summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/22868-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '22868-8.txt')
-rw-r--r--22868-8.txt2829
1 files changed, 2829 insertions, 0 deletions
diff --git a/22868-8.txt b/22868-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..70706e7
--- /dev/null
+++ b/22868-8.txt
@@ -0,0 +1,2829 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Vrouw, by Aletta H. Jacobs
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Vrouw
+ Haar bouw en haar inwendige organen
+
+Author: Aletta H. Jacobs
+
+Release Date: October 3, 2007 [EBook #22868]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VROUW ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ De Vrouw.
+
+ Haar bouw en haar inwendige organen.
+
+
+ Aanschouwelijk voorgesteld door
+ beweegbare platen en met geillustreerden,
+ verklarenden tekst.
+
+ Een populaire schets
+
+
+
+ door
+
+ Dr. Aletta H. Jacobs, arts.
+
+
+
+ Vierde druk.
+
+ Deventer. Æ. E. Kluwer.
+
+
+
+
+
+
+
+ Stoomdrukkerij--»Davo«--Deventer.
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+De schromelijke onbekendheid van velen, zelfs van ontwikkelden, met het
+kunstig samenstel van hun eigen lichaam heeft mij meermalen getroffen.
+
+Vooral van vrouwen was ik dikwerf getuige van de gebrekkige kennis
+van het lichaam in het algemeen en van den bouw, de ligging en de
+verrichting harer geslachtsorganen in het bijzonder.
+
+Doch ook niet zelden vernam ik de begeerte naar lektuur om zich
+die kennis eigen te maken. Vakboeken, die het onderwerp gewoonlijk
+zeer uitvoerig behandelen, konden daarvoor moeilijk in aanmerking
+komen. Beknoptheid toch is voor dergelijke lektuur voor leeken een
+eerste vereischte. Daarom vond ik in het verzoek van den uitgever,
+bij de hierachter gevoegde beweegbare platen den tekst te leveren,
+gereede aanleiding, om te trachten een beschrijving te geven, die
+aan dit vereischte voldoet.
+
+In aanmerking genomen de rijke stof, die hier ter bewerking werd
+geboden, is de beschrijving ongetwijfeld beknopt. Mocht daaronder
+evenwel de volledigheid of bevattelijkheid hier en daar geleden
+hebben, dat de welwillende beoordeelaar dan rekening houde met den
+steeds tijdens de bewerking gekoesterden wensch, om het onderwerp in
+zoo klein mogelijk bestek te behandelen.
+
+Bij de afbeeldingen in den tekst vermeldde ik de bron, waaraan zij
+werden ontleend. Voor de indeeling der stof volgde ik in hoofdzaak
+en ook hier en daar voor den inhoud het pas verschenen Duitsche
+werkje van Dr. G. Panzer: »Die Frau. Anschauliche Darstellung des
+weiblichen Körpers.«
+
+
+Amsterdam 1899. A. H. J.
+
+
+
+
+BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
+
+
+Met erkentelijkheid gewaag ik van de welwillende beoordeeling, die
+mijn arbeid mocht ten deel vallen. De geleverde kritiek was niet
+van dien aard, dat zij tot wijzigingen van eenig belang aanleiding
+gaf. Trouwens, nog slechts weinige maanden verliepen, sedert de eerste
+druk verscheen, zoodat het zeer wel mogelijk is, dat meer en ernstiger
+kritiek nog volgt. In welken geest deze echter ook moge uitvallen,
+dit kan met voldoening geconstateerd worden, dat uit den thans reeds
+noodig geworden tweeden druk blijkt, hoezeer het werkje voorziet in de
+sedert lang gevoelde behoefte aan een beknopte, populaire beschrijving
+van het lichaam in het algemeen en van den bouw, de ligging en de
+verrichting der vrouwelijke geslachtsorganen in het bijzonder.
+
+
+Amsterdam 1899. A. H. J.
+
+
+
+
+
+
+BIJ DEN DERDEN DRUK.
+
+
+Spoediger dan ik had durven verwachten, verraste de uitgever mij met
+de tijding, dat reeds een derde druk van mijn arbeid noodig is. De
+wensch van den uitgever om den prijs van het werkje aanmerkelijk te
+verlagen, ten einde een grooter kring van lezers te krijgen, werd
+door mij ernstig overwogen. Want ook mij kan het niet anders dan
+aangenaam zijn, dat het doel, waarmede de arbeid werd ondernomen,
+welk doel in het voorwoord van den eersten druk is kenbaar gemaakt,
+zoo volledig mogelijk worde bereikt.
+
+Het bleek echter, dat voor een goedkoope uitgave de beweegbare platen,
+aan het eind van het boekje geplaatst, moesten worden opgeofferd. En
+dit achtte ik, in verband met de zeer beknopte behandeling van de
+stof en de menigvuldige verwijzingen naar die platen, ten eenenmale
+ongewenscht.
+
+De derde druk gaat derhalve de wereld in als de beide eerste, slechts
+werd hier en daar, ter verduidelijking van den tekst, een kleine
+verandering gebracht in de redactie.
+
+Den wensch, dat het onthaal van deze oplaag voor de vroegere niet
+zal behoeven onder te doen, kan ik niet nalaten hier te uiten.
+
+
+Amsterdam, 1900. A. H. J.
+
+
+
+
+BIJ DEN VIERDEN DRUK.
+
+
+Toen ik mij neerzette, om bij de hierachter gevoegde beweegbare
+platen van het vrouwelijk lichaam den tekst te leveren, kon ik weinig
+vermoeden te voorzien in een blijkbaar zoo groote behoefte.
+
+Dat dit boek in betrekkelijk weinig jaren reeds een vierden druk
+beleeft, bewijst, dat de hedendaagsche vrouwen en meisjes niet langer
+in onwetendheid willen verkeeren omtrent den bouw van haar lichaam
+en de ligging en verrichting harer geslachtsorganen.
+
+De betrekkelijk hooge prijs, voornamelijk een gevolg van de groote
+kosten der beweegbare platen, waren oorzaak, dat het niet kon
+komen in handen dier vrouwen, bij wie groote financieele draagkracht
+ontbreekt. Het was mij daarom een zeer welkome tijding, dat de uitgever
+er in is geslaagd, den vierden druk voor een merkbaar lageren prijs te
+kunnen aanbieden en daardoor den vrouwen, voor wie het boek eigenlijk
+in de eerste plaats werd samengesteld, de gelegenheid te openen het
+te kunnen koopen.
+
+Moge het blijken, dat de nieuwe lezerskring, die het thans kan
+bereiken, er even groote belangstelling voor koestert.
+
+
+Amsterdam, 1910. A. H. J.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+De mensch is samengesteld uit verschillende organen, waarvan de
+geslachtsorganen dienen tot instandhouding van de soort, al de overige
+tot behoud van het individu.
+
+Terwijl bij het mannelijk en vrouwelijk individu de geslachtsorganen
+verschillend zijn, valt voor de overige organen geen wezenlijk
+onderscheid waar te nemen, noch wat samenstelling, noch wat verrichting
+betreft.
+
+Hun vorm evenwel verschilt dikwijls. Deze vormverschillen, ieder
+afzonderlijk gering, zijn te zamen genomen zoo groot, dat wij dadelijk
+het onderscheid tusschen man en vrouw opmerken.
+
+Zoo is in het algemeen genomen de vrouw niet zoo groot en zwaar
+gebouwd als de man. Bij haar meer vetafzetting in het onderhuidsch
+celweefsel, waardoor haar spieren en de uitsteeksels der beenderen
+nauwelijks zichtbaar zijn; bij hem daarentegen de spieren gemakkelijker
+waarneembaar en de beenige uitsteeksels duidelijker in het oog vallend.
+
+Borst, buik en billen zijn bij de vrouw eenigszins boogvormig; bij
+den man min of meer rechtlijnig.
+
+De schouderbreedte is bij vrouwen kleiner dan de heupbreedte,
+bij de mannen is juist het omgekeerde het geval; hiermee staat in
+verband, dat bij de vrouwen ook de borst smaller is dan de buik en
+het tegenovergestelde weer bij de mannen valt waar te nemen.
+
+De lichaamslengte in haar geheel genomen leert ons, dat bij vrouwen
+relatief het hoofd langer, de hals korter, de romp langer en de armen
+en beenen korter zijn dan bij mannen. Vooral de betrekkelijk lange
+romp en korte beenen van de vrouw zijn opvallend. Haar dijen zijn
+aanmerkelijk korter en breeder dan van den man en iets binnenwaarts
+geplaatst, doordien de dijbeenderen onder een eenigszins anderen hoek
+in het heupgewricht staan.
+
+Tot den leeftijd van 9 à 10 jaren zijn de jongens in den regel grooter
+dan de meisjes; daarna tot aan de puberteitsjaren, den geslachtsrijpen
+leeftijd, zijn meisjes grooter en zwaarder dan jongens van denzelfden
+leeftijd. Na dien tijd gaan de jongens weder sterker groeien en
+overtreffen spoedig de meisjes in lengte en gewicht. Jongens blijven,
+hoewel langzaam, tot hun 23e jaar groeien, terwijl meisjes reeds op
+20-jarigen leeftijd den vollen wasdom bereikt hebben.
+
+Na deze algemeene beschouwing zal in de volgende hoofdstukken worden
+uiteengezet, in hoever de verschillende organen van het lichaam tot
+de vorming van het vrouwelijke type bijdragen.
+
+
+
+
+
+
+EERSTE AFDEELING.
+
+
+De Huid.
+
+
+De huid (cutis), waarmede het geheele menschelijke lichaam is
+overtrokken, is bij de vrouw zachter en fijner dan bij den man. Zij
+bestaat uit drie opvolgende lagen: opperhuid (epidermis), lederhuid
+(corium of derma) en onderhuidsch celweefsel. Bij het Kaukasische
+menschenras (waartoe wij behooren) is de huid geel-wit van kleur; in
+de okselholte, aan borsttepel en tepelkring, alsmede aan de uitwendige
+geslachtsdeelen neemt zij een donkerder tint aan.
+
+De huid bevat haren, smeer- en zweetklieren. De in de huid wortelende
+haren zijn bij den man op meer plaatsen aanwezig dan bij de vrouw. Bij
+de vrouw komen zij voor op het behaarde gedeelte van het hoofd,
+hier zelfs in rijke hoeveelheid, vervolgens in de okselholte en op de
+schaamdeelen; bij vele vrouwen ontwikkelen zich op 45- à 50 jarigen,
+den zoogen. climacterischen leeftijd, ook op de lip en de kin dikke,
+sterke haren, die bij sommigen harer een werkelijken baard vormen.
+
+De smeerklieren geven een vettige substantie af, welke langs het haar
+naar buiten treedt. Zij zijn evenals de haren en de zweetklieren in
+de twee bovenste lagen van de huid gelegen.
+
+In de derde laag, het onderhuidsch celweefsel, pleegt zich vet op
+te hoopen; bij de vrouw is dit in zoo aanzienlijke mate het geval,
+dat de vormen hierdoor een voor haar karakteristieke volheid en
+ronding verkrijgen.
+
+De huid heeft verschillende bestemmingen te vervullen. Zij is zintuig
+voor het gevoel, orgaan van afscheiding (zweet en huidsmeer) en helpt
+mede de inwendige lichaamstemperatuur op bepaalde hoogte te houden.
+
+
+
+
+Het Geraamte.
+
+
+De grootte van het lichaam en de lichaamsgestalte worden in hoofdzaak
+bepaald door de beenderen, die onderling verbonden het geraamte
+(sceleton) vormen. Zij worden verdeeld in lange of pijpbeenderen,
+breede of platte beenderen en korte beenderen. Sommige beenderen,
+zooals de schedelbeenderen, kunnen zich ten opzichte van elkander
+niet bewegen; andere, zooals die der ledematen, wèl. De beweging
+komt tot stand in de gewrichten. Deze worden gevormd, doordien
+twee tegen elkander passende en beweeglijke beenuiteinden door een
+gemeenschappelijk kapsel worden omgeven en aldus los aan elkander zijn
+verbonden. Over de gewrichtskapsels heen liggen banden (ligamenta),
+die de verbinding versterken.
+
+Het geraamte wordt ingedeeld in schedel, romp en ledematen.
+
+De schedel is samengesteld uit 22 beenderen, die grootendeels behooren
+tot de breede, platte beenderen; 8 er van dienen tot vorming van
+de hersenpan (cranium), de 14 overige zijn de aangezichtsbeenderen
+(ossa faciei). Met uitzondering van het onderkaaksbeen, zijn al de
+beenderen van het hoofd vast en onbeweeglijk met elkaar verbonden.
+
+Er is slechts een zeer gering onderscheid in de schedels van mannen en
+vrouwen. Alleen bij nauwkeurige vergelijking ziet men de ontleedkundige
+verschillen aan sommige onderdeelen van de beenderen. Het voornaamste
+en meest in het oog vallend verschil is, dat de schedel van de vrouw
+lager en vlakker is dan die van den man en dat dientengevolge de
+bovenste rand van het voorhoofd met de vlakte van de hersenpan bij
+de vrouw een afgeronden hoek vormt, daarentegen bij den man deze
+overgang eenigszins schuin naar boven loopt. De schedelbeenderen zijn
+bij mannen dikker dan bij vrouwen.
+
+De romp bestaat uit de wervelkolom (columna vertebralis), het borstbeen
+(sternum) en de ribben (costae). Hoewel het uit een ontleedkundig
+oogpunt niet juist is, rekent men toch gewoonlijk bij den romp ook het
+bekken. Dit bestaat uit drie deelen, de heupbeenderen, het heiligbeen
+en het stuitbeen.
+
+De heupbeenderen nu moest men eigenlijk bij de ledematen rangschikken,
+evenals dit geschiedt met sleutelbeen en schouderblad. Het heiligbeen
+en het stuitbeen echter maken deel uit van de wervelkolom en zijn
+te beschouwen als onderling vergroeide wervels. Overigens bestaat
+de wervelkolom uit wervels, die hoewel stevig aan elkaar verbonden,
+toch ten opzichte van elkander beweeglijk zijn.
+
+Men onderscheidt 7 hals-, 12 borst- en 5 lenden_wervels_.
+
+De wervelkolom is aan het halsgedeelte eenigszins naar voren, aan
+het borstgedeelte sterk naar achteren en aan het lendengedeelte weder
+sterk naar voren gebogen. De sterkste buiging naar voren valt samen
+met den ondersten rand van den ondersten lendenwervel en heet daar
+voorgebergte (promontorium). _Fig. 1 d._
+
+De vrouwelijke wervelkolom heeft in verhouding een langer
+lendengedeelte dan de mannelijke, de bocht naar voren begint iets
+hooger.
+
+De _borstkas_ (thorax) wordt gevormd door het borstbeen en de
+ribben. Het borstbeen (sternum), waaraan men de greep (manubrium),
+kling (corpus) en punt (processus xyphoideus) onderscheidt, is
+zijdelings met 7 ribben verbonden. _Fig. 2._.
+
+Het vrouwelijk borstbeen heeft een breeder greep en een smaller,
+langer kling dan het mannelijke.
+
+De borstkas telt _twaalf_ paar _ribben_. De 7 met het borstbeen
+vergroeide heeten ware ribben (costae verae), de 5 onderste paren,
+die het borstbeen niet meer bereiken, noemt men valsche ribben
+(costae spuriae).
+
+Bij de vrouwen zijn de ribben niet zoo sterk gebogen als bij de mannen,
+terwijl bij haar de twee paar eerste ribben betrekkelijk langer zijn.
+
+De vrouwelijke borstkas vertoont in haar geheel een ronderen vorm
+dan de mannelijke. Zij is korter, smaller, maar wijder.
+
+Bij vrouwen, die nauwsluitende corsetten dragen, zich rijgen, zooals
+men het noemt, schuiven de valsche ribben over elkander en wordt de
+ruimte van de borstkas verkleind. Zoowel de borst als de buikorganen
+worden hierdoor van hun plaats gedrongen.
+
+
+
+De beenderen van de bovenste en onderste ledematen bestaan uit
+verschillende afdeelingen. Aan de bovenste ledematen onderscheiden
+wij schouder, bovenarm, onderarm en hand. De schouder bestaat uit
+sleutelbeen (clavicula), _Plaat V No. 13_, en schouderblad, (scapula),
+_Plaat V No. 17_. Het sleutelbeen van de vrouw is naar verhouding
+langer dan dat van den man.
+
+De bovenarm bezit slechts één been, het bovenarmbeen (os humeri),
+_Plaat V No. 18_, dat bij de vrouw korter is dan bij den man. De
+onderarm is samengesteld uit ellepijp (ulna) en armpijp (radius).
+
+Aan de hand onderscheidt men den uit 8 kleine beenderen gevormden
+handwortel (carpus), de 5 middelhandsbeenderen (metacarpi) en de
+beenderen van de 5 vingers (phalanges digitorum manus).
+
+De handen van vrouwen zijn in den regel korter en smaller dan die
+van mannen.
+
+De onderste ledematen bestaan, voor zoover wij het heupbeen buiten
+beschouwing laten, uit bovenbeen, onderbeen en voet.
