+had ...
+
+De man zei dat Ophelia in 't Hollandsch zooveel beduidde als Flora
+die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes
+geweest was.
+
+...toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal 'n heel klein
+kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen,
+maar toch:
+
+--Och, heeroom, die prent is van 'n jongetje, van 'n klein jongetje. 't
+Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder
+dan negen is-i zeker niet!
+
+--Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!
+
+--Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog
+'n kind is.
+
+Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in
+'n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe
+uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.
+
+"O, Femken, ik zal het doen!" had Wouter gezegd.
+
+Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips
+schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter
+begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst,
+geen andere bedoeling had dan z'n eigen belang. Maar die bedoeling zelf
+was liefelyk, en 't zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i,
+na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen
+doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles,
+maar ... juist dit ééne niet!
+
+Dat-i liever z'n dame gediend had in 'n gevaarlyke expeditie, spreekt
+vanzelf. Maar men heeft z'n heldendaden niet voor 't kiezen. Herkules
+en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen
+met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam
+z'n taak ernstig op. Hy begon z'n "_Ippel_" z'n "_Strabbe_" z'n
+"_Oefening in 't kunstmatig lezen_" z'n "_Vaderlandsche_- en andere
+_Geschiedenis_-boekjes" lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy
+onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs
+over "_Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden_" begon
+z'n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle
+andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid
+van hun werk.
+
+Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde
+hem 'n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem 'n Meduza-kop tot
+schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje
+mocht oppassen!
+
+Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk
+waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van
+de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen:
+
+--Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is
+... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos,
+of ... zonder voorbeeld!
+
+De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker
+opstel heel kordaat van 'n wyf had gesproken: "dat zyn muts betastede
+en op deszelfs hoofd zettede."
+
+Was 't niet jammer, de lieve geestdrift van 't kind te verknoeien
+aan zulken onzin? [28]
+
+
+
+
+
+ _Wouter_ moet 'n beroep kiezen. De keerzy van
+ den roem. _Wouter's_ begrippen over kommanditair
+ wereldbestuur. Oorzaken van 'n ergernis die, viâ _Missolunghi_
+ uitloopt op _Femke_.
+
+
+Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken
+by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken
+kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was,
+en bovendien 'n _iongen_n die tegenover meisjes altyd eenige jaren
+minder telt dan z'n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder
+de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z'n broêr Stoffel.
+
+--Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom
+is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad,
+waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.
+
+--Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar
+ik wou nu maar weten wat we met 'm zullen aanvangen. Letterzetten
+wil-i niet. En naar zee ... nu dat's me-n-ook wat!
+
+"Dat 's me-n-ook wat!" beduidt: 't is te gek om van te spreken. Onder
+de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert
+eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte
+lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit
+geweest--er was iets Afrikaansch in--maar hy voelde zich daarin
+versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De
+gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.
+
+Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen,
+had-i z'n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige
+afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen
+namelyk, is de zeevaart--als baden en zwemmen--'n uitspatting,
+'n misbruik, 'n losbandigheid, 'n paradox, 'n _hors d'oeuvre_ of
+'n ondeugd.
+
+--De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo'n affront, riep de
+moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen,
+dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je
+dan nooit ophouden met akeligheid!
+
+Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van
+onbekende koninkryken, van Straat _Magellaan_... helaas!
+
+Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende
+voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich
+aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in
+zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.
+
+En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen
+die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen
+schoenmaker, geen leerling op 'n notariskantoor, geen bediende in
+'n winkel, geen aptekersjongen...
+
+Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z'n tegenzin
+in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die
+men tegen het door hem gekozene inbracht.
+
+De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de
+verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd,
+dan by zulke gelegenheden wel eens 't geval is. De meer of mindere
+kans op "geld-verdienen" werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en
+zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood om _zeer spoedig_ "in de
+verdiensten te komen?" Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid
+schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over 't "worden van 'n
+nuttig lid in de Maatschappy" voor-den-dag te brengen. Toevallig--en
+zeer by-uitzondering--had-i hier met 'n kind te doen dat deze versleten
+en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets
+tot-stand brengen, iets leveren:
+
+
+ de plaats betalen die het lot hem bood.
+
+
+...en iets meer dan dat, als 't mogelyk was! Kon hy 't helpen dat
+het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot
+het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z'n lust tot de
+zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar
+'n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop
+dat-i daarin gelegenheid vinden zou...
+
+Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z'n verbeelding
+voorspiegelde? [29]
+
+Na 'n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen,
+dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: "dat
+Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel." En juffrouw
+Pieterse was dit volkomen met hem eens.
+
+Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel
+omdat-i niet recht wist wat het was.
+
+Hy vroeg 't aan Stoffel.
+
+--Wel, begryp je dát nu alweer niet? "In den handel" beduidt zooveel
+als... koopman worden.
+
+--Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de
+menschen noodig hebben?
+
+--Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de
+huizen liep met 'n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te
+vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd
+even dom. "In den handel" zieje, beduidt zooveel als...
+
+Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over 'n definitie
+struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebben by
+zulke gelegenheden terstond 'n bondgenoot by de hand, die hen zoo
+flink uit den nood helpt als hier geschiedde.
+
+--Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw
+Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd,
+en je houdt je weer net of je 'r niks van begrypt. Wie ter-wereld
+heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met 'n pak
+op je rug, als 'n oliekoop of 'n _mersan de la perreplu_? Heb ik je
+daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent
+'n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie
+trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert!
+
+Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen 't vreemd
+vinden--en onbillyk misschien--dat Wouter hier begraven werd onder
+'n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O,
+neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop
+nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse 'n ware
+virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook
+'t woord _parapluie_ in haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze
+volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar
+gebezigde uitdrukking 't onvervalscht refrein was.
+
+Maar... als nu Wouter eens "in alle bescheidenheid" de opmerking
+gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel,
+dan had men hem bedolven onder 'n tweede predikatie over de verregaande
+brutaligheid van 't gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden
+inderdaad 'n fout _is_.
+
+Niet zoozeer omdat-i dit inzag--daartoe is dieper wysheid noodig dan
+hem gegeven was!--als wel uit ongewoonte om z'n meening te zeggen, die
+toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid
+de vereischte inlichtingen te vragen aan z'n Egeria, aan... Femke.
+
+Dat hy, in-weerwil van z'n onkunde niet ontevreden was met het
+vooruitzicht "in den handel" te gaan, is niet onnatuurlyk. In de
+eerste plaats zou 't vervelende school-gaan 'n eind nemen. Dit was
+'n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering
+van standpunt, mat-i af naar z'n hoop, en naar den wensch om _iets_
+te zyn, wàt dan ook! 't Zou dan toch al heel slecht geschapen staan
+met "handel" wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan 'n
+geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate
+hy hooger stond aangeschreven in Pennewip's achting. Het was namelyk
+ten-zynent 'n _tic_ geworden--en z'n by uitstek domme zusters deden
+dapper mee--hem z'n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en
+kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als 'n verpletterend
+servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door
+verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht
+met z'n veronderstelde schoolwysheid. Z'n onoverwinnelyke tegenzin
+in zuurkool, byv. "paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten
+kende" en als-i na 'n wandeling wat later thuiskwam dan hem genadig
+was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu 't goede gedrag
+was van iemand die zoo'n uitstekend onderwys te danken had aan z'n
+moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek?
+
+De bespottelyke ingenomenheid met Wouter's vermeende gaven, maakte
+hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en 't had er veel van
+of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht.
+
+Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den
+minsten grond om aan die laatste veronderstelling 'n plaatsje te
+gunnen in z'n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware,
+zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner
+omgeving 'n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige
+bezorgdheid voor z'n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de
+onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting,
+de gezellin behoort te zyn van 't goede.
+
+De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze
+liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en 't
+christendom--vooral het dor protestantismus!--hebben er geen goed
+aan gedaan.
+
+Is 't wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy
+die 'n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan
+te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt
+had? Het eeuwige vitten van Wouter's moeder was alzoo goddelyker
+dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was,
+toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: "ik doe daar m'n
+godsdienst mee!" Wel zeker!
+
+Het verspreiden van geluk, en 't zoeken van genot in deze
+levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter's
+omgeving. Met den besten wil mogen wy dus 't verdriet dat
+hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van 't
+hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende
+beroemdheid.
+
+En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel
+andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen
+gissen. Al de geneesmiddelen die men hem--al was 't dan doelloos--ingaf
+tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan 'n
+zelfgevoel dat waarlyk de perken van 't ooit _da gewesene_ ver
+te-buiten ging.
+
+"Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de
+toekomst, tot het brutale toe?"
+
+Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van
+Afrika wilde worden?
+
+Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: "of 'n bleekersjongetje?"
+
+Was ook dat onbescheiden?
+
+Neen, niet zulke nietigheden waren 't onderwerp van Wouter's
+ongeëvenaarde eerzucht. Z'n wenschen zweefden hooger dan dit alles,
+en wanneer-i droomde van koningschap, was 't by-wyze van spreken,
+en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze
+vlucht zyner begeerten, 'n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen
+'n bleekveld en 'n troon uit het oog verloor.
+
+De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy
+onderging onbewust den indruk van 't verhevene, en z'n onwetende
+ziel doolde rond in 'n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen
+had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op
+'t gebied van het goede wilde hy 't hoogste grypen, het moeilykste
+tot-stand brengen. Z'n weifelen in keus was 'n natuurlyk gevolg van
+onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z'n verbeelding
+terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z'n ongeoefend
+oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo 'n rol werd gespeeld door
+de gewone fout van edele harten--'n zeer ongewone fout dus!--om de
+zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van 't gebracht
+offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde
+tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf
+niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe
+gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken-
+en schildslag te doen bekend maken dat er 'n ridder was aangekomen,
+die om de klandizie verzocht van wat martelary!
+
+"Later, later!" dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche
+en huiselyke banden. Dan zoud-i 'n werelddeel gelukkig maken. En nog
+een. En nòg een...
+
+Helaas, er stonden er maar vyf in 't boekje van z'n geografie!
+
+Vyf werelddeelen slechts! 't Is niet de moeite waard om van te spreken.
+
+Wat dàn? Wat daarna?
+
+Hier begon zich z'n fantazie te verliezen in de ruimte, en
+'t firmament verwarrende met 'n gedroomden onstoffelyken hemel,
+naderden z'n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als:
+God. Maar dit bevredigde hem niet.
+
+Geen "_Weg ter Zaligheid_" en geen katechismus was er in geslaagd
+het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg,
+en waarmee hy zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding
+vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen,
+het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo'n
+Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n
+natuurlyken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde hy
+zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling
+ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den
+lezer inzage te geven in Wouter's stamboom.
+
+Hoe hy 't aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van 't
+goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed
+kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde
+gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid
+waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld. Het kind kan niet
+nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes
+of schooltaak--om nu niet te spreken van 't pynlyk stil-zitten in
+de kerk--en al van-buiten leerende "dat God zoo byzonder groot is"
+geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan 'n
+straatgoochelaar, 'n kunstpaardjen of 'n handjevol kersen. Jazelfs
+'n "kip te water" is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die
+vervelende "Heer."
+
+Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan
+te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van
+onverschilligheid te maken, het onderwys in de "godsdienst" uitstelden
+tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich 'n veel
+lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun
+pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want
+"godsdienst" kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten
+worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat
+de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten 'n bescheiden
+plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers
+reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in
+z'n opvoedings-systeem het "breien en merken", waarin z'n ega zoo
+uitmuntte, tot parallel-studie verhief van 't "psalm-zingen" en de
+"leer der Zaligheid."
+
+Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus--of liever,
+juist omdat z'n god van school en katechizatie maar 'n onderwerp was
+van leeslesjes--hy zag er geen bezwaar in, 'n geheel ander wezen in
+z'n hart te dragen. En Jehovah schikte zich.
+
+Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs
+niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich,
+hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met _zyn_
+begrippen over 't goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei
+verbeteringen intevoeren, zoodra hy...
+
+Wanneer? Hoe?
+
+Dit: _wanneer_ en dit: _hoe_ speelden de hoofdrol in z'n gedachten. Het
+denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem
+neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens
+kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die
+hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z'n
+wil. Later--mymerde hy dan--als-i zou aangekomen zyn op 't punt waar
+hy wezen wilde! Later, als zyn God--dit was hyzelf, maar hy wist het
+niet--ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou 't z'n
+gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende
+jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En,
+bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben
+opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van
+z'n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die
+in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy
+droeg z'n hooggestemde levensopvatting in z'n binnenste, als 'n kool
+vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maakte hem onvatbaar voor menige
+andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar...
+
+Ja, waarheen?
+
+Waarheen? Wanneer? Hoe?
+
+Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!
+
+Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er
+nog veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En
+dit toch was z'n roeping, naar-i meende. De straat was slecht
+geplaveid. Daar ginds stond 'n huis op 't instorten. Leentje stak
+povertjes in de kleeren. Er was onlangs 'n arme blindeman in 't water
+gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te
+helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En,
+nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde,
+waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen.
+
+En telkens als er regen noodig was, bleef 't weken lang droog
+weer. Maar 't plasregende als alles onder water stond. En dan las men
+in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet
+oost. Wouter's God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest,
+en dus nog dommer te zyn dan zoo'n krant.
+
+Is dat 'n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat 'n wereld
+regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder
+almacht, zònder God!
+
+O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken
+streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke
+gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol
+van. Alleen God scheen alweer niet op z'n post te zyn. Marko Bozzaris
+en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar 't hielp niet veel. En al de
+Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren
+van 'n glad verkeerd geloof, 't Hielp nog niet. Zelfs hielp 't niet
+dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk
+op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch
+werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards
+vermoord. Wouter's historische en krygskundige kritiek ging niet
+ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy
+hield zich aan de verantwoordelykheid van z'n god, en was recht boos
+over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder
+ditmaal niet voorwenden. De zaak was _notoir_, want de kinderen op de
+straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken,
+en 't voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig
+orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de
+onverschilligheid van Wouter's god.
+
+En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim
+zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar 't verre
+Engeland... _hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel,
+scheepvaart en 'n yzergietery. Beeft by 't hooren van 't Nederlandsch
+geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ook
+bezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm:
+koninklyk. Getal inwoners ..._
+
+Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas--dichter en lord was-i
+ook--had er z'n zinnen opgezet om 't land uitteloopen, en met de
+Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z'n
+vaderland ...
+
+Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen--en met pleizier!--om
+aan z'n god en die Turken 'n lesje te geven als-i maar... permissie
+had kunnen krygen van z'n moeder, d. i. als-i maar niet 'n armzalig
+schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen
+engelschman gevraagd hoe men 't toch aanlegt om lord, dichter en
+held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich
+optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een
+voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die "geloofd
+zal hebben en gedoopt zal zyn" kwam hem niet byzonder wenschenswaard
+voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en
+genade--altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie,
+en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou--maar
+de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In
+z'n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als:
+"Wouter's _begrafenis by Thermopylae_." De lykstaatsie bewoog zich
+over 'n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo
+breed als de prent maar eenigszins toeliet.
+
+Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...
+
+Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten
+laaghartig misbruik van z'n verdrietige onvolwassenheid. En die
+m'nheer Byron ook.
