diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:10:16 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:10:16 -0700 |
| commit | 8d4a35f0dac39654d98dbb52c9d5c33d788c1055 (patch) | |
| tree | c6f663d7c2cf9228845e31c63498ff420a138edb /23796-8.txt | |
Diffstat (limited to '23796-8.txt')
| -rw-r--r-- | 23796-8.txt | 14458 |
1 files changed, 14458 insertions, 0 deletions
diff --git a/23796-8.txt b/23796-8.txt new file mode 100644 index 0000000..952bc8e --- /dev/null +++ b/23796-8.txt @@ -0,0 +1,14458 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, +Deel 1, by Multatuli + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 + Uit de 'ideen' verzameld + +Author: Multatuli + +Editor: J. van den Berg van Eysinga-Elias + +Release Date: December 10, 2007 [EBook #23796] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + + Multatuli + + De Geschiedenis van Woutertje Pieterse + + Opnieuw verzameld uit de "Ideen" + + Door + + Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias + + + Eerste Deel + + + + Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921 + + + + + + + + + N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam + + + + + + + +INLEIDING. + + +In de eerste jaren na 1860 heeft Multatuli zijn lezende en denkende +landgenooten in heftige beroering gebracht: door de _Max Havelaar_, +door zijn geschrift _Over vrijen-arbeid in Nederlandsch-Indië_ en +door zijne _Minnebrieven_ wekte hij geestdrift eenerzijds, sterke +afkeuring andererzijds door zijne excentrieke persoonlijkheid. + +Voor den groeienden kring zijner aanhangers begon hij in 1862 zijne +_Ideen_ uit te geven. Deze verschenen op ongezette tijden per vel +druks in een lossen omslag, dien M. als correspondentieblad met +zijne lezers en lezeressen gebruikte. Zoodoende kreeg hij voeling +met zijnen lezerskring. De strijd om recht te verkrijgen voor den +Javaan werd verruimd tot een "strijd tegen Droogstoppelarij in +alle beteekenissen": "Ik trek te velde tegen al wat op zedelijk, +maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of +benauwd is", verklaart M. in I. 403. + +En dit deed hij--schrijvende naar den indruk van het oogenblik--in +kernachtige spreuken en prikkelende paradoxen, in parabelen en +betoogen, soms zangerig en dichterlijk van taal, dan weer vlijmend +scherp van toon. + +M. leefde voor en in zijn geestelijken strijd. Hij was vol moed +en vervuld van hoop, toen zijne Ideen bij velen insloegen. Maar +nieuwe denkbeelden dringen tot de groote hoop, ook tot die der +intellectueelen uiterst langzaam door: ondanks een groeienden kring van +geestverwanten lieten werkelijke hervormingen op zich wachten. En dit +maakt geestelijken strijd zoo ontmoedigend. Deze ontmoediging heeft +M. ruimschoots gekend en het heeft hem vaak bitter gestemd, ja het +vervulde hem met walging. En dan barst hij uit in een wanhoopskreet: +"Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel +walglyks òm my." (I. 360-361.) En dan zegt Fancy hem tot troost een +sprookje voor, een sprookje geboren uit heimwee naar de heerschappij +van 't goede, schoone en ware. + +Een zeer eigenaardig sprookje is de _geschiedenis van Woutertje +Pieterse_: geen zweverig sprookje, dat buiten het alledaagsche +leven omgaat, maar het wonderverhaal van een ontwakende dichterziel +temidden der meest stuitende alledaagschheid en van zijn streven +naar goedheid, waarheid en schoonheid in een wereld, waar platheid, +zelfzucht en eigengerechtigheid hoogtij vieren. Het is de strijd van +Multatuli's eigen kinderjaren, dien hij eerst onbewust, later bewust +gestreden heeft. + +Toch moet de Woutergeschiedenis niet opgevat worden als M.'s +autobiographie. In dieperen zin is dit wel het geval: het leed, +de droomen, de innerlijke strijd en ontwikkeling zijner kinderjaren +zijn er in geteekend. Maar _niet_ zijn ouderlijk huis, _niet_ zijn +moeder vooral. Alleen de schepping van Stoffel staat eenigszins +in verband met herinneringen aan een niet zeer beminden broeder en +Leentje is historisch. Episoden als het romanlezen, de pepermenthandel +met de Hallemannetjes, de kantoorcarrière bij de firma Kopperlith, +en het twijfelachtig genot van de uitnoodigingen op hun "buiten", +Femke en Pastoor Jansen (voor wien een braaf dorpsdominee tot model +diende),--dat alles is min of meer historisch. + +De groei van een kinderziel in een gezin en een maatschappij, die +door conventie verwrongen zijn, en die door de kracht van dien +zuiveren, innerlijken groei bestemd is om eenmaal de knellende +vormen te verbreken, maar voorloopig moeite heeft zich te schikken +in de grootemenschenwereld, die hij niet verstaat: dat is de +Woutergeschiedenis. + +Voor het eerst heeft Multatuli in ons land den ontwikkelingsgang +van het kind in een kunstwerk geschetst. Wat Rousseau met zijn +_Emile_, Bernardin de St. Pierre met _Paul et Virginie_, von Sallet +in _Contraste und Paradoxe_ hebben gedaan, dat deed Multatuli op +zeer oorspronkelijke wijze in zijn Woutergeschiedenis. De Fransche +schrijvers plaatsen hun kinderen _buiten_ de werkelijkheid. Maar +Multatuli plaatst Wouter _midden_ in het leven. Hij laat Wouter +opgroeien in een uiterst-bekrompen, kleinburgerlijke omgeving. Deze +omgeving schetst hij met scherpe humor; hij laat zien hoe bekrompenheid +van woning samenhangt met die van lichaam en ziel: "begrippen van +deugd, zedelijkheid, godsdienst zijn veelal geschoeid op de leest +van de ruimte waarin men zich bewoog", en "er bestaat 'n zeer innige +verwantschap tusschen de benauwde tweede-achter-verdiepingsche +denkbeelden, en de bekatechiseerde stofferigheid van zoo'n +omnibus-bedstede. _Alles is in alles._" (I. 401.) + +Wouter nu doorbreekt dien samenhang tusschen uiterlijke en innerlijke +bekrompenheid. Hij ontwikkelt zich juist in sterke tegenstelling +tot zijn omgeving. Bij deze heerscht harmonie tusschen uiterlijke +omstandigheden en innerlijk leven. Maar Wouter groeit innerlijk +tegen de verdrukking in door den adel van zijn aanleg. Telkens +ontvlucht hij het ouderlijk huis om te droomen bij slooten en molens +en bruggetjes. Daar gaat de romantische boekenwereld voor hem open, +daar vindt hij Femke en de liefde en uit al die sensaties wordt +Fancy geboren. + +De tegenstelling tusschen Wouter en zijn familie vinden we terug in de +tegenstellingen in de omgeving, waarin hij opgroeit: 't huis Pieterse +en consorten staat tegenover Vrouw Claus en Femke, huisdominee en +Pennewip tegenover Pastoor Jansen, de holle deftigheid der Kopperliths +tegenover de wezenlijke superioriteit der Holsma's. + +In het tweede gedeelte der Woutergeschiedenis krijgt Wouter een +lotgenoot: tegenover Wouter, die aan kleinburgerlijke bekrompenheid +tracht te ontkomen, verschijnt Prinses Erica, die zich tegen +vorstelijke geesteloosheid en vormelijkheid verzet. + +Wouter ziet in Erica de ware verschijning zijner Fancy, door wie de +liefelijke Femke wordt verdrongen. Erica waant in de ruwheid van +het volksleven, in den degelijken eenvoud van Vrouw Claus de ware +menschelijkheid te hebben gevonden. + +En onbewust spreekt ze waarheid, als ze bij vergissing in de donkere +kroeg Wouter _Mein Bruder_ noemt: want als zusterzielen zoeken beiden +naar poëzie en ware menschelijkheid in de sfeer tegengesteld aan +de eigene. + +Het verzoenende beeld, dat deze uitersten moet opheffen, is geteekend +in het gezin van dokter Holsma: niet in hoogheid van rang of eenvoud +van leven, maar in zuiverheid van gemoed, in innerlijken rijkdom +schuilt de ware menschelijkheid. In de uitspraken van Dr. Holsma, +Zielearts en Opvoeder in den waren zin des woords, vinden we +Multatuli's eigen denkbeelden terug. + +Wouters ontwikkeling wordt zeer uitvoerig geschetst: zijn kleeding, +zijn leeren, zijn omgang met kameraden en vriendinnetjes, zijn +reageeren op moederlijke en Pennewipsche paedagogie, zijn tobben over +de z.g.n. levenswijsheid der groote menschen en dan het ontwaken in +zijn gemoed van liefde en begeerte naar macht om het goede te doen +zegevieren, zijn tobben, waarom een almachtig God zooveel onrecht +duldt, de botsingen van zijn ontwakend idealisme met het bestaande +thuis, op school, in den handel.--dat alles wordt in fijn gevoelde, +humoristische tafreeltjes geschetst. + +De Woutergeschiedenis is onvoltooid gebleven. Wel is het Multatuli's +plan geweest Wouter tot diens dood toe te volgen, daarom liet hij hem +dan ook omstreeks 1800 geboren worden. Maar de bittere stemming over +kritiek op zijn werk en persoon, over het uitblijven der zoo vurig +bepleite hervormingen, verduisterden voorgoed de Fancy-verschijning +in zijn gemoed. + +En zoo verliezen we Wouter uit het oog als een jongen, die op het +punt staat het groote leven in te gaan. Hij is bezield met goede +voornemens--maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegt Multatuli +er aan toe. + +En zijn de eerste daad als hij met Pastoor Jansen op pad gaat om +_eigen_ domheid te herstellen, is een poging twee meisjes van _hare_ +domheid te redden: en dit stemt sceptisch of Wouter zijn goede +voornemens inderdaad ten uitvoer zal leggen. + + + +Multatuli beperkt zich niet tot het schetsen van Wouters +wederwaardigheden: hij wijst telkens op fouten in opvoeding en +onderwijs, op bekrompenheid, op maatschappelijk onrecht. Hij trekt +telkens een parallel tusschen de ontwikkeling der kinderziel en +die der menschheid: hij vindt hierin aanleiding opmerkingen over +taalontwikkeling, mythologie, folklore en geschiedenis te plaatsen. + +De grens tusschen deze uitweidingen en de Woutergeschiedenis is vaak +moeilijk te trekken: soms zijn het korte kernachtige spreuken, soms +dijen ze uit tot lange vertoogen. + +Zoo vinden we _hoofdstukken mèt_ en _hoofdstukken zònder ideen_, +ook wel eens _Ideen zonder hoofdstuk_, herhaaldelijk hoofdstukken +met zijsprongen op 't gebied van kunst, geschiedenis, zedelijkheid, +politiek of literaire kritiek. + +Zoo is de Woutergeschiedenis in en door de Ideen heengewerkt, maar toch +als een bewuste tegenstelling tot die Ideen. In de Woutergeschiedenis +geeft Multatuli de idee op de wijze van het sprookje, de idee +gekleurd door het schoone licht der fantasie. Maar telkens weer +wekten de beelden door Fancy hem voorgetooverd den beschouwenden, +kritischen geest van den schrijver; dan onderbreekt hij Fancy om +redeneerend, afbrekend en opbouwend aan _hare beelden zijne ideen_ +te demonstreeren. En dan gebeurt het niet zelden, dat hij van idee +tot idee voortredeneerend, Fancy laat glippen. + +Zoo is de Woutergeschiedenis zeer nauw, ja haast onverbrekelijk met +de _Ideen_ verbonden: en tòch, wie de bekoring van Fancy's sprookje +ten volle wil genieten, zal bij voorkeur achter elkaar die stukken +van de _Ideen_ opslaan, waarin de Woutergeschiedenis wordt voortgezet, +en de betoogen, die deze onderbreken, zooveel mogelijk overslaan. Want +ondanks alle uitweidingen is ze in zichzelven een eenheid van groote +schoonheid. Dit nu komt beter tot zijn recht in een afzonderlijke +uitgave, dan in de _Ideen_ zelve. + +Wegens den innigen samenhang met de _Ideen_ echter is Multatuli +nooit overgegaan tot het bewerken eener afzonderlijke uitgave en +heeft zijne weduwe sterk geaarzeld, eer ze er toe kon besluiten. + +In deze nieuwe afzonderlijke uitgave zijn weer meer stukken weggelaten, +dan in die van Multatuli's weduwe. De eenheid en samenhang dezer +kunstschepping zuiver te doen uitkomen is hierbij richtsnoer geweest, +doch allerminst was het de bedoeling den samenhang met de _Ideen_ +weg te doezelen; wie de Woutergeschiedenis volkomen wil leeren kennen, +leze deze zoowel in de afzonderlijke uitgave, als in de _Ideen_. + +Daar vele der weggelaten betoogen in zeer nauw verband staan tot de +Woutergeschiedenis, is in noten met enkele woorden naar deze _Ideen_ +verwezen; minder belangrijke coupures zijn echter niet aangegeven. + +Dat thans eene geïllustreerde uitgave verschijnt is geheel in den +geest van den schrijver; dat vaderlandsche kunstenaars zich niet +geroepen voelden Wouter in zijn pittoresk milieu uit te beelden, +was hem steeds een grievende teleurstelling. [1] + +Door besprekingen met den Heer Van der Valk over de keuze der +illustraties en met ondergeteekende over het al dan niet weglaten +van sommige stukken heeft Mevrouw de Weduwe Douwes Dekker--Hamminck +Schepel ook aan deze uitgave hare vriendelijke medewerking verleend. + +Dat een en ander _hare_ goedkeuring verwierf, moge gelden als waarborg, +dat de bewerking dezer uitgave het werk van Multatuli tot zijn recht +doet komen. + + +J. van den Bergh van Eijsinga-Elias. + + + + + + + + + + + + + + Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat. + Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over + zooveel walg'lyks òm my. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen? [2] + + + + +_Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer +geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in 'n +stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van +valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen 't vermoeden +van misdaad. Apothéose van Glorioso. 't Gevaar van den roem, en de +veiligheid van 't bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van +Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had--ik meen de Kat--als de +kinderen die z'n versjes moesten leeren--de versjes van Van Alphen, +meen ik--en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze +moesten aanhooren._ + + + + + +Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip +te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt, +zal ik 'n paar punten opgeven als _jalons_. + +M'n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. 't +Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze +meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. "Dat +was zoo zuinig, meende de ziel, om 't schoeisel." Daaruit zou men nu +weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was. + +Hoe dit zy, 't is lang geleden. Men zeide nog niet: ik heb _bepaald_ +pyn in 't hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, de _inkomende +Rechten_ bestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen +nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, 't is +lang geleden. + +Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraat _hartenstraat_ genoemd +wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit +heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook +hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde +die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker +beteekent. + +Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het 'n +straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die +ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een +der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is. + +Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet +blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar +volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men +ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke +stand wordt geregeld bygehouden... er is geen _Ghetto_ geen +_Templebar_, geen "Chinesche kamp", geen _Cour des miracles_... wie +er 'n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of +Jansjen. Alles proza. + +Er is moed noodig om 'n verhaal te doen aanvangen in 'n plaats die op +"dam" uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence's of Héloïzes kan +laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang +geprofaneerd zyn. + +Hoe maken 't toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions +aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri's +en Ernesten die evenzeer doen denken aan _M'sieu_ Henri en _M'sieu_ +Ernest uit den _nouveauté_-winkel, als onze burgwallen aan vuil water? + +Göthe was 'n moedig man: _Grietje_, _Klaartje_... + +En ik: in de hartenstraat! + +Maar ik schryf geen roman, dat 's waar. En al schreef ik 'n roman, dan +nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En +wel van iemand die in z'n jeugd verliefd werd op 'n houtzaagmolen, +en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal. + +Want verliefdheid is 'n kwaal, al is 't maar op 'n molen. + +Men ziet dat m'n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig +eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als 't me wat al te mager +voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de +Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geen +_Eau de Lob_ hebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit +'n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland. + +In de hartenstraat dan was 'n leesbibliotheek. Een kleine jongen met 'n +stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het +was hem aantezien dat-i gebukt ging onder 'n plan boven z'n kracht. + +Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens +veranderde hy die halfvolbrachte beweging in 'n onnoodig neertrekken +van 't rechthoekig hemdskraagje dat als 'n juk op z'n schouders lag, +of in 'n even onnoodig tegenhouden van 'n gemaakte kuch. + +Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten +die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot 'n +staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke +soldaten, dwaalde z'n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die +vreest betrapt te worden op misdryf. 't Was duidelyk dat-i 'n opzet +in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de +blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de +krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder 't opgeschort +kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z'n broekzak, +zou allicht op 't denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was +huisbraak te plegen, of zoo-iets. + +Want hy heette Wouter. + +'t Is wel gelukkig dat ik op 't idee ben gekomen z'n geschiedenis te +verhalen, en ik beschouw 't als 'n eerste plicht u te zeggen dat-i +volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord. + +Maar 't zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken +van andere vergrypen. 't Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in +z'n linkerbroekzak, was wel geen _rossignol_, geen _passe-partout_, +geen _casse-tête_, geen _tomahawk_ of _machine infernale_... maar +toch 'n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z'n +Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman op +_d'ouwenbrug_, en 't plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep +in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z'n intrede in de +tooverwereld der romanlektuur: hy wilde _Glorioso_ lezen. + +_Glorioso!_ Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso! + +Al de Rinaldini's en Fra Diavolo's van later tyden mogen niet op één +dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte +by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen, +en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering. + +Maar dit laatste was Glorioso's schuld niet, zeker niet. Men zou +schromen 'n held of 'n genie te wezen--of 'n roover zelfs--als men +daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na +jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden. + +Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na +m'n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis +myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m'n weg naar roem niet +laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal 'n Nieuw-Testament +met gezangen kon worden verkwanseld voor 't "_Leven en de daden van +Multatuli_", schoon ik 't niet duur vinden zou. + +--Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen. + +Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen van +_Glorioso_. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als +'n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden +toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i +eenmaal toornig was gemaakt door doelloos "malen" aan de deur. Althans +Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet +wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... 't was of de boekwinkel +hem inslikte. + +--_Glorioso_... asjeblieft, m'nheer, en hier... + +Hy haalde z'n _machine infernale_ voor den dag. + +... en hier is _geld_! + +Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met +de romanziekte, dat men in 'n leesbibliotheek "pand" eischte van +onbekende klanten. + +De boekenman scheen zich "gedekt" te achten door de neergelegde +veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast 'n deeltje dat, vet +en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk +genot. + +Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun +bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de +lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld +gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar 't is +niet moeielyk rein te blyven als men op de bovenste plank staat, +en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk +hadden. En dat vind ik van veel preeken. + +Na met 'n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette, +verstopte Wouter z'n misdadig geluk onder 't helend kieltje, en vloog +de deur uit, schichtig als 'n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze +"uren lang gedoken zat." + + + + + Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den + schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent + den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman + op Wouter's heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en + de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met 'n + wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote + menschen bezien door de kleine. + + +Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar +toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte +was bekrompen. + +Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan 'n poort die hy zich +herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook +niet. 't Was 'n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar +asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje +Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter +niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl, +en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z'n durven. + +Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis +was in _Habakuk_, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven +tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien 'n barometer in z'n +verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd +waarschuwde als 't regenen zou. + +In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter's overgang van +de kinderlektuur tot de boeken waarin van "groote menschen" wordt +verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z'n +eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken +der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet +voorkomen in 'n burgerhuishouden. + +Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z'n grootere +makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die er +gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in 'n koets rydt, steden +verwoest, prinsessen trouwt, en 's avends opblyft na tienen, al is er +niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die wereld, en +heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo meenen de kinderen. [3] + + + + + + + Een Italiaansche roover op 'n buitensingel te + Amsterdam. Proefje van 't bitter lyden der deugdzame + Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige + waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen + der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe + eerlykheid ryk maakt. + + +Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig +voor de afwezige schoonheid van 't landschap aan 'n moddersloot kwam, +waarover 'n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar, +na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was, +en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z'n roover. + +Ik heb 'n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot +te maken van Wouter's genot, door 't leveren eener schets van 't +onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso's +geschiedenis niet recht ken--wat me trouwens niet volstrekt beletten +zou er over te spreke--heb ik u veel andere zaken te verhalen van +dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de +hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg +te nemen over _d'ouwen-brug_. Laat het u genoeg zyn te weten dat het +"heel mooi" was. "De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, +aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber +cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den +edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, +met derzelver zilte tranen... kortom, 't was treffend. Ook was er meer +zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende +waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond +'n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt +werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen +die Wouter vergeefs tegen 't licht hield om er meer van te weten. + +Hy las tot "sterf verrader". Toen was 't donker, en hy begreep dat +het tyd werd 'n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de +Hallemannetjes "_dat_ zulke fatsoenlyke kinderen waren." Met weerzin +sloot hy 't dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde +beknord te worden over z'n lang uitblyven. + +"Hy zou nooit weer permissie krygen" werd er by zoo'n gelegenheid +gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe +wist-i te goed dat men graag de kinderen "eens van de vloer heeft, +als men zoo klein behuisd is." En: "de Hallemannetjes waren zoo +buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast 'n huis met 'n balkon, +en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen." + +Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de +andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef +van m'n geloof, wil ik hier 'n voorval inlasschen dat iets vroeger +had plaats gevonden. + +Wouter ontving geen zakgeld. Z'n moeder zei dat hoefde niet omdat hy +thuis alles kreeg wat-i noodig had. 't Stuitte hem altyd te moeten +wachten op vergunning om "meetedoen" als z'n kameraadjes met den +bal speelden, en hem verweten dat hy 't zyne niet had bygedragen +tot aanschaffing van dat meubel. 't Kostte drie duiten in Wouter's +tyd. Nu zal 't wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de +staathuishoudkunde. + +En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z'n voortdurende +geldeloosheid. Later zullen we zien of 't waar was, wat z'n moeder zei, +dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men +hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over 'n kleinigheid +te beschikken _naar eigen wil_. Wat toch zoo heel prettig is voor +kinderen. En voor menschen. + +De Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk waren--gaven hem heel +duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te +dragen van 't verkeer. Fransje berekende dat Wouter's vriendschap hun +al negen stuivers gekost had--wat ik duur vind, niet om de vriendschap, +maar om 't berekenen--en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat +ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig +had om z'n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou +omdat i 'n insteekpakje droeg. [4] Maar de griften had ze aangenomen, +en overgedaan aan Gus voor 'n zoen. + +De bittere verwyten der Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk +waren--maakten Wouter wanhopig. + +--Ik heb gevraagd aan m'n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven. + +--Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes +d. z. b. f. w. Je bent 'n klaplooper. + +Wouter hoorde dit woord voor 't eerst, maar begreep het terstond. Niets +maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart. + +--Klaplooper, klaplooper... ik ben 'n klaplooper! + +Schreiend liep hy heen, en koos 'n omweg om de straat te myden, waar +lange Ceciel's vader 'n lappenwinkel "deed". Och, als ze gezien had +hoe hy als 'n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was +èrger dan de broek boven 't buisje. + +--Klaplooper, klaplooper! + +Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, +maar ze huilden er niet om als Wouter. + +--Klaplooper! + +Hy zag 'n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. 't +Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam. + +--Klaplooper! + +Daar kwam de man van de vuilniskar, die 't woord naklepperde met z'n +ratel, 't Was niet uittehouden! + +Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes +d. z. b. f. w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te +behalen op 'n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had +men 'n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor 'n duit zou +'t voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit +hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet +alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan +meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moest _kapitaal_ wezen. Zy +zouden de inkoopen doen, _zy_ zouden zich belasten met den verkoop, +en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond. + +--Klaplooper... klaplooper... + +Wouter _stal_ 'n gulden uit het "knipje" van z'n moeder, en bracht +die aan de Hallemannetjes d. z. b. f. w. + +--Hoe kom je 'r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had +om te antwoorden, en tevens dat-i 't antwoord niet verstond, dat deze +gaf door zwygende verlegenheid. + +--Hoe kom je 'r aan--zonder vraagteeken alzoo--zie, nu zullen Franssie +en ik ieder 'n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan +koopen _wy_ de peperment. Op de Rozengracht is 'n fabriek... zóó'n +zak voor vier schellingen! _Wy_ zullen al de moeite doen, +Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten, +weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld--hy zal betalen +na de vakantie--_wy_ zullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft +niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan... + +Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou 'n +daalder teruggeven in 't knipje van z'n moeder, en voor lange Ceciel +'n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in 't hout van +z'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan 'n paar +griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot +'n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den +weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden +ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik +weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig +insliep, in de hoop dat-i weldra 'n goed geweten hebben zou over 't +bestolen knipjen en 'n voldaan hart over z'n liefde tot lange Ceciel. + +Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en 't fatsoen +van de Hallemannetjes! + +Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school +verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder 't +gewicht van 'n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten +of Kris Kloskamp z'n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die +brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich +bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen +geen zak peperment droeg, maar bovendien 'n zeer ernstig gezicht +meebracht. Ook Franssie keek als de deugd. + +--Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder 'n woord te spreken. Hy +was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag +anders te uiten dan door 't geluideloos openen van z'n mond en 't +vooruitsteken van zyn gelaat. + +--Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen. + +Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z'n geweten en z'n +hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend "moeder's +knipje" weg, houtborend potlood dat 'n opening klieven zou in 't hart +van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg! + +--Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten... + +--Ja...a...a, hikte de arme jongen. + +--En die Kris Kloskamp, die 'r twaalf besteld heeft, weetje?... + +--Ja...a...a... + +Of Kris ook smelten zou? + +...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie. + +--Zoo...o...o? + +--Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, +dat er veel minder in 'n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment +tegenwoordig heel zwaar is, weetje? + +--Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in +levensgevaar 'n "eerst" beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel +zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet 't weeromgeven. + +En hy bood Wouter 'n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig +woog op z'n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i +'t... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op +dat oogenblik. + +Fransje stak 't zware pepermentjen in z'n mond, en zei, al zuigende: + +--Ja wezenlyk, heel zwaar... 't is engelsche, weetje? En dan is +'r nog wat... niet waar Gus? 't Fatsoen! Toe Gus, zeg jy 't maar. + +--'t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk. + +--We meenen 't fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde. + +Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen. + +--Zeg jy 't maar, Gus. + +--Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met +'n zakje, en by ons "op" de gracht... + +--Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont +m'nheer Krullewinkel die 'n buiten heeft... + +--En 'n balkon ... + +--'t Is maar om 't fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek +komt, dan prezenteert onze mama... + +--Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is +van zilver... + +--Né, Franssie... maar 't is net als zilver, weetje Wouter? + +De arme jongen zei maar dat-i 't wist, hopende eindelyk te weten te +komen wat-i inderdaad _niet_ wist: het verband tusschen al die dingen +en _zyn_ vervlogen hoop. Hy stamelde: + +--Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment? + +--'t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn. + +--Ja. Gus. + +--En braaf. + +--Ja...a...a... Franssie! + +Arme Wouter! + +--En daar je zei dat je geen zakgeld krygt... + +--Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als +'t winter wordt kan je 't zien, dan gaat-i rond met 'n weesjongen... + +--Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je... + +--Dat je... + +--Die gulden... + +--Die gulden, weetje? + +--Dat je 'm niet... + +--Dat je 'r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die +'n tweede pepermentjen uit z'n zak haalde en in den mond stak, tot +versterking zeker na dat beslissend woord. + +'t Was er uit! Arme, arme Wouter! + +--En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maar _gelyk_ +deelen... dat is afgesproken! + +--Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... _wy_ hebben al de moeite +gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen! + +De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en +alzoo... Wouter ontving acht stuivers. + +--Weetje, zei Gus, 't is omdat onze pa diaken is. + +--Ja... en onze tabakspot... al is 't dan geen zilver, 't lykt precies +op zilver. + +Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de +buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over +tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan 'n uitvindsel +van Wouter's moeder, omdat ze "nauw behuisd" was. 't Is de vraag of +zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt +hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in +'t huishouden. [5] + + + + + + + Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de + rechtbank van 't geweten. De onmannelykheid der natie, + volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de + gebreken van Leentje, beschouwd uit 'n menschenvriendelyk + oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke + spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen + van 't vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip's + eer. Leentje's onzichtbaar talent om kleeren en zielen te + herstellen. + + +Hoe 't zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte, +Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent +den oorsprong. Over z'n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet +zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z'n +nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z'n +uitstapjen in de Abruzzen, en by z'n terugkeer in Amsterdam viel hem +de herinnering aan z'n boosheid--of liever 't voorzien van de straf +die er volgen zou op die boosheid--drukkend zwaar op 't gemoed. + +Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen +vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou 't Nieuw-Testament +niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de +week zou er niet naar gevraagd worden. + +Nogeens: 't was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of +zoo-iets van dagelyksch gebruik... + +Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten _Glorioso_ achter +de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong +z'n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z'n moeder +'t nooit geweten heeft. + +Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik +weet niet of "broek" mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, +vooral omdat ik 't toch niet begrypen zou, al vond ik "_broek, m._" +in 'n woordenlystje. Onlangs vond ik géén _m._ achter _natie_. Dat zal +'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn. + +Of Wouters's broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de +scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en +ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en 's avends 'n boterham. + +Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: "goeien +avend, juffrouw. Goeien avend, m'nheer en jonge-juffrouwen. Goeien +avend, Wouter"... en de rest. + +Want Wouter's moeder heette "juffrouw" om de schoenmakery. De +jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n +broer was "m'nheer" sedert diens benoeming tot derden ondermeester +aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z'n buis +gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en "Stoffel" paste +toen niet langer, meende Wouter's moeder. Maar dezen noemde Leentje +eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar 'n kleine jongen was. Ook was hy +haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy +haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld +wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood. + +Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was +foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook +beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze 'n booze tong voerde. Ze +zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken +in _de Nederlanden_. + +Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers +en 'n boterham? 'k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch +niet aangenaam in den omgang. + +Dat Leentje scheef was, kwam van 't aanhoudend naaien. Ze hield het +gansche gezin "heel" en verstond de kunst om een broek, twee buisjes +en 'n lakenschen pet te maken uit 'n duffelsche jas, en toch schoten +er nog lappen over voor de _sous-pieds_ die Stoffel noodig had voor +z'n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door 'n fout +in Euklides. + +Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men +bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De +"jonge-juffrouwen" spraken gedurig van "stand" en "dat ieder op +z'n plaats moest blyven." Dit gold háár. Leentje's vader namelyk +was 'n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de +jonge-juffrouwen had 'n winkel "gedaan" waarin-i schoenen verkocht die +uit Parys kwamen. Dit maakt 'n groot verschil. Want het is deftiger +iets te verkoopen dat gemaakt is door 'n ander, dan zelf wat te maken. + +De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist +gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid +van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en +geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was 't er geweest, +het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje. [6] + +Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z'n hemdsboordjes, +"die zoo nadeelig werkte op 't respekt" en klaagde dat ze hem altyd +zoo mal aankeek, als-i "heeren had." + +Dat "heeren hebben" was 'n _privatissimum_ over de leerwyze van +Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd +voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet +geslaagd in 't wegbyten van 'n lach, toen ze Stoffel z'n naam hoorde +spellen, en uitvaren tegen 't onkiesche ouwerwetsche "esse té" dat +dan ook leelyk is. + +En dan, die bessen met suiker! + +Aldus had ieder z'n grieven tegen 't arme Leentje. Maar Wouter hield +veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, +misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel +genoodzaakt was, of genoopt althans, z'n troost te zoeken by haar. Want +alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin +in de zedelyke als in de stoffelyke wereld. + +Wouter's moeder noemde hem: "die jongen." Z'n broers--er waren er meer +dan Stoffel--beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig +sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem +'n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De +zusters verklaarden hem voor "sleets" of "sleetsch." Ik weet niet +hoe ze 't spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar +by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond +het schande dat men niet meer "werk maakte van 'n jongen als hy." Ze +scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En +dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis +te vertellen. + +Tot kort na de expeditie naar _ouwenbrug_, hartenstraat en aschpoort, +was Leentje Wouter's eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen +die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z'n smart over +de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm "redelyk" gaf, +en "uitmuntend" met 'n krul, aan 't roodharig Keesje. Aan Keesje, +die geen "som" alleen wist te maken en altyd steken bleef in de +hollandsche graven. + +--Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in 't huis +van Beieren... 't is wel schande! En dat om 'n duit op 't pond. + +Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje's +vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die +graven en hun gedurig verhuizen. + +Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat +Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt +van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van +'s mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was +door Keesje's voorzitterschap. Want waar onze eer in 't spel is, +of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander. + +Of, als z'n broers hem plaagden met 'n sarrend "professer +Wouter"... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat "mal +gekrabbel op 't behangsel"... of, als z'n moeder hem strafte voor +dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist +zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was 't altyd Leentje die +Wouter's gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze +den winkelhaak in z'n kleeren onzichtbaar maakte met 'n onnavolgbaar +"heen-en-weertje." + +O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief +gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat +al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk: + +--Daar heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje +voor je griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven +die gedurig overgingen van 'n eene huis in 't ander. + + + + + + + + Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie + van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende + terugblik op Scelerajoso's dood, dien we, om 't gevoel des + lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreide _binnenlandsche + betrekkingen_, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk + sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven + magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen + eener eigenaardige stofwisseling. + + +Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van +'t wegmaken van z'n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de +man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de +ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig +en beweerde dus dat zoo'n jongen opgroeide voor de galg, want: + +--Men begon met 'n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met +wat anders. + +Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch dat +_andere_ wel wezen zou, als men begonnen was met 'n bybel. Ik denk dat +zyzelf 't niet wist, en dat ze 't maar zoo zeide om de menschen in +den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de +zaken verstond dan zy uiten wilde. 't Is my wel, schoon 'k niet houd +van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als +'t myn zaak geweest was, zou 'k juffrouw Laps den duim tusschen de +deur gezet hebben. + +Stoffel hield 'n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee +vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets +dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met +'n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: "dat de eer van de familie +op _d'ouwenbrug_ was verloren gegaan, dat hy, als "eenige" oudste +zoon van 'n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads +tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van 't huis... + +--Van Beieren, zei Leentje zacht. + +...dat 'n huwelyk of 'n _andere konditie_ voor de meisjes kon +afspringen door Wouter's schuld, want dat niemand zou willen tedoen +hebben met meisjes, die... in 't kort, Stoffel beweerde "dat het +schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg +van 't feit. Hy had duidelyk bemerkt dat "de jongens" er ook al van +wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken." + +En eindelyk: "dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt [7] te gaan, omdat +die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling +van juffrouw Laps omtrent Wouter's toekomst." + +Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de +heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend +was. + +Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken +werd van "dat andere" dat komen zou volgens juffrouw Laps, droomde +hy van z'n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd +door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als +ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen. + +'t Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot +het openbaren der wyze waarop hy 't ontvangen geld had besteed, +ydel waren. Men moest daarvan afzien, na 't vruchteloos aanwenden +van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood, +brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk, +juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de +jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk +gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we +gezien hebben. + +Zoodra 't hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes +d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z'n +boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig +oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z'n held, die op 't laatste +blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de +deugdzame Elvira. + +Toen Wouter z'n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z'n blik +aangetrokken door amandeltaartjes by 'n banketbakker op den hoek. Hy +handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig +zoo'n held optevolgen, en binnen weinig tyds was 't overschot van +'t Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer +veranderde. + +Wat het aandeel der "gezangen" betreft in het saldo dat Wouter restte +na z'n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste +stof tot 'n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde, +en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor +de schoolrust. + + + + + Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen. + + +Pennewip was 'n man van den ouden stempel. [8] Zoo althans zoud-i ons +nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z'n gryze schooljas, dyvest, +korte broek met gespen, en dat alles gekroond met 'n bruin pruikje, +dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in 't begin der week altyd +zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen +geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer. + +Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i +niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men 'tzelfde van ons zal +zeggen. Hoe dit zy, de man heette _meester_, z'n school was 'n _school_ +en geen _instituut_, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik +vind het 'n vreemde manier van vooruitgang, de dingen anders te noemen +dan ze werkelyk heeten. Op z'n school, waar volgens de naïve gewoonte +van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men--of kón +men leeren--lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis, +psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles +was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of +gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in 't verzenmaken, +een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had. + +Hy maakte de jongens "klaar" tot het "aannemen" toe, en met behulp van +z'n vrouw voerde hy de meisjes op tot 'n merklap met 'n rood vader-ons +op zwarten grond, of 'n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan +waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden +van onzen tegenwoordigen burgerstand. + +Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens +ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het +is 'n kind nutter te weten hoe 't koren groeit, dan het te kunnen +toespreken in vreemde taal. Maar 't zou kunnen samengaan. + +Buiten 't verzenmaken bereed meester Pennewip nog 'n stokpaardje, dat +hem boven ieder ander aanspraak gaf op 'n troon. Hy was bezeten door +de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar +zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed +begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra +ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van +'n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip's +onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot +familiën, _genera_, klassen, _species_ en onderdeelen, en maakte +alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de +Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot +'n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring +van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te +beweren dat Wouter's Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn, +als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man +behoorde, die 't gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet. + +Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip's +verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m'n +lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner +geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord +zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken--dat _après-tout_ +niet verboden is--wanneer ik niet voorzag weldra 'n paar gedichten +van z'n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel. + +Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield--waarby de +goeieman stoutweg den mensch 'n ziel gaf--volgde 'n stelsel dat +er uitzag als 'n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder +toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen +op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogte +stonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en +dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en +kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche +dingen--mits tweepaardig--advokaten en ongedokterde dominees, +kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en +zoo voort. Wysgeeren--maar ze moesten 'n _stelsel_ hebben--dokters +met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry +naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III +klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis. + + + + BURGERSTAND, IIIe KLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING. + + _Burgermenschen "op kamers" wonende._ + + + _a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met + achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich + in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en + reciteeren den_ Kerstnacht. _De meisjes heeten_ Lena, Maria, + _soms--maar zelden_--Louise. _Ze borduren, en zeggen: U. De + jongens op 'n kantoor. Houden meid, naaister, en 'n "mensch + voor 't grove werk." De was nat thuis. Lezen preeken van_ + v.d. Palm. _Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na + de koffi. Godsdienst en fatsoen._ + + _b1_) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen + buren die "tweemaal schellen." (Zie b2) Leentje, Mietje, + Jansje. Louise _komt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt + opengetrokken met 'n touw dat glimt van lange dienst. Slapen + in één kamer. Kraamschut. Meid, "halve naaister" en 'n + "mensch." Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst + en fatsoen als-boven._ + + _b2_) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, + maar met 'n "mensch." Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd + tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven. + + _c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer + die inspringt om de binnenplaats. 't Heele gezin slaapt in + twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heeten_ + Louw, Piet _of_ Gerrit, _en gaan "op" horologiemaken + of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig + twist met de buren over dien verstopten gootsteen in 't + portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan + "heel fatsoenlyke menschen." Lezen den Haarlemmer samen met + III 7, b2_ (Pp.) _Geen meid of "mensch" maar 'n naaister van + zeven stuivers en 'n boteram..._ + + +Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse. + +De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter's omgeving, +en begrypt waarom ik z'n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor +'t eerst zagen in de hartenstraat. + + + + + + + Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd + tusschen willen en zyn, geopenbaard in 'n kindermymering + (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, + eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met 'n + luchtreis. + + +'t Was woensdag. Er zou 'n "avendje" wezen by de Pietersens. Juffrouw +Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man +"aan de beurs" was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had +"maar altyd heel in 't fatsoenlyke." Dan de weduwe Zipperman, "die +'n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster, +of zoo-iets." Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet +anders, want het was "zoo opvallend als men allerhande en janhagel +liet halen zonder haar meetevragen." Dan de juffrouw van onder-achter +die wel niet komen zou, dacht men "maar men wou graag de minste wezen +na dat gekibbel over 't gebroken glas." En kwam ze nù niet, dan was +'t ook _uit_, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou 't uit wezen met de +juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet +gekomen is, en dat het dus met die juffrouw _uit_ was. + +De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van 'n +kop koude saliemelk aan 't ontbyt "als men ze den heelen avend niet +hoorde." 't Is ook lastig de kinderen te "hooren" als men 'n avendje +heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om +te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest +thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op 'n toon die hem +deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer +uitbleef. Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was, en gewoonlyk +'s avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party +te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by 't +tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf--ze +hadden de belydenis en den merklap achter den rug--en Stoffel zat +voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de +juffrouwen kwamen halen, en 't gezelschap vermaken met vertellingen +over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder +sterk was. + +Leentje zou blyven tot de "menschen" er waren, wyl 't anders voor de +jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon +ze wat helpen aan 't wegzetten van de latafel, en aan al 't geredder +dat onafscheidelyk is van 'n avendje. "Maar ze moest wat vlugger wezen, +of anders deed men 't waarlyk liever zelf." + +Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk +zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de +bestellen, "maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst +zoo droog waren." + +'t Zou allerprettigst wezen "als nu juffrouw Laps maar niet altyd +het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak." Ook was +het te hopen dat de weduwe Zipperman "wat minder opsneed van haar +schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op 't laatst." En de +juffrouw boven den melkkelder "mocht ook wel wat bescheidener wezen, +want ze had niet altyd in 'n _toehuis_ gewoond, en 'n _winkel_ was +geen schande, en _op-kamers-wonen_ ook niet... heere, neen!" Ook kon +niemand weten waar-i toe komen zou. + +Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd +zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den +burgerstand, "en als ze-n-'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook +maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen +volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe 't hoort."--En +"dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging +juffrouw Pieterse voort, 't raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om +haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z'n +beenen maar vóór zich houden... en dáár 'n stoel... ja, zóó... 't is +heel goed dat ze niet komt, 't was toch te vol geworden... Leentje, +ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga 'ns even naar juffrouw +Laps, en vraag of de juffrouw me-n-'n paar krukjes wil leenen, zonder +leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen, +dat schuift niet in... ja, vraag 'n paar krukjes aan de juffrouw, en +zeg aan de juffrouw dat 't voor my is, en dat ik de juffrouw wacht +tegen zevenen... maar doe 't kompliment aan de juffrouw, en snuit +je neus." + +Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. 't Was +zoo onbeleefd, vond ze. + + + +Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z'n brug, die +ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens +van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot, +en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy +gedachteloos of vol gedachten--wat byna 't zelfde is--daarin wierp, +werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd +moesten worden door de beide molens: "_d' Morgenstond_" en "_den +Arend_" welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom. + +Na _Glorioso_ namelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te +vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig +weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige +romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld +uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de +grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken, +dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe +hy ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek. + +Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van +dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden +maakten met z'n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat +voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel +beter gaan, meende hy in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van z'n +moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen +sleep, zooals die gravin? Hy had z'n bybel niet moeten verkoopen... dat +is waar... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar +dan behoorde hy toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer +op z'n muts, zooals in 't boek stond. + +Ook verveelde hem z'n broer Stoffel, en z'n zusters, en juffrouw Laps, +en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie +niet naar Italie ging, om daar 'n behoorlyke roovery optezetten. Maar +Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet. + +'t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z'n vers... + +Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend +waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar +den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had +opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel gekregen, +niet zonder toespeling op z'n vroegtydige verdorvenheid, en den +wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelyke +verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en +hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i +de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem +'t naast aan 't hart lag, de roovery. + +Hyzelf was, als alle schryvers--en menschen--zeer ingenomen met z'n +werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en +hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de +deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden +gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter +tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover. + +Zoo droomde hy, en wierp z'n strootjes in 't water. Ze dreven langzaam +voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig +begon Wouter's verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der +strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar +ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia +had geen beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf: +hy naderde Amalia's kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit +haar gevangenschap, of die te deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt +door 'n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's +laatste strootje, en in 't geklapper van den molen hoorde hy duidelyk +Amalia's verwytend geklaag: + + + Warre, warre, warre, wou. + Waar is warre, warre, wou... + Wouter die me redden zou? + + +Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden 'n steen te +werpen naar den eend die door z'n gulzigheid oorzaak was van Amalia's +twyfel aan z'n riddereer. + +De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben +uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niet te +storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper +voort. + +Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat +weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die +ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening +dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat +ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles +wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de +weerklank der aandoeningen in z'n eigen gemoed. + +--Wie 't snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk +beginnen... zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens.. nu! Och, +weer verkeerd! + +Wie nu 't eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van +die wolk af. _Morgenstond_, pas-op... mis weer! Ik kan 'r geen oog +op houden... wat 'n gedraai! + +Zoo, ben je moê? 'k Wil 't wel gelooven! + +Als ik eens op zoo'n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat +zou de molenaar gek kyken! + +Waarom heetje _Morgenstond_? Hebje wat in den +mond? En... _Arend_... kunje vliegen? Wilje my meenemen? _Ik_ zou +wel willen... wat 'n ruimte daarboven... en geen school! + +Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst... 'n +school of 'n meester? + +Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die +eerste school moet toch 'n meester gehad hebben... + +Of zou de eerste meester vanzelf... + +Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den +wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, +_Arend_... toe! Kryg de _Morgenstond_... gauw, gauw... pak 'm +beet... mooi! + +Nu weer samen... _karre, karre, kra, kra_... steek-uit je armen... neem +me mee... wilje niet? Goed _Arend_! Zet je hoed op... wat fladderen +die linten... hoe heetje? _Warre, warre, warre, wou_... ik kon 't +niet helpen... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? _Fanne, Fanne, fan, +fan_... heetje _Fan_? En jy, _Morgenstond_, hoe is je naam? _Sine, +sine, sine, si_... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu tegelyk, +komaan... samen... zingt 'n liedje samen: + + + Fanne, fanne, fan, fan... + Sine, sine, si, si... + Fanne, sine, fanne, sine, + Fanne sine... Fan... cy... + + +_Fancy_... wat meenje daarmee? Heetje _Fancy_! En... wat is +dàt... hebje vleugels? + +Ja, "_d' Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden +vleugels en heetten _Fancy_. + +Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee. + +Toen ze hem weer neerzette op de brug, was 't al lang donker. Wouter +schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit, +en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch +moeten daartoe 'n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet +te _collet monté_ is tot het aannemen van m'n uitnoodiging op de +saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf +maakte, en alles van Parys kreeg. + +In 't voorbygaan echter, wenschte ik 'n kort bezoek te brengen by +meester Pennewip. + + +_Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop._ + +De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen +daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa +keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes +lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes +en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten +aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al +haar luister op 't zwarte bord, maar toch, de school was geen school +meer, de geest was er uit, 't was 'n lyk. + +Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen 'n groote +hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra +blyken. + +Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip +de dichterlyke voortbrenselen van 't genie zyner leerlingen keuren +zou. Daar zat-i. Z'n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die +hem bezielden by 't lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden +genoeg om over z'n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te +worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot. + +Pruik: recht en in rust. + + + "TRYNTJE FOP, _op haar muts_. + + Ik heet Tryntje Fop. + En heb een muts op myn kop." + + +--Niet kwaad... maar... laat zien--ja, zóó is 't beter--die beide +laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver +overtolligheid. + +Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje +Fop heel eenvoudig 'n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel. + +Pruik: iets of wat links. + + + "LUKAS DE BRYER, _op het Vaderland_. + + Vaderland, koek en amandelen. + Ik ga in de maneschyn wandelen. + Koek, vaderland en brandewyn, + Ik ga wandelen in de maneschyn. + Vyf vingers heb ik aan myn hand + Ter eer van 't lieve vaderland." + + +--Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet +brandewyn, en 't vaderland daartusschen. + +Pruik: rechts. + + + "LYSJE WEBBELAAR, _op het beroep van haar vader_. + + De kat viel van de trappe, + Myn vader verkoopt aardappe- + Len en uyen." + + +--Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur +ik af. + +Pruik: links. + + + "JANNETJE RAST, _op een windwyzer_. + + Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet. + En wyst aan den wind hoe hy waaien moet." + + +--Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als +dichterlyke vryheid kan het er door. + +Pruik: vooruit. + + + "GRIETJE WANZER, _op een rups_. + + Het rupsje zonder schromen, + Springt rond op alle boomen." + + +--Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van +die onbeschroomd rondspringende rups. + +Pruik: in rust. + + + "LEENDERT SNELLEMAN, _op de lente_. + + In de lente is het heel aardig. + In Mei is myn broertje jarig. + Maar nu heeft hy wintervoeten. + Zoodat wy de lente pryzen moeten. + Dan gaan wy samen kuieren. + En op paasch, vacantie met eieren." + + +--'t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn +inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is +zeer eigenaardig. + +Pruik: in den nek. + + + SLACHTERSKEESJE, _lofdicht op den meester_. + + Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven, + Maar meester Pennewip is nog in leven. + Soms waren zy mager en somtyds vet. + En hy heeft zyn pruik op zy gezet." + + +De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver. + +--Hm... 't is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen? + +De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde. + +--Wat heb ik met die ossen te maken? + +De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen +alle verwantschap met die ossen. + +--Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers _humor_ +noemen? + +De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt. + +Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen... + +De pruik kwam weer terecht op 't zenith, om haar tevredenheid +uittedrukken over meester's voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg +onder-handen te nemen. + + + "LUKAS DE WILDE, _op de godsdienst_. + + De godsdienst is een goede zaak. + En geeft het menschdom veel vermaak." + + +--Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve +had iets meer uitgewerkt behooren te worden. + +De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond. + + + TRUITJE GIER, _op juffrouw Pennewip_. + + Het pad der deugd wyst zy ons aan. + Wie zou niet gaarne medegaan? + En in verloren oogenblikken + Leert zy ons naaien, stoppen en stikken." + + +De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden +elkaar. Meester kon niet nalaten z'n vrouw terstond deelgenoot te +maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den +schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene. + +By 't volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar +onbewogen, maar de oplettende beschouwer had 'n hysterische +geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen. + + + "KLAASJE VAN DER GRACHT, _op God_. + + Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven + Met stof, en stergewoel, van 't aardsch bazuingeschal! + Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven, + Wie zegt ons waar 't gewoel, een einde nemen zal? + Tot weêrklank van Genaè, met Eng'len op de transen, + Gevaar van 't smalle pad, uit onbekend genot... + Een vader weegt zyn kind, met eeuw'ge kroonbalansen, + Zich spieg'lend in, en door, en op, en onder God. + Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen. + Het zevenslotig boek, een zang van 't boos geslacht, + Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen. + + +_Dit vers is saamgedicht door_ Klaasje van der Gracht _van den +katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud +dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de +vliegende theeketel uithangt._" + + + +--Verheven! Als z'n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het +verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en +telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my +boven het hoofd... het is verbazend! + +Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet. + + + "LOUWTJE DE WILDE, _op de vriendschap_. + + De vriendschap is een schoone zaak. + En geeft het menschdom groot vermaak." + + +De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd +voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes +vriendschap. + +--Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één +denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of +zyn. + + + "WIMPJE DE WILDE, _op het hengelen_. + + Het heng'len is... + + +--Hoe... wat is dat? + +Ja waarachtig, 't stond er: + + + "Het heng'len is een schoone zaak. + En geeft het menschdom veel vermaak." + + +De pruik was in voortdurende beweging. 't Scheen wel dat ze +meehengelde. + +Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de +voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje +de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden +met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, +bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak +gaven aan 't menschdom! 't Was 'n stortvloed van schoone zaken en +vermakelykheden. + +Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden +'t beste was, en meer kan men niet verlangen. Na 't inzien der +vruchteloosheid harer bemoeiingen om onderscheid te vinden tusschen +hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool, +hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in 't juiste +midden, met 'n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag +naar 't vervolg, als de lezer. + + + "LEENTJE DE HAAS, _op admiraal de Ruyter_. + + "Hy is op een toren geklommen, + En heeft daar touw gedraaid. + Toen is hy op zee gekommen, + En werd met roem bezaaid. + + Hy wou 't er niet by laten, + En heeft _Saleh_ geveld. + Toen hebben heeren Staten + Hem aangesteld als held. + + Toen is hy aangekomen + In 't roofziek Engeland. + Dat heeft hy zonder schromen + Belegerd en verbrand. + + Hy heeft veel christenslaven + Met vryheid overstrooid. + Toen hebben Neêrlands braven + Zyn glazen ingegooid. + + Tot afschrik van verraders + Toen hy de zee bevoer. + Was zyn naam bestevader, + Zyn vrouw was bestemoêr. + + Hy gaf de eer den Heere, + En was als Christen groot. + Toen kreeg hy door zyn kleeren + Een kogel, en was dood." + + +De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen +verheugd. Helaas... de vreugde van zoo'n pruik duurt niet lang! Ook +de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet +vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien... + + + "WOUTER PIETERSE, _Rooverslied_..." + + +--Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd? + +Meester vertrouwde z'n oogen niet. Hy keerde 't blad om en bekeek de +achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had... + +Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter's +blaadje! + +Arme pruik! + +Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit 'n pruik +onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op +'n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van +de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze +tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort: +_heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven_, +hoe komt-i er aan!... plakte ze met 'n vuistslag weer op z'n +schedel... dekte haar toe met z'n eerwaardig driepuntjen, en vloog +de deur uit als 'n bezetene. + +Hy ging den weg op naar Wouter's woning, waar we hem weldra zullen +zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld +als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen. + + + + + Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke + gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet + wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel's + zoölogische geestigheid, oorzaak van 'n laatsten punischen + oorlog. Pennewip homoeopaath en vredestichter _malgré lui._ + Arme Wouter! + + +--Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou +die stoel wech, en cheef ereis 'n tessie in die stoof... toe as 'n +meit, of 'k doe 't liefer sellif. En-oe maak je 't, mens? Juffrò-Laps +k'mt ook, weet je?--Myntje, denk 'm je deeg, en skei uit mê-kamme--ze +ken niet f'n d'r hare blyve, die meit, as 'r folk is... ga sitte, +mens... né, niet in die hoek... 't tocht 'r so... + +Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw +Stotter was 'n "vrouw" en geen "juffrouw." Ze had dus geen recht op +de eereplaats, want eens-vooral, 'n juffrouw gaat boven 'n vrouw, +zoo goed als 'n mevrouw gaat boven 'n juffrouw. Ieder moet op z'n +plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7. _b1_ of c, (Pp) waar +de _préséance_ nauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan 't hof te +Madrid, jazelfs met 'n angstvalligheid die 't ceremonie-meesterschap +op die hoogte der maatschappy, tot 'n hoofdbrekend werk maakt voor +menige juffrouw Pieterse. + +Ik zeg dit maar, om door 't woord "hoofdbreken" ongezocht te +geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de +juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik +niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor +'t afleggen van 'n bezoek op dezen of genen III. 7, _b_1. (Pp). + +Want als 't nu eens later iemand in 't hoofd komt, vrouw Stotter +te verheffen tot algemeene baker van 't heele menschdom, zal 't +dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd +heeft, en hòe ze 't gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist +hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft, +'k wasch m'n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt. + +Ik ben er geweest! Ziehier: + +--Och me lieffe juffre Pieterse... 'k was so bedaan toe Louweris +me kwam fraache. Want 'k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt, +weetje--né, dankie f'r fuur. Strakkies, Pietje--'t zech al so teuche +Wimpie, hoe sou juffre Pietersen 't make, 'mdâ-'k in so lang niet +fâ-je chehoort-ep, weetje,--ja, lech 'm m'r neer,'t is m'n outje--je +neemt ommes nie kwalik, dâ-'k m'r m'n outje hep omchedaan?... en doe +sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse... + +Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het "outje" +van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan 't voeteneind op de +bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt +lagen, de beenen niet uittesteken, om baker's "outje" niet te bederven. + +--Wel mens, cha sitte... ja, dâ's f'rons... 't is tweemaal--Leentje, +wâ-benje weer... d'r wordt cheskelt, hoorje niet!--'t Sel juffre +Sipperman wese... w'nt juffre Sipperman k'mt ook, weetje... + +Ik weet alweer niet of 't inderdaad juffrouw Zipperman was die +gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen +vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in 't onzekere latende of +'t ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den +koekbakker, of juffrouw Krummel "die 'n man op de beurs had" of +juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde +op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was 't heele gezelschap +kompleet, en Stoffel rookte z'n pyp alsof 't zoo hoorde. Leentje +was weggegaan zonder boterham. "Die zou ze morgen wel krygen, omdat +'t zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen." + +--En toe hebbe ze daadelik 'n and're chenome... uwe weet wel... die +soo'n flakki op 'r neus het. + +--Och, 't is soo'n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe, +neemt uwe d'r noch eentje, en lâ-je nie nooie... 't is 'n koekie f'n +j'eiche deech. + +--Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met 'n konynenmondje, dat +fatsoen beduidt. + +--Kemän, of 'k sou denke dâ-je 't niet lustte. + +Dat mocht ze niet laten denken, want ze had 't zelf gebakken. + +--Dan mach 'k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en +dankie wel. + +--En uwé, juffre Laps, toe, mach 'k 'r j'eentje cheefe? + +Juffrouw Laps koos janhagel. + +--Skenkerissin, Trui!--Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je +meedrinken, 't wort je f'n harte chechunt, mens!--Pietje, feeg de tafel +'r's of... só, as 'n meit... en cha nou 'r's kyke na de kleintjes, +en sech dâ'k se nie hoore mot.--Och, juffre Mabbel, 't is zoo'n chedoe +mettie kindere... en hoe faart uwe's Sientje mette kinkhoest? + +--We hebbe d'r nou 'n machenetisseur bycheroepe, m'r 't wil nie +vatte... 