+
+Het bovenbeen bestaat alleen uit het dijbeen (os femoris), _Plaat V
+No 23_, dat bij vrouwen aanmerkelijk korter is dan bij mannen. Ook
+is de stand van het bovenbeen ten opzichte van den romp bij vrouwen
+anders. Bij de vrouw loopen de bovenbeenen van boven naar beneden
+min of meer naar elkaar toe, en zijn tegelijkertijd eenigszins
+buitenwaarts gedraaid.
+
+Het onderbeen bestaat uit scheenbeen (tibia) en kuitbeen (fibula).
+
+De beenderen van den voet worden, evenals die van de hand, verdeeld
+in beenderen van den voetwortel (ossa tarsi) van den middelvoet (ossa
+metatarsi) en van de teenen (phalanges digitorum pedis). Vrouwenvoeten
+zijn korter en breeder dan mannenvoeten.
+
+
+
+Thans keeren wij terug tot het _bekken_, dat, zooals gezegd is, gevormd
+wordt door het heiligbeen, het stuitbeen en de beide heupbeenderen.
+
+Aan het geraamte is het verschil in geslacht nergens zoo duidelijk
+merkbaar als aan het bekken. Het vormverschil van dit lichaamsdeel is
+van groote beteekenis voor de taak, die het gedurende de zwangerschap
+en bij de bevalling vervult.
+
+Het _heiligbeen_ (os sacrum), _Fig. 4 d_, dat tusschen de beide
+heupbeenderen als 't ware ingeschoven en onbeweeglijk daarmede
+verbonden is, bestaat uit 5, tot één geheel vergroeide, valsche
+wervels. De vergroeiing begint meestal in het 16e levensjaar en eindigt
+tegen het 30e jaar. De wervels zijn zoodanig aaneengegroeid, dat het
+heiligbeen van voren een holle en van achteren een bolle vlakte heeft.
+
+Het heiligbeen van een vrouw is breeder, korter en minder gebogen dan
+dat van een man; ook is zijn lengteas meer naar achteren gericht. Van
+den vorm van het heiligbeen hangt grootendeels de grootte en gedaante
+van het bekken af, zoodat dit been het meest bijdraagt tot vorming
+van het geslachtstype. De zichtbare holten in het heiligbeen dienen
+tot doortocht van zenuwen en bloedvaten; het heiligbeen is met het
+stuitbeen (os coccygis), _Fig. 4 e_, beweeglijk verbonden.
+
+Het _heupbeen_ (os innominatum), _Fig. 3_, dat een pendant van
+het schouderblad genoemd kan worden, wordt gevormd door de beenige
+vergroeiing van drie afzonderlijke stukken, waarvan het grootste en
+bovenste stuk het _darmbeen_ (os ileï), het onderste het _zitbeen_
+(os ischiï) en het zijdelingsche het _schaambeen_ (os pubis) genoemd
+wordt. Eerst op ongeveer 16-jarigen leeftijd is de volkomen vergroeiing
+dezer drie deelen voltooid.
+
+Het _darmbeen_ ontleent zijn naam aan de taak, die het vervult om
+een deel van de darmen te dragen. Zijn bovenste rand is boogvormig
+gekromd en draagt den naam van darmbeenskam (crista ossis ileï),
+_Fig. 3 a_; die rand is bij de meeste menschen gemakkelijk door de
+buikbekleedselen heen te voelen.
+
+Het _zitbeen_ wordt verdeeld in drie deelen: het lichaam, den
+neerdalenden tak en den opklimmenden tak. Het lichaam vormt het
+onderste gedeelte van de heupkom. De nederdalende tak, _Fig. 3 c_,
+eindigt van onderen in een sterken knobbel, den zitbeensknobbel
+(tuberositas ossis ischiï), waarop bij het zitten de geheele
+lichaamslast rust.
+
+Het _schaam_been wordt verdeeld in een horizontalen en een neerdalenden
+tak. De horizontale tak, _Fig. 3 e_, helpt nog mede aan de vorming
+van de heupkom, _Fig. 3 b_. Met een breede, ruwe vlakte, _Fig 3. h
+h_, grenst hij aan den gelijknamigen tak van de andere zijde en
+is daarmede verbonden. Deze verbinding heet schaambeensvereeniging
+(symphysis ossium pubis). _Fig. 4 a_.
+
+De heupkom van het heupbeen dient tot gewrichtsholte voor het hoofd
+van het dijbeen. Door middel van dit gewricht, het heupgewricht,
+steunt het geheele bovendeel van het lichaam in staande houding op
+de onderste ledematen.
+
+Het heupbeen bezit een groote ovale opening (foramen obturatum),
+_Fig. 3 g_, die, op een kleine ruimte na, door een vlies gesloten
+wordt.
+
+Het vrouwelijke heupbeen is van het mannelijke te onderkennen door
+een korter en smaller darmbeen en een korter zitbeen; daarentegen is
+de horizontale tak van het schaambeen langer. De zitbeenknobbels zijn
+bij vrouwen verder van elkander gelegen dan bij mannen.
+
+Men verdeelt het bekken in het groote en het kleine bekken. Het groote
+bekken vormt als het ware een voortzetting van de buikholte. Het
+gaat van onderen trechtervormig in het kleine bekken over. Deze
+overgangsplaats, de ingang van het kleine bekken (apertura pelvis
+superior), _Fig. 4 b_ en _Fig. 5 a_, wordt begrensd door een lijn,
+die linea terminalis of innominata heet. Bij den man neemt deze lijn,
+door de sterker voorwaartsche buiging van het voorgebergte, een min
+of meer hartvormige gedaante aan, terwijl zij bij de vrouw eirond
+is. _Vergelijk Fig. 4 b_ en _5 a_.
+
+Het kleine bekken vormt een holte, die naar onderen kegelvormig
+toeloopt. De onderste opening is daardoor kleiner dan de bovenste;
+zij heeft zoowel bij de vrouw als bij den man een hartvormige gedaante.
+
+Het _stuitbeen_, dat beweeglijk met het heiligbeen is verbonden,
+kan naar achteren wijken, waardoor de onderste opening belangrijk
+verruimd wordt. Dit bevordert een gemakkelijke bevalling.
+
+Eindelijk onderscheidt zich het vrouwelijk bekken nog van het
+mannelijke daardoor, dat het eerste zwakker gebouwd en korter en wijder
+is. Wegens deze laatste eigenschappen behoeft het kind bij de geboorte
+kleiner afstand in het bekken af te leggen en kan dit gemakkelijker
+geschieden. Van de wijdte van het bekken hangt het meestal af, of de
+bevalling een natuurlijk verloop neemt. Het is daarom van groot belang,
+dat de verloskundige deze wijdte reeds vóór de bevalling bepalen kan.
+
+Bij jonge kinderen is het verschil in geslacht aan den vorm van het
+bekken nauwelijks waar te nemen, hoewel de later duidelijk uitgesproken
+verschillen toch reeds in beginsel aanwezig zijn. Eerst gedurende
+de ontwikkeling van de geslachtsorganen neemt het bekken voor beide
+geslachten zijn afzonderlijken vasten vorm aan. Hiertoe werken vele
+factoren mede. De druk van het gewicht van den romp en het verschil
+in groei van enkele onderdeelen van het bekken oefenen daarbij wel
+den meesten invloed uit. Doch ook sommige ziekten gedurende het
+ontwikkelingstijdperk en de levensomstandigheden der meisjes missen
+haar uitwerking niet.
+
+De vroegere bewering, dat ook de meerdere of mindere beschaving van een
+volk invloed uitoefent op den vorm van het bekken, is gebleken onjuist
+te zijn. Wel komen er bij verschillende volkeren ook verschillende
+bekkenvormen voor, maar daarvoor bestaan andere oorzaken.
+
+Een denkbeeldige lijn van boven naar onderen, midden door het bekken
+getrokken, zoodanig dat zij overal op gelijken afstand van de wanden
+blijft, noemt men de middellijn of as van het bekken. Zij vormt een
+naar voren gerichten hollen boog. Wat door het bekken gaat, dus ook het
+kind bij de geboorte, moet zich in de richting van deze lijn bewegen.
+
+Door de zachte deelen, waarmede het bekken in- en uitwendig bekleed
+is, schijnt het voorkomen een ander dan het beschrevene te zijn.
+
+Zoo wordt de ingang van het kleine bekken van achteren door het dikke
+gedeelte van de groote lendenspieren bekleed en ondergaat daardoor
+een geringe vernauwing. _Plaat V No. 64_. In liggende houding met
+opgetrokken knieën ontspannen zich de groote lendenspieren en wordt
+die vernauwing daardoor voor een groot gedeelte geneutraliseerd.
+
+De grootste verandering in voorkomen ondergaat wel de
+bekken_uitgang_. Terwijl deze bij het skelet geheel open is, wordt hij
+in werkelijkheid, bij het levende individu, door sterke peesvliezen
+en door spieren bijna geheel gesloten en hij behoudt bij de vrouw
+slechts drie kleine openingen.
+
+De achterste opening is de aars (anus), de middelste de mond
+der scheede (ostium vaginae) en de voorste de opening der pisbuis
+(urethra). Deze openingen zijn alle drie omgeven door sluitspieren,
+die aan den wil onderworpen zijn.
+
+Het gedeelte, tusschen aars en scheede gelegen, wordt bilnaad
+(perineum) genoemd. Deze vliezige spiermassa gaat aan weerszijden,
+zonder bepaalde grenzen, in de binnenste vlakte der beenen over. Van
+den mond der scheede af tot aan den aars neemt de bilnaad in dikte
+toe. De vrouwelijke bilnaad is korter en breeder dan de mannelijke.
+
+
+
+
+De Spieren.
+
+
+Het geraamte is bijna geheel omgeven door spieren. Zij vormen de
+vleeschmassa van het lichaam en zijn door middel van pezen aan de
+beenderen verbonden. Een spier is samengesteld uit evenwijdig loopende
+spiervezels, die tot een bundeltje zijn vereenigd, hetwelk door een
+dun bindweefselvliesje omgeven is. Vele zulke bundeltjes vereenigen
+zich tot groote bundels, die dan telkens weder omgeven worden door een
+bindweefselkokertje, totdat zij ten slotte de geheele spier vormen,
+die dan in haar geheel omhuld wordt door een dikker vlies.
+
+Bij krachtig ontwikkelde spieren, een gevolg van geregelde
+werkzaamheid, zijn de afzonderlijke spiervezels in aantal toegenomen
+en heeft de spier daardoor een grooter omvang verkregen. Voortdurende
+rust en werkeloosheid van een spier veroorzaakt omvangsvermindering
+(atrophie).
+
+De werkzaamheid der spieren bestaat in het zich samentrekken; het
+is dan alsof de vleeschmassa der spier zwelt en harder wordt. Werkt
+een spier, dan heeft er in haar weefsel een scheikundig proces
+plaats, waarbij ontledingsproducten ontstaan, die door het bloed
+worden weggevoerd. Worden deze ontledingsproducten niet snel genoeg
+verwijderd, dan hoopen zij zich tijdelijk in het weefsel der spier
+op en veroorzaken het gevoel van vermoeidheid. Een spier, die niet
+voortdurend saamgetrokken is, doch afwisselend werkt, kan veel langer
+doorwerken zonder vermoeid te worden, dan een, die wel voortdurend
+saamgetrokken is. Vandaar dat het staan, waarbij immers ook spieren
+werkzaam zijn en wel onafgebroken dezelfde, meer vermoeit dan het
+gaan, of dat men beter een halven dag onafgebroken met armen en handen
+kan werken, dan 10 minuten een licht voorwerp met uitgestrekten arm
+onbeweeglijk vasthouden.
+
+Men onderscheidt de spieren in _willekeurige_ en _onwillekeurige_. De
+willekeurige spieren gehoorzamen aan den wil; wij hebben het in
+onze macht, ze te doen samentrekken of werkloos te houden. Haar
+spiervezels zijn, onder het mikroskoop gezien, dwarsgestreept. Al
+de spieren van het hoofd, den romp en de ledematen behooren tot de
+willekeurige spieren.
+
+De samentrekking der onwillekeurige spieren hebben wij niet in onze
+macht. Men vindt ze in de bloedvaten, in de baarmoeder, in de maag, in
+de darmen, enz. In de laatste zijn zij het bijv., die de voortbeweging
+van het voedsel tot stand brengen. Onder het mikroskoop gezien,
+vertoonen die spieren geen dwarse strepen.
+
+Bij man en vrouw komen over het geheele lichaam dezelfde spieren
+voor, die ook in bouw, vorm en verrichting geen werkelijk verschil
+aanbieden. Slechts de spieren van de geslachtsorganen wijken hiervan
+uit den aard der zaak af.
+
+_Plaat II_ geeft een groot aantal spieren van de voorzijde van het
+lichaam te zien, die genummerd werden en waarvan de namen achter de
+overeenkomstige nummers in de bijgevoegde beschrijving te vinden zijn.
+
+Alleen zij hier nog vermeld, dat het lieskanaal, _Plaat II No. 41_,
+van de vrouw langer en nauwer is dan dat van den man, waardoor
+verklaard wordt, dat liesbreuken bij mannen veelvuldiger voorkomen
+dan bij vrouwen.
+
+Een liesbreuk toch ontstaat, wanneer een buikingewand, bijv. een
+darmlis door het lieskanaal uitzakt.
+
+
+
+
+De Bloedsomloop.
+
+
+Het bloed bestaat uit een licht-geel vocht, bloedplasma, waarin
+zich millioenen van mikroskopisch kleine celletjes bevinden, de
+z.g. bloedlichaampjes. Het grootste deel daarvan is rood gekleurd;
+de overige zijn kleurloos.
+
+Het bloed vervult in het lichaam de rol van zuurstof in de longen en
+voedingsstoffen in de spijsverteringsorganen op te nemen en over te
+brengen naar de verschillende deelen van het lichaam, om daarna de in
+die lichaamsdeelen ontstane onbruikbare stoffen weg te voeren naar de
+plaatsen, vanwaar zij uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Te dien
+einde is het noodzakelijk, dat het bloed aanhoudend door het lichaam
+stroomt. Deze strooming, die men den bloedsomloop of kringloop noemt,
+komt tot stand door samentrekkingen van het hart.
+
+Het hart (cor) is een holle, kegelvormige spier, _Plaat III No. 1-4_,
+die in de borstholte links van haar middellijn gelegen is, doch nog
+gedeeltelijk door het borstbeen bedekt wordt. Het ligt tusschen de
+beide longen. De breede basis van het hart is schuin naar boven en
+zijn top naar beneden gekeerd. Die top, de punt van het hart genoemd,
+ligt tusschen de 5e en 6e linker rib.
+
+De grootte van het hart komt in den regel overeen met de grootte van
+de vuist. Een vrouwenhart is dikwijls in verhouding iets kleiner dan
+een mannenhart.
+
+De holte van het hart wordt door een middenschot in een rechter en
+linker helft verdeeld. _Plaat V No. 28-32_. Beide helften bestaan
+echter weder uit twee deelen, een kamer (ventriculus) en een voorkamer
+(atrium). Hartoor (auriculum cordis) noemt men het aanhangsel, dat
+aan elke voorkamer zit. _Plaat III No. 3 en 4_.
+
+Het hart is dus in vier ruimten verdeeld, twee kamers en twee
+voorkamers, die ieder een zelfde hoeveelheid bloed kunnen bevatten.
+
+De voorkamers zijn wel is waar kleiner dan de kamers, doch zij kunnen
+niettemin dezelfde hoeveelheid bloed bevatten, omdat zij dunne
+vliezige wanden bezitten, die zich verder kunnen uitzetten dan de
+dikke spierwanden van de kamers.
+
+Iedere voorkamer staat met de bij haar behoorende kamer in verbinding
+door een opening, welke door een vlies, het klapvlies, kan afgesloten
+worden.
+
+Wij kunnen den bloedsomloop het gemakkelijkst volgen, wanneer wij
+ons als in _Fig. 6_, dien kringloop enkelvoudig voorstellen. Uit
+de _linker_ kamer, _Fig 6 a_, stroomt het bloed in de groote
+lichaams_slagader_ (aorta). Deze gaat eerst met een boog naar boven,
+_Plaat III No. 5 en 6_, kromt zich dan naar beneden en verloopt langs
+de wervelkolom. Op haar weg geeft zij tal van slagaderen af, die naar
+de verschillende deelen van het lichaam gaan. (In _Fig. 6_ is daarvoor
+enkel de boog _b_ genomen.) Ieder van die slagaderen verdeelt zich
+op haar beurt weder en vormt steeds fijnere slagaderen, totdat ten
+slotte deze kanaaltjes mikroskopisch fijn worden en dan haarvaten of
+capillairvaten genoemd worden. _Fig. 6 c_. De kracht, die noodig is om
+het bloed door al die groote en kleine vaten te drijven, is zeer groot;
+van daar dat de spiermassa van de linker kamer sterk ontwikkeld is.