+
+Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van 'n mededinger,
+die--geheel buiten zyn schuld immers--nog niet gereed was? Ook deze
+onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo'n
+verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap
+mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was?
+
+Dan zoud-i...
+
+Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen?
+
+Alweer die martelende vragen!
+
+Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor 't kiezen
+had gehad, waar-i door ontlasting van z'n gemoed z'n wrevel had mogen
+verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien
+aan Femke's borst.
+
+Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die 't verband zouden
+begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was,
+die hy zoo verwenschte.
+
+Ik geloof namelyk dat Byron--in-weerwil van z'n verzen dan--inderdaad
+dichter was.
+
+
+
+
+
+ _Wouter's_ eerste studien in menschenkennis. _Il y perd son
+ latin_. _Leentje's_ extra-woordenboeksche bydrage tot de
+ kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.
+
+
+Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter 't oogenblik aan, waarop hy
+begon zich rekenschap te geven van 't verschil tusschen _uiting_ en
+_daden_, of--want hiermee nam z'n studie 'n aanvang--tusschen _woord_
+en _meening_. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds
+om niet z'n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste
+aanleidingen die hiertoe meewerkten, was 'n schynbaar onbeduidend
+voorval. Hy had op last van z'n moeder iets in 'n winkel gekocht,
+en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was
+'t eens: "dat dit nu al heel dom was voor 'n jongen die....
+
+Volgt: de schoolknapheid.
+
+...en: die in den handel zou gaan."
+
+--Maar, moeder, de man zei toch....
+
+Allen berstten uit in schamper gelach.
+
+--Als men dáárnaar luisteren zou!
+
+--Nu, wat men in zoo'n winkel zegt!
+
+--Uiliger heb ik 't nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo'n man
+bly is als-i z'n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?
+
+--Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?
+
+--Wat is er aantevangen met zoo'n kind!
+
+De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter's hoofd
+losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by
+Leentje geen troost vond.
+
+--Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.
+
+Dit "ikzelf" was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde
+zoowel: "ik, 't hooge hof van appèl!" als: "ik, die anders zoo
+graag party voor je trek." Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor
+Wouter's eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van
+allen. Leentje zelf had het nu gezegd.
+
+--Maar de man zei toch...
+
+--Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet?
+
+--Maar ... hy gaf er z'n woord op!
+
+--Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen
+ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter....
+
+Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in 'n burgerlyke
+boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op
+beter lyst. Leentje's woorden hadden verdiend te weergalmen langs
+onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen
+door de spleten van 'n _krypt_. By de diepte van haar wysheid zou
+'n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch
+bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met
+overlyden aan ergernis over 't ontsluieren van 'n nieuwe waarheid. De
+geheimzinnige Isis zal de mond openen...
+
+--Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo'n man de waarheid zegt
+of niet!
+
+--Wel, jongen...
+
+De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren
+wisten wat er volgen zou.
+
+--Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de
+menschen je zeggen, is maar _fut_, zieje!
+
+Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot 'n lager
+soort van spreekwys behooren, was 't hem zeker meermalen in 't oor
+gedrongen, doch altyd afgegleden op z'n onnoozelheid. Hy had het nooit
+in z'n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in
+termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog
+zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse
+van rededeelen 't gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch
+'n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in
+Leentje's toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder
+redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon
+herinnerde hem aan 'n stembuiging, aan 'n toonval, aan 'n melodie....
+
+Neen, 'n melodie was 't niet! Waar toch had-i--en onlangs nog--iets
+gehoord, dat ... dat....
+
+Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar
+maxime als 't ware 'n weerslag was....
+
+Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy
+herinnerde zich haar: "wel zeker, ieder moet handelen naar z'n
+overtuiging!" en op den klank af, begreep hy Leentje's apodiktische
+uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien 't woord
+"fut" bekleedt in de nederduitsche taal.
+
+"Zelf uit de oogen zien!" En "ieder moet handelen naar z'n eigen
+overtuiging." Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan
+dan....
+
+Ach, z'n nieuwe wysheid haalde hem dien dag 'n verdrietig geval op den
+hals. 't Was diep in 't voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen
+'t hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand,
+begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de
+nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid
+dit, of zoo-iets, te zeggen.
+
+Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog
+nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden,
+ieder behalve die ondeugende jongen, die op z'n school....
+
+--Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of 't geen schande-n-is! De aardappelen
+zyn verleje-n-Oktober "opgedaan" en de man zei, ze konden best
+twee jaar duren, want, zeid-i, 't waren expresse winteraardappelen,
+overblyvers...
+
+--Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo'n man zegt, is... _fut!_
+
+--Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu
+ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik
+zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg, heelemaal
+leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor't schavot? Ja, voor 't
+schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, 'n ware zonde! Mag
+je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt
+zeg _ik_ maar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet
+je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van
+versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zeg _jy_, Stoffel?
+
+Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel
+voldoening had van z'n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde
+by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.
+
+--Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet
+heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje,
+in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom
+niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je 'n mensch z'n moeder
+... gut, _ik_ lust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je
+moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar
+exkuus, en zeg dat je 't nooit weer zal doen.
+
+--Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht
+vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z'n
+overtuiging, niet waar?
+
+De laatste opmerking ging Leentje's sfeer te-boven. Ze bleef er by
+dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend
+voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy....
+
+Wanneer? Waar? Hoe?
+
+Indien de oorzaak van z'n ergernis zich bepaald had tot de
+slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad
+tot tevredenheid. Kort na z'n vreeselyke schavotzonde kwam hem
+'n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By 't
+behandelen van een der jonge-juffrouwen--in den burgerstand zyn altyd
+'n paar huisgenooten ziek--had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er
+doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend
+gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de
+man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z'n moeder haar
+denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op 'n wys die
+niet paste by Holsma's toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot
+was z'n verbazing, toen-i z'n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde
+worden in geheel andere richting dan onlangs toen _hy_ zich beklaagd
+had over dezelfde zaak.
+
+--Juist, dokter, zei ze. _Ik_ zeg ook dat het geen behoorlyk eten
+is. En de kinderen ook. En Wouter ook. 't Kind kan ze niet eten, die
+glazige dingen! En als 't nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen:
+wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we
+'t goddank niet te overleggen, en _ik_ zeg ook: liever goeie boonen
+dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m'n oudste
+dochter--Trui heet ze, maar we noemen d'r Sertrude--zy heeft óók
+gezegd: niet waar, Trui?
+
+--Ja, moeder.
+
+Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd
+hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z'n kinderen verwacht
+werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in 't late
+voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die
+Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet
+alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als 'n oude bekende
+dien men byzonder genegen was. 't Spreekt vanzelf dat Wouter niets
+van dien ommekeer begreep.
+
+En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen
+aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen
+inteboezemen op z'n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had
+haar niet weergezien sedert z'n ... zonderling bezoek, en wist dat
+ook z'n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van
+háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent
+gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy
+wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot
+drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had
+z'n afgelegd examen--of wat daarvoor heette doortegaan--'n normaal
+verloop genomen. Maar nu?
+
+Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet
+waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier 't
+mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit "iets"
+zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z'n moeder in
+den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had
+beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe
+nu, indien zy aan 't licht bracht dat er over al die schoone vakken
+geen woord gewisseld was, en dat Wouter's kwikzilverachtigheid daarvan
+de schuld droeg?
+
+De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige
+stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den
+bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen
+tot wrevelige klacht. Hy zocht 'n middel om 't huis te verlaten,
+en was juist gereed met 'n voorwendsel, toen er gescheld werd:
+
+--Daar is ze, riep Petro die 't spionnetjen in 't oog had. Daar is
+ze-n-al. Ze heeft 'r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen
+op 'r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar 'ns open, als
+'n jongen!
+
+Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo'n wys hielp 't uitgaan niet
+veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:
+
+_Tweede verwondering_.--Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur
+te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat
+je zoo'n best kind bent!
+
+En ze gaf hem 'n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid
+en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke
+bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.
+
+--Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat's niet mooi van je! Komaan,
+die boodschap zal zoo'n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht
+maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer
+vreugd, weetje. Dat zeg _ik_ maar.
+
+En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar
+weer de kamer binnentrad.
+
+_Derde en vierde verwondering._ De heele familie Pieterse ontving
+de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan
+bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke
+vordering: "dat zoo'n kind àlles weten zou!"
+
+Als Wouter latyn te verliezen gehad had...
+
+--Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de
+juffrouw 'r hoed op 't kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro
+gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in 't spionnetje,
+en ze zei ... nou, dat 's tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi
+zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen,
+maar 't is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet
+gezien. Onze Mine heeft 't weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan
+de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar 't wil niet dóórgaan. Anders
+... koekdeeg is 't beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van
+snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo'n goeien
+dokter ... niet omdat-i zweeren snydt--gut né, want-i is dokter,
+weetje, en geen surezyn--'t is maar om te zeggen dat we zoo'n goeien
+dokter hebben. En hoe gaat het _uwe_!
+
+De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die
+praatjes werd geantwoord, mits-i zich 'n ander punt van uitgang
+kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de
+trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en
+'t viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde
+persoon was, die hem by 't binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na
+de verbazing over den toon die z'n moeder aansloeg, was dit dan ook
+de oorzaak zyner:
+
+_Vyfde verwondering._--En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem
+z'n moeder. Ik kan je niet zeggen, m'n goeie juffrouw Laps, wat 'n last
+ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut 'n boodschap doen--hy
+moest 'n potlood koopen, weetje, om 'n landkaart te teekenen--want in
+landkaarten is-i knap, en als 'n land niet deugt, veegt-i 't uit met
+gommelistiek--en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon,
+zeid-i. En ik geef 'm 'n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu
+weer! Dat's geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?
+
+--Wat _ik_ zeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met
+'n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat's m'n zinnigheid en m'n
+manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik....
+
+--Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen....
+
+--Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár,
+daar in 't hoekje, zal blyven zitten zoolang ik 't verkies. Ik kan die
+koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is
+'n barsie in. Neem 'n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden
+uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat
+moet ik er in gods-heeren naam aan doen?
+
+--'t Zit 'm alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.
+
+--In de dominees?
+
+--Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de
+kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, 't Ware geloof gaat te-gronde
+met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo'n kind wat
+goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen
+ik de genade nog niet had--met pinkster wordt het zeven jaar--maar
+jawel! Prulwerk is 't, niets dan prulwerk. 't Heele woord "dominee"
+komt in de Schrift niet voor. En "preek" ook niet. Wel lezen we dat
+de vrouwen nederzaten aan Jezus' voeten. Dàt 's 't ware, zieje.
+
+Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse 't verband niet, tusschen de
+klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele
+kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen 't kenmerk is
+van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op 't ontbreken van
+'n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de
+onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op
+de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam 't er niet op
+aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men
+'t minste scheurtjen opmerkt en betreurt.
+
+--Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens
+zeggen wat de zaak is? 'n Dominee is net 'n mensch als 'n ander. Daar
+heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i
+ook, Sertrude?
+
+Trui noemde een naam.
+
+--Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, 't is 'n naam die ... hy
+heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont 'n man die byna
+ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders....
+
+--De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen
+dat het kind naar de kerk gaat, in 't minst niet! Al zingen ze daar
+telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ...
+
+De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen 'n heel andere afkomst hebben?
+
+... toch is 't beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt,
+of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken
+en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De
+gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb
+verleje zondag duidelyk aan 't kind gemerkt dat jelui dit schandeloos
+verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In 't geheel niet,
+volstrekt niet! 't Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten
+en den tabernakel des Heeren.
+
+Hier volgde een beschryving van Wouter's gemoed, die juffrouw Pieterse
+angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed
+niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden--wat ze dan ook niet
+was--en moest dus wanhopen aan z'n eigen verstand. Hoe toch kon zy
+uit het voorgevallene by z'n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er
+was immers geen tyd geweest voor 'n theologisch woord. Hy had niets
+gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van 'n berisping dáárover,
+vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had,
+en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te
+hopen toen z'n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan
+"overhoord" had?
+
+--Want, zieje, 'n ieder leert uit z'n eigen boek. En als je dan
+op-eens uit 'n ander boek gaat vragen....
+
+--Ik vraag nooit uit 'n boek, riep juffrouw Laps, met 'n waardigheid
+die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin
+zit het hem niet!
+
+--Maar, juffrouw, zei Wouter met z'n gewone bedeesdheid, u heeft me
+niets gevraagd!
+
+--Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je
+niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m'n dank! Je ziet nu zelf,
+juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders 't kind,
+na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd
+heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis' wil waar 't
+naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z'n
+eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der
+verstoktheid van 'n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp
+je-n-immers ook wel? Moest _ik_ je wat vragen, jongen? Of moest jyzelf
+je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging
+en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe
+weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen
+was-i, o ja ... maar dat's 't ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i
+uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel!
+
+En ze knipte met de vingers.
+
+--Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?
+
+--Stuur 'm gerust 'ns by me ... al was 't van avond nog.
+
+Wouter rilde. Maar gelukkig drong z'n moeder dien dag niet op
+de herhaling van 't bezoek aan. Integendeel, na 't vertrek der
+oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand
+door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes
+niet recht kon wys worden.
+
+Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om
+haar niet te begrypen. In z'n onnoozelheid meende hy slechts de keur
+te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf!
+
+
+
+
+
+ _Wouter's_ intrede in 'n brok van de werkelyke
+ wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in 't vinden
+ van den oorsprong van 't woord _hypotheek_, dat geboren
+ is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in 'n
+ leesbibliotheek, naast snuif en tabak.
+
+ "In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling
+ (_P. G._) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid,
+ goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By
+ lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op 'n
+ fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden
+ worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven
+ brieven onder 't motto: "_Handel_" aantemelden by den boek-
+ plaat- en kunsthandelaar _E. Maaskamp_, Nieuwendyk by den
+ Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...
+
+
+Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam,
+weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die
+Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma
+herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van
+zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in 't whistspel. 't Was
+'n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen,
+waarnaar zich de "_incroyables_" en "_merveilleuses_" kleedden... niet
+precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering
+van 13 Juni 1795, die: "_bevallige tooy_" voorschreef "_bestuurd door
+nette eenvouwigheid_."
+
+De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik
+hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te
+brengen. Ik wil namelyk by 't schetsen van Wouter's ontwikkeling niet
+gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve,
+2º om wáár te blyven in hoofdzaken.
+
+Ik weet zeer goed dat het "P. G." waarop met zoo aandoenlyke
+geloofsvastheid gelet wordt by 't kiezen van keukenmeiden,
+boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei
+der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik
+noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige
+stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog
+belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor
+'t korrekt aanhalen van 'n diploom. Psychologische kunstwaarheid
+heeft àndere eischen.
+
+Wanneer 't me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà
+Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik 't zonder
+gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis,
+na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam,
+zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan
+ik _nu schryf_. Of men 't ooit waargenomen heeft, is de vraag.
+
+Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk
+"P. G." werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van
+de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet
+... welnu, 't had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.
+
+--Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy,
+Stoffel?
+
+--Ja, moeder, 't kan niet mooier.
+
+--Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.
+
+--Op goed _zedelyk_ gedrag, moeder!
+
+--Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik
+je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je
+dàt, Stoffel?
+
+--Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben.
