summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/22686-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '22686-8.txt')
-rw-r--r--22686-8.txt13092
1 files changed, 13092 insertions, 0 deletions
diff --git a/22686-8.txt b/22686-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..124496c
--- /dev/null
+++ b/22686-8.txt
@@ -0,0 +1,13092 @@
+Project Gutenberg's Een strijd om de schatten van Alva, by H. Bertrand
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een strijd om de schatten van Alva
+ of De watergeuzen in 1572
+
+Author: H. Bertrand
+
+Illustrator: Cornelis Koppenol
+
+Release Date: September 20, 2007 [EBook #22686]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA
+
+ OF
+
+ DE WATERGEUZEN IN 1572
+
+
+
+ NAAR HET ENGELSCH
+
+ DOOR
+
+ H. BERTRAND
+
+ Geïllustreerd door C. KOPPENOL
+
+
+ AMSTERDAM
+
+ H. J. W. BECHT
+
+
+
+
+
+ SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ I. DE STORM OP DE SCHELDE
+ II. DE INHOUD VAN DE BARGE
+ III. DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL
+ IV. DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD
+ V. HET GEVAAR WORDT DREIGEND
+ VI. IN HET GESCHILDERDE HUIS
+ VII. ALVA'S DOCHTER
+ VIII. "ONBEREIKBAAR!"
+ IX. "GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT!"
+ X. HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD
+ XI. MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG
+ XII. "BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN."
+ XIII. "GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!"
+ XIV. GODS VOORZIENIGHEID
+ XV. HET GEVECHT OP SCHAATSEN
+ XVI. DE BERSERKER EED
+ XVII. GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573
+ XVIII. "IS HET EEN DROOM?"
+ XIX. DE BRUIDSCHAT VAN DE DOCHTER
+ XX. "PAPA KOMT! NU--ZAL IK HET DOEN!"
+ XXI. "DE HERTOG VAN ALVA!"
+ XXII. "OHO! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!"
+ XXIII. "HET IS EEN STAATSZAAK!"
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+DE STORM OP DE SCHELDE.
+
+
+"Eerste officier, waar is de bootsman?"
+
+"Vóóruit, commandant, om het plechtanker klaar te maken," antwoordt
+Harry Dalton, de dienstdoende luitenant van de _Dover Lass_.
+
+"Goed, roep den bootsman hier. Hij heeft den besten neus aan boord,"
+schreeuwt Guy Stanhope Chester, de commandant.
+
+"Tot uw orders, commandant!"
+
+Hierna gaat de jonge zeeman, want hij is hoogstens vijf en twintig
+jaar, terwijl hij het schuim en het water van zijn oliejas schudt,
+al tastend naar het kompashuis, waarvan de lantaarn bedekt is,
+voornamelijk om haar voor den wind te beschermen, maar ook om te
+voorkomen, dat het schip in de duisternis zal verraden, waar het
+zich bevindt.
+
+Terwijl hij den koers van het schip opneemt, kijkt hij naar de twee
+mannen, die vastgebonden zijn aan het stuurtoestel, om niet door de
+golven te worden meegesleept, die over het schip hebben gespoeld,
+sedert zij de krijtrotsen aan Engelands kust verlieten, en roept hun
+toe: "Maakt je maar los, jongens, wij zijn nu in stiller water. Een
+gedeelte van Vlaanderen is tusschen ons en den storm."
+
+Een oogenblik later verschijnt de bootsman, een geharde oude Engelsche
+pikbroek, een van de nieuwe soort van zeelieden van de groote vaart,
+uit de school van Drake en Frobisher. Hij is voor geen kleintje
+vervaard en zou geheel en al zeerob zijn, indien hij niet een
+borstkuras van geslagen ijzer droeg. Hij salueert zijn commandant,
+die vraagt:
+
+"Hoelang is het geleden, sinds wij Vlissingen passeerden, Martin
+Corker?"
+
+"Ongeveer vier glazen, mijnheer."
+
+"Twee uur! Dat dacht ik al. Kon je de plaats met het bloote oog
+onderscheiden, bootsman?" vraagt Guy, het bezaanswant grijpend van
+het schip, dat geweldig slingert door den noordwester storm en het
+wassend tij.
+
+"Het was te donker, kapitein; maar ik peilde met mijn lood, zag het
+land met mijn oogen en rook de slachterijen op de kust met mijn neus."
+
+"Zoo ging het mij ook," lachte de commandant. "Jij en ik, Martin,
+zijn dikwijls genoeg op de Schelde geweest, om het kanaal te kunnen
+ruiken in zoo'n donkeren nacht, ofschoon die vervloekte Spanjaarden
+iedere boei op de rivier hebben vernield."
+
+Daarna neemt de jonge commandant den eersten officier terzijde en
+vervolgt ernstig, met saamgetrokken wenkbrauwen: "Er is geen kans op,
+dat wij Alva's galjoenen op deze onstuimige zee in zulk een nacht
+zullen ontmoeten."
+
+"Neen," bromt Dalton, "die Spaansche lummels zijn alleen op zee te
+vinden bij mooi weer."
+
+"En buitendien," voegt de commandant er aan toe, "zou de _Dover Lass_
+het flinkste en grootste Spaansche galjoen, dat ooit de zee bevoer,
+bij zulk een storm ook te schande maken," en hij kijkt met den trots
+en de liefde van een zeeman naar het nette kleine schip, op welks
+halfdek hij staat, terwijl het danst op de golven van den Scheldemond,
+het water, dat zijn boeg schoonveegt, vlug door zijn spuigaten werpend,
+met Zuid-Beveland te lij en Vlaanderen te loever.
+
+Maar de nacht is zoo donker en het schuim zoo verblindend, dat
+Guy Chester's scherpe oogen slechts de helft van zijn schip kunnen
+onderscheiden, dat niet meer dan honderd vijf en dertig voet lengte
+en tweehonderd vijftig tonnen inhoud heeft, opgetuigd op een wijze,
+zooals in de tijden van koningin Elizabeth van Engeland in zwang was,
+met drie masten, de groote- en de fokkemast vierkant getuigd, en de
+bezaansmast met een langen zeilboom, waaraan een brikzeil zou kunnen
+gespannen worden, als het schip niet wegens den storm gereefd had.
+
+Onder dit tuig bevinden zich op het dek van de _Dover Lass_ zulk een
+menigte grimmige verdedigingsmiddelen als ooit op een schip van die
+grootte, dat koers zette naar Engeland, bijeen werden gevonden;--zes
+lange halve achttienponders voor negenponds kogels aan iedere zijde;
+vier draaibassen op het halfdek, drie kleine kanonnen, moorddadige
+stukken, op den bak, en een half dozijn serpentines, gemonteerd als
+draaibassen, op de verschansingen, die voor een schip uit die dagen
+ongewoon laag zijn.
+
+Een eigenaardigheid van de _Dover Lass_, met betrekking tot haar
+hutten en verschansingen, is, dat zij geen hoogen achtersteven en
+hooge voorplecht heeft en dientengevolge in staat is, met grooter gemak
+tegen den wind op te zeilen, dan de gewone zestiende-eeuwsche schepen.
+
+Rondom het dikste gedeelte van haar masten bevinden zich wapenrekken
+met een menigte hartsvangers, enterhaken en strijdbijlen, terwijl de
+haakbussen en pistolen te vinden zijn bij den wapenmeester onder den
+bak of in de hut van den bevelhebber.
+
+Haar bemanning, ongeveer honderd vijf en twintig van de luchthartigste
+zeerobben, die ooit iemand den hals afsneden of een schip in den
+grond boorden, liggen dezen avond, allen zonder uitzondering, niet in
+hun kooi, maar op de gemakkelijkste plaatsen, die zij kunnen vinden
+tusschen het geschut aan de loefzijde van het dek, en halen grappen
+uit, die hun op een gouvernementskruiser niet zouden veroorloofd
+worden.
+
+Toch heeft de _Dover Lass_ het uiterlijk van een oorlogsschip, al is de
+discipline er niet zoo streng; het is klaarblijkelijk een dier schepen,
+door een particulier persoon uitgerust, om te handelen, als er wat te
+handelen valt, te vechten, als zij er toe genoodzaakt worden, en de
+"Dons" te plunderen, overal en te allen tijde, zooveel ze kunnen;
+zooals de schepen, die onder Drake en Frobisher en den ouden John
+Hawkins de schrik van de Spanjaarden waren, nog meer dan de schepen
+van de Koningin.
+
+"Wel een verschil met verleden week," bromt de eerste officier,
+"toen gij, kapitein Chester, bezig waart het hof te maken aan de
+schoone dames van Shene en Windsor."
+
+"En gij aan ieder mooi meisje in Harwich," lacht de aangesprokene.
+
+Deze opmerkingen, die schenen gefluisterd te worden, werden in
+werkelijkheid uitgeschreeuwd, de een met den mond aan het oor van den
+ander, want het gehuil van den wind door het want en het geklots van de
+aanrollende golven, als zij het schip zweepten, waren bijna in staat,
+zelfs de stem van den ouden Stentor te smoren.
+
+Een oogenblik later staat de bootsman voor den gezagvoerder, salueert
+en schreeuwt: "Zou het niet beter zijn, dat ik het andere anker ook
+gereed hield?"
+
+"Ja, wij zouden het bij deze zee kunnen noodig hebben," antwoordt
+de commandant, terwijl de eerste officier uitroept: "Bij den ouden
+Boreas Bill, wat een hondenweer!"
+
+"Ja, maar nog slimmer aan land dan op zee," antwoordt Guy, met de eene
+hand zijn oliejas dichter om zich heen trekkend en met de andere zijn
+zuidwester vasthoudende, waar, ondanks al de moeite, die hij zich
+geeft, om hem vast op zijn hoofd te drukken, toch nog eenige blonde
+lokken onder uitwaaien. Het drietal houdt niet op, al dien tijd met
+de voeten te stampen, onophoudelijk het water af te schudden, en zijn
+best te doen, om warm te blijven bij dien snijdenden noordenwind.
+
+En het is een verschrikkelijke nacht; een van die nachten, die het
+menschdom voorgoed in het geheugen blijven door de weduwen, die zij
+maken en de weezen, die zij achterlaten; een nacht, waarin de zee het
+land verzwelgt; een nacht, waarin de dijken voor het gebeuk van den
+oceaan bezwijken, en het water stroomt over de onbeschermde weiden
+en bloeiende boomgaarden, die veranderen in een bed van voortjagende
+stroomen en diepe zoutzeeën, die de vluchtende boeren met hun vrouwen
+en kinderen doet omkomen in Vlaanderen, Brabant, Zeeland, Friesland en
+op de eilanden en in de polders van Zuid- en Noord-Holland; een nacht,
+die de Nederlanders opnieuw in ellende dompelde, de rijken zoowel als
+de armen, edellieden zoowel als burgers, die buitendien reeds vijf
+jaar lang het slachtoffer waren van de martelingen, verbrandingen en
+geeselingen van Philips II en Alva, zijn onderkoning; een nacht, waarin
+de lang aanhoudende noordwesterstorm blaast tegen de onbeschermde
+dijken van Holland, gesteund door een springvloed van ongemeene
+kracht, en de weerlooze Nederlanden teistert, om ze te herinneren
+aan den grooten vloed, waarvan men nog eeuwen zal gewagen--dien van
+Allerheiligen 1570.--Het is nu bijna twee jaar later, in de lente van
+1572. Teekenen van de ellende, welke op het land wordt aangericht,
+vertoonen zich weldra in de duisternis van den nacht. Op het strand
+van Zuid-Beveland ziet men lichten heen en weer zweven, en de kreten
+van tal van verdrinkende boeren worden meegevoerd door het gehuil
+van den wind.
+
+"Bij Sint George, er is een dijk doorgebroken!" schreeuwt Chester
+zijn luitenant toe; dan zegt hij iets zachter: "God sta de arme
+drommels bij, wij kunnen het niet!" als het schip naderbij stevent,
+met den storm nu meer aan stuurboord.
+
+Een minuut later commandeert hij haastig: "Roep de twee
+kwartiermeesters en laat loggen."
+
+Als dit gedaan is, mompelt hij plotseling: "Tien knoopen--in den vloed
+vier meer! Twee uren! Wij moeten het Kromvliet te loever hebben,
+de overstroomde landen liggen aan lij." Daarna roept hij haastig
+tot zijn luitenant: "Ga vóóruit en zie, of de beide ankers gereed
+zijn. Wij moeten trachten te komen onder de lij van Zuid-Beveland in
+het slecht water, waar de vloed, van de Oosterschelde komende, den
+stroom van de Westerschelde ontmoet. Als wij verder op geraken met
+dezen wind en vloed, zullen onze ankers ons niet meer kunnen houden
+aan deze zijde van Fort Lillo, en dat beteekent gevangenschap en dood
+voor iedereen, _Alva's dood_--gij weet, wat dat is!"
+
+Hierop mompelt de luitenant niet anders dan: "Ja, dat weet ik!" en
+begeeft zich haastig naar vóóruit, waar men hem de matrozen kan
+zien commandeeren, die geroepen zijn door den bootsman. Chester,
+die bij het roer staat, geeft zelf de richting van het schip aan,
+en commandeert de beide stuurlieden.
+
+Een oogenblik later waggelt Martin Corker, de bootsman, over het
+glibberige dek naar den commandant toe en fluistert schor: "Schip
+vooruit!"
+
+"Hoe weet ge dat? dat zoudt ge immers onmogelijk vannacht kunnen zien."
+
+"Lichten!"
+
+"O, de lichten van Sandvliet."
+
+"Neen, schepen! pistolen--haakbussen. Ik zag hun geweren flikkeren,
+drie streken aan lij in het slecht water onder de kust van Beveland!"
+
+"Dan kan ik deze schepen nemen," fluistert de commandant.
+
+Hierbij komt de natuur van dezen man plotseling duidelijk aan het
+licht, zijn verwonderlijke vlugheid van denken en doen. Hij beveelt:
+"Alle hens aan dek, klaar om te wenden. Zend twintig man naar het
+achterdek, om de bezaan te geiën! Laat de twee ankers stoppen tot
+op twintig vaâm! Gelast het stuurboordskwartier zich te wapenen met
+pieken, haakbussen en bijlen--enkel staal. Er moet bij deze affaire
+geen rumoer worden gemaakt! Commandeer drie mannen te loever met
+enterhaken!"
+
+Een minuut later ziet hij vuurwapenen schitteren op een kabelslengte
+aan bakboord.
+
+"Stuurboord je roer!" schreeuwt hij tot den man aan het
+stuurrad. "Genoeg, stuur voorzichtig, zeg ik je. Bezaan uit!"
+
+Een oogenblik later passeeren zij rakelings de schepen en nauwkeurig
+de kracht van de strooming berekenend, die geweldig is, wendt hij
+plotseling zijn schip en geeft zijn bevelen door de spreektrompet:
+"Stuurboord je roer! Lijbrassen los! Haal door de loefbrassen!"
+
+En aanstonds wendt het schip met scherp gebrast vóórtuig en staanden
+kluiver, die, hoewel bijna uit de lijken gewaaid, het schip spoedig in
+het slecht water drijft, gevormd door den stroom van de Oosterschelde,
+die hier het water van den hoofdmond ontmoet.
+
+Het volgend oogenblik heeft hij twee schepen langszij en zijn de
+manschappen van stuurboordskwartier, door zich aan touwen af te laten,
+in de schepen gesprongen, die ze enteren en nemen. Deze dobberen weldra
+naast hem aan lij, beschermd voor de zee en den wind, terwijl hij het
+anker laat vallen in het slecht water, gevormd door de ondiepten en
+moerassen van Zuid-Beveland.
+
+Er is blijkbaar nagenoeg niet gevochten in de boot, daar zijn
+manschappen haar bij verrassing genomen hebben.
+
+Een oogenblik later klimt de bootsman weer aan boord van de _Dover
+Lass_ en bericht: "Wij hebben ze beide!"
+
+"Wat zijn het?"
+
+"De een is een vriend en de ander een vijand."
+
+"Wie is de vriend?"
+
+"Dirk Duyvel en zijn Watergeuzen; en Dirk gaat te keer als een bezetene
+en vloekt en zweert bij hoog en laag, dat hij gemeen behandeld is."
+
+"Wie is de vijand?"
+
+"Een Spaansch plezier-galjoen of staatsbarge, te oordeelen naar de
+uitrusting en de tenten."
+
+"Wie zijn er aan boord?"
+
+"Roeiers, die om hun leven smeeken, en twee of drie vrouwen, op
+één na allen flauw gevallen. Er was ook een Italiaan aan boord of
+een Spanjaard, tenminste zoo iets, maar Duyvel en zijn troep hebben,
+toen zij hem gevangen hadden genomen, een touw om zijn lijf gebonden,
+hem overboord geworpen en hem zoo meegesleept; ik denk, dat hij nu
+wel verdronken zal zijn."
+
+"Goed, trek den Italiaan op en breng hem aan boord. Zend Dirk ook
+hier."
+
+Een oogenblik later komt een breedgebouwde Hollandsche zeerob aan
+boord, stampt hard met zijn zware laarzen en vloekt bij iederen stap,
+dien hij doet.
+
+"Kom hier, Dirk, wat hebt gij te vloeken?" lacht de jonge commandant.
+
+"Waarom ik vloek? Ik vloek op u! Wie geeft u het recht, mij mijn buit
+af te nemen? Wie zijt gij, zeg?"
+
+"Kent ge me niet meer, Dirk? Kom eens hier."
+
+De commandant werpt de deur van zijn hut open en wenkt den Hollandschen
+zeeman, dat hij hem naar binnen zal volgen. Er hangt een schommelende
+lamp aan een dwarsbalk van den koekoek, die een schemerachtig
+licht verspreidt, maar de duisternis is zóó ondoordringbaar, dat
+de Hollander en de Engelschman toch beiden met hun oogen knippen,
+als zij binnenkomen.
+
+Een oogenblik later roept Dirk uit:
+
+"Genadige hemel! Ik herkende de stem niet. Het is kapitein Chester. De
+'Eerste der Engelschen'!"
+
+Deze bijnaam, waarmee hij Guy betitelt, is hem door de Hollanders
+gegeven, toen hij voor het eerst in hun land verscheen als spion,
+gezant en agent van koningin Elizabeth; daar Engeland op voet van
+vrede met Spanje verkeert, heeft zijn souverein openlijk de daden
+van den man afgekeurd, die zijn leven dag aan dag in de waagschaal
+stelde voor hare belangen op de kusten van Holland, belangstellend
+den ongelijken strijd gadeslaande, dien de Nederlanders voeren tegen
+de macht van Philips II van Spanje en de wreedheden--het verwoesten,
+verbranden, geeselen en martelen--van Alva, zijn onderkoning. Deze
+bijnaam, de "Eerste der Engelschen", is hem waarschijnlijk gegeven in
+de hoop--hoe flauw die ook was--dat hij niet de _laatste_ Engelschman
+zou zijn; dat anderen na hem zouden komen, om hen te helpen strijden
+voor vrijheid van denken en dat zij, zoo zij al niet openlijk worden
+bijgestaan, althans in het geheim ondersteund zullen worden door de
+macht der dochter van Hendrik VIII;--heeft toch Philips niet gezworen,
+de kettersche Engelschen evengoed als de Hollanders te zullen verdelgen
+in het belang van den godsdienst? Want totaal verslagen te Jemmingen
+en verdreven uit Friesland, hun stadhouder en prins een balling in
+Duitschland, bestaat er voor de aanhangers van Willem den Zwijger
+geen hoop op redding meer, tenzij door de krachtdadige tusschenkomst,
+of zoo hem deze niet mocht worden verleend, door den heimelijken
+bijstand van Engeland.
+
+Als hij den Engelschman herkent, komt er een droomerige uitdrukking
+op het gelaat van Dirk Duyvel, ofschoon hij grimmig mompelt: "Kapitein
+Chester, uw daad is niet de daad van een Watergeus."
+
+"Wel verdraaid! Gij weet best, dat ik een van de uwen ben," lacht
+de jonge man, een penning toonend, dien hij om den hals draagt en
+waaraan twee of drie geuzennapjes hangen met deze woorden er op: "_En
+tout fidelles au Roy!_" en een borstbeeld van Philips II van Spanje.
+
+"Een wonderlijke zinspreuk voor een Engelsch onderdaan," vervolgt Guy,
+"doch sinds ik een der uwen werd, ter wille van haar, die mij herwaarts
+zond," hij aarzelt een weinig, eer hij de woorden uitspreekt, "heb
+ik tegenover u gehandeld als een broeder Gueux, en trouw gezworen
+aan de grondbeginselen van de Bedelaars van de Zee--als zij er die
+ten minste op na houden. Houden zij er die op na, Dirk?" spotte
+hij. "Antwoord mij, gij zeeschuimer. Hebt gij niet het schip van uw
+eigen broer gekaapt, verleden jaar?"
+
+"Nu, die geschiedenis is voor tweeërlei uitlegging vatbaar, kapitein,"
+bromt de Hollander. Daarna vervolgt hij angstig: "Maar gij zijt toch
+niet van plan, mijn buit te rooven?"
+
+"Neen, ik wil u alleen maar helpen, hem in veiligheid te brengen. En
+gij hebt mijn hulp vannacht wel noodig, want gij zoudt het met dezen
+wind zonder mij nooit klaarspelen en uw schepen weer bereiken. Waar
+zijn zij?"
+
+"Ongeveer vier mijlen de Oosterschelde af."
+
+"Dan zou uw boot ze nooit bereiken. Gij zoudt in het Sandvliet gedreven
+worden of voorbij de forten, in Alva's klauwen, tenzij gij op een dijk
+werdt geworpen, waar gij gevaar liept, door zijn Spaansche huurlingen
+overhoop te worden geschoten. Gij zoudt uw ankers hier niet kunnen
+uitwerpen, uw booten zouden zinken; zonder de hulp van mijn schip
+zoudt gij binnen tien minuten in de armen van de zeenimfen liggen of
+binnen twee uren in Alva's handen zijn. Wat zou het ergste wezen?"
+
+"Ik denk, dat in Alva's handen te vallen, het ergste zou zijn, zoowel
+voor mij als voor u! Hij haat den 'Eerste der Engelschen' haast nog
+meer dan ons, oproerlingen," grijnst de Hollander. Hij huivert toch
+bij het uitspreken van dien naam, gevreesd door iederen Nederlander
+en meer nog door al die bannelingen, welke zich tot lijfsbehoud
+gedwongen hebben gezien, om, onder den naam van Geuzen, piraten en
+zeeroovers te worden, ofschoon zij de vrijheidsapostelen zijn onder
+Willem van Oranje.
+
+"Nu, en wat hebt gij gevangen? Vertel mij eens alles," zoo laat de
+Engelschman zich weer hooren. Deze heeft schitterende, donkerblauwe
+oogen en lang, krullend, kastanjebruin haar, en zijn geheele persoon
+vormt een scherpe tegenstelling met den Hollander, die er flegmatiek
+en droomerig uitziet en wiens goedaardig gelaat prijkt met een
+onveranderlijken grijnslach--die hem, Dirk Duyvel, nooit verlaat,
+hetzij hij zijn gebeden opzegt, een schip plundert of een Spanjaard
+naar de andere wereld zendt.
+
+"Wel, wij zetten hierheen koers," antwoordde hij. "De storm was toen
+nog niet zoo hevig, anders hadden wij het zeker niet gedaan. Wij
+zagen een dijk doorbreken aan deze zijde van het Sandvliet, en wij
+wilden de bezittingen van de boeren in bewaring nemen, om ze hun
+terug te geven, als zij in het leven mochten terugkeeren. Terwijl wij
+daarmee bezig waren, zagen wij, dat er aan een landhuis een vaartuig
+werd uitgezet; wij begrepen, dat daarop wat zou te halen zijn. Nu,
+en toen volgden wij dat vaartuig. Het trachtte de rivier op te komen
+in de richting van Antwerpen, maar wij schoten de matrozen dood, en
+hadden het juist vermeesterd en een Italiaan overboord geworpen, en
+waren bezig te onderzoeken of er ook iets viel buit te maken, behalve
+de vrouwen, waarvan er drie in zwijm vielen, toen ik haar aansprak
+en haar vertelde, wat wij van plan waren met haar te doen,--toen gij
+langszij kwaamt; eer ik wist wat er gebeurde, lag ik op den grond,
+met twee van de uwen over mij heen, die hun dolken tegen mijn hals
+hielden, terwijl zij aardigheden verkochten over den waarschijnlijken
+duur van mijn leven."
+
+Dit verslag wordt afgebroken door de komst van den bootsman, die
+salueert en een levenlooze, druipende massa op de bank in de kajuit
+neerlegt, terwijl hij plichtmatig bericht: "De Italiaan is aan boord,
+commandant."
+
+"Laat eens zien, of er nog leven in zit."
+
+Doch na een kort onderzoek maakt Chester het teeken des kruises en
+fluistert: "Hij is buiten het bereik der levenden. Alle barbiers,
+medicijnmeesters en chirurgijns ter wereld zouden zijn hart niet weer
+aan het kloppen kunnen brengen," en hij legt zijn hand op het hart
+van den doode.
+
+Op hetzelfde oogenblik schrikt hij en roept uit: "Er zit iets in zijn
+jas, er schijnt iets ingenaaid te zijn."
+
+"Alle duivels! Geld? Heeft hij geld in zijn jas?" schreeuwt de
+Hollandsche vrijbuiter op spijtigen toon. "Zouden wij zoo dom zijn
+geweest, het niet te vinden, toen wij zijn zakken doorzochten, eer
+wij hem overboord gooiden? Is het geld? Dan is het van mij!"
+
+"Het is geen geld, het zijn papieren," merkt Chester op, het wambuis
+van den Italiaan opensnijdend en er een pakje uithalend, dat zorgvuldig
+in geoliede zijde gewikkeld is.
+
+"Als het enkel papieren zijn, kunt gij ze houden," zegt de
+Nederlandsche Watergeus edelmoedig.
+
+De Engelschman onderzoekt de documenten, die hij in de hand houdt;
+eensklaps maakt hij een gebaar van verrassing, hij schijnt te
+ontroeren en mompelt in zichzelven: "Zou het mogelijk zijn!--ik kan
+dat vervloekte Spaansche cijferschrift niet lezen."
+
+Weer onderzoekt hij alles nauwkeurig en na verloop van een paar
+minuten beginnen zijn oogen te schitteren.
+
+Hij wendt zich tot Dirk Duyvel en zeg kortaf: "Hoeveel verlangt
+gij voor uw buit? Voor alles! Gij hebt mij de papieren gegeven--wat
+verlangt gij nu voor de boot?"
+
+"Het is een mooie boot!"
+
+"Maar _gij_ hebt er toch niets aan!"
+
+"En dan de drie vrouwen. Ik zou een losgeld voor haar kunnen krijgen."
+
+"Van wien?"
+
+"Van haar vaders of moeders of beminden; zij zouden het niet heel
+aangenaam vinden, als zij wisten, dat die vrouwen ontvoerd waren door
+de Watergeuzen, de kampvechters voor de vrijheid," zegt Duyvel met
+een leelijke grijns, "en één is er bij, die heel mooi is."
+
+"Hm! hoe hebt gij dat kunnen onderscheiden in deze duisternis?"
+
+"Dat kon ik niet zien, maar ik hoorde het. Haar stem is zoo zoet
+als het zachtste register van het groote orgel in Amsterdam, dat,
+hetwelk men de 'engelenstem' noemt."
+
+"Hoeveel verlangt gij voor alles?" vraagt de Engelschman,
+onverschilligheid veinzend, op den toon van een man, die met een
+kramer marchandeert.
+
+"Duizend kronen."
+
+"Driehonderd," antwoordt Chester kortaf.
+
+"Vijfhonderd in elk geval."
+
+"Driehonderd in zilver," en de jonge commandant opent een kastje
+in zijn hut en haalt er een zak met Carolus-guldens uit. "Het is
+beter, dit zekere in handen te hebben," zegt hij, "dan te moeten
+marchandeeren aan den wal, met de kans, om gevangen genomen en gehangen
+te worden. Driehonderd voor alles, vrouwen, boot, alles!"
+
+"Wat wilt gij er mee doen?"
+
+"Dat is mijn zaak," zegt de Engelschman, opnieuw in de papieren
+kijkend, die hij den doode,--naar zijn kleeding en voorkomen te
+oordeelen, een Spanjaard of Italiaan,--heeft afgenomen.
+
+"En ik zal u zeggen, wat ik wil doen," vervolgt Guy; "wanneer deze zaak
+zoo voordeelig blijkt als zij schijnt, geef ik er nog tweehonderd bij,
+als ik weer uit Engeland hier kom."
+
+"Welnu, de buit is de uwe, geef mij nu maar spoedig het geld."
+
+Dit is spoedig gedaan. Chester schrijft een bewijs van ontvangst,
+dat de Hollander onderteekent. Een oogenblik later zegt kapitein
+Guy losweg: "Duyvel, ik zou u raden met uw boot naast ons te blijven
+liggen tot morgen vroeg, gij redt het nooit in dien storm," gaat naar
+het dek, en zijn eersten officier ter zijde nemend, zegt hij kortaf:
+"Gij moet het commando van de _Dover Lass_ overnemen, luitenant Dalton,
+tot ik terugkom."
+
+"Wilt gij het schip dan vannacht nog verlaten?"
+
+"Ja; een bericht, dat ik daar pas heb gekregen, maakt het noodig,
+dat ik vannacht nog naar Antwerpen ga."
+
+"Naar Antwerpen! _In Alva's klauwen_, regelrecht in het verderf?"
+
+"Ja."
+
+"Hoe?"
+
+"In die Spaansche barge, die naast ons ligt."
+
+"Gij neemt toch eenigen van uw manschappen mee?"
+
+"Neen."
+
+"Dan is uw leven geen duit waard."
+
+"Dat zal wel losloopen. Die laffe roeiers van de barge zullen mij geen
+kwaad doen. Gij weet, dat ik op Hispaniola Spaansch heb geleerd en
+het zoo goed spreek, dat ik er mij zelf haast om veracht. Ik ben van
+plan te gaan als een Spaansch officier, onder den naam, waarvan ik
+mij bij mijn vorige bezoeken aan Antwerpen reeds bediende: kapitein
+Guido Amati. Ik zal mij uitgeven voor den redder van de dame in
+de boot,--namelijk als alles naar wensch gaat. Zorg dat de sloep
+morgenmiddag op mij wacht bij den dijk, die het dichtst bij fort
+Lillo is."
+
+"Gij speelt met uw leven. Ja, gij gaat zelfs nog verder, gij werpt
+het weg," waagt de eerste officier nog angstig op te merken.
+
+"Ik doe beide voor mijn goede Queen Bess [1], wier hand ik kuste,
+eer ik Engeland verliet," fluistert de jonge man. "Nu wil ik mijn
+gevangene gaan zien."
+
+Een touw grijpende, springt hij over de lage verschansing en staat
+in het volgende oogenblik tusschen zijn manschappen, die nog steeds
+de wacht houden op het Spaansche pleiziervaartuig,--een seconde later
+hoort Guy Chester de zoetste, lieflijkste, verleidelijkste stem, die
+hij ooit heeft gehoord, sinds hij zijn ooren opende voor het geluid
+van man--of vrouw.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+DE INHOUD VAN DE BARGE.
+
+
+Nooit te voren is Guy Chester zoo getroffen door den toon van een
+menschelijke stem, ofschoon, in de bijna ondoordringbare duisternis,
+haar bekoring niet wordt ondersteund door een bevallig figuurtje,
+aanminnig gelaat of schitterende oogen. Het is enkel de stem, die
+hem bekoort. Deze zegt: "Senor, zijt gij een officier? Hebt gij gezag
+over deze woeste mannen?"
+
+Zij, die spreekt, is opgestaan, toen Guy in de boot sprong. Misschien
+heeft de dame, in weerwil van de duisternis, opgemerkt, dat zijn
+manschappen hem salueeren. Zij spreekt Spaansch, zuiver, beschaafd
+Spaansch; het welluidende der Castilianen.
+
+"Dat heb ik, Senorita," antwoordt Guy, in dezelfde taal, ofschoon zijn
+accent en uitspraak bijna barbaarsch klinken naast haar beschaafden
+tongval. De klank van het Spaansch schijnt de dame gerust te stellen,
+die te voorschijn komt van onder de tent, die den achtersteven van
+de boot versiert en beschermt, vlak voor Chester gaat staan en op een
+half verzoekenden, half bevelenden toon zegt: "Zeg mij, wie gij zijt!"
+
+"Kapitein in Romero's regiment Sicilianen. Niet geboren in Spanje,
+zooals mijn accent verraadt," antwoordt de jonge Engelschman, en hij
+voegt er aan toe: "Mijn geboorteplaats was op Hispaniola."
+
+"Ah! een Spaansch officier," roept de dame verheugd uit; "dus is uw
+schip een Spaansch?"
+
+"Zeker," antwoordt de Engelschman, die, nu hij zich eenmaal heeft
+voorgenomen te bedriegen, ook niet op een leugen ziet.
+
+"Dan," antwoordt de dame op een toon, die eensklaps vertrouwelijk en
+toch bevelend wordt, "senor capitan, zijt gij wel zoo goed mij terstond
+veilig naar Antwerpen te begeleiden." Een oogenblik later vervolgt zij:
+"En ik hoop, dat gij die woeste Hollandsche rebellen, die onbeschaamde
+Watergeuzen, zoo spoedig mogelijk zult straffen. Zij hebben den
+kapitein en de soldaten van mijn barge vermoord, en den armen
+secretaris van den markies de Cetona, Chiapin Vitelli, verdronken."
+
+Bij den naam van Vitelli ontstelt Chester. "Zeker, senorita," antwoordt
+hij snel. "Al die schurken zullen worden gehangen aan de ra, zoodra
+uw jacht uit zicht is."
+
+"Maar gij moet met mij meegaan, ik beveel het!"
+
+"Uw woorden zijn voor mij een bevel," zegt Guy beleefd, een glimlach
+onderdrukkende, als hij er aan denkt, dat zijn schoone gevangene
+zich een vreemd gezag over hem aanmatigt. "De commandant van het
+schip zal overgaan tot de bestraffing van de zeeschuimers, zoodra
+wij vertrokken zijn."
+
+"Gij zult zeker spoedig gereed zijn om mij te vergezellen?" De stem,
+die in de duisternis tot hem komt, is die van iemand, welke gewoon
+is te bevelen, ofschoon zij ongemeen lief en welluidend klinkt.
+
+"Binnen vijftien minuten," antwoordt Guy met militaire promptheid;
+daarna vervolgt hij, met iets galants in zijn stem: "Zal ik u niet
+een weinig ververschingen zenden van het schip? De nacht is heel koud."
+
+"Neen, ik ben goed ingestopt. Mijn kameniers kunnen mijn handen wrijven
+en wij hebben uitstekenden Spaanschen wijn en andere ververschingen
+in de kajuit. Maar haast u wat, of wij zullen niet voor morgenochtend
+te Antwerpen zijn."
+
+"Zoo spoedig mogelijk zal ik terug zijn." Met deze woorden springt
+Guy vlug uit de barge en klautert over de verschansing van zijn
+eigen schip.
+
+Vervolgens trekt hij zijn eersten officier, die naar het gesprek heeft
+staan luisteren, haastig ter zijde en zegt: "Het is alles naar wensch
+gegaan. En ik ben nu ook nog iets meer te weten gekomen. Die doode
+man in de hut (dien gij zoo spoedig mogelijk overboord moet werpen)
+is de secretaris van dien verwenschten Chiapin Vitelli!"
+
+"De schurk, die Alva helpt in zijn plannen tegen het leven van onze
+vorstin?" roept Dalton uit.
+
+"Ja. Dit maakt het dubbel noodzakelijk, dat ik naar Antwerpen ga. Het
+zou kunnen zijn, dat ik daar eenige dagen moest blijven. Blijf met de
+sloep dicht bij den dijk beneden fort Lillo, zooals ik u bevolen heb."
+
+"Gij doet een dolzinnig waagstuk," mompelt zijn ondergeschikte,
+nog een bedenking wagend.
+
+"Maar ik moet het wel doen. Voor het geval, dat mij iets overkomt,
+voor het geval, dat ik--niet terug mocht komen, zeg dan aan mijn
+koningin, dat ik het om harentwil deed. Keer met het schip naar
+Engeland terug, Dalton, en spreek tot onze vorstin deze woorden:
+'Wees meer dan ooit op uw hoede voor Spaansch vergift of Spaansche
+dolken. Het is de laatste waarschuwing van Uwer Majesteits getrouwen
+vazal Guy Stanhope Chester.'"
+
+Dit zeggende, stapt de jonge man in zijn hut en als hij na tien minuten
+de deur weer opent, beschijnt het flauwe licht een geheel ander man.
+
+Hij is niet langer de door weer en wind geteisterde zeeman in oliejas
+en zuidwester, maar de zwierigste en wellevendste jonge edelman, die
+ooit het hof maakte aan de dames van Hampton of met haar schertste
+op de tennisvelden van Windsor of Westminster.
+
+Een lichtblauwe fluweelen baret, versierd met twee lange witte veeren,
+vastgehecht door een diamanten gesp, bedekt zijn jeugdig hoofd; om zijn
+hals draagt hij een breeden Spaanschen kraag van Venetiaansche kant;
+zijn fluweelen wambuis is gegarneerd met zilver en satijn; zijn broek
+is van de fijnste Fransche zijde; zijn hooge Spaansche laarzen zijn
+van het zachtste bronskleurig marokijnleder. In dit zwierig kostuum,
+met zijn blauwe, overmoedig schitterende oogen, lachende lippen en
+krullende haren, maakt Guy Stanhope Chester een even goed figuur als
+de ridderlijke Dudley, graaf van Leicester, wanneer hij de koningin
+van Engeland en haar hofdames wist te betooveren.
+
+Misschien wint hij het zelfs nog van dezen, want zijn gelaat is open
+en zijn glimlach oprecht, ofschoon er een vastberaden uitdrukking op
+zijn gelaat ligt, als hij uit zijn hut stapt en naar het kruit in de
+pan van de twee lange pistolen kijkt, die hij in zijn gordel heeft,
+en zijn borst betast, om zeker te zijn, dat de lange scherpe ponjaard
+op zijn plaats is, en vervolgens tegen het gevest van zijn zwaard
+slaat, om er zich van te vergewissen, dat zijn trouw, welbeproefd
+Toledaansch rapier aan zijn zijde hangt. Want bij het bezoek, dat hij
+gaat brengen aan de groote stad der Nederlanden, die zich in Alva's
+macht bevindt, is het voor hem niet alleen een quaestie van slagen
+of mislukken, maar een quaestie van leven of dood. Guy is natuurlijk
+zoo verstandig geweest, zich het aanzien te geven van een Katholiek
+Spaansch officier; hij heeft den Geuzenpenning afgedaan en draagt in
+plaats daarvan, zeer in het oog vallend, een rozenkrans van gouden
+kralen en een rijk versierd kruis.
+
+Terwijl hij deze verandering in zijn uiterlijk maakte, had hij
+een miniatuur-portret, gevat in diamanten, van zijn borst genomen,
+een portret van een meisje van zeldzame Castiliaansche schoonheid,
+dat hij met smachtende blikken bezag onder het mompelen van deze
+onverstaanbare woorden: "Mijn eenige prijs van al de schatten van Alva,
+die ik buitmaakte voor mijn koningin--als ik het origineel kon winnen."
+
+Intusschen veroorzaakt het zwierige kostuum van Guy Chester heel wat
+opschudding op zijn halfdek, en trekt zelfs de aandacht van den anders
+zoo onverstoorbaren vrijbuiter Dirk Duyvel, die juist buiten de hut
+doodbedaard zijn driehonderd guldens zit te tellen. Deze roept:
+"Drommels, daar moet een mooi meisje in 't spel zijn!" En zijn
+eerste officier, ja, zelfs zijn tweede, veroorloven zich een paar
+grappen over zijn voorkomen, terwijl Dalton nog opmerkt: "Bij de vier
+Evangelisten! Die rooftocht beteekent _liefde_ zoowel als _bloed_!"
+
+En de tweede stuurman, die nog weinig meer is dan een roodwangig
+jongetje, schatert het uit en fluistert daarna in het oor van zijn
+commandant: "Neem mij mede, kapitein Chester, voor een kruisvaart te
+land. Er zijn nog andere dames in de barge, behalve degene, voor wie
+gij u zoo hebt opgedirkt."
+
+"Neen, mijn beste jongen, zulk een uitstapje aan wal zou je dood
+zijn," merkt de commandant op, doch opeens keert hij terug in zijn hut
+en mompelt: "Bij de zeven kampioenen van het Christendom, die stem
+zou mij haast alle overleg doen verliezen. Daar zou ik nu waarlijk
+zonder geld op weg zijn gegaan, een achteloosheid, die mij duur zou
+te staan komen!"
+
+Met deze woorden ledigt hij in zijn eenen zak den inhoud van een
+kleinen buidel, gevuld met Spaansch goud, dien hij uit een der
+kastjes in de hut heeft gekregen, en stopt in den anderen een
+aantal Spaansche florijnen, Hollandsche kronen en Nederlandsche
+stuivers. Zich omkeerende, ziet hij zijn eigen beeld weerkaatst
+in een kleinen Venetiaanschen spiegel, die in de hut is bevestigd,
+en roept plotseling verschrikt uit: "En ik zou mijn regenmantel ook
+vergeten. Dat zou een koopje zijn geweest bij dezen storm!"
+
+Dit zeggende, werpt hij over zijn zwierige kleedij een langen mantel
+van een zachte Engelsche wollen stof en in het volgend oogenblik
+is hij aan boord van het Spaansche vaartuig dat, na snel door zijn
+manschappen te zijn ontruimd, nu van het schip wordt afgestooten.
+
+Daarna begeeft hij zich naar den achtersteven, neemt de roerpen in
+de hand en roept op bevelenden toon in het Spaansch: "Voorwaarts,
+gij honden van roeiers! De man, die rechtop durft gaan zitten of geen
+slag houdt bij het roeien, totdat wij in Antwerpen zijn, sterft door
+mijn hand." Want hij vreest, dat de minste onachtzaamheid van den
+kant der roeiers de boot dwars van den wind en van den stroom zal
+brengen, wat noodlottige gevolgen kon hebben bij deze holle zee,
+snellen vloed en hevigen wind.
+
+"Gij schijnt zeeman zoowel als soldaat te zijn," merkt de jonge
+Spaansche dame op, aan wier zijde hij nu gezeten is.
+
+"Ja, ik ben een weinig vertrouwd met elke wijze van vechten, te land
+en ter zee," antwoordt Guy, iets nader schuivende bij die welluidende
+stem.
+
+"Ik zal u," fluistert de jonge dame, "altijd als mijn redder
+beschouwen."
+
+Vervolgens brengt zij hem in de uiterste verbazing en doet hem haast
+schrikken, door op beschermenden toon te zeggen:
+
+"Gij hebt geluk gehad, senor capitan! _Want ik wil, dat gij voor
+hetgeen gij aan mij hebt gedaan, tot kolonel bevorderd zult worden_!"
+
+Deze verzekering wordt door de liefelijke stem naast hem gedaan
+met evenveel vertrouwen, alsof zij kwam van de koningin van Spanje
+zelve. Maar den Engelschman loopt, bij het hooren er van, een koude
+rilling over den rug. "Wie voor den drommel kan zij zijn?" vraagt
+hij zich verwonderd af. "Ik lever mij roekeloos over in Alva's macht,
+door haar naar Antwerpen te begeleiden."
+
+Maar terugkeeren is niet meer mogelijk. De boot is reeds in den
+hoofdstroom; beide, wind en vloed, zweepen haar nu voort naar
+Antwerpen, evenals de lijken van menschen en vee, die de stroom
+meevoert, als getuigen van de verwoesting, welke de oceaan in de
+Nederlanden aanricht.
+
+"En wie heb ik te danken voor deze bevordering?" waagt Guy te vragen,
+want hij brandt van nieuwsgierigheid om den naam te vernemen van de
+dame, die naast hem zit.
+
+"Gij kunt mij Dona Hermoine noemen," antwoordt de schoone op een
+toon, die aanduidt, dat zij voldoende bekend is, om het geven van een
+nadere aanduiding als overbodig te kunnen beschouwen. Een oogenblik
+later zegt zij op kalmen toon tot een harer onderhoorigen, die naast
+haar knielt, om haar handen te wrijven, daar de nacht zeer koud is:
+"Zoo is het goed, Alida, tracht nu zelve ook warm te worden."
+
+"Ja, Excellentissima," antwoordt het meisje.
+
+De hoog klinkende titel prikkelt Chester's nieuwsgierigheid nog meer,
+maar hij kan die thans niet verder bevredigen. Elke spier van zijn
+gelaat is gespannen, hij heeft al zijn gedachten noodig om de boot
+uit den wind en recht in den stroom te houden, terwijl zij de Schelde
+opvliegt. Eén enkele verkeerde beweging van een der roeiers zou haar
+uit den koers kunnen brengen, en dat zou in dezen stormachtigen nacht
+gelijk staan met haar ondergang.
+
+Hij kan nauwelijks tijd vinden om de vrouwelijke bedienden van de
+jonge dame te gelasten, haar zooveel mogelijk met stukken zeildoek
+te beschutten voor het schuim, dat hen volgt; al zijn opmerkzaamheid
+wordt vereischt, om de zwakke boot veilig te houden in haar wedloop
+met de wilde wateren rondom haar. Hij heeft geen moeite met de roeiers;
+zij roeien, alsof zij weten, dat hun leven afhangt van hun inspanning.
+
+Zóó snellen zij voort.
+
+Een donkere, sombere massa aan zijn rechterhand duidt het grimmige
+fort Lillo aan. Als zij dit voorbij zijn, weet Guy, dat hij onder het
+bereik is van Alva's handen, binnen de Spaansche linie. Zij snellen
+echter voort, langs schepen, die zijn losgeslagen van hun ankers en
+nu wegdrijven met den vloed, langs andere, die een schuilplaats hebben
+gevonden in de verschillende bochten en inhammen van de Schelde. Geen
+enkel vaartuig--behalve het hunne--spoedt zich voort met een doel,
+alle hebben ergens een schuilplaats gezocht. Geen Spaansche galeien
+houden de wacht op de rivier, maar de lichten op de dijken duiden aan,
+dat de oeverbewoners waken, om hun bezittingen en zichzelven te redden.
+
+Een poosje later zegt de dame, die al dien tijd haar best heeft
+gedaan om zich warm te houden, door met haar voetjes te stampen en
+haar kleine handen te wrijven, waarin zij door haar vrouwen wordt
+bijgestaan: "Zoudt gij niet een kleine hartversterking willen nemen,
+senor capitan? Een glas wijn? Gij spaart zorg noch moeite voor mijn
+veiligheid."
+
+"Leid in Gods naam mijn aandacht niet af van de boot!" mompelt Guy
+tusschen de tanden. "Wij zijn aanstonds in een bocht van de rivier. De
+wind zal dwars overkomen. Ik worstel voor ons aller leven."
+
+Dan zet hij zich opnieuw schrap voor den strijd, want de stroom en
+de wind zijn niet meer in één richting en dat maakt zijn taak aan
+het roer des te moeilijker.
+
+Maar als zij deze bocht voorbij zijn, en nu de waterzijde van Antwerpen
+naderen, wordt de wind, door het land gebroken, minder hevig, en het
+wassend tij, dat bijna zijn hoogtepunt heeft bereikt, minder snel
+en gevaarlijk.
+
+"Goddank, wij hebben het ergste gehad," zegt Guy met een zucht van
+verlichting. "Nu zal ik gaarne een glas wijn aannemen, schoone dame;
+het is vinnig koud;" dit laatste zegt hij klappertandend.
+
+"Oho!" lacht de schoone aan zijn zijde. "Zijde, satijn en fluweel zijn
+ook niet zoo doelmatig, senor capitan, als uw oliejas en zuidwester,
+toen gij het eerst aan boord van mijn jacht kwaamt. Wie mooi wil zijn,
+moet zich daarvoor ook wat last getroosten. Uw zwierige kleedij werd
+vermoedelijk gekozen ter wille van de een of andere schoone dame in
+Antwerpen, capitan mio."
+
+"Ja, voor een _zeer_ schoone," antwoordt Guy, wiens mantel van zijn
+schouders is gegleden en wiens kanten opslagen den fijnen pols van
+de jonge dame hebben aangeraakt, terwijl hij den zilveren beker aan
+den mond brengt en den fijnsten ouden Spaanschen wijn, die ooit door
+zijn keel is gegleden, in staat stelt zijn bloedsomloop te versnellen
+en zijn verkleumd lichaam te verwarmen.
+
+Het edele vocht schijnt zijn levensgeesten op te wekken en hij lacht.
+
+"Nog een beker, als ik u mag verzoeken, om hem uit te drinken
+op de gezondheid van de schoonste dame." En als hij dien heeft
+gekregen, zegt Guy met zeemans-stoutmoedigheid en jeugdig vuur:
+"Op u!" de schoone vóór hem doordringend aankijkend in de hoop,
+dat de gloed zijner oogen door de duisternis heen zal dringen. Want
+hij heeft de hand aangeraakt, die hem den beker heeft gereikt, en
+deze is verwonderlijk zacht en klein, en de gansche wijze van zijn
+en doen zijner schoone gezellin is die van bloeiende, levendige,
+opgewekte jeugd; de jeugd, die de ouderdom kan benijden doch nooit
+kan nabootsen; de jeugd, die de goden slechts eens geven; de jeugd,
+die de zwartste duisternis niet kan verbergen.
+
+Buitendien heeft zij, door een onverwachte slingering van de boot,
+een oogenblik tegen zijn borst gerust--slechts een _oogenblik_; doch
+in die vluchtige aanraking heeft hij de gestalte van een Venus kunnen
+onderscheiden en de vlugge bevalligheid van een Hebe.
+
+"In naam van alle heiligen, wie kan zij zijn?" vraagt hij verwonderd.
+
+Bij zijn vermetelen toost trekt de dame zich haastig terug, met
+een ingehouden kreet, voortgekomen half uit verwondering, half uit
+hoogheid. Een oogenblik later lacht zij, een lach, alleen eigen aan
+de jeugd, bekoorlijk, betooverend, en merkt op: "Zulke toosten zullen
+u de verontwaardiging van mijn duena op den hals halen."
+
+"Uw duena! die is hier niet!"
+
+"O ja. Zij is al dien tijd in onze tegenwoordigheid geweest. Mijn
+strenge duena ligt in dien zetel recht tegenover u. De reuk van kruit
+doet de gravin De Pariza altijd flauwvallen. Zij verliest geregeld
+haar bezinning als haar pupil in het grootste gevaar verkeert. Bij
+het eerste vuur, dat de Watergeuzen gaven, viel zij doodbedaard flauw,
+en zij is sedert dien tijd niet weer bijgekomen. Als wij in Antwerpen
+aankomen, heeft zij zeker haar oogen wijd open."
+
+"Vertel mij dan, eer zij ze opent, iets van uzelve," fluistert Guy
+galant, want hij kan nu enkele oogenblikken wijden aan de dame, in
+wier gelaat hij met bewonderende blikken zou kijken, als de duisternis
+het hem veroorloofde.
+
+"Vertel mij allereerst iets van u _zelven_," antwoordt zij een
+weinig haastig, op een toon van belangstelling, die den jongen
+man behaagt. "Hoe meer ik van u weet, hoe beter ik u kan helpen,
+om kolonel te worden. Hoe heet gij?"
+
+"Noem mij kapitein Guido," fluistert Chester zoo teeder mogelijk.
+
+"Geen anderen naam?"
+
+"Ik kan u mijn anderen naam niet noemen. Ik ben afwezig van mijn
+regiment zonder verlof."
+
+"Dan zal het zeer moeilijk zijn, u te bevorderen," lacht de
+dame. Vervolgens zegt zij: "Maar als gij mij uw naam niet wilt
+toevertrouwen, vertel mij dan tenminste iets van uw vroeger leven."
+
+Dit doet Guy, door een geschiedenis te bedenken van zijn geboorte op
+Hispaniola, van verschillende gevechten te land en ter zee voor den
+roem der Spaansche vlag, in Italië en de Nederlanden, de dame aan
+zijn zijde in den waan brengend dat hij zich aan de Spaansche zaak
+heeft gewijd met lichaam en ziel en alle vijanden van de Moederkerk
+haat, zich hullende in een weefsel van romantisme en bedrog, dat hem
+eens noodlottig zal kunnen worden, want zijn schoone gezellin houdt
+hem voor een soldaat van Philips van Spanje en zijn onderkoning,
+Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva en Huesco.
+
+"Ah!" mompelt zij, "een dapper soldaat. Ik _moet_ u de benoeming van
+kolonel verschaffen!"
+
+"En de volle naam van mijn weldoenster?"
+
+Misschien was zij van plan, deze vraag te beantwoorden, maar op
+dit oogenblik komen de lichten van Antwerpen in zicht. Het gedeelte
+van de stad, dat naar de rivier is toegekeerd, is geheel verlicht
+door lantaarns, die zich her- en derwaarts bewegen; schepen worden
+in veiligheid gebracht; de bemanning der aanzienlijke handelsvloot
+in de haven is op haar hoede in dezen nacht, om zich voor den vloed
+in veiligheid te brengen. De kooplieden van Antwerpen, de rijkste
+koopstad van geheel Europa, zijn bezig om de handelsproducten van
+Indië en Noord-Europa op de kaden te bewaren voor bederf door het
+wassend getij, dat bruist over de half overstroomde kaden en dokken
+der groote wereldmarkt voor den zestiende-eeuwschen handel.
+
+"Waar wilt gij landen?" vraagt Guy haastig.
+
+Haar antwoord is van dien aard, dat het den stoutmoedigen man naast
+haar bijna doet beven. Zij zegt achteloos: "Het is het beste, dat
+gij mij naar de Citadel brengt."
+
+"De Ci--ta--del?" stamelt Guy.
+
+"Ja, Sancho d'Avila, de gouverneur, zal het zich tot een eer rekenen,
+mij vannacht nog te verwelkomen."
+
+"Kunt gij dan de schildwachten passeeren? Weet gij dan het wachtwoord
+voor hedenavond?" stoot Chester uit, die een koude rilling voelt
+bij de gedachte, dat hij zich te midden van Alva's garnizoen zal
+moeten begeven.
+
+"Zeker. Zij zonden mij vanavond de woorden."
+
+"Wees dan zoo goed, ze mij op te geven, opdat ik u door de wachten
+heen kan brengen."
+
+"Dat van hedennacht," zegt zij, "is _Jemmingen_."
+
+"En het contrasigne?"
+
+"_Santa Maria de la Cruz_. Gij zoudt het noodig kunnen hebben, daar
+gij een officier zonder verlof zijt," fluistert zij; vervolgens voegt
+zij er lachend aan toe: "Ik heb u misschien bewaard voor arrest. Dat
+is een klein blijk van mijn dankbaarheid."
+
+Zij snellen nu voort langs de stad. De Engelsche kade ligt reeds
+achter hen en zij bevinden zich tegenover het groote middendok,
+waarvan de kolossale pakhuizen alle verlicht zijn, terwijl troepen
+mannen met flikkerende toortsen op de aangrenzende werven en schepen
+hun best doen, om de vaartuigen steviger voor anker te leggen en de
+ladingen te bergen, waarvan reeds vele gedeeltelijk in veiligheid zijn
+gebracht. Eenige Spaansche oorlogsgaljoenen bewegen zich tusschen
+de andere schepen. De slaven zwoegen aan de groote roeiriemen, om
+de schepen, die nu hulpeloos zijn in dezen hevigen storm, naar een
+veiliger ankerplaats te brengen.
+
+En boven al dat rumoer en deze drukte--het geschreeuw der zeelieden,
+het gevloek der kapiteins, de kreten der galeislaven bij het striemen
+der zweep, de dansende lichten van stad en haven, want geheel Antwerpen
+is in dezen nacht op de been,--klinkt het zilveren klokkenspel van
+de groote kerk bij het slaan van kwart voor middernacht.
+
+Als zij haar voorbij varen, worden zij aangehouden door een
+patrouilleboot; daar Chester echter het wachtwoord geeft, kan zijn
+barge ongehinderd en zonder verder beletsel haar koers vervolgen.
+
+Zoo snellen zij verder, langs een aaneenschakeling van werven en kaden,
+waarachter men de stadswallen en poorten kan onderscheiden--niet
+zoo sterk gebouwd, niet zoo duchtig versterkt als die, welke de
+landzijde der stad beschermen, maar toch goed bewaakt, de Spaansche
+schildwachten op hun hoede, want deze nacht van storm en vloed heeft
+niet enkel de burgers van Antwerpen doen opschrikken om hun bezittingen
+en goederen te redden, maar ook het Spaansch garnizoen van de plaats,
+om te beletten, dat er een oproer uitbreekt tijdens de beroering,
+veroorzaakt door wind en getij.
+
+Een oogenblik later kan men achter de Esplanade of het Paradeplein,
+dat de Citadel van de stad scheidt, de flikkerende lichten zien van
+twee rivierbastions der uitgestrekte versterking, door Alva gebouwd,
+niet om deze groote handelsstad, die in zijn macht is, te beschermen,
+maar om haar te overheerschen en te onderdrukken.
+
+Terwijl hij de uitwerking van den vloed aan den oever gadeslaat,
+bespeurt Chester's vlug zeemansoog het gevaar, waaraan hij zich zou
+blootstellen, door de muren te naderen, die de gracht begrenzen. Bij
+zulk een hoogen vloed en hevigen wind, zal hun boot als een eierdop
+tegen de steenen verpletterd worden. Hij zegt dus haastig: "Is er
+niet een andere waterpoort? Als ik van deze zijde beproef te landen,
+zijn wij kinderen des doods. Spreek vlug, om Godswil--antwoord mij!"
+
+"Ja! Een kleine uitvalpoort achter het tweede bastion." De
+zoetvloeiende stem naast hem is zenuwachtig en gejaagd. De golven
+van de Schelde schuimen tegen het metselwerk van den Spanjaard.
+
+"Dat zal beter zijn!" roept Chester uit, en de boot met vaste hand
+in de diepe gracht sturend, die de Citadel omringt, en die thans door
+den hoogen vloed is herschapen in een bruisenden stroom, snellen zij
+voorbij het groote, sombere bastion van den Hertog, en een oogenblik
+later voorbij dat, hetwelk naar Alva zelven is genoemd. Hier landt de
+boot, geheel beschut voor den wind, achter de hooge muren van deze
+machtige Spaansche vesting, aan een kleine uitvalpoort, gelegen op
+een kunstmatig eilandje in het midden van de gracht en verbonden
+door een lichte, beweegbare brug met het hoofdgebouw tusschen de
+reusachtige bastions van Alva en Paciotto, het laatste genoemd naar
+den grooten ingenieur, die dezen omvangrijken, dreigenden vijfhoek
+met zijn vijf geduchte redoutes ontwierp en bouwde,--de sterkste
+vesting uit dien tijd.
+
+Als de boot landt, roept de schildwacht haar aan en ontvangt als
+antwoord van den Engelschman het wachtwoord van dien nacht. Daarop
+wordt de ophaalbrug neergelaten en worden zij verlicht door een
+menigte brandende toortsen, die Chester doen ontdekken, hetgeen de
+duisternis tot nu toe voor hem verborg, dat namelijk de boot, die
+hij heeft binnengeloodst, blijkbaar een staatsgalei is, welker tent
+is gedecoreerd met versierselen van Spaansch leder, waar het wapen
+van den Onderkoning zelven is ingedrukt. Maar hij heeft geen tijd,
+om hier verder over na te denken.
+
+"Mijn duena," zegt de dame haastig. "Wij moeten haar wekken, ter
+wille van de etiquette, senor capitan, wij moeten de gravin De
+Pariza wekken!"
+
+Dit gaat gemakkelijk, want de eeredame is blijkbaar reeds sinds
+eenigen tijd bijgekomen, en een paar bekers van denzelfden wijn, die
+den jongen zeeman heeft verkwikt, geven de chaperone aanstonds haar
+spraak terug. Met verwilderde oogen in het rond ziend, roept zij uit:
+"Heilige Maagd! Ik leef nog! Santa Maria! De Citadel van Antwerpen! Ik
+ben gered!"
+
+Vervolgens staat deze hoedster van de etiquette en het decorum op
+en richt haar trotsche patricische oogen op den Engelschman, terwijl
+zij haastig uitroept: "Wie is die man?"
+
+"De edelman, die ons gered heeft uit de handen der Watergeuzen,"
+antwoordt de jonge dame van de barge.
+
+Hierop biedt Chester, die een nader onderzoek naar zijn identiteit
+minder wenschelijk acht, fluks zijn arm aan de schoone, die nog dicht
+in haar mantel en kap is gehuld en, toen het licht der toortsen op
+haar viel, den Spaanschen sluier over haar gelaat heeft getrokken. Een
+oogenblik later voelt Chester een lichte rilling, als zijn aanbod is
+aangenomen en een fijn handje in zijn arm glijdt.
+
+Nog een oogenblik en hij heeft haar geholpen bij het uitstijgen en gaat
+met haar de ophaalbrug over, gevolgd door de beide kameniers, die de
+duena ondersteunen, welke dame nog niet zeer stevig op haar voeten
+schijnt te staan en in een staat van buitengewone zenuwachtigheid
+verkeert.
+
+Juist als zij aan het einde van de ophaalbrug zijn gekomen, hoort Guy
+een doordringenden kreet achter zich, en hoe hachelijk zijn toestand
+is, vlak voor de Citadel van Alva, wier open poort gereed staat hem
+te verzwelgen, kan hij toch een glimlach niet onderdrukken, als hij
+bemerkt, dat de Spaansche duena op de natte brug is uitgegleden en nu
+half verdronken uit het water van de gracht wordt opgehaald. Als de
+kameniers haar een weinig onhandig helpen, vergeet de Gravin, in blinde
+woede ontstoken, alle etiquette en roept klappertandend, en met den
+mond vol water, dat de meisjes voor haar onhandigheid zullen boeten.
+
+Maar Chester's lach besterft om zijn mond, als de schildwachten aan
+de poort hem met gekruiste pieken den weg versperren en hun vaandrig
+barsch zegt: "Het contrasigne, senor!"
+
+"_Santa Maria de la Cruz_," fluistert Guy.
+
+De pieken zakken, als de officier met zijn zwaard wenkt, en zij gaan
+hem voorbij door de hooge Gothische poort. Op dit oogenblik valt er een
+straal van een toorts, die in een nis van het metselwerk is bevestigd,
+op de dame en doet haar gestalte scherper uitkomen. Nauwelijks heeft
+hij haar opgemerkt, of de Spaansche officier neemt zijn stalen helm
+af en zegt, tot op den grond buigend: "Als ik had geweten, dat gij
+het waart, Excellentissima, zou ik niet zoo barsch zijn opgetreden!"
+
+"Gij deedt slechts uw plicht, senor," zegt de onbekende. Daarna Guy's
+arm loslatend en den jongen officier terzijde nemend, die in gebogen
+houding met ongedekten hoofde voor haar staat, fluistert zij hem in
+het Spaansch iets toe.
+
+Een gedeelte van het antwoord van den vaandrig bereikt Guy's
+oor. "Neen, Excellentissima, hij is nog niet van Brussel aangekomen."
+
+"Dan zal papa zich niet bezorgd over mij maken," zegt de dame
+snel. En opnieuw Chester's arm nemend, vervolgt zij tot den jongen
+officier: "Wees zoo goed en geleid ons naar de woning van de gravin
+van Mansfeld."
+
+Voorafgegaan door den vaandrig, komen zij thans door de poort op het
+hoofdplein van de Citadel, en gaan tusschen stapels kanonskogels en
+allerlei oorlogstuig door, naar dat gedeelte van het plein, waar zich
+blijkbaar de kwartieren van de officieren bevinden.
+
+Door de vensters van een dezer woningen, die oogenschijnlijk grooter,
+geriefelijker en weelderiger is dan de overige, schitteren lichten
+als van een feest en dringt dansmuziek tot hen door. Daar de
+woning onmiddellijk achter het bastion van Paciotto ligt, hebben
+ze haar spoedig bereikt en Guy heeft weinig gelegenheid, om met
+zijn gezellin in gesprek te komen, nog te minder, omdat de storm,
+die steeds aanhoudt, hen tot spoed aandrijft en de dame noodzaakt,
+haar mantel zoo dicht mogelijk om zich heen te trekken.
+
+Zij treden door een zijdeur van het huis binnen, waar een lakei in
+een rijke livrei hen ontvangt, eerbiedig buigend.
+
+"Verwacht de Gravin mij?" vraagt Guy's beschermelinge haastig.
+
+"Ja, Excellentissima, het feest van hedenavond is te uwer eer. U is
+zeker opgehouden? Het is reeds middernacht," antwoordt de bediende
+opnieuw buigend.
+
+Het antwoord wordt de dame bespaard door de komst van de druipnatte
+duena, die op bitsen toon zegt: "Wat beteekent het, dat gij hier staat,
+Dona Hermoine? Gij laat de gravin van Mansfeld boven wachten en mij,
+druipnat en verstijfd tot op mijn beenderen hier beneden." Vervolgens
+roept zij uit: "Vooruit, meiden, en helpt mij, mij verkleeden!" Het
+klapperen van haar tanden en een dreigend gebaar aan het adres van
+haar kameniers zet klem aan haar woorden bij; de kameniers snellen
+dan ook den jongen Engelschman en zijn beschermelinge voorbij.
+
+Bij de lichten in de vestibule merkt Guy op, dat de vrouwelijke
+bedienden jonge meisjes zijn met lenige figuurtjes en een bleeke,
+olijfkleurige tint, zeker Moorsche slavinnen, welke toentertijd in
+Spanje veel gehouden werden. Zij verdwijnen langs een trap met de
+gravin De Pariza, bij wie de slaafsche gehechtheid aan de etiquette
+gansch en al schijnt weggespoeld door het zoute water van de Schelde,
+want zij verlaat Guy met zijn dame zonder een enkel woord meer
+te spreken.
+
+Guy kijkt nu zijn gezellin opmerkzaam aan, in de hoop, dat haar gelaat
+eindelijk zichtbaar zal zijn, maar de dichte sluier verbergt het nog
+altijd en de mantel eveneens haar figuur, maar toch doet de laatste
+een buitengewoon schoone gestalte vermoeden. Terwijl hij dit opmerkt,
+bespeurt de Engelschman tevens, dat de mantel der dame gemaakt is van
+het fijnste koninklijke sabelbont, en dat hij wordt vastgehouden door
+juweelen versierselen van groote waarde.
+
+"Als Dirk Duyvel dit geweten had," denkt Guy glimlachend, "zouden er
+meer dan driehonderd Carolusguldens noodig zijn geweest, om alleen
+dien mantel van hem te koopen!"
+
+Maar aan zijn overpeinzingen wordt weldra een eind gemaakt; de
+welluidende stem naast hem, nu nog liefelijker door de begeleiding van
+luiten en strijkinstrumenten uit de aangrenzende vertrekken, zegt:
+"Mijn duena heeft blijkbaar de plichten der gastvrijheid vergeten,
+ik echter niet." En zij beveelt den lakei: "Geleid kapitein Guido
+terstond naar een eetkamer. Niet naar een van die, welke voor de
+gasten is ingericht, daar hij niet gekleed is voor het feest."
+
+Zij lacht even, en Chester kan, als zij een blik werpt op zijn langen
+mantel, een schelmsche flikkering in haar oogen bespeuren, die te
+sterk schitteren, om geheel beschaduwd te worden door den sluier,
+en daarbij zegt zij op halfluiden toon: "Neem mijn gastvrijheid aan,
+ik heb u een boodschap mee te geven."
+
+Dan gaat zij met lichten, zwevenden tred de trap op en is verdwenen,
+terwijl Guy zich verkneutert bij de gedachte: "Zij heeft volstrekt
+geen vermoeden van mijn zwierig costuum; ik heb nog een verrassing
+voor haar in petto."
+
+"Hierheen, senor capitan," zegt de lakei op zachten toon en de
+Engelschman wordt geleid naar een afzonderlijk salon, welks vorstelijke
+weelde hem in verbazing brengt, want de met gobelins bekleede muren en
+ingelegde Vlaamsche meubels overtreffen in pracht zelfs die van zijn
+koningin te Hampton Court en Westminster. Hier wordt hem binnen enkele
+minuten zulk een uitgezochte maaltijd voorgezet, als waaraan ooit een
+hongerige zeeman zich te goed deed. De tafel is gedekt met sneeuwwit
+linnen en prijkt met massief zilver en het fijnste Venetiaansche
+glaswerk, en de vleeschgerechten bestaan uit oesters uit de Schelde,
+koude patrijzen, een delicieuse salade van versche latuw met een
+bewijsje knoflook; voorts is er een flesch koninklijke Xereswijn.
+
+"Mij dunkt, dat mijn dame groote oogen zal opzetten over mijn costuum
+à la Leicester," denkt Guy, terwijl hij zijn langen mantel afwerpt
+en zich vertoont in de smaakvolle kleeding, waarin hij zich heeft
+gestoken, voordat hij zijn schip verliet. Ofschoon zijn marokijnen
+laarzen een weinig hebben geleden van het zeewater, is de rest van
+zijn costuum vrij wel onbeschadigd gebleven.
+
+Guy Stanhope Chester is dan ook zeer met zichzelven ingenomen, als
+hij gaat zitten en een aanval doet op het maal, dat voor hem staat,
+en den zilveren beker met Xeres telkens aan de lippen brengt, om
+zijn verkleumd lichaam te verwarmen, zwijgend en vlug bediend door
+den lakei. In de hoop, iets naders te vernemen omtrent de dame,
+die hij heeft bevrijd, merkt Chester op: "Een luisterrijk feest,
+dat uw meesteres vanavond geeft!"
+
+"Ja!" antwoordt de bediende, trotsch op de voornaamheid van zijn
+huis. "Om onze gasten te amuseeren, hebben wij rederijkers uit Gent,
+die voordrachten houden en kluchten vertoonen, twee Zigeunermeisjes uit
+Andalusië, onzen eigen hofnar, om ons te laten lachen, en dan nog de
+dochter van den oud-burgemeester, die voor ons zal dansen, gekleed in
+de duurste zijde van haar vader. Ik zal trachten in de zaal te komen,
+om haar te zien pronken; de kleine Vlaamsche heks heeft mooi gevormde
+enkels en de allures van een gravin," grinnikt de jongen.
+
+Hij zegt echter niets van de dame van de barge, en als Chester zijn
+maal heeft geëindigd, wordt de tafel afgenomen door verscheidene
+lakeien in prachtige livrei; het schijnt, dat de familie, in welker
+huis Chester zich bevindt, een vorstelijken staat voert.
+
+"Wel deksels," zegt de jonge man tot zichzelven, terwijl hij de
+lakeien naoogt, als zij het vertrek verlaten, "de gastvrijheid van
+de gravin van Mansfeld is niet te versmaden!"
+
+Maar nu voelt hij weer een koude rilling, ondanks den verwarmenden
+wijn, als hij er aan denkt, dat hij het zout van den Spanjaard eet
+in de Citadel van Antwerpen.