+
+De capillairvaten bezitten een zeer dunnen wand, die gemakkelijk vocht
+doorlaat; daardoor kan het bloed, dat door de capillairvaten stroomt,
+het vocht, waarin de voedingsstoffen voor de weefsels aanwezig zijn,
+afgeven en de onbruikbare stoffen, ontledingsproducten, uit de weefsels
+in zich opnemen.
+
+Nadat deze uitwisseling van stoffen is volbracht, vereenigen zich de
+capillairvaten weder tot wijdere vaten (aderen), _Fig. 6 e_, die tot
+nog steeds wijdere samenkomen en eindelijk het bloed verzamelen in de
+twee groote lichaams_aderen_ (vena cava superior et inferior), _Plaat
+III No. 9 en 10_, welke in de _rechter_ voorkamer uitmonden. _Fig. 6
+f_.
+
+Zoodra het bloed in de rechter voorkamer aangekomen is, trekt deze
+zich samen en wordt het naar de rechter kamer geperst. _Fig. 6 g_.
+
+Daarop volgt de samentrekking van de _rechter_ kamer. Het klapvlies,
+dat tot dusverre de opening tusschen voorkamer en kamer vrij liet,
+drukt zich nu tegen die opening zoodanig aan, dat het haar geheel
+afsluit. Het bloed kan daardoor niet naar de voorkamer terug en zoekt
+een uitweg door het bloedvat, dat naar de longen gaat. _Fig. 6 h_. Ook
+dit vat ondergaat spoedig een verdeeling, er ontstaan telkens kleiner
+vaten en ten slotte weer capillairvaten, _Fig. 6 i_, die zich daarna
+weder vereenigen en eindelijk samenkomen in een groot vat, de longader,
+_Fig. 6 j_, welke in de _linker_ voorkamer, _Fig. 6 k_, uitmondt.
+
+Op den weg door de capillairvaten van de long neemt het bloed de
+ingeademde zuurstof in zich op en komt daarvan voorzien in de _linker_
+voorkamer aan.
+
+Zoodra deze gevuld is, volgt de samentrekking en wordt het bloed
+gestuwd naar de linker kamer, vanwaar dit opnieuw zijn kringloop
+begint. Reeds werd opgemerkt, dat ook op de grens tusschen _linker_
+voorkamer en kamer zich een klapvlies bevindt. Bij contractie van de
+linker kamer sluit dit den weg naar de voorkamer en belet daardoor
+het terugstroomen van het bloed.
+
+Het van zuurstof voorziene, z.g. slagaderlijk bloed bezit een
+helderroode kleur en loopt door de slagaderen (arteriae) naar de
+weefsels. Keert het nu door de aderen (venae) naar het hart terug,
+nadat het de zuurstof heeft afgegeven, dan is het z.g. aderlijk bloed
+donkerrood, blauwachtig van kleur. Als zoodanig komt het ook in de
+rechter voorkamer aan, doch zal weldra, na door de rechter kamer te
+zijn gegaan, in de longen treden en daar nieuwe zuurstof opnemen,
+koolzuur en andere gassen afgeven en weer als slagaderlijk bloed het
+linker hart bereiken.
+
+
+
+Telkens wanneer de kamers zich samentrekken, stoot het hart met de punt
+tegen den borstwand; men kan zich hiervan overtuigen door den vinger
+te plaatsen tusschen de 5e en 6e rib en wel eenigszins links onder
+den linker borsttepel. Bij iedere samentrekking van het linker hart
+wordt een bloedgolf door de slagaderen gedreven: op sommige plaatsen
+van het lichaam is dit nu duidelijk voelbaar als men den vinger op de
+slagader laat rusten. Men noemt dit den polsslag. Polsslag en hartslag
+geven beide dus te kennen, dat er een samentrekking van de kamers
+plaats heeft. Linker en rechter kamer doen dit bijna gelijktijdig.
+
+Bij den gezonden, volwassen mensch geschiedt dit 65 à 80 maal in de
+minuut; bij kinderen slaat de pols sneller, bij pasgeborenen ongeveer
+140 maal in de minuut. Volgens sommigen bestaat een gering verschil
+in de snelheid van een vrouwen- en een mannenpols. Zij nemen aan, voor
+mannen gemiddeld 70, voor vrouwen gemiddeld 76 slagen in de minuut.
+
+Allerlei omstandigheden oefenen, ook in gezonden toestand,
+invloed uit op de snelheid van den pols. Zij ondergaat
+verandering na lichaamsinspanning, na het eten, in den slaap, bij
+temperatuursverandering, enz.
+
+Het geheele hart en een gedeelte van de bloedvaten, die er uitkomen
+en er in terugkeeren, zijn door een vliezigen zak, het hartzakje
+(pericardium) omgeven. Dit zakje is iets grooter dan het hart;
+voorzoover het niet geheel met het hart wordt gevuld, is de ruimte
+door vocht ingenomen.
+
+_Plaat III_ geeft een duidelijk beeld van de ligging en van den vorm
+van het hart en van de voornaamste slagaderen en aderen.
+
+De _slagaderen voor de geslachtsorganen_ gaan van de zaadslagaderen
+(arteriae spermaticae internae) uit, _Plaat III No. 23_. Gedurende de
+zwangerschap, doch ook bij verschillende baarmoederziekten nemen zij
+zeer sterk in doorsnede toe. Deze toename houdt gelijken tred met de
+omvangstoename van de baarmoeder. Zoowel de stam van de zaadslagader
+als haar vele vertakkingen nemen er aan deel. Daardoor voert dit
+netwerk van vaten in zulke gevallen een groote hoeveelheid bloed aan
+de baarmoeder toe.
+
+Tot het vaatstelsel behooren ook de lymphvaten of watervaten. Om
+zich hiervan een juiste voorstelling te vormen, bedenke men, dat de
+capillairvaten in weefselspleten liggen en daarin voedingsvocht voor de
+weefsels afgeven. Het niet verbruikte vocht met de ontledingsproducten
+moet nu een uitweg hebben. Voor een deel wordt het, zooals wij gezien
+hebben, met het aderlijk bloed weggevoerd. Voor zoover dit niet het
+geval is, vloeit het weg door vaatjes, welke door vereeniging der
+weefselspleten ontstaan. Het vocht noemt men lymph en de vaatjes
+lymphvaten. De lymphvaten vereenigen zich tot één groot lymphvat en
+dit mondt uit in een groote ader.
+
+
+
+
+Het Zenuwstelsel.
+
+
+De verrichtingen van de afzonderlijke organen van het lichaam worden
+door middel van het zenuwstelsel tot één geheel vereenigd.
+
+Men verdeelt het zenuwstelsel in een _centraal_ en een _peripheer_
+gedeelte. Tot het centraal gedeelte behooren de hersenen en het
+ruggemerg.
+
+In het centraal gedeelte van het zenuwstelsel ontstaan de prikkels,
+die de werking der spieren opwekken en worden de indrukken, door de
+zintuigen ontvangen, in voorstellingen en gewaarwordingen omgezet. Het
+wordt tevens gehouden voor den zetel van het verstand.
+
+Het periphere gedeelte van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen
+(nervi), die als leidraden, prikkels en indrukken overbrengen en de
+verschillende organen met het centrale zenuwstelsel in verbinding
+brengen.
+
+De hersenen (encephalon) zijn in de schedelholte besloten. Ze zijn door
+drie vliezige hulsels omgeven, die, van buiten naar binnen gerekend,
+onderscheiden worden in harde hersenvlies (dura mater), spinnewebsvlies
+(arachnoidea) en zachte hersenvlies (pia mater).
+
+De bouw der hersenen is zeer gecompliceerd. Hier zij alleen vermeld,
+dat zij verdeeld worden in groote hersenen (cerebrum), kleine hersenen
+(cerebellum) en het verlengde merg (medulla oblongata). Zij bestaan
+uit twee helften, die aan elkander gelijk zijn.
+
+De hersenoppervlakte heeft boogsgewijs gekronkelde verhevenheden;
+deze verhevenheden worden gyri genoemd, terwijl de daartusschen
+liggende sleuven sulci genoemd worden. _Plaat IV No. 1_.
+
+De beide helften van de groote hersenen zijn door den zoogen. balk
+(corpus callosum) met elkander verbonden, terwijl de beide helften der
+kleine hersenen in de brug van Varol (pons Varoli) hun verbindingspunt
+vinden. _Plaat IV No. 2_.
+
+Het verlengde merg verlaat de schedelholte door het achterhoofdsgat
+en gaat in het ruggemerg over. _Plaat IV No. 3_.
+
+Men heeft het er langen tijd voor gehouden, dat de hersenen van de
+vrouw lichter zouden zijn dan die van den man. Vroegere onderzoekers
+beschouwden het gewicht der hersenen in verhouding tot de lengte
+van het lichaam en kwamen daardoor tot een foutief resultaat. In
+den laatsten tijd heeft men redelijker gehandeld. Men bepaalde het
+hersengewicht in verband met het lichaamsgewicht en kwam zoodoende
+tot het resultaat, dat de hersenen der vrouwen minstens even zwaar,
+doch veelal iets zwaarder zijn dan die der mannen. Het is evenwel
+te begrijpen, dat men uit deze berekening niet mag concludeeren tot
+meerdere of mindere intelligentie van een der beide geslachten.
+
+Ook is beweerd dat verschil in verhouding van de hersendeelen onderling
+was toe te schrijven aan geslachtsverschil. Men meende namelijk ontdekt
+te hebben, dat de voorhoofdskwabben van de hersenen in verhouding
+tot zijn overige deelen bij den man grooter waren dan bij de vrouw
+en omdat men altijd had aangenomen dat aldaar het verstand zetelde,
+was de uitkomst van het onderzoek geen verrassing. Het is evenwel
+gebleken, dat deze ontdekking aan onjuiste waarnemingen moest worden
+toegeschreven. Onderzoekers van lateren tijd hebben aangetoond, dat
+de voorhoofdskwabben van de vrouw beter ontwikkeld zijn dan die van
+den man en hoewel het verschil zeer gering is, het overwicht toch
+is aan de zijde der vrouw. Laat mij onmiddellijk hieraan toevoegen,
+dat men in den laatsten tijd twijfel is gaan opperen, of het verstand
+wel in de voorhoofdskwabben zetelt.
+
+Nog andere kenmerkende verschillen heeft men gemeend te vinden,
+doch telkens bleken zij den toets van het onderzoek niet te kunnen
+doorstaan, zoodat men dan ook op dit oogenblik geen enkel belangrijk
+punt van verschil tusschen de hersenen van mannen en vrouwen kan
+aannemen en zeer zeker in geen enkel opzicht uit de verkregen
+resultaten een besluit ten nadeele van het intellect der vrouw mag
+trekken.
+
+
+
+Keeren wij thans terug tot het ruggemerg (medulla spinalis), het
+lange, cylindervormige gedeelte van het centrale zenuwstelsel, in
+de holte van de ruggegraat gelegen en evenals de hersenen door drie
+vliezen omgeven. _Plaat IV No. 4-7_. Het eindigt van onderen ter
+hoogte van den 1en of 2en lenden wervel stomp kegelvormig (conus
+medullaris), vanwaar een draadvormig uiteinde (filum terminale)
+verder het ruggemergskanaal doorloopt.
+
+Men onderscheidt drie soorten van zenuwen: gevoels-, bewegings-
+en sympathische zenuwen.
+
+Worden _gevoels_zenuwen geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht
+naar de hersenen en volgt een gewaarwording, bijv. van pijn of warmte,
+van reuk of geluid.
+
+De _bewegings_zenuwen eindigen alle in de spieren. Worden die zenuwen
+geprikkeld, dan volgt samentrekking van de daarmede correspondeerende
+spieren.
+
+Gaan wij nu na, uit welke zenuwen de verschillende organen
+hun zenuwtakken ontvangen, dan blijkt, dat de hersenen 12
+paar hersenzenuwen leveren, terwijl uit het ruggemerg 31 paar
+ruggemergszenuwen haar oorsprong nemen.
+
+De 12 paar hersenzenuwen zijn bijna uitsluitend bestemd voor de
+verschillende deelen van het hoofd. Zij voorzien de zintuigen van
+zenuwtakken en geven verder gevoels- en bewegingszenuwen voor het
+hoofd af.
+
+De 31 paar ruggemergszenuwen worden bij haar oorsprong in twee takken
+gescheiden, waarvan de voorste, de dikkere tak, bewegingszenuwen,
+de achterste, gevoelszenuwen levert.
+
+Deze ruggemergszenuwen zijn verdeeld in 8 hals-, 12 borst-, 5
+lenden-, 5 heiligbeens- en 1, soms 2 stuitbeenszenuwen. Zij verlaten
+alle het ruggemergskanaal door de voor hen bestemde opening in de
+overeenkomstige wervels. Aangezien het ruggemerg op de hoogte van den
+1en of 2en lendenwervel eindigt, moeten de lenden-, heiligbeens- en
+stuitbeenszenuwen dus nog een eind in het ruggemergskanaal afleggen,
+voor zij de voor ieder harer bestemde uitgangsopening in de wervels
+bereiken. De zenuwen, die evenwijdig naar beneden loopen, geven een
+eigenaardigen vorm aan het uiteinde van het ruggemerg, dat daarnaar
+den naam van paardenstaart (cauda equina) verkregen heeft. Op _Plaat
+IV_ is dit alles zeer juist afgebeeld.
+
+De _sympathische_ zenuwen vormen een afzonderlijke groep. Zij vinden
+haar oorsprong in twee dikke zenuwkoorden, die langs beide zijden van
+de wervelkolom loopen. Zij begeleiden hoofdzakelijk de bloedvaten op
+hun talrijke wegen en regelen de wijdte der kleine slagaderen.
+
+
+
+
+De Spijsverteringsorganen.
+
+
+De spijsverteringsorganen (organa digestionis) dienen tot opneming
+en omzetting van voedingsstoffen; zij vormen een kanaal, waarvan
+de mondholte (cavum oris) het begin en de aars (anus) het einde
+vormt. Slechts het begin en het einde is aan den wil onderworpen.
+
+De voedingsstoffen worden in de verschillende deelen van het
+spijsverteringswerktuig omgezet in zoodanigen vorm, dat zij in het
+bloed kunnen worden opgenomen en in de verschillende weefsels kunnen
+worden afgescheiden om daar de verbruikte stoffen te vervangen. De
+aanvoer van nieuwe voedingsstoffen moet gelijk staan met, of meer
+zijn dan de verbruikte hoeveelheid, anders heeft er achteruitgang
+van de weefsels plaats.
+
+Het geheele voedingsproces berust op een scheikundige omzetting der
+toegevoerde stoffen. De onbruikbare, niet tot opneming geschikte
+bestanddeelen gaan tot aan het einde van het darmkanaal door, om daar
+verwijderd te worden.
+
+De spijsverteringsorganen zijn van het begin tot het einde met
+slijmvlies bekleed. Dit slijmvlies is rijk aan slijmkliertjes en
+bevat verder veel bloedvaten, lymphvaten en zenuwen.
+
+De mondholte moet als het begin beschouwd worden. Zij vormt een holte,
+van _boven_ begrensd door een naar voren gelegen hard en naar achteren
+gelegen zacht gehemelte (palatum durum et molle). Achter aan het zachte
+gehemelte bevindt zich de huig (uvula), die de keelholte schijnbaar
+in twee helften verdeelt.
+
+Het zachte gehemelte vertoont verder twee verheffingen, die als bogen
+naar rechts en naar links verloopen; tusschen de _twee_ rechtsche
+en tusschen de twee linksche booghelften ligt telkens een amandel
+(tonsilla).
+
+Aan beide _zijden_ wordt de mondholte begrensd door de wangen; daarin
+verloopen de wangspieren (musculi buccinatores). _Plaat II No. 13_.
+
+De _onderkant_ van de mondholte wordt grootendeels gevormd door de tong
+(lingua); deze laat slechts een klein gedeelte van den eigenlijken
+bodem der mondholte vrij. De tong bestaat uit spieren, waarvan de
+vezelen in verschillende richtingen verloopen. Hierdoor worden de
+meest verschillende bewegingen mogelijk gemaakt.
+
+In de mondholte wordt het vaste voedsel gekauwd. Dit kauwen geschiedt,
+doordien de onderkaak op en neer en ook in zijdelingsche richting
+bewogen wordt; de bovenkaak staat vast. Onder het kauwen wordt de
+spijsbrok voortdurend verplaatst en wel door middel van de tong,
+de lipspieren en de wangspieren.
+
+Tijdens het kauwen wordt het voedsel innig vermengd met speeksel, een
+vocht, dat afgescheiden wordt door de speekselklieren, waarvan er aan
+beide zijden een in de wang nabij het oor ligt: de oorklier (glandula
+parotis), en die haar uitvoergang dwars door het wangslijmvlies
+naar de mondholte zendt. Verder liggen nog twee paar speekselklieren
+in de onderkaak: de onderkaaksklier (glandula submaxillaris) en de
+ondertongsklier (glandula sublingualis). Van beide paren komen de
+uitvoergangen onder de tong uit.
+
+Door de vermenging met speeksel wordt het doorslikken van de spijsmassa
+vergemakkelijkt en wordt reeds een gedeelte van het voedsel,
+bijv. hetgeen uit meel bestaat, zoodanig scheikundig veranderd,
+dat het geschikt wordt om later in het bloed te worden opgenomen.