't m'nkeert 'm an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul. + +--Isset moooochelik... wat 'n mens al beleeft! En w'nneer komt-i... die +kle ... klik... kleer... + +--Dat leit 'm an de sénewe, juffre Sipperman. M'r nou het-i d'r +slaapmussie, en d'r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en +nou sel 't chou komme, seit-i. + +--Wel mens, wat sech-i! M'r oe cháát 't dan? + +--Wel... dan sel de sonnebuul 't seche, wâ-me doen motte. + +Juffrouw Laps was er tegen. + +--Ik dééj't niet, ik dééj't niet... fô-cheen werels choet! Want +weetje wat _ik_ sech? Ik sech maar, as Chot 't wil, d'n mô-je beruste, +dâ-sech _ik_! + +--Ja, juffre Laps, m'r de juffr' uit de chruttery het 't ook chedaan, +en d'r kint is veel beter. + +--Dat seit uwé, juffre Mabbel, m'r _ik_ sech dâ-se wat in d'r oochies +het, wâ-me niet befalt... + +--Wâ-dan, juffre Laps? + +--Se kykt onstichtelik... en ik houw 't f'r sonde... en dàt sech _ik_ +maar. 't Benne allemaal m'r kunste die nie te-pas komme... en as Chot +wil, mô-je beruste. + +--Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis +'n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken +'n heel fers f'n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook +ken-i al de werrikwoorden f'n 't frouwelyk cheslacht. + +--Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-'k +rook. + +--Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-'s 'n werrikwoord +opseche.--Je sou seche, w'r haalt de jong' 't f'ndaan, juffre +Sipperman.--Hoe is 't 'k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn, +en hy sou beskonke chewees syn--och heere, begryp 't goet, mens, niet +omdat-i dronke was, gut né, m'r 't kwam so te-pas in s'n werrikwoort, +'tis 'm je slap te lachen, as-i bechint.--Skenkerissin, Trui, en +blaas es in de tuit... d'r sit 'n blaatje foor. + +De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap over +de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook in 't +verder relaas van juffrouw Pieterse's avendje, my eenige afwyking +veroorloof van den juisten tekst der gesprekken. [9] + +Stoffel dreunde z'n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de +dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken +geweest was, en dat zy 't wezen zouden. Daarop werd de buurt over den +hekel gehaald, en de juffrouw van "onder-achter" kreeg haar deel. Dat +spreekt vanzelf want ze was er niet. + +De godsdienst en 't geloof speelden 'n groote rol, en juffrouw Laps +gaf te kennen dat ze van plan was 'n "oefening" optezetten, omdat de +tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet +goed in de hoeken veegden. + +--Ik zeg maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is, +riep ze, en dáár kom _ik_ maar op. Men moet 't niet beter willen +weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade +komt door 't geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de +genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat +je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee +maal twee, zieje... en daarom wou 'k zoo graag 'n eigen oefeningetje +houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om 'n zakduitje +op kermis en nieuwjaar. Denk 'r 'ns over juffrouw Mabbel. + +Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag 's +avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien: +"'t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat 'n +"werkelyk" beroep was." + +--Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat 't wel gaan +zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen +in de schoteltjes... want om geld is 't me niet te doen, gut né! We +zouden beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet +uwé... oefening, weet u? + +Juffrouw Zipperman wist 't wel, doch haar schoonzoon van de +assurantie--of van 't kadaster--had gezegd dat de dominees voor die +zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten +wezen zou. + +Die heeren van 't kadaster--of van de assurantie--zyn zoo gek niet. + +--Wat denkt uwe d'r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat +zoo'n oefeningetje... + +Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de +beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw +Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke +aanbiedingen te doen aan 'n "vrouw." + +--Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als +ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van +de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik +heb altyd heel in 't fatsoelyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met +'n hooge stoep, en in de gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en +wind... en die zei altyd: "vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie +vrouw, zeit-i en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, +zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar +zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net +doen of je 't niet hoort"--dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is +omgekeerd, dat zie je wel--en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet +weten wat-i doet. + +--Maar zoo'n oefeningetje... vrouw Stotter. + +--'t Is mogelyk, juffrouw Laps, 't is wel mogelyk... maar ik heb al +zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m'n eigen gang +ga, en dat 's dan ook maar 't beste. Want ik ben in 'n kraam geweest +by m'nheer De Witte die 'n oom heeft aan 't stadhuis, weetje, want +ik baker altyd heel in 't fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo +grappig was, weetje, die zei altyd: "baker, baker, zeit-i, je bent +m'n 'n baker!" Zoodat ik maar zeggen wil dat 'k heel goed weet wat +'k doe, want ik heb 'r al wat ingespeld van m'n leven. Daar heb je +nou m'nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen, +op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i... + +De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van 't punt in +kwestie. Maar dat doen er wel meer. + +--En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over 'n oefeningetje? + +--Och mensch, ik heb al zoo'n geoefen met m'n kinderen! Je weet niet +wat 't is, mensch, om 'r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar +m'n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee +'r wat voor, ik hoor 'r weer. + +Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer +ging om kleine Kee er "wat vóór te geven." Men kon 't haar aanzien +dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke +waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld. + +--Waar was ik weer? Ja, dat is m'n godsdienst, zeg ik maar. 't Is +'n getob met die kinderen, mensch, je wéét 't niet! En ik vind, als +ik ze goed opbreng... ga jy nu 'ns, Pietje, en breng Simon terecht, +die knypt zeker z'n zussie weer, dat doet-i altyd als 'r volk is. + +Simon werd terechtgebracht. + +--Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik +daar weer? Myntje, ga 'ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten. + +Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat "ze wat hadden omgegooid." + +Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van +"achter-onder." 't Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van +achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien, +achter. Vreeselyke opschudding. + +Eindelyk: + +De kinderen waren "terechtgebracht." Juffrouw Zipperman zat weer in +den hoek "waar 't zoo tochtte" waaruit men ziet hoe alle aardsche +grootheid 'n keerzy heeft, en dat 'n schoonzoon by 't kadaster--of +de assurantie--regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw +Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen +waren gekastyd. "'t Was juist als in de Schrift stond", zei ze, en ze +haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar +'t staat, weet ik niet, maar 'k ben zeker dat het èrgens staat. Want +in die Schrift staat alles. Vooral van slaan. + +--Kom, Stoffel, vertel jy nou 'reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw, +die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien. + +--'k Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste +sokratische hovaardy. + +--Och toe, zeg maar 'reis wat je verleden zei... och toe--zoo +is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden, +anders gaat 't niet. Maar dan weet-i 't wel, dat zal uwe zien--toe, +Stoffel!--hy zal moe wezen van z'n school, weet u... 't is 'n gedoe +met zoo'n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is 'n heele boel aan +vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk +zyn. Is 't niet waar, Stoffel? + +--Né, moeder. + +--Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je--'t is maar, weet uwe, +juffrouw Zipperman, om 'm aan 't praten te krygen, maar dat kan zoo +in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z'n school--verleden zei +je, dat alles... + +--Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd. + +--Nou hoort uwé 't, juffrouw Mabbel... waar haalt-i 't vandaan! Begryp +'ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook--je +korrenet, weetje--en jy ook... + +--Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en +baker ook. + +Baker keek heel vreemd. _Zy_ mannelyk... dat had ze nooit geweten. + +--Baker is mannelyk, ging Stoffel voort--nou begint-i! riep z'n +moeder--alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker, +bakker... raker, maker, baker. + +--Is 't mogelyk! riepen de gasten uit één mond. + +--Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd +staan als je 't hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel? + +--Ik... ik? Wat ik bèn? + +--Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent? + +--Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei 't mensch, maar ze zei 't met wat +twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse, +en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in 't +eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel. + +De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van +'n byzondere zaak 'n algemeene makende, vroeg Stoffel's moeder, +kringsgewys rondgaande met haar blik: + +--En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw +Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat +je bent? + +Ze wisten 't geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen +die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende +de hoogschalke Stoffel 't niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps +antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid: + +--Ik ben juffrouw Laps! + +--Mis... mis... glad mis! + +--Wel heerem'ntyd, ben ik juffrouw Laps niet? + +--J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet +gevraagd _wie_ je bent, maar _wat_ je bent... daar zit 'm 't fyne! + +--Wàt ik ben? Wel... griffermeerd! + +--J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is 't nu +niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens... + +Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal +mogelyk: + +--Juffrouw Laps, ik wenschte te weten wat gy zyt uit een dierlyk +oogpunt. + +--Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op +'t punt staat zich beleedigd te voelen. + +--Ik ben 'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by. + +--En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, +met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan +was vasttehouden aan die meening. + +--Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt... + +--Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps. + +--Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we +komen voor ons plezier. + +--Menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek--Stoffel, zeg 't +maar--je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat +'t in 'n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen--toe, Stoffel, +zeg 't maar! + +--Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig--en er was 'n gewichtig oogenblik +aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse--juffrouw Laps, +je bent 'n zoogdier. + +Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er +volgde op dat vreeselyk woord. + +Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen, +en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants +in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die +gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. De voorlaatste +fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las, +bepaalde zy zich tot 'n schrikinboezemend violet, en riep... neen, +ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel +tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op 'n wyze +die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien +avend waren komen te overlyden. + +Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen +als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in 'n dikken wolk van +rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze +stamelde deemoedig: + +--'t Staat in 'n boek, 't staat waarachtig in 'n boek! Och, lieve +menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek! + +Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te +bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna 'n oogenblik, hoestte, wierp +'t mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon: + +--Juffrouw Pieterse, je bent 'n keronje. Je mag zelf 'n zoogdier wezen, +jy en je zoon, dat zeg _ik_ je! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te +denken, want m'n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie +zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me +ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder +'t zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over 't +bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen, +hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit +is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag, +zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En +ik zeg je nou nog 'ns dat je-n-'n keronje bent, jy en je zoon en je +heele familie--weg, Trui!--m'n vader was in de granen, weetje... en +ik ben te fatsoenlyk om door jou... + +--Maar mensch, 't staat in 'n boek... omdeliefdewil, geloof me... 't +staat in 'n boek! + +Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die +Godswoord hebt verkwanseld en verdaan op _d'ouwenbrug_... + +Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z'n +moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer 't een voor +'t ander. + +--Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys 't toch aan +de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen! + +--Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te +wyzen in je boek, dat zeg _ik_ je! En ik zeg je nogeens dat je-n-'n +keronje bent, jy en je lummel van 'n zoon, en je sletten van dochters +die opgroeien als... + +Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets +haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. 't Overige +gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd 'n woordje tusschen. Er +kwam weer 'n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de +politie dreigde. De kinderen maakten gebruik van de opschudding, +om hun konsigne te breken. Ze hadden 't bed verlaten, en loerden +door 't sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar "lodderyndoos" +en zei dat ze 't besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar "oudje" +en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon. + +Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. "Men kon veel verdragen, +maar dàt niet." Juffrouw Krummel zou 't geval meedeelen aan haar +man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of 't kadaster. Vrouw +Stotter zou 't vertellen aan dien m'nheer op de Prinsengracht, dien ze +gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder +wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet +of 't by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de +huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken +door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in +'t vorige hoofdstuk. + + + + + + + Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag + van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek + baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje + voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt + dat nog gebeuren moet. + + +Ja, daar werd gescheld... nog eens: 't was ...f'r ons." + +Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon +'t altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men 'n +ander was dan men is. 't Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar +geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen +kan dat ze 't in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men +in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en +verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw +Pieterse op dit punt wel 'n mensch zal geweest zyn als 'n ander. + +--Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de +heeren wezen. + +De "dames" beweerden dat de "heeren" nog niet konden dáár zyn, wyl +'t nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf 't de heeren waren, gaf +'n gunstige wending aan de vreeselyke krisis. + +Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet +in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als +men gestoord wordt in toorn, is 't heel moeielyk het juiste punt +weertevinden waar men gebleven was. + +Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar 't ging niet, want haar: "'n +zoogdier... hebje van z'n leven, 'n zoogdier!" werd overstemd door: +"hedenm'ntyd, anders komt-i nooit voor tienen." Juffrouw Pieterse +maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te +bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou "opentrekken". Truitje werd +belast met het "terechtbrengen" van de kinderen--die er heel slecht +by voeren--en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met 'n nieuwe +zoölogische verhandeling die 'n ongehuichelde vrede zou herstellen +onder de krygvoerende partyen, toen de deur geopend werd, en meester +Pennewip zich vertoonde aan 't nog ontstemd gezelschap. Ook hy was +ontstemd, de lezer weet het. + +De homoeopathen zullen hier denken aan hun _similia similibus_, +want de verrassing van z'n komst werkte gunstig op de aangevangen +vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend 'n wapenstilstand gesloten +tusschen de krygvoerende partyen--niet zonder voorbehoud aan den +Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid +naar de oorzaak van Pennewip's komst zou voldaan zyn--en ze ging +hiertoe te gemakkelyker over, wyl men 't den man kon aanzien dat-i +wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en +brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps. + +--Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik +zie, ge hebt gezelschap, maar... + +--Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten. + +'t Gezelschap was _niets_, en: "ga _maar_ zitten." Daar heerscht +'n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, _b_1, (Pp). + +--Wil uwe-n-'n koppie meedrinken, meester... saliemelk? + +--Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen +om saliemelk te drinken! + +--Maar ga toch zitten, meester... + +Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en 't kwam er toe. + +Pennewip kuchte met ernst. Hy zag 't gezelschap rond, haalde een rol +papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak: + +--Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw +man... verkocht schoenen... + +Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met 'n zegevierenden blik. + +--Ja meester, dat deet-i! + +--Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot +verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó +groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse? + +--Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen +over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip's toon, jawel, +dat is waar, meester. + +--En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door +middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school, +klachten hebt--ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse--over de +wyze waarop ik--met behulp myner echtgenoote--aan uwe menigvuldige +kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen, +vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en +de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse? + +Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot +tevredenheid. + +--Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester, terwyl +hy 'n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen, +doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen +jaren later. + +--Maar, meester... + +--Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u--want het is +volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel +achterwege te laten--ik vraag u of gy klachten hebt--ik bedoel +natuurlykerwyze: _gegronde_ klachten--over myn onderwys in lezen, +schryven, rekenen... + +--Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar... + +--Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw +zoon Wouter? + +--Wouter?--'t Is waar ook--is-i niet thuisgekomen. Trui?--Wouter is +uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke +kinderen, meester, en ze wonen... + +--Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school +gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men +die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7 _a_1... misschien +_a_... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn--want dat is +hetzelfde, juffrouw Pieterse--het kan niet anders... zedeloosheid, +verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg +u dat uw zoon... + +--Hè? + +--Ik zeg u, dat uw zoon Wouter... + +De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die +'n gevolg was van z'n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte +zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven +aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haar +_eau-de-la-reine_-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren +zou over Wouter "dien jongen" die haar altyd zooveel verdriet had +gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van 'n +beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen +stryd. Dit geschiedde dan ook. + +--Hèb ik 't niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men +begint met 'n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik +verwonder me niet over de zaak... in 't geheel niet! Ik heb 't lang +voorzien. Wat kan men ook verwachten in 'n familie, waar... + +Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich 'n gelegenheid +opdeed om 't voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had +gezegd: het stond in 'n boek... wat in 'n boek stond, moest meester +weten; en dus: + +--Meester, riep ze, is 't waar of niet, dat juffrouw Laps 'n +zoogdier is? + +Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse +der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z'n onvoltooide beschuldiging +tegen Wouter. Hy keek over z'n bril heen en beschreef langzaam 'n +kring met z'n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette, +met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw +Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide: +antwoord of sterf, ben ik 'n zoogdier? + +--Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk +zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl +'t nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps +afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen +en beroep. + +--Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze. + +--Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der +zoogdieren. + +Er slaakte zich in 't gezelschap 'n tienvoudige zucht. Juffrouw +Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, +is 'n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden +zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging. + +De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van +zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken: + +--Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen... + +--Juffrouw Laps, antwoord my... + +--Gut ja, meester, maar... + +--Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt; +wáárin woont gy? + +--Waarin ik woon? Wel... in m'n kamer, hieronder... twee ramen... vrye +opgang... kwart in den regenbak beneden... + +--Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver +bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van +bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp? + +--Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt +de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje! + +En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam. + +Juffrouw Laps zag in dat ze dan 'n verloren mensch was, want ze moest +erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in 'n oesterschelp. + +Dit was 'n illuzie van 't schepsel. + +Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde +aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon +en pruik, voortging: + +--Kunt gy leven in 't water? Hebt gy kieuwen? + +--In 't water? Maar, meester... + +Pruik links. Dat beduidde: geen maren. + +--Of half in 't water, half op het land? + +--Meester hoe zou ik... + +Pruik rechts: geen uitvluchten! + +--Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende +jongen ter wereld? + +--'t Is zonde, meester. + +De pruik had iets van 'n stormram, en te-recht. Want daar volgde de +stormrammige vraag: + +--Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: +kunt gy eieren leggen... hè? + +Dàt kon ze niet! + +--Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps. + +En de pruik kwam weer in 't midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps +uit het veld geslagen. + +Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich 't gezelschap +voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep +toeliet, want Pennewip's gelaat had het voorkomen van 'n gewysde. Ook +was er geen spoor van gratie in z'n saamgeknepen wenkbrauwen. + + + +De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden +worden te-voorschyn gebracht over wat er na 't zoo-even verhaalde +voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m'n boek sloot, en hoevele +duizende gissingen 't menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik +verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders. + +Het lust my 'n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en 'k lees +duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw: + + +_EERSTE BERICHT_. + +"Er heeft weder 'n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de +Stoffelianen. De laatsten hebben 't veld geruimd, doch niet zonder +hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden, +maar er is 'n gat in. Men ziet dagelyks 'n nieuw treffen te-gemoet, +waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de +behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om 'n +eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der +Pennewippers, 'n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie. + +"Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons +voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons +privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer +landeryen en 't melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over +dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in 't verloren hoekje +gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa." + + +_TWEEDE BERICHT_. + +"Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de +oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd, +de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De +oude Stotters hebben 't genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders +geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw +Stotter's oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist." + + +_DERDE BERICHT_. + +"Er is 'n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre +afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid +van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond +wezen op z'n malle houding in _de Nederlanden_. (Het bekende +bessen-met-suikerdogma.) + +"De oude Stoffelianen hebben 'n concilie gehouden, waarin besloten is, +de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet +is doorgedrongen. Er zal 'n algemeene kollekte worden gehouden, om +ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er 'n korps europeesche +wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot +het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen, +waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) 'n instinktmatigen aanleg +schynen te bezitten." + + +_VIERDE BERICHT_. + +"Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps +werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie +gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren. + +"Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, +en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen +op brood en brandstof." + + +_VYFDE BERICHT_. + +"By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is +verschenen: _Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats +gevonden op_ III, 7, _b_1 (Pp), _na de kategorische verklaring des +meesters over de ware natuur van juffrouw Laps._ + +Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische +en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den +zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is +vertaald uit het Europeesch. + +De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven 'n +geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen +ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat +met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie. + +Ook beweert men dat er 'n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste +verzuchting des bakers, die 'n eind maakt aan den langen stryd over +zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse's +grammatikaal-theologische roeping in 't helderst licht plaatst, +waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de +wetenschap en de heilige boeken van ons geloof." + + +_ZESDE BERICHT_. + +"De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in +de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is +vasttehouden aan juffrouw Zipperman's verkoudheid, met uitdrukkelyke +bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid, +mits men vaststa in 't kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa +hebben aangetoond dat het venster op III, 7, _b_1 (Pp) redelyk goed +gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen +omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde +verbroedering geleid te hebben." + + +_ZEVENDE BERICHT_. + +"Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen +van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel +degelyk aan meester Pennewip 'n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk +hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde +onderzoeker heeft namelyk in 't hooge Noorden, waar ons gezegend +Azië grenst aan 't oude Europa, 'n ysbeer ontmoet die zich vermaakte +met 'n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende +hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling +onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met +den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps, +op de autentieke schildery te Foppipolis." + + +_ACHTSTE BERICHT_. + +"Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename +tyding dat onze stad dezer dagen 'n waar feestgenot heeft gesmaakt, +en wel 'n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden. + +Er is namelyk 'n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze +handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn +dan onze burgemeester. + +De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil +van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden +gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de +eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen. + +De schuldigen zyn onder 't meten en branden, tot afleiding en +opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft +op Stoffel's verdienste en dood, in verband met de lengte van z'n +buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z'n edel pogen +tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode. + +Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak +veel +bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van 'n feest, +dat in aangename +herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had." + + +_NEGENDE BERICHT_. + +We kunnen ons niet weerhouden 'n kort verslag te geven van de +ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door +den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen +baker's onwaardeerbaar gezegde: "_dankie wel/ Juffre Pieterse/ m'n +Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!_" + + +Hierop volgt 'n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit +de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó +belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den +lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z'n geheel +te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst +tot z'n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik +doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf, +wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt +hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog +aan ons denkt. Zie hier: + + + Voorzang. + + O/ Baker vol van Zaligheid/ + Wie zou Uw Lof niet zingen! + O/ Baker Die de Baker zijt + Van alle Stervelingen! + O Baker/ hoor ons juichen aan/ + Als wij met U uit baak'ren gaan. + + O Baker/ groot in Lief en Leed/ + In Kraamzaal of Saletje! + Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt' + Gespeld in een Servetje! + Wij knielen bidden voor U neer + En zingen/ Baker/ U ter Eer. + + Zie op uw Kroost genadig neer + Van uwen Troon op Wolken + Er leeft als Gij geen Baker meer/ + Gij bakert alle Volken + Gloei eeuwig door van Kindermin/ + En speld ons in Uw Luiers in. + + +"Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de +luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo! + +"Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op +elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is +het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien +te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In +het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier +saamvergadert aan den voet van dit gestoelte? + +"Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen +oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: "dat is verre van +ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er +zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten +naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons +hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid." + +"Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de +verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven: +"_daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen_" en weldra zal 't koppie +worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden +versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: "_dat zieje wel!_" + +"Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my +aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de +behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen +bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo +verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol +en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel +kortelyk tot klaarheid te brengen. + +"Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den +grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfde _Stoffelium_, en +daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers. + +"Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfden +_Stoffeliums_, waar we--met gepasten eerbied--het volgende lezen: + + + +Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit 't negende bericht, +en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje. + + + "Hoe langer wy de onschatbare heilige _Stoffeliën_ beoefenen, + geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat + daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot + de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid + juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te + houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken + van de poelen der Pennewipsche kettery. + + "Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in 't + byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die + niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste + bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig + zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden + openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom + van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige + toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons + voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften + te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te + twyfelen aan Baker's bestaan, en durft beweren dat wy geen + verstand hebben van natuurkunde. + + "Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te + volgen met uwe aandacht, als ik, na: + + + "_ten eerste_, den historischen zin myner tekstwoorden + te hebben toegelicht, + + "_ten tweede_, zal overgaan tot de ontwikkeling van + de stralen die daarin doorlichten, en wel: + + + _a) Eerste straal._ De straal van Baker's + _goedheid_. + _b) Tweede straal._ De straal van Baker's + _wysheid_. + _c) Derde straal._ De straal van Baker's + _menschenkennis_. + _d) Vierde straal._ De straal van Baker's + _matigheid_. + _e) Vyfde straal._ De straal van Baker's + _Standvastigheid_. + _f) Zesde straal._ De straal van Baker's + _algemeenheid_. + _g) Zevende straal._ De straal van Baker's + _zelfkennis_. + _h) Achtste straal._ De straal van Baker's + _edelmoedigheid_. + _i) Negende straal._ De straal van Baker's + _nederigheid_. + _j) Tiende straal._ De straal van Baker's + _kuisheid_. + _k) Elfde straal._ De straal van Baker's + _levenswysheid_. + _l) Twaalfde straal._ De straal van Baker's + _onschuld_. + _m) Dertiende straal._ De straal van Baker's + _dubbelslachtigheid_. + _n) Veertiende straal._ De straal van Baker's + _eeuwigheid_. + _o) Vyftiende straal._ De straal van Baker's + _waarheidlievendheid_. + _p) Zestiende straal._ De straal van Baker's + _voorzichtigheid_. + _q) Zeventiende straal._ De straal van + Baker's _geduld_. + _r) Achttiende straal._ De straal van Baker's + _zedigheid_. + _s) Negentiende straal._ De straal van Baker's + _geheimzinnigheid_. + _t) Twintigste straal._ De straal van Baker's + _eenvoud_. + _u) Een-en-twintigste straal._ De straal van + Baker's _liefde_. + _v) Twee-en-twintigste straal._ De straal + van Baker's _trouw_. + _w) Drie-en-twintigste straal._ De straal + van Baker's _yver_. + _x) Vier-en-twintigste straal._ De straal + van Baker's _schranderheid_. + _y) Vyf-en-twintigste straal._ De straal van + Baker's _fatsoen_. + _z) Zes-en-twintigste straal._ De straal van + Baker's _goedertierenheid_. + _z bis.) Zeven-en-twintigste straal._ De + straal van Baker's _volmaaktheid_. + + + "om daarna: _ten derde_, over te gaan tot de + beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane + bakerbeschouwing voortvloeien. + + + "Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis + en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat + er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de + blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en + Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot + op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er + werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in + geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die + omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, + zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld. + + "Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans + ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke + jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt + van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch + met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden + berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor + heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den + tekst die voor ons staat als 'n berg van genot. + + "De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende + blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door + den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste + der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de + onvergankelyke ziel stelde boven 't brooze lichaam, en de + oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy + die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend + was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte + om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene + tekstwoorden met verbazende geleidelykheid. + + "Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu + uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, + maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik + my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet + my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker + Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige + lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe + Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy + den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden: _dat + zeiti!_ Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de + onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep... + + "Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het + is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid. + + "Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een + klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat + er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep + en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante + tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy + zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld + zal hy worden door den wind onzes geloofs! + + "Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle + wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van + dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan + en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die + wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, + en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten? + + "Of--helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, + maar noodige vraag--of is die storm wellicht in uwe harten + geworden tot een zuchtje? Is misschien uw wind weggekrompen + tot eene labberkoelte, te zwak om 't lichtste voorwerp + voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de + eeuwige gelukzaligheid? + + "En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep + gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde + leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des + heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der + genade, te verlagen tot 'n dorpeltje, hoog genoeg--ja, maar + ter-nauwer-nood hoog-genoeg--om opteklimmen tot de bovenste + plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt + om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien? + + "Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het + my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind? + + "Gy zwygt? + + "Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem + onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en + onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo! + + "Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die + stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk + de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, + dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man + die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: + "_Je bent 'n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en 'n knappe Baker!_" + + _Een goeie vrouw en 'n knappe baker!_ Kan er treffender + getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet: + _Je bent 'n goeie vrouw, en daarmee uit!_ En niet: _Je bent + 'n knappe baker, en daarby blyft het!_ Neen, duidelyk staat + er: _Je bent 'n goeie vrouw èn 'n knappe baker_, zoowel dus + het één als het ander.... het andere niet minder dan het + één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk! + + "Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd + onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan + die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, + zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: + "_maar_" en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk + bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen niet _naast_ + maar _tegenover_ die der vrouw, maar de Baker die zorge draagt + voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet + gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en + daarom heeft Hy toegelaten--wat zeg ik, Hy heeft bewerkt--dat + de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in het + _Stoffelium_ naar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï. + + "Ja Geliefden, dáár staat het: "_en een knappe Baker!_" + Dat zegevierende "_en_" springt in het oog als een vonk + van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die + door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor + de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de + verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: "_en_." + + "_En_, geliefden, _en!_ Uwe zaligheid berust op, hangt af + van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, + is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelyke _en!_ + + "Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer + dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven + verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting + der waarheid.... + + "Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door + uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven + leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken + wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet + dat elke aanval op het gebied der Bakerlyke _Stoffelien_ + uitloopt op uwe beschaming? Was _Hy_ niet heilig, _Hy_ de + eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men + dit toestemt--wat dan toch wel niet kàn ontkend worden--moet + dan niet ook _hy_ heilig en onfeilbaar wezen, die de daden en + woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En + aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er + dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder + den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken + Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven + door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen + heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen + waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien + hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden? + + "Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze + zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons + niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan + de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenen + _Stoffeliums!_ Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel + gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, + roepen wy juichend uit: "_Gij was een goeie Vrouw en een + knappe Baker!_" + + "Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper + nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen + onzer toekomst.... _Hy zal altyd 'n goeie vrouw en 'n knappe + baker blyven!_ Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy + was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren + of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, + altyd, eeuwig... _'n goeie vrouw en 'n knappe baker!_ + + "De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan: _Hy_ zal + blyven! De zon zal maan worden, of in 't geheel niets! _Hy_ zal + blyven! Het heelal zal verzinken: _Hy_ zal blyven voortbakeren + ten einde toe! + + "O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen + van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren + tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven + voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit + denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt + er niets van, aanbidt en... zwygt. + + "Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, + o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie + onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare + mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan + blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles + vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner + jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en + de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als + uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: "_dat zeiti!_" + + "En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor + my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit + we onzen tekst kozen: "_mijn heele Familie zal je altyd + gebruiken!_" + + "Ziet gy, Geliefden: _zyne heele familie!_ Wat is de + familie van iemand die eene _zoo_ hooge stoep heeft, en een + windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker + van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn + Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, + Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons + allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers + en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof. + + "Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, + die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels + en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe + gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige + verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende! + + "Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! "_Ma_, staat + er verder, _als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of + je 't niet hoort!_" De bedoeling dezer verhevene woorden is: + het zal gebeuren dat uw zuigeling--het ingebakerd menschdom, + namelyk--wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend + teweerstelt... doe of je 't niet hoort, Baker! Speld er maar + dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware + beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen + voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen + met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de + aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven + stoepsels en des windkloks! + + "_Doe net of je 't niet hoort, Baker!_ Stop uwe ooren voor de + gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die + meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste + natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, + speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker + blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der + eeuwen. "_Gloei eeuwig door_ zooals de psalmist zegt, + + + "Gloei eeuwig door van Kindermin/ + En speld ons in Uw Luiers in! + + + "Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt--of volgens + sommigen, minder--Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje + van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en + iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen + moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: "_Dankie/Juffrouw + Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel._" + + "_Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het + wel!_ Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, + ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd + Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige + handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby: _dat zieje wel!_ + + "Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, + maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen + beweren dat het woord "koppie" in den europeeschen grondtekst + tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden + van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang + gebruikt werd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te + werpen op de deftigheid van Multatuli den _Stoffelist_. Doch, + zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des + rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist + dat wedergeven van vrouw Stotter's aanbiddelyke taal, letterlyk + zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door + juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen + boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy + 't beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen + of krulgewaden... + + +Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit +pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog +inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen. + +De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik 'n fragment +meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik +verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag +van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en +dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige +godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7, _b_1 (Pp) de +elementen byeentezoeken tot 'n bruikbaar windselsysteem. + +Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen +zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m'n +boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd +gezelschap, na Pennewip's beslissing, zich bepaalde tot den uitroep: +"Z...ó...ó...ó!" zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander +molest aan te doen. + + + + + + Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, + waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer 't nut blyken kan + van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der + dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe + versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter! + + +De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk +gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen, +en waarom 't saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in 'n geval dat +nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing? + +Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken +der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip's vonnis, +splitsen in drie deelen: + +_Vooreerst._ Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput. + +_Ten tweede._ Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag +met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan 't +wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met +aangeboren talent de taktiek van 't "verdeel en heersch!" Mèt de +mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen 't "huis" der +Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip's +meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken +uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon +op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of +misschien juffrouw Zipperman zelve, zou overgaan tot den vyand, al ware +het uit bekrompen eerbied alleen voor meester's bewegelyke pruik? Neen, +neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie +voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: "'k zal je +later wel krygen!" en als we ons haar, en al de verhoudingen van 't +gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen, +zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene +"onder invloed staande" Juffrelapsche krant te lezen: _"De verhouding +met het ryk der_ Pietersens _is allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van +'n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder 't +minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders +aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren +omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur +van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy +die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld."_ + +_Ten derde._ De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand +was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf, +of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou +niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat +aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer +dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam +ware geweest in meester's oogen, hadden die oogen waarschynlyk 't +lot ondergaan dat hun in zoo'n geval door den archaeoloog Klesmeyer +eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen. + +--Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse--na op 't overwonnen zoogdier +'n blik te hebben geworpen die gelden kon voor 'n: "waar blyf je +nou?" met rang van overwinningsbulletin--maar meester, wat heeft die +Wouter dan nu weer uitgevoerd? + +--Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw +Laps, die zich verheugde omdat het gesprek 'n andere wending nam, +en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo +godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar 'n ding waarop +men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we +gezien hebben. + +Juist zou Pennewip 'n begin maken met de akte van beschuldiging, toen +de bel ging... nogeens...--"'t was f'r ons"--en de arme delinkwent +trad de kamer in. + +Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren +vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde... + +--Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op +Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat? + +--Och ja, meester. + +--Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar +heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en +deugd staan by my op den voorgrond. Ik zoude u verzen kunnen toonen +over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy +ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg +ik... zelfs heb ik 'n zoontje gehad van iemand op Wittenburg--van den +blokkenmaker--en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over +de verbetering van 'n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde. + +--Gut, meester! + +--Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien +ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos--de man was doodgraver, +en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste +figuren op de zerken--maar juist dáárom--ik bedoele om de godsdienst +en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben--voel ik my verplicht u by +dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school +te zien verloren gaan door uw deugniet van 'n zoon die dáár staat! + +De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan 'n pauselyke +aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had +zoo-even 'n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond. + +Z'n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en +hem 'n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen +te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond +stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er +aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den +patiënt inniger te maken. + +--Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers, +moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters... + +Meer niet. + +"Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige +christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is 't +mogelyk! Wat 'n mensch moet beleven!" Zoo omtrent--maar ik sta niet +in voor de juistheid--was de stortvloed van uitroepingen waaronder +de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter +bedolven werd. Arme Wouter! + +--Ik zal u 'n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna +nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap... + +'t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk +dat de meester daarop voorlas, was dan ook van 'n aard dat die twyfel +heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held, +zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was +als-i er uitzag in z'n vreeselyk + + +"ROOVERSLIED. + + Met myn zwaard. + Op m'n paard. + En myn helm op het hoofd. +Er op in! En den vyand den schedel gekloofd, + En vooruit! + + +--Christenzielen, riep 't heele gezelschap, is-i dol? + + + "En vooruit! + Op den weg, + Langs de heg, + Met een houw en een stoot +De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood... + + +--Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde +de moeder. + + + Om den buit! + + +--Zieje, 't is om den buit, zei juffrouw Laps, _ik_ zeg maar altyd, +men begint met 'n bybel, en... + + + "En die buit + Is myn bruid... + + +--Hebje van z'n leven... z'n bruid! De jongen heeft pas gewisseld! + + + "En die buit + Is myn bruid... + My gekocht met m'n staal... + + +--Met z'n st...a...a...a...l! + + + "En die buit + Is myn bruid, + My gekocht met m'n staal, +En ik voer, als een veêr, met my mee haar in 't zaal, + Naar de grot... + + +--Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren? + + + "Als de wind + Zoo gezwind, + Jaag ik voort met myn vracht, +En ik sla op haar schreien en kermen... + + +--Och, gerechtige vrede, 't mensch kermt 'r van! + + +"En ik sla op haar schreien en kermen geen acht, + Wat genot! + + +--Dat noemt-i genot! Ik word 'r koud van! + + + "En dan weer + Op-en-neer, + Rechts en links door het land... + + +--Lieve Jesis, daar gaat-i weer! + + + "En dan weer + Op-en-neer, + Rechts en links door het land, +Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand, + Tot vermaak! + + +--De hel zit in dien jongen... tot vermaak! + + + "En dan voort + Weer gespoord + Naar een nieuw aventuur... + + +--Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? 't Is om +te bezwyken... + + + En dan voort + Weer gespoord + Naar een nieuw aventuur, +En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur, + Om de wraak... + + +--Goeie god, wat hebben ze 'm toch gedaan? + + + "Want de wraak + Is de taak + Van den koning van 't woud... + + +--Is-i razend... 'k zal 'm koningen! + + + "Want de wraak + Is de taak + Van den koning van 't woud... +Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt... + + +--Wat 's dàt voor 'n ding? + + +"Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt, + En banier! + Op, hoezee... + Wie gaat mee? + + +'t Gezelschap rilde op die uitnoodiging. + + + "Op, hoezee... + Wie gaat mee? + Nu geen schepsel verschoond, +Nu de mannen gehangen... + + +--Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k... + + +"Nu de mannen gehangen, de vrouwen... + + +--Lodderyn... lodderyn! + + + "de vrouwen gehoond... + + +--Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui! + + + "de vrouwen gehoond, + Voor pleizier!" + + +--Voor pleizier... herhaalde meester op 'n graftoon, voor +pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier! + +'t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel's pyp was uitgegaan. Maar +Wouter had iets kalms in z'n wezen, en toen z'n moeder hem genoeg +geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet +ontevreden neer in 'n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep +om te droomen van Fancy. + + + + + + + Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen + van deze geschiedenis, na de katastrofe. + + +Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken, +en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy +ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben +doorgebracht, zullen we in 't voorbygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel +weer aan 't bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan +'t bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg +werden toevertrouwd tot 'n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid, +zeker om den pasgeborenen 'n prettig denkbeeld inteboezemen van hun +nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken +luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun +geboorte. + +Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren +onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z'n pruik, nog niet +geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend +naar zondag. + +Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met 'n plechtig: +"ga zoo voort, myn zoon!" Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik +gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid, +bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen +zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan +de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen +dien laster. 't Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou +'t voor 'n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren +worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft +voort in z'n volgelingen, en dit vind ik 'n schoone onsterfelykheid. + +Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar +ben ik zeker van. + +Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk 'n zoogdier was, +en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde +na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de +helft. "In dit geval: de laatste" zeid-i er binnen-'smonds by. + +Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar +ze had het er voor over, want ze was 'n "schikkelyk mensch." Alleen kon +ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar +vader "in de granen" en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy, +was niet _in_ de granen geweest, maar er _onder_. Hy had ze namelyk +gedragen in 'n zak op z'n hoofd, dat heel anders is dan granen te +verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat +draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar +deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller +die zulke zware bakkebaarden had. "'t Was niet om 't mensch te +skandeliseren, heere neen! 't Was maar dat men 't wist, en dat men er +van sprak... dàt was 't maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen +van 'r deugd." Juffrouw Zipperman wou echter "de zegs_man_ niet wezen, +omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller +keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!" + +Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor +'t venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar +gezichten in 'n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden +"terechtgebracht." + +De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou +"want 't was 'n schandaal by de Pietersens... 'n wààr schandaal." En: +"er had juist wat onder gestaan!" + +Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als 'n +"mensch". Van-tyd tot-tyd "deed" ze haar godsdienst op de kinderen +die, als ze 't voor 't wenschen hadden gehad, gewis liever waren +ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat +minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst. + +Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen +doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór +me omdat ik nooit m'n onderwerp uitput. + +Stoffel was naar z'n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd +verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van 'n gedicht +dat gemaakt scheen op 'n vliering, door iemand die vermoedelyk niet +veel last had van z'n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en +schenen maar niet te vatten welk genoegen 'r in stak geen geld te +hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner +harten toe aan Wouter's wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van +den aanslag op 't leven van dien markgraaf, en van dat zonderling +logeeren in 'n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel, +dan hem toekwam als derden ondermeester met 'n verlengd buis. + +En Wouter? + +Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots +verdiend had, want z'n moeder had hem te kennen gegeven dat de +"terechtstelling" van den vorigen avend maar 'n voorloopige +godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging +zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken +met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst, +heeft de dominee--huis- of niet--'n stem. Hy wordt er voor betaald, +en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de +geestelyken uit z'n huis te houden, weten niet wat ze zeggen. + +Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan, +kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen +uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. "God weet wat +je weer uitvoert als ik je-n-uit m'n oogen verlies" zei de moeder, +die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters, +maar eigenlyk alleen daarom 't verlof tot uitgaan weigerde, omdat +Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het +voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd. + +Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd +te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd +tot zedelyke verbetering, en dan had-i 'n bezoek kunnen brengen aan +z'n molens. + +En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen "hem niet +konden zien." Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van +roovers en Wouter's verdorvenheid uit. + +Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker +geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de +dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1 (Pp). + +Als 'n looden domper drukt zoo'n verblyf iemand op 't hart, en +ik mag niet toegeven, aan wat misschien m'n plicht was, aan de +begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo'n hol, om niet oorzaak +te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by +zulke beschryving. [10] + + + + + + Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door 'n zot sprookje. + + +Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als 'n nieuwe +Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van +'n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter +zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk +toegehaalde banden van z'n geheel bestaan. + +De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z'n geboorte +af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met +_twee woorden_ spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, +mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, +zwarte mannen voor stoute kinderen, "oogjes toe" voor en na 'n boteram, +slapen met opgetrokken knieën, _zonde_ doen, angst over gescheurde +broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van +gevoeligheid... arme Wouter! + +Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar +juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen +opwekt tot de klacht: arme _wouters!_ + +En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor +'n ander, en Wouter's ziel was van ongewone leest. + +Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door 't pas gelezen +boek, toonde hoe z'n maagdelyke verbeelding was getroffen door +de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, +en bovendien 'n _goed kind_. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, +zoodat de hoogst krimineele strekking van z'n lied alleen voortkwam +uit de zucht om op-eenmaal 't _hoogste_ te grypen, het _verste_ +te bereiken, de _eerste_ te zyn, in 't wedperk dat z'n kinderlyke +fantazie hem had ingeleid. + +Roover... goed! Maar dan ook 'n flinke roover, 'n roover boven alles, +'n roover zonder genade, 'n roover voor pleizier! + +Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om +'t rym, en wyl-i uit 'n paar zinsneden van z'n boek had opgemaakt +dat het zoo'n byzonder aangename uitspanning was. + +Als-i voor z'n veertien stuivers toevallig 'n _Karel +Grandisson_--vervelender gedachtenisse!--had te lezen gekregen, zou +z'n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had +misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan +Slachterskeesje, en dien wellicht nog 'n paar griften toegegeven, +met volkomen vergiffenis voor 't onjuist verhuizen van dezen of +genen graaf. + +Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze +geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan +oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen 't +eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te +wachten zyn, wanneer niet het toeval--d. i. deze of gene natuurlyke +oorzaak die we niet kennen, en die we _toeval_ noemen uit schaamte +over dat gebrek aan kennis--wanneer niet zoo'n toeval zich vermaakte +de Wouters te doen geboren worden in 'n kring waar ze niet worden +begrepen... en dus mishandeld. [11] + +Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd +rusten. Hy scheen verdiept in 't _over'shandsche_ naadje dat Leentje +bezighield, maar we zullen terstond zien dat z'n gedachten elders +waren, en wel zeer ver van _Burgerstand III_, 7, _b_1(Pp). + +Men had haar verboden te spreken met "dien kwajongen" en slechts +van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje +gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon 't haar in +'t oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen +zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister +en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die +zaak aftedoen. + +--Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten? + +--Och... ik meende... sjt! + +--En die graaf... wat was dat weer met dien graaf? + +--'t Was 'n markgraaf... sjt! + +--Wat is dat voor 'n graaf? Zeker weer uit 'n ander huis? + +--Ja... 't was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik +heb je wat te zeggen, Leentje... sjt! + +--Amalia? Wie is Amalia? + +--Dat was m'n bruid. Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt! + +--Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid? + +--Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef +daarheen... toen kwam er 'n eend... maar, Leentje, dat is de zaak +niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt! + +--Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven? + +--Amalia. Ze zat in 't kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt! + +--Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom +toch wou je die vrouwen... + +Arme Leentje... _zy_ was nooit gehoond! Ze had er zooveel voor +over gehad! + +--Die vrouwen stonden in 't boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt! + +--En dat klooster? + +--Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal +'t je zeggen, Leentje ... sjt! + +--M'n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent! + +Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik +naar de balken, legde de rechterhand op 't hart, stak de linker uit +als om 'n spaanschen mantel te drapeeren... + +Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en +zeide: + +--Leentjen, ik ben 'n prins! + +Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met 'n paar oorvegen +uit Leentje's tegenwoordigheid. + +Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder. + +Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid. + +Lang voor het begin dezer geschiedenis--ja, zéér lang geleden was +er 'n koningin der geesten, juist als in _Hans Heiling_. Ze heette +A-OO. + +Ze bewoonde geen hol, zooals in _Hans_, maar hield haar hof ver boven +de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor 'n koningin. + +Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met 'n waaierslag +verjaagde zy de firmamenten. + +Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die +zoo moeilyk waren weer te vinden na 't wegrollen tusschen 't huisraad. + +Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover, +en verlangde gedurig ander speelgoed. + +De koningin liet hem 'n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds +waren ook deze weer verloren. Doch 't was Upsilon's eigen schuld. Hy +had maar beter moeten achtgeven op z'n speelgoed. + +Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf, +gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was 'n fout +in 't karakter van den kleinen prins. + +De moeder, die als koningin der geesten 'n zeer verstandige vrouw was, +begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich 'n beetje te +gewennen aan ontbering. + +Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed +laten zou. + +Dit geschiedde. + +Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan 't kaatsen was +met prinses Omikron, z'n zusje. + +Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z'n uitdrukkingen +zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder. + +Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld--want niets is +verderfelyker dan slechte voorbeelden--wierp met driftig gebaar haar +palet tegen 't heelal. En dat staat niet voor 'n meisje. + +Nu bestond er in 't ryk der geesten 'n wet dat wie 't ontzag voor +de koningin uit het oog verloor, of iets tegen 't heelal aangooide, +daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid. + +Prins Upsilon werd 'n zandkorl. + +Na zich 'n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de +heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje. + +In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat 'n goed mosplantje +behoort te doen. + +Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep. + +Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen +te bereiden met vuur. + +Hy bouwde 'n paar werelddeelen, en werd 'n eeuw of duizend daarna +tot belooning van z'n yver veranderd in 'n garnaal. + +Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z'n gedrag, +en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen. + +Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de +zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang +van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op 't land. + +Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand, +en hield zich bezig met geologische opmerkingen. + +Een paar millioen eeuwen later... + +Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in 't oog dat al die tyd +te-zamen genomen in het ryk der geesten maar 'n klein kwartiertje +was... of juister: dat die tyd volstrekt _niets_ was. Want _tyd_ is +uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan +kinderen. Voor geesten is _toen_, _nu_ en _dan_ volkomen hetzelfde. Zy +grypen _gisteren_, _heden_ en _morgen_ te-zamen met één blik, even +als men zonder spellen 'n woord leest. Wat _was_ en _wezen zal_, is. + +Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen +hebben 't vergeten. + +Fancy begreep dat Wouter niet _lezen_ kon, en daarom _spelde_ ze hem +Upsilon's geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer. + +Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en 'n +geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren--menschelyke jaren +ditmaal--vóór den aanvang van m'n verhaal, werd-i overgeplaatst in +de klasse der menschen. + +Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet. + +Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen +weinig tyds hersteld te worden in z'n rang als prins van den geeste, +moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets +verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou 't wel gaan. + +Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw +Pieterse. "Dit wàs nu eenmaal zoo!" zei Fancy. + +Die Fancy scheen 'n soort hofdame van Wouter's moeder te wezen, die +hem 'n bezoek bracht in z'n ballingschap om hem wat optebeuren en moed +in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel, +niet zou opvatten alsof men boos op hem was. + +Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd... + +--Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m'n zusje? + +--Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is 'n +lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft +beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft +zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal; +en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén +dat het 'n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf +niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en +voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van +kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te +gebruiken. Weldra werd ze 'n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie +niet geschikt voor 'n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in +'n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons. + +Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet... + +--Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár +... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt +ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar +schoot houdt en liefkoost... + +Wouter zag het duidelyk, en riep: + +--Omikron ... Omikron! + +--Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat +uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. 't Is +reeds 'n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen +onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden, +zyn ze heel ver van elkaar gezet. + +Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag 'n kus gegeven +aan al die sterren met 'n pop op den schoot, die z'n zusje waren... + +--Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron! + +Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als +iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen +eener hoogstmoeilyke zaak. + +Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z'n bede: + +--Ach, laat me samenwezen met m'n zusjen ... al moest ik weer gras +eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met +yver als ik mag samenzyn met Omikron! + +'t Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar +macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te +kunnen geven: + +--Ik zal 't vragen, fluisterde zy, en nu... + +Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was 't brugje ... dáár +de sloot... + +Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte... + +Hy zag z'n molens weer ... ja, ja ... zy waren het! + +Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam? + +Die molens heetten _d'Morgenstond_ en _den Arend,_ en zy riepen zooals +houtzaagmolens gewoon zyn: + + + Karre karre, kra kra... + + +Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem +daar wachtte. + + + + + + + Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan + de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, 't + huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, + prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter! + + +Daar de lezer veel ondervinding heeft--ik zoek sedert jaren te-vergeefs +naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar--zal-i weten +dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in +de verte. + +Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven 't +hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze +wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo. + +De man was eigenlyk maar beunhaas in 't vak. Hy behoorde namelyk tot +de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot +'n wezenlyken dominee, als 'n likdoornsnyder tot 'n geneesheer. Maar +voor de eksteroogen van III, 7, _b_1 (Pp) was-i bekwaam genoeg. En +al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering +zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen +aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel. + +Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw +Pieterse had 'n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er +was 'n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party +te wezen: "om de stichting" zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar +huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was, +en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte. + +--Jon_ch_elin_ch_ ... sprak de man, en er scheen al terstond indruk +noodig te wezen, jon_ch_elin_ch_... + +Het is zeer opmerkelyk hoe 't geloof en de genade invloed hebben op +de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zou zeker niet +gezegd hebben, _lanche_ pyp of _jonche_ doperwten, maar de heiligheid +verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- +en zinvorming verandert door 't geloof. Ik ben niet ongenegen dit +aantenemen als 'n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen, +en denk ernstig aan 'n verhandeling: "over den invloed der genade op +de hollandsche taal." Ja, 'k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel +koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier, +zonder zalving of gebrouw, my 'n opmerking meedeelt over 't weêr, +of tyding vraagt van m'n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet +die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens +op of niet 'n dominee z'n neus anders snuit dan 'n ander? + +--Jonchelinch, gy zyt diep gezonken... + +Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan +z'n pyp, met 'n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw +Pieterse hield 'n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te +wezen als ze huilen moest. + +--Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter... + +'t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor 'n _lapsus +linguae_. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op 'n +woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets. + +--Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als +hoochepriester in den Heere... want ieder die 't Evangelium verkondigt, +is 'n hoochepriester in den Heere... in den Heere... + +De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte. + +--In den Heere... + +Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik +kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z'n buitengewoon lang +toeven by dien "Heere." + +Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan. + +--Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche +dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met +de koningen der aarde. + +Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor 't juist weergeven van +huisdominee's taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid +nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen +veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve +zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel. + +Dit was 't dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw +Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die +babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen +gaf dat _zy_ nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw +Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden +der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht +geweest zyn. Neen, de verbazing van 't gezelschap had 'n heel anderen +grond. + +Men moet erkennen dat meester Pennewip by 't oplezen van Wouter's +zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en +zie, daar komt huisdominee die 't brandstichten overslaat, het rooven +vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen +op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel +onverwacht beschuldigt van "hoerery met de koningen der aarde." Dit +was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak, +juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus 'n bescheiden: +_friskuus!_ het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo +gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier +was 't geval ernstig genoeg om 't gebruik van wat vreemds te wettigen. + +--Friskuus, dominee! Wouter heeft... + +Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen: + +--Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho's, gy die 'n huis van ontucht +bewoont op de wallen der stad... + +--Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor... + +--Ja, en m'n vader was... + +--Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik +zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken... + +--Maar dominee, Wouter is 'n jongen! + +--Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is +weggezonken in 'n poel van ongerechtigheid... + +--Laat 'm begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy +zal op Wouter neerkomen met 'n omweg... dat doen ze wel meer. + +Hierin had juffrouw Laps gelyk. + +--Dit meisje, ging huisdominee voort, met 'n uitdrukking van indruk +die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen +van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee's +welsprekendheid, dit meisjen is ... 'n meisje! + +--In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse. + +Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker +te gelooven dan 'n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet, +maken 'n onderscheid. + +--In-godsnaam dan... + +--Ja ... dit meisjen is 'n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene +vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd... + +--Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden! + +--Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp 't heel goed. + +--Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die +er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet +je de verzenen tegen de prikkels slaan. + +Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur +tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als 'n hulde aan haar diepere +geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de +verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of +de anderen kon verwacht worden. Maar toch wou ze nu graag een woordjen +in 't midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen +de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou: + +--Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder +onderscheid, maar... + +--Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de +muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en... + +--Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd. + +Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen +aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos +als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk. + +--Hé ... hoe meent u dat, dominee? + +--Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit _Josua twee_ ... er hangen +roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen +der aarde... + +Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets +deftigs, en schaadt niet. Maar: + +... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke +dikke bakkebaarden heeft. + +Dit was èrger dan "zoogdier." + +Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door 't +verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in: + +--De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft +gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens +loopen 'm na ... kyk hier! + +En ze wees door 't raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens +met veel gejuich 'n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden +te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen +... houd je staart recht! + +Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar +dronken was-i. In 't wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en +Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid +te hebben, en door de openbaring van 's mans toestand de pyniging +van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen +door huisdominee zelf, die in 't wynhuis had hooren spreken over +die geschiedenis van den briefbesteller, en by z'n aankomst in de +woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i +behandelen moest. + +--En, voegde Leentjen er by, 't is niet nu alleen ... 't is niet +altyd even erg, maar laatst met Habakuk... + +--Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd +was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee +bearbeidde. + +My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat +ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen +eind gemaakt had. + +Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede van +juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon, +en leverde hem over aan de straatjongens die terstond 'n liedjen +op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk +niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat +uittegeven als echten _codex_, strydt tegen m'n principes. + +Zoodra juffrouw Laps zich 'n beetje hersteld had, koos zy de +verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting. + +--O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, +om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de +Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren +Jeruzalem's. Dàt heeft-i bedoeld met z'n briefbesteller. M'n vader was +in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar +ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening, +weetje? + +--Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken... + +--Zoo zegt Leentje, maar... + +--En al dat volk op de straat! Hoor eens... + +--Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen +op de straat, en toen kwamen er beeren... + +"Hei, hei ... pas op je verzenen!" klonk het buiten. + +--Waarom zendt de Heer z'n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag +dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller, +bestond in 't verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had +ze alweer gelyk. Wat 'n profeet zegt, kan men opnemen zooals men +wil. Een bruid is 'n kerk, een tempel is 'n lichaam, een vader is +'n zoon, een zoon is 'n geest, een geest is 'n vader, één is drie, +drie is één, en 'n briefbesteller is niemendal. + +--Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze +hierin 'n reden vond om huisdominee's taal niet zóó ver wegtewerpen +als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede. + +--En al waar-i voor 'n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft +men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te +doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val? + +Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet. + +Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, +en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en +sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men 'n gebouw +wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar 'n pyler omhalen of +'n hoeksteen wegbreken. _Sit ut est, aut non sit._ Huisdominee was +dus geheel in z'n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de +zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid, +wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller. + +--Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep +Juffrouw Pieterse in 't eind. + +Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn +tot de preek van den dag. Hy behandelde _Ezechiel_ en de afscheiding +van de tien stammen, en deed er wat by uit _Mattheus_. Daarna ging-i +over op de _Makkabeen_, en sloot met Daniel, Paulus, 'n _Onze Vader_ +en den H. Geest. + +--Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf? + +Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, +waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn. + +--Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken +van de _Openbaring_? + +--Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters +... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim... + +--Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen. + +--Als we hem eens 'n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren, +van-achteren-af? + +Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor +den dag gekomen waarin slot en zin stak. + +--Als ik hem eens by _my_ nam, juffrouw Pieterse? Om 't geld is +'t me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven... + +Wouter rilde. + +--Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven, +en ik zou hem oefenen ... want om 't geld is 't me volstrekt niet te +doen. _Oefenen_, weetje? + +Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal +voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen +heeft, en dit vind ik dan ook--alles in aanmerking genomen--maar het +beste. [12] + + + + + + + Doorslaand bewys van Wouter's beterschap, blykbaar uit 'n + kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie + in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water. + + +Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om +hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon +wys worden uit haar beschermeling. + +In 't mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over +de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes--dat toch alles is wat +men van heen-en-weertjes verlangen kan--doch haar bevattingsvermogen +schoot te-kort by Wouter's vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon +zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met 'n +medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z'n +verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige duiten van haar schraal +weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten +... helaas, Wouter's ziel was haar pepernoten ontwassen, en de +ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart. + +--Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het +hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe 't schepsel +heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd. + +--Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker +dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is. + +--Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch +vroeger moeten weten, dunkt me. + +--Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide, +wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam 't my weer +duidelyk voor den geest. + +--Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje. + +En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar +die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken, +den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht +toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen. + +En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde +hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis "van +den vloer" wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning +van z'n brugje, en luisterde naar 't geklepper van de molens. Ze +vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy. + +--Ze zal te veel bezigheid hebben aan 't hof myner moeder, zuchtte +Wouter, en bedroefd ging-i naar huis. + +Maar als-i door 't venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk +tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets +beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze +ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen "naar huis", en +met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend: + +--Omikron, Omikron! [13] + + + + + +Na lang beraad, en op Wouter's uitdrukkelyke belofte van +beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden, +en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of +althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen +in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplange +_o_'s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden. + +Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was, +en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou 't dus ook +wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderen van huisdominee, +want de tegenwoordige "behoorde tot de klasse der wynzuipers." Nu, +dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie "gedaan" by 'n wezenlyken +dominee die na kerktyd uit 'n boekje "vragen overhoorde." Den titel +van 't boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren: + +1e. _Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?_ + +Wouter had graag willen zeggen: wel, van m'n moeder ... maar in +'t boekje stond: + +_Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht._ + +2e _Vraag: Hoe weet gy dit?_ + +_Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring._ + +Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde +hy trouwhartig wat er in z'n boekje stond. Wel speet het hem dat +de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt +tot wandelen, bedorven werd door 't "opzeggen" der koningen +Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden +"weggevoerd"--'n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam--maar +hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de +zaligheids-leerlingen. Althans toen 't jaar om was, ontving hy 'n +boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig +gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden +en de artikelen des geloofs. Er was 'n voorschrift by, hoe dat alles +moest gebruikt worden: eens _pr_ dag, 'n jaar lang ... driemaal daags, +'n week lang by herhaling ... en de rest _quantum sufficit_. Voorin +stond op 'n ingeplakt blaadje: + + + ter belooning + aan _Wouter Pieterse_ + omdat hy + de lessen in de Noorderkerk + wel + heeft opgezegd, + en + ter aanmoediging + om + ter eere Gods + op + den ingeslagen weg + voorttegaan. + + +En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen +die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben. + + + +Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen +huurden een tuin "aan den Overtoom." Dat was zoo "heelemaal buiten" +zeiden zy, en "men kon toch niet altyd in de stad blyven." Bovendien +"de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor 't heele +pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd +'n aardigheid." Ook zou er wel gras genoeg zyn om 't kleingoed te +bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch "want, zei de stamvrouw +der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy's _Kanesoe_ ... dus +was 't heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over +spraken--want dat deden "ze" altyd--was 't uit pure jaloezie. Ook was +er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was, +maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls +je wat doet, heb je-n-altyd zoo'n gemaal met de menschen ... want 't +was vooraan op d'Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje +nooit iets doen ... en voor de kinderen was 't 'n heele uitspanning +... die juffrouw Karels moest maar letten op 'r zelf ... en als Gus +jarig was, mocht-i jongeheeren vragen... + +Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk, +Wouter was onder de uitverkorenen. + +Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie +bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel +voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd +opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld +voelde door den omgang van haar zoon met "menschen die 'n buiten +houwen" werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter +beloofde "heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet +te ravotten, z'n kleeren niet te scheuren" en zoo-al meer. Ook zeide +juffrouw Pieterse "dat 't zoo lief van 'r was, dat ze dit toestond, +want 't was toch 'n heel ding voor 'n kind om zoo eens uittegaan." + +Ja, Wouter zou uitgaan! Voor 't eerst uitgaan, voor het eerst eten, +drinken, zich vermaken onder 'n vreemd dak. 't Was 'n hoofdgebeurtenis +in z'n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo +dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen. + +De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid +stapte Wouter de poort uit. "'t Was rechts, links, weer links, dan 'n +brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen" had Gus gezegd. En +de tuin heette _Stad-rust, dus_: "Wouter moest maar vragen, dan zou-i +'t zeker vinden." + +Dit was ook zoo. Wie voor 't eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter +was op _Stad-rust_ vóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie +ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden +dat Wouter 'n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was +geweest. + +De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en 't stoeien, +draven, gooien, nam 'n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk +is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade "die heel langzaam +moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren." + +Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes +en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de +volkomenheden van _Stad-rust_, ook dat prieel moeten opnoemen, waar +Betsy zat met dien heer... + +--Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met +de jongens. + +--Wel, dat is Betsy's vryer. + +Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter +z'n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat +gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was 'n vrystertje, +in zyn meening, 'n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en +die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond +dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving +hem de lust om te weten hoe 'n volwassen heer vryt met 'n meisje dat +niet meer school-gaat. + +--Haar vryer? + +--Wel zeker ... geëngageerd! + +Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is, +kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar +ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich +slechts de vraag: wanneer is in de Klasse _Burgerstand_, III, 7, _a_1 +(Pp) 't flauwe "geëngageerd zyn" in zwang gekomen voor 't hartelyke: +vryen? + +--Ge ... wàt? vroeg Wouter. + +--Geëngageerd ... ze verkeeren. + +--Wat is dat? + +--Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet? + +Wouter voelde schaamte dat-i zoo'n eenvoudige zaak niet wist, en +zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte. + +--Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje +met _my_ trouwen? + +Emma kon op 't oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar +mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan +had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze +weghuppelde om te voldoen aan 'n konvokatie tot "stuivertje-wisselen" +in 'n anderen hoek van den tuin. + + + +Als den lezer de _Spectator_ van Van Effen bekend is, zal-i zich +herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eener +_burger-vryaadje_. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef +dezen Justus makkelyker 't afluisteren dan 't verzinnen, 't Eerste +is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen +bestudeert om _Spectators_ of _Ideen_ te schryven. Wie 't afkeurt, +moet ook den geneesheer veroordeelen die z'n patient bespiedt met +het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen. + +Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins +jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben +tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van 't huiselyk leven +der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor +'n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren +zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen in helder licht, +wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die +kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van 't geslachtsleven--in +alle beteekenissen!--dat zich meer dan andere handelingen verbergt +voor de blikken van den opmerker. + +"Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?" vraag ik altyd myzelf +als ik 'n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige +vraag: "_zouden_ ze elkaar wat te zeggen hebben?" + +Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik 'n lid van myn geslacht, +'n wederdeel dus van myzelf, een _mensch_, moet verdacht houden +van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der +schoonste--neen, van de eenige--kracht der Natuur, van opstand tegen +de aantrekkingswet. Liefde--ik heb 't al meer gezegd, en men heeft +myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet--liefde +is neiging tot éénzyn. + +Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk +overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig in _regel_, veelvoudig in +_toepassing_. De liefde van 'n dief zal wel beduiden: kom, laat ons +saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z'n geliefde +in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: "elck ghedierte naer +synen aerdt." + +Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen, +by sommigen tevens de begeerte wezen tot het _goede_? + +By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in +naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan 't vogeltje dat zoo +angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen, +en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreep _zy_ niet dat er verband +was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en 't kloppen van z'n +hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer, +maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had +liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven 't buisje. + +Hoe dit zy, hèm ware 't onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads +als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou +hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien +roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan +'t schryven van 'n _Spectator_, voelde Wouter groote begeerte om te +weten hoe de jongeheer die met Betsy in 't prieel zat, zich kweet van +'t "verkeeren." Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z'n +kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte +in z'n liefdestudie. + +--Ja, ik heb ook gezegd: met Mei... + +--Wel zeker, om de bovenhuizen... + +--'t Is 'n gemaal! En wat zegt je moeder? + +--Zóó ... zy vindt we moesten 't nog 'n jaartjen aanzien. 't Is zoo +onfatsoenlyk gauw te trouwen. 't Is net, weetje, of... + +--Vier jaar... + +--Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest... + +Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy +begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen 'n bovenhuis huren, +liefst in Mei. + +--En kryg je nou die linnenkast? + +--Neen ... die wil m'n moeder zelf houden. Maar als we nog 'n jaar +wachten, zal ze ons 'n andere geven, zegt ze, 'n kleine. + +--'k Had liever de groote. + +--Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast +noodig. Maar toen m'n zuster trouwde, heeft ze toch 'n groote kast +"meegekregen." + +--Zeg dan dat je 'r ook een moet hebben. + +--'t Zal niet helpen. + +--Probeer 't maar ... ik trouw niet zonder die groote kast. + +--'k Wil 't wel vragen, maar ... + +Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in 't +prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in 'n donker +hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine +Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht +dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik +riep hy: + +--Zou _zy_ 't wezen ... m'n zusje? + +'t Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens'huis +worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zou _verteld_ +worden door een van de _grooten_. + +Welke "_groote_" verdwaald was op _Stad-rust_, om dáár Moore's _Peri +en Paradys_ te behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet +paste by Betsy's "engagement" en die liefdesmorende linnenkast. Maar +evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht +door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke +omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat "aan wie 't vatten wil" +de gelegenheid geeft zich te verheffen boven 't alledaagsche. Eénmaal +wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit! + +De "groote" volgde in z'n vertelling den engelschen dichter niet. + +Hy volgde een van de vele wyzen waarop de _peri_-legende in alle +talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan +was. [14] + +"_De_ Peri _die voor de poorten van 't paradys vruchteloos smeekte te +worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo +na veel vergeefsche pogingen eindlyk als 't schoonste wat de aarde +opleverde, den laatsten zucht van 'n berouwhebbend zondaar, en vond +genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der +gave die zy offerde..._ + +--Nu pandverbeuren! riep Gus. + +--Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na. + +Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest "gezoend" +worden, dat spreekt vanzelf. "Een raadseltjen opgeven." 't Werd niet +geraden... natuurlyk. Wie 't _wist_, mocht het niet zeggen! Dat is +by raadsels zoo de gewone konditie. + +--Wat zal de eigenaar van dit pand doen? + +--Op één been staan! + +--Over 'n strootje springen! + +--Een vers opzeggen! + +--_Neen_, 'n fabel... _la cigale_, of zoo-iets! + +--Ja, ja, ja! + +'t Pand was van Wouter. + +--Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet. + +--Ik zal je helpen, riep Emma... _le pere_, _du père_. + +--Och, dat 's geen fabel... toe, Wouter! + +'t Was 'n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen +fabel kende en geen fransch verstond. Als 'n bekwaam mensch wist +hoeveel genoegen hy velen doet met 'n blyk van wat _on_bekwaamheid, +zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde. + +Maar Wouter dacht ditmaal niet aan 't pleizier van de anderen, dat-i +ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester +Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had. + +--Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders. + +--'t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar 'n fabel. + +--Maar ik weet niet wat 'n fabel is. + +--Wel, dat 's 'n vertelling met beesten. + +--Ja... of met boomen: _le chêne, un jour, dit au roseau_, zieje, +er hoeft juist geen beest in te komen. + +--Ja, ja... 'n fabel is 'n vertelling, anders niet... er mag inkomen +wat 'r wil. + +--Maar 't moet rymen! + +Wouter was op 't punt z'n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht +zich, en gelukkig! Want dat ware 'n groot schandaal geweest in den +huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was. + +--Wel neen, 't hoeft niet te rymen ook, riep 'n ander die al weer +wyzer was dan de rest, "de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes +hangen, prins Willem de eerste was 'n groot wysgeer." Zieje Wouter, +'t gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet. + +Wouter begon: + +"Er was eens 'n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht..." + +--Ho, ho, dat 's de geschiedenis van de _Peri_! Wat anders! + +--Ik zal 't anders maken, beloofde Wouter verlegen. + +"Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch +verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ook omdat-i +meestal z'n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i... + +Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over 't onzalige +"moedersknipje." Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te +grieven door 'n schynbare toespeling op den pepermenthandel. + +"... omdat-i eens gelachen had onder 't bidden. Want, dit is zeker, +jongetjes die lachen onder 't bidden, komen niet in den hemel. + +--Z... o... o... o? vroegen 'n paar schuldbewusten. + +"Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen 'n zusje +gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar +gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z'n zusje. "Wie +is uw zusje?" vroeg men hem... + +--Wie vroeg dat? + +--Stil, val 'm niet in de rede, laat Wouter voortgaan. + +"Ik weet niet wie dat vroeg. Maar 't jongetje zei dat z'n zusjen... 'n +blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had... + +--Net als Emma. + +--Ja, net als Emma. + +"Men zei hem dat er in den hemel 'n klein meisje was, dat er juist +zoo uitzag. Ze was daar 'n jaar geleden gekomen, en had verzocht +haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar +'t jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom." + +--Had _zy_ altyd 'r "vragen" gekend? + +--Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan. + +"Hy was heel verdrietig omdat-i z'n zusje niet zou weerzien, en vond +nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. "Och, +laat me toch binnen!" vroeg-i heel vriendelyk aan 'n heer die aan de +deur stond... + +--Aan de _poort_, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden +door de dagelyksheid eener _deur_, maar niet getroffen waren door de +verhevenheid van Wouter's begrippen over 't sterven. + +Zoo gaat het meer. + +"Goed, aan de _poort_, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich +zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei: +neen. Daarop keerde 't jongetje terug naar de aarde." + +--Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren. + +--Laat 'm toch voortgaan... 't is immers maar 'n vertelling. + +"Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer +voor de... poort stond, zeid-i _owi, m'sieu!_ Maar 't hielp niets, +hy mocht toch niet binnengaan. + +--Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen: _j'aime_, _tu aimes_. + +--Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter. + +"Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z'n "vragen" zóó dat-i ze +kon opzeggen van-achter-af, van: _Heer, kom haastelyk_ tot: _met +privilegie_. En dat deed-i aan de poort. Maar 't hielp weer niet... hy +mocht nog niet binnen." + +--Dat wil ik wel gelooven, riep 'n wyze. Om in den hemel te komen, +moet men "aangenomen" zyn. Was-i aangenomen? + +"Ach neen, zei Wouter, daarom juist was 't zoo moeilyk! Hy beproefde +telkens wat anders, maar 't lukte niet. Hy zei dat-i met z'n zusje +geëngageerd was... + +--Net als Betsy, riep Emma. + +"Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met +'r trouwen wilde... maar 't hielp alles niet, hy mocht niet in den +hemel. Op 't laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer +aan de poort knorrig worden zou... + +--Nu, en hoe is 't verder? + +--Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat +het jongetje doen moest om in den hemel te komen. + +Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i +wist. Dit bleek 'n uur later. + +By 't naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog +om 't rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed +Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men +loosde een gil... nòg een... + +Wouter was 't kind nagesprongen. + +Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de "heer aan de +poort" hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet +"aangenomen" was. + +Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps +dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was 't toch, als men +te-water sprong zonder te kunnen zwemmen. + +Ik vind dat die "Heer" 't best te-pas komen zou by iemand die niet +zwemmen kan. Wie 't wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen. + +En juffrouw Pieterse klaagde "dat er met dien jongen altyd wàt was." + +Nu, dàt vind ik ook. + + + + + + Groote verandering in de familie. Wouter's benoeming tot + lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als + behoedmiddel tegen europesche verwaandheid. + + +Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de +Pietersens verhuisden op eenmaal naar 'n "fatsoenlyker" buurt, en de +jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze +waren "op naaien geweest." Zulke dingen hooren by erfenissen, of by +verhuizen "met verbetering." En er waren nog andere blyken. Leentje +werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord "gezeid" te +veranderen in: "gezegd" want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de +"de mevrouw van hier-naast" zoo conjugeerde. Dus zou 't wel goed +wezen. En Stoffel zei, dat hy 't al lang geweten had: + +--Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. 't Is _pla_, +moeder. Denkt uwe maar om _plaats_... + +--Remplaats... + +--Né moeder, _pla ... plas_... + +Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten +letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar +'t zou moeielyk wezen, want er was juist "zoo'n gedoe over de militie" +en ze vertelde gaarne: "hoe ze heel goed in-staat was haar zoon +te rempl... + +--Né, moeder, _uwe_ remplaceert Laurens niet... + +--Och wat 'n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast +gezeid heeft... + +--_Gezegd_, moeder. + +--Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen: _gezegd_. Onthou 't +nou, en laat ik 't nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus. + +Wouter had 'n jasje gekregen, met 'n kraagje zoo-als nu palfreniers +dragen. De _garricks_ hadden afgedaan, en _cloaks_ waren er nog +niet. 't Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt +men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote +sprongen doen. En 't spreekt vanzelf, dat nu 't buisje boven den broek +was geraakt. "'t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen +gezegd, voor 'n jongen die al rymen kon." + +Want, dat Wouter _rymen_ kon, vertelde men aan ieder die 't hooren +wou. Eigenlyk was 't nog-al valsch, roem te oogsten van 'n feit dat +zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die 't verrichtte. Dit +bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men +wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten +verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was. + +Het huis Pieterse handelde hierin als veel _natiën_ gewoon +zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te +verheffen op deugd of genie--och, ook dàt is één--van mannen die +men wreed en dom pennewipte toen ze "er by waren" dat is: zoolang +die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn, +wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet +tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van 't denkbeeld dat hy +zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet +ware bewaard gebleven door z'n "kinderachtigheid." Stoffel namelyk +trok den neus op voor 't jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor +z'n griften, met 'n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had +gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden, +by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder +fluisteren gevraagd: "wat het was?" Nu... "zoo'n groote jongen moest +toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden." + +Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter's hart, en ook +de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd +haar gelaat toonen in de sterren, om 't kind aan z'n liefde te +herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, als hy werd aangedaan +door dat onuitsprekelyk verlangen _naar het goede_... dan nog bestond +Wouters's aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in +'t onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. Er bestond reeds +in z'n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te +scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische +of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. In den +grooten droom dien 't kind droomde, was verwarring tusschen zyn en +niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden +hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne +fantazie die trouwens evenzeer _werkelykheid_ was. De kleuren der +teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken, +na vergeefsch pogen om helder te zien in z'n eigen hart, voelde hy +iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou +hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in, +en onmachtig verdriet. Maar daar 't hem ontbrak aan de handigheid +om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen, +en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z'n gevoel. + +Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig +dat z'n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der +Gracht, met 'n soort van eerbied. + +Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder +dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van +z'n eigen hart. + +Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. 't Was hem +een pure revelatie. + +'t Mensch "had aanstaande week 'n oom jarig." En ze legde een +staatsie-bezoek af by de Pietersen's om te vragen of Wouter een +"aardigheidje" wou maken voor die gelegenheid. Ze had er 'n ons +ulevellen voor over. + +--Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig +moet wezen, en dat m'n oom 'n _weduwman_ is. Ziet u ... dat moet u +er in brengen. En ik wou 't graag hebben op de wys van psalm 103, +dan kan 't gezongen worden, want m'n oom heeft die psalm op 'n liertje. + +De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo's +lier. Ze meende zoo'n draaiding dat 'n jingelend geluid geeft. + +Jufvrouw Pieterse zou 't Wouter zeggen als-i van school kwam, maar +overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten, +dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. "Want, dat +haatte ze als de dood ... in 'n kind." + +Ik ook, als 't ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik 't zeer +aftekeuren maar niet alleen in kinderen. + +--Heb je je les gekend, Wouter? + +--Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist +er maar negen. + +--Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je +dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden? + +Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet weet hoe +allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen? [15] + + + + + + Wouter's eerste les in verzemakery, en z'n 1001e in + nederigheid. Belangryke ontmoeting van 'n waschvrouw en haar + dochter. Onderricht in 't alleen zaligmakend geloof. Beminnen, + weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid. + + +De opdracht om 'n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse +en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn +talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte +van genoegen, by de ontdekking dat men hem "voor iets aanzag." Hy +had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooit _iets_ +worden zou ... dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die +z'n moeder en broêr in 't werk stelden, om hem te doen gelooven dat +de heele commissie eigenlyk een straf was voor z'n onkunde in de +namen van bergen. "Ja," zei Stoffel: + +--Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest +... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en +staande regels... + +--Hè? vroeg Wouter. + +--Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je +dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet? Kyk ... zoo! + +En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar 't lukte niet. + +--Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter: _hoog, omhoog, het +hart naar boven_... dat 's liggend, zieje, En: _hier beneden is het +niet_... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God... + +--Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by. + +--Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang +wezen. + +--En je krygt ulevellen... en als je 'r niet meê terecht kunt, zei +de moeder, vraag het dan maar aan Stoffel. + +--Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt, 't is heel makkelyk... + +Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei, +en schreef er op. Maar mooi was 't niet. Ook kon-i maar niet verder +komen dan: _Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar..._ + +Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden +slee op z'n grift, en 't grift tot gruis... maar ach, 't ging niet. Hy +was 'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, +want nu begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide: +"dat er van dien jongen nooit iets komen zou." + +Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staande regels +waren? En daar zy 't ook niet wist, besloot hy "morgen eens weêr te +probeeren. Misschien zou 't dan beter gaan." Dit vond Leentje ook. + +--My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert +voor jufvrouw Laps ... want ik heb gezeid dat je 't kon ... en de +man is jarig woensdag over acht dagen ... dus veel tyd heb je niet. + +Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter +te schreien. + +--Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen +tot een meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker +iets verloren. + +--Heb je wat verloren, jonge-heer? + +Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat +herkende. 't Deed hem denken aan Fancy. + +--O, nu is alles goed ... nu _gy_ daar zyt! Ik heb zoo naar u +verlangd... + +--Naar my, jonge-heer? + +--Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde ... maar nu weet ik +het. O, zeg het my toch spoedig ... wat staande regels zyn, en hoe +ik m'n vers moet maken. + +Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op 't gras, +keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te +weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker. + +--Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze. + +En daarop haalde ze uit 'n klein huisjen in de buurt, wat water dat +ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen +dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het +voorkomen en in de wyze van doen van 't meisje, dat hy zich tot +haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde +haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy, +dat al veel was. + +Femke wees Wouter 'n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te +vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet. Wouter deed dit zoo goed +hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezighielden met haar "bleek." + +--Misschien kan _ik_ je wel helpen, jonge-heer ... zei de moeder, +want m'n man heeft 'n aangetrouwden neef die wewenaar is... + +--Ja, jufvrouw ... maar de liggende regels. En er moet van God inkomen. + +--Precies, jonge-heer. Och, 't is 'n heele historie. Z'n vrouw was +m'n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof +goed ... leg 'n steentjen op die asseldoekjes Femke, anders waaien +ze weg ... ja, jonge-heer, 't is 'n heel ding met zoo'n bleek, je heb +'r geen begrip van, zoo 'n ding als 't is ... nu, ze onderhield haar +godsdienst, en daar deed ze goed aan, want--dat zal je ook wel weten, +jonge-heer--als 'n mensch z'n godsdienst niet doet, is er niet veel +aan, maar hy ... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in +de sloot ... maar hy gaf er niet om, en zei dat 't allemaal gekheid +was ... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd ... 't was +pater Jansen die 'r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen ... hy +loopt altyd met zoo'n stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond... + +De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op 't omgekeerd +korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy +luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die +vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens +aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen. + +--Nu, 't was pater Jansen die 'r bediende. En toen m'n mans neef +dat zag ... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op +... ja, toen-i zag dat 'n mensch toch niet sterft als 'n stom beest, +toen had-i 'r weet van, en naderhand heeft-i z'n paschen gehouden net +als 'n ander ... en toen-i verleden jaar z'n been brak, want hy is +schilder, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuiver van +de armen gehad ... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook 'n wéwenaar +in m'n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer, +want ik heb 't noodig. + +Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen +in 't gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een +ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te +roepen als 'r kwaêjongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze. + +--Ben je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke. + +--O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal +te-pas brengen in m'n vers. + +Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op 't denkbeeld komen, +dat Wouter moed noodig had om z'n gebrek aan begrip te erkennen. We +zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin +berusten. En 't gedurig waarnemen van die berusting in anderen, +maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen alleen +te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en +hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair +wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich +verheugde over _algemeene_ toejuiching, den indruk onderzoeken dien +z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren, +dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand, +en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat +gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle +anderen veronderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van +naam, hebben daaraan hun roem te danken. + +Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z'n +vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger. + +--Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regels even +lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan ... want dat heeft +m'n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is. + +Femke peinsde, en op-eens: + +--Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was. + +--Ach neen... + +--Nu, 't doet er niet toe, riep ze, 't hollandsch staat er naast +... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen? + +Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis. + +Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in +'t diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe +daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden +onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had +'n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de +bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen +tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z'n +dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de +ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf +ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide +op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weêr--voor 't eerst in +langen tyd--dat prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo verschrikt +had. Z'n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen +vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel, +van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter. + +--O Fancy ... Fancy ... sterven voor u ... sterven met zulk een kus +op de lippen! + +Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest, +hy had lust in ongelyken stryd. + +En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep +hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in 't bezit +van de _rouerie_ die de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy +voelde Wouter's ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die +ridderlykheid beloonen kon. + +--Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met +beide handen, en kuste hem weêr, en nog-eens ... op 'n wyze alsof ze +'t meer gedaan had. Wat toch niet waar was. + +--En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan Mischien +zal 't je helpen voor je tante... + +--Ze is m'n tante niet, antwoordde Wouter, maar 't boekje wil ik +wel zien. + +Hy legde 't op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke, +grooter dan hy, had den arm om z'n hals geslagen, en wees hem met de +andere hand wat hy lezen moest. Een lieve schildery! + +--Zie, die regels zyn even lang, zei 't meisje. + +--Ach ja ... maar ze rymen niet. + +En Wouter las: + + + Allerreinste moeder, + Allerzuiverste moeder, + Ongeschonden moeder, + Onbevlekte moeder, + Machtige maagd, + Goedertierene maagd, + Getrouwe maagd, + Geestelyk vat, + Eerwaardig vat, + Schoon vat van devotie, + Geestelyke roos, + Toren van David, + Ivoren toren, + Deur des hemels... + + +--Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er +niets van. + +Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert +vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd +tevreden geweest met de maat van haar begrip. Maar nu ze door Wouter's +onnoozelheid _in morâ_ gesteld werd, reden te geven van haar geloof, +bemerkte zy voor 't eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde +schaamte hierover, en sloeg 't boekje dicht. + +--Maar _ken_ je dan 't geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider +domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid. + +--Zóó niet, zei Wouter. Ik heb 't anders geleerd. + +--Maar je gelooft toch aan Jezus? + +--O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en +torens. Hoort dat by 't geloof? + +--Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria. + +--Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het. + +--En 't vagevuur? + +--Daar weet ik niet van. + +--En de biecht? + +--Gut né... + +--Maar hoe maak jelui 't dan? + +--Hoe meenje dat, Femke? + +--Wel ... om zalig te worden. + +--Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel +te komen? + +--Wel zeker. Daarom is 't te doen, en dat kan niet zonder de Heilige +Maagd, en zonder zoo'n boekje. Wilje dat ik je 't geloof leer, +Wouter? Dan komen we samen in den hemel. + +Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon: + +--God schiep de wereld... + +--Wat deed hy vóór dien tyd, Femke? + +--Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een +slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont +te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer +goed te maken ... dat is lang geleden... + +--Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy +begon met nul by z'n geboorte. + +Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan van den +ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van 't geloof, +al was het dan volgens Femke 't ware niet. + +--Nu, Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en als je nu goed +bidt uit zoo'n boekje, dan word je zalig. Begryp je 't nu, Wouter? + +--Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren? + +--Wel, dat is zoo'n benaming van de Heilige Maagd. 't Is by-voorbeeld +alsof je ... _pater_ tegen den pastoor zegt. Daar heb je nu... + +Femke zocht een voorbeeld. +...daar heb je nu je moeder, hoe noem je die? + +--Wel ... ik zeg: moeder. + +--Juist. Maar hoe noemt haar een ander? + +--Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse. + +--Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren +toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men +roept: _jufvrouw Pieterse!_ dan is het, dat ze luisteren zal, en +zoo wil _ivoren poort_ zeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet +doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is 't te doen. + +--Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk ... een maagd? + +Femke kleurde. + +--Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft... + +--Ik? vroeg Wouter verbaasd. + +--Wel neen, malle jongen ... 't moet een meisje wezen. + +--Ben jy een maagd? + +--Wel zeker... + +Femke sprak de zuivere waarheid. + +--Wel zeker ... omdat ik niet getrouwd ben. + +--Maar Maria was toch getrouwd ... en Jezus was haar kindje. + +--Dat is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom +heet ze _ivoren poort_. Begryp je 't nu, Wouter? + +Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje meê te +nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het +dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer +spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets +bedorven werd aan Femke's zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit, +dikwyls weêrtekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van +de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze 't aan pastoor Jansen +vragen. Dan kon Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste. + +Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met +dat meisje, dat geheimzinnige boekje, 't zaligworden, zyn gevecht met +de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan +'t vers dat-i maken moest. En--zonderling!--ook scheen er verband +tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit +had hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die +z'n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by 't kort +begrip van Femke's theologie. Hy zou _begrepen_ hebben dat haar +weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn onbestuurd _gevoel_ +veranderde alles van zin. Thuiskomende bladerde hy in Stoffel's +boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten, +ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond +niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden, +maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en +z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen. + +Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze +vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich 't +_niet-zyn_ niet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen +doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn +ongeoefend denkvermogen stuitte op 'n onmogelykheid, of afdwaalde op +bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang, +om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar 't ééne +onbekende: de oorzaak van het _zyn_. + +--Meester Pennewip heeft 'n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy +... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was ... zou dàt ook +de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet afdwalen. Die +oude heer Pennewip moet ook 'n vader gehad hebben ... en die weer +... en die ook ... en die weer ... ja altyd ... maar wie is de +_eerste_ Pennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben, +vóór er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog +geen varken was? + +En waar is 't eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of +'t eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit? + +En God? Toen hy aan 't scheppen ging, moest hy toch een wil gehad +hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er +niets van, en zou 't toch zoo graag willen weten. + +Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht +is door alle wysgeeren. 't Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef +vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich een _begin_ te denken. En +als veel anderen--ouder, maar niet veel wyzer dan hy--wanhoopte hy +niet. Eenmaal zou hy 't weten, dacht-i... + +Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem +niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken. + +En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende +omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten +betalen als-of 't wysheid geweest ware. + +Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust +ware geweest over den afloop van 't vers, dat nog altyd niet op stapel +stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste +oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van +Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die +zachte lippen. En van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een +lieve, lieve jongen... + +--Zou _zy_ 't wezen ... Omikron? dacht hy. + +Zoo droomde 't kind. En by den knaap, als in de ontwikkelingsperiode +der menschheid, werkten de krachten van de driedubbele veêr die ons +voortdryft, in ééne richting. + +_Beminnen, weten, stryden_--alles saêmtevatten in: _beweging_--ziedaar +de zielkundige analyse van 't doel dat de jeugd aantrekt, en die +tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis, vooral +uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch die in zekeren +zin helderder voor ons oog staan, dan de zoogenaamd-strikthistorische. + + + +De knaap _Wouter_, evenals 't kind: _Menschdom_, werd voortgedreven +door 'n driedubbele kracht, door behoefte aan _liefde_, aan +_wetenschap_ en aan _stryd_. + +Als in de _genesis_-legende, en in het drama van Faust, moest ook de +weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aantrekkingskracht +die 'n onbeduidend meisjen op hem uitoefende, het middel wezen om +hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te voeren hebben. [16] + + + + + + Waarheid in legende. + + +--Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over 't geloof? + +Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden dag weèr +by haar zat op 't omgekeerd mandje. + +--Ja, maar ze zyn niet mooi. + +--Ken je niet wat van-buiten? + +Wouter zei 'n vers op van een protestanterig gezang, dat geen genade +vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i 't mooi opzei. + +--Lees je niets anders? + +Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van +Stoffel: _Werken van 't dichtlievend genootschap_... Ippel, +_Aardrykskunde... Verhandeling over de spelling... Reglement op de +brandwacht... Geschiedenis van Jozef, door_ Hulshoff ... _De brave +Hendrik ... Vader Jakob onder zyne kindertjes ... Preêken van domine_ +Hellendoorn... _Kathechismus van_ idem... Hoorn _liedeboek_... + +Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by +Femke. Eindelyk: + +--Ik weet wel iets, maar 't is niet van 't geloof... het is van +Glorioso... + +Femke beloofde te zullen luisteren, en Wouter vertelde. Eerst sprak +hy afgebroken, en met al de _en toens_ die niet gemist kunnen worden +by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich in den +toestand van z'n held, en verhaalde beter dan-i gelezen had in dat +voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond hy op van +z'n korf, en bootste de daden van z'n held na, zoodat Femke er van +schrikte. Maar prettig vond ze 't toch, en toen hy eindelyk zweeg, +was er een vonk van zyn zonderling bestuurde maar oprechte geestdrift +gevallen in haar hart, dat als 't zyne klopte van verrukking over al +'t schoone dat zy gehoord had. Beider wangen gloeiden, en waarlyk als +'r een trekschuit had gereed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke +oogenblikkelyk ware meêgereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar, +zooveel aventuren, en... zooveel minnary. En 't fraaist was, dat er +uit Wouter's vertelling bleek hoe zuiver zoo'n italiaansche roover in +'t geloof is. + +--Weet je niet nog iets? + +--Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... 't staat in +een klein boekje ... een almanak, geloof ik. + +En hy verhaalde: + +--Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca heette. Al +de koningen van dat land heetten Inca... + +--Zoo als hier Oranje ... + +--Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru--want het land heette +Peru--waren de koningen uit de zon gekomen, en als ze stierven, keerden +zy terug naar de zon. En zy mochten niet trouwen met 'n meisje dat +niet uit de zon voortkwam. Dat was zoo de wet in Peru... + +--Is 't waarlyk gebeurd, Wouter? + +--Het staat zoo in 't boekje, Femke. Nu was er een koning die drie +kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons heetten Telasco +en Kusco, maar den naam van 't meisje heb ik vergeten. + +--Zeg maar Marie. + +--Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is beter, +of... Emma. Of wil je dat ik Femke zeg? + +--Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van my spreekt, +of van die prinses. + +--Goed: Emma. Emma was 't eenige zonnekind in heel Peru. En niemand +wist wie na den dood van den koning, Inca worden zou, want Telasco +en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat meer? + +Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er drie te-gelyk +gehad... dat kan heel goed. + +--Nu, Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist niet wie +hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook het volk van +Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat mocht niet, omdat er +in de wet stond dat er altyd maar één Inca wezen zou. Toen riep de +koning alle priesters by elkaar op een hoogen berg, om nader aan de +zon te wezen... want de zon zou beslissen wie koning worden moest. + +--Maar Wouter, dat kan niet waar zyn. + +--Het staat zoo in 't boekje, Femke. En ... 't is lang geleden, heel +lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net als de +ivoren poort. + +Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar 't verhaal, +hield ze zich of Wouter's oplossing haar voldeed. + +--Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote +brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen. Maar +ze staken het hout niet aan ... dit moest de zon zelf doen. + +--Dat kan heel goed ... met 'n brandglas. + +--Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen brandglazen. En +bovendien het was juist te-doen om den wil van de zon te weten. De +kransen op den éénen brandstapel waren gelegd of 't een letter T was, +dat beduidde Telasco. Op den ander had men een K geschreven ... ik +meen: met bloemen. Die K wilde zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de +koning op de knieën, en alle priesters ook, en zy zongen een gebed +aan de zon... + +--Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen, dan voor +de Heiligen. En dat bidden mag ook niet ... dat is afgodery. + +--Ja juist, 't staat ook in 't boekje dat die menschen in Peru +afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschouwen, +zie ... 't is lang geleden ... en 't was een ander volk ... een +heel ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld ... in +Frankryk ... daar noemen ze een vader: _père_ ... dus je ziet wel +dat ieder volk zoo z'n eigen manieren heeft. + +Femke knikte, als byna overtuigd. + +--Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusco en Emma zongen meê, +want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen, dit begryp je wel, +want als Kusco's houtstapel 't eerst brandde, zou hy Inca worden, en +Telasco bleef maar prins. En als Telasco's stapel 't eerst aanging, +werd _hy_ koning, en niet Kusco. Nu, voor Emma was 't ook een heele +zaak ... want ze moest trouwen met den nieuwen Inca. Ze wou dus graag +weten wie 't wezen zou... + +--Maar ... 't waren haar broêrs! + +--Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy 't eenige zonnekind was. Ze woonden +in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan by ons... + +--Ja, dat 's waar, zei Femke, die bang was dat te veel ongeloof +haar de vertelling kosten zou. 't Zal wezen als met Glorioso en die +gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet ... dat vind je alleen in +verre landen. + +--Ja ... of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de zon +geen der beide brandstapels aan... + +--Hé... zei 't meisje verwonderd, want na al 't zonderlinge dat ze +vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te hooren. + +--Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Inca en 't volk van +Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en Kusco. Wie ze +'t meest beminde zou koning zyn. + +--Toen was 't gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze. + +--Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar een maand +tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde, en kon niet tot +een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende te weten wien zy +voortrok in haar hart, dan wilde zy 't niet zeggen, omdat ze den ander +te lief had om hem te bedroeven. Want zy wist dat beiden haar beminden, +en dat haar voorkeur van den één, de dood van den ander wezen zou. Zy +vraagde om raad by Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen... + +--Hé? riep Femke weêr. En er was een vragende toon in haar uitroep. Zy +meende niet goed verstaan te hebben. + +--'t Was in Peru ... en heel lang geleden. En daarop smeekte zy Kusco, +haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde dat Telasco haar +gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen moest. Ook vond hy Telasco +waardiger om Inca te worden, dan zichzelf. + +Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters ook +niet. En ook niet by den koning, die in 't geheel geen raad geven +wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmeê hy zich niet mocht +bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco haar had. 's +Avonds in 't woud had ze hem beluisterd, toen-i een lied zong waarin +hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen was zy hem om den +hals gevallen, en ze ging naast hem zitten op de zodenbank, en ze zei: +lieve Kusco... en ze legde 't hoofd tegen zyn schouder, en begon bitter +te schreien, omdat ze hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke. + +--Kun je 't boekjen niet eens meêbrengen? vraagde het meisje. Ze +wilde zoo gaarne dat prentje zien. + +--Ach neen, 't boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat ik niets +mag wegnemen uit z'n kastje. Dat is zyn bibliotheek, weetje, omdat-i +schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde. En Kusco ook ... kàn dat? + +--Wel neen! + +--In 't boek staat het toch. Maar hoor verder. Toen ze daar zoo zaten, +kwam Telasco. Hy beluisterde hen--één oogenblik maar--en trad op-eens +te voorschyn. Daarop viel hy op de knieën voor Kusco, en zeide: "heil +u, Inca van Peru, de dochter der zon heeft u gekozen." En hy boog z'n +hoofd tot de aarde, en wilde Kusco's voet op z'n nek plaatsen. Dat +beduidde onderwerping, in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op, +en beiden te-gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. "Zy heeft +_u_ lief, broeder, sprak Kusco, aan _u_ denkt zy, van _u_ droomt zy, +_u_ bemint zy, o Telasco! Gy zyt koning in haar hart, en dus Inca +van Peru." + +Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief, om te willen dat het waar +was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst recht moeielyk +voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en kuste hem innig, +en trok hem naast zich op de bank van zoden. Maar terwyl ze aan de +eene zyde Telasco omarmde, trok ze met de andere hand Kusco tot zich, +en... toen zat ze in 't midden, tusschen de beide broeders. En als ze +Telasco kuste, zuchtte zy: "Lieve Kusco!" en als ze Kusco liefkoosde, +fluisterde zy Telasco's naam... och, Femke, 't was zoo moeielyk! + +--Ja, zuchtte Femke, 't was een moeielyk geval. + +--En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco was, +zeide hy: "Gy moet kiezen, Emma!" in de hoop dat ze Kusco gelukkig +maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als hy meende +te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z'n eigen smart +dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z'n broeder. + +En Kusco riep: "Kies, Emma!" telkens als zy zich wendde naar Telasco's +zyde, maar hy zweeg als Emma's hoofd op _zyn_ schouder lag. Hy vreesde +den dood niet--want, Femke, hy wilde sterven als-i niet leven kon met +háár--maar hy was bekommerd over Telasco's jammer, als deze Emma's +beeld zou moeten verdryven uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen, +Femke? Ik weet niet of ik 't goed vertel, maar 't staat zoo in +'t boek... + +--Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren tweelingen, +zieje, daar komt het van. + +Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen geloof +te slaan aan Femke's begrip. Ik verdenk haar van "schipperen" met +het geloof aan Wouter's vertelling. Zy drong zich het begrypen op, +omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en offerzucht der +drie helden van 't heelal. Ze was niet geleerd genoeg om met spot +neêrtezien op 't verhevene, al werd het haar dan ook meêgedeeld op 'n +wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd--van individu en Mensheid +alweêr--is romantiek. Ze heeft behoefte aan onmogelykheid, of wat daar +naby komt, en nu Wouter eenmaal Femke zoo ver had vervoerd dat zy zich +verplaatste in zoo vreemde toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een +sterken bondgenoot in Femke's vurige begeerte om 't vervolg te weten +dier aandoenlyke geschiedenis. _Zy_ had hem--met minder moeite, want +Wouter was jonger, en bovendien onevenredig kinderlyker--haar "ivoren +toren en geestelyke vaten" ingegeven, nu zou 't hem weldra gelukt zyn +haar 't zonnestelsel te doen slikken. Maar de arme jongen wist dit +niet. Om te ontleden hoe zucht tot _weten_ wordt afgeleid door behoefte +aan _liefde_, had hy eenige tientallen jaren ouder moeten wezen, en +niet zelf de patient van dit zielkundig verschynsel. De lezer zal wel +zoo goed zyn myne opmerkingen aftescheiden van Wouter's indrukken, +en niet den natuuronderzoeker verwarren met den kikvorsch die dezen +tot onderwerp diende van z'n galvanische proef. Wie te traag is om de +analyse te volgen van 'n menschenhart, abonneere zich op de romans van +Xavier de Montépin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken. Wie +zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed, raad ik aan +octrooi te verdienen op 't uitvinden van iets belangrykers. En wie, +eindelyk, myn werk afkeurt als onvolledig, of myn slotsommen als +onwaar... ik zal hem dankbaar zyn voor terechtwyzing. Maar in dat +geval wenschte ik de blyken te zien van wat inspanning en studie, +want dat kost het my ook... en nog iets. + +Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma's hart +begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broêrs. Wanneer hy dàt +had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden. Nu drukte Femke's +snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid met de peruaansche historie, +en hy vond ze schooner dan ooit. Deze indruk maakte hem welsprekender +dan-i tot nog toe geweest was. Het werd hem nu een punt van eer, +Femke's goede meening te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande +van den verhaaltoon tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne +personen sprekende in. Er was een _quousque tandem_ van teederheid in +'t naspreken van Telasco's woorden: + +"Dochter der zonne, beslis! _Hy_ heeft u lief, Kusco, myn broeder, de +edele Kusco. Is er een ree vlugger op 't gebergte, een jager zekerder +van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru, vlugger, zekerder, +heldhaftiger dan hy? + +"Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder, +de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe +hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om u te +zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen bewogen zich +als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den edelen Kusco!" + +"Niet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied, den +verhevensten telg van de Inca's. Hy schreef uwen naam, o dochter der +zon, met kunstigen knoop in z'n gordel en luid heeft hy dien naam +geroepen in den stryd tegen de vyanden van Peru. Zy vloden op dien +roep, als ware de beschermende zon zelve neergedaald, om de belagers +van haar kinderen te verdelgen. Kies Telasco, den dapperen Telasco... o +gy verhevene dochter van 't licht!" + +"Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik verslagen. _Hy_ +heeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid van 't land. Hy +worstelde, streed en overwon in uwen naam... + +"Telasco _liet_ my de overwinning! Hy doodde z'n eerzucht in uwen +naam... + +"Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten... + +"Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie... + +"Bedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven alles bemint, +hem alleen... + +"Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde? + +Eindelyk sprak het meisje: + +"Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kàn niet kiezen, +zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand beeft zoodra gy +me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt evenzeer als zy den druk +voelt van uwe hand. Myn hart siddert by de gevaren des oorlogs, als ik +weet dat gy beiden vooraan staat in de reien der kinderen van de zon, +en ik kàn niet beslissen hoe ik den pyl richten zou, die bestemd was +één uwer te treffen... als ik veroordeeld was die richting te bepalen. + +"Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al 't wee en al de +zaligheid van 'n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er in +myn hart plaats voor 'n alles verterenden gloed, by 't inzuigen der +goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden van Kusco +begeleidt. Myn ziel leeft door 't genieten van uw beider bestaan. Uw +beider namen hoor ik roepen door den tortel in 't geboomte, door den +wind als ze suist of buldert. Uw beider naam staat me in liefelyke +kronkeling geschreven op de vlakte van 't meer, in rangschikking +van kleur op de blaadjes der bloemen, in gloeiend schrift op de zon +zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons bestaan. En, Telasco, als +ik neêrkniel naast den Inca, om met al de kinderen van Peru onzen +god te bidden om zegen voor zyn land, dan was myn bede één zucht: +uw naam! En, Kusco, by 't danken voor de zegeningen die de oorsprong +van het licht schonk aan 't blinkend land van Peru, dankte ik, de +dochter der Inca's, met dit ééne woord: Kusco! + +"Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kàn niet... ik +kàn niet!" + +Aldus sprak de dochter der zon. + +Maar Telasco antwoordde: + +"De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt, Aztalpa... + +--Hé? Emma heette zy... + +--Neen, Aztalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen weergaf, +ze heette Aztalpa. Telasco zeide: + +"De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy 't gebod der zon +niet opvolgen?" + +"Laat my sterven, Telasco!" + +"Neen, _ik, ik_!... riepen beide broeders tegelyk ... + +"Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen." + +"Kies Telasco! riep Kusco. + +"Kies Kusco! riep Telasco. + +Maar het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-gelyk, +en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden. + +Telasco bedacht zich. + +"Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor naar myn +voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de vederen uwer +pylen blauw, myn broeder? Zyn niet de myne rood? Hooraan! Morgen, voor +'t verschynen der zon, zullen wy te-zamen uitgaan naar 't jachtveld. Wy +zullen ons in het kreupelhout plaatsen... gy, honderd schreden voorby +den boom die Aztalpa's naam draagt, door ons beiden gesneden in de +schors. Ik, honderd schreden van deze zyde van dien boom. Daar zullen +wy het uitzicht hebben op den heuvel, waarlangs 't wild vlucht, als +het wordt opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op +de eerste hinde die er opdaagt uit het woud. Als de vederen van den +pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze. Als +'t uw pyl is Kusco, die 't wild treft ... als de getroffen hinde _uw_ +kleur draagt... + +De beide broeders bedekten zich 't gelaat, als vreesden zy iets te +zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien Telasco +voorsloeg. + +"Ik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen voorslag +aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een boodschap der +goden. Ik neem aan, ik neem aan ... my zal zy kiezen, als de vederen +blauw zyn! O stem toe, Aztalpa, beloof dat gy berusten zult in den +uitslag van Telasco's voorstel!" + +"Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa! smeekte de andere broeder. + +En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar hart +te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den volgenden +dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit het woud. + +Den volgenden morgen vroeg, by 't eerste licht der zon, hoorde Telasco +van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met trom, bekkens +en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de kleine heuvel, waar +gewoonlyk 't wild het geboomte verliet, als het schrikkend wegvlood +voor 't gevaarspellend geraas. Zóó jaagde anders Telasco niet. Zóó +was de buit te licht gewonnen, en zelfs kwam zoo'n jacht hem voor +als verraad. En ook nu jaagde Telasco niet op die wyze, want zie, +z'n pylkoker lag naast hem, en de hand die de boog moest spannen, +ondersteunde het hoofd. + +Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch vatte z'n +trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot misschieten, als +de eerste hinde zich vertoonen zou. "Misschien heeft de opmerkzame +Kusco myn pylen geteld, by 't samen uitgaan, dezen nacht." Zoo dacht +hy, en maakte zich gereed tot zorg dat er één pyl zou ontbreken aan +'t getal... + +Het gerucht kwam nader. Weldra zou... + +Daar vloog een hert, hooggeweid ... wilde buffels ... zwynen +... bevallige gazellen ... méér herten, méér buffels ... zwynen +weer ... o God, de hinde, de hinde ... daar was zy! Daar stond het +verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de wisse +schoten der beide jagers ... neen, ditmaal beschermd door Telasco's +en Kusco's edelmoedigheid. + +Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z'n pyl met de oogen, +maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hemzelf het +hart doorboorde. + +En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z'n pyl in den grond, +en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy daar zichzelf +begroef. + +Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die ongedeerd +verder vluchtte. + +"Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep Kusco, +die wild te-voorschyn sprong. + +"Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebt _my_ misleid. Gy +hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z'n broeder +te-gemoet snelde. + +"Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco. + +En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden aan +Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over misleiding. + +Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco's ziel. Hy zeide: + +"Wederom zullen wy ons, tegen den dageraad, plaatsen in het +kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild opjagen +naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de eerste hinde +treft, Aztalpa's keuze bepalen, maar ... Telasco, zweer my dat gy +schieten zult, ditmaal! + +"Ik zàl schieten! En gy, beloof my dat gy treffen zult. + +"Ik zàl treffen! + +"Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel om te +raken en te dooden? Werkelyk, de eerste hinde? Waarlyk? Zult ge?" + +"Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?" + +"Kusco, ik beloof het u." + +Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den vorigen. Wel +waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden op wild. Straks +omklemde de linkerhand de slangenhouten boog. Duim en voorvinger van +de rechter weerhielden den pyl tegen 't halfgespannen koord. Het oog +staarde over den gestrekten duim, zich richtend langs de punt van de +schicht naar de opening van het woud. O, lang vóór de hinde den top +des heuvels bereikt had, zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog +een bison snuivend uit de wildernis...zwynen...herten... een hinde... + +Doodelyk getroffen stortte 't arme dier neer... + +"Ik groet u, Inca van Peru!" + +Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn tredend +uit het kreupelhout. + +"Gy hebt verwonnen, Kusco... 