+
+--Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik
+je niet altyd precies 't zelfde gezegd? En ... ze vragen: "P. G." Dat
+ben je, goddank!
+
+--Ja, moeder, dat is-i!
+
+--En, Stoffel, als _jy_ nu eens den brief schreef? Wat dunkt je
+dáárvan?
+
+--Maar ... er staat: eigenhandig!
+
+--Wel zeker! Als jy nu eens 'n eigenhandigen brief schreef. Dat is
+toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo'n kind het doet?
+
+Stoffel slaagde niet zonder moeite in 't begrypelyk maken dat hier
+zeer in 't byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd,
+en dat de zyne--hoe mooi ook--in dit geval niet baten kon. Wouter
+werd dus aan 't schryven gezet.
+
+--Maar ... wat moet ik er boven zetten?
+
+--Weet je dàt weer niet? 't Is heel eenvoudig! Je moet schryven:
+_Weledele Heeren!_ Er staat immers dat het 'n gevestigde handelszaak
+is?
+
+--Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook 'n zaak heeft gehad,
+'n _zaak_, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze
+dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.
+
+--En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ...
+
+--En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ...
+
+--En van goed zedelyk gedrag ...
+
+--En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je
+misschien terstond salaris.
+
+Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk
+in 't voor-den-dag brengen van 'n staatstuk dat aan alle eischen
+voldeed. 't Adres werd, na rype deliberatie: _Aan de Weledele Heeren,
+den heeren ... motto_: "handel."
+
+Maar ...'t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge
+handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z'n
+wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ... _motto:
+handel_, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden
+zien. "Maar, zeid-i, zeg 't er dan by, als je m'nheer Maaskamp te
+zien krygt."
+
+Met 'n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle
+voorbygangers 't hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld
+intrad, en bezig-was den "handel" te bestormen. De geringe dunk dien
+hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens
+in, zich aantemelden by _Weledele Heeren_ die 'n "gevestigde zaak"
+hadden. Zóó stond er in de advertentie, en 't zou dus wel waar wezen.
+
+By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in
+kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook
+die man 'n gevestigde zaak hebben? En 't was alweer karakteristiek,
+dat-i verzuimde naar 'n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo'n
+"gevestigde zaak" dan toch eigenlyk voor 'n ding was? En wat men te
+verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?
+
+Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.
+
+Stamelend vroeg hy aan 'n bediende in den winkel verschooning dat de
+brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam
+Wouter's dokument in 'n bakje waarin reeds 'n paar dozyn stukken van
+gelyken aard op 't goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto,
+Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de
+man uit den prentwinkel niet in, daar-i 't juist byzonder druk had
+met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter
+watertandde naar zoo'n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar
+wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien
+hy was op weg naar "handel" en niet naar heldendaden.
+
+--Later, later! dacht-i.
+
+Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z'n
+moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel
+was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker
+hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit 'n slechte noot zou
+kunnen geven by de beoordeeling van z'n goed zedelyk gedrag waarop
+de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie,
+zoo byzonder gesteld waren.
+
+--En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut,
+Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen
+zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo'n advertentie? Ieder
+wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op
+geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op 't goeie zedelyke
+gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!
+
+Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en 't
+adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden,
+en al de anderen die nu "haantje-de-voorste speelden" zouden achter
+'t net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het
+was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de
+voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid
+haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere
+kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op 't voorrecht dat
+z'n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.
+
+--Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen
+steek. Hy kòn 't zelfs niet! 't Is maar, zieje, om te bewyzen, dat
+we-n-ook 'n zaak hadden, 'n effektieve _zaak_! Gut, de man nam nooit
+'n elst in z'n hand. Is 't waar of niet, Stoffel?
+
+De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar
+ze woonden, maar ze hadden 'n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd
+met 'n leesbibliotheek, gesticht op den _Zeedyk_, niet zeer ver van de
+plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de "grootste koopstad
+van Europa" werd opgezet door 'n paar visscherlui. Van parallel
+tusschen 't succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.
+
+Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen
+achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van 'n paar
+lood snuif, waarop 'n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel
+inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden
+de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan 't hoofd te
+staan van 'n "gevestigde zaak."
+
+Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien
+gemaakt had over de beteekenis van 't woord: "handel" zoud-i by deze
+gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i
+niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat
+hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z'n
+gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van 't woord "handel" niet
+vroeger had begrepen. _Nu_ wist-i 't! "Handel" beteekent zooveel
+als in hemdsmouwen achter 'n toonbank snuif te wegen. En ... op den
+_Zeedyk_ nogal!
+
+Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide
+visschers--laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei
+geslacht waren!--die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam
+"stichtten." Maar ook aan m'n lezers heb ik verplichtingen, en om
+hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld
+visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie,
+'n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By
+stedenstichters is dit 'n allergewoonste, maar toch onverklaarbare,
+fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun
+belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun
+eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om 'n deftige
+afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te
+bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.
+
+Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen
+slaan op de keuze van 't plekje waaruit de adel van hun nageslacht
+zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?
+
+De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van 't huis
+in, en stond door 'n zydeur in gemeenschap met 'n leesbibliotheek, die
+'t vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes,
+rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden
+de geheele breedte van 't perceel, en gaven door overeenstemming
+van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing en lettersoort der
+opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den
+bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, 't Moest 'n byzonder
+domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de "zaak" van de heeren
+Motto, Handel & Cie "gevestigd" was op twee industrien te-gelyk. Wie
+niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien,
+en omgekeerd.
+
+Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er
+in die lokaliteit iets "gefabriceerd" werd. De ordonnateur van 't
+opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder
+geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en
+smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan
+'t verkoopen. Juist andersom dus dan we 't genoegen hadden waartenemen
+by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn 't nog niet
+eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie
+'t eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en 't andere
+versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z'n karakter, staat hooger
+dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de
+voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.
+
+Of 't evenwel waar was dat er in de hier "gevestigde zaak" inderdaad
+iets _gemaakt_ werd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes
+uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling
+van allerbest zedelyk gedrag, die zoo'n byzonderen lust in werken
+hebben zou.
+
+De handelswaar waarmee 't winkeltje gestoffeerd was, bedroeg
+ter-nauwernood de waarde van 'n jaar huur, en de booze wereld van den
+_Zeedyk_ durfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen,
+waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden: _rappee_ en _zinking_
+te lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van 'n
+uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks
+kwam kyken of z'n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht
+hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê]
+
+De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door 'n
+groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp
+zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt
+gesproken, was dit ook zoo. Er hing 'n verweerd scheerspiegeltjen in
+die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel--op dit oogenblik
+getooid met de jas van den Weledelen heer Motto--en van 't halfrond
+tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop 'n pomadepot aan 'n kam
+scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door
+'n mislukte poging tot tandwisselen. De heer "patroon" Motto namelyk,
+hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan "handel" wydde,
+niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door
+Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links
+van z'n gelaat 'n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel
+moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte
+van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.
+
+Dat overigens in dien winkel zelf 'n groote rol werd gespeeld
+door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den
+oudheidkundigen lezer, die Motto's lokken geen plaats geven kan
+naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in
+synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen
+op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over
+de geschiedkundige perioden van m'n verhaal. In Wouter's jeugd was 'n
+sigaar nog altyd 'n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan
+'n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido
+laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester
+van Numa Pompilius aanstelt.
+
+--Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i 't oude
+vrouwtje geëxpedieerd had "met 'n snuifjen uit den pot _toe_." En
+wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En
+wat doen je ouwers?
+
+--In ... schoenen, m'nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik
+niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe.
+
+--Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalf _pietje_? Wouter
+stamelde dat-i 't niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid
+als ik in de meesten van m'n lezers veronderstel, voor zoover ze
+'t geluk hebben minder dan 'n halve eeuw oud te zyn.
+
+--Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat
+'n _pietjen_ is? En ken je-n-'t verschil wel tusschen 'n _zest'half_
+en 'n schelling? En tusschen _daalders_ en _acht-en-twintigen_? Kyk ...
+
+De heer Motto trok de lade open, en scheen naar 'n "_daalder_"
+te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor
+deze keer met 'n "zest'half." Hy stelde Wouter's handelskennis op de
+proef, door hem optedragen 'n "schelling'" daarnaast te leggen--in z'n
+verbeelding--en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van
+'t verschil. Dit alles moest men "in den handel" precies weten en
+kennen, beweerde m'nheer Motto.
+
+Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen
+geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z'n hemdsmouwen
+snuif verkoopt achter 'n toonbank. Het was zeer juist gezien van
+den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte
+voor iemand die "in den handel" gaat. De overlevering luidt dat-i er
+grondbeginselig byvoegde:
+
+--Dat's 't voornaamste!
+
+--En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet
+zeer bemoedigenden toon.
+
+Helaas neen!
+
+--En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?
+
+Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.
+
+--Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m'n zaak, en je begrypt
+dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta
+je deensch?
+
+--N... e... e... n, m'nheer!
+
+--Zoo! Deensch ook al niet? 't Is maar, weetje, omdat hier soms wel
+'reis deensche matrozen komen om 'n onssie tabak te koopen. In 'n zaak
+als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat's 't voornaamste! Anders
+ben je _fittu_! Grieken heb ik hier ook al gehad...
+
+Wouter's gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke
+heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?
+
+--Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden 'n pruim
+negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de
+kleintjes passen is 't voornaamste! Anders ben je _fittu_, zieje? 't
+Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen,
+om alle-man te-woord te staan. Dat's 't voornaamste! Maar dat's nou tot
+daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is
+soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet 'n mensch
+z'n zekerheid hebben. Dat's 't voornaamste! Anders ben je _fittu_,
+dit begryp je zelf wel.
+
+--M'n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de
+borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet
+wist wat-i zeggen moest, en toch 'ns eindelyk wat zeggen wilde.
+
+--Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je
+dan geen moeder die voor je storten kan?
+
+--Ik... zal... 't... 'r... vragen, stotterde Wouter.
+
+--Wel zeker! Ga jy 'r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den
+handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat's 't
+voornaamste! Anders ben je _fittu_. Hier is nòg 'n winkel. Daarin heb
+je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat's 't voornaamste!
+
+De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs
+de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet
+zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal
+niet veel anders dan 'n inslagtrapje dat dienen moest om de wat
+hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en 'n dik boek
+waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen
+zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen
+laven voor 'n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter's
+tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig,
+en abonnement was uitzondering.
+
+--Zieje, zei m'nheer Motto, daar is 't boek, of wat je zou kunnen
+noemen: 't grootboek. Je verstaat toch 't boekhouden wel?
+
+Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder
+de vele vakken die hy niet bestudeerd had.
+
+--Ook al niet, jongen? Dat's toch in den handel 't voornaamste! Want,
+zieje, wie dàt niet kan, is _fittu_. 't Is heel eenvoudig. Je moet
+opschryven wie 'n boek haalt, met dag en datum er by, en 't huisnummer,
+en de straat, en alles. En als ze-n-'t weerom brengen, dan haal je-n-'r
+'n streep door. 't Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als
+je de menschen niet kent, moet je...
+
+--Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.
+
+--Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van 't heele werk. Want, dit
+begryp je, als er één deel weg is, is 't heele werk _fittu_. Van de
+sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik
+moet eerst weten of je moeder ... ga 't 'r maar 'ns gauw vragen! Ik
+heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd--want aan jongetjes die in
+'n zaak willen, is waarachtig geen gebrek--maar als 't dan aankomt
+op Mozes en de profeten--de borgstelling, weetje!--dan halen ze
+bakzeil. En dat's toch 't voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders
+... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je
+storten kan! Ajuus!
+
+Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in
+hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den
+"handel" was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende
+hy, in 't weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i
+zeker 'n allerontmoedigendst relaas van z'n wedervaren hebben afgelegd,
+indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos
+konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!
+
+Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden
+familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen
+Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den
+"handel" gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste
+met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er 'n som van honderd
+gulden zou worden gestort, die 'n jaarlyksche rente van drie en-'n-half
+procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze
+transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van
+'n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. "Maar, zei ze,
+men moest wat over hebben voor z'n kinderen."
+
+Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i
+van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of
+'t eerste derde. Hy was zoo vry z'n verwondering hierover in gepaste
+bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen:
+_& Compagnie_, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde,
+en dat ook de heer Handel 'n voortbrengsel was van Motto's ryke
+verbeeldingskracht. Als 'n Atlas droeg deze de dubbel "gevestigde
+zaak" op z'n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken
+van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid
+zocht 'n deel van z'n last op den nek te wentelen van 'n protestantsch
+jongetje dat lust in werken had, en ... _cautie_ stellen kon. Dit was
+'t voornaamste ... inderdaad!
+
+Wel eenigszins ten-nadeele van z'n tabaks- en snuifkennis, omvatte
+Wouter's gemoed het ander deel van z'n werkkring met 'n liefde
+... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i
+ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het
+verslinden van al die boeken niet! Met 'n waren geeuwhonger slikte
+hy ryp en groen in--véél ryps was er niet by!--en las hy al sneller
+en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in 't voorzien van
+den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra
+beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen
+dan eigenlyk 'n auteur aangenaam is. De bekwaamste _faiseur_ kon
+geen tien bladzyden lang 'n vondelingetje doodarm laten, zonder dat
+Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee 't kind zou
+getooid worden op 't laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in
+'t onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van
+dezen vooruitgang--eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam,
+want men kon 't als 'n stap tot hooger beschouwen--zichzelf geen
+rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na
+zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden
+z'n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle
+ontwikkeling van z'n _begrip_, bleef by hem de naïveteit van _smaak_
+en _opvatting_ ongeschonden. Al _wist_ hy welke ridder straks onder
+de hoede van 't Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou
+in het tournooi, toch had hy 't geduld zich langs de voorgeschreven
+_ficelles_ te laten leiden tot op 't oogenblik van den officieelen
+triumf, en hy zou 't zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde
+vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:
+
+Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de
+Bois-Guilbert flink op den kop slaat!
+
+En ... en--och, ik durf 't byna niet zeggen, doch wáár _is_ het!--hem
+bezielde daarby 'n gevoel alsof hyzelf...
+
+Ivanhoe was?
+
+Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den
+uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen
+booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan in _Valentins day_,
+en den solieden moed van den nuchteren Sigismund in _the Maiden of the
+mist_, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter
+Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben,
+èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van
+'n godsoordeel!
+
+En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder
+had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien
+voorbarigen lord in Griekenland toe!
+
+O, als _hy_ 't boek geschreven had, als _hy_ de god ware geweest,
+die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten
+op hun respektieve plaatsen zet...
+
+Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de
+snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere
+dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.
+
+'t Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op
+'t gebied van 't goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog,
+en niemand 'n sigaar "van de tien" in-handen stopte voor 'n dito
+"van de acht." En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want
+de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en
+andere rubrieken aangevuld te houden uit de soort die eigenlyk "van
+de twintig" zou moeten heeten, als zy 'n naam gedragen had. De heer
+Motto beweerde dat z'n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze
+in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. "Je moet altyd
+zien wien je voor hebt, zeid-i, dat's 't voornaamste!"