+
+Is het voedsel gekauwd, dan wordt het ingeslikt en vervolgt daarna
+zijn weg door den slokdarm (oesophagus), _Plaat V No. 39_. Van den
+slokdarm komt het in de maag.
+
+De maag (ventriculus) ligt voor de grootste helft in het linker
+bovenste gedeelte van de buikholte. Zij stoot van boven aan
+het middelrif, links van haar ligt de milt en achter haar de
+alvleeschklier, terwijl zij rechts gedeeltelijk door de lever
+bedekt wordt. De plaats, waar de slokdarm in de maag overgaat, is de
+maagingang (cardia) en de overgang van de maag in den twaalfvingerigen
+darm heet portier (pylorus). Tusschen den maagingang en den maaguitgang
+ligt de wijde, naar onderen en links sterk uitgebogen zak, de
+grondvlakte van de maag (fundus ventriculi). _Plaat V No. 40_.
+
+Aan den pylorus wordt de maag van den twaalfvingerigen darm gescheiden
+door een kringspier, welke van tijd tot tijd geopend wordt om voedsel
+door te laten.
+
+Het spijsverteringsproces, reeds in de mondholte aangevangen, wordt
+in de maag voortgezet en wel door middel van een vocht, het maagsap,
+dat door het maagslijmvlies wordt afgescheiden en voornamelijk bestaat
+uit pepsine en zoutzuur.
+
+Dit vocht bezit het vermogen, het eiwit van het voedsel meer geschikt
+te maken tot opneming in het bloed. Door samentrekking van de in
+den maagwand gelegen spieren wordt het voedsel innig met het maagsap
+saamgekneed.
+
+Van tijd tot tijd gaat nu, zooals gezegd is, een deel van den
+maaginhoud in den twaalfvingerigen darm (duodenum) over. Men verdeelt
+den darm in dunnen en dikken darm.
+
+De dunne darm bestaat weer uit drie deelen: den _twaalfvingerigen_
+(duodenum), den _nuchteren_ (jejunum) en den _kronkeldarm_ (ileum). In
+het geheel vormt de dunne darm een buis van 5 à 6 Meter lengte, met
+lissen en bochten, waarvan eenige zelfs tot in de kleine bekkenholte
+afhangen. _Plaat V No. 43 en 44_.
+
+In den dunnen darm ondergaat het voedsel nieuwe veranderingen, doordien
+het daar in aanraking komt met twee vochten, de gal en het sap van
+de alvleeschklier. Beide vochten zorgen voor een verdere omzetting,
+waardoor opneming in het bloed mogelijk wordt.
+
+De gal is een afscheidingsproduct uit de lever, de grootste klier
+van het menschelijk lichaam. De lever (hepar), _Plaat V No. 48_, is
+tamelijk week, bezit een bruinroode kleur en is gelegen in de rechter
+bovenste buikstreek, tegen het middelrif aan. Haar onderste rand moet
+slechts even onder de ribben uit gevoeld kunnen worden. Bij vrouwen,
+die zich sterk rijgen, wordt de lever naar onderen geperst en is
+daardoor veel gemakkelijker waar te nemen.
+
+De lever scheidt onophoudelijk gal af, die in de galblaas (cystis
+fellea), _Plaat V No. 49_, wordt verzameld en zich gedurende de
+spijsvertering in den dunnen darm ontlast.
+
+De galblaasbuis (ductus choledochus) voert de gal naar den
+twaalfvingerigen darm.
+
+De alvleeschklier (pancreas), _Plaat V No. 42_, is een klier, die een
+lengte heeft van ongeveer 20 cM en een breedte van 3 à 4 cM. Ook haar
+uitvoergang mondt in het duodenum uit, vlak bij dien van de gal. Het
+sap der alvleeschklier heeft een groote beteekenis, omdat het op alle
+bestanddeelen van het voedsel een krachtigen invloed uitoefent.
+
+In den dunnen darm wordt eveneens het voedsel gekneed, maar tevens
+voortbewogen. Deze voortbeweging komt tot stand, doordien de darmwand
+zich achter de voedselmassa vernauwt en verkort. Dit herhaalt zich
+telkens met het opvolgend stuk darm en zoo gaat het voort, alsof
+men van de maag uitgaande, met de vingers den darm drukkende, de
+voedselmassa voortbeweegt. Zulk een beweging noemt men een wormvormige
+of peristaltische.
+
+Van den _dunnen_ darm gaat de massa nu over in den _dikken_. Op de
+plaats van overgang wordt een zak gevormd, de blinde darm (intestinum
+coecum), _Plaat V No. 45_. De dikke darm is veel wijder dan de eerste
+en is ook meer rekbaar. Eerst verloopt hij naar boven tot aan de lever,
+gaat dan van rechts naar links, om zich vervolgens naar beneden te
+buigen en in den endeldarm (rectum) over te gaan. Vóór den overgang
+in den endeldarm noemt men den dikken darm ook wel colon.
+
+De opneming van het voedsel in het bloed begint reeds in den maagwand
+en zet zich verder over het geheele darmkanaal voort. De wijze,
+waarop dit geschiedt, hier uiteen te zetten, zou tot te groote
+uitvoerigheid leiden. Slechts zij opgemerkt, dat behalve het vet, al
+het omgezette voedsel wordt afgevoerd door bloedvaten, welke in maag-
+en darmwand gelegen zijn. Zoo komt het dan in het bloed der holle ader,
+in rechter voorkamer, rechter kamer, longcapillaria, linker voorkamer,
+linker kamer, aorta en stroomt door de slagaderen naar alle deelen van
+het lichaam. In de fijne haarvaten wordt eindelijk het voedsel aan de
+weefsels afgegeven. Het vet wordt door een eigen vaatsysteem uit den
+darmwand afgevoerd, maar dit systeem mondt ten slotte toch ook in het
+aderlijke bloed uit, zoodat ook het vet den weg van rechter voorkamer,
+rechter kamer, enz. volgt.
+
+De milt (lien), _Plaat V No. 41_, behoort eigenlijk niet tot de
+digestie-organen; zij wordt hier alleen besproken, omdat zij in de
+buikholte vlak achter of naast de grondvlakte van de maag gelegen is
+en nog niet is uitgemaakt, welke functie zij eigenlijk te vervullen
+heeft. Het is een bruinrood orgaan, ter grootte van een vuist, dat
+buitengewoon vaatrijk is.
+
+Het buikvlies (peritoneum) is een volkomen gesloten zak (bij de vrouw
+wordt het alleen door de buikopeningen van de Fallopiaansche buizen,
+waarover later, doorboord), waarmede de inwendige oppervlakte van
+de buik- en bekkenwanden is bekleed (peritoneum parietale) en dat de
+buik- en bekkeningewanden zoodanig omgeeft, dat deze daardoor geheel
+overdekt zijn (peritoneum viscerale).
+
+
+
+De Ademhalingsorganen.
+
+
+Door middel van de ademhalingsorganen wordt zuurstof in het bloed
+gebracht en worden onbruikbare gasvormige omzettingsproducten,
+voornamelijk koolzuur, uit het lichaam verwijderd. Tot de
+ademhalingsorganen behooren de groote luchtwegen en de longen. Langs de
+luchtwegen, waartoe alleen de neus, het strottenhoofd en de luchtpijp
+gerekend worden, bereikt de lucht de longen.
+
+De _neus_ (nasus), tegelijkertijd ons reukorgaan, is in normale
+omstandigheden de eenige toegangsweg tot de longen, daar de doortocht
+door den mond eigenlijk alleen als noodhulp behoort gebruikt te
+worden. Doordien deze toegangsweg zoo nauw is en bovendien nog vele
+bochten vertoont, kan de buitenlucht er slechts langzaam doorgaan en
+komt zoodoende behoorlijk verwarmd in de longen aan.
+
+Het _strottenhoofd_ (larynx), _Plaat V No. 24_, is een uit
+kraakbeenderen samengesteld orgaan, dat bij den ingang een klepje,
+strotteklepje (epiglottis) bezit, waardoor die ingang kan afgesloten
+worden. Het strottenhoofd staat van boven met den mond en den neus
+in verbinding; van onderen gaat het in de luchtpijp over. Bij het
+slikken sluit het zeer beweeglijk en veerkrachtig strotteklepje den
+toegang naar het strottenhoofd af en verhindert daardoor, dat het
+doorgeslikte in de luchtwegen komt.
+
+Het strottenhoofd dient tot orgaan voor stemvorming. Daarvoor zijn
+binnen in de holte slijmvliesplooien gespannen, die als stembanden
+dienst doen. Door aldaar aanwezige, talrijke kleine spieren zijn wij
+in staat de stembanden meer of minder sterk te spannen en daardoor
+de verschillende tonen in ons geluid te brengen.
+
+Het strottenhoofd is bij vrouwen aanmerkelijk kleiner dan bij
+mannen. Tot op ongeveer 15-j. leeftijd is er geen noemenswaardig
+verschil; daarna ontwikkelt het zich bij jongens veel sterker dan
+bij meisjes. De stembanden zijn dan ook bij de eersten langer en de
+stemspleet, de spleet tusschen beide stembanden gelegen, waardoor de
+in- en uitademingslucht passeeren moet, iets breeder. Het verschil
+in stem bij mannen en vrouwen is daaraan toe te schrijven.
+
+De _luchtpijp_ (trachea), _Plaat V No. 25_, is een 10-22 cM. lange
+buis, uit een aantal (16-20) kraakbeenringen samengesteld, welke
+door veerkrachtige, vezelachtige banden onderling zijn vereenigd. Op
+de hoogte van den 4en borstwervel splitst de luchtpijp zich in twee
+takken, de luchtpijpstakken (bronchi), _Plaat V No. 26_, die naar de
+rechter en linker long loopen.
+
+De rechter tak, die iets korter en wijder is dan de linker, splitst
+zich in drieën, voor elke rechter longkwab een; de linker tak verdeelt
+zich slechts in tweeën, omdat de linker long slechts twee kwabben
+bezit. In de long wordt elke tak in ontelbaar kleine en steeds fijner
+wordende takjes verdeeld, die ten slotte alle uitmonden in een fijn,
+zakvormig blaasje, de longblaasjes. Vele van deze met lucht gevulde
+longblaasjes vormen te zamen een longlapje en uit een aantal van
+zulke lapjes zijn de longen opgebouwd.
+
+De longen (pulmones), _Plaat V No. 27_, zijn twee weeke, sponsachtige
+organen, die in de beide helften der borstkas een plaats vinden
+en de holte hiervan geheel vullen. De longslagader, die met de
+luchtpijpstakken aan de binnenvlakte der longen naar binnen treedt,
+vertakt zich aldaar evenals de luchtpijpstakken in vele kleine
+slagaderen, om eindelijk het weefsel van de longblaasjes met een
+net van capillairen te omgeven. Hierdoor is het bloed in staat, de
+zuurstof van de ingeademde lucht in zich op te nemen en daarvoor de
+in het lichaam ontstane, onbruikbare gassen, die het meevoerde, af
+te geven, welke dan met de lucht worden uitgeademd. Bij verruiming
+van de borstkas zetten de longen zich uit; de longblaasjes vullen
+zich dan met versche lucht, wat men _inademen_ noemt. Men spreekt
+van _uitademen_, wanneer de gebruikte lucht de longen verlaat. In-
+en uitademing gezamenlijk heet _ademhaling_. Door samentrekking van
+de spieren van de borstkas komt de ademhaling tot stand; dan toch
+wordt de borstkas verruimd.
+
+Een spier, die bij de ademhaling een voorname rol speelt, worde hier
+afzonderlijk vermeld. Deze spier, het middelrif (diaphragma), _Plaat
+V No. 50_, sluit de borstholte geheel van de buikholte af. Rondom aan
+de ribben bevestigd, bevindt zij zich in toestand van rust bolvormig
+gespannen in de borstholte. Bij samentrekking wordt de welving van de
+spier vlak en wordt de borstkas daardoor aanmerkelijk verruimd. De
+spiermassa bezit in het midden twee openingen, waardoor de slokdarm
+en de lichaamsslagader van de borst- in de buikholte en de onderste
+holle ader van de buik- in de borstholte kunnen overgaan.
+
+In geheel rustigen, normalen toestand hebben er bij volwassen menschen
+16 à 20 ademhalingen in de minuut plaats. Bij kinderen is dit aantal
+grooter, terwijl ook vrouwen iets sneller ademen dan mannen. Allerlei
+invloeden kunnen de ademhaling versnellen, zonder dat wij nog met
+ziekelijke afwijkingen te doen hebben, bijv. bij inspanning der
+spieren, bij gemoedsaandoeningen, enz.
+
+De hoeveelheid lucht, die bij diepste inademing op eenmaal kan
+ingeademd worden, de vitale capaciteit der longen, is bij mannen
+grooter dan bij vrouwen. Dat in normalen toestand ook de _wijze_ van
+ademhaling bij mannen en vrouwen zou verschillen, heeft men vroeger
+wel aangenomen, doch later is gebleken, dat dit een dwaling was. Men
+dacht, dat mannen ademden hoofdzakelijk door samentrekking van het
+middelrif (buikademhaling); vrouwen daarentegen door samentrekking
+van de borstspieren (ribben-ademhaling). Het is echter gebleken, dat
+deze ribbenademhaling, wanneer zij voorkomt bij vrouwen, meestal een
+gevolg is van te nauw sluitende kleeding, te sterk geregen corsetten,
+waardoor de uitzetting der borstkas van onderen wordt belemmerd.
+
+In de borstholte liggen nog twee klieren, de schildklier (glandula
+thyreoidea) en de thymusklier (glandula thymus).
+
+De schildklier ligt vóór het begin der luchtpijp. Zij is bij vrouwen
+iets grooter dan bij mannen.
+
+De thymusklier ligt achter het bovenste deel van het borstbeen. Deze
+klier neemt tot het 2e levensjaar in omvang toe, gaat daarna
+langzamerhand verminderen en is tegen den tijd der geslachtsrijpheid
+geheel verdwenen.
+
+
+
+De Pisorganen.
+
+
+Een groot deel der stoffen, die door het stofwisselingsproces in de
+weefsels worden gevormd en die voor de voeding der organen geen waarde
+meer hebben, wordt door middel van de pisorganen uit het lichaam
+verwijderd. Het zijn voornamelijk de stikstofhoudende stoffen, die,
+in opgelosten toestand, langs dezen weg het lichaam verlaten. Gelijk
+op bladz. 14 gezegd is, worden zij door het bloed, wanneer dit door
+de haarvaten der weefsels stroomt, opgenomen, om daarna te worden
+afgescheiden, wanneer het de nieren passeert.
+
+Dit afscheidingsproduct der nieren is de pis (urine).
+
+De _nieren_ (renes) zijn boonvormige klieren, van bruinroode kleur. Zij
+liggen in de lendenstreek, aan beide zijden van de wervelkolom,
+de linker iets hooger dan de rechter. _Plaat V No. 51_.
+
+Door vetrijk bindweefsel, dat de nieren omgeeft, door het buikvlies,
+dat haar voorvlakte bekleedt en door de groote bloedvaten, die haar het
+bloed toevoeren, zijn zij aan haar plaats gebonden. De plaats, waar
+de groote bloedvaten de nieren ingaan en deze weder verlaten en waar
+ook de pisleider uittreedt, noemt men de poort van de nier. Somwijlen
+is een der nieren, meestal de rechter, min of meer bewegelijk. Door
+zwangerschappen of ziekten kan het gebeuren, dat het bindweefsel om
+de nier zijn vetrijkdom verliest en de nier daardoor minder stevig
+bevestigd ligt. Zij verplaatst zich dan af en toe in de buikholte en
+verkrijgt daardoor den naam van wandelnier.
+
+De uitwendige oppervlakte van de nier wordt door een taai, vezelachtig
+vlies omgeven (capsula fibrosa), dat aan de poort door de in- en
+uittredende vaten doorboord wordt. _Fig. 7 a_.
+
+Snijdt men de nier in de lengte door, zooals op _Plaat V No. 52_ de
+linker nier is afgebeeld, dan blijkt, dat haar zelfstandigheid bestaat
+uit een bruinrood buitenste en een geelwit binnenste gedeelte. Deze
+bruinroode kleur is hieraan toe te schrijven, dat de nierslagader,
+aan de poort de nier binnentredende, _Plaat V No. 51_, en zich
+steeds fijner vertakkende, doordringt tot het buitenste gedeelte, het
+zoogen. bastgedeelte, en daar een fijn net van haarvaten vormt. In dit
+vaatnet wordt de urine afgescheiden. Zij wordt in zeer kleine holten
+opgevangen en door de pisbuisjes, die in die holten een begin nemen,
+naar het zoogenaamde nierbekken, in het middenste of merggedeelte
+van de nier gelegen, gevoerd. De pisbuisjes, aanvankelijk zeer fijn
+en talrijk, vereenigen zich op hun weg naar het nierbekken en vormen
+zoodoende steeds wijder wordende buisjes, die eindelijk overgaan in
+de nierkelken (calices renales), wier uitgangen onmiddellijk in het
+nierbekken uitmonden. _Fig. 7 e_.