+
+Doch eensklaps heeft hij alle besef van zijn hachelijken toestand
+weer verloren; hij springt overhaast op, zijn oogen nemen eerst een
+uitdrukking van verwondering aan en daarna van verrukking, en zijn
+hand tast in zijn borst, om te voelen, of een zeker iets nog wel goed
+onder zijn satijnen wambuis geborgen is. Want een meisjesgestalte van
+verwonderlijke schoonheid en bevalligheid, met een fluweelachtige huid
+en groote, kwijnende maar toch levendig tintelende oogen, de kenmerken
+van het zuiverste Castiliaansche bloed en de hoogste Castiliaansche
+bevalligheid, staat vóór hem, gekleed in een avondtoilet, met een
+fluweelen sleep en een keurs van glanzige zijde en kant, dat de
+blanke schouders en armen zichtbaar laat, en de welluidende stem,
+die hem op hun tocht over de Schelde reeds zoozeer heeft bekoord,
+zegt met een mengeling van coquetterie en schuchterheid: "Ik dacht,
+dat gij wel het gelaat zoudt wenschen te zien van haar, die gij uit
+de handen der Hollandsche vrijbuiters hebt gered!" Daarna lacht
+zij even en zegt: "Als zij geweten hadden, wie ik was, zouden de
+Vlaamsche oproerlingen mij zeker een hoofd kleiner hebben gemaakt,"
+daarbij een beweging makend langs haar albasten hals, "eer gij mijn
+barge terug hadt kunnen nemen."
+
+"Wie, voor den drommel, kan zij zijn?" vraagt Guy zichzelven, opnieuw
+naar het miniatuur-portret tastend. "Zij is het origineel van het
+portret, maar _wie_--_wie_?"
+
+Doch verbazing en bewondering zijn niet alleen aan zijn kant.
+
+Als hij opstaat, ziet de dame vóór zich een flinke, welgebouwde
+gestalte van zes voet lang, met breede schouders, sterke armen en
+een vlug, lenig lichaam; mannelijke vastberadenheid spreekt uit het
+gelaat, dat gebronsd is door weer en wind, hetgeen bijna een zuidelijke
+tint geeft aan zijn blanke Saksische huid, en waarmede zijn licht
+kastanjebruin haar, zijn blauwe oogen en zijn blonde neerhangende
+knevel een vreemd contrast vormen. Alles te zamen genomen het type
+van een echten man,--in staat om een vrouwelijk hart duizend slagen
+in de minuut te laten doen, iemand, die in staat is om te beminnen
+als een troubadour, en te vechten als een paladijn voor wat hem in
+deze wereld begeerlijk toeschijnt, en die veel kans heeft, dat ook
+te verkrijgen; iemand, die in elk geval het bloed van de dame, die
+vóór hem staat, sneller door de aderen doet vloeien en den glans van
+haar oogen nog verhoogt.
+
+Niet, dat zij nog geen knappe mannen zou hebben gezien, want de
+bloem van de Spaansche ridderschap heeft voor haar gebogen. Maar dit
+vreemde type, deze kloeke Angelsaks, met zijn ijzeren spieren, zijn
+groote trouwe oogen, zijn jongensachtig voorhoofd en echt mannelijk
+gelaat, doen haar hart geheel anders kloppen, dan het ooit voor een
+donkeroogigen Spaanschen grande, een Italiaanschen cavalier met zijn
+zijdeachtigen knevel, een Franschen ridder of een Nederlandschen
+edelman heeft gedaan.
+
+Beiden schijnen te gehoorzamen aan dezelfde opwelling--want
+onwillekeurig zoeken en vinden hun handen elkander.
+
+Maar Chester is al te zeer verbijsterd--hij vergeet de Spaansche
+begroeting, en de dame trekt lachend haar hand terug, terwijl zij
+halfluid vraagt: "_Geen kus_? Gij--gij beleedigt mij!"
+
+"U beleedigen! Is _dat_ een beleediging?" En in het volgend oogenblik
+geeft de dame een kleinen gil van verbazing, misschien wel van schrik,
+want Guy Chester, zich niet bekreunende om de Spaansche wijze van
+begroeting, heeft haar een fermen, welgemeenden Engelschen zoen
+gegeven, zooals de zoon van den squire gewoon was, met Kerstmis op de
+roode lippen van de meisjes te drukken, als zij onder den mistletoe
+stonden.
+
+"Madre de Dios!" roept het meisje uit, met een purperen blos. "Ik
+bedoelde mijn hand. Heilige Maagd! Welk een vergissing! Als de Gravin
+dat eens had gezien,"--daarna moet zij lachen, ondanks zichzelve,
+zij slaat de oogen neer en keert zich om.
+
+Guy trekt hiervan partij,--want zij bezit die eigenaardige schoonheid,
+welke mannen waanzinnig kan maken. Snel heeft hij de zachte, slanke,
+aristocratische vingers in de zijne genomen en de fout, een gevolg
+van zijn Angelsaksische onstuimigheid, hersteld.
+
+Niettemin heeft de kus op die lippen bij hem zijn uitwerking gedaan,
+en eveneens bij de jonge dame, al weet zij het nu zelve nog niet. Zij
+zegt haastig en gejaagd: "Ik heb de gravin van Mansfeld verteld van
+den dienst, dien gij mij hebt bewezen. Zij had u willen verzoeken,
+haar feest met uw tegenwoordigheid te vereeren, maar ik meende,
+dat uw kleeding daarvoor niet geschikt was. Ik zie nu, dat ik mij
+vergiste. Gij hebt groot toilet gemaakt. Wilt gij u nu niet bij de
+gasten voegen?"
+
+"Liever niet," haast Guy zich te antwoorden, want hij begrijpt, dat
+hij onder de menigte gasten niet zooveel kans op een vertrouwelijk
+gesprek zal hebben als nu.
+
+"Ah, gij vreest u te vertoonen, omdat gij u zonder verlof hebt
+verwijderd uit uw garnizoen. Romero's Sicilianen liggen in Middelburg,
+als ik mij niet vergis. Dat verklaart ook uw komst per schip. Maar,"
+vervolgt de dame ernstig, "ik heb daarover nagedacht. Als men er u
+in Antwerpen naar vraagt, zeg dan dat gij door de officieren zijt
+gezonden als hun eletto, om te vragen, wanneer hun achterstallige
+soldij zal worden uitbetaald. Want gij weet, dat sinds de koningin
+van Engeland ons achthonderd duizend kronen ontstal, geen soldaat in
+Brabant, Vlaanderen of Friesland zijn soldij heeft gekregen. Geef
+dit als reden op en het zal waarschijnlijk uitwerken, dat er geen
+verder onderzoek wordt ingesteld, of gij in het bezit zijt van een
+geschreven verlofpas van Romero."
+
+"Drommels," denkt Guy, "zij zou zeker raar opkijken, als zij wist,
+dat ik meer dan iemand anders de hand heb gehad in het stelen van
+die achthonderd duizend kronen." Hij vervolgt echter zeer ernstig,
+want de dame heeft haar verlegenheid blijkbaar overwonnen en haar
+oogen ontmoeten onbeschroomd de zijne: "Hartelijk dank voor uw
+vriendelijken raad, Dona Hermoine. Ik zal er aan denken, als ik door
+den provoost-generaal ondervraagd mocht worden.--Maar," en hier dwingen
+zijn oogen het meisje de hare neer te slaan, "die raadgeving heeft voor
+mij nog veel meer waarde, dan gij u kunt voorstellen--niet alleen toch,
+dat zij mij voor arrest kan bewaren, maar zij is mij tevens een bewijs,
+dat gij nog aan mij gedacht hebt, nadat gij mij reeds verlaten hadt."
+
+"Als dat zoo is, veroorloof mij dan u te toonen, dat ik zelfs nog
+meer aan u dacht, dan gij kondt vermoeden," antwoordt het jonge
+meisje, blozend over de bewonderende blikken waarmee de jonge man haar
+aanziet. "Ik heb ook eenige regelen in uw belang geschreven--hier is de
+brief. Nadat gij u weer bij uw regiment hebt gevoegd, moet ge dien bij
+de eerste geschikte gelegenheid aan het hoofdkwartier overgeven, en ik
+twijfel niet, of hij zal u spoedig een kolonelsplaats verschaffen." Dit
+zeggende, overhandigt zij hem een brief, die hem groote oogen doet
+opzetten, want hij is geadresseerd aan: "Don Fernando Alvarez de
+Toledo, hertog van Alva, onderkoning van Spanje".
+
+"Wie, voor den duivel, kan zij zijn?" denkt Guy, maar hij heeft
+geen tijd, om vragen te doen; de eene verbazing volgt bij hem op de
+andere. Het meisje zegt nu haastig: "De gravin van Mansfeld en haar
+gasten wachten mij. Dit feest is te mijner eere;" dan voegt zij er
+op een bevangen toon, die Guy een vleugje van hoop geeft, aan toe:
+"Als ik langer wegbleef, zou men willen weten, wat er de reden van
+is." En zij raakt een zilveren schel, die op de tafel staat, aan.
+
+En als hij die schel hoort, die voor hem als het ware de doodsklok is
+van zijn kortstondig geluk,--wetende dat het hem het leven kan kosten,
+haar weer te zien, en aangegrepen door dien wilden hartstocht, die een
+man slechts eens in zijn leven overmeestert en die hem doet gevoelen,
+dat de vrouw daar vóór hem van alle wezens op aarde, diegene is, voor
+wie hij, ware het noodig, zou willen sterven, zegt hij gejaagd: "Dan
+rest mij nog slechts den tijd, om u van ganscher harte te danken voor
+de vriendelijkheid, aan een onbekende bewezen; om u te zeggen"--maar
+zijn oogen zeggen veel meer dan zijn lippen en met een verschrikt:
+"Madre mia!" treedt zij haastig achteruit, als hij, door naderende
+voetstappen tot vertwijfeling gebracht, de woorden fluistert: "_Ik
+heb u lief_!"
+
+Waarop zij met moeite uitbrengt: "Neen! Neen! Gij weet niet, wie
+ik ben!"
+
+En hij, een knie voor haar buigend, fluistert: "Al waart gij de
+koningin van Spanje, dan zou ik u nog zeggen, dat ik u bemin!" en
+drukt op haar met juweelen versierde hand den kus van trouw en
+altijddurende toewijding.
+
+Doch de lakei treedt binnen, en zij zegt, hoog en bevelend, alsof zij
+de koningin van Spanje was: "Gelast een vaandrig, kapitein Guido met
+alle verschuldigde eer buiten de Citadel te geleiden."
+
+Haar zijden kleed ruischt en het volgend oogenblik is zij bij de deur
+van de kamer, doch daar keert zij zich nog eens om, alsof zij slechts
+noode heengaat.
+
+En hij, haar naoogend, met zijn geheele hart in zijn oogen, ziet een
+tafereel, dat hij nooit zal vergeten; want het meisje staat daar in
+de bevalligste houding, stralend van jeugd en schoonheid, getooid met
+kanten, zijde en fonkelende juweelen, met ontblooten, sneeuwwitten
+hals en albasten schouders; een van haar Andalusische voetjes, in
+een ragfijn Brusselsch weefsel en een klein fluweelen schoentje,
+komt uitkijken onder haar rok van kant en zijde; met haar eene hand
+houdt zij de draperie boven de deur omhoog, en met de andere wuift
+zij hem een vaarwel toe.
+
+Hij snelt op haar toe en fluistert: "Is het voor eeuwig?"
+
+"Eeuwig? Hoe plechtig!" en zij tracht te lachen. "Neem dit als
+een herinnering!" en van haar vinger een ring trekkende, waarin
+één vlammende robijn is gevat, laat zij dien vallen in zijn hand
+en verdwijnt.
+
+En als hij zich omkeert, ademt hij zwaar en diep, als werd zijn borst
+verruimd door een flikkering van hoop. Want in haar oogen heeft iets
+geblonken, dat antwoord gaf op zijn woorden: "Al waart gij ook de
+koningin van Spanje, toch zou ik u beminnen!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL.
+
+
+Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift,
+komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan
+een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende
+snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform,
+met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman
+zegt op levendigen toon: "Ik ben de officier, die is aangewezen, om
+u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan
+u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon's busschutters."
+
+"En ik," antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande,
+zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, "en ik neem wederkeerig
+de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero's
+musketiers."
+
+"Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg," merkt de vaandrig
+op, als zij samen het huis verlaten. "Gij zijt zeker naar Antwerpen
+gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is een onmogelijk
+doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant
+is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben
+geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden,"
+voegt de knaap er trotsch en blufferig bij.
+
+"Diablo! Gij zijt een vechtersbaas," meesmuilt Guy.
+
+"'t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers
+waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen," antwoordt
+de vaandrig. "Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult
+herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te
+danken aan Alva's veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor
+zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het," zegt
+het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan,
+op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde.
+
+Met zijn oogen de aangewezen richting volgend, kan Chester het voetstuk
+zien van het groote standbeeld, vervaardigd van de te Jemmingen
+buit gemaakte kanonnen, dat de overheerscher en de verdrukker der
+Nederlanden bezig is op te richten tot zijn eigen verheerlijking en
+glorie, zeer tegen den zin van Philips van Spanje, die naijverig is op
+zijn generaals en altijd vreest, dat zij al te beroemd zullen worden.
+
+"Jake Yongling heeft een groot afbeeldsel van den Hertog gemaakt. Het
+is zestien voet hoog en met het voetstuk bijna dertig. Daar is de
+laatste van zijn armen!" vervolgt de jongensachtige krijgsman, een
+oneerbiedigen schop gevend tegen dit onderdeel van de ijzeren beeltenis
+van zijn generaal, dat op den grond ligt. Daarna fluistert hij
+geheimzinnig: "Men zegt, dat het standbeeld een geheim verbergt. Wat
+doet de Hertog met den tienden penning; waar laat hij dat geld?"
+
+Thans komen zij weldra op den grooten militairen straatweg, eindigend
+bij de ophaalbrug over de gracht, die toegang geeft tot de Esplanade
+der stad. Boven de massieve poort is een schild gebeiteld, waarop
+een koninklijk kasteel met drie torens; op elken toren een raaf,
+en elke toren bewaakt door een wolf--het wapen van Alva; daaronder
+de keten van het Gulden Vlies, waaraan, als ter bespotting van dit
+land, dat veroverd is door bloed en vuur, een voorstelling hangt van
+het Lam Gods. Dit alles kan Guy gemakkelijk onderscheiden bij het
+licht der brandende toortsen, waarvan eenige door de wachten worden
+vastgehouden en andere bevestigd zijn in de nissen van den muur.
+
+De militaire voorschriften eischen, dat Guy's geleider rapport doet
+aan den officier van den dag.
+
+Te dien einde treden zij een wachtkamer binnen, helder verlicht
+door een dozijn brandende kaarsen, en terwijl de jonge vaandrig zijn
+rapport doet en de order ontvangt voor het neerlaten van de ophaalbrug,
+kijkt Chester voor tijdverdrijf naar de menigte militaire plakkaten
+aan den vuilen muur; eensklaps valt zijn oog op één er van, dat,
+hoe sterk zijn zenuwen anders ook zijn, hem een rilling aanjaagt,
+want het luidt aldus:
+
+
+
+
+_UITGELOOFD!_
+
+_Drie duizend Carolus-guldens._
+
+
+Nademaal zekere Engelschman, genaamd Guy Stanhope Chester, en nog
+beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als de _Eerste der
+Engelschen_, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres,
+koningin Elizabeth van Engeland, op den 21sten Maart van het jaar
+1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoen
+_Santa Cruz_ en sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van
+deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden
+en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire
+overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene,
+die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope
+Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij
+verklaren. Op last van
+
+
+ALVA, _Onderkoning._
+ JUAN DE VARGAS,
+_President van den Raad van Beroerten_.
+
+
+
+Dit is aangeplakt tusschen verschillende militaire orders, betrekking
+hebbende op de Citadel, en een paar andere bevelschriften tot het
+aanhouden van oproerlingen of het opleggen van belastingen. Na de
+eerste ontsteltenis kan Guy het plakkaat kalm lezen en hij krijgt een
+gevoel van verlichting, als hij bemerkt, dat de beschrijving van zijn
+persoon, die bij de afkondiging is gevoegd, in vele bijzonderheden
+onjuist is.
+
+"Al klaar, kapitein Guido! Ik heb de order gekregen!" zegt de
+jonge vaandrig, hem op den schouder kloppend. Daarna vervolgt hij:
+"Ah! gij waart bezig het plakkaat tegen den 'Eerste der Engelschen'
+te lezen," en onder het heengaan vervolgt hij levendig: "Drie duizend
+Carolus-guldens! Dat zou een aardig extraatje bij mijn soldij zijn! Kon
+ik hem maar te pakken krijgen! Drie duizend gulden! Wij zouden een
+festijn aanrichten, niet waar, senor capitan, betaald met het hoofd
+van den zeeroover!"
+
+Hier wordt de jonge Spanjaard gestuit in zijn ontboezeming,
+want de schildwacht vraagt hem het contrasigne, en als hij dat
+gegeven heeft, gaat hij met zijn metgezel door de poort, nadat
+de ophaalbrug is neergelaten. Daarmee is niet veel tijd gemoeid,
+want een sterk detachement van het garnizoen is onder de wapenen,
+en een gedeelte der troepen is juist uitgerukt om de wachtposten in
+de stad te versterken en zooveel mogelijk hulp te verleenen bij het
+beschermen der eigendommen van het gouvernement, die op de werven en
+de kaden van Antwerpen in gevaar verkeeren door het getij, dat nog
+onophoudelijk wast; de stad is dan ook nog verlicht en de alarmklokken
+luiden voortdurend.
+
+"Hier moet ik u verlaten," zegt De Busaco, nadat zij de ophaalbrug
+zijn overgegaan en de laatste schildwachten gepasseerd zijn. "In welke
+herberg wilt gij uw intrek nemen? In _De Roode Leeuw_? Die heeft,
+dunkt mij, den besten wijn."
+
+"Neen," antwoordt Guy, want hij heeft hier reeds over nagedacht;
+"ik ga naar _Het Geschilderde Huis_. Het is daar rustiger."
+
+"Zoo?" lacht de jonge man. "Dus gij weet niet, wat daar morgen zal
+gebeuren? Par Dios! de helft van de burgers van Antwerpen zullen daar
+komen, om het te zien, en ook tal van officieren van het garnizoen. Gij
+hebt het nieuws niet gehoord? De groote schilder, de Raphael der
+Nederlanden, Frans Floris, heeft de uitdaging aangenomen van 'de Zes
+Drinkebroers van Brussel', om ze allen op één avond onder de tafel
+te drinken. Sapristi! naar wat men van hem vertelt, geloof ik zeker,
+dat hij het ook zal doen. Ik ben van plan er ook naar te gaan kijken;
+ik hoop u daar te ontmoeten!"
+
+"Zeer goed, kom vooral en drink een roemer wijn met mij!" zegt Chester,
+die meent, dat gezien te worden met een Spaanschen officier een soort
+van paspoort voor hem zal zijn, in een stad, waar men een prijs op
+zijn hoofd heeft gezet. Hierop zegt de jonge De Busaco,--want de twee
+hebben onder weg heel joviaal samen gebabbeld en zijn reeds goede
+kameraden geworden: "Uw weg ligt recht vóór u, de Esplanade dwars
+over naar de Bagijnenstraat," en hij keert met een vriendelijken
+groet naar de Citadel terug.
+
+Een oogenblik denkt de Engelschman er aan, hem terug te roepen,
+om hem een vraag te doen, die hem voortdurend op de lippen heeft
+gezweefd, sinds hij haar heeft verlaten. Maar hij komt daarvan
+terug. "Neen--om aan een officier, dien zij mij als geleide heeft
+meegegeven, den naam en stand te vragen van mijn--mijn beminde--" hij
+herhaalt welbehaaglijk dat woord eenige keeren in zijn geest--"zou
+te gevaarlijk zijn. Ik allereerst diende de dame te kennen, die ik
+naar Antwerpen heb gebracht."
+
+Hij steekt dus de Esplanade over, die vrij is gehouden van boomen
+en van alles wat verder een belemmering kon zijn voor het vuur van
+de Spaansche Citadel, die deze Vlaamsche stad beheerscht. En nog
+altijd geheel vervuld met de gedachte aan zijn schoone, mompelt hij:
+"Die schilder zal mij kunnen zeggen, wie zij is, hij weet het,"
+en hij versnelt zijn pas.
+
+Een oogenblik later bevindt de Engelschman zich aan den ingang van
+de Bagijnenstraat, die tot in het hart der stad voert. Hij klapt
+eenige malen in zijn handen en roept: "Heidaar, jongen! Hier met de
+toorts. Licht mij voor!" wat weldra een dreumes van een straatjongen
+tot hem brengt, die een brandende fakkel draagt.
+
+"Waarheen, Uwe Edelheid?" vraagt de jongen, want Guy's manieren en
+uiterlijk zijn die van een man van geboorte.
+
+"Naar de Wolstraat! Het huis van Jacques Touraine."
+
+"O! De wondheeler en barbier," antwoordt de jongen. "Ik ken zijn
+uithangbord."
+
+Zij loopen nu--de jongen vóór den Engelschman uitdravende, die
+vlug voortstapt--de Bagijnenstraat door, waar thans wegens den storm
+lantarens branden, die aan de gevels der huizen hangen, en gaan voorbij
+de grootsche kerk van Onze Lieve Vrouwe van Antwerpen, nu bekend als de
+kathedraal Notre Dame, welker klokkenspel ieder kwartier zijn zilveren
+geluid doet hooren. Vervolgens duiken zij weg in den doolhof van nauwe
+straten, vol middeneeuwsch vuil, dat haar zelfs nu nog verontreinigt,
+om het noordelijk einde van de stad te bereiken.
+
+Na zich eenige minuten met moeite een weg te hebben gebaand door deze
+nauwe stegen, houden zij stil bij een groot uithangbord, geschilderd
+met roode, blauwe en witte strepen, dat als onderscheidingsteeken
+dient van het huis van monsieur Jacques Touraine, den kleinen Franschen
+wondheeler, artsenijmenger, chirurgijn en barbier.
+
+Hoe laat het ook reeds is, toch behoeven zij hem niet op te kloppen
+en te wekken, want deze heer staat voor zijn deur, op zijn Fransche
+manier levendig sprekend met eenigen zijner buren. Hij houdt een
+klein kind van ongeveer zeven jaar bij de hand en zegt zenuwachtig:
+"Mon Dieu! Als de vloed eens tot hier kwam!"
+
+"Drommels!" antwoordt een van de anderen, "de duivel zelf zou den vloed
+dezen heuvel niet op kunnen stuwen! Het teeken van den grooten vloed
+van 1300 is nog vijftig voet beneden ons." Hij lacht verachtelijk en
+spot: "Wat zijt gij Franschen toch bang voor water!"
+
+De mannen in hun gesprek storend, wenkt Guy den barbier tot zich en
+vraagt hem: "Is de schilder, die bij u woont, Antony Oliver, thuis?"
+
+Het antwoord is ontmoedigend: "Neen, hij is in Brussel."
+
+"Zoo!" bromt Guy half binnensmonds, blijkbaar zeer teleurgesteld,
+want enkel om dezen Oliver te spreken, heeft hij zooveel gevaren
+getrotseerd, en hij durft niet lang in Antwerpen blijven. Dan vraagt
+hij eenigszins angstig: "Weet gij, wanneer hij denkt terug te komen?"
+
+"Morgen. Hij komt met zijn heer, den hertog van Alva. Hij is heraut
+en onder-secretaris van den Onderkoning."
+
+"Ja!" roept het kereltje uit, "ik ben er zoo blij om; als monsieur
+Oliver komt, krijgen wij altijd duivenpastei. Ik houd zooveel van
+duivenpastei--gij ook?"
+
+"Nu, of ik!" lacht Guy, gerustgesteld door het bericht, dat de schilder
+spoedig terug wordt verwacht.
+
+"Dan hoop ik, dat gij monsieur Oliver niet zult vragen om mijn
+portie van de duivenpastei," snapt het kind voort; "maar misschien
+krijgen wij er in het geheel geen--een man heeft vandaag zooveel
+duiven weggehaald."
+
+"Daar is een stuiver voor je, om duivenpastei voor te koopen, mijn
+kleine baas," lacht Chester, terwijl hij het kind een geldstukje
+geeft. Vervolgens wendt hij zich tot den vader en vraagt: "Zijt gij
+zeker van hetgeen gij mij gezegd hebt?"
+
+"Ik geloof het wel. Maar gij kunt het nog nader onderzoeken bij zijn
+beste vrienden, de familie Bodé Volckers. Daar is het zeker bekend. Het
+is een hupsche man, die Oliver, en een groot schilder--tenminste,
+hij houdt zichzelf voor een groot schilder. Hij heeft mijn zoon
+Achille als leerling--mijn jongste is de kleine Marvédie, die zoo
+verzot is op duivenpastei," babbelt de Franschman, die blijkbaar van
+zijn angst voor den vloed is bevrijd en wiens hart Guy heeft gestolen
+door zijn gift aan het kind. Dan vraagt hij eensklaps: "Heb ik u niet
+reeds eerder gezien? Mij dunkt, gij hebt monsieur Antony zes maanden
+geleden ook reeds bezocht."
+
+"Ja," antwoordt de Engelschman kortaf, en om verdere vragen te
+voorkomen: "Kunt gij mij zeggen, waar de familie Bodé Volckers woont?"
+
+"Och, iedereen weet dat; hij is onze oud-burgemeester, de vorst-koopman
+van Antwerpen, Niklaas Bodé Volckers, die op de Place de Meir woont."
+
+"O, de Place de Meir, dank u, senor," antwoordt Guy, en den
+toortsjongen terugroepend, zegt hij: "Bodé Volckers!"
+
+"Dat is twee stuivers meer," zegt de knaap; iemand, denkt hij, die
+een burgemeester gaat opzoeken, kaa ook wel twee stuivers meer geven.
+
+"Vier, als gij er mij spoedig brengt."
+
+"_Vier_? Pots dit en dat! gij moet een graaf zijn," roept het kind
+in verrukking uit, en opnieuw voor Guy uitdravende, geleidt hij hem,
+weer langs de kathedraal, naar de prachtige woning, waar de oude Bodé
+Volckers, de vorst-koopman uit die dagen, wiens koopvaardijschepen
+naar de Indiën, de Oostzee en de Middellandsche zee zeilen, woont, in
+groote praal en pracht, maar ondanks dat alles slechts een koopman,
+handelaar en burger blijft; in de oogen der trotsche edellieden van
+dien tijd niets meer beteekenende dan het stof der aarde--tenzij
+zij zijn geld wenschen te leenen. Maar zooals het altijd gaat, groot
+financieel succes roept maatschappelijke eerzucht wakker. De familie
+van Niklaas Bodé Volckers klopt nu aan de deuren van de aristocratie.
+
+Dit wordt Guy ook gewaar, als hij de woning van den koopman heeft
+bereikt.
+
+Het huis is imposant gebouwd, van gehouwen steen, met een ruim
+binnenplein; de hoofdingang is zoo breed en hoog, dat een rijtuig er
+met gemak door kan; het huis is overal verlicht, het eene gedeelte
+echter nog helderder dan het andere. Daar bevindt zich blijkbaar de
+kantoor- en monsterkamer van den heer Niklaas Bodé Volckers. Door
+de openstaande deuren gaan eenige klerken en lastdragers in en uit,
+en groote goederenwagens komen aanrijden, beladen met zijden en
+satijnen stoffen, die van de overstroomde kaden in veiligheid worden
+gebracht. Iedereen schijnt druk in de weer te zijn.
+
+"Ik moet mijnheer Bodé Volckers een oogenblik spreken," zegt Guy tot
+een hem voorbij spoedenden bediende.
+
+"Moet gij mijnheer Bodé Volckers van nacht spreken?" herhaalt de knaap
+ten hoogste verbaasd; "nu, terwijl zijn pakhuizen zijn ondergeloopen?"
+
+"Ik moet hem spreken. Hoort gij mij, knaap? Vlug wat!" roept Chester
+ongeduldig, want daar hij edelman is, is hij gewoon om kooplieden,
+burgers, handelaars, enzoovoort te bevelen.
+
+"Dat is onmogelijk, tenzij gij naar de kaden gaat," antwoordt de
+leerling. "Mijnheer Bodé Volckers houdt daar het toezicht op het
+vervoer van de goederen, die gevaar loopen te bederven in zijn groot
+pakhuis op de Engelsche kade."
+
+Teleurgesteld maakt onze held rechtsomkeert en begeeft zich naar den
+hoofdingang van het huis, waar hij een woordenrijk dienstmeisje vindt,
+in gesprek met een man, die naar alle waarschijnlijkheid de koetsier is
+van de familie, want de paarden en de equipage staan vóór het huis te
+wachten. Zij schijnen het te hebben over de overstrooming in de stad,
+daar het meisje zichzelve telkens in de rede valt met opgewonden uit
+te roepen: "Die arme menschen!" en: "Goede hemel!"
+
+Daar de vensters in den voorgevel van het huis eveneens verlicht
+zijn, wendt Guy zich aanstonds tot het meisje, zeggende: "Zou ik
+ook even iemand van de familie van den heer Niklaas Bodé Volckers
+kunnen spreken?"
+
+"Ik weet het niet," is het antwoord. "Als mijnheer maar binnen wil
+gaan, dan zal ik het vragen."
+
+Zij maakt tegelijk een eerbiedige dienaresse, want Guy stopt haar
+een zilverstuk in de hand. Zijn optreden is gebiedend, zijn voorkomen
+aristocratisch, zijn hand mild, en het meisje is dus gaarne bereid,
+hem van dienst te zijn; zij leidt hem naar een groot, gewelfd vertrek,
+bekleed met Spaansch leder, welks stoffeering van weelde getuigt,
+ja zelfs van pracht; de vloer is met kleeden en tapijten belegd en
+sommige stukken van het ameublement zijn ingevoerd uit Italië, Spanje
+en zelfs uit Turkije, en men heeft er zelfs kleedjes, vervaardigd op
+de weefgetouwen van Ispahan en Bokhara. Het vertrek is verlicht door
+een mooie kroon vol brandende waskaarsen. Uit deze kamer leidt een
+gesneden eikenhouten trap naar de bovenvertrekken van het huis.
+
+"Wiarda Schwartz!" roept het meisje, in haar handen
+klappend. "Wiarda!" Daar zij geen antwoord krijgt, zegt zij: "Ik ben
+dadelijk terug," en de trap vlug oploopend, komt zij een oogenblik
+later weer naar beneden, gevolgd door een aardig, donkeroogig
+kameniertje, wier kleeding verraadt, dat zij de lieveling van haar
+meesteres is, en wier korte gesteven rokjes en hooge Friesche muts
+haar doen kennen als een behaagziek ding.
+
+In antwoord op haar min of meer nonchalante neiging, zegt Chester:
+"Ik ben kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk. Kan ik vrouw Bodé
+Volckers een oogenblik spreken?"
+
+"Niet, tenzij gij naar de andere wereld gaat," antwoordt het dametje
+vrijpostig. "Vrouw Bodé Volckers is al drie jaren dood."
+
+"Dan zou ik nog verder moeten loopen dan naar de pakhuizen van haar
+weduwnaar," herneemt Guy glimlachend. Daarna vraagt hij: "Kan ik dan
+de meesteres van het huis spreken?"
+
+"O, gij bedoelt freule Wilhelmina Bodé Volckers," zegt het meisje,
+en een hooge borst zettend, voegt zij er bij: "Freule Wilhelmina Bodé
+Volckers is heden op het feest van de gravin van Mansfeld."
+
+Chester herinnert zich, hoe minachtend de lakei van de gravin
+van Mansfeld zich heeft uitgelaten over de dochter van den
+oud-burgemeester, die tot vermaak van het gezelschap danst in de
+kostbaarste zijden stoffen van haar vader, en het kost hem moeite, een
+glimlach te onderdrukken. Daar hij er echter te veel belang bij heeft,
+om de gewenschte inlichting te krijgen, herneemt hij: "Misschien kunt
+gij dan deze vraag beantwoorden: weet gij ook wanneer Antony Oliver,
+de heraut van den hertog van Alva, uit Brussel terugkomt?"
+
+Maar dit doet kapitein Guido Amati in de achting van juffer Wiarda
+Schwartz aanmerkelijk dalen. Zij zegt met onbeschaamde gemeenzaamheid:
+"Ik? Wel neen! Die kladschilder, die bedelaar! Ik weet niets van
+hem. Ik dacht, dat mijnheer de kapitein zijn kennissen had onder
+den adel!"
+
+Nu Guy het huis even wijs verlaat, als hij het is binnengegaan, ziet
+hij nog, dat juffer Schwartz haar neusje in de lucht steekt en met
+haar klein voetje, met een roode kous en een nuffig schoentje bekleed,
+spottend op den grond stampt.
+
+"Er schiet mij niets over, dan kalm af te wachten en tot morgen te
+slapen. Ik heb daar ook wel behoefte aan," overlegt de Engelschman bij
+zichzelven. "God alleen weet, wat de dag van morgen mij zal brengen."
+
+Hij roept opnieuw den toortsjongen, die blijkbaar opzettelijk in de
+buurt is gebleven, in de hoop, dat Guy's bezoek aan de familie Bodé
+Volckers van korten duur zal zijn, en gelast dezen, hem te brengen
+naar de herberg _Het Geschilderde Huis_, die beroemd is om haar wijn
+en bier en aan de Schoenmarkt ligt, tegenover de Place de Meir. Zij
+is slechts een paar stappen van de woning van den koopman verwijderd,
+en niet moeilijk te vinden, zooals Guy opmerkt, als hij haar nadert,
+daar zij haar naam draagt naar de hooge, geschilderde gevels.
+
+In de benedenvertrekken brandt overal licht; onder den luifel,
+versierd met dennetakken en verlicht door heen en weer schommelende
+lampen, staan tafels en stoelen, waaraan verscheidene gegoede burgers
+hebben plaats genomen, eenige Spaansche officieren en een half dozijn
+reizigers. Hoe laat het ook reeds moge zijn, toch dringt het geluid
+van een drinkgelag nog uit het groote binnenvertrek naar buiten.
+
+Hij wordt aan de deur verwelkomd door den waard, den onderdanig
+buigenden Herman van Oncle, die bezig is een fortuin te verdienen met
+zijn beroemde soupers en bruiloftpartijen, want dit is in de stad
+het huis voor feestelijkheden bij uitnemendheid. _De Roode Leeuw_
+mag aristocratischer zijn, wat den wijn en het bier betreft, in het
+regelen van schitterende trouwpartijen, die drie dagen duren, staat
+_Het Geschilderde Huis_ in Antwerpen verreweg het gunstigst bekend.
+
+"Welkom in _Het Geschilderde Huis_!" roept de spraakzame herbergier
+uit. "Welkom, senor--kolonel!"
+
+"Neen, kapitein," zegt Guy.
+
+"Welkom is hier iedereen, die in dienst van den Staat is, civiel
+of militair."
+
+"Ik zou gaarne een kamer met een bed willen hebben."
+
+"Onmogelijk!"
+
+"Onmogelijk?!"
+
+"Ja; alles is bezet."
+
+"Gij moet mij toch een hokje geven."
+
+"Nu, als gij daar genoegen mee wilt nemen, dan een hokje boven
+den stal. Mijn huis is geheel vol--gij hebt het nieuws toch zeker
+gehoord? Morgen heeft hier het groote drinkgelag plaats tusschen
+onzen beroemden artist Frans Floris, en 'de Zes Drinkebroers van
+Brussel'. Men is van alle naburige plaatsen toegestroomd om het te
+zien. Er is zelfs een deputatie uit Brussel aangekomen. Men spreekt
+er van, dat de Hertog in eigen persoon morgen wil komen. Misschien
+wil hij mij de eer bewijzen--misschien is hij van plan te komen, om
+het grootste drinkgelag bij te wonen, dat ooit heeft plaats gehad in
+Vlaanderen, Brabant of Holland! Ik zal niet minder dan twintig vaten
+Rijnwijn moeten aansteken."
+
+"Twintig vaten voor zes drinkebroers?" lacht Chester.
+
+"Wel neen--maar de gansche stad zal hier komen, de gansche stad zal
+ook dronken zijn!"
+
+"Ik wenschte, dat de stad wat kalmer was," zegt Guy, die vreest,
+dat hij niet veel zal slapen, te oordeelen naar het feestrumoer,
+dat tot hem komt uit het binnenvertrek.
+
+"St!" fluistert de kastelein zenuwachtig, als zij binnentreden. "Stoor
+hen niet. Het zijn," en hierbij spalkt hij vol bewondering zijn oogen
+open, "het zijn 'de Zes Drinkebroers van Brussel', die hun avondeten
+gebruiken!"
+
+"Het schijnt, dat 'de Zes Drinkebroers van Brussel'," zegt Guy, op
+wien die klinkende titel geen indruk maakt, "zich weinig sparen voor
+morgen. Zij zijn nu al aardig aan den gang."
+
+"Ja, dat is juist het mooie van de zaak," zegt de waard, zich in
+de handen wrijvend. "Daarom worden zij juist drinkebroers genoemd;
+niemand en niets is in staat, hen ooit dronken te maken. Zij hebben
+ieder reeds acht pinten wijn gedronken en beginnen nog pas. Zij hebben
+een duivenpastei voor zich staan. Ik heb die eigenhandig gemaakt
+van vogels, mij door senor Vasco de Guerra zelf verschaft. Hij is de
+opperste van de zes drinkebroers, ofschoon de weddenschappen nog altijd
+twee tegen één staan ten gunste van onzen Nederlandschen schilder, den
+grootsten kunstenaar van onzen tijd--den Raphael van deze lage landen,
+onze eer, onzen roem, onzen schuldenaar (want hij staat bij mij voor
+vier duizend Carolus guldens in het krijt), maar toch de trots van
+Antwerpen! Wilt gij niet het een en ander gebruiken, senor capitan,
+eer gij uw slaapplaats boven den stal opzoekt?"
+
+"Ja, een halve pint wijn zal voor mij wel genoeg zijn," zegt
+Guy. "Maar, gij zijt immers beroemd om uw bier--laat mij daarvan dus
+liever een kan nemen," gaat hij voort, als een echt Engelschman zijn
+nationaal brouwsel getrouw blijvend.
+
+"Het beste in geheel Vlaanderen. En dan hebben wij ook nog mout
+uit Londen."
+
+"Juist, dát is het ware!" roept Guy uit, zijn rol van Spanjaard
+vergetend. "Breng mij Engelsche mout!" En dan, zijn onvoorzichtigheid
+bemerkend, voegt hij er aan toe: "Ik heb den geheelen dag reeds
+Rijnwijn gedronken."
+
+Als de waard vertrokken is, trekt hij, in afwachting van zijn maaltijd,
+figuren met zijn voet in het witte zand, waarmee de vloer is bestrooid
+en leest onder andere aanplakbiljetten aan de muren van de gelagkamer,
+de aankondiging van het groote drinkgelag tusschen Frans de Vriendt,
+bijgenaamd Floris, en de zes grootste drinkebroers van Brussel. En
+naast die aankondiging hangt Alva's edelmoedig aanbod van drie duizend
+Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman.
+
+Weldra brengt men hem het verlangde, en hij neemt plaats aan een
+tafeltje naast dat van de zes kampioenen van Brussel. Onwillekeurig
+begint hij belang in hen te stellen, want het zijn zes van de
+merkwaardigste typen, die hij ooit heeft gezien.
+
+Hun namen vangt hij successievelijk op uit hun gesprek.
+
+Vasco de Guerra, blijkbaar de aanvoerder van de club, Tomasito, een
+vaandrig van De Billy's Walen, die door de anderen den eenoogige wordt
+genoemd, omdat hij een oog heeft verloren bij Aremberg's nederlaag,
+en Pablo Mendez, zijn alle drie Spaansche officieren, die zich, zooals
+men uit hun gesprekken kan opmaken, houden voor edellieden van rang en
+aanzien. De overige drie kampioenen treden meer bescheiden op, behalve
+in het drinken; daarin doen zij niet voor de anderen onder. Twee van
+hen worden aangesproken als Alphanse de la Noel en Conrad de Rijk,
+beiden Nederlanders, de een uit Brabant, de andere uit Holland; de
+laatste van het zestal is een gluiperige kleine Italiaan, Guisseppi
+Pisa geheeten, een koopman in parfumerieën en andere toiletartikelen,
+uit de hoofdstad.
+
+Daar Guy onder het nuttigen van zijn maal en het drinken van zijn bier
+niets beters heeft te doen, luistert hij verstrooid en slaperig,--want
+hij is doodmoe geworden van zijn nachtelijken tocht,--naar hun
+gesprekken.
+
+"Par Dios!" zoo laat Vasco de Guerra zich hooren,--een groote man
+met ronde, vischachtige oogen en een langen knevel, met een enkele
+grijze vlok er in, die men algemeen beschouwt als een gevolg van zijn
+groote losbandigheid,--"ik verneem, dat onze tegenstander Floris een
+caricatuur van ons heeft geteekend."
+
+"Diablo! Is het beleedigend?" roept Tomasito, de eenoogige, een kleine
+Spanjaard met een duivelachtigen aard, berucht zoowel om zijn wreedheid
+op het slagveld als om zijn uitspattingen in de feestzaal.
+
+"Neen," zegt Mendez lachend, "hij heeft ons alleen maar _onder de
+tafel_ geschilderd."
+
+"Sapristi!" grijnst de Italiaan Pisa. "Hij mag ons voor mijn part
+onder de tafel _schilderen_, maar hij kan ons toch niet onder de tafel
+_drinken_!" Daarna roept hij: "Hei, jongen! Een nieuwe kan zwaren
+Rijnwijn. Ik moet mij oefenen voor morgen. Mariëtta komt van Brussel
+over om eer te bewijzen aan mijn drinktalent." Dit gaat vergezeld
+van een blik van verstandhouding op zijn kameraden, die uitroepen:
+"Bravo! de gezondheid van Mariëtta, het zoetste lief uit Brussel!"
+
+Terwijl er nieuwe Rijnwijn wordt gebracht, roept Mendez uit:
+"Caramba! er zijn geen duiven meer in de pastei," en trekt zijn mes
+terug, waarmee hij de voor hem staande pastei heeft onderzocht, zijn
+vingers, bij gebrek aan een servet, aflikkende. "Gij hebt ons maar
+zes duiven gegeven, kapitein Vasco."
+
+"Het was alles, wat ik onder schot kon krijgen!" antwoordt De Guerra.
+
+"Gij zoudt duiven geschoten hebben?" spot De Rijk.
+
+"Zeker!--vandaag--hier!"
+
+"Bah! Uw hand beeft, Vasco, alsof gij de vijfhonderd gulden neerteldet,
+die wij tegen den schilder verwed hebben!" sart De la Noel.
+
+"Toch heb ik ze geschoten," antwoordt Vasco, terwijl er een vreemde
+uitdrukking in zijn vischachtige oogen komt, "en ik doodde niet
+_alleen_ de zes duiven, maar ik zal ook--een ander dooden. Wij zullen
+een banket hebben, als ik de belooning krijg voor zijn hoofd!" Hij
+grijnst bij deze woorden, zoodat men zijn tanden kan zien.
+
+"Zijn _hoofd_?" roept er een.
+
+"De belooning van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van
+den Engelschman?" schreeuwt een ander, naar het plakkaat wijzende,
+wat Guy onwillekeurig naar zijn zwaard doet grijpen.
+
+"Bah!" lacht Vasco. "Denkt gij, dat ik mij op het zilte nat waag,
+om zeeziek te worden en mij door dien Engelschman den hals te laten
+afsnijden? Neen, ik kan mijn geld gemakkelijker verdienen; als ik
+mijn zevende duif schiet, zullen wij meer duivenpastei hebben en een
+feestgelag, dat ons niets kost."
+
+Deze geheimzinnige belofte wordt begroet door een luid gelach en een
+gerinkinkel van bekers en kannen. "De Zes Drinkebroers van Brussel"
+houden al evenveel van duivenpastei als het zoontje van den barbier
+Jacques Touraine.
+
+Doch nu wordt Guy's aandacht afgeleid van het drinkend zestal naast
+hem. De waard komt namelijk nederig buigend naar hem toe en zegt:
+
+"Senor capitan, uw bed is klaar, de lakens zijn schoon, niemand heeft
+er de laatste drie dagen in geslapen."
+
+Chester volgt Van Oncle, die een waskaars draagt, naar een klein
+vertrek boven den stal, dat tenminste goed gelucht is, daar het
+verscheidene open vensters heeft, die niemand de moeite heeft genomen
+te sluiten.
+
+Een oogenblik later is hij feitelijk alleen--de eenige van zijn buren
+in de belendende kamertjes, die reeds thuis is, slaapt zijn roes uit,
+en de anderen moeten nog komen. Hij bergt zijn dingen van waarde op een
+veilige plaats en verbergt het zorgvuldigst, wat hij het kostbaarst
+acht--het miniatuur-portret van de dame, wier naam hij niet weet;
+maar wat hij wél weet is, dat hij haar met hart en ziel bemint;
+vervolgens onderzoekt hij zijn wapenen en gaat naar bed, vervuld met
+de gedachte aan zijn onbekende schoone, die hij eens heeft gekust,
+maar die hij heeft gezworen, weer te zullen kussen; daarna slaapt hij
+kalm in, in de stad zijner vijanden, onder de vlag van Spanje en Alva,
+terwijl in de kamer beneden, in de straten rondom hem en op de muren
+van elk wachthuis in Brabant en Vlaanderen biljetten zijn aangeplakt,
+waarbij drie duizend Carolus-guldens worden uitgeloofd voor het hoofd
+van den "Eerste der Engelschen".
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD.
+
+
+De zon staat reeds hoog aan den hemel, als Guy de oogen opent. De
+storm van den vorigen avond is bedaard, en de zon schijnt vroolijk,
+als om den spot te drijven met de arme boeren en landlieden in de
+naburige polders, die nog altijd in wanhoop verkeeren over hun vee,
+dat verdrinkt, en over het water, dat nog altijd niet valt. Chester
+kan, onder het kleeden, zich eenigszins een denkbeeld maken van de
+aangerichte verwoesting; want zijn kamer ziet uit op de rivier, en
+daarin drijven nog steeds doode schapen, koeien en varkens, en zelfs
+lijken van menschen.
+
+Doch in de stad schijnt men zich daar weinig om te bekommeren. De storm
+heeft uitgewoed en nu maken de schepen zich gereed, om de Schelde af
+te zakken naar de Indiën en de Middellandsche zee; de kooplieden hebben
+hun waren in veiligheid gebracht; de handel van die dagen, zoo min als
+die van heden, laat zich door den strijd van het menschdom ophouden.
+
+Het geraas en rumoer dringt door tot in Guy's kamertje van de
+Schoenmarkt en Eierstraten. Al de gilden van Antwerpen zijn heden
+druk in de weer en zien er tevreden uit, behalve dat van de slagers;
+dezen toch hebben menigen vetten os verloren, die graasde op de
+uitgestrekte weiden aan den Kowensteinschen dijk.
+
+Daar het niet vroeg meer is, zijn de gasten, die de belendende
+kamertjes in gebruik hadden, reeds vertrokken. Guy, die, op
+zeemanswijze, halfgekleed te bed is gegaan, kan zich dus ongestoord
+verder aankleeden; alleen naast hem snorkt nog een dronkaard zijn
+roes uit.
+
+Vervolgens begeeft hij zich naar het waschhuis van het logement in
+de benedenverdieping, waar hij kort proces maakt en voor een stuiver
+een ongebruikten handdoek machtig wordt.
+
+Als hij zich heeft gewasschen, gaat Chester uit; hij voelt zich luchtig
+en opgewekt, niettegenstaande hem opnieuw het plakkaat onder de oogen
+komt, waarin men een prijs voor zijn hoofd uitlooft, en vervolgt
+haastig zijn weg door de vuile stegen van het lage gedeelte der
+stad naar de Wolstraat. Daar hij zich bij de familie Bodé Volckers
+tevergeefs om inlichtingen heeft aangemeld, en hij onderstelt,
+dat een herhaald bezoek hem niets verder zal brengen, besluit hij
+nogmaals naar den Franschen barbier te gaan, om te beproeven, of hij
+van dezen iets naders omtrent zijn huurder kan te weten komen. Want
+het is zaak, spoed te maken, daar een langer verblijf in de klauwen
+van zijn vijanden hem noodlottig kan worden; hij loopt toch ieder
+oogenblik gevaar, herkend te worden, want er houden zich altijd vele
+Vlaamsche handelaars uit Zeeland en Holland in de groote koopstad
+op, van wie eenigen den "Eerste der Engelschen" misschien van aanzien
+kennen en sommigen zeker niet te goed zouden zijn, om voor drie duizend
+Carolus-guldens alles ter wereld te verkoopen, zichzelven inbegrepen.
+
+Als hij het huis van Jacques Touraine bereikt, wacht hem daar een
+aangename verrassing. De woordenrijke kleine Franschman komt hem reeds
+tegemoet en roept uit: "Hij verlangt al naar u, ik heb hem verteld,
+dat gij naar hem hebt gevraagd!"
+
+"Hij--wie?" vraagt Guy.
+
+"Wel, de schilder Antony Oliver. Hij is van morgen uit Brussel
+gekomen. Hij verlangt even sterk naar u, als gij naar hem."
+
+Maar de laatste woorden gaan verloren voor den Engelschman, die de
+twee steile trappen opsnelt naar het bovengedeelte van het huis,
+waar zich onder de dakpannen, tusschen de zwaluwnesten, de woonkamer,
+die tevens dienst doet als atelier, bevindt van Antonius Oliver, in
+de wandeling Antony genoemd, vervaardiger van geographische kaarten,
+heraut en bij wijlen tweeden secretaris van Alva, onderkoning der
+Nederlanden. Het inkomen van Antony is niet groot, zijn betrekking, al
+is het een post van vertrouwen, niet zeer hoog, ofschoon hij daardoor
+dikwijls in directe aanraking komt met den grooten Hertog. Want Oliver
+heeft er met al zijn vermogen naar gestreefd, het vertrouwen van zijn
+meester te winnen.
+
+Hij is geboortig uit Bergen, dicht bij de Fransche grenzen, en heeft
+gedeeltelijk Fransch, gedeeltelijk Vlaamsch bloed in de aderen. Op het
+oogenblik is hij bezig het stof der reis van zijn gezicht te wasschen;
+Chester vindt hem zonder zijn wambuis en met een handdoek in de hand,
+als hij, na te hebben aangeklopt, binnentreedt.
+
+"Ah!" roept hij, met een glimlach van vreugde op het gelaat, "ik ben
+blij u te zien, mijn vriend, mijn Guido."
+
+"En ik niet minder, dat ik u thuis vind, Antony, mijn jongen,"
+antwoordt Guy, hartelijk zijn hand uitstekend. Want enkele weken van
+samen doorgestaan gevaar hebben tusschen deze twee mannen een hechten
+vriendschapsband geknoopt.
+
+"Ik ben blij u te zien," vervolgt de Vlaming, "en toch ook weer
+niet." Dan fluistert hij: "Gij weet van den prijs op uw hoofd?"
+
+"Ja, ik heb het gezien," antwoordt Guy kortweg.
+
+"O, misschien in uw herberg?"
+
+"Neen, in de wachtkamer van de Citadel."
+
+"Mon Dieu! Zijt gij dan gearresteerd en ondervraagd?" brengt de
+schilder angstig uit.
+
+"Neen, ik kwam er als cavalier van een hooggeplaatste dame!" lacht
+de Engelsche zeeman. "Daarvoor ben ik bevorderd tot kolonel bij
+Romero's musketiers!"
+
+"Onmogelijk! Vertel mij uw avontuur!"
+
+"Natuurlijk," zegt Guy, "hangt het samen met de zaak, die mij in
+Antwerpen brengt."
+
+"Ja," antwoordt de ander nadenkend, "die zaak moet wel hoogst
+belangrijk zijn, dat gij u weer zoo waagt."
+
+"Het is als altijd voor mijn Koningin!" fluistert Guy; "is er niemand
+in de buurt?"
+
+"Neen, ik heb mijn leerling, Achille, uitgezonden met een verre
+boodschap, daar ik u verwachtte en u alleen wenschte te spreken."
+
+"Welke verre boodschap?"
+
+"Ik zond hem uit om wijn, brood, kaas en vleesch _op crediet_ te
+koopen. Achille is een wakkere jongen, en als ik hem het geld had
+meegegeven, zou hij in een half uur terug zijn." Vervolgens de deur
+grendelend en er een zwaar gordijn vóór schuivende, zegt Oliver:
+"Vertel mij nu alles."
+
+"Kunt gij deze brieven ontcijferen, waaraan, naar ik vermoed, het
+welzijn, ja zelfs het leven van mijn Koningin hangt?" fluistert de
+Engelschman. En terwijl hij het pakje voor den dag haalt, dat hij den
+vorigen avond aan het lijk van den verdronken Italiaan heeft ontnomen,
+vertelt Guy den schilder zijn zonderling wedervaren. Zijn verhaal wordt
+afgebroken door uitroepen van verwondering en levendige belangstelling,
+zelfs nu en dan door een luid gelach van zijn Vlaamschen toehoorder.
+
+Als de Engelschman geëindigd heeft, neemt de schilder het woord.
+
+"Ei!" roept hij uit, de documenten nauwkeurig bekijkend, "hebt gij deze
+gevonden op het lijk van den secretaris Chiapin Vitelli?" Dan voegt
+hij er aan toe: "Ik ben een der weinige personen, die ze zou kunnen
+lezen. Zij zijn geschreven in het bijzondere cijferschrift, dat op
+het geheime correspondentiebureau van mijn meester, mijn weldoener,
+in gebruik is; van hem, die mij mijn jaargeld betaalt, den man, wiens
+hand ik kus,--den Hertog van Alva!" Er komt een vreemd licht in zijn
+oogen, als hij spreekt van zijn weldoener. "Het is heel gemakkelijk
+te ontcijferen, als gij den sleutel hebt, dien ik van buiten heb
+geleerd en in mijn hoofd heb--ik durf hem nergens anders bewaren."
+
+"Deel mij dan den inhoud van deze brieven mee!"
+
+"Zeker," zegt de artist. "Gij kunt u intusschen onledig houden met
+het bekijken van mijn schetsen."
+
+Haastig begint hij aan zijn werk, terwijl Guy zijn tijd doorbrengt met
+het bezien van een aantal studiën in houtskool op doek en paneelen,
+blijkbaar het werk van den jongen Vlaming. Aan de eene zijde van
+het vertrek bevindt zich een marmeren plaat om verven te wrijven,
+waarop een aantal penseelen, een palet en eenige kleine blazen met
+grondverf, zooals de artisten in dien tijd gebruikten. Op een ezel
+staat het onvoltooide portret van een blondharig, blauwoogig Vlaamsch
+meisje, een werkelijke schoonheid, ofschoon van een iet of wat boersch
+type. Dit is geteekend in den trant der Venetiaansche school, op wat
+men toen noemde: een rooden grond. Op den achtergrond van het vertrek
+hangt een groot gordijn, dat een meer belangrijk werk schijnt te
+verbergen, het is tenminste even breed als de geheele muur der kamer.
+
+"Schuif het niet weg," zegt de schilder opkijkende, als hij hoort,
+dat Guy het gordijn nadert. "Ik heb nog een aardige verrassing voor u
+in petto," en ophoudende met lezen, kijkt hij den Engelschman snaaks
+aan. "Iets, wat u bijzonder zal interesseeren, naar ik meen; gij kondt
+het gelaat van de schoone uit de barge niet onderscheiden?" Want
+Guy heeft in zijn beschrijving van het avontuur van den vorigen
+nacht, met de aangeboren kieschheid van den edelman en den minnaar,
+opzettelijk geen woord gesproken over de ontmoeting in het huis van
+de gravin van Mansfeld met de dame, die hij bevrijdde.
+
+"Wat bedoelt gij?" vraagt Guy levendig. "Wacht een oogenblik," en een
+half onderdrukte kreet van verbazing roept Guy aan de zijde van den
+schilder, die blijkbaar in hevige gemoedsbeweging is gebracht door
+het ontcijferen van het geheimschrift.
+
+Ongeduldig staat Guy daar te wachten op den uitslag van het onderzoek
+der documenten.
+
+Een oogenblik later kijkt Oliver op en zegt: "Ik kan u nu in hoofdzaak
+zeggen, wat de inhoud der brieven is."
+
+"En wat behelzen zij dan?" vraagt Guy ongeduldig.
+
+"Het zijn twee brieven, geschreven door Chiapin Vitelli, Alva's
+vertrouwde, en waarschijnlijk aan zijn secretaris gegeven--zoo groot is
+hun waarde--om ze persoonlijk te overhandigen aan een zekeren Ridolfi,
+een Italiaan, die bankier is in Londen."
+
+"Ridolfi? Ja, ik heb wel van hem gehoord. Hij moet groote zaken doen
+met Italië; hij is goudsmid zoowel als bankier en woont op Cheapside,"
+zegt Guy. "Maar wat heeft hij er mee te maken?"
+
+"Wel, dit is blijkbaar één brief uit een reeks van brieven, van welke
+eenige beantwoord moeten zijn, waarin Alva onderhandelingen voert met
+Ridolfi, waarschijnlijk de agent van den hertog van Norfolk, den man,
+die plannen maakte voor een huwelijk met de Koningin van Schotland
+en die zich nu in Elizabeths handen bevindt--onderhandelingen, welke
+betrekking hebben op het vergiftigen der Koningin van Engeland."
+
+"Mijn vorstin vergiftigen! Groote God!" brengt Guy met moeite uit. Een
+oogenblik later vervolgt hij, zich tot kalmte dwingend: "Ja, geruchten
+van dit of een dergelijk complot zijn reeds ter oore gekomen van
+Lord Burleigh, den eersten minister. Gij weet, dat ik, juist om dit
+nader te onderzoeken, hierheen ben gezonden, ofschoon verloochend
+door mijn Koningin, die voor het oogenblik schijnbaar met Alva vrede
+wenscht, maar die op haar beurt afrekening zal houden,--een Engelsche
+afrekening, dat kan ik u verzekeren,--met uw Spaanschen tyran!"
+
+"Dat weet ik. Daarom juist help ik u," mompelt de schilder. "Op
+Elizabeth alleen is de hoop der Nederlanders gevestigd. Wij zijn
+verslagen en vernietigd te Jemmingen, de prins van Oranje, naar
+Duitschland gevlucht, leeft in ballingschap; Frankrijk wordt geheel
+in beslag genomen door zijn eigen zaken, Coligny en Condé kunnen
+ieder oogenblik slaags raken met de Ligue, en op hun bijstand valt
+dus niet te rekenen,--van Engeland alleen kan nog redding komen. Als
+zoodanig heb ik u verwelkomd als den 'Eerste der Engelschen', om de
+Nederlanders bij te staan. Gij zult niet de _laatste_ zijn--ik weet
+het! Maar,"--en het gelaat van den schilder wordt bezield door een
+patriotisch vuur,--"wijzelven moeten ook handelen. Daarom heb ik mij
+veroordeeld, om te leven onder de vreeselijkste onrust, waarin iemand
+kan verkeeren,--een verrader in de naaste omgeving, in het bureau
+van den Spaanschen onderkoning, om Lodewijk van Nassau en Willem den
+Zwijger op de hoogte te kunnen houden van zijn plannen. Ontdekking
+staat gelijk met--nu, dat weet gij!"
+
+Hij lacht, maar het is een akelige lach, en hij vervolgt fluisterend:
+"Wat zou Alva, die menschen levend roostert, omdat zij op Vrijdag
+vleesch eten; die vrouwen onthoofdt, omdat zij haar eigen mannen een
+schuilplaats verleenen; die zijn troepen veroorlooft om te branden,
+te rooven en te plunderen; wat zou hij doen met een ontmaskerd spion
+in zijn eigen omgeving? Zijn er wel genoeg pijnbanken, duimschroeven
+en takkenbossen voor zoo iemand te vinden?" Hij huivert, doch voegt er
+daarna vastberaden bij: "Maar ik trotseer alles voor mijn vaderland!"
+
+"En ik voor het mijne," antwoordt Guy. "Op mijn hoofd is een prijs
+gezet als zeeroover, maar ik waag het voor mijn Koningin. Elizabeth
+schenkt mij haar glimlachjes, als ik aan haar hof verschijn, noemt
+mij haar dapperen vrijbuiter en vertelt toch aan den ambassadeur
+van Philips van Spanje, dat ik hier voor mijn eigen rekening ben;
+zij verloochent mij, ofschoon zij weet, dat het om harentwille is,
+om haar leven te beschermen, om zulke verfoeilijke samenzweringen
+als deze te ontdekken, dat ik mijn leven waag! Buitendien," vervolgt
+hij met een onheilspellende flikkering in zijn oogen, "houd ik niet
+van Spanjaarden."
+
+"Persoonlijk," merkt de Vlaamsche schilder op, "heb ik eenige zeer
+aangename menschen onder hen aangetroffen; ofschoon er in Alva's leger
+een ontelbaar aantal schurken zijn. Maar het is voor mijn vaderland,
+dat ik een leven vol onrust leid, met het zwaard van Damocles steeds
+boven mijn hoofd."
+
+Guy behoeft den schilder slechts aan te zien, om te weten, dat hij de
+waarheid spreekt. De man is klein van persoon en ziet er nietig uit,
+al is hij ook welgebouwd en vlug en veerkrachtig; maar hij heeft
+zachte, denkende oogen, bijzonder fijn gevormde, beweeglijke lippen
+en een hoog, schrander voorhoofd. Chester is er van overtuigd, dat
+Antony Oliver een moedig man is. En hij weet nu tevens, dat diens
+zenuwgestel is aangedaan door de vrees voor ontdekking, waarin hij
+aanhoudend verkeert.
+
+Toch komt hij rond voor zijn meening uit.
+
+"Ik haat iederen Spanjaard, edelman of boer, omdat ik een broeder heb,
+die in de gevangenis van de Inquisitie op Hispaniola zit.
+
+"Arme jongen!" mompelt de schilder met een lichte huivering. "Op
+Hispaniola! dat is een heel eind weg!"
+
+"Niet voor een Engelschen zeeman. Zeven jaren geleden zeilden Dick
+en ik, beiden vol jeugdig vuur, met kapitein Ned Lovell naar de
+Spaansche bezittingen en dreven daar handel met de Dons van Hispaniola
+en woonden daar, omdat wij katholiek waren, ongemoeid in de stad
+Haytien en verwierven rijkdommen. Toen keerde ik met onze klinkende
+munt naar mijn geliefd Engeland terug, Dick achterlatend, om de rest
+van onze koopwaren in goud om te zetten, en mij daarna te volgen. Een
+jaar verliep. Geen Dick, maar Hawkins bracht bij de thuiskomst van
+zijn derde reis het bericht mede, dat Dick verliefd was geworden op
+een Spaansch meisje, dat zijn medeminnaars hem hadden aangeklaagd
+als een Engelschen ketter, en de--Inquisitie--" Hier begeeft hem de
+stem, er staan tranen in zijn oogen, ofschoon zij gloeien van een
+wild vuur. "Dat was voor mij genoeg, om de Spanjaarden te haten en
+mij ter beschikking van Koningin Elizabeth te stellen," zegt Guy,
+na een pauze op somberen toon, "en als vrijbuiter in haar dienst,
+kwam ik ook in het bezit van dit miniatuur."
+
+"Kunt gij mij ook zeggen," vraagt hij plotseling, het miniatuurportret
+op ivoor, in diamanten gevat, te voorschijn halend, "wie de dame is,
+die hierop staat afgebeeld?"
+
+"Oho!" lacht de schilder met een ondeugende flikkering in zijn
+oogen. "Die vraag had ik verwacht, sinds gij mij verhaald hebt van de
+dame in de barge. Gaf zij u dit? Is zij ook getroffen door Cupido's
+pijlen?"
+
+"Wat bedoelt gij daarmee?" bromt de Engelschman, terwijl hij
+verraderlijk bloost onder zijn verbrande huid.
+
+"Ik bedoel," lacht Antony, "dat gij een man zijt, die tot over de ooren
+verliefd is. In uw verhaal over de gebeurtenissen van gisternacht
+werd telkens door u gewag gemaakt van de 'godin in de barge', de
+'schoone onbekende', het 'bevallige wezen in het nachtelijk donker',
+de 'feeachtige vormen, die de duisternis niet geheel kon verbergen',
+de 'stem zoo zoet als die van een engel', uw gansche wijze van doen
+verried, dat zelfs de duisternis geen beletsel voor u geweest is,
+om verliefd te worden op de dame, die gij gered hebt uit de handen
+der Watergeuzen; en dat, ofschoon zij eigenlijk uw gevangene was,
+gij de hare waart. Ging het haar als u? Is zij ook verliefd, dat zij
+u haar portret gaf?"
+
+"Neen," antwoordt Guy, "ik geloof, dat ik verliefd ben geweest op
+deze beeltenis, sinds ik die drie jaar geleden op zee veroverde."
+
+Dit antwoord brengt den schilder geheel en al in verbazing. Hij
+mompelt: "Ik hield de Engelschen nooit voor een romantisch volk, maar
+gij leert mij, dat de Italianen slechts stumperds zijn, vergeleken
+met de eilandbewoners, waar het hartstocht betreft. _Verliefd op
+een portret_?"
+
+"Ja; het kwam in mijn handen onder vreemde omstandigheden," antwoordt
+de Engelschman, een weinig gemelijk, want de artist spreekt op een
+schertsenden toon. "Op het eind van '68 speelde ik tennis in Londen,
+toen de Koningin en haar eerste minister, Sir William Cecil, nu Lord
+Burleigh, mij lieten roepen. De schatkist der Koningin was leeg. Vijf
+Italiaansche schepen, die een leening van de Genueesche bankiers aan
+Alva overbrachten, ten bedrage van achthonderd duizend zilveren kronen,
+waren op weg naar Antwerpen--"
+
+"Ja," valt de ander hem glimlachend in de rede, "ik weet het--het geld,
+waarmee de Hertog zijn troepen dacht te betalen--"
+
+"En waren in de haven van Southampton gedreven door kapers, afgezonden
+door den prins van Condé, die op den uitkijk had gestaan, om den
+schat te bemachtigen. De Spaansche ambassadeur had zich tot de
+Koningin gewend en schepen gevraagd ter bescherming. Daar men met
+Spanje in vrede verkeerde, moest men hem wel ter wille zijn, maar
+Elizabeths schatkist was leeg, en zij werd geplaagd door rekeningen
+van haar modiste en meer dergelijke vrouwenschulden en besloot dus,
+zich den schat toe te eigenen. Cecil had om mij gezonden, omdat hij
+wist, dat ik Spaansch sprak, en dacht dat ik de rechte man zou zijn,
+om dat zaakje te beredderen. Men had den Spaanschen gezant reeds
+verzocht, maatregelen te nemen voor het vervoer van den schat van
+Southampton naar Dover over land, waar zich schepen der Koningin ter
+bescherming zouden bevinden. Doch terwijl hij zijn toebereidselen
+maakte, ontving ik de volgende opdracht: ik moest naar Southampton
+gaan en den Franschen kapers tien duizend kronen aanbieden, als zij
+hun positie voor de haven niet verlieten, zoodat de Genueesche schepen
+niet durfden uitzeilen. Onderwijl won de Koningin inlichtingen in en
+vernam, dat het geld geleend was door Italiaansche kooplieden. 'Als zij
+Alva kunnen leenen, kunnen zij het mij ook doen,' dacht zij. Volgens
+de persoonlijke aanwijzingen van de Koningin van Engeland maakte ik
+mij meester van de achthonderd duizend zilveren kronen."
+
+"En dat maakte Alva bijna razend! Ik zie hem nog voor mij," lacht de
+schilder, "op den morgen, dat hij het bericht ontving, in blinde woede
+aan de beide punten van zijn baard rukkende. En van dat oogenblik af,
+heeft hij uw Koningin gehaat en u niet minder, die hem dwong, den
+Nederlanders zijn tienden penning op te leggen, om zijn troepen te
+kunnen betalen. Doch wat heeft de diefstal der Koningin van Engeland
+te maken met uw miniatuur-portret, zeg, vrijbuiter?"
+
+"Slechts dit," antwoordt Guy. "Het eenige, wat ik van het Genueesche
+schip, toen ik het prijs maakte, voor mijzelven hield, was deze
+beeltenis. Te oordeelen naar de aanwijzing op het pakje, waarin
+het portret zich bevond, moest de dame, die het voorstelt, in de
+Nederlanden wonen. Hoogst aangenaam was mij dus de persoonlijke
+opdracht van Koningin Elizabeth, om naar hier over te steken en in
+haar belang zeeroover te worden; wel wist ik, dat ik daardoor mijn
+leven in de waagschaal stelde, maar ik wist ook, dat het mijn eenige
+kans was, om ooit in werkelijkheid het gelaat te aanschouwen, dat ik
+heb liefgehad van dien dag tot op heden. Noemt gij dat romantisme? Mij
+goed! Maar zeg nu, wie zij is."
+
+"Wel," antwoordt de schilder, "mag ik u als antwoord een ander portret
+laten zien?"
+
+"Van wien? Wat geef ik om portretten, behalve dit eene? Gij kunstenaars
+denkt altijd aan kunst--ik denk aan vleesch en bloed, die winnen het
+van kunst."
+
+"Winnen zij het ook van dit?" lacht Oliver, en het gordijn op den
+achtergrond wegtrekkend, onthult hij een kolossaal altaarstuk,
+onafgewerkt behalve de hoofdfiguur, de Madonna. Guy is een en al
+verbazing, want het is de beeltenis van de vrouw, wier lippen hij
+den nacht tevoren heeft gekust, wier miniatuur-portret hij in de
+hand houdt; beurtelings staart hij nu van dit naar het prachtige
+altaarstuk, op de figuur van de Moeder Gods. Het moet een werk zijn,
+dat door de liefde geïnspireerd is.
+
+De Engelschman wordt vuurrood, daarna doodsbleek, en mompelt:
+"Gij bemint haar dus ook!" terwijl hij zijn vermeenden medeminnaar
+afgunstig aanziet.
+
+"Neen," antwoordt Antony, "ik bemin de dame niet, al bemin ik
+mijn schilderij. Gij behoeft niet jaloersch te zijn, mijn waarde
+Engelschman, de vrouw, die ik bemin, is veel meer dan deze een
+wezen van vleesch en bloed--juffer Wilhelmina, dochter van den
+oud-burgemeester Bodé Volckers. Haar blonde beeltenis staat op dien
+ezel. Ik aarzel niet u mijn geheim toe te vertrouwen, zooals gij
+mij het uwe deedt. Maar _dit_," hij kijkt teeder naar het doek,
+"is een werk van liefde, liefde voor mijn kunst. Hierop heb ik al
+mijn hoop gebouwd, om een naam in de wereld achter te laten. Als
+ik mijn altaarstuk kan voltooien, eer de tijd komt, dat de hand,
+die mij bedreigt, mij in haar ijzeren greep vermorzelt, hoop ik in
+de herinnering te blijven voortleven--niet als de patriot, maar als
+de kunstenaar!"
+
+"En, bij den hemel! dat zult gij," roept Guy uit, die natuurlijk niets
+liever wenscht, dan aan de beeltenis van de vrouw, die hij liefheeft,
+een onvergankelijken roem beschoren te zien, "want gij hebt niet alleen
+een Madonna geschilderd, maar een godin, waardig de Moeder Gods te
+zijn." Hier maakt hij eerbiedig het teeken des kruises en beschouwt
+opnieuw het schilderstuk, dat zijn bewondering voorzeker ten volle
+verdient, niet alleen om de liefelijkheid van het model, maar ook om
+de oorspronkelijkheid van opvatting en den rijkdom van koloriet.