+
+Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was
+hem _tien_, acht was _acht_, onverschillig met wien hy te-doen
+had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van
+liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van
+onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien
+men hem op eenvoudige wys gevraagd had: "is 't _waar_ wat je daar
+zegt?" zoud-i hoogstwaarschynlyk _byna_ altyd--en toen-i moediger werd:
+_altyd_--geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!
+
+Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren
+was. Zeker werd z'n afkeer van onjuistheid--vreemd genoeg!--gevoed
+door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking
+neemt dat slechts 'n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde
+van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z'n tyd
+beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest
+zyn met byna ieder ander kind. Maar z'n natuurlyke inborst dreef
+hem--naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid
+der kennismaking met Glorioso--om voornamelyk behagen te scheppen in
+wat ik in _Millioenen-Studien_ "zedelyk rym" noemde. De als dapper
+geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen
+doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter
+zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van 't
+stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop,
+of lieten zich aanwerven by 'n aan den dood gewyde kohorte. Dat's
+korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs
+in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door 'n schryver benoemd
+was tot model, had geen smetjen op z'n kleed, 't Was de vraag of
+zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is 't, dat-i in al
+die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig!
+
+Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit 'n oogpunt van _Kunst_
+aankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet
+aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, 'n verkeerde voorstelling,
+en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was 't voldoende
+dat ieder die in zoo'n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de
+schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De
+helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de
+halve wereld. En, ook God--Wouter's god--vervulde in al die boeken
+z'n plicht veel beter dan ... byv. op den _Zeedyk_, waar-i gister nog
+'n kleinen jongen had zien mishandelen door 'n groote. 't Moest eens in
+'n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!
+
+En ook Wouter had getracht...
+
+Kon hy 't helpen dat z'n patroon hem op strengen toon terugriep?
+
+--Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas
+dáárop! Nooit je-n-inlaten met 'n andermans krakeel... dat's 't
+voornaamste!
+
+Ziedaar 'n wysheid van àndere soort dan in z'n boeken stond!
+
+Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver
+van z'n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort
+daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind
+gebrachte: _Sophia's reize van Memel naar Saksen_--och, Wouter vond
+Sophia's oneindige reis veel te kort!--en eindelyk by planken. By
+planken, ja, en juist zoud-i 'n begin maken met de laatste, toen-i op
+zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De
+Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika--'t voornaamste
+zeker!--en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had
+'n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden:
+_rappee_ en _zinking_ al dan niet mochten verzwolgen worden in de
+"faillite massa."
+
+Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien
+op den _Zeedyk_ te Amsterdam geraadpleegd te worden...
+
+Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over:
+_râpé_. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.
+
+We willen hopen dat ieder 't zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw
+Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde
+als vroeger: "dat er met dien jongen altyd wàt was!"
+
+Alsof Wouter 't helpen-kon!
+
+Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z'n
+lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel
+klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo'n geval gaarne
+weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de
+Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te
+maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat
+Bulwer's _Paul Clifford_ wel inderdaad de zoon was van de stiefdochter
+zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of
+wat anders, als 't maar terdeeg spannend en onmogelyk is.
+
+
+
+
+
+ Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke
+ bruikbaarheid van slecht voedsel.
+
+
+Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den
+aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan 'n ander proces,
+dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen
+bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze
+faktoren 't meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en
+we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard
+hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens,
+wyl ze had kunnen dagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer
+weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig
+man in de negentiende eeuw zich aanmatigt 'n denkbeeld te vormen
+van _Recht_, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen
+wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in
+hooge achting, te-meer omdat ze--na Cicero's waarschuwing--finaal
+afgeleerd hebben elkaar in 't gezicht uittelachen wanneer ze 't
+genoegen hebben 'n kollega-_auspex_ of 'n konfrère-_haruspex_ te
+ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen'skamers doen, staat
+aan hun bescheidenheid.
+
+Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en
+zaadkorrel, 'n _question brûlante_, waarmee onze overgrootouders zich
+den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan 'n
+Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de
+gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten
+moet, noch op de hoedanigheden van 't gestrooide zaad, noch op die
+van den bodem. Het komt me voor, dat ook--en misschien vooral--de
+_verhouding_ tusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in
+aanmerking genomen worden.
+
+Zéker is 't dat de in Wouter's gemoed uitgestrooide romanlektuur
+niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn
+door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd
+had. Ook de aanraking met dien Motto en 's mans zonderlinge klanten,
+had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had
+kunnen verwacht worden.
+
+Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter's
+ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit--er hoort moed
+toe!--dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is.
+
+Wouter's gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De
+omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid
+van z'n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en
+zedelyk vernietigen--en hierop scheen de kans het grootst!--òf
+... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder
+die--zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van 't kind,
+maar overigens voldoend ingelicht--van de zaak had kennis gedragen,
+zou 't ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone.
+
+De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter's hoofdeigenschap
+uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes
+van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te
+bezwyken. Het moest schynen of z'n gevoel, na wat ziekelyk en
+onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid,
+zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou
+dan ook 't geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest,
+niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy 'n andere hoedanigheid die hem
+staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde
+romanlektuur hem dapper te-hulp kwam. Wouter leefde maar voor 'n zeer
+klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z'n ziel
+woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z'n helden en heldinnen
+te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder,
+maarschalk en--alweer precies als in Afrika--koning. Meer nog, hy
+voelde zich de verantwoordelyke persoon, de _deus ex machinâ_ van
+rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis,
+by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den
+angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter?
+
+De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had
+kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken
+over den dienstyver van z'n leerjongetje. Hy was er de man niet naar,
+om den hartigen toon van Wouter's antwoord optemerken, als deze door
+hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig:
+"ik kom!" waarmee dan 'n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken,
+klonk veeleer als 'n krygshaftig: "_ce sera moi, Nassau!_" dan als blyk
+der gewilligheid die elk "patroon" eischen kan van winkeljongetjes die
+lust in werken, en--onder borgstelling voor de geldlâ--'n behoorlyk
+geloof hebben.
+
+Wouter's ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door 't vuil waarin
+men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot
+taak had gesteld z'n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te
+oefenen in kracht. Noch 't een noch 't ander was echter het geval. Hy
+kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze
+eerste levensproef z'n behoud alleen te danken aan ... smaak, die
+toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen
+de beelden die z'n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den
+Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys,
+toon, manieren en ... gedrag van z'n omgeving hebben nagebootst,
+hy die zoo precies wist hoe 'n edele ridder zich uitdrukt? Hoe
+'n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in 't
+gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog
+niet eens van z'n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z'n eigen
+zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten
+en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven
+adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem
+behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou
+hy--op de bewustheid na--te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden
+krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel,
+niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor 't ééne noodige,
+voor 't behoud van het _goede_.
+
+Dat ons kind het goede voor-als-nog op 'n verkeerde plaats zocht, doet
+hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z'n streven niet,
+ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.
+
+Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om 't punt te
+bereiken waarop z'n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende
+tusschen _te_ hoog of _te_ laag, was 't voor hem 'n logische
+noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meening
+dat men meer kon zyn dan _goed_, dat men edel moest wezen, en verheven!
+
+Gewis, 't _is_ 'n fout--en 'n zeldzame!--maar beter dan menige soort
+van _niet_ zeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in
+'t gemeene!
+
+Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden
+in de werking van zekere boeken op Wouter's gemoed. Evenals dokter
+Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd
+werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig
+recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die
+leesbibliotheek op den _Zeedyk_. En ik zou 'n slordige geschiedschryver
+zyn als ik daarvan geen melding maakte.
+
+Daar waren drie, vier, planken, die met 'r allen één schryver
+torschten... [30]
+
+
+
+Van Wouter's menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl
+breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte.
+
+Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in
+allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak
+is. Nog minder van menschkunde.
+
+By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en
+uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam 't denkbeeld
+dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid,
+niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten
+vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want
+z'n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat
+het slenteren en draaien en 't schipperen met halve waarheden, tot de
+attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap
+had kunnen geven van z'n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt
+hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik
+"groot" zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen!
+
+Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma's op, schoon ook
+daar 't genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte
+het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder
+houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat
+de behandelde onderwerpen z'n kennis teboven gingen, en tevens dat
+de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z'n bereik was.
+
+In dit laatste opzicht was-i door z'n schuwheid bewaard gebleven
+voor ... erger dan niet te kunnen "meedoen." Hy onthield zich van
+'t belachelyk pogen.
+
+Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy
+was dus niet op z'n neus gevallen.
+
+Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde
+gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof:
+"de kunst van lezen." In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te
+zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al 't gewicht van
+iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst
+over 't voordragen der bekende leerstelling: "myn vader gaf my dezen
+nieuwen hoed." In de "_Oefening in 't kunstmatig lezen_" uitgegeven
+door de Maatschappy _tot Nut van 't Algemeen_, kwam deze zinsnede
+voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van
+toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in
+verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien
+nieuwen hoed, en meende nu...
+
+Doch Holsma behandelde iets anders. Maar 't was weer het oude: de
+kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer.
+
+De grond van z'n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in
+de behandelde zaak--deze was geenszins boven z'n begrip--maar in
+de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale
+geleerdheid toeschenen alleen omdat z'm ten-eenen-male onbekend
+waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het
+besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook 't weinigje dat-i wèl wist
+niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op
+den weg te helpen, ontsnapte niet aan z'n fyn gevoel, en maakte z'n
+toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen
+kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader
+stond, even misplaatst als te-huis.
+
+Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Herman--die in latyn
+deed--was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het geval. [31]
+
+De wyze waarop Holsma's klacht over gebrekkig lezen behandeld werd,
+mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb
+uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor 'n arts
+zoo verdrietig was z'n patienten te zien vermoorden met rottekruid,
+als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven.
+
+--Maar, m'nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daarover
+_beklaagt_? En als men dan _nogeens_ uitdrukkelyk zegt dat men geen
+vergif bedoeld heeft?
+
+--Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft
+aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.
+
+--Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.
+
+--Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de
+menschen zoo?
+
+--Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang,
+maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traag zyn om met
+eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er
+geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan 't napraten van
+wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid,
+en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote
+massa laten schreeuwen wat men wil.
+
+Wouter begreep alweer 't woord "massa" niet, daar het in die dagen
+nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend
+de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had
+geholpen.
+
+--Dat is zooveel als... 'n heele troep, zei ze.
+
+--De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of...
+
+--Maar, m'nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers
+spreken veel menschen tegelyk?
+
+Holsma begreep de oorzaak van Wouter's misverstand, en misschien
+oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na "dom" nog iets anders willen
+zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere
+uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden,
+en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking
+begrepen waarvan 't gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter,
+juist dóór z'n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze.
+
+Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds by
+_Genesis I_, vers 1, te vragen: "maar m'nheer, hoe weet ge dit?" Wel
+te verstaan, indien hy Mozes en _Genesis_ had ontmoet in onheilig
+gezelschap, waar 't denken aangemoedigd werd en 't meespreken
+geoorloofd was.
+
+De nuchterheid van z'n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde
+der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in
+oneigenlyken zin, en dat Sietske's vertaling niet zeer korrekt was,
+doet hier niets ter-zake. Het woord: "dom" beteekende naar Wouter's
+schoolsche opvatting, dat men z'n les niet kende, dat men den naam van
+zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn,
+Pennewip's leerlingen _en bloc_ 'n domme schoolmassa te noemen? De een
+kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon 't oom Sybrand bekend wezen
+dat 'n "heele troep" menschen--zóó had Sietske vertaald--te-zaamgenomen
+"dom" was?
+
+
+
+Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door
+sommigen kan begrepen worden.
+
+
+
+Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan.
+
+Och, 't deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die
+hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy 'n domheid gezegd te
+hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z'n onwetendheid,
+bewys gegeven van intelligentie.
+
+Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist
+was er in die dagen--d.i. _niet_ in die dagen, want m'n kronologie is
+allerverwardst--te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot
+de toelichting: waarom men de "massa" niet zoozeer _dom_ noemen mocht,
+als... als... ja wat?
+
+Er was 'n verandering gebracht in 't belastingstelsel. Zeker bedrag dat
+vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven
+van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In
+zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen
+openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en
+Philantropie. 't Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen
+op _bezitters_, niet op de minderbedeelden.
+
+Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen
+belasting, _plus_ 'n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood
+om oud yzer.
+
+Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder
+gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in 't belang der
+armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. De _eigenaars_ van kleine
+huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt. _Wie_ gebruikten zy nu
+om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-_bevoorrechten_! Het "gemeene
+volk" doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de
+meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de
+markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de
+"dienders" te water, mishandelde de "veteranen" die te-dier-tyd
+Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid
+van de gebruikelyke soort.
+
+Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere
+intelligentie, wanneer men z'n wrok lucht geeft--en op _die_
+wys!--tegen een maatregel die naar 't gevoelen van de oproermakers-zelf
+in hun eigen belang genomen was.
+
+Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de
+verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En
+dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van
+toepassing geweest zyn. Ieder _op-zichzelf_ was verstandig genoeg
+om de zaak juist te beoordeelen. Met _hun allen_ echter sloegen ze
+zonder de minste geldige reden den boêl stuk.
+
+De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de
+intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen,
+kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets
+anders dan de _Rede_. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich
+wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl
+begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit:
+een _Ziel_.
+
+Wie de "massa" van 't Volk _dom_ noemt, begaat de onnauwkeurigheid
+die er liggen zou in de meening dat _vyf_ beminnelyk is, of _lucht_
+driehoekig. De "massa" als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet
+verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft
+geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door 'n
+samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haar hoofdeigenschap,
+in stilstand en beweging beide, is: traagheid.
+
+Wouter had schik van z'n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest
+van 't bovenstaande antwoordde.
+
+Toch bleef hy verdrietig over z'n onkunde, en hy nam zich voor,
+meer te leeren.
+
+
+
+
+
+ _Strabbe's_ regula van "menging" onder de oogen
+ gezien, in-verband met de manier om onbruikbare
+ zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel 't pond
+ verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke
+ heldenmoed die van beter getuigt. Alweer Juffrouw _Laps_!
+
+
+Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by 't overgaan van
+een der pleintjes die men te Amsterdam "markten" noemt, op 'n bende van
+'t gemeen, die bezig was de geschonden rechten der "huisjesmelkers"
+heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.
+
+--Die... _massa_ is niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te
+doordringen van de pas opgedane wysheid. _Dom_ is ze niet! Misschien
+zelfs niet _onwetend_ ... neen, ook dit is onjuist. 't Is maar
+dat ze... niets weten _met hun allen_. Zeker zyn er wel verstandige
+menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de
+moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht
+dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze 't kunnen.
+
+'t Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen
+gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet
+door de "massa" die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt,
+voor-zoo-ver deze zich openbaren op _dynamische_ wys. Vanhier dan
+ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van 't
+geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich
+daartegenover stelt. Ieder zegt: "ze" deden dit of dat. "De menschen"
+liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. "Ze" wisten niet wat ze
+wilden. "Ze" waren gek, wreed, lafhartig, enz.
+
+Niemand spreekt by zulke gelegenheden van "ik" noch zelfs van:
+"wy." 't Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts
+de beweging te _volgen_, en geen besef heeft hoe dat vermeende "volgen"
+wel degelyk de uitwerking heeft van _meestuwen_. Ook deze begoocheling
+komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op
+'n vergissing.