+
+Het nierbekken, dat zich in de richting naar de poort trechtervormig
+vernauwt, gaat aldaar in den pisleider (ureter), _Fig. 7 f_,
+over. Onophoudelijk wordt de pis in de nieren afgescheiden, door de
+pisbuisjes naar de nierkelken gevoerd, door deze in het nierbekken
+uitgestort en vandaar door den pisleider naar de blaas gebracht. De
+pisleiders loopen over de groote lendenspier, _Plaat V No. 53_, naar
+beneden tot in het kleine bekken en monden daar aan weerszijden onder
+aan de blaas in deze uit.
+
+In de _pisblaas_ (vesica urinaria), _Plaat V No. 54_, wordt de urine
+opgevangen en kan daar geruimen tijd bewaard worden. De blaas is een
+zak, met vrij dikken spierwand, die in ledigen toestand achter de
+schaambeensvereeniging ligt, doch zoodra zij gevuld is, daarboven
+uitsteekt.
+
+De spierlaag is van binnen met slijmvlies bekleed, dat talrijke
+plooien vormt, wanneer de blaas ledig is. Aan haar bodem bevindt
+zich een sluitspier, die kringvormig den overgang van blaas in
+pisbuis omgeeft. Gelijktijdig met de samentrekking van de spierlaag
+van de blaas opent deze sluitspier zich en verleent aldus de urine
+een doortocht.
+
+De _pisbuis_ (urethra), die de urine uit de blaas buiten het lichaam
+brengt, is bij de vrouw slechts ongeveer 2 cM lang en mondt boven
+den ingang der scheede in de schaamspleet uit. Zij is wijder dan de
+mannelijke pisbuis en kan bovendien nog uitgerekt worden.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE AFDEELING.
+
+
+De Geslachtsorganen.
+
+
+De geslachtsorganen (organa genitalia) stellen ons in staat aan
+nieuwe wezens het leven te schenken. Dit vermogen, om ons zelf te
+vermenigvuldigen, hebben wij met de planten en dieren gemeen. Wat ons
+evenwel van plant en dier onderscheidt is, dat de met rede begaafde
+mensch niet behoeft voort te planten, lijdelijk zooals de plant,
+of onderworpen aan een onbetoombare aandrift zooals het dier, maar
+dat hij dit kan doen onder de heerschappij der rede.
+
+Bij vele planten en bij eenige lagere diersoorten worden de organen,
+noodig voor het voortplantingsproces, in een en hetzelfde organisme
+aangetroffen; bij den mensch daarentegen, evenals bij alle hooger
+ontwikkelde diersoorten en bij sommige planten, zijn de organen,
+voor dat doel bestemd, over twee individuen verdeeld. Van de beide
+daardoor ontstane geslachten neemt bij den mensch de vrouw een ander
+en grooter aandeel aan het voortplantingsproces dan de man.
+
+In haar lichaam wordt de kiem voor het nieuwe leven gevormd en wanneer
+die kiem door aanraking met het zaad van den man aanleiding tot verdere
+ontwikkeling heeft ontvangen, dan herbergt zij het jonge vruchtje in
+haar lichaam, tot het zijn vollen wasdom heeft bereikt. Daarna brengt
+zij het ter wereld, doch voedt het nog geruimen tijd met de melk,
+het afscheidingsproduct harer borstklieren.
+
+Deze vele verrichtingen, bij het voortplantingsproces aan de
+geslachtsdeelen der vrouw tot taak gesteld, zijn over verschillende
+organen verdeeld. De organen, die daarbij een hoofdrol vervullen, zijn
+in de lichaamsholte gelegen; de schaamdeelen (vulva) en de borstklieren
+(mammae), die in dit proces een bijrol vervullen, liggen uitwendig.
+
+Laten wij beginnen met een korte uiteenzetting van den bouw en de
+verrichting der borstklieren. Deze, ook wel zogklieren genaamd,
+zijn aanvankelijk bij jongens en meisjes gelijk, doch op ongeveer
+12-j. leeftijd, wanneer ook de andere geslachtsorganen zich beginnen
+te ontwikkelen, openbaart zich het geslachtsverschil tevens in
+deze klieren. Bij den jongen blijft de borstklier op de eerste
+ontwikkelingshoogte staan of verschrompelt langzamerhand geheel. Bij
+het meisje daarentegen gaat de klier zich dan ontwikkelen. De
+borstklieren van het geslachtsrijpe meisje, de maagd, zijn van
+halfkogelvormige gedaante en liggen aan weerszijden van de borstkas op
+de groote borstspier (musculus pectoralis major), _Plaat II No. 28_,
+tusschen de 3e en 6e rib. Zij zijn door een sleuf, den boezem (sinus),
+van elkaar gescheiden. Midden op de borstklier, op haar hoogste punt,
+zit de borsttepel (papilla mammae), die door den tepelkring (areola
+mammae) omgeven is. De groote gevoeligheid, den borsttepel eigen,
+is een gevolg van diens rijkdom aan gevoelszenuwen. Borsttepel en
+tepelkring zijn meer of minder sterk bruin gekleurd.
+
+De borstklier, _Plaat I No. 63_, bestaat uit 15-24 afzonderlijke
+kliertakken, die door veel bindweefsel zijn omgeven en daarmede
+onderling verbonden. In dit bindweefsel bevindt zich vet. De toeneming
+in grootte van de klier is een gevolg zoowel van de ontwikkeling der
+kliertakken als van meer vetafzetting in het daartusschen liggend
+bindweefsel. De kliertakken bestaan uit een verzameling van als
+druiven getroste, kleine, vliezige blaasjes, die elk een apart
+uitloozingsbuisje hebben. Al die uitloozingsbuisjes vloeien samen
+tot een enkel kanaaltje, één voor iederen tak. Deze takken zijn
+de zoggangen; zij loopen elk op zich zelf naar den borsttepel en
+doorboren dien met een fijne opening.
+
+In maagdelijken toestand blijven de borstklieren in dit
+ontwikkelingsstadium. Zoodra echter de eerste zwangerschap is
+ingetreden, komen zij tot geheele ontwikkeling. Vóór dien tijd is
+de klier ook niet in staat haar functie te verrichten: de melk,
+haar afscheidingsproduct, is eerst tegen het einde der zwangerschap
+aanwezig.
+
+De melk wordt in de vliezige blaasjes voortgebracht en door de fijne
+uitloozingsbuisjes naar de zoggangen gevoerd. Door zuiging of persing
+vindt de melk uit de zoggangen een uitweg door de borsttepelopeningen.
+
+De melk bestaat hoofdzakelijk uit water, vet, kaasstof,
+melksuiker en zouten. De eerste dagen na de geboorte van het kind
+is de melk bijzonder vetrijk en wordt dan colostrum genoemd. De
+hoeveelheid en hoedanigheid der afgescheiden melk verandert onder
+verschillende omstandigheden. In sommige ziektetoestanden vermindert
+de melkafscheiding of houdt zij geheel op. Langdurige, aanhoudende
+druk op de borstklier oefent eveneens een ongunstigen invloed uit op
+de afscheiding. Men is ook verplicht, wil men de melkproductie niet
+doen ophouden, de borsten regelmatig van de melk te ontlasten, door
+ze uit te laten zuigen of uit te persen. Sterke gemoedsaandoeningen
+veroorzaken almede verandering in de hoeveelheid; soms houdt zelfs
+na een hevigen schrik de zogafscheiding tijdelijk geheel op. Dat ook
+de hoedanigheid der melk na gemoedsaandoeningen verandert, is nimmer
+aangetoond kunnen worden; wel is het een vrij algemeen heerschende
+volksmeening en de mogelijkheid er van is niet uitgesloten. De voeding
+der vrouw oefent grooten invloed uit op de _hoedanigheid_ der melk.
+
+Alvorens van de behandeling der borstklieren af te stappen, worde nog
+herinnerd, dat ondoelmatige kleeding, tijdens het ontwikkelingstijdperk
+een te sterken druk op de klier uitoefenende, stoornis in haar groei
+kan brengen.
+
+Schenken wij thans onze aandacht aan de uitwendige schaamdeelen,
+waartoe onder meer behoort de schaamheuvel (mons veneris), een
+vetrijke verhevenheid, die in geslachtsrijpen leeftijd dicht met
+haren is begroeid. Hij maakt het bovenste deel uit van de uitwendige
+schaamdeelen en gaat van onderen over in de groote schaamlippen
+(labia majora). _Fig. 8 a_. Deze zijn groote, vetrijke huidplooien,
+die van den schaamheuvel boogsgewijs naar achteren loopen tot aan den
+bilnaad, waar zij onder een scherpen hoek samenkomen en door een dun
+vlies of bandje (frenulum labiorum) onderling verbonden zijn. Bij een
+eerste baring wordt dit bandje meestal vernietigd en wijken dan de
+groote schaamlippen steeds eenigszins van elkander af. Ook de groote
+schaamlippen zijn meestal met haren begroeid.
+
+Tusschen de groote schaamlippen liggen de kleine schaamlippen (labia
+minora of nymphae). _Fig. 8 b_. Dit zijn dunne, zachte huidplooien,
+meestal kleiner dan de groote lippen en door deze bedekt. In sommige
+gevallen zijn zij grooter dan de groote lippen en steken dan buiten
+deze uit. Zij loopen naar achteren tot aan den ingang der scheede
+en staan naar voren, iedere lip in twee plooien gesplitst, met den
+kittelaar (clitoris), _Fig. 8 e_, in verbinding. De voorste plooi vormt
+de voorhuid van den kittelaar (praeputium clitoridis), _Fig. 8 d_, de
+achterste plooi het bandje daarvan (frenulum clitoridis), _Fig. 8 f_.
+
+De kittelaar ligt alzoo tusschen de beide plooien der kleine lippen,
+die zich vóór en achter dit orgaan vereenigen. Het is een klein, stomp,
+vaatrijk en zenuwrijk uitsteeksel, zonder opening. Het wellustgevoel
+zetelt voornamelijk in dit orgaan.
+
+De ruimte tusschen de kleine lippen en achter den kittelaar noemt men
+het voorhof van de scheede (vestibulum vaginae). _Fig. 8 c_. Ongeveer
+in het midden van deze ruimte mondt de pisbuis uit met een ronde
+of spleetvormige opening. _Fig. 8 g_. Deze is van dikke randen
+voorzien. Vlak daarachter ligt een andere opening, _de ingang der
+scheede_ (ostium vaginae), _Fig. 8 i_, die bij maagden gedeeltelijk
+gesloten is door een slijmvliesplooi (hymen). Bij geslachtsgemeenschap
+of anders bij de eerste baring wordt het hymen vernietigd. Doch ook
+op andere wijze kan het verloren gaan, zoodat het gemis volstrekt niet
+aan eerstgenoemde oorzaak behoeft te worden toegeschreven, evenmin als
+de aanwezigheid een volstrekt bewijs is, dat geen geslachtsgemeenschap
+plaats greep.
+
+Aan beide zijden van den ingang der scheede liggen de fijne
+uitloozingsbuisjes der Bartholinische klieren. _Fig. 8 h_. Deze
+_slijm-afscheidende_ klieren liggen achter den ingang der scheede;
+zij gelijken in gedaante en grootte op een boon.
+
+Boven den ingang der scheede beginnen de _inwendige_
+geslachtsorganen. De _scheede_ (vagina), _Fig. 8 l_, is een lang,
+eenigszins gebogen en zeer rekbaar kanaal. Dit kanaal loopt van den
+ingang af eerst een klein eindje naar achteren, buigt zich daarna
+naar boven en tegelijkertijd iets naar voren, ongeveer de bekkenas
+volgende. In haar begin ligt zij tusschen den endeldarm en de pisbuis,
+verder naar boven tusschen den endeldarm en het onderste gedeelte
+van de pisblaas.
+
+Het bovenste gedeelte van de scheede heet het gewelf (fornix vaginae).
+
+Haar met slijmvlies bedekte wanden zijn van onderen dikker dan van
+boven; bij den ingang vormen zij, vooral aan de vóór- en achterzijde,
+vele dikke, overdwarse plooien, die naar boven in aantal afnemen en in
+het gewelf geheel verdwijnen. Hebben eenige kindertjes den weg door
+de scheede afgelegd, dan zijn die plooien grootendeels verdwenen en
+is zij daardoor wijder geworden.
+
+In het gewelf der scheede ligt het onderste gedeelte van de
+_baarmoeder_ (uterus). Dit orgaan, _Plaat V No. 58_, is een holle
+spier, van peervormige gedaante, aan de voor- en achterzijde een
+weinig afgeplat. De baarmoeder ligt in het kleine bekken tusschen
+den endeldarm en de pisblaas. Met haar breeden, dikken bodem
+(fundus uteri), _Fig. 8 o_, is zij naar boven, met haar afgeplatten
+cylindervormigen hals (cervix uteri) naar beneden gekeerd. Het
+onderste gedeelte van den hals, in het gewelf der scheede gelegen,
+heet haar scheedegedeelte (portio vaginalis uteri), _Fig. 8 m_. Het
+gedeelte, dat tusschen den bodem en den hals van de baarmoeder ligt,
+noemt men het lichaam (corpus uteri), _Fig. 8 n_.
+
+De _holte_ van de baarmoeder (cavum uteri) is klein in verhouding tot
+de grootte van het orgaan. _Fig. 9 a_. Het vormt een fleschvormig
+driehoekig kanaal, dat van boven het wijdst is. Op de plaats, waar
+de hals en het lichaam in elkander overgaan, bestaat een geringe
+insnoering, de _inwendige_ baarmoedermond (ostium uteri internum),
+_Fig. 9 b_. De _uitwendige_ baarmoedermond (ostium uteri externum),
+_Fig. 9 d_, bevindt zich op de plaats, waar het halskanaal in
+de scheede eindigt; hij brengt de verbinding tusschen scheede en
+baarmoederholte tot stand.
+
+De uitwendige baarmoedermond is bij vrouwen, die nog niet gebaard
+hebben, meestal spleetvormig, met een voorste langere en een achterste
+kortere lip (labium anterius et posterius). Na bevallingen krijgt
+deze opening vele inscheuringen en wordt onregelmatig van vorm.
+
+De wand van de baarmoeder bestaat uit gladde spiervezels. Deze,
+tot bundels vereenigd, loopen in alle richtingen rondom
+dit orgaan. Tusschen de spierbundels in liggen een aantal
+slagaderen en aderen, maar ook zenuwen en lymphvaten zijn daar
+ruim vertegenwoordigd. Van _binnen_ is de wand geheel bekleed met
+slijmvlies, dat in de holte van het lichaam volkomen glad is, doch
+in het halskanaal vele plooien vormt. _Fig. 9 c_.
+
+Bij den uitwendigen baarmoedermond eindigt dit slijmvlies en gaat
+daar in het slijmvlies der scheede over.
+
+Het slijmvlies van de baarmoeder scheidt een taai, helder slijm
+af. Alleen wanneer deze afscheiding abnormaal groot is, wordt zij
+door de vrouwen opgemerkt en als witte vloed (fluor albus) bestempeld.
+
+De ligging van de baarmoeder is van zeer vele invloeden afhankelijk. In
+gewone omstandigheden ondergaat zij reeds veranderingen, wanneer de
+blaas of de endeldarm gevuld zijn. Toch neemt men in 't algemeen aan,
+dat de ligging bij meisjes in de richting van boven achter naar beneden
+voor is. Na baringen verandert de ligging belangrijk, zonder dat nog
+van ziekelijke afwijking sprake behoeft te zijn.
+
+Van _buiten_ is de baarmoeder grootendeels bedekt door het buikvlies,
+dat met den uteruswand vergroeid is. Het buikvlies, van de achtervlakte
+van de pisblaas komende, gaat na een kleine bocht naar beneden gemaakt
+te hebben, op de vóórvlakte van de baarmoeder over, loopt dan over den
+bodem van de baarmoeder, komt aan haar achtervlakte, vormt dáár een
+dieper bocht en gaat eindelijk op den endeldarm over. De baarmoeder
+ligt dus als 't ware ingestulpt in het buikvlies.
+
+Aan de rechter- en linkerzijde van de baarmoeder komen de vóór-
+en achterplooi van het buikvlies samen en vormen de _breede_
+baarmoederbanden (ligamenta lata), _Fig. 8 u_. Deze banden zijn dus
+uit een voorste en achterste laag of plaat samengesteld.
+
+De _ronde_ baarmoederbanden (ligamenta rotunda), _Fig. 8 v_, ontstaan
+uit den spierwand van de baarmoeder. Zij loopen van de beide zijden
+van den bodem der baarmoeder als dikke koorden naar beneden, gaandeweg
+in dikte afnemende. Zij doorloopen het lieskanaal en eindigen in het
+weefsel van den schaamheuvel en de groote schaamlippen.