+
+In tegenstelling met het schilderstuk op den ezel, is dit altaarstuk
+geschetst op een parelgrijzen achtergrond, de Madonna is de eenige
+afgewerkte figuur, de beeltenis van Guy's beminde.
+
+Het meisje staat daar in maagdelijke schoonheid; haar blanke,
+blauwgeaderde voeten rusten licht als die eener fee op een regenboog
+van het zachtste zonlicht; de lijnen van haar lichaam bezitten reeds de
+schoonheid der vrouw, maar zijn nog maagdelijk bevallig en teer; zij is
+gehuld in een eng sluitend wit gewaad, waarover een lange azuren mantel
+hangt. Op den blanken hals rust het gelaat van ongemeene schoonheid,
+welks zachte en toch schitterende oogen, koraalroode lippen, wangen,
+waarop rozen en leliën bloeien, Guy's hart ook nu weer zoo onstuimig
+doen kloppen.
+
+Het geheel, vergoddelijkt door de groote ziel, die uit het aanminnig
+gelaat straalt, verlicht door zonnestralen en vol van die wonderschoone
+effecten van gouden licht en diepe, warme schaduwen, eigen aan de
+school van den Venetiaan Tintoretto, is wel geschikt om Guy halfgek
+van opgewondenheid te maken; want het is het levend, sprekend portret
+van de vrouw, die hij liefheeft, maar toch weer niet geheel en al
+aan haar gelijk.
+
+Want het schilderij geeft haar wisselende schoonheid slechts op een
+enkel moment te aanschouwen, en den vorigen nacht heeft hij telkens,
+als hij haar veranderlijke, beweeglijke, maar altijd edele trekken
+beschouwde, een verschillenden indruk van haar gekregen, heeft hij
+telkens een nieuwe bekoring in haar ontdekt.
+
+Hij roept ongeduldig den schilder toe: "Gij beantwoordt mijn vraag
+niet. Gij laat mij alleen iets zien, dat mijn verlangen, om haar naam
+te vernemen, nog meer moet prikkelen. Zeg mij, wie zij is!"
+
+Het antwoord, dat volgt, doet hem ontstellen en ontstemt hem
+tevens. "Zij is," zegt Oliver langzaam, "het eenige wezen op aarde,
+dat Alva liefheeft!"
+
+"Neen, neen, dat wil ik niet gelooven," brengt Chester met moeite uit.
+
+"Gij moet! Zij is het eenige wezen, dat hij aanbidt, het eenige
+wezen, dat de onderkoning van Spanje ooit met een liefkoozenden
+naam toespreekt."
+
+"Ik kan u niet gelooven," roept de Engelschman uit, zijn handen als
+in doodsangst wringend. "Zij is te rein, om de beminde te zijn van
+wien ook en het allerminst van dien duivel."
+
+"Zij is niet te rein," zegt de schilder langzaam, "om zijn dochter
+te zijn."
+
+"Zijn _dochter_?! Alle heiligen in den hemel!"
+
+"Ja, Hermoine de Alva is de dochter van den Hertog. Haar moeder,
+de gravin De Perugia, een Italiaansche dame van groote schoonheid,
+stierf vier jaren geleden. Sedert dien tijd heeft de Hertog Dona
+Hermoine bij zich genomen. Zij is de reinste, liefelijkste, edelste
+bloem, die Spanje ooit naar de Nederlanden heeft gezonden. Zij bezit
+even groote geestesgaven als haar vader, doch haar hart is even teeder
+als het zijne wreed is. Toch is zij de dochter van Alva en daarom,
+mijn Engelschman, vrees ik, dat uw liefde hopeloos is! Neem u in
+acht! Uw broeder beminde een Spaansch meisje!"
+
+Guy antwoordt hierop niets. Hij is diep doordrongen van de waarheid
+der laatste vernietigende opmerking van den schilder. Doch weldra
+komt de Engelsche onversaagdheid weer bij hem boven en hij roept uit:
+
+"Bij den hemel! Welk een triumf, om datgene, wat hij het meest
+liefheeft, aan Alva te ontrooven, om zijn eigen dochter, die hem
+dierbaarder is dan iets anders ter wereld, tot de bruid te maken,
+de geëerde en gevierde bruid van den man, op wiens hoofd hij drie
+duizend Carolus-guldens heeft gezet,--den vrijbuiter,--den 'Eerste
+der Engelschen'!" en hij barst uit in een spottenden, triumfeerenden,
+maar hartelijken lach.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+HET GEVAAR WORDT DREIGEND.
+
+
+"Bravo!" roept de Vlaming uit, "bravo! Maar eerst moet zij u ook
+liefhebben."
+
+"O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft," roept Chester uit,
+den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht
+voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse
+gloed van de fakkel van Hymen.
+
+"Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte,
+dat ik ook zoo was," zucht de schilder en vervolgt dan, zich
+vermannend: "Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met
+hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot
+tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen
+bankier in Londen."
+
+"O, wij zullen wel goed op hem passen," zegt Guy op dreigenden
+toon. "Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om
+onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord
+van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten."
+
+"Waarom vertrekt gij niet terstond?"
+
+"Omdat," antwoordt de Engelschman, "gij mij de overzetting van
+die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd
+gemoeid zijn."
+
+"Volstrekt niet."
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u
+eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in
+Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen
+mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin
+Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan
+de Nederlanden besparen." Dit zeggende, gaat de schilder zitten en
+schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op.
+
+Daarna vervolgt hij: "Berg dat goed weg bij de brieven," en geeft den
+sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: "Mij dunkt,
+dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op
+uw hoofd."
+
+"Ik ga niet vóór van avond," antwoordt Chester, bijna gemelijk. "Het
+tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip--het zal mij dus niet
+veel ophouden. Buitendien--" hier valt zijn oog op het spottend gezicht
+van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: "Maar, voor den
+drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten,
+zonder haar nog eens gezien te hebben?" Hij wuift met de hand de
+goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon,
+hem niet alleen met hemelsche, doch ook--zoo denkt tenminste deze
+vermetele jonge man--met aardsche liefde aanziet.
+
+"Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te
+vragen?" spot de schilder.
+
+"Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb," merkt
+Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te
+laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven,
+en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje.
+
+"En gij hebt hem nog niet geopend?" vraagt Oliver, den brief van alle
+kanten bekijkend.
+
+"Zeker niet; hij is verzegeld."
+
+"Maar, mijn jongen," herneemt de schilder, "gij zet te veel op het
+spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de
+dame staat, eer gij haar weer ontmoet." En hij doet Guy schrikken,
+als hij er bijvoegt:
+
+"Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog
+in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet."
+
+"Een medeminnaar?" stamelt Guy.
+
+"Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo
+gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou
+bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van
+gravin Hermoine de Alva--generaals en edellieden." Daarna vervolgt
+hij op bevelenden toon: "Gij moet dezen brief openen. Het spel,
+dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is
+waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend
+op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen."
+
+Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kan beletten, heeft Oliver
+vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven
+gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij
+hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt.
+
+"Gij moet hem lezen," zegt hij. "Uw leven zoudt gij kunnen inboeten
+door u te laten leiden door een overdreven eergevoel. _Lees hem_! Den
+een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va
+te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst. _Lees
+hem_, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u."
+
+"Waarom niet?" vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om
+het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft.
+
+"Omdat," zegt de schilder plechtig, "wij een spel spelen, waarbij ons
+beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet
+hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb,
+als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen,
+val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland
+verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen
+geeft. Lees!"
+
+Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen
+door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de
+oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd,
+als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het
+schoonste vrouwelijke handschrift:
+
+
+"Lieve papa!
+
+
+"Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero's
+voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te
+nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk
+tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te
+worden; doe het ter wille van uw liefhebbende
+
+
+Hermoine."
+
+
+
+Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief
+niet aan zijn vriend en mentor te toonen.
+
+"Bij Saint Denis!" roept Oliver uit, het briefje inziende, "ik geloof,
+dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste,
+en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft
+verteld." En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij:
+"Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als
+gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw
+welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn
+even talrijk als windmolens."
+
+"En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen,
+om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?" zegt Guy stoutmoedig,
+het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend.
+
+"Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden," glimlacht de
+schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: "Maar laat ik u
+een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede,
+hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint
+dan alles ter wereld."
+
+"Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?"
+
+"Neen, duizendmaal neen!"
+
+"Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?"
+
+"Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens
+trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn."
+
+"Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?"
+
+"Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij
+heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen
+zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat
+Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker
+der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!--een diamanten
+halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit
+haar omgeving van een aanbidder; want als zij 'neen' zegt, heeft
+ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft
+zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat
+Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten,
+edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is,
+dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den
+Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal
+zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat
+hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar
+misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva's barmhartigheid. Als
+gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u
+niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt
+voor des tijgers welp!"
+
+"Waarom noemt gij haar zoo?" roept Guy toornig uit.
+
+"Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe," antwoordt de schilder
+weemoedig. "Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij
+geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te
+brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven."
+
+"Ah! zij heeft _hier_ voor u geposeerd?"
+
+"Ja, in het bijzijn van haar duena."
+
+"Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar
+verschaffen."
+
+"Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet,
+dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou
+begaan, ook al aanbidt zij u--iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn."
+
+"Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik
+wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij
+zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker,"
+zegt Guy vol vertrouwen. "Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als
+ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring,"
+en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de
+hand van den schilder.
+
+"Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een
+kus?" lacht Oliver; en als een gloeiende blos Guy's gelaat overdekt,
+mompelt hij: "Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer
+van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking
+met den Engelschen." Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij:
+"Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De
+duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel
+om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken,
+gelukkig jongmensch--of beter, ongelukkig jongmensch--is een samenkomst
+ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen."
+
+"Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?" roept Guy uit.
+
+"Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien,
+die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar
+duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva
+afzonderlijk spreken."
+
+"Maar de duena--de fatale duena?" bromt Guy.
+
+"De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende
+kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten
+te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de
+gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen
+zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere
+bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,"--hier
+wordt de schilder rood van verontwaardiging,--"tusschen den man,
+die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en 'de Zes
+Drinkebroers van Brussel'. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren
+van de herbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van
+den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht,
+den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man,
+wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor
+altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier
+jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk
+omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede
+tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden
+dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, 'de Val
+der Engelen'; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden
+zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het
+nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden,"
+en Oliver zucht.
+
+"Dat is dus afgesproken," roept Guy uit, het verontwaardigd relaas
+van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan
+herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. "Nu wij met onze zaken
+klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille
+terug is met zijn proviand,--misschien wel een weinig duivenpastei,
+hè?" en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want
+door Antony's berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge
+man in een vroolijke stemming gebracht.
+
+De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op
+Guy's lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij
+op den schilder heeft. Bij het woord "duivenpastei" wordt Oliver
+doodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: "Wat
+weet gij van duivenpastei?"
+
+"Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie,
+het zoontje van Touraine, den barbier."
+
+"Wat zei hij van duivenpastei?" vraagt de schilder, wiens vreemde
+wijze van doen Guy's aandacht trekt. "Spreek op, spoedig--ons leven
+kan er van afhangen!"
+
+"Alleen dit," zegt de Engelschman, "dat hij zooveel duivenpastei van
+u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij
+nog,--ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,--dat hij
+misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een
+man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen."
+
+"Een man--zooveel duiven weggenomen--van hier!" stamelt Antony. Daarna
+roept hij plotseling uit: "Dat verklaart mij waarom er geen brieven
+van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,--geen duiven, die ze
+brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn
+God! Ik moet het weten."
+
+Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn
+weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen
+met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: "Ik kan niets
+krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel
+geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil
+geven."
+
+"Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb," zegt
+Oliver nadenkend. Dan schijnt hij plotseling een idee te krijgen,
+want hij roept uit: "Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem
+boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem
+maken," met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend.
+
+"Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder,"
+antwoordt de jongen en vliegt de trappen af.
+
+"Ik moet hem ondervragen," mompelt de schilder. "Als dit waar is,
+dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen."
+
+Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op
+de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen,
+uitroepend: "Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver's
+duivenpastei!"
+
+"Ja zeker, duivenpastei!" roept de schilder, "duivenpastei! Maar wat
+is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?"
+
+"Neen!"
+
+"Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok,
+maar in de til--vliegende om de til?" De stem van den schilder klinkt
+heesch--zijn oogen schieten vuur.
+
+"O ja, verscheidene, de twee laatste dagen," antwoordt de jongen. En
+als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept
+hij angstig uit: "Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u,
+monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op
+mijn woord van eerlijken jongen!"
+
+"Neen, hij heeft ze niet weggenomen," roept nu de kleine Marvédie;
+"een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee."
+
+"Wanneer?"
+
+"Gisteren."
+
+"Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?"
+
+"O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn
+schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor
+hem te halen om ze in te stoppen."
+
+"Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine
+Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" brengt Antony met moeite uit,
+zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van
+een doode.
+
+"Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de
+schelvisch op de markt."
+
+"Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine
+Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" en de schilder grijnst
+afschuwelijk.
+
+"Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait,
+als gij duivenpastei voor mij maakt," zegt de kleine jongen.
+
+"En waar was uw broer?" De stem van den schilder klinkt dof.
+
+"O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen,"
+zegt Achille. "Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest,
+heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel
+verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand
+heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen."
+
+"Het is goed," zucht Antony, "hier is een gulden. Ja, haal daarvoor
+duiven!" Hij lacht droevig. "Wij willen toch duivenpastei hebben."
+
+De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit
+als krijt en hij stamelt: "Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand
+heeft mijn geheim ontdekt."
+
+"Welk geheim?" fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend.
+
+"Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van
+Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het
+welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift,
+zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van
+tijd--Ik ben een verloren man, ja, nog erger--ik ben een gemartelde! O
+mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!" en
+de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en
+blauwe lippen.
+
+"Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft," zegt
+de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar
+voor Oliver gelijkstaat met gevaar voor hemzelf.
+
+"Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van
+geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder
+de schrijvers van den Hertog. Ik--ik was den geheelen morgen
+reeds niet op mijn gemak. Toen ik--ik hier aankwam, dacht ik de
+duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik--de
+reden. Zes! Zes brieven--waarvan elk op zichzelf voldoende is om
+mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!" kreunt de schilder,
+zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden.
+
+"Zes! Zes duiven!" herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: "Kent gij
+een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef,
+en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?"
+
+"Mijn God!" roept de schilder uit, "zeker! Hij, dien gij daar
+beschrijft, is Vasco de Guerra--mijn vijand! Hij--heeft--heeft de
+brieven!--Wat bracht u op die gedachte?"
+
+"Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond 'de Zes Drinkebroers
+van Brussel', die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag
+met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven,
+die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van
+een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende
+zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn
+kameraden een groot feest te geven."
+
+En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht
+zag en hoorde bij het drinkgelag van "de Zes Drinkebroers van Brussel"
+in _Het Geschilderde Huis_.
+
+"Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim
+bezit,--hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken,
+want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk,
+die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger
+is weggejaagd,--bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den
+soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen
+en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun
+officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt
+weggejaagd? Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand
+van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier,
+Wiarda Schwartz, omgekocht."
+
+"Ah, zoo!" merkt Guy op. "Daarom behandelde zij mij zoo beleefd,
+toen ik naar u vroeg."
+
+"Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen,
+wij moeten handelen--en dat wel spoedig," antwoordt de schilder, die
+zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. "Vasco
+vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds
+eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij
+zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan
+vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich."
+
+"In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen," zegt
+Guy. "Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in
+ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien
+meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje
+met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den
+stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen
+haan naar kraaien."
+
+"Neen," zegt de schilder, "dat zou ons in verdenking brengen. Misschien
+kan ik iets beters verzinnen," en hij spant zijn vindingrijk brein in,
+zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit:
+"Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van
+'de Zes Drinkebroers van Brussel' onder de tafel drinken, bewusteloos,
+levenloos. In de verwarring kunnen wij den benevelden Vasco naar een
+andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem
+de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen."
+
+"Maar als Vasco eens wint?"
+
+"Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan
+eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen."
+
+"Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet
+doet," zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij:
+"Misschien kan ik u helpen, ik heb hier...." hij haalt uit zijn
+wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat
+beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop
+zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.
+
+"Wat is het? Vergift?" vraagt de schilder. "Het vergift van de
+Borgia's?"
+
+"Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den
+manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens
+een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie
+maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den
+dood. Het vergift is zeer vluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik
+draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen
+en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn
+lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als
+het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de
+tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn
+beker hem voor altijd doen inslapen."
+
+"Dus als Frans Floris niet slaagt,--het vergift van de Antillen,"
+prevelt de schilder. "Het geldt zijn leven of het onze." Na een
+oogenblik nadenken vervolgt hij: "Neen, ik moet Vasco de Guerra,
+mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd
+gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug,
+zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een
+ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood,
+zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion
+meer in Alva's nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf
+ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend."
+
+"Dat is flink gesproken," antwoordt Guy kortaf. "Doe een weinig van
+dit in den wijn van den Spaanschen spion."
+
+Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand,
+doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: "Maar, bij alle
+heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker
+te doen, en niet in de bekers van de anderen?"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+HET DRINKGELAG IN HET GESCHILDERDE HUIS.
+
+
+Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt
+weifelend: "Hoe?" en zegt dan: "Laat mij even nadenken. Ik ken de
+gebruiken van dit land," en hij overlegt in zichzelven met gefronste
+wenkbrauwen.
+
+Na een oogenblik peinzens roept hij uit: "Ik heb het probleem
+opgelost."
+
+"Hoe?" vraagt de Engelschman levendig.
+
+"Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het
+feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers
+hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun
+complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle
+Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang
+zijn. Na het tiende rondje,--het zou niet voorzichtig zijn, het
+eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot
+na het vijftiende,--zal ik hem een beker wijn zenden met _dit_ er in,
+het vergift van de Antillen," hier klopt hij op het fleschje, dat de
+Engelschman hem gegeven heeft, "met de complimenten van Wilhelmina Bodé
+Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap,
+niet weigeren, en daarna--daarna--zouden gij en ik," hij fluistert
+het laatste, "mijn beste Guido,--in ieder rustig, gelukkig, vredig
+land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen,
+gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak."
+
+Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van
+menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun
+voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen.
+
+"Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk
+niet, dat De Guerra reeds is opgestaan," zegt Guy, "maar ik zal op
+hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons
+geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit
+te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in
+dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken
+en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor
+mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde."
+
+Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de
+schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg
+het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst,
+terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich
+van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit
+verlaat, in het bereik van zijn hand is.
+
+Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt
+den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd
+alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag in
+_Het Geschilderde Huis_ moet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich
+door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het
+ruimere, het schoonere gedeelte van de stad.
+
+Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend:
+"Verlies Vasco niet uit het oog."
+
+"En gij bezorgt mijn boodschap?" antwoordt de Engelschman.
+
+"Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona
+Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet
+hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou
+doen weten," antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande,
+waarachter de Citadel ligt.
+
+Chester begeeft zich opnieuw naar _Het Geschilderde Huis_, dat nu
+het tooneel is van veel leven en beweging.
+
+De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan
+veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit
+oogenblik de overhand heeft over zijn liefde.
+
+Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te
+weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den
+morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening,
+dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen
+strijd, die hem wacht.
+
+Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het
+aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen
+zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen
+om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat
+gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers,
+met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris' leven
+vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken
+altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris' dood daarentegen zou hun
+groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd
+zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat,
+om zijn mededingers onder de tafel te werken.
+
+"Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag," merkt een dikke
+burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als
+een brouwer doet kennen.
+
+"Ja," antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak
+en opvoeding. "Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven,
+om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde
+levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook
+voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was
+een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht
+Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak
+over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd
+jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt,
+omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden."
+
+"En heeft het hem bekeerd?" spot de ander.
+
+"Hem bekeeren!" roept Dirk Coornhert uit. "Neen, hij zwoer, vandaag
+te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer's geest en
+hij lachte mij in mijn gezicht uit: 'Als ik dronken ben, dan ben ik
+gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben,
+zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.'"
+
+"Vervloekt! En ik ben er ook een," bromt de brouwer. "Twee duizend
+Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die
+het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die
+verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand,
+en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen
+dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen
+den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet
+vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En
+dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was."
+
+"Ja, zij heeft hem geruïneerd," mompelt de drukker. "Het is juist
+iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel,
+wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers
+zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien
+onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt,
+dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren,
+en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij
+speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge
+gillende tonen als zoo'n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden
+veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van
+zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij
+zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde
+en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem
+op meer dan een millioen kronen taxeert."
+
+"Alle duivels!" valt de brouwer uit, "wat beteekent een millioen of
+zelfs twee millioen kronen in dezen tijd--het is enkel maar zooveel
+meer voor dien vervloekten tienden penning!"
+
+"Ja, God sta ons bij," stemt de drukker toe. "De tiende penning zal
+alles verslinden, wat wij nog bezitten."
+
+En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch
+bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist
+zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt,
+dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende
+van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale
+dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent
+natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele
+inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in
+Brabant, Vlaanderen en Holland.
+
+Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid
+te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren
+van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden
+rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij de burgers op
+de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere
+gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn
+helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen;
+want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog
+vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,--edelman zoowel
+als boer, koopman zoowel als visscher.
+
+Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de
+vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje
+op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder
+kloppend, roept hij uit: "Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op
+de Drinkebroers van Brussel."
+
+"Dat is niet heel ridderlijk," zegt Guy, "zes drinkebroers tegen
+één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een
+beker met mij te drinken."
+
+"Gracios, senor capitan," antwoordt de jonge officier, en weldra
+zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap.
+
+"Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen," merkt de Spanjaard op, "voor
+de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien
+en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning,
+mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als
+hij het niet doet,"--hij kijkt woest in het rond,--"zijn wij van plan,
+ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier
+is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het
+grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen
+en hun goederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor
+hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!"
+
+"God zij hun genadig," denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond
+laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke
+"Spaansche furie", die een paar jaar later in Antwerpen zal
+uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek,
+zeggende: "Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik
+heb nog een paar goudstukken in mijn zak!" en hij roept: "Jongen,
+nog een kan wijn!"
+
+Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard
+vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den
+grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft,
+dat "de Zes Drinkebroers van Brussel" een list hebben bedacht om
+hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als
+capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder
+moet zetten.
+
+"Zij zullen winnen, mijn jongen," lacht de vaandrig. "Ik heb zelf
+gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier
+vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt
+geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven," hij
+wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer,
+"en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden,
+behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is
+De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit,
+dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik
+denk, dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons
+regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op
+aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik," en vaandrig De
+Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren
+aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij
+heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt.
+
+Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist,
+die bij hem komt en fluistert: "Ik heb uw boodschap gedaan."
+
+"Zij komt natuurlijk?"
+
+"Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo
+ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele
+boodschap durfde overbrengen."
+
+"En toen?" vraagt Guy ongeduldig.
+
+"Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid
+noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht
+om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt."
+
+"En vervolgens?"
+
+"Toen zeide zij op onverschilligen toon: 'Ik zal vandaag om drie uur
+bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza,
+heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den
+koopman nog eens te zien dansen.'"
+
+"Niets anders?" vraagt Guy teleurgesteld.
+
+"O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk
+eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en
+de zijden en fluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te
+bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita
+Wilhelmina. 'Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?' lachte
+zij, 'en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij
+mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?'" Hierop,
+zegt Oliver met een glimlach, had ik de stoutmoedigheid te antwoorden:
+"Misschien blijf ik dan toch in de familie," en verliet ik haar,
+zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield.
+
+Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer,
+die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had
+toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk.
+
+En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: "Ik zag
+Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den
+naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man,
+of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan,
+behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te
+scheiden," valt hij zichzelf in de rede, "of men zal u nog houden voor
+een van 'de Zes Drinkebroers van Brussel', en wij hebben gewichtiger
+dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan
+zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen
+heeft." En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de
+kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen
+het wapen van Brussel op hun wambuis dragen.
+
+Als de Guerra's oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een
+glimlach van wreeden triomf in, en met een vlugge, misschien onbewuste
+beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te
+verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft.
+
+"Ziet gij die beweging?" fluistert Guy tot Antony. "Die brieven
+zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet
+te krijgen!"
+
+"Dat zal ik," zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand
+licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het
+vergift der Antillen nog in zijn bezit is.
+
+En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote,
+geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen
+worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven
+wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken
+met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat
+zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken.
+
+Een oogenblik later klinkt luide de kreet: "Hij is gekomen!" en
+de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt,
+den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes
+zijner leerlingen.
+
+Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek
+met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd
+met schilderstukken en fresco's, waarvan sommige door den aan het
+drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn.
+
+In het midden staat een groote eikenhouten tafel, met stoelen voor
+zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om
+den dorst op te wekken,--zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie
+gedoopt,--alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een
+menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel
+is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en
+barbaarsche losbandigheid.
+
+Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door "de Drinkebroers van
+Brussel". Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder
+dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen
+zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt,
+zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van
+gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen.
+
+De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man,
+die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen;
+het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten
+slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van
+vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder
+de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de
+gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke
+ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den
+vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den
+gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;--ja
+zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de
+beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meester te komen,
+terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de
+fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt.
+
+"Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver," roept
+hij. "Dat wil zeggen, een gedeelte van mij--een van de officieren heeft
+mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten
+doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de
+klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik--ik kon niet eerder
+komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei."
+
+Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich,
+dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt,
+zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een
+vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend:
+"Welkom, broeders slampampers van Brussel!" en neemt plaats aan het
+hoofd van de tafel.
+
+Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die
+zegt: "Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen." Een middeleeuwsche
+geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon
+Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt--doch
+slechts voor een oogenblik.
+
+Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat
+de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een
+enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn
+liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij
+de achting van zijn vrienden en stadgenooten verspeelt. Opstaande
+van zijn stoel, roept hij uit: "Laat ons beginnen, Drinkebroers van
+Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink
+u allen onder de tafel en laat u daar liggen."
+
+"Dat zijn de bepalingen, senor Floris," antwoordt De Guerra met
+een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn
+plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand
+met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt.
+
+"Nu, daar gaat hij dan!" schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie
+naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept.
+
+Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd
+van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers
+ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: "Nogmaals!"
+
+Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen
+zij zich weer op de spijzen,--want met dronkenschap gaat gulzigheid
+gepaard.
+
+Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op
+wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De
+opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en
+Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de
+stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van
+Bacchus, als dit tweetal.
+
+Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend
+naar binnen,--zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes
+en kruimels,--en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwen op de
+groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten;
+en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen
+aan de verschillende deelnemers.
+
+Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde
+oogenblik--ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om
+den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner
+gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer.
+
+Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen,
+de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen
+van de dronkaards.
+
+"Bij de vijftiende bokaal," fluistert Oliver.
+
+"Waarom nu niet?" zegt Guy vlak aan zijn oor.
+
+"Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende," antwoordt
+de schilder. "Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden
+kunnen doen."
+
+Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt
+een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa,
+als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel.
+
+"Doe het nu," fluistert Guy.
+
+"Ik durf niet--nog niet," antwoordt Oliver.
+
+Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De
+Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver's gelaat krijtwit
+en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man,
+dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje,
+nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt.
+
+"Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt," stamelt Antony.
+
+"Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit
+is," fluistert Guy, die zich het eerst herstelt.
+
+"Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco's
+achterdocht is gaande gemaakt,--de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten
+vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer
+kunnen arbeiden." Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn
+witte lippen.
+
+Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte;
+bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers
+van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met
+den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt
+glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en
+opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet
+zoo heel vast meer op zijn beenen.
+
+Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden
+onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de
+dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer
+van de hoofdstad. Guy,--die het hoofd heeft afgewend en enkel op de
+gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van
+zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal
+winnen,--voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend,
+het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen.
+
+"Hij komt weer bij!" fluistert deze.
+
+"Wie?"
+
+"Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap
+winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende
+eenige bekers bij Floris ten achteren te komen."
+
+Dat is ook het gevoelen van Floris' vrienden; en als De Guerra nog
+wankelend uitroept: "Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van
+Brussel," komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon.
+
+Maar De Vriendt zegt: "Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers
+voor en speel het toch wel met hem klaar."
+
+Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken
+wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel
+was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen
+over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach
+van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte
+Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk
+wordt,--woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel.
+
+Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen.
+
+"Nu is het uw laatste kans," fluistert Guy.
+
+Een bediende roepend, zegt Antony: "Een beker van uw zwaarsten
+Rijnwijn, maar spoedig."
+
+Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het
+volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander
+door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is het oogenblik
+om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen.
+
+Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten,
+gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder,
+die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met
+zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt
+een gedeelte van het sterke vergift in den beker.
+
+"Geef hem vooral genoeg," fluistert Guy, die voor zijn vriend is
+gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo
+groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,--daar er
+weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,--dat het
+niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen
+niet genomen.
+
+Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop
+reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met
+het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen
+der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: "Breng dit
+aan den Spanjaard Vasco de Guerra."
+
+"Ja."
+
+"Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze
+vlok er in!"
+
+"Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!"
+
+"Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle
+Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!"
+
+Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor
+een nieuw rondje, de Spanjaard steviger op zijn voeten dan de andere,
+want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille
+naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand
+voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos
+van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt.
+
+Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco
+de Guerra uit: "Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn
+knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!"
+
+En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een
+lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger
+kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want
+de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer
+op zijn beenen staan.
+
+"Vervl ...," fluistert Oliver. "Het vergift werkt niet."
+
+"Wacht maar," antwoordt Guy.
+
+Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze
+spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn
+neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken.
+
+Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen
+nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft.
+
+Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op,
+Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn
+voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden.
+
+"Drink!" zegt De Guerra, en de schilder werkt met moeite zijn portie
+naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot.
+
+"Let nu op, hoe ik het doe!" en Vasco neemt vlug, bedaard en
+zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der
+omstanders, die op hem gewed hebben.
+
+Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil
+brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering,
+zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend
+op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof
+hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de
+lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen,
+terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris
+hebben gehouden.
+
+Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend,
+zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche
+lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes
+leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij
+uit: "Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard van _Het
+Geschilderde Huis_!" en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat
+hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer
+voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend,
+naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn
+overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte,
+dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken,
+en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen.
+
+De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht
+meer aan "de Zes Drinkebroers van Brussel", behalve misschien een
+enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost,
+een paar schoppen geeft.
+
+Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar
+ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen.
+
+Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en
+er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje.
+
+Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het
+bekijkt: "Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!"
+
+Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer
+en prevelt: "De spion is dood!" En de Vlaming haalt verruimd adem,--een
+van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood
+van De Guerra afgewend.
+
+De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: "Uw komst
+ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,--tenminste voor
+een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!"
+
+Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn
+gekomen, neemt Oliver's gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan
+en hij fluistert: "Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst
+vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen
+gebracht?"
+
+Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen
+wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas
+wappert. Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange,
+magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche
+wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van
+het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die
+orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk
+zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde
+punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar
+is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt;
+de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de
+onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is
+hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent
+er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek,
+forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek
+en aschkleurig,--het geheel vormt een gezicht, koud als de dood,
+waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen;
+en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de
+trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy's hart
+den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen
+oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: "Alva!"
+
+De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto,
+zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen
+zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit.
+
+Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn
+scherpe oogen uit de hoogte op de menigte neer, die hem met den hoed
+in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept:
+"Oliver! Antonius Oliver!" en de schilder, naar voren tredend, buigt
+voor het strijdros van den Hertog.
+
+"Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een
+zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono's regiment musketiers,
+voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen,
+ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever
+dadelijk zelf naar de Citadel," beveelt de landvoogd.
+
+"Met verlof,--Uwe Hoogheid," antwoordt Oliver, "de man--de man,
+naar wien gij vraagt--"
+
+"Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?" zegt de Onderkoning, want de
+onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den
+schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders
+ook is.
+
+"Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort
+tot 'de Zes Drinkebroers van Brussel', nu smoordronken in de herberg
+ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt."
+
+"Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!" zegt
+Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er
+van siddert: "En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen
+in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling
+doen,--waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,--wat
+mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den
+provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstond in arrest neemt. Ik
+wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,--dien zot,
+dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij
+heeft te zeggen.--Voorwaarts, heeren!"
+
+En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos
+latende staan, als het lijk in _Het Geschilderde Huis_; want Oliver
+weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer,
+en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: "Brr! De beul
+heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+ALVA'S DOCHTER.
+
+
+"Ja, het was juist op tijd," fluistert de Engelschman, eveneens een
+zucht van verlichting slakend. Daarna werpt hij een haastigen blik
+op de groote Hollandsche klok in de gelagkamer, die langzaam tikt.
+
+Als hij dit opmerkt, begint de schilder te lachen. "Het zien van den
+vader doet u naar de dochter verlangen, hè? Maar ge zult nog een half
+uurtje geduld moeten hebben, mijn ongeduldige minnaar. Buitendien heb
+ik vandaag nog niets gegeten. De provoost-geweldige moet maar wachten,
+tot ik verzadigd ben. Neem deel--aan mijn diner."
+
+Nadat zij hun verlangen aan een vluggen knecht hebben kenbaar gemaakt,
+nemen zij plaats, om een haastigen en toch gezelligen maaltijd te
+houden, met een vredig en voldaan gevoel, want deze jonge mannen zijn
+zóó gewend aan gevaar, dat iedere korte pauze in hun aanhoudende
+worsteling met den dood hun een kalme, rustige en genoeglijke tijd
+toeschijnt.
+
+Terwijl hij eet en drinkt, werpt Guy nu en dan een afgetrokken blik
+naar buiten; er gaan een menigte menschen over de Schoenmarkt. Deze
+menigte heeft een schilderachtig aanzien door de bonte mengeling
+van kleederdrachten, want bijna alle natiën der wereld zijn hier
+vertegenwoordigd. Antwerpen is op dit oogenblik het middelpunt van
+Noord-Europa en de grootste handelsstad van de wereld.
+
+Op de rivier liggen schepen, die ladingen innemen, bestemd voor de
+Indien, Oost en West, zelfs voor de ver verwijderde stranden van Peru
+en de Kaap de Goede Hoop; andere, die terugkeeren uit de Oostzee en
+de Middellandsche zee, worden gelost, en dientengevolge verhoogen
+zeelieden en bezoekers uit alle bekende deelen van den aardbol de
+levendigheid van het tooneel.
+
+Vreemd genoeg, ziet men op dat tijdstip geen Engelschen in Antwerpen;
+want sinds Elizabeth de achthonderd duizend kronen van Alva roofde,
+heeft de Hertog allen handel met Groot-Brittannië verboden en beslag
+gelegd op alle Engelsche bezittingen in de stad, en alle Engelschen,
+die te Antwerpen woonden, of er zaken deden, vandaar verdreven;
+en vroeger hielden er zich een groot aantal op en was de Engelsche
+wolhandel een voorname bron van inkomsten voor de stad. Juist nu
+heeft Antwerpen zijn toppunt bereikt, waarvan het spoedig, tengevolge
+van de afpersingen, de belastingen en de tyrannie van den Spanjaard,
+zal dalen tot een handelsstad van den vierden rang.
+
+De burgers echter, ofschoon lijdende onder den druk, vermoeden
+daarvan nog niets, en de kooplieden gaan lachend over de straat, zich
+beschouwende als vorsten op een handelstroon, die nooit kan wankelen.
+
+De totale afwezigheid van Engelsch bloed en Engelsche gelaatstrekken
+zouden Guy in het oog doen loopen, als er niet verscheidene Deensche
+officieren van De Billy in de stad waren, bij sommigen van welke
+men eveneens het blonde haar en de blauwe oogen van het Saksische
+type opmerkt.
+
+"Nu moet ik Alva's bevel aan den provoost-geweldige
+overbrengen. Gelukkig is zijn bureau niet ver van hier. Wacht op mij,
+ik ben in een kwartier terug. Gij behoeft niet zoo ongeduldig naar
+de klok te kijken," zegt Oliver lachend.
+
+Maar Guy kijkt niet naar de klok. Zijn oogen zijn gevestigd op een
+man in de kleederdracht van een Zeeuwschen handelaar, die zorgvuldig
+zijn schildpadden bril afveegt en daarna het plakkaat leest, dat een
+belooning uitlooft voor het hoofd van den "Eerste der Engelschen". Als
+de Zeeuw zich omkeert, is de Engelschman er zeker van, dat hij hem
+meer heeft gezien.
+
+Een oogenblik later meent Guy, dat de man hem ook herkent; ofschoon
+hij het hoofd afwendt, houdt hij hem toch in het oog en merkt op,
+dat deze van zijn kant hetzelfde doet.
+
+"Laat mij meegaan naar den provoost-geweldige," fluistert hij
+Oliver toe.
+
+"Gij--wilt _daar_ heengaan?" brengt Antony verwonderd uit, zijn oogen
+wijd openend.
+
+"Ja," antwoordt Guy. "Er is hier een man, die mij herkent en ook
+bekend is geworden met de waarde van mijn hoofd. Als hij mij volgt,
+zal ik hem een poets bakken."
+
+Als zij zich op weg begeven, Oliver met een heel ernstig gelaat,
+ontmoeten zij den kleinen De Busaco, die met groote passen naar hen
+toe komt en buitengewoon hartelijk wordt verwelkomd door Chester, daar
+deze niet ten onrechte meent, dat intimiteit met Spaansche officieren
+de achterdocht van den man, die hem bespiedt, misschien zal verdrijven.
+
+"Gij zijt in goed gezelschap, zie ik, Amati," zegt de kleine
+vaandrig. "Wees zoo goed, mij voor te stellen aan den ondersecretaris
+van den Hertog."
+
+En als dit gedaan is, vraagt de jonge Spanjaard: "Waar gaat gij heen?"
+
+"Naar den provoost-geweldige."
+
+"Dan ga ik mee," herneemt De Busaco. "Ik moet daar toevallig
+ook wezen. Ik zou gaarne verlof hebben, om vanavond in de stad te
+blijven. Een Vlaamsche schoone, gij begrijpt me!" en hij strijkt zijn
+knevel krijgshaftig in de hoogte.
+
+Als zij samen hun weg vervolgen, begint De Busaco, die zich
+blijkbaar om die reden bij hem heeft gevoegd, Oliver uit te hooren,
+welke vooruitzichten er bestaan op een spoedige betaling van de
+achterstallige soldij voor het garnizoen van Antwerpen; of hij iets van
+de plannen van den Hertog weet; of de tiende penning geregeld inkomt,
+enzoovoort; zijn verliezen bij het drinkgelag hebben klaarblijkelijk
+zijn belangstelling in die zaak nog aanmerkelijk verhoogd.
+
+Guy let hier echter weinig op. Hij is geheel oog en oor om te
+ontdekken, of de Zeeuw hen volgt. Op de Schoenmarkt is het zóó druk,
+dat dit moeilijk valt uit te maken, maar als zij de Kammestraat zijn
+ingeslagen, de herberg _De Roode Leeuw_ voorbij zijn en de nauwe
+steegjes, die naar de voornaamste waterpoort van de stad leiden,
+waar het bureau van den provoost-geweldige zich bevindt, wordt de
+menigte minder talrijk, en als Guy zich even omkeert, ziet hij den
+man dicht achter zich.
+
+Deze volgt het drietal tot aan de poort, doch blijft als versteend
+van verbazing staan, als hij Guy en Oliver, vergezeld door den
+Spaanschen officier, het bureau van Alva's provoost-geweldige ziet
+binnentreden, op de deur van welk gebouw de belooning van drie duizend
+Carolus-guldens is aangeplakt.
+
+"De Busaco," merkt de Engelschman op, terwijl hij aan de deur blijft
+stilstaan, "ziet gij ginds dien Zeeuw?"
+
+"Ja."
+
+"Wilt gij een klein sommetje verdienen, als schadeloosstelling voor
+uw achterstallige soldij?"
+
+"_Santos_! Wat graag!"
+
+"Roep dan een paar soldaten en neem hem gevangen. Hij woont in de
+weerspannige gewesten, te Vlissingen. Ik geloof dat de Raad van
+Beroerten op hem loert."
+
+"Een belooning!" roept de kleine Spanjaard uit, en de wachtkamer
+binnenstormend, met verwaarloozing van alle militaire vormen,
+schreeuwt hij: "Gauw, gauw, een paar man tot mijn assistentie,--er
+is wat te verdienen!"
+
+Twee Spaansche soldaten komen ijlings naar hem toe, hij snelt met
+hen de straat op en achtervolgt weldra, zoo snel als hij kan, den
+Zeeuwschen koopman, schreeuwend: "_Heretico fugitivo!_" en andere
+woorden van dolle woede, welke den persoon in quaestie beenen doen
+maken, met het gunstig gevolg dat deze, die goed den weg weet in de
+stad, zich kan verbergen in een van de blinde sloppen van dit kwartier
+en den kleinen Spanjaard ontsnapt, wiens hooge, wijde laarzen juist
+niet bevorderlijk zijn aan zijn vlugheid van beweging.
+
+"Ik kon hem niet inhalen," klaagt De Busaco, als hij vijf minuten later
+buiten adem terugkomt, aan Guy, "maar ik zal hem in het oog houden."
+
+"Doe dat; de belooning zal u uw achterstallige soldij doen vergeten,"
+merkt Guy op, als Oliver terugkeert, nadat hij met den kapitein van
+de wacht alles heeft afgesproken voor de arrestatie van De Guerra.
+
+"Ik denk," lacht Chester, als hij en Oliver hun weg vervolgen (want
+zij hebben den vaandrig bij den provoost-geweldige gelaten), "dat
+die snuiter uit Zeeland wel geen haast zal maken, zich aan een der
+wachthuizen in de stad aan te melden, om inlichtingen omtrent mij te
+verschaffen. En nu, na gevaar--" de uitdrukking van zijn gelaat geeft
+zijn bedoeling te kennen aan den schilder, die zijn woorden aanvult
+met: "Liefde!"
+
+De twee vrienden gaan nu weer door de Kammestraat over de Schoenmarkt
+naar de Place de Meir, waar het deftige huis van Bodé Volckers ligt, en
+als zij er binnentreden, bevinden zij zich weldra in tegenwoordigheid
+van een koopmansfamilie uit dien tijd.
+
+Guy is echter een weinig teleurgesteld, als hij, de verwulfde
+koetspoort doorgaande, geen equipage op het binnenplein ziet staan.
+
+"Wees niet ongeduldig, het is beter, dat wij de eersten zijn, dan
+kan ik alles voor de inkoopen regelen, eer Dona de Alva met de Gravin
+komt," zegt de schilder.
+
+Oliver gaat Guy voor met de familiariteit van den vriend des huizes en
+klopt aan een zijdeur aan den overkant van het binnenplein, die bijna
+onmiddellijk wordt geopend door het dienstmeisje van den vorigen avond;
+de kamenier Wiarda is zeker ergens anders bezig.
+
+Zij worden regelrecht geleid in een vertrek, dat blijkbaar de
+huiskamer is. De leden van het gezin,--bestaande uit den koopman
+zelf, zijn zoon Jacob, een jongen van zestien jaar, die pas de
+school voor het kantoor heeft verlaten, en zijn dochter Wilhelmina,
+wier zijdeachtige blonde krullen en vroolijke blauwe oogen zulk een
+diepen indruk hebben gemaakt op Olivers hart,--voeren blijkbaar een
+klein dispuut, want hun stemmen klinken luid en schel.
+
+De oude heer, een energieke maar corpulente Vlaming, met het type
+van een rijk koopman, is zeer opgewonden. Zijn wangen zijn rood
+van drift. Ook in de blauwe oogen van de jonge dame flikkert toorn,
+ofschoon zij min of meer omfloerst zijn door ingehouden tranen, en een
+der hoeken van den fijn besneden mond trilt zenuwachtig. De jongen
+schijnt, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd zouden doen,
+zich te vermaken met de woordenwisseling tusschen zijn vader en zijn
+zuster, want zijn blond Germaansch gezicht heeft moeite om een lach
+te weerhouden. Als hij durfde, zou hij het uitschateren van pret.
+
+"Zoo, Oliver," roept de koopman uit, hem te gemoet komende met
+uitgestoken handen, "terug van Brussel! Dat was maar een kort
+uitstapje!" en hij verwelkomt den schilder, los en gemeenzaam, als
+een vriend des huizes.
+
+Juffer Wilhelmina daarentegen groet Antony op deftige Spaansche wijze,
+en steekt haar beminde de blanke vingers toe, hem verlof gevend,
+ze te kussen.
+
+De jongen giegelt alleen: "Hoe gaat het u?"
+
+"Ik ben zoo vrij geweest, een vriend mee te brengen, kapitein Guido
+Amati van het garnizoen te Middelburg," zegt de schilder.
+
+"Een vriend van u, Oliver! Welkom,--welkom in mijn huis," zegt Niklaas
+met Vlaamsche gastvrijheid, Guy hartelijk de hand schuddend.
+
+"Kapitein Amati is een kennis van Dona Hermoine, en als secretaris
+van den Hertog--"
+
+Het is onnoodig, meer te zeggen; als hij den naam van de dochter van
+den Onderkoning uitspreekt, is juffrouw Wilhelmina ook aanstonds een
+en al voorkomendheid en houdt hem haar slanke vingers toe voor een
+Spaanschen groet. Guy weet nu ook wat hem te doen staat, hij vergist
+zich ditmaal niet en drukt een kus op de blanke hand, waarvoor hij
+misschien wel wat veel tijd neemt, naar Oliver's meening.
+
+De koopman, op en top de eenvoudige Vlaming, roept nu uit: "Stoelen,
+Wilhelmina; stoelen voor de heeren!"
+
+"Vader," antwoordt het meisje op hoogen toon, "gij vergeet, dat wij
+lakeien in huis hebben," en na een tafelschel in beweging te hebben
+gebracht, beveelt zij den binnentredenden bediende, den cavaliers
+stoelen te geven.
+
+"Oho! nog meer vreemde kuren!" spot de oude heer op scherpen toon,
+blijkbaar het gesprek weer opnemend, waar het was afgebroken. "Vergeet
+den Vlaamschen eenvoud niet, mijn dochter. Ofschoon uw vader een
+millionnair wordt genoemd, kon hij wel eens niet lang meer een
+millionnair blijven, tengevolge van dien verwenschten tienden penning,"
+voegt Niklaas er aan toe, op de tanden knarsend.
+
+"Gij komt van Brussel, senor Antony," valt de jonge dame hem in de
+rede, de Spaansche wijze van aanspreken navolgend. "Daar hebt gij
+zeker, als onder-secretaris van den Hertog, de hertogin van Aerschot
+ontmoet. Zij komt vandaag in Antwerpen en geeft morgenavond een
+partij. Gij komt er natuurlijk ook, kapitein Amati, en gij eveneens,
+senor Oliver?"
+
+"Ik moet ongelukkig Antwerpen vanavond alweer verlaten," antwoordt Guy.
+
+"En onder-secretarissen en herauten worden niet uitgenoodigd," merkt
+de schilder op, die zich klaarblijkelijk met hun uitsluiting volstrekt
+niet kan vereenigen.
+
+"Maar gij zijt toch zeker uitgenoodigd, freule Bodé Volckers?" vraagt
+Guy. "Uw dansen wordt, naar ik hoor, zeer bewonderd."
+
+"Natuurlijk," antwoordt de jonge dame achteloos.
+
+"Natuurlijk _niet_!" roept de Vlaamsche vader uit met het air van
+een Romeinschen.
+
+"Papa!"
+
+"Wel vermaledijd! Denkt gij, dat ik u nogmaals zal toestaan, jonge
+dame, mijn koetspaarden tot laat in den nacht buiten te laten wachten,
+zooals gisteravond, zoodat zij 's morgens voor den vrachtwagen in slaap
+vallen! De gravin van Mansfeld gisteren en de hertogin van Aerschot
+morgen, en gij niet vóór het middagmaal uit uw bed! Mijn bedienden
+spelen den baas in huis; gij houdt sinds weken uw huishoudboek niet
+meer bij. Spreek mij niet tegen, dametje, ik heb uw huishoudboek
+ingekeken, niets opgeschreven,--niets opgeschreven,--geen greintje
+handelsgeest! Maar laat ik u zeggen," voegt de oude heer er aan toe,
+"dat als zoo iets weer gebeurt, gij voortaan om acht uur beneden
+zult zijn, om de vrouwelijke klanten in den winkel te bedienen,"
+en hij wijst naar het gedeelte van het huis, waar het magazijn zich
+bevindt. "Onthoud dat!"
+
+En zijn woede verder opkroppend, zegt papa Bodé Volckers Guy en Oliver
+vaarwel met de hatelijke opmerking, dat hij de zaken wel moet nagaan,
+als niemand anders in huis het doet, en neemt den giegelenden jongen
+met zich.
+
+"Papa is heel zonderling. Een dergelijk gesprek begint altijd met den
+tienden penning," merkt de jonge dame ernstig op. Dan vervolgt zij,
+half zuchtend, half lachend: "Wij hebben dat bijna iedere week,
+ofschoon niet altijd in het publiek. Hij zal zoo aanstonds wel
+terugkomen," en zij begint verschrikt en zenuwachtig te lachen, als
+de oude heer haar profetie vervult, door zijn hoofd door de deur te
+steken en te roepen:
+
+"En den Franschen kakkerlak, die u leert uw voeten in de lucht
+te gooien, heb ik vanmorgen met ceintuur, halskraag en al de deur
+uitgesmeten!"
+
+Dit bericht blijkt echter te veel voor de zelfbeheersching der schoone
+Wilhelmina. Met een kreet van schrik springt zij op. "O papa! Arme,
+lieve, kleine monsieur de Valmy!" en de tranen springen haar in
+de oogen.
+
+"Ja, en de muziekmeester, die vent, die op het spinet speelt, zal
+hem volgen. Niets meer van al die malle bokkensprongen, niets meer
+van al die halve trillers en dat hooge Italiaansche gegil," bromt de
+oud-burgemeester. "Denk aan den tienden penning! Op een goeden dag
+zal ik zelf nog muziekmeester moeten worden," en onder het uiten van
+die buitensporige profetie verdwijnt Bodé Volckers naar zijn kantoor.
+
+Maar dit is iedereen te kras. Allen beginnen te schateren, juffrouw
+Wilhelmina het hardst, steeds uitroepend: "Muziekmeester! Daar is
+hij juist voor in de wieg gelegd! Halve trillers en gegil!"
+
+En terwijl zij plaats neemt voor het spinet, begint zij glimlachend
+een Provençaalsch liedeke te zingen, met zooveel natuurlijke gratie,
+dat beiden, Oliver en Guy, eenstemmig verklaren, dat het schande zou
+zijn, als de muziekmeester werd afgedankt, tiende penning of geen
+tiende penning.
+
+Dit schijnt hen allen op hun gemak te zetten, en juffrouw Bodé Volckers
+vergast nu de heeren op een verslag van het groote feest bij de gravin
+van Mansfeld ter eere van Dona Hermoine de Alva, den vorigen avond,
+en noemt de namen van de seigneurs de Noircarmes, d'Avila, Mondragon,
+Gabriel de Cerbolloni en andere officieren en edelen, die tegenwoordig
+waren, evenals de jongere gravin van Mansfeld, de aristocratische
+barones d'Ayala en de schoone Dona Anica de la Medrado, die juist
+uit Madrid was aangekomen en de laatste modes had meegebracht. "Ik
+was de eenige _uit de stad_," voegde zij er argeloos aan toe, "maar
+mijn dansen werd zeer bewonderd."
+
+Een oogenblik later wordt dit bewezen.
+
+Men hoort het trappelen van hoeven op het plein en men ziet vier
+prachtige Spaansche muilezels aankomen met een staatsiekoets achter
+zich, de voorrijders en lakeien in de schitterende livrei van Alva.
+
+Een seconde later komt Dona Hermoine de kamer binnen, gekleed in
+kostbaar bont, haar trotsch hoofd beschaduwd door een zwierigen
+Spaanschen hoed met lange witte veeren, haar donkerkleurig gelaat
+stralend, terwijl haar oogen nog levendiger worden, zoodra zij Guy
+opmerkt. Achter haar aan schrijdt de gravin De Pariza, duena van top
+tot teen.
+
+Ofschoon Guy en Oliver zoo vlug mogelijk opstaan om rang, titel en
+schoonheid te begroeten, is juffrouw Bodé Volckers hun toch reeds
+voor en verwelkomt de dames, die haar en haar huis zooveel eer aandoen.
+
+"Hoe minzaam van u, Dona de Alva, hoe vriendelijk van u, gravin
+De Pariza," zegt zij, "om mij zooveel eer in mijn eigen huis te
+bewijzen," en buigende tot op den grond, kust zij Hermoine's hand,
+hetgeen die jonge dame, dochter van den onderkoning van Spanje,
+genadig veroorlooft,--daarna gaat deze echter onmiddellijk op de
+buigende heeren af, om hun hetzelfde voorrecht toe te staan.
+
+De gravin De Pariza steekt haar deftige, magere, strenge hand niet
+uit als de dochter van den oud-burgemeester tot op den grond voor
+haar buigt, doch zegt tamelijk uit de hoogte: "Wij zijn hier gekomen,
+_juffrouw_ Bodé Volckers, om u nog eens te zien dansen. Het verschafte
+mij gisteravond veel vermaak."
+
+"Om mij te zien dansen--_hier_?" zegt de jonge dame pruilend,
+omdat de Gravin haar aanspreekt met _juffrouw_, den titel van de
+middelklassen, en haar met weinig meer onderscheiding behandelt
+dan een dienstmeisje. "Ik--ik ben niet in kostuum. Buitendien, deze
+heeren--". Juffrouw Bodé Volckers is geheel van haar stuk gebracht,
+daar het verzoek het karakter draagt van een bevel, dat haar voor
+kapitein Guido Amati meer het voorkomen geeft van een danseres,
+dan van een jonge dame uit de groote wereld.
+
+"O, gij kunt uw kostuum immers aandoen. Ga naar boven en haast u een
+weinig. Die rose zijden kousen staan u goed," antwoordt senora De
+Pariza. "En wat deze heeren betreft,"--zij vestigt haar Argusoogen op
+Chester en Oliver, die in gesprek zijn met Dona Hermoine, ofschoon
+Antony, als onder-secretaris van haar vader, een weinig achter den
+Engelschman staat, die een krijgsman van rang en aanzien is met
+zijn titel van kapitein van de musketiers,--"dat zijn natuurlijk
+familieleden, daar gij ze alléén ontvangt, juffrouw Bodé Volckers. Maar
+dat komt niet te pas voor een meisje van uw leeftijd. Slechts met
+broers mag men zich zoo iets veroorloven, met neven is het reeds
+gevaarlijk. Wip dus vlug de trappen op en trek dat Hongaarsch kostuum
+aan, dat u gisteravond zoo goed stond. Ik zal een mijner Moorsche
+meisjes vragen, om op het spinet te spelen."
+
+En de duena wil zich reeds naar de deur begeven, om een der meisjes te
+laten komen, als Dona Hermoine, die de verlegenheid opmerkt, waarin
+het bevel het jonge meisje, dat haar hartje zoo hoog draagt, heeft
+gebracht,--met die neerbuigende minzaamheid, waarmee hooggeplaatste
+personen beneden hen in rang staanden op hun gemak weten te zetten,
+plotseling uitroept:
+
+"Dansen, gravin? Dan ben ik tot uw dienst!" en met een bevalligen zwaai
+haar pelsmantel afwerpend en den zoom van haar zijden japon opnemend,
+staat zij in een losse, bevallige houding voor hen, terwijl zij
+lachend zegt: "Castagnettes, en ik ben een Andalusische Zigeunerin!"
+
+Maar de duena keert onthutst terug en roept verbolgen uit: "Voor deze
+heeren, Dona de Alva?"
+
+"Waarom niet, als ik goed genoeg kan dansen, om hen te
+behagen? Kapitein Guido heeft mij gisteravond zulk een grooten dienst
+bewezen, dat ik wel iets tot zijn belooning en voor zijn genoegen
+mag doen, en senor Oliver is iemand, die tot mijns vaders huishouding
+behoort en als zoodanig een goede bekende."
+
+Bij deze woorden deinst Oliver een stap achteruit. Den vader, den
+tyran, kon hij verraden, maar de gedachte, dat dit wezen, zoo goed en
+beminnelijk, hem eens voor een verrader en een laaghartige zal houden,
+doet nu reeds de wroeging aan zijn hart knagen.
+
+"Dansen! De dochter van den Onderkoning hier dansen en haar voeten
+hoog oplichten?" roept de duena verontwaardigd uit.
+
+"Waarom niet?" lacht het meisje overmoedig. "Heb ik dan niet geposeerd
+voor Oliver's Madonna--en dat nog wel met _bloote_ voeten? Eenmaal
+zal ik senor Antony beroemd maken of, liever, hij zal mij onsterfelijk
+maken door zijn talent en zijn altaarstuk."
+
+"Gij hebt voor uw voeten geposeerd?" zegt Guy op halfluiden toon,
+met verrukking het fraai gevormde voetje beschouwend, dat het meisje
+laat zien, terwijl zij nog steeds in de houding van een Zigeunerin
+voor hen staat.
+
+"Ja, ik hoop, dat hij ze naar uw smaak klein genoeg geschilderd heeft,"
+lacht de jonge dame. "Maar ga gij aan het spinet zitten, senorita
+Mina, en speel voor mij, opdat ik de gravin De Pariza met een dansje
+genoegen kan doen," voegt Dona Hermoine er aan toe, haar duena, die
+haar verlangen naar een proeve van de kunst van Terpsichore geheel
+schijnt verloren te hebben, schalks aankijkend.
+
+Deze zegt dan ook scherp: "Als juffrouw Bodé Volckers niet genegen is,
+mij het genoegen van gisteravond nog eens te doen smaken, zal ik naar
+haar vaders winkel gaan en zien, of daar vandaag ook koopjes zijn te
+doen in Lyonsche zijde en fluweel en Venetiaansche kant."
+
+"Dat zou ik denken!" merkt Oliver op. "Buitengewone koopjes! De schade,
+door het water veroorzaakt, moet alle prijzen verlaagd hebben."
+
+"Koopjes? Kom, laat ik dan eens gaan zien," en De Pariza begeeft zich
+naar de deur om haar beide Moorsche meisjes te roepen, maar Guy, die
+haar reeds, van het oogenblik af, dat zij binnenkwam, naar de maan
+heeft gewenscht, haast zich beleefd de deur voor haar te openen, die
+toegang geeft tot het binnenplein, aan welks overzijde het magazijn
+van den koopman zich bevindt.
+
+Dona Hermoine is blijkbaar niet gekomen, om ook inkoopen te doen;
+zij vergezelt haar duena tenminste niet, maar blijft nog staan,
+een toonbeeld van gratie, in de houding, die zij voor den dans heeft
+aangenomen.
+
+"Gij maakt u niet druk met nieuwe kostuums, Dona de Alva," merkt
+Guy droomerig op, geheel onder den indruk van de bevallige pose
+van het meisje, die nog wordt verhoogd door het engsluitende half
+Zuid-Spaansch, half Moorsch kostuum van dunne stof, dat elke lijn van
+haar bevallige schoonheid duidelijk doet uitkomen en, opgenomen door
+een fijn handje, even een enkel laat zien, zoo volmaakt in proportie
+en vorm, dat dichters er over zouden droomen,--maar de vermetele
+jonge zeeman is er eenvoudig verliefd op.
+
+"Neen, waarom ook? Ik heb ze bij dozijnen, die ik niet eens alle
+draag, en Papa zou er mij duizend geven als ik dwaas genoeg was,
+er hem om te vragen," antwoordt Dona Hermoine, haar Zigeunerhouding
+opgevende en haar Moorschen rok latende vallen. "Hij geeft mij alles,
+wat ik begeer." Dan merkt zij naïef op: "Gij zijt mijn naam te
+weten gekomen--gij weet nu, dat ik de dochter van den Viceroy ben,
+kapitein Guido _Amati_. Gij--gij ziet, dat ook ik uw naam ben te
+weten gekomen. Of beter gezegd: majoor Guido Amati."
+
+"Majoor?"
+
+"Ja; bevorderd sedert vanmorgen!"
+
+"Maar uw vader--?"
+
+"O, ik heb hem er niets van gezegd. Gij zijt afwezig zonder verlof. Ik
+heb ook niets gezegd aan Sancho d'Avila, die kolonel in uw regiment
+is, tijdens Romero's verblijf in Spanje. Maar er was een plaats open
+en het was gemakkelijk, haar te doen geven aan kapitein Guido Amati,
+die, zooals mij werd verteld, de dapperste officier van het leger is,
+of althans een van de dappersten."
+
+"Majoor bij Romero's voetvolk!" stamelt Guy, die haar, terwijl zij
+sprak, geheel verbijsterd heeft aangestaard.
+
+"Ja, ik heb de monsterrol van het regiment zelf ingezien, om mij te
+overtuigen, dat kapitein veranderd was in majoor."
+
+"De monsterrol!" brengt Guy met moeite uit, zijn ooren niet
+vertrouwend.
+
+"Ja, er zijn duplicaten in de Citadel."
+
+"De monsterrol in de Citadel," stamelt hij, geheel verbluft. Maar hij
+is gelukkig zoo wijs te bedenken, dat verbazing hem zal verraden,
+en dat dankbaarheid het eenige is, waarmee hij deze verrassende
+mededeeling kan ontvangen, een dankbaarheid, die hem niet moeilijk
+valt. Zijn voordeel doende met de houding der jonge dame, want zij
+heeft haar hand naar hem uitgestrekt met een gelukkig, bevallig gebaar,
+drukt hij er één kus van erkentelijkheid op en twee kussen van liefde,
+waarop mademoiselle Brunette's leliën in rozen veranderen.
+
+Dit wordt begunstigd door de omstandigheid, dat het paar zich alleen
+bevindt, daar Oliver de schoone Mina heeft meegetroond naar de
+aangrenzende kamer en haar in het oor fluistert: "Kijk eens in Dona
+Hermoine's oogen. Leest gij daarin geen verzoek, dwaas meisje? Zij
+redde u uit de verlegenheid, waarin haar duena's verzoek om te dansen
+u bracht; doe nu ook iets voor haar. En doe ook uw vader genoegen. Ga
+naar het magazijn en wees koopvrouw. Laat de gravin De Pariza de nieuwe
+stoffen zien. Maak er koopjes van. Stel den prijs de helft lager."
+
+"_De helft_ lager! Goede hemel, wat zal mijn vader daarvan zeggen?"
+
+"Ik zal het ontbrekende betalen, of liever kapitein Amati."
+
+"O, nu vat ik het," lacht het meisje. "Maar wat zal haar vader,
+de geduchte Hertog, zeggen?"
+
+"Hij zal het nooit te weten komen, als gij de gravin De Pariza maar
+koopjes genoeg aanbiedt, om haar een geruimen tijd bezig te houden. Doe
+het--voor mij."
+
+"O, gij-!"
+
+Want de schilder heeft aan dit "voor mij" kracht bijgezet, door haar
+een zoen te ontstelen.
+
+Aldus geprest en een blik opvangend uit Hermoine's schitterende oogen,
+waaruit werkelijk een verzoek spreekt, snelt Mina weg, om op Oliver's
+aandringen de kostbaarste stoffen in haar vaders magazijn tot koopjes
+te verlagen, en de prijzen zóó te verminderen, dat Bodé Volckers
+krankzinnig zou worden van ergernis, als hij er bij tegenwoordig was
+geweest; maar mijnheer Bodé Volckers is gelukkig naar de kade gegaan,
+om het oog te houden op het lossen van een schip.
+
+Oliver begeeft zich naar het uiterste einde van het aangrenzende
+vertrek, en ofschoon hij feitelijk aanwezig is, ziet hij toch
+inderdaad niets en de dochter van den Onderkoning en Guy Stanhope
+Chester zijn alleen.
+
+"Gij ziet," zegt de jonge dame schalks, "dat ik onderzoek naar
+u heb gedaan. O, heb maar geen zorg. Niemand weet, dat gij hier
+zijt,--afwezig zonder verlof. Zij zouden u misschien geen majoor hebben
+gemaakt, als hun dat bekend was geweest. Maar ik heb hooren verluiden,
+dat gij nog meer zijt dan _majoor_ Guido Amati; gij zijt majoor Guido
+Amati de Medina, zoon van Hernandez de Medina, eens gouverneur van
+Hispaniola, en gij hebt gezworen uw doorluchten familienaam niet te
+zullen dragen, voordat gij generaal zijt, en dat zal nu niet lang
+meer duren."
+
+Daarna roept zij, in de handen klappend, levendig uit: "Nu, als gij een
+Medina zijt, moet gij een neef zijn van den hertog van Medina Coeli."
+
+"Slechts--een neef--in den derden graad," stamelt Guy, die denkt,
+dat zijn ooren hem bedriegen, ofschoon hij weet, dat zijn oogen hun
+werk uitstekend doen.
+
+"Nu, hoe dat ook zij, gij hebt het bloed van de grandes van Spanje
+in uw aderen, en als zoodanig staat uw familie gelijk met de mijne,"
+merkt het meisje op, een veelbeteekenenden nadruk leggend op de
+laatste woorden. "Als zoodanig moogt gij natuurlijk aan mijn zijde
+_zitten_," en terwijl de jonge dame op een Turksche sofa plaats neemt,
+een toonbeeld van beweeglijke gratie, noodigt zij Guy uit, gebruik
+te maken van het voorrecht, dat hij geniet als haar gelijke in rang.
+
+En als zij den Engelschman daarbij aankijkt, kleurt zij tot achter
+de ooren, en als antwoord begint Guy's hart sneller te kloppen,
+als hij bespeurt, wat er in het meisje omgaat.
+
+"Ik ben blij, dat gij zooveel van mij weet," zegt hij lachend. "Blij
+dat, hetgeen gij te weten zijt gekomen, u niet mishaagt."
+
+"O, dat weet ik nog niet," merkt de jonge dame op, en zegt met
+schalkschheid in haar toon, maar met trillende lippen: "Men fluistert
+ook, dat kapitein Guido Amati een zeer wild jongmensch was. Ik hoop,
+dat majoor Guido Amati zich beter zal gedragen. Men zegt echter
+tegelijk, dat gij de dapperste officier van het leger zijt." En het
+meisje kijkt hem verheugd, stralend en trotsch aan.
+
+Waarschijnlijk heeft haar verbeelding een geschiedenis verdicht,
+waarvan Guido Amati de held is; het toovert een licht in haar oogen,
+dat haar schoonheid verhoogt, want bezat zij niet zooveel vrouwelijke
+gratie, levendigheid en gevoel, dan zou haar schitterend vernuft
+misschien aan Hermoine de Alva's schoon gelaat een te groote koelheid
+verleenen.
+
+Maar nu het romantisme in haar natuur, dat tot nu toe sluimerde,
+in haar ontwaakt, wordt haar teeder gelaat als bezield,--als om een
+heilige te doen ontbranden, maar een zeeman...
+
+En hetgeen zij zegt, maakt de gelegenheid des te schooner. Zij houdt
+den ring met den robijn in de hoogte en fluistert: "Gij hebt mij
+dien teruggegeven?"
+
+"Alleen om u nog eens te zien," en Guy gaat naast haar zitten.
+
+"Als gij mij dan nog eens wilt zien, neem hem dan terug--schielijk."
+
+"Nooit!"
+
+"_Nooit_?"
+
+"_Nooit_! tenzij gij dezen ring, een van mijn sieraden uit Hispaniola,
+aan uw vinger wilt dragen." En de Engelschman maakt van zijn halsketen
+een ring los, waarin slechts een enkele diamant is gevat.
+
+"O, Santos! wat doet gij?" stamelt het meisje.
+
+Hij heeft nu haar fraai handje gegrepen en haar oogen kijken een
+oogenblik in de zijne en worden dan neergeslagen, zoodat de oogleden
+ze geheel bedekken. Het volgend oogenblik schittert de diamanten
+ring aan haar slanken vinger en Hermoine de Alva, de dochter van
+den onderkoning van Spanje, is slechts een vrouw--een liefhebbende
+vrouw--voor dezen man, die niet gedongen heeft naar haar hart, maar
+er zich stormenderhand van heeft meester gemaakt.
+
+"Neem den robijn--nu gij mij den diamant hebt gegeven," fluistert
+zij. "_Gij weet wat dat beteekent_?"
+
+"Goede Goden, of ik dat weet! Nu zijt gij mijn verloofde. Mijn,--mijn
+voor altijd!" En zijn overmoedige lippen geven haar kus op kus, niet
+als den vorigen avond, den vluchtigen, half geroofden kus onder de
+mistletow, maar den kus van een verlangend hart.
+
+"Pas op! Ik--ik ben de dochter van den Viceroy," fluistert het
+meisje. Zij laat haar hoofdje hangen, kijkt hem een oogenblik later
+weer aan en zegt met veel nadruk: "Mijn Guido, gij zijt vermetel!"
+
+"Ja," fluistert hij. "Al waart gij ook de koningin van Spanje, ik
+zou u toch liefhebben."
+
+"Dan zou uw liefde hopeloos zijn!"
+
+"Daar gij echter, Gode zij dank, Hermoine de Alva zijt," antwoordt Guy,
+"zal mijn liefde triumfeeren en zal ik u, dochter van den Viceroy,
+tot mijn vrouw maken. Hoort gij het?"--want bij het hooren van dezen
+nieuwen titel maakt zij een gebaar van ontsteltenis. "_Vrouw_! En elken
+keer dat gij tot mij zegt: 'Ik ben de dochter van den Viceroy,' of:
+'Neem u in acht voor den landvoogd der Nederlanden!' moeten uw lippen
+boete betalen, twee kussen voor ieder woord."
+
+"Madre Mia! Wat zijt gij onstuimig," roept het meisje uit, zich
+verzettend tegen de verlangde boete. Want Guy Stanhope Chester is
+half krankzinnig van liefde en ofschoon hij deze jonkvrouw, zijn
+gevangene, met eerbied behandelt, maakt hij haar toch op zulk een
+vrije en losse zeemansmanier het hof, dat hij de dochter van den
+Onderkoning geheel tot zijn slavin maakt. "Heilige Maagd! gij--gij
+zijt zoo--zoo geheel anders."
+
+"Dan wie?" roept Guy jaloersch.
+
+"Dan--dan mijn andere aanbidders, die mij naderen, buigend tot op
+den grond, flauwe complimenten afstekend en bedelend om de eer van
+mijn hand."
+
+"En dat hebben zij durven doen!" stuift onze held op, die nu deze
+aanminnige brunette, met de zielvolle, goddelijk schoone oogen,
+de wangen, waarop rozen en leliën bloeien, den blanken hals en de
+verrukkelijke vormen, half meisje, half vrouw,--kortom, Hermoine de
+Alva,--als zijn eigendom beschouwt.
+
+"Durven doen?" pruilt de jonge dame. Dan zegt zij lachend: "Waarom
+niet? Ben ik dan _zoo_ leelijk?"
+
+"Neen, neen; al te schoon."
+
+"En waarom zouden dan de Spaansche grandes en generaals en hidalgo's
+van vier en twintig kwartieren niet met nederige woorden en op
+eerbiedige wijze smeeken om een eer, die gij maar stoutweg neemt,
+mijn vermetele Guido, alsof de hemel u had gelijkgesteld in rang met
+mij, de dochter van den Viceroy!"