+
+Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon te _denken_, en dat het de
+moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z'n gemoed. Hy
+zag in dat de "massa" waarop hy stuitte, te laag stond om... dom
+te zyn.
+
+Ook kon men ze--in hoedanigheid van "menigte" alweer--niet beschonken
+noemen, al zy 't dan dat het getal nuchtere lieden die aan de
+samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo,
+was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets
+dan 'n fiktie. _Een Menigte_ kan zoomin drinken als denken, en heeft
+dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig. _Een
+Menigte_ is, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy
+is niemendal.
+
+Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode: _om te
+geraken tot waarheid in het algemeen_, kon Wouter zich nog niet
+inlaten. 't Was al wèl dat-i over de ydelheid van 't kwalificeeren-zelf
+nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer op
+_zedelyk_ terrein toekomt aan den individu.
+
+Hy voelde--en zeer ten-rechte, waarlyk!--dat hy hooger stond dan
+al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al
+ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was
+'t die goede dokter Holsma.
+
+Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou
+tot 'n deel van zóó'n geheel!
+
+Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan
+in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...
+
+Wel zeker: "ieder moet handelen naar z'n eigen overtuiging!" Zóó
+had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der
+toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging
+slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe's "_regula_
+van menging?"
+
+_"Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers,
+en van zeven stuivers het pond, en wenscht..."_
+
+De goeie Strabbe geeft z'n kruieniers nooit _Souchong_ van geen-één
+stuiver te mengen onder de "massa" die hy verkoopen wil tegen zóóveel
+winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek.
+
+En Wouter ging met denken voort.
+
+..._hy wenscht van al die theesoorten een_... "massa" _te maken_...
+
+Daar is 't woord weer, het nieuwe woord van de Holsma's! Welnu,
+gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees,
+liefde, haat, deugd, en vooral: _zedelyke verantwoordelykheid_... dit
+alles is geen _thee_, die men mengen kan om ze aan den man te brengen
+tegen zekeren prys!
+
+Wie 't beproeven zou, verrekent zich, omdat de _menging zelf_
+'n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe's rekentalent
+ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars der _regula_: "van
+den mensche en deszelfs eigenaardigheden."
+
+Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort,
+en wat volgens de "Gezelschaps-rekening" den auteur toekomt. Daar
+echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my,
+nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. 't
+Is wel mogelyk dat ik Wouter 'n beetje wyzer voorstelde dan-i nog
+wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou ze _niet_!
+
+We zyn weer op die "markt."
+
+Nog altyd stonden daar 'n paar oud-gedienden op post, en
+bewaakten... ik weet niet wat!
+
+Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op
+dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de
+bestbespraakten onder 't volk uitgescholden. "Bloeddieven" waren ze,
+en--de lezer raadt het zeker al--"opvreters van Stad en Land."
+
+Wouter vond--o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!--dat
+ze 'r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken
+van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels,
+en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de
+bekende kreet, als 'n beroep op _zyn_ hulp!
+
+De toon was minder liefelyk, dat's waar, dan Amalia's:
+
+
+ Waar is... warre, warre, wou...
+ Wouter die me redden zou?
+
+
+Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker
+kraken: "je bent iets... toon het!"
+
+O, 't prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven
+verkondigen!
+
+Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op
+zekere beleediging geantwoord:
+
+--Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar 'n pruim tabak had!
+
+--Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z'n nieuwbakken,
+speciale zaakkennis, als opgewonden door 't denkbeeld dat hy 'n blyk
+geven kon niet tot de "massa" te behooren.
+
+De man begreep noch 't uitgesproken woord--_negrohead_--noch de
+bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z'n aanvallers
+geschaard had.
+
+Wie kon ook raden dat zoo'n kleine jongen 'n geheel àndere beweegkracht
+in z'n ziel had, dan die waardoor zich de "massa" liet voortdryven?
+
+--Komaan, jy snotjongen, hou jy 'r je nu maar liever buiten! Wacht
+tot je droog achter je ooren bent!
+
+--Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door 't gejoel heen.
+
+--Hè?
+
+--Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.
+
+--Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen
+kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke!
+
+"_S...s-gauw late_" beduidt: iets _volstrekt_ niet doen, iets zóó
+byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan
+'t wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... 'n slag in
+'t gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.
+
+Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend
+had van 't prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:
+
+--_Ik_ zal dien man tabak geven!
+
+Ach, hoe heerlyk hy dat "ik" intoneerde! De "nieuwe hoed" uit z'n
+leeslesje was er niets by.
+
+--_Ik_ zal dien man tabak geven, _ik_!
+
+"Of sterven!" zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon
+'t hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als 't gevorderd werd.
+
+Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!
+
+Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel
+den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen
+van z'n zaakkennis. Al ware hyzelf in 't bezit geweest van twee
+"gevestigde" zaken, hy had niet met meer _aplomb_ z'n bestelling
+kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog,
+en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te
+doen doorgaan voor 'n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die 't wist,
+met 'n specialiteit!
+
+Nu, 't liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk
+het te veel betaalde terug.
+
+Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid
+hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma's verliet! Dit
+had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in 't heerlyk
+bezit gebleven van 't geldstuk, dat z'n moeder hem had meegegeven
+"voor de meid" omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op 't fatsoen
+gesteld was.
+
+Maar 't aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat,
+had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook
+vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...
+
+De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter 't meest.
+
+--Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met 'n stemmetje zoo
+zacht, op 'n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk
+en bescheiden...
+
+Wat er 'n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen,
+waarvan geen enkele hem bedreigd had!
+
+Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z'n
+heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven
+'t hoofd--waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels
+opgestoken, dan dat peperhuis met 'n stuiver tabak!--en bereikte den
+man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...
+
+Wèg was z'n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer
+uittarting dan 't aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden,
+zette hy den kerel z'n schouder in de lenden, en boorde zich dóór
+tot de voorste ry:
+
+--Dáár, man! Ziedaar tabak--negerhit, weetje?--'n snotjongen ben
+ik _niet_!
+
+De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man
+aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z'n overtuiging: dat-i
+'t wel s...s-gauw "late sou." Hy scheen te vragen welke aanmerking
+de profeet te maken had op dit protest tegen z'n voorspelling?
+
+De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte,
+sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet
+de verheugde tabakspruimer door 'n nogal bekende soldaten-aardigheid,
+de voorsten van den troep aan 't lachen had gemaakt:
+
+"beter 'n halve pruim in je mond, as 'n heel stuk in je... kraag!"
+
+Al wat de voorvechter van 't non-interventiestelsel tegen Wouter
+inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...
+
+O, _Thermopylae_! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O,
+Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z'n harnas ontgespen? Hoe is
+de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder,
+linkerheup, rozet...
+
+De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat "die kleine jongen
+'n s...s-brutale bliksem" was.
+
+Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren
+dat de man zich bedroog. De door hem--tot z'n eigen verrassing
+waarlyk!--aan den dag gelegde moed was 'n uitvloeisel van geheel àndere
+gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen,
+beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden
+bestaan die hem 'n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en
+deze ervaring deed z'n ziel groeien.
+
+In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond
+van dezen dag.
+
+Och, als Femke 't gezien had!
+
+
+
+Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z'n
+leertyd op den _Zeedyk_. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even
+naby als op die markt, zonder daaraan 't verheffend denkbeeld van
+stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had
+hem 'n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd
+dat deze eigenschap "in den handel 't _voornaamste_ was."
+
+Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de
+onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z'n eigen
+onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en--als met de leugens--kwam
+soms de wensch in hem op: "wanneer toch zal ik groot genoeg zyn,
+om me zoo mannelyk uittedrukken?"
+
+Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische
+bywoorden, wanneer z'n lektuur hem daarvoor niet bewaard had?
+
+Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor
+deze soort van gemeenheid, door z'n onbederfbare lust in 't exakte,
+een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart.
+
+Eens was-i genoodzaakt geweest, 'n kwajongen die steenen in den winkel
+wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was 'n scheldwoord
+gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt:
+_dief_! En wel met 'n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient,
+en dat ik dus mag overslaan.
+
+--Hoe kan die jongen beweren dat ik 'n dief ben, en ... zoo
+onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat
+ik hem 'n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt
+hy my nu _dief_? Dat 's iemand die steelt, niet waar?
+
+De heer Motto was er de man niet naar, om 't verschil tusschen
+schelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had
+zich meer geërgerd over 't gebrek aan logischen samenhang dan over
+de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. 't Was
+'n schending der wereld-orde, iemand _a_ te noemen omdat-i _b_
+was. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van 't 2 × 2 = 4! 'n
+Hinkend rym. 'n Onmogelykheid!
+
+En... 't straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig
+gemaakt, was nog 'n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde
+verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van
+begeerlyke volwassenheid!
+
+Maar ... maar ... al de wèl "groote" menschen? Vanwaar by hèn dan dat
+gedurig afwyken van 't ware, juiste, stipte? Waren _zy_ zoo achterlyk,
+of was die straatjongen z'n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i
+vooruit, om aantelanden op 't punt waar zich 't grootste gedeelte van
+z'n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als
+de Weledele Heer Motto aan 't hoofd te staan van twee "zaken" ... nu
+ja "gevestigd" waren ze na 't overhaast vertrek van den patroon niet
+meer. Maar 't waren "zaken" toch, en ... gevestigd geweest!
+
+--Als ik den man hier had zou ik 'm verscheuren, zei de moeder. Ik
+dacht het wel dat-i met m'n geldje-n-op den loop zou gaan! 'k Heb
+'t altyd gezegd, niet waar, Stoffel?
+
+--Ja, moeder. Zoo'n cautie is 'n gevaarlyk ding...
+
+--Dat heb je-n altyd van die menschen met 'r geloof! Ik vraag je, wat
+doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo'n
+man 'n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met
+'n mensch z'n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik
+wou ... ik wou ... dat-i 'n roomsch jongetje genomen had, met 'n
+... koussie van duizend!
+
+--Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.
+
+--'n Roomsche is net zoo goed als 'n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou
+'n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en
+op den winkel passen, en ... koussies geven, als 'n griffermeerde? De
+menschen lyken wel mal met 'r verschil van geloof. De een is net zoo
+goed als de ander, vindje niet, Stoffel?
+
+--Ja moeder.
+
+--'t Is om 'r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo'n kerel nu
+in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook
+schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Kon _ik_
+'t weten, ik arme weduw die hier in m'n huiswerk zit?
+
+--Moeder, ik wist het ook niet.
+
+--Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of
+je moeder aan 't bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met
+'m beginnen? Naar zee gaat-i _niet_, dat zeg _ik_! Ik kan 't voor
+God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo'n schip onder allerlei
+soort van volk komt, niet waar, Stoffel?
+
+--Ja, moeder.
+
+--En dat-i daar vloeken leert...
+
+--Zeker, moeder.
+
+--En z'n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z'n
+geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel?
+
+--Ja, moeder, 'n mensch moet altyd by z'n geloof blyven.
+
+--Honderd gulden! 't Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo'n
+gemeene kerel 'n protestantsch jongetje te vragen?
+
+"Wel," veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z'n
+"geloof."
+
+Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy
+minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens'huis. De
+_blunders_ in redeneering waaraan z'n verwanten zich schuldig
+maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit
+vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van
+Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen,
+maar de _bitjara kossoeng_ van z'n familie maakte niet veel meer
+indruk op hem dan 't gegons van 'n byenzwerm.
+
+Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit
+werd, al stonden ze dan niet hooger dan z'n huisgenooten. Juffrouw
+Laps, byv. was hem 'n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid
+prikkelend, studie-exemplaar. En z'n belangstelling in 't oplossen
+van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer
+acht-sloeg op 't gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar
+manieren.
+
+Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en
+telkens onderging Wouter by die gelegenheden 'n reeks van tegenstrydige
+indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och,
+er was niet uit het schepsel wys te worden.
+
+Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter
+had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel
+gespaarden schelling waren overgebleven...
+
+Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien
+tyd had zich 't besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen 'n
+flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar 't weg-grissen van
+'n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De
+helden uit z'n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.
+
+Hoe dit zy, 't uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest
+getroost worden over 't gemis van de verteerbare Landen en Steden die
+anders z'n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren
+van 't gebeurde. Hy sloeg in z'n relaas van de zaak, 't gevaar dat-i
+geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne
+wat gestoft op z'n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z'n
+verkwisting, grooter was dan die op lof over z'n ... ja, hoe moet ik
+'t noemen?
+
+De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ook zeer kwalyk
+genomen, en 't was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden
+niet had aangeroerd, waardoor z'n onpartydige mildheid was bestempeld
+geworden tot uittarting.
+
+--Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z'n moeder. Jy
+verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet
+ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?
+
+By zulke toespraakjes viel 't Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van
+z'n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy
+antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf
+geen steun, want ... z'n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!
+
+Edelmoedigheid is 'n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen
+als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in,
+toch voelde hy z'n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de
+beschuldigingen die z'n moeder tegen hem inbracht.
+
+Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die
+hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf
+zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de
+bewering dat-i gehandeld had als 'n gek. Dit werd te erger toen men
+de aanklacht overbracht op 't laagste terrein dat men kiezen kon,
+op kinderachtigheid.
+
+De moeder had het woord: "verkwisting" uitgesproken, maar Stoffel
+zette haar te-recht:
+
+--Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft
+in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!
+
+--Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen
+van zyn jaren ... als ze-n-'n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren
+hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem
+weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?
+
+Misschien was Stoffel's opmerking niet kwaad gemeend, maar ze
+wondde Wouter diep. Een "verkwister" is dan toch altyd 'n persoon,
+'n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!
+
+"_Prodigue, prodigue_... asjeblieft _prodigue_!" mompelde hy
+treurig. Want--tot verbazing van den lezer misschien--hy kende
+dit woord.
+
+In een der omnibus-slaapkamers hing 'n stelletje grof gekleurde platen
+die de parabel van den verloren zoon voorstelden. 't Was 'n fransche
+uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie
+langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking:
+_prodigue_ niet anders kon beteekenen dan "verloren." Dit had dan ook
+Stoffel tegen een van z'n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener
+dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze
+fransche drukfout ...
+
+--Want: "verloren" stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de
+Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn.
+
+...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat de
+beteekenis van 't woord _prodigue_: "verkwister" wezen kon. En in
+die benaming had Wouter veel zin.
+
+_Eerste tafereel._ De zoon die bezig was met... verkwisten en
+verloren-gaan, neemt afscheid van z'n vader. De oudeheer had 'n
+purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er
+fladderde hem 'n mantel om de schouders--'t scheen erg te waaien in
+dien zuilengang!--'n mantel ... prinselyk! En z'n turksche broek was
+van puur goud! De jongen had 'n krommen sabel op-zy, en op z'n hoofd
+'n tulband met aigrette ... zeker 'n onix, of sardonix, of paarl,
+of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke
+zaken kosten niets op 'n prent.
+
+De oudeheer keek verdrietig--en daarin had de man geen ongelyk--maar
+... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor 'n
+verre, verre reis! 'n Pikzwarte knecht hield 'n paard by den toom. 'n
+Ander den stygbeugel, en scheen te manen: "komaan, verloren-gaande
+zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!"
+
+Welk jongetje zou niet graag zoo'n verloren zoon willen zyn? Die
+kromme sabel alleen was de zonde waard.