+
+Even boven het begin van de ronde baarmoederbanden staat de holte
+van de baarmoeder aan beide zijden in verbinding met een buis, de
+_eileiders_ (tubae Fallopiae), _Fig. 8 p_. De eileiders zijn door
+den bovensten rand der breede baarmoederbanden ingesloten. Zij zijn
+het nauwst dicht bij de baarmoeder, worden verder gaande wijder en
+eindigen met een trechtervormige opening vrij in de buikholte. Deze
+trechtervormige opening (ostium tubae abdominale) is aan haar vrijen
+rand van vele uitsteeksels voorzien, die haar als met donkerroode
+franje omzoomen, _Fig. 8 q_. _Eén_ van deze uitsteeksels is langer dan
+de overige en is met den eierstok verbonden. _Fig. 8 r_. Waarschijnlijk
+gaat het ei van den eierstok langs dezen weg naar den eileider om
+vervolgens door dezen den weg naar de baarmoeder af te leggen.
+
+Evenals de baarmoeder bestaan ook de eileiders uit een met slijmvlies
+bekleede spierlaag, welke door het buikvlies omgeven wordt. Het
+slijmvlies van de eileiders is van binnen bekleed met zeer fijn
+trilhaar; dit verkeert aanhoudend in golvende beweging en werkt
+daardoor mede om het in den eileider opgenomen ei naar de baarmoeder
+voort te bewegen.
+
+De _eierstokken_ (ovarii), _Fig. 8 s_, zijn de organen, die de kiem
+voor een nieuw leven voortbrengen. Zij liggen in de achterste plaat van
+den breeden baarmoederband, ter hoogte van den ingang van het kleine
+bekken, _Plaat V No. 59_. Zij zijn plat eivormig van gedaante. De punt
+van het eivormig orgaan is naar de baarmoeder gekeerd en is daarmede
+door een band (ligamentum ovarii proprium) _Fig. 8 t_ verbonden. Met
+de stompe vlakte is de eierstok zijwaarts gericht en staat daar met
+den eileider in verbinding.
+
+Slechts een klein gedeelte van den eierstok wordt door het buikvlies
+bekleed; de geheele voorvlakte blijft onbekleed. Aan de voorvlakte
+merkt men een dwarse sleuf op, waar de bloedvaten, bestemd voor dit
+orgaan, uit- en intreden. Deze plaats noemt men de poort (hilus
+ovarii), _Fig. 10 aa_. Een vezelachtig vlies (tunica albuginea),
+_Fig. 10 e_, dat door de in- en uittredende bloedvaten doorboord wordt,
+omgeeft den eierstok geheel.
+
+Het weefsel van den eierstok bestaat uit een middelste, merggedeelte,
+_Fig. 10 b_, en een buitenste, bastgedeelte. In het merggedeelte
+liggen de bloedvaten, daaromheen ligt het bastgedeelte, dat een aantal
+vliezige blaasjes, de Graafsche follikels, _Fig. 10 c_, bevat. Deze
+Graafsche follikels bestaan uit een dun vlies, waarin een vocht
+(liquor folliculi) en vele kleine celletjes zich bevinden. Onder deze
+celletjes is er één, soms twee, die in grootte al de andere overtreft;
+dat is de eicel, de eigenlijke levenskiem.
+
+Van tijd tot tijd wordt zulk een ei rijp; de Graafsche follikel,
+waarin het besloten is, barst dan en zijn inhoud komt vrij. Het
+vrijgekomen ei wordt door de franjeachtige uitsteeksels van den
+eileider opgevangen en naar de baarmoeder overgebracht.
+
+Indien het ei niet bevrucht wordt, gaat het, in de baarmoeder gekomen,
+aldaar te niet of verlaat het lichaam met het menstruatie-bloed.
+
+Door het barsten van de Graafsche follikels krijgt de oppervlakte
+van den eierstok telkens een wondje en wanneer dit genezen is,
+een litteeken. Hierdoor wordt de oorspronkelijk gladde oppervlakte,
+zooals die bij kinderen vóór de geslachtsrijpheid voorkomt, na eenigen
+tijd onregelmatig en ruw.
+
+De eierstokken zijn bij meisjes kort vóór de rijpwording van het
+eerste ei het grootst. Daarna nemen zij van lieverlede in grootte
+en gewicht af, wegens het verlies van den inhoud der Graafsche
+follikels. Zij veranderen daarbij tevens eenigszins van gedaante en
+worden meer langwerpig. Bij oude vrouwen bezitten zij nog slechts
+het 1/3 gedeelte van hun oorspronkelijke grootte.
+
+
+
+Wanneer de overige organen van het lichaam reeds een eind weegs hun
+ontwikkelingsgang hebben afgelegd, dan pas treden de geslachtsorganen
+het eerste overgangsstadium in. Tot op den leeftijd van ongeveer
+12 jaren zijn de geslachtsorganen van het meisje nog in bijna alle
+opzichten gelijk aan die van het pasgeboren kind. Eerst daarna
+beginnen zij geleidelijk zich te ontwikkelen om, na verloop van
+enkele jaren in staat te zijn hun verrichtingen aan te vangen. Dan
+is de geslachtsrijpheid ingetreden, het kind is maagd geworden.
+
+De meerdere of mindere snelheid, waarmede die overgang plaats
+grijpt, is van vele individueele, zoowel als van algemeene invloeden
+afhankelijk. Voor ons land stelt men den gemiddelden leeftijd voor
+geslachtsrijpheid op ongeveer 15 jaren. Goede voeding en gezonde
+leefwijze bevorderen zeer een snellen overgang. Bij kinderen, die onder
+ongunstige maatschappelijke toestanden leven, is de ontwikkelingsduur
+langer. Het klimaat oefent in dezen ongeveer een zelfden invloed uit
+als voeding en leefwijze. In warme landen is de gemiddelde leeftijd
+voor de geslachtsrijpheid vroeger, in een koud klimaat later dan
+15 jaren.
+
+Eveneens schijnt de geestelijke sfeer, waarin het kind verkeert,
+in dit opzicht niet zonder invloed te zijn. Dat stadskinderen in den
+regel vroeger rijp zijn dan dorpskinderen, moet daaraan waarschijnlijk
+worden toegeschreven.
+
+Onderwijl de geslachtsorganen zich gereed maken hun taak te kunnen
+verrichten, heeft er in het geheele lichaam een groote ommekeer plaats.
+
+Al de vroeger beschreven vormverschillen van vele lichaamsdeelen van
+man en vrouw komen thans snel te voorschijn; het opgeschoten meisje,
+met haar onbestemde hoekige lijnen en onevenredige verhoudingen neemt
+allengs den vrouwelijken lichaamsvorm aan.
+
+Op den geestestoestand oefent deze verandering ongetwijfeld ook invloed
+uit. Met de zenuwachtige prikkelbaarheid, die in dezen tijd dikwijls
+voorkomt en soms gepaard gaat met buien van diepe neerslachtigheid,
+in enkele gevallen zich uitende in groote opgewektheid, vangt de
+verandering aan, die het kind ook geestelijk tot vrouw stempelt.
+
+Aan de uitwendige geslachtsorganen bespeurt men den overgang, doordat
+de borstklieren, zooals reeds vroeger werd besproken, in welving en
+grootte toenemen, de schaamheuvel en de groote schaamlippen door
+vetafzetting in hun weefsels voller en ronder worden en met haren
+worden begroeid.
+
+Van de inwendige geslachtsorganen zijn de veranderingen moeilijker
+waarneembaar. Met de plaats grijpende vergrooting van de baarmoeder
+gaat de vormverandering van dit orgaan gepaard. Het lichaam van de
+baarmoeder groeit thans sterker dan de hals en hoewel beide eerst
+ongeveer even lang waren, is op het tijdstip van geslachtsrijpheid
+het lichaam het grootst.
+
+In de zich ontwikkelende eierstokken beginnen de Graafsche follikels
+grooter te worden en op het oogenblik, dat het eerste eitje rijp is
+en wordt afgescheiden, kan men aannemen, dat de geslachtsrijpheid
+is ingetreden.
+
+Al de opgesomde veranderingen, benevens de groei van het lichaam,
+gaan dan nog gedurende eenige jaren voort, ofschoon deze verdere
+ontwikkeling slechts langzaam plaats grijpt en eerst op ongeveer
+20-j. leeftijd voltooid is.
+
+
+
+Het rijp worden van het eerste ei gaat in den regel gepaard met het
+intreden van de eerste menstruatie.
+
+Onder menstruatie verstaat men het periodiek terugkeerend en eenige
+dagen aanhoudend bloedverlies uit de baarmoeder, dat zijn weg neemt
+door de scheede. Bij de meeste vrouwen geschiedt dit om de 28 of 30
+dagen en duurt 3-5 dagen. Kleine verschillen in den regelmatigen
+wederkeer of den duur der bloeding zijn niet altijd ziekelijke
+afwijkingen.
+
+De hoeveelheid bloed, die gedurende die dagen wegvloeit, wisselt af
+tusschen de 100 en 300 gram. Dit maandelijksch bloedverlies duurt
+tot den 45- à 48-jarigen leeftijd; het wordt in gezonden toestand
+alleen onderbroken in tijden van zwangerschap en bij vele vrouwen ook
+gedurende den zoogtijd. Met het ophouden van de geregelde menstruatie
+houdt waarschijnlijk ook de verrichting van de eierstokken op en
+komen daarna geen eieren meer tot rijpheid.
+
+Men heeft nog niet kunnen vaststellen, welk verband er bestaat tusschen
+het rijp worden der eitjes (ovulatie) en de menstruatie. Vroeger nam
+men hun onderling verband als vanzelf sprekend aan, hypothesen werden
+gesteld om dit verband te verklaren en geen moeite gespaard om die
+verklaring aannemelijk te maken. Tegenwoordig echter hecht men aan die
+vroegere hypothesen geen waarde meer, sedert feiten werden waargenomen,
+die er lijnrecht mede in strijd waren. Men weet nu, dat er eitjes
+kunnen rijp worden, zonder dat er menstruatie intreedt, zooals moet
+geschieden bij vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueeren
+en toch zwanger worden; eveneens weet men, dat er vrouwen zijn,
+bij wie nog geregeld menstruatie intreedt, nadat de eierstokken door
+operatie verwijderd zijn. Toch kan men, niet tegenstaande deze feiten,
+gerust aannemen, dat er eenig verband bestaat tusschen menstruatie en
+ovulatie, al moeten wij ons dan nog voorloopig met nieuwe hypothesen
+tevreden stellen, waarvan het eveneens zeer wel mogelijk is, dat zij
+later zullen blijken onjuist te zijn.
+
+Men wil thans de menstruatie beschouwen als verband houdende met een
+verhoogde levenskracht, die periodiek bij de vrouwen zou intreden en
+waarschijnlijk een gevolg zou zijn van de verrichting der eierstokken.
+
+Door verschillende onderzoekers is namelijk gevonden, dat in het
+vrouwenleven, van het oogenblik af, dat de eierstokken hun functie
+beginnen tot aan den tijd, dat zij daarmede eindigen, maandelijks een
+stijging en daling van alle levensverrichtingen valt waar te nemen. Van
+deze rhytmische golf wordt het hoogste punt bereikt eenige dagen vóór
+de menstruatie, daarna treedt een zeer snelle daling in, waardoor het
+laagste punt ongeveer met het einde der menstruatie samenvalt. Na
+de menstruatie volgt dan opnieuw een regelmatige stijging, totdat
+na verloop van 2 of 6 dagen de normale hoogte weder bereikt is. In
+hoever nu dit stijgende en dalende levensproces oorzaak of gevolg
+der ovulatie en menstruatie is, daarover loopen de meeningen uiteen.
+
+De daling der levensfunctiën gedurende de menstruatie wordt aangenomen,
+omdat in die dagen de temperatuur van het lichaam lager is dan
+gewoonlijk, de hartswerking trager, de spierkracht geringer en omdat
+hoogstwaarschijnlijk ook de stofwisseling minder is. De stijging wordt
+natuurlijk aangenomen op grond van tegenovergestelde werking. Dat ook
+het geestelijk leven in die dagen veranderingen ondergaat, daarvan
+getuigt de afwisselende graad van nerveuse prikkelbaarheid, waaraan
+de meeste vrouwen dan onderworpen zijn.
+
+De menstruatie gaat gepaard met allerlei onaangename gewaarwordingen,
+waarvan de voornaamste en meest voorkomende zijn: zwaartegevoel in de
+beenen, spoedig vermoeid zijn, buikpijn, minder eetlust, hoofdpijn,
+slaperigheid.
+
+Hoewel het periodiek intreden der bloeding het meest opvallend
+verschijnsel der menstruatie is, zijn er toch nog andere
+verschijnselen, die er bijna even constant bij voorkomen. De
+baarmoeder is in dien tijd gezwollen en hangt lager in de scheede. De
+slijmafscheiding uit het baarmoederslijmvlies is dan sterker, waardoor
+het menstruatie-bloed rijkelijk met slijm vermengd wordt. Deze
+vermeerderde slijmafscheiding, die meestal een paar dagen vóór de
+menstruatie begint, duurt dikwijls nog eenige dagen na het eindigen
+daarvan voort.
+
+De borstklieren zijn in die dagen in den regel gezwollen, een zwelling,
+die bij sommige vrouwen met pijnlijkheid gepaard gaat.
+
+De tijdelijk verminderde kracht der levens-processen maakt de
+vrouw in de menstruatie-dagen vatbaarder voor nadeelige invloeden,
+het weerstandsvermogen van haar lichaam is dan geringer, zoodat een
+schadelijke inwerking gemakkelijker haar doel kan bereiken. Het is
+voornamelijk om die reden, dat de vrouwen gedurende de menstruatie,
+meer nog dan anders, zorg moeten dragen voor een hygiënische
+leefwijze. Doch ook alles wat de bloeding uit den uterus kan
+bevorderen, moet in die dagen zooveel mogelijk vermeden worden. Daarom
+alsdan geen balzaal betreden, geen buitengewone voettochten ondernemen,
+het langdurig staan vermijden, in 't kort, alle buitengewone inspanning
+achterwege laten.
+
+Zooals reeds is opgemerkt, eindigt de menstruatie gewoonlijk op 45-
+à 48-j. leeftijd. Zij houdt dan niet plotseling op, maar keert telkens
+met grooter tusschenpoozen en soms met meer hevigheid terug, totdat
+zij na 1 of 2 jaar voorgoed wegblijft. Men noemt deze overgangsperiode
+bij de vrouw den climacterischen leeftijd.
+
+In het climacterium is ook het ophouden van het bloedverlies wel het
+best waarneembare, doch weder niet het eenige verschijnsel. Dikwijls
+gaat het gepaard met een verdwijning van vet uit de inwendige
+geslachtsdeelen en een vermeerderde vetafzetting in de overige organen
+van het lichaam. De schaamheuvel en de groote schaamlippen worden
+daardoor slap en rimpelig en de borsten, die door de tegelijkertijd
+ingetreden schrompeling der klieren toch reeds hun welving verloren
+hadden, hangen dan soms als slappe huidplooien neder.
+
+De eierstokken staken dan hun werkzaamheid, er worden geen eitjes
+meer rijp; de ledige ruimten der Graafsche follikels trekken samen,
+het geheele orgaan schrompelt ineen.
+
+De eileiders vernauwen en verslappen, de uterus wordt belangrijk
+kleiner, het scheedegedeelte van den uterus verdwijnt zelfs geheel. De
+scheede wordt nauwer en droger en verliest haar rekbaarheid.
+
+Als gevolg van deze veranderingen lijden de vrouwen in de
+climacterische jaren dikwijls aan plotseling opkomende congesties,
+sterk zweeten en allerlei nerveuse aandoeningen. Na eenigen tijd
+verdwijnen deze verschijnselen.
+
+
+
+Zoodra een rijp ei bevrucht is geworden, treedt er voor de
+geslachtsorganen der vrouw een nieuw ontwikkelingstijdperk in.
+
+Om bevrucht te worden is het noodig, dat het ei met een der zaadcellen
+(spermatozoën) uit het sperma (het voorttelingsproduct der mannen)
+in aanraking komt. Bij deze aanraking, de bevruchting, dringt de
+spermatozoön het ei binnen. In den regel geschiedt dit in den eileider;
+de mogelijkheid is echter niet buitengesloten, dat de bevruchting soms
+plaats vindt, wanneer het ei den eierstok nog niet verlaten heeft,
+of wanneer het ei reeds in het bovenste gedeelte van de baarmoeder
+aangekomen is.
+
+Uit het sperma, dat in de scheede wordt uitgestort, gaan dus
+spermatozoën door de baarmoeder in de eileiders, om daar het ei te
+ontmoeten. Dit geschiedt gemakkelijk, omdat de spermatozoën zich
+kunnen voortbewegen.
+
+Hoogstwaarschijnlijk is de vrouw gedurende den geslachtsrijpen
+leeftijd te allen tijde geschikt om bevrucht te worden. In hoever
+deze geschiktheid te allen tijde door haar als een voorrecht moet
+worden beschouwd, behoeft hier niet te worden onderzocht.
+
+Is het bevruchte ei in de baarmoeder gekomen, dan zet het zich daar aan
+den wand vast en in het lichaam der vrouw vangt een opeenvolging van
+nieuwe veranderingen aan. De vrouw verkeert dan in zwangeren toestand.