+
+"Dat heeft hij ook, door de liefde, uw liefde," en Guy neemt haar
+opnieuw in zijn armen, fluisterend: "Gij spraakt de woorden: 'dochter
+van den Viceroy'. Denk aan de boete."
+
+"Neem ze, tyran," fluistert het meisje, en met dezen naam, dien vrouwen
+bij voorkeur geven aan hen, die over haar liefde weten te gebieden,
+legt zij haar ziel op haar lippen en geeft ze hem.
+
+En dit spelletje zou in het oneindige voortgeduurd hebben, daar het
+paartje zich daarbij bijzonder schijnt te vermaken, als niet Oliver
+met luide voetstappen zijn komst uit de andere kamer had aangekondigd.
+
+Hij komt op hen af, en voor de jonge dame buigend, zegt hij: "Dona
+de Alva, ik heb de eer als heraut van uw vader u van zijn komst
+te verwittigen!"
+
+"Papa! Hier?" en met deze woorden springt het meisje op.
+
+"Ja, de cavalcade is reeds op de Schoenmarkt, de Hertog zoekt u
+waarschijnlijk. Ik zal de gravin De Pariza roepen."
+
+Als Oliver de deur achter zich toetrekt, begrijpt Guy, dat de tijd
+van afscheidnemen gekomen is, want Hermoine grijpt haar pelsmantel
+en fluistert: "Het is beter, dat Papa u niet ziet, daar gij u zonder
+verlof uit uw garnizoen verwijderd hebt. Ik zal hem op straat te
+gemoet gaan."
+
+En als Guy haar in haar mantel hult, iedere aanraking een
+liefkoozing, zegt zij vol beteekenis: "Ik ga een paar maanden in
+Brussel doorbrengen, maar als majoor Guido Amati de Medina verlof
+vraagt, om zijn garnizoen te Middelburg te mogen verlaten, zal hij het
+ongetwijfeld krijgen. Verwaarloos echter uw militaire plichten niet
+ter wille van mij. Denk er vooral aan, mijn Guido, dat elke schrede
+voorwaarts, die gij in het leger doet, u nader brengt bij de kerkdeur,
+waar uw bruid u wacht, die gij hebt doen vergeten, dat zij de dochter
+is van den Viceroy!"
+
+"De boete!" roept Guy, en neemt zijn kus zeer plechtig, want het rumoer
+van de naderende menigte kondigt reeds de komst van haar vader aan.
+
+Waarop de jonge dame met een allerliefst pruilmondje zegt: "Hoe
+akelig! Men zou denken, dat gij een aanbidder waart, die geen succes
+heeft! Maar uw boodschap door Oliver sprak van gevaar," en er klinkt
+angst in haar stem.
+
+"Ja, ik moet het wachtwoord van hedenavond hebben, om de schildwachten
+te kunnen passeeren. Ik moet vanavond nog vertrekken."
+
+"Om in Middelburg te zijn als uw bevordering aankomt, natuurlijk. Ik
+heb daaraan gedacht en het wachtwoord meegebracht." Dit zeggende,
+overhandigt zij hem een klein papiertje.
+
+Hij leest:
+
+Het wachtwoord is: "Santa Cruz."
+
+Het contrasigne: "Don Frederico."
+
+Terwijl hij leest, kijkt zij hem glimlachend aan: "Ik heb half en
+half lust, het u niet te geven. Wat bracht u, wilde jonge officier,
+zonder verlof naar Antwerpen?"
+
+"_Gij_!"
+
+"O!"
+
+"En voor u zou ik nog duizend keer terugkomen. Ik wilde naar de
+verdronken landen gaan, om eenden te schieten, toen ik door een hoogere
+bestiering u van de Watergeuzen mocht redden, mijn eigendom--mijn
+buit." En wetende dat hij de heele wereld tegen zich heeft bij zijn
+pogen om zijn geliefde tot zijn bruid te maken, wordt Guy door een
+razende smart aangegrepen, nu het oogenblik van scheiden is gekomen,
+dat hem erger toeschijnt dan de dood. Treurigheid is aanstekelijk,
+evenals liefde, en het meisje begint te zuchten en te snikken onder
+zijn afscheidskussen, die zoo plechtig zijn--ofschoon zij niet kan
+gissen waarom.
+
+Maar Oliver rammelt aan de deurklink en roept: "De gravin De Pariza
+zit al in het rijtuig. Vlug!"
+
+En nu geleidt Guy, die begrijpt, dat zijn tijd gekomen is, ofschoon
+zijn beminde nog langer zou willen toeven en tegen hem aanleunt met
+zuchtjes van liefde, haar haastig naar het rijtuig en helpt er haar in.
+
+Zich half omkeerend, heft zij haar blanke hand een weinig op. Hij
+ziet den verlovingsring aan haar vinger schitteren.
+
+De postiljons knallen met de zweepen, de staatsiekoets verdwijnt uit
+het gezicht, en alles wat hem rest van de vrouw, die hij slechts
+een oogenblik geleden in zijn armen hield, is de herinnering aan
+haar kussen, haar ring met den robijn aan zijn vinger en een klein
+briefje,--de talisman, die hem veilig door haar vaders schildwachten
+aan de poorten zal brengen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+"ONBEREIKBAAR!"
+
+
+"Kijk," zegt de schilder, en brengt Chester naar een venster aan
+de straat.
+
+Deze ziet, verscholen achter de gordijnen in Bodé Volckers' huis,
+den man van ijzer en bloed, voor wien de menigte siddert en beeft,
+zich diep buigen over den zadelknop voor de koets van zijn dochter,
+terwijl zijn gelaat wordt verhelderd door den glans van vaderliefde
+in zijn oogen.
+
+"Drommels! Mij dunkt, dat ik mijn rekening met hem heb vereffend,"
+mompelt de Engelschman. Dan wendt hij zich haastig tot Antony en zegt:
+"Een woord met u. Bij mijn eerste bezoek hier, hebt gij voor mijn
+veiligheid den naam van kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk
+voor mij uitgedacht. Nu bestaat er werkelijk zulk een kapitein Guido
+Amati, die bij Romero's voetvolk dient."
+
+"Zeker bestaat hij," antwoordt Oliver, tot groote verbazing van
+Guy. "Ik koos den naam uit de monsterrol van Romero's regiment. Dit
+lag toen in Friesland in kwartier, tweehonderd mijlen van hier, de
+verst afgelegen provincie van Nederland, en ik vond het beter u een
+naam te geven, die kon worden geverifiëerd. Maar wat zou dat?"
+
+"Wat dat zou?" antwoordt Guy norsch. "Alleen dit, dat ik juist heb
+vernomen, dat Guido Amati om mijnentwil is bevorderd tot majoor in
+zijn regiment; dat kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk geen al
+te besten naam heeft,--misschien zijn er wel dames in het spel,--en
+dat majoor Guido Amati juist een scherpe vermaning heeft gekregen om
+zich voortaan beter te gedragen. Voor den duivel!" vervolgt hij op
+woesten toon, "als deze heer, naar wien ik gedoopt ben, zich voortaan
+niet wat meer in acht neemt, dan krijgt hij met mij te doen, met mij,
+die nu gebukt gaat onder zijn zonden!"
+
+Daarna barst hij in lachen uit, waarmee Oliver instemt, en hij
+zegt kalmer: "Maar ik bezit ook de reputatie, dat ik de dapperste
+officier van het leger ben. Buitendien ben ik een neef in den derden
+graad van den hertog van Medina Coeli en als zoodanig waarschijnlijk
+gerechtigd, om mijn hoed op te houden in tegenwoordigheid van Philips
+II van Spanje."
+
+"Voortreffelijk, mijn grande," antwoordt Antony met een glimlach. "Hier
+is de nota van hetgeen de gravin De Pariza op uw kosten heeft
+gekocht--tweehonderd gulden! Dat is uw aandeel in de zaak. Als Zijne
+Hoogheid de Hertog van Alva hier niet voorbij was gekomen, zou zij,
+geloof ik, het geheele magazijn van Bodé Volckers hebben leeggekocht."
+
+"A--ah," zucht Guy, de nota inkijkend, "ik zou nog heel wat meer willen
+geven voor een tweede _tête-à-tête_ met mijn--mijn aanstaande vrouw,"
+en hij moet een traan wegpinken, als hij denkt aan het schoone wezen,
+wier liefde hij heeft veroverd _à coup de main_.
+
+"_Uw aanstaande vrouw_!" roept Oliver verbaasd uit. "Morbleu! gij
+hebt er geen gras over laten groeien. Bij den hemel, als Alva u ooit
+in handen krijgt en dit te weten komt, dan wee u, vermetele jonge
+man! Buitendien zult gij er vlug bij moeten zijn, als gij haar ooit
+wilt bezitten!"
+
+"Waarom?"
+
+"Alva zal niet lang meer in de Nederlanden blijven. Het land is
+onderdrukt en gekneveld (tot rust gebracht, noemt hij het), ofschoon
+het overal gist. Hij int den tienden penning en toch betaalt hij zijn
+troepen niet. Een gedeelte van het geld zendt hij naar Spanje,--juist
+genoeg, om Philips tevreden te stellen, maar de rest--de hemel weet,
+wat hij er mee doet, ofschoon ik gis, dat hij het voor zichzelven
+naar Italië of Spanje overmaakt, om in rijkdom de gelijke van koningen
+te worden."
+
+"Bij Sint George, als ik het in handen kon krijgen!" antwoordt de
+Engelschman, terwijl de zeeroover weer in hem ontwaakt. "Dat zou een
+bruidsschat zijn, zijn schoone dochter waardig!"
+
+"Zoover als ik ben ingelicht," zegt Oliver, "heeft geen mensch
+een oog geslagen op de plaats, waar hij zijn schatten bewaart,
+ofschoon ik mijn vermoedens heb. Het groote standbeeld, dat hij
+opricht, datzelfde, dat de volgende week in de Citadel zal onthuld
+worden, heeft iets zonderlings in zijn afmetingen. Zijn piedestal is
+buitengewoon groot. De werklieden, die daartoe gebruikt zijn, komen
+uit Italië en staan onder het onmiddellijk toezicht van Paciotto,
+den ingenieur. Dezen zijn, nadat zij het piedestal hadden afgemaakt,
+rijkelijk beloond, weer ingescheept en naar hun land teruggezonden. Men
+heeft niet één hunner toegestaan, in Nederland te blijven. Er is een
+geheim in dat standbeeld verborgen!"
+
+Verdere beschouwingen worden afgebroken door de binnenkomst van den
+oud-burgemeester en zijn dochter. De oude heer schijnt zeer in zijn
+nopjes te zijn.
+
+"Gij blijft zeker het avondeten met mij gebruiken, heeren," zegt
+hij. "Het verheugt mij u te kunnen mededeelen, dat mijn dochter
+Mina vanmiddag een gehoorzaam meisje is geweest en veel voor mij
+heeft verkocht--voor een waarde van vierhonderd gulden aan de
+gravin De Pariza, waarvan tweehonderd contant zijn betaald, iets
+wat mij nog nooit gebeurd is, zoolang ik met den adel handel. Maar
+mijn kleine Mina," en hij vat haar onder de kin, "is ook een echte
+koopmansdochter. Zij zal haar lieve moeder nog evenaren."
+
+"Vader," zegt de jonge dame, gebruik makend van de gelegenheid,
+"mag ik niet naar de hertogin van Aerschot gaan?"
+
+"Hm, hm! Nu, gij zijt jong, geniet dan maar, laat echter de paarden
+niet weer den geheelen nacht wachten; gij weet dat ik ze 's morgens
+voor de vrachtwagens noodig heb. Heeren, gij blijft natuurlijk, en
+ik zal er u het bewijs van geven, dat mijn dochtertje niet alleen
+een goede verkoopster is, maar ook goed kan koken."
+
+"Vader!" roept het jonge meisje verwijtend uit, "gij vergeet, dat
+wij een uitstekenden Franschen kok in huis hebben!"
+
+Doch Guy blijft niet, om kennis te maken met de voortreffelijke keuken
+in den huize Bodé Volckers. Nu hij de bijeenkomst met zijn brunette
+heeft gehad, geeft hij Oliver gelegenheid, er een met zijn blondine te
+hebben en vertrekt naar _Het Geschilderde Huis_, waar Antony belooft,
+zich dien avond nog bij hem te voegen.
+
+Het is nu donker, en plaats nemend in de gelagkamer, die verlicht is
+door olielampen en flikkerende kaarsen, bestelt de Engelschman een
+rijkelijk souper, daar hij misschien den geheelen nacht op de been
+zal moeten zijn om zijn schip weer te bereiken. Het succes heeft
+hem eetlust bezorgd, ofschoon hij nauwelijks weet, wat hij eet, want
+zijn geheele maaltijd is een opeenvolging van herinneringen, ieder
+op zichzelve een genot. In zijn droomerijen wordt hij plotseling,
+en wel op onaangename wijze, gestoord.
+
+Een man, naar zijn kleeding te oordeelen de kapitein van een
+koopvaardijschip, komt de kamer binnen, gevolgd door een burger,
+en valt met een onderdrukten vloek op een stoel neer aan de tafel
+naast die van Chester.
+
+"Voor den duivel!" moppert hij, "een mooie boel, dat men geen verlof
+kan krijgen, de stadspoorten door te gaan, om zich naar zijn eigen
+schip te begeven. Wat zal er van mijn lading worden, die gedeeltelijk
+gelost is? De stuurman en de dronken bemanning zullen zich fraai
+gedragen!"
+
+"Blijf bedaard, kapitein," sust zijn metgezel. "Het is een buitengewone
+maatregel. Gij zult zonder twijfel morgen bij daglicht de poort
+mogen passeeren."
+
+"Ja, en ik word intusschen op de kosten gejaagd van in een herberg
+logies te moeten nemen, en mijn gemakkelijke hut staat leeg. Alweer
+een gulden, die mij hier in de haven van Antwerpen wordt afgeperst. Als
+dit zoo voortgaat, zal de handel hier spoedig geheel verloopen."
+
+"Maar dit zal waarschijnlijk niet licht weer gebeuren," zegt de
+koopman. "Van zoo iets heeft men vroeger nooit gehoord."
+
+En het tweetal bespreekt de waaroms van zulk een buitengewone
+waakzaamheid aan de poorten.
+
+Dit geval geeft Guy te denken. Hij heeft, toen hij daareven de herberg
+binnentrad, dienzelfden kapitein, waarschijnlijk de gast van den
+burger, aan een tafeltje het avondeten zien gebruiken. Een half uur
+geleden zijn zij vertrokken, de kapitein schijnt de schildwachten niet
+te hebben kunnen passeeren. Als er zulke orders zijn uitgevaardigd,
+kan het wachtwoord van hedenavond hem waarschijnlijk niet baten. Wat
+kan de oorzaak daarvan zijn? Zou het mogelijk wezen, dat men eenig
+vermoeden heeft van zijn tegenwoordigheid in de stad?
+
+Terwijl hij hierover nadenkt, komt Oliver binnen met een ernstige
+uitdrukking op zijn gelaat. Hij gaat bij Guy zitten en fluistert:
+"Ga mee."
+
+"Waarom?" Eveneens fluisterend.
+
+"Er zijn orders uitgevaardigd, dat niemand vannacht de poorten van
+Antwerpen mag passeeren."
+
+"De reden?"
+
+"Ik weet het niet; misschien hebben zij lont geroken, dat gij in de
+stad zijt. Ga mee naar mijn kamers."
+
+"Neen, ik blijf hier," antwoordt de Engelschman op vasten toon.
+
+"Waarom?"
+
+"Om twee redenen. In de eerste plaats, omdat ik u niet verder
+in verdenking wil brengen. En in de tweede plaats, omdat, als er
+orders zijn gegeven, dat niemand de poorten mag uitgaan, dit zeer
+waarschijnlijk ter oore zal komen van een jonge dame, die belang stelt
+in majoor Guido Amati de Medina, officier van Romero's voetvolk,
+uit zijn garnizoen afwezig zonder verlof. Zij weet, dat ik hier in
+_Het Geschilderde Huis_ ben afgestapt. Hier zal zij mij dus laten
+zoeken, als zij mij een boodschap wil zenden. Maar blijf hier niet
+bij mij zitten, Oliver. Als men mij kwam arresteeren, terwijl gij
+bij mij waart, zoudt gij zelf in verdenking komen,--ga aan een andere
+tafel zitten!"
+
+"Ik wil u niet verlaten, daar ik u misschien kan helpen," zegt de
+edelmoedige schilder. En hij mompelt plotseling: "Bij den hemel,
+misschien is het nu gekomen!"
+
+En zoo is het, ofschoon niet, zooals Antony vreest, want de
+kleine vaandrig De Busaco komt parmantig de deur binnen, werpt een
+onderzoekenden blik door de kamer en stapt op den Engelschman toe.
+
+"Ik zoek u," zegt hij, terwijl Guy's hand naar den dolk in zijn
+wambuis tast. "Ik zoek u, om een van de staats-barges de rivier af
+naar Sandvliet te brengen."
+
+"Zoo!"
+
+"Ja, de provoost-geweldige wilde mij geen verlof geven, om vannacht
+in Antwerpen te blijven en ik ben toen weer naar de Citadel gegaan,
+om het te vragen. Daar gekomen, kreeg ik bevel, bij Dona de Alva te
+komen. Zij zeide mij, dat kapitein Amati, die haar barge gisternacht
+zoo gelukkig de rivier had opgebracht, juist de man was, om het
+vaartuig hedennacht de rivier ook weer af te brengen. Het is belast
+met een boodschap van de jonge dame. Zij droeg mij op, u dit briefje
+te geven, en u door de Citadel te geleiden naar de plaats, waar gij
+gisteravond zijt geland, alwaar de roeiers en een nieuwe bemanning
+u wachten,--ik geloof, dat de Watergeuzen de andere gedood hebben."
+
+Dit zeggende, reikt hij den Engelschman een verzegelden brief over
+van de hand van haar, die hem zoo dierbaar is.
+
+Alva's zegel verbrekend, leest Guy haastig:
+
+
+"Mijn liefste Guido!
+
+
+"Ik kan u niet anders noemen. Het is misschien wel wat spoedig,
+maar gij ziet daaruit, hoe ik over u denk.
+
+"Ik heb eerst daareven gehoord, dat de poorten voor iedereen,
+die de stad wil verlaten, gesloten zijn, daar een gerucht, dat
+de een of andere zeeroover of vogelvrijverklaarde zich binnen de
+muren van Antwerpen moet bevinden, het hoofdkwartier heeft bereikt;
+wetende hoe noodzakelijk het is voor een officier, die uit Middelburg
+afwezig is zonder verlof, om de stad te verlaten, zend ik mijn boot
+naar mijn landhuis te Sandvliet, om eenige benoodigdheden te halen,
+die ik gisteravond bij mijn overhaast vertrek vergat. Wilt gij nu zoo
+vriendelijk zijn, om de boot even veilig de Schelde af te sturen als
+gij haar gisteravond de Schelde hebt opgestuurd?
+
+"Vaandrig De Busaco zal u door de Citadel geleiden.
+
+"God biddend" dat Hij over u moge waken en u tot mij terug moge brengen
+met evenveel liefde in uw hart als ik in het mijne voor u heb, ben ik,
+zooals ik altijd zal zijn,
+
+
+uw Hermoine."
+
+
+"Gij schijnt u te verblijden over het bevel, om nu nog zoo laat in
+den avond een watertochtje te gaan maken?" lacht De Busaco.
+
+"Ik ben altijd tot de orders van Dona de Alva," antwoordt Guy. "Kom!"
+
+"Haast u dan," antwoordt de kleine vaandrig. "Ik heb verlof
+gekregen. Hoe vlugger wij nu vertrekken, hoe eerder ik vrij ben."
+
+Guy betaalt dus haastig zijn gelag en de drie mannen verlaten _Het
+Geschilderde Huis_, en de Bagijnenstraat doorgaande, komen zij op de
+Esplanade, waar Oliver op zachten toon en met een hartelijken handdruk
+zegt: "Vaarwel."
+
+"God zegene u!" antwoordt Guy.
+
+En ofschoon zij geen woord meer wisselen, zegt hun vriendschappelijke
+handdruk genoeg.
+
+Eenige minuten later zijn Chester en De Busaco in de Citadel, waar
+Guy, terwijl hij over de ophaalbrug en door de groote poort gaat,
+verneemt, dat het wachtwoord voor hedenavond veranderd is en nu luidt:
+"San Sebastian," contrasigne: "Corpus Christi."
+
+De enceinte overstekend, komen zij weer vlak langs het standbeeld
+van Alva, en De Busaco maakt bij zijn neus langs de opmerking:
+"Zij hebben zijn arm vandaag opgetrokken. Alles is nu klaar, om hem
+de volgende week te onthullen. Caramba! dat beteekent de last van
+een groote parade. En nog geen soldij! Op een goeden dag gaan wij de
+achterstallige soldij uit dit holle voetstuk opgraven. Alva is slim,
+maar zijn troepen zijn ook niet van gisteren!"
+
+Het groote vestingwerk doorgaande, komen zij bij de kleine uitvalpoort
+aan de gracht, waar Guy den vorigen nacht landde. Hier worden zij niet
+bemoeilijkt. Dezelfde barge, welke de Engelschman de rivier op heeft
+gebracht, wacht hem; de roeiers bevinden zich reeds op hun plaats
+alsmede de nieuwe bemanning, aan welke De Busaco hem voorstelt als
+den officier, die het bevel over de barge op zich zal nemen; daarna
+gaat de vaandrig heen met een haastig: "Adio, senor!" want het is
+reeds over den tijd, waarop zekere jonge dame in de stad hem wacht.
+
+Juist als de barge van wal wil steken, want Guy vindt het geraden,
+zoo min mogelijk te dralen, komt een meisje, een van de Moorsche
+kameniers van den vorigen avond, de kleine ophaalbrug op, uitroepend:
+"Wacht!--een oogenblik--wacht!"
+
+Daarna fluistert zij tot Guy, die overeind staat in de barge, terwijl
+zij hem een zwaren leeren gordel overreikt: "Bind dezen om uw middel,
+senor capitan, mijn meesteres beval mij u te zeggen, dat gij er nu
+goed op moest passen. Gij liet hem gisteravond zoo achteloos in de
+barge liggen."
+
+"O,--dat is waar ook," zegt de Engelschman, wien het liegen niet
+moeilijk meer valt. "Ik heb er al naar gezocht. Ik wist niet, waar ik
+hem had gelaten," en hem om zijn middel bindend, peinst hij er over,
+wat er toch wel in kan zitten.
+
+"Duivels, het is geen reddingstoestel," denkt hij. "Het zou mij doen
+zinken als een baksteen."
+
+Maar om 't even, wat het ook moge zijn, hij is er door in de wolken,
+want het komt van Hermoine de Alva.
+
+Hij heeft echter niet veel tijd, om zich daar verder mee bezig te
+houden, hij had den roeiers reeds gelast, hun riemen uit te slaan,
+en de barge is nu van wal gestoken en glijdt voort door de gracht,
+die de groote bastions der Spanjaarden omringt.
+
+Vijf minuten later zijn zij in de open rivier, en ofschoon zij het
+tij tegen hebben, zijn zij toch op weg naar Sandvliet en gaat hij de
+veiligheid tegemoet. Zij passeeren ongemoeid aan de overzijde de stad,
+hoewel Guy de lichten van verschillende wacht- en patrouille-booten
+kan zien tusschen de schepen langs den oever.
+
+"Doet uw best, jongens," roept de Engelschman opgewekt; "ik geef u
+een vat wijn, als wij te Sandvliet zijn."
+
+Aldus aangevuurd, buigen de roeiers zich over hun riemen heen,
+terwijl de bootsmansmaat van de barge heel vriendschappelijk met
+Chester babbelt, hem vertellend, dat de plaats, waar zij heengaan,
+een prachtig zomerkasteel van Alva is, dat somtijds door dezen zelf
+wordt gebruikt, maar het meest door zijn dochter, om er te genieten
+van de frissche zeewinden, die gedurende de heete zomermaanden over
+de Schelde waaien.
+
+"Wij zijn er dit jaar heel vroeg heengegaan," zegt hij, "het weer was
+zoo mooi. Gelukkig was ik gisteravond in Antwerpen, anders zou ik nu
+ook dood zijn, evenals die arme Antonio en de anderen,--vermoord door
+de bloeddorstige Watergeuzen."
+
+Het gesprek met dezen man doet den tijd omsnellen en daar zij den
+wind in hun voordeel hebben, zijn zij binnen drie uur bij Fort Lillo.
+
+De vier patrouillebooten zijn hier op haar qui vive en een er van
+houdt de barge aan. Als de _Costa Guarda_ zich langszij bevindt, ziet
+de commandant, dat het een staats-barge van Alva is; hij ontvangt van
+Guy het nieuwe wachtwoord, dat klaarblijkelijk reeds naar Fort Lillo
+gezonden was, en zegt, terwijl hij Guy een goede reis wenscht: "Wees
+voorzichtig. Er is bericht gekomen, dat de 'Eerste der Engelschen'
+hier ergens kruist. Twee galjoenen, de _Santa Cruz_ en de _Heilige
+Drieëenheid_, gaan morgen uit om te zien, of zij dien zeeroover
+gevangen kunnen nemen."
+
+"Dank voor de inlichtingen," antwoordt Guy, terwijl de boot opnieuw
+voortsnelt.
+
+Bij den laatsten dijk, dien de vloed beneden Fort Lillo heeft gespaard,
+ziet Guy drie lantaarns op een lijn geplaatst en weet dus, dat zijn
+sloep hem daar wacht. Hij zegt eensklaps: "Gij hebt nu het ergste
+van den tocht achter den rug en zijt nog slechts een mijl van het
+landhuis verwijderd. Hoe heet het?"
+
+"Bella Vista," antwoordt de bootsmansmaat.
+
+"Goed, breng de barge dan naar Bella Vista en kwijt u van de boodschap,
+die u is opgedragen. Hier zijn twee goudstukken voor den wijn, dien
+ik u en de bemanning beloofd heb. Zet mij hier aan land. Daar wacht
+mij een sloep. Ik ga eenden schieten op de overstroomde landen; als
+mijn jongens flink doorroeien, ben ik daar met het aanbreken van den
+dag. Ik heb haakbussen en een boog in mijn sloep."
+
+De mannen zijn overgelukkig met het geld en zetten Guy vlug aan den
+dijk af, waarna zij hun weg vervolgen.
+
+Een paar minuten later begint Guy in de richting van de drie lantaarns
+te wenken.
+
+Als hij dit een poosje heeft gedaan, hoort men het geplas van riemen en
+komt een sloep zeer behoedzaam door de duisternis nader, waarschijnlijk
+een hinderlaag vreezend.
+
+"Ahoy!" roept Guy.
+
+En nu hoort hij Martin Corker roepen: "Vooruit, jongens! Dat is de
+stem van den commandant," en met drie of vier krachtige slagen is de
+boot aan den dijk.
+
+Een oogenblik later vliegt zij, door gespierde Engelsche armen
+voortgeroeid, terug naar de _Dover Lass_. Men kan echter van het
+kleine schip niets bespeuren, daar het geen lichten uit heeft; maar
+als de sloep licht-signalen geeft, wordt er een lantaarn op het schip
+geheschen, om de plaats aan te duiden, waar het zich bevindt.
+
+Aan dek doet Chester's eerste officier hem rapport:
+
+"Ik ben blij, dat gij terug zijt," zegt Dalton. "Wij zouden
+waarschijnlijk morgen zijn aangevallen. Er is een patrouilleboot de
+rivier afgekomen, zeker om te zien of zij ons konden vinden."
+
+"Wij zullen morgen niet aangevallen worden," lacht Guy, en door de
+spreektrompet geeft hij order, het anker in te halen en de zeilen
+te hijschen.
+
+"Gij wilt dus niet met de Spanjaarden vechten?"
+
+"Neen, ik wil mijn biezen pakken en direct oversteken naar Engeland. Ik
+heb mijn koningin zulk een gewichtige tijding te brengen, dat ik
+verraad tegen haar zou plegen, als ik er ook maar een oogenblik
+mee talmde."
+
+En de _Dover Lass_, een vlug schip met een talrijke bemanning, is nu
+spoedig onder zeil en snelt de Schelde af naar de open zee.
+
+Guy Stanhope Chester heeft zich naar zijn hut begeven, waar hij bezig
+is, wat hij op zijn vreemd uitstapje naar Antwerpen heeft buitgemaakt,
+achter slot en grendel te bergen.
+
+Zijn schat bestaat uit een pakje brieven in cijferschrift, die
+betrekking hebben op den beraamden aanslag tegen Elizabeth van
+Engeland, en den sleutel, met behulp waarvan men ze kan lezen;
+een ring met een robijn, die voor hem het tastbaar bewijs is, dat
+hij de liefde van de dochter van den Onderkoning heeft gewonnen,
+en twee briefjes van haar hand.
+
+"Drommels, ik heb mij goed gehouden," denkt Guy. Dan bekijkt hij
+het miniatuur-portret, dat hij drie jaren bij zich heeft gedragen,
+en mompelt: "Merkwaardig, dat ik haar eindelijk moest vinden
+en haar hart winnen. Wie durft nog zeggen, dat de romances zijn
+gestorven met de troubadours? Drommels, ik kom mij zelf voor als een
+troubadour. Tra-la-la!"--en met den lichten tred van een troubadour
+op en neer loopend, roept hij plotseling uit: "Wel, sapperloot, ik
+heb nog meer," want de zware gordel om zijn middel herinnert hem aan
+het laatste, wat Dona de Alva hem zond.
+
+Als hij hem van nabij beschouwt, bespeurt hij, dat het een zeer sterke
+leeren gordel is en zoodanig gemaakt, dat men hem secuur kan omgespen.
+
+En als hij hem geopend heeft, laat hij een half onderdrukt
+"bah!" hooren, want de gordel is vol goudstukken, doch een oogenblik
+later grijpt hij naar een klein pakje, dat er met de muntstukken uit is
+gerold. Daarop barst hij eensklaps in lachen uit: "Wat zie ik?! Haar
+portret! Zij wist natuurlijk niet, dat ik er al een van haar had,"
+want een ander miniatuur-portret van zijn schoone Castiliaansche
+beminde vertoont zich aan zijn verraste oogen. Een briefje is bij
+het portret ingesloten.
+
+Het luidt aldus:
+
+
+"Mijn liefste!
+
+
+"Ik neem de vrijheid u mijn beeltenis te zenden, opdat zij beter in
+uw herinnering moge blijven. Het is u niet vergund, het levende beeld
+met u te voeren. God weet, hoezeer ik wensch, dat het zoo ware. Maar
+als majoor Guido Amati de Medina eenmaal generaal wordt, zal ik maken,
+dat het origineel hem toebehoort--o God! wat een geluk!
+
+"Ik heb de vrijheid genomen, hierbij een honderd goudstukken in te
+sluiten. De officieren van het Middelburgsch garnizoen hebben reeds
+over het jaar geen soldij ontvangen, en ik zou gaarne zien, dat een
+edelman, die eens de dochter van Alva zal huwen, leeft overeenkomstig
+zijn stand. Als gij aarzelt, dit van mij aan te nemen, zal ik denken,
+dat gij mij niet zoo liefhebt, als ik het u doe. Het is slechts een
+klein voorschot op den bruidsschat van uw toekomstige echtgenoote,
+
+
+Hermoine de Alva."
+
+
+
+"Mijn echtgenoote zal zij worden," roept Guy uit. En in den wilden
+hartstocht, die jonge harten soms aangrijpt, zet hij de beide fraaie
+portretten vóór zich en roept triomfantelijk uit: "Ziedaar mijn oude
+liefde, de onvindbare, die ik toch gevonden heb! Ziedaar mijn _nieuwe_
+beminde, de onbereikbare, maar tot wie ik mij, bij den hemel, toch zal
+opheffen, om haar tot mijn vrouw te maken, al is zij ook de dochter
+van Alva, mijn doodvijand!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+"GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT."
+
+
+Op den morgen van den tweeden dag na het zooeven vermelde, landt
+Chester te Sandwich en reist met postpaarden, zoo vlug als hij kan,
+naar Londen.
+
+Als hij in de hoofdstad aankomt, hoort hij dat zijn vorstin en haar
+hof zich te Hampton bevinden, en verneemt hij tevens tot zijn groote
+vreugde, dat de Koningin in blakenden welstand verkeert. Hij is dus
+tijdig genoeg gekomen, om tot Engelands heil elken aanslag van het
+Borgia-complot te verijdelen.
+
+Want in die dagen vreesde iedere ware Engelschman, Katholiek of
+Protestant, dat Elizabeth op de een of andere wijze door Italiaansche
+sluipmoordenaars uit den weg zou worden geruimd en de kroon zou
+overgaan op haar wettige troonopvolgster, Maria, koningin van
+Schotland, die nu de gevangene van Elizabeth was; men wist dat de
+hertog van Norfolk, een geloovig Katholiek, niet alleen den toeleg
+had, de schoone Maria op den troon van Engeland te zetten, maar
+ook haar te huwen en naast haar te regeeren als prins-gemaal. Dit
+zou Brittannië geheel onder den invloed van Philips II van Spanje
+hebben gebracht en den weg hebben gebaand voor zijn lievelingsplan,
+de vestiging der Inquisitie in Engeland, met al haar verschrikkingen
+van brandstapels, geeselingen en martelingen, zooals die in Nederland
+in practijk werden gebracht, onder soortgelijke omstandigheden,
+door Alva, zijn onderkoning.
+
+Al is hij een goed Katholiek, zoo is Guy toch ook een goed Engelschman
+en uitermate bezorgd voor de veiligheid van zijn Protestantsche
+koningin.
+
+Dit alles maakt, dat Guy rust noch duur heeft, zoolang zij niet is
+gewaarschuwd voor het gevaar, dat haar dreigt van de zijde van Ridolfi,
+Alva's agent te Londen.
+
+Hij zet zich dus opnieuw te paard, ofschoon hij doodelijk vermoeid
+is door zijn langen rit van Sandwich, en komt vroeg in den avond
+aan het paleis te Hampton Court aan. Het gelukt hem, onmiddellijk
+toegelaten te worden bij Cecil, Lord Burleigh, en hij geeft hem de
+brieven in cijferschrift van Vitelli aan Ridolfi en ook den sleutel,
+dien Oliver hem heeft verschaft.
+
+Als Guy haastig de strekking van deze brieven vermeldt, zegt de
+Lord met een ernstig gelaat: "Gij hebt den staat een grooten dienst
+bewezen. Maar gij hebt zeker den geheelen dag gereden; ik zal er voor
+zorgen, dat gij iets te eten en te drinken krijgt en u eenigszins
+verfrisschen kunt," en een lakei roepend, geeft hij daarvoor zijn
+bevelen. "Terwijl gij wat uitrust, zal ik met mijn ondersecretaris
+de brieven ontcijferen en overschrijven voor de Koningin. Gij kunt
+ze haar dan persoonlijk overhandigen, daar hebt gij recht op."
+
+De jonge man is met deze schikking zeer ingenomen, want hij heeft
+twaalf uren in den zadel gezeten en onderweg maar weinig voedsel tot
+zich genomen.
+
+Een uur later vergezelt Guy, die door het gebruik van een stevig
+maal en een flesch wijn weer geheel bekomen is, Lord Burleigh,--thans
+Elizabeths eerste minister en de machtigste man in Engeland,--naar de
+audiëntie-kamer van Hare Majesteit, waar deze hen zonder ceremonieel
+ontvangt. De Koningin is in groot toilet, het keurslijf, dat de
+ivoorwitte schouders onbedekt laat, fonkelt van juweelen, en de
+hals is versierd met een snoer van paarlen en diamanten. Elizabeth
+is zeer ijdel, waartoe zij ook het recht heeft, als de dochter
+van Anna Boleyn, de beauté van haar vaders hof, en zij staat daar
+vóór hen in een opzichtig sleepgewaad, bezaaid met edelgesteenten,
+de voeten gestoken in Spaansche schoenen met hooge hakken,--een beeld
+van ijdelheid, geest, waardigheid en heerschers-bewustzijn. Kortom,
+zij is de goede "Queen Bess", in den bloei des levens, vijf en dertig
+jaren, en behoeft den ouderdom nog niet te duchten, die haar schoonheid
+zal doen verwelken en haar van haar goed humeur zal berooven.
+
+"Mijn goede Burleigh," zegt zij, "wat zijt ge toch altijd haastig! Ik
+heb juist uw mededeeling ontvangen en daar gij mij liet weten, dat
+er veel van spoedig handelen afhangt, heb ik vijf gerechten van
+mijn souper voorbij laten gaan en mijn kameniers naar een plaats
+gezonden, waar haar nieuwsgierige ooren geen vertrouwelijk gesprek
+kunnen afluisteren. En gij, Master Chester, mijn zeeroover, hebt gij
+opnieuw achthonderd duizend kronen van Alva binnen het rechtsgebied
+van mijn koninkrijk ontdekt?"
+
+"Neen," antwoordt Burleigh, terwijl de twee mannen diep voor haar
+buigen. "Master Chester heeft enkel een complot van den hertog van Alva
+tegen uw leven ontdekt. Deze brieven van Vitelli, zijn veldmaarschalk
+en vertrouwde, aan Ridolfi, den Italiaanschen bankier te Londen,
+zijn er het bewijs van."
+
+"O! in cijferschrift," zegt de Koningin, ze inkijkend.
+
+"Ja, maar dank zij Master Chester's bereidvaardigheid om zijn leven
+opnieuw voor Uwe Majesteit te wagen, heeft hij den sleutel in Antwerpen
+weten te krijgen. De brieven zijn nu overgebracht in het Engelsch."
+
+"Gauw--geef ze hier!" En Elizabeth gaat zitten en kijkt ze haastig
+door, waarna zij uitroept: "Zij wilden mij dus vergiftigen en dien
+verrader Norfolk op den troon zetten als prins-gemaal van de vrouw,
+die mijn gevangene is. _Dat beslist het lot van Norfolk_! Hij is
+gisteren door de Lords veroordeeld wegens hoogverraad. Deze brieven,
+Burleigh, zijn zijn doodvonnis. Met de dame zal ik later afrekenen,
+en wat Ridolfi betreft--"
+
+"Er zijn reeds orders gegeven, om Ridolfi gevangen te nemen, Uwe
+Majesteit," valt Burleigh haar in de rede.
+
+"Zeer goed," antwoordt Elizabeth, "dan is er voor het oogenblik
+niets meer te doen dan van kok te veranderen; en"--hier komt er
+een vriendelijke uitdrukking in de oogen van Hare Majesteit--"en
+dezen jongen man te beloonen, dien wij, uit politieke overwegingen,
+vogelvrij verklaard hebben; maar met dat al hebben wij toch veel
+met zeeroovers op! Denk maar aan onzen Francis Drake, die niet meer
+geeft om te eten of te drinken dan om een Spanjaard te berooven
+en tien percent van zijn buit in te palmen. En aan den ouden John
+Hawkins, die negers gaat vangen op de kust van Afrika, om ze aan de
+Dons te verkoopen en dezen den hals afsnijdt, terwijl hij met hen
+handelt,--alles voor de glorie van Engeland! Inderdaad, Burleigh,--ik
+zeg het met overtuiging,--kapers zijn mijn beste onderdanen. Daar ik
+echter mijn potsenmakers vanavond om uwentwil heb weggezonden, Master
+Chester, zijt gij verplicht, mij daarvoor een kleine vergoeding te
+schenken. Vertel mij eens wat van uw avonturen in de Nederlanden."
+
+Guy voldoet aan dit verlangen en Hare Majesteit luistert met beide
+ooren; af en toe kost het haar moeite, een lach te onderdrukken en
+geeft zij Burleigh een paar tikjes met haar waaier, maar vooral is
+zij een en al aandacht, als Chester haar vertelt van Dona Hermoine
+de Alva en van de herhaalde ontmoetingen, die hij met die jonge
+dame heeft gehad. En Guy, die door zijn onderwerp in vuur geraakt,
+beschrijft met schitterende oogen de schoonheid van het meisje.
+
+"Gij drommelsche kerel!" roept Elizabeth uit, als hij geëindigd
+heeft. "Dat is een geschiedenis, even romantisch als de troubadours
+verhalen van Amadi de Gaule, die meisjes redde uit de handen van
+reuzen, evenals gij het die nuffige miss Alva deed uit de handen der
+Watergeuzen. Waarachtig, Burleigh, ik ben bang, dat zijn loyauteit
+er onder geleden heeft.
+
+"Terwijl hij over die kleine Spaansche heks spreekt, ziet Master
+Chester zijn Engelsche vorstin aan op een wijze, waarvoor de Lords
+hem zouden kunnen veroordeelen als schuldig aan hoogverraad."
+
+"O, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, evenzeer hoveling als zeeroover,
+"als liefde hoogverraad is, dan is iedere jonge Engelschman, die zijn
+koningin aankijkt, een verrader."
+
+Zijn vurige blik zet kracht aan zijn woorden bij, en dat kost hem
+ook geen moeite, want Elizabeth is in den vollen bloei van haar
+schoonheid,--een schoonheid, waarvan men zich thans kwalijk meer een
+voorstelling kan maken, daar haar meeste portretten zijn gemaakt, toen
+zij vijftig jaren en daarboven was. Maar nu Chester haar bewonderend
+aanziet, is zij pas vijf en dertig.
+
+"En ik wil dien vermetelen vleier straffen," zegt zij lachend,
+"ofschoon hij geen verrader is. Geef mij uw zwaard, Guy Chester."
+
+De jonge man wil zijn zwaard afgespen. "Neen, bloot, zooals gij het
+tegen uw vijanden gebruikt."
+
+Terwijl Guy het uit de scheede trekt, zich op één knie nederlaat en
+het aan zijn koningin overhandigt, vervult hem eensklaps de hoop op
+een onverwachte, roemvolle onderscheiding.
+
+"Hij is, naar ik hoor, van goede geboorte, Burleigh?"
+
+"Uwe Majesteit," antwoordt Cecil, buigend, "van moeders zijde heeft
+hij het bloed van Lord Stanhope van Harrington in zijn aderen. Zijn
+vader is een neef van de Stanleys en high sheriff van Cheshire. Zijn
+grootvader werd tot ridder geslagen."
+
+"Dan," zegt de koningin van Engeland, "zal hij eveneens ridder
+zijn!" En zij geeft hem met haar kleine hand den ridderslag, zeggende:
+"Sta op, Sir Guy Chester!"
+
+Maar Sir Guy staat niet op, eer hij hulde heeft bewezen aan de schoone
+hand, die hem heeft geridderd, en hij doet dit met zooveel geestdrift,
+dat Hare Majesteit rood wordt in het aangezicht en uitroept: "Het
+schijnt wel, dat dit Spaansche meisje hem een nieuwe manier heeft
+geleerd, om de hand te kussen."
+
+En als de jonge man weer vóór haar staat, reikt zij hem het zwaard
+over, het bij het lemmet vasthoudend en hem het gevest toestekend,
+en zegt: "Moogt gij dit, nu gij tot ridder zijt geslagen, evenals
+vroeger gebruiken tot schrik van Engelands vijanden; vooral tot schrik
+van Alva,--spaar hem niet ter wille van zijn dochter."
+
+"Neen," antwoordt Guy, "want iedere slag, dien ik tegen den vader
+richt, brengt mij nader tot de dochter."
+
+"Wel heb ik van mijn leven!" spot Hare Majesteit, "wat denkt deze
+nieuwbakken ridder Chester dan te doen met de dochter van een vorst?"
+
+"Haar te _trouwen_, als God het wil en Uwe Majesteit het genadig
+veroorlooft," roept Guy uit en trekt zich terug met Lord Burleigh,
+de koningin van Engeland in een opgewekte stemming achterlatend,
+daar zij recht in haar schik is met haar nieuwen ridder.
+
+Doch niettegenstaande Chester's waarschuwing hoogstwaarschijnlijk haar
+leven heeft gered, slaat Elizabeth--die, hoe groot zij ook is als
+Koningin, waar het staatszaken geldt, een zonderlinge zuinigheid in
+practijk brengt,--volstrekt geen acht op Chester's herhaald verzoek
+om geld, teneinde zijn schip te kunnen repareeren en zijn bemanning
+te betalen. En daar hij brandt van verlangen, om opnieuw naar de
+Nederlanden over te steken, gebruikt hij de honderd goudstukken,
+het geschenk van zijn beminde, om zijn schip uit te rusten tegen haar
+vader, de helft er van bestedende voor de verfraaiing en versiering
+van de hutten der _Dover Lass_ en haar salons zoo rijk stoffeerende,
+dat Harry Dalton, zijn eerste luitenant, uitroept: "Bij alle mooie
+meisjes van Plymouth, men zou haast denken, dat hij ter kaapvaart
+uitgaat op een vrouw!"
+
+Maar ondanks de honderd goudstukken, is Chester spoedig weer zonder
+voldoende middelen om zijn schip zeilklaar te maken, en hij gaat dus
+weer van Sandwich naar Londen, om zijn gierige vorstin opnieuw om
+geld te verzoeken.
+
+Meenende beter te zullen slagen, als hij Burleigh in den arm neemt,
+die den meesten invloed op de Koningin heeft en altijd getoond
+heeft, zijn vriend te zijn, treedt Chester op zekeren namiddag in het
+laatst van Maart het kabinet van dien edelman binnen, die in gepeins
+verzonken zit.
+
+"Gij zijt juist de man, dien ik moet hebben, Sir Guy," zegt hij
+levendig. "Vertel mij eens alles, wat gij weet van de Watergeuzen,
+die Nederlandsche zeeschuimers."
+
+"Dat, Mylord, kan ik in weinige woorden doen," antwoordt Chester. "Het
+zijn mannen uit alle standen, van Brabant, Vlaanderen, Friesland,
+Holland--kortom uit alle provinciën, waar Alva gebiedt; door wreedheid
+en vervolging worden zij gedwongen, hun heil te zoeken op de zee,
+want op het land te blijven, staat voor hen gelijk met den dood op
+den brandstapel, na voorafgaande foltering. Zij zijn buiten de wet
+gesteld wegens hun verzet tegen de Spaansche dwingelandij. Onder
+hen bevinden zich mannen, hoog in aanzien bij den prins van Oranje,
+die aan hun bedrijf eenigermate een wettig karakter heeft trachten
+te geven, door hun lastbrieven uit te reiken, waarvan ik de eer heb
+er ook een te bezitten, met den penning, die er bij behoort," en hij
+vertoont zijn Geuzenpenning, dien hij altijd bij zich draagt, aan
+Lord Burleigh. "Tot hen behoort zoowel de ridder Bloys van Treslong
+en Willem van der Marck, baron van Lumey, als Dirk Duyvel, wiens naam
+hem reeds kenmerkt als een echten vrijbuiter. Maar waarom stelt gij
+zooveel belang in de Watergeuzen?"
+
+"Om deze reden. Vijf en twintig schepen, met dat volkje bemand,
+zijn te Dover binnengeloopen. Zij roepen onze bescherming in en
+verzoeken om proviand en water. Van Treslong en hun admiraal Van der
+Marck zijn te Londen, om hulp te vragen. Wij zijn, zooals het heet,
+op voet van vrede met Spanje en Alva, maar ik zou hun toch niet gaarne
+gastvrijheid weigeren."
+
+"Vijf en twintig schepen--dat is een vloot! Gij moet hun gastvrijheid
+weigeren," antwoordt Guy.
+
+"Waarom?"
+
+"Laat mij dit aan de Koningin uitleggen. Breng mij bij haar; ik moet
+geld voor mijn schip hebben."
+
+"Dat zal Hare Majesteit, naar ik vrees, u niet zoo grif toestaan. Zij
+heeft zich deze maand een half dozijn nieuwe costumes aangeschaft--en
+modemaakstersrekeningen genieten in het oog eener vrouw de voorkeur
+boven de benoodigdheden voor de uitrusting van een schip," lacht Cecil,
+maar bestelt toch zijn rijtuig.
+
+En zoo rijden zij dan naar Westminster, waarheen de Koningin Burleigh
+ontboden heeft, om zijn raad in te winnen, voordat zij de afgezanten
+der Geuzen ontvangt.
+
+"Groote goden!" roept Hare Majesteit uit, "ik zie, Mylord Burleigh,
+dat gij ook een Geus hebt meegebracht. Is dat misschien ook al een
+afgezant?"
+
+Dit zeggende, kijkt zij Guy alles behalve vriendelijk aan, want de
+Geuzen hebben koningin Elizabeth de laatste dagen veel hoofdbreken
+gekost. Zij zijn hongerig, en zij is er niet van thuis, hen te
+spijzigen; zij zijn dorstig, en zij heeft geen lust, haar kas aan te
+spreken, om dien dorst te stillen; het zijn echter vijanden van Alva,
+en om die reden zou zij hen willen ondersteunen.
+
+"Neen, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die plotseling een ingeving
+krijgt. "Ik kom geen hulp voor de Watergeuzen vragen, ik zeg
+integendeel: _verleen ze hun niet_."
+
+"Waarom niet?" vraagt de Koningin, die niet gewoon is, dat iemand
+buiten haar geheimen raad haar zoo openhartig zijn meening zegt.
+
+"Om deze reden: als Uwe Majesteit hen van eten en drinken voorziet,
+zullen zij hier blijven en uw gasten en kostgangers zijn, zoolang
+als uw gastvrijheid duurt."
+
+"Weg met die luie schobbejakken, die hier op mijn kosten goede sier
+willen maken," gromt Hare Majesteit.
+
+"Vijf en twintig schepen zijn een formeele vloot. Zij hebben de
+Nederlanden verlaten en nu heeft Alva zijn handen vrij, om ze tegen
+u te gebruiken."
+
+"Dus gij zoudt hun voedsel weigeren?"
+
+"Ja," antwoordt Guy, "voor geen halven cent proviand."
+
+"Maar zij hebben ook geen water."
+
+"Geen druppel water. Als gij hen van proviand en water voorziet,
+zullen zij niet teruggaan naar de Nederlanden, al beveelt gij hen ook,
+Engeland te verlaten. Zij zullen eerder hun fortuin gaan zoeken in
+de Spaansche wateren, waar buit in overvloed is te vinden, dan zich
+aan Alva's ijzeren vuisten te wagen. _Geef hun niets dan kruit en
+lood_. Dan moeten zij koers zetten naar een naburige haven. Zij durven
+niet naar Frankrijk gaan, zij moeten rechtstreeks den strijd tegen
+Alva aanbinden, en vijf en twintig schepen zijn een macht, die aan
+den loop van zaken in de Nederlanden een andere wending kan geven. Zij
+waren tot nu toe zwak, omdat zij hun kracht verbrokkelden. Nu vormen
+zij een geheel. Geef hun kruit, Majesteit, geef hun kruit en kogels,
+om Alva te bestrijden."
+
+"O! Gij wilt hen laten vechten voor de kost! Een kostelijke
+inval!" roept Hare Majesteit uit. "Sir Guy Chester gebruikt niet
+alleen zijn zwaard, hij gebruikt ook zijn hoofd. Wat zegt gij er van,
+Burleigh?"
+
+"Ik?" antwoordt de staatsman, die groot en ook edelmoedig genoeg is,
+om de wijsheid van een ander te erkennen, "ik zeg, dat hij u den
+verstandigsten raad heeft gegeven, dien gij ooit ontvangen hebt. Gij
+maakt den Spaanschen gezant gelukkig, door hem te zeggen, dat gij den
+Geuzen uw land hebt ontzegd en hun hulp hebt geweigerd, en tegelijk
+doet gij een bliksemstraal uit helderen hemel op Alva en Spanje
+neerschieten en berokkent hun oneindig meer schade dan door u aan een
+openlijken oorlog met hen te wagen, waarvoor wij niet gereed zijn--"
+
+"Maar die dan toch niet lang meer zal uitblijven, Mylord," merkt
+Elizabeth op. Vervolgens roept zij een page en zegt: "Laat de
+afgezanten van de Geuzen binnenkomen."
+
+En Treslong en Van der Mark komen nu binnen, om een mededeeling te
+ontvangen, die hen voor het oogenblik met wanhoop vervult, maar later
+zal blijken, hun den weg te hebben gebaand tot onvergankelijken roem.
+
+Hare Majesteit ontvangt, onder een troonhemel staande, zeer uit de
+hoogte de twee avonturiers; dezen zien er haveloos uit, maar hebben
+flinke rapieren opzij, en hun bleeke gezichten getuigen van kommer
+en gebrek.
+
+"Gij zijt hier gekomen, heeren," zegt zij, "om mij een verzoek te
+doen. Wat is dat?"
+
+"Mondvoorraad om ons voor den hongerdood te bewaren," antwoordt
+de admiraal.
+
+"Geen mondvoorraad!"
+
+"Goede hemel! In naam der barmhartigheid! Wij hielden u voor Alva's
+vijandin."
+
+"Ik ben Alva's _vriendin_. _Geen mondvoorraad_! _Wat nog meer_?"
+
+"En water,--wij hebben nog slechts voor drie dagen water in onze
+schepen. Sta ons tenminste toe, wat de menschelijkheid nog nooit aan
+een dorstig zeeman geweigerd heeft--_water_!"
+
+"Geen _water_! Hebt het hart, aan land te komen, om water uit meer
+of rivier te scheppen, en ik zal mijn soldaten op u afzenden."
+
+"En dit heet een Christelijk land?"
+
+"Ja, Christelijk genoeg, om zijn woord te houden jegens Spanje, een
+bevriende mogendheid. Zoo gij binnen vier en twintig uren onze haven
+niet hebt verlaten, zullen onze batterijen haar vuur op u openen."
+
+"En ons terugdrijven naar den open oceaan, zonder water, zonder
+voedsel?"
+
+"Ja!"
+
+"Dan," zegt Van Treslong, "moge God u uw onmenschelijkheid
+vergeven! Wij hebben alles opgeofferd voor onzen godsdienst, die de
+uwe is; voor ons land, dat gij zegt, lief te hebben, alles--behalve
+ons leven. Als de tijd gekomen is, zullen wij er dat ook voor
+laten. Die tijd schijnt nu te zijn aangebroken. Het is nu om ons
+leven te doen. Wij moeten terug naar de Nederlanden, om te vallen in
+den ongelijken strijd tegen Alva!"
+
+"De hemel helpe ons," zucht de admiraal. "Wij hebben zelfs geen kruit
+om ons te verdedigen," en de beide mannen verwijderen zich buigende,
+met wanhoop in het hart.
+
+De Koningin doet een stap voorwaarts, alsof zij hen terug wilde
+houden, en roept: "God vergeve mij! Men zal mij een hardvochtige vrouw
+noemen. Ik zal vannacht stellig droomen van deze arme, verhongerende
+Geuzen. Zij zullen echter niet naar hun land teruggaan zonder _kruit_
+en _lood_!" En zij zegt tot Chester: "Is uw schip reeds uitgezeild?"
+
+"Neen, Uwe Majesteit."
+
+"Dan moet gij hen volgen. Hier is een bevelschrift, waarop men
+u zooveel kruit, wapenen en kogels zal uitreiken als gij kunt
+bergen. Laat het aan boord brengen en zeil vanavond nog weg uit de
+haven van Sandwich. Zoek de vrijbuitersvloot in Dover op. Wapen de
+Geuzen, voorzie hen van ammunitie, geef hun ruimschoots genoeg om te
+kunnen vechten."
+
+"Maar, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die nu weet, dat hij zal krijgen,
+wat hij behoeft, "ik heb geen geld om mijn bemanning te betalen."
+
+"Hier is een order op mijn schatkist voor twintig duizend kronen." En
+Elizabeth gaat zitten om te schrijven, doch zegt plotseling:
+"Uw bemanning telt, naar ik meen, slechts honderd vijf en twintig
+koppen. Vijftien duizend kronen zal dus voldoende zijn om uw
+knorrende honden koest te houden," en zij teekent de order, maar
+heeft er aanstonds weer berouw over en mompelt: "Mij dunkt, _tien_
+duizend is ook wel genoeg."
+
+"Neen, Uwe Majesteit, dat is niet genoeg, en met vijftien duizend
+kronen betaalt gij de expeditie volstrekt niet te duur, want gij
+zendt op Alva een bende wanhopigen af, die tot alles in staat zijn,
+die, al verwenschen zij u om uw hardvochtigheid, veel beter voor u
+zullen vechten dan uw eigen krijgslieden, want zij zullen vechten,
+niet voor hun land, niet voor hun godsdienst, maar voor datgene, wat
+ieder mensch het naast aan het hart ligt--_hun bestaan_! Bovendien
+doen zij het geheel buiten u om!"
+
+"Drommels, Cecil, wat een redenaar," lacht Hare Majesteit. "Een echte
+zeeman-advocaat. Misschien kan hij het mettertijd nog wel brengen
+tot ondersecretaris van staat--wat dunkt u, lord Burleigh?"
+
+"Best mogelijk, Uwe Majesteit. Gij hebt er wel gehad met minder
+hersens in het hoofd."
+
+"En ook wel, die minder goed wisten te praten," antwoordt Elizabeth,
+die niet kan vergeten, dat zij vijftien duizend kronen minder in
+haar schatkist heeft. "Hij heeft mij het geld leelijk afgetroggeld,
+hij trok partij van mijn zwakheid, Lord Burleigh. Voer hem spoedig
+weg van hier, eer ik de order terugneem. Tracht gij echter die twee
+arme Nederlandsche edellieden in te halen en noodig ze bij u ten
+eten. Laat hun zien, dat gij tenminste een hart hebt, als uw Koningin
+het niet heeft." En de twee mannen vertrekken, terwijl Guy tot spoed
+aanmaant. Hij vreest, dat Hare Majesteit de order op haar schatkist
+zal terugverlangen en verscheuren.
+
+Burleigh vergezelt hem naar de thesaurie, daar hij blijkbaar zelf
+de zaak nog niet vertrouwt. Maar als het geld aan Guy is uitbetaald,
+vraagt hij dezen: "Hare Majesteit zeide, dat de Geuzen goed van wapenen
+en ammunitie moesten voorzien worden. Kan uw schip zooveel bergen?"
+
+"Voor een veldtocht?--Neen!"
+
+"Dan," zegt Burleigh, "geef ik u hier een order van mijn hand, Sir Guy
+Chester. Neem vier schepen, laad ze met kruit, wapenen en ammunitie,
+waarvoor ik u een koninklijke aanwijzing zal geven op het arsenaal van
+de Koningin te Sandwich, Harwich of elk ander, waar gij u maar zult
+vervoegen. Wij zonden deze mannen uit, niet slechts voor een gevecht,
+maar voor een langdurigen en hardnekkigen oorlog met Alva, want nu
+geldt het zijn hoofd of dat der van gebrek omkomende Watergeuzen. Hier
+is eveneens een volmacht, waardoor ge u de schepen kunt verschaffen,
+die gij noodig hebt voor uw doel. Maar dit alles blijft natuurlijk
+geheel tusschen ons. Engeland leeft in vrede met Spanje. En nu,
+God zij met u."
+
+En zoo krijgt Guy, krachtens zijn volmacht, in de haven van Sandwich
+vier groote karveelen tot zijn beschikking en laadt ze met al de
+wapenen en ammunitie, die hij kan machtig worden, kruit in overvloed
+voor menigen strijd en menig beleg, en daarna zeilt hij den volgenden
+morgen met die vaartuigen naar Duins en blijft heen en weer kruisen
+tusschen de Goodwin Sands en de kust van Frankrijk. Hier moeten
+de Geuzen, als zij uit Dover komen, hem wel in het oog krijgen, en
+het duurt dan ook niet lang, of zijn schepen worden gevisiteerd en
+prijsverklaard door dit tot wanhoop gedreven volkje.
+
+"Elizabeth van Engeland wilde u geen proviand geven, maar hier zijn
+wapenen en ammunitie, waarmede gij ze bij Alva kunt gaan halen,"
+lacht Chester, als Treslong's schip de _Dover Lass_ langszij komt.
+
+En de Geuzen begrijpen hem zoo goed, dat zij de vier schepen geheel
+leeg plunderen en de _Dover Lass_ zelve nauwelijks genoeg kruit laten
+om zich te verdedigen, waardoor Guy zich genoodzaakt ziet, naar Dover
+terug te keeren om voor zichzelven ammunitie te halen.
+
+Als dit de Koningin ter oore komt, roept zij woedend haar raadsman,
+Lord Burleigh, toe: "Wel vervloekt, wat een onbeschaamdheid! Gij hebt
+mijn koninkrijk geruïneerd. Gij hebt uit mijn arsenaal te Sandwich
+zooveel ammunitie geroofd, als voldoende was om het geheele Engelsche
+koninkrijk te verdedigen. Gij zijt een lage verrader!"
+
+"Met uw verlof, Majesteit," merkt Cecil op, "gij hebt mij bevolen,
+de Geuzen behoorlijk te wapenen. Dat heb ik gedaan. Hoe meer kruit
+en kogels ik hun geef, des te harder zal uw vriend Alva het te
+verantwoorden hebben."
+
+"Nu, het zal u vergeven zijn," antwoordt Hare Majesteit, "indien gij
+die arme, hongerige officieren van de Geuzen, Treslong en Van der Mark,
+tenminste goed van spijs en drank hebt voorzien."
+
+"Ook daarin heb ik aan Uwer Majesteits orders voldaan," antwoordt
+Burleigh. "Ik heb ze onthaald op de lekkerste schotels en den fijnsten
+wijn. Ik zie hen nog eten. Er is zeker na de dagen van den reus
+Glutton [2] nooit door iemand zulk een woesten aanval op spijs en
+drank gedaan. Uwe Majesteit zal daarover kunnen oordeelen, als zij
+de rekening ontvangt, die ik reeds bij de thesaurie heb ingeleverd."
+
+"De rekening ingeleverd bij de thesaurie!" krijscht Elizabeth. "Uit
+mijn oogen, ellendige dief! Burleigh, gij besteelt mij; gij besteelt uw
+vorstin, lage, inhalige schurk,--en de rekeningen van mijn naaisters
+en modistes zijn nog niet betaald! Bij God! ik zal u het hoofd voor
+de voeten laten leggen, als de Geuzen niet triumfeeren over Alva!"
+
+Dit zeggende, stapt de Koningin de kamer uit, in de hoogste mate
+ontstemd en verbolgen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD.
+
+
+Daar hij thans zelf gebrek aan ammunitie heeft, is Guy genoodzaakt,
+zich nog eenige dagen in Engeland op te houden. Doch de vlugge kleine
+_Dover Lass_ heeft niet lang werk, om naar Nederland over te steken,
+zij zet alle zeilen bij en vroeg in April bevindt Chester zich opnieuw
+aan den mond van de Schelde. Als hij Vlissingen in zicht krijgt, heeft
+hij redenen om zich te verwonderen maar ook om zich te verheugen,
+want de oranje-blauw-witte vlag van den prins van Oranje wappert van
+den toren.
+
+"Wel verd....!" roept hij zijn eersten officier toe, "de Geuzen zijn
+in Vlissingen geland en hebben er bezit van genomen! Voor ons uit
+zeilen twee schepen met de Oranjevlag in top. Haal ze in en zie er
+eens alles van te weten te komen, Dalton."
+
+In een halfuur heeft de _Dover Lass_ de schepen ingehaald, die onder
+het commando staan van kapitein De Rijk van Amsterdam. Van hem verneemt
+Guy, dat de Geuzen niet alleen Vlissingen hebben ingenomen, maar ook
+den Briel. Hun succes is de vonk geweest, die de vaderlandsliefde in
+Holland en al de Noordelijke Nederlanden heeft doen ontbranden. De
+eene stad vóór, de andere na verklaart zich voor den prins van Oranje
+als den stadhouder van Philips II en tegen Alva, want zoo groot was
+de eerbied, dien men in die dagen voor het koningschap koesterde, dat
+Oranje zich nog altijd den vazal van den Spaanschen koning noemde,
+ofschoon hij tegen hem streed met alle wapenen, die hem ten dienste
+stonden.
+
+Tot groote verbazing van Guy, heeft De Rijk, die Engeland een
+weinig later heeft verlaten dan de andere Geuzenschepen, vijfhonderd
+Engelsche vrijwilligers aan boord, die Guy op echt Engelsche wijze
+begroeten. Want Burleigh is door Elizabeth's liefelijke opmerkingen
+wel een weinig bang geworden voor zijn hoofd en helpt de Watergeuzen
+op alle mogelijke manieren.
+
+De _Dover Lass_ en de twee Geuzenschepen stevenen nu te zamen, door
+een zacht koeltje voortgedreven, naar de haven van Vlissingen. Juist
+als zij daar landen, bemerken zij, dat er iets ongewoons gaande is
+in de stad. Een kwartier geleden hebben zij een kleine pinas met
+een enkelen mast gezien, die van den kant van Antwerpen kwam en de
+haven even vóór hen binnenliep. Drie heeren in een zwierige kleedij,
+naar het uiterlijk Spanjaarden, zijn uit dit vaartuigje lachend aan
+land gestapt en de stad ingewandeld.
+
+Juist als De Rijk en Chester aan wal gaan, komen deze drie zelfde
+heeren haastig de stad weer uitsnellen in de richting van de haven,
+achtervolgd door zulk een joelende en tierende menigte, als Vlissingen
+nooit te voren zag. Het is een troep Watergeuzen, dronken van bloed,
+met hun aanvoerder, den grommigen Dirk Duyvel, tot de tanden gewapend
+met pistolen en pieken, zwaarden en haakbussen.
+
+"Weg met de Spaansche bloedhonden!" schreeuwen sommigen. "Hangt ze
+op, aan de hoogste galg, gezwind!" krijschen anderen. "In de zee
+met Alva's beulen!" gilt de rest,--dit alles gekruid met Hollandsche
+vloeken van de krachtigste soort.
+
+Als zij bemerken, dat hun de terugtocht naar het schip door de
+manschappen van De Rijk wordt afgesneden, komt de voornaamste van
+de drie Spanjaarden haastig op De Rijk af, en een buiging voor hem
+makend, trekt hij van zijn vinger een prachtigen zegelring en laat
+dien den aanvoerder der Geuzen zien, hijgend uitroepend: "Ik--ik
+geef mij aan u over.--Ik--ik wist niet, dat de stad in handen was van
+de--de oproerlingen. Laat deze ring mij behoeden voor een overhaasten
+dood. Ik ben een edelman. Ik kan een groot losgeld betalen. Ik ben
+Alva's ingenieur." Hij stoot deze woorden in den grootsten angst,
+naar adem hijgend, uit, want de menigte zit hem dicht op de hielen.
+
+Guy herkent met verbazing in den man Paciotto, den grooten militairen
+ingenieur van Alva, dien hij te Antwerpen aan diens zijde heeft gezien.
+
+"Gij kent mij?" brengt Paciotto met moeite uit.
+
+"Maar al te goed!" schreeuwt de menigte, die nu de hand aan hem slaat.
+
+"Maar al te goed!" herhaalt De Rijk. "Ik zal u echter voor een
+onmiddellijke executie bewaren," en hij en Guy en nog een paar
+andere officieren beschermen met getrokken zwaard de drie mannen,
+die anders het volgend oogenblik in stukken gehakt zouden zijn door
+de Watergeuzen. Want dezen zijn, nadat zij den Briel hebben ingenomen,
+dronken van bloed en dorsten naar wraak op de Spanjaarden, voor al de
+wreedheden, die door hen de vijf laatste jaren gepleegd zijn. Ieder
+heeft een familielid te wreken, deze een vader, die wreed vermoord
+is, een tweede een broeder, die den brandstapel beklommen heeft, een
+derde de beleediging, zijn vrouw aangedaan, en dit alles maakt hen
+even onmenschelijk als hun vijanden. Welke kans op lijfsbehoud heeft
+een officier van Alva bij zulke mannen? Guy heeft spoedig begrepen,
+dat Paciotto niet eens de keus zal worden gelaten, hoe hij ter dood
+zal worden gebracht.
+
+Terwijl De Rijk en hij den Italiaan behoeden voor onmiddellijke
+geweldpleging, hebben een aantal Geuzen het kleine Spaansche schip,
+waarmee Paciotto is gekomen, bestormd, en de weerlooze bemanning om
+hals gebracht, onder woeste kreten van vreugde en triomf.
+
+Een oogenblik later wordt de Italiaan naar het Raadhuis gesleept,
+waar Treslong, die het bevel voert, beraadslaagt met den burgemeester
+en andere overheidspersonen, in tegenwoordigheid van zijn meeste
+kapiteins.
+
+"Bij onze martelaren," roept de Hollandsche vice-admiraal uit, "wij
+hebben geluk. Daar is ons een van Alva's voornaamste gunstelingen in
+handen gevallen.--Een krijgsraad voor den Italiaanschen edelman!"
+
+"Ik roep het krijgsrecht in, Willem van Bloys, graaf van Treslong,"
+zegt Paciotto op hoogen toon, ofschoon de wanhoop op zijn gelaat te
+lezen staat.
+
+"Hetzelfde krijgsrecht, dat Alva toepaste, toen hij mijn broeder
+met zeventien andere edellieden liet terechtstellen op de markt te
+Brussel," antwoordt de Hollander.
+
+"Ja, gerechtigheid en barmhartigheid," spot een der andere
+officieren. "Dezelfde gerechtigheid, die Alva mijn vader deed
+wedervaren, toen hij om genade smeekte te Jemmingen. Dezelfde
+barmhartigheid, die Bossu nu twee dagen geleden te Rotterdam in
+practijk bracht."
+
+"Met zulke rechters ben ik vooruit veroordeeld," zucht de Italiaan, als
+Van Treslong en zijn officieren plaats nemen rondom een groote trom.
+
+Als de krijgsraad den eed heeft afgelegd, merkt de Hollandsche
+vice-admiraal, die veel doorzicht heeft, op: "Wij moeten den
+burgemeester in onzen krijgsraad opnemen. Dat zal hem voorgoed aan
+onze zaak verbinden. Hij zal Vlissingen tot het uiterste verdedigen,
+omdat hij daarmee zijn eigen hoofd tegenover Alva verdedigt."
+
+Zoo wordt de burgemeester, tegen wil en dank, lid van den krijgsraad
+en wordt er over Paciotto gerecht gehouden.
+
+"Waarvan beschuldigt gij mij?" vraagt de ongelukkige man. "Dat ik
+een goed onderdaan ben van uw koning, Philips van Spanje? Welnu,
+aan die misdaad verklaar ik mij schuldig."
+
+"Bah!" antwoordt Van Treslong, "gij zijt de rechterhand en de
+vertrouweling van Alva, onzen beul. Daarom begeeren wij uw leven. En
+ook, omdat gij voor hem zijn geduchte sterkte, de Citadel van
+Antwerpen, hebt gebouwd."
+
+"Als ik daarom den dood heb verdiend, executeer mij dan," mompelt
+de Italiaan met heesche stem. "Maar ik smeek u, laat mij dan sterven
+door het zwaard."
+
+"Halt!" roept Guy, wiens ridderlijk gemoed medelijden krijgt met de
+onderliggende partij. "Ik zal u als uw militaire advocaat voor deze
+rechtbank verdedigen."
+
+"Verspil uw woorden niet voor mij, senor," zegt de Italiaan op
+treurigen toon. "Deze Vlaamsche honden lekken hun baard reeds om
+mijn bloed."