't was _uw_ pyl! + +"_De uwe, Telasco!_ 't Kàn de myne niet geweest zyn ... myn hand +sidderde toen ik schoot. + +"Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde. + +"Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa! + +"Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon. + +"_Gy_, broeder! + +"_Gy!_" + +"Ik verzeker u dat _myn_ pyl... + +"'t Kàn de myne niet geweest zyn... + +"Den heuvel op! + +Dit laatste riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden zy +naar de plek waar de hinde gevallen was... + +"Ik zie uwe kleur ... riep Kusco, nog op een afstand. + +"Onmogelyk broeder... de pylveêr is... blauw! En 't _moet_ blauw +zyn, want... + +"Het _moet_ rood zyn, want... + +Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide broeders +hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met verwisselde kleur. + +Want 's nachts was Kusco, voorzichtig als 'n misdadiger, geslopen in +de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl geroofd uit den koker +zyns broeders. En niet moeielyk was deze diefstal, want Telasco's +legerstede was ledig. Er was niemand ter bewaking van de wapens, +waarmeê hy niet wilde overwinnen... + +Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde? Telasco was +ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om den blauwgeveêrden +pyl te stelen, waarmeê hy Kusco wou maken tot Aztalpa's uitverkorene, +tot Inca van Peru. Begryp je 't, Femke? + +--Ja ... maar... + +--Je moet altyd denken, 't was vèr van hier, en 't is lang +geleden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd, +en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de zon. Dit +deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon antwoordde altyd hetzelfde: +dat Aztalpa kiezen moest... + +--Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde? + +--Altyd. 't Staat zoo in 't boekje... 't was vèr, weetje. Nu, Aztalpa +moest kiezen. Daar was niets, niets, niets tegen te doen. En toch +wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde. + +Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide: + +"Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte. Gy wilt +niet kiezen, Aztalpa... welnu, ge zult sterven... + +--O God, riep Femke... + +--Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal je +zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat Aztalpa niet +zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde legde hy haar uit, waarom: + +"Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid komen in +'t land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat ge my kiest, +omdat men weet hoe 't den goeden Kusco zou bedroeven, my verstooten +te zien. En wie my liefheeft, vordert dat ge aan Kusco uwe hand +reikt, wyl men beseft hoe 't my zou smarten, gelukkig te wezen by zyn +wanhoop. Gy moet sterven, Aztalpa! Geen burgeroorlog mag 't gevolg zyn +der verdeeldheid van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn +tot den oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen +de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweërlei toon in +de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden opstygen, +en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze lofliederen. Daar +... daar ... daarboven, zyt ge ons beiden even naby, Aztalpa! Daar +kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den oneindigen rykdom uwer +bescherming. Gy zult Kusco antwoorden in 't ruischen der palmen, zonder +dat ik te-vergeefs naar uw stem luister in de muziek van de zee. Hem +en my zult ge verschynen in den droom... en myn arm zal niet slap +nêervallen by de gedachte aan Kusco's verlatenheid, noch hy bedroefd +zyn door 't besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor 'n liefde +als de uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het, +gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die 't wist dat gy +noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verheffing tot geest, +omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting van zoo veel gevoel. + +Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is geen +plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor ons beiden +op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel... + +Aldus sprak Telasco. + +Kusco zweeg. + +En Aztalpa zeide: + +"Broeders, ik ben bereid." + +En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het woud +op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon. En daar was +veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin Aztalpa zou +opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze verbrand worden. + +Je weet, Femke, de rook gaat altyd naar boven. Dat is om optestygen, +weetje? + +--Ja, antwoordde 't meisje, met 'n overtuiging als-of ze Velleda +zelf was. Och, ze had 'r boekje vergeten, en was ontrouw aan al +haar Heiligen. + +--O God, Wouter, 't doet me zeer! Moest Aztalpa nu waarlyk sterven? 't +Was wreed van Telasco... + +--Wat zou jy gedaan hebben, Femke? + +--Ik zou, ik zou... ik weet het waarlyk niet, Wouter. + +--Zieje, 't was moeilyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen de beide +broeders. Ze was in 't wit gekleed, en een witte sluier hing haar +over 't gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men knielde. Aztalpa +omhelsde haren vader, groette de menigte met de hand, en riep: + +"Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!" + +Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den +brandstapel. Kusco's houding was gebogen, en zyn tred was +wankelend. Maar Telasco scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa +niet sterven zou... + +Een diepe ademhaling verluchtte Femke's gemoed. Met open mond staarde +zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ontknooping opvangen met +al de kracht van haar ziel. + +--Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het wist. Hy +trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving... Kusco stond met de +handen voor 't gelaat... Aztalpa kruiste de armen voor de borst...zy +boog het hoofd... + +Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco: + +"Broeder... één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood ontvangen +van Kusco's hand!" + +Telasco slingerde den dolk weg, en riep: + +"Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar staat uw +Inca! Aztalpa, vaarwel!" + +Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco. + +Maar, toen deze z'n broeder zocht, was Telasco verdwenen. Men heeft +hem nooit wedergezien. Vindje 't niet mooi, Femke? + +--Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco haar verzoek +zou uitleggen, had ze 't niet gedaan. Maar de vertelling is mooi. Ik +wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan? + +--Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, 't staat zoo +in 't boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen stuiver om +den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten. Och, Femke, +ik wou zoo graag dat m'n vers al af was... + +--'t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets moeielyks +te doen. + +--Neen, ik zal denken aan 't meisje. Goeden avend, Femke... + +Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z'n +vertelling. En droomend van Aztalpa, die op 'n bleek paste, stapte hy +door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en 't speet +hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy verbeeldde +zich dat hy nu by 't maanlicht, beter nog dan anders zou verteld +hebben. Maar 't kon niet, om den stuiver, dien-i niet had. + + +Wouter's _droom_. + +--Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht, +en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat "die jongen" +zelfs in den slaap z'n rust niet houden kon. + +Ziehier de oorzaak waarom Wouter z'n broeder Laurens zoo onheusch +bejegende. + + +DAAR ZAT EEN SLAPEND MEISJE IN 'T GRAS... OF 'T FEMKE WAS? + + Wat stond zich de maan te vervelen, + Dien avend in 't luchtruim alleen! + De sterretjes waren verdwenen. + Omdat zy te flikkerend schéén. + + Het is voor zoo'n maan niet pleizierig + Alleen aan den hemel te staan. + Die eenzaamheid brengt aan het kniezen, + En helpt het humeur... naar de maan. + + Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing, + En troostte wat smachtend gevoel, + En hielp een paar dichters aan verzen, + Maar bleef als die verzen zoo koel. + + Zy straalde wat hoop in de harten, + En droogde in 't voorbygaan een traan, + Maar 't mooist wordt ten-laatste vervelend... + Ze had dit zoo vaak al gedaan. + + Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde... + Vervelend was al wat ze zag. + "Och, riep zy, als dàt niet verandert, + "Dan neem ik als maan m'n ontslag. + + "Ik sta als een gek te schynen, + "En schitter me kreupel en lam. + "Geen mensch die me 'r ooit voor bedankte, + "Of die er notitie van nam. + + "Dat menschvolk is bitter ondankbaar! + "Voor 't zonnetje maakt men zich mooi, + "Háár opent men deuren en vensters... + Als ik kom dan... gaan ze te-kooi. + + "Men moest daar beneden bedenken + "Dat 'k nooit van m'n overvloed scheen. + Ikzelf sta in 't kryt by m'n zuster... + "Die leent me... sints Genesis één. + + "'t Is drukkend--vooral aan famielje-- + "Zoo'n schuld van 'n eeuw of wat licht! + "Ik schrik als de zon me komt manen, + "En bleek wordt m'n mane-gezicht." + + Zoo pruilde op een avend het maantje, + En dit had de nachtwind verstaan. + Hy vond dat ze recht had tot treuren, + En was met haar droefheid begaan. + + En suizend begon hy te jagen + Langs wegen en vaarten en wei: + "Hop ... hop ...al wat mee kan, aan 't dansen, + "Wy geven de maan een party! + + "Hop, hop... in de rondte... naar boven... + "Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!" + Daar dansten de bladen in de ronde, + Of schuifelden voort in galop. + + Daar knakten de takken der boomen, + En zeiden de stammen vaarwel, + En zwierden als dansende spoken, + En speelden een wonderlyk spel. + + Daar vlogen de pannen der daken, + En namen hun deel aan het feest. + De schoorsteenen bogen deemoedig, + Als waren zy hoflui geweest. + + De molens vergaten het malen, + En noodden de boomen ten dans, + En walsten met hunne beminden + Op hun muren en wallen en schans. + + "Hop, hop... in de rondte... vooruit maar... + "Dien weg uit... omlaag by de poort... + "Wat 'n vischlucht!... om 't even... vooruit maar! + "Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!" + +_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_ + + Daar naderde joelend de bruiloft, + En huppelde om 't slapende kind. + Haar bleekgoed rees op van de zoden, + En danste op muziek van den wind. + + Daar neigden de hemden potsierlyk, + En boden elkaêr hun manchet. + Daar danste een pudiek chemisetje + Met 'n onderbroek een menuet. + + Daar lonkte de slaapmuts van passie, + En maakte haar pluimpje zoo mooi. + En drukte aan het fladderend jabootje + Heel sentimenteelig de plooi. + + De zakdoeken werden zoo dartel, + En waagden zich boven hun stand, + En reikten aan nuffige kraagjes + Hun opengewerkten rand. + + De slobkous, verliefd van complexie, + Maakte aan een fichutje de cour, + En sloot het verrukt in z'n knoopen, + En zuchtte zoo innig: bonjour! + + Daar walste een bretel met een vestje, + Een kindersok met een servet, + En 't windje gaf lustig de maat aan, + En maakte geen eind aan de pret. + + En warrelde vroolyk daartusschen, + En joeg alles rond op de baan ... + En suisde: "hop, hop ... à vos dames ... + "Wy geven een bal aan de maan!" + +_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_ + + En dichter en dichter gedrongen, + Sprong alles om 't slapende kind ... + Daar fladderden wild haar de lokken + Omhoog, op muziek van den wind ... + + Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze! + En ylings ... de stoet nam haar meê, + En droeg haar ... o hemel ... + + +--Femke ... Femke! + +--Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning, +die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en +halsboordjes, op weg was naar de maan ... + +Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen +werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit +hoofdstuk zoo dramatisch begint. + +Het "huis" Pieterse vergaderde voor Wouter's bed. Daar was de edele +stamvrouw, gehuld in 't eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien +neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar +domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten +de meisjes niet meer, na 't verhuizen. Truitje was Gertrude geworden, +zoo goed als 'n ongekeurde vorstin van Hessen. Myntje heette nu Mina, +en wie haar pleizier woû doen, sprak de _a_ uit als een _e._ Dat +gaf zoo'n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond +nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje +heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was. + +Hyzelf kwam ook voor 't licht, en verbaasde zelfs z'n moeder die +zooveel van hem wachtte, door z'n deftigheid in gang en houding. + +--Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter. + +--O, moeder, moeder ... Femke! + +--De jongen is gek, was 't eenstemmig oordeel der Pietersens. + +En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde. + +--Ze zouden haar wegdragen ... al draaiende ... altyd in de rondte +... en ze sloot zich aan den rook die opstygt ... opstygt ... dochter +van de zon, beslis ... hier is Telasco ... neen, sterven zult gy niet, +Emma, Aztalpa ... Femke, o god, blyf, blyf ... ik zal op de bleek +passen ... ik zal de hinde schieten ... blyf, Femke, blyf ... een +weduwnaar met god ... samen door de ivoren poort ... daar gaat ze +weêr ... alléén ... omhoog ... Omikron, blyf! + +--Als we eens den dominee lieten roepen? vraagde de moeder, +aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft +... of beide. + +En voor 't eerst van z'n leven misschien, had Stoffel een goede +gedachte: + +--Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig, is ... Wouter is ziek. + +Zoo was het. De arme jongen was aangetast door 'n +zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer +die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke +terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter's gemoed. Maar dit +kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van +'t kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking +nuttig. De dokter vertelde haar, tot 'r groote verbazing, dat men z'n +kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er +lucht, licht, leven, beweging, _genot_ noodig is tot ontwikkeling van +ziel en lichaam. Dat _straffen_--met of zonder _Heer_ dan--niet te-pas +komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding +... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord +had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter ... + +--Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i +komt. Hy schryft z'n receppies met 'n gouwe pen, en z'n koetsier +heeft een bruine beer om z'n hals ... + +Ja, juist! zoo'n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen +die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden, +dan zou 't gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal +is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in +'t geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En +ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen. + +--Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter +er was. Ga 't haar eens zeggen, Sertrude ... dat Woutertje ziek is, +meen ik ... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe ... zoo +laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny ... er moet +toch zout wezen ... en maak 'n praatje ... 't is niet om te praten, +weetje ... je weet, ik hou niet van praterigheid ... 't is maar, +weetje, om te weten of de menschen 't gezien hebben? En jy, Petró, +denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want 't is +m'n 'n man ... zoo'n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak +... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet ... maar +ik ben benieuwd of ze 't gezien hebben in de komeny. + +Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat +jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter's ziekte. Er was iets +voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur. _Alas, poor mankind!_ + + + + + + +_Weêr een avendje._ + +--Maar, lieve jufvrouw Pieterse, hoe moet het nu met m'n oom? Jelui +bent allemaal gevraagd, en ik heb 'm gezegd dat er een vers wezen zou. + +--Dat 's moeielyk, jufvrouw Laps. Je begrypt dat het wurm nu geen +verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel? Als we 't hèm eens vroegen? + +--Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben ik +geskandeliseerd. + +Stoffel werd uitgenoodigd Wouters plaats te vervullen. Hy had er +veel tegen. + +--Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-kort +doen aan 't respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met de jeugd, +dan is respekt nummer een, en zoo'n vers... + +--Maar de jongens op je school hoeven 't niet te weten... + +--'t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet uwe zoo +niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook verzen maakte +... en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost, moeder ... en hy is +me nog de helft schuldig in een kruik inkt. Zieje, moeder, dat komt +er van. Ieder moet op z'n zaken passen. Zoo'n vers ... dat is goed en +wel voor een jongetje als Wouter ... maar als men zelf onderwyzer is... + +--En meester Pennewip dan? vroeg jufvrouw Laps. + +--Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de +bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip... + +--Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel! + +--Juist ... je hebt een vers van hem gelezen ... dat is ... dat +komt... hoe zal ik 't je nu precies uitleggen, jufvrouw Laps. Je +begrypt, by zoo'n vak als 't onderwys, heb je allerlei soort van +dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik maar +eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u, moeder? + +--Jawèl, jawèl, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou... + +--Amsterdam aan 't Y. Precies. En dan heb je weêr heel andere dingen, +want jufvrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al zoo by dat +onderwys te-pas komt. Een kruidenier mengt z'n suiker met wat anders, +en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy 't pond moet verkoopen, +om geen schaê te hebben, verbeeld je eens! En dan heb je nog de +gezelschapsrekening, en de breuken, en de werkwoorden ... maar nu +moet ik weg, anders slaan de jongens den boel stuk. + +Stoffel ging dien middag vroeger naar z'n school dan gewoonlyk, en liet +jufvrouw Laps heel ongesticht achter. 't Mensch wou maar niet begrypen, +hoe Madrid en die kruidenier met de breuken, hinderpalen konden wezen +voor Stoffel's rymgenie of schoolmeestersfatsoen. Jufvrouw Pieterse +praatte het goed, ik weet niet hoe, en ze stuurde jufvrouw Laps naar +meester Pennewip zelf. + +De man zag vreemd op, by 't bezoek van het vertoornde zoogdier, +maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling. + +--Tot welke klasse behoort uw oom, jufvrouw? + +--Wel ... tot de klasse van ... van ... meent u weer iets van +oesterschelpen en eieren? + +--Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat ... ik +bedoel ... op welke hoogte ... ik herzeg op welken trap ... als gy +deze uitdrukking begrypt--het is eene beeldspraak, juffrouw--op welken +trap dan van den ladder der maatschappy? + +--In de granen, meester. Meent u dat? + +--Dit is niet voldoende, jufvrouw Laps. Men kan in de granen zyn +... als koekbakker ... als broodbakker ... als kleinhandelaar ... als +groothandelaar ... als tusschenhandelaar ... en ook deze bedryven +hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt +ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman,--die door sommigen +onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt, ofschoon anderen +beweren ... doch dit zullen wy onbeslist laten--zeker is het, dat Jozef +granen opkocht, en op den bovensten trap stond, want, jufvrouw Laps, +wy lezen in _Genesis XLI_... + +--Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao's wagen, en droeg een witte zyden +rok. Myn oom is fakter. Dat was m'n vader ook. + +--Zóó ... o ... o! Fakter ... ten-rechte gezegd: factor ... ei! Daarvan +zegt _Genesis_ niets ... en ik weet niet met zekerheid of deze klasse +van personen ... + +--Myn oom is wéwenaar ... + +--Ziet ge, daar hebt gy 't verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk dat +Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den priester te On, +en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote--of volgens sommigen, +echt_genoot_--reeds overleden was, toen hy zich toelegde op den +graanhandel. Dus jufvrouw Laps ... ik zou u raden, als 't u ernst is +uwen oom te bezingen in een godsdienstig lied, u te begeven naar een +myner leerlingen ... Klaasje van der Gracht. + +En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind vinden +kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te scherp is, maar +ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie, ik meen te weten dat +hyzelf het gevraagde vers zou geleverd hebben, als jufvrouw Laps oom +een wit kleed van den Koning had gekregen, of den Haag was doorgereden +in een hofkoets. Maar 't bezingen van een "fakter" liet hy over aan +'t genie van den _vliegenden theeketel_ in de Peperstraat. Dit was niet +mooi van Pennewip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was +gegooid door z'n broêrs? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren? Dat-i +geen droom kon uitleggen? En dat men tegenwoordig geen scherpzinnigheid +beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onderkoningschap? + +Hoe dit zy, jufvrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte +kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid voelde door +'t bezoek. + +Er werd plechtig besloten dat Klaasje dienzelfden avend nog het vers +kant en klaar zou maken. Hy zou 't den volgenden ochtend by jufvrouw +Laps komen opzeggen, en als 't waardig werd gekeurd de tolk te zyn +van hare gevoelens jegens 'r oom, zou Klaas meêgenood worden op 't +avendje. En, had z'n vader gezegd, dan zou hy 'n witten das om hebben, +met 'n opstaand boordje. + +--ja, net als Jozef, zei jufvrouw Laps ... zoo zieje hoe de Schrift +toch alles vooruit wist. + +En 't mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte +overeenkomst te vinden tusschen Jozef's verheffing en de apotheose +die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht dat ze +een mantel in de hand hield. + +De _poëta laureatus_ meldde zich den volgenden morgen by haar aan, +en dreunde z'n vers op. Wy zullen het later hooren, als het wordt +voorgelezen op 't avendje dat ons wacht, maar voor-af moet ik melding +maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize van de Pietersens +plaats vond. + +Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter had rust +voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van 't behangsel, en dwong +zich die anders te rangschikken in zyne verbeelding. Hy liet ze over +elkaêr springen, inëenvloeien. Hy zag er gezichten in ... personen +... legers ... wolken ... och, alles leefde! Wel was 't vermoeiend, +maar hy kon niet anders. En als-i zich omkeerde naar de muur-zy, was +'t nog erger. De hieroglyfische krassen vertelden allerlei dingen +die hy niet noodig had te weten, en overlaadden hem met onnoodige +indrukken. Hy moest de oogen wel sluiten, maar vond geen rust. Het was +hem, of-i werd meêgevoerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest +deelnemen aan 't bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en +warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd als om de +afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te brengen, maar +'t baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die muur, die bloemen, +die dans, dat opnemen van Femke door den wervelwind ... zyne poging +om haar vasttehouden .... + +Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeelding +was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet konden +dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde, om de maan +wat op te beuren in haar eenzaamheid ... maar toch ... + +Schreiend riep hy zachtkens Femke's naam, zacht genoeg om niet te +worden gehoord door zyne verwanten, luid genoeg om wat lucht te geven +aan zyn beklemd gemoed ... + +--Wat is dat? ... riep hy op-eens, antwoordt ze? Is dát ook +verbeelding? + +Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en 't was Femke's stem! + +--Ik _wil_ weten of ik droom, zeî 't kind, en hy richtte zich overeind +in z'n bed. Dàt is een roode bloem ... daarnaast een zwarte ... ik +heet Wouter ... Laurens is op 't letterzetten ... dit is alles juist +... ik droom niet ... + +En hy luisterde weêr, en boog zich buiten de bedstede, en opende mond +en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden ter-hulpe +komen aan zyn gehoor ... + +--O God ... Femke's stem! Ja, ja, zy is het! + +Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van 't bed af, de deur uit, rolde de +trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van 't bleekmeisje, +dat in 't portaal beneden een harden stryd voerde met het gezin +der Pietersens. + +Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche vertelling. Eerst +meende zy dat het om 't prentje was, waarop Aztalpa de beide +broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter's schoolmeesterlyke +broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen afstand te doen van den +almanak die zooveel schoons bevatte. En ook zonder dat prentje, Femke +verlangde Wouter weêrtezien. Om z'n persoon kon 't niet wezen--zoo'n +kind!--maar Wouter vertelde zoo aardig. En misschien vloeiden in +'t hart van dat meisje Wouter's persoon in-een met de verhalen die +hy deed. Analyseeren, verdeelen, is een hulpmiddel tot studie. _Qui +bene distinguit, bene docet_, ja, en zelfs: _qui bene distinguit, +bene discit_... dit alles is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy +onderwees niet, en leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die +niet studeert, en maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met +allerlei aandoeningen door elkaêr, en liet het over aan dezen of +genen professer in de ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes +in elkander zaten, waarmeê Femke--die lieve karper!--zou rondzwemmen +in den vyver van haar zestien jaren. + +--Leg 't goed in de zon, riep haar de moeder toe... + +En dit vertaalde Femke aldus: _zon_... _Peru..._ +Aztalpa... Kusco... Wouter! + +--Jaag de kinderen weg... ze gooien vuil op de bleek... Femke +vertaalde: _moedig in den stryd tegen de vyanden van_ Peru... _hy de +edelste telg der_ Inca's... Telasca... Wouter! + +Och... alles riep: Wouter! + +En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den tweeden, +ongeduldig. Den derden, ongerust... + +--Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat 'n vers +moest maken... + +--Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je 'm te vinden? + +Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet waar Wouter +woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te erkennen. Er lag moed +in haar voornemen om 't kind optesporen, welks woning zy niet wist, +en die moed wilde zy verbergen. Waarom? + +Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy 't: _hoe mal!_ dat zoo +vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is 'n eigenaardige _pudeur_ in +liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy 't goede dat in ons is, +en pronken liever met fouten. Dit is huichelary _à rebours_. + +Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het weinige geld +mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers. Ze liep +met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een winkel +wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam ze terecht in +de Hartestraat. De loop der straten die in 't eerste hoofdstuk der +geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had geleid naar de aschpoort, +voerde nu Femke van die poort naar den boekwinkel, waar we onzen +held het eerst aantroffen. Minder beschroomd dan Wouter--Femke was +ouder, had meer omgegaan met menschen, en dacht minder na--vraagde +zy flinkweg den onvriendelyken man van den winkel: "om 't boek over +die gravin met den sleep?" + +--Hé? Hoe is de titel?" + +--Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar 't is over een roover ... de +Paus komt er ook in ... of eigenlyk ... och 't is my te doen om een +jongetje dat gelezen heeft in zoo'n boek. Ik wilde u vragen waar dat +jongetje woont ... en ik wil er graag voor betalen ... + +--Kom je my hier voor den gek houden? Denk je dat ik hier zit om +jongetjes optezoeken. + +--Maar m'nheer, ik wil er voor betalen, zei 't meisje, en zy legde +haar schat op de toonbank. + +--Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje! + +Nu werd Femke boos: + +--Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed ... dat laat ik me +niet doen. Als je 't niet zeggen wilt, dan kun je 't laten ... maar +ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent. + +En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps: + +--Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren? + +--Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben? + +--Ik vraag 't boek van den roover en Amalia, zei Femke. + +O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te vragen +om-niet ... zy voelde zich _klant_ nu. + +--Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Rinaldini? + +--Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe, _asjeblieft_, +help my... + +Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy verwaardigde zich +optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen. + +Vry spoedig noemde hy Glorioso... + +--Dàt is het... juist, dàt is het! riep Femke verrukt. + +--Maar je moet pand geven, zei de man, terwyl hy op een trapje klom, +om 't dierbaar boek te krygen. + +--Neen, neen ... ik heb 't boek niet noodig, ik wil maar weten waar +het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo graag +voor betalen! + +En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde niet, +zei de man. "Hy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst doen, als men +'t hem vrindelyk vraagde." Och, Femke zag er zoo lief uit, en ze had +iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte. + +De man zag na in 't register, waar-i spoedig den naam vond dien Femke +opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de woonplaats. Hy wees +het haar, en wilde nu bovendien uitleggen, hoe zy den kortsten weg +nemen kon.... + +Femke was al de deur uit, en had zelfs vergeten, haar neêrgelegd +geld meêtenemen. De man liep haar achterna om 't terug te geven, +maar-i had moeite om 'r intehalen. Zoo liep ze! + +Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie Pieterse, +verhuisd was "naar een fatsoenlyker buurt." 't Was nog al ver, maar +'t meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens aangeland, werd +ze ontvangen met een barsch "wat moet je?" van de jonge-jufvrouwen. + +--Och, jufvrouw, ik wilde weten hoe Wouter 't maakt? + +--Wie ben je? + +--Ik heet Femke, jufvrouw, en m'n moeder is een waschvrouw ... maar +ik wou weten hoe 't met Wouter is? + +--Wat heb jy met Wouter te maken? vraagde nu jufvrouw Pieterse, +die kwam aanloopen op 't gerucht. + +--Och jufvrouw ... wees 'r niet boos om ... ik wou 't zoo graag weten +... en m'n moeder weet er van, dat ik hier ben om 't te vragen. Wouter +heeft my verteld van Telasco, en van dat meisje dat sterven moest ... o +god, jufvrouw, zeg me of hy ziek is ... ik kan er niet van slapen ... + +--Jy hebt niks te maken met Wouter ... je kunt heengaan ... ik zeg +je nu dat je heen gaat ... ik houd niet van volk aan de deur ... + +--Om-godswil, jufvrouw! riep 't meisje, en wrong de handen. + +--De meid is mal! Duw 'r de deur uit, Trui, en gooi die toe ... + +Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myntje en Pietje maakten zich +gereed haar bytestaan, maar 't moedig kind hield vol. Ze greep de +leuning van de trap, en klemde zich vast. + +--Gooi 'r de deur uit, die brutale meid ... + +--O god, jufvrouw, ik ben niet brutaal ... och, ik zal terstond gaan +... zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, jufvrouw, zeg me dat! Dan +zal ik gaan ... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter ziek is, jufvrouw +... en ... of ... hy ... sterven ... zal? + +Hier berstte 't kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen van +de soort als waarmeê zy te-doen had, konden ongeroerd blyven, by +'t aanzien van Femke's smart. Maar de jufvrouwen Pieterse hadden +burgerlyke zielen. + +Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door adel. 't +Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat komt niet in +aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises naast elkaêr. De +"heele fatsoenlyke menschen, die schoenen verkochten uit Parys" +komen daar niet. + +--Ik ga niet, gilde Femke ... o god, ik ga _niet_! Ik _wil_ weten, +of 't kind ziek is ... + +Men hoorde boven aan de trap een deur openen. Wouter vertoonde zich, +rolde de trap af, viel als een bom op de strydenden, en daarna voor +Femke's voeten in zwym. + +--Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes stonden +roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem naar boven. Men +wees haar Wouter's bed, en daar legde zy 't kind neer. Niemand had +den moed haar te verjagen, toen ze zich neêrzette voor de legerstede, +en als er op dat oogenblik had moeten gestemd worden over voorrecht, +rang, gezag ... o, aller stemmen waren op Femke gevallen. Maar zyzelve +wist niet dat ze groot was. Ze schreide, en mompelde: "Och, neem +'t me niet kwalyk jufvrouw, maar ik kon er niet van slapen ... zoo +dacht ik aan dat kind!" + + + +De avend is dáár, Leentje past op Wouter, en 't huis Pieterse is +present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den +salon op. + +--'t Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat +wou ze eigenlyk, dat meisje? + +--Gut m'nheer ... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan +Gertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ... een vreemd +schepsel, zoo maar baasspelen in je huis ... en ik zeg al zoo tegen +Mina! gooi 'r toch de deur uit ... en toe zei Petró ... + +--Nou ... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en +toonde een blauwe plek aan de pols, waaruit _ik_ zou besluiten dat +Femke háár had beet gehad. + +--Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal 't haar verleeren! + +--En _ik_, zei Mina. + +Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel +meer. Maar zeker is 't, dat Femke's naam _nu_ niet zou getriumfeerd +hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde. + +--Een gemeene meid, m'nheer! + +--Een _heele_ gemeene meid! + +--O, zoo'n gemeene meid! + +--En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost? + +--Ja, dat was moeielyk... ik zei... + +--Né moeder... _ik_ zei... + +--Né, _ik_! + +--Né, _ik_! + +Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor 't middelpunt +der gebeurtenissen die 'r werden verhaald. + +--Ik wou wel 'ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei +jufvrouw Laps. Ja, oom, er is 'n verrassing... + +'t Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar +iemand anders, als zy iets te vertellen had. + +--Nu dan, wy zeiden ... ja wat zeiden we ook, Sertrude? + +--Moeder ... ik zei ... dat het schande was. + +--Ja dat heb ik ook gezeid. Nu ... toen vroeg dat schepsel koud water +... en toen we 't niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de +pomp ... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte ... en maakte +een doek nat, en legde dien op Wouter's hoofd. Ik was ontdaan over +zooveel brutaligheid. En ze huilde, of 't naar jongen was, m'nheer! Nu, +'t kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen ... verbeelje, daar we +by waren! + +Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by! + +--En toen bleef ze nog wat zitten voor 't bed, en praatte met +Wouter ... + +--Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw +Laps. 't Is maar, weet u, oom, omdat we 'n verrassing hebben. + +--En eindelyk ging ze heen ... en ze liep als een prinses. + +--Net 'n prinses ... betuigden de meisjes, die niet wisten dat ze +waarheid zeiden. + +--En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat +zal mis wezen ... + +Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op ... och ja, de +katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer +in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Ze gevoelde dat de ster +van haar discours verbleeken zou voor de zon van 't vers dat +Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve +katechiseermeesters er deftig uit! Wat 'n stap, wat 'n houding, wat +'n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes! + +--Myn heer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen +op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ... van wien u +wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen ... maar u +begrypt wel ... als men vader is ... nu, alle zegen komt van boven! + +--Ja oom, er is een verrassing. + +--Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen +heer ... op den heugelyken dag van zyn verjaren ... brengt ons in de +stemming van den Psalmist ... en ik verheug my door de genade ... want +mynheer ... alles komt van boven ... dat zal uwe ook wel weten. + +--Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er +een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten? + +--Ja, 't is frissies. Koud kan ik niet zeggen, 't Is wat je noemt +... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen +... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven. + +--Och ja! riep 't heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te +wezen. Verbeelje 't lot van een armen drommel die in dezen kring eens +had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig +was men 't eens, ditmaal. + +--Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing? + +--Ga je gang, nicht. Wat is het? + +--Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn +zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet ... want hy is me te +na ... maar 't is mooi, dat durf ik gerust zeggen. 't Is niet om te +roemen ... alles komt van boven ... neen, roemen zal ik niet. Als ik +roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is. + +De dichter Klaas maakte z'n mondje klein, alsof-i met z'n lippen te +drinken gaf aan een vogeltje. + +Hy sloeg de oogen neèr, en speelde met den ondersten knoop van z'n +vest. Z'n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs +in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op +'n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op +'n gebruikt servet... neen, op ongaar brood... + +Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke +jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van +de soort die ik bedoel, _adept-clowns_ in de kermistent des Heeren, +_pierrots van de onanie_. + +--Dus, myn heer, 't is niet om te roemen ... haal 't maar voor den dag, +Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen ... 't is mooi! Want ziet +u, in de Schrift ... + +Klaas haalde z'n vers voor den dag. + +... in de Schrift wordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van +weduwnaars ... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat +doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol +weduwen ... + +Klaas legde 't vers voor zich op tafel. + +... vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de +weduwen in gebracht, die in de Schrift staan. + +--Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw +Laps. + +--Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer ... zeventig +weduwen! Lees nu maar op, jongen! + +Klaas stroopte z'n armen op, streelde z'n boordjes, en begon: + + + Al de weduwen der Heilige Schrift + Worden hier tot een vers gezift; + Ter verblyding op 't verjaren + Van godzalige weduwnaren; + Juichend, bloeiend in den Heer, + Aan Jehovah lof en eer. + + +--Dat is 't opschrift, lichtte de vader toe. + +--Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik: + + + In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezen + Dat 'n weduw in 't huis van haar schoonvader moet wezen; + En Exodus XXII, ik zeg 't zonder vrees, + Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees... + + +--Merk op, myn heer, dat het vers en 't kapittel beide twee-en-twintig +zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods +wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas! + + + Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren; + Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren; + Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewis + Dat een weduw geen goede vrouw voor een priester is; + Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons weten + Dat een weeuw zonder kinderen 't brood van haar vader mag eten; + En Numeri XXX, vers negen, wel geteld, + Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt; + In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw... + + +--Hé? vroeg jufvrouw Laps. + +--Ja, dat wil zeggen: _majesteit_, legde de Katechiseermeester +uit. Luister maar verder, jufvrouw... 't is niet om te roemen... ik +zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas! + + + met geschreeuw, + Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw; + In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoord + Om alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort; + Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezen + Hoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen; + In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeld + Dat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op 't veld; + In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschreven + Dat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven. + Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt 't voort: + Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort; + Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen, + In vers 19, dat men 't recht van de weduw niet mag buigen; + _Twee_ Samuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk van + Dat Davids bywyven leefden als weduwen, by 't leven van haar man... + + +--By... _wat_? vraagde jufvrouw Pieterse. + +--Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet +hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen... + +--De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en +staan niet om-en-om. + +--Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester +bent ... maar dàt kan _my_ nu niet schelen. Ik vind die by ... by +... by ... hoe zal ik zeggen? + +--Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps. + +--Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort +Klaas! + +--_Noen, zulke dingen wil ik niet hooren ... 't is om de meisjes._ + +Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in +zoo'n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn, +en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands +bywyf te willen worden. + +--Ga voort, Klaas! + +--Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden +gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten ... + +--Maar, jufvrouw, 't staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten +tegen 't woord des Heeren? + +--Né ... ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk +is. Myn man ... + +--Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw ... maar uwe +zal toch niet tegen de Schrift ... + +--Ik doe niets tegen de Schrift ... maar ik houd niet van +gemeenigheid. Kom, Sertrude ... + +Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was +zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger +dingen uit die _Schrift_ geslikt, zonder de minste walging. Maar +'t verhuizen van een zystraat naar 'n hoofdstraat ... en kinderen +met fransche namen ... en 'n dokter met bont op z'n koetsier ... och, +'t is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten +samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg. + +Als ik nu 'n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te +regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven, +om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weêr terug viel +in 't gemeene. De bybelwoede openbaart zich 't duidelykst by _groot_ +en _klein_ gemeen. De tusschenstand schrikt terug voor 'n naaktheid +van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straatkansel- of hoftaal, +maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens "fatsoen" _bewys_ +noodig heeft. + + + +Extra-fine-superior-water-colours ... warranted! _Oude en nieuwe +prenten. Stoffelsche wyshedens._ + +De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer. Toen +hy zich sterk genoeg voelde om voor 't eerst het bed te verlaten, +vond de familie dat-i "groot" geworden was. En wie dit niet zelf kon +zien, zei 't den anderen na. Maar niemand scheen inniger van de zaak +overtuigd dan juffrouw Pieterse. "De jongen was uit al z'n kleeren +gegroeid, verzekerde zy, en 't zou heel wat _in_ hebben, hem weer +fatsoenlyk voor den dag te doen komen!" Na van Wouters ziekte zooveel +_wichtigkeit_ te hebben geoogst als maar eenigszins mogelyk was, begon +'t mensch zich nu al toeteleggen op 't uitbuiten van de belangwekkende +bereddering die er kon worden vastgeknoopt aan z'n beterschap. + +'t Kind zat prenten te kleuren, die hy met 'n verfdoos ten-geschenke +had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch, had Stoffel +gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond 'n woord op, +dat niemand begrypen kon: _warranted!_ En ook de moeder hield zich +overtuigd dat het wel "goed spul" wezen zou, omdat "zoo'n dokter toch +'n heele man is!" + +Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i op +weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had, +dan de figuren die den huiselyken tegenspoed van _Jan de Wasscher_ +moesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt +onbelangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot vermaak +van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ontwikkeld zyn +om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste. Maar kinderen +staan te laag om 't dagelyksche te waardeeren. Sommigen myner lezers +zouden waarschynlyk even als ik, veel geven willen voor 'n eenigszins +volledige verzameling van de prenten waarop men in Wouter's tyd de +kleine gemeente vergastte, en toch zuilen misschien slechts weinigen +zich een der eigenaardigheden herinneren, waardoor die kunstgewrochten +zich onderscheidden. Ze waren namelyk op allerzonderlingste wyze +gekleurd. Op elk der twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo'n vel +papier--dat in de kinderwereld _de_ prent heette--verdeeld was, had +de smaakvolle fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder +in 't minst acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen, +noch op den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De +rechter-bovenhoek van 'n huisjen op den linker-voorgrond, mocht mèt 'n +stuk hemel en 'n paar helften van boomen of de bovenlyven van twee of +drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing 'n roode of groene +vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee koeien, 'n sloot, en +'n heele kudde schapen met herder en al, in 't blauw. Zoo'n prent was +"gekleurd" en kostte, dùs toegetakeld, in Wouters tyd twee duiten. Waar +de finantieele krachten der kleine koopers zoover niet reikten, konden +ze ook 'n halve bekomen, by welke gelegenheid het viertal plaatjes +dat de middelste rei vormde, _sans façon_ werd doorgescheurd, en al +zoo vry geschonden de wereld intrad. Maar dit scheen onze jeugdige +kunstliefhebbers niet te deren. Een halve prent was hun 'n even +bruikbaar voorwerp als 'n halve koek. + +'t Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo'n vandaalsche berusting +ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in 't bezit gezien van +wat beters, doch nooit van 'n schat als die hem nu van den goeden +dokter was ten-deel gevallen. Z'n nieuwe prenten bestonden meerendeels +uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had iets als smaak +by 't kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich kon oefenen in 't +schaduwen. De geheele familie vermaakte zich met de geschiedenissen die +daarop waren voorgesteld. Men vond er _Genoveva, den verloren Zoon, de +ridders van de ronde tafel, Ursyn en Valentyn, de vier Heemskinderen, +gevechten tusschen Grieken en Turken, het overtrekken van den Balkan, +den dood van Marco Bozzaris, 't beleg van Silistria, Salomo's Recht, +de wyze en dwaze maagden, de geschiedenis der schoone Helena "princesse +van het Oosten"_ en wat er al verder by zoo'n kollektie behoort. + +Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de personen +uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy bezat de +zeer nauwkeurig gekostumeerde afbeeldingen der figuren uit _Macbeth_, +_Othello_, _Koning Lear_, _Hamlet_, _Tooverfluit_, _Barbier van +Sevilla_, _Freyschütz_ en nog 'n tal van andere stukken, waarvan het +een hem nog romantischer voorkwam dan het ander. En hy vermaakte +zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van z'n helden +en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche familie werd +ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam. Gewoonlyk was men +'t on-eens, maar dit zette de zaak gewicht by. In één opzicht slechts +scheen de familie door 'n soort van H. Geest geleid te worden tot +eenstemmigheid: gezichten en handen moesten vleeschkleurig zyn, en +de lippen rood. Dit had men altyd zoo gezien, en bovendien ... waarom +anders zou die verf _vleesch_kleur heeten? Hamlet voer er slecht by, +en kreeg 'n welvarender tint dan by z'n melancholie paste. + +--Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk beduiden, +klaagde Wouter. + +--Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z'n moeder. Wacht +tot-i van z'n school komt. + +En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel +van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol +die we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de +Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich +de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestooten +op 'n toon alsof er geurige wysheid van z'n lippen vloeide. Z'n +heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op. + +--Wat al die poppen beduiden? Ja, zieje... 't zyn, om zoo te zeggen, +de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu, by-voorbeeld, +die daar... met 'n kroon op z'n hoofd, dat is 'n koning. + +--Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde +de moeder. + +--Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i +gedaan heeft? + +--Wel zei Stoffel, 't staat er onder. Je kunt toch lezen? + +--Macbeth? + +--Wel zeker! Dat is Macbeth, 'n beroemde koning uit den ouden tyd. + +--En die daar, met 'n zwaard in de hand? + +--Ook 'n koning... of 'n generaal... of 'n held... of zoo-iets. 't +Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander +de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies +weten kan. + +--En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken. + +--Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje? + +--Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond? + +--Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen? + +Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp. + +--Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan 'n mensch antwoorden kan. + +Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, 'n gelegenheid te +zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit +was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang +inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen +waren voorgesteld. + +De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld, +en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had +de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op +'n woord dat-i niet vertalen kon--'t spreekt immers vanzelf, dat we +hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?--toch was de hoofdzaak +helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters +fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide +zich die fantazie niet. + +Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere +leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, _niet_ zonderling? Ze blyft +in-allen-geval opmerkelyk. + +Maar we willen nu liever dat gebrek aan _kritiek_, in Woutertje +beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op 't laatste plaatje volkomen +gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo +lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van 'n woesteling als +de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis +jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke +dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen +zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag +dit wel, en hy was er wel jaloers op... + +Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens, +waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder! + +Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo'n woestynleven +opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid 'n plekjen optezoeken, +waar 't ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar 't kwam hem niet in +den zin, naar de herkomst van zoo'n garderobe te vragen. [17] + +De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. En _Salomo's Recht_ ook. Al +had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, +van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier 'n bybelsche zaak +gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere +beschouwingen te plaatsen over 't Beleid der Justitie in Israël, zou +in 't huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men +nog heden in de meeste kringen z'n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter +zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te +vinden, en om niet te denken aan al 't ònrecht dat gewis niet uitblyven +kòn, in 'n land waar 't Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes. + + + + + + + Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. De + geest van _Femke_ komt manen, en wordt in die funktie + welwillend bygestaan door _Wouters_ neus. We staan voor 't + kleine te laag. Rehabilitatie van _Petrus. Ophelia_ zonder + vlekken... niet _warranted_ voor de toekomst. Beschouwingen + van _Stoffel_ en _Leentjen_ over dramatische kunst. + + +Niets alzoo boeide onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige +peinzende, tot opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen +zy zich aan z'n verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen zou +toespreken, en dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich reden wist +te geven van z'n indrukken, kwamen die stomme beelden hem als spoken +voor, die om zynentwil verschenen waren. Als geesten die hem iets te +zeggen hadden, die hem kenden, en van hem wilden gekend zyn. + +Met huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken met de +voorwerpen van z'n vereering, en al verstond-i de antwoorden niet, +toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam gekleede personen +schenen het niet beneden zich te achten, in aanraking te komen met +het kind dat zich zoo nederig voelde in z'n katoenen nachtjapon, met +'n "bakkertjen" op 't hoofd. + +Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde, stipt +besloten binnen de grens van de gegevens waarover hy in z'n herinnering +te beschikken had, al zou dan ook menigeen, indien Wouter overluid had +durven denken, telkens hebben uitgeroepen: waar haalt de jongen 't +vandaan? Och, hy rangschikte. En zelfs de onwillekeurigheid waarmee +dit geschiedde, had hare niet moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe +nauwer z'n omgeving, hoe wilder de sprongen die hy wel maken _moest_ +om de leedjes van z'n ziel uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op +'t onbegrensd terrein dat hèm behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in +'t breed domein dat-i bezig was te veroveren! O, die onverzadelyke +Alexander Philipse in z'n nachtjurk! + +Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest zich +vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met de weinige +personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i +beleefd had. + +De helden van z'n prenten bracht-i in aanraking met den dokter die hem +zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z'n nog altyd niet +vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche geschiedenis leverde +eenige onderdanen aan z'n Ryk. Hy huwde Telasko uit aan de min van +Juliet, en de priesters van de Zon kregen 'n schitterende _revanche_ +op Elias en _I Kon._ 18. Meester Pennewip ontving 'n splinternieuwe +pruik, en wel van gouddraad, waartoe 't model werd ontleend aan den +strooien krans van zekeren King Lear, die 'r heel verdrietig uitzag, +en z'n leed scheen te willen verzetten door met 'n soort van arlekyn +gehurkt in 'n hoekje te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen +was zeker 'n nar, want: "narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter +van den winter hooren, zoodra er sneeuw lag." + +Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden +dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte +hy gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag voorbygaan. Met +zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen. Toch deed-i dit liever +dan dat-i uit armoed aan bouwstoffen, zou hebben gebruik gemaakt van +z'n onmiddellyke omgeving. Het scheen hem niet in den zin te komen, +een van z'n verwanten te kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfs +Lady Macbeth, die er toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk +haar handen waschte, scheen hem van hooger natuur dan z'n moeder of +jufvrouw Laps. Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op +zoo'n prent te staan. + +En de kleeding! Kronen, diademen, _toques_ en beretten! Helmen met +fladderende vlerken, met 'n bos pluimen, met yzeren tralies als 't +venster van 'n gevangenis! Zwaarden en dolken met kruisgevest waarop +men zweren kon! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels met afhangende +_châtelaine-_keten... alles van goud zeker, en hy zou er dan ook braaf +wat gittegom aan te-koste leggen! En wat aardige kereltjes waren die +pages met 'n vogel op den kruk! Zelfs zoo'n vogel was byzonder, en +gaf raadsels op. Want hy had 'n kapjen over z'n gezicht, als iemand +die niet bekend wil zyn. Neen, neen, al die schoone zaken behoorden +by Wouters omgeving niet! "Hoe is 't mogelyk, dacht-i, dat iemand +die zulke prenten bezit, ze verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd." + +Al had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifiëerde voorstelling +was van misdaad, dan nog zoud-i 't heiligschennis geacht hebben, +haar in aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de draagsters +eener deugd, die hem instinktmatig tegenstond door burgerlyke +ordinairheid. De eerste, inbreuk op deze richting was door dien +strookrans van Koning Lear veroorzaakt, en misschien zou 't daarby +gebleven zyn, wanneer hy niet op een-maal in Ophelia's gestalte iets +ontdekt had, dat hem herinnerde aan... Femke. Zóó ook zou zy kunnen +staan, meende hy, bloemen vernielend, en de blaadjes om zich heen +strooiende... + +Hy schrikte! + +Wel had-i 'n flauwe herinnering dat er gedurende z'n ziekte iets met +het meisje was voorgevallen, maar 't rechte wist-i niet. Aztalpa's +moeielyke keus... staande en liggende regels van 't vers dat-i niet had +kunnen maken... de bons van z'n val, toen-i in z'n ziekte Femke's stem +gehoord had... de wilde bruiloft van 't bleekgoed... pater Jansen met +de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp herinnering. En hy +nam zich dit kwalyk, als iemand die door slordigheid iets kostbaars +liet verloren gaan of bederven. Hy trilde by 'n onbestemd gevoel, +en spande zich in om terug te vatten wat ontglipt scheen aan z'n +gemoed. Toen-i met 'n paar gemaakt-onverschillige woorden naar "dat +meisje" gevraagd had... + +O, die kleine huichelaar! Waarom noemde hy 't lieve kind niet by haar +naam? Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i 't goed meende. Men +zou kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke's naam te liefelyk +klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petró... + +Neen, neen, neen! Zóó is 't niet geweest. De besten onder ons hebben +iets van Petrus, met z'n: ik ken dezen man niet! Juist de besten het +meest. Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien verklaart +dit het vertrouwen van Jezus op den apostel die hem verloochende. + +Och, de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen zal +voor ik gereed ben, en me de konklusie afsnyden met 'n: dat spreekt +vanzelf, ik heb 't nooit anders ingezien. + + + +Om Petrus te leeren begrypen, den moedigsten van Jezus' volgelingen, +behoeft men zich slechts voortestellen dat er, vóór 't verraad, aan +_Judas_ gevraagd was: zyt gy ook niet uit zyne discipelen? Judas zou +waarachtig niet neen gezegd hebben! Een betuiging kost den laaghartige +niets, maar den oprechte is zy 'n daad. Petrus was niet gereed voor +'n offer, vooral omdat het gevorderd scheen zonder dat het op 'n offer +geleek. Voorzeker zou hy z'n heer niet verloochend hebben, indien hem +de vraag ware gedaan door gewapende en dreigende krygslieden. Hy had +z'n karakter niet by-de-hand, omdat de ondervraging geschiedde door +'n dienstmaagd, en... eens verloochend hebbende, struikelde hy over +de geringe moeielykheid van 't terugkomen op z'n woord, hy die zich +met moed en lust zou hebben teweer-gesteld tegen 't schrikkelykst +gevaar. Waar 'n held zich klein toont, is 't by vergissing... het +toonen niet, maar 't klein-voelen zelf. We kunnen dien toestand +vergelyken by de penurie van den ryke die, ongewoon aan geringe +geldelyke bezwaren, verzuimd heeft zich by zekere gelegenheid te +voorzien van pasmunt. + +Wel jammer, dat die pasmunt zoo'n groote rol speelt in de wereld! En +heel onbillyk, dat lieden die _gewoon_ zyn aan kopergeld, zich zoo +vermeien in den nood van den millionair wanneer hy tengevolge van _hun_ +armoed, z'n bankpapier niet gewisseld kan krygen! + + + +Waarachtig, onze Wouter zou Femke niet verloochend hebben als men +den dood gezet had op z'n... liefde! Nu, liefde was 't eigenlyk +niet. Misschien ook was het dit wel, of iets er van. Maar dan moeten +we 'n gansch ander woord zoeken voor de duizend-en-een aandoeningen +die daarvoor in de wereld en litteratuur gewoonlyk worden aan de +markt gebracht. + +Naar "dat meisjen" alzoo had-i gevraagd, 't Was al veel dat-i z'n +lippen niet kon dwingen tot de uitdrukking: "die meid" gelyk volgens +anderen de ware lezing was in de huisannalen der Pietersens. + +En men had hem afgescheept met 'n paar onverschillige woorden, die hem +deden voelen dat er in die omgeving geen plaats was voor z'n roman, +al stelde hyzelf die zoo byzonder hoog niet. Hy nam zich voor, Femke +te bezoeken, zoodra hy 't huis zou kunnen verlaten, en klaagde aan +z'n moeder, dat het "bakkertje" hem zoo kneep... omdat-i niet graag +door Femke, als ze soms mocht voorbygaan, wou gezien worden met +'n kinderachtige pluimmuts. Zoo'n ding paste niets by peruaansche +brandstapels. En zelfs by "ivoren poorten" maakte het 'n ontwydend +effekt. + +Al was er veel uitgesleten van de indrukken die hem overweldigden, +en neerwierpen op 't ziekbed, toch was-i braaf genoeg om iets als +zelfverwyt te voelen dat-i zich zoo lang had bezig gehouden òf met +niets, òf met iets anders dan 't meisje dat hem zoo'n hartelyken +zoen gaf, toen-i dapper geweest was. Dat wegwerpen van vernielde +bloemen door Ophelia, had wel iets van: zie Wouter, zóó hebje met my +gedaan! Waren we niet afgesproken dat... + +Wel neen, afgesproken was er niets. Toch kwam 't Wouter voor, dat-i +'n woordbreker was en 'n gloed van schaamte overtoog z'n gelaat. + +Die Ophelia... ja, ja, ze wàs het! Want zie, daar kwam Petrò met +'n bak hemden en sokken en allerlei ondergoed, dat zich in een der +talryke stadiën bevond, die men 't vuillinnen laat doorloopen, voor +'t geschikt is om weer op-nieuw vuil gemaakt te worden. Wasschen, +spoelen, styven, rekken, mangelen, stryken... weet ik het! Het zoodje +rook naar loog... zóó'n lucht was er ook by Femke's bleekgoed, en +alzoo riep Wouter's neus hem toe: ja, ja, zy is 't wel, zy, de dame +met de uit elkaar gereten bloempjes... de heele kamer ruikt er na! + +--Als je beter bent moet je-n-eens naar den dokter gaan, zei de moeder, +en hem bedanken voor je beterschap... naast God. En me dunkt dat je +'m dan met-een wel 'ns kon laten zien wat je al zoo gekleurd hebt. + +--Ja zeker, moeder, dàt zal ik doen! Ik zal haar den heelen prins +van Denemarken geven... ik meen... hem, den dokter! + +--Ga je gang, jongen. Maar zorg dan, dat je 'r geen vlekken op +maakt. En denk er aan, dat die geest van den ouden ridder heel bleek +moet zien. Stoffel heeft het gezegd... omdat het 'n geest is, weetje. + +--Ja, moeder. Ik zal 'm heelemaal wit maken. + +--Goed. En als je nu eens die dame daar in 't geel zette? + +De moeder wees met 'n breipen op Ophelia. + +--Neen, o neen, riep Wouter snel. Ze was in 't blauw! + +--Ze was? Wie was? + +--Ik meen maar, moeder, dat ik al zoo veel gelen heb. En daarom wou +ik haar... deze... die--Ophelia heet ze, 't staat er onder--nu eens +blauw maken. De dame die 'r handen wascht, kan dan weer geel zyn? + +--My wel, zei de moeder. Als je maar zorgt dat er geen vlekken +op komen. + +De ontwikkelde lezer weet dat Lady Macbeth tamelyk bevlekt was, +lang voor ze in prent werd gezet. Maar Ophelia's beeld is rein uit +Wouters handen gekomen. Wat daarmee later geschiedde... + +Helaas! + +Ik zal nog veel moeten toenemen in menschkunde en schryftalent, voor +ik dàt behoorlyk schetsen kan. Maar ik zal m'n best doen. Gelukkig +dat we nog in lang zoo ver niet zyn. Er is ruim tyd tot oefening. + + + +De slimme Stoffel was te weten gekomen wat dat dan toch eigenlyk +voor prenten waren. Hy hing 'n tafereel op van zaken die, hoe bekend +ook in andere kringen, door de Kinderen-Pietersens voor nieuw werden +aangezien. Een van Stoffels kollegaas was verwant aan de tooneelwereld, +en had hem verhaald dat zulke afbeeldingen van kostumes 'n groote rol +spelen onder de behoeften van akteurs. By deze zelfde gelegenheid +vernam men nu een-en-ander over de stukken waaraan Wouters prenten +ontleend waren, en over tooneelspelen in 't algemeen. + +'t Was voor Wouter 'n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze +kennis in 't huis bracht. Van elken anderen kant gekomen, ware ze +misschien afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nageplozen +als iets verdachts. De woorden "tooneel" en "schouwburg" hebben nog +thans in de ooren van velen 'n zeer onzedelyken klank, en dat was +'n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegenwoordig. Maar +'t genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel tot gunstiger +voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met +de bekrompenheid die by hem de funktien van 't geweten vervulde. + +--Zie je, moeder, er is komedie en komedie. Uwe moet onderscheid maken +tusschen 'n treurspel en... de vertooning van allerlei gekheid, waaruit +'n mensch niets leeren kan. Er zyn van die komedies, die... heel +treurig zyn, en de menschen huilen er van... heele deftige menschen. + +--Gut, zei jufvrouw Pieterse. + +--Ja, moeder! En dan zyn er weer andere stukken waar ze by zingen +en muziek maken, en dat kan ook heel mooi en zedelyk wezen, en dat +noemen ze dan by voorbeeld... 'n _opera_. En heel veel fatsoenlyke +menschen gaan er heen. Uwe ziet, moeder, dat daarin niets onzedelyks +is, en dat men niet zoo bekrompen moet zyn, en alles zoo terstond +afkeuren. By de oude Grieken speelden ze ook komedie, en daarin +studeeren nog tegenwoordig onze eerste professers. + +--Is 't mogelyk! + +--Ja, moeder. Al die prenten van Wouter zyn genomen uit wezenlyke +stukken, en 't zyn heele geschiedenissen. Ik kan nu zoo op-eenmaal +niet alles vertellen, en wil maar zeggen dat er ook goede komedies zyn. + +--Dàt moet ie dan toch eens aan juffrouw Laps vertellen! Zy, zegt +altyd... + +--Wat _zy_ zegt! 't Mensch heeft nooit 'n komedie gezien. + +Dit was wel waar, maar de heele Pietersens-familie was op dit stuk +geen haar breed verder. Slechts Leentje misschien... + +--Daar heb je 't! riep de moeder. Ze zal dien donderdag avend in +de komedie geweest zyn... want het was 'n donderdag... zoo zieje, +hoe dan toch _obboedekon_ alles aan den dag komt! [18] + +Een geheimzinnige zaak nu was 't geweest, dat Leentjen eens 'n +achtermiddag verlof had gevraagd wegens "schrikkelyke hoofdpyn"--by +burgerluî is elke pyn terstond _schrikkelyk_--en... er was later +gebleken dat ze den avend van dien dag niet by haar moeder thuis was +gebleven. Den storm die hierdoor werd opgewekt, kan ik overslaan, omdat +de goede Virgilius dien voor my beschreven heeft: _quos ego_... en +_ite, deae pelagi_! Gut, wat de tritons zich weerden... Trui, Mine, +Petró! En Aeolus, de brave Stoffel! Alles blaasde braafheid, en +'t Ryk der ondeugd sidderde. + +--Als 't schepsel dan in-godsheerennaam maar zeggen wou waar ze +geweest was, kermde de moeder. Ik kan toch geen _sichetten_ over den +vloer houden, die den nacht hebben doorgebracht... god weet waar! + +Den nacht? Dit stond juffrouw Pieterse heel leelyk! Die vervloekte +liefdeloosheid der hyperbolen! Den nacht? + +Ze wist beter dan gy en ik, lezer--want ze had het van Leentje's +moeder, die er niet om jokken zou--dat de stumpert "heel bedaard +zoo tegen elven was thuis gekomen onder begeleiding van de +kleermakers-juffrouw van hier-naast." + +Den nacht? Den nacht? + +Wàt toch, om 's hemels wil had de onbehagelyke Leentje met haar nachten +kunnen uitvoeren? 