+
+De menstruatie blijft weg en keert gedurende de geheele zwangerschap
+niet terug.
+
+Het slijmvlies van de baarmoeder begint sterk te groeien en omhult
+het ei geheel; het vormt het buitenste der drie vliezige zakken,
+waarin de vrucht tot aan de geboorte besloten blijft. _Fig. 11_.
+
+De baarmoeder neemt enorm in omvang en dikte toe, zoowel door
+de ontwikkeling van nieuwe spiervezels, als door verlenging der
+bestaande. De spiervezels worden ongeveer elf maal langer en de
+spierbundels drie tot vijf maal dikker. Ook de bloedvaten worden langer
+en wijder en nemen in aantal toe. Door deze sterke spierontwikkeling
+wordt de baarmoeder wijd genoeg om het bevruchte ei te herbergen,
+tot het zijn volle ontwikkeling heeft bereikt en krachtig genoeg om
+later de voldragen vrucht uit te drijven. Door de groote uitzetting
+der bloedvaten kan de bloedtoevoer genoegzaam vermeerderen om ook de
+voeding van de baarmoeder in dit tijdperk voldoende te doen zijn.
+
+Met de vergrooting der baarmoeder gaat een geheele vormverandering
+gepaard. Had zij in maagdelijken toestand een peervormige gedaante en
+geleek haar holte eenigszins op den vorm van een flesch, in zwangeren
+toestand nadert de vorm van den uterus hoe langer hoe meer, zoowel wat
+de holte als de uitwendige gedaante betreft, naar een ovaal, waaraan
+het halsgedeelte van de baarmoeder, dat niet aan de vergrooting deel
+neemt, is blijven hangen.
+
+Hoe grooter de baarmoeder wordt, des te meer stijgt zij in het groote
+bekken naar boven en verdringt daarbij al de buikingewanden zijwaarts
+en naar achteren. Ook het middelrif wordt naar boven geperst en
+daardoor het hart een weinig gedraaid. Door de naar boven persing
+van het middelrif wordt de borstkas ondieper, maar de tegelijkertijd
+plaats vindende uitzetting van de borstkas in de breedte weegt tegen
+dit ruimteverlies genoegzaam op.
+
+Wegens de zwaarte hangt het lichaam van den uterus voorover en daardoor
+wordt de uterusmond naar achteren gericht. Ook de scheede vergroot,
+een vergrooting, die voornamelijk haar lengte en wijdte ten goede
+komt. De slijmvliesafscheiding is vermeerderd en roomkleurig geworden.
+
+En ook de uitwendige schaamdeelen doen mede aan den algemeenen groei
+der geslachtsorganen; de groote en kleine schaamlippen zwellen en
+worden donkerder van kleur.
+
+De buikbekleedselen moeten natuurlijk aan den druk van den groeienden
+uterus toegeven en zich uitzetten; het onderhuidsch celweefsel krijgt
+daarbij steeds fijne inscheuringen, die na afloop der zwangerschap
+als witte streepjes op den buik zichtbaar blijven.
+
+Dat door den druk van den zwangeren uterus op blaas en endeldarm en op
+de in de kleine bekkenholte liggende bloedvaten en zenuwen allerlei
+stoornissen kunnen plaats vinden, valt licht te begrijpen. De meest
+voorkomende stoornissen zijn: herhaalde drang tot urineeren, moeilijke
+ontlasting en verstopping, uitzetting der aderen en waterzuchtige
+beenen, somtijds hevige pijn in een of beide beenen.
+
+De veranderingen, die de borstklieren ondergaan, zijn reeds vroeger
+besproken.
+
+De zwangerschap (graviditeit) gaat niet alleen gepaard met plaatselijke
+veranderingen, het heele organisme ondervindt mede haar inwerking.
+
+De hoeveelheid bloed vermeerdert, het wordt meer waterhoudend,
+daardoor wordt het gehalte aan vaste stoffen betrekkelijk minder. De
+bloedsomloop is gestoord, er ontstaat dikwijls hartklopping,
+duizeligheid of congestie naar het hoofd.
+
+Er wordt meer urine afgescheiden, die lichter van kleur is en minder
+specifiek gewicht bezit dan gewoonlijk.
+
+Het meest is de spijsvertering in de war; er treedt misselijkheid en
+braking op, zoowel des ochtends in nuchteren toestand als nadat er iets
+gegeten is. De eetlust kan daarbij normaal blijven, doch er ontstaat
+ook wel tegenzin in het tot zich nemen van voedsel. Voornamelijk in
+de eerste zwangerschapsmaanden komen deze verschijnselen voor.
+
+Ook vertoonen zich veelal op verschillende lichaamsdeelen, maar vooral
+in het gezicht, donkere huidvlekken.
+
+Het zenuwstelsel is almede onder den invloed. Soms openbaart
+zich dit in hoofd- of kiespijn, ook wel in gezichts- of andere
+zintuigsstoornissen, of wel in psychische veranderingen: in diepe
+neerslachtigheid of in buitengewone opgewektheid.
+
+Nog zij vermeld, dat de houding van een zwangere vrouw in de laatste
+maanden der zwangerschap eenigszins achteroverhellend is, als gevolg
+van het veranderd zwaartepunt van het lichaam.
+
+Zoolang al de genoemde veranderingen een zekere grens niet
+overschrijden en niet gepaard gaan met ernstige gevolgen, worden zij
+niet als ziekelijke afwijkingen beschouwd. Na afloop der bevalling
+verdwijnen zij meestal spoorloos.
+
+Hoewel de duur der zwangerschap niet met zekerheid is op te geven,
+omdat men het juiste oogenblik niet kent, waarop het ei is bevrucht
+geworden, heeft men toch bij benadering het tijdstip gevonden, waarop
+de zwangerschap eindigt en de geboorte van den nieuwen wereldburger
+verwacht kan worden. Om dit te bepalen, telt men, van den dag,
+waarop de laatste menstruatie is ingetreden, 280 dagen of 40 weken
+verder. Dat in tallooze gevallen deze berekening met enkele dagen
+faalt, behoeft zeker niet te worden gezegd.
+
+Nadat het bevruchte ei door het slijmvlies van den uterus is omgeven,
+ontwikkelt het zich langzaam tot een levend kind.
+
+Behalve in den vliezigen zak, door het slijmvlies van de baarmoeder
+gevormd (membrana decidua), ligt het ei nog in twee andere vliezige
+omhulsels, het chorion en het amnion, die beide uit het ei zelve
+gevormd worden. Het chorion deelt zich tegen het einde der 8e
+zwangerschapsweek in twee deelen, waarvan het eene gedeelte de
+moederkoek (placenta) vormt.
+
+De _moederkoek_ is een sponsachtig weeke, platte schijf, die
+grootendeels uit bloedvaten is opgebouwd. Zij zit aan den wand
+der baarmoeder vast en is door een lange streng met de vrucht
+verbonden. Deze streng, de _navelstreng_, is ongeveer een vinger dik
+en een halven meter lang en bestaat nagenoeg alleen uit bloedvaten.
+
+Door de bloedvaten van placenta en navelstreng stroomt het bloed uit
+het moederlijk lichaam naar dat van de vrucht. Op zijn tocht door het
+lichaampje van de vrucht laat het bloed voedende bestanddeelen achter,
+die het uit het moederlijk lichaam had medegevoerd en neemt onbruikbare
+stofwisselingsproducten uit het lichaam van de vrucht mede terug. Het
+wordende kind is dus niet alleen in het moederlijk lichaam gehuisvest,
+maar wordt tevens door het bloed der moeder gevoed. Moederkoek en
+navelstreng vormen daartoe den verbindingsweg.
+
+In de holte van den derden of binnensten vliezigen zak, het amnion,
+ligt de vrucht, door het vruchtwater (liquor amnii) omspoeld. Het
+_vruchtwater_, dat voor een deel zijn ontstaan dankt aan de urine
+van de vrucht, beschermt deze tegen den druk of den stoot, waardoor
+de buik der moeder kan worden getroffen. Tegelijkertijd maakt het de
+beweging voor het kind gemakkelijker en voorkomt, dat deze bewegingen
+al te pijnlijk voor de moeder zouden zijn.
+
+_Fig. 12 a_ tot _i_ stellen de verschillende ontwikkelingsstadia
+voor van een menschelijk ei van ongeveer de 2de week tot het einde
+der 8e week na de bevruchting. Tot zoolang is er nog geen verbeening
+in de weefsels van de vrucht te constateeren. Daarna begint in de
+9e week langzamerhand de vorming der beenderen tot stand te komen en
+scheiden zich de vingers en teenen. In de 13e tot de 16e week kan men
+het geslacht van het toekomstige kind reeds bepalen. In de 17e week
+beginnen de haren op het hoofd en de zachte wollige haartjes van de
+huid te groeien. De moeder voelt dan reeds de bewegingen van de vrucht.
+
+Een vrucht, op het einde der 24e week ter wereld gebracht, kan reeds de
+ledematen bewegen en flauw ademhalen. Zij sterft echter zeer spoedig.
+
+In de 26e tot 28e week zijn de oogleden gescheiden en kunnen geopend
+worden. De huid is dan rood en gerimpeld, het vruchtje nog mager. De
+mogelijkheid bestaat, dat het dan buiten het moederlijk lichaam in
+leven kan blijven, maar in den regel gaat het dood.
+
+Vruchten, die op het einde der 32e week geboren worden, kunnen bij
+zorgvuldige verpleging in het leven blijven, doch de levenskans is
+gering. De huid ziet nog rood en rimpelig. De nagels op vingers en
+teenen beginnen reeds te verhoornen.
+
+In de 34e tot 36e week is de vrucht reeds minder mager en de
+lichaamsvormen daardoor ronder. Onder gunstige omstandigheden blijft
+het op dit tijdstip geboren kind in leven, alhoewel de sterftekans
+veel grooter is dan van de voldragen vrucht.
+
+In de 37e tot 40e week verdwijnt langzamerhand het wolhaar van de
+huid en wordt deze blank; de haren van het hoofd daarentegen groeien.
+
+De vrucht neemt natuurlijk van het begin tot het einde der zwangerschap
+in lengte en gewicht toe. Op het oogenblik van de geboorte is zij
+ongeveer een halven meter lang en 3 à 3 1/2 kilogram zwaar.
+
+De ruimte in de baarmoederholte is niet groot genoeg om de vrucht
+een gemakkelijke houding te verschaffen. Deze is gedwongen zich te
+behelpen en zoo te gaan liggen, dat zij de kleinst mogelijke ruimte
+inneemt. Daarom kromt zij den rug sterk naar voren, legt de kin op
+de borst, trekt de beenen tegen den buik, buigt de knieën, en legt de
+onderbeenen met de voeten gekruist en met de hielen naar onderen. De
+bovenarmen worden tegen de borstkas gedrukt, de onderarmen en handen
+over de borst gekruist. In de ruimte, die tusschen armen en beenen
+vrij blijft, vindt dan de navelstreng een plaats. _Fig. 13_.
+
+Het hoofdje ligt daarbij meestal naar onderen, de rug naar voren,
+eenigszins links of rechts en de billen en voeten naar boven
+gekeerd. Dit is de meest voorkomende ligging van de vrucht op het
+einde der zwangerschap, doch talrijke afwijkingen doen zich voor.
+
+Gedurig tracht de vrucht haar ongemakkelijke houding te veranderen,
+een verandering, die bijna altijd gering en snel voorbijgaande is,
+waardoor dan de kleine, stootende bewegingen veroorzaakt worden,
+die door de moeder als »het leven van het kind« worden gevoeld.
+
+Op het einde van de 40e week drijft de moeder de vrucht uit de
+baarmoederholte door het halskanaal van de baarmoeder en door de
+scheede naar buiten.
+
+De uitdrijving, de baring, komt tot stand door samenwerking van twee
+verschillende krachten. Deze vinden haar oorsprong in samentrekkingen
+van den baarmoederwand, die wegens de daardoor veroorzaakte pijn als
+»weeën« worden aangeduid, en in samentrekkingen van buikspieren en
+middelrif, die als »buikpers« dienst doen.
+
+De weeën volgen elkander met korte tusschenpoozen op. Zij zijn in den
+aanvang zwak en de pijn gering, doch hoe verder de baring vordert,
+des te krachtiger en pijnlijker worden zij. Dan komt ook de buikpers
+onwillekeurig in werking en helpt krachtig mede aan de uitdrijving
+van de vrucht. Eerst komt het hoofd naar buiten, daarna met een paar
+volgende weeën gewoonlijk het overige gedeelte van het kind.
+
+Na de geboorte wordt de navelstreng met bandjes dichtgebonden
+en doorgeknipt. Spoedig volgen dan eenige samentrekkingen van de
+baarmoeder en worden de moederkoek en de eivliezen (de nageboorte)
+uitgedreven.
+
+Zoodra het kind geboren is, verkondigt het zijn intrede in de wereld
+door eenige flinke schreeuwen. Met dit schreeuwen vangen tevens de
+eerste ademhalingsbewegingen aan.
+
+Het eindje navelstreng, dat aan zijn lichaam is blijven hangen,
+verdroogt spoedig en valt na 4 of 5 dagen af.
+
+Onmiddellijk nadat de nageboorte is uitgedreven, beginnen de
+geslachtsorganen tot den toestand terug te keeren, waarin zij zich
+vóór de zwangerschap bevonden. Bij vrouwen, die het kind zoogen,
+maken de borstklieren hierop een uitzondering. Eerst ongeveer 6 weken
+na de bevalling is de vroegere toestand, met uitzondering van de
+hiervoor reeds genoemde blijvende verandering van sommige organen,
+weder teruggekeerd.
+
+
+
+
+
+
+BESCHRIJVING DER PLATEN.
+
+
+Plaat II. De Spieren.
+
+
+De linker lichaamshelft vertoont de oppervlakkig gelegen spieren; de
+rechter lichaamshelft geeft een aantal dieper gelegen spieren te zien,
+die eerst zichtbaar worden, als de daarboven gelegene verwijderd zijn.
+
+
+1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)
+2. Peesachtige schedelkap. (Galea aponeurotica cranii.)
+3. Voorhoofdsspier. (Musculus frontalis.)
+4. Slaapspier. (Musculus temporalis.)
+5. Wenkbrauwfronser. (Musculus corrugator supercilii.)
+6. Sluitspier van het ooglid. (Musculus orbicularis orbitae.)
+7. Aantrekker van het oor. (Musculus attrahens auriculae.)
+8. Nederdrukker van den neus. (Musculus depressor alae nasi.)
+9. Oplichter der bovenlip. (Musc. levator labii sup. proprius.)
+10. Oplichter van den neusvleugel en bovenlip. (Musc. levator alae
+nasi et labii superioris.)
+11. Sluitspier van den mond. (Musculus orbicularis oris.)
+12. Kauwspier. (Musculus masseter.)
+13. Wangspier. (Musculus buccinator.)
+14. Kinspier of opheffer van de kin. (Musculus levator menti.)
+15. Schuine halsspier. (Musculus sterno-cleido-mastoideus.)
+16. Schouderblad-tongbeenspier. (Musculus omo-hyoideus.)
+17. Borstbeen-tongbeenspier. (Musculus sterno-hyoideus.)
+18. Voorste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus anticus.)
+19. Middelste scheefhoekige halsspier. (Musculus scalenus medius.)
+20. Optrekker van het schouderblad. (Musculus levator scapulae.)
+21. Monnikskapspier. (Musculus cucularis.)
+22. Sleutelbeen. (Clavicula.)
+23. Borstbeen. (Sternum.)
+24. Bovenarmbeen. (Humerus.)
+25. Sleutelbeenspier. (Musculus subclavius.)
+26. Kleine borstspier. (Musculus pectoralis minor.)
+27. Groote getande spier. (Musc. serratus anticus major.)
+28. Groote borstspier. (Musculus pectoralis major.)
+29. Onderschouderbladspier. (Musculus subscapularis.)
+30. Ravenbeksarmspier. (Musculus coraco-brachialis.)
+31. Tweehoofdige armspier. (Musculus biceps brachii.)
+32. Deltaspier. (Musculus deltoideus.)
+33. Binnenste hoofd van de driehoofdige armspier. (Musculus triceps.)
+34. Binnenste armspier. (Musculus brachialis internus.)
+35. Rechte buikspier met peesstrooken. (Musculus rectus abdominis.)
+36. Witte buiklijn. (Linea alba.)
+37. Buitenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis
+externus.)
+38. Binnenste schuine buikspier. (Musculus obliquus abdominis
+internus.)
+39. Band van Poupart. (Ligamentum Poupartii.)
+40. Inwendige opening van het lieskanaal. (Apertura interna canalis
+inguinalis.)
+41. Lieskanaal. (Canalis inguinalis.)
+42. Uitwendige opening van het lieskanaal. (Apertura externa canalis
+inguinalis.)
+43. Middelste bilspier. (Musculus glutaeus medius.)
+44. Het lange hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het onderbeen
+(musculus extensor cruris quadriceps); slechts het bovenste gedeelte
+is zichtbaar.
+45. Kamspier. (Musculus pectineus.)