+
+Guy stoort zich echter niet aan die tegenwerping, maar begint voor den
+ongelukkigen Spaanschen officier te pleiten, op zijn hartstochtelijke
+manier, in het vuur zijner rede zulke weinig vleiende woorden voor
+Paciotto's rechters bezigende, dat de Engelschman, als hij niet zelf
+den Geuzenpenning had gedragen en, wat nog meer zegt, als hij niet de
+man was geweest, die hun de vier schepen met kruit en ammunitie had
+bezorgd, het er zelf wel eens niet zonder kleerscheuren had kunnen
+afbrengen voor dezen krijgsraad van de Watergeuzen.
+
+Ondanks Chester's warm pleidooi, maken de Geuzen korte metten, en
+in minder dan vijf minuten op de tikkende hangklok aan den muur,
+veroordeelen zij den Italiaanschen ingenieur niet tot den dood door
+het zwaard, maar tot den dood door den--strop.
+
+Als het vonnis is uitgesproken, roept de Italiaan plotseling uit: "Hoe
+lang is het geleden dat uw vloot zich voor Vlissingen heeft vertoond?"
+
+"Ongeveer drie dagen," antwoordt een Geuzen-aanvoerder. "Doch wat
+kan dat u schelen, daar gij binnen drie minuten zult sterven?"
+
+Het antwoord van Paciotto klinkt vreemd en wonderlijk; hij slaat zijn
+handen in elkaar en toorn vlamt er in zijn oogen, zijn wanhoop maakt
+plaats voor verontwaardiging en hij roept uit:
+
+"Mijn God! Opgeofferd! Heilige Maagd! Gedood ter wille van mijn
+geheim!" En zich tot Guy wendend, fluistert hij: "Zijt gij de 'Eerste
+der Engelschen'?"
+
+"Ja."
+
+"Vraag dan aan de Hollandsche officieren, of zij mij nog tien
+minuten willen toestaan, om mij met God te verzoenen; alleen in uw
+tegenwoordigheid, want aan den rozenkrans, dien gij om uw hals draagt,
+zie ik, dat gij van mijn geloof zijt."
+
+Dit verzoek wordt door Treslong met een norsch: "Ja!" beantwoord.
+
+Hierop wordt Paciotto, nadat zijn handen gebonden zijn, in een
+aangrenzend vertrek gebracht, waaruit hij onmogelijk kan ontvluchten
+en waarin Chester, bewogen door de smeekende oogen van den Italiaan
+en misschien ook door nieuwsgierigheid gedreven, hem volgt.
+
+"Sluit de deur," fluistert de Italiaan. En hij vervolgt gejaagd:
+"Gij zijt de eenige, die goed voor mij is geweest in het laatste uur
+van mijn leven. Ik ben in staat u dit te vergelden! Ik kan u den weg
+wijzen om in rijkdom gelijk te worden aan de vorsten dezer aarde."
+
+"Hoe dan?"
+
+Doch de Italiaan geeft daarop geen antwoord, doch mompelt:
+"Opgeofferd! Ik ben een kind des doods,--door toedoen van Alva die
+nooit iemand spaart, als zijn belang meebrengt, hem uit den weg te
+ruimen. Deze stad werd reeds drie dagen door den vijand bedreigd! Hij
+wist dus van den aanval der Geuzen,--hij wist dat Vlissingen een
+hoogst gevaarlijke plaats zou zijn en hij zond mij hier kwansuis heen
+om de vestingwerken na te zien, maar inderdaad opdat zijn geheim met
+mij zou sterven. Want ik ben de eenige man in de Nederlanden, die het
+kent." En op hartstochtelijken toon vervolgt hij, heesch fluisterend:
+"Men heeft mij verteld, dat gij er weinig om geeft, uw leven te
+wagen. Zoudt gij, met de kans om enorme schatten te verwerven, een
+stout waagstuk willen ondernemen, om mij op mijn vijand te wreken?"
+
+"Voor die schatten zou ik mijn leven willen wagen--ja, haast mijn
+zaligheid op het spel willen zetten," antwoordt Guy levendig, want
+sinds hij de liefde van Alva's dochter heeft gewonnen, is het zijn
+eenige gedachte, aanzien, macht en geld genoeg te verwerven, om haar
+den staat en den luister te kunnen verschaffen, die toekomen aan de
+dochter van een onderkoning.
+
+"Dan, 'Eerste der Engelschen', zijt gij de man, dien ik noodig heb
+voor mijn _post-mortem_-afrekening met Alva, gij, die den moed hadt,
+Antwerpen te bezoeken; ik herinner mij, u daar gezien te hebben,
+den Onderkoning vrij in het aangezicht kijkend, zijn proclamatie
+met den prijs op uw hoofd bijna vlak boven u aan den muur. Gij zijt
+de man om mij te wreken. Luister, en ik zal u het geheim van het
+standbeeld meedeelen."
+
+"Alva's standbeeld!" roept Guy uit, terwijl Oliver's woorden hem weer
+te binnen schieten.
+
+"Stil! Val mij niet in de rede. Mijn tijd is zeer kort. Dit groote
+standbeeld, dat de Hertog heeft opgericht tot zijn verheerlijking, is
+gedeeltelijk bestemd voor een ander doel! Om den schat te beschermen,
+dien hij heeft verzameld met zijn tienden penning en dien hij naar
+Spanje denkt mee te nemen voor zijn eigen gebruik en voordeel. Het
+voetstuk--"
+
+"O, ik herinner het mij. Het voetstuk is van buitengewonen omvang,--het
+bevat den buit van de Nederlanden," fluistert Chester.
+
+"Bah! Neen, daarvoor is Alva veel te slim. Het standbeeld en het
+voetstuk bevatten _niets_."
+
+"_Niets_?"
+
+"En toch," zegt de Italiaan, "is _het standbeeld_ de bewaarplaats
+van Alva's schat."
+
+"Hoe dan?"
+
+"Luister. Terwijl ik als hoofdingenieur bezig was de Citadel
+van Antwerpen te veranderen en te verbouwen, ontdekte ik een
+onderaardsche gang, aangelegd om uitvallen te kunnen doen. Zij liep
+van het groote bastion van den Hertog onder de gracht door naar
+een plaats van uitgang in de stad zelve, een huis, vlak achter de
+Esplanade gelegen. Volgens geheime aanwijzingen van den Onderkoning
+zelf, liet ik aan het einde van de gang aan de zijde van de Citadel
+dertig voet onder den grond een vertrek uithouwen. Dit vertrekt
+dient tot bergplaats van Alva's schatten. Het soliede metselwerk
+van het groote bastion van den Hertog staat er vlak boven. Men zou
+weken lang moeten graven, om er van de Citadel in door te dringen,
+en men zou om het te laten springen, zooveel kruit noodig hebben,
+dat het geheele bastion in de lucht zou vliegen. Dus kan men het
+vertrek van uit de Citadel niet bereiken. Maar van de stadszijde is
+het toegankelijk, hoewel alleen voor hem, die het geheim kent, want
+het is op de meest vernuftige wijze voorzien van ieder mechanisme,
+dat Giovanni Alfriedo, een vindingrijk Italiaan uit Venetië, tot
+bescherming er van heeft kunnen uitdenken. En toch is het gemakkelijk
+en spoedig te bereiken voor hen, die in het bezit zijn van het geheim,
+en ik ben de eenige man, behalve Alva, die dat nu kent--daar Giovanni
+op zijn terugreis naar Venetië vermoord is geworden door zeeroovers,
+misschien wel op last van iemand en met een geheime bedoeling."
+
+"Uw tijd is om!" roept Van Treslong uit, op de deur bonzende.
+
+"Nog tien minuten voor de ziel van een stervende," smeekt Paciotto.
+
+"Ja, tijd, opdat hij in de vertroostingen zijner kerk moge sterven,"
+roept Guy uit, die nu brandt van nieuwsgierigheid om achter Alva's
+geheim te komen.
+
+Men staat hem nog vijf minuten toe, niet uit barmhartigheid, maar
+om een beul te zoeken. Want de stadsbeul is naar Middelburg, en daar
+Treslong dit nu eerst verneemt, verheft hij zijn stem tot de menigte
+vóór het stadhuis en looft een vrij aanzienlijke som uit voor hem,
+die het beulswerk wil verrichten.
+
+Doch niemand wil zich met dit vernederend werk belasten,--tot er
+zich eindelijk iemand voor aanbiedt, die, hoorende, dat Paciotto
+een Spanjaard is, uitroept: "Ik durf dat karreweitje wel aan! Ik zal
+den Spanjaard wel netjes ophangen! Ik moet echter permissie hebben,
+iedereen van kant te maken, die mij uitjouwt, omdat ik de beul van
+een Spanjaard ben geweest," en hij maakt zijn toebereidselen met touw
+en ladder.
+
+Terwijl men een beul voor hem zoekt, fluistert Paciotto haastig Guy
+in het oor: "De ingang bevindt zich in een huis, nu bewoond door
+een oude doofstomme vrouw, senora Sebastian. Zij weet van niets,
+men heeft haar het huisje tegen een lagen prijs verhuurd, toen het
+werk was afgeloopen. Gij neemt vier steenen op, midden in den kelder,
+en gij hebt den ingang voor u. Maar deze gewelfde gang wordt op twee
+plaatsen, voordat ge aan de gracht komt, afgesloten door ijzeren
+deuren, zóó sterk, dat zij alles kunnen weerstaan, behalve kruit. Elke
+deur wordt geopend door vernuftig uitgedachte sloten. Overeenkomstig
+het eigenaardige systeem van dezen bekwamen ingenieur, heeft men
+voor elk slot drie sleutels noodig, die in een bepaalde volgorde
+moeten gebruikt worden. Wijkt men af van die volgorde, dan weigeren
+de sloten. Elke poging om de ijzeren deuren te laten springen, zou
+de gang zelf vernielen en het Scheldewater naar binnen doen stroomen
+en hem, die het beproefde, doen verdrinken."
+
+"Maar hoe staat het standbeeld daar nu mee in verband?" fluistert Guy.
+
+"Ah! Dat is Alva's list om zijn muitzieke soldaten te verschalken. Door
+de geheimzinnigheid van den Onderkoning met betrekking tot dit
+standbeeld, beschouwt het halve Antwerpensche garnizoen het als
+uitgemaakt, dat het standbeeld zelf de bewaarplaats is van Alva's
+goud. Dit was zijn bedoeling. Hij vreest niet dat de burgers zijn schat
+stelen zullen, maar wel dat zijn eigen soldaten, die in jaren niet
+betaald zijn, in opstand zullen komen. Het eerste, waar zij de hand
+naar zouden uitsteken, zou de buit van hun bevelhebber zijn. Daarom
+zouden zij het allereerst, om zijn goud te vinden, het voetstuk van
+het standbeeld openbreken. Maar als zij dat gedaan hadden, werd de
+gewelfde gang, die naar de stad leidt, voor iedereen ontoegankelijk,
+behalve voor de visschen, want het standbeeld is zóó ingericht, dat als
+het beschadigd wordt, zich vanzelf een sluis opent, en de eenige weg
+naar Alva's schat door het water van de gracht wordt overstroomd. En al
+ontdekten zij daarna ook de bergplaats van het goud, dan zou het zeker
+nog een maand duren, eer zij het konden bemachtigen, daarvoor zou men
+het bastion van den Hertog in de lucht moeten laten vliegen. In die
+maand zou het oproer zeker reeds gedempt en de schat beveiligd zijn."
+
+"Maar de sleutels?" fluistert Guy ongeduldig, want het steeds luider
+wordend rumoer van de menigte buiten, waarschuwt hem, dat de tijd
+kostbaar is.
+
+"Ik heb hier,--maak mijn wambuis los en snijd de voering open,"
+fluistert Paciotto, "want mijn handen zijn vastgebonden,--teekeningen
+van elk der drie sleutels met hun nommer, waarnaar gij ze
+kunt laten maken, en bovendien een beschrijving van de manier,
+waarop zij gebruikt moeten worden; eveneens een teekening van de
+onderaardsche gang, die naar den schat van den Hertog voert. Wreek
+mij op hem. Gij wilt het beproeven, ik zie het aan uw gelaat,--als
+gij slaagt, zal het een merkwaardige verrassing voor Alva zijn. Wat
+zal hij aangaan, als hij in zijn leege schatkamer zijn roofgeld
+niet meer vindt! De geheele tiende penning verdwenen, waarvoor hij
+de gunst van zijn koning op het spel heeft gezet, waarvoor hij de
+Nederlanden al die jaren heeft onderdrukt. Geen goud voor Alva--geen
+goud--ho! ho!--ha! ha!--hi! hi!" en hij barst uit in een afschuwelijk
+wanhopig gelach,--zijn laatsten lach op aarde.
+
+Juist op het oogenblik, dat Guy een klein pakje van hem aanneemt,
+zorgvuldig in perkament gewikkeld, wordt de deur opengeworpen en
+komen Treslong, De Rijk en eenige andere Geuzen het vertrek binnen.
+
+"Het is tijd!" roept de admiraal.
+
+"En gij kent dus geen genade?" zegt de Italiaan.
+
+"Niet, als het een gunsteling van Alva betreft. Wij behandelen u met
+dezelfde genade, die uw meester ons heeft betoond."
+
+En zij grijpen hem aan en sleepen hem naar buiten, terwijl hij
+wanhopend uitroept: "Gun mij den dood van een edelman,--niet de galg,
+maar het zwaard. Ik ben evengoed edelman als Egmont en Hoorne,--ik
+wil sterven door het zwaard, waarop een edelman recht heeft."
+
+Maar het noemen van de namen van Egmont en Hoorne heeft juist een
+verkeerde uitwerking; het vermeerdert nog de woede tegen Paciotto en
+men duwt hem naar buiten op het plein voor het stadhuis. Daar staat
+de ladder tegen de galg, waaraan reeds de twee officieren, die hem
+vergezelden, bengelen; hij werpt wanhopige blikken op Chester en
+mompelt: "Vergeet niet mij te wreken."
+
+En zoo beklimt Paciotto, de bekwame ingenieur, onder het gelach van de
+spottende bende Watergeuzen, de ladder, met het kruis aan zijn lippen,
+en al hangt men hem op als een hond, toch sterft hij als een edelman
+en een goed Katholiek.
+
+Doch Guy heeft nauwelijks oogen voor den doodsstrijd van den
+ongelukkige. Hij ziet enkel Alva's schatten, alles wat de Hertog
+aan belastingen den Nederlanders heeft afgekneveld,--de onmetelijke
+rijkdommen van den vader, die hij wil veroveren als bruidsschat van
+de dochter.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG.
+
+
+Chester is er de man niet naar, om enkel naar Alva's schatten te
+haken, en geen middelen in het werk te stellen, om ze in zijn bezit
+te krijgen. Zoo spoedig mogelijk begeeft hij zich weer aan boord van
+de _Dover Lass_ en sluit zich terstond op in zijn hut, om het pakje
+te onderzoeken, dat hij van Paciotto heeft ontvangen; nu hangt deze
+ongelukkige man als voedsel voor de raven op de markt te Vlissingen.
+
+Nadat hij het zorgvuldig in perkament gewikkelde pakje heeft geopend,
+komen er drie teekeningen uit te voorschijn van drie groote sleutels
+in hun natuurlijke grootte en afmeting, genummerd met de cijfers 1, 2
+en 3. Buitendien bevat het pakje een aanwijzing voor hun gebruik. Deze
+luidt:
+
+"Gebruik voor de eerste deur achtereenvolgens de sleutels 1, 2 en 3.
+
+"Voor de tweede deur de sleutels 3, 2 en 1.
+
+"Voor de derde deur eerst nº. 2, daarna nº. 1 en ten slotte nº. 3.
+
+"Gebruik ze precies in de genoemde volgorde. Elke willekeurige
+verandering daarin kan de sloten onbruikbaar maken."
+
+Behalve dit, is er nog een schets van de gang naar de Citadel, waarop
+eveneens is aangegeven de sluis, die in verbinding staat met het
+standbeeld van Alva, en hoe het mechanisme van de sluis onbeweegbaar
+kan gemaakt worden, zoodat, al wordt het standbeeld vernield, het
+water van de Schelde toch niet in de gang kan stroomen, om hen,
+die daar aan het werk zijn, te doen verdrinken.
+
+Deze teekeningen en aanwijzingen zijn op het lichtste en fijnste
+Italiaansche papier geteekend, zoodat haar volume zeer klein is en
+zij gemakkelijk geborgen kunnen worden.
+
+Guy maakt van alles een nauwkeurige kopie en bergt deze weg in zijn
+stevige kist in de hut van de _Dover Lass_. Het oorspronkelijke
+document steekt hij bij zich.
+
+Daarna gaat hij overleggen, wat hem te doen staat. Het is niet alleen
+noodig, dat hij eenigen tijd naar Antwerpen gaat, om de sleutels
+te laten maken bij een bekwamen slotenmaker, maar hij moet ook een
+schip met bemanning bij zich hebben, dat in staat is, den buit weg
+te voeren, nadat hij er zich van heeft meester gemaakt. Een bezoek
+aan Antwerpen op zichzelf is reeds gevaarlijk. Een gedeelte van zijn
+bemanning mee te nemen op een schip en daar in de haven te gaan liggen,
+schijnt hem niet raadzaam.
+
+Hij komt eindelijk, nadat hij de onderneming van alle kanten heeft
+bekeken (want hij wil er zelfs niet met Dalton over spreken, die
+anders geheel te vertrouwen is), tot het volgende vindingrijke
+besluit. Hij wil zich met behulp van de _Dover Lass_ meester maken
+van eenige Spaansche koopvaardijschepen, totdat hij er een aantreft
+met een kapitein, die nooit in Antwerpen is geweest, maar nu op
+weg is naar die stad. Als hij van het schip bezit heeft genomen,
+zal hij den kapitein en de bemanning wel zóó doen verdwijnen, dat
+zij nooit weer te voorschijn komen. Hijzelf wil zich vermommen en den
+naam van den kapitein van het schip aannemen. Uit zijn bemanning zal
+hij slechts diegenen kiezen, die het meest op Spaansche en Vlaamsche
+pikbroeken gelijken, en daarna met het schip naar Antwerpen zeilen,
+hiertoe de papieren en de stukken van de Spaansche haven gebruikend,
+en zijn lading afleveren aan haar bestemming, alsof hij de kapitein
+van het schip was. Terwijl zijn schip wordt gelost, kan hij zich
+waarschijnlijk (met behulp van Antony Oliver, als deze tenminste in
+de stad is) meester maken van den schat van den Hertog, zijn schip
+er mee bevrachten en tegelijkertijd lading innemen voor een haven,
+waarheen hij door Antwerpsche kooplieden zal gezonden worden.
+
+En als hij dan opnieuw in de open zee zal zijn gekomen, is hij van plan
+naar Engeland te zeilen en zijn schat met hetzelfde recht aan land te
+brengen, als waarmee Drake, Hawkins en andere Engelsche vrijbuiters
+hun buitgemaakte staven goud uit Spaansch-Indië daarheen voeren. Daar
+zal hij zeggen, dat Alva's goud afkomstig is van een prijsverklaard
+galjoen en Elizabeth de tien percent, waarop zij aanspraak maakt,
+betalen, de gebruikelijke belasting op zulk een buit.
+
+Een uur, nadat hij dit besluit heeft genomen, is de _Dover Lass_
+onder zeil naar den open oceaan, en gedurende de volgende dagen
+neemt het kleine schip twee of drie schepen, die op weg waren naar
+Antwerpen. Doch geen van alle zijn geschikt voor zijn doel. Hij hoort
+de kapiteins van die schepen uit en verneemt, dat zij reeds vroeger
+te Antwerpen zijn geweest, of dat sommige hunner matrozen familie
+of vrienden in die stad hebben, of er is iets in de scheepspapieren,
+dat ze onbruikbaar voor hem maakt.
+
+Daarom brengt hij deze schepen naar Vlissingen en verkoopt schepen en
+lading voor een appel en een ei in die stad, welke nu goed bewaard
+is in de handen van den prins van Oranje; de vlag van dezen prins
+wappert nu reeds van verscheidene torens in de Nederlandsche steden,
+doch sommige van deze worden daarvoor later wreed gestraft, en hun
+inwoners allen over de kling gejaagd,--mannen, vrouwen en kinderen.
+
+Het geld, dat hij ontvangt voor den gedwongen verkoop van deze gestolen
+goederen, is nauwelijks een tiende van hun waarde, want het geld is
+zeer schaarsch in de Nederlanden, sinds de invoering van den tienden
+penning, maar het is voldoende voor hetgeen Chester zich voorstelt
+in Antwerpen te doen.
+
+Dit alles rooft echter tijd en reeds is er een maand verloopen,
+sedert hij in het bezit is van Paciotto's geheim, eer hij het karveel
+_Esperanza_ buitmaakt, kapitein Andrea Blanco, wiens journaal aanwijst,
+dat hij nooit te voren in Antwerpen is geweest, maar bijna altijd op
+West-Indië gevaren heeft. Het gelukt hem na veel moeite van kapitein
+Blanco te weten te komen, dat hij geboortig is uit Hispaniola en dat de
+geheele bemanning nog nooit te voren in Vlaamsche wateren is geweest.
+
+Het schip is zeer geschikt voor zijn doel, daar het een stevige bark
+is van ongeveer driehonderd ton, ofschoon niet te vergelijken met
+de _Dover Lass_, en gewapend met zeven stukken geschut aan iedere
+zijde. Het heeft zich dan ook eenigen tijd verdedigd tegen de _Dover
+Lass_, wat in die bloedige tijden in den regel ten gevolge zou hebben
+gehad, dat de bemanning meedoogenloos werd afgemaakt,--vooral wanneer
+het belang van den veroveraar meebracht, zooals nu, om ze allen
+daarheen te helpen, waar zij nooit iets over de Antwerpsche haven
+zouden kunnen vertellen.
+
+Hoe rationeel hem dat ook toeschijnt, kan Chester er toch niet toe
+besluiten, ze in koelen bloede te vermoorden.
+
+Hij roept daarom Dalton en zegt: "Het is noodzakelijk, dat ik
+persoonlijk het bevel op mij neem over ons prijsgemaakt schip, de
+_Esperanza_, mij uitgeef voor haar kapitein en met dertig mijner
+manschappen naar Antwerpen zeil."
+
+"Naar Antwerpen gaan?" roept Dalton verbaasd uit. "Naar den duivel
+gaan? En wie zal u daarheen willen volgen?"
+
+"Gij, als ik het u vroeg, Dalton," antwoordt zijn commandant. "Roep
+de bemanning."
+
+En als zij allen vóór de groote mast staan, overziet Chester de honderd
+vijf en twintig matrozen van de _Dover Lass_, brutale vechtersbazen,
+tot den kok en den kajuitsjongen incluis, en spreekt hen kort en
+bondig toe: "Nu, jongens, heb ik een karreweitje voor je, iets dat
+je zal aanstaan--waarbij heel wat buit is te behalen. Daarvoor moet
+ik dertig man hebben, die met mij op de _Esperanza_ naar Antwerpen
+willen zeilen. Als wij niet slagen, weet gij vooruit, wat Alva met
+ons zal doen. Dat zal niet malsch zijn. Als ik slaag, krijgt ieder
+van de matrozen van de _Dover Lass_ twintig goudstukken, gij, Dalton,
+tweehonderd en de andere officieren naar verhouding. Doch ieder,
+die met mij op de _Esperanza_ gaat, krijgt er twintig extra voor het
+waagstuk, en het gaat op leven en dood, daarom dwing ik niemand. Zij,
+die lust hebben met mij dat avontuur te wagen, moeten op het halfdek
+gaan staan."
+
+En in een oogwenk staan al de matrozen om hem heen op het halfdek,
+terwijl Dalton uitroept: "Neem mij in 's hemels naam mee,
+commandant. Ik laat u niet alleen gaan."
+
+Doch Chester antwoordt: "Het is noodzakelijk, dat gij het bevel
+over de _Dover Lass_ op u neemt," en hij kiest die mannen uit,
+die het meest op matrozen van een koopvaardij schip lijken; hij is
+zoo gelukkig, er zeven en twintig te vinden, die Spaansch spreken,
+daar zij hier en daar, in West-Indië en in de Middellandsche zee,
+wat van die taal hebben opgevangen.
+
+Daarom neemt hij deze zeven en twintig, onder aanvoering van Martin
+Corker, die beweert, dat hij genoeg Spaansche halzen heeft afgesneden,
+om het Spaansch vlot te kunnen spreken.
+
+Nadat dit geregeld is, neemt Chester Dalton mee in zijn hut en zegt
+tot hem op ernstigen toon: "Luister naar mijn bevelen. Sla de geheele
+bemanning van de _Esperanza_ in boeien. Zorg, dat niemand ontsnapt. Ga
+dan spoedig onder zeil en zet ze aan land op de westkust van Ierland."
+
+"Wat! onder die bloeddorstige barbaren? Dan mag ik wel oppassen,
+dat wij er het hachje ook niet bij inschieten," zegt Dalton. Want in
+dien tijd was de Westkust een _Ultima Thule_, door iedere pikbroek
+gevreesd, want geen schipbreukeling kwam er ooit van terug.
+
+"Keer terstond naar Vlissingen terug," vervolgt Guy, "zoodra gij u
+van uw opdracht hebt gekweten. Wacht mij daar."
+
+"Doch als gij niet terugkomt?"
+
+"Dan zijt gij commandant van de _Dover Lass_. Maar ik kom wel
+terug. Als gij echter iets om mijn leven geeft en om dat van de arme
+drommels, die ik met mij neem, zorg dan dat niemand van de Spaansche
+bemanning, het allerminst de kapitein, uit uw handen loskomt, totdat
+gij hen hebt afgeleverd aan de O'Brien's, O'Toole's of een of ander
+bloeddorstig Iersch opperhoofd, die hen tot zijn slaven zal maken en
+uit wiens wilde klauwen zij evenmin zullen kunnen ontsnappen, als de
+negers, die in Afrika werden gestolen, dit in West-Indië kunnen doen!"
+
+"Verlaat u op mij. Geen der knoflooketende Dons ziet zijn moeder ooit
+terug. Als ik gevaar mocht loopen, dat een Spaansch oorlogsschip mijn
+schip nam, dan overboord met hen," zegt Dalton en laat zijn woorden
+vergezeld gaan van een welsprekend gebaar.
+
+Daarna zet de _Dover Lass_ koers naar de Hebriden, de noordelijke
+route naar Ierland nemend, om iedere ontmoeting met een Spaansch
+oorlogsschip te vermijden.
+
+En Guy Chester, vermomd als kapitein Andrea Blanco, zeilt met zijn
+zeven en twintig vrijwilligers, die al het mogelijke hebben gedaan, om
+hun Engelsche afkomst te verbergen, op het schip de Esperanza onder de
+Spaansche vlag, met Martin Corker aan het roer, naar den Scheldemond.
+
+Hij bereikt dien in den morgen, ontsnapt bij Vlissingen ternauwernood
+aan de vervolging van zijn collega's, de Watergeuzen, en is in den
+namiddag tot Fort Lillo genaderd. Hier vindt hij drie Spaansche
+oorlogsschepen en veel bedrijvigheid; als hij wordt aangehouden door
+een Spaansche patrouilleboot, vertoont hij zijn charterpapieren en
+cognossement, aan de firma Jakobszoon en Olins, die hun kantoor hebben
+in de Wolstraat, dicht bij de Engelsche kade te Antwerpen.
+
+Zijn stukken blijken in orde te zijn, en partij trekkende van den
+vloed, laat Chester op een mooien dag in Mei, terwijl de ondergaande
+zon den fraaien toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk verguldt, het
+anker vallen voor Antwerpen, passeert ongemoeid het douanekantoor
+en gaat met zijn cognossement en charterpapieren naar het huis van
+Jakobszoon en Olins.
+
+"Hoezee! Gij zijt aan de plunderende Geuzen ontsnapt, mijn waarde
+kapitein Blanco," roept de oudste firmant Jakobszoon uit, een blozend,
+zwaarlijvig persoon.
+
+Jan Olins, een man met een net geschoren gelaat en deftige manieren,
+merkt op: "Gij hebt er uw schip netjes doorheen gebracht. Als het
+gouvernement deze Hollandsche vrijbuiters niet weet te verdelgen,
+is het gedaan met den handel van Antwerpen."
+
+Daarop noodigen de twee heeren hun kapitein, die zich zoo flink
+gehouden heeft, uit, om met hen te soupeeren. "Ga met ons mede,"
+zegt Jakobszoon, "het is juist de avond, waarop ik uitga. Wij zullen
+een flesch drinken in _De Geschilderde Herberg_."
+
+Doch Guy heeft niet veel lust, om _De Geschilderde Herberg_
+te bezoeken, daar hij liever naar Antony Oliver gaat, en hij
+verontschuldigt zich dus, onder voorwendsel dat hij naar zijn schip
+moet terugkeeren.
+
+"Zoo, gij wilt dus aan boord slapen?" zegt de jongste firmant.
+
+"Waarschijnlijk wel," antwoordt de kapitein, "totdat ik mijn schip
+veilig aan de kade heb liggen."
+
+"Nu, de _Engelentoren_ is anders een zeer goede herberg en niet ver
+van hier," zegt Jakobszoon. "Zij ligt ook in de buurt van uw schip."
+
+"Dank u, ik zal het onthouden," en afscheid nemend van de twee heeren,
+die zeer in hun nopjes schijnen te zijn over de aankomst van hun
+schip en zich dientengevolge zeer gastvrij betoonen, staat Chester
+weldra voor het geschilderde uithangbord van den barbier.
+
+Het is reeds avond, er brandt geen lamp in het voorhuis en hij wordt
+niet herkend door Touraine, die hem binnenlaat. Hij vliegt de trappen
+op en wordt, als hij aanklopt, tot zijn onuitsprekelijke vreugde,
+terstond binnengelaten door Oliver. En tot zijn even groote vreugde
+herkennen de scherpe oogen van den schilder hem niet. Antony is bezig
+aan zijn altaarstuk. De ondergaande zon schijnt door het venster en
+geeft leven en bezieling aan het gelaat en de goddelijke oogen van
+Hermoine de Alva. Met de haast van den minnaar gaat de Engelschman
+op het schilderij af. Op Oliver's angstige opmerking: "Wat is er van
+uw dienst?" antwoordt hij niets, geheel verdiept als hij is in de
+beschouwing van zijn beminde!
+
+"Wat is er van uw dienst, senor?"
+
+"O--ja! Hebt gij den laatsten tijd dikwijls duivenpastei
+gegeten?" fluistert Chester ontwakend.
+
+"Morbleu!" roept de Vlaamsche artist uit. "Kapitein--neen, majoor
+Guido Amati!"
+
+"Nu niet," zegt de ander kortaf, de deur sluitend, "maar Andrea
+Blanco, kapitein van een Spaansch koopvaardijschip met huiden,
+talk en Spaanschen wijn in cognossement aan Jakobszoon en Olins,
+zijn lading lossende aan de Engelsche kade."
+
+"Maar toch mijn Guido," fluistert de schilder, en de levendige
+Fransche Vlaming slaat zijn armen om Guy's hals en geeft hem naar
+'s lands wijs twee hartelijke zoenen, op iedere wang één.
+
+"Is uw factotum hier?" vraagt de Engelschman een weinig brusk, want
+hij is niet gesteld op zulk een teedere begroeting.
+
+"O, ik heb Achille vandaag vrijaf gegeven. Hij is beneden bij zijn
+familie," zegt Oliver. "Doch wat brengt u hier? Mademoiselle Hermoine?"
+
+"Is zij hier--in Antwerpen?" roept Guy opgewonden uit, terwijl
+zijn hart onstuimig begint te kloppen en zijn oogen schitteren van
+verlangen.
+
+"Neen, zij is gelukkig in Brussel."
+
+"_Gelukkig_?"
+
+"Ja, omdat het u is aan te zien, dat gij alles zoudt trotseeren om haar
+te spreken te krijgen, en dat met vijf duizend kronen op uw hoofd."
+
+"_Vijf duizend_?"
+
+"Ja--gij zijt onlangs in prijs gestegen. Alva heeft gehoord, hoe
+gij de Geuzen op hem hebt afgezonden met kruit en kogels, om zich
+met geweld te verschaffen, wat zij voor hun levensonderhoud noodig
+hebben. Geen proviand, geen water, maar overvloed van kruit, hè? Dat
+was een mooie poets, die ge hem hebt gespeeld. Doch koningin Elizabeth
+heeft u opnieuw vogelvrij verklaard en Alva heeft laten afkondigen,
+dat uw hoofd vijf duizend kronen waard is. Parbleu! wat haat hij
+u! Als hij eens wist--" en de schilder barst in lachen uit en vervolgt
+daarna ernstig:
+
+"Wat is de reden, dat gij dit geduchte waagstuk opnieuw onderneemt,
+Guido?"
+
+"Grendel de deur en luister," fluistert de Engelschman. Als dit
+gedaan is, begint hij op halfluiden toon: "Bij mijn laatste bezoek
+hier maakte ik mij meester van de liefde van Alva's dochter. Bij dit
+bezoek zal ik mij meester maken van al het goud, dat Alva door zijn
+tienden penning heeft bijeengebracht."
+
+"Diable! gij zijt dol!"
+
+"Luister en oordeel of ik het ben," en een stoel krijgend,
+vertelt Chester de vreemde geschiedenis van Paciotto's biecht en
+_post-mortem_-wraak op den dictator der Nederlanden.
+
+Antony luistert vol aandacht naar zijn wonderbaarlijk verhaal en kan
+zoo nu en dan een uitroep van verbazing niet onderdrukken. Aan het
+einde gekomen, laat Guy de teekeningen van de sleutels zien en het
+plan van de onderaardsche gang onder het bastion, en zegt: "Gelooft
+gij het nu?"
+
+"Ja," antwoordt de schilder langzaam, "ik geloof u! Alva heeft zijn
+troepen in den waan gebracht, dat het standbeeld dienst doet als zijn
+schatkamer. Alva wist, dat Vlissingen het drie dagen zou uithouden,
+alvorens zich over te geven. Hij heeft dus Paciotto opzettelijk
+daarheen gezonden. Ik geloof u!"
+
+"Dan," zegt Guy, "krijgt gij een derde gedeelte van Alva's geld,
+als gij het mij helpt buitmaken."
+
+"Van harte gaarne!" antwoordt Oliver vol vuur. "Mijn deel zal voor mijn
+vaderland bestemd zijn, niet voor mijzelven. Ik zal Alva beoorlogen
+met zijn eigen tienden penning. Maar gij hebt zeker honger."
+
+"Neen, ik heb aan boord gegeten."
+
+"Oho, verliefden hebben geen honger!"
+
+"Zoo is het. Maar hoe gaat het haar? Gij zijt in Brussel geweest--hoe
+maakt zij het?"
+
+"Ja, ik ben eerst twee dagen geleden weer thuis gekomen," antwoordt
+de schilder zuchtend. "Ik wilde nog de laatste hand leggen aan mijn
+altaarstuk, eer ik ten strijde ga."
+
+"Gij ten strijde?"
+
+"Ik moet. Kan ik, nu al de Nederlandsche gewesten naar de wapenen
+grijpen, rustig thuis blijven? En buitendien, mijn positie wordt
+met den dag gevaarlijker. Ik zal weldra moeten vluchten. Nom de
+Dieu, het ging laatst bij het walletje langs," vervolgt Oliver,
+"het was op den dag, toen de tijding kwam, dat de Watergeuzen den
+Briel hadden ingenomen."
+
+"Hoe? Waart gij in gevaar?"
+
+"Oordeel zelf. Gij weet, dat deze belasting iedereen te gronde
+richt. De bakkers willen niet meer bakken, de slagers niet meer
+slachten, het volk wil geen handel meer drijven. Dit beviel Zijne
+Hoogheid Alva slecht; hij zond dus om zijn beul en beval hem, achttien
+stroppen en evenveel ladders van twaalf voet lengte te maken en
+de achttien voornaamste bakkers van Brussel in hun eigen deurpost
+op te knoopen, als een waarschuwend voorbeeld voor de anderen, om
+terstond met bakken te beginnen. Dienzelfden avond kwam het nieuws
+van de inneming van den Briel en redde hen, want die tijding bracht
+de hoofdstad in opschudding en Alva's gedachten werden er zoo geheel
+door in beslag genomen, dat hij de bakkers vergat. 's Morgens zond
+hij dadelijk om mij. 'Oliver,' zeide Zijne Hoogheid, 'zoek mij den
+kerel, die dat heeft vervaardigd.' En hij duwde mij een caricatuur van
+zichzelven, waarop hij gejaagd naar zijn bril zoekt, onder den neus,
+met het onderschrift:
+
+
+
+ 'Op den eersten van April
+ Verloor duc d'Alf zijn bril.'
+
+
+
+'Deze schandelijke en brutale caricatuur,' vervolgde Zijne
+Hoogheid, 'heeft men aangeplakt gevonden tegen mijn paleis. Gij
+moet den verwenschten kladschilder zoeken.' 'Hoe kan ik dat, Uwe
+Hoogheid?' stamelde ik. 'Dat kunt gij beter dan iemand anders. Gij
+zijt een kunstenaar,' snauwde de Hertog. 'Ik laat mij hangen, als de
+schurk niet denzelfden stijl van teekenen heeft als gij. Hij moet
+onder denzelfden meester gewerkt hebben. Gij moet dien oproerling,
+dien kladschilder vinden!' Zoo ging ik heen, doch mijn knieën knikten,
+want die schilder was ikzelf! Maar ik zit op gloeiende kolen, ik
+kan dat niet langer uithouden, ik ben van plan te gaan vechten--en
+misschien te sterven, maar als een man, met het zwaard in de vuist,
+niet als een misdadiger op de pijnbank."
+
+"En Dona Hermoine," viel Guy hem in de rede, "wat zeide zij er van?"
+
+"Waarvan?"
+
+"Van het nieuws van de inneming van den Briel?"
+
+"Ik geloof, dat zij daar in het geheel geen notitie van genomen
+heeft. Die jonge dame denkt aan niets anders dan aan raouts en
+feesten," antwoordt de schilder, "en bemoeit zich niet met politiek. En
+dan heeft zij een vurigen aanbidder in generaal Noircarmes--"
+
+"Alle duivels!--heeft zij mij vergeten?" buldert de Engelschman.
+
+"Neen, ik denk eer, omdat zij veel aan u denkt."
+
+"Hoezoo?"
+
+"Wel, de eerste weken, nadat gij weg waart, was zij altijd zeer
+opgeruimd; er was aan Alva's hof geen tweede gelaat, dat zoo straalde,
+geen tweede paar oogen, dat zoo schitterde, niemand, die zooveel geest
+ten toon spreidde, en er zijn vele schoone vrouwen in Brussel. En
+toen--"
+
+"Nu, wat toen?"
+
+"Toen werd zij treurig en had blijkbaar verdriet."
+
+"Wat was de reden daarvan? Weet gij het niet?"
+
+"Ja, ik vermoed het."
+
+"Wat dan?"
+
+"Gij!"
+
+"Ik?"
+
+"Ja. Er kwam bericht uit Middelburg, dat uw gedrag veel te wenschen
+overliet, mijn jongen," zegt Oliver, inwendig lachend.
+
+"Mijn gedrag veel te wenschen overliet?"
+
+"Zeer veel," lacht Oliver. "Het rapport luidde, dat bij de ontvangst
+van zijn bevordering, majoor Guido Amati eenige dagen aan den rol
+ging en zich bezondigde aan allerlei uitspattingen."
+
+"Goede hemel! Die ellendige schurk!"
+
+"Dat is hij," stemt Oliver toe.
+
+"Hij--hij zal mij nog in het verderf storten! Zij zal mij voor een
+ondankbaren ellendeling houden! Vervl....! dat mijn goede naam moet
+afhangen van dien dronkaard, dat verloopen sujet!" roept Guy woedend
+uit. "Wat zal ik doen? Geef mij raad, Oliver. Ik moet naar Middelburg
+en hem naar de andere wereld zenden, eer hij mij van alle hoop op
+geluk berooft."
+
+"Dat zou ik niet doen," lacht Oliver, "want als gij majoor Guido
+Amati doodt, zal Hermoine de Alva in den rouw gaan."
+
+"In den rouw over hem?"
+
+"Neen, over u. Als ik mij niet vergis, heeft zij u innig lief. Doch
+uw gedrag, mijn beste jongen, maakt haar diep ongelukkig." En de
+schilder kan zich niet meer inhouden, maar barst in lachen uit en
+zegt op spottenden toon: "Diable, ik zie u al, boete doende voor
+de zonden van majoor Guido Amati aan de voeten van uw beminde! Kom,
+laten wij nu gaan soupeeren."
+
+"Ik kan niet eten. Lach mij niet uit."
+
+"Waarom niet? Als Hermoine zich het gedrag van den wilden majoor Guido
+Amati niet aantrok, dan was er reden, om uw eetlust te verliezen. Als
+Dona Hermoine de Alva ophoudt belang te stellen in het doen en laten
+van majoor Guido Amati, dan eerst is het tijd voor Guy Chester om
+wanhopig te worden."
+
+"Als gij de zaak van dien kant beschouwt, hebt gij gelijk, en ik zal
+dus maar met u gaan soupeeren," antwoordt Guy, weer moed scheppend.
+
+En het tweetal verlaat Oliver's woning, niet om naar een der groote
+herbergen van Antwerpen te gaan, maar naar den dichtbijgelegen
+_Engelentoren_, waar hun niet veel bijzonders wordt voorgezet, ofschoon
+Guy nu eensklaps een goeden eetlust krijgt--ondanks de slechte keuken
+en den zuren wijn.
+
+In Oliver's woning teruggekeerd, gaan zij beraadslagen over de zaak,
+die Guy in de stad zijner vijanden heeft gebracht, en maken het
+volgende plan. Chester zal op de gewone wijze zijn schip gaan lossen,
+terwijl Oliver de noodige inlichtingen zal zien te verkrijgen en de
+sleutels zal laten maken.
+
+"Het is niet raadzaam, ze alle drie bij denzelfden slotenmaker te
+laten vervaardigen. Ik zal een kopie van deze teekeningen maken, en
+wel van iederen sleutel op een afzonderlijk stuk papier. Gij bewaart
+de oorspronkelijke teekeningen. Ik breng de teekening van nº. 1 naar
+een slotenmaker, dien ik ken, de teekening van nº. 2 naar een in een
+ander gedeelte der stad. Neen, het is nog beter, dat ik de twee andere
+sleutels elders laat maken, daar de verschillende slotenmakers in de
+stad er met elkaar over zouden kunnen spreken, want het zijn vreemde
+sleutels en zij zullen veel geld kosten."
+
+"Dat komt er niet op aan," zegt Guy, "ik heb geld genoeg."
+
+Zij spreken dus af, dat een van de sleutels in Antwerpen, een in
+Mechelen en een in Brussel zal worden gemaakt. Antony zal ook onderzoek
+doen naar het huis bij de Esplanade en zien, of het er uitziet,
+zooals het beschreven is en of de oude doofstomme Spaansche vrouw er
+nog woont. "Ik vertrek onmiddellijk naar Brussel, om een der sleutels
+te laten maken en den tweeden geef ik in Mechelen," zegt Oliver.
+
+"Laat mij naar Brussel gaan," zegt Guy levendig. "Gij hebt hier genoeg
+te doen."
+
+"En gij dan niet?--moet uw schip niet gelost worden? En buitendien,"
+antwoordt Antony, "is het niet om den sleutel, dat gij naar Brussel
+wenscht te gaan. Het is om Hermoine de Alva." En hij vervolgt
+op ernstigen toon: "Laat zij doen wat zij wil, of denken wat zij
+wil, maar zoek haar in Godsnaam niet op, eer wij dit zaakje hebben
+opgeknapt. Als men argwaan tegen u opvat, is alles verloren. Vergeet,
+dat gij majoor Guido Amati de Medina zijt, een lichtzinnig soldaat
+en de minnaar van de dochter van den Onderkoning; wees enkel Andrea
+Blanco, een eenvoudig koopvaardij-kapitein, die alleen belang stelt
+in grog en chartergeld; begin morgen vroeg uw schip te lossen."
+
+"Vooruit dan maar," zucht Guy, die moet erkennen, dat de raad van
+den schilder verstandig is, al is hij ook niet naar zijn smaak. "Ik
+zal terstond aan boord gaan."
+
+"Dat kunt gij niet. Gij moet vannacht bij mij blijven. De poorten zijn
+gesloten, en er is geen jonge dame bij de hand, om u het wachtwoord te
+geven of u een gouvernements-barge aan te bieden, om u veilig buiten
+Antwerpen te brengen!" lacht Oliver en voegt er ernstiger aan toe:
+"Tête Dieu! gij zijt toen den dans nog maar even ontsprongen. Het
+was bekend geworden, dat gij hier waart. Alleen Alva's dochter kon
+u nog redden. Onthoud, dat Hermoine de Alva u, en misschien ook mij,
+dien nacht behoed heeft voor den brandstapel of de galg. En nu vijf
+duizend kronen op uw hoofd,"--de schilder zucht.
+
+Maar ondanks deze sombere herinneringen, brengen de beide jonge mannen
+een genoeglijken avond door bij een flesch wijn in het atelier van
+den schilder, en spreken over Antony's altaarstuk, dat zoo goed als
+af is. De mooie oogen van Hermoine de Alva kijken haar Engelschen
+minnaar aan, alsof zij hem opnieuw welkom heeten in de stad zijner
+vijanden--maar toch ook de stad zijner liefde.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+"BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN."
+
+
+Den volgenden morgen gaat ieder aan zijn werk.
+
+Chester is reeds vroegtijdig aan de kade, daar hij de een of andere
+onbescheidenheid zijner matrozen vreest, die niet bekend zijn met
+de manieren van een koopvaarder, en begint zijn lading te lossen met
+een spoed, die zijn geconsigneerden best aanstaat.
+
+Jan Olins komt persoonlijk aan boord om toezicht te houden en klopt Guy
+op den schouder, zeggende: "Wij zijn zeer over u tevreden," vervolgens
+gaat hij in het ruim en onderzoekt zorgvuldig de geheele lading,
+tot groote verbazing van Guy, die geen koopvaardij-kapitein is, maar
+hij breekt er zich toch niet lang het hoofd mee, in de onderstelling,
+dat dit zoo de gewoonte van de kooplieden is.
+
+'s Middags ziet hij tot zijn verwondering Olins met Niklaas Bodé
+Volckers op het schip afkomen, en uit vrees, dat de vader van de
+schoone Mina, die hem eens gastvrijheid verleende, hem zal herkennen,
+neemt hij de vlucht in zijn hut en grendelt de deur.
+
+Gelukkig komen zij niet aan boord, zij kijken enkel naar het schip,
+en gaan spoedig weer heen.
+
+Een oogenblik later wandelt Chester de stad in, om Oliver op te zoeken.
+
+Deze heeft hem het volgende mede te deelen:
+
+"Er bestaat een huis, zooals Paciotto heeft beschreven, een oud kavalje
+in een beruchte buurt. Het wordt bewoond door een doofstomme oude
+Spaansche vrouw, senora Sebastian geheeten, maar door de zeelieden,
+wien zij huisvesting verleent (haar huis is vlak bij de dokken),
+in de wandeling 'de Stomme Duivelin' genaamd, bekend wegens haar
+boosaardig karakter."
+
+"Dat komt uit, ik wil er terstond eenige mijner manschappen heensturen,
+om ze er te laten logeeren," zegt Guy.
+
+"Nog niet, niet voordat wij de sleutels hebben. Laat uw mannen haast
+maken met het lossen. De sleutel nº. 1 is reeds besteld. Nº. 3 breng
+ik morgen naar Brussel en ik laat nº. 2 onderweg te Mechelen. Zie
+intusschen zoo spoedig mogelijk uw lading aan wal te brengen."
+
+"Hoe lang moet gij in Brussel blijven?"
+
+"Totdat de sleutel klaar is, waarschijnlijk vijf dagen," antwoordt
+Oliver.
+
+"Zoo lang? Gij weet, dat spoed een eerste vereischte is. Ik zal zorgen,
+dat mijn schip tegen dien tijd gelost is."
+
+"Het zal niet eerder gaan. De slotenmaker hier zegt, dat hij vier
+dagen noodig heeft. Dientengevolge duurt het vijf dagen eer ik uit
+Brussel met de andere terug ben. En buitendien," zegt de schilder,
+"heb ik heden met een postduif een brief van Lodewijk van Nassau
+gekregen, die het noodig maakt, dat ik eenige inlichtingen tracht in
+te winnen in de hoofdstad. Alle steden in Holland, behalve Amsterdam,
+zijn opgestaan--en nu tracht Lodewijk van Nassau tegelijk een aanval
+in den rug te doen. Het zou een schande zijn, als al de Nederlanden
+naar de wapenen grepen en Bergen, mijn geboorteplaats, nog aan Alva's
+zijde bleef."
+
+"Meent gij, dat Antwerpen dus ook zal opstaan?"
+
+"Neen, noch Antwerpen, noch Brussel; het Spaansche garnizoen is in
+beide steden te sterk, doch het wordt van dag tot dag zwakker. Wat ik
+zeggen wilde, ik zag onzen vriend, den kleinen Busaco, dezen middag
+met zijn compagnie naar het Noorden trekken."
+
+"Dan wordt voor Antwerpen de kans toch ook gunstig."
+
+"'t Mocht wat! Antwerpen denkt slechts aan zijn handel. Handel is
+de dood voor vaderlandsliefde. De burgers verlangen niets anders
+dan met rust gelaten te worden in het belang van hun handel. Maar
+geloof mij, deze stad zal meer lijden dan iedere andere stad in de
+Nederlanden. Antwerpen wil onzijdig blijven en zal dientengevolge
+van beide kanten worden aangevallen. Maar ik moet naar de familie
+Bodé Volckers."
+
+"Ah! De schoone Wilhelmina!" lacht Guy. "Ik zou gaarne met u gaan,
+maar de losbol Guido Amati, verschijnende in de gedaante van Andrea
+Blanco, kapitein van een koopvaardijschip, zou Niklaas Bodé Volckers
+de oogen wel eens kunnen openen. Maar gij staat op heete kolen. Dus
+goedennacht en--vaarwel."
+
+"Ja, ik moet Mina spreken. God weet, wat mij in Brussel kan
+overkomen. Ik moet echter ook voor u zorgen. Beloof mij, Guido,"
+en er klinkt angst uit zijn stem, "dat indien gij hier niet kunt
+slapen, gij tenminste iederen avond en iederen morgen zult komen,
+om te zien, of de postduiven bericht van mij hebben gebracht. Ik zal
+zes duiven meenemen. Gij weet, dat het schelletje het teeken geeft,
+als de duiven de til binnen zijn gevlogen. Zij kunnen u nog van dienst
+zijn voor uw veiligheid--voor uw leven, want God weet, hoe spoedig
+Alva's wantrouwen tegen mij wordt opgewekt."
+
+Zij nemen nu afscheid, na elkaar hartelijk de hand geschud te hebben.
+
+Den volgenden morgen verlaat de schilder de stad, Achille met zich
+nemend, om de zes duiven te dragen, en Guy haast zich met het lossen
+van het schip.
+
+Hij is daar drie dagen mee bezig en neemt alle mogelijke
+voorzorgsmaatregelen. Niemand mag het schip 's nachts verlaten. Niemand
+mag een droppel sterken drank, wijn of bier drinken, want allen
+weten, dat hun leven gevaar loopt bij de minste onvoorzichtigheid,
+en de koelbloedigste huivert, als hij denkt aan den dood, die hem van
+Alva wacht. Zelfs Corker, die de onverschrokkenheid in persoon is,
+vertelt zijn commandant, dat hij zenuwachtig is en niet kan slapen.
+
+"Het heeft er veel van," zegt de oude zeerob, "alsof iemand mij de
+keel dichtknijpt. Soms heb ik een gevoel, alsof ik zou stikken, en
+Bill Chucksin deed ons den vorigen nacht wakker schrikken door te
+schreeuwen: 'In Godsnaam, verbrand mij niet levend!' Het heeft een
+slechte uitwerking op de equipage."
+
+"Neen, een goede," zegt Guy. "Ik heb opgemerkt, dat zij allen vandaag
+zeer voorzichtig zijn geweest."
+
+Vervolgens wendt hij zich tot den bootsman en beveelt: "Zeg den
+jongens, dat zij, als ik slaag, ieder twee horloges mogen koopen,
+voor ieder horlogezakje één--wat voor de kooplui een fortuintje zal
+zijn. Schiet gij goed op met het lossen, José?"
+
+"Dat gaat best, senor capitan Blanco," antwoordt de aangesprokene
+met een blik van verstandhouding. "Het ruim komt morgen vroeg geheel
+leeg, en dan moeten wij het dek nog schoonmaken. Daar komt een van uw
+geconsigneerden aan, senor capitan Blanco," en met een paar Spaansche
+woorden verdwijnt de bootsman, want hij is er niet op gesteld,
+bezoekers te ontmoeten.
+
+Guy ontvangt met gefronste wenkbrauwen zijn geconsigneerde, die de
+loopplank overstapt. Het is de vierde dag, hij heeft niets van Oliver
+gehoord en hij maakt zich dus zeer ongerust.
+
+"Slaapt gij gewoonlijk aan boord?" vraagt Jan Olins, na de
+gebruikelijke begroeting, aan zijn kapitein.
+
+"Neen, aan land. Soms in de herberg, die gij mij hebt aanbevolen,
+en soms bij een vriend, een schilder."
+
+"Welnu gij zult mij zeer verplichten, als gij vannacht aan boord
+wilt blijven. Gij kunt de stad niet verlaten, nadat de poorten
+gesloten zijn."
+
+"Het is goed. Wat kan ik voor u doen?"
+
+"Ga met mij mee naar uw hut en ik zal het u zeggen," antwoordt de
+Vlaming. En als zij de deur van de hut gesloten hebben, fluistert
+Olins: "Onder den dubbelen vloer van deze hut, hebt gij, zooals
+gij weet, twaalf kisten met goederen, die niet in de factuur zijn
+aangegeven."
+
+Dit weet Guy _niet_, maar hij houdt zich alsof hij het weet.
+
+"Deze kisten moeten vanavond laat aan wal worden gebracht en niet
+naar ons pakhuis vervoerd, maar naar een plaats, die ik u zelf zal
+aanwijzen."
+
+"Vanavond, als het donker is?"
+
+"Ja, laat in den avond. De maan gaat om tien uur onder. Elf uur is
+de geschiktste tijd. Zeg uw mannen, dat zij per hoofd twee gulden
+extra krijgen en gij het gewone tarief."
+
+"Wat is het tarief voor smokkelen hier in de haven van
+Antwerpen?" vraagt Guy.
+
+"Stil! wij noemen dat zoo niet, wij noemen dat eenvoudig den tienden
+penning ontduiken," antwoordt de koopman op halfluiden toon. "Gij
+krijgt honderd gulden voor uw deel in de zaak."
+
+"Geef mij dan uw hand op die honderd gulden, mijn waarde heer,"
+antwoordt Guy, die wel weet, dat, als hij niet op het voorstel ingaat,
+men terstond zal merken dat hij geen koopvaardijkapitein is.
+
+"Zeer goed, die zaak is dus in orde," fluistert Olins en slaat zijn
+hand in Guy's uitgestrekte vingers, waarna hij weer aan land gaat.
+
+Als hij alleen is, begint Guy te lachen: "Ik wil toch weten, wat ik
+smokkel," en een man van de daad zijnde, beurt hij terstond een plank
+in den vloer van zijn hut op en maakt een der kisten open.
+
+Als hij den inhoud heeft onderzocht en de kist weer secuur heeft
+weggeborgen, begint de Engelschman zacht te fluiten,--mijnheer Jan
+Olins is in zijn achting gerezen.
+
+Daarna begeeft hij zich naar Oliver's atelier; hij komt onopgemerkt
+binnen, want de schilder heeft hem de sleutels gelaten, en trekt het
+gordijn weg van Antony's altaarstuk om het gelaat te beschouwen van
+haar, die hij zoo vurig verlangt te zien. Doch nauwelijks vestigt
+hij zijn blikken op de schoone oogen van Madonna Hermoine, of het
+geklapwiek van vleugels boven hem, herinnert hem aan het eigenlijke
+doel van zijn komst.
+
+Hij klimt haastig naar boven en als hij de til onderzoekt, vindt hij
+er tot zijn verwondering alle zes duiven, doch zonder brieven.
+
+Op den terugweg naar het schip, houden zijn gedachten zich hiermee
+voortdurend bezig, en hij kan het niet anders verklaren, dan dat de
+vogels bij ongeluk moeten zijn ontsnapt en naar huis teruggevlogen.
+
+Dien avond brengt Guy, met behulp van Corker en eenige zijner matrozen,
+op persoonlijke aanwijzing van Jan Olins, de twaalf kisten, waarvoor
+geen belasting is betaald, in het geheim en ongehinderd naar een
+groot pakhuis.
+
+Alles gaat tot zoover goed, maar als zij het pakhuis verlaten, kijkt
+Guy bij toeval rond en ziet bij de lantaarn, die Olins draagt, om hen
+bij te lichten, den naam van Niklaas Bodé Volckers in groote letters
+boven den ingang en bemerkt nu ook diens zoon, Jakob, die blijkbaar
+op de goederen heeft staan wachten en in gesprek is met Jan Olins.
+
+"Zoo, zoo!" denkt de Engelschman. "Als ik Bodé Volckers eens mocht
+noodig hebben, dan heb ik hem dus in mijn macht, ofschoon ik nu nog
+niet weet, hoe hij mij zou kunnen helpen."
+
+Daarna keeren zij behoedzaam naar de _Esperanza_ terug, onopgemerkt
+en ongehinderd, ofschoon de patrouille-booten op haar post zijn,
+maar de nacht is zeer donker en zoo worden zij niet gezien. Olins
+gaat mee aan boord, om daar te overnachten, daar hij niet voor het
+aanbreken van den dag de stad kan binnenkomen.
+
+Hij vertrekt den volgenden morgen vroeg, terwijl Chester nog slaapt,
+ofschoon wat onrustig wegens het leven, dat de matrozen maken, als
+zij het dek wasschen.
+
+Een oogenblik later ontwaakt Guy, om tot de ontdekking te komen,
+dat hij terstond de hulp van een inwoner van Antwerpen noodig heeft,
+om zijn leven te redden.
+
+"Er is een jongen aan boord gekomen, commandant. Hij zegt, dat
+hij een brief voor u heeft," fluistert de bootsman hem in het oor,
+"daarom nam ik de vrijheid, u te wekken."
+
+"Hm!"
+
+"Hij zegt, dat er haast bij is."
+
+"Wat voor een jongen?"
+
+"Een Fransche."
+
+"Achille!" en Chester, geheel wakker, springt op van zijn legerstede,
+en beveelt: "Zend hem terstond hier!"
+
+Het is Achille met een brief van Oliver.
+
+"Gij zijt kapitein Andrea Blanco?" vraagt de jongen.
+
+"Ja."
+
+"Dan moet gij dit terstond lezen," zegt de jongen en overhandigt
+hem het briefje, dat de sporen draagt van in groote haast te zijn
+geschreven. Het heeft geen adres, maar is van Oliver's hand en luidt:
+
+"Vlucht! vlucht spoedig!--in Godsnaam!--Red uw leven en dat van den
+jongen, die u dit brengt. Hij is mijn leerling,--zij zullen hem op de
+pijnbank brengen. Het zwaard valt neer op mijn hoofd. Ik heb slechts
+tijd om te zeggen: God zegene u. Vaarwel."
+
+"Wie gelastte u, mij dit te brengen?" vraagt Guy, met bevende lippen
+en doodsbleek gelaat.
+
+"Hij zeide mij--"
+
+"Hij!--Wie?"
+
+"Monsieur Oliver; hij zeide mij, dat ik een duif moest krijgen,"
+vertelt de jongen, "en ik ging naar het hok, en op de een of andere
+manier--want ik haastte mij--liet ik de deur open, en zij vlogen alle
+weg. Ik ging dadelijk naar hem toe, om het hem te vertellen."
+
+"En hij?"
+
+"Ik denk, dat hij ziek was. Want hij schreeuwde: 'Mon Dieu, wat hebt
+gij gedaan?' En toen zeide hij: 'Gij hebt de duiven laten vliegen,
+nu moet gij een brief wegbrengen--Miséricorde! mijn vriend!' Daarna
+gaf hij mij geld voor een paard en beval mij, zoo hard te rijden als
+ik kon, om gisteravond vroeg genoeg hier te zijn, teneinde de stad
+binnen te komen, eer de poorten gesloten werden, en dit te geven
+aan kapitein Andrea Blanco op het schip _Esperanza_. En dan te doen,
+wat hij mij zou zeggen."
+
+"Als dat zoo is, waarom zijt gij dan vannacht niet hier
+gekomen?" vraagt Guy op barschen toon.
+
+"De stalhouder had mij met het paard bedrogen, die verwenschte
+kerel!--het beest was kreupel en ik kwam zoodoende eerst aan de
+Keizerpoort, toen zij juist gesloten werd, en ik heb den geheelen
+nacht thuis moeten wachten, maar ik heb den brief hier gebracht,
+zoodra de poorten weer open waren. Doch gij zijt niet kapitein Andrea
+Blanco, gij zijt kapitein Guido Amati," voegt Achille er aan toe,
+die Guy met nieuwsgierige blikken heeft aangekeken, al den tijd,
+dat hij in de hut was.
+
+"Beiden."
+
+"Dat is zonderling."
+
+"Breek er u het hoofd maar niet mee, of het zonderling is of niet,"
+zegt Chester op zulk een brusken toon, dat de Fransche jongen er
+geheel door overbluft is. "Ga zitten!"
+
+"Ik--ik zou liever naar huis gaan om te ontbijten," brengt Achille
+zenuwachtig uit.
+
+"Blijf hier, gij kunt met mij ontbijten, doe slechts, wat ik u zeg. Dat
+is wat u meester u gelastte."
+
+Achille durft niet anders dan gehoorzamen en dit wordt hem gemakkelijk
+gemaakt door een overvloedig ontbijt, dat hem wordt voorgezet;
+hij begint dan ook te eten, ofschoon Guy hem geen gezelschap houdt,
+want hij heeft al zijn denkkracht noodig, om te overleggen, wat hij
+zal doen.
+
+Hij zou alleen kunnen vluchten, maar hij wil zijn equipage niet
+blootstellen aan het gevaar, vermoord te worden. Hij wil haar niet in
+den steek laten, na haar eerst in den val te hebben gelokt. En dan
+die arme Fransche jongen, die zonder het te weten zijn leven heeft
+gewaagd, om hem te waarschuwen! Er is slechts één ding, dat hen allen
+kan redden, en dat is, te trachten met de _Esperanza_ zoo spoedig
+mogelijk de open zee te bereiken. Hij heeft een geheelen nacht verloren
+door de kreupelheid van Achille's paard, maar hij veronderstelt,
+dat men hem de eerste uren nog wel met rust zal laten. Brussel is
+dertig mijlen ver, en zelfs al heeft men bericht hierheen gezonden,
+dan duurt het nog eenigen tijd, eer de Spaansche spionnen er achter
+zijn gekomen, dat Andrea Blanco driemaal met Oliver den verrader
+in den _Engelentoren_ heeft gegeten. Hij kan de eerste zes uren nog
+niets te vreezen hebben. Hij geeft zijn manschappen dus bevel, om de
+rest van de goederen zoo gauw mogelijk te lossen, verzoekt Achille,
+de hut niet te verlaten en gaat haastig naar het kantoor van zijn
+geconsigneerden, dat juist geopend wordt.
+
+Hij vraagt en krijgt een onderhoud met den oudsten firmant in diens
+particulier kantoor en zegt: "Ik ben met lossen klaar. Kunt gij mij
+geen cognossement geven voor ballast voor een andere plaats?"
+
+"Wat een dwaasheid!" antwoordt de welgedane Jakobszoon. "Waarom
+zouden wij u met ballast laten gaan, wanneer wij u goede lading kunnen
+bezorgen? Wacht hier totdat er lading te krijgen is."
+
+"Gij moet mij een cognossement voor ballast geven."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat de douanen op mijn schip loeren."
+
+"Verwenscht! gij hebt gesmokkeld!" roept de koopman uit. "Als ge er
+u hebt ingewerkt met uw infame zeemanspractijken en ons daardoor ook
+hebt gecompromitteerd, dan kunt gij ook hier blijven en de gevolgen
+dragen, kapitein Blanco. Ik help u niet."
+
+Dat antwoord is ontmoedigend. Het bewijst Chester, dat Jakobszoon
+niets weet van de twaalf kisten met goederen, die Olins in ontvangst
+heeft genomen.
+
+Guy verlaat het kantoor, doch blijft in de buurt wachten op Olins.
+
+Deze heer komt altijd vroeg aan het kantoor, zoo ook nu,
+niettegenstaande hij gisteravond laat naar bed is gegaan, en hij
+ontmoet hem bij de Wolstraat.
+
+"Ik moet u spreken, mijnheer Olins," zegt hij.
+
+"Goed, ga mee naar het kantoor."
+
+"Neen, alleen en niet op uw kantoor."
+
+"Nu, dan in dit wijnhuis," antwoordt Olins, Guy oplettend aankijkend,
+en gaat hem voor naar een wijnhuis, waar hij goed bekend schijnt te
+zijn, want hij krijgt dadelijk een afzonderlijke kamer.
+
+"Nu," zegt hij, "is het soms om het geld voor die smokkelgeschiedenis,
+kapitein Blanco? Gij kunt het terstond krijgen, als uw bemanning
+ongeduldig is."
+
+"Neen, ik wilde u vragen, mij aanstonds een cognossement voor ballast
+te geven, om uit de haven weg te komen."
+
+"Onmogelijk!" roept Olins, en fluistert dan: "Waarom hebt gij dat
+noodig?"
+
+"Omdat men mij verdenkt te hebben gesmokkeld."
+
+"Wat? Om die kisten met kant van gisteravond?" vraagt de Vlaming op
+halfluiden toon, terwijl zijn gelaat betrekt.
+
+"Het was geen kant," zegt Chester kortaf.
+
+"O--o! Gij moet Antwerpen met den vloed verlaten," fluistert Olins,
+terwijl hem het zweet aan alle kanten uitbreekt. "Doch waar zal ik
+u heenzenden?"
+
+"Geef mij papieren op Amsterdam." Guy noemt de eerste de beste plaats,
+die hem invalt.
+
+"Dat is goed, gij zult ze hebben. Maar," voegt de koopman er
+zenuwachtig aan toe, "zonder ladingspapieren zou het verdacht lijken!"
+
+"Ik zal u de ladingspapieren bezorgen," roept Guy uit, terwijl hij
+plotseling op een idee komt.
+
+"Van wien?"
+
+"Van uw _mede-patriot_, Bodé Volckers." Dit in zijn oor.
+
+"Groote God! Gij weet--"
+
+"Ja, haakbussen, in kant gepakt, dat is geen geldboete--maar de dood,"
+fluistert Guy. "Vul een order in voor lading op Amsterdam."
+
+En Guy bewondert den koopman, terwijl hij dit schrijft,--want het
+handschrift van den patriot Jan Olins is zoo ferm en gelijkmatig,
+alsof het gedrukt was.
+
+"Zend de papieren terstond naar het douanekantoor," fluistert Guy.
+
+Daarna begeeft hij zich haastig naar zijn schip en verdwijnt in zijn
+hut, om er eenige oogenblikken later weer uit te voorschijn te komen,
+niet als Andrea Blanco, koopvaardijkapitein, maar als Guido Amati, de
+beruchte Spaansche soldaat, want hij is van meening, dat dit de beste
+vermomming is, om een onderhoud te hebben met den oud-burgemeester
+Bodé Volckers.
+
+Tot zijn teleurstelling hoort hij, als hij aan het pakhuis van
+Niklaas gekomen is, dat deze zich nog bevindt in zijn huis aan de
+Meir. Onderweg komt hij op het denkbeeld, dit zaakje op te knappen in
+de rol van verloopen sujet, in de hoop, zoodoende beter te slagen. Hij
+wil den schijn aannemen, alsof hij geld wil hebben als spion; hij
+wil goud vragen, maar ladingspapieren ontvangen.
+
+Om zijn leelijke rol goed te spelen, brengt hij zijn haren in wanorde
+en trekt zijn hoed in de oogen, en den schijn aannemend, alsof hij
+volslagen dronken was, vervolgt hij zijn weg naar het huis van Bodé
+Volckers en treedt dit binnen.
+
+Een aantal klerken zijn aan het werk, alles is druk bezig. Hij wordt
+ontvangen door een onderdanig buigenden klerk, die angstig vraagt
+naar zijn naam en naar hetgeen hij verlangt,--want deze bandelooze
+Spaansche soldaten bedachten zich tegenover de Vlaamsche burgers niet
+lang, om naar mes of sabel te grijpen. Als hij vraagt, om Bodé Volckers
+te spreken, wordt hij dadelijk in diens particulier kantoor gelaten.
+
+Hij gaat binnen, sluit, met goed nagebootste dronkemansgebaren, al
+hikkend, de deur en grendelt ze, terwijl de koopman met de grootste
+verbazing naar hem kijkt, misschien ook wel met vrees, want Guy's
+verwilderde haren en woest rollende oogen geven hem het aanzien,
+alsof hij regelrecht van een drinkgelag komt.
+
+"Gij kent mij--gij kent mij--ik ben--ik ben majoor Guido A--Amati,
+v--an--Romero's voetvolk," begint de pseudo-doordraaier, zijn woorden
+door hikken afgebroken.
+
+"Ja, ik--ik heb de eer gehad u eens in mijn huis te zien, kapitein
+Amati!"
+
+"Majoor--_majoor_ Amati de Medina!--vergeet niet het--de
+Medina.--Ga--ga zitten en--hik--teeken dit!" En Guy duwt den koopman
+in zijn stoel terug, waaruit hij half is opgestaan, en houdt hem het
+charterpapier onder den neus.
+
+"Wat--wat is dat?" stamelt Bodé Volckers.
+
+"Het is een charterbrief--van de firma Jakobszoon en Olins, voor
+capitan Andrea Blanco.--Gij kent capitan Andrea--Andrea Blanco?"--hij
+knikt hem veelbeteekenend toe,--"van het schip _Esperanza_?"
+
+"Ballast gecharterd?" roept Niklaas uit, wederom geheel koopman. "Wat
+dronken zottepraat is dat? Er zit immers geen geld in ballast."
+
+"Geen ballast, maar een charter--ter begeleiding van twaalf
+kisten goed--die gisteravond in uw pakhuis--ongeveer twaalf
+uur--Begrepen,--Bodé Vol--Volckers?"
+
+En als aan deze woorden kracht wordt bijgezet, vat Bodé Volckers met
+schrik en ontzetting zijn bedoeling en stamelt: "Gij--gij beschuldigt
+mij van smokkelen; daar--daar staat slechts een boete op!"
+
+"Ja,--boete van _uw hoofd_!"
+
+"Smokkelen van kant--boete van mijn hoofd--gij zijt dronken!" antwoordt
+de koopman, moed scheppende.
+
+"Smokkelen van haakbussen--gepakt in kant--in oorlogstijd--beteekent
+de _pijnbank_."
+
+"Groote God!" roept Niklaas uit, "haakbussen! Ik zou haakbussen--Die
+gemeene Olins!--haakbussen!" En deze woorden bewijzen Guy, dat Bodé
+Volckers geen patriot is, maar enkel een smokkelaar.