't Viel het onnoozel meiske reeds moeielyk genoeg, +niet groots te worden op de hoogdravende verdenking. Ach, wat had er +veel anders moeten zyn, voor ze 'r aan denken kon iets te gebruiken van +de massa deugd die by haar braak lag! En dat wist juffrouw Pieterse ook +wel. Ze schoof dien problematischen nacht maar tusschen de dithyramben +van haar verontwaardiging, om de delinkwente te dwingen tot bekentenis. + +Maar Leentje was taai en verklapte niets. Ze had geheimhouding beloofd +aan de kleermakers-juffrouw, die zich "zoo in-acht moest nemen voor +de menschen, omdat haar man 'n _nieuwlichter_ was." + +Deze zaak was verheven tot rang van mysterie. En de belangstelling nam +toe, toen men in Leentje's naaidoosjen 'n afgescheurd stuk vond van +'n "personen-" lystje. Ook had men Leentje betrapt op 't neurien van +'n lied dat voor 't eerst uit haar mond gehoord werd, en duidelyk +heenwees op onbekende relatien. Het was de roerende aria: "'k bèn +vol eer, 'k bèn vol eer, ziet ik ben d'r 'n man vol eer!" + +En nu eindelyk was, na Stoffels bekeering tot het tooneel, 't plechtig +oogenblik aangebroken, waarop al die duisternissen zouden worden +opgehelderd. Leentje werd geroepen, en viel door de mand. + +Ach ja, ze had "de komedie" bezocht, en wel die van den befaamden +Jan Gras, den toenmaligen Apollo van de _Elandstraat_. + +Ik ben daar nooit geweest, maar wel herinner ik me, met welken eerbied +ik sommige schoolmakkertjes aanzag, die over dien tempel der Muzen +wisten meetespreken. + +'t Spreekt vanzelf dat Leentje begon te schreien. Ze meende iets zeer +verschrikkelyks geopenbaard te hebben en wilde juist beloven dat ze +'t nooit weer zou doen, toen ze tot haar verwondering vernam "dat er +volstrekt geen kwaad stak in zoo'n uitspanning, en dat de grootste +professers wel eens daarheen gingen... + +--Né, moeder, dàt heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat onze Grieksche +professers... + +--Nu, dat's hetzelfde, riep juffrouw Pieterse. Ik bedoel maar dat 'n +mensch zich wel eens veramuseeren mag. En zeg me nu eens _fransiman_ +wat je daar zoo al gezien hebt. + +Leentjen aan 't vertellen. Wouter legde z'n penseel neer. Petrò's +strykyzer werd er koud van. Ook Stoffel luisterde, en wel met de +eigenaardige uitdrukking van iemand die heel nieuwsgierig is, doch niet +wil laten merken dat-i wat nieuws hoort. By elke zinsnede uit Leentjes +mond, zette hy 'n gezicht alsof-i zelf dat even goed zou hebben +kunnen vertellen, als-i 't maar niet zoo druk gehad had met z'n pyp, +en hy keek z'n moeder aan met blikken die haar sommeerden te erkennen +dat-i dit alles vooruit had geweten. De wereld is vol Stoffels. + +Het spreekt vanzelf dat Leentjen en de kleermakers-juffrouw waren +onthaald geworden op "De Onechte Zoon" van Kotzebue. Hoogstens was er +kans geweest dat ze "_Menschenhaat en Berouw_" of "_De dood van Rolla_" +als eersteling plukte op den akker van haar tooneel-ondervinding. Maar +die "_Onechte Zoon_" gaat voor. Er is meestal 'n hysterisch element in +de uitspattingen van burgerlyke styfheid, en de kleermakers-juffrouw +die aan nieuwlichtery getrouwd was, en sedert jaren op den sprong stond +eens van de wereld te snoepen, had geen weerstand kunnen bieden aan +de aanlokkelyke onechtheid van dezen titel. Kotzebue was 'n _faiseur_ +die z'n zaak verstond. Geen van z'n stukken maakte dan ook zooveel +opgang als dat fameuse "_Kind der Liebe_." Of deze benaming aanduidt +dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten beschouwen als +voortbrengsels van haat of onverschilligheid, durf ik niet beslissen. + +Ziehier iets van Leentje's verhaal. + +--Eerst was er muziek, juffrouw, en ze speelden heel mooi, en toen +'t scherm opging was er 'n groot bosch, en 'n vrouw zat te huilen +onder 'n boom, en er was 'n baron die haar zoon gevangen nam omdat-i +'n jager was, en toen moest-i in de gevangenis, en hy heeft toen +heel mooi gesproken, en de moeder ook, maar de baron zei dat-i heer +en meester op z'n land was, en de gauwdieven straffen zou, en hy was +woedend van kwaadheid, en toen zei de moeder... neen, er kwam 'n ander +die zei... neen, zoo was 't ook niet, maar toen viel de gordyn weer, +en de kleermakers-juffrouw kocht wafelen die rondgeprezenteerd werden +in de zaal door arme jongetjes, en we hebben chocolaad gedronken, +omdat de kleermakers-juffrouw zei dat 't alle dagen geen kermis +was. En er zat 'n heer achter ons, die alles uitlei, en die de kopjes +van ons aannam toen ze leeg waren. Ook zeid-i dat de menschen hier +zoo mooi speelden, en dat er maar één komedie van Jan Gras was, +en de kleermakers-juffrouw heeft 'm 'n pepermuntje geprezenteerd, +maar hy zei dat we-n-'ns moesten kyken naar 't scherm, omdat daarop +allerlei geschilderd was, groote beelden in 'n wolk, en bloemen, en +'n man die op 'n instrument speelde, en er vlogen engeltjes om-heen +... snoepig! En de muzikanten speelden weer, maar begryp nu eens wàt, +juffrouw? Ze speelden: _mooie meissies, mooie bloemen_... + +--Foei, riepen de drie gratiën. Zoo'n gemeene straatdeun! [19] + + + + + + + Vervolg: _Onechte Zoon_, gekompliceerd met 'n _echt_ zilveren + doosje, _onechte_ eerlykheid, _echte_ naïveteit van _Leentje, + onechte_ bravigheid der juffrouwen _Pieterse_. + + +--En toen ging de gordyn weer omhoog, juffrouw, heelemaal vanzelf, +maar de heer die achter ons zat, zei dat het gedaan werd door menschen +die men niet zien kon, misschien wel door den onechten zoon, want +zeid-i, zoolang de gordyn neer was, zat-i niet in de gevangenis, +en mocht heen-en-weer loopen net als 'n ander. En toen prezenteerde +de kleermakers-juffrouw hem weer 'n pepermentje, maar hy zei: "kyk +nu liever naar 't stuk, juffrouw, want je bent hier nu eenmaal voor +je geld." We hadden twaalf stuivers betaald ... twaalf stuivers de +man, weet u, buiten de wafels en de chocola. En toen zei de baron +... och, uwe begrypt, ik kan alles nu zoo precies niet vertellen. Ik +wil maar zeggen dat die oude vrouw gedurig huilde, en niet tot +bedaren komen kon, omdat ze zoo ongelukkig was. Want, juffrouw, +begryp eens, die onechte zoon was haar eigen zoon, en hy was ook +'n onechte zoon van dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee +inzaten ... omdat-i 'n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht +kon. En papieren had-i ook niet, en de moeder ook niet. En daarom +zoud-i nu sterven ... omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut, +het was zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we +namen nog 'n wafel. En toen zei die heer achter ons, dat er altyd +zooveel slecht volk in de zaal was ... zakkenrollers, weet u? En 't +was heel goed, zeid-i, dat men stukken speelde met 'n gevangenis er +in, om de menschen te waarschuwen tegen slechtigheid. Want, zeid-i, +eerlyk duurt het langst. En toen wou juist de kleermakers-juffrouw +hem weer 'n pepermentje prezenteeren, maar ... och, ze schrok zoo, +want haar doosje was weg. En we zochten in onze zakken, en op den +grond, en in onze stoven, en we zochten overal, want ze had het van +haar peetemoei ... en dus, uwe kunt begrypen hoe 't mensch ontdaan +was. En we vroegen aan den heer achter ons, of hy ons ook zeggen +kon wie 't gedaan had? En hy vroeg of 't doosje van zilver was? Ja, +zei de kleermakers-juffrouw, 't was van echt zilver, en ... dat ze +'t van 'r peetemoei had. En toen vroeg-i of 't glad of geribd was? En +de juffrouw zei dat het geribd was. En toen zeid-i dadelyk dat het dan +zeker gestolen was door 'n zakkenroller, maar hy kon niet zeggen door +wien, omdat er zoovéél in de zaal waren, zeid-i. Maar anders... 't +was zeker door 'n zakkenroller gedaan. + +--Hyzelf kan 't wel gedaan hebben! riepen 'n paar toehoorsters. + +Leentje was verontwaardigd, en wees die verdenking met drift terug. + +--Neen, juffrouw Sertrude, zeg uwe zoo-iets niet! Dat's zonde! 't Was +'n allerfatsoenlykste man, dat kan _ik_ u zeggen! Den heelen avend +is er geen onvertogen woord over z'n lippen gekomen en hy noemde my +"juffrouw" zoo goed als de kleermakers-juffrouw zelf! En hy is zelf +opgestaan om den dief te zoeken, en hy vroeg waar de juffrouw woonde, +en als-i 't doosje vond, zeid-i, zoud-i 't haar terugbrengen. Hy had +'n wit piqué vest aan, met paarse bloempjes... och, hoe kan uwe zoo +iets zeggen! + +--Nou, ga maar voort met je _Onechte Zoon_, eischte het Publiek. + +--Gut, juffrouw, de muziek was zoo mooi! En als ze speelden, was er +'n heer, die met 'n stok wees hoe de wys was. Maar er werden veel wyzen +gespeeld, die ik nooit heb hooren zingen, en dus niet navertellen kan. + +--Maar vertel dan toch van 't stuk! + +--Ja, ziet u, dat 's zoo makkelyk niet! 't Was heel mooi, maar er zyn +zoo van die dingen die men zelf moet gezien hebben om ze te begrypen, +want ik kan niet alles zoo nadoen. De baron merkte dat die jager +in de gevangenis z'n eigen zoon was, omdat-i eens... in vroeger +tyd... kennis had gehad... weet u... + +Er heerschte 'n sterke spanning onder Leentjes auditorium. Al de +hoorders hygden naar de door den titel beloofde onechtheid, en Leentje +wist geen raad met 'r vertelling. Ze werd vuurrood. + +--Hy had die oude vrouw vroeger gekend, en toen was-i met haar +in... konversatie geweest, zal ik nou maar zoo 'reis zeggen, +en ze zouden getrouwd zyn, maar... er was iets tusschenbeide +gekomen... en... daarom heet het stuk de _Onechte Zoon_... + +Wouter luisterde met evenveel inspanning als de anderen, maar z'n +verbeelding was rustiger. De beurt was nu aan de meisjes om de teugels +lostelaten van háár fantazie. Ze keken voor zich. De nuchtere Stoffel +kende 'n paar boekenfrazen van-buiten, die hy hier te-pas bracht. + +--Juist! Hy had hare onschuld misbruikt--zoo wordt zulks genoemd--en +daarna haar ten-prooi gelaten aan de schande. Ik kan u niet genoeg +zeggen, moeder, hoe de jeugd zich daarvoor moet in-acht nemen. Ik zeg +'t de jongens alle dagen op m'n school... + +--Hoorje 't, Wouter? Let daar 'ns goed op, en onthoud wat Stoffel zegt. + +Toen Stoffel merkte dat z'n kommentaar in den smaak viel, ging +hy voort: + +--Juist, moeder! De deugd moet geëerd worden. Dat is Gods wil, en wat +God doet, is welgedaan. Onder alle zonden is de wellust... 'n zeer +groote zonde, omdat God het verboden heeft, en omdat alle zonde hier +of hier-namaals gestraft wordt... + +--Hoorje 't, Wouter? + +--Hier of hier-namaals, moeder! Gepaste vreugd màg wel, maar +ongeoorloofd zingenot is... niet geoorloofd. Dat rukt alle banden +van de menschelyke Maatschappy... uwe ziet wel, dat zoo'n komedie +heel mooi wezen kan, als men 't maar goed opvat, en alles behoorlyk +weet uitteleggen. Dàt is het maar! + +--En hoe liep het toen af met dien baron? + +--Wat zal ik u daarvan zeggen, juffrouw! Hy heeft veel gesproken, +en was erg bedroefd omdat hy eens... die oude vrouw... + +--Verleid had, viel Stoffel hulpvaardig in, daar Leentje 't ware woord +niet vinden kon, of niet noemen durfde. Men noemt zulks verleiden. + +--Ja juist, zoo zei dat mensch ook. En hy beloofde haar dat-i 'r nooit +weer zoo-iets zou aandoen. En toen zeid-i tot den onechten zoon, +dat men altyd op 't pad van de deugd moet blyven, en dat-i met die +oude vrouw trouwen zou. Ze was er erg mee tevreden. + +--Dat geloof ik, riepen de drie meisjes, als uit één mond, en met +'n snelheid die verklapte waar eigenlyk 't zwaartepunt ligt van +sommige zedelykhedens. Dàt geloof ik graag, riepen ze, toen werd ze +'n ryke barones! + +--Ja, zei Leentje, ze werd 'n groote dame. En de onechte zoon +viel den baron om den hals, en toen speelden ze 't "_Kamertje van +'n Waschmeisje_" en de zoon was huzaar, en zong: "_'k bèn vol eer, +'k ben vol eer, zie ik ben d'r 'n man vol eer!_ Maar waar de oude +baron gebleven is, weet ik niet. En toen zyn we naar huis gegaan, +maar de kleermakers-juffrouw had geen pleizier meer, omdat ze haar +doosje kwyt was. Of die heer 't haar nog thuis gebracht heeft, zou +ik de juffrouw niet kunnen zeggen. + +Hier was de vertelling uit. + +De meisjes dachten: barones! + +Stoffel: de deugd! + +De moeder: twaalf stuivers "de man" buiten wafels en chocolade! + +Wouter: die jager! ik zou wel zoo'n jager willen zyn in een bosch... in +'n heel groot bosch... heelemaal alleen... + +Hy nam z'n penseel op, en zag Ophelia aan: + +...heelemaal alleen in 'n groot bosch, met... Femke! + +Zoo had ieder z'n byzondere indrukken, die niet alleen onderling +verschilden, maar ook in dezelfde persoon telkens verwisselden +van kleur. Kotzebue zou vreemd hebben opgezien, als-i Leentje's +verhaal gehoord had. Vreemder nog, wanneer hy had kunnen weten wat +het achterliet in de gemoederen van haar hoorders. Deze verwondering +zou trouwens het deel zyn van èlken kunstenaar, die 'n blik sloeg +in de gemoederen van z'n publiek. Gelukkig ditmaal dat er aan +Kotzebue's fabrikaat niet veel te bederven viel. Of de uitwerking +van z'n effektstuk op de gemoederen van Leentje's auditorium ook zoo +onschuldig was, zou ik niet durven verzekeren. De meisjes berekenden +dat het "verleiden" op zichzelf nu juist zoo heel erg niet wezen zou, +als men maar zeker was dat zoo'n baron... tenlaatste... en niet àl +te laat... + +Er zou, meenden zy, 'n niet onaardige _carrière_ te vervaardigen +zyn uit 'n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen. 't +Mutsenmaken was er niets by. + +Petrò vroeg met gemaakte onverschilligheid, hoe oud de huilende vrouw +zoo ongeveer kon geweest zyn, en voelde zich versterkt in haar deugd, +toen Leentje heel onnoozel antwoordde: + +--Zoo tegen de zestig, juffrouw... + +Deze _Odyssee_ der bedelende gewezen onschuld kwam Petrò wat lang +voor. Maar 't "mutsenmaken" stond haar weer erg tegen, toen Leentje +voortging: + +--Tegen de zestig, toen ze onder dien boom zat. Later, toen de baron +terugkeerde tot de deugd, en haar trouwen wilde, fleurde ze erg op. Ze +kan toen zoo-wat 'n goeie veertigster geweest zyn... + +"Dat vervloekte mutsenmaken!" riep... geen van de diep nadenkende +meisjes, maar ze dachten 't. + +In één opzicht was de heele familie 't eens. Ieder wilde gaarne ook +eens zoo'n "komedie" zien. Maar juffrouw Pieterse zei dat de kosten +haar "begrootten." En dit werd nog erger, toen Stoffel 'n booze tyding +thuis bracht over den "troep van Jan Gras in de _Elandstraat_, waar +geen fatsoenlyke familie zich vertoonen kon." Dit was hem verzekerd +door iemand die 't wel weten kon, want hy was 'n bloedneef van den +rol-uitschryver by den grooten Schouwburg op 't Leidsche Plein. Dàt +was de ware komedie! + +--Verbeeld u eens, moeder, die is van de stad, en de Burgemeester zelf +zoekt de stukken uit... om de zedelykheid, weet u. En begryp eens, +als er in zoo'n stuk staat: "o God!" dan verandert de Burgemeester +dit in: "o hemel!" omdat het niet te-pas komt, van onzen-lieven-heer +te spreken in 'n zaal waar ook wel gedanst wordt. Want... gedanst +wordt er ook, moeder. Maar als wy er eens heen gaan, kunnen we best +'n stuk afwachten waarin niet gedanst wordt, en dat heelemaal is +nagezien door den Burgemeester... [20] + + + + + + _Laps_ versus _Pennewip. Wouters_ embryologische studiën. + + +De groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen +geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de +physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter, +noch de filosoof, noch de staatsman. Ze staat voor politie en justitie +te hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is _onpoëtisch_. + +Ik zou waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar den +stipten zin dien _ik_ aan al die benamingen hecht. Doch als men met +de dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze waarschynlyk geen +verdediging noodig hebben. Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis +zag ik de moeielykheid in, den lezer belangstelling inteboezemen voor +'n romanheldje dat, by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk +geen behoorlyk heldje wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste +geweest zyn, die zich voor zooiets uitgaf. En juist dááronder leed +hy. En hoe hy in z'n gedachten dat ondichterlyke van z'n toestand +noemde, kan ik niet zeggen. Hyzelf had er evenmin 'n benaming +voor. Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam +'t hem niet in den zin, zich aftescheiden van z'n omgeving, veel +minder nog zich daartegenover te stellen. + +Behalve door z'n zeer onbestemde begeerte om iets meer van al die +poppen te weten, voelde hy de eigenaardige ontevredenheid die hem +kwelde, 't smartelykst als er diligences of reiskoetsen voorby z'n +venster reden. Dat _vice-versa_ en _sauvegarde_--zóó stond er op +de postwagens in zyn tyd--kwamen hem voor als tooverspreuken die hy +wel niet begreep, doch waarachter gewis iets zeer belangryks schuilen +moest. En die reizigers! Hoe voornaam, zoo van-verre te komen, van héél +ver, misschien wel van Rotterdam! En zou ieder nu precies weten waar-i +wezen moest, en wat-i daar te doen had, zonder broer Stoffel? Zoo'n +koetsier, en de man die naast hem zat met 'n trompet... och, die +menschen waren toch ook eenmaal kinderen geweest! Hoe hadden ze 't toch +aangelegd om 't zoo ver te brengen? En hoe of ze 't wel maakten met de +roovers? Of zouden die alleen in Italië zyn? Dat zou toch jammer wezen! + +Hy was nu geheel hersteld, en wachtte slechts op de nieuwe broek en de +verdere nieuwigheden die z'n moeder voor hem liet vervaardigen uit de +afgelegde kleedingstukken van z'n broer, om 't voorgenomen bezoek by +den dokter te maken. Te-gelyk met nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze +was zeer verontwaardigd, dat men op 't punt stond: "den medicynmeester +meer eer te geven dan den Heere." Wouter moest eerst z'n kerkgang doen, +zei ze. Dat stond in de Schrift! En als-i 't niet deed, zou de Heer +z'n koninkryk vàn hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op rekenen. + +--Gut, mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat ook, zei de +moeder, maar... we zyn ver van zondag, en omdat nu de blauw-lakensche +broek van Laurens zoo netjes "ingenomen" is... + +--Dat zyn juist de wereldsche dingen die 'n mensch van 't ware pad +leiden, betuigde juffrouw Laps. + +--Maar zou dan nu 't kind vyf dagen thuis moeten blyven, alleen +omdat-i nog niet in de kerk geweest is? + +--Wat beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is wel +veertig dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten... denk +eens! En al dien tyd zonder eten... dat's wat anders! Geloof me, +juffrouw Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen door +Laurens z'n broek. Maar 't is netjes gedaan, dat moet ik zeggen. Wat +vraagt de man er voor? + +Gedurende 't nu volgend gesprek over de handigheid van den kleermaker, +zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er wel zin in. Het kwam +hem zeer byzonder voor, en daarom belangwekkend. Eensklaps vroeg hy +aan juffrouw Laps, hoelang _zy_ in de woestyn geweest was? + +--Heb je van je leven... zoo'n kwajongen! Waar haalt-i de +ondeugendigheid vandaan? Neen, mannetje, ik ben nooit in de woestyn +geweest, en dat hoeft ook niet, omdat ik m'n godsdienst thuis doe, +weetje, en... om de andere tyden, zieje. De Heer leefde in 't Heilige +Land, en... 't is lang geleden. Jy met je malle vragen zoudt 'n mensch +verlegen maken. Ik blyf er by, juffrouw Pieterse, dat je verdriet van +den jongen hebben zult. 't Is je eigen schuld. Je had 'm al lang z'n +wyzigheid moeten verleeren. + +--Maar 't kind heeft niets miszeid, jufvrouw! + +--Zoo? Vindt uwe dat? Nu, _ik_ vind dan op myn beurt... + +We schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van 'r +verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat +grof bedrog zich niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit. Juffrouw +Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor Wouters +eenvoud. + +En zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog wel met +het beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te nemen. Stoffel zou +de komedie-veldtocht openen! De slimmert had zich van 'n bondgenoot +voorzien: hy trad de kamer binnen met... meester Pennewip! + +Na de gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op 't +onderwerp gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-onder te +brengen. Ze liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den aanval uit, +door flinkweg al wat naar 'n schouwburg geleek, tot zaken van de hel +te verklaren. + +--Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer +algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste +klasse. Myn jonge vriend hier--hy wees op Stoffel--heeft my uw +vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of... te kennen gegeven. En +het is juist hierom dat ik... + +--Dat moet je nu niet zóó opnemen, riep de moeder, alsof de meester +expres daarom hier gekomen was. 't Is maar, zieje dat Stoffel +by-toeval... + +--Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om over de +zaak te spreken. + +Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper +voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van +vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene. De +"zinnelykheid" kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne +de beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop +hy zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek +naar die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen +tot-i groot was. + +--Maar, meester uwe zal toch niet ontkennen dat zoo'n komedie 'n +wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps. + +Dit woord "wereldsch" heeft 'n booze klank, en Pennewip moest al z'n +onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z'n thema prys te +geven aan zoo'n aanval. + +--Zekerlyk... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar... ook wereldsche +zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbehoorlyke, in +dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken, die... die... + +--Dàt's niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd... dat zeg +ik maar! 't Staat in de Schrift! + +Het doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i by deze +gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En ook Stoffel +durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyk woord niet aan. + +Het ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een +zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van +'n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige +benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan +de redeneering waaruit ze voortsproot. De afgezaagde tegenstelling +van zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als: _wereld_, +_zinnelykheid_, _vleeschelyke begeerten_, enz. heeft die uitdrukkingen +tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich laat verschrikken, +al zoud-i dan ook overigens ontwikkeld genoeg zyn tot nagenoeg zuivere +redeneering. De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die +klanken zich 't denken heeft afgewend. Dit is ook van toepassing op +heel andere kringen dan die waarin Woutertje op dit oogenblik met +open mond zat te luisteren. + +Pennewip stamelde, en nam 't eene snuifje voor, 't andere na. De +goeie man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met offeren op +'t altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z'n vyand dacht er niet +aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou Pennewip op den weg +geholpen hebben om de zinnelykhedens te gaan verdeelen in klassen, +en haar te wyzen op de vreeselyke zonde die ze beging door 't slorpen +van haar sterk gesuikerde thee. + +Wat overigens dat "wereldsche" van den Schouwburg aanging, de man +scheen er niet aan te denken dat ook z'n school toch wèl beschouwd +'n wereldsche zaak was. En z'n pruik! En z'n dyvest! En z'n +neusknypertje. En... de heele juffrouw Laps zelf immers ook? Wat +ànders? + +Ach, hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer der +geloovery hadden z'n kracht gebroken. Z'n tegenvoetster begreep +dat ze aan de winnende hand was, en om hem te vervolgen tot in z'n +uiterste schuilhoeken: + +--Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester! Al +zulke dingen zyn verlokkingen des duivels... dat zeg ik! Daar heb je +nu by my in de straat, de juffrouw boven den spekslager... die heeft +ook op 'n komedie gespeeld--althans zoo zeggen de menschen--en ze is +getrouwd, laat zien... verleden Maart... zes maanden... reken maar +na meester--uwe ziet dat ik de waarheid zeg!--zes maanden, zeg ik, +en wat gebeurt er? Ze ligt in de kraam, meester, zoo zondig als ik +hier voor je zit... dat komt van dat vervloekte komedie-spelen! + +O, o, o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks +optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de +ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart, +of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit +alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de +moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten +beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde. Helder +was de zaak nog niet, vooral daar-i de zoo gretig afgeluisterde +inlichting in nauw verband bracht met Leentjes relaas over den +"_Onechte Zoon_." Ook daaruit was hem zekere verwantschap gebleken +tusschen de geboorte van 'n kind en komediespel, en omdat nu deze beide +onderwerpen gelykelyk schenen te deelen in den afschuw dien juffrouw +Laps ten-toon spreidde voor wereldsche zaken, lag het in de rede dat hy +ze vry onbepaald vereenzelvigde. Hoe dan ooit z'n moeder er toe gekomen +was zich aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar... ook dat +probleem werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer benieuwd +naar 't stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel? Of 'n komedie +met zang en muziek... 'n _opera_, zooals Stoffel dat genoemd had. Die +muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwerpelyk niet voor. Hy voelde +inderdaad iets in zich dat naar 'n synfonie geleek. Maar 't benauwde +hem, omdat-i te ongeoefend was om 't stuk te spelen. + +Juffrouw Laps ging voort: + +--Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrrristis-wil terecht komen +van zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè? + +Wouter werd angstig. De meester trok verlegen aan z'n pruik, +en mompelde iets van "christelyke liefde en Gods byzondere +goedheid." Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat +stuk. Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men +mocht niet nederzitten met de goddeloozen. En dat had de juffrouw +boven den spekslager gedaan! En daarom zei zy maar dat zoo'n komedie... + +--Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister of +eergister, viel juffrouw Pieterse in. + +--Dàt's mogelyk, maar ik hou me-n-aan de Schrift. En daarin staat +van geen komedie. [21] + +Wat Pennewip aangaat, hy durfde haar begrippen omtrent gewone komedies +niet aan, toen zy de zaak op 'n zoo verheven terrein bracht. Toch +was de man niet byzonder dom. Maar: geloof, schoolmeestery en +verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo'n cerberus van biologie? + +_Lapsen-triumf. Galgebrokken. Weldadighedens_ in extremis. _De roem +van_ Floris V _gestaafd door de verhevenheid van'n komma. Letterkundige +oefeningen onder de leiding van meester_ Pennewip. + +--Maar hebje dan wel ooit 'n komedie gezien? vroeg Pennewip, schoon hy +'t antwoord wel raden kon. + +Het mensch betuigde haar zondagsche verontwaardiging over 't +veronderstellen van zoo'n mogelykheid, en riep daarby duchtig haren +Heer aan. + +--Of gelezen? + +--Né, meester! Wat _ik_ lees, lees ik in de Schrift ... dat lees ik! + +--Voorzeker behoort de H. Schrift tot de klasse der alleruitstekendste +boeken ... jazelfs, men kan zeggen, Gods Woord _is_ het +alleruitstekendste boek. Dit zal niemand betwisten, juffrouw. Doch +het is den mensch geoorloofd, of ... vergund ... + +De meester haalde hier 'n boekjen uit den zak, dat-i voor de +gelegenheid had meegebracht, en betoogde dat men niet juist terstond +ieder als verdoemd behoefde te beschouwen, die ... nu-en-dan ... met +mate ... onder opzien tot hooger ... + +--Wel zeker, riep Stoffel, by my op school ook! De jongens lezen in +'n _Chrestomathie_ van 't _Nut_ ... + +--In wát voor 'n ding? snauwde juffrouw Laps. + +--In 'n _chres ... to ... ma... thie_, juffrouw. _C,h,r,e,s ... kres!_ + +--Of, volgens sommigen: _gggres_, kommenteerde de meester. _Krisius_ +of... _Gggristus_ ... + +--Dat zyn allemaal heidensche nieuwigheden! Ik zeg maar: Kristisss +... want zóó heet de Heer, en niet anders! Jelui zult me toch m'n +geloof niet willen afnemen? + +--Maar juffrouw ... + +--Ik wil er niets van weten! Dat komt van al die wereldsche +geleerdhedens! Wat zegt Paulis ... of neen, wat zeiën ze tegen +Paulis? Ze zeiën dat-i gek was van geleerdheid. En zóó is het! Want +ik zeg: Kristisss is Kristisss, en daar ga ik niet af, al ging jelui +op je hoofd staan met je beîen. En voor Wouter is 't ook niet goed, +juffrouw Pieterse, dat-i zulke praatjes aanhoort, 't Kind is pas +ziek geweest, en als de Heer hem niet gespaard had, zoud-i nu al voor +'t Gericht staan ... zoodat ik maar zeggen wil, dat ik vasthoud aan +m'n geloof. Maar als-i uitgaat, moet-i 'ns by me komen, dan zal ik +hem eens onder-handen nemen, want met z'n kathechizatie zit het er +dun op. Dat heb ik al lang gemerkt. En nu, dankje voor je koppie +thee, juffrouw Pieterse ... né, meester, geen woord meer ... 't is +zonde! Verlokken laat ik me niet ... ik blyf by den Heer ... nou, +stuur 'm eens by me--Wouter meen ik--als-i uitgaat. + +Onder dit gerammel was 't schepsel opgestaan, en ze vertrok, met +overwinnaarsblikken 't slagveld overziende, waarop ze zooveel roem +meende behaald te hebben. + +Juffrouw Pieterse was niet tevreden met den uitslag van den +veldtocht. Ze had van haar beide maarschalken meer verwacht. Pennewip +en Stoffel beweerden dat juffrouw Laps te dom was voor 'n behoorlyk +debat. Wie zal dit ontkennen? Maar 't was de eenige reden niet. Ze vond +in haar steil _entiérisme_ zekere kracht, die haar tegenstanders niet +konden putten uit het al te flauw bewustzyn dat er iets kon bestaan, +wat naar gezond verstand geleek. Ze zou dan ook met behulp van +haar frazeologie de overwinning behaald hebben op veel ontwikkelder +vyanden nog, dan ze zoo-even uit het veld sloeg. De eerste pogingen +tot overgang van volstrekt geloof tot onafhankelyk nadenken, werken +verlammend, en het is niet te verwonderen dat zoo weinigen de kracht +bezitten, zulke pogingen doortezetten tot het uiterste toe. Zeker +is het, dat deze kracht niet kon gezocht worden by den ouwerwetschen +Pennewip en den bekrompen Stoffel. [22] + + + +En wat heeft uwe daar dan voor'n boekje? vroeg juffrouw Pieterse. + +--Het is een voortbrengsel, of anders gezegd: een werk van een +onzer eerste vaderlandsche dichters, sprak Pennewip met plechtigheid, +jazelfs... ik zou durven zeggen van den eersten of... den voornaamsten, +ook wel de Vorst der nederlandsche dichteren genoemd. Hy is 'n man, +juffrouw, die in godzaligheid voor niemand behoeft uit den weg te +gaan. In den vollen zin des woords zou ik hem durven rangschikken +onder de Belyders. Dit boek, juffrouw, bevat eene komedie, en wel van +de soort die wy gewoon zyn treurspelen te noemen... omdat er iemand +in sterft. + +--Zieje, moeder, precies wat ik uwe altyd gezegd heb, reklaamde +onze Stoffel. + +--Ja, juffrouw, daar wordt in gestorven. Ziehier op 't laatste blaadje +zekere Machteld... _"dank, Hemel, ik bezwyk_" zegt ze, en ze stort +neder op 't lyk van Floris... ah ja, die Floris zelf is ook dood. 't +Is inderdaad een treurspel. + +Zie slechts hier. Hy overleed vier regels vroeger aan de gevolgen +van een groot verraad... en... en... + +Meester bladerde. + +... op deze bladzyde, of pagina, sterft er ook een. "_Graaf, +vaarwel! Gedenk my met gebeden! (hy sterft.)_" staat er. Uwe ziet +dus wel dat het een treurspel is. + +--Net wat ik zei, moeder! + +--Ja, 'n treurspel! En wel van 'n dichter, juffrouw, 'n dichter... hoor +eens: + + +Woerden (_de hand aan den degen slaande_). +Zoo straff' de Hemel my...! + Velzen (_hem weerhoudende en op Floris toeschietende_). + Laat my hem 't hart doorstoten! +De Edelknaap (_tusschen beiden schietende met uitgetogen' degen, +en Velzen een' stoot op het harnas toebrengende_). +Sta, Moorder, neem de proef...! + Velzen (_dezen den opgeheven' dolk in de borst dryvende, + die er in zitten blyft_). + Lig daar, vermeetle wulp! + + +--Wat zegt uwe dáár van? vroeg de meester. + +Alles was 'n oogenblik stom van verbazing. + +--Ja, zei eindelyk Stoffel, en alles zoo krek met staande en liggende +regels. "Wulp" stáát weer, zieje Wouter? + +'t Kind had den moed niet, te vragen wat 'n _wulp_ was? Gelukkig. + +In 't voorbygaan hoop ik dat de lezer aandachtig genoeg is om me 't +kwalyk te nemen dat ik aan Stoffel 't woord: _krek_ in den mond leg, +omdat het alleen by boeren, en dan nog slechts in sommige streken van +ons landje gebruikelyk is. Welnu, dit is niet altyd zoo geweest. In +den tyd van m'n verhaal was de uitdrukking: "_Correct_" wel reeds +gedaald tot de sfeer der Pietersens, maar nog niet voorgoed naar +'t land verhuisd. + +Pennewip keurde Stoffels opmerking volkomen goed, en zei dat men zóó +de voortbrengselen der letterkunde moest genieten... + +--Let daar dan goed op, Wouter, vermaande de moeder. + +--En méér nog, juffrouw, ging de meester voort. Om de ware grootheid +van zoo'n dichter goed te beseffen, moet men vooral bedreven zyn +in... de taal. De kunde van zoo'n man is verbazend. Al wat ik aan +myne voedsterlingen, leeraar, of... onderwys, of... inprent--want +leerären is zooveel als onderwyzen, juffrouw. Ik zoude ook vryheid +gehad hebben te zeggen, alle zaken waaromtrent ik mynen leerlingen +onderricht mededeel--nu, juffrouw, dat alles is hem tot in de fynste +byzonderheden bekend. De man kon gerust eene school opzetten... niet +dat ik hem dit aanraad--de verdiensten zyn gering, juffrouw!--doch +ik bedoel slechts dat dezelve de daartoe noodige bekwaamheid wel +bezitten zoude. Zoolang ons Vaderland zulke personen in deszelfs +boezem draagt... + +Het heele gezelschap was één poging tot verbaasdheid. Stoffel knikte +tevreden, alsof er nu eens eindelyk wat verkondigd werd, dat de moeite +van 't aanhooren waard was. Al de anderen, op Wouter na, steunden op +elkaar. Zoo gaat het meer. We hebben hier 'n vry juist model van _'t +profanum vulgus_ voor ons. + +Toch verstoutten zich de gelaatstrekken van Pennewips publiekjen, +iets vragends uittedrukken. Een beetje opheldering scheen niet +ongewenscht. Het was alsof men stilzwygend beloofde dat de bewondering +er niet onder lyden kon. Men scheen niet te vragen: waarom moeten we +dat zoo mooi vinden? De bedoeling was: mooi-vinden zùllen we... help +ons maar aan 'n reden! + +Nu, die reden zou Pennewip leveren: + +--Zie eens hier, juffrouw! Ik weet wel, of liever, ik kan gissen +of... veronderstellen--volgens sommigen: vóóronderstellen, omdat het +'n onderstelling is die de zekerheid als 't ware voorafgaat--ik +kan dan als nagenoeg uitgemaakt aannemen, dat uwe zich in den +regel, of... gewoonlyk, of... wat men zou kunnen noemen: dagelyks +en... uitsluitend, niet bemoeit met deklinatien... + +--Gut né, meester! + +...ook wel genoemd: verbuigingen. Maar uwe zult toch wel begrypen, +of inzien, dat alles om 't zoo eens uittedrukken deszelfs eischen +heeft, niet waar? + +Juffrouw Pieterse betuigde met 'n hoofdknikje dat zy de gegrondheid +van deze meening volkomen inzag of... begreep. Pennewip scheen dit +zeer verstandig te vinden, en ging voort: + +--Ziet uwe daar die komma wel, of... juister gezegd die... _apostrofe_? + +--Jawel, jawel, meester, riep juffrouw Pieterse, o zeker, zeker, +ik zie 'm heel goed. Kyk jy ook eens, Trui! + +--En dáár staat er nog een, ging Pennewip voort. Laat de andere +juffrouw ook eens zien. + +'t Boek ging rond. Juffrouw Pieterse was bly dat de inspanning tot +begrip, die weldra van haar zou geëischt worden, 'n beetje verdeeld +werd over 't heele gezelschap. Om de verantwoordelykheid nog wat +verder afteleiden, betrok ze ook Wouter in de zaak. + +--Laat het kind toch ook 'ns zien! Hy is er net in de jaren voor. Kyk +nu goed, Wouter! Een jongen als jy moet altyd probeeren wat te +leeren. Zieje 'm nu wel, die... die... hoe heet het ook, meester? + +--Wat de gedaante aangaat, juffrouw, zoude men het eene komma kunnen +noemen, doch ten-gevolge der eenigszins verheven plaats waarop de +zeer kundige schryver dat teeken zette, ontvangt hetzelve de kracht... + +Wouter tuurde in 't boek, en was verdrietig over z'n domheid. 't +Mocht hem niet gelukken iets schoons te zien. + +... de kracht of de beteekenis of de strekking... + +Wouter wreef z'n oogen uit, en kon maar niet aan 't genieten raken. Hy +was te eenvoudig-oprecht om verbazing te toonen die hy niet voelde. + +--Het onleent aan z'n verheven plaats de strekking, ging meester voort, +om de hoofdeigenschap diens uitgetogenen degens te verklaren. Die +degen is vierde naamval, juffrouw! En dit is almede de eigenschap +des opgehevenen dolks. + +--Precies! riep Stoffel. + +--Vierde naamval! De kundige dichter... + +--Kyk dan toch in 't boek, Wouter, en luister goed, riep de +moeder. Zieje 't nu? + +--'t Is 'n afsnydingsteeken, riep Pennewip. En waarom? Wat doet de +Edelknaap? Hy schiet tusschen-beiden. + +--Zie je 't nu eindelyk, Wouter? + +'t Kind staarde op het boek, en werd bleek van verdriet, en begon +te beven. Och, het was dan wáár, wat men altyd zeide, dat er van hem +nooit iets zou te-recht komen! Hy voelde zich wanhopig. + +--De Edelknaap schiet tusschen-beiden... waarmee? Waarmee, juffrouw? + +Juist! Waarmee... waarmee... komaan, Wouter, zeg jy nu eens, waarmee +die... hoe heet-i ook? + +--De Edelknaap. De vraag is, gelyk ik u reeds zeide, waarmee schiet +hy tusschen-beiden? Waarmee? waarmee? + +Alles zweeg. + +--Ik zoude myne vraag dan aldus kunnen inkleeden: +waardoor wordt "uitgetogen degen" taalkundiglyk +gesproken... geregeerd? Welnu? Door... mê... mê... mê... + +Al blatend monsterde hier onze Pennewip z'n auditorium op eigenaardige +wys. [23] + +--Mê... mê... wel nu, juffrouw, weet uwe 't nog niet? + +--Is 't iets van... 'n schaap, meester? + +--Geenszins, juffrouw. Het woordje _met_ behoort tot de klasse der +voorzetsels... + +--Precies, betuigde Stoffel. + +...en regeert alzoo--let wel op!--den vierden naamval. Die komma +of die apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed opmerken, +een afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aangaat... besef +wel, juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet bezig houde met +het vervaardigen van... poëzie, en dus geene aanleiding vinde iets +aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel? + +--Ja, ja, meester, o ja! Zie je 't nu eindelyk, Wouter? + +Met tranen in de oogen bleef 't kind verklaren dat-i niets van de +zaak gewaar werd. Het gebluf van de anderen op snel begrip, had hem +in den waan gebracht dat er in dat boekjen iets van die uitgetogen of +opgeheven moordtuigen te zien was, iets tragisch, iets heldhaftigs, +of iets van dien edelknaap althans. En nu de meester bovendien van +afsnyden begon te spreken: + +--Ik zal nooit iets leeren, jammerde hy. + +--Dan moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel je +wat uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achterlyk +geweest. _Senie_ in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan 't er +maar niet in krygen. + +Dit kon den meester nu minder schelen, als hy maar mocht voortgaan +met onderwyzen. Z'n bewondering over die fameuze afsnydings-teekens +was nog niet uitgeput. + +--Het zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden verdeeld +worden in mannelyke, vrouwelyke en onzydige? + +--Ja, meester, dat heeft Stoffel ook gezegd. + +--Juist! "Degen" is mannelyk, en "dolk" ook, dit begrypt u? + +--Wel zeker, dat 's heel duidelyk. + +En al de meisjes riepen: zeker, zeker! + +De meester had met welgevallen die gulle betuigingen aangehoord, +en z'n stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op z'n beurt +gelukkig te maken met 'n blik van goedkeuring. Z'n tevredenheid scheen +eindelyk domicilie te kiezen by de vrouw des huizes. Met schouder, +oog, duim en wysvinger trachtte hy haar in de ziel te grypen: + +--Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens "uitgetogen degen" juffrouw, +of--indien u dit misschien gemakkelyker mocht voorkomen--beproef eens +het te verbuigen. + +--Ja, ja, juist! Dat moet jeluî nu maar 'ns doen met je allen, +riep ze. En jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar, +meester? En ik moet abseluut na de keuken, anders laat ze weer de +gort aanbranden... want we eten gort, meester, en we hebben 'n nieuwe +meid. 't Schepsel weet van toeten noch blazen... 't is 'n gedoe! + +Onder dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk van +'t slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de rest van +z'n auditorium aan 't verstand te brengen hoe inkunstig de auteur van +het treurspel de uitgetogenheid van dien degen had weten te knotten, +zonder 't minste nadeel voor de ware taalkunde. Dáárin zat 'm 't fyne +van de zaak, zeide hy, en al de meisjes waren 't weer volkomen met +hem eens. Maar Wouter had 'n gevoel als iemand die op distelen kauwt, +en dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken. 't Ergste +was dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen, +bleef zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid. + +--Ook in konjugatien is de man een eerste meester, in konjugatien +of... vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys? + +De juffrouwen knikten. + +--Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys? + +"Zeker, zeker, heel partikulier!" schenen alle blikken te antwoorden. + +--Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? "_Zoo straff' de Hemel +my!_" Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een afsnydingsteeken +geplaatst, en gy ziet wel... + +--Daar wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er niet om +open te doen. + +Aldus retireerde zich juffrouw Sertrude. + +--Uwe dan, juffrouw. _Dat ik straffe, dat gy straffet... dat hy_, +of _dat de Hemel_... + +--Precies, zei Stoffel. Zeg jy 't nu eens, Petrò! _Dat de +Hemel_... welnu, hoe is 't verder? + +--De Hemel? Wel... de hemel? Daar gaat de groentevrouw voorby... ze +heeft me gister 'n zesthalf voor 'n schelling in de hand gestopt... + +Weg was Petrò. Ze verzaakte den "hemel" voor vier aardsche duiten, want +zooveel bedroeg 't verschil tusschen de twee muntstukken die ze noemde. + +En ook Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taalkundig +schoonheidsgevoel te bemantelen onder 'n overhaaste vlucht. + +Wouter torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouwhartig in om +te begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit gelukte redelyk +wel wat hun taalkundery aangaat, maar z'n begrip bleef steken in +'t verband daarvan met de treurspelkundige schoonheid die er uit +voortvloeide, naar 't zeggen van z'n meesters. + +Hy droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik +wakker. De onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van wat +allen anderen zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, pynigde hem +vreeselyk. Hy bad God om vergiffenis voor z'n domheid, en beloofde z'n +best te doen om even knap te worden als Petrò, als Trui, en zelfs als +Stoffel of Pennewip. Maar, als dit mislukte, of als 't soms te veel +gevergd was... dan verzocht-i God hem toch asjeblieft maar bekwaam +genoeg te maken voor bleekersjongetje. Dàt zou dan toch met eenige +inspanning wel gaan, meende hy. En als God z'n wensch niet al te +onbescheiden vond, zou hy van zyn kant dapper meewerken om 't zoo ver +te brengen... _dat ik straffe ... dat gy straffet... dat hy_... en +dan 't afsnydingsteeken, precies 'n komma, maar wat hooger. God kon +nu zelf zien hoe hy z'n best deed... _straffe... straff'_... komma +in de lucht... 'n bleekersjongetje... + +Zoo sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer 't een-of-ander teeken +z'n slaap afsnyden. Pennewip had eer van z'n taalkunde! + +De schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deugniet alle +toespeling op Femke in z'n gebedjes oversloeg. God mocht eens denken +dat-i om harentwil zoo bescheiden was. En ook hyzelf moest erkennen +dat-i liever koning was geworden--om Femke prinses te maken!--of +kondukteur van zoo'n diligence--om haar ver, vèr weg te brengen naar +'n vreemd land!--of roover... om z'n dame te omhangen met 'n snoer +van diamanten, en... op haar schoot te zitten in 'n grot. + +Nu ja, dat zou 't allermooist wezen, maar omdat dit nu eenmaal niet +kon, door z'n verregaande domheid... + +Neen, neen, hy zei van dit alles aan God niets in z'n gebedjes. De +Heer zal zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging van +den kleinen huichelaar, om hem 'n beetje te foppen in de waarde van +'t gevraagde. Zoo'n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen +zware post geweest zyn op 't budget van 't heelal, maar als de zaak +dreigde uitteloopen op den schoot van Femke... + +Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is, +en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden +heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor 'n vyand, +niet... _krek_ is, omdat juist de zachtmoedigheid van 't slachtoffer +de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten... + +'t Is te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in +_waarheid_, en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn, +dan de ruwaardy van 'n bleekveld. + +Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in +z'n gebedjes. God zal 't wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde +is godenplicht. + +Pennewip had de fameuze "komedie waarin driemaal gestorven wordt" in +den huize Pieterse achtergelaten. De juffrouwen stelden zich aan of ze +'t lazen, maar Wouter deed meer nog dan lezen. Met den ernstigen wil +om te begrypen, bestudeerde hy 't stuk. En dit gelukte hem tendeele, +maar hy slaagde volstrekt niet in de voorgeschreven opgetogenheid. Hy +bleef Glorioso mooier vinden. En 't peruaansch geschiedenisjen ook. En +zelfs dat arme _Roodkapje_. + +Om rechtvaardig te zyn jegens den auteur van dat sterfstuk, moeten +wy erkennen dat de manier waarop men hem by 't kind had ingeleid, +niet zeer geschikt was om de schoonheden te doen uitkomen, die +sommigen gewoon zyn de _dichterlyke_ te noemen. De meester had +door z'n taalkundige opmerkingen 't genieten vry moeielyk gemaakt, +en aldus in dezen kleinen kring vry nauwkeurig de rol vervuld die +onze scholen spelen in de klassieke litteratuur. We zouden van de +antieken meer geleerd en genoten hebben, wanneer ze ons niet waren +vergald geworden door skolastiek. + +Toch beweer ik niet dat het boekske waarmee men voorgaf Wouters +hongerige ziel te spyzigen, heel veel verloor aan dat vooropstellen +van komma's in de lucht en dergelyke merkwaardigheden. De auteur +verdiende niet beter. Pennewip zou 'n lofwaardig werk hebben gedaan, +indien hy met verontwaardigd sarkasme dezelfde zotternyen had voor +den dag gebracht, die nu slechts uitvloeisels waren van z'n nuchtere +schoolmeestery. + +De lezer kan reeds weten dat het werkje waarmee onze Wouter zich +moest bezig-houden, de meer of min bekende "_Floris de Vyfde_" van +Bilderdyk was. [24] + + + + + + Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve + en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in 'n paar bezoeken + die _Wouter_ byna niet aflegt. + + +Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze +gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: "alles was +zoo toepasselyk!" + +--'t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt. + +--Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z'n nieuwe broek scheurt. Er +moet zoo zuur voor gewerkt worden. + +Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want "zuur gewerkt" +werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar +huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde +uit pure liefhebbery. 't Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook +'t klagen daarover, of liever 't roemen op die bereddering, lag in +haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd +had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van 't Heelal. + +Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na +z'n kerkgang, was 'n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen +van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12, +en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw +Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist niet _alles_ +wat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen... + +--Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als 't ware geloof er maar is, +en ... de Genade! Waarom anders, m'n lieve mensch, zou de Heer die +verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen +door den H. Geest? Alles heeft z'n beteekenis, weetje! + +--Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ... + +--Dat 's 't ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur 'm eens by me, +na zondag. Of ... al wàs 't zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i +me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och +wat weet zoo'n kind daarvan! + +Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren +voor "geleerd" aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas +kwamen. "Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder 't begrypen +kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam +alles neer." Op den broodnyd na, die haar deze meening in 't gemoed +lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die +"Genade" zoo'n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen +zich weinig bekommeren over "goede werken" en zelfs niet erg opzien +tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster. + +--Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ... + +En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen +die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten. + +Wanneer wy aannemen--en dit mogen we--dat juffrouw Laps op 'n bezoek +van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe +kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde +napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat +m'n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En +... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster +in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male +afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch 't spreekt vanzelf dat-i dit +niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i 't wist, want de tyd +was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z'n aandoeningen +te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt! + +Instinktmatig voelde hy angst voor 't alleen-zyn met dat schepsel. Ze +was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah +noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël +... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze +zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien +hy den moed had gehad rond-uit te spreken, zoud-i haar verzocht +hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten +haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed +had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z'n moeder over +hem beschikte, en 't bezoek toezei. + +--En waarom ben je 'r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels +opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren. + +Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen +ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen +onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door 't aankweeken van +eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde +Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen +de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de +sympathie met z'n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was? + +Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd 'n uitvloeisel +wezen zou van 't _belang_. Aanvankelyk is ze, even als sommige +lichamelyke wanstaltigheden, slechts 'n gevolg van knelling. Een kind +dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt +beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen, +onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw +haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste +gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar +'t onbekende voort, naar 't verre--dikwyls naar 't onbereikbare--dat +mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op +gelyke wyze als het gezin en 't ouderlyk toezicht. "Dat mag niet!" en: +"dat is onbehoorlyk!" wordt er van alle kanten geroepen, zoodra +iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. "Hoe dwaas!" is terstond +het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan +men gewend is. De meesten gaan 'n wyden stap verder, en noemen 't +"misdadig" wanneer de eenling zich aanmatigt z'n individualiteit te +bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven. + +'t Gevolg is: _leugen_. Want de lust om zich te verzetten tegen +overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht! + +Opmerkelyk is 't dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt +uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden, +doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of +verlieten. Wie 'n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur +inloopt, vindt z'n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers +der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed +zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat 'n ander den moed +had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers +opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als +Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje +had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z'n +tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want: + +--Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. 't Is maar weer +omdat je 'n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt. + +Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter +veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem +te wachten stond ... och, 't leek niets naar 'n katechizatie! Hy werd +ontvangen met 'n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in +de war bracht. + +--Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang +uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres +voor jou! + +Ze drukte hem op 'n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen +toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem +streelde en liefkoosde. + +--En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich +aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te +onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd? + +--De tekst was... + +--Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst 'n paar +taartjes. 'n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola, +en 'n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je 'n lieve +jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe, +m'n jongen, en doe gerust of je thuis was... + +Nu, dit was eigenlyk 't ware woord niet om Wouter op z'n gemak te +zetten. Thuis! + +Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig +te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja +waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z'n moeder hem bevolen +had niet lang uitteblyven. + +Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar +Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i +zich door den vyand heenteslaan. + +Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer "eens zou terugkomen" +raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem 'n +onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor +hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans +bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z'n +tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z'n vertrek 'n kus had +willen geven, en dat-i zich door 'n snelle wending daaraan onttrokken +had. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte +hem 'n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den +overgang van waken tot slapen worden gestoord. + +En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden +van z'n spoedige terugkomst. + +Onwillekeurig richtte hy z'n schreden naar de aschpoort. Het was z'n +voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had +z'n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet 'n duidelyk +bewys dat-i by 't verlaten van z'n woning niet aan Femke gedacht had? + +En zelfs toen-i op den buitensingel z'n molens in 't gezicht kreeg... + +Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag? + +De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en +vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar +"kuierde." _Gewandeld_ wordt er door de zondagsmenschen eigenlyk +niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar +heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze "buiten" zyn, +omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten +hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of +schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan +op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen. + +Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke's +huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond, +die 't erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan, +en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld +van z'n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was. + +--O, als ik m'n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ... + +Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou +geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets +te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke's moeder hem vroeg: +"maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen? + +Wy, schryver en lezer, _wy_ zouden misschien kunnen antwoorden. En +'t is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van 't +kind dat daar weifelend stond te leunen op 't lage hekje. Hy staarde +met open mond het huisjen aan. Z'n knieën knikten, 't hart bonsde, +tong en verhemelte waren droog. Waarom toch? + +Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem +wakker. Als er eens brand kwam in Femke's huisje! Dàn immers moest-i +wel binnen gaan! Dàn zou 't hem vrystaan haar te redden haar in z'n +armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan 't +einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men +gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren +groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo'n sleep Femke +goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen +... neen, naast haar ryden met 'n valk op z'n vuist! + +--Als er maar brand kwam! + +Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och, +'t was zoo'n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere +huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en +overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van +'n bezigheid, die niet van Femke's bezigheid scheen te verschillen. Hoe +was 't mogelyk! + +Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het +niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke! Zoo-even +nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de +vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat +ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach +waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! 't Zou juist hebben gepast +by z'n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: "zie +daar geschiedt 'n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen +ten-hemel!" ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was, +maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van +z'n hart. + +Hèm kwam 't eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat +hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd +half-voldaan door 't aanschouwen van iets dat misschien door haar +gezien was, en toch, toch te schuw om 't erf optegaan, den klink van +de deur te lichten, en binnentredend te roepen: "Femke, hier ben ik +... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!" + +Want hy had 'n gevoel alsof hy zich over z'n lang wegblyven +verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen +waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy +zich als 't ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren. + +Daar naderde 'n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben +in een der etablissementen langs den weg, waar men "ververschingen" +bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in 't voorbygaan Wouter +van z'n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee. + +Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan +kyken naar dat huisjen en dien rook? 't Zou wel zonderling wezen +als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En +... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had... + +Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z'n prent meenemen. En hy +beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan +voor dat hekje! + +Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen, +zwaarden en harnassen, op z'n prenten. Zeker hadden zy moed, al +die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben +uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als 't niet beterde, zou +men nooit hèm op 'n prent zetten, zoo'n laffen durfniet! + +Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe +verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden +dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke's moeder +te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u! + +Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen +zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar +boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs +betrapte hy zich op 'n regel uit Bilderdyks "_Floris_" en voorziende +dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in de voorbaat +met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten +dichter. + +Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou? + +En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat 'n +"wulp" was, en 'n "echtkoets" en "kuisheid" en zoo voort. Al wat-i +niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen, +en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den +weg helpen kon, het was hem reeds 'n heerlyk vooruitzicht al die +mysteriën met haar te zullen bespreken. + +Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der +verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen +heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te +doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken +rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en--waarom zouden we +'t ontkennen?--ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust +tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel, +vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in 'n boek. Maar er +waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, +of liever: "groot." Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van +'n kind 'n hooge waardigheid mee. + +Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z'n +nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot +haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen van _zyn_ +kennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid +Femke deelgenoot maken van z'n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat, +en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk +voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk 'n +vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien. + +Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen +hebben, daar-i 't waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar +aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik +bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in +z'n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist +toevallig voorby z'n huis gekomen, en dan was 't zoo heel moeielyk +niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter? + +O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet +binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al +de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen +ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak +dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze +meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo'n +bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had +evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken +die hem beletten eenvoudig te zyn, en 't ware dus eerlyk geweest +haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf +beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy +zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden. + +'t Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende +dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen, +en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke's vrindje +was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo'n groot meisje heeft +al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met +jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen... + +Dien pater Jansen had-i graag 'n hartelyken stomp gegeven. Wat moet +men doen om _pater_ te worden, Femke's pater? Als er mogelykheid was +op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen +al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou +haar graag 'n zoen geven, elken keer als ze haar "vragen" goed had +opgezegd. Jazelfs, hy zou haar 'n zoen geven als daaraan wat haperde +of ook al wist ze 't eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren +torens. Och hy zou voor Femke zoo'n vriendelyke pater zyn! + +Hoe legt men het toch aan, om 't zoover te brengen in de wereld? En +kon men er zeker van zyn, dat 'n pater altyd durfde binnengaan als-i +ergens wezen wilde? + +Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest +overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo +besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep +hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als +'t maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen +zyn tot in 't binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over +de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in +z'n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke's moeder? En ... Femke +zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! "Toch +niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven +binnengaan!" + +Nu kwam 't hem voor, dat-i liever Femke's moeder had gevonden. Hy +zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel +aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke's moeder niet. + +Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika +eigenlyk doen? + +En ... àls men 't gevraagd had ... welnu, _hy_ kon makkelyk +antwoorden. Zoo'n reiziger in 'n boek met prentjes is nooit verlegen. + +Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen +die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands +kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op 'n schimmel +met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar +de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z'n ziekte: "omdat de +vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had." Hy +zou ze koninklyk beloonen... + +Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke +koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En +die gouden diadeem! + +Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, om al die +heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten, +_zy_ kwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z'n vlammende verbeelding, +haar 't eerst, haar 't meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want +hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel +Afrika kunnen wezen, zonder 'n koning! En wie anders kon dit zyn dan +hy, Wouter, haar vrindje? + +Och dat veroveren van werelddeelen was zoo'n gemakkelyke zaak, meende +hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus +gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl +hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen +en die vervloekte _regula de tri_! En hy wist zeer goed dat er nog +zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen +veroveren kan, of zelfs koning worden van 'n kleiner land. Ook z'n +zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de +week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor +z'n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen +hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig +vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar +'n ander kind, iets nader aan 't grootzyn dan hy, hem den pas zou +afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z'n vlucht neer. Hoe moest +hy 't aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z'n moeder, +wanneer hy op z'n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer +uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde? + +Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine +droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z'n +verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen. + +Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven +worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op 'n +salomonischen troon waarvan 't model aan z'n prentenbybel ontleend +was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde +'t heel wel weten "voor 't aangezicht van 't geheele volk" dat ze +vroeger maar 'n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even +buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield +lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder, +wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin +was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En 't volk hoefde nu +voortaan niet te knielen, zou ze zeggen... + +Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo +kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z'n moeder en van Stoffel, +by-voorbeeld. Die twee mochten 't wel eens zien, vond-i, hoe al die +menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was +bejegend toen ze in z'n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar +als moeder en Stoffel 't éénmaal gezien hadden, was 't genoeg. Dan +zoud-i alles vergeven, en voor z'n moeder 'n groot huis laten bouwen, +vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i 'n ruime school te +laten oprichten voor Pennewip, met groote zwarte borden, inktkokers, +schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van 't +vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z'n ouden meester vergunnen +daarin den ganschen dag onderwys te geven, van 's morgens vroeg tot +'s avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de +jongetjes vervelen.. + +Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van 't vraagstuk hoe hy +te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden +stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk +had-i z'n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry +onverwachts zag overgeplaatst in 'n geheel anderen kring dan waarin +hy sedert 'n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning +noodig om te begrypen wat z'n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe +z'n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest +over 't verslag van de preek? + +Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk +te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z'n moeder en +Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar +den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z'n +bezoek uit 'n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie +was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i +niet erkennen zonder zekere gaping te doen in 't oog vallen, die z'n +relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om +de vier boeken _Mosis_ aftehandelen, en begreep dat die tydruimte +niet te vullen was met twee taartjes en 'n kop chocola. Voorbereid op +'t na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van 't +oogenblik af dat-i de aschpoort en z'n molens had weergezien, had-i +zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat 't mensch zonder genade zou +gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem. + +'t Was 'n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook, +of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z'n +hakkelen, want wie goed luisterde naar z'n mededeelingen, kon in +waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei. + +Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken +van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog 'n reden +die Wouter belette 'n duidelyk verslag te geven van z'n bezoek. Hy +was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid, +als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had +hem zeer gestuit, en nu kwam 't hem voor dat er iets laakbaars lag +in 'n aandoening die hy zeker nog minder by z'n moeder en Stoffel +zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. "De jongen lykt wel mal, +meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i +boos weg. Wat is er aantevangen met zoo'n kind?" + +Z'n stamelen bracht evenwel 'n heel andere werking voort dan-i +verwachten kon. Er scheen 'n reaktie te hebben plaats gehad sedert +men hem de deur uitzond. Misschien hadden z'n beide inkwiziteurs zich +bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheid van de +oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z'n gewoon: + +--Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om 't +háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan 'n ander... + +--Zóó is het, riep de moeder. 't Mensch is gek en verwaand, dat zeg +ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo'n kind vergen kan +dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan +ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat +geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo'n kind! Ze doet +het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze 't! + +Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door +z'n byval. + +--Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat +zyzelf 'n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het +mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op 'n +kind dat pas ziek geweest is! 't Is 'n ware schande! Wat hoefje ook +daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat +doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd... + +Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z'n bezoek +gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met 'n vermaning om +z'n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de +verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich +in 'n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje: +"waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoo _sleetsch_ +was. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!" + +--En dan zoo'n kind 'n heel uur lang op 'n droogje te laten zitten! En +ze had nogal gezegd... + +Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy +viel z'n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z'n +gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs... + +Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen +naam geven kon. Waarom toch? + +Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade... + +--Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu, +dat's hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten +bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die +menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op 'n ander, maar naar zichzelf +kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel +van zoo nu-en-dan eens, als m'n huishouden aan-kant is, wat degelyks +te hooren uit de Schrift, of van 't Geloof, of zoowat, maar om nu +juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In 't praten zit +'t 'm niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat 'n mensch z'n werk moet +doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit, +dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef 'm z'n ouwe!" + +Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker, +dat-i in Afrika alle dagen op z'n zondags zou gekleed gaan. + + + + + + Onze held legt weer 'n bezoek af, en woont akelige tooneelen + by. Sporen van kannibalismus in _Europa_. Saturnalie op + dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun + vader mishandelen. + + +Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z'n hartje beefde, +want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, +na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: "maar boven te komen." Dit "maar" +is 'n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis +dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende +oefening in 't gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan +'t verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven. + +Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch +naar de "studeerkamer" waar dokter Holsma bezig was met het vervullen +van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen. + +Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen +in 'n hoek aan 'n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide +anderen, 'n knaapje van Wouters leeftyd, en 'n meisje dat een paar +jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten +was, en waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp +was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit +met kennis zoo'n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er +nog 'n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk +voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, +dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch +prentte zich alles diep in z'n geheugen, en later, veel later eerst, +geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die +hy by z'n binnentreden opving. + +Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der +kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar +zoodra hy z'n figuurtje vertoonde, werd alles als door 'n tooverslag +op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als +soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou +hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om 't komieke +daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in +'n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste +menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de +dokter Wouter verwelkomde, en hem 'n stoel aanwees, stond de kleine +jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte +hy op 'n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert! + +De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys 'n +oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking +van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig +onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral +kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het +onuitgesproken: "_wie ben jy?_" heeft by zulke gelegenheden den rang +van stilzwygende oorlogsverklaring. + +By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat +het aan weinigen onbekend is. Om 't optemerken by de mensch-exemplaren +die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk "wilden" genaamd +worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van +individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid +schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken +waarmee "dames" die elkander op 'n wandeling ontmoeten, dit kenmerk +van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze +meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, +en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van 't +kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons +aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet +te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de +_rudera_ uit 'n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons +toeteroepen: "vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet +wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. 'n zyden japon aan 't lyf en +'n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!" + +'t Is mogelyk dat die "dames" 't zoo kwaad niet meenen, en dat +enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie +zouden onthouden. Ik heb de hier bedoelde _mene-mene-tekel_-woede +waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden +waarlyk niet in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden. Om +evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt, +moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo'n beestje zich +nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan? + +Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van 'n dame die op de wandeling +mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit +niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te +loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men +kent haar niet! + +Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen +aan Juffrouw B. 't Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in +den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. 