+
+_Tweede tafereel._ Hm ... _scabreus!_ Nu ja, maar niet voor Wouter,
+die in z'n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling
+opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten
+en gedronken werd, en 't gezelschap scheen eensgezind, want dat eene
+meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder
+van den verlorene. "Liever zóó verloren, dan anders gevonden" moest
+de indruk zyn dien 't feest maakte op de verbeelding van 'n kind. De
+ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van
+liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter's opmerking. Of
+liever, hy _wist_ wel wat het beduidde, maar ... _voelde_ anders. En
+alweer was z'n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van
+verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem 't meest aantrok was noch
+de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de
+zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen
+verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van
+'t gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van
+'t begrip: _verkwisting_, had de teekenaar 'n wynvaas doen omwerpen
+door 'n paar jachthonden...
+
+Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, 't is te veel!
+
+...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf 'n wegloopende zoon
+was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich
+met zoo'n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. 't Had eens moeten
+gebeuren in den huize Pieterse, al was 't maar met 'n dubbeltjes-kruik
+scharrebier geweest!
+
+_De teekenaar spreekt:_ "meent ge dat ik den verleidelyken indruk
+van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat
+er volgt?"
+
+Volstrekt niet! Zie maar:
+
+_Derde tafereel. Heerlyk!_ Hoe romantisch is die wildernis! O, wie
+daar zoo mocht zitten op 'n rots, starende in de onpeilbare diepte van
+'t verschiet, en ... alléén!
+
+Denken, denken, denken!
+
+Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor
+wat men te doen hebbe met z'n hart, z'n tyd, z'n elbogen, en z'n
+broek! De jonge man op 't plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk
+bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen
+en beenen zich op z'n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten
+voortdryven voorby z'n wydgeopende oogen! Men kon wis 'n dubbel stel
+longen gebruiken in zoo'n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in
+zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf
+denken zou, als-i 't eens mocht gebracht hebben tot zoo'n verheven
+keizerschap over 't onmetelyk Ryk: eenzaamheid!
+
+Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z'n Femke zitten! O, goddelyk
+verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar
+één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem
+'n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.
+
+En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men
+beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men
+dan handig 'n hut ... voor Femke, natuurlyk.
+
+De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te
+hebben. 't Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by
+hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht
+Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met 'r verkwisting. Och,
+dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook
+'t eenige verdriet dat 'n rechtgeaarde verkwister uit de profane
+wereld meeneemt in de prettige woestyn.
+
+Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was,
+er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren
+gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld
+met waarschuwende trekken. En ook de trog had 'n onsmakelyk voorkomen.
+
+--Als 't my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal
+ze kammen!
+
+De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel
+niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten
+en verloren-gaan.
+
+Maar ... 't _vierde_? Evenmin! Minder nog!
+
+Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang,
+waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de
+thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel
+... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.
+
+Maar... _hy?_ De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen
+in z'n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets
+van dit alles!
+
+Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare
+zwynen zelfs!
+
+En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de
+burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit
+iets, en nam by Keesje's vader osselappen op 't weekboekje. Slechts
+nu-en-dan by hooge uitzondering 'n ribstuk.
+
+Op 'n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of
+niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger
+stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan
+met geld!
+
+En zie, ditmaal had-i aan z'n vriendelyke vyandin Laps iets te danken,
+dat hem weer 'n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad
+de Schrift by de zaak, toen deze haar--op z'n pietersens!--werd
+medegedeeld. _Zy_ sprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had
+graag geantwoord:
+
+--Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen
+'t deze keer geen schapen zyn?
+
+Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor 't beoogde
+kammen, en dus ook niet voor 't blauwzyden halsdasje dat Femke's
+lievelingslam zoo snoepig staan zou.
+
+Maar ... 'n verkwister wàs-i, verzekerde 't mensch.
+
+Goddank!
+
+
+
+
+
+ _Toulon est là_! Woedende uitval van den auteur tegen
+ monologen, met 'n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (_De
+ uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen
+ 't voorbeeld._) Gesprekken op den _Olymp_, waarby _Jupiter_
+ 't wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan
+ 'n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en 'n pastoor,
+ alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.
+
+
+--Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want,
+wat doet-i? Hy verkwist z'n moeders goed. Als die man pruimen wil,
+laat 'm zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik
+heb altyd zuur moeten werken voor m'n boeltje, niet waar, Stoffel?
+
+--Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het 'n kinderachtigheid van
+Wouter is.
+
+--Net wat ik zeg, 'n kinderachtigheid!
+
+--Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i
+recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat
+de Heer z'n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur 'm 'ns by me. De
+fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze
+verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend 'm 'ns by me.
+
+--Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet!
+
+--Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed...
+
+Ze sprak de waarheid!
+
+... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib,
+of ... Nebukadnezar, of ...
+
+Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat
+was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat
+oogenblik 'n briefje te schryven had gehad--aan Femke liefst!--zoud-i
+zeker geroemd hebben: "begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo
+slecht als drie oude koningen met hun allen!"
+
+En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig!
+
+--Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het
+midden, en z'n voeten zyn van klei. De Heer zal 'm wis en zeker
+omgooien! Stuur 'm 'ns by me.
+
+De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in
+de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel
+genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch
+Stoffel hadden den moed, Wouter's wegblyven voor hun eigen rekening
+te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm.
+
+--Maar, m'n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i
+... o! Wat moet ik doen met zoo'n kind?
+
+Wouter was te zacht om z'n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By
+elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van
+lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich
+alsof ze...
+
+Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze
+menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was
+geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy 't gewaagd
+had zich in dit geval te beroepen op 't oordeel van z'n moeder. In
+tegenwoordigheid van Laps zou men z'n opmerking bedolven hebben
+onder 'n stortvloed van verwytingen over z'n "brutaligheid." En na
+'t vertrek van 't schepsel, had men hem gezegd:
+
+--Je bent toch 'n dom kind! Begryp je dan niet dat ik 't mensch toch
+niet in 'r gezicht zeggen kan dat ik 'n hekel heb aan haar geoefen?
+
+Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens
+optehalen van z'n vergryp, ontsnapte hem 'n eenvoudig woord waaruit
+z'n belaagster 'n vroolyk [Greek: heurêka] wist te putten.
+
+--De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem iets geven,
+en toen ...
+
+Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was háár! Of althans, ze wist nu
+waar _Toulon_ lag, en van welken kant de vesting kòn genomen worden
+... als ze neembaar was!
+
+--Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet je 'm niet
+dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by 't weggaan. Ferseeren
+helpt niet. Men moet ieder z'n eigen sinnigheid laten. Ik geloof
+werachtig dat jelui 't kind te veel besikkeneert. Lieve god, wie zal
+nu zoo'n bereddering maken om 'n stuiver!
+
+--Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder. 't Zou waarachtig wel lyken
+of 't me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er, goddank, niet op
+aan! We kunnen altyd nog wel 'n stuiver missen, wat zeg jy, Stoffel?
+
+--Ja, moeder, maar 't wordt toch tyd dat Wouter...
+
+--Komaan, wat 'n geseur om 'n pruimpie tabak! De Heer zal 't
+zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! "Zoo wat ge den minsten myner
+broederen gedaan hebt...
+
+Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps
+'t verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker niet
+hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond het vreemd
+dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden.
+
+Ja, ja, 't is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden, en
+... sommige anderen!
+
+De moeite die zich de Pietersens getroostten om 't raadseltjen
+optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot. Ze
+waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de verklaring
+van dat zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde zich minder over
+de oplossing, dan schynbaar van z'n lust in stiptheid en z'n begeerte
+om te _weten_, had kunnen verwacht worden. De oorzaak hiervan lag in
+zekere overstelping van indrukken, die hem belette zich met 'n bepaald
+vraagstuk bezig te houden. Z'n gemoed zag er uit als 't naaikistje van
+'n goedige moeder, waarin de kinderen gegrabbeld hebben.
+
+De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden
+soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar 't grootste gedeelte
+paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine beginner in
+'t Mensch-worden was 'n te onbedreven hovenier, om uitterukken wat
+niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was.
+
+Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z'n gaven en
+streven--_Trieb!_--lag in dit alles iets byzonders. Overhoop gehaalde
+ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt zoodanige
+verwarring even schadelyk.
+
+De regeling der indrukken die Wouter's weinigje ondervinding had
+te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer slechts die
+indrukken niet waren vergezeld geweest van z'n voorbeschiktheid tot
+zedelyk en verstandelyk zwaartillen. Hem kleefde een zeldzame fout
+aan: hy was 't omgekeerde van lichtzinnig, en deze hoedanigheid had
+nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk by het tegenovergestelde
+waarnemen. Verward in de menigte der zaken die hy niet begreep, gaf-i
+moedeloos de poging tot verklaring op, en scheen dus gelyk te staan
+met de meeste anderen die aan opheldering geen behoefte voelen.
+
+Maar deze gelykstelling ging niet in-àllen-deele door. Wouter
+_berustte_ niet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning
+die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk.
+
+Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z'n
+onbegrepen leed te klagen aan Femke.
+
+Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren had
+hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek van haar
+huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs.
+
+By deze gelegenheden wond-i zich op tot ... redenary. Hy maakte aan-
+en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden zou, en
+wanneer ik daarvan den _juisten_ tekst geven kon, zou ik 'n heerlyk
+hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar dit kan ik niet.
+
+Toch wil ik het by benadering beproeven.
+
+Nogeens op volkomen juistheid maakt m'n schildering geen aanspraak.
+
+--Och, Femke, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek worden
+zal? Zou je dan by me komen? Doe het niet! M'n moeder houdt niet van
+je ... doe 't niet, Femke! Laat me sterven, en vraag maar aan de buren
+waar ik begraven ben. Wil je dan 's avends op m'n graf komen? Eens
+maar, ééns! Want ik begryp wel dat je niet dikwyls komen kunt, om de
+bleek, en om al je werk, en om je moeder, en om de menschen, die 't
+gek zullen vinden als je komt kyken naar 't graf van 'n kleine jongen.
+
+Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw zestien,
+en heb 'n deenschen matroos gezien, die 'n zwaren baard had, en
+kleiner was dan ik ... wezenlyk!
+
+Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze 't behangsel veranderden. Die
+bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een bloem die gescheurd
+is, en ze lykt ... nu eens op 'n gebroken toren, dan weer op twee
+vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou geleek, maar 't gáát niet! En
+dan maak ik me driftig dat die bloem niet veranderen wil van vorm. En
+dan voel ik dat ik dom ben, want ... ze kàn niet! En dan word ik nog
+driftiger ... over m'n eigen domheid, begrypje?
+
+Och, Femke, ik geloof zeker dat ik weer ziek wordt! Het sterven is
+niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo vermoeiend!
+
+Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle
+gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel? Ik wou
+juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor 't eerst!
+
+Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in den
+bybel staat! Waarom zou hy 't áánzien zoo moeielyk maken! 't Is
+onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem--om allerlei vragen te doen,
+weetje?--en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i me terstond
+blind schitteren? Femke, ik geloof het niet!
+
+En als het tòch waar is ... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan zal ik
+zeggen: God, dáártoe ben ik niet gestorven! Niet dààrvoor kwam ik
+in den hemel! 't Was donker in de bedstee waar ik ziek lag, en die
+bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig, en nu ik eindelyk
+goed en wel hier ben--in den hemel, weetje, Femke--nu kryg ik niets te
+weten, en alles blyft even verward, en niets gehoorzaamt m'n wil, en
+in-plaats van licht dat helderheid geeft, zou ik hier m'n oogen moeten
+sluiten voor 'n licht dat alles even donker maakt als in m'n bedstee...
+
+Ik doe het niet, Femke. Ik doe het _niet_! Ik sla m'n oogen _niet_
+neer!
+
+En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet blyven
+mocht in den hemel, ik doe het _niet_!
+
+Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen? Wèl, juist
+om alles te _weten_.
+
+En als dàt niet kan...
+
+Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. Dàt zal ik ook aan God
+zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen!
+
+Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt? Gut, Femke, ze
+vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik moet eerst
+nogeens in den handel.
+
+Ik heb je nooit zien voorbykomen op den _Zeedyk_, en ik was er bly
+om. Als ik je gezien had...
+
+Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m'n
+kerfbuis had aangehad...
+
+Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te
+komen. Want... daar loopen veel matrozen die soms... onfatsoenlyk
+zyn. Voor my was 't niets, weetje--gut, ik kan zelf al vloeken, en
+gemeene woorden weet ik ook!--neen, voor _my_ was 't niets! Ik heb eens
+"godverdomme" gezegd tegen 'n Rus die me slaan wou. 't Is heusch waar
+dat ik zestien word in September, en ik zou best naar Griekenland
+durven gaan, vooral by 't paardenvolk, omdat men dan gauwer by de
+Turken is. Op den _Zeedyk_ heb ik met één hand den winkeltrap over
+de toonbank gezet, en m'nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was
+dan-i gedacht had.
+
+En vind jy 't ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden
+soldaat...
+
+Nu, ook dàt wil ik aan God vragen! 't Zal me benieuwen wat-i zegt. Ik
+kon al die menschen te-gelyk niet verstandig maken...
+
+De "massa" is niet dom, Femke, maar ze is...
+
+Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je
+bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn
+ze dom? Ook niet! 't Zyn maar gegooide steenen. Begryp je 't
+onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en... niet-dom of
+niet-verstandig... niemendal?
+
+O, en hoe 't afgeloopen is met Jakob Claesz! Dat zal ik vragen. En
+waarom God hem niet geholpen heeft? Als-i maar z'n been had
+gebroken, even voor 't uitzeilen. 't Had God maar één woord hoeven te
+kosten! Neen ... niet eens 'n woord. Hy heeft maar te willen! Och,
+men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men almachtig is! En
+daarom wou ik zoo graag ... wat grooter zyn.
+
+En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar... dan
+kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uitroeien wat
+verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn, en ... nooit iets
+te zeggen wat niet precies waar is.
+
+Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen? Vraag 't eens
+aan pater Jansen. Maar myn ... dominee--onze paters heeten dominee,
+weetje!--myn dominee gaf me nooit 'n antwoord dat ik begrypen kon.
+
+Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar ... we begrypen hem
+niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z'n
+grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou
+hem wèl begrypen! En jy zeker ook?
+
+Vind jy 't mooi van God, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken:
+hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig...
+
+Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daar _zy_ begrip, en er
+_is_ begrip!
+
+Want ... begrip en licht is 'tzelfde, weetje!
+
+En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er geen
+slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust nemen, want
+ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i te doen en te
+laten had! Zou je dat niet mooi vinden?
+
+'t Is waar, dan hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle Turken
+zouden dan op-eens ... christenen worden, en aan niemand kwaad doen...
+
+Maar ... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch,
+als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? ik kan je wel twintig
+oorlogen noemen--met de jaartallen er by, Femke!--van christenen
+tegen christenen. Hoe vind je dàt?
+
+En by elken oorlog bidden ze aan beide kanten.
+
+Hoe redt God zich uit al die gebeden? Hy mag niemand in nood laten,
+die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus' wil. Ik zal 't hem vragen.