+
+"Juist--het--kost--u--uw hoofd," hikt Guy. En hij vervolgt met een
+dronkemansblik:
+
+"Ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn aanstaande
+bankier--de man, die mij al het geld, dat ik voor het dobbelen
+noodig heb--hik--voortaan zal geven, naar de andere wereld werd
+geholpen. Begrepen--Bodé Volckers?"
+
+"Hoeveel geld verlangt gij? Ik ben--ik ben een arme man!"
+
+"Gij zult binnenkort nog wel armer worden! Begrepen--Bodé Volckers?" en
+hij kijkt hem met inhalige blikken aan.
+
+"Hoeveel verlangt gij?" smeekt de koopman.
+
+"Een slomp;--maar daar zullen wij later wel eens over spreken,"
+hikt Chester. "Teeken dit charter--maak eerst, dat het schip kan
+wegkomen, dan zullen wij een paar flesschen samen drinken en ik zal
+een verduiveld grooten wissel op u trekken."
+
+"Gij bedriegt mij niet--gij zijt er _zeker_ van, dat het haakbussen
+zijn?"
+
+"Roep de douanen--open ze en zie zelf!" roept Guy uit.
+
+Doch dat voorstel is geheel en al onaannemelijk. Bodé Volckers teekent
+met bevende hand het charter van de _Esperanza_ om Antwerpen terstond
+te verlaten voor Amsterdam en andere havens.
+
+"Als gij uzelven lief hebt, Bodé Volckers--mijn beste bankier,
+Bodé Volckers--laat dan de goederen terstond aan boord brengen,"
+fluistert Guy, het charter wegbergend, "en--breng mij een flesch wijn."
+
+"Ja, ik zal mijn orders oogenblikkelijk geven," stamelt de koopman.
+
+Maar juist als hij dit zal doen, hoort men buiten het geraas van
+wielen, het klappen van een zweep en het getrappel van paarden, en een
+postsjees rijdt, klaarblijkelijk in groote haast, het binnenplein op.
+
+Een oogenblik later vergeet de Engelschman zijn voorgewende
+dronkenschap. Een gebiedende en toch liefelijke stem, een stem,
+die Guy's hart sneller doet kloppen dan het gevaar van ontdekking,
+zelfs nog meer dan de verschrikking van den dood, zegt buiten de deur:
+"Dien bij uw meester aan Hermoine de Alva!"
+
+"Goede hemel! Alva's dochter!" mompelt de burgemeester. "Zij moet u
+niet zien. Ga de achterdeur uit!"
+
+Doch Chester zou niet heengaan, al moest het hem ook het leven kosten.
+
+"Oho! jij bent me een mooie, Bodé Volckers! Dames," hikt Guy, met
+een zwakke poging, om zijn rol vol te houden, "ik ga nooit voor
+dames loopen."
+
+"Gauw!" fluistert de oude heer. "Gij moet blijven, totdat wij de
+zaak geregeld hebben en ik u orders voor de goederen heb gegeven",
+en hij duwt Chester haastig in een klein spreekkamertje naast het
+particulier kantoor, mompelend: "Een mooie geschiedenis--in handen
+van een verloopen sujet--een ellendigen dronkaard, een speler. Hoe
+red ik mij daar nog weer uit!"
+
+En Guy's hart begint nog sneller te kloppen. In de deur van het
+kamertje is een klein luikje, dat in het kantoor uitkomt en waardoor
+men alles kan hooren, wat daar gebeurt. Het schijnt opzettelijk
+daarvoor te zijn gemaakt en gebruikt te worden, om meer voordeel van
+de klanten te kunnen behalen.
+
+De eerste woorden, die Guy uit de aangrenzende kamer hoort, doen
+hem schrikken. Want de liefelijke stem, die nu zeer ernstig klinkt,
+spreekt deze vreemde woorden: "Senor Bodé Volckers, ik ben zoo vlug,
+als ik kon, van Brussel komen rijden, om u den raad te geven, als gij
+uw dochter lief hebt, _haar onverwijld buiten Antwerpen te brengen_!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+"GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!"
+
+
+"Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva," antwoordt de oude man,
+buigend tot op den grond. "Waarom wenscht gij, dat mijn dochter
+Antwerpen zal verlaten?"
+
+"Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en
+naar het Spinhuis te brengen."
+
+"Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne
+geen kwaad doen," zegt de oude man op gestrengen toon. "Zij is den
+laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening
+lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan
+een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en
+zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis,
+Dona de Alva."
+
+"Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet."
+
+"Groote God, gij bedoelt toch niet--het gedeelte voor slechte
+vrouwen--het uitvaagsel van de stad?" stamelt Bodé Volckers.
+
+"Ja."
+
+"Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en
+afscheid, die zij dezen armen schepels geven?"
+
+"Ja."
+
+"Mijn Mina!" gilt de oude man. "Mijn Mina!" zijn handen wanhopig
+wringend. Dan roept hij uit:
+
+"Voor welke misdaad?--voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar
+de ergste misdadigsters--voor welke misdaad?"
+
+"Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader."
+
+"Oliver, de onder-secretaris van uw vader?"
+
+"Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver
+is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik
+kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo
+diep vernederd en verlaagd zal worden," vervolgt Hermoine, bijna even
+wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen
+en schijnt niet in staat tot handelen.
+
+Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen
+houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking
+aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man,
+die zijn kind wil vernederen, en sist: "Maar uw vader, van wien dit
+uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker--"
+
+"Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn
+dochter,"--haar toon is bevelend, doch weemoedig. "Ik vergeef u uw
+verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn
+vaders staatkunde te critiseeren. Daarin meng _ik_ mij zelfs niet,
+ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op
+de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag
+smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter
+moge stemmen. Iederen avond bid ik: 'Geen bloed meer.' God alleen
+weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil
+niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo
+genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en
+hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in
+het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben
+hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt,
+zal ik het doen."
+
+En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks
+kan loopen, roept zij ongeduldig uit: "Zorg voor een boot--een schip,
+_spoedig_! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land,
+naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat
+hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met
+dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem
+heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het
+is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft
+kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter
+hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen."
+
+Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt:
+"God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt--God zegene u! Ik
+weet iemand, die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht."
+
+"Op wien?"
+
+"Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,--die in de kamer
+hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter
+buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de
+dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier--majoor
+Guido Amati."
+
+"Groote goden, wat een aanbeveling!" mompelt Guy, rillend, terwijl hij
+doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken
+uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion,
+die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies
+van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor
+op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen.
+
+Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter
+gegaan.
+
+Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch
+van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart,
+er onder dreigt te bezwijken.
+
+God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester
+de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit
+daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het
+hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te
+zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn
+uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij
+er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is?
+
+Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer
+binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een
+verklaring,--voor zijn liefde.
+
+Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door
+het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt,
+springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen
+en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: "Is dit het
+besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering
+hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?" en zij voegt er spottend
+aan toe: "Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen
+rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het
+aangezicht van den vijand, is desertie--"
+
+"Zonder verlof," valt Chester haar in de rede, "waarom denkt gij dat?"
+
+"Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft
+mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor
+Guido Amati."
+
+"Dan heb ik het aan uw invloed te danken," zegt Guy op treurigen toon,
+"aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat
+Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en
+mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij
+waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen."
+
+"Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart."
+
+"Dat was een leugen!"
+
+"Een leugen?"
+
+"Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeft verteld,
+evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden
+vertelde,--dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan
+hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?"
+
+Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de
+sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken
+haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht
+voor haar en zij roept uit: "Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles,
+wat een vrouw u zou kunnen verzoeken."
+
+"Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was,
+zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een
+verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door
+een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?" en hij
+gaat voor haar staan. "Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem
+gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?" En naar haar vinger kijkend,
+schrikt hij en roept uit: "Groote God, de ring is weg!" en hij barst
+uit: "Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?"
+
+En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer,
+maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn
+borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft
+neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der
+Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn
+onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen,
+maar de zielvolle, hartstochtelijke, _werkelijke_ oogen van Hermoine
+de Alva.
+
+Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem
+staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed
+en beweeglijke vrouwelijkheid.
+
+"Nu ben ik de rechter, niet gij!" roept hij uit. "Antwoord mij!" want
+zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige:
+"Vergeef mij!"
+
+Maar het jaloersche hart antwoordt: "Neen."
+
+En zij zegt: "Gij _moet_!"
+
+"En waarom?"
+
+"Om deze reden." Zij spreekt nu op smeekenden, weemoedigen toon. "Ik
+meende--ik stem nu toe, mijn Guido, ten onrechte--dat gij mijner niet
+waardig waart. Als ik, de dochter van den Viceroy--"
+
+"Boete!" roept Guy uit, bijna werktuiglijk, en in een oogwenk verdwijnt
+de trots van de dochter van den Viceroy en van het gewonde hart van
+Hermoine de Alva voor het liefdebevel. Hij drukt zijn lippen weer op
+de hare, de lippen, waarnaar hij zoo heeft gehunkerd, haar zachte
+armen omklemmen hem,--de armen, waarnaar hij heeft gesmacht. En op
+dit oogenblik gevoelt Chester, dat hij, ofschoon hij omringd is door
+zijn vijanden, zal overwinnen, en hij vreest den haat van den vader
+niet meer, nu hij zeker is van de liefde der dochter.
+
+"Foei," roept het meisje uit, moeite doende om zich vrij te maken. "Wat
+houdt gij er een mooie logica op na! Gij noemt mij trouweloos en gij
+wilt mij niet toestaan mijn mond te openen, om mij te verdedigen."
+
+"Wat is logica vergeleken bij uw trouwe oogen?" fluistert Guy,
+"ik verlang kussen van deze lippen, geen woorden."
+
+"Geen kus meer, eer ik mij verdedigd heb."
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat, ofschoon gij mij kust, alsof--gij mij liefhadt," antwoordt
+het meisje, vuurrood wordend, "er toch nog jaloezie in uw oogen te
+lezen is en ik niet wil, dat gij jaloersch zijt, mijn Guido, want
+daarvoor hebt gij geen reden. Gij zijt heengegaan en hebt mijn hart
+meegenomen. Mijn geschenk, mijn portret was in uw handen. Ik was
+nog geen week in Brussel, of men vertelde in de stad, op zulk een
+wijze, dat het mij ook wel ter oore moest komen, dat in plaats van
+zóó te leven, dat gij spoedig den rang zoudt verwerven, die u tot den
+mijne zou maken, gij vergeten waart dat--ik u mijn hart had gegeven,
+en dat gij leefdet--niet als--als een edelman, maar als een losbol,
+nog erger dan dat, als iemand, die niet om mijn liefde gaf. Hetgeen
+iedereen zeide,--ik kende u niet langer dan twee dagen,--bracht mij
+aan het twijfelen. Toen informeerde ik naar u,--in zoover als een jonge
+dame naar een jongen man kan informeeren, van wien men veronderstelt,
+dat hij haar onverschillig is,--en ik kreeg hetzelfde antwoord.--'Gij
+waart dapper, zelfs roekeloos--_maar uw leven was een beleediging
+voor mijn liefde_.'" Zij kijkt hem treurig aan. "Toen wist ik door
+mijn invloed bij den gouverneur van Middelburg te bewerken, dat aan
+majoor Guido Amati geen verlof zou verleend worden, om naar Brussel
+te gaan, zoodat hij mij niet meer zou kunnen bepraten en maken, dat
+ik hem vergaf,--zooals gij nu hebt gedaan! Heilige Maagd, Guido! als
+gij mij bedrogen hebt, dan--"
+
+"Verdien ik, dat gij nooit de mijne wordt," roept Guy uit. "Maar
+ik ben u trouw, ben u altijd trouw geweest. Goede hemel! denkt gij,
+dat ik zooveel lieftalligheid binnen een week zou kunnen vergeten,
+binnen een maand, binnen een jaar--mijn geheele leven? Gij zijt de
+dochter van den Viceroy--"
+
+"Boete!" lacht het meisje, bloost echter terstond en tracht weg
+te loopen.
+
+"O, ik zal ze betalen, zelfs tienvoudig." Hij neemt haar weer in
+zijn armen.
+
+Plotseling zegt zij, verbleekend: "Gij zijt weer afwezig zonder
+verlof."
+
+"Ja, dat is uw schuld!" Hij zegt dit op achteloozen toon, doch schrikt,
+als hij ziet, hoe zij het zich aantrekt.
+
+Zij fluistert met witte lippen: "Desertie uit het leger, terwijl
+Middelburg omringd is door vijanden,--dat wordt niet gestraft met het
+verlies van uw rang--maar met het verlies van uw hoofd. Mijn vader
+handhaaft streng de tucht."
+
+"Wat geef ik daarom!" antwoordt Chester, "het was immers mijn eenige
+kans, om u te zien."
+
+Dit grieft haar geducht, doch toont tevens, hoeveel zij van hem houdt,
+want zij wordt bleek en stamelt: "Gij hebt uw leven dus gewaagd om
+mijnentwille. Beloof mij, dat gij dit niet weer zult doen. Beloof mij,
+dat gij vandaag naar uw post zult terugkeeren. Ik heb u een verzoek
+te doen. Terwijl gij voor uw eigen veiligheid zorgt, kunt gij meteen
+die arme koopmansdochter in veiligheid brengen. Haar vader zegt mij,
+dat gij een schip te uwer beschikking hebt."
+
+"Zooals ook mijn leven te uwer beschikking staat!" antwoordt
+Chester. "Laat deze zaak geheel aan mij over. Al hadt gij het mij
+niet verzocht, dan zou ik toch de beminde van mijn vriend voor die
+vernedering hebben bewaard."
+
+Hij begrijpt eensklaps, dat het beter is, niet verder met Hermoine
+over Oliver te spreken, doch zij zegt: "Ja, die verrader was uw
+vriend!" en zij vraagt met angstige lippen: "Hoe was het mogelijk,
+dat gij zoo bevriend waart met een vijand van Spanje?"
+
+"Uw vader vertrouwde hem, waarom zou ik het dan niet hebben
+gedaan?" antwoordt de Engelschman, die altijd terstond met een antwoord
+gereed is; maar hij voegt er treurig aan toe: "Het spijt mij, dat ik
+na het gebeurde genoodzaakt zal zijn, dezen Oliver overhoop te steken."
+
+En met deze leugen op zijn lippen, keert Guy zich om, want Bodé
+Volckers klopt aan de deur. Als hij ze heeft geopend, spreekt hij
+op zulk een kalmen toon den burgemeester aan, dat de oude man hem
+verwonderd aankijkt en niet weet, wat hij er van moet denken.
+
+"Op verzoek van Dona de Alva heb ik op mij genomen, uw dochter in
+veiligheid te brengen. Geef bevel, dat uw twaalf kisten met goederen
+terstond aan boord van de _Esperanza_ worden gebracht."
+
+"Dat is reeds geschied," mompelt Bodé Volckers, Guy met verbaasde
+oogen aanstarend; en hij stamelt: "Gij zijt toch--gij zijt immers
+wel nuchter genoeg voor deze zaak?"
+
+"Diablo! Nuchter genoeg om u aan te durven," snauwt Guy, zich eensklaps
+zijn rol van dronken losbol herinnerend. "Stuur een voldoende som geld
+aan boord, om de uitgaven van uw dochter te kunnen bestrijden--en de
+mijne ook!"
+
+Deze woorden zijn typisch voor den Spaanschen officier Amati, en
+Niklaas slaat, aan diens beruchtheid als doordraaier denkende, zijn
+handen ineen en smeekt: "Ik ben genoodzaakt haar aan uw hoede toe
+te vertrouwen. Zij is mijn lievelingskind. Gij kunt alles van mij
+krijgen, mijn geld, mijn leven, doch spaar mijn kind. Als het water
+mij niet aan de lippen stond, denkt gij dan, dat ik mijn lam onder
+de hoede van den wolf zou stellen?"
+
+Bij deze vleiende opmerking klemt Guy zijn tanden op elkaar, slaat
+hooghartig als een hidalgo, zijn hand aan het zwaard en sist:
+
+"Maldito! Heb ik haar, de dochter van den Onderkoning, niet gezworen,
+de kleine heks in veiligheid te brengen, waarheen gij haar wenscht te
+zenden? Naar welke stad, die zich voor Oranje heeft verklaard en waar
+een Hollandsche bezetting ligt, moet uw dochter gezonden worden? Noem
+de plaats, en het zal geschieden."
+
+"Haarlem!" antwoordt de oude man, "ik heb vrienden in Haarlem,"--later
+had hij zich om dat gezegde de tong wel willen afbijten.
+
+"Goed," zegt Guy. "Breng uw dochter terstond hier."
+
+"Zoo aanstonds. Mina pakt."
+
+"Pakt? Idioot! Meent gij, dat zij fraaie kleeren zal noodig hebben
+in het Spinhuis? Haast u en behoed den blanken rug van uw dochter
+voor de geeseling. Vlug!"
+
+Vol ontzetting over dit beeld, snelt de burgemeester heen en Guy bijt
+half en half ontevreden op zijn knevel, want hij voelt, dat het zijn
+plicht is, den ouden man tot spoed aan te zetten, maar hij weet ook,
+dat hij daardoor een onderhoud bekort, waarvoor hij zijn leven zou
+willen geven, om het te rekken. Nu keert hij zich om en kijkt naar
+Hermoine de Alva.
+
+Deze heeft hem den rug toegekeerd en schijnt met haar hand in haar
+boezem ijverig naar iets te zoeken.
+
+Als Guy de deur sluit, slaakt zij een zucht van verlichting, alsof
+zij heeft gevonden wat zij zoekt, en als hij zijn armen om haar heen
+slaat, fluistert zij: "Die arme Bodé Volckers zal dadelijk terugkomen
+en dan moet gij gaan. Ay de mi! de tijd is kort. Maar aan mijn vinger
+heb ik weer den ring, die mij aan u zal doen denken."
+
+Tot zijn onuitsprekelijke vreugde ziet Guy, dat zij den ring met den
+brillant opnieuw aan haar ringvinger heeft.
+
+"Zweer nu, steeds aan mij te denken als uw trouwen ridder, wat men
+ook van mij moge uitstrooien," fluistert hij.
+
+"Ja," antwoordt het meisje, "als men mij zegt, dat gij mij ontrouw
+zijt, zal ik tot mijzelve zeggen: het is een leugen. Als men mij zegt,
+dat gij een dronkaard zijt, zooals die oude, onnoozele Bodé Volckers
+mij vertelde," zij kijkt met oogen, vlammend van verontwaardiging,
+naar de deur, waarachter de burgemeester verdwenen is, "zal ik zeggen:
+mijn Guido heeft mij eens bewezen dat het een leugen was, nu weet
+ik, dat het altijd een leugen is.--Maar zult gij wel ooit tot mij
+terugkeeren?" vervolgt zij nu op treurigen toon. "Ik weet, dat gij
+nu naar uw post terug moet. Er is slechts één plaats, als er oorlog
+is tegen de vlag van Spanje, waar de verloofde van Alva's dochter
+zich behoort te bevinden, en dat is op het oorlogsveld! Slechts daar
+kunt gij roem en glorie verwerven, groot genoeg om naar mijn hand
+te dingen."
+
+"Twijfel daaraan niet, ik zal dáár te vinden zijn, waar de strijd het
+hevigst is," mompelt Guy grimmig, "en het is voor u, dat ik vecht,
+al waardeert Alva ook misschien mijn streven niet."
+
+"Mijn vader beloont steeds dapperheid en goed gedrag, onthoud dat,
+majoor Guido Amati de Medina,--dapperheid en goed gedrag. Gij moogt den
+moed van een paladijn hebben, het zal u niet in rang doen stijgen, als
+gij geen hersens bezit. Mij dunkt, gij hebt overvloed van beide," lacht
+zij, de krullen van Guy's hoog voorhoofd wegstrijkend, en roept opeens
+opgewonden uit: "Wel, gij hebt het voorhoofd van een schaakspeler!"
+
+"Ja, het spel waarin de ridder [3] de koningin neemt," fluistert Guy.
+
+"Dan moet hij zeer galant en teeder en bescheiden voor zijn gevangen
+koningin zijn," roept het meisje blozend uit, met een teederen blik in
+haar oogen. Want de ridder heeft naar zijn woord bezit genomen van de
+koningin van zijn hart, en wel op een buitengewoon hartstochtelijke
+wijze, en voor een oogenblik komt de verzoeking bij hem op, haar met
+geweld te ontvoeren.
+
+Het volgend oogenblik begrijpt hij echter, dat het nu de tijd niet is,
+om dit voornemen uit te voeren of moeite te doen, om Hermoine over te
+halen, hem vrijwillig te volgen, want hij zou voor niets ter wereld
+den goeden naam van haar, die hij zoo hoog stelt, in gevaar willen
+brengen, en buitendien klopt de burgemeester ook reeds aan de deur.
+
+"Herinner u--"
+
+Zij spreken het gelijktijdig uit en met een kus beletten zij elkaar,
+den zin aan te vullen. Het is hun laatste omhelzing, eer Guy met
+een kloek besluit de deur opent en Niklaas binnenlaat, gevolgd door
+juffrouw Wilhelmina, die er beklagenswaardig uitziet in haar meer dan
+eenvoudige kleeding, zonder iets van de luxe, die zij vroeger in haar
+toilet ten toon spreidde.
+
+De sporen van tranen zijn nog op haar wangen aanwezig, zij ziet zeer
+bleek, doch haar oogen schitteren zenuwachtig en verleenen een vreemde
+schoonheid aan haar gelaat.
+
+"Haast u! er staat een rijtuig voor de deur," mompelt de
+burgemeester. "Ik heb zooveel bagage, als ik kon vinden, naar het
+schip gezonden. Uw kamenier gaat mee."
+
+Mina valt hem echter in de rede en gaat op Hermoine de Alva af,
+die haar treurig aanziet, als zij vraagt:
+
+"Vertel mij wat van hem!"
+
+"Hem--van wien?"
+
+"Mijn Oliver. Is hij in veiligheid?"
+
+"Voor het oogenblik, ja."
+
+"Goddank!"
+
+"Ja, de verrader Oliver is den vorigen nacht uit Brussel
+gevlucht. Dezen morgen kregen wij bericht dat hij Bergen had ingenomen
+met acht man."
+
+"Acht man! Ah! Dat was een heldendaad! Acht man een bezetting
+verrassen! Maar Lodewijk van Nassau zal ongetwijfeld zoo vlug mogelijk
+uit Frankrijk de stad binnentrekken. Uw held is veilig, kleine
+Mina!" roept Guy uit, geheel zijn rol van Spaansch officier vergetend
+in zijn geestdrift over de dapperheid en den roem van zijn vriend.
+
+"Ja, hij is veilig, _voor het oogenblik_," laat nu Hermoine zich
+hooren. "Hij is een dapper man en een groot schilder. Ik wil voor
+zijn altaarstuk zorgen. Máar, o misericordia!"--zij slaat haar oogen
+ten hemel en zegt op angstigen toon: "Ik smeek God, dat mijn vader
+hem nooit levend in handen moge krijgen." En zich tot Mina wendend,
+vervolgt zij zeer ernstig: "Als gij uw beminde ooit weer moogt spreken,
+smeek hem dan, zoo hij tenminste de verschrikkingen van de hel vreest,
+_zich nooit levend te laten gevangennemen_! Het is jammer, dat zulk een
+dapper en talentvol man mijn vaders brood at en hem verraadde. Toch,
+majoor Guido Amati, draag ik, vertrouwende op uw woord van edelman,
+u op, dit arme meisje te beveiligen voor mijn vaders toorn."
+
+"Gauw dan, breng haar in het rijtuig," zoo haast Guy den koopman.
+
+En als de burgemeester zijn dochter naar buiten brengt, fluistert
+Hermoine de Alva: "Gij ziet nu, dat ik vertrouwen in u stel en hoe
+weinig ik geloof, dat gij een losbol zoudt zijn. Dit meisje is mooi
+en toch stel ik haar onder uw hoede, want ik geloof in u, evenals de
+meisjes uit den ouden tijd het in haar ridders deden."
+
+"Bij Sint George en den draak! gij kunt mij vertrouwen." En zich
+bukkende, drukt Chester zijn lippen op den mond, die hem wordt
+toegestoken, want hij hoort Bodé Volckers roepen: "Kom dan toch!"
+
+Chester vertrekt en de laatste blik, dien hij opvangt uit de schoone
+oogen van zijn beminde, spreekt van onwankelbare trouw, en hij neemt
+het bewustzijn met zich, dat, al moge hetgeen men van hem vertelt
+gunstig of ongunstig luiden, Hermoine de Alva zal blijven gelooven in
+majoor Guido Amati de Medina van Romero's voetvolk, als haar ridder
+en haar kampioen.
+
+Bij het rijtuig gekomen, drukt de burgemeester de hand van den
+Engelschman en fluistert: "Alles is in orde, rijd rechtstreeks naar
+het schip," en voegt er aan toe: "Gij hebt haar in uw handen. Zooals
+gij met mijn Mina doet, moge God met u doen. Haast u, het tij is
+u gunstig."
+
+Het gaat nu in snellen draf naar de _Esperanza_, en aan boord vindt
+Chester Olins met de verlangde papieren. Hij vertoont deze aan een
+douane-beambte, die reeds wacht, en als alles in orde blijkt te zijn,
+verlaat het schip de haven.
+
+Ongeveer anderhalf uur later is de _Esperanza_ Fort Lillo gepasseerd
+en op weg naar den open oceaan, waar de Hollandsche zeelieden thans
+Alva's gehuurden krijgsknechten de baas zijn.
+
+Terwijl hij nog een blik achterwaarts werpt, naar Fort Lillo met
+zijn grimmig geschut, slaakt Chester een zucht van verlichting. Hij
+is opnieuw uit Antwerpen ontsnapt; de schat van den Hertog is nog
+onaangeroerd, maar hij heeft honderd kussen veroverd,--waarvoor hij
+honderdmaal zijn leven zou gewaagd hebben. Doch zijn manschappen
+hebben niets gekregen, en zij toonen lust om te mopperen.
+
+En nu komt de koopmansdochter op Chester af en fluistert: "God zegene
+u, dat gij mij gered hebt voor vernedering en de geeselroede."
+
+"Gij stelt, hoop ik, volkomen vertrouwen in mij?" antwoordt Guy en
+kijkt het schoone meisje aan, op wier wangen de frissche zeewind een
+blosje heeft getooverd.
+
+"Ja! Gij zijt de vriend van Oliver, gij zoudt hem niet verraden. Gij
+zijt"--hier begint juffrouw Wilhelmina te stamelen, doch glimlacht
+daarbij--"de beminde van iemand, wien niemand ontrouw zou kunnen
+worden."
+
+"Par Dios! Wie is dat?" vraagt Guy, op zijn lippen bijtend.
+
+"Dona Hermoine de Alva. Gij herinnert u immers nog wel de koopjes,
+die ik haar duena bezorgde, majoor Guido Amati de Medina?" En het
+meisje lacht vroolijk, ofschoon zij niet aan de zee gewend is, en
+het lachen haar moeielijk begint te vallen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+GODS VOORZIENIGHEID.
+
+
+Eenige uren later is Chester te Vlissingen, waar 't Zeraerts nu bevel
+voert in naam van den prins van Oranje.
+
+Hij verlaat de haven weer spoedig, als hij bemerkt dat de _Dover
+Lass_ nog niet is teruggekeerd van Ierland,--echter eerst na eenige
+moeielijkheden te hebben gehad met de auroriteiten, die de _Esperanza_
+wilden bemachtigen, totdat Guy zich bekend maakte als den "Eerste
+der Engelschen" en broeder-Geus.
+
+Hij haast zich nu, zijn belofte aan Dona Hermoine te vervullen
+en het aan zijn zorgen toevertrouwde meisje naar Haarlem te
+brengen. Allereerst hijscht hij de Oranjevlag en werpt in den loop van
+den volgenden dag het anker te Zandvoort uit. Nadat hij zich met de
+sloep aan land heeft laten zetten, neemt hij tien van zijn matrozen
+mee en heeft een voorspoedigen tocht van vijf mijlen door de met
+bosschen bedekte duinen naar het Spaarne en verder naar Haarlem; de
+zon beschijnt vroolijk de straten en de burgers, die zich bedrijvig
+voorwaarts spoeden; de klokken van de Groote Kerk luiden, als om
+triumfantelijk de zegepraal van het protestantisme te verkondigen;
+de vrouwen lachen, de kinderen spelen voor de nette woningen met hun
+helder gekleurde gevels.
+
+Als zij de St.-Janspoort zijn doorgegaan, die streng bewaakt wordt
+door een burgerwacht, bewapend met haakbussen en bogen, laat Guy zich
+brengen bij den commandant van de stad, Ripperda, en als hij zijn naam
+noemt, doet hij de ervaring op, dat de "Eerste der Engelschen" goed
+bekendstaat in deze Hollandsche stad en als vriend wordt beschouwd. Het
+wordt Guy dan ook dadelijk toegestaan, juffrouw Bodé Volckers naar
+de familie van haar oom, zekeren Pieter Kies, te geleiden, die zijn
+fortuin heeft gemaakt met zijn bleekerij.
+
+Na den avond in den kring van de rijke, gastvrije Hollandsche familie
+te hebben doorgebracht, laat hij de schoone Mina gelukkig en tevreden
+achter, ofschoon zij vol zorg is over het lot van den man, dien
+zij liefheeft.
+
+"Als gij iets van Oliver hoort, laat het mij dan weten, indien gij
+tenminste kunt," smeekt zij, en vervolgt met een trillende stem:
+"God zegene u, dat gij mij in uw hoede hebt genomen. Oliver zal
+u voor zichzelven dankzeggen, als hij tenminste nog leeft, en u
+wederziet," en daarna glimlacht zij: "Gij zijt niet, wat gij schijnt
+te zijn. Gij zijt niet de Spaansche kapitein, gij zijt een patriot,
+zooals mijn aanstaande echtgenoot, en toch,"--zij kijkt hem vlak in
+de oogen,--"zijt gij de verloofde van Alva's dochter!" En als zij
+bemerkt, dat Guy schrikt, voegt zij er op geruststellenden toon aan
+toe: "Vertrouw mij, ik zal uw geheim bewaren, want ik weet, dat gij
+voor iederen kus van Dona Hermoine uw leven op het spel zet."
+
+Het staat Guy volstrekt niet aan, dat een ander achter zijn geheim is,
+en eenigszins ontstemd begeeft hij zich naar de nette kleine herberg
+_De Zwaan_. Daar brengt hij een aangenamen nacht door tusschen schoone
+lakens (want de Hollandsche herbergen waren veel beter dan die te
+Antwerpen) en is zeer tevreden over den jongen waard, Hasselaer
+genaamd. Deze en zijn moeder, een weduwe van ongeveer veertig jaar,
+weten _De Zwaan_ flink in orde te houden.
+
+Den volgenden morgen gaat Chester, na een smakelijk ontbijt,
+opnieuw naar Ripperda en vraagt een pas voor zichzelven en zijn
+tien volgelingen.
+
+"Zeker," antwoordt de forsche Hollandsche commandant, "het verheugt
+mij iemand van dienst te kunnen zijn, die zooveel voor onze zaak
+heeft gedaan. Ik hoop, dat gij hier nog eens terug zult keeren,
+als wij gelukkiger dagen beleven."
+
+"Wat kan meer van geluk getuigen dan dit?" antwoordt Guy, terwijl
+hij kijkt naar het aardige schouwspel, dat de drukte van nering en
+hanteering aanbiedt.
+
+"O, zeker, het ziet er aardig genoeg uit," zegt de Hollander,
+"maar God weet, wat ons de oorlog zal brengen. Het is hier in de
+noordelijke gewesten op het oogenblik overal rustig, maar het is de
+kalmte vóór den storm. Alle steden van Holland, behalve Amsterdam,
+zijn tegen Alva opgestaan, en met dien aanval in zijn rug door Oliver
+in Bergen, waarvan het bericht juist tot ons is gekomen, en met de
+hulp van Fransche Hugenoten, die Condé en Coligny ons hebben toegezegd,
+zal alles misschien nog goed afloopen--maar God alleen weet het!"
+
+En God weet, wat Ripperda niet weet, want als de dappere Hollander
+had kunnen vermoeden, wat hem en den zijnen boven het hoofd hangt,
+dat zij weldra het gras uit de straten zullen eten, om ziel en lichaam
+bij elkander te houden, en dat zij zich al die ontberingen enkel hebben
+getroost, om door Alva's beulen ellendig te worden omgebracht, zou hij
+en iedereen, man, vrouw of kind, die nu in de straten van het gelukkige
+Haarlem loopt, vluchten, hun bezittingen en de woningen waaraan zij
+gehecht zijn verlatende, alsof zij door God vervloekt waren.
+
+Doch alles heeft nu een lachend en gelukkig aanzien, als Chester de
+stad door de St.-Janspoort verlaat en naar Zandvoort terugkeert, waar
+een sloep op hem ligt te wachten; daarop zet hij met de _Esperanza_
+weer koers naar Vlissingen, waar de _Dover Lass_ reeds is aangekomen.
+
+"Gij hebt de Spanjaarden allen veilig en wel in Ierland
+achtergelaten?" vraagt Guy aan Dalton.
+
+"Ja, iedere Don is veilig onder dak gebracht bij een O'Toole. Zij
+kunnen nu zeker reeds Iersch spreken," antwoordt de gevraagde.
+
+Chester wordt begroet met drie luide hoezee's van de bemanning van
+de _Dover Lass_--uit vreugde over de behouden terugkomst van hun
+commandant, want als hij er het leven heeft afgebracht, heeft hij
+natuurlijk ook geld.
+
+"En nu de schat!" roept Dalton levendig uit, doch zijn verweerd gelaat
+betrekt, als Guy antwoordt: "Voor het oogenblik nog geen schat."
+
+Ook de manschappen zijn zeer teleurgesteld, want allen meenden, toen
+zij zagen, dat hun commandant nog leefde, de twintig beloofde gouden
+dubloenen reeds in handen te hebben.
+
+Buitendien is Guy nog genoodzaakt, eerst weer naar Engeland te zeilen,
+om geld voor zijn bemanning te halen, en om er de sleutels te laten
+maken.
+
+Ofschoon hij te Londen de sleutels der schatkamer van den Onderkoning
+bij drie verschillende bekwame slotenmakers gemaakt krijgt, om
+ze daarna zorgvuldig weg te bergen in de hut van de _Dover Lass_,
+blijven de geldkisten van zijn eigen land voor hem gesloten.
+
+Het gelukt hem niet, een leening te sluiten met bankiers en
+zilversmeden, want hij wil niet zeggen, waar de buit, waarvan hij
+spreekt, zich bevindt, en de meeste denken, dat het in West-Indië
+is,--dat de onderneming dus een langdurige zeereis zal vereischen,
+gepaard gaande met groot gevaar voor schipbreuk en gevangenschap.
+
+Hij kan geen hulp van Elizabeth krijgen, die haar hand toornig tegen
+haar zak slaat, als hij om geld vraagt, en zegt: "Sir Guy Chester, gij
+moogt van geluk spreken, dat gij er uw hoofd afbrengt! Wie beroofde
+mijn arsenalen van kruit? Wie anders dan gij en die zwakhoofdige
+Burleigh? Als die Hollanders het mijn vriend Alva nu niet zoo lastig
+maakten, dan had het, dunkt mij, veel van hoogverraad."
+
+Guy, die de geschiedenis van den schat van den Hertog niet durft
+vertellen, zit dus erg in de klem, temeer daar eenige zijner matrozen
+hem gaan verlaten voor kapiteins van andere schepen, die vooruit kunnen
+betalen. Hij begeeft zich op zekeren dag vol wanhoop naar Lord Burleigh
+en zegt tot hem: "Evenmin als ieder ander, versmaadt gij het geld."
+
+"Dat is zoo," antwoordt Burleigh, zich in de handen wrijvend.
+
+"Ik kan u niet vertellen, waar ik dat geld vandaan haal, maar er is
+een schatkamer te plunderen door iemand, die bereid is, er zijn leven
+voor te wagen. Die man ben ik. Ik weet, waar die schat is."
+
+"Waar dan?"
+
+"Dat zal ik nooit zeggen. Doch gij weet, dat, als ik eens mijn woord
+heb gegeven, ik het ook houd. Buitendien heb ik uw naam als staatsman
+gevestigd."
+
+"Gij hebt mijn naam als staatsman gevestigd?"
+
+"Ja, door mijn raad met betrekking tot de Geuzen, men noemt u nu den
+wijzen, den vèrzienden, den loozen vos Burleigh."
+
+"Ja, en ik loop er gevaar door, mijn hoofd te verliezen," antwoordt
+de Lord norsch. "Gij wildet mij echter over geld spreken?"
+
+"Ja! Schiet mij zes duizend kronen voor en als ik levend terugkom,
+zal ik u zestig duizend teruggeven--tien voor één. Nog beter, geef
+mij tien duizend en gij krijgt honderd duizend terug. Het is als een
+dobbelspel. Ik waag mijn leven, gij uw geld."
+
+"Ik stel mijn tien duizend kronen op hooger prijs dan gij uw leven,"
+antwoordt de Lord en zendt hem weg.
+
+Doch juist in die dagen komt Francis Drake terug uit de Spaansche
+wateren, zijn schip zwaar beladen met staven goud van een buitgemaakt
+galjoen, en daar Guy heeft uitgestrooid, dat zijn schat ook uit
+West-Indië moet komen, ontbiedt Zijn Lordschap hem en zegt, dat hij
+het geld niet persoonlijk kan voorschieten, maar dat hij wel eenige
+Londensche kooplieden kan bewegen, de tien duizend kronen te leenen
+op de voorwaarden van afbetaling, die Guy heeft aangeboden.
+
+De jonge man neemt het aanbod onmiddellijk aan en als hij het geld in
+handen heeft, tuigt hij zijn schip opnieuw op, vult zijn bemanning
+tot een voldoende sterkte aan, hetgeen niet moeilijk is, omdat
+de beste zijner manschappen, met Dalton en Corker aan het hoofd,
+hem niet hebben verlaten, en gaat onder zeil naar de Nederlanden,
+niettegenstaande het winter is, en komt vroeg in December te Vlissingen
+aan. Nauwelijks heeft hij het anker laten vallen, of hij wordt op
+een aangename wijze verrast.
+
+Er nadert een sloep van den wal en Achille, die nu als kajuitsjongen
+fungeert, komt schreeuwend door het luik naar beneden: "Monsieur
+Oliver! Mijn meester, de schilder Oliver!"
+
+Met één sprong en met een kreet van blijdschap is Chester op het
+dek, en laat toe, hoezeer het hem als Engelschman ook stuit, dat hij
+omhelsd en gekust wordt, nog wel ten aanschouwe van zijn grinnekende
+matrozen, want de man, die hem zoo teeder begroet, is Oliver, de als
+uit den dood herrezene,--immers Alva heeft Bergen heroverd en een
+groot gedeelte van de verdedigers dier stad doen ombrengen.
+
+"Kom in mijn hut en vertel mij uw lotgevallen. Gij zijt nu geen
+schilder meer, gij zijt enkel soldaat," zegt Guy, de hand van den
+schilder krachtig drukkend en met iets als een traan in zijn oog,
+als hij Antony aankijkt.
+
+"Vertel gij eerst;--wat weet gij van de vrouw die ik liefheb?" roept
+de schilder uit.
+
+"Veilig."
+
+"Goddank!"
+
+"Ga nu mee naar beneden, ik zal u alles vertellen."
+
+Als zij in de hut zijn gekomen, brengen zij elkander beurtelings
+in verbazing door het nieuws, dat zij beiden hebben mee te
+deelen. Oliver verhaalt van de verrassing van Bergen, hoe hijzelf
+bij het aanbreken van den dag den poortwachter neerstiet, terwijl
+zijn acht metgezellen, in marktkarren onder groenten verborgen, de
+stad werden binnengebracht; hoe Lodewijk van Nassau, die buiten in het
+bosch wachtte met vijfhonderd ruiters, ieder met één voetknecht achter
+zich, daarna de stad binnentrok, terwijl Oliver en zijn acht helden
+de poort zoolang tegen het Spaansche garnizoen verdedigden, tot zij
+de ophaalbrug waren overgetrokken. Vervolgens de bijzonderheden van
+de belegering door Alva; hoe zij op ontzet hoopten, daar hun hulp uit
+Frankrijk was beloofd; toen het bericht van het feest van Catharina
+de Medicis, de afgrijselijke slachting in den St.-Bartholomeusnacht,
+die het bloed der edelste Hugenoten door de straten van Parijs deed
+stroomen en waardoor hun geen hulp meer kon geworden van den vermoorden
+Coligny; hoe Oranje's poging om hen te ontzetten, mislukte; hoe ten
+slotte hij, Oliver, Lodewijk van Nassau en eenige anderen aan Alva's
+klauwen ontsnapten, en hoe nu de Onderkoning, daar hij niets meer van
+Frankrijk heeft te vreezen, een groot leger verzamelt, om Holland te
+heroveren, Amsterdam daarbij tot centrum kiezend, als de eenige stad,
+die nog in zijn handen is.
+
+"Apropos," zegt Guy, "nu wij toch over Spanjaarden spreken: hebt gij
+soms ook iets gehoord van onzen vriend, majoor Guido Amati?"
+
+"_Kolonel_ Guido Amati."
+
+"Te drommel,--alweer bevorderd?"
+
+"Ja, gij zijt de dochter van den Onderkoning alweer een stap nader
+gekomen," lacht Antony. "Hebt gij het niet gehoord? Toen Mondragon
+een maand geleden het beleg van Goes ophief, trok majoor Guido Amati
+'s nachts aan het hoofd van het Spaansche voetvolk over de verdronken
+gronden van Zuid-Beveland, waar het zetten van één schrede naast
+den weg gelijkstond met verdrinken, waar een uur vertraging in den
+overtocht van vier uren gelijkstond met verzwolgen te worden door
+het wassend tij, en zoo verraste hij, als uit de lucht gevallen,
+in den vroegen morgen 't Zeraets' soldaten, nadat hij een plaats
+was overgetrokken, die, naar men meende, enkel voor de visschen en
+de vogels toegankelijk was. Ter belooning droeg Mondragon majoor
+Guido Amati ter bevordering voor. Op zijn aanbeveling werd dadelijk
+beschikt, terwijl het anders gewoonlijk een jaar duurt. Gij ziet dus,
+dat gij u loffelijk gedragen hebt. Mij dunkt, dat Dona de Alva zeer
+trotsch op u kan zijn."
+
+"Goddank," lacht Guy, "dat mijn bandelooze naamgenoot weer aan het
+vechten is gegaan, en ik mij dus goed zal gedragen; hebt gij niets
+van haar gehoord?"
+
+"Neen, behalve dat zij nog altijd even schoon is, doch veel
+hooghartiger en kouder. Zelfs Noircarmes, vertelt men, fronst het
+voorhoofd en bijt op zijn knevel, als de naam van Dona de Alva genoemd
+wordt. Vertel mij nu van mijn beminde."
+
+Hierop geeft Guy een verslag van dien merkwaardigen morgen in Antwerpen
+en hoe hij Mina Bodé Volckers op bevel van Dona de Alva heeft bewaard
+voor geeseling en vernedering, waarop Oliver met tranen in de oogen
+uitroept: "God zegene haar en vervloeke haar vader! Hoe kan zulk een
+edel meisje een dochter van Alva zijn?"
+
+En dan vraagt hij een weinig angstig: "Waar hebt gij Mina
+heengebracht?"
+
+"Naar Haarlem."
+
+"_Haarlem_?" Het klinkt als een kreet van ontzetting. "Groote God,
+waarom deedt gij dat?"
+
+"Haar vader zond haar daarheen naar haar oom, Pieter Kies."
+
+"_Haarlem_!" De schilder is verstijfd van schrik. "Het is bijna
+ingesloten!" kermt hij. "_Haarlem_! en Alva heeft gezworen,
+dat hij geen man, vrouw of kind levend uit die stad zal laten
+ontsnappen. Haarlem! Haarlem! Mijn God! Is zij daar nog?"
+
+"Dat weet ik niet. Ik verliet haar daar veilig en weltevreden,
+wachtend op u,--haar laatste woorden waren voor u."
+
+"Haarlem! Wij moeten er heen. Wij moeten beproeven haar te redden. Het
+is bijzonderlijk voorgeschreven, dat alle uitgewekenen, die zich in
+de stad bevinden, niet alleen ter dood gebracht maar ook gepijnigd
+moeten worden. Mina is een uitgewekene. Help mij, Engelschman,--gij
+hebt mijn beminde den dood in de kaken gevoerd--help mij er haar
+weder uit verlossen!" kreunt Oliver, die in zijn angst bijna geen
+rede meer verstaat.
+
+"Verwijt het mij niet," antwoordt Guy. "Ik heb voor haar gedaan,
+wat ik meende, dat het beste was. Doch ik zal u helpen, om haar te
+bevrijden--ik zal er mijn leven voor wagen."
+
+"God zegene u," roept Oliver uit. "En uw bemanning?"
+
+"Zij volgt mij."
+
+"God zegene hen!"
+
+En zijn schat vergetende en nog eens zijn zielsbeminde, naar wier
+bijzijn hij hunkert, den rug toekeerend, vertrekt Guy met zijn vriend,
+die nu geen schilder meer is, doch geheel en al krijgsman is geworden,
+om het waagstuk te beproeven, dat, zal het slagen, geen uitstel
+kan lijden.
+
+Dalton waagt de opmerking, als hij orders ontvangt, om het anker binnen
+te halen en naar het Noorden te zeilen: "Dat is eigenlijk niet mooi
+tegenover hen, die u met geld geholpen hebben, commandant."
+
+"Vriendschap vóór handel--het geluk van mijn vriend vóór het geld van
+Engelsche bankiers en woekeraars!" antwoordt zijn commandant. "Dalton,
+gij hebt een meisje in Engeland; wat zoudt gij doen, om haar te
+beveiligen voor Alva's troepen?"
+
+"Vechten, tot ik dood neerviel."
+
+"Nu, man, mijn vriend heeft het zijne in Haarlem!"
+
+"Dan zal ik ook voor zijn meisje vechten," roept de ruwe zeeman uit;
+en de manschappen wetten hun hartsvangers en strijdbijlen en zingen
+daarbij Britsche liederen, ter eere van hun liefjes thuis.
+
+Den volgenden dag bereiken zij Delft en vernemen daar, dat zij
+Haarlem niet over Leiden kunnen bereiken. Hier hooren zij ook
+van het afgrijselijke bloedbad te Naarden--vijfhonderd burgers
+vermoord in de kerk, de rest van de inwoners eveneens grootendeels
+omgebracht. Bijzonderheden ontbreken, daar de verschrikte boeren
+de plaats niet durven binnengaan, waaruit het gekerm van vrouwen
+en kinderen opstijgt, dat men mijlen ver kan hooren. Het is de
+Hollandsche stad overgeleverd aan de genade van Spaansche soldaten,
+prijsgegeven aan plundering, moord en vernieling; het is hetzelfde
+verhaal als van Mechelen en Zutfen, hetzelfde verhaal als van iedere
+stad, waar Alva's veteranen als overwinnaars binnendringen.
+
+Oliver is de wanhoop nabij. Hij huivert bij hetgeen hij hoort en
+fluistert Guy met bleeke lippen toe: "Er blijft ons niets anders over
+dan te zien, of wij de Zuiderzee kunnen bereiken en vandaar uit het IJ,
+zoodat wij van den noordkant binnen Haarlem kunnen komen. Die weg is
+nog vrij."
+
+"Misschien!" antwoordt Guy, twijfelend. "Doch het is een wanhopige
+onderneming. Wij moeten beide keeren Amsterdam passeeren, waar Alva's
+geheele legermacht zich bevindt en misschien nog oorlogsschepen
+bovendien."
+
+"Mon Dieu! Gij wilt haar toch niet aan haar lot overlaten?" roept de
+Fransche Vlaming woest uit.
+
+"Neen, maar ik moet zekerheid hebben, dat zij in Haarlem is, eer ik
+het leven mijner mannen voor zulk een dolzinnig waagstuk op het spel
+zet. Het is December, er zal spoedig ijs komen."
+
+Chester tracht nu berichten in te winnen en treft toevallig den
+laatsten man, die uit Haarlem ontsnapt is, aan, een man, half
+krankzinnig van angst, want hij is slechts met moeite ontkomen aan de
+Spaansche patrouilles, die met gruwzame wreedheid iedereen ophangen
+of doodslaan, dien zij ontmoeten.
+
+Als zij hem ondervragen, antwoordt hij: "Ja, ik kom uit Haarlem--ik
+redde ternauwernood mijn leven--Ik heb den rook van het brandende
+Naarden gezien, het gekerm gehoord--"
+
+"Maar Haarlem, wat weet gij van Haarlem?" valt Guy hem in de
+rede. "Beantwoord vlug mijn vragen en ik zal u geld geven." Want de
+arme man is van alles beroofd en moet leven van aalmoezen. "Kent gij
+een zekeren Pieter Kies?"
+
+"Natuurlijk, lid van den gemeenteraad."
+
+"Is hij nog in de stad?"
+
+"Ja."
+
+"Woont er bij hem in huis een blond meisje met groote blauwe oogen?"
+
+"O, gij bedoelt de beminde van den patriotschen schilder, die nu den
+eerenaam heeft gekregen van Oliver van Bergen?"
+
+Nu hebben zij zekerheid. Oliver begint op zijn luidruchtige Fransche
+wijze te jammeren: "Nom de Dieu! Mina is reddeloos verloren, zij
+zal gefolterd worden, omdat ik haar liefheb," en op heeschen toon
+smeekt hij Guy: "Red haar, Engelschman! Als gij u mijn vriend noemt,
+red haar dan."
+
+"Ik zal alles doen, wat een man vermag."
+
+"Gezwind dan! Licht het anker en zet koers naar de Zuiderzee! Spoed
+is haar eenige redding."
+
+"Ik moet voor deze zaak toch eenige voorbereidingen treffen," antwoordt
+Chester, die ernstig twijfelt aan den goeden afloop van dit avontuur.
+
+"Voorbereidingen? Hebben wij dan geen wapenen en kruit? Haast u,
+doe het voor mij, haast u!" smeekt Oliver.
+
+Aangespoord door de wanhopige woorden van zijn vriend, doet Guy
+in allerijl proviand op voor den tocht. Hij ziet eerst om naar een
+loods, die bekend is met de binnenwateren, welke hij moet bevaren,
+en is zoo gelukkig er spoedig een te vinden in den persoon van den
+Frieschen vrijbuiter 't Hoen. Deze geeft aanstonds order, de _Dover
+Lass_ zooveel mogelijk te lichten.
+
+"Zes duim meer of minder diepgang, daar kan in de Zuiderzee met haar
+ondiepten ons leven van afhangen," zegt 't Hoen, die bij al zijn
+woestheid een ervaren zeeman is.
+
+De _over Lass_ wordt nu ontlast van al het overtollige; zij bergt
+nog alleen proviand, water en ammunitie.
+
+Daarna vraagt 't Hoen, zich niet storende aan de spotternijen der
+zeelieden: "Hoevelen van u kunnen schaatsenrijden?"
+
+"Welzoo, het wordt dus een winterbuitenpartij met dames en vuurwerk
+op het ijs?" lacht de bootsman.
+
+Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, gaat 't Hoen heen en
+koopt voor iederen man, die er mee weet om te gaan, een paar Friesche
+schaatsen. Als hij ze aan boord heeft gebracht, zegt hij tot Chester:
+"Commandant, wij zullen die moeten gebruiken om weg te loopen, als
+wij al te zeer in de klem geraken," waarop Corker een leelijk gezicht
+trekt, daar het denkbeeld, zijn schip te verlaten, al is het om zijn
+leven te redden, hem tegen de borst stuit.
+
+Deze voorbereidselen zijn door Chester en zijn manschappen met
+zooveel spoed gemaakt, dat zij zich nauwelijks vier uren in Delft
+hebben opgehouden.
+
+Den volgenden dag bereiken zij reeds de Zuiderzee en vernemen te
+Enkhuizen, dat de Spaansche bevelhebber bezig is, Haarlem aan alle
+kanten in te sluiten.
+
+Tegen den avond in de buurt van Amsterdam aangekomen, blijven zij daar
+op en neer varen, gereed om over het IJ de stad voorbij te zeilen,
+als de duisternis zal zijn gevallen, en om den volgenden morgen
+Haarlem te bereiken vóór het geheel is omsingeld, en het meisje voor
+het gevaar van een beleg te bewaren.
+
+Doch de Voorzienigheid is dien nacht niet met hen. Er komt een koude
+wind uit het Noorden, die vorst meebrengt en het water met een ijslaag
+bedekt. En toch is de wind niet sterk genoeg, om hun een weg door
+het bevriezende water te banen.
+
+Den volgenden morgen zitten zij vast in het ijs en met hen drie
+andere Geuzenschepen, gelukkig alle vlak bij elkaar en misschien met
+een zelfde doel hier. Zij zijn nu hulpeloos, zij kunnen noch voor-,
+noch achteruit.
+
+De stad Amsterdam, met Alva's leger binnen zijn muren, _is slechts
+vier mijlen van hen verwijderd_.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+HET GEVECHT OP SCHAATSEN.
+
+
+Oliver komt zenuwachtig uit den mast naar beneden en fluistert: "Ik
+kan den toren van de Groote Kerk in Haarlem zien. Wij zijn nog slechts
+twintig mijlen gescheiden--van--de vrouw, die ik liefheb,--haast u."
+
+"Als het blijft doorvriezen," mompelt Guy, "zullen wij zeker eerder
+in de andere wereld komen dan in Haarlem. Er rest ons niets dan hier
+te blijven en op onze schepen te sterven. De Spanjaarden zullen over
+het ijs komen, om ons aan te vallen. Wij zullen moeten bezwijken voor
+hun overmacht."
+
+"Wij moeten met de andere Geuzen overleggen, wat ons te doen staat,"
+zegt 't Hoen. "Kunt gij schaatsenrijden, 'Eerste der Engelschen'
+ga dan mee."
+
+"Goed," antwoordt Guy, "is het ijs sterk genoeg?"
+
+"Ja, nu reeds voor voetvolk, en dezen nacht ook wel voor de Spaansche
+kanonnen."
+
+De mannen binden hun schaatsen onder, vliegen over de spiegelgladde
+Zuiderzee en zijn na eenige oogenblikken bij de schepen der Geuzen. Na
+een korte beraadslaging besluiten de gezagvoerders, om zich tot het
+uiterste te verdedigen, onverschillig hoe groot de overmacht van de
+Spaansche zijde ook moge zijn; overgave staat gelijk met zelfmoord.
+
+Vervolgens overleggen zij, hoe zij zullen vechten, en als zij Guy
+tot hun opperbevelhebber hebben gekozen, neemt deze terstond zijn
+maatregelen. Binnen vijf minuten is niet alleen de bemanning van
+de _Dover Lass_ op het ijs, doch ook de bemanning van de andere
+Geuzenschepen, alles en allen vijfhonderd man, en zij werken zoo hard
+als zij kunnen, omdat zij weten, dat hun leven er van afhangt, met
+ijshaken, breekijzers, ijszagen, met elk werktuig, dat zij slechts
+kunnen gebruiken, en hakken een geul open van de drie Geuzenschepen
+naar de _Dover Lass_ om deze bij de andere te kunnen brengen.
+
+Met bijna bovenmenschelijke inspanning gelukt het hun binnen drie
+uren, niet alleen de _Dover Lass_ een veiliger ligplaats bij de andere
+schepen te verschaffen, maar ook om het ijs om de schepen geheel weg
+te hakken, zoodat zij als in een klein meer liggen, omringd door ijs.
+
+Vervolgens brengen zij de schepen in den vorm van een parallelogram,
+binden ze aan elkaar vast en maken van de naar den buitenkant gekeerde
+zijden een drijvende citadel. Daarna slaan zij kleine ankers in het
+ijs en sjorren de schepen vast met kabeltouwen om te beletten, dat
+zij tegen het ijs drijven en den vijand in de gelegenheid stellen,
+aan boord te komen.
+
+"Pardieu!" roept Oliver uit. "Dat is een nieuw idee. Dat kan ons
+redden."
+
+"Geen vijandelijk soldaat kan aan boord komen, als de kabels sterk
+genoeg zijn en wij het water open kunnen houden," antwoordt Guy.
+
+Zij werken nu met vereende krachten, om het ijs te verbrijzelen;
+het is een zwaar werk, want de koude wordt heviger en het ijs dikker.
+
+Groote vreugde wekt dan ook het bericht van den man op den
+uitkijk: "Zij komen!" en werkelijk zien zij nu ook allen ongeveer
+vijftienhonderd man Spaansche en Waalsche voetknechten over het gladde
+pad aankomen, om hen af te maken.
+
+Dit schijnt geen moeilijke taak voor de aanvallende partij--schepen,
+vastgevroren in het ijs!--Zij stellen zich blijkbaar voor, de weerlooze
+bemanning in koelen bloede over de kling te jagen. En zij rukken
+voorwaarts met het zelfvertrouwen, waarmee het Spaansche voetvolk de
+Hollanders altijd te gemoet gaat, totdat dezen zich in een harden
+strijd van tien jaren gevormd hebben tot even goede soldaten, als
+die van een ander land in Europa. En met hun vuurwapenen--halve
+achttienponders en falconets--tot aan den mond geladen met
+geweerkogels, spijkers en schroot, met hun pieken en strijdbijlen
+onder hun bereik, wachten zij met rustig vertrouwen de komst hunner
+vijanden af op hun houten citadel, drijvende in het kleine, door ijs
+omringde meer.
+
+Deze gracht van ijskoud water zal Alva's veteranen bij het enteren
+meer moeielijkheid veroorzaken dan de diepste gracht van eenige
+ommuurde stad, die zij in de Nederlanden hebben bestormd. Doch niet
+gissende, wat er vóór hen ligt, komen de Spaansche busschutters,
+onder het aanheffen van een luiden strijdkreet, nader, terwijl hun
+aanvoerder hen blijkbaar tot spoed aanzet.
+
+"Goddank, deze knapen schijnen niet van plan te zijn, ons lang te laten
+wachten," lacht Guy, zijn met staal bekleede handen tegen elkander
+slaande, "een stalen wambuis en een metalen broek zijn juist niet
+aangenaam in dit Decemberweer."
+
+Het is Sir Guy Chester's eerste gevecht sedert hij tot ridder geslagen
+is, en hij is in volle wapenrusting: helm, pluimen en vizier,
+borstkuras en rugbedekking; zelfs ontbreken de gouden sporen, het
+insigne van zijn orde, niet. Dit van het ijs glibberig geworden dek is
+niet zoo geschikt voor het pronken met zijn Italiaansche wapenrusting
+als de rug van een vurig strijdros op een slagveld, doch het tijdperk
+van de ridderschap is nog niet voorbij--ridderschap beteekent nog
+militaire adel, de gouden sporen duiden nog blauw bloed en vermetelheid
+aan--welke jonge man zou de verleiding kunnen weerstaan om de insignes
+daarvan te dragen? Guy Chester tenminste niet. Zijn bemanning ontvangt
+hem met gejuich, zij weten het, dat in deze Milaneesche wapenrusting
+een aanvoerder steekt, dien zij kunnen vertrouwen en volgen.
+
+"Oho!" schreeuwt Oliver met een hartelijken lach. "Kijk! De Spaansche
+honden vallen door de gladheid over en door elkaar. Dat zal een
+vermakelijke geschiedenis worden."
+
+"Ja, en ook een bloedige--voor hen," roept Dalton woest, met het
+zwaard in de hand.
+
+En zoo is het.
+
+De bemanning der kleine vloot vuurt geen geweer af en laat den vijand
+vlak bij zich komen. Doch als het Spaansche voetvolk chargeert, komen
+de eerste gelederen eensklaps tot de ontdekking, dat zij in het water
+vechten inplaats van op het ijs. En zij moeten, om hun leven te redden,
+hun armen uitslaan en zwemmen, wat een koud werkje in December is.
+
+"Wij zullen ze wat opwarmen," roept Guy, en de _Dover Lass_ opent
+het vuur met haar geschut aan stuurboord en schiet op de verdrinkende
+soldaten. De Hollandsche schepen volgen haar voorbeeld.
+
+Doch Alva's Spaansch voetvolk is te land noch ter zee zoo gemakkelijk
+aan het wijken te brengen. De bevelvoerende officier deployeert een
+gedeelte van zijn manschappen als tirailleurs en dezen leggen met
+hun haakbussen op de schepen aan. Weldra fluiten de kogels over de
+verschansingen en door het want van de _Dover Lass_, zoowel in salvo's
+als bij enkele schoten.
+
+Een ander gedeelte van de Spanjaarden kruipt over het ijs en tracht
+bij de kabels te komen, die de schepen vasthouden, om hun kabeltouwen
+af te snijden, opdat zij naar de een of andere zijde van het meertje
+zullen drijven, waardoor het mogelijk wordt, ze te enteren. Als Guy
+dit bemerkt, gaat hij vooruit naar den bak, om zijn manschappen te
+bevelen, hun dit met hun haakbussen te beletten, en hij ondervindt
+daarbij het voordeel van zijn ridderlijke wapenrusting. Zonder zijn
+stalen borstkuras zouden de Spaansche scherpschutters hem spoedig het
+licht hebben uitgeblazen. Twee kogels stuiten af op zijn wapenrusting
+en één strijkt langs de pluim van zijn helm.
+
+Maar de kabels blijven ongedeerd, en zij, die zich opnieuw wagen aan
+de wanhopige poging om ze af te snijden, worden allen neergeschoten,
+en de stuurboord-batterij van de _Dover Lass_ dondert nog voort,
+het ijs met kogels overdekkend.
+
+Aan de andere zijde van het drijvend fort gaat het niet zoo goed;
+met groote inspanning en veel verliezen slagen de Spanjaarden er
+ten laatste in, een der Geuzenkabels af te snijden; niet in staat
+de sterkere spanning uit te houden, laat een ander anker los, en de
+houten citadel drijft tegen de sterke ijsmassa aan.
+
+Nu zijn de Spanjaarden in het voordeel; in een oogwenk hebben zij hun
+stormladders tegen het schip gezet, van welks dek men over den boeg
+van de _Dover Lass_ heenziet, want zij is een veel kleiner vaartuig.
+
+Terwijl de Spanjaarden de ladders opstormen, om zich al vechtende
+een weg te banen op het dek van den Hollander, roept Guy zijn
+enterafdeeling, en zij snellen hun bedreigden kameraden te hulp,
+terwijl de andere Geuzenschepen eveneens manschappen naar het dek
+van dit schip zenden, dat nu het middelpunt van den strijd wordt.
+
+Een oogenblik gelukt het den Spanjaarden door hun overmacht, het
+halfdek van het Hollandsche schip te veroveren en zij denken, terwijl
+zij luide triumfkreten aanheffen, reeds gewonnen spel te hebben, doch
+de moorddadige stukken van den bak van het schip en twee van den boeg
+van de _Dover Lass_ overstemmen dezen kreet met hun gebulder, bressen
+schietende in de juichende massa. Daarna wordt het dek heroverd met
+een flank-aanval van de andere schepen, doch slechts gedeeltelijk,
+daar Alva's veteranen vechten, alsof zij nooit verslagen konden worden,
+en alsof hun aanvoerder betooverd en onkwetsbaar was.
+
+Tweemaal hebben Guy en hij hun zwaarden gekruist, doch zij zijn weer
+van elkaar geraakt door het gedrang.
+
+De kanonnen van het besprongen schip zijn nu van weinig nut, en de
+vuurmonden van de andere schepen kunnen aan deze zijde niet deelnemen
+aan het gevecht--het ziet er kwaad uit voor de Watergeuzen.
+
+Doch al vechtende denkt Guy na, en eensklaps naar zijn eigen schip
+terugkeerend, roept hij uit: "Laadt twee achttienponders met zware
+kogels en brengt ze naar den bak."
+
+Als dit door Corker en eenige anderen gedaan is, richt Chester deze
+kanonnen niet op de Spanjaarden, maar op het ijs, waarop de Spaansche
+stormladders steunen.
+
+De eerste losbranding werpt vijftig man en hun ladders in het
+water. "Wij zullen ze gauwer verdrinken, dan doodschieten!" gillen
+de Engelsche matrozen--en een paar andere losbrandingen beslissen de
+zaak, het ijs is vernield onder de voeten van de Spanjaarden en in
+het ijskoude water spartelen een honderdtal veteranen.
+
+De anderen geven het op. De door ijs omringde citadel geeft hun een
+te harde noot te kraken.
+
+Daar hij wel begrijpt, dat hij de zaak slechts erger kan maken door
+vol te houden, geeft de Spaansche bevelhebber, oogenschijnlijk nog
+niet gewond, bevel om terug te trekken en zijn veteranen voldoen
+hieraan langzaam en maken rechtsomkeert in de richting van Amsterdam,
+hun lichtgewonden meenemend.
+
+Als 't Hoen bemerkt dat vele zijner vijanden uitglijden op het ijs,
+begint hij te lachen en roept plotseling uit: "Wij moeten geen enkel
+man van hen laten ontsnappen. Hen na, op schaatsen!" schreeuwt hij
+tot de bevelhebbers van de andere Hollandsche schepen.
+
+Dit voorstel wordt door alle Hollanders gretig aangenomen; de
+Engelschen, die in staat zijn zich vlug op het ijs te bewegen, voegen
+zich bij hen, en in minder dan vijf minuten stelt Guy op het gladde
+terrein bij zijn schip een vijf en twintig man van de _Dover Lass_
+op, ieder gewapend met haakbus en zwaard of piek en strijdbijl en
+ieder met Friesche schaatsen onder de voeten.
+
+Zelfs Oliver, die op schaatsen nauwelijks overeind kan blijven,
+vergezelt hen. De Hollandsche bevelhebbers hebben over een grooter
+aantal te beschikken, daar al hun mannen bedreven zijn in de nationale
+liefhebberij van Holland.
+
+De Spanjaarden, die er volstrekt niet op bedacht zijn, vervolgd
+te zullen worden, gaan langzaam naar de stad terug en kijken zelfs
+niet om, want het gezicht achter hen van verdronken of gedoode en
+gewonde kameraden, die voortkrabbelen en bevriezen op het ijs, is
+niet aangenaam.
+
+"De gekwetsten kunnen ons niet ontsnappen," roept Maarten Merens,
+een van de Hollandsche bevelhebbers, "wij zullen ze later wel op ons
+gemak afmaken. Voorwaarts, hen achterna, die nog ongedeerd zijn,"
+en de Geuzen spoeden zich voort, als zwaluwen in haar vlucht.
+
+En zoo gebeurt het, dat de Spaansche bevelhebber plotseling achter zich
+een krassend geluid hoort, veroorzaakt door de schaatsen op het ijs,
+en omkijkend ziet hij vier- of vijfhonderd Hollanders en Engelschen,
+niet de helft van het aantal krijgslieden, dat hij terugvoert, als
+een zwerm vogels op hem afkomen.
+
+Hij beveelt zijn manschappen zich om te wenden en zich op te stellen
+teneinde den aanval af te wachten, doch zij doen dit niet snel
+genoeg. Met hun vlugge schaatsen stormen de Hollanders en Engelschen
+op hen in alsof het een charge van ruiterij was, het gladde ijs beneemt
+hun hun kalmte en in een oogenblik is de Spaansche slagorde uit elkaar
+gedreven, en het ijs wordt het tooneel van honderd afzonderlijke
+gevechten, waarbij de Hollanders en Engelschen in het voordeel zijn,
+daar zij aanvallen wien zij willen en zich terug kunnen trekken,
+zoodra het hun behaagt.
+
+Het is een kluchtig tooneel, ofschoon het bloed als water vloeit,
+en mannen sterven schuddend van het lachen, hun lach met doodskreten
+vermengd. Guy zelf moet, terwijl hij een man neervelt, lachen, als
+het lichaam zonder hoofd een bokkesprong op het gladde ijs maakt. Een
+Spanjaard, die vervolgd wordt door een Hollander, werpt zich in zijn
+wanhoop plat op het ijs, en de Hollander rolt languit over hem heen,
+doch vlug ter been als hij is, geeft hij zijn vijand een goed gemikten
+trap in het oog met zijn Friesche schaats, en de Spanjaard is dood,
+eer de Hollander weer goed op zijn beenen staat.
+
+Nu de eerste woede van den strijd wat bedaard is, zoekt Guy den
+aanvoerder op; deze ziet wederkeerig naar hem rond.
+
+Tot op dit oogenblik heeft de Castiliaan zwijgend gevochten, elkeen
+doodend, die onder zijn bereik kwam; ofschoon hij niet gewoon is,
+zich op het ijs te bewegen, is zijn bedrevenheid in het schermen zoo
+groot, dat twee of drie Hollanders gewond zijn neergezonken en een
+Engelsch matroos zijn moeder nooit zal weerzien, door toedoen van
+zijn Toledaansch zwaard.
+
+De Spanjaard roept nu uit: "Kom op, ik ken u. Gij zijt de 'Eerste
+der Engelschen'. Kom op, en al hebt gij vleugels, toch zal ik u
+wel kortwieken!"
+
+Op deze wijze van uitdaging is de Engelsche ridder wel verplicht
+acht te slaan. Het is een manier, die in zwang was in de dagen van
+de ridderschap en nog niet geheel verdwenen is in Engeland, en Guy
+neemt haar aan.
+
+En de twee strijders gaan op elkaar af; het reusachtig zwaard van den
+Engelschman kan niet halen bij de veel scherper gepunte Toledosche
+kling, en was Guy niet bekleed met zijn harnas, dan zou deze dag zijn
+laatste zijn geweest.
+
+De Spanjaard heeft een stalen polsgewricht en hij hanteert zijn zwaard
+volgens de regels der beste Italiaansche school, maar Guy redt telkens
+door de vlugheid zijner voeten zijn hoofd. Dit verbittert den Spanjaard
+en hij knarst op zijn tanden--terwijl Guy een schaatsenrijderskunstje
+in practijk brengt, dat hem in staat stelt, om den Castiliaan heen te
+draaien en hem een paar houwen te geven, die zelfs diens bekwaamheid
+in het schermen niet kan pareeren.
+
+Den volgenden keer, dat hij een halven cirkel om zijn vijand
+beschrijft, verwondt Guy hem licht. Doch vooruitschietend, terwijl hij
+een houw doet, blijft een van Sir Guy's riddersporen in zijn schaatsen
+haken, en hij zou verloren zijn geweest, als hij niet door een vlugge
+beweging op zijn hurken was gaan zitten en zich op zijn beide schaatsen
+uit de nabijheid van zijn tegenstander had laten wegglijden.
+
+Hij is wel een vijftig el van hem af, eer hij zich omkeert, en bevindt
+zich nu vlak tegenover den kleinen vaandrig De Busaco, die het hard
+te verantwoorden heeft gehad en reeds gewond is; zijn hooge laarzen
+belemmeren zijn bewegingen op het ijs.
+
+Chester komt juist bijtijds om den kleinen Spaanschen vaandrig
+in bescherming te nemen en zijn leven te redden, daar twee of drie
+Watergeuzen hem bijna bereikt hebben, en De Busaco er in het volgende
+oogenblik om koud zou zijn geweest.
+
+Guy herinnert zich, dat zij in Antwerpen goede vrienden waren, en het
+zou hem onmogelijk zijn, den vaandrig nu aan zijn lot over te laten;
+met zijn rechterarm slaat hij dan ook twee pieken naar beneden, die op
+den vaandrig gericht zijn, en hij roept hem toe: "Geef u aan mij over;
+geef u aan mij over, dwaas!" Want de kleine Spanjaard verweert zich,
+met getrokken zwaard, al wat hij kan.