'n heel +ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo +byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit +alles 'n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna +niet te byten? + +In dat: "ik ken je niet, dus: vyandig!" openbaart zich 'n zonderlinge +opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte: +primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in +holen of op boomen woonden, maar 't is te veronderstellen dat ze +door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan +zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en +voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die 'n gevolg +was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op +gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemde deed aanzien als 'n +indringer, als 'n veroveraar, als 'n dief. Eenmaal moet dit anders +geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, +dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt +hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys. + +Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even +aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma +wel. En Willem scheen te weten dat z'n vader scherp zag. Vandaar de +haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den +Titus Livius die hem vandaag begunstigde met 'n _pensum_. + +--Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat's heel braaf +van je. Wat heb je daar? + +En op-eens zich tot de soldaatjes keerende: + +--Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel +van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan. + +Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde _Lady_ Macbeth, +en wist niet recht hoe hy z'n geschenk aan den man zou brengen. Hy +vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten +vol boeken ... och, z'n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het +ding wel willen inslikken. + +Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven +hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, +en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den +dokter kwam bedanken "voor z'n beterschap... naast God." + +Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, +en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning 'n +ernstig gelaat vertoonde. + +--Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En +heb je dan nu God wel bedankt? + +--Zeker, m'nheer! Alle avenden in m'n bed, en gister in de kerk ... + +De kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van +ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde +aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z'n neus +veel harder te snuiten dan voor 't gewone doel van dien handgreep +noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar +de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met +'n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde. + +--Orrrde! riep hy met 'n donderende stem, die Wouter bang +maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden onder +de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde! + +Daar begon 'n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by +elken slag 'n vinger op. + +--Ik zal jelui allemaal ... + +--Vyf! juichte Sietske. M'n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: +vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera! + +De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. 't Was 'n _quodlibet_ van +_gaudeamus_ en _vive la joie_, en _God save the King_... help mee, +jongens! _Vive la vacance, le maître en pénitence... Wilhellemus al van +Nassouwe... met de ellebogen door z'n... hoed._ Help! Herman! Help, +Willem! Wraak, wraak, wraak! _A bas les tyrans! Amour sacré_--pak +'m beet, Willem, jy bent de sterkste--_de la patrie ... de heer van +Son is 'n brave kapitein ... hy regeert z'n volkje_, neen... _daar +gang 'n patertje langs den kant_... wraak! _So, so wie ich dich +liebe_--wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal +de linkerhand wel houden. Toe, jongens!--_Hier ligt myn Damon_, +neen ... _io vivat, io vivat ... boum, boum, boum_... hoera! _Dans +son bivouac, le troubadour fidèle_ ... wraak! _Fleuve du Tage_ +... wraak! _Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall +he_ ... wraak! _Pro salute horum_--geen latyn, riep Sietske--_hop +maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho_ ... wraak! + +Wouter wreef z'n oogen uit, en vertrouwde z'n ooren niet. Wat-i hier +zag gebeuren, ging z'n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy +kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier +'n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook +het ten-hemel varen van Elias in 'n gloeienden wagen kwam hem, na +wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman +en Sietske hun vader, zoo'n deftigen dokter, om den hals vielen, +tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van 't lyf plukten +... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met 'n ouden pantoffel +van z'n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. 't Verbaasde hem +dat de wereld niet verging. + +--Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, +jongens! Kan ik 't helpen, dat jelui geen pleizier hebt in +aardrykskunde? + +--Breng 't dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske +die te-paard op z'n schouders zat. + +De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z'n +linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan +den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te +deklameeren en te gestikuleeren: + +--O, dierbaar _Afrika_... + +Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde 't nest waarlyk z'n +werelddeel aan, zyn Afrika! Was 't niet of ze 't er om deed! + +--O, _Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi_ ... prachtig! Nog 'n +oogenblik, papa, dierbare schooltiran--houd vast, Willem, toe!--ik +wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m'n gezicht +vertrek. _Mesopotamië, mesopomamo_ ... mondvol, mooi! _Nigritië_--blyf +staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M'n paardje +trappelt zoo ... hu, hu!--_Aethiopië_--Herman, houd z'n beenen vast +... niet kittelen, dan val ik.--_Marokko ... Schiermonnikoog ... hu, +hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte +... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal_--de les is uit, +ik mag zeggen wat ik wil--_Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, +Karel de Groote_... wie vangt me? + +--Ik, riep Willem. + +Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong +op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette. + +--Oef! riep de dokter. + +--Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aan _oef!_ +Twee volle uren les, en dan terstond: _oef!_ Waar zou dat heen? O, +neen, dierbare tiran van _Monomotapapa_, van _Monoë ... muggen, +muggi_ bedenk dat 'n welgeschapen kind z'n rechten heeft. 't Is +'n ware schande ... ga jy 'ns voort Herman, ik ben 'r heesch van! + +--'n Ware schande ... nu jy, Willem! + +--'t Is 'n ware schande, m'nheeren, zoo afrikaans-miserabel +heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen +behandelen. + +--Weg met de ouders! Roep mee, papa! + +--Weg, weg, weg met ... + +... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte +hem op dien vreeselyken wanklank. + +--Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare +Vader! _Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch +huishouden ... nà de les!_ + +--Juist, schreeuwden de jongens, _orrrde_ na de les! Dat is de ware, +rechte orde! + +--En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe +prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? 'n Zaag, +'n zaag, papa's onschuldige liniaal is 'n zaag! O, die vaders, die +vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen! + +--Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa! + +--Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien +oproerkreet weer duchtig gestraft. + +--Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman. + +--Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan 'n halve +sekonde les in ... de eeuw. Nooit _Sofala, Monomotapapa_ ... kom-aan, +dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders... + +--Leven de... + +Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader 'n vinger op. + +--Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee--jy ook, +mannetje--mama wacht ons zeker met het eten. + +Willem nam Sietsken op z'n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed +de familie de trap af. Wouter volgde, maar _Lady_ Macbeth verdween +platgedrukt in z'n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te +overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die... + +Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was +immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de +duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep +er niets van. + +In de eetkamer heerschte weder 'n geheel andere toon dan vóór en na +vyven in de school. + +--Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter. + +Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg: + +--Papa, mag ik het doen? + +Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by +de hand, en leidde hem naar 'n dame die aan de gedekte tafel bezig +was met sla-aanmaken. + +--Mama, dit is 'n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe +heet je? + +--Wouter Pieterse. + +--Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i +... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers +eten, papa? + +... die hier blyft eten, Mama. + +--Als mama 't goedvindt, zei de vader. + +--Juist, als mama 't goedvindt. + +Mevrouw Holsma zette Wouter met 'n paar vriendelyke woorden op z'n +gemak. 't Was noodig! + +De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen +middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem +'n plaats aan, en 't deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z'n +postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen +voor z'n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde, +verbaasde hem. Toen-i z'n handen vouwde... + +--Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter. + +--J...a, m'nheer, stamelde Wouter. + +--Dat's 'n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd +aan-tafel? + +--Ja, altyd... by warm eten, m'nheer! + +Er was tucht in dat huis: niemand lachte. + +--Bid jy er maar gerust op toe, jongen! + +De dokter maakte gebruik van 't oogenblik dat Wouter de oogen gesloten +had, om zonder 'n woord te spreken z'n kinderen tot beleefdheid te +vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. 't Was hun schuld niet, dat-i +later inzag 'n zonderling figuur te hebben gemaakt in _dien_ kring. + +--Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen 't niet, en ... daaraan +doen we misschien ook goed. + +--Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. + +Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen +veronderstellen. _Hy_ ... 'n overtuiging! Het korte gezegde van +Mevrouw Holsma kende hem 'n waardigheid toe, 'n gewicht, en 'n recht, +waaraan hy nooit gedacht had. Onder 't gebruiken van de soep, dacht +hy voortdurend: ik mag 'n overtuiging hebben! + +Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon +worden opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien +ook--mits 'n volwassen persoon!--werd voorgesteld. De geheele kwestie +over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als +'t vernomen nieuws dat _hy_ 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje +zwol er van... + +De dokter, die 'n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien +Wouters gedachten namen: + +--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging +te geraken, moet men veel onderzocht hebben. _Ik_ ben overtuigd dat +onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help +'m eens, Sietske! + +Sietske deed het met veel gratie. + +Wouter had den zin van Holsma's woorden zeer goed begrepen, en +... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hy _voelde_ +ten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslag _vyf_ zonder genade +ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even +ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, +zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel +heerschte. + +In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist inverband +met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat +dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, +lag in 't gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te +uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets +begreep, omdat hy--fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van +z'n doorzicht--niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen +zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z'n ziekte had Holsma deze +eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort, +die hy 't kind betoonde. + +Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop +men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem +leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak +geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is 'n held, +brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn +byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy +wist niet dat er _twyfel_ bestond, en hield dus z'n begeerte om iets +meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts +enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z'n weetgierigheid, +maar 't was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z'n rechtsgevoel +gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy +'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't gedrag van den aanstaanden +aarts-vader, en hy begon reeds met 'n enkel bescheiden woordje ... maar +de dominee overlaadde hem met verwyten. "Zulke vragen pasten geen +kind!" heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit +Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomen +_fair play_ was. "Men moest niet verstokt zyn." De arme jongen bad +dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken +zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan +zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid +met dien schurk. + +Zoo ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte +hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden +niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in +z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, +en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n +overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal +op-eens genezen kon. + +Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van +beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen +veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en Pennewip, en +dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, +dat er soms 'n _keuze_ tusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, +hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en--by Wouter in zeer +letterlyken zin nog--kinderachtig, maar 't was zoo... + +Toch kunnen we 't hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe +'t heele menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters +onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby +waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die +verder-af lagen. Men behoeft slechts 't huis Pieterse en Woutertje +zelf eenige malen te vergrooten, om 'n gelyk-soortig verschynsel +_overal_ te kunnen opmerken. De een zweert by z'n dorp, de ander by +z'n gemeente, 'n derde by z'n vak, enz. Zelden ontmoet men 'n wydte +van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. 't +Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn +wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die +niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs +daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we +toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak. + +En een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is vinden +wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast omliggende, +worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen en naar alles +te haken wat vreemd en ongewoon is. Trekvogels en hokvast te-gelyk, +beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor 't geprezene terug, +zoodra 't afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die +ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van +'t vreemde zèlf is 'n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de +minste huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht +van den arend bezong. 't Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem 'n paar +vlerken zond, met 'n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die +onderscheiding af omdat-i 't jammer vond de schulp te verlaten,waarin +hy geen wieken bergen kon. [25] + + + + + + De lotgevallen van 'n vlalepel met een handleiding tot + het begraven van ongelukken, 'n Oude historie uit _Straat + Magellaan_, niet ontoepasselyk op andere straten. + + +De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets +goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders +gewoonlyk verkeerd beoordeeld, 't geen blykt uit de overdrevenheid +waarmee ze het tegendeel pryzen. "Dàt zal 'n man worden!" hoort men +dikwyls zeggen van den knaap: _qui ne doute de rien_. + +Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van +buiten-af, en dus aan z'n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral +niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming +tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid +met de _suffisance_ van anderen. Het mag niet ontkend worden dat +ziekelyke zwakte 't gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging, +en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl +'t verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt. + +Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op +de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel +eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman, +en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden +nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart +van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika, +kon 't niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de +vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i, +toen z'n buurmeisje hem aan 't dessert 'n schotel roomvlâ overreikte... + +Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar, +als 'n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers: + + + "de dat riet en dede niet wale." + + +Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben, +den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen, +en dat ding--met wat vlâ er by, waarachtig!--te doen neerkomen in +Sietske's schoot? Hy deed het, _hy_! Hoogst-eigenhandig. en _proprio +motu_! Geen Stoke kan 't goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet. + +Och, hoe droevig! Juist begon-i 'n beetje verder op z'n stoel te +schuiven dan by de soep! Nog 'n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad +gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem +niet 'n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten +had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om +doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te +schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie +... och! Hy had liever 'n pink gemist, z'n hand, z'n arm ... alles! Ja +... hy wou dat-i ergens onder den grond zat! + +Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderd was +tot de vraag hoe z'n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond +na de katastroof, en alsof 't er by behoorde, begon Sietske: + +--Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort. + +Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter 'n anderen +lepel aan, dien ze van 't wandbuvet had genomen. + +--Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd. + +En allen drongen om 't hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook +Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter +voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z'n ongelukje +te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke +liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen, +zag ze dat er 'n traan over z'n wangen rolde. + +--Mama, ik heb 'n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers +goed? Zoo'n porseleinen ding is topzwaar... ik heb 't wel al driemaal +laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht. + +De moeder knikte haar vriendelyk toe. + +--Krygen we nu Van Noort, papa? + +--Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie +begin. + +--Foei, papa, aan tafel! + +--Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie +van maandag, woensdag en vrydag 't hevigst is. 't Huis dreunt altyd +na de geografie. + +--'n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma. + +--Oude privilegien, papa! zei Willem. + +--Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld, +was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die +barbaarsheid. Toen Herman 't eerst in de les kwam... + +--Zóó'n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél +laag. Je kon geen _a_ voor 'n _b_. + +--Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de +helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel +... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal. + +--Omdat ik je lezen geleerd heb? + +--Olivier Van Noort, papa! + +--Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo'n +verwaand kereltjen eens! + +--Ik niet lezen! O papa, luister eens: + +Herman nam 'n ulevel, ploos er 't devies uit, en las: + + + Een vader die z'n zoontje plaagt ... + + +--Dat staat er niet, riep Sietske. _l'Amour est un enfant tromp ..._ + +--_Trompette_, zei Willem. + +--Olivier Van Noort, papa! + +Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad 'n heer +de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid +als oom Sybrand begroet werd. + +De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droeg Herman +op, 'n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z'n studeerkamer te halen: + +--Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding +kan 't niet helpen dat jelui zoo'n dommen hekel hebt aan geografie. + +Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den +minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen +reeds gezeten waren, bracht-i 't 5e deeltje mee van de "_Nederlandsche +Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven door_ Bennet _en_ +Van Wyk." + +--_Lees_ nu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei +Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend +heeft? + +--O papa, al... + +--Nu? + +--Al komt er nu soms 'n domheid van my aan den dag... + +--Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees +maar op. + +Herman las: + + + "Den volgenden morgen (5 _November_ 1599) ging men weder + onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straat + _Magellaan_ aan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden + besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door + ziekten enz. verloren hadden. + + Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen + breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er + binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd + hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van + Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaats _de + los Virgene(?)_ weder ankerde, zonder dat men de redenen, + die hem daartoe bewogen, konde doorgronden." + + "Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor + den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy--Van + Noort--geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam + de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord, + wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide, + dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken, + terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht + om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had. + + Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van + Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, + dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel + magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, + werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door + hem bewaard." + + "Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die + slechts 1/2 myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug." + + "Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige + schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit + was gebleven, by de andere schepen ten anker." + + Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede + Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in + apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en + ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer + gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging + opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven, + ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon + verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ... + + +--De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei +Holsma. Volgende bladzy! + +Herman sloeg 'n blaadjen om, en ging voort: + + + "Den 8sten (_Januari_ 1600) ging eene sloep en jol van den + Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat + in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de + inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die + er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der + sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de + dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde, + dat het menschenëters waren." + + "Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van + Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen + de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy + by meerderheid van stemmen veroordeeld werd... + + +--Genoeg! riep Holsma. + +En hy tikte met 'n waarloos tuinstokjen 't boek toe. + +--'t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft. + +--Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder. + +--Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit +aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten +aangaande de bewoners van dat land. + +--Als ze maar 't ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er +zyn vergiftigen onder. + +--Er was 'n _R_ in de maand. + +--Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen +'n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wy _Februari_ noemen, komt +daar in 't hartje van den zomer. + +--Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt +hy in 't hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i +byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden. + +--Dat is niet nader aan 'n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal. + +--Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel +kouder en natter, riep Sietske. + +--Wat 'n barbaarsche uitdrukking! + +Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: "ja, +kind!" Ze zei, 't kwam van Livius en kegelsneden. + +--Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die 'n oudsten broeder +versiert. + +De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had? + +Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by 't begin +van de lezing, 'n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets +opgeschreven. Hy beweerde dat de _taal_ van 't voorgelezene zeer +onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden +hem geschonken. + +--Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de +verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen +geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze +van oude zeelui, geven ze 'n modelletje van de hedendaagsche +rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spelling +bepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke +lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron 'n paar horloges op zak te +geven, en--om de deftigheid--onzen Lieven-heer 'n staart-pruikjen in +den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven +is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van +de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch +leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar +de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn +dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben +opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten +ook de taalkenners van deze week? + +--Siegenbeek en Weiland, oom. + +--Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de +hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies +weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i 'n onnoodige letter meer +of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en +kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu "zoo" en "oogen" +met twee _o_'s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er +weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking +dat er twee _o_'s zyn in "vrolykheid" en maar één in "drogen" ... + +--Hé, oom! riepen de kinderen, met 'n verbazing die het tegenwoordig +geslacht verbazen zal. + +--Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men +op zoo'n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen +die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen +dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden +in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen +zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek. + +--'t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel +bederft. Waar de "letterkundige" bekwaamheid van deze soort een +maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in +die boekjes gesproken van "roeiriemen" en "verdek", woorden die +nooit over de lippen van 'n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat +men op zeeschepen 'n "jol" heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit +van zoo'n ding hooren spreken. Ze hebben daar 'n barkas, 'n boot, +sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de +verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren +zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken, +en geven 'n pover artikeltjen over zoo'n land of volk uit hun eigen +"Aardrykskundig Woordenboek" in de plaats. Die berichten zyn onvolledig +en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen +wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit +te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid +der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen +nu niet welken indruk 'n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de +eerste bezoekers maakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis +brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen... + +De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht! + +... we moeten slikken wat zekere m'nheer Van Wyk _thans_ over de +door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke +menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua +naar Kanaän zond, laten terugkeeren met 'n hedendaagsche beschryving +van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie +zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes +voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan +zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat +heb je meer in je boekje? + +--Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en +Januari ging men van z'n schip met 'n sloep aan-wal om mosselen te +zoeken. _Quaeritur_ waar die sloep vandaan kwam? + +--Hy kon zich 'n sloep hebben doen afstaan van een der andere +schepen. Maar ik herinner me iets van 't maken van zoo'n vaartuig. + +De dokter bladerde even: + +--Ziedaar, zeide hy. En Herman las: + + + "Dienzelfden dag--2 December--verzeilden de schepen naar een + ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk + aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 + voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet, + waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed + voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen, + wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, + verkreeg den naam van den _Oliviers-baai_." + + +--Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer? + +--De uitdrukking "_in apprehensie_ houden" bevalt me niet. + +--'n Stadhuiswoord! + +--Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me. + +--Maar 't was 'n rechtzaak! + +--_Apprehendere_ beteekent aanvatten, aangrypen... + +--O hemel, daar komt Livius! + +--Neen, kind... Suetonius. _Apprehendo bucculam_--voel maar!--beduidt: +ik knyp m'n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen. + +--Domme jongen, met je latyn! + +--En wat heb je nu tegen de _apprehensie_ van dien Ilpendam? + +--Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man +zoo heette. 't Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam +geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor 'n zeeman van zyn +tyd gepaster voor. + +--Dit kan gegrond zyn. + +--En Van Noort dan? riepen 'n paar anderen. Die had ook 'n vàn! + +--Dat was 'n Admiraal! + +--De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet. + +--Hm! Dien _rang_ hadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren +tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber van +de expeditie. 't Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by +'t uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor 'n admiraal +in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen over _apprehensie_? + +--Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis te +_nemen_. De beteekenis van _apprehendere_ is: aangrypen, aanvatten. Men +kan iemand niet in "aangryping" houden. + +--Korrekt! zei de vader. Korrekt als 'n zonnestelsel... + +--Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar +hy weet niet waarom. + +--Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m'n breikatoen. + +--Willems poot heeft mama's draad in _apprehensie_ ... gehouden, +plaagde Herman. + +Oom Sybrand fluisterde Sietske in 't oor. + +--_Hoe weet je, dat apprehendere_ "aangrypen" beteekent? + +--'t Staat in alle woordenboeken, kind. + +--Wat nu, oom? Laat me niet in den steek. + +Oom fluisterde: "'t is knoeilatyn, neen ... 't is latyn ... ook +'n knoeitaal!" + +--'t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan, +oom. Niet te veel te-gelyk! + +--Kind, bezondig je niet. Als 't niet te veel eer voor je was, zou +ik je 't woord wyzen by Cicero. + +--Oom? + +Sybrand fluisterde. + +--Je heele Cicero verstond z'n eigen latyn niet. + +--O goden, wat moet ik vernemen, hier in m'n vaders eigen +tuin! Kind, ga naar 't land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf +je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster, +gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster, _horresco_! Papa, ik ben +verontwaardigd. + +--Dit schynt wel! + +--Je zit weer op m'n kluw, jongen! + +--Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me 'n flinken latynschen vloek, toe! + +--Vraag 'm naar den wortel. + +--Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel +is van je ... Cicero? + +Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit +scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord +was. Z'n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes +van 't gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er +gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon +was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen +alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in +dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen +wat Juffrouw Laps "wereldsch" noemt, dacht hy, en zou nu die heele +familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy +vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den +dokter over erfzonde en drieëenheid... + +Doch z'n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te +staan. Wat hem bovenal trof, was z'n eigen onwetendheid. Het verdriet +hierover werd nog grooter, toen 't gesprek 'n litterarische wending +nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik +ook wel kunnen _begrypen_ ... als ik 't maar _wist_!... + +Oom Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier +waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde. [26] + +Daar kwam zoo-waar 'n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen, +waar Wouter bleef? 't Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan. + +--Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje? + +--Ja, m'nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal +gebeurd is. + +--Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over +'t vonnis van dien Jakob Claesz had ik 'n opmerking te maken. Kaatje, +zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl. + +Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld. + +--Dat's waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad +uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg +Sybrand. + +Holsma schudde ontkennend het hoofd. + +--Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó'n +strengheid niet noodig was... + +--Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees +eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige +van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder +menschen die hem dooden zouden. + +Herman las: + + + "Den 24sten (_Januari_ 1600) werd de Vice-Admiraal Jakob + Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om + zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, + en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd, + besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land + te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer + gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon + niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen + moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het + vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen + een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich + aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen." + + +--Er ligt 'n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand. + +--Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam +de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk +de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk +menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou +misschien kunnen pleiten voor zekeren graad van beschaving. Misschien +moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand +worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in 't Journaal van +kannibalismus gesproken. Van 'n kind dat men aan-wal geroofd, en +geleerd had zich eenigszins in 't hollandsch uittedrukken, vernamen +onze reizigers dat z'n landgenooten--sommige stammen althans--zich +daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad +verkeerde in de _meening_ dat de ongelukkige dien men verstiet, +onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen +'t barbaarsche Vuurland tot beul. + +--En dat gebed! + +--Niet waar? 't Is om te yzen! Zoo'n afschuwelyke klucht na 't bloedige +voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de +akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die +Vuurlanders 't ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of +maakten ze af, zònder God. Maar zy die 't ware Geloof hadden, doemden +den ongelukkige tot zoo'n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie +hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid +nog den schimp voegden van de bespotting. + +--Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem. + +--Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had +ik--voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling +der zaak in 't Journaal--voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer +treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het +noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun +tyd waren. De straf van "aan-wal zetten" schynt in vroeger eeuwen +by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die 't +model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo'n wys op z'n eiland +geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke +gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het 'n _wreed_ +gebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van +den veroordeelde die met 'n weinig brood en wyn op zoo'n ongastvrye +kust aan-wal stapt! Hy _wist_ wat er met de matrozen die oesters +gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen +moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de +matrozen--kort geleden nog z'n ondergeschikten--hem dwongen de hulk te +verlaten! Toen ze hem "vaarwel" zeiden! Denkt eens na, jongens, over +de vreeselyke beteekenis van dàt _vaarwel_! Die wegvarende sloep was +'t laatste punt van z'n aanraking met de maatschappy. Die matrozen +zouden 't schip weerzien: hun _te-huis,_ waar ze kameraden hadden, +en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was +voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn +mee, om de marteling te rekken van 't besef dàt dit alles voor hem +verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan 't ontwyken +van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren? + +De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien 't Vaderland +weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van de reis +verhalen! En daar klonken stemmen--de ongelukkige moet ze gehoord +hebben in z'n verlatenheid!--stemmen die aan de teruggekeerden +vraagden: "waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn +echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van +Ilpendam?" + +Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by 't staren op den +geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet +hem 't aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden +worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie +of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig +doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte +het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, +of hy by 't strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, +of 'n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood? + +Zeker zal hy aan 't strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek, +en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede, +van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van 't besef vooral +dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog +altyd 'n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn +"_Fredrik Hendrik_" waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y +voor Amsterdam. Daar immers voer 'n sloep, bemand met hollandsche +matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog +kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze +hem op die kille kust overlaten aan z'n lot? Maar dit was onmogelyk, +onmogelyk! Dit kon niet waar zyn! + +En toch, toch... + +Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den +laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy +die hem met 'n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord, +toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop? + +Als er 'n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden +gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om 't arme +dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men +niet redden! + +Indien een van de roeiers 'n muts had achtergelaten aan den +wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om 't verlorene te +zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug! + +Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende +vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van +broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor 't laatst gezien hebben, +haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en +de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen, +bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs +de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts +byblyven in 'n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige +wezenloosheid der vertwyfeling. Alle aanraking met de mensheid was +hem afgesneden, op 't vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te +worden door 't laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou. + +De Krygsraad vonniste "by meerderheid van stemmen" staat er. Niet +by _algemeene_ stemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een +minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de +overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde +genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in 'n zaak van dezen aard +is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van +het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige +bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De +mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van 't admiraalschip na +de aanvankelyke uitvoering van 't vonnis, zich geroerd voelde? Het +kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort +zelf? Was deze niet eenmaal z'n ambtgenoot, z'n kameraad, z'n makker, +z'n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber +der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware +het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet +eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou +'t niet zelfs kunnen liggen in 'n welbegrepen taktiek, de opgelegde +straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid +te versterken door 'n beroep op de thans in-acht genomen matiging? + +De arme balling moet _gehoopt_ hebben. + +Zoolang die schepen daar lagen... + +Helaas! + +Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by 't ankerwinden! Hy +hoort het neerklikken van den pal in 't braadspil. [27] Elke +tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden +cylinder belet, verkort den kabel die 't schip verbindt met anker +en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de +richting van de plek waar 't anker den grond vat. En hy, de ervaren +zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den +maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig, +verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de +noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigen +ruk. Gedurende het ophalen van de "bocht" liep het geklikklak van +'t yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het +touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die 't op den +bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze +werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen +te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang +uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter +krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van 't kleine voorwerp, +als 'n uitroepingsteeken op de verzekering dat er 'n stap méér was +gedaan ter-voorbereiding van 't wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel +loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt +den boeg als 'n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden +hoorns. Als 'n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de +gestrekte voorbeenen. De _Frederik Hendrik_, _zyn_ schip, _zyn_ +trouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z'n waterlyn, en heft +den achtersteven omhoog, en _jumpt_, en schynt zich te willen laten +neerhieuwen in de diepte, liever dan z'n bevelhebber te verlaten, die +daar handenwringend om genade staat te smeeken op 't vreemde strand... + +En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in 't +zand, in de steenen, in 't koraal, in de spleet van 'n onderzeesche +rots misschien... + +Zou die bodem medelyden met hem hebben, en 't anker niet loslaten? + +Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen 't laatste +"_o... ho... ho... iiii!_" dat 'n eind maakte aan allen twyfel. + +De zeilen, reeds onder 't ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende +geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd +tot-tyd sloegen ze _back_, en vertoonden een schyn van onwil tot het +verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun +bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor +de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren. + +Maar ook dit had opgehouden. Door 'n kleine beweging van 't roer +boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De +zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van +schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder +de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen +zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk +vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z'n strengheid! + +De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk +waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters +maagdelyk gemoed was zeker 't meest aangedaan. Het kostte hem moeite +zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen +verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, 'n +schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen +verlatene aftehalen! Even als by die droomery met de wegvlietende +strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die +verwytend riep: waar blyft Wouter? + +Als 'n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar +bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan? + +De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z'n beschroomdheid +te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer +moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in +z'n toon, alsof hy 'n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de +opmerking: + +--Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd! + +Indien iemand die niet gelooft, ronduit z'n meening zegt in 'n +kring van geloovers, neemt men 't hem zeer kwalyk dat hy den moed +heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk +zachtmoediger. Niemand van 't gezelschap riep: foei! + +Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den +huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten +tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen 't +gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine +Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob +Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op +Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter +die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had, +beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die +hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op 'n ander onderwerp. + +--O zeker, m'n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere +wys den moed hebbe opgedaan om z'n lot te dragen. En al ware dit zoo +niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk +eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn, +toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was +er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de +onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om +daarvan melding te maken in 't Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben, +zéker op 't schip dat rechtstreeks onder z'n bevel stond, misschien wel +op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe +hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of +hy op de aanhankelykheid en 't plichtsbesef van alle bevelhebbers, +officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-geval +_wist_ hy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen 't +eerste blyk van ongehoorzaamheid en 't by-een roepen van den krygsraad, +ligt 'n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn, +waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in 't +Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide +uitgaaf die daarvan dezer dagen in 't licht kwam. Hebben de heeren +taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige +opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dat er reeds vóór +'t beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit +de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte, +toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by 't eskader +had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der +oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg! + +--'t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet +had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van +Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig. + +--Misschien! + +--Het komt me voor, dat hy z'n plicht deed. Het behoud van _allen_ was +hem opgedragen en daarom moest hy, waar 't noodig bleek, streng te-werk +gaan met den enkele die zich verzette, en 'n slecht voorbeeld gaf. + +--Dit kàn gegrond zyn. 't Is evenwel jammer dat er in datzelfde +Journaal blyken voorkomen van 'n ruwheid, die 't recht geven tot +twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk +gegaan. Van Noort heeft eenmaal 'n spaanschen loods over-boord +doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op 't Admiraalschip +vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen +Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van +de _oorzaken_ der weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien +het hem ware te-doen geweest om zich aan 't gezag van Van Noort +te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van 't eskader kunnen +afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk +geschiedde, 't Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het +oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om 'n oordeel te +vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis--ik bedoel, +de groote!--is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden, +gissen. Alleen de vreeselykheid van 't geslagen vonnis ligt ons +duidelyk voor oogen. En wat me daarin 't meest treft, is de lakonieke +vermelding van de waarschynlykheid dat "de inlanders den veroordeelde +wel zouden afmaken." Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is, +de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of 't gebruik-maken van +hun wreede eigenaardigheid? 't Menschen-eten is verboden, maar wel +scheen het geoorloofd, aan mensch-eters 'n mensch te eten te geven. De +Romeinen wierpen hun misdadigers in 't wilde-beestenperk. Hier zien +wy de funktien van verscheurend dier opdragen aan _menschen_! + +--'t Waren _wilden_... + +--Ja, maar zy die 't vonnis sloegen, gingen voor _beschaafd_ door. En +bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds +als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z'n +onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door 't zien +van voetstappen ontdekte dat z'n eiland _niet_ onbewoond was. Och, +kinderen, 't is zoo treurig dat de mensch 'n vyand van den mensch is. + +--De beschaving... + +--Beschaving legt 'n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens +altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op, +met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we +niet kennen! + +De dokter zag Willem even aan. + +--Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van +de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand +is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken, +werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door +zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch? + +Holsma sprak hierop weder van beschaving, van de _ware_ die iets +anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er +in geestelyke ontwikkeling 'n hefboom ligt om 't zedelyk standpunt +te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen +of minachten van 't onbekende veelal voortsproot uit gebrek van +zelfkennis. + +Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de +huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk. + +De dokter namelyk had 'n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel +op welk onderwerp 't gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die +treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m'n redenen +voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort. + + + + + + Een splinternieuwe _gradus ad Parnassum_, niet precies + dezelfde die _Faust_ ten-geschenke kreeg van _Mephisto_. Twee + ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken + omtrent 'n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing. + + +Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal 't hem bevreemden +te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed +uitoefende op 't ontwikkelingsproces van z'n geest. Het spreekt +vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was 'n kiem +van verandering in z'n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt +worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu +toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf +zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid +ontbrak. Niet hy, Wouter, zou 'n meening hebben, maar hy begon toch +intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z'n omgeving, +en dit was 'n groote stap. + +Boven alles echter--heel gelukkig inderdaad!--drukte hem z'n gebrek +aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier +gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy, +en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z'n koningen +Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme +jongen had nooit iets van De Foe's kluizenaar gehoord. Hy vroeg aan +Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als +Wouter den naam van Robinson maar onthouden had. + +--Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet +zegt welke voetstappen? Voetstappen van _wien_, meen ik. Men moet +altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft. + +--Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En +maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu, +de knecht zal zeker uit geweest zyn. + +By al de verhalen die Wouter omtrent z'n wedervaren werden afgeperst, +had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die +in z'n omgeving niet te rekenen hadden op 'n gunstig onthaal. Geen +woord van de saturnalie! Niets van 't verzuimd bidden by warm +eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich +schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan 't +gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring +minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan +beerevellen! Maar dit ging z'n berekening te-boven. + +Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel "fatsoenlyk" +geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk +te weten wat ze bedoelde, daar hy in z'n gemoedje noch ondervinding +noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien +topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy +wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z'n +moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske, +z'n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan +hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter. + +Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z'n gedwongen +afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit +voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden, +niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand +was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! "Van +my zal nooit iets terecht komen!" zuchtte hy. + +Hy verscheurde z'n _Lady_ Macbeth die hem leelyker voorkwam dan +ooit. En ... Ophelia? + +O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem +zeer slecht voor. Was 't omdat ze maar 'n bleekmeisje was, en omdat +de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren? + +Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal +of moord. Hy kon niet leven met zoo'n zelfverwyt, en nam de eerste +gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want 'n schuld wàs het, +naar-i voelde. + +En dit gevoel gaf hem moed. Met z'n gekleurde prent in de hand, +stapte hy ditmaal moedig 't welbekende hekje binnen, en klopte aan +de deur van Femke's huisje. Er werd "binnen" geroepen. Z'n hart +bonsde benauwend, maar nu moest-i z'n heldenstuk wel dóórzetten. Hy +stond op-eenmaal voor 't meisje, dat met haar moeder bezig was +aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m'n held stopte kousen, +ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! 't Is hard voor 'n schryver, +zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid +de eer te geven die haar nog altyd toekomt... + +Want afkeer van praktischen eenvoud _is_ bederf! + +... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen +hem in 't minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en +valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken. + +Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy 't aanlei om z'n bezoek te +rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van 'n gesprek +zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor +'t nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele +hoe de overgang geschiedde, tusschen z'n bedremmeld binnentreden +en 't plaatsnemen op 'n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk +toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden +blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep: + +--Ah! + +En ze had hem de hand toegereikt. + +--'t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als +begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. 't Is de kleine +jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek. + +--Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van +de wurmen? + +--Wel neen, moeder! 't Kind heeft zenuwkoortsen gehad. + +--Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de +wurmen komen kan. Geef 'n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt +immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent... + +Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer +hinderden dan haar kousen. 't Mensch scheen zich voorgenomen te hebben +hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug. + +--En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik 'n ander wil +onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met +'r waschvrouw... 't kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf +de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in 't goed zyn, +maakt Fem ze 'r uit, met "zuringzout" weetje? En nooit raakt er +'n stuk weg ... ja, eens is 't gebeurd, 'n paar mansetten, maar die +hebben we vergoed met 'n zesthalf ... vraag maar aan Femke. + +Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel +anders te vragen had! Vrouw Claus maakte 't hoe langer hoe erger. Ze +tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was, +ze stoorde, belemmerde en bedierf de _werkelyke_ vlucht van z'n gemoed, +die beter pleging verdiende. + +En zie, het meisje begreep 't ongepaste van dien wanklank! Zou dit +aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was 't 'n gevolg van de +betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke +jeugd 'n rol? + +Van alles wat, misschien. Doch zeker is 't, dat de herinnering aan +de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van +Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had +Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik +waarmee hy by die gelegenheid z'n welsprekendheid getooid had, te +bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke's smaak was niet +geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheid _het_ +schoone, _het_ verhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich +gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder +aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan 'n eind te maken. Maar ook +hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de +rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek +toch wat ... peruaanscher! + +'t Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het +rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield? + +Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit 'n geschenk voor háár +was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin +doorstraalde, en verzekerde met 'n eenvoud die meer ernst bevatte +dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou. + +--Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want +... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar +thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust +aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat +het niet goed gestreken is. De ruimte zit in 'n plooi over 't stiksel +heen. Ook is 't slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem, +is 't niet streeperig? + +Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed +gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin +alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo +was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het +scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken. + +Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken +wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om 'n gesprek +aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy 'n uitgang. Er +moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en: +"de jongeheer kon wel 'n eindje meegaan." + +--My wel, zei de moeder. + +Het jonge paar vertrok. + +Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter +een der paden in, die in den omtrek van Amsterdam _de_ paden genoemd +worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht +van indrukken meenemen om zich niet te vervelen. + +Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen, +dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig +gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen +kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht +had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was +te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder, +indien Wouter eens mocht terugkeeren... + +--O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken? + +--Ja, zei 't meisje aarzelend maar toch met 'n flinkheid die Wouter +verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb 'n mis +laten lezen voor je beterschap. + +--Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb +je dat heusch voor me gedaan? + +--Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je +gestorven waart. Ik geloof dat je-n-'n goed jongetje bent. + +--Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken, +ik durfde niet. + +Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het +meisje schreef z'n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe. + +--M'n moeder is 'n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort +doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet, +met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik +kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje, +want voor 'n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. 't Was by +'n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van +beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever, +of je nu heelemaal beter bent? + +Wouter gaf verslag van z'n ziekte, en geraakte onwillekeurig op +'t onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z'n onkunde. + +--Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet +onderwezen op m'n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit +'n groot man worden. + +--Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie +eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt. + +Wouter had eenige moeite haar aan 't verstand te brengen dat hy iets +anders bedoelde dan 't bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem +niet verwerpelyk voorkwam. + +--Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja, +hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou... + +De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had +den moed niet, z'n eigen droomen in woorden overtezetten. + +--Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in +'t zuiden, heel ver ... ik zal 't voor je uitteekenen. We kunnen hier +wel 'n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen +wat ik bedoel. + +Hy geleidde 't meisje naar 'n stapel gezaagde planken, en nam daarop +naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar 'n takje had weten machtig +te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om 'n wereld in 't +zand te teekenen. + +--Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit +twee helften ... als pannekoeken ... kyk, 't lykt wel 'n bril. Nu, +met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet +'r gerust je voet op. _Hier_ wonen wy ... daar ligt Engeland ... heel +omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen +niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er +'n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. 't Staat in 'n +boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren, +en kleeren geven, en zorgen dat er in 't heele land geen onrecht +geschiedde, en dan zouden wy... + +--Ik ook? vroeg Femke verbaasd. + +--Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man +en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat +jy dan ... + +--_Ik?_ Koningin? + +Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande, +al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd. + +--Maar ... wil je dan niet m'n vrouw worden? + +--Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan +haalt. Weet je dan niet dat je nog maar 'n kind bent? + +--Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen +voor je vrindje? + +--Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet +dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er +gaan zooveel menschen op-reis! By ons op 't "pad" woonde vroeger 'n +timmerman, die met z'n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar +... trouwen! + +Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen +trof 't ongelukkig met z'n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd +het meisjen ernstig: + +--Ik geloof dat je 'n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel +van je... + +--En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m'n +ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet +weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar 't zal wel aan jou +geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken +alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te +lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco +of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke, +mag ik je vrindje wezen?. + +Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar +onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van +'n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was +zich 't zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters +... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook +ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf +ditmaal naar 'n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan +'n lach. + +Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid +die onmiskenbaar in z'n toon lag. + +--Zeker, zéker mag je m'n vrindje zyn! Maar ... maar ... + +Ze zocht 'n voorwaarde, 'n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch +terugvoerde naar 't standpunt dat z'n leeftyd hem naar hare meening +aanwees. Hy was gegroeid sedert z'n ziekte, dit is waar, maar toch +... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad +doortedragen, hem die 'r zoo prettig van droomde háár te redden uit +'n brand. + +--M'n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen +wat ik verlang. + +Alles slechts? Och, 't kwam Wouter zoo weinig voor! + +--Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan! + +'t Werd benauwend voor 't meisje. Want ze wist niet wat ze eischen +zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had +altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem +eens dáártoe aanspoorde? + +--Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m'n moeder verteld dat je-n-'t +knapste jongetje van je school was ... + +--Ik? riep Wouter met komieke verbazing. + +Het schynt zonderling--doch we nemen dezelfde anomalie in de +groote-menschenwereld waar--dat hy nooit had achtgeslagen op de +onevenredigheid tusschen z'n hoogdravende aanspraken en verregaande +onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te +opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust +was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen +kon op eigenwaan. De allereerste in 'n heel werelddeel... dit kon +wel. 't Wenschje was billyk en matig, maar: + +--Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei +Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje, +anders mocht misschien m'n moeder te weten komen dat ik over je gejokt +heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt... + +--O, Femke, ik zal het doen! + +--Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan. + +Zoo zond ze hem weg. By 't afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te +groot geworden was om hem 'n zoen te geven. En toen pater Jansen, die +'n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent +had ... + +De man zei dat Ophelia in 't Hollandsch zooveel beduidde als Flora +die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes +geweest was. + +...toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal 'n heel klein +kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen, +maar toch: + +--Och, heeroom, die prent is van 'n jongetje, van 'n klein jongetje. 't +Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder +dan negen is-i zeker niet! + +--Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien! + +--Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog +'n kind is. + +Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in +'n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe +uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien. + +"O, Femken, ik zal het doen!" had Wouter gezegd. + +Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips +schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter +begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst, +geen andere bedoeling had dan z'n eigen belang. Maar die bedoeling zelf +was liefelyk, en 't zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i, +na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen +doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles, +maar ... juist dit ééne niet! + +Dat-i liever z'n dame gediend had in 'n gevaarlyke expeditie, spreekt +vanzelf. Maar men heeft z'n heldendaden niet voor 't kiezen. Herkules +en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen +met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam +z'n taak ernstig op. Hy begon z'n "_Ippel_" z'n "_Strabbe_" z'n +"_Oefening in 't kunstmatig lezen_" z'n "_Vaderlandsche_- en andere +_Geschiedenis_-boekjes" lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy +onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs +over "_Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden_" begon +z'n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle +andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid +van hun werk. + +Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde +hem 'n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem 'n Meduza-kop tot +schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje +mocht oppassen! + +Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk +waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van +de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen: + +--Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is +... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos, +of ... zonder voorbeeld! + +De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker +opstel heel kordaat van 'n wyf had gesproken: "dat zyn muts betastede +en op deszelfs hoofd zettede." + +Was 't niet jammer, de lieve geestdrift van 't kind te verknoeien +aan zulken onzin? [28] + + + + + + _Wouter_ moet 'n beroep kiezen. De keerzy van + den roem. _Wouter's_ begrippen over kommanditair + wereldbestuur. Oorzaken van 'n ergernis die, viâ _Missolunghi_ + uitloopt op _Femke_. + + +Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken +by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken +kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was, +en bovendien 'n _iongen_n die tegenover meisjes altyd eenige jaren +minder telt dan z'n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder +de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z'n broêr Stoffel. + +--Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom +is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad, +waar hy misschien de allerlaagste wezen zou. + +--Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar +ik wou nu maar weten wat we met 'm zullen aanvangen. Letterzetten +wil-i niet. En naar zee ... nu dat's me-n-ook wat! + +"Dat 's me-n-ook wat!" beduidt: 't is te gek om van te spreken. Onder +de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert +eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte +lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit +geweest--er was iets Afrikaansch in--maar hy voelde zich daarin +versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De +gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan. + +Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen, +had-i z'n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige +afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen +namelyk, is de zeevaart--als baden en zwemmen--'n uitspatting, +'n misbruik, 'n losbandigheid, 'n paradox, 'n _hors d'oeuvre_ of +'n ondeugd. + +--De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo'n affront, riep de +moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen, +dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je +dan nooit ophouden met akeligheid! + +Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van +onbekende koninkryken, van Straat _Magellaan_... helaas! + +Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende +voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich +aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in +zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan. + +En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen +die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen +schoenmaker, geen leerling op 'n notariskantoor, geen bediende in +'n winkel, geen aptekersjongen... + +Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z'n tegenzin +in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die +men tegen het door hem gekozene inbracht. + +De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de +verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd, +dan by zulke gelegenheden wel eens 't geval is. De meer of mindere +kans op "geld-verdienen" werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en +zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood om _zeer spoedig_ "in de +verdiensten te komen?" Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid +schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over 't "worden van 'n +nuttig lid in de Maatschappy" voor-den-dag te brengen. Toevallig--en +zeer by-uitzondering--had-i hier met 'n kind te doen dat deze versleten +en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets +tot-stand brengen, iets leveren: + + + de plaats betalen die het lot hem bood. + + +...en iets meer dan dat, als 't mogelyk was! Kon hy 't helpen dat +het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot +het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z'n lust tot de +zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar +'n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop +dat-i daarin gelegenheid vinden zou... + +Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z'n verbeelding +voorspiegelde? [29] + +Na 'n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen, +dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: "dat +Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel." En juffrouw +Pieterse was dit volkomen met hem eens. + +Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel +omdat-i niet recht wist wat het was. + +Hy vroeg 't aan Stoffel. + +--Wel, begryp je dát nu alweer niet? "In den handel" beduidt zooveel +als... koopman worden. + +--Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de +menschen noodig hebben? + +--Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de +huizen liep met 'n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te +vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd +even dom. "In den handel" zieje, beduidt zooveel als... + +Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over 'n definitie +struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebben by +zulke gelegenheden terstond 'n bondgenoot by de hand, die hen zoo +flink uit den nood helpt als hier geschiedde. + +--Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw +Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd, +en je houdt je weer net of je 'r niks van begrypt. Wie ter-wereld +heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met 'n pak +op je rug, als 'n oliekoop of 'n _mersan de la perreplu_? Heb ik je +daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent +'n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie +trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert! + +Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen 't vreemd +vinden--en onbillyk misschien--dat Wouter hier begraven werd onder +'n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O, +neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop +nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse 'n ware +virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook +'t woord _parapluie_ in haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze +volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar +gebezigde uitdrukking 't onvervalscht refrein was. + +Maar... als nu Wouter eens "in alle bescheidenheid" de opmerking +gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel, +dan had men hem bedolven onder 'n tweede predikatie over de verregaande +brutaligheid van 't gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden +inderdaad 'n fout _is_. + +Niet zoozeer omdat-i dit inzag--daartoe is dieper wysheid noodig dan +hem gegeven was!