+46. Lange aantrekkende spier van het been. (Musculus adductor magnus.)
+47. Het buitenste hoofd van de vierhoofdige uitstrekspier van het
+onderbeen.
+48. Lange beenspier of kleermakersspier. (Musculus sartorius.)
+49. Dunne dijspier. (Musculus gracilis.)
+
+
+
+
+Plaat III. De Bloedsomloop.
+
+
+De rood gekleurde bloedvaten zijn de slagaderen (arteriae), de blauw
+gekleurde de aderen (venae).
+
+
+1. Linker hartkamer. (Ventriculus sinister.)
+2. Rechter hartkamer. (Ventriculus dexter.)
+3. Rechter voorkamer met hartoor. (Atrium dexter.)
+4. Linker hartoor. (Auriculum sinistrum.)
+5. Opstijgende tak van de groote lichaamsslagader (aorta), die uit
+de linker hartkamer ontspringt. (Aorta ascendens.)
+6. Aorta-boog. (Arcus aorta.)
+7. Neerdalende tak van de aorta. (Aorta descendens.)
+8. Longslagader (Arteria pulmonalis), die uit de rechter hartkamer
+ontspringt.
+9. Bovenste holle ader. (Vena cava superior.)
+10. Onderste holle ader. (Vena cava inferior.) Beide storten haar
+bloed in de rechter voorkamer.
+11. Naamlooze slagader (Arteria anonyma), die uit de aorta voortkomt.
+12. Gemeenschappelijke halsslagader (Carotis communis); door haar
+vertakkingen voorziet zij het hoofd van bloed.
+13. Buitenste kaakslagader. (Arteria maxillaris externa.)
+14. Oppervlakkige slaapslagader. (Arteria temporalis superficialis.)
+15. Diepe slaapslagader. (Arteria temporalis profundis.)
+
+De naamlooze slagader levert ook het bloed voor den arm door de:
+
+16. Sleutelbeenslagader. (Arteria subclavia.)
+17. Okselslagader (Arteria axillaris), en:
+18. Bovenarmslagaderen. (Arteriae brachialis.)
+
+Uit het buikgedeelte der aorta komen de:
+
+19. Korte buikslagaderen. (Arteria coeliacae) (afgesneden.)
+20. Bovenste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica
+superior.) (eveneens afgesneden).
+21. Nierslagader. (Arteria renalis.)
+22. Onderste darm- of darmscheilslagader. (Arteria mesenterica
+inferior) (afgesneden).
+23. Linker binnenste zaadslagader (Arteria spermatica interna);
+de rechter ontspringt meestal uit de nierslagader.
+
+De binnenste zaadslagaderen voorzien de geslachtsorganen van bloed.
+
+Door de vorkvormige verdeeling der aorta in de twee:
+
+24. Gemeenschappelijke bekkenslagaderen (Arteriae iliacae communes)
+worden de beenen van bloed voorzien. Voor dit doel geven zij af de:
+25. Dijslagader (Arteria cruralis) en haar in de diepte gaanden
+tak, de:
+26. Diepe dijslagader. (Arteria profunda femoris.)
+
+De bovenste holle ader stort het veneuze bloed uit het bovenste
+gedeelte van het lichaam in de rechter voorkamer. Zij ontstaat door
+vereeniging van de beide:
+
+27. Naamlooze aderen. (Venae innominatae.)
+
+Deze ontvangen het veneuze bloed uit den arm door de:
+
+28. Sleutelbeenader (Vena subclavia) en de:
+29 en 30. Huidaderen van den arm (Venae subcutaneae brachii) en uit
+het hoofd door de:
+31. Inwendige strotader. (Vena jugularis interna.)
+32. Uitwendige strotader. (Vena jugularis externa.)
+
+De onderste holle ader stort eveneens haar bloed in de rechter
+voorkamer. Zij ontvangt dit uit de aderen van het onderste gedeelte
+van het lichaam.
+
+Haar takken zijn:
+
+33. Leveraderen. (Venae hepaticae.)
+34. Nierader. (Vena renalis.)
+35. Inwendige zaadader. (Vena spermatica int.)
+36. Gemeenschappelijke bekkenader. (Vena iliaca communis.)
+37. Dijader. (Vena cruralis).
+
+
+
+
+Plaat IV. Het zenuwstelsel.
+
+
+Een doorsnede van het hoofd en de wervelkolom geeft ten deele een
+overzicht van hersenen en ruggemerg, terwijl de armen en beenen
+zoodanig zijn afgesneden, dat men den aanvang der voor hen bestemde
+zenuwen kan overzien.
+
+
+1. Groote hersenen. (Cerebrum.)
+2. Brug van Varol (Pons Varolii), die de beide kleine hersenhalfronden
+verbindt.
+3. Verlengde merg. (Medulla oblongata.)
+4. Halsgedeelte van het ruggemerg. (Medulla spinalis.)
+5. Borstgedeelte van het ruggemerg.
+6. Mergkegel. (Conus.)
+7. Lendengedeelte van het ruggemerg.
+8. Paardestaart (Cauda equina.)
+
+Uit de hersenen ontspringen 12 paar hersenzenuwen, waarvan evenwel
+op deze plaat slechts de oorsprong te zien is van de:
+
+9. Buitenste oogspierzenuw. (Nervus oculomotorius.)
+10. Drielingszenuw. (Nervus trigeminus.)
+11. Aangezichtszenuw en gehoorzenuw. (Nervus facialis et acusticus.)
+12. Tong- en keelzenuw. (Nervus glosso-pharyngeus.)
+
+Uit het ruggemerg ontspringen 31 paar ruggemergszenuwen. De voorste
+takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:
+
+13. Halszenuwvlecht. (Plexus cervicalis.)
+
+De voorste takken van de 4 onderste halszenuwen vormen de:
+
+14. Armenzenuwvlecht. (Plexis brachialis), welke op de plaat zichtbare
+takken naar den arm zendt.
+15. Huidzenuwen van den arm. (Nervi cutanei brachii.)
+16. Middelarmzenuw. (Nervus medianus.)
+17. Elleboogzenuw. (Nervus ulnaris.)
+18. Spier-huidzenuw. (Nervus musculo-cutaneus). Verder kan men nog
+het begin zien van de:
+19. Achtste halszenuw. (Nervus cervicalis.)
+20. Eerste borstzenuw. (Nervus thoracicus.)
+21. Twaalfde borstzenuw. (Nervus thoracicus.)
+22. Eerste lendenzenuw. (Nervus lumbalis.)
+23. Heup-bekkenzenuw. (Nervus ilio-hypogastricus.)
+24. Heup-lieszenuw. (Nervus ilio-inguinalis.)
+25. Huidzenuw van het bovenbeen. (Nervus cutaneus femoris.)
+26. Heupkomzenuw. (Nervus obturatorius.)
+27. Dijzenuw. (Nervus cruralis.)
+28. Schaambeenzenuw. (Nervus genito-cruralis.)
+29. Eerste heiligbeenzenuw. (Nervus sacralis.)
+30. Verbindingsstreng van den sympathicus. (Nervus sympathicus.)
+31. Heupzenuw. (Nervus ischiadicus.)
+
+
+
+
+Plaat V. Het Geraamte (gedeeltelijk) en de inhoud van borst-
+en buikholte.
+
+
+Van de schedelbeenderen ziet men slechts:
+
+1. Voorhoofdsbeen. (Os frontis.)
+2. Kruin- of wandbeen. (Os parietale.)
+3. Slaapbeen. (Os temporum.)
+4. Jukbeen. (Os zygomaticum.)
+5. Bovenkaakbeen. (Os maxillare superius.)
+6. Onderkaak. (Mandibula.)
+Verder ziet men:
+7. Zevende halswervel. (Vertebra prominens.)
+8. Eerste borstwervel. (Vertebra thoracicus.)
+9. Twaalfde borstwervel. (Vertebra thoracicus.)
+10. Vijfde lendenwervel. (Vertebra lumbalis.)
+11. Kruis- of heiligbeen. (Os sacrum.)
+12. Stuitbeen. (Os coccygis.)
+13. Sleutelbeen. (Clavicula.)
+14. Borstbeen. (Sternum.)
+15. Eerste rib, (Costa.)
+16. Twaalfde rib, (Costa.)
+17. Schouderblad. (Scapula.)
+18. Bovenarmbeen. (Humerus.)
+19. Voorgebergte. (Promontorium.)
+
+Het heupbeen (Os innominatum), dat in verbinding met het heiligbeen
+en stuitbeen het eigenlijke bekken vormt, is samengesteld uit:
+
+20. Darmbeen (Os ilei.)
+21. Schaambeen. (Os pubis.)
+22. Zitbeen. (Os ischii.)
+
+No. 23 toont het Dij- of bovenschenkelbeen (Femur) aan.
+
+
+
+De Ingewanden.
+
+
+24. Strottenhoofd. (Larynx.)
+25. Luchtpijp. (Trachea.)
+26. Luchtpijpstakken. (Bronchi.)
+27. Rechter en linker long. (Pulmones dexter et sinister.)
+28. Hart. (Cor.)
+29. Linker hartkamer van binnen.
+30. Rechter hartkamer van binnen. Gedeeltelijk ziet men in beide
+hartkamers de uitgespreide hartkleppen. (Valvulae.)
+31. Rechter voorkamer van het hart.
+32. Linker hartoor.
+33. Groote lichaamsslagader. (Aorta.)
+34. Longslagader.
+35. Bovenste holle ader.
+36. Linker voorkamer van het hart.
+37. Onderste holle ader.
+38. Keelholte. (Pharynx.)
+39. Slokdarm. (Oesophagus.)
+40. Maag. (Ventriculus.)
+41. Milt. (Lien.)
+42. Alvleeschklier. (Pankreas.)
+43. Twaalfvingerige darm. (Intestinum duodenum) (gedeeltelijk geopend.)
+44. Dunne darm (nuchtere darm en kronkeldarm.) (Intestinum jejunum
+et ileum.)
+45. Blinde darm (Intestinum coecum) met het wormsgewijze
+verlengsel. (Processus vermicularis.)
+46. Karteldarm. (Colon.)
+47. Aars- of endeldarm. (Intestinum rectum.)
+48. Lever. (Hepar.)
+49. Galblaas. (Cystis fellea.)
+50. Middelrif. (Diaphragma.)
+51. Nier. (Ren.)
+52. Nierbekken. (Pelvis renalis.)
+53. Pisleider. (Ureter.)
+54. Pisblaas. (Vesica urinaria.)
+55. Uitwendige geslachtsorganen. (Genitalia.)
+56. Scheede. (Vagina.)
+57. Baarmoedermond. (Orificium uterinum.)
+58. Baarmoeder. (Uterus.)
+59. Eierstok. (Ovarium) (rechter is geopend.)
+60. Eileider. (Oviductus of Tuba Fallopiana.)
+61. Breede baarmoederband. (Ligamentum latum.)
+62. Ronde baarmoederband. (Ligamentum rotundum.)
+63. Op plaat 1 vinden wij de opengelegde borstklier (Mamma), die
+eveneens tot de geslachtsorganen behoort.
+64. Groote lendenspier. (Musculus psoas major.)
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Voorwoord
+Inleiding
+Eerste afdeeling.
+
+ Huid
+ Geraamte
+ Spieren
+ Bloedsomloop
+ Zenuwstelsel
+ Spijsverteringsorganen
+ Ademhalingsorganen
+ Pisorganen
+
+Tweede afdeeling.
+
+ Geslachtsorganen
+
+Beschrijving der platen
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Bij den Uitgever dezes zijn mede verschenen en in elken soliden
+Boekhandel te bekomen:
+
+
+_Anatomische Atlas van het Paard en de Koe_, met 10 gekleurde,
+beweegbare Platen en Verklaring. Prijs f 0.90.
+
+Dr. D.J. BLOK, _Het Menschelijk Oog_. Bouw, Verrichting en
+Verzorging. Met beweegbare, gekleurde platen en figuren tusschen den
+verklarenden tekst. Prijs f 1.75.
+
+A. TEN BOSCH N.Jzn., _Booglampen en Booglampverlichting_, met 2
+beweegbare Modellen. Prijs f 2.-.
+
+----_De Zuiggasgenerator_, met 41 Illustraties en een gekleurd
+uitslaand Model. Prijs f 2.50.
+
+W. COOL, _Luchtschip en Vliegmachine_, met 2 uitslaanbare
+Modellen. Prijs f 3.-.
+
+E. HEIMANS, _De Honingbij_. Een schets uit het Bijenleven, met figuren
+en 2 beweegbare Modellen. (Koningin en Dar). Prijs f 1.50.
+
+----_Het Lichaam van den Visch_, met uitvoerige, geïllustreerde
+Determineerlijst van onze voornaamste Zoetwatervisschen en een
+gekleurd, uitslaand Model van een Karper. Prijs f 0.90.
+
+F. A. HOLLEMAN Jr., _Electriciteitsmeters en Stroomleveringstarieven_,
+met beweegbaar Model. Prijs f 1.75.
+
+Dr. J. L. HOORWEG, _a_. _De Gas- en Petroleum-motoren._
+Beknopte uiteenzetting van de inrichting en werking dezer
+motoren. Aanschouwelijk voorgesteld door een beweegbaar Model
+en opgehelderd door vele illustraties tusschen den verklarenden
+tekst. Prijs f 2.-.
+
+----_b_. Beknopte uiteenzetting van de inrichting en werking van den
+_Petroleum-motor van Diesel_. Aanschouwelijk voorgesteld door een
+groot beweegbaar Model. Prijs f 1.50.
+
+_a_ en _b_ samen f 3.25.
+
+F. KERDIJK, _De Stoomturbine_, met 41 afbeeldingen in den tekst en
+een gekleurd uitslaand Model. Prijs f 2.25.
+
+Dr. J. KONING, _De Telephoon_, afgebeeld en verklaard. Met een
+beweegbaar Model in 8 gekleurde platen en ophelderende figuren in
+den tekst. Prijs f 1.25.
+
+C. KREDIET en G. DE VOOGT, _Model eener liggende
+Stoommachine_. Geschiedkundig overzicht en verklarenden tekst, met
+8 gekleurde, beweegbare platen en vele illustraties. Prijs f 1.50.
+
+H. M. KROON, _De Koe_, haar lichaamsbouw en hare inwendige organen,
+met 5 beweegbare, gekleurde platen en geïllustr., verklarenden tekst
+en vele _Rasafbeeldingen_. Prijs f 1.50.
+
+_De Koe, in half levensgroote_, beweegbare platen, aanschouwelijk uit-
+en inwendig voorgesteld. Prijs met Handleiding f 15.-.
+
+----_Het Varken_, zijn lichaamsbouw en zijn inwendige organen, met 5
+beweegbare, gekleurde platen, _Rasafbeeldingen_ en geïllustreerden,
+verklarenden tekst. Prijs f 1.25.
+
+QUADEKKER, _Het Paard_, zijn lichaamsbouw en zijne inwendige organen,
+met 5 beweegbare, gekleurde platen en geïllustreerden, verklarenden
+tekst. Prijs f 1.50.
+
+_Het Paard, in half levensgroote_, beweegbare platen, aanschouwelijk
+uit- en inwendig voorgesteld. Prijs met Handleiding f 15.-.
+
+Dr. H. SCHMIDT, _Het Menschelijk Lichaam_, zijn bouw en zijne inwendige
+organen, aanschouwelijk voorgesteld door 5 beweegbare, gekleurde
+platen en met geïllustreerden, verklarenden tekst. Prijs f 1.25.
+
+_Het Menschelijk Lichaam, in levensgroote_, beweegbare platen,
+aanschouwelijk uit- en inwendig voorgesteld. Prijs met Handleiding
+f 15.-.
+
+W. S. STÜVEN, _De Hond_, zijn lichaamsbouw en zijn inwendige organen,
+aanschouwelijk voorgesteld door 5 beweegbare, gekleurde platen en
+met _55 Rasafbeeldingen_ tusschen den verklarenden tekst. Prijs f 1.50.
+
+A. VOSMAER, _Stoomverdeeling door Schuiven, Kranen en Kleppen_,
+met beweegbaar Model. Prijs f 2.50.
+
+* G. J. VAN DE WELL, _De Accumulator_. Aanschouwelijk in- en uitwendig
+voorgesteld door beweegbare, gekleurde platen en met geïllustreerden,
+verklarenden tekst. Prijs f 1.50.
+
+*----_De Dynamo_. Aanschouwelijk uit- en inwendig voorgesteld door
+beweegbare, gekleurde platen en met geïllustreerden, verklarenden
+tekst. Prijs f 2.50.
+
+*----_De Elektromotor_, voor gelijk-, wissel- en
+draaistroom. Aanschouwelijk uit- en inwendig voorgesteld door
+beweegbare, gekleurde platen en met geïll. verklarenden tekst. Prijs
+f 2.50.
+
+* Deze drie te zamen genomen f 5.50.
+
+_Hoogst Belangrijk! :: Alles Beweegbaar! :: Natuurgetrouw!_
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Vrouw, by Aletta H. Jacobs
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VROUW ***
+
+***** This file should be named 22868-8.txt or 22868-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/2/8/6/22868/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.