+
+Doch op hetzelfde oogenblik, terwijl hij weer een een uitval doet,
+glijden de beenen onder den armen jongen weg en bonst zijn hoofd
+met een geweldigen smak op het ijs, waardoor hij het bewustzijn zou
+verloren hebben, als hij geen stalen helm op had gehad.
+
+"Hij is de mijne!" zegt Guy, de zwaarden terugduwend. "Hij is mijn
+gevangene. Geef u over, gij stijfkop van een Busaco!"
+
+"Ik verklaar mij overwonnen," zegt Busaco somber. Maar eensklaps
+glimlacht hij en roept uit: "Mon Dieu! Kapitein Guido Amati! Ja,
+ik geef mij aan u over. Welk losgeld verlangt gij van me? Gij wilt
+mij immers niet dooden, wel?"
+
+"Neen, Busaco, gij zijt veilig. Tweemaal hebt gij mijn leven gered,
+al wist gij het niet. Nu red ik het uwe."
+
+"Ja," zegt de ander, "dat was vreemd, nietwaar, _kapitein Guido
+Amati_? Naar de vlag te oordeelen, die van uw mast waait, wordt gij
+nu den 'Eerste der Engelschen' genoemd."
+
+Het zijn dwaze woorden en zij komen hem bijna duur te staan, want
+de Engelschman weet, dat als zijn gevangene dit overbrengt aan het
+Spaansche hoofdkwartier, hij geen kans meer heeft, om als Guido
+Amati samenkomsten te hebben met Alva's dochter. Hij zegt: "Ja, de
+'Eerste der Engelschen', maar geen losgeld voor u."
+
+"Geen losgeld," mompelt De Busaco, "dus wilt gij mij dooden, omdat
+ik uw geheim ken?"
+
+"Neen! Zweer mij bij alles wat u op aarde dierbaar is, dat gij mij
+nooit zult herkennen als den 'Eerste der Engelschen', al stond ik ook
+in Alva's eigen paleis voor u. Er staan vijf duizend kronen op mijn
+hoofd; zweer echter, dat gij mij nooit zult kennen als den 'Eerste
+der Engelschen', doch enkel als Guido Amati."
+
+"Ik zweer het bij dit kruis, dat mijn moeder mij gaf," zegt de kleine
+vaandrig, het crucifix aan zijn lippen brengend. Daarna lacht hij en
+voegt er aan toe: "De eed was overbodig. Ik wist het reeds."
+
+"Wanneer--hoelang?"
+
+"Sedert drie weken, toen ik den _werkelijken_ kolonel Guido Amati
+zag. Gij zijt bevorderd, zooals gij misschien weet."
+
+"En gij hebt er nooit over gesproken, zelfs niet tegen Amati zelf?"
+
+"Neen--tegen niemand!"
+
+"Waarom niet?"
+
+"Santos! het was een geheim van een dame."
+
+"God zegene u," zegt Guy, zijn gevangene aan het hart drukkend. "Het
+zou misschien den goeden naam, maar niet de eer van een dame kunnen
+schaden."
+
+"O, iedereen weet, dat Dona de Alva een heilige is. Dwaas, dat zij
+juist u moet beminnen. Zonderling--"
+
+Doch zij hebben geen tijd, om verder over de zaak te spreken. Chester
+neemt den jongen man bij de hand, trekt hem met zich mede over
+het ijs en vergezelt hem voor meerdere veiligheid tot dicht bij
+Amsterdam. Daardoor brengt Guy bijna zijn eigen leven in gevaar,
+want er komen hun reeds Spaansche troepen te gemoet, hij verlaat dus
+den vaandrig met een handdruk en een: "God zegene u. Denk er aan!"
+
+"Vertrouw op mij. Ik heb gezien, hoe zij u aankeek. Ik weet, dat zij
+u bemint en niemand zou haar verdriet kunnen aandoen--maar pas op,
+daar komen mijn kameraden!" roept De Busaco.
+
+Zich omkeerend, rijdt Guy naar zijn schip terug, waar hij Antony
+en een paar anderen vindt, gebogen over het lijk van den Spaanschen
+officier, met wien Guy het tweegevecht heeft gehad, dat zoo plotseling
+werd afgebroken.
+
+"Zij hebben hem gedood, nadat gij waart weggegaan," zegt Oliver. "Ik
+heb hen terwille van u van zijn lijk afgehouden. Hij was een dapper
+soldaat."
+
+"Terwille van mij?" roept Guy uit. "Denkt gij soms, dat ik zal treuren
+over een gevallen held? Als ik geen kleinen tegenspoed had gehad,
+zou ik hem vermoedelijk zelf het licht hebben uitgeblazen, ofschoon
+hij meesterlijk met het zwaard wist om te gaan."
+
+"Dat zou verschrikkelijk zijn geweest," zegt de schilder.
+
+"Waarom?"
+
+"Gij zoudt _zelfmoord_ gepleegd hebben."
+
+"_Zelfmoord_! Wat bedoelt gij daarmee?"
+
+"Ik bedoel, dat de oogen van haar, die gij liefhebt, weldra zullen
+weenen, als de dood van dezen man haar wordt bericht."
+
+"Kerel, wat bedoelt gij toch?"
+
+"Ik bedoel, dat dit kolonel Guido Amati is, de man, voor wien Hermoine
+de Alva u houdt."
+
+"Goede hemel!" zegt Chester, zich over den dooden man heenbuigend.
+
+"Ik heb zijn kleederen onderzocht en hem zijn kostbaarheden afgenomen;
+niet voor mijzelven, maar om ze op de een of andere manier aan zijn
+familie ter hand te stellen," voegt de schilder er bij; "deze brief
+echter komt u toe."
+
+Als hij het document bekijkt bij het licht van de zon, die in het
+Westen neerdaalt, ontstelt Chester hevig. Het is het handschrift,
+dat hij kent en waarmee hij dweept, en dat hij zoo weinig onder de
+oogen krijgt, ofschoon hij het niet vergeet, en hij leest:
+
+"God zegene u, mijn dappere; gij zijt nu kolonel. Die bevordering is
+spoedig gekomen, niet waar? Dat hebt gij aan mij te danken. Een goede
+raad aan u, mijn held. Neem den 'Eerste der Engelschen' gevangen
+of dood hem en gij kunt er zeker van zijn, dat gij generaal wordt,
+en dat brengt u aan de kerkdeur, waar Hermoine u wacht."
+
+"Groote God! Dat is afschuwelijk," mompelt Guy. "Gezonden door de
+vrouw, die ik bemin, om mij te dooden! En nu zal zij hem beweenen."
+
+"Ja, en hoe meer zij hem beweent, hoe teederder zij u bemint. Gij zijt
+nog niet dood. O, wonderbare gedaanteverwisseling! Stel u de oogen van
+Hermoine voor, als zij ziet, dat gij leeft. O God! kon ik slechts mijn
+beminde in de oogen zien, die zich dáár bevindt," en Oliver wijst in
+de richting van Haarlem. "Guido, help mij, om haar te redden."
+
+Een oogenblik later roept Antony verschrikt uit: "Mon Dieu, wat scheelt
+u?" want de Engelschman leunt zwaar tegen hem aan en brengt met moeite
+uit: "Een--een kogel moet door mijn kuras heen zijn gedrongen!"
+
+Als de schilder het staal heeft afgerukt, ziet hij, dat dit werkelijk
+het geval is, ofschoon de woonde niet diep blijkt te zijn.
+
+Aanhoudend bloedverlies gedurende al dien tijd, dat hij zich zoo
+druk heeft geweerd, maakt hem nu zwak en mat, en Chester wordt op
+zijn schip gedragen.
+
+De Hollandsche bevelhebbers zijn volstrekt niet op hun gemak; als deze
+koude aanhoudt, zal het ijs hun schepen opnieuw insluiten en zullen
+zij aangevallen worden door het gansche garnizoen van Amsterdam, dat
+hun nooit zal vergeven, vierhonderd van de beste Spaansche soldaten
+verslagen te hebben.
+
+"Er moet een wonder gebeuren, om ons nu te redden!" merkt 't Hoen
+op. "Het tij moet wassen--de wind moet opzetten--het ijs moet smelten,
+alles tegelijkertijd. Het is zeker wel eens gebeurd, doch niemand
+heeft het ooit gezien, en ik veronderstel dus, dat Jan Veeder, onze
+dominee, het een wonder zou noemen,--Jan Veeder, die de volgende week
+een lijkpredikatie voor mij zal houden!"
+
+Doch dienzelfden nacht geeft de Voorzienigheid, die de koude
+heeft gezonden, hun een kans om te ontsnappen, de laatste in dien
+winter,--want het wonder gebeurt. Een hevige wind en de vloed en de
+dooi komen tegelijk, en de vloed is hoog genoeg, dat zij de Pampus
+kunnen passeeren. De wind stuwt de zee hoog op, jaagt het broze ijs
+uiteen, blaast de zeilen op, en de vier schepen zetten, met alle
+zeilen bij, koers naar het Noorden en komen den volgenden morgen
+behouden in de haven van Enkhuizen aan.
+
+Doch Chester bemerkt van dat alles niets. Hij ligt buiten kennis,
+daar hij wondkoorts heeft gekregen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+DE BERSERKER EED.
+
+
+Na eenigen tijd herstelt Chester van de wonde, hem door een Spaanschen
+kogel toegebracht, ofschoon het niet heel spoedig gaat, daar de
+heelkunde in die dagen ruw en onwetenschappelijk was en zelfs dikwijls
+den dood veroorzaakte. Als hij weer op krachten komt, verneemt hij,
+dat de _Dover Lass_ is ingevroren in de haven van Enkhuizen.
+
+Guy vindt echter, dat zij een grove fout hebben begaan, met naar
+het Noorden te zeilen. Als zij in Delft gebleven waren, zouden zij
+waarschijnlijk nu het meisje over het bevroren meer uit Haarlem hebben
+kunnen redden.
+
+Nu ligt tusschen hen en de bedreigde stad de dijk langs het IJ, bewaakt
+door Alva's troepen, beschermd door Alva's forten, die Noord-Holland
+zoodanig afsluiten, dat het onmogelijk is, den belegerden hulp te
+verleenen.
+
+Hij zal zijn schip verscheidene maanden niet kunnen gebruiken
+vanwege het ijs, en overgehaald door Oliver, die zijn tijd heeft
+verdeeld tusschen het verplegen van zijn gewonden kameraad en het
+doen van wanhopige pogingen, om de waakzaamheid van Alva's troepen te
+verschalken en Haarlem te bereiken, begeeft Chester zich eindelijk
+op weg door Waterland naar Egmond. Hier tracht Diederik Sonoy,
+die in Noord-Holland voor den prins van Oranje het bevel voert,
+krijgslieden bijeen te brengen, om den Diemerdijk op het een of
+andere zwakke punt aan te tasten en dat te versterken, teneinde voor
+Amsterdam en de Spanjaarden elken toevoer af te snijden, zooals zij
+dit voor Haarlem hebben gedaan.
+
+"Pardieu!" merkt Oliver op, als zij hun weg vervolgen over half
+bevroren meren en door dorpen, haast bedolven onder de sneeuw, "als
+ik mijn altaarstuk bij mij had gehad, zou ik het hebben kunnen afmaken
+tusschen twee schermutselingen in. Ik heb niets voor mijn kunst gedaan,
+niets--en zelfs niets voor mijn liefde." Hij wringt wanhopig de handen.
+
+"En wat heb ik voor de mijne gedaan?" zucht Guy.
+
+"Diable!" zegt de schilder, die vermoedt, wat er omgaat in zijn
+vriends binnenste, "Alva's schat zal onaangeroerd blijven, totdat de
+Hertog de Nederlanden verlaat. Zelfs een oproer van zijn niet betaalde
+troepen zal hem niet kunnen noodzaken, dien af te geven. Hij is goed
+opgezouten voor den winter."
+
+"Zijt gij er zeker van, dat de Hertog er niets van vermoedt, dat gij
+de sleutels hebt laten maken?" vorscht Guy, die niet geheel en al
+gerust is.
+
+"Dat kan hij onmogelijk--want ik heb ze niet laten maken--ik vreesde
+reeds, eer ik Mechelen had bereikt, dat men mij verdacht--daarom gaf
+ik er geen last toe en vernietigde ik de teekeningen, eer ik Brussel
+verliet," antwoordt Oliver. Een oogenblik later vervolgt hij met
+een glimlach: "En wat Alva's dochter betreft, zij treurt zeker over
+kolonel Guido Amati de Medina."
+
+Het denkbeeld, dat zij treurt om zijn dood, maakt Guy wanhopig en
+hij zou er alles voor over hebben gehad, om haar even in de schoone
+oogen te kunnen kijken. Maar dat is zoo goed als onmogelijk, zoolang
+zijn schip in het ijs ligt vastgevroren.
+
+Om den tijd te dooden, slaat hij Spanjaarden dood en hij voegt zich
+bij den troep, dien Sonoy bij het eerste teeken van de lente bij
+elkaar brengt voor den aanval op den Diemer dijk.
+
+Deze, bestaande uit achthonderd man, wordt ingescheept op een aantal
+galeien en platboomde vaartuigen, die zich in beweging stellen zoodra
+de winter voorbij is en de binnenwateren bevaarbaar worden.
+
+Het punt van aanval is zorgvuldig uitgekozen, en wel daar waar de
+dijk op zijn smalst is en het meest geschikt ter verdediging tegen
+van Amsterdam komende troepen. Aan de eene zijde wordt de smalle
+weg begrensd door het IJ, aan de andere door het Diemer meer, zoodat
+Amsterdam van Muiden--en daarmee de weg voor proviand en versterkingen
+van uit Utrecht--wordt afgesneden.
+
+De aanval is plotseling en onverwacht. De Spaansche patrouilles, die
+overrompeld worden, worden gemakkelijk teruggedreven en Sonoy versterkt
+zich op den smallen weg, waarna hij, denkende, dat de zaak hiermee in
+orde is, recht in zijn schik naar Edam gaat, om versterkingen te halen.
+
+Wat Oliver betreft, hij is een en al vreugde. Hij kan den toren
+van de Groote Kerk te Haarlem zien, nog geen twintig mijlen van hen
+verwijderd, en hij meent dus, dat het oogenblik niet meer verre is,
+waarop hij zijn beminde weer in zijn armen zal sluiten.
+
+Doch de Spaansche gouverneur van Amsterdam kan natuurlijk niet
+gedoogen, dat hem alle toevoer wordt afgesneden. Hij zendt onmiddellijk
+een groote macht voetvolk met een paar kanonnen naar den dijk en
+de seigneur De Billy, een beproefd veteraan van vele veldslagen,
+bevelhebber te Muiden, zendt vierhonderd man Walen om de Geuzen van
+de andere zijde aan te tasten.
+
+In vereeniging met een menigte gewapende Spaansche galeien, doen
+zij ongelukkig den aanval gedurende de afwezigheid van Sonoy. Diens
+troepen, hoe dapper ook, zijn nu zonder oppersten aanvoerder. Zij
+zijn voornamelijk samengesteld uit de bemanning van de Geuzenschepen,
+waarvan iedere bevelhebber over de anderen wil commandeeren. Steeds
+twistend onder elkander, wachten zij den aanval af, zonder discipline
+en wederzijdschen steun.
+
+Het gevolg is, dat zij niet gereed zijn, als het geschut tegen hen
+begint te spelen en de eerste welgerichte schoten reeds de haastig
+opgeworpen verdedigingswerken van de Hollanders vernielen. Reeds
+hebben eenige der Geuzen den dijk verlaten en de wijk genomen naar
+hun vaartuigen, om deze tegen de Spaansche galeien te verdedigen,
+en ook om gereed te zijn tot vluchten.
+
+"Wij moeten een aanval doen op de kanonnen," roept Chester uit. En hij
+en Oliver, gevolgd door vijftig anderen, beproeven dit. Zij trachten
+door de Spaansche speerdragers heen te komen, en banen zich een weg
+met speer en piek naar een kanon, en had men hen krachtig bijgestaan,
+dan zou het hun misschien zijn gelukt, ofschoon elke stap voorwaarts
+een der hunnen het leven kost. Doch men laat hen in den steek en zij
+worden eindelijk teruggedreven, bij ieder voetbreed grond een man
+verliezend, terwijl de Spanjaarden de gewonden onbarmhartig afmaken.
+
+Met moeite slaat Guy er zich doorheen en hij moet zijn vriend, den
+schilder, die doodelijk gewond is, nog meesleepen. Maar als hij binnen
+de versterking terugkeert, vindt hij deze verlaten; alle manschappen,
+die ze moesten verdedigen, zijn naar de booten gevlucht--behalve
+één, Jan Haring van Hoorn. Deze held heeft post gevat op het smalste
+gedeelte van den dijk en verdedigt zich met zwaard en schild tegen
+een duizendtal veteranen van Alva's leger. Gelukkig voor hem, kunnen
+zij hem slechts één voor één bevechten, daar de dijk zeer smal is,
+het diepe Diemer meer aan de eene zijde ligt, en het snelstroomend
+water van het IJ aan de andere.
+
+Haring's verdediging geeft Guy tijd, om een oogenblik adem te scheppen.
+
+Zich over zijn vriend heenbuigend, mompelt hij tusschen zijn vast
+opeengeklemde tanden: "Vrees niet! Die Spaansche honden zullen u
+niet levend in handen krijgen." Dan veegt hij het doodszweet van zijn
+vriends voorhoofd en ziet smartelijk in het hem zoo dierbaar gelaat,
+dat reeds met een doodskleur overtogen is.
+
+Met moeite brengt de stervende uit: "Red uzelf!"
+
+"En u eveneens!"
+
+"Red uzelf!" Uit Oliver's oogen spreekt een angst, die geen doodsangst
+is. "Red uzelf, om mijn Mina te redden. Zweer mij, Guido, mijn vriend,
+dat gij haar zult redden!"
+
+"Dat heb ik reeds gedaan," fluistert Guy haastig. "Wenscht gij nog
+iets anders?"
+
+"Enkel dit--doch gij zijt--geen--kunstenaar. Ik zou zoo gaarne--mijn
+altaarstuk--hebben afgemaakt. Ik--zie--nu--_werkelijke_ engelen--"
+
+De laatste woorden klinken als een zucht, en Antony wendt zijn oogen
+naar den blauwen hemel, en de ziel van den patriot gaat daarheen,
+waar de _werkelijke_ engelen en de _ware_ Madonna zich bevinden.
+
+Daarna kijkt Chester in het rond, om tot de ontdekking te komen, dat
+hij er weinig beter aan toe is dan zijn doode vriend. De Spanjaarden
+bestoken hem van voren en van achteren. De Hollandsche schepen zijn
+alle een halve mijl ver weggedreven; aan de IJ-zijde snijden Spaansche
+schepen den terugtocht af.
+
+Guy werpt een snellen blik om zich heen, om een uitweg te zoeken en
+vindt dien in het Diemer meer. Ongeveer vijftig el van land ligt een
+kleine sloep, behoord hebbende aan de Spaansche wacht, die op deze
+plaats werd verrast, en waarvan de touwen gedurende het gevecht zijn
+losgesneden; het is de eenige sloep op het Diemer meer.
+
+Ras besloten, snelt hij op Haring toe, uitroepende: "Dat is onze
+eenige kans!"
+
+Samen hakken zij nog eens op de Spanjaarden in, om tijd te winnen,
+en springen daarna in het meer. Als zij verdwijnen, stijgt er een
+kreet van woede op uit de Spaansche huurlingen, die hun een kogelregen
+nazenden. Doch zij bereiken, elkander hulp verleenend, gelukkig de
+sloep, klimmen er in, nemen de riemen en zijn weldra buiten schot.
+
+En als hij toevallig naar den dijk kijkt, huivert Guy en wendt zijn
+hoofd af.
+
+"Zij snijden hem het hoofd af," fluistert Haring. "Het is Alva twee
+duizend Carolusguldens waard."
+
+Guy weet, wiens hoofd de Hollander bedoelt, en zijn hart wordt nog
+meer vervuld met haat en verbittering tegen de Spanjaarden. Hij wordt
+er opnieuw door versterkt in zijn besluit, om zijn gelofte aan zijn
+dooden kameraad te houden, al zou het hem ook het leven kosten.
+
+"Het was een Berserker eed," mompelt hij, "doch ik zal hem houden." En
+hij kijkt naar zijn vijanden, die zijn vriend hebben omgebracht,
+met iets van dien nobelen waanzin, die in de aderen der Berserkers
+gloeide, namelijk de woede om zijn vijanden te verslaan, zonder zich
+te bekommeren om zijn eigen leven, dat welbehagen in het dooden,
+onverschillig of men er zelf bij te gronde gaat, zoolang men nog niet
+verzadigd is van doodslag en wraak.
+
+Maar de stem van den Hollandschen zeeman doet hem van de romantiek
+tot de werkelijkheid terugkeeren. Deze zegt: "Sir Chester, het ziet
+er slecht met ons uit. Wij zijn aan de verkeerde zijde van den Diemer
+dijk--en hebben geen wapens. Wij kunnen den dijk niet weer oversteken,
+om te trachten onze vrienden te bereiken, want hij is nu over zijn
+geheele lengte ingenomen door die helsche Spaansche troepen. Wij hebben
+vandaag echter eenige hunner overhoop gestoken en wij zullen er nog
+meer naar de andere wereld zenden, eer zij het ons doen, ofschoon
+wij geen andere wapenen hebben dan onze tanden en nagels,"--want
+de beide mannen zijn genoodzaakt geweest, hun wapens weg te werpen,
+om naar de sloep te zwemmen.
+
+"Wij zijn niet aan den verkeerden kant van den Diemer dijk," antwoordt
+Guy op beslisten toon. "Tenminste, ik niet."
+
+"Hoezoo?" vraagt Haring, zijn oogen wijd opensperrend.
+
+"Omdat ik naar Haarlem ga, en gij de man zijt, om mij er heen te
+brengen. Gij kent immers het land?"
+
+"Iederen drop water en iederen korrel zand, die er in is, en daarvoor
+vecht ik."
+
+"Dan kent gij misschien een weg, om van hier in het Haarlemmer meer
+te komen?"
+
+"Zonder wapens?" vraagt de Hollander. "Dat zal moeilijk gaan;
+wij kunnen niet vechten en--het stuit mij tegen de borst, voor de
+Spanjaarden te gaan loopen!"
+
+"Wij moeten eerst vluchten om later te kunnen vechten," mompelt Guy,
+"en spoedig ook." Want de Spanjaarden zijn bezig, een boot over
+den dijk te dragen, om hen te vervolgen. Gelukkig zijn er twee paar
+riemen in de sloep, die licht is, en Haring en Chester roeien al wat
+zij kunnen over het Zuidwestelijk gedeelte van den nauwelijks twee
+mijlen langen Diemer plas.
+
+Zij zijn nu voor het oogenblik in veiligheid, want als de Spanjaarden
+bemerken, dat zij zoo snel als zij kunnen wegroeien, zien zij er van
+af, om een boot over den dijk te sleepen. De beide mannen overleggen
+nu haastig, wat hun verder te doen staat.
+
+"Het is onmogelijk, langs dien weg te ontkomen," verklaart Haring, naar
+het Oosten wijzend, waar de weg naar Utrecht het meer begrenst. "Die
+is te goed bewaakt. Mogelijk dat wij aan de Westzijde aan land kunnen
+komen, waar het meer en de Amstel samenvloeien. Het is slechts een
+mijl bezuiden Amsterdam; er kruisen wachtbooten."
+
+Dat is de richting, die Guy wenscht te nemen, en hij stemt gretig
+met het voorstel in, vragend: "Is er in de plassen en meren, waarmee
+dit land overdekt is, niet een weg, waarlangs wij naar het Haarlemmer
+meer kunnen roeien?"
+
+"Ja, er is een weg," antwoordt Haring. "Doch de eerste zes mijlen
+zullen wij moeten afleggen onder aanhoudend gevaar voor ons leven. De
+laatste twaalf mijlen gaan over het terrein, dat men elkander betwist,
+waar wij dus zoowel vijanden kunnen ontmoeten, met wie wij zullen
+moeten vechten, als vrienden, die ons kunnen helpen. Hadden wij
+maar wapens," zucht de Hollander, "dan hadden wij kans, al vechtende
+Haarlem te bereiken, en Alva's schepen te ontloopen."
+
+"Wapens!" merkt Guy op, "gij hebt uw zeemans mes en ik mijn ponjaard."
+
+"Voor den duivel! Dat zaakje zullen wij dan opknappen met ponjaard
+en mes," zegt Haring, grimmig lachend. "Ik heb er altijd schik in,
+een Spanjaard te pakken te krijgen."
+
+Zij onderzoeken de sloep nu nauwkeurig en vinden een mast en een
+zeil, die vóóruit zijn opgeborgen, wat hun goed te stade komt, want
+er waait een lichte bries, die hun gunstig is. Zij plaatsen den mast
+en hijschen het zeil.
+
+Eensklaps slaakt Haring, die bezig was de kastjes te onderzoeken,
+een vreugdekreet.
+
+"Wat is er?" vraagt Guy.
+
+"Mondvoorraad! Deze schurken van Spanjaarden meenen het goed met
+ons. Hier is een flesch Spaansche wijn, waarvan ik evenveel houd,
+als ik den man haat, van wien hij afkomstig is, en overvloed van
+roggebrood en gezouten haring, met olie om ze te bakken. Het zal
+heerlijk naar binnen glijden. Dat is een buitenkansje."
+
+"Ja, en hier is nog iets beters," roept Guy uit.
+
+"Wat kan nog beter zijn dan eten?" vraagt de Hollander.
+
+"_Wapens_!"
+
+In het kastje aan de andere zijde van de sloep heeft Chester vier
+Spaansche haakbussen gevonden met ammunitie, een zwaard en een
+strijdbijl. Zij wenschen elkander wederkeerig geluk met hun vondst,
+want zij zijn nu goed toegerust voor hun avontuur.
+
+Een kwartier later naderen zij de plaats, waar het Diemer meer
+samenvloeit met het aardige riviertje de Amstel, dat van het Zuiden
+komt. Er staat een wachthuis bij het punt van samenvloeiïng, met de
+Spaansche vlag wapperende op het dak. Een paar Spaansche voetknechten
+staan er voor op post; maar het is een zoele dag, die hen slaperig
+maakt, de boot onder zeil glijdt onhoorbaar langs hen heen, en eer
+Alva's veteranen recht wakker zijn geworden, is de kleine sloep hen
+reeds een vijftig voeten voorbij.
+
+"Nu," fluistert Guy, "ter gedachtenis aan Oliver!"
+
+Dit zeggende, schieten zij beiden, en de veteranen vallen neer met
+de kogels tusschen hun ribben, terwijl de sloep den Amstel opzeilt.
+
+Doch de twee gewonde Spanjaarden, die voor het wachthuis liggen te
+kermen, hebben vijf kameraden. Dezen springen snel in een boot en
+onder wilde kreten van woede en wraak hebben zij weldra de vervolging
+van de moordenaars hunner makkers begonnen.
+
+"Dat hebben wij hem eens netjes gelapt," merkt de Hollander op. "Ik had
+gedacht, dat wij hier drie of vier patrouille-booten zouden vinden,
+doch alles schijnt samengetrokken te zijn bij den Diemer dijk. En
+nu vooruit, daar komen zij!" De beide mannen grijpen de riemen,
+maar het is een hard werk, tegen den stroom in te roeien, en vier
+man hanteeren de riemen in de Spaansche boot, die op hen wint.
+
+"Haal op, Haring, terwijl ik de haakbussen laad. Ik kan dit vlugger
+dan gij," zegt Chester. En een oogenblik later voegt hij er aan toe:
+"Laat ze nu maar komen, wij hebben vier geladen geweren, twee voor
+ieder van ons."
+
+Haring laat nu ook de riemen rusten en beiden wachten de vijanden af,
+die snel naderen, denkende, dat zij gemakkelijk spel zullen hebben,
+daar zij met hun vijven zijn, van wie er nu twee roeien, terwijl de
+andere drie de geweren laden.
+
+Maar dat staat den Hollander en den Engelschman volstrekt niet aan.
+
+Als een van hen gewond wordt, is de andere ook reddeloos verloren. Zij
+grijpen opnieuw de riemen en draaien snel om een uitstekende punt,
+beplant met wilgen, die juist hun bladeren beginnen te ontplooien en
+hun eenigermate een schuilplaats bieden.
+
+Zoo vlug als zij kunnen, landen zij, ieder met twee geweren, en
+kruipen dwars over de smalle landtong, om de Spanjaarden aan te vallen,
+als zij de punt willen omroeien. Uit hun hinderlaag vuren zij op hun
+vervolgers, dooden er één en wonden twee anderen doodelijk.
+
+Op zulk een moorddadige wijze begroet, wenden de Spanjaarden, met
+een kreet van verrassing en schrik, hun boot en laten zich de rivier
+afdrijven.
+
+"Niet één hunner moet kunnen terugkeeren, om ons paardenvolk achterna
+te zenden!" fluistert Haring.
+
+"Vooruit dan, dan zullen wij ook met de twee anderen afrekenen,"
+antwoordt Guy. En hun geweren opnieuw ladend, snellen zij weer naar
+hun sloep en halen met de uiterste inspanning de Spanjaarden in,
+die roeien wat zij kunnen, maar niet zijn opgewassen tegen zulke
+waterrotten als de Geuzen.
+
+Een paar schoten, daarna een van Alva's veteranen het hoofd tot aan
+zijn kin gekloofd met de strijdbijl en de Spaansche patrouille-boot
+drijft de rivier af, slechts gevuld met lijken.
+
+"Dat was een gelukje," zegt de Hollander. "Nu kan niemand van hen
+alarm maken. Totdat wij aan het wachthuis te Ouderkerk komen, zullen
+wij wel geen Spanjaarden meer ontmoeten. Maar daar ligt soms een
+heele compagnie. We moeten trachten, de bezetting in de duisternis
+te verschalken."
+
+Zij roeien het riviertje nu verder op, dat kalm en langzaam verder
+stroomt, en om zes uur 's avonds verschuilen zij zich tusschen de
+wilgen, er zooveel mogelijk voor zorgende, dat niemand er hen kan
+vinden. De boeren, die zij tegenkwamen, zijn voor hen gevlucht. Zij
+durven geen vuur aan te maken, maar eten hun gezouten haring en brood
+met olie en wachten de naderende duisternis af.
+
+Weldra daalt deze neder; het wordt een stikdonkere nacht, zonder
+maan. Haring en Guy roeien behoedzaam den stroom op en zien binnen
+een half uur de lichten van Ouderkerk. Zij houden zich nu aan den
+anderen kant van de rivier, terwijl de Hollander als loods dienst
+doet, daar hij blijkbaar iedere ondiepte in de rivier kent, en zij
+zouden de plaats, een klein dorpje, ongemerkt voorbij zijn gekomen,
+als een paar honden niet waren beginnen te blaffen, wat ten gevolge
+heeft, dat de Spaansche schildwacht op den oever hen aanroept.
+
+Zonder te antwoorden, roeien de beide mannen uit al hun macht, doch
+zoo zacht mogelijk, voort, en weldra houden de honden op met blaffen
+en hervat ook de schildwacht zijn geregelden gang, zeker denkend,
+dat er, daar hij niets heeft gezien, ook niets is voorbijgegaan. Zij
+meenen dan ook, als zij de plaats voorbij zijn, uit het gehuil van
+de honden op te merken, dat de Spanjaard hen schopt, omdat zij een
+valsch alarm hebben gemaakt.
+
+Bijna den geheelen nacht roeien zij door en bemerken tot hun vreugde,
+als de dag aanbreekt, dat zij in het Legmeer zijn, een lange, smalle
+strook water, die zich bijna tot aan het Haarlemmer meer uitstrekt. In
+den vroegen morgen worden zij echter achtervolgd en ingehaald, en dat
+zou waarschijnlijk hun dood zijn geweest, als hun vermeende vijanden
+niet waren gebleken, vrienden te zijn.
+
+Het is een kleine patrouille-boot, die dit onveilige water bevaart
+in dienst van den prins van Oranje.
+
+Van den bevelhebber vernemen zij, dat De Bossu pas nog meer galeien op
+het Haarlemmer meer heeft gebracht, en dat zij een harden dobber zullen
+hebben, om door de Spanjaarden heen te komen, daar de Hollandsche vloot
+zich aan de Kaag bevindt, aan het Zuidelijk gedeelte van het meer,
+om gekalfaterd te worden. "Ik zou u afraden, te gaan," zoo besluit
+de Hollandsche bevelhebber.
+
+Guy echter begrijpt, dat het gevaar elken dag grooter zal worden,
+dat Alva steeds meer schepen naar het Haarlemmer meer zal zenden,
+en hij dringt er dus op aan, om verder te gaan, en Haring is niet de
+man om hem in den steek te laten.
+
+"Nu, als gij er dan op staat," antwoordt de Hollandsche bevelhebber,
+"zullen wij u helpen."
+
+Zijn matrozen helpen Guy en Haring nu om hun sloep van het Legmeer
+door de polders te brengen, over een sloot, die langs een dijk loopt
+en in het Haarlemmer meer uitkomt.
+
+"Nu," zegt Chester, "hoeveel levensmiddelen kunt gij missen? Het zou
+tegen alle menschelijkheid in zijn, als wij in die uitgehongerde stad
+kwamen en geen enkelen zak meel voor hun hongerige monden meebrachten."
+
+"Gij hebt gelijk," antwoordt de bevelhebber der boot. "Wij zullen
+u driehonderd pond meel meegeven, meer kan uw boot niet dragen. Gij
+zet uw leven op het spel," vervolgt hij. "Ga liever vannacht. Op het
+Zuidelijk gedeelte zijt gij veiliger. Zoodra gij in de nabijheid van
+Haarlem komt, pas dan op! De Spanjaarden hebben altijd twee of drie
+galeien bij de Fuik."
+
+Den raad hunner vrienden opvolgend, gaan Haring en Chester weer onder
+zeil, nadat zij een flesch brandewijn hebben gekregen, die hen geheel
+verkwikt, en spoeden zich over het Haarlemmer meer naar twee kleine
+eilanden aan de Westzijde, ongeveer vier mijlen ten Zuiden van de stad.
+
+Daar blijven zij liggen, totdat het weer nacht is en bereiken in
+de duisternis, ofschoon zij slechts ternauwernood ontkomen aan een
+patrouille-boot, de Fuik en landen aan een der kleine forten, daar
+gebouwd om de gemeenschap open te houden tusschen het meer en de
+belegerde stad.
+
+Hier worden zij verwelkomd door een menigte uitgehongerde, uitgeteerde,
+doch vastbesloten burgers, die, dank zij den ontberingen van het beleg,
+meer gehard zijn dan veteranen. Want steeds leert de geschiedenis,
+dat als de burger opstaat om huis, vrouw en kinderen te verdedigen,
+geen krijgsman zoo goed honger, dorst, wonden en folteringen kan
+verdragen, als hij, die vecht met het oog op zijn dak gericht en die
+iederen nacht terugkeert van de verschrikkingen van den oorlog, om
+zijn vrouw en kinderen te omhelzen, wier aanblik hem nog vastberadener
+weer doet vertrekken, terwijl hun kussen en tranen hem nog heldhaftiger
+doen strijden.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII.
+
+GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573.
+
+
+Guy en Haring worden met zooveel vreugde begroet, als alleen
+belegerden, tot wanhoop gedreven en van alles afgesneden, bij het
+zien van vrienden uit de buitenwereld, aan den dag kunnen leggen.
+
+"Brengt gij tijding van naderende hulp?" roept een Hollandsche burger
+van de wacht hun toe.
+
+"Is de vloot van den Prins bijna gereed?" fluistert een ander met
+angstige lippen. "Wij hebben door een postduif bericht gekregen,
+dat hij troepen uitrust te land."
+
+"Vertel mij van mijn vrouw in Delft, Margriet Enkhuysen--gij hebt
+haar toch gezien, nietwaar?" vraagt een ander.
+
+Zij deelen de reden hunner komst mee en leveren hun drie zakken af,
+waarna zij de stad in worden geleid door de Schalkwijker poort. Men
+heeft niet noodig Guy te vertellen, dat hij in een stad is, die reeds
+weken lang belegerd wordt en waar de nood op het hoogste is gestegen.
+
+De straten zijn in duisternis gehuld, er branden geen lichten, behalve
+in de Groote Kerk, nu gebruikt voor hospitaal, en in het Stadhuis,
+waar Ripperda, de commandant, krijgsraad houdt met zijne officieren.
+
+Het is onnatuurlijk stil in de stad. Men hoort geen blaffende honden,
+men ziet geen katten, zij zijn alle opgegeten. Het eenige geluid in
+de straten is de geregelde stap van patrouilles, die elkaar aflossen,
+of van compagnieën, die naar de wallen trekken. De stemmen van de
+schildwachten klinken hol en zwak van den honger.
+
+Guy verlaat Haring bij _De Zwaan_, waar nu geen gelukkige burgers
+zitten en waarbinnen alles donker is, om zich te begeven naar het
+groote ravelijn tusschen de St.-Jans- en de Kruispoort teneinde Pieter
+Kies te zoeken, die, zooals hem gezegd is, daar de wacht heeft.
+
+"Waarom hebt gij de dochter van Niklaas Bodé Volckers niet uit de
+stad gezonden, voordat zij belegerd werd?" vraagt Guy verontwaardigd.
+
+"Omdat wij haar noodig hadden."
+
+"_Haar_ noodig hadden? Hoe zoo? Zij is een vrouw, een non-combattante."
+
+"Vrouwen zijn hier geen non-combattanten. Hadden wij de vrouwen niet,
+dan zouden wij mannen de stad niet kunnen houden."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat Mina vecht?"
+
+"Neen, zij vult zandzakken en naait die dicht, maar er zijn anders
+vrouwen genoeg, die vechten. Vechten, evengoed als mannen. Vrouwen
+zijn hier mannen! Neen, zij zijn meer dan dat, zij zijn engelen van
+barmhartigheid en--engelen van den dood, die met dezelfde handen
+den eenen dag de gewonden verplegen en den anderen de Spanjaarden
+dooden. Daar hebt gij bijvoorbeeld de weduwe Kenau Hasselaer,--de
+Spanjaarden vluchten voor haar veel eerder, dan voor menigen man van
+het garnizoen."
+
+"Alles goed en wel," zegt Guy, "maar ik heb mijn vriend, den beminde
+van het meisje, beloofd, haar veilig buiten Haarlem te brengen."
+
+"Hoe zoudt gij dat kunnen?" vraagt de burger grimmig.
+
+"Dat is mijn zaak, als zij het er op wagen wil."
+
+"Zie dan, dat gij den commandant Ripperda te spreken krijgt. Als hij
+zijn toestemming geeft, is het mij ook goed. Weigert hij, dan weiger
+ik ook. Zij is hier veiliger. Meent gij, dat wij van plan zijn,
+ons over te geven? Niet zoolang wij nog iets te eten hebben."
+
+Hiermee gaat Guy heen. Doch Ripperda, de commandant, heeft het druk
+en is niet te spreken; Chester begeeft zich dus naar _De Zwaan_, naar
+Haring; de herberg is zindelijker dan ooit; eigenlijk te zindelijk,
+want er is niets, wat haar vuil kan maken--er is niets te eten,
+behalve een soep, gekookt van het gras uit de straten. Daarom spreekt
+het tweetal dan ook maar zijn eigen voorraad aan, dien zij uit voorzorg
+hebben meegebracht.
+
+Doch de reuk van de gezouten haring is zoo sterk, dat de kinderen
+zich aan de deur verdringen, en de weduwe Hasselaer, die juist van de
+wallen komt en zich van haar borstkuras ontdoet, woedend uitroept:
+"Laffe kerels, wat doet gij? Zulke lekkere beetjes zijn voor de
+gewonden!" En zij grijpt den Spaanschen wijn, den brandewijn, het brood
+en de haring en alles wat zij hebben en loopt er, zoo vlug als zij kan,
+mee naar de kerk, nu een hospitaal, ofschoon zij zelve watertandt bij
+het zien van zulke ongekende lekkernijen,--gevolgd door de kinderen,
+die snikken en smeeken om een stukje haring--een heel klein hapje,--of
+om er tenminste even aan te mogen ruiken.
+
+Doch Kenau Hasselaer is onverbiddelijk en de gewonden krijgen de
+haring.
+
+Guy en Haring kijken elkaar verbluft aan. "Wij zullen ons morgen
+vroeg," zegt de Engelschman, "moeten melden om op rantsoen gesteld te
+worden. Het is, geloof ik, een half pond beschimmeld brood, gemaakt
+van zemels."
+
+"Voor den duivel!" bromt de Hollander. "Wij moeten hier zien uit te
+komen, zoolang wij nog krachten hebben. Als dat satansche wijf ons
+tenminste den brandewijn nog maar gelaten had!"
+
+Zij besluiten maar naar bed te gaan en vallen weldra in een diepen
+slaap, daar zij geheel en al op zijn door de inspanning van den
+vorigen nacht.
+
+Zij worden echter al spoedig gewekt door het gekletter van wapenen,
+het luiden van de klokken van de Groote Kerk en de kleinere klokken,
+vermengd met het gedonder van het geschut.
+
+Bovendien worden zij heen en weer geschud door de onzachte hand van
+vrouw Hasselaer.
+
+"Wordt wakker, luilakken," roept zij uit, "en vecht voor uw
+leven! Op! Ik zal u den weg wijzen."
+
+Wel wetende, dat de Spanjaarden ook hen zullen ombrengen, als zij de
+stad innemen, grijpen Guy en zijn metgezel haastig naar de wapenen en
+spoeden zich met de weduwe door de donkere straten, welke nu vol mannen
+zijn, die uittrekken, om voor hun bedreigde haardsteden te vechten.
+
+Als zij zijn aangekomen op den wal ten Oosten van de Kruispoort,
+die in een blokhuis is herschapen, zien de beide mannen, die aan de
+oorlogstooneelen gewoon zijn, zich verplaatst te midden van een strijd,
+zooals zij nog nooit hebben bijgewoond. Want zij bevinden zich hier
+bij de vrouwen-afdeeling.
+
+"Hel en duivel! Er is hier geen enkele man. Wij met ons beiden zullen
+hier niet veel uitrichten," roept Haring uit.
+
+"Gij niet?" roept Kenau Hasselaer uit; "nu, wij wel. Vrouwen van
+Haarlem, toont dezen knapen, wat vechten is!"
+
+Zij doen het en maken Haring, die een held is, evenals Chester,
+den wakkeren Engelschman, bijna beschaamd door haar daden van
+dapperheid--Kenau Hasselaer en andere zestiende-eeuwsche Amazonen.
+
+"Duivels! Katten moeten voor haar onderdoen!" roept Haring uit, als
+hij ziet, hoe zij de Spaansche veteranen ontvangen, die aanrukken in
+de meening dat de stad reeds in hun macht is; want het is een aanval
+bij verrassing geweest en hij zou bijna geslaagd zijn.
+
+Om voorbereidingen te treffen voor den grooten uitval, in vereeniging
+met Oranje's aanval van het meer uit, die door middel van postduiven
+de stad is aangekondigd, zijn de wachten verzwakt op het ravelijn, het
+groote vestingwerk juist achter de gracht, dat loopt tusschen de Kruis-
+en de St-Janspoort, vlak tegenover het hoofdkwartier van Don Frederik.
+
+Dit ravelijn is platgeschoten en vernield onder het onafgebroken vuur
+van de zware Spaansche batterijen, in den nacht is de gracht haastig
+overbrugd door pontons, die er door Vargas zijn overgeworpen.
+
+De veteranen van Romero, De Billy en Vargas zijn er overgetrokken en
+hebben kalm postgevat aan den voet van het ravelijn.
+
+Nadat zij een oogenblik hebben uitgeblazen, heeft hun voorhoede de
+bressen beklommen, en eer de Hollandsche schildwachten, die uitgeput
+waren door nachtwaken, honger en vermoeienis, wisten wat er met hen
+gebeurde, hadden zij de meesten hunner gedood en bezit genomen van het
+verdedigingswerk, dat de Spanjaarden voor den sleutel der stad houden.
+
+Bovendien hebben zij het groote blokhuis bij de Kruispoort vermeesterd
+en heeft Romero de St-Janspoort bezet.
+
+"Slaat er op in! Houwt dood--Haarlem is ons!" is de kreet, die Don
+Frederik's gelukkige ooren bereiken, als hij beveelt versterkingen
+te zenden, om zijn succes te verzekeren.
+
+Doch op hetzelfde oogenblik, dat de Spanjaarden dwars over het
+ravelijn denken binnen te stormen, doen zij een ontdekking, die hun
+minder aangenaam verrast.
+
+Terwijl het geschut, week aan week, het ravelijn heeft gebeukt,
+hebben de belegerden, voornamelijk de vrouwen en de kinderen, er vlak
+achter een hulpravelijn opgericht, van zakken zand en aarde, die beter
+bestand tegen het geschutvuur en even moeilijk te beklimmen is als
+het ravelijn. Ze was onzichtbaar voor de Spanjaarden en zij hebben
+er dan ook niets van bemerkt, eer zij, na de eerste versterking te
+hebben beklommen, de tweede voor zich zien oprijzen.
+
+Terwijl Alva's krijgslieden een oogenblik verrast blijven staan, wordt
+het hulpravelijn bezet door de gealarmeerde bevolking van de naburige
+straten. Een oogenblik later worden de verdedigers versterkt door de
+Duitsche troepen van het garnizoen, en met den kreet: "De Spanjaarden
+komen!" begint het gevecht.
+
+De zwakste plaats in Haarlem's muur is die, vlak bij het blokhuis
+aan de Kruispoort, die nu bezet is door Vargas' veteranen. Deze
+verschansing wordt verdedigd door Kenau en haar medestrijdsters. Dit
+is een eerepost, en Ripperda, de bevelhebber der stad, weet, dat hij
+dit zwakke punt aan niemand beter kan toevertrouwen dan aan haar,
+die hij er heeft geplaatst, en hij heeft toch veteranen onder zijn
+bevel, die menige campagne hebben meegemaakt, en achthonderd dappere
+Schotten, die nu zijn teruggebracht tot anderhalf honderd, alsmede
+de Fransche compagnie onder Courie.
+
+Want deze vrouwen vechten niet alleen voor al hetgeen waarop
+een man prijs stelt, maar bovendien om zich te vrijwaren voor
+martelingen. Allen zonder uitzondering, meisje, vrouw of weduwe,
+rillen als zij denken aan de Spaansche barmhartigheid tegenover de
+hulpelooze vrouwen van een veroverde stad.
+
+Alva's veteranen schrijden thans weer vol vertrouwen voorwaarts. Zij
+hebben zich van den eersten wal meester gemaakt, waarom zouden zij
+nu ook den tweeden niet nemen?
+
+Zij beklimmen de helling met de kreten: "Philips!" en: "Don
+Frederico!" om op den top een hartelijk welkom van Sorosis te
+ontvangen.
+
+Achter den wal is een groot vuur aangemaakt, waarover een reusachtige
+ketel hangt vol kokende pekel. Eerst wordt de vijand met een salvo
+begroet, zoodat hij een oogenblik terugdeinst, iedere vrouw vuurt _à
+bout portant_ haar musket af op den naderenden vijand, die aarzelt
+onder die slachting.
+
+"Spoel die Spanjaarden weg!--vooruit met het water!" roept de weduwe
+uit, en terwijl zij den eersten emmer met het kokende vocht grijpt,
+werpt zij den inhoud in het gelaat van een Italiaanschen kapitein,
+wiens wapenrusting, hoe solide ook, hem toch niet kan bewaren voor
+vreeselijke brandwonden. Terwijl hij het uitbrult van pijn, maakt
+zij hem af met haar zwaard.
+
+En haar gezellinnen storten de kokende pekel met vlugge handen over
+de Spanjaarden uit, die brullen en schreeuwen en zich wringen van pijn.
+
+Maar anderen, van achteren opdringende, nemen hun plaats in; de
+vrouwen gaan dezen te lijf met slagzwaarden. Daar zij geen vrees voor
+den dood kennen, dragen zij geen schild, doch zwaaien haar groote
+wapenen met beide handen, en tegen de kracht van zulk een slag baat
+geen handigheid in het pareeren.
+
+"Piekeniers vooruit!" schreeuwt De Billy, doch een oogenblik later
+wordt hij gewond en van het tooneel van den strijd weggedragen en de
+piekeniers rukken niet snel genoeg aan, want Kenau Hasselaer veegt,
+aan het hoofd van haar vrouwen, het hulpravelijn schoon en drijft
+iederen Spanjaard, die nog leeft, in het blokhuis bij de Kruispoort.
+
+Daarna lacht zij schor: "Wij hebben het gevuld. Nu, vrouw Jannaps--uw
+taak!"
+
+En een vrouw, die geduldig heeft gewacht op den top van het
+hulpravelijn, springt naar beneden en roept, als zij een oogenblik
+later terugkomt, uit: "Ik heb de lont in het kruit gestoken!"
+
+Deze woorden worden bijna op hetzelfde oogenblik bevestigd en het
+groote blokhuis aan de Kruispoort, dat vooraf met ongeveer twintig
+vaten kruit in gereedheid was gebracht voor zijn Spaansche bezoekers,
+vliegt in de lucht, met honderd man Waalsch voetvolk van De Billy en
+een detachement van Vargas' veteranen.
+
+Daarna drijven zij de laatste nog niet gewonde Spanjaarden terug over
+de kleine brug, en ofschoon Romero met zijn compagnie de St.-Janspoort
+bezet houdt, aan den anderen kant van het hulpravelijn, kan niet
+één der schildwachten zijn hoofd ongestraft naar buiten steken, door
+de hevigheid van het vuur uit de nabijgelegen huizen en van twee of
+drie kleine kanonnen. Voor deze ontvangst trekt Romero, die een oog
+bij het gevecht heeft verloren, zich met zijn manschappen terug,
+dat wil zeggen, met degenen die er nog toe in staat zijn, want nu
+komt het verschrikkelijkste van alles.
+
+Het voorbeeld volgend van den vijand, die zich berucht heeft gemaakt
+door zijn wreedheden, dringen de Hollanders vooruit, en langzaam en
+in koelen bloede, zooals slagers te werk gaan, maken zij de Spaansche
+gewonden af, die tevergeefs om genade smeeken.
+
+Gedurende het gevecht zijn Guy en Haring steeds aan de zijde van Kenau
+Hasselaer gebleven. Zoo vaak de vrouwen een uitval hebben gedaan,
+hebben de twee mannen er aan deelgenomen, en als zij terugkomt,
+klopt zij hen op den schouder, uitroepend: "Goed zoo jongens, gij
+hebt u flink gehouden, haast zoo flink als wij vrouwen! Gij hebt den
+moed om te vechten; hebt gij ook den moed om met ons den hongerdood
+te sterven?"
+
+In dat laatste hebben noch Haring noch Guy veel lust; zij zijn
+buitendien ook met een bepaald doel hier gekomen. Guy zoekt dus
+Ripperda op, die op den wal staat, omringd door zijn officieren, en
+vraagt hem verlof, om de dochter van Bodé Volckers buiten de stad te
+mogen brengen.
+
+"Ik ben zeer verheugd, u weer te zien, 'Eerste der Engelschen', en
+ik dacht, dat gij bij ons wildet blijven," antwoordt de Hollandsche
+bevelhebber.
+
+"O, gij hebt geen gebrek aan soldaten, mannen noch vrouwen," antwoordt
+Guy. "Gij hebt reeds te veel eters in de stad."
+
+"Gij denkt toch niet, dat de vijand de stad zal innemen?"
+
+"Niet door geweld van wapenen," antwoordt de Engelschman. "Daarom zeg
+ik, hoe minder monden er zijn om te voeden, hoe beter. Eenige booten
+met meel zouden u beter te pas komen dan een duizendtal veteranen."
+
+"Gij hebt gelijk," antwoordt Ripperda, terwijl zijn gelaat
+betrekt. "Doch ik en de mijnen, wij blijven hier, zelfs met zoodanige
+verschrikkingen onder onze oogen--kijk!"
+
+Het is nu dag geworden, en voorzichtig door een schietgat kijkend,
+uit vrees voor de Spaansche kogels, ziet Guy voor zijn oogen het beeld
+van een Hollandsche stad, belegerd door de Spanjaarden. Vóór hem het
+hulpravelijn bezaaid met dooden, de gracht er mee gevuld. Daartegenover
+staat een andere wal, die door de Spanjaarden is genomen en nog door
+hen bezet wordt gehouden. Daarachter de gracht, gevoed door het water
+uit het Spaarne, bewaakt door de Spaansche batterijen.
+
+Links groepen boomen en het Leprozen-hospitaal; daarachter en overal
+in het rond de tenten van de belegeraars, die de ongelukkige stad
+afsnijden van vrienden en voedsel.
+
+Chester kan op dezen afstand het wapengekletter hooren der compagnieën,
+die ter aflossing naar de versterkingen trekken.
+
+Verspreid over dit tooneel staan een half dozijn windmolens, en vlak
+tegenover hen een ander gevaarte, dat Chester als krijgsman de tanden
+op elkaar doet klemmen van verontwaardiging.
+
+Het is een reusachtige galg, waaraan twintig lijken bengelen, eenige
+aan het hoofd, andere aan de voeten opgehangen.
+
+En nu komt, als allergrootste verschrikking, de Spaansche beul met zijn
+helpers, om opnieuw zijn werk te verrichten. Zij voeren op ruwe wijze
+eenige wanhopige schepsels met zich mede, die aan handen en voeten
+gebonden zijn. Zij nemen de dooden af, om de levenden op te hangen,
+die in het gezicht van hun kameraden en stadgenooten de lucht met
+hun doodskreten zullen vervullen.
+
+Een kreet van woede en smart stijgt van den wal omhoog--deze
+gemartelden zijn buren, waarmee men nog den dag te voren heeft
+gesproken, die bij een uitval in de handen der Spanjaarden zijn
+gevallen. En één der vrouwen gilt: "Barmhartige God, ik zie hem--zij
+hangen mijn Klaas op!" en kreunend valt zij neer.
+
+"Wij zullen hetzelfde doen," roept Ripperda, "hoofd om hoofd! Roep
+den provoost-geweldige!"
+
+Weldra bengelen ongeveer twintig Spanjaarden op de wallen, als een
+afgrijselijk antwoord op de wreede uitdaging.
+
+Dit wekt opnieuw de woede van Alva's manschappen op en zij werpen
+van het naburige ravelijn iets in het Hollandsche hulpravelijn.
+
+Het valt bijna aan de voeten van Guy en Ripperda.
+
+De Hollandsche bevelhebber bukt zich, om het te onderzoeken en
+mompelt plotseling tot Guy: "Er is een plakkaat aan het hoofd
+bevestigd. Kapitein Oliver van Bergen."
+
+"Groote God!" en ontzet kijkt Guy nog eens, en nu voor het laatst,
+in het gelaat van zijn dooden vriend.
+
+"Wist gij dat hij dood was?" vraagt Ripperda.
+
+"Ja," mompelt Guy, "maar ik kon het hier niet vertellen, uit vrees,
+dat zijn verloofde het zou hooren."
+
+"Ja, dat meisje, Mina, zou met den patriot trouwen!" zucht de
+bevelhebber. Daarna vervolgt hij op schorren toon: "Neem haar met u,
+als gij haar levend weg kunt krijgen. Breng haar snel van hier; vertel
+haar niets, eer zij deze verschrikkingen achter zich heeft. Vaarwel,
+mijn Engelsche vriend. Als wij elkaar weer ontmoeten, zal Haarlem
+vrij zijn van Spaansche moordenaars."
+
+En de beide mannen nemen afscheid, vol eerbied voor elkaar.
+
+Guy begeeft zich naar Pieter Kies en zegt: "Ik heb het verlof van
+den commandant. Breng mij bij Mina Bodé Volckers!"
+
+Als het meisje, dat vermagerd is door honger en angst, de kamer
+binnentreedt, snikt zij: "Gij zijt gekomen om mij bij Antony te
+brengen. Ik weet het. Ik lees het op uw gelaat."
+
+"Ja," antwoordt Guy met veel inspanning.
+
+"Waar is hij? Waarom kwam Antony niet met u mede?"
+
+"O hij--hij wacht ons," stamelt Guy en gaat met Haring mee, om de
+toebereidselen voor de reis te treffen.
+
+De eenige kans, om het meisje uit de stad te krijgen, is, den weg
+over het meer te nemen. Daartoe moeten zij 's nachts ontvluchten.
+
+Terwijl zij Mina door de Schalkwijker poort naar buiten brengen, langs
+de korte lijn van versterkingen en verschansingen op den linkeroever
+van het Spaarne, waardoor de belegerden nog gemeenschap met het meer
+hebben, bereiken zij het fort aan den oever, waarvan de Oranjevlag
+waait, en wachten den nacht af, terwijl zij hun boot gereedmaken.
+
+De nacht komt, doch voor hen veel te langzaam, want zij hebben zulk
+een honger. De duisternis echter is bevorderlijk aan hun onderneming.
+
+Vijf Spaansche galeien bewaken de Fuik. Er worden zeilen gezien in
+het Zuid-oosten. Vier van de galeien breiden haar zeilen uit, gaan op
+verkenning en als het nacht is, zijn zij nog niet teruggekeerd. Er
+blijft dus slechts één galei over, die zij hebben te verschalken,
+schoon zij twee patrouille-booten uitzendt.
+
+"Ik denk dat ik met deze vervloekte schepen, die ons van proviand
+verstoken houden, eens goed zal afrekenen," zegt de Hollandsche
+bevelhebber van het fort. Hierop maakt hij drie booten gereed, om de
+patrouille-booten der Spanjaarden 's nachts te overvallen.
+
+Terwijl deze uittrekken, begeven ook Chester en Haring zich in hun
+sloep op weg, en de galei ontsnappend, die nu in een gevecht is
+gewikkeld met de Haarlemmers, zijn zij weldra op het open meer,
+en zeilen naar het Zuiden.
+
+Vóór de dag aanbreekt, hebben zij de Kaag bereikt en gaan verder naar
+Delft; den volgenden avond heeft Guy aan zijn eed voldaan.
+
+Nadat hij het geredde meisje onder dak heeft gebracht en goed verzorgd
+weet in de herberg genaamd _De Vergulde Toren_, begeeft Chester zich
+naar de gelagkamer en heeft daar een wonderbaarlijke ontmoeting. Een
+man, wiens oogen wild in hun kassen rollen, staat op als hij hem ziet,
+en mompelt klappertandend: "Hel en duivel! Dat is een doode!"
+
+Het is de koopman Bodé Volckers, die zich reeds maanden lang in Delft
+ophoudt, om den prins van Oranje te smeeken, zijn dochter te redden.
+
+"Dat ben ik niet," fluistert Guy, en voegt er norsch aan toe: "Houd
+op met dat klappertanden, totdat gij mij hebt aangehoord," en Niklaas'
+arm nemend, brengt hij hem naar een afzonderlijk vertrek.
+
+"Dus hebt gij mij herkend?" vraagt de Engelschman met gedempte stem.
+
+"Ja, maar gij zijt dood. Reeds maanden geleden kwam het bericht in
+Antwerpen, dat kolonel Guido Amati gedood was in het gevecht op het
+ijs door den 'Eerste der Engelschen'!"
+
+"Neen, ik ben hersteld van mijn wonden!"
+
+"Dan, ongelukkige man, zijt gij, als zij u, een kolonel in het
+Spaansche leger, hier ontdekken, er nog erger aan toe, dan dat gij dood
+waart. Ik zal u echter niet verraden," mompelt Bodé Volckers. "Gij
+hebt mijn kind eens gered, al hebt gij haar ook naar een plaats
+gebracht, waar haar nog grooter gevaar wachtte." En eensklaps roept
+hij uit, zijn handen wringend: "Red haar opnieuw, mijn Mina! Zij is
+in Haarlem! In de oogen der Spanjaarden een uitgewekene, omdat zij
+zich aan de justitie onttrokken heeft. Als zij de stad innemen, is
+zij verloren. Gij staat bij Alva in gunst, smeek hem om genade voor
+haar. Gij hebt invloed bij zijn dochter, spreek tot haar!"
+
+"Dat is onnoodig," antwoordt Guy. "Ik heb uw dochter reeds in
+veiligheid gebracht!"
+
+"Hoe is dat mogelijk? Er waar is zij dan?"
+
+"Hier, in _De Vergulde Toren_!"
+
+"Hier? Goddank! Hebt gij haar uit Haarlem bevrijd? Breng haar bij mij,
+mijn Mina, die verloren was--mijn Mina, die teruggevonden is!"
+
+En de oude man is als krankzinnig van vreugde, grijpt Guy's hand en
+overlaadt hem met zegenwenschen.
+
+Het volgend oogenblik wil hij heensnellen om zijn kind te zien, voor
+wie hij zooveel angst heeft uitgestaan, maar Guy houdt hem terug en
+zegt: "Eerst moet ik u iets zeggen."
+
+"Wat is het? Houd mij niet tegen."
+
+"Het is slechts terwille van haar," antwoordt hij en doet verslag van
+Oliver's dood, er fluisterend aan toevoegend: "Deel het haar mede--ik
+heb het trachten te doen, maar ik kon het niet."
+
+Chester is nu genoodzaakt, om in zijn verhaal te laten invloeien,
+wie hij werkelijk is, en dit schijnt Bodé Volckers zelfs nog meer te
+treffen, dan de dood van den schilder. Hij brengt verwonderd uit:
+"Gij! De 'Eerste der Engelschen'! Gij? En gij zijt in Antwerpen
+geweest--heeft een sterveling ooit zoo iets durven wagen? Tien duizend
+kronen staan nu op uw hoofd, sinds het gevecht op het ijs. Hoe hebt
+gij zoo uw leven kunnen wagen?" Maar nu roept hij plotseling uit:
+"O! Bij den hemel! Gij zijt verliefd op Alva's dochter!"
+
+"Ja," zegt Guy, die voelt, dat hij dezen man op zulk een wijze aan
+zich heeft verplicht, dat zijn geheim veilig bij hem is. "Zij is mijn
+verloofde, ik hoop met de dochter van den Hertog te trouwen."
+
+"Dan moet gij u haasten, jonge man, dan moet gij u haasten," zegt
+Bodé Volckers op plechtigen toon.
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat--o, nu vermoed ik ook de reden!--het was na den dood van Guido
+Amati--omdat zij vroom is geworden. Men zegt, dat zij non wil worden."
+
+"Non!" krijt Guy. "Omdat zij gehoord heeft, dat Guido Amati dood
+is! Dat is een zonderling wreede scherts!" en hij barst terwijl hem
+het hart in de schoenen zinkt, in een afgrijselijk gelach uit en
+bespot zichzelven, terwijl Bodé Volckers heensnelt om zijn dochter
+in zijn armen te sluiten.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII.
+
+"IS HET EEN DROOM?"
+
+
+Na eenigen tijd keert Bodé Volckers terug van het onderhoud met zijn
+dochter, en in zijn Vlaamsche oogen ligt een treurige uitdrukking. Als
+hij Guy ziet, die op hem heeft gewacht barst hij uit: "Die schilder
+Oliver! Welk recht had zulk een man, om iets anders lief te hebben
+dan zijn vaderland? Welk recht had hij, wiens leven aan een zijden
+draad hing, om mijn kind lief te hebben?"
+
+"Het recht, dat alle menschen hebben om het schoone te beminnen,"
+zucht Guy, die door de verrassende mededeelingen van Bodé Volckers met
+betrekking tot Dona de Alva's kloosterplannen, niet enkel romantisch
+gestemd is, maar ook weemoedig.
+
+"Doch niet het recht om het schoone op te offeren. Oliver's verraad
+tegenover Alva bracht Mina in gevaar, en nu heeft zijn dood haar
+het hart gebroken. Zij kan zelfs niet meer naar huis gaan uit vrees
+voor Alva's pijnbank. Alva!" roept de koopman met verheffing van
+stem uit, "die mij en de mijnen in ellende heeft gestort, die mij
+heeft geruïneerd!"
+
+"U geruïneerd? Hoe?" vraagt Guy teleurgesteld. Hij heeft op den
+koopman gewacht, daar hij geldelijke hulp noodig heeft, en diens
+woorden klinken hem dus niet heel aangenaam in de ooren.
+
+"Hoe?" herhaalt Bodé Volckers. "Allereerst door mijn huiselijk leven
+te verwoesten, in de tweede plaats door mijn handelszaak naar den
+kelder te brengen met zijn tienden penning, en in de derde plaats
+door mij, als een gedwongen leening aan het Spaansche gouvernement,
+vijfhonderd duizend kronen af te nemen."
+
+"Wenscht gij ze terug te hebben?"
+
+"Hemel en aarde,--ja! Maar het geld is zoo goed als verloren. Wat
+praat gij voor onzin?" zegt de koopman op spottenden toon.
+
+"Het is geen onzin!"
+
+"Geen onzin te beweren, dat Alva zijn schulden zal terugbetalen?"
+
+"Neen, want ik zal ze voor hem terugbetalen."
+
+"Gij--een krijgsman--vijfhonderd duizend kronen betalen! Gij zijt uw
+verstand kwijtgeraakt door al uw avonturen," roept Bodé Volckers uit,
+die denkt, dat Guy hem voor den gek wil houden.
+
+"Volstrekt niet. Schiet mij tien duizend kronen voor, waag u leven,
+evenals ik het mijne waag, en ik zal u vijfhonderd duizend kronen
+teruggeven en u in de gelegenheid stellen, u te wreken."
+
+De Engelschman zegt dit alles fluisterend, doch op vasten toon,
+hij heeft de zaak goed overdacht en is tot het resultaat gekomen,
+dat, nu Oliver is heengegaan, Bodé Volckers met zijn Antwerpsche
+pakhuizen, Antwerpsche schepen en kennis van Antwerpsche toestanden,
+juist de man is om hem in deze zaak te helpen, als hij er tenminste
+den moed toe heeft.
+
+"Mijn leven wagen? Ik zou het honderdmaal wagen als ik mij daardoor
+wreken kon op den man, die mij van alles heeft beroofd!"
+
+"Goed, kom dan mee naar mijn kamer, wij moeten die zaak in het
+geheim bespreken," zegt Guy, die er nu zeker van is, dat, al zou Bodé
+Volckers zijn leven ook niet wagen uit vaderlandsliefde, hij het een
+dozijn keeren zou doen, om zijn vijfhonderd duizend kronen terug te
+krijgen. De beweegredenen, waaruit de man handelt, gaan hem echter
+niet aan, alleen zijn daden.
+
+Als zij op Chester's kamer zijn gekomen, zegt de koopman: "Wat wenscht
+gij van mij?"
+
+"Allereerst heb ik honderd kronen noodig om Jan Haring te betalen,
+die mij heeft geholpen om uw dochter buiten de wallen van Haarlem
+te brengen."
+
+"Ik wil--ik wil Haring heel gaarne zelfs duizend kronen geven. En
+u mijn liefde, mijn genegenheid, en alles wat gij slechts wenscht,
+omdat gij mijn Mina voor vernedering en dood hebt bewaard," antwoordt
+de koopman op dankbaren toon.
+
+"Uw leven soms ook?"
+
+"Ja, dat wil ik ook geven, om mij op Alva te wreken."
+
+"Als dat zoo is," zegt Guy, "luister dan naar mij." En nadat hij Bodé
+Volckers geheimhouding heeft laten zweren, vertelt hij hem alles van
+het geheim van Alva's standbeeld, alles van Alva's schat, want hij
+begrijpt, dat hij dezen man, wiens leven hij in de waagschaal stelt
+ten behoeve van zijn eigen zelfzuchtige bedoelingen, zijn volkomen
+vertrouwen moet schenken.
+
+"Goed. Wat verlangt gij dat ik zal doen?" herneemt de Vlaming,
+wiens oogen beginnen te schitteren, als hij hoort van Alva's
+verborgen schatten, terwijl zijn ziel van vreugde wordt vervuld,
+als hij denkt aan den buit. "Zou ik niet een weinig meer kunnen
+terugkrijgen--interest tenminste?"
+
+"Top, ook interest--zeshonderd duizend, als uw leven u iets waard
+is--wij zullen er zevenhonderd en vijftig duizend van maken."
+
+"Goed--nu tot de zaak! Wat hebt gij noodig?"
+
+"Allereerst, want de tijd dringt, heb ik zoo spoedig mogelijk papieren
+van uitklaring noodig van de stad Amsterdam voor de _Esperanza_,
+die nog in de haven van Vlissingen ligt. Kunt gij ze mij verschaffen?"
+
+"Van Amsterdam? Onmogelijk! Doch ik kan u uitklaring en carga van
+Stockholm verschaffen."
+
+"Dat zal ons twee weken ophouden--noem een haven, die dichter bij is."
+
+"Van Duinkerken? Daarmee zijn slechts drie of vier dagen gemoeid."
+
+"Van Duinkerken! Best," antwoordt Chester. "Met de _Esperanza_
+zeil ik dan, op u geconsigneerd als kapitein Andrea Blanco, nog eens
+rechtstreeks de haven van Antwerpen binnen en blijf daar liggen, totdat
+ik mij van Alva's schat en Alva's dochter heb meester gemaakt. Is
+het in die stad bekend, dat gij hier zijt?"
+
+"Neen. Daarvoor heb ik gezorgd," zegt Bodé Volckers. "Men denkt,
+dat ik in Frankrijk ben, om Lyonsche zijde te koopen. Ik zal zelf
+met u naar Duinkerken varen. Dat werpt een schijn van waarheid over
+alles--Lyonsche zijde uit een Fransche haven."
+
+"En als het later ontdekt wordt, dan kost het u het leven."
+
+"Om 't even," zegt de Vlaming. "Antwerpen's handel gaat te gronde en
+ik ga de stad uit met alles, wat ik bij elkander kan brengen. Die
+zevenhonderd en vijftig duizend kronen zullen er mij weer bovenop
+helpen."
+
+Zoo worden alle schikkingen gemaakt en ieder onderdeel geregeld;
+er wordt besloten, dat Mina rustig in Delft zal blijven, dat op het
+oogenblik de meest geschikte plaats voor het meisje is.
+
+"Zij is onverschillig voor alles," klaagt Bodé Volckers en voegt er,
+op de tanden knarsend, aan toe: "Doch ik zal mij op den man wreken, die
+haar tot de geeseling en het spinhuis wilde veroordeelen en mij, enkel
+omdat ik haar vader ben, heeft beroofd van vijfhonderd duizend kronen."
+
+Denzelfden avond overhandigt Guy Jan Haring van Hoorn een beurs met
+goud, zeggende: "Dit is een belooning voor het gevaar, waaraan gij
+u om mijnentwille hebt blootgesteld."
+
+"Wel, sapperloot!" roept de Hollandsche visscher uit. "Dit is meer
+geld, dan ik ooit bij elkaar heb gezien. Ik neem echter niets aan
+voor een goede daad."
+
+"Gij hebt vrouw en kinderen, neem het voor hen en voor de uitgaven,
+die gij hebt te doen om naar het Noorden terug te keeren; ik wenschte
+buitendien dat gij een particuliere boodschap van mij daarheen
+overbracht."