--als wel uit ongewoonte om z'n meening te zeggen, die +toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid +de vereischte inlichtingen te vragen aan z'n Egeria, aan... Femke. + +Dat hy, in-weerwil van z'n onkunde niet ontevreden was met het +vooruitzicht "in den handel" te gaan, is niet onnatuurlyk. In de +eerste plaats zou 't vervelende school-gaan 'n eind nemen. Dit was +'n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering +van standpunt, mat-i af naar z'n hoop, en naar den wensch om _iets_ +te zyn, wàt dan ook! 't Zou dan toch al heel slecht geschapen staan +met "handel" wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan 'n +geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate +hy hooger stond aangeschreven in Pennewip's achting. Het was namelyk +ten-zynent 'n _tic_ geworden--en z'n by uitstek domme zusters deden +dapper mee--hem z'n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en +kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als 'n verpletterend +servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door +verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht +met z'n veronderstelde schoolwysheid. Z'n onoverwinnelyke tegenzin +in zuurkool, byv. "paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten +kende" en als-i na 'n wandeling wat later thuiskwam dan hem genadig +was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu 't goede gedrag +was van iemand die zoo'n uitstekend onderwys te danken had aan z'n +moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek? + +De bespottelyke ingenomenheid met Wouter's vermeende gaven, maakte +hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en 't had er veel van +of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht. + +Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den +minsten grond om aan die laatste veronderstelling 'n plaatsje te +gunnen in z'n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware, +zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner +omgeving 'n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige +bezorgdheid voor z'n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de +onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting, +de gezellin behoort te zyn van 't goede. + +De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze +liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en 't +christendom--vooral het dor protestantismus!--hebben er geen goed +aan gedaan. + +Is 't wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy +die 'n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan +te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt +had? Het eeuwige vitten van Wouter's moeder was alzoo goddelyker +dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was, +toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: "ik doe daar m'n +godsdienst mee!" Wel zeker! + +Het verspreiden van geluk, en 't zoeken van genot in deze +levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter's +omgeving. Met den besten wil mogen wy dus 't verdriet dat +hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van 't +hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende +beroemdheid. + +En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel +andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen +gissen. Al de geneesmiddelen die men hem--al was 't dan doelloos--ingaf +tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan 'n +zelfgevoel dat waarlyk de perken van 't ooit _da gewesene_ ver +te-buiten ging. + +"Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de +toekomst, tot het brutale toe?" + +Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van +Afrika wilde worden? + +Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: "of 'n bleekersjongetje?" + +Was ook dat onbescheiden? + +Neen, niet zulke nietigheden waren 't onderwerp van Wouter's +ongeëvenaarde eerzucht. Z'n wenschen zweefden hooger dan dit alles, +en wanneer-i droomde van koningschap, was 't by-wyze van spreken, +en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze +vlucht zyner begeerten, 'n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen +'n bleekveld en 'n troon uit het oog verloor. + +De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy +onderging onbewust den indruk van 't verhevene, en z'n onwetende +ziel doolde rond in 'n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen +had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op +'t gebied van het goede wilde hy 't hoogste grypen, het moeilykste +tot-stand brengen. Z'n weifelen in keus was 'n natuurlyk gevolg van +onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z'n verbeelding +terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z'n ongeoefend +oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo 'n rol werd gespeeld door +de gewone fout van edele harten--'n zeer ongewone fout dus!--om de +zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van 't gebracht +offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde +tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf +niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe +gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- +en schildslag te doen bekend maken dat er 'n ridder was aangekomen, +die om de klandizie verzocht van wat martelary! + +"Later, later!" dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche +en huiselyke banden. Dan zoud-i 'n werelddeel gelukkig maken. En nog +een. En nòg een... + +Helaas, er stonden er maar vyf in 't boekje van z'n geografie! + +Vyf werelddeelen slechts! 't Is niet de moeite waard om van te spreken. + +Wat dàn? Wat daarna? + +Hier begon zich z'n fantazie te verliezen in de ruimte, en +'t firmament verwarrende met 'n gedroomden onstoffelyken hemel, +naderden z'n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: +God. Maar dit bevredigde hem niet. + +Geen "_Weg ter Zaligheid_" en geen katechismus was er in geslaagd +het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg, +en waarmee hy zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding +vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen, +het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo'n +Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n +natuurlyken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde hy +zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling +ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den +lezer inzage te geven in Wouter's stamboom. + +Hoe hy 't aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van 't +goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed +kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde +gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid +waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld. Het kind kan niet +nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes +of schooltaak--om nu niet te spreken van 't pynlyk stil-zitten in +de kerk--en al van-buiten leerende "dat God zoo byzonder groot is" +geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan 'n +straatgoochelaar, 'n kunstpaardjen of 'n handjevol kersen. Jazelfs +'n "kip te water" is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die +vervelende "Heer." + +Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan +te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van +onverschilligheid te maken, het onderwys in de "godsdienst" uitstelden +tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich 'n veel +lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun +pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want +"godsdienst" kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten +worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat +de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten 'n bescheiden +plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers +reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in +z'n opvoedings-systeem het "breien en merken", waarin z'n ega zoo +uitmuntte, tot parallel-studie verhief van 't "psalm-zingen" en de +"leer der Zaligheid." + +Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus--of liever, +juist omdat z'n god van school en katechizatie maar 'n onderwerp was +van leeslesjes--hy zag er geen bezwaar in, 'n geheel ander wezen in +z'n hart te dragen. En Jehovah schikte zich. + +Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs +niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, +hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met _zyn_ +begrippen over 't goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei +verbeteringen intevoeren, zoodra hy... + +Wanneer? Hoe? + +Dit: _wanneer_ en dit: _hoe_ speelden de hoofdrol in z'n gedachten. Het +denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem +neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens +kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die +hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z'n +wil. Later--mymerde hy dan--als-i zou aangekomen zyn op 't punt waar +hy wezen wilde! Later, als zyn God--dit was hyzelf, maar hy wist het +niet--ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou 't z'n +gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende +jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, +bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben +opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van +z'n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die +in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy +droeg z'n hooggestemde levensopvatting in z'n binnenste, als 'n kool +vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maakte hem onvatbaar voor menige +andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar... + +Ja, waarheen? + +Waarheen? Wanneer? Hoe? + +Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen! + +Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er +nog veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En +dit toch was z'n roeping, naar-i meende. De straat was slecht +geplaveid. Daar ginds stond 'n huis op 't instorten. Leentje stak +povertjes in de kleeren. Er was onlangs 'n arme blindeman in 't water +gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te +helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En, +nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde, +waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen. + +En telkens als er regen noodig was, bleef 't weken lang droog +weer. Maar 't plasregende als alles onder water stond. En dan las men +in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet +oost. Wouter's God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest, +en dus nog dommer te zyn dan zoo'n krant. + +Is dat 'n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat 'n wereld +regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder +almacht, zònder God! + +O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken +streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke +gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol +van. Alleen God scheen alweer niet op z'n post te zyn. Marko Bozzaris +en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar 't hielp niet veel. En al de +Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren +van 'n glad verkeerd geloof, 't Hielp nog niet. Zelfs hielp 't niet +dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk +op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch +werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards +vermoord. Wouter's historische en krygskundige kritiek ging niet +ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy +hield zich aan de verantwoordelykheid van z'n god, en was recht boos +over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder +ditmaal niet voorwenden. De zaak was _notoir_, want de kinderen op de +straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken, +en 't voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig +orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de +onverschilligheid van Wouter's god. + +En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim +zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar 't verre +Engeland... _hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel, +scheepvaart en 'n yzergietery. Beeft by 't hooren van 't Nederlandsch +geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ook +bezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm: +koninklyk. Getal inwoners ..._ + +Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas--dichter en lord was-i +ook--had er z'n zinnen opgezet om 't land uitteloopen, en met de +Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z'n +vaderland ... + +Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen--en met pleizier!--om +aan z'n god en die Turken 'n lesje te geven als-i maar... permissie +had kunnen krygen van z'n moeder, d. i. als-i maar niet 'n armzalig +schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen +engelschman gevraagd hoe men 't toch aanlegt om lord, dichter en +held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich +optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een +voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die "geloofd +zal hebben en gedoopt zal zyn" kwam hem niet byzonder wenschenswaard +voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en +genade--altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie, +en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou--maar +de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In +z'n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als: +"Wouter's _begrafenis by Thermopylae_." De lykstaatsie bewoog zich +over 'n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo +breed als de prent maar eenigszins toeliet. + +Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i... + +Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten +laaghartig misbruik van z'n verdrietige onvolwassenheid. En die +m'nheer Byron ook. + +Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van 'n mededinger, +die--geheel buiten zyn schuld immers--nog niet gereed was? Ook deze +onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo'n +verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap +mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was? + +Dan zoud-i... + +Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen? + +Alweer die martelende vragen! + +Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor 't kiezen +had gehad, waar-i door ontlasting van z'n gemoed z'n wrevel had mogen +verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien +aan Femke's borst. + +Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die 't verband zouden +begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was, +die hy zoo verwenschte. + +Ik geloof namelyk dat Byron--in-weerwil van z'n verzen dan--inderdaad +dichter was. + + + + + + _Wouter's_ eerste studien in menschenkennis. _Il y perd son + latin_. _Leentje's_ extra-woordenboeksche bydrage tot de + kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen. + + +Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter 't oogenblik aan, waarop hy +begon zich rekenschap te geven van 't verschil tusschen _uiting_ en +_daden_, of--want hiermee nam z'n studie 'n aanvang--tusschen _woord_ +en _meening_. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds +om niet z'n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste +aanleidingen die hiertoe meewerkten, was 'n schynbaar onbeduidend +voorval. Hy had op last van z'n moeder iets in 'n winkel gekocht, +en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was +'t eens: "dat dit nu al heel dom was voor 'n jongen die.... + +Volgt: de schoolknapheid. + +...en: die in den handel zou gaan." + +--Maar, moeder, de man zei toch.... + +Allen berstten uit in schamper gelach. + +--Als men dáárnaar luisteren zou! + +--Nu, wat men in zoo'n winkel zegt! + +--Uiliger heb ik 't nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo'n man +bly is als-i z'n bedorven goedje van-de-hand kan zetten? + +--Maar, jongen, ben je dan niet recht wys? + +--Wat is er aantevangen met zoo'n kind! + +De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter's hoofd +losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by +Leentje geen troost vond. + +--Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is. + +Dit "ikzelf" was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde +zoowel: "ik, 't hooge hof van appèl!" als: "ik, die anders zoo +graag party voor je trek." Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor +Wouter's eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van +allen. Leentje zelf had het nu gezegd. + +--Maar de man zei toch... + +--Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet? + +--Maar ... hy gaf er z'n woord op! + +--Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen +ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter.... + +Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in 'n burgerlyke +boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op +beter lyst. Leentje's woorden hadden verdiend te weergalmen langs +onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen +door de spleten van 'n _krypt_. By de diepte van haar wysheid zou +'n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch +bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met +overlyden aan ergernis over 't ontsluieren van 'n nieuwe waarheid. De +geheimzinnige Isis zal de mond openen... + +--Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo'n man de waarheid zegt +of niet! + +--Wel, jongen... + +De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren +wisten wat er volgen zou. + +--Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de +menschen je zeggen, is maar _fut_, zieje! + +Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot 'n lager +soort van spreekwys behooren, was 't hem zeker meermalen in 't oor +gedrongen, doch altyd afgegleden op z'n onnoozelheid. Hy had het nooit +in z'n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in +termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog +zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse +van rededeelen 't gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch +'n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in +Leentje's toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder +redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon +herinnerde hem aan 'n stembuiging, aan 'n toonval, aan 'n melodie.... + +Neen, 'n melodie was 't niet! Waar toch had-i--en onlangs nog--iets +gehoord, dat ... dat.... + +Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar +maxime als 't ware 'n weerslag was.... + +Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy +herinnerde zich haar: "wel zeker, ieder moet handelen naar z'n +overtuiging!" en op den klank af, begreep hy Leentje's apodiktische +uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien 't woord +"fut" bekleedt in de nederduitsche taal. + +"Zelf uit de oogen zien!" En "ieder moet handelen naar z'n eigen +overtuiging." Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan +dan.... + +Ach, z'n nieuwe wysheid haalde hem dien dag 'n verdrietig geval op den +hals. 't Was diep in 't voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen +'t hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand, +begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de +nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid +dit, of zoo-iets, te zeggen. + +Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog +nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden, +ieder behalve die ondeugende jongen, die op z'n school.... + +--Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of 't geen schande-n-is! De aardappelen +zyn verleje-n-Oktober "opgedaan" en de man zei, ze konden best +twee jaar duren, want, zeid-i, 't waren expresse winteraardappelen, +overblyvers... + +--Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo'n man zegt, is... _fut!_ + +--Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu +ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik +zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg, heelemaal +leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor't schavot? Ja, voor 't +schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, 'n ware zonde! Mag +je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt +zeg _ik_ maar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet +je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van +versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zeg _jy_, Stoffel? + +Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel +voldoening had van z'n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde +by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by. + +--Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet +heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje, +in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom +niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je 'n mensch z'n moeder +... gut, _ik_ lust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je +moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar +exkuus, en zeg dat je 't nooit weer zal doen. + +--Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht +vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z'n +overtuiging, niet waar? + +De laatste opmerking ging Leentje's sfeer te-boven. Ze bleef er by +dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend +voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy.... + +Wanneer? Waar? Hoe? + +Indien de oorzaak van z'n ergernis zich bepaald had tot de +slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad +tot tevredenheid. Kort na z'n vreeselyke schavotzonde kwam hem +'n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By 't +behandelen van een der jonge-juffrouwen--in den burgerstand zyn altyd +'n paar huisgenooten ziek--had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er +doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend +gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de +man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z'n moeder haar +denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op 'n wys die +niet paste by Holsma's toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot +was z'n verbazing, toen-i z'n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde +worden in geheel andere richting dan onlangs toen _hy_ zich beklaagd +had over dezelfde zaak. + +--Juist, dokter, zei ze. _Ik_ zeg ook dat het geen behoorlyk eten +is. En de kinderen ook. En Wouter ook. 't Kind kan ze niet eten, die +glazige dingen! En als 't nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen: +wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we +'t goddank niet te overleggen, en _ik_ zeg ook: liever goeie boonen +dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m'n oudste +dochter--Trui heet ze, maar we noemen d'r Sertrude--zy heeft óók +gezegd: niet waar, Trui? + +--Ja, moeder. + +Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd +hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z'n kinderen verwacht +werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in 't late +voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die +Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet +alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als 'n oude bekende +dien men byzonder genegen was. 't Spreekt vanzelf dat Wouter niets +van dien ommekeer begreep. + +En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen +aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen +inteboezemen op z'n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had +haar niet weergezien sedert z'n ... zonderling bezoek, en wist dat +ook z'n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van +háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent +gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy +wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot +drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had +z'n afgelegd examen--of wat daarvoor heette doortegaan--'n normaal +verloop genomen. Maar nu? + +Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet +waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier 't +mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit "iets" +zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z'n moeder in +den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had +beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe +nu, indien zy aan 't licht bracht dat er over al die schoone vakken +geen woord gewisseld was, en dat Wouter's kwikzilverachtigheid daarvan +de schuld droeg? + +De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige +stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den +bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen +tot wrevelige klacht. Hy zocht 'n middel om 't huis te verlaten, +en was juist gereed met 'n voorwendsel, toen er gescheld werd: + +--Daar is ze, riep Petro die 't spionnetjen in 't oog had. Daar is +ze-n-al. Ze heeft 'r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen +op 'r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar 'ns open, als +'n jongen! + +Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo'n wys hielp 't uitgaan niet +veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie: + +_Tweede verwondering_.--Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur +te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat +je zoo'n best kind bent! + +En ze gaf hem 'n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid +en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke +bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe. + +--Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat's niet mooi van je! Komaan, +die boodschap zal zoo'n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht +maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer +vreugd, weetje. Dat zeg _ik_ maar. + +En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar +weer de kamer binnentrad. + +_Derde en vierde verwondering._ De heele familie Pieterse ontving +de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan +bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke +vordering: "dat zoo'n kind àlles weten zou!" + +Als Wouter latyn te verliezen gehad had... + +--Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de +juffrouw 'r hoed op 't kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro +gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in 't spionnetje, +en ze zei ... nou, dat 's tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi +zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen, +maar 't is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet +gezien. Onze Mine heeft 't weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan +de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar 't wil niet dóórgaan. Anders +... koekdeeg is 't beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van +snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo'n goeien +dokter ... niet omdat-i zweeren snydt--gut né, want-i is dokter, +weetje, en geen surezyn--'t is maar om te zeggen dat we zoo'n goeien +dokter hebben. En hoe gaat het _uwe_! + +De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die +praatjes werd geantwoord, mits-i zich 'n ander punt van uitgang +kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de +trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en +'t viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde +persoon was, die hem by 't binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na +de verbazing over den toon die z'n moeder aansloeg, was dit dan ook +de oorzaak zyner: + +_Vyfde verwondering._--En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem +z'n moeder. Ik kan je niet zeggen, m'n goeie juffrouw Laps, wat 'n last +ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut 'n boodschap doen--hy +moest 'n potlood koopen, weetje, om 'n landkaart te teekenen--want in +landkaarten is-i knap, en als 'n land niet deugt, veegt-i 't uit met +gommelistiek--en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon, +zeid-i. En ik geef 'm 'n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu +weer! Dat's geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps? + +--Wat _ik_ zeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met +'n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat's m'n zinnigheid en m'n +manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik.... + +--Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen.... + +--Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár, +daar in 't hoekje, zal blyven zitten zoolang ik 't verkies. Ik kan die +koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is +'n barsie in. Neem 'n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden +uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat +moet ik er in gods-heeren naam aan doen? + +--'t Zit 'm alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees. + +--In de dominees? + +--Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de +kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, 't Ware geloof gaat te-gronde +met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo'n kind wat +goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen +ik de genade nog niet had--met pinkster wordt het zeven jaar--maar +jawel! Prulwerk is 't, niets dan prulwerk. 't Heele woord "dominee" +komt in de Schrift niet voor. En "preek" ook niet. Wel lezen we dat +de vrouwen nederzaten aan Jezus' voeten. Dàt 's 't ware, zieje. + +Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse 't verband niet, tusschen de +klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele +kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen 't kenmerk is +van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op 't ontbreken van +'n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de +onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op +de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam 't er niet op +aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men +'t minste scheurtjen opmerkt en betreurt. + +--Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens +zeggen wat de zaak is? 'n Dominee is net 'n mensch als 'n ander. Daar +heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i +ook, Sertrude? + +Trui noemde een naam. + +--Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, 't is 'n naam die ... hy +heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont 'n man die byna +ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders.... + +--De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen +dat het kind naar de kerk gaat, in 't minst niet! Al zingen ze daar +telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ... + +De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen 'n heel andere afkomst hebben? + +... toch is 't beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt, +of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken +en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De +gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb +verleje zondag duidelyk aan 't kind gemerkt dat jelui dit schandeloos +verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In 't geheel niet, +volstrekt niet! 't Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten +en den tabernakel des Heeren. + +Hier volgde een beschryving van Wouter's gemoed, die juffrouw Pieterse +angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed +niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden--wat ze dan ook niet +was--en moest dus wanhopen aan z'n eigen verstand. Hoe toch kon zy +uit het voorgevallene by z'n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er +was immers geen tyd geweest voor 'n theologisch woord. Hy had niets +gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van 'n berisping dáárover, +vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had, +en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te +hopen toen z'n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan +"overhoord" had? + +--Want, zieje, 'n ieder leert uit z'n eigen boek. En als je dan +op-eens uit 'n ander boek gaat vragen.... + +--Ik vraag nooit uit 'n boek, riep juffrouw Laps, met 'n waardigheid +die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin +zit het hem niet! + +--Maar, juffrouw, zei Wouter met z'n gewone bedeesdheid, u heeft me +niets gevraagd! + +--Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je +niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m'n dank! Je ziet nu zelf, +juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders 't kind, +na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd +heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis' wil waar 't +naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z'n +eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der +verstoktheid van 'n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp +je-n-immers ook wel? Moest _ik_ je wat vragen, jongen? Of moest jyzelf +je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging +en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe +weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen +was-i, o ja ... maar dat's 't ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i +uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel! + +En ze knipte met de vingers. + +--Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps? + +--Stuur 'm gerust 'ns by me ... al was 't van avond nog. + +Wouter rilde. Maar gelukkig drong z'n moeder dien dag niet op +de herhaling van 't bezoek aan. Integendeel, na 't vertrek der +oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand +door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes +niet recht kon wys worden. + +Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om +haar niet te begrypen. In z'n onnoozelheid meende hy slechts de keur +te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf! + + + + + + _Wouter's_ intrede in 'n brok van de werkelyke + wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in 't vinden + van den oorsprong van 't woord _hypotheek_, dat geboren + is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in 'n + leesbibliotheek, naast snuif en tabak. + + "In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling + (_P. G._) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, + goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By + lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op 'n + fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden + worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven + brieven onder 't motto: "_Handel_" aantemelden by den boek- + plaat- en kunsthandelaar _E. Maaskamp_, Nieuwendyk by den + Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is... + + +Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam, +weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die +Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma +herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van +zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in 't whistspel. 't Was +'n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen, +waarnaar zich de "_incroyables_" en "_merveilleuses_" kleedden... niet +precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering +van 13 Juni 1795, die: "_bevallige tooy_" voorschreef "_bestuurd door +nette eenvouwigheid_." + +De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik +hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te +brengen. Ik wil namelyk by 't schetsen van Wouter's ontwikkeling niet +gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve, +2º om wáár te blyven in hoofdzaken. + +Ik weet zeer goed dat het "P. G." waarop met zoo aandoenlyke +geloofsvastheid gelet wordt by 't kiezen van keukenmeiden, +boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei +der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik +noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige +stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog +belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor +'t korrekt aanhalen van 'n diploom. Psychologische kunstwaarheid +heeft àndere eischen. + +Wanneer 't me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà +Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik 't zonder +gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis, +na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam, +zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan +ik _nu schryf_. Of men 't ooit waargenomen heeft, is de vraag. + +Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk +"P. G." werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van +de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet +... welnu, 't had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo. + +--Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy, +Stoffel? + +--Ja, moeder, 't kan niet mooier. + +--Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag. + +--Op goed _zedelyk_ gedrag, moeder! + +--Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik +je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je +dàt, Stoffel? + +--Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben. + +--Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik +je niet altyd precies 't zelfde gezegd? En ... ze vragen: "P. G." Dat +ben je, goddank! + +--Ja, moeder, dat is-i! + +--En, Stoffel, als _jy_ nu eens den brief schreef? Wat dunkt je +dáárvan? + +--Maar ... er staat: eigenhandig! + +--Wel zeker! Als jy nu eens 'n eigenhandigen brief schreef. Dat is +toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo'n kind het doet? + +Stoffel slaagde niet zonder moeite in 't begrypelyk maken dat hier +zeer in 't byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd, +en dat de zyne--hoe mooi ook--in dit geval niet baten kon. Wouter +werd dus aan 't schryven gezet. + +--Maar ... wat moet ik er boven zetten? + +--Weet je dàt weer niet? 't Is heel eenvoudig! Je moet schryven: +_Weledele Heeren!_ Er staat immers dat het 'n gevestigde handelszaak +is? + +--Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook 'n zaak heeft gehad, +'n _zaak_, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze +dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet. + +--En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ... + +--En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ... + +--En van goed zedelyk gedrag ... + +--En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je +misschien terstond salaris. + +Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk +in 't voor-den-dag brengen van 'n staatstuk dat aan alle eischen +voldeed. 't Adres werd, na rype deliberatie: _Aan de Weledele Heeren, +den heeren ... motto_: "handel." + +Maar ...'t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge +handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z'n +wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ... _motto: +handel_, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden +zien. "Maar, zeid-i, zeg 't er dan by, als je m'nheer Maaskamp te +zien krygt." + +Met 'n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle +voorbygangers 't hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld +intrad, en bezig-was den "handel" te bestormen. De geringe dunk dien +hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens +in, zich aantemelden by _Weledele Heeren_ die 'n "gevestigde zaak" +hadden. Zóó stond er in de advertentie, en 't zou dus wel waar wezen. + +By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in +kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook +die man 'n gevestigde zaak hebben? En 't was alweer karakteristiek, +dat-i verzuimde naar 'n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo'n +"gevestigde zaak" dan toch eigenlyk voor 'n ding was? En wat men te +verstaan had onder: niet-gevestigde zaken? + +Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen. + +Stamelend vroeg hy aan 'n bediende in den winkel verschooning dat de +brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam +Wouter's dokument in 'n bakje waarin reeds 'n paar dozyn stukken van +gelyken aard op 't goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto, +Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de +man uit den prentwinkel niet in, daar-i 't juist byzonder druk had +met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter +watertandde naar zoo'n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar +wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien +hy was op weg naar "handel" en niet naar heldendaden. + +--Later, later! dacht-i. + +Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z'n +moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel +was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker +hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit 'n slechte noot zou +kunnen geven by de beoordeeling van z'n goed zedelyk gedrag waarop +de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie, +zoo byzonder gesteld waren. + +--En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut, +Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen +zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo'n advertentie? Ieder +wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op +geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op 't goeie zedelyke +gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen! + +Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en 't +adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, +en al de anderen die nu "haantje-de-voorste speelden" zouden achter +'t net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het +was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de +voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid +haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere +kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op 't voorrecht dat +z'n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen. + +--Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen +steek. Hy kòn 't zelfs niet! 't Is maar, zieje, om te bewyzen, dat +we-n-ook 'n zaak hadden, 'n effektieve _zaak_! Gut, de man nam nooit +'n elst in z'n hand. Is 't waar of niet, Stoffel? + +De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar +ze woonden, maar ze hadden 'n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd +met 'n leesbibliotheek, gesticht op den _Zeedyk_, niet zeer ver van de +plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de "grootste koopstad +van Europa" werd opgezet door 'n paar visscherlui. Van parallel +tusschen 't succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak. + +Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen +achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van 'n paar +lood snuif, waarop 'n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel +inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden +de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan 't hoofd te +staan van 'n "gevestigde zaak." + +Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien +gemaakt had over de beteekenis van 't woord: "handel" zoud-i by deze +gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i +niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat +hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z'n +gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van 't woord "handel" niet +vroeger had begrepen. _Nu_ wist-i 't! "Handel" beteekent zooveel +als in hemdsmouwen achter 'n toonbank snuif te wegen. En ... op den +_Zeedyk_ nogal! + +Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide +visschers--laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei +geslacht waren!--die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam +"stichtten." Maar ook aan m'n lezers heb ik verplichtingen, en om +hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld +visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, +'n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By +stedenstichters is dit 'n allergewoonste, maar toch onverklaarbare, +fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun +belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun +eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om 'n deftige +afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te +bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden. + +Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen +slaan op de keuze van 't plekje waaruit de adel van hun nageslacht +zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid? + +De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van 't huis +in, en stond door 'n zydeur in gemeenschap met 'n leesbibliotheek, die +'t vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes, +rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden +de geheele breedte van 't perceel, en gaven door overeenstemming +van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing en lettersoort der +opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den +bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, 't Moest 'n byzonder +domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de "zaak" van de heeren +Motto, Handel & Cie "gevestigd" was op twee industrien te-gelyk. Wie +niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien, +en omgekeerd. + +Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er +in die lokaliteit iets "gefabriceerd" werd. De ordonnateur van 't +opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder +geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en +smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan +'t verkoopen. Juist andersom dus dan we 't genoegen hadden waartenemen +by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn 't nog niet +eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie +'t eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en 't andere +versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z'n karakter, staat hooger +dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de +voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn. + +Of 't evenwel waar was dat er in de hier "gevestigde zaak" inderdaad +iets _gemaakt_ werd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes +uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling +van allerbest zedelyk gedrag, die zoo'n byzonderen lust in werken +hebben zou. + +De handelswaar waarmee 't winkeltje gestoffeerd was, bedroeg +ter-nauwernood de waarde van 'n jaar huur, en de booze wereld van den +_Zeedyk_ durfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen, +waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden: _rappee_ en _zinking_ +te lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van 'n +uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks +kwam kyken of z'n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht +hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê] + +De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door 'n +groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp +zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt +gesproken, was dit ook zoo. Er hing 'n verweerd scheerspiegeltjen in +die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel--op dit oogenblik +getooid met de jas van den Weledelen heer Motto--en van 't halfrond +tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop 'n pomadepot aan 'n kam +scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door +'n mislukte poging tot tandwisselen. De heer "patroon" Motto namelyk, +hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan "handel" wydde, +niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door +Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links +van z'n gelaat 'n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel +moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte +van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam. + +Dat overigens in dien winkel zelf 'n groote rol werd gespeeld +door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den +oudheidkundigen lezer, die Motto's lokken geen plaats geven kan +naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in +synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen +op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over +de geschiedkundige perioden van m'n verhaal. In Wouter's jeugd was 'n +sigaar nog altyd 'n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan +'n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido +laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester +van Numa Pompilius aanstelt. + +--Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i 't oude +vrouwtje geëxpedieerd had "met 'n snuifjen uit den pot _toe_." En +wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En +wat doen je ouwers? + +--In ... schoenen, m'nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik +niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe. + +--Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalf _pietje_? Wouter +stamelde dat-i 't niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid +als ik in de meesten van m'n lezers veronderstel, voor zoover ze +'t geluk hebben minder dan 'n halve eeuw oud te zyn. + +--Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat +'n _pietjen_ is? En ken je-n-'t verschil wel tusschen 'n _zest'half_ +en 'n schelling? En tusschen _daalders_ en _acht-en-twintigen_? Kyk ... + +De heer Motto trok de lade open, en scheen naar 'n "_daalder_" +te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor +deze keer met 'n "zest'half." Hy stelde Wouter's handelskennis op de +proef, door hem optedragen 'n "schelling'" daarnaast te leggen--in z'n +verbeelding--en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van +'t verschil. Dit alles moest men "in den handel" precies weten en +kennen, beweerde m'nheer Motto. + +Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen +geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z'n hemdsmouwen +snuif verkoopt achter 'n toonbank. Het was zeer juist gezien van +den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte +voor iemand die "in den handel" gaat. De overlevering luidt dat-i er +grondbeginselig byvoegde: + +--Dat's 't voornaamste! + +--En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet +zeer bemoedigenden toon. + +Helaas neen! + +--En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten? + +Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep. + +--Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m'n zaak, en je begrypt +dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta +je deensch? + +--N... e... e... n, m'nheer! + +--Zoo! Deensch ook al niet? 't Is maar, weetje, omdat hier soms wel +'reis deensche matrozen komen om 'n onssie tabak te koopen. In 'n zaak +als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat's 't voornaamste! Anders +ben je _fittu_! Grieken heb ik hier ook al gehad... + +Wouter's gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke +heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten? + +--Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden 'n pruim +negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de +kleintjes passen is 't voornaamste! Anders ben je _fittu_, zieje? 't +Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen, +om alle-man te-woord te staan. Dat's 't voornaamste! Maar dat's nou tot +daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is +soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet 'n mensch +z'n zekerheid hebben. Dat's 't voornaamste! Anders ben je _fittu_, +dit begryp je zelf wel. + +--M'n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de +borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet +wist wat-i zeggen moest, en toch 'ns eindelyk wat zeggen wilde. + +--Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je +dan geen moeder die voor je storten kan? + +--Ik... zal... 't... 'r... vragen, stotterde Wouter. + +--Wel zeker! Ga jy 'r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den +handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat's 't +voornaamste! Anders ben je _fittu_. Hier is nòg 'n winkel. Daarin heb +je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat's 't voornaamste! + +De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs +de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet +zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal +niet veel anders dan 'n inslagtrapje dat dienen moest om de wat +hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en 'n dik boek +waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen +zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen +laven voor 'n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter's +tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig, +en abonnement was uitzondering. + +--Zieje, zei m'nheer Motto, daar is 't boek, of wat je zou kunnen +noemen: 't grootboek. Je verstaat toch 't boekhouden wel? + +Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder +de vele vakken die hy niet bestudeerd had. + +--Ook al niet, jongen? Dat's toch in den handel 't voornaamste! Want, +zieje, wie dàt niet kan, is _fittu_. 't Is heel eenvoudig. Je moet +opschryven wie 'n boek haalt, met dag en datum er by, en 't huisnummer, +en de straat, en alles. En als ze-n-'t weerom brengen, dan haal je-n-'r +'n streep door. 't Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als +je de menschen niet kent, moet je... + +--Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist. + +--Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van 't heele werk. Want, dit +begryp je, als er één deel weg is, is 't heele werk _fittu_. Van de +sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik +moet eerst weten of je moeder ... ga 't 'r maar 'ns gauw vragen! Ik +heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd--want aan jongetjes die in +'n zaak willen, is waarachtig geen gebrek--maar als 't dan aankomt +op Mozes en de profeten--de borgstelling, weetje!--dan halen ze +bakzeil. En dat's toch 't voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders +... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je +storten kan! Ajuus! + +Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in +hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den +"handel" was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende +hy, in 't weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i +zeker 'n allerontmoedigendst relaas van z'n wedervaren hebben afgelegd, +indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos +konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen! + +Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden +familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen +Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den +"handel" gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste +met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er 'n som van honderd +gulden zou worden gestort, die 'n jaarlyksche rente van drie en-'n-half +procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze +transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van +'n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. "Maar, zei ze, +men moest wat over hebben voor z'n kinderen." + +Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i +van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of +'t eerste derde. Hy was zoo vry z'n verwondering hierover in gepaste +bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen: +_& Compagnie_, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde, +en dat ook de heer Handel 'n voortbrengsel was van Motto's ryke +verbeeldingskracht. Als 'n Atlas droeg deze de dubbel "gevestigde +zaak" op z'n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken +van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid +zocht 'n deel van z'n last op den nek te wentelen van 'n protestantsch +jongetje dat lust in werken had, en ... _cautie_ stellen kon. Dit was +'t voornaamste ... inderdaad! + +Wel eenigszins ten-nadeele van z'n tabaks- en snuifkennis, omvatte +Wouter's gemoed het ander deel van z'n werkkring met 'n liefde +... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i +ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het +verslinden van al die boeken niet! Met 'n waren geeuwhonger slikte +hy ryp en groen in--véél ryps was er niet by!--en las hy al sneller +en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in 't voorzien van +den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra +beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen +dan eigenlyk 'n auteur aangenaam is. De bekwaamste _faiseur_ kon +geen tien bladzyden lang 'n vondelingetje doodarm laten, zonder dat +Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee 't kind zou +getooid worden op 't laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in +'t onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van +dezen vooruitgang--eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, +want men kon 't als 'n stap tot hooger beschouwen--zichzelf geen +rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na +zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden +z'n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle +ontwikkeling van z'n _begrip_, bleef by hem de naïveteit van _smaak_ +en _opvatting_ ongeschonden. Al _wist_ hy welke ridder straks onder +de hoede van 't Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou +in het tournooi, toch had hy 't geduld zich langs de voorgeschreven +_ficelles_ te laten leiden tot op 't oogenblik van den officieelen +triumf, en hy zou 't zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde +vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen: + +Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de +Bois-Guilbert flink op den kop slaat! + +En ... en--och, ik durf 't byna niet zeggen, doch wáár _is_ het!--hem +bezielde daarby 'n gevoel alsof hyzelf... + +Ivanhoe was? + +Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den +uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen +booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan in _Valentins day_, +en den solieden moed van den nuchteren Sigismund in _the Maiden of the +mist_, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter +Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben, +èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van +'n godsoordeel! + +En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder +had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien +voorbarigen lord in Griekenland toe! + +O, als _hy_ 't boek geschreven had, als _hy_ de god ware geweest, +die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten +op hun respektieve plaatsen zet... + +Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de +snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere +dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig. + +'t Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op +'t gebied van 't goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog, +en niemand 'n sigaar "van de tien" in-handen stopte voor 'n dito +"van de acht." En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want +de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en +andere rubrieken aangevuld te houden uit de soort die eigenlyk "van +de twintig" zou moeten heeten, als zy 'n naam gedragen had. De heer +Motto beweerde dat z'n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze +in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. "Je moet altyd +zien wien je voor hebt, zeid-i, dat's 't voornaamste!" + +Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was +hem _tien_, acht was _acht_, onverschillig met wien hy te-doen +had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van +liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van +onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien +men hem op eenvoudige wys gevraagd had: "is 't _waar_ wat je daar +zegt?" zoud-i hoogstwaarschynlyk _byna_ altyd--en toen-i moediger werd: +_altyd_--geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken! + +Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren +was. Zeker werd z'n afkeer van onjuistheid--vreemd genoeg!--gevoed +door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking +neemt dat slechts 'n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde +van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z'n tyd +beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest +zyn met byna ieder ander kind. Maar z'n natuurlyke inborst dreef +hem--naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid +der kennismaking met Glorioso--om voornamelyk behagen te scheppen in +wat ik in _Millioenen-Studien_ "zedelyk rym" noemde. De als dapper +geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen +doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter +zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van 't +stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, +of lieten zich aanwerven by 'n aan den dood gewyde kohorte. Dat's +korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs +in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door 'n schryver benoemd +was tot model, had geen smetjen op z'n kleed, 't Was de vraag of +zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is 't, dat-i in al +die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig! + +Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit 'n oogpunt van _Kunst_ +aankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet +aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, 'n verkeerde voorstelling, +en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was 't voldoende +dat ieder die in zoo'n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de +schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De +helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de +halve wereld. En, ook God--Wouter's god--vervulde in al die boeken +z'n plicht veel beter dan ... byv. op den _Zeedyk_, waar-i gister nog +'n kleinen jongen had zien mishandelen door 'n groote. 't Moest eens in +'n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn! + +En ook Wouter had getracht... + +Kon hy 't helpen dat z'n patroon hem op strengen toon terugriep? + +--Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas +dáárop! Nooit je-n-inlaten met 'n andermans krakeel... dat's 't +voornaamste! + +Ziedaar 'n wysheid van àndere soort dan in z'n boeken stond! + +Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver +van z'n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort +daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind +gebrachte: _Sophia's reize van Memel naar Saksen_--och, Wouter vond +Sophia's oneindige reis veel te kort!--en eindelyk by planken. By +planken, ja, en juist zoud-i 'n begin maken met de laatste, toen-i op +zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De +Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika--'t voornaamste +zeker!--en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had +'n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden: +_rappee_ en _zinking_ al dan niet mochten verzwolgen worden in de +"faillite massa." + +Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien +op den _Zeedyk_ te Amsterdam geraadpleegd te worden... + +Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over: +_râpé_. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen. + +We willen hopen dat ieder 't zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw +Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde +als vroeger: "dat er met dien jongen altyd wàt was!" + +Alsof Wouter 't helpen-kon! + +Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z'n +lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel +klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo'n geval gaarne +weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de +Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te +maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat +Bulwer's _Paul Clifford_ wel inderdaad de zoon was van de stiefdochter +zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of +wat anders, als 't maar terdeeg spannend en onmogelyk is. + + + + + + Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke + bruikbaarheid van slecht voedsel. + + +Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den +aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan 'n ander proces, +dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen +bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze +faktoren 't meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en +we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard +hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens, +wyl ze had kunnen dagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer +weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig +man in de negentiende eeuw zich aanmatigt 'n denkbeeld te vormen +van _Recht_, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen +wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in +hooge achting, te-meer omdat ze--na Cicero's waarschuwing--finaal +afgeleerd hebben elkaar in 't gezicht uittelachen wanneer ze 't +genoegen hebben 'n kollega-_auspex_ of 'n konfrère-_haruspex_ te +ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen'skamers doen, staat +aan hun bescheidenheid. + +Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en +zaadkorrel, 'n _question brûlante_, waarmee onze overgrootouders zich +den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan 'n +Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de +gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten +moet, noch op de hoedanigheden van 't gestrooide zaad, noch op die +van den bodem. Het komt me voor, dat ook--en misschien vooral--de +_verhouding_ tusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in +aanmerking genomen worden. + +Zéker is 't dat de in Wouter's gemoed uitgestrooide romanlektuur +niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn +door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd +had. Ook de aanraking met dien Motto en 's mans zonderlinge klanten, +had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had +kunnen verwacht worden. + +Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter's +ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit--er hoort moed +toe!--dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is. + +Wouter's gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De +omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid +van z'n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en +zedelyk vernietigen--en hierop scheen de kans het grootst!--òf +... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder +die--zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van 't kind, +maar overigens voldoend ingelicht--van de zaak had kennis gedragen, +zou 't ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone. + +De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter's hoofdeigenschap +uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes +van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te +bezwyken. Het moest schynen of z'n gevoel, na wat ziekelyk en +onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid, +zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou +dan ook 't geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest, +niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy 'n andere hoedanigheid die hem +staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde +romanlektuur hem dapper te-hulp kwam. Wouter leefde maar voor 'n zeer +klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z'n ziel +woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z'n helden en heldinnen +te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder, +maarschalk en--alweer precies als in Afrika--koning. Meer nog, hy +voelde zich de verantwoordelyke persoon, de _deus ex machinâ_ van +rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis, +by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den +angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter? + +De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had +kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken +over den dienstyver van z'n leerjongetje. Hy was er de man niet naar, +om den hartigen toon van Wouter's antwoord optemerken, als deze door +hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig: +"ik kom!" waarmee dan 'n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken, +klonk veeleer als 'n krygshaftig: "_ce sera moi, Nassau!_" dan als blyk +der gewilligheid die elk "patroon" eischen kan van winkeljongetjes die +lust in werken, en--onder borgstelling voor de geldlâ--'n behoorlyk +geloof hebben. + +Wouter's ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door 't vuil waarin +men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot +taak had gesteld z'n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te +oefenen in kracht. Noch 't een noch 't ander was echter het geval. Hy +kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze +eerste levensproef z'n behoud alleen te danken aan ... smaak, die +toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen +de beelden die z'n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den +Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys, +toon, manieren en ... gedrag van z'n omgeving hebben nagebootst, +hy die zoo precies wist hoe 'n edele ridder zich uitdrukt? Hoe +'n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in 't +gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog +niet eens van z'n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z'n eigen +zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten +en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven +adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem +behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou +hy--op de bewustheid na--te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden +krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel, +niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor 't ééne noodige, +voor 't behoud van het _goede_. + +Dat ons kind het goede voor-als-nog op 'n verkeerde plaats zocht, doet +hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z'n streven niet, +ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef. + +Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om 't punt te +bereiken waarop z'n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende +tusschen _te_ hoog of _te_ laag, was 't voor hem 'n logische +noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meening +dat men meer kon zyn dan _goed_, dat men edel moest wezen, en verheven! + +Gewis, 't _is_ 'n fout--en 'n zeldzame!--maar beter dan menige soort +van _niet_ zeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in +'t gemeene! + +Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden +in de werking van zekere boeken op Wouter's gemoed. Evenals dokter +Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd +werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig +recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die +leesbibliotheek op den _Zeedyk_. En ik zou 'n slordige geschiedschryver +zyn als ik daarvan geen melding maakte. + +Daar waren drie, vier, planken, die met 'r allen één schryver +torschten... [30] + + + +Van Wouter's menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl +breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte. + +Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in +allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak +is. Nog minder van menschkunde. + +By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en +uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam 't denkbeeld +dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid, +niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten +vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want +z'n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat +het slenteren en draaien en 't schipperen met halve waarheden, tot de +attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap +had kunnen geven van z'n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt +hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik +"groot" zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen! + +Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma's op, schoon ook +daar 't genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte +het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder +houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat +de behandelde onderwerpen z'n kennis teboven gingen, en tevens dat +de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z'n bereik was. + +In dit laatste opzicht was-i door z'n schuwheid bewaard gebleven +voor ... erger dan niet te kunnen "meedoen." Hy onthield zich van +'t belachelyk pogen. + +Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy +was dus niet op z'n neus gevallen. + +Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde +gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof: +"de kunst van lezen." In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te +zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al 't gewicht van +iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst +over 't voordragen der bekende leerstelling: "myn vader gaf my dezen +nieuwen hoed." In de "_Oefening in 't kunstmatig lezen_" uitgegeven +door de Maatschappy _tot Nut van 't Algemeen_, kwam deze zinsnede +voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van +toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in +verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien +nieuwen hoed, en meende nu... + +Doch Holsma behandelde iets anders. Maar 't was weer het oude: de +kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer. + +De grond van z'n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in +de behandelde zaak--deze was geenszins boven z'n begrip--maar in +de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale +geleerdheid toeschenen alleen omdat z'm ten-eenen-male onbekend +waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het +besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook 't weinigje dat-i wèl wist +niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op +den weg te helpen, ontsnapte niet aan z'n fyn gevoel, en maakte z'n +toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen +kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader +stond, even misplaatst als te-huis. + +Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Herman--die in latyn +deed--was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het geval. [31] + +De wyze waarop Holsma's klacht over gebrekkig lezen behandeld werd, +mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb +uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor 'n arts +zoo verdrietig was z'n patienten te zien vermoorden met rottekruid, +als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven. + +--Maar, m'nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daarover +_beklaagt_? En als men dan _nogeens_ uitdrukkelyk zegt dat men geen +vergif bedoeld heeft? + +--Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft +aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum. + +--Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske. + +--Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de +menschen zoo? + +--Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang, +maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traag zyn om met +eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er +geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan 't napraten van +wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid, +en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote +massa laten schreeuwen wat men wil. + +Wouter begreep alweer 't woord "massa" niet, daar het in die dagen +nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend +de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had +geholpen. + +--Dat is zooveel als... 'n heele troep, zei ze. + +--De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of... + +--Maar, m'nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers +spreken veel menschen tegelyk? + +Holsma begreep de oorzaak van Wouter's misverstand, en misschien +oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na "dom" nog iets anders willen +zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere +uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden, +en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking +begrepen waarvan 't gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter, +juist dóór z'n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze. + +Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds by +_Genesis I_, vers 1, te vragen: "maar m'nheer, hoe weet ge dit?" Wel +te verstaan, indien hy Mozes en _Genesis_ had ontmoet in onheilig +gezelschap, waar 't denken aangemoedigd werd en 't meespreken +geoorloofd was. + +De nuchterheid van z'n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde +der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in +oneigenlyken zin, en dat Sietske's vertaling niet zeer korrekt was, +doet hier niets ter-zake. Het woord: "dom" beteekende naar Wouter's +schoolsche opvatting, dat men z'n les niet kende, dat men den naam van +zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn, +Pennewip's leerlingen _en bloc_ 'n domme schoolmassa te noemen? De een +kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon 't oom Sybrand bekend wezen +dat 'n "heele troep" menschen--zóó had Sietske vertaald--te-zaamgenomen +"dom" was? + + + +Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door +sommigen kan begrepen worden. + + + +Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan. + +Och, 't deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die +hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy 'n domheid gezegd te +hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z'n onwetendheid, +bewys gegeven van intelligentie. + +Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist +was er in die dagen--d.i. _niet_ in die dagen, want m'n kronologie is +allerverwardst--te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot +de toelichting: waarom men de "massa" niet zoozeer _dom_ noemen mocht, +als... als... ja wat? + +Er was 'n verandering gebracht in 't belastingstelsel. Zeker bedrag dat +vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven +van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In +zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen +openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en +Philantropie. 't Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen +op _bezitters_, niet op de minderbedeelden. + +Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen +belasting, _plus_ 'n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood +om oud yzer. + +Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder +gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in 't belang der +armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. De _eigenaars_ van kleine +huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt. _Wie_ gebruikten zy nu +om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-_bevoorrechten_! Het "gemeene +volk" doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de +meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de +markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de +"dienders" te water, mishandelde de "veteranen" die te-dier-tyd +Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid +van de gebruikelyke soort. + +Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere +intelligentie, wanneer men z'n wrok lucht geeft--en op _die_ +wys!--tegen een maatregel die naar 't gevoelen van de oproermakers-zelf +in hun eigen belang genomen was. + +Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de +verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En +dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van +toepassing geweest zyn. Ieder _op-zichzelf_ was verstandig genoeg +om de zaak juist te beoordeelen. Met _hun allen_ echter sloegen ze +zonder de minste geldige reden den boêl stuk. + +De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de +intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen, +kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets +anders dan de _Rede_. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich +wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl +begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit: +een _Ziel_. + +Wie de "massa" van 't Volk _dom_ noemt, begaat de onnauwkeurigheid +die er liggen zou in de meening dat _vyf_ beminnelyk is, of _lucht_ +driehoekig. De "massa" als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet +verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft +geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door 'n +samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haar hoofdeigenschap, +in stilstand en beweging beide, is: traagheid. + +Wouter had schik van z'n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest +van 't bovenstaande antwoordde. + +Toch bleef hy verdrietig over z'n onkunde, en hy nam zich voor, +meer te leeren. + + + + + + _Strabbe's_ regula van "menging" onder de oogen + gezien, in-verband met de manier om onbruikbare + zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel 't pond + verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke + heldenmoed die van beter getuigt. Alweer Juffrouw _Laps_! + + +Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by 't overgaan van +een der pleintjes die men te Amsterdam "markten" noemt, op 'n bende van +'t gemeen, die bezig was de geschonden rechten der "huisjesmelkers" +heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf. + +--Die... _massa_ is niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te +doordringen van de pas opgedane wysheid. _Dom_ is ze niet! Misschien +zelfs niet _onwetend_ ... neen, ook dit is onjuist. 't Is maar +dat ze... niets weten _met hun allen_. Zeker zyn er wel verstandige +menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de +moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht +dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze 't kunnen. + +'t Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen +gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet +door de "massa" die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt, +voor-zoo-ver deze zich openbaren op _dynamische_ wys. Vanhier dan +ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van 't +geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich +daartegenover stelt. Ieder zegt: "ze" deden dit of dat. "De menschen" +liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. "Ze" wisten niet wat ze +wilden. "Ze" waren gek, wreed, lafhartig, enz. + +Niemand spreekt by zulke gelegenheden van "ik" noch zelfs van: +"wy." 't Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts +de beweging te _volgen_, en geen besef heeft hoe dat vermeende "volgen" +wel degelyk de uitwerking heeft van _meestuwen_. Ook deze begoocheling +komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op +'n vergissing. + +Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon te _denken_, en dat het de +moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z'n gemoed. Hy +zag in dat de "massa" waarop hy stuitte, te laag stond om... dom +te zyn. + +Ook kon men ze--in hoedanigheid van "menigte" alweer--niet beschonken +noemen, al zy 't dan dat het getal nuchtere lieden die aan de +samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo, +was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets +dan 'n fiktie. _Een Menigte_ kan zoomin drinken als denken, en heeft +dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig. _Een +Menigte_ is, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy +is niemendal. + +Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode: _om te +geraken tot waarheid in het algemeen_, kon Wouter zich nog niet +inlaten. 't Was al wèl dat-i over de ydelheid van 't kwalificeeren-zelf +nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer op +_zedelyk_ terrein toekomt aan den individu. + +Hy voelde--en zeer ten-rechte, waarlyk!--dat hy hooger stond dan +al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al +ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was +'t die goede dokter Holsma. + +Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou +tot 'n deel van zóó'n geheel! + +Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan +in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid... + +Wel zeker: "ieder moet handelen naar z'n eigen overtuiging!" Zóó +had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der +toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging +slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe's "_regula_ +van menging?" + +_"Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers, +en van zeven stuivers het pond, en wenscht..."_ + +De goeie Strabbe geeft z'n kruieniers nooit _Souchong_ van geen-één +stuiver te mengen onder de "massa" die hy verkoopen wil tegen zóóveel +winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek. + +En Wouter ging met denken voort. + +..._hy wenscht van al die theesoorten een_... "massa" _te maken_... + +Daar is 't woord weer, het nieuwe woord van de Holsma's! Welnu, +gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees, +liefde, haat, deugd, en vooral: _zedelyke verantwoordelykheid_... dit +alles is geen _thee_, die men mengen kan om ze aan den man te brengen +tegen zekeren prys! + +Wie 't beproeven zou, verrekent zich, omdat de _menging zelf_ +'n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe's rekentalent +ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars der _regula_: "van +den mensche en deszelfs eigenaardigheden." + +Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort, +en wat volgens de "Gezelschaps-rekening" den auteur toekomt. Daar +echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my, +nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. 't +Is wel mogelyk dat ik Wouter 'n beetje wyzer voorstelde dan-i nog +wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou ze _niet_! + +We zyn weer op die "markt." + +Nog altyd stonden daar 'n paar oud-gedienden op post, en +bewaakten... ik weet niet wat! + +Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op +dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de +bestbespraakten onder 't volk uitgescholden. "Bloeddieven" waren ze, +en--de lezer raadt het zeker al--"opvreters van Stad en Land." + +Wouter vond--o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!--dat +ze 'r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken +van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels, +en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de +bekende kreet, als 'n beroep op _zyn_ hulp! + +De toon was minder liefelyk, dat's waar, dan Amalia's: + + + Waar is... warre, warre, wou... + Wouter die me redden zou? + + +Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker +kraken: "je bent iets... toon het!" + +O, 't prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven +verkondigen! + +Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op +zekere beleediging geantwoord: + +--Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar 'n pruim tabak had! + +--Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z'n nieuwbakken, +speciale zaakkennis, als opgewonden door 't denkbeeld dat hy 'n blyk +geven kon niet tot de "massa" te behooren. + +De man begreep noch 't uitgesproken woord--_negrohead_--noch de +bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z'n aanvallers +geschaard had. + +Wie kon ook raden dat zoo'n kleine jongen 'n geheel àndere beweegkracht +in z'n ziel had, dan die waardoor zich de "massa" liet voortdryven? + +--Komaan, jy snotjongen, hou jy 'r je nu maar liever buiten! Wacht +tot je droog achter je ooren bent! + +--Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door 't gejoel heen. + +--Hè? + +--Tabak, negerhit... echte! riep Wouter. + +--Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen +kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke! + +"_S...s-gauw late_" beduidt: iets _volstrekt_ niet doen, iets zóó +byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan +'t wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... 'n slag in +'t gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld. + +Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend +had van 't prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei: + +--_Ik_ zal dien man tabak geven! + +Ach, hoe heerlyk hy dat "ik" intoneerde! De "nieuwe hoed" uit z'n +leeslesje was er niets by. + +--_Ik_ zal dien man tabak geven, _ik_! + +"Of sterven!" zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon +'t hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als 't gevorderd werd. + +Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was! + +Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel +den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen +van z'n zaakkennis. Al ware hyzelf in 't bezit geweest van twee +"gevestigde" zaken, hy had niet met meer _aplomb_ z'n bestelling +kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog, +en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te +doen doorgaan voor 'n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die 't wist, +met 'n specialiteit! + +Nu, 't liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk +het te veel betaalde terug. + +Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid +hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma's verliet! Dit +had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in 't heerlyk +bezit gebleven van 't geldstuk, dat z'n moeder hem had meegegeven +"voor de meid" omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op 't fatsoen +gesteld was. + +Maar 't aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat, +had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook +vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen... + +De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter 't meest. + +--Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met 'n stemmetje zoo +zacht, op 'n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk +en bescheiden... + +Wat er 'n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen, +waarvan geen enkele hem bedreigd had! + +Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z'n +heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven +'t hoofd--waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels +opgestoken, dan dat peperhuis met 'n stuiver tabak!--en bereikte den +man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had... + +Wèg was z'n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer +uittarting dan 't aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden, +zette hy den kerel z'n schouder in de lenden, en boorde zich dóór +tot de voorste ry: + +--Dáár, man! Ziedaar tabak--negerhit, weetje?--'n snotjongen ben +ik _niet_! + +De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man +aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z'n overtuiging: dat-i +'t wel s...s-gauw "late sou." Hy scheen te vragen welke aanmerking +de profeet te maken had op dit protest tegen z'n voorspelling? + +De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte, +sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet +de verheugde tabakspruimer door 'n nogal bekende soldaten-aardigheid, +de voorsten van den troep aan 't lachen had gemaakt: + +"beter 'n halve pruim in je mond, as 'n heel stuk in je... kraag!" + +Al wat de voorvechter van 't non-interventiestelsel tegen Wouter +inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde... + +O, _Thermopylae_! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, +Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z'n harnas ontgespen? Hoe is +de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder, +linkerheup, rozet... + +De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat "die kleine jongen +'n s...s-brutale bliksem" was. + +Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren +dat de man zich bedroog. De door hem--tot z'n eigen verrassing +waarlyk!--aan den dag gelegde moed was 'n uitvloeisel van geheel àndere +gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen, +beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden +bestaan die hem 'n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en +deze ervaring deed z'n ziel groeien. + +In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond +van dezen dag. + +Och, als Femke 't gezien had! + + + +Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z'n +leertyd op den _Zeedyk_. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even +naby als op die markt, zonder daaraan 't verheffend denkbeeld van +stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had +hem 'n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd +dat deze eigenschap "in den handel 't _voornaamste_ was." + +Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de +onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z'n eigen +onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en--als met de leugens--kwam +soms de wensch in hem op: "wanneer toch zal ik groot genoeg zyn, +om me zoo mannelyk uittedrukken?" + +Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische +bywoorden, wanneer z'n lektuur hem daarvoor niet bewaard had? + +Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor +deze soort van gemeenheid, door z'n onbederfbare lust in 't exakte, +een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart. + +Eens was-i genoodzaakt geweest, 'n kwajongen die steenen in den winkel +wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was 'n scheldwoord +gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt: +_dief_! En wel met 'n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient, +en dat ik dus mag overslaan. + +--Hoe kan die jongen beweren dat ik 'n dief ben, en ... zoo +onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat +ik hem 'n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt +hy my nu _dief_? Dat 's iemand die steelt, niet waar? + +De heer Motto was er de man niet naar, om 't verschil tusschen +schelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had +zich meer geërgerd over 't gebrek aan logischen samenhang dan over +de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. 't Was +'n schending der wereld-orde, iemand _a_ te noemen omdat-i _b_ +was. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van 't 2 × 2 = 4! 'n +Hinkend rym. 'n Onmogelykheid! + +En... 't straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig +gemaakt, was nog 'n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde +verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van +begeerlyke volwassenheid! + +Maar ... maar ... al de wèl "groote" menschen? Vanwaar by hèn dan dat +gedurig afwyken van 't ware, juiste, stipte? Waren _zy_ zoo achterlyk, +of was die straatjongen z'n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i +vooruit, om aantelanden op 't punt waar zich 't grootste gedeelte van +z'n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als +de Weledele Heer Motto aan 't hoofd te staan van twee "zaken" ... nu +ja "gevestigd" waren ze na 't overhaast vertrek van den patroon niet +meer. Maar 't waren "zaken" toch, en ... gevestigd geweest! + +--Als ik den man hier had zou ik 'm verscheuren, zei de moeder. Ik +dacht het wel dat-i met m'n geldje-n-op den loop zou gaan! 'k Heb +'t altyd gezegd, niet waar, Stoffel? + +--Ja, moeder. Zoo'n cautie is 'n gevaarlyk ding... + +--Dat heb je-n altyd van die menschen met 'r geloof! Ik vraag je, wat +doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo'n +man 'n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met +'n mensch z'n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik +wou ... ik wou ... dat-i 'n roomsch jongetje genomen had, met 'n +... koussie van duizend! + +--Ja, moeder, dit was zeker beter geweest. + +--'n Roomsche is net zoo goed als 'n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou +'n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en +op den winkel passen, en ... koussies geven, als 'n griffermeerde? De +menschen lyken wel mal met 'r verschil van geloof. De een is net zoo +goed als de ander, vindje niet, Stoffel? + +--Ja moeder. + +--'t Is om 'r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo'n kerel nu +in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook +schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Kon _ik_ +'t weten, ik arme weduw die hier in m'n huiswerk zit? + +--Moeder, ik wist het ook niet. + +--Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of +je moeder aan 't bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met +'m beginnen? Naar zee gaat-i _niet_, dat zeg _ik_! Ik kan 't voor +God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo'n schip onder allerlei +soort van volk komt, niet waar, Stoffel? + +--Ja, moeder. + +--En dat-i daar vloeken leert... + +--Zeker, moeder. + +--En z'n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z'n +geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel? + +--Ja, moeder, 'n mensch moet altyd by z'n geloof blyven. + +--Honderd gulden! 't Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo'n +gemeene kerel 'n protestantsch jongetje te vragen? + +"Wel," veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z'n +"geloof." + +Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy +minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens'huis. De +_blunders_ in redeneering waaraan z'n verwanten zich schuldig +maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit +vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van +Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, +maar de _bitjara kossoeng_ van z'n familie maakte niet veel meer +indruk op hem dan 't gegons van 'n byenzwerm. + +Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit +werd, al stonden ze dan niet hooger dan z'n huisgenooten. Juffrouw +Laps, byv. was hem 'n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid +prikkelend, studie-exemplaar. En z'n belangstelling in 't oplossen +van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer +acht-sloeg op 't gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar +manieren. + +Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en +telkens onderging Wouter by die gelegenheden 'n reeks van tegenstrydige +indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och, +er was niet uit het schepsel wys te worden. + +Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter +had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel +gespaarden schelling waren overgebleven... + +Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien +tyd had zich 't besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen 'n +flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar 't weg-grissen van +'n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De +helden uit z'n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben. + +Hoe dit zy, 't uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest +getroost worden over 't gemis van de verteerbare Landen en Steden die +anders z'n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren +van 't gebeurde. Hy sloeg in z'n relaas van de zaak, 't gevaar dat-i +geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne +wat gestoft op z'n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z'n +verkwisting, grooter was dan die op lof over z'n ... ja, hoe moet ik +'t noemen? + +De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ook zeer kwalyk +genomen, en 't was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden +niet had aangeroerd, waardoor z'n onpartydige mildheid was bestempeld +geworden tot uittarting. + +--Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z'n moeder. Jy +verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet +ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt? + +By zulke toespraakjes viel 't Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van +z'n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy +antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf +geen steun, want ... z'n moeder had niet geheel-en-al ongelyk! + +Edelmoedigheid is 'n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen +als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in, +toch voelde hy z'n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de +beschuldigingen die z'n moeder tegen hem inbracht. + +Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die +hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf +zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de +bewering dat-i gehandeld had als 'n gek. Dit werd te erger toen men +de aanklacht overbracht op 't laagste terrein dat men kiezen kon, +op kinderachtigheid. + +De moeder had het woord: "verkwisting" uitgesproken, maar Stoffel +zette haar te-recht: + +--Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft +in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het! + +--Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen +van zyn jaren ... als ze-n-'n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren +hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem +weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen? + +Misschien was Stoffel's opmerking niet kwaad gemeend, maar ze +wondde Wouter diep. Een "verkwister" is dan toch altyd 'n persoon, +'n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken! + +"_Prodigue, prodigue_... asjeblieft _prodigue_!" mompelde hy +treurig. Want--tot verbazing van den lezer misschien--hy kende +dit woord. + +In een der omnibus-slaapkamers hing 'n stelletje grof gekleurde platen +die de parabel van den verloren zoon voorstelden. 't Was 'n fransche +uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie +langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking: +_prodigue_ niet anders kon beteekenen dan "verloren." Dit had dan ook +Stoffel tegen een van z'n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener +dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze +fransche drukfout ... + +--Want: "verloren" stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de +Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn. + +...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat de +beteekenis van 't woord _prodigue_: "verkwister" wezen kon. En in +die benaming had Wouter veel zin. + +_Eerste tafereel._ De zoon die bezig was met... verkwisten en +verloren-gaan, neemt afscheid van z'n vader. De oudeheer had 'n +purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er +fladderde hem 'n mantel om de schouders--'t scheen erg te waaien in +dien zuilengang!--'n mantel ... prinselyk! En z'n turksche broek was +van puur goud! De jongen had 'n krommen sabel op-zy, en op z'n hoofd +'n tulband met aigrette ... zeker 'n onix, of sardonix, of paarl, +of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke +zaken kosten niets op 'n prent. + +De oudeheer keek verdrietig--en daarin had de man geen ongelyk--maar +... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor 'n +verre, verre reis! 'n Pikzwarte knecht hield 'n paard by den toom. 'n +Ander den stygbeugel, en scheen te manen: "komaan, verloren-gaande +zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!" + +Welk jongetje zou niet graag zoo'n verloren zoon willen zyn? Die +kromme sabel alleen was de zonde waard. + +_Tweede tafereel._ Hm ... _scabreus!_ Nu ja, maar niet voor Wouter, +die in z'n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling +opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten +en gedronken werd, en 't gezelschap scheen eensgezind, want dat eene +meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder +van den verlorene. "Liever zóó verloren, dan anders gevonden" moest +de indruk zyn dien 't feest maakte op de verbeelding van 'n kind. De +ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van +liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter's opmerking. Of +liever, hy _wist_ wel wat het beduidde, maar ... _voelde_ anders. En +alweer was z'n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van +verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem 't meest aantrok was noch +de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de +zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen +verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van +'t gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van +'t begrip: _verkwisting_, had de teekenaar 'n wynvaas doen omwerpen +door 'n paar jachthonden... + +Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, 't is te veel! + +...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf 'n wegloopende zoon +was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich +met zoo'n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. 't Had eens moeten +gebeuren in den huize Pieterse, al was 't maar met 'n dubbeltjes-kruik +scharrebier geweest! + +_De teekenaar spreekt:_ "meent ge dat ik den verleidelyken indruk +van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat +er volgt?" + +Volstrekt niet! Zie maar: + +_Derde tafereel. Heerlyk!_ Hoe romantisch is die wildernis! O, wie +daar zoo mocht zitten op 'n rots, starende in de onpeilbare diepte van +'t verschiet, en ... alléén! + +Denken, denken, denken! + +Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor +wat men te doen hebbe met z'n hart, z'n tyd, z'n elbogen, en z'n +broek! De jonge man op 't plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk +bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen +en beenen zich op z'n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten +voortdryven voorby z'n wydgeopende oogen! Men kon wis 'n dubbel stel +longen gebruiken in zoo'n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in +zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf +denken zou, als-i 't eens mocht gebracht hebben tot zoo'n verheven +keizerschap over 't onmetelyk Ryk: eenzaamheid! + +Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z'n Femke zitten! O, goddelyk +verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar +één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem +'n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor. + +En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men +beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men +dan handig 'n hut ... voor Femke, natuurlyk. + +De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te +hebben. 't Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by +hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht +Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met 'r verkwisting. Och, +dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook +'t eenige verdriet dat 'n rechtgeaarde verkwister uit de profane +wereld meeneemt in de prettige woestyn. + +Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was, +er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren +gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld +met waarschuwende trekken. En ook de trog had 'n onsmakelyk voorkomen. + +--Als 't my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal +ze kammen! + +De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel +niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten +en verloren-gaan. + +Maar ... 't _vierde_? Evenmin! Minder nog! + +Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang, +waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de +thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel +... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is. + +Maar... _hy?_ De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen +in z'n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets +van dit alles! + +Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare +zwynen zelfs! + +En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de +burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit +iets, en nam by Keesje's vader osselappen op 't weekboekje. Slechts +nu-en-dan by hooge uitzondering 'n ribstuk. + +Op 'n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of +niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger +stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan +met geld! + +En zie, ditmaal had-i aan z'n vriendelyke vyandin Laps iets te danken, +dat hem weer 'n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad +de Schrift by de zaak, toen deze haar--op z'n pietersens!--werd +medegedeeld. _Zy_ sprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had +graag geantwoord: + +--Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen +'t deze keer geen schapen zyn? + +Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor 't beoogde +kammen, en dus ook niet voor 't blauwzyden halsdasje dat Femke's +lievelingslam zoo snoepig staan zou. + +Maar ... 'n verkwister wàs-i, verzekerde 't mensch. + +Goddank! + + + + + + _Toulon est là_! Woedende uitval van den auteur tegen + monologen, met 'n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (_De + uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen + 't voorbeeld._) Gesprekken op den _Olymp_, waarby _Jupiter_ + 't wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan + 'n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en 'n pastoor, + alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid. + + +--Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want, +wat doet-i? Hy verkwist z'n moeders goed. Als die man pruimen wil, +laat 'm zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik +heb altyd zuur moeten werken voor m'n boeltje, niet waar, Stoffel? + +--Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het 'n kinderachtigheid van +Wouter is. + +--Net wat ik zeg, 'n kinderachtigheid! + +--Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i +recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat +de Heer z'n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur 'm 'ns by me. De +fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze +verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend 'm 'ns by me. + +--Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet! + +--Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed... + +Ze sprak de waarheid! + +... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib, +of ... Nebukadnezar, of ... + +Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat +was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat +oogenblik 'n briefje te schryven had gehad--aan Femke liefst!--zoud-i +zeker geroemd hebben: "begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo +slecht als drie oude koningen met hun allen!" + +En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig! + +--Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het +midden, en z'n voeten zyn van klei. De Heer zal 'm wis en zeker +omgooien! Stuur 'm 'ns by me. + +De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in +de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel +genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch +Stoffel hadden den moed, Wouter's wegblyven voor hun eigen rekening +te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm. + +--Maar, m'n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i +... o! Wat moet ik doen met zoo'n kind? + +Wouter was te zacht om z'n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By +elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van +lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich +alsof ze... + +Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze +menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was +geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy 't gewaagd +had zich in dit geval te beroepen op 't oordeel van z'n moeder. In +tegenwoordigheid van Laps zou men z'n opmerking bedolven hebben +onder 'n stortvloed van verwytingen over z'n "brutaligheid." En na +'t vertrek van 't schepsel, had men hem gezegd: + +--Je bent toch 'n dom kind! Begryp je dan niet dat ik 't mensch toch +niet in 'r gezicht zeggen kan dat ik 'n hekel heb aan haar geoefen? + +Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens +optehalen van z'n vergryp, ontsnapte hem 'n eenvoudig woord waaruit +z'n belaagster 'n vroolyk [Greek: heurêka] wist te putten. + +--De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem iets geven, +en toen ... + +Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was háár! Of althans, ze wist nu +waar _Toulon_ lag, en van welken kant de vesting kòn genomen worden +... als ze neembaar was! + +--Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet je 'm niet +dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by 't weggaan. Ferseeren +helpt niet. Men moet ieder z'n eigen sinnigheid laten. Ik geloof +werachtig dat jelui 't kind te veel besikkeneert. Lieve god, wie zal +nu zoo'n bereddering maken om 'n stuiver! + +--Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder. 't Zou waarachtig wel lyken +of 't me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er, goddank, niet op +aan! We kunnen altyd nog wel 'n stuiver missen, wat zeg jy, Stoffel? + +--Ja, moeder, maar 't wordt toch tyd dat Wouter... + +--Komaan, wat 'n geseur om 'n pruimpie tabak! De Heer zal 't +zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! "Zoo wat ge den minsten myner +broederen gedaan hebt... + +Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps +'t verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker niet +hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond het vreemd +dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden. + +Ja, ja, 't is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden, en +... sommige anderen! + +De moeite die zich de Pietersens getroostten om 't raadseltjen +optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot. Ze +waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de verklaring +van dat zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde zich minder over +de oplossing, dan schynbaar van z'n lust in stiptheid en z'n begeerte +om te _weten_, had kunnen verwacht worden. De oorzaak hiervan lag in +zekere overstelping van indrukken, die hem belette zich met 'n bepaald +vraagstuk bezig te houden. Z'n gemoed zag er uit als 't naaikistje van +'n goedige moeder, waarin de kinderen gegrabbeld hebben. + +De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden +soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar 't grootste gedeelte +paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine beginner in +'t Mensch-worden was 'n te onbedreven hovenier, om uitterukken wat +niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was. + +Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z'n gaven en +streven--_Trieb!_--lag in dit alles iets byzonders. Overhoop gehaalde +ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt zoodanige +verwarring even schadelyk. + +De regeling der indrukken die Wouter's weinigje ondervinding had +te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer slechts die +indrukken niet waren vergezeld geweest van z'n voorbeschiktheid tot +zedelyk en verstandelyk zwaartillen. Hem kleefde een zeldzame fout +aan: hy was 't omgekeerde van lichtzinnig, en deze hoedanigheid had +nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk by het tegenovergestelde +waarnemen. Verward in de menigte der zaken die hy niet begreep, gaf-i +moedeloos de poging tot verklaring op, en scheen dus gelyk te staan +met de meeste anderen die aan opheldering geen behoefte voelen. + +Maar deze gelykstelling ging niet in-àllen-deele door. Wouter +_berustte_ niet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning +die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk. + +Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z'n +onbegrepen leed te klagen aan Femke. + +Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren had +hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek van haar +huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs. + +By deze gelegenheden wond-i zich op tot ... redenary. Hy maakte aan- +en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden zou, en +wanneer ik daarvan den _juisten_ tekst geven kon, zou ik 'n heerlyk +hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar dit kan ik niet. + +Toch wil ik het by benadering beproeven. + +Nogeens op volkomen juistheid maakt m'n schildering geen aanspraak. + +--Och, Femke, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek worden +zal? Zou je dan by me komen? Doe het niet! M'n moeder houdt niet van +je ... doe 't niet, Femke! Laat me sterven, en vraag maar aan de buren +waar ik begraven ben. Wil je dan 's avends op m'n graf komen? Eens +maar, ééns! Want ik begryp wel dat je niet dikwyls komen kunt, om de +bleek, en om al je werk, en om je moeder, en om de menschen, die 't +gek zullen vinden als je komt kyken naar 't graf van 'n kleine jongen. + +Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw zestien, +en heb 'n deenschen matroos gezien, die 'n zwaren baard had, en +kleiner was dan ik ... wezenlyk! + +Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze 't behangsel veranderden. Die +bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een bloem die gescheurd +is, en ze lykt ... nu eens op 'n gebroken toren, dan weer op twee +vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou geleek, maar 't gáát niet! En +dan maak ik me driftig dat die bloem niet veranderen wil van vorm. En +dan voel ik dat ik dom ben, want ... ze kàn niet! En dan word ik nog +driftiger ... over m'n eigen domheid, begrypje? + +Och, Femke, ik geloof zeker dat ik weer ziek wordt! Het sterven is +niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo vermoeiend! + +Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle +gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel? Ik wou +juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor 't eerst! + +Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in den +bybel staat! Waarom zou hy 't áánzien zoo moeielyk maken! 't Is +onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem--om allerlei vragen te doen, +weetje?--en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i me terstond +blind schitteren? Femke, ik geloof het niet! + +En als het tòch waar is ... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan zal ik +zeggen: God, dáártoe ben ik niet gestorven! Niet dààrvoor kwam ik +in den hemel! 't Was donker in de bedstee waar ik ziek lag, en die +bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig, en nu ik eindelyk +goed en wel hier ben--in den hemel, weetje, Femke--nu kryg ik niets te +weten, en alles blyft even verward, en niets gehoorzaamt m'n wil, en +in-plaats van licht dat helderheid geeft, zou ik hier m'n oogen moeten +sluiten voor 'n licht dat alles even donker maakt als in m'n bedstee... + +Ik doe het niet, Femke. Ik doe het _niet_! Ik sla m'n oogen _niet_ +neer! + +En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet blyven +mocht in den hemel, ik doe het _niet_! + +Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen? Wèl, juist +om alles te _weten_. + +En als dàt niet kan... + +Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. Dàt zal ik ook aan God +zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen! + +Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt? Gut, Femke, ze +vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik moet eerst +nogeens in den handel. + +Ik heb je nooit zien voorbykomen op den _Zeedyk_, en ik was er bly +om. Als ik je gezien had... + +Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m'n +kerfbuis had aangehad... + +Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te +komen. Want... daar loopen veel matrozen die soms... onfatsoenlyk +zyn. Voor my was 't niets, weetje--gut, ik kan zelf al vloeken, en +gemeene woorden weet ik ook!--neen, voor _my_ was 't niets! Ik heb eens +"godverdomme" gezegd tegen 'n Rus die me slaan wou. 't Is heusch waar +dat ik zestien word in September, en ik zou best naar Griekenland +durven gaan, vooral by 't paardenvolk, omdat men dan gauwer by de +Turken is. Op den _Zeedyk_ heb ik met één hand den winkeltrap over +de toonbank gezet, en m'nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was +dan-i gedacht had. + +En vind jy 't ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden +soldaat... + +Nu, ook dàt wil ik aan God vragen! 't Zal me benieuwen wat-i zegt. Ik +kon al die menschen te-gelyk niet verstandig maken... + +De "massa" is niet dom, Femke, maar ze is... + +Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je +bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn +ze dom? Ook niet! 't Zyn maar gegooide steenen. Begryp je 't +onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en... niet-dom of +niet-verstandig... niemendal? + +O, en hoe 't afgeloopen is met Jakob Claesz! Dat zal ik vragen. En +waarom God hem niet geholpen heeft? Als-i maar z'n been had +gebroken, even voor 't uitzeilen. 't Had God maar één woord hoeven te +kosten! Neen ... niet eens 'n woord. Hy heeft maar te willen! Och, +men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men almachtig is! En +daarom wou ik zoo graag ... wat grooter zyn. + +En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar... dan +kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uitroeien wat +verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn, en ... nooit iets +te zeggen wat niet precies waar is. + +Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen? Vraag 't eens +aan pater Jansen. Maar myn ... dominee--onze paters heeten dominee, +weetje!--myn dominee gaf me nooit 'n antwoord dat ik begrypen kon. + +Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar ... we begrypen hem +niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z'n +grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou +hem wèl begrypen! En jy zeker ook? + +Vind jy 't mooi van God, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken: +hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig... + +Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daar _zy_ begrip, en er +_is_ begrip! + +Want ... begrip en licht is 'tzelfde, weetje! + +En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er geen +slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust nemen, want +ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i te doen en te +laten had! Zou je dat niet mooi vinden? + +'t Is waar, dan hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle Turken +zouden dan op-eens ... christenen worden, en aan niemand kwaad doen... + +Maar ... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch, +als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? ik kan je wel twintig +oorlogen noemen--met de jaartallen er by, Femke!--van christenen +tegen christenen. Hoe vind je dàt? + +En by elken oorlog bidden ze aan beide kanten. + +Hoe redt God zich uit al die gebeden? Hy mag niemand in nood laten, +die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus' wil. Ik zal 't hem vragen. + +Als ik er ben--in den hemel, meen ik--en ze bidden dan weer zoo +tegen elkaar in ... weetje wat ik zeggen zal? Ik zal zeggen: houd +eerst op met vechten! Dan zal _ik_ zien wie gelyk heeft, en ieder +'t zyne geven naar behooren. + +Want dat eeuwige vechten is te ruw. 't Is Turkenwerk. Menschen van +goed geloof kunnen op beter manier te weten komen wat recht is. + +Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink zeggen +... als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom. + +Hy wéét niet hoe raar 't hier op aarde soms toegaat, en denkt misschien +dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is niet waar! Ik +zal 't hem zeggen. + +En ook ... dat er 'n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duidelyker, +weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat geeft +niemendal! Zou jy 'r beter om bleeken, Femke, als je de namen wist van +al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat doet er zoo weinig toe! + +Maar wèl zou 't goed zyn als je wat beter zeep had--ze ruikt zoo!--en +als de jongens niet met steenen gooiden. God moest maken dat ze geen +pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep... + +Dit is nu zóó, Femke. Er groeien veel dingen ... in de aarde, boven de +aarde, in de zee, jazelfs in de lucht. En alles kan gebruikt worden, +als we maar weten _hoe_? Dit moeten we trachten te leeren, en als we +ons daarmee yverig bezig-houden vinden we telkens wat nieuws. Oom +Sybrand heeft gezegd dat er 'n tyd komen zal dat men 'n zwavelstok +kan aansteken aan den muur! + +Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femke, omdat we ... dom zyn. Want +jy en ik zyn wèl dom, maar ... we kunnen wat leeren. En ... daartoe +leven wy. Zóó is 't eigenlyk, zou ik denken. Ik wil je uitleggen, +Femke, waarom ik dat geloof. Er was 'n tyd dat men geen boek kon +drukken. Alle werken waren maar geschreven met de pen, en de gezangen +ook, en de psalmen ook, en de gebeden ook--verbeeldje, hoe lastig in +de kerk!--zoodat het heel wat in-had, 'n boek te krygen. De menschen +hadden kramp in de vingers van al 't geschryf. En nu? Gut, by m'n +gewezen patroon--hy is weggeloopen naar Amerika--stond 'n heele winkel +vol boeken, en de menschen betaalden 'n gulden per deel ... als pand, +weetje? En vóór de uitvinding van die kunst van drukken--'t gebeurde +te Haarlem in den Hout, en ik zou je de zaak precies kunnen vertellen, +want er zyn verssies op gemaakt--nu, toen was 'n boek zoo duur, zóó +duur, dat ... byna niemand wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor +'n heelen almanak ... met de verjaardagen van koning en koningin er by, +en ook 't weer, en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster +en hemelvaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten, +en printjes van nederlandsche heldendaden ... och, Femke dat alles +koop je nu voor één dubbeltje! Is 't waar of niet! + +Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie 't voorspeld had, zou +niet geloofd geworden zyn. Toch is 't gebeurd! + +Zóó zal 't ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en ... ze zullen +ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt. Want, Femke, +als ik 'n schoon hemd aantrek, word ik misselyk, en dat kan toch Gods +wil niet zyn! + +Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens te +zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag hy ook +niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg opgaan, want als +we dien kenden, zou er in 't vinden geen kunst liggen. En hy helpt +ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan met z'n Almacht? + +O, Femke, als _ik_ almachtig was, ik zou je... + +Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen +begrypen! De engelen moesten 'n katechismus maken met honderdduizend +vragen, en ... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en +geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan. + +Kyk, zóó--maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze +niet weet: + +_Waarom valt 'n appel?_ + +_Groeit 'n boom van-boven of van-onder?_ + +_Waarom ben ik zoo verdrietig?_ + +_Waarom gaapt men elkaar na?_ + +_Hoe weet iemand of de pyn die hy in 't hoofd voelt, hoofdpyn is?_ + +_Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?_ + +_Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i +de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?_ + +_Hoe verstond-i Gods taal?_ + +_Zou_ Stoffel _wel eens 'n fout gemaakt hebben?_ + +_Waarom begryp ik nooit wat juffrouw_ Laps _zegt? Is 't waar dat zy +de genade heeft? Hoe kom_ ik _er aan?_ + +_Wat moet 'n mensch doen om veel te weten, om ... alles te weten?_ + +Alles? Hm? + +De lezer ziet dat Wouter's bescheidenheid zich niet uitstrekte tot de +_res divinae_, en dat wèl beschouwd de "Heer" meer reden dan juffrouw +Pieterse zou gehad hebben, hem z'n "brutaligheid" te verwyten. + +Toch klaagde _zy_ altyd, en de "Heer" zweeg. Hy was goedertierener +dan zy. + +Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de "paden" in den omtrek van +Femke's huisje tot getuigen, dat ik z'n mymeringen hoogst-onvolkomen +heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat zou geweest zyn tot +meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet! Hy zou 't er nog slechter +afgebracht hebben dan ik. + +De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom zoo +moeilyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging dan +voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den invloed +was van tegenstrydige aandoeningen die zich z'n ziel schenen te +betwisten. Wel brak hier-en-daar 't gezond verstand door, maar +onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol. 't _Gevoel_ was er. De +_Verbeelding_ was er. De _Moed_ was er ... + +Nu ja, en toch ... toch ... + +Ik beroep me weer op 't overhoop-gehaalde "moeder's naaikistje." Wouter +grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die moeder Natuur in +z'n gemoed had neergelegd. + +Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da Costa +genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die misschien +te beschouwen hebben als _corollair_. + +Het _sentimenteele_ is voorzeker 'n uitvloeisel--'n leelyk uitwas +vaak!--van _sentiment_. En 't sentimenteele wàs er! + +_Moed?_ Wel zeker! En meer dan dàt zelfs, of ... iets anders dat er +heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetelheid en +lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom? Overmoed +dus... 'n leelyk ding! Maar toch... 't is niet ieder gegeven, God te +roepen ter verantwoording, en pruimtabak te leveren aan 'n zondebok +van de "massa." + +En de _Verbeelding_? + +"Nu, dááraan ontbrak het hem waarachtig niet!" hoor ik den lezer +roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich op niet +gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter's idealen niet precies +gekopieerd waren uit z'n romans. Iets dat anders wel eens 't geval +is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schryven. + +En ook 't hysterisch element--wie 't weglaat by menschschilderen +of geschiedschryven, is 'n knoeier of 'n huichelaar, d. i. beide +tegelyk--ontbrak niet! + +Er staan of liggen my 'n paar beelden voor den geest, die de stemming +van Wouter's gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar... ze klinken +onklassisch. In-godsnaam--d. i. ik wil niet verantwoordelyk zyn voor +'t litterarisch gehalte--Wouter's ziel geleek op 'n schotel melkpap +waaruit de bliksem schoot, op 'n donderend bloembed. + +Elken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd te zullen +wezen als 't weer mislukte. Maar na 'n paar alineaas gepeins vergat +hy... Femke niet, maar z'n lust om haar in persoon te ontmoeten. Z'n +mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen... dit alles wàs hem +Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens vóór hem staande, +onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy, onverhoeds door haar +teruggeroepen in... 'n àndere werkelykheid dan die waarin hy zweefde, +haar had toegevoegd: + +--Ach, had je me niet nog 'n oogenblik kunnen alleen laten? Ik vroeg +juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou geantwoord hebben! + +'n Zonderling vryertje! + +Eénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner +gedachten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben +over domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We +zyn zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn, +weersgesteldheid... zeker, maar: _waarom toch_, o God? zou Wouter +gevraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte. + +Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen, +en hy verveelde zich. Z'n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal +werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar +frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach, +de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had... + +--Ik wil haar zien, riep hy, ik _wil_! En als vrouw Claus weer naar +wurmen vraagt... 't kan me niet schelen: ik wil Femke zien! + +Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd "binnen" geroepen. Dit +was wel 'n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo'n klink +optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi +en dien heldhaftigen Lord. + +De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk +voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen zuigeling. + +Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan 'n wasemende waschtobbe--de +zeep stonk... turksch!--en pater Jansen rookte even huiselyk 'n +goudsche pyp. + +--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat 's goed! Dat 's nou 't +jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater? + +De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door, +zonder 't minste blyk te geven van byzondere godzaligheid. + +--Ja, juffrouw, ik kwam 'ns kyken of.... + +--Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-'n boteram? En hoe maakt +'t je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is +'n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer +beter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts ... of ... 'n beroerte, +of ... wat was 't ook? + +--Gut né, juffrouw.... + +--Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet +in z'n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moeder niet ziek +geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. 't Zal +'n ander geweest zyn, 'n mensch heeft zoo veel aan z'n hoofd. Houd +je van kaas? 't Is leidsche. + +De goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui 't gezien had, +was ze flauw gevallen. In de ... zooveelste onderklasse namelyk van +"_Burgerstand_" II of III. (Pp) heerscht 'n fatsoenlyke schrielheid +die niet bestaat by wat men--gek genoeg, als by uitsluiting--den +_werkenden_ stand noemt. Arbeiders--mits de zoodanigen die hun geld +niet besteden aan jenever--zyn minder bekrompen in de toedeeling +van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen fransche +namen geven en de "_Kersnacht_" laten reciteeren, of in andere +fatsoenlykhedens doen. + +Wouter had nooit zoo'n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het +ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting +van de kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd ... + +O, realistische Fancy? + +... ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder! + +En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter +verwacht had. + +By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en 't gevolg +was van z'n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat 'n pastoor, +'n geestelyke, 'n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van +bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling +genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook deze +soort van godverkondigers--hoe aardsch dan ook, en onzienerlyk!--hadden +zich steeds aan hem geopenbaard op 'n manier die hem dwong hen +aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen kemelsharen kleed, +dat 's waar, maar ze hadden 'n driekantigen hoed op 't hoofd, en heel +andere broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen. Misschien +zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten +aankondigen te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig +sprinkhanen. Wouter wist alzoo 't kostuum der leeraren in _zyn_ kerk, +vry wel pas te maken by z'n indrukken. En dit kostte hem op 't eerste +gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk 'n ander +jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en geloof leven. + +Maar ... de houding! Maar ... 't spreken! Maar ... de toon! + +De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken +wel niet ... heilig, maar ze spraken toch als 'n boek, en hoestten +heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen +'t geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als 'n +wysgeer, dan toch ongemaakt als 'n boer. Van pedanterie vond men by hem +geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i minder +onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend. Hy bezocht +de schaapjes van z'n kudde zeer trouw, en ... de armen by-voorkeur, +niet uit pronkerigen weldadigheidszin--hyzelf was doodarm--maar +omdat-i in de lagere standen zich meer op z'n gemak voelde. Ook hield +hy veel van boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was +haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak +nu-en-dan 'n preek jen over de zonden van den dag--de lezer heeft +er een te-goed!--katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde ... alles +zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z'n ... ambt uit, +als 'n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van toon +te leggen in de mededeelingen: dat hy "by de kerk" was gegaan, en: +dat z'n broers in Noordbrabant de zaak van z'n vader voortzetten, +die hoefsmid en herbergier was geweest. + +--En wat wil _jy_ worden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want +... ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in +boekbinden? Dat 's 'n goed vak. + +--Ik ben ... in den handel geweest, m'nheer, en ... ik ga er weer in. + +--Wel, jongen, dat 's goed! Dan kan je-n-'n ryk man worden. Vooral +hier te Amsterdam, want ... Amsterdam is 'n handelsstad. + +Wouter sprak 't niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er +bytevoegen: "'t Is de grootste koopstad van Europa, m'nheer!" Maar +... hy was verbluft door 't ... onhemelsche van pater Jansen's +taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar ... 't bevreemdde +hem. + +'t Zou nog erger worden! + +--'n Jongetjen als jy moet goed eten ... je ziet 'r bleekjes uit. M'n +broer by Vucht knypt 'n hoefyzer krom. Wat zeg je dààrvan? Heb je wel +eens een noordbrabantsche mik gegeten? 't Is 't beste brood! Maar ham +is ook niet kwaad. 'n Mensch die niet goed eet, wordt ... kreuzelig. Ik +eet altyd twee boterammen als ik by Vrouw Claus kom, maar ik ben +lang zoo sterk niet als m'n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis +'ns zien! Dat's me-n-'n pret! + +Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de +toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt +niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder had-i +nog nooit boodschappen uit den hemel t'huisgekregen! En uit den hemel +kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabantschen tongval--'n +ongemaaktheid te-meer!--die pater Jansen ten-beste gaf tusschen de +rookwolken van z'n pyp in. + +O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche +verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedighuisbakken +gewoonheid. Ook _zyn_ Fancy was goedig, en _bourgeois_, en +onopgesmukt... als 't haar zoo 'ns in den zin kwam! Ook _zy_ zou den +neus niet hebben opgetrokken voor "mik" en kermispret! + +Maar... Wouter meende juist dat dit 'n fout van haar was! Hy +beschuldigde z'n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van +verregaande onaanzienlykheid. + +En zie, daar zat 'n man met 'n vreemde jas aan--en dus tot verkondiger +geykt!--zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God, geen genade, +geen geloovery--en geen hel vooral!--in de wereld was! Die man kende +God--hy werd er voor betaald!--en was kinderlyk verheugd over de +kracht van z'n broer, den smid! Die man was van beroep: zaligmaker, +en toch hield-i van kaas en dikke boterammen! + +Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo +liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom, +en dacht, en dacht, en ... zei: + +--M'nheer, ik wou zoo graag weten wie God is! + +Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist +verstaan had. Eindelyk: + +--Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je ... + +--Maar, pater, riep Vrouw Claus, 't kind is niet van de kerk! Ben je +wèl, jongen, of heb ik 't mis? + +--Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar ... + +--Nu ja, aangenomen, maar ... + +--Op de Noordermarkt, juffrouw! + +--Juist, maar zie je, in _die_ kerk ... + +De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen +dat die aannemery niet de rechte was. + +--Ben je ... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd? + +--Gevormd? + +--Wel zeker! Want als je niet gevormd bent ... + +Wat Wouter 'n zonderling gezicht zette! _Hy_ niet gevormd! + +... als je niet gevormd bent door den Bisschop, dan ... zieje +... dan.... + +In-godsnaam! Wouter moest tot z'n schaamte erkennen dat-i 'n ongevormd +wezen was, 'n _moles_, 'n "massa" misschien, een van de ergste dingen +die hem konden overkomen. + +--Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen. + +--Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs +van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem 'ns hooren opzeggen. Dàt +'s 'n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m'n eigen kind, maar ... dàt +'s me-n-meid! + +--Ja, Femke is 'n heel braaf meisje, zei de pater, en ... + +Wouter had hem wel om den hals willen vliegen. + +... ik heb nooit moeite met haar. + +Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan +ook pater Jansen. Z'n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van +'t meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als +'n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i "zoo goed schuurt." + +En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z'n +onderbroeken zoo netjes versteld! + +O Fancy! + +Neen ... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter's +schoonheidsgevoel niet, of althans z'n schoonheidsgevoel niet +het meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy +versmaadde 't rangverschil tusschen pater's onderbroeken en den +melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door 't burgerlyke, +noch door ongekleedheid ... zy die gewoon was alles naakt te zien, +paters en Mensheid! + +Een geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in 'n deel van +Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen, omdat +niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke ... _vooral_ +'t menschelyke niet! + +Wouter was _zestien_ jaren oud, reeds 'n kleine man dus, en ... iets +anders nog: 'n mannetje! + +Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z'n onderbroek! + +--Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als 'n weerliggie! Is er niet +wat van je stuk, pater? Stuur 't maar gerust hier! + +Wouter gloeide. Waren 't dan in-godsnaam maar halskraagjes, kousen, +of ... vesten, of ... ziedaar--als 't dan volstrekt iets wezen moest +van verdrietigen aard--al was 't dan maar 'n bovenbroek! + +... stuur 't maar hier, pater, want al is onze Fem er niet ... + +Wáár zou ze wezen? + +... _ik_ zal je boeltje wel heel maken! Dat kan _ik_ ook nog wel! + +Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe het, +en laat Femke waar ze-n-is! + +Maar... wáár zou ze zyn? + +Zoo _dacht_ Wouter. Ziehier wat-i _zei_, de leugenaar, de gauwdief, +de huichelende booswicht ... het menschje: + +--Hé, 't is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten +hebben te vragen waar toch uw dochter Femke is? + +--Fem? Wèl, die is by 'n nicht van ons, die 'n meid ziek heeft, want +... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de kinderen +van onze nicht. + +Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De +deugniet zette 'n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was. + +Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z'n +stoel--Wouter wist nog niet hoe men 'n bezoek afbreekt: velen leeren +het nooit!--verliet hy met pater Jansen 't huisje. + + + + + + Het verregaand liberalismus van juffrouw _Pieterse_ is oorzaak + dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom pater _Jansen_ + zoo doof was aan z'n linkeroor. + + +--Wil je me-n-'n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m'n +rechterzy, want ik ben doof hier. + +En hy wees op z'n linkeroor. + +--Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik 'n kleine jongen was... kan +je goed klimmen? + +--N...é, m'nheer! + +--Zoo? Nu, ik wel. In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon +klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens 'n bloempotjen +uit 'n venster van de derde verdieping gehaald. En ... onze pastoor was +niet gemakkelyk, in 't geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik 't +potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want +het was 't potje van 'n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den +pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar +aan de twintig _confiteors_ zat ik vast, hoorje, vast als 'n bliek +aan den hoek. Ik hou niet van bliek ... 't is 'n gemeene visch. Nu, +er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng ... + +Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor. + +Op 't simmenarie was 'n student ... hy is nu kanunnik, ergens in de +Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want +... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i ... Vink heette ... maar z'n +naam was anders, dit begryp je. Die Vink was 'n slechte jongen. Maar +nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z'n tellen! Help 'ns kyken, +of-i geen bisschop wordt, of ... paus! Je moest hem 'ns hooren als-i +'n brok uit de _Vulgata_ opzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar, +en vergiste zich nooit in 'n tekst. + +Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon +... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in +gedrag ... + +Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als +Vink durfde denken, maar ... hy stond niet op zoo'n goeden voet +met de professers. Ik mag je z'n naam wel noemen, omdat-i dood is, +en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen ... hy heette +Kruger. O, 'n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren. + +Ja, Kruger was 'n beste jongen, en byna zoo knap als Vink ... misschien +wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen +zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd +want ik wedde op Kruger ... omdat ik zooveel van hem hield. + +Eens nu, toen de tyd van 't examen naderde, was Kruger's vader ziek +geworden--en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer, +want hy was Vink 'n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven +zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone +lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal +geweest zyn, als-i maar kon meedingen in 't _Specimen_, klasse: +_rhetoriek-eerste_, en: _theologie-derde_. Daarvoor worden hooge +punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de +kleine les best missen. + +We hadden in _rhetoriek-eerste_ dat jaar: _de eloquentiâ_, en in +_theologie-derde: de substantiâ archangelorum..._ heele moeielyke +stukken, dit voel je wel! + +Kruger zond z'n: _de eloquentiâ_ van-huis--en 't was heel goed +... mooi, hoor!--maar hy schreef aan onzen pater _theologie-derde_: +dat-i 'n: _de substantiâ archangelorum_ reeds vroeger had behandeld +... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was> +en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z'n pleizier doet ... + +--Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met +'n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier, +zeg ik je, hier! In huis ... terstond! Heerejesis-kristis, wat heb ik +'n last van dàt kind! + +Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking +met pater Jansen af. + +De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby +Wouter's woning, en z'n moeder die juist in onderhandeling was met +'n groentejood over 'n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich 'n +beroerte te krygen van ergernis. + +--Met 'n pastoor! Stoffel, kom 'ns gauw beneden ... de jongen loopt +met 'n pastoor! + +Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen +'n lieve goede man die zoo'n bejegening niet verdiende. En dit was +de zuivere waarheid. + +De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove +slechts bereikte aan den linkerkant? + +Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z'n woning +was, en dat-i geroepen werd door z'n moeder, antwoordde de man +heel goedig: + +--Zóó ... woon ie daar? Nu dan zal ik je-n-'n volgenden keer vertellen +waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor ... heelemaal doof, weetje? + +Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z'n tranen af. + +Het kwam hem voor dat z'n moeder 'n zware zonde begaan had, en dat +'n vyftigtal _confiteors_ ... + +Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op 't "simmenarie" 't +krabbedieven van 'n bloempot gestraft wordt? + +--Ah ... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen +terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw +Dungelaar ... 't was om de bloemen niet, en ook niet om den pot, +zieje, maar alleen omdat ik zoo'n lust in klimmen had. Anders ... men +moet nooit iets wegnemen wat 'n ander behoort, al staat het nog zoo +hoog. Dag, jongeheer! + +En na 'n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging +de man zyns weegs. + +Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen ... + +--'t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse. + +--Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk +heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo'n manier komt er nooit +iets van hem te-recht. + +Onze wysgeer had wel 'ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in +dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet +leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel +begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde. + +--Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, 't kind moet werk hebben. Als-i +maar letterzetten wou! Of in 'n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet +dat-i zelf 'n schoen maakt! + +--Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loop +_ik_ met 'n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar +m'n school ga. + +--Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school. + +--Anders ... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther, +dat was ook 'n soort van pastoor. En wat deed-i? + +--Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt. + +--Luthersch, moeder! Nu, dat 's byna 'tzelfde. We moeten niet zoo +bekrompen wezen, moeder! + +--Wel neen, 'n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd +zeg. Want, Stoffel, wat doet er 'n mensch z'n geloof toe, niet waar, +als-i maar braaf is, en niet roomsch. + +Enz. Enz. Enz. + +Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw +Claus den rang aanmatigde van iemand die "in den handel" geweest was, +en weer "in den handel" gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer "in." + +Door bemiddeling van zekeren leerkooper die--kommercieel +gesproken--zeer na verwant was aan de schoenen die voorgaven uit Parys +gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by +'n firma wier weledelheid iets minder aprokrief was dan de ons bekende +zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou 'n nieuwen leertyd +ingaan op 't wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. + +De zaak erlangde haar beslag op 'n woensdag, en de nieuwe betrekking +zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden. + +Voor 't evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk +wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets +wat-i niet was--god-bewaarme!--tot 'n romanheld. + + + + + + + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Zie de noot van 1872 bij Idee 512. + +N.B. Alle noten zijn van de hand van ondergeteekende, behalve die +noten, welke (M.) geteekend zijn: deze voegde Multatuli zelf aan zijn +werk toe. + +[2] Noot van I. 360-361. + +[3] In I. 364 trekt M. een parallel tusschen de ontwikkeling van +individu en menschheid: "Ieder knaap heeft z'n heldeneeuw en 't +menschdom heeft 'n kieltje met 'n jukdraagje gedragen". + +[4] De overgang van zoo'n "insteekpakjen" op 't "buisje boven den +broek" was 'n enorme sprong, vooral omdat daarby 'n _vest_ te-pas kwam, +waarvoor by zoo'n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het +buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of +die hierarchie in 't kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In +Wouter's tyd speelde ze 'n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf +heb menigen traan geschreid omdat het "open buis" met daarby behoorend +"vest" my onmenschelyk lang onthouden werd. (M.) + +[5] In I. 366 schryft M. 't ontstaan van veel wetten en zeden toe +aan gebrek aan ruimte. + +[6] In de _Ideen_ 368, 370, 372-374 wordt gehandeld over het geweten +en den bybel, over deugd en zindelykheid en over het verschil tusschen +zeggen en doen. + +[7] Op die markt namelyk werd gegeeseld, gebrandmerkt en gehangen, +in die dagen. (M.) + +[8] I. 378 bevat een beschouwing over groote mannen en schoolmeesters. + +[9] In I. 387 en 390 werpt M. de vraag op in hoeverre schoonheid +realistische uitbeelding toelaat: "s'il faut de la boue, pas trop +n'en faut." + +[10] Verder weidt M. uit over zyn plicht als schryver. Zelf betitelt +hy I. 399-404 als "een malle uitval van den schryver, zeer geschikt +om de genegenheid van publiek te winnen, en dat monster over te halen +tot hernieuwing van zyn abonnement." (n.l. op de _Ideen_). + +[11] Aan het slot van I. 405 weidt M. uit over kindermishandeling +door kortzichtigheid van opvoeders. + +[12] I. 414-437 zyn in hoofdzaak gewyd aan de vraag: is godsdienst +noodig voor de zedelykheid? In I. 438 vindt men de geestige gelykenis +van Ornis over opvoeding. + +[13] In I. 440 stelt M. de vraag, of die klacht werd verstaan, +dat roepen gehoord, met verwyzing naar zyne _Geloofsbelydenis_, +opgenomen in _Verspreide stukken_. + +[14] In I. 443 wyst M. er op hoe alle volkeren de herinnering aan een +gouden eeuw bewaard hebben, doch dat deze fancy-verschyning vervloog, +toen priesters dit verlangen uit geldzucht gingen exploiteeren. + +[15] In I. 511 betoogt M. het verderfelyke van schoolonderwys. + +[16] In I. 513-517 wordt een uitvoerig betoog geleverd om de +"duidelyke oprechtheid der legende tegenover de leugens der historie" +te stellen. Hiertoe worden proclamaties en Staatsstukken uit den tyd +van de Bataafsche Republiek en van Koning Lodewyk en een necrologie +van Van der Palm als professioneele en professorale leugens op de +kaak gesteld. Daartegenover stelt M. de psychische waarheid in de +legenden van Amor en Psyche, van Genesis en Faust. + +[17] In I. 1048 toont M. dergelyke ongerymdheden aan in de Grieksche +en Romeinsche mythologie en in andere meer moderne mythologieën... en +ook in de sentimenteele romans van Feith. + +[18] In I. 1049c zet M. uiteen, dat de belangstelling van de meeste +menschen gericht is op het abstracte en niet op het praktische en +zakelyke. "Het schynt den mensch meer te hebben aangetrokken zich te +verdiepen in de eigenschappen van z'n goden, dan onderzoek te doen +naar den aard der dingen die hy onder de oogen had." + +[19] In I. 1049d geeft M. eene aardige beschouwing van dit +straatliedje. + +[20] I. 1050a, 1051b: verhandeling over de stelling: "Het waardeeren +van kunst door de regeering is _Volkszaak_." + +[21] Hier volgt (in I. 1051c) eene uitweiding over het Hooglied als +drama in het bizonder en het hysterisch element in den Godsdienst in +'t algemeen. + +[22] Verder weidt M. in I. 1052 uit over de genadeleer als premie op +het zondigen, in verband met het bedenkelyke karakter van Laps. + +[23] Idee _1052b_ en _1052c_: Humor en psychologische beoordeeling +by den Duitschen romanschryver August Lafontaine. + +[24] In I. 1053-1058c geeft M. een vernietigende kritiek op de _Floris +de Vyfde_ van Bilderdyk. + +[25] Het gemis aan besef van voortdurende verandering blykt o.a. uit +naïve anachronismen in de werken van dichters en beeldende kunstenaars, +zoowel middeleeuwsche als moderne (I. 1060a-1061); maar het blykt ook +uit bekrompenheid van blik en conservatisme op politiek, zedelyk en +godsdienstig gebied. (I. 1061-1061b.). + +[26] Hier volgt (in I. 1062) een uitvoerige beschouwing over de rol +van klanknabootsing in de woordvorming. + +[27] De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben +waarschynlyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was--of is--'n +zware cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die +in tegenstelling van 't vertikaal staand _gangspil_, in horizontale +richting niet ver van den boeg dwars over 't schip geplaatst was. De +zeer sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich +beweegt, heeten _betings_. Het winden wordt aan-boord _hieuwen_ +genoemd, waarschynlyk 'n klanknabootsing van den krachtregelenden +maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of 't woord +"braadspil" iets te maken heeft met het engelsche: _broad_, weet +ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders dan +_onzydig_ wordt gebruikt. Wie daar, op 't gezag onzer taalkundige +woordenboeken, van _de_ braadspil sprak, zou worden aangezien voor +'n vreemdeling of _nederlandsche-taal_professor. (M.) + +[28] In I. 1067-1074 beproeft M. eene zielkundige ontleding van Femke, +met lange beschouwingen over onschuld, zinnelykheid en hysterie. + +[29] I. 1075 bevat verder een beschouwing over beroepskeuze, ook in +verband met de toekomst der maatschappy. + +[30] Hier volgt een ontboezeming over de sentimenteele romans van +August Lafontaine. (I. 1096). + +[31] M. weidt vervolgens uit over de waarde(?) van klassieke +Studiën. (I. 1104-1106). + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Geschiedenis van Woutertje +Pieterse, Deel 1, by Multatuli + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WOUTERTJE PIETERSE *** + +***** This file should be named 23796-8.txt or 23796-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/3/7/9/23796/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