+
+Als ik er ben--in den hemel, meen ik--en ze bidden dan weer zoo
+tegen elkaar in ... weetje wat ik zeggen zal? Ik zal zeggen: houd
+eerst op met vechten! Dan zal _ik_ zien wie gelyk heeft, en ieder
+'t zyne geven naar behooren.
+
+Want dat eeuwige vechten is te ruw. 't Is Turkenwerk. Menschen van
+goed geloof kunnen op beter manier te weten komen wat recht is.
+
+Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink zeggen
+... als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom.
+
+Hy wéét niet hoe raar 't hier op aarde soms toegaat, en denkt misschien
+dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is niet waar! Ik
+zal 't hem zeggen.
+
+En ook ... dat er 'n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duidelyker,
+weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat geeft
+niemendal! Zou jy 'r beter om bleeken, Femke, als je de namen wist van
+al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat doet er zoo weinig toe!
+
+Maar wèl zou 't goed zyn als je wat beter zeep had--ze ruikt zoo!--en
+als de jongens niet met steenen gooiden. God moest maken dat ze geen
+pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep...
+
+Dit is nu zóó, Femke. Er groeien veel dingen ... in de aarde, boven de
+aarde, in de zee, jazelfs in de lucht. En alles kan gebruikt worden,
+als we maar weten _hoe_? Dit moeten we trachten te leeren, en als we
+ons daarmee yverig bezig-houden vinden we telkens wat nieuws. Oom
+Sybrand heeft gezegd dat er 'n tyd komen zal dat men 'n zwavelstok
+kan aansteken aan den muur!
+
+Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femke, omdat we ... dom zyn. Want
+jy en ik zyn wèl dom, maar ... we kunnen wat leeren. En ... daartoe
+leven wy. Zóó is 't eigenlyk, zou ik denken. Ik wil je uitleggen,
+Femke, waarom ik dat geloof. Er was 'n tyd dat men geen boek kon
+drukken. Alle werken waren maar geschreven met de pen, en de gezangen
+ook, en de psalmen ook, en de gebeden ook--verbeeldje, hoe lastig in
+de kerk!--zoodat het heel wat in-had, 'n boek te krygen. De menschen
+hadden kramp in de vingers van al 't geschryf. En nu? Gut, by m'n
+gewezen patroon--hy is weggeloopen naar Amerika--stond 'n heele winkel
+vol boeken, en de menschen betaalden 'n gulden per deel ... als pand,
+weetje? En vóór de uitvinding van die kunst van drukken--'t gebeurde
+te Haarlem in den Hout, en ik zou je de zaak precies kunnen vertellen,
+want er zyn verssies op gemaakt--nu, toen was 'n boek zoo duur, zóó
+duur, dat ... byna niemand wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor
+'n heelen almanak ... met de verjaardagen van koning en koningin er by,
+en ook 't weer, en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster
+en hemelvaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten,
+en printjes van nederlandsche heldendaden ... och, Femke dat alles
+koop je nu voor één dubbeltje! Is 't waar of niet!
+
+Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie 't voorspeld had, zou
+niet geloofd geworden zyn. Toch is 't gebeurd!
+
+Zóó zal 't ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en ... ze zullen
+ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt. Want, Femke,
+als ik 'n schoon hemd aantrek, word ik misselyk, en dat kan toch Gods
+wil niet zyn!
+
+Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens te
+zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag hy ook
+niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg opgaan, want als
+we dien kenden, zou er in 't vinden geen kunst liggen. En hy helpt
+ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan met z'n Almacht?
+
+O, Femke, als _ik_ almachtig was, ik zou je...
+
+Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen
+begrypen! De engelen moesten 'n katechismus maken met honderdduizend
+vragen, en ... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en
+geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan.
+
+Kyk, zóó--maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze
+niet weet:
+
+_Waarom valt 'n appel?_
+
+_Groeit 'n boom van-boven of van-onder?_
+
+_Waarom ben ik zoo verdrietig?_
+
+_Waarom gaapt men elkaar na?_
+
+_Hoe weet iemand of de pyn die hy in 't hoofd voelt, hoofdpyn is?_
+
+_Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?_
+
+_Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i
+de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?_
+
+_Hoe verstond-i Gods taal?_
+
+_Zou_ Stoffel _wel eens 'n fout gemaakt hebben?_
+
+_Waarom begryp ik nooit wat juffrouw_ Laps _zegt? Is 't waar dat zy
+de genade heeft? Hoe kom_ ik _er aan?_
+
+_Wat moet 'n mensch doen om veel te weten, om ... alles te weten?_
+
+Alles? Hm?
+
+De lezer ziet dat Wouter's bescheidenheid zich niet uitstrekte tot de
+_res divinae_, en dat wèl beschouwd de "Heer" meer reden dan juffrouw
+Pieterse zou gehad hebben, hem z'n "brutaligheid" te verwyten.
+
+Toch klaagde _zy_ altyd, en de "Heer" zweeg. Hy was goedertierener
+dan zy.
+
+Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de "paden" in den omtrek van
+Femke's huisje tot getuigen, dat ik z'n mymeringen hoogst-onvolkomen
+heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat zou geweest zyn tot
+meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet! Hy zou 't er nog slechter
+afgebracht hebben dan ik.
+
+De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom zoo
+moeilyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging dan
+voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den invloed
+was van tegenstrydige aandoeningen die zich z'n ziel schenen te
+betwisten. Wel brak hier-en-daar 't gezond verstand door, maar
+onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol. 't _Gevoel_ was er. De
+_Verbeelding_ was er. De _Moed_ was er ...
+
+Nu ja, en toch ... toch ...
+
+Ik beroep me weer op 't overhoop-gehaalde "moeder's naaikistje." Wouter
+grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die moeder Natuur in
+z'n gemoed had neergelegd.
+
+Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da Costa
+genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die misschien
+te beschouwen hebben als _corollair_.
+
+Het _sentimenteele_ is voorzeker 'n uitvloeisel--'n leelyk uitwas
+vaak!--van _sentiment_. En 't sentimenteele wàs er!
+
+_Moed?_ Wel zeker! En meer dan dàt zelfs, of ... iets anders dat er
+heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetelheid en
+lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom? Overmoed
+dus... 'n leelyk ding! Maar toch... 't is niet ieder gegeven, God te
+roepen ter verantwoording, en pruimtabak te leveren aan 'n zondebok
+van de "massa."
+
+En de _Verbeelding_?
+
+"Nu, dááraan ontbrak het hem waarachtig niet!" hoor ik den lezer
+roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich op niet
+gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter's idealen niet precies
+gekopieerd waren uit z'n romans. Iets dat anders wel eens 't geval
+is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schryven.
+
+En ook 't hysterisch element--wie 't weglaat by menschschilderen
+of geschiedschryven, is 'n knoeier of 'n huichelaar, d. i. beide
+tegelyk--ontbrak niet!
+
+Er staan of liggen my 'n paar beelden voor den geest, die de stemming
+van Wouter's gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar... ze klinken
+onklassisch. In-godsnaam--d. i. ik wil niet verantwoordelyk zyn voor
+'t litterarisch gehalte--Wouter's ziel geleek op 'n schotel melkpap
+waaruit de bliksem schoot, op 'n donderend bloembed.
+
+Elken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd te zullen
+wezen als 't weer mislukte. Maar na 'n paar alineaas gepeins vergat
+hy... Femke niet, maar z'n lust om haar in persoon te ontmoeten. Z'n
+mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen... dit alles wàs hem
+Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens vóór hem staande,
+onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy, onverhoeds door haar
+teruggeroepen in... 'n àndere werkelykheid dan die waarin hy zweefde,
+haar had toegevoegd:
+
+--Ach, had je me niet nog 'n oogenblik kunnen alleen laten? Ik vroeg
+juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou geantwoord hebben!
+
+'n Zonderling vryertje!
+
+Eénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner
+gedachten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben
+over domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We
+zyn zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn,
+weersgesteldheid... zeker, maar: _waarom toch_, o God? zou Wouter
+gevraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte.
+
+Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen,
+en hy verveelde zich. Z'n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal
+werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar
+frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach,
+de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had...
+
+--Ik wil haar zien, riep hy, ik _wil_! En als vrouw Claus weer naar
+wurmen vraagt... 't kan me niet schelen: ik wil Femke zien!
+
+Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd "binnen" geroepen. Dit
+was wel 'n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo'n klink
+optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi
+en dien heldhaftigen Lord.
+
+De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk
+voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen zuigeling.
+
+Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan 'n wasemende waschtobbe--de
+zeep stonk... turksch!--en pater Jansen rookte even huiselyk 'n
+goudsche pyp.
+
+--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat 's goed! Dat 's nou 't
+jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater?
+
+De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door,
+zonder 't minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.
+
+--Ja, juffrouw, ik kwam 'ns kyken of....
+
+--Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-'n boteram? En hoe maakt
+'t je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is
+'n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer
+beter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts ... of ... 'n beroerte,
+of ... wat was 't ook?
+
+--Gut né, juffrouw....
+
+--Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet
+in z'n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moeder niet ziek
+geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. 't Zal
+'n ander geweest zyn, 'n mensch heeft zoo veel aan z'n hoofd. Houd
+je van kaas? 't Is leidsche.
+
+De goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui 't gezien had,
+was ze flauw gevallen. In de ... zooveelste onderklasse namelyk van
+"_Burgerstand_" II of III. (Pp) heerscht 'n fatsoenlyke schrielheid
+die niet bestaat by wat men--gek genoeg, als by uitsluiting--den
+_werkenden_ stand noemt. Arbeiders--mits de zoodanigen die hun geld
+niet besteden aan jenever--zyn minder bekrompen in de toedeeling
+van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen fransche
+namen geven en de "_Kersnacht_" laten reciteeren, of in andere
+fatsoenlykhedens doen.
+
+Wouter had nooit zoo'n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het
+ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting
+van de kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd ...
+
+O, realistische Fancy?
+
+... ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!
+
+En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter
+verwacht had.
+
+By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en 't gevolg
+was van z'n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat 'n pastoor,
+'n geestelyke, 'n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van
+bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling
+genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook deze
+soort van godverkondigers--hoe aardsch dan ook, en onzienerlyk!--hadden
+zich steeds aan hem geopenbaard op 'n manier die hem dwong hen
+aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen kemelsharen kleed,
+dat 's waar, maar ze hadden 'n driekantigen hoed op 't hoofd, en heel
+andere broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen. Misschien
+zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten
+aankondigen te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig
+sprinkhanen. Wouter wist alzoo 't kostuum der leeraren in _zyn_ kerk,
+vry wel pas te maken by z'n indrukken. En dit kostte hem op 't eerste
+gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk 'n ander
+jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en geloof leven.
+
+Maar ... de houding! Maar ... 't spreken! Maar ... de toon!
+
+De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken
+wel niet ... heilig, maar ze spraken toch als 'n boek, en hoestten
+heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen
+'t geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als 'n
+wysgeer, dan toch ongemaakt als 'n boer. Van pedanterie vond men by hem
+geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i minder
+onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend. Hy bezocht
+de schaapjes van z'n kudde zeer trouw, en ... de armen by-voorkeur,
+niet uit pronkerigen weldadigheidszin--hyzelf was doodarm--maar
+omdat-i in de lagere standen zich meer op z'n gemak voelde. Ook hield
+hy veel van boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was
+haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak
+nu-en-dan 'n preek jen over de zonden van den dag--de lezer heeft
+er een te-goed!--katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde ... alles
+zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z'n ... ambt uit,
+als 'n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van toon
+te leggen in de mededeelingen: dat hy "by de kerk" was gegaan, en:
+dat z'n broers in Noordbrabant de zaak van z'n vader voortzetten,
+die hoefsmid en herbergier was geweest.
+
+--En wat wil _jy_ worden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want
+... ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in
+boekbinden? Dat 's 'n goed vak.
+
+--Ik ben ... in den handel geweest, m'nheer, en ... ik ga er weer in.
+
+--Wel, jongen, dat 's goed! Dan kan je-n-'n ryk man worden. Vooral
+hier te Amsterdam, want ... Amsterdam is 'n handelsstad.
+
+Wouter sprak 't niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er
+bytevoegen: "'t Is de grootste koopstad van Europa, m'nheer!" Maar
+... hy was verbluft door 't ... onhemelsche van pater Jansen's
+taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar ... 't bevreemdde
+hem.
+
+'t Zou nog erger worden!
+
+--'n Jongetjen als jy moet goed eten ... je ziet 'r bleekjes uit. M'n
+broer by Vucht knypt 'n hoefyzer krom. Wat zeg je dààrvan? Heb je wel
+eens een noordbrabantsche mik gegeten? 't Is 't beste brood! Maar ham
+is ook niet kwaad. 'n Mensch die niet goed eet, wordt ... kreuzelig. Ik
+eet altyd twee boterammen als ik by Vrouw Claus kom, maar ik ben
+lang zoo sterk niet als m'n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis
+'ns zien! Dat's me-n-'n pret!
+
+Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de
+toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt
+niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder had-i
+nog nooit boodschappen uit den hemel t'huisgekregen! En uit den hemel
+kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabantschen tongval--'n
+ongemaaktheid te-meer!--die pater Jansen ten-beste gaf tusschen de
+rookwolken van z'n pyp in.
+
+O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche
+verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedighuisbakken
+gewoonheid. Ook _zyn_ Fancy was goedig, en _bourgeois_, en
+onopgesmukt... als 't haar zoo 'ns in den zin kwam! Ook _zy_ zou den
+neus niet hebben opgetrokken voor "mik" en kermispret!
+
+Maar... Wouter meende juist dat dit 'n fout van haar was! Hy
+beschuldigde z'n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van
+verregaande onaanzienlykheid.
+
+En zie, daar zat 'n man met 'n vreemde jas aan--en dus tot verkondiger
+geykt!--zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God, geen genade,
+geen geloovery--en geen hel vooral!--in de wereld was! Die man kende
+God--hy werd er voor betaald!--en was kinderlyk verheugd over de
+kracht van z'n broer, den smid! Die man was van beroep: zaligmaker,
+en toch hield-i van kaas en dikke boterammen!
+
+Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo
+liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom,
+en dacht, en dacht, en ... zei:
+
+--M'nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!
+
+Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist
+verstaan had. Eindelyk:
+
+--Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je ...
+
+--Maar, pater, riep Vrouw Claus, 't kind is niet van de kerk! Ben je
+wèl, jongen, of heb ik 't mis?
+
+--Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar ...
+
+--Nu ja, aangenomen, maar ...
+
+--Op de Noordermarkt, juffrouw!
+
+--Juist, maar zie je, in _die_ kerk ...
+
+De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen
+dat die aannemery niet de rechte was.
+
+--Ben je ... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd?
+
+--Gevormd?
+
+--Wel zeker! Want als je niet gevormd bent ...
+
+Wat Wouter 'n zonderling gezicht zette! _Hy_ niet gevormd!
+
+... als je niet gevormd bent door den Bisschop, dan ... zieje
+... dan....
+
+In-godsnaam! Wouter moest tot z'n schaamte erkennen dat-i 'n ongevormd
+wezen was, 'n _moles_, 'n "massa" misschien, een van de ergste dingen
+die hem konden overkomen.
+
+--Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.