+
+Zoo wordt het dus geschikt, dat Haring terstond naar Noord-Holland
+vertrekt met orders voor Dalton om de _Dover Lass_ onmiddellijk naar
+Vlissingen te brengen en zoo hij Guy en de _Esperanza_ daar niet
+mocht vinden, naar Zuid-Beveland te zeilen en het anker uit te werpen
+in het Kromvliet. Dit is voor het oogenblik niet zeer gevaarlijk,
+daar de Spaansche galjoenen zich bijna alle te Amsterdam bevinden,
+om hulp te verleenen aan de belegeraars rondom Haarlem.
+
+Den volgenden morgen vertrekt Haring naar het Noorden en begeven Guy en
+Bodé Volckers zich per schip naar Vlissingen, waar de _Esperanza_ ligt.
+
+Guy heeft ongeveer tien zijner manschappen aan boord van dit schip
+gelaten en dit aantal is voldoende, om naar Duinkerken te zeilen,
+waar hij carga inneemt van Bodé Volckers' agenten in die plaats en
+papieren van uitklaring op Antwerpen krijgt.
+
+Als zij deze haven verlaten, zeilen zij opnieuw naar Vlissingen
+en vinden tot hun groote vreugde de _Dover Lass_ op hen wachtend,
+daar Haring zeer snel heeft gereisd, Dalton zijn orders stipt heeft
+uitgevoerd en de _Dover Lass_ buitendien terstond onder zeil kon gaan,
+omdat de haven van Enkhuizen reeds geheel vrij was van ijs.
+
+"Bij alle zeemeerminnen!" roept zijn eerste officier uit, als hij
+zijn commandant ziet, "wij dachten, dat gij dood waart--verdronken
+bij dien vervloekten Diemer dijk. Dat is kostelijk nieuws."
+
+"En ik heb toch nog beter nieuws voor u," lacht Guy.
+
+"En dat is?"
+
+"Geld om de bemanning te betalen!" Waarop de Britsche pikbroeken
+luide juichkreten doen hooren.
+
+Daarna haalt Guy het geld van Bodé Volckers voor den dag en rekent
+met zijn zeelieden af.
+
+Den volgenden morgen kiest hij de manschappen uit, die den vorigen
+keer ook reeds mee zijn geweest naar Antwerpen en laat zich door de
+_Dover Lass_ vergezellen tot aan het Kromvliet, waar zij het anker
+uitwerpt bij de Bevelandsche kust, terwijl hij verder gaat naar
+Antwerpen, de wachtbooten bij Lillo passeert en naar de dokken zeilt,
+nog ongeduldiger verlangend naar een ontmoeting met Alva's dochter
+dan naar het buitmaken van Alva's schat.
+
+Hij begrijpt, dat het zaak is, met het laatste zooveel mogelijk haast
+te maken. Gedurende zijn gevechten en schermutselingen is zijn gelaat
+aan vele Spaansche krijgslieden bekend geworden, en ofschoon de meeste
+nog in Holland zijn, zijn er toch eenige, die gewond werden, voor hun
+herstel hier. Gelukkig zijn dezen gebonden aan hun kamer en hun bed,
+daar enkel de zwaar gewonden uit het leger worden weggezonden,--Spanje
+toch heeft iederen man noodig bij het beleg van Haarlem--maar met
+tien duizend kronen op zijn hoofd bevindt de "Eerste der Engelschen"
+zich in elk geval in groot levensgevaar.
+
+Om geen tijd verloren te laten gaan, begeeft Chester zich, zoo
+goed mogelijk vermomd als kapitein Andrea Blanco, naar het huis
+van den koopman, om schikkingen te treffen, teneinde zijn carga te
+lossen. Weldra zijn zij in een ernstig gesprek gewikkeld, waarin Guy
+Bodé Volckers, die de zaak nu met hart en ziel is toegedaan, opdraagt,
+zooveel mogelijk informatiën in te winnen omtrent het huis van de
+Spaansche vrouw, senora Sebastian, als hij opeens alleraangenaamst
+wordt verrast.
+
+Hij hoort de stem van de gravin De Pariza in den winkel achter het
+kantoor, waar hij met den koopman zit. Deze stem kwam hem tot nu
+toe altijd hard, onaangenaam en afstootend voor, maar nu klinkt
+zij hem zoo zoet als een engelenstem in de ooren, als zij zegt:
+"Ik kom om een weinig wit Fransch mousseline voor Dona de Alva te
+koopen. Gij behoeft er niet veel ellen van uit te meten, daar Dona
+Hermoine weldra naar Spanje vertrekt, om in een klooster te gaan."
+
+"Zal ik het goed voor Uwe Genade in de Citadel laten bezorgen?" vraagt
+de volijverige bediende.
+
+"Neen, ik zal het zelf meenemen. Het weer is zoo prachtig, dat Dona
+Hermoine en ik nu reeds voor den zomer onzen intrek hebben genomen in
+het landhuis te Sandvliet. Doch snel wat, jonge man, de staatsbarge
+wacht."
+
+Deze woorden verjagen alle gedachten aan Alva's schat uit Guy's hoofd.
+
+"Geef mij eenige nadere inlichtingen," fluistert de koopman, "omtrent
+het huis van de Spaansche vrouw."
+
+"Ik heb u gezegd, waar het ligt. Morgen zal ik verder met u
+spreken. Wat is de snelste manier, om te Sandvliet te komen?"
+
+"De snelste is te paard, maar zij is niet de veiligste."
+
+"Ik kies de snelste."
+
+"Door de schildwachten van Lillo? Gij zult aangehouden worden! Gij
+moet een pas hebben!" Vervolgens fluistert de koopman, waarschuwend:
+"Gaat gij als kapitein Andrea Blanco of als kolonel Guido Amati,
+of als die andere?" Bodé Volckers wordt zoo wit als de dood, als hij
+die laatste opmerking maakt.
+
+"Als--Goede God! Ik _moet_ immers gaan als kolonel Guido Amati!"
+
+"Meent gij, dat gij fort Lillo kunt passeeren met een pas ten name
+van kolonel Guido Amati, die reeds drie of vier maanden geleden als
+dood is opgegeven?" zegt Bodé Volckers. "Een jaar geleden zoudt gij
+Lillo hebben kunnen passeeren als _kapitein_ Guido Amati, maar als
+_kolonel_ Guido Amati, een man van rang, een man, die aan het hoofd
+van een regiment stond, een man bovendien, die in een dagorder vermeld
+werd onder de dooden--neen, neen, gij werpt uw leven weg en zult het
+meisje niet winnen. Gij werpt den schat weg en offert mijn leven op."
+
+"Gij hebt gelijk," zegt Chester neerslachtig, "maar ik moet haar zien."
+
+"Ga dan met een boot, dat is de eenige veilige manier," antwoordt
+Niklaas.
+
+"Nu goed; ik zal de sloep van de _Esperanza_ nemen; daarmee komt men
+snel vooruit en ik zal alle mogelijke zorg voor mijzelf dragen--om
+_harentwille_ het meest," antwoordt Guy. "Het zou niet goed voor haar
+zijn, opnieuw om Guido Amati te treuren. Doe gij intusschen hier,
+wat gij kunt. Ik ben morgen vroeg terug."
+
+Met deze woorden verlaat kapitein Andrea Blanco het kantoor van den
+koopman, begeeft zich aan boord van de _Esperanza_ en vermomt zich,
+zoo goed als hij kan, als kolonel Guido Amati; want tengevolge van
+zijn wonden, ziet hij bleek, terwijl vermoeienissen en angst rimpels
+van zorg in zijn voorhoofd hebben gegroefd.
+
+Ondanks dit alles ligt er een glans van innig geluk en vreugdevolle
+verwachting op het gelaat van den stoutmoedigen jongen man, als hij
+in zijn boot, voortgeroeid door zes flinke mannen, de Schelde afglijdt.
+
+En zijn gelukkige stemming wordt nog verhoogd, als hij, met vluggen
+stap en zwierig uitgedost in satijn en zijde,--zooals het een cavalier
+betaamt, die de dame van zijn hart gaat bezoeken,--uit zijn boot aan
+den dijk stapt, ongeveer een halven mijl ten Westen van Sandvliet,
+waar een nette landingsplaats is met sierlijke treden tot aan het water
+ten gebruike van dames, en vanwaar een lommerrijke laan van populieren
+leidt naar het fraaie kasteel, door Alva voor zijn dochter gebouwd,
+om er de zomermaanden door te brengen.
+
+Het huis ligt aan het eind van de laan op den dijk, en men heeft daar
+een heerlijk uitzicht op de Schelde. Een der vleugels reikt zelfs
+tot aan het water, een boot zou tot vlak onder de ramen kunnen varen.
+
+Het is een ruim gebouw, bestaande uit het hoofdgebouw en twee vleugels;
+de eene vleugel aan het water, met zijn balkons en zonneblinden,
+is zeker het gedeelte, waar de dochter van den Onderkoning zelve
+woont, de andere vleugel is, voor zoover Guy, als hij naderbij komt,
+er over kan oordeelen, bestemd voor het gebruik van de bedienden en
+bevat de keuken, de provisiekamers enzoovoort. Het hoofdgebouw wordt
+waarschijnlijk gebruikt voor de ontvangst van bezoekers en het geven
+van partijen.
+
+Het geheel is een schoone en ruime villa, gebouwd met Moorsche
+bevalligheid en Oostersche pracht. Dit kan men gemakkelijk reeds op
+een afstand zien, want overal zijn van buiten zonneblinden aangebracht
+en sommige ramen zijn van geschilderd glas.
+
+Voor het huis langs den dijk is een aardige tuin; de boomen,--het
+is reeds Mei,--zijn vol jonge blaadjes in hun eerste groen en
+frissche schoonheid. In de grasperken zijn eenige bloemen geplant,
+waarschijnlijk gekweekt in broeikassen.
+
+Aan het eind van den tuin is een klein tuinhuisje, begroeid met
+wijngaardranken en met de open zijde naar den waterkant. Dit trekt
+dadelijk Guy's aandacht, als hij een onderzoekenden blik in het rond
+werpt, alvorens zijn komst aan te kondigen door, volgens het gebruik
+van die dagen, in de handen te klappen.
+
+Als hij nauwkeuriger uitkijkt, ontdekt hij een witte japon. Zijn
+hart begint sneller te kloppen, zijn liefde zegt hem, dat zij het is,
+die hij eens in zijn armen hield.
+
+Bij de haag staat een populier. Guy grijpt hem vast en springt over
+de heg in den tuin, nadert het tuinhuisje--en wat hij daarbinnen ziet,
+berooft hem bijkans van zijn bezinning.
+
+Hermoine de Alva--haar gelaat gedeeltelijk van hem afgewend en haar
+oog op de Schelde gericht, achterover liggend op een lage rustbank
+met zijden kussens bedekt, haar eene hand het fraaie hoofdje
+ondersteunend, een harer voetjes te voorschijn komend onder de
+plooien van haar gewaad, haar bevallige figuur gekleed in een zacht
+wit gewaad, afgezet aan den hals, de mouwen en den zoom met een smal,
+zwart randje--vertoont een beeld, waarop zijn oogen, die dien aanblik
+zoolang hebben ontbeerd, uren lang onbeweeglijk zouden kunnen staren
+in een soort van droomende verrukking.
+
+Doch Chester is niet de man om te droomen, als hij in de gelegenheid
+is, zijn beminde te omhelzen. Hij staat slechts een oogenblik stil,
+om er over na te denken, hoe hij den schok kan voorkomen, dien het
+zien van een dood gewaande haar zou kunnen geven.
+
+"Zij zal mij voor een geest houden en bang voor mij zijn," overlegt
+hij; want geesten en hekserij en het bovennatuurlijke waren in dien
+tijd aan de orde van den dag.
+
+Terwijl hij daar nog aarzelend staat, neemt het meisje een gebedenboek
+op, dat naast haar ligt, en dwingt zichzelve om te lezen, doch zuchtend
+legt zij het weer uit de hand. Als zij zich beweegt, schittert er
+iets aan haar blanke hand. Het is de ring, dien hij haar gaf, en Guy
+kan zich niet langer bedwingen.
+
+"Van vreugde sterft men niet, anders was ik zelf al lang dood,"
+denkt hij; vervolgens zegt hij op lossen toon, bijna aan haar oor:
+"Dona Hermoine, waarom heet gij mij niet welkom?"
+
+"Heilige Maagd! die stem--," stamelt het meisje. "Die
+stem--!" Opspringend en hem scherp aanziende, hijgt zij: "Madre
+mia! Guido! Mijn Guido, die dood is!" en fluistert vervolgens met
+bleeke lippen: "Uw geest kan niet gekomen zijn, om mij verwijten te
+doen--dat kunt gij niet, daar ik mij aan den hemelschen Bruidegom
+heb gewijd na uw dood!" En haar mooie oogen staren hem vol schrik en
+ontzetting aan.
+
+"Niet dood, maar enkel gewond; daarom heb ik verlof tot herstel van
+gezondheid. Aan dooden geven zij zulk een verlof niet." En meenende het
+bovennatuurlijke het best met het alledaagsche te kunnen verdrijven,
+vervolgt Guy:
+
+"Zoudt gij mij niet uitnoodigen voor het middagmaal?"
+
+"Een middagmaal voor een _geest_!" Dit komt als een wilde kreet over
+Hermoine's lippen, en haar gebedenboek met het vergulde kruis op zijn
+fluweelen omslag omhoog houdend, begint zij: "Exorcizare te--"
+
+Doch hij roept uit: "Ik ben geen geest! Bezweer mij niet, ik ben
+geen geest!"
+
+"Geen geest? _Onmogelijk_! Ik heb rouw over u gedragen--sinds--die
+Jobstijding--van het gevecht op het ijs--toen die wreede Engelsche
+moordenaar en zijn manschappen u doodden."
+
+"Mij niet! Ofschoon zij mij hier en daar leelijk toetakelden--een houw
+over het hoofd en een kogel in het lichaam. Ik wil u bewijzen, dat ik
+niet dood ben. Zijn dit de lippen van een geest? Herinnert gij ze u?"
+
+Guy slaat zijn armen om het meisje heen, dat half bezwijmd is, en
+tracht door kussen een eind aan haar twijfel te maken.
+
+En hij bereikt zijn doel zóó goed, dat het meisje uitroept:
+"Levend! Ja, ja, gij zijt levend! uw hart klopt tegen het mijne. Mijn
+Guido leeft!" en zij barst in tranen uit, alsof zij smart in plaats
+van vreugde ondervond.
+
+Wat Guy betreft, hij stelt zich ruimschoots schadeloos voor zijn
+langdurige gedwongen afwezigheid, zoodat Dona de Alva bloost doch
+tegelijkertijd straalt van geluk en opnieuw bloost en fluistert:
+"Gij--gij behoeft mij niet zoo herhaaldelijk te bewijzen, dat gij
+leeft. Ik weet nu wel, dat uw lippen niet die van een geest zijn." En
+zij voegt er op verwijtenden toon aan toe: "En gij liet mij zoolang
+treuren."
+
+"Ik was een gevangene--" begint Chester.
+
+"Een gevangene!--Zij maken geen gevangenen!"
+
+"De 'Eerste der Engelschen' wel! En dan mijn wonden!" zoo verdedigt
+Guy zich op meewarigen toon.
+
+"O ja, uw zware wonden. Ik--ik zal u verplegen."
+
+"Ja, onder uw handen zal ik zeker spoedig herstellen," zegt hij met
+een stralend gelaat en vervolgt opgewonden:
+
+"Ik zal niet gezond worden eer--"
+
+"Eer wat?"
+
+"Eer ik met u getrouwd ben."
+
+"Met mij getrouwd zijt!" En juffrouw Brunette bloost tot in haar
+sneeuwwitten hals, zij slaat de oogen neer, ofschoon zij van geluk
+schitteren.
+
+"Ja, dezen keer, dat ik hier ben, trouw ik met u!" Hij fluistert het,
+en toch klinkt het wild en hartstochtelijk.
+
+En nu brengt Hermoine hem in verbazing, want zij antwoordt, hem
+dapper in de oogen kijkend, op vasten toon: "Ja, dezen keer zal
+het gebeuren!" en zij stamelt: "Ik zou niet opnieuw zooveel kunnen
+lijden. Als gij vertrekt, ga ik met u, kolonel Guido Amati de Medina
+zal een vrouw hebben. Doch gij moogt er niet over denken, naar het
+leger terug te keeren, eer gij volkomen hersteld zijt, en dat zal
+lang duren, vrees ik," en het meisje beschouwt het kleine litteeken
+op het voorhoofd van haar beminde, alsof het een doodelijke wonde was.
+
+En hij beschuldigt zich nu van groote onhartelijkheid, hij noemt
+zich een ellendeling, dat hij haar zoolang heeft laten treuren; wat
+beteekende plicht, wat beteekende zijn eed, vergeleken bij de wreede
+smart, die haar gelaat heeft omfloerst?
+
+Een oogenblik later doet zijn liefste Guy schrikken. Zij roept
+plotseling uit: "Wel, wat is de kleine De Busaco toch een goed
+profeet! Hij--hij heeft zeker het tweede gezicht!"
+
+"De Busaco! Hebt gij hem dan gesproken?" roept de gewaande Guido
+Amati onthutst uit.
+
+"Ja, hij is op fort Lillo in garnizoen, daarheen gezonden om te
+herstellen. De arme kleine luitenant kreeg het koudvuur in zijn wonden,
+die hij had opgedaan in het gevecht op het ijs. Toen ik hoorde, dat
+hij het was, die u het laatst had gezien, mijn Guido,"--zij neemt,
+dit zeggende Guy's hand in de hare, alsof zij vreesde, dat zij hem
+opnieuw zou verliezen,--"zond ik om hem en informeerde handig--als
+geschiedde het slechts uit belangstelling in een goede kennis--o, ik
+beheerschte mij goed!--hoe gij waart gevallen. En hij vertelde het mij;
+doch eer hij mij verliet, zeide hij: 'Ik wed, dat gij kolonel Guido
+Amati toch niet voor het laatst hebt gezien.' 'Waarom niet?' bracht
+ik met moeite uit, met nieuwe hoop in mijn hart. 'Zaagt gij hem
+dan niet vallen?' 'Ja,' zeide De Busaco achteloos, en ik vond zijn
+manier van doen heel vreemd, 'doch mijn vriend, kolonel Guido Amati,
+heeft, als een kat, _negen_ levens en hij heeft er nog maar één van
+opgeofferd.' Vermoedde hij misschien, dat zij uw leven zouden sparen?"
+
+"Misschien," antwoordde Guy. "Deze Engelsche moordenaar, zooals gij
+hem noemt, spaarde mij niet alleen, doch redde mijn leven, zorgde
+voor mij, nam mij mee naar Enkhuizen en toen ik daar doodziek lag met
+hevige wondkoortsen, zorgde hij er voor, dat ik zoo goed werd opgepast,
+alsof hijzelf het was."
+
+"Dus hij is geen Engelsche moordenaar?"
+
+"Neen, hij is een Engelsche ridder, en ik hoop, dat de tijd nog eens
+zal komen, dat gij zult zeggen, dat hij een edelman is, uw achting
+waard."
+
+"Dat is hij nu reeds! Hij redde uw leven voor de messen van die wreede
+Hollandsche vrijbuiters," zegt het meisje plotseling; daarna mompelt
+zij op verschrikten toon; "En ik zette Papa er toe aan, den prijs
+op het hoofd van uw redder te verhoogen. De hemel vergeve mij!--tien
+duizend kronen staan nu op het hoofd van den man, die uw leven redde!"
+
+"Diable!" antwoordt Guy, niet zeer ingenomen met hetgeen hij hoort. "De
+Engelschman is heel goed in staat voor zichzelven te zorgen, wij zullen
+dus maar van hem afstappen en terugkeeren tot kolonel Guido Amati."
+
+"Apropos van hem," lacht Hermoine, "de geest vroeg, meen ik, om een
+middagmaal.--Verlangt het spook geestelijke oesters, kabouterachtige
+tarbot en ragout uit den heksenketel?" en het meisje, nu een beeld
+van stralende vreugde, klapt in de handen.
+
+"Neen," antwoordt Guy, "maar de geest zal een reuzenmaaltijd houden
+met verlof van het meisje uit het betooverd kasteel, en zij mag den
+wijn zoo krachtig maken als zij wil."
+
+"Kom dan, want ik ben van plan het gemeste kalf voor u te slachten!" En
+Hermoine wil de hand van haar ridder vatten, om hem naar het priëel
+te geleiden.
+
+Doch Chester aarzelt eensklaps en fluistert: "De gravin De Pariza--wat
+zal uw duena zeggen?"
+
+"Zij zal niets zeggen," merkt Dona de Alva luchtig op. "De gravin De
+Pariza zal vanavond niet thuis zijn."
+
+"Niet? Ik meende, dat zij de staatsbarge bij zich had."
+
+"Ja. Zij houdt de barge bij zich in Antwerpen. Zij overnacht bij de
+gravin van Mansfeld. Sedert dien nacht--gij herinnert hem u immers,
+den nacht, dien ik zegen?--toen gij mij uit de handen der Geuzen
+bevrijd hebt, vreest de gravin De Pariza de Watergeuzen meer dan de
+vijanden uit de andere wereld, en ofschoon het heet, dat zij hier
+woont, is zij zooveel mogelijk iederen nacht afwezig. Zij komt niet
+terug voor morgenochtend."
+
+"Dat is een buitenkansje," lacht Guy, in zijn hart Dirk Duyvel en zijn
+zeeschuimers zegenend, "dat zal ons voor veel onaangenaamheid bewaren;
+ik zal u altijd 's avonds komen bezoeken. De gravin De Pariza kan
+haar tong niet in bedwang houden."
+
+"Neen, dat kan zij ook niet," roept het meisje uit, "ik zal het haar
+echter leeren!" en op dit oogenblik is zij geheel Alva's dochter. "Maar
+ga nu mee in huis. Gij zijt hongerig, en met uw wonden moet gij
+versterkend voedsel hebben. Kom mee aan het avondeten."
+
+En Guy laat zich gedwee naar dezen maaltijd leiden, met den eetlust
+van een zeeman en volstrekt niet met dien van een geest. Dona Hermoine
+neemt zijn arm, alsof zij vreesde hem te zullen verliezen. Als zij
+in de ruime vestibule van dit schoone buitenverblijf zijn gekomen,
+klapt zijn schoone dame in de handen, en de twee Moorsche meisjes,
+die Guy reeds vroeger heeft gezien, snellen toe.
+
+"Alida, maak een kamer in orde voor dezen heer, die met mij het
+avondeten gebruikt," beveelt Hermoine. Waarop een der meisjes, met
+een dienaresse, haar meesteres iets in het oor fluistert.
+
+Hierop barst Dona de Alva in lachen uit, en zegt: "Zeker. Hij is
+mijn vriend, kolonel Guido Amati, dien gij met denzelfden eerbied
+moet behandelen als mij. Senor, als gij terugkomt, vindt gij den
+reuzenmaaltijd, dien gij besteld hebt, gereed."
+
+Waarop Guy, het Moorsche meisje,--hetzelfde, dat hem indertijd het
+pakje in de Citadel heeft gebracht en dat de vertrouwde dienstmaagd
+van zijn beminde schijnt te zijn,--volgend, zich weldra bevindt in een
+zoo luxueus ingerichte kamer, als hij ooit heeft gezien, ofschoon zij
+duidelijk de sporen draagt, voor een heer te zijn bestemd. Aan de muren
+hangen wapenen, in de aangrenzende kleedkamer staan mannenlaarzen en
+op de toilettafel ligt een misboek, fraai ingebonden, met het kasteel
+met de drie torens, een raaf op iederen toren--het wapen van Alva--er
+op;--hierin ligt een boekelegger, kunstig bewerkt en geteekend:
+"Uw Hermoine".
+
+"Welk mannelijk wezen," denkt Guy bij zich zelven, half jaloersch, "is
+gewoon zich hier zoo huiselijk in te richten?" En zich tot het meisje
+wendend, dat hem hierheen heeft geleid en dat hem met nieuwsgierige,
+verwonderde oogen aankijkt, vraagt hij: "Zijn dit de vertrekken van
+een heer?"
+
+"Ja! Het is de kamer van Zijne Hoogheid den hertog van Alva, als
+hij ons met zijn tegenwoordigheid vereert," antwoordt het meisje
+met een diepe buiging en verlaat Guy, die nu het heiligdom van zijn
+vijand opneemt.
+
+"Drommels!" denkt hij, "nu ben ik met recht in het hol van den
+leeuw." En naar de pracht van de draperieën en den hemel van het bed
+kijkend, mompelt hij: "Een week geleden sliep ik in de herberg van
+Hasselaer te Haarlem!" en als al de verschrikkingen van den honger
+en den dood in de belegerde stad hem opnieuw voor den geest komen,
+schijnt zijn tegenwoordige weelderige omgeving hem bijna een droom toe.
+
+Maar om geen tijd te verliezen,--want hij verlangt naar zijn beminde
+en ook naar zijn maaltijd,--borstelt de jonge man alle sporen van
+de reis van zich af en bedient zich daarna van zachter handdoeken,
+dan hij ooit in zijn gespierde handen heeft gehad.
+
+En als hij vervolgens de breede eikenhouten trap afgaat naar de
+vestibule, wordt hij door het andere Moorsche meisje geleid in een
+vertrek, dat nooit uit zijn geheugen zal gaan--misschien niet om
+den indruk, dien het eerst op hem maakte, maar om hetgeen er later
+in gebeurde.
+
+Het is een statig gewelfd vertrek in den rechtervleugel van het huis;
+een groot, vooruitstekend venster komt vlak aan het water van de
+Schelde uit, waardoor men het geklots van de golven kan hooren, want
+het venster is geopend en de zeilen zijn neergelaten om de ondergaande
+zon buiten te houden. Aan de eene zijde is de muur verdeeld in drie
+groote nissen. Daarvoor hangen zware gordijnen van dik Vlaamsch
+tapijtgoed, versierd met gouden kwasten, die dit vertrek scheiden
+van een ander, dat er achter ligt. Hier tegenover aan den tuinkant
+zijn vensters, die uitkomen op een balkon, beschut door schitterend
+gekleurde zeilen en voorzien van gemakkelijke zitplaatsen.
+
+Op een met kussens bedekte sofa bij het vooruitstekende venster zit,
+terwijl de stralen van de ondergaande zon haar donker haar beschijnen,
+Hermoine. Bij zijn binnenkomst staat zij echter op, om hem te gemoet
+te gaan en zegt: "Ik heb geen toilet gemaakt; ik kon het niet over mij
+verkrijgen, u te laten wachten, gij zijt zoo hongerig!" waarop zij,
+in de handen klappend, uitroept: "Terstond opdienen!"
+
+Onmiddellijk openen zich de zware gordijnen, weggetrokken door gouden
+koorden voor twee van de deuropeningen en de eetkamer wordt zichtbaar,
+waarin een tafel staat, bedekt met een sneeuwwit tafellaken, waarop
+goud en zilver schittert, Venetiaansch glaswerk fonkelt en een
+overvloed van bloemen een liefelijken geur verspreidt.
+
+"Kolonel Amati," fluistert Hermoine, en haar blanke hand in de zijne
+leggend, gaan zij samen naar binnen, om den maaltijd te gebruiken,
+die zoo weelderig is aangericht, als Guy nog nooit, zelfs niet aan het
+hof van Elizabeth, heeft gezien; want er zijn allervreemdste voorwerpen
+om mee te eten, vorken genaamd, waarvan hij het gebruik niet kent, en
+als Engelschman geeft hij de voorkeur aan zijn vingers en een servet.
+
+Doch zijn gastvrouw is er op gesteld om hem het gebruik van deze
+Italiaansche uitvinding te wijzen, en toont hem, hoe hij dit instrument
+aan zijn mond kan brengen, zonder in zijn tong te prikken, waarbij
+Guy lacht en op treurigen toon uitroept: "Ik smeek u, Dona Hermoine,
+laat mij niet meer bloed verliezen!"
+
+Hierop verbleekt zij een weinig, en hem aankijkend, fluistert zij: "Uw
+wonden, o ja--uw zware wonden. Eet en word sterk om mijnentwille." En
+zij noodzaakt hem vol bezorgdheid, een reuzenmaaltijd te houden,
+waarvan hij volstrekt niet afkeerig is, daar de keuken uitstekend is
+en de wijn van de fijnste Spaansche merken en afgekoeld met ijs--een
+nieuwe mode, waaraan de Engelschman volle recht laat wedervaren.
+
+Al dien tijd eet het meisje niets, en schijnt genoeg te hebben aan
+hetgeen haar oogen zien.
+
+"Gij--gij eet niets, mijn Hermoine," fluistert haar ridder, die nu
+van zijn kant ook bezorgd wordt.
+
+"O, ik ben er aan gewend, te vasten," zegt zij, "gij weet, dat ik mij
+voorbereidde voor het kloosterleven. Zou het niet verschrikkelijk zijn
+geweest?" en het bekoorlijke pruilende mondje geeft iets pikants aan
+de non in den dop.
+
+"Gij zoudt in een klooster zijn gegaan om mijnentwille?"
+
+"Dat was mijn plan. Er is een groot klooster in Valladolid--waarvan
+ik abdis zou worden--ik zou het rijk begiftigd hebben--"
+
+"Gij abdis?"
+
+"Ja. Zie ik er niet gestreng uit?" schertst de gelukkige
+Hermoine. "Misschien had ik mij toch nog bedacht. Ik begon reeds
+genoeg te krijgen van het gebedenboek. Maar nu denk ik niet meer over
+middernachtelijk waken--o, Guido mio--zeg mij, dat het geen droom is."
+
+"Ik wil meer doen--ik wil het bewijzen!" fluistert Guy en staat van
+de tafel op.
+
+Hij ziet er uit, alsof hij eens goed gebruik van zijn recht wil
+maken. En daar Hermoine er niets tegen schijnt te hebben, hem dit
+recht toe te staan, geeft zij haar twee Moorsche meisjes, die hen
+aan tafel hebben bediend, een teeken, en als Chester en Hermoine
+de eetkamer verlaten, om naar het andere vertrek te gaan, vallen de
+gordijnen achter hen dicht en zijn zij alleen.
+
+"Kom in het venster; daar krijgen wij weldra maanlicht," zegt de jonge
+dame. En zij gaan naast elkaar zitten en kijken naar de kalme golven
+van de Schelde, terwijl een zoel zomerbriesje hun tegemoet waait
+door het geopend venster. "Zal ik wat muziek voor u maken?" vraagt
+het meisje.
+
+"Uw stem is voor mij de schoonste muziek."
+
+"O," roept Hermoine uit, "ik speel op de mandoline; ik bezit daar
+eenige vaardigheid in. Buitendien kan ik de cachuca en de bolero
+dansen. Morgenavond zal ik voor meer afwisseling voor u zorgen. Mijn
+Moorsche meisjes bespelen de harp en de guitaar en ik zal De Busaco
+inviteeren."
+
+"Inviteer, als 't u belieft, niemand."
+
+"Zelfs den kleinen De Busaco niet, die niet wilde gelooven, dat gij
+dood waart?"
+
+"Neen."
+
+"Weet gij, dat hij misschien ons geheim vermoedt?"
+
+"Waarom?"
+
+"Toen hij bij mij kwam, bracht hij mij twee brieven, die hem in
+handen waren gekomen, daar hij de zorg voor uw goed op zich had
+genomen. Hij overhandigde ze mij, zeggende: 'Ik denk, dat zij wel
+eenige waarde voor u zullen hebben.' 'Gij hebt ze niet goed bewaard,
+mijn Guido.'" Er is een verwijt in haar oogen te lezen.
+
+"Ik droeg uw brief altijd bij mij," antwoordt Guy met veel
+tegenwoordigheid van geest.
+
+"Mijn _brieven_," verbetert hem het meisje; "ik zond er u drie."
+
+"O, ja, maar ik--ik noem uw brief, dien, welken ik het laatst ontving,
+en dien ik bij mij droeg om hem te kleuren met mijn bloed, denzelfden,
+die mij aanspoorde, om bevordering te verwerven door het verslaan van
+den Engelschen kapitein," en Chester haalt het epistel voor den dag,
+gevonden op het lijk van Guido Amati na het gevecht op het ijs.
+
+"Ja, de brief, die mij mijzelve deed verwenschen," roept Hermoine uit,
+"de brief die, zooals ik meende, u den dood had gebracht in plaats
+van liefde; de brief, die u opdroeg, den dapperen Engelschman,--ik
+wil hem nu niet meer _wreed_ noemen,--te dooden." En er komen tranen
+in haar oogen, en snikkend zegt zij: "Vertel mij al uw avonturen van
+het oogenblik af, dat gij van mij verwijderd waart."
+
+Aldus gedwongen, geeft Guy een nauwkeurig verslag van het gevecht
+op het ijs, natuurlijk van een Spaansch standpunt uit, en zegt
+haar eindelijk, dat hij er zich vast van verzekerd houdt, dat de
+eerstvolgende slag, waaraan hij deelneemt, hem tot generaal zal
+doen bevorderen.
+
+Een oogenblik later vraagt hij, naar de Schelde kijkend: "Zijt gij
+niet bevreesd voor de Watergeuzen?"
+
+"Neen," antwoordt Hermoine, "zij zijn allen naar Holland
+gegaan. Bovendien heb ik acht gewapende lakeien in huis en in de
+stallen nog vier als geleide bij de galei, dan ligt er garnizoen
+in Lillo, en een halve compagnie te Sandvliet, ginds vlak om den
+hoek." Haar blanke arm maakt een bevallige beweging in de aangeduide
+richting. "Ik ben hier voor iedereen veilig, behalve voor u, mijn
+Guido."
+
+En Guy denkt, terwijl hij naar de Schelde kijkt, die verlicht is door
+de maan: "Veilig, behalve voor mij." Want hij ziet in het Kromvliet,
+vlak bij de Zuid-Bevelandsche kust, de masten van de _Dover Lass_
+en in zijn hoofd rijpt een plan, volgens hetwelk hij Hermoine de Alva
+aan haar woord wil houden en haar de zijne wil maken.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX.
+
+DE BRUIDSSCHAT VAN DE DOCHTER.
+
+
+Chester heeft ongelukkig maar heel weinig tijd, om zijn toebereidselen
+te treffen. Het rooven van Alva's schat moet zoo vlug mogelijk in
+zijn werk gaan; bovendien wil hij zorgvuldig waken voor den goeden
+naam van deze vrouw, die hem door alles haar groote liefde bewijst.
+
+Daarom staat de Engelschman dan ook na een half uur, waarin het meisje
+hem menigen blik heeft gegund in haar liefelijk, rein gemoed, op,
+om heen te gaan; het kost hem een geweldige inspanning, maar hij is
+vast besloten, om haar te verlaten.
+
+"O, ga nog niet," vleit Hermoine. "Gij zijt--gij zijt zoolang weg
+geweest."
+
+"Maar ik kom morgen terug."
+
+"Hoe laat?"
+
+"'s Avonds."
+
+"'s Avonds? Ach! Dat duurt nog zoo vele seconden."
+
+"Ik kan niet eerder komen, maar ik zal zoo vroeg mogelijk hier zijn."
+
+"Waar houdt gij verblijf?"
+
+"Aan boord van het schip, dat mij hierheen bracht uit het Noorden,
+de _Esperanza_."
+
+"De _Esperanza_? Het fort Lillo is hier dichter bij."
+
+"Op Lillo zou de bevelhebber misschien denken, dat ik reeds in staat
+was, weer dienst te doen. Ik zou mij naar zijn orders hebben te
+gedragen en niet meer vrij zijn om u te komen bezoeken wanneer ik wil."
+
+"Ja, gij hebt gelijk. Mijn gewonde held, die den opzienbarenden
+marsch over de overstroomde landen maakte, heeft wel verdiend,
+om eenige maanden uit te rusten. Geheel Brabant, Vlaanderen en
+Spanje weerklonken van den roem van dien marsch." En het meisje
+slaat haar armen om zijn hals en fluistert hem woorden van lof toe,
+die hem overgelukkig zouden maken, als hij niet wist, dat zij bestemd
+waren voor den dooden Guido Amati. En als zij ziet, dat hij bij zijn
+besluit volhardt, voegt zij er aan toe: "Als gij dan toch moet gaan,
+wil ik tenminste nog drie minuten langer van u profiteeren."
+
+"Op welke manier?"
+
+"Door u naar uw boot te brengen."
+
+En, haar hand door zijn arm gestoken, slenteren zij langs het smalle
+paadje, waar het hier en daar geheel donker is onder het dichte loof
+der populieren. Telkens als zij zulk een donker plekje bereiken,
+staan zij stil om afscheid te nemen--en hoe meer zij de boot naderen,
+hoe meer tijd ieder afscheid vergt, zoodat het lang duurt, eer zij
+het laatste donkere plekje bereikt hebben, en daar staan zij stil en
+luisteren naar de stemmen der matrozen, die hun tegenklinken van de
+landingsplaats. De mannen zijn zeer vroolijk en doen zich te goed aan
+den wijn en de eetwaren, die zij hebben meegebracht. En eensklaps slaat
+het meisje haar armen om den verloren gewaande en fluistert opgewonden:
+"O, mijn Guido, dat wij toch nooit weer behoefden te scheiden!"
+
+"Die tijd is zeer nabij."
+
+"Nabij? En Papa weet nog van niets!"
+
+"Toch is die tijd zeer nabij. Ik zweer het bij _dit_!" En Chester
+springt, Hermoine met gloeiende wangen achterlatend, de trap aan de
+landingsplaats af met het vaste besluit, om zijn woorden tot waarheid
+te maken.
+
+Vreemd genoeg gaat zijn boot de Schelde niet op, maar juist naar den
+anderen kant en bereikt na twee uren met veel moeite, daar het tij
+tegen is, de _Dover Lass_, waar Chester in zijn verliefde bezorgdheid
+in zijn hut een lange beraadslaging houdt met Dalton.
+
+Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de groote sloep wordt
+uitgezet, geheel bewapend en uitgerust, en dat hij dien nacht en den
+volgenden de wacht houdt op de Schelde vlak tegenover Dona Hermoine's
+landhuis, om den slaap van Alva's dochter te bewaken. Want Chester
+heeft niet zooveel vertrouwen als zijn beminde in de afwezigheid van
+stroopende Geuzen en is vast besloten, dat geen andere zeeroover zijn
+schat zal wegvoeren.
+
+Geholpen door het tij, stevent Guy's schip de Schelde op, en hij
+bereikt de Antwerpsche dokken vroeg genoeg, om een paar uren slaap
+voor het aanbreken van den dag te genieten. Bij het gloren van den
+ochtend is hij weer op.
+
+Als hij zijn orders aan Martin Corker geeft, die in last heeft het
+lossen van de carga, voornamelijk bestaande uit zijde, te bespoedigen,
+geeft deze hem een antwoord, dat hem met verbazing vervult.
+
+"Wij hebben geen handen genoeg meer om het vlug te doen," moppert
+de bootsman.
+
+"Hoezoo? Gij hebt toch dertig man!"
+
+"Dertig gisteren--maar Bodé Volckers, wien gij mij hebt gelast te
+gehoorzamen, kwam hier gisteravond voor zonsondergang en nam twaalf
+man met hun plunje en beddegoed mee, om in de stad te slapen."
+
+"Het is goed," antwoordt de kapitein, doch begeeft zich haastig
+naar het huis van den burgemeester, om hem naar de reden van zijn
+handelwijze te vragen.
+
+Het gelukt hem met Bodé Volckers onmiddellijk een onderhoud te
+krijgen, daar deze reeds op zijn kantoor is, en daar verneemt hij,
+dat de koopman dit zaakje van schat-stelen heeft aangepakt op een
+echte koopmansmanier.
+
+"Wij hebben al een begin gemaakt," zegt Niklaas. "Laat nu alles
+maar aan mij over. Het is beter, dat gij niet veel in de zaak wordt
+gemoeid. Ik ben gemakkelijk genoeg te weten gekomen van werklieden aan
+de dokken, dat de oude senora Sebastian, die 'de Stomme Duivelin' wordt
+genoemd, tengevolge van haar boos humeur en omdat zij het vermogen
+mist, dit met haar tong te uiten,--een herberg voor zeelieden houdt
+en haar tijd verdeelt tusschen rumdrinken en slapen. Zij heeft echter
+niet veel meer te doen, daar het verkeer in de haven veel minder is
+geworden sinds dien vervloekten tienden penning."
+
+"Ja," antwoordt Guy, "de dokken zijn niet half zoo vol schepen. Maar
+wat heeft dit met onze zaak te maken?"
+
+"Dit: als er weinig schepen zijn, zijn er ook weinig matrozen, en
+'de Stomme Duivelin' had er den vorigen nacht maar twee, een Noor
+en een Franschman. Nu heeft zij er veertien, twaalf van uw schip,
+die nu de meerderheid uitmaken en hun bagage en hun stroozakken
+hebben meegenomen."
+
+"Wat is uw plan?"
+
+"Wij maken den Noor en den Franschman dronken--stomdronken; brengen hen
+dronken naar een van mijn schepen, en morgen vroeg ontwaken zij in open
+zee, buiten de Schelde, op weg naar het andere einde der wereld. Dan
+maken wij 'de Stomme Duivelin' ook dronken en bewusteloos; laten de
+twee ledige slaapplaatsen door nog twee van uw matrozen innemen--gij
+hebt immers vertrouwde lieden?"
+
+"Zeker. Zij weten, dat hun leven afhangt van hun voorzichtigheid."
+
+"Daarna kunnen er geen logeergasten meer in het huis worden opgenomen,
+omdat er geen plaats meer is, en wij hebben er eenige uren de vrije
+beschikking over; gedurende dien tijd kunnen wij onderzoeken, of
+niets ons meer in den weg staat, om ons van Alva's schat meester te
+maken. Vervolgens kunnen uw matrozen het geld overdag wegbrengen
+in hun bedden--zij vullen daartoe de stroozakken met dubloenen,
+in plaats van met stroo--en worden vervangen door nieuwe matrozen,
+die eveneens hun bedden medebrengen."
+
+"Dat is een goed plan," antwoordt Guy, nadenkend, "een beter zou ik
+niet weten. Er dreigt echter misschien nog een gevaar. Wordt het huis
+bewaakt door een van Alva's agenten?"
+
+"Daar heb ik onderzoek naar gedaan, en ik meen te weten, dat niemand,
+die in betrekking staat tot Alva en het Spaansche gouvernement, ooit
+in de buurt van het huis is geweest, sinds het verhuurd is aan senora
+Sebastian. Maar," voegt de koopman er aan toe, het hoofd schuddend,
+"daarop ben ik toch volstrekt niet gerust! Denkt gij, dat zulk een
+sluw man geen voorzorgen zou nemen, om zich voortdurend op de hoogte
+te stellen van de veiligheid van zijn schat? Let op mijn woorden,
+er is iets in Alva's standbeeld, waarvan wij niets weten."
+
+"Als gij bang zijt het waagstuk te beproeven, ik niet," zegt Guy op
+vastbesloten toon. "Laat het dan maar aan mij over."
+
+"Nu, misschien is het ook beter, dat gij er het eerst ingaat,"
+antwoordt Bodé Volckers. "Gij hebt het grootste belang bij de zaak. En
+als het tot vechten mocht komen, dan hebt gij duizend kansen tegen
+ik geen enkele."
+
+Zoo wordt het dus afgesproken, en Bodé Volckers kwijt zich met grooten
+ijver van zijn taak. Vier uur later zijn de Noor en de Franschman
+dronken; den volgenden morgen worden zij wakker, zwalkend op den
+oceaan, aan boord van een schip naar Indië, een reis, die drie jaren
+zal duren. Als het duister wordt, gaat de koopman naar Chester, die in
+zijn kantoor heeft zitten wachten en fluistert: "'De Stomme Duivelin'
+is stomdronken; sla nu uw slag."
+
+"Wijs mij den weg." En Guy neemt Corker mede en wordt door Niklaas
+gebracht in een straat dicht bij de Esplanade, waar te midden van
+andere bouwvallige en vuile woningen het huis van senora Sebastian
+staat. Een van Guy's matrozen laat hen binnen, daar de koopman hem
+niet verder heeft durven vergezellen dan tot aan de deur.
+
+"Waar is de meesteres van het huis?"
+
+"Stomdronken boven, commandant," fluistert de man. "Een uur geleden
+tierde zij nog, maar nu zal zij den geheelen nacht wel snorken,--zij
+is stom maar snorkt toch als Neptunus."
+
+Chester overtuigt zich hiervan, en een rumflesch onder haar bereik
+leggende, om te zorgen, dat als zij mocht wakker worden, zij hen toch
+niet zal storen, komt hij weer haastig naar beneden en roept uit:
+"Aan het werk!"
+
+En Guy en Corker gaan den kelder in en aan den arbeid bij het licht
+van een flikkerende olielamp.
+
+Tot groote vreugde van Chester, vindt hij, nadat hij de vier zware
+steenen in het midden heeft opgenomen, een luik, met een ring om het op
+te trekken in het midden. Het is echter niet te bewegen, en bezwijkt
+niet voor hun vereende krachten, voordat zij een ijzeren bout hebben
+gebruikt. Na een haastig onderzoek komen zij tot het besluit, dat
+het klaarblijkelijk gedurende twee of drie jaren niet van de plaats
+is geweest en dat de tijd het er zoo vast in heeft gemetseld. Als
+zij er eindelijk in zijn geslaagd, het op te lichten, zien zij een
+nauwe schacht voor zich met een ladder, die naar beneden leidt.
+
+De schacht is nauwelijks tien voet diep, en als zij de flikkerende
+lantaarn omlaag houden, ontdekken zij een gang, die in de juiste
+richting leidt.
+
+"Houd gij," fluistert Guy tot Corker, "nu hier de wacht. Indien gij
+wordt aangevallen, verdedig u dan zoo goed als gij kunt, en waarschuw
+en red mij als het mogelijk is. Zoo niet, blijf dan waar gij zijt."
+
+"Het was beter, dat gij mij met u mee liet gaan, commandant!"
+
+"Neen, ik wil mijn eigen leven eerst wagen. Ik heb de teekeningen,
+ik heb het licht, ik heb de sleutels."
+
+Terwijl hij de lantaarn eerst tot op den bodem houdt, om er zich van
+te overtuigen, dat er in de gang geen bedorven lucht is, die hem zou
+kunnen doen stikken, daalt Chester omlaag en vindt een geplaveide
+gang, nauwelijks breed genoeg voor twee menschen om elkaar voorbij
+te gaan, met een gewelfde zoldering. Hij loopt de gang ten einde,
+volkomen kalm van hoofd, al klopt zijn hart ook iets sneller.
+
+Na tweehonderd voet stuit hij op de eerste ijzeren deuren. Deze zijn
+buitengewoon sterk en zouden voor niets bezwijken, behalve voor een
+ontploffing. Hij leest de verklaring van het gebruik der sleutels nog
+eens na bij het licht van de lantaarn, ofschoon hij ze reeds uit het
+hoofd kent, daarna smeert hij den eersten sleutel in met de fijnste
+olijvenolie en steekt hem in het slot.
+
+De sloten zijn blijkbaar in goeden staat en verzekerd tegen vocht
+en roest. De sleutel draait met gemak rond. Daarna wordt de tweede
+geprobeerd--weer springt de schoot terug--daarna de derde, eveneens
+met goeden uitslag. Als hij den laatsten sleutel er uittrekt, ziet
+Chester, hoe bewonderenswaardig het mechanisme van den Italiaan is,
+want de twee zware ijzeren deuren zouden bij de aanraking van een
+kind op hun hengsels draaien.
+
+Tot zoover heeft Paciotto hem de waarheid verteld.
+
+Hij gaat nu met meer vertrouwen verder. Het tweede paar deuren is
+onder de gracht, zooals hij kan hooren aan het klotsen van het water
+boven hem. Zij worden met hetzelfde gemak geopend door den talisman,
+dien Guy in zijn bezit heeft, zoodat de machinerie zichtbaar wordt,
+waarvan de ingenieur heeft gesproken, en waarvan hij de teekening in
+zijn hand houdt, namelijk die, welke de vleugeldeuren reguleert, en
+die hem zullen doen omkomen door het water van de gracht, als Alva's
+standbeeld wordt vernield.
+
+Terwijl hij de aanwijzingen op het papier volgt, neemt hij zijn
+maatregelen om dit te beletten door de verbinding met de gracht
+af te sluiten, en brengt, teneinde de zaak dubbel veilig te maken,
+de dubbele deuren weer op haar plaats.
+
+Daarna gaat hij verder naar het derde paar deuren. Dit moet hem den
+toegang tot Alva's schatkamer verschaffen. Zijn hart bonst, terwijl
+hij de sleutels nauwkeurig naar volgorde gebruikt--bijna aarzelend,
+alsof hij bang was voor hetgeen hij daarbinnen zal zien.
+
+Eindelijk springen de schooten driemaal terug, hij duwt de deur open
+en de lantaarn omhoog houdend, wil hij verder gaan, maar hij struikelt
+plotseling, hij hoort een rinkelend geluid en valt neer te midden van
+zakken met goud, en zijn lantaarn opheffend, roept hij uit: "Bij den
+hemel, wat een aanblik voor een gierigaard!" en daarbij lacht hij,
+doch zeer zacht, alsof hij vreesde, dat het solide metselwerk van
+twintig voet dik en het groote bastion van den Hertog, dat zich er
+boven bevindt, van vloeipapier zijn en alles zullen doorlaten, zelfs
+een zucht.
+
+Zich herstellend, overziet hij vlug den schat en meent hem op minstens
+vier of vijf millioen te mogen schatten.
+
+Daarna gaat hij naar Corker terug, die hem ontvangt met: "Gij zijt
+niet geslaagd?"
+
+"Zeker, alles is in orde. Haal de manschappen." Hij neemt ze met zich
+mede en maakt een berekening van den schat; er zijn, voor zoover hij
+kan zien--hij moge een kleine vergissing begaan--omstreeks honderd
+negen en zeventig zakken met goud, alle gestempeld met Alva's wapen,
+en blijkens het strookje, dat er aan bevestigd is, inhoudende twintig
+duizend kronen, en ongeveer vierhonderd duizend Spaansche zilveren
+dollars in ongeveer tweehonderd vijftig zakken. Buitendien is er
+een sterke kist, die Chester niet opent, maar waarvan hij vermoedt,
+dat zij juweelen en andere kostbare steenen bevat.
+
+Corker als bewaker achterlatend, beveelt hij de mannen, ieder zooveel
+zakken als zij kunnen in den kelder te dragen en met dit werk voort te
+gaan, totdat hij terugkomt. Hij zet vier zwaar gewapende mannen bij den
+ingang op post, om het huis voor een plotselingen aanval te beschermen.
+
+En daarna gaat hij met haastigen tred door de duistere straten naar
+het kantoor van Bodé Volckers die hem ontvangt met--want Chester is
+niet lang bezig geweest: "Geen succes--wel?--alles gekkenpraat?"
+
+"Gekkenpraat,--die vijf millioen waard is!"
+
+"Hel en duivel! Vijf millioen! God zegene u, mijn brave jongen. Laat
+ons er dan aanstonds beslag op gaan leggen."
+
+"Neen, niemand heeft ons gestoord," spot Guy. "Daarom juist is het
+gevaarlijk, Bodé Volckers."
+
+Bodé Volckers is er nu evenmin van terug te houden, Alva's schat te
+gaan zien, als men hem vroeger daartoe zou hebben kunnen overhalen;
+en hij gaat met Guy naar het huis van "de Stomme Duivelin".
+
+Hier gekomen, zegt hij: "Laat nu alles aan mij over. Ik zal het er wel
+uit krijgen; iedere dollar zal u worden voorgeteld, op mijn eer van
+koopman." Waarop Chester antwoordt: "Dat zou mij voldoende waarborg
+zijn, maar volgens de manier van ons vrijbuiters, heb ik Corker
+gelast, elken zak te schatten en elk muntstuk op de _Esperanza_ te
+brengen. Wij zullen in Vlissingen deelen. Maar gij moet het er uit
+laten halen. Gij zijt beter voor dat werk geschikt dan ik."
+
+En dat is ook zoo, want Bodé Volckers is met hart en ziel bij het werk,
+terwijl Guy's gedachten meer in Sandvliet zijn, bij Alva's dochter.
+
+Zoo wordt de zaak dus geschikt; de matrozen zullen 's nachts al
+het goud in den kelder dragen, daarna zullen de ijzeren deuren weer
+gesloten worden en overdag zal Bodé Volckers den schat in de bedden van
+de matrozen aan boord brengen. Als koopman kan hij dit gemakkelijk doen
+zonder argwaan te wekken. Den volgenden nacht zal een ander gedeelte
+der matrozen het zilver uit het gewelf naar den kelder brengen en
+het overdag op dezelfde wijze vervoeren, alsmede de kist met juweelen.
+
+"Als wij het goud hebben ingepalmd, zal het voornaamste van den buit
+wel binnen zijn," zegt Bodé Volckers. "Onderwijl zal ik carga in de
+_Esperanza_ brengen, om het schip in staat te stellen, Antwerpen weer
+te verlaten."
+
+"Gij zijt op alles verdacht," zegt Guy. En hij beveelt Corker, het
+goud, als het aan boord komt, te bergen onder de hut, daar waar de
+gesmokkelde haakbussen verstopt zijn geweest, op hun vorige reis
+naar Antwerpen. Maar op zijn horloge ziende, mompelt hij verschrikt:
+"Hemel, het is al acht uur! Nu zijn de poorten gesloten, en kan ik
+niet meer voldoen aan mijn afspraak."
+
+"Ah! Te Sandvliet?" grinnikt de koopman.
+
+"Ja."
+
+"Dat dacht ik al. Maar ik kan u nu door de poorten brengen. Zij worden
+niet meer bewaakt door de Spaansche troepen. Onze burgerwacht doet nu
+dienst. Luitenant Karloo aan de hoofdpoort is een vriend van mij. Ik
+zal u bij hem brengen."
+
+Zoo ondervindt Guy weinig belemmering, als Bodé Volckers doorgang voor
+hem vraagt. Het Spaansche garnizoen is wegens den oorlog in Holland
+langzamerhand zóó verminderd, dat het nog enkel voldoende is, om de
+Citadel zelf te bewaken.
+
+Chester merkt dit alles met genoegen op en hij begrijpt, dat het hem
+nu gemakkelijker zal vallen, het goud door de poorten te brengen en in
+zijn schip te laden, daar er onder de burgerwacht niet die discipline
+heerscht als onder Alva's veteranen. En met een verruimd hart zeilt
+Chester nu opnieuw naar Sandvliet, bij zichzelven overleggend: "Nu
+ik in het bezit ben van haar bruidsschat, is het oogenblik gekomen,
+om Dona Hermoine zelve tot de mijne te maken!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX.
+
+"PAPA KOMT! NU ZAL IK HET DOEN!"
+
+
+"Het is al over tienen--maar beter laat dan nooit," denkt Guy, als hij
+uit de boot springt, de trap opvliegt en met haastige schreden het
+smalle pad naar Sandvliet opsnelt. "Drommels! Zij is nog niet naar
+bed gegaan," lacht hij, ziende, dat de vertrekken, waarin Hermoine
+hem gisteren heeft ontvangen, nog helder verlicht zijn. Hij laat den
+koperen klopper op de deur vallen.
+
+Deze wordt terstond geopend door Alida, die reeds op hem schijnt te
+wachten. Zij fluistert haastig: "Excellentissima wacht u."
+
+"Is zij alleen?"
+
+"Ja, senor coronel."
+
+Chester licht de draperieën van de deur op, en een blik slaande in
+het vertrek, geraakt hij geheel en al in verrukking over het schoone
+tooneel, dat zich aan zijn oogen vertoont.
+
+De kamer is verlicht door hanglampen, gevuld met welriekende olie,
+en versierd met bloemen van Venetiaansch glas, doch te midden
+van die pracht staat met een pruilend mondje de godin van dit
+feeënverblijf. Zij is gekleed in een licht gazen avondtoilet van het
+bleekste amber. De golvende souple stof omgeeft haar als een wolk,
+waaruit haar ronde armen, haar fraaie hals en schouders te voorschijn
+komen--blinkende in het stralende licht als een lichte zomerwolk,
+die even gekleurd is door de zonnestralen. Op haar sierlijken hals
+rust een even schoon gelaat, omlijst door het zachte en golvende
+zwarte haar, getooid met bloemen, en in het gelaat schitteren twee
+verontwaardigde oogen. Zóó staat zij daar, als een fee in een sprookje.
+
+Zij is, zooals het schijnt, geducht uit haar humeur, want een klein
+voetje, dat onder haar rok van Mechelsche kant komt uitgluren, trappelt
+ongeduldig op den vloer, en haar oogen, ofschoon zij toornig vlammen,
+staan vol tranen als Guy binnenkomt. Maar in het volgende oogenblik
+komt er een uitdrukking van geluk over haar gelaat en is zij aan zijn
+zijde, om hem een welkom toe te fluisteren. "Ik dacht, dat gij nooit
+zoudt komen. Gij scheent geen groot verlangen naar mij te hebben!"
+
+"Ik werd opgehouden door zaken."
+
+"Zaken? Welke zaken heeft een luierende dandy?" en Dona Hermoine
+steekt haar neusje in de lucht.
+
+"Ja, door zaken, namelijk om mijn vermogen in zulk een staat te
+brengen, dat ik er flink mee voor den dag kan komen bij uw vader,
+als ik hem om uw hand vraag," antwoordt Guy, voor een enkelen keer
+de waarheid sprekend.
+
+"O, daaraan hadt gij niet behoeven te denken," roept het meisje uit,
+"ik heb geld genoeg voor ons beiden. Denkt gij misschien, dat ik u om
+uw geld trouw, Guido, als ik vorstelijke bezittingen in Italië heb,
+die alle de uwe zullen worden, mijn meester en heer?" En zij maakt
+een buiging voor hem en vleit: "Gij hebt mij nog maar eens gekust!"
+
+"Hoe kan ik anders, als gij uw neus in de lucht steekt?"
+
+"Dat bracht mijn lippen nader tot de uwe," lacht zij.
+
+Doch het verdere gedeelte van den avond heeft zij geen reden, om zich
+opnieuw over zijn verwaarloozing te beklagen; want Guy is geheel
+en al betooverd door haar schoonheid, die hem heerlijker dan ooit
+toeschijnt, en hij drinkt haar in, zooals een man den zwaren wijn
+drinkt, die hem het hoofd doet verliezen.
+
+"Gij hebt toilet gemaakt als voor een feest," fluistert hij in het
+rose oortje, dat dicht bij hem is.
+
+"Doch enkel voor u; gij herinnert u, mijn heer, dat gij mij hebt
+bevolen, geen gasten uit te noodigen."
+
+"En gij hebt mij gehoorzaamd?"
+
+"Ja--wordt gij dan niet mijn heer?"
+
+"Gij zoudt mij dus evengoed gehoorzamen als een vader?" lacht Chester.
+
+"O, veel beter! Papa zegt, dat ik zijn tyran ben en de ware viceroy der
+Nederlanden, doch dat is niet waar," zegt het meisje met overtuiging;
+daarna zucht zij: "Als dat zoo was, was dit land een ander,"--en
+daarna roept zij op haar ouden toon uit: "Maar laten wij daarvan
+niet spreken, verjaag uit mijn gedachten wat mij zoovele tranen
+heeft veroorzaakt. Laat mij er slechts aan denken, dat wij bij elkaar
+zijn--gelukkig! En ik heb mij voorgenomen, u dezen avond heel gelukkig
+te maken, mijn Guido."
+
+"Het is onmogelijk mij nog gelukkiger te maken, dan ik reeds ben,"
+fluistert Guy, in verrukking het schoone meisje beschouwend, dat hij
+zoo spoedig de zijne hoopt te nemen.
+
+"En toch kan ik dat nog. Gij weet niet, welke verrassing ik voor u
+heb weggelegd. Het kwam mij voor, dat wij u den vorigen avond niet
+aangenaam genoeg bezighielden. Ik had met de gravin De Pariza willen
+spreken, als zij vandaag hier was gekomen, en speellieden uit Antwerpen
+willen ontbieden, om muziek voor ons te maken op het water voor de
+vensters. Dat zou romantisch geweest zijn, zooals in den tijd der
+troubadours, en geleken hebben op een Venetiaanschen nacht, nietwaar,
+mijn Guido?"
+
+"Daar zal ik een volgenden keer voor zorgen," fluistert de verrukte
+Chester.
+
+"Maar toch heb ik voor u gedaan, wat ik kon. Mijn Moorsche meisjes
+zullen later voor u spelen en dansen--voor het oogenblik wil ikzelve
+trachten u te amuseeren. Ik meende uit een opmerking van gisteravond te
+moeten opmaken, dat gij denkt, dat ik geen talenten bezit. Luister!" En
+ondanks Guy's protest, die niets anders verlangt, dan zijn meisje het
+hof te maken, neemt de jonge dame van een stoel een mandoline, waarmee
+zij blijkbaar den tijd heeft gedood, totdat hij kwam, gaat zitten
+en begint, hem aankijkend, een liefelijk preludium te tokkelen. En
+daarna zingt de stem, waarvan de Hollandsche Watergeus zeide, dat
+zij gelijk was aan de engelenstem van het orgel in Amsterdam, een
+Moorsch lied voor hem, zoet, tropisch, zwaarmoedig, met die gratie
+en zoetvloeiendheid, die alleen eigen zijn aan het zonnig Italië en
+Spanje. Het schoone en betooverende van dit alles wordt nog verhoogd
+door de teedere blikken, waarvan de zangeres haar gezang doet vergezeld
+gaan, en het lied eindigt dan ook met een verrassing; want de laatste
+toon, ofschoon bestemd voor zijn oor, wordt regelrecht gericht op de
+lange snor van haar verloofde en afgebroken op een wijze, die in de
+muziekgeschiedenis onbekend is.
+
+"Madre mia!" lacht het meisje, "men zou denken dat gij de componist van
+het stuk waart. Gij hebt mijn mooie hooge noot wreedaardig vermoord."
+
+"Laat mij haar vervolgen!" Dit komt van een ruwe, snerpende stem
+achter hen.
+
+En als het paar opschrikt, zien zij Hermoine's duena voor zich, de
+gravin De Pariza, die hen ontsteld aanstaart, en het opnemend voor
+de beleedigde etiquette, uitbarst:
+
+"Ik was van plan geweest, Dona de Alva, vanmiddag terug te komen, doch
+werd opgehouden door boodschappen in de stad. En nu ik terugkeer, kom
+ik tot de ontdekking, dat ik niet had moeten heengaan. Ik ben verbaasd,
+dat iemand, die door mij is opgevoed, _alleen_ een cavalier ontvangt."
+
+"Niet als die cavalier mijn toekomstige echtgenoot is, kolonel Guido
+Amati. Gij hebt hem, zooals gij u wel zult herinneren, reeds vroeger
+gezien, bij den koopman Bodé Volckers. Gij--"
+
+Doch op dit oogenblik gilt haar duena met rollende oogen:
+
+"Guido Amati! De man, die gesneuveld is! O hemel, een geest! Heilige
+Maagd, bewaar mij voor den geest!" en zij zinkt neer, Latijnsche
+gebeden prevelend.
+
+Hermoine begint echter te lachen: "Neen, niet dood! Gij behoeft
+hem niet te bezweren! Dit is vleesch en bloed, laat hij u maar eens
+aanraken met zijn lippen!"
+
+Waarop Chester protesteert: "Neen, neen!"
+
+"Ja, ja, kus haar de hand. Zij is zeer gesteld op een ridderlijk
+huldebetoon, kus haar de hand! Ik geef u verlof. Ik zal niet jaloersch
+zijn, Guido mio."
+
+En toegevende, drukt Guy lachend een kus op de dorre handen, die zijn
+opgeheven tot een gebed.
+
+Deze aanraking schijnt haar te kalmeeren, en bemerkende, dat hij geen
+geest is, staat de gravin De Pariza op en wordt weer geheel duena,
+terwijl zij op hoogen toon zegt: "Als kolonel Guido Amati dan geen
+geest is, moet ik dien edelman verzoeken, zijn bezoeken hier te
+staken, totdat ik den hertog van Alva heb ingelicht aangaande zijn
+bedoelingen."
+
+"De edelman zal zijn bezoeken in mijn huis niet staken!" antwoordt
+Hermoine met een verontwaardigde flikkering in haar oogen.
+
+"Gij vergeet, dat gij tot uw duena spreekt!"
+
+"Bedenk, dat ik Dona de Alva ben!"
+
+"Goed, in dat geval schrijf ik terstond aan uw vader."
+
+"Gij zult van dit alles geen woord aan mijn vader overbrengen. Ik zal
+hem alles vertellen op mijn eigen manier en als ik den tijd daartoe
+gekomen acht."
+
+"Zal ik niet!" krijt de duena. "Zal ik niet! Meent gij, dat ik uw
+vaders toorn op mij wil laden?"
+
+"Laad dan den mijne op u!" roept het meisje uit, en terwijl zij
+vlak voor haar duena gaat staan, vervolgt zij met vlammende oogen:
+"Waag het, een woord van dit alles aan wien ook te zeggen, voordat ik
+het u beveel, en ik vertel mijn vader, dat vier jaren geleden, toen
+gij meendet, dat ik nog te jong was, om op staatszaken acht te slaan,
+gij, voor twee duizend kronen, den jongen Brederode hebt gewaarschuwd,
+zoodat hij Brussel kon ontsnappen om gevangenneming en terechtstelling
+te ontgaan!"
+
+"Welke bewijzen hebt gij daarvoor?" stamelt de gravin.
+
+"Geen andere dan Brederode's brief, waarin hij u dankzegt voor uw
+waarschuwing en verklaart, dat hij u genoeg had gegeven en niet van
+plan is, meer te geven. Ik heb dien brief zorgvuldig bewaard. Hebt gij
+u misschien verbeeld, dat ik u hier bij mij had laten blijven, indien
+ik u niet naar mijn hand kon zetten, wanneer ik het verkoos?" spot
+Hermoine.
+
+"Ik--ik was in zulk een groote geldverlegenheid," stamelt La Pariza.
+
+"Meent gij, dat dit u zal vrijwaren voor straf? Gij weet, welk vonnis
+mijn vader doet vellen over een ieder, die behulpzaam is bij een
+ontvluchting--eerst de pijnbank--en daarna de brandstapel!" Deze
+vreeselijke bedreiging komt zoo koel over de lippen van het meisje
+alsof zij een ijsberg ware, en als Chester haar aankijkt, behoeft
+hij niet te twijfelen dat zijn verloofde Alva's dochter is.
+
+"Neen--neen! Genade!" snikt de gravin.
+
+"Dan voor mij op uw knieën, en zweer mij bij het kruis van Christus,
+dat gij tegen niemand over mijn verloofde zult spreken. Zweer het--op
+uw knieën en zweer het!" roept Hermoine dreigend uit.
+
+"Ik--ik zweer het," stamelt de duena.
+
+"Op uw knieën en met het kruis op uw lippen. Op uw knieën! Zweer het
+bij de Zeven Heiligen van het Christendom, bij de Twaalf Evangelisten,
+bij de Vier Apostelen, bij al de sacramenten van de kerk, bij het
+lichaam van onzen Heer, spijt anathema en dispensatie beide--zweer!"
+
+En zich op de knieën werpend, zweert de ontstelde gravin De Pariza
+den eed, haar voorgezegd door Alva's dochter, die haar het crucifix
+tegen de lippen drukt.
+
+"Waartoe dat heele relaas?" vraagt Guy, die in verbazing het tooneel
+heeft aanschouwd, waarin Dona Hermoine hem een nieuwen blik op haar
+karakter geeft.
+
+"Omdat ik haar niet vertrouw," antwoordt het meisje. "Het moet een
+sluwe priester zijn, die het nu uit haar krijgt. Breek dien eed en
+uw ziel vliegt rechtstreeks door het vagevuur naar de eindelooze
+hellepijn, gravin De Pariza."
+
+"Ik--ik meende altijd, dat gij van mij hieldt," stamelt de duena
+opstaande.
+
+"Van _u_ houden?" herhaalt het meisje met een vreemde flikkering
+in haar oogen. "Denkt gij, dat ik ben vergeten, dat gij mij, toen
+ik twaalf jaar was, om de ooren hebt geslagen? Denk niet, dat ik
+bang voor u ben! Dat is goed voor uw Moorsche slavin, die naar uw
+kleedkamer gaat als naar de pijnbank. Ik hoorde haar gistermorgen
+nog gillen onder uw kastijding. Maar heb niet het hart, met uw
+lafhartige natuur, u op haar te wreken. Neem u in acht voor mij,
+ik haat wreedheid! _Ik ben Alva's dochter_!"
+
+Bij deze laatste woorden bijt Guy zich op zijn lippen, om een glimlach
+te verbergen, en Dona De Pariza laat een half onderdrukten spotlach
+hooren.
+
+Het meisje gaat op haar af en roept uit: "Waag het niet, den schijn
+aan te nemen alsof gij mijns vaders naam bespot, waag het niet,
+hem van wreedheid te beschuldigen. Hij is voor mij altijd zoo goed
+geweest als een engel. Ik wil het niet van uw lippen hooren--noch
+van _iemands_ lippen!" want Guy heeft zijn glimlach toch niet geheel
+kunnen verbergen en zij gaat nu voor hem staan met een hooghartige
+uitdrukking op haar gelaat, zeggende: "Vergeet niet, dat ik de dochter
+van den Viceroy ben."
+
+"Boete!" lacht Chester.
+
+"O ja--o--o--ik vergat het! Ja, mijn heer!" zegt zij, een buiging
+voor hem makend. En als hij de boete opeischt, fluistert zij: "O
+santos! wat zijt gij een kwelgeest--gij kust mij, zoo vaak als gij
+er de kans schoon toe ziet."
+
+Dit tooneel beschouwt de duena in de uiterste verbazing, terwijl zij in
+zichzelve mompelt: "God zij geloofd, juffertje-driftkop heeft eindelijk
+haar meester gevonden! Die verloopen doordraaier Guido Amati zal haar
+naar zijn pijpen doen dansen, daarvoor sta ik borg!" en daarna gaat
+zij naar haar kamer, het paartje alleen latend,--waarom het volstrekt
+niet rouwig is.
+
+Als La Pariza hen een oogenblik later had kunnen beluisteren, zou
+zij nog meer verbaasd zijn geweest, want zij zou dan hebben bemerkt,
+dat kolonel Guido Amati Dona Hermoine een boetpredikatie houdt over
+de noodzakelijkheid, zijn gevoel en zijn tong te beheerschen.
+
+Hiernaar luistert het meisje oplettend, met neergeslagen oogen, op een
+wijze, die Guy wel verwondert maar hem tevens hoogst welgevallig is;
+want hij heeft de vaste overtuiging, dat er slechts één middel is om
+dit meisje te veroveren--namelijk haar te ontvoeren, en hij beseft,
+dat hij, om dat te kunnen doen, haar volkomen moet beheerschen.
+
+Maar hij maakt zijn predikatie een weinig te lang en zij roept
+eensklaps plagend uit: "Bullebak! Bullebak! Ik ben de dochter van den
+Viceroy!" en danst dan lachend weg. En hij zet haar achterna, om de
+boete te innen, over tafels en stoelen en divans; Hermoine neemt haar
+langen sleep op en ontsnapt hem telkens weer op haar vlugge voetjes,
+totdat hij haar vangt bij de derde portière in de kamer, waarachter
+hij nog geen blik heeft mogen werpen.
+
+Hier wordt zij, terwijl hij haar in zijn armen houdt, eensklaps zeer
+ernstig en fluistert: "Beknor mij niet