+
+--Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs
+van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem 'ns hooren opzeggen. Dàt
+'s 'n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m'n eigen kind, maar ... dàt
+'s me-n-meid!
+
+--Ja, Femke is 'n heel braaf meisje, zei de pater, en ...
+
+Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.
+
+... ik heb nooit moeite met haar.
+
+Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan
+ook pater Jansen. Z'n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van
+'t meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als
+'n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i "zoo goed schuurt."
+
+En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z'n
+onderbroeken zoo netjes versteld!
+
+O Fancy!
+
+Neen ... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter's
+schoonheidsgevoel niet, of althans z'n schoonheidsgevoel niet
+het meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy
+versmaadde 't rangverschil tusschen pater's onderbroeken en den
+melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door 't burgerlyke,
+noch door ongekleedheid ... zy die gewoon was alles naakt te zien,
+paters en Mensheid!
+
+Een geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in 'n deel van
+Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen, omdat
+niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke ... _vooral_
+'t menschelyke niet!
+
+Wouter was _zestien_ jaren oud, reeds 'n kleine man dus, en ... iets
+anders nog: 'n mannetje!
+
+Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z'n onderbroek!
+
+--Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als 'n weerliggie! Is er niet
+wat van je stuk, pater? Stuur 't maar gerust hier!
+
+Wouter gloeide. Waren 't dan in-godsnaam maar halskraagjes, kousen,
+of ... vesten, of ... ziedaar--als 't dan volstrekt iets wezen moest
+van verdrietigen aard--al was 't dan maar 'n bovenbroek!
+
+... stuur 't maar hier, pater, want al is onze Fem er niet ...
+
+Wáár zou ze wezen?
+
+... _ik_ zal je boeltje wel heel maken! Dat kan _ik_ ook nog wel!
+
+Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe het,
+en laat Femke waar ze-n-is!
+
+Maar... wáár zou ze zyn?
+
+Zoo _dacht_ Wouter. Ziehier wat-i _zei_, de leugenaar, de gauwdief,
+de huichelende booswicht ... het menschje:
+
+--Hé, 't is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten
+hebben te vragen waar toch uw dochter Femke is?
+
+--Fem? Wèl, die is by 'n nicht van ons, die 'n meid ziek heeft, want
+... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de kinderen
+van onze nicht.
+
+Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De
+deugniet zette 'n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.
+
+Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z'n
+stoel--Wouter wist nog niet hoe men 'n bezoek afbreekt: velen leeren
+het nooit!--verliet hy met pater Jansen 't huisje.
+
+
+
+
+
+ Het verregaand liberalismus van juffrouw _Pieterse_ is oorzaak
+ dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom pater _Jansen_
+ zoo doof was aan z'n linkeroor.
+
+
+--Wil je me-n-'n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m'n
+rechterzy, want ik ben doof hier.
+
+En hy wees op z'n linkeroor.
+
+--Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik 'n kleine jongen was... kan
+je goed klimmen?
+
+--N...é, m'nheer!
+
+--Zoo? Nu, ik wel. In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon
+klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens 'n bloempotjen
+uit 'n venster van de derde verdieping gehaald. En ... onze pastoor was
+niet gemakkelyk, in 't geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik 't
+potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want
+het was 't potje van 'n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den
+pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar
+aan de twintig _confiteors_ zat ik vast, hoorje, vast als 'n bliek
+aan den hoek. Ik hou niet van bliek ... 't is 'n gemeene visch. Nu,
+er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng ...
+
+Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor.
+
+Op 't simmenarie was 'n student ... hy is nu kanunnik, ergens in de
+Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want
+... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i ... Vink heette ... maar z'n
+naam was anders, dit begryp je. Die Vink was 'n slechte jongen. Maar
+nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z'n tellen! Help 'ns kyken,
+of-i geen bisschop wordt, of ... paus! Je moest hem 'ns hooren als-i
+'n brok uit de _Vulgata_ opzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar,
+en vergiste zich nooit in 'n tekst.
+
+Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon
+... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in
+gedrag ...
+
+Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als
+Vink durfde denken, maar ... hy stond niet op zoo'n goeden voet
+met de professers. Ik mag je z'n naam wel noemen, omdat-i dood is,
+en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen ... hy heette
+Kruger. O, 'n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren.
+
+Ja, Kruger was 'n beste jongen, en byna zoo knap als Vink ... misschien
+wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen
+zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd
+want ik wedde op Kruger ... omdat ik zooveel van hem hield.
+
+Eens nu, toen de tyd van 't examen naderde, was Kruger's vader ziek
+geworden--en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer,
+want hy was Vink 'n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven
+zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone
+lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal
+geweest zyn, als-i maar kon meedingen in 't _Specimen_, klasse:
+_rhetoriek-eerste_, en: _theologie-derde_. Daarvoor worden hooge
+punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de
+kleine les best missen.
+
+We hadden in _rhetoriek-eerste_ dat jaar: _de eloquentiâ_, en in
+_theologie-derde: de substantiâ archangelorum..._ heele moeielyke
+stukken, dit voel je wel!
+
+Kruger zond z'n: _de eloquentiâ_ van-huis--en 't was heel goed
+... mooi, hoor!--maar hy schreef aan onzen pater _theologie-derde_:
+dat-i 'n: _de substantiâ archangelorum_ reeds vroeger had behandeld
+... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was>
+en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z'n pleizier doet ...
+
+--Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met
+'n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier,
+zeg ik je, hier! In huis ... terstond! Heerejesis-kristis, wat heb ik
+'n last van dàt kind!
+
+Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking
+met pater Jansen af.
+
+De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby
+Wouter's woning, en z'n moeder die juist in onderhandeling was met
+'n groentejood over 'n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich 'n
+beroerte te krygen van ergernis.
+
+--Met 'n pastoor! Stoffel, kom 'ns gauw beneden ... de jongen loopt
+met 'n pastoor!
+
+Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen
+'n lieve goede man die zoo'n bejegening niet verdiende. En dit was
+de zuivere waarheid.
+
+De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove
+slechts bereikte aan den linkerkant?
+
+Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z'n woning
+was, en dat-i geroepen werd door z'n moeder, antwoordde de man
+heel goedig:
+
+--Zóó ... woon ie daar? Nu dan zal ik je-n-'n volgenden keer vertellen
+waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor ... heelemaal doof, weetje?
+
+Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z'n tranen af.
+
+Het kwam hem voor dat z'n moeder 'n zware zonde begaan had, en dat
+'n vyftigtal _confiteors_ ...
+
+Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op 't "simmenarie" 't
+krabbedieven van 'n bloempot gestraft wordt?
+
+--Ah ... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen
+terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw
+Dungelaar ... 't was om de bloemen niet, en ook niet om den pot,
+zieje, maar alleen omdat ik zoo'n lust in klimmen had. Anders ... men
+moet nooit iets wegnemen wat 'n ander behoort, al staat het nog zoo
+hoog. Dag, jongeheer!
+
+En na 'n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging
+de man zyns weegs.
+
+Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen ...
+
+--'t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.
+
+--Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk
+heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo'n manier komt er nooit
+iets van hem te-recht.
+
+Onze wysgeer had wel 'ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in
+dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet
+leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel
+begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.
+
+--Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, 't kind moet werk hebben. Als-i
+maar letterzetten wou! Of in 'n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet
+dat-i zelf 'n schoen maakt!
+
+--Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loop
+_ik_ met 'n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar
+m'n school ga.
+
+--Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.
+
+--Anders ... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther,
+dat was ook 'n soort van pastoor. En wat deed-i?
+
+--Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.
+
+--Luthersch, moeder! Nu, dat 's byna 'tzelfde. We moeten niet zoo
+bekrompen wezen, moeder!
+
+--Wel neen, 'n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd
+zeg. Want, Stoffel, wat doet er 'n mensch z'n geloof toe, niet waar,
+als-i maar braaf is, en niet roomsch.
+
+Enz. Enz. Enz.
+
+Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw
+Claus den rang aanmatigde van iemand die "in den handel" geweest was,
+en weer "in den handel" gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer "in."
+
+Door bemiddeling van zekeren leerkooper die--kommercieel
+gesproken--zeer na verwant was aan de schoenen die voorgaven uit Parys
+gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by
+'n firma wier weledelheid iets minder aprokrief was dan de ons bekende
+zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou 'n nieuwen leertyd
+ingaan op 't wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
+
+De zaak erlangde haar beslag op 'n woensdag, en de nieuwe betrekking
+zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.
+
+Voor 't evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk
+wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets
+wat-i niet was--god-bewaarme!--tot 'n romanheld.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Zie de noot van 1872 bij Idee 512.
+
+N.B. Alle noten zijn van de hand van ondergeteekende, behalve die
+noten, welke (M.) geteekend zijn: deze voegde Multatuli zelf aan zijn
+werk toe.
+
+[2] Noot van I. 360-361.
+
+[3] In I. 364 trekt M. een parallel tusschen de ontwikkeling van
+individu en menschheid: "Ieder knaap heeft z'n heldeneeuw en 't
+menschdom heeft 'n kieltje met 'n jukdraagje gedragen".
+
+[4] De overgang van zoo'n "insteekpakjen" op 't "buisje boven den
+broek" was 'n enorme sprong, vooral omdat daarby 'n _vest_ te-pas kwam,
+waarvoor by zoo'n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het
+buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of
+die hierarchie in 't kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In
+Wouter's tyd speelde ze 'n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf
+heb menigen traan geschreid omdat het "open buis" met daarby behoorend
+"vest" my onmenschelyk lang onthouden werd. (M.)
+
+[5] In I. 366 schryft M. 't ontstaan van veel wetten en zeden toe
+aan gebrek aan ruimte.
+
+[6] In de _Ideen_ 368, 370, 372-374 wordt gehandeld over het geweten
+en den bybel, over deugd en zindelykheid en over het verschil tusschen
+zeggen en doen.
+
+[7] Op die markt namelyk werd gegeeseld, gebrandmerkt en gehangen,
+in die dagen. (M.)
+
+[8] I. 378 bevat een beschouwing over groote mannen en schoolmeesters.
+
+[9] In I. 387 en 390 werpt M. de vraag op in hoeverre schoonheid
+realistische uitbeelding toelaat: "s'il faut de la boue, pas trop
+n'en faut."
+
+[10] Verder weidt M. uit over zyn plicht als schryver. Zelf betitelt
+hy I. 399-404 als "een malle uitval van den schryver, zeer geschikt
+om de genegenheid van publiek te winnen, en dat monster over te halen
+tot hernieuwing van zyn abonnement." (n.l. op de _Ideen_).
+
+[11] Aan het slot van I. 405 weidt M. uit over kindermishandeling
+door kortzichtigheid van opvoeders.
+
+[12] I. 414-437 zyn in hoofdzaak gewyd aan de vraag: is godsdienst
+noodig voor de zedelykheid? In I. 438 vindt men de geestige gelykenis
+van Ornis over opvoeding.
+
+[13] In I. 440 stelt M. de vraag, of die klacht werd verstaan,
+dat roepen gehoord, met verwyzing naar zyne _Geloofsbelydenis_,
+opgenomen in _Verspreide stukken_.
+
+[14] In I. 443 wyst M. er op hoe alle volkeren de herinnering aan een
+gouden eeuw bewaard hebben, doch dat deze fancy-verschyning vervloog,
+toen priesters dit verlangen uit geldzucht gingen exploiteeren.
+
+[15] In I. 511 betoogt M. het verderfelyke van schoolonderwys.
+
+[16] In I. 513-517 wordt een uitvoerig betoog geleverd om de
+"duidelyke oprechtheid der legende tegenover de leugens der historie"
+te stellen. Hiertoe worden proclamaties en Staatsstukken uit den tyd
+van de Bataafsche Republiek en van Koning Lodewyk en een necrologie
+van Van der Palm als professioneele en professorale leugens op de
+kaak gesteld. Daartegenover stelt M. de psychische waarheid in de
+legenden van Amor en Psyche, van Genesis en Faust.
+
+[17] In I. 1048 toont M. dergelyke ongerymdheden aan in de Grieksche
+en Romeinsche mythologie en in andere meer moderne mythologieën... en
+ook in de sentimenteele romans van Feith.
+
+[18] In I. 1049c zet M. uiteen, dat de belangstelling van de meeste
+menschen gericht is op het abstracte en niet op het praktische en
+zakelyke. "Het schynt den mensch meer te hebben aangetrokken zich te
+verdiepen in de eigenschappen van z'n goden, dan onderzoek te doen
+naar den aard der dingen die hy onder de oogen had."
+
+[19] In I. 1049d geeft M. eene aardige beschouwing van dit
+straatliedje.
+
+[20] I. 1050a, 1051b: verhandeling over de stelling: "Het waardeeren
+van kunst door de regeering is _Volkszaak_."
+
+[21] Hier volgt (in I. 1051c) eene uitweiding over het Hooglied als
+drama in het bizonder en het hysterisch element in den Godsdienst in
+'t algemeen.
+
+[22] Verder weidt M. in I. 1052 uit over de genadeleer als premie op
+het zondigen, in verband met het bedenkelyke karakter van Laps.
+
+[23] Idee _1052b_ en _1052c_: Humor en psychologische beoordeeling
+by den Duitschen romanschryver August Lafontaine.
+
+[24] In I. 1053-1058c geeft M. een vernietigende kritiek op de _Floris
+de Vyfde_ van Bilderdyk.
+
+[25] Het gemis aan besef van voortdurende verandering blykt o.a. uit
+naïve anachronismen in de werken van dichters en beeldende kunstenaars,
+zoowel middeleeuwsche als moderne (I. 1060a-1061); maar het blykt ook
+uit bekrompenheid van blik en conservatisme op politiek, zedelyk en
+godsdienstig gebied. (I. 1061-1061b.).
+
+[26] Hier volgt (in I. 1062) een uitvoerige beschouwing over de rol
+van klanknabootsing in de woordvorming.
+
+[27] De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben
+waarschynlyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was--of is--'n
+zware cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die
+in tegenstelling van 't vertikaal staand _gangspil_, in horizontale
+richting niet ver van den boeg dwars over 't schip geplaatst was. De
+zeer sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich
+beweegt, heeten _betings_. Het winden wordt aan-boord _hieuwen_
+genoemd, waarschynlyk 'n klanknabootsing van den krachtregelenden
+maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of 't woord
+"braadspil" iets te maken heeft met het engelsche: _broad_, weet
+ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders dan
+_onzydig_ wordt gebruikt. Wie daar, op 't gezag onzer taalkundige
+woordenboeken, van _de_ braadspil sprak, zou worden aangezien voor
+'n vreemdeling of _nederlandsche-taal_professor. (M.)
+
+[28] In I. 1067-1074 beproeft M. eene zielkundige ontleding van Femke,
+met lange beschouwingen over onschuld, zinnelykheid en hysterie.
+
+[29] I. 1075 bevat verder een beschouwing over beroepskeuze, ook in
+verband met de toekomst der maatschappy.
+
+[30] Hier volgt een ontboezeming over de sentimenteele romans van
+August Lafontaine. (I. 1096).
+
+[31] M. weidt vervolgens uit over de waarde(?) van klassieke
+Studiën. (I. 1104-1106).
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje
+Pieterse, Deel 1, by Multatuli
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE ***
+
+***** This file should be named 23796-8.txt or 23796-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/7/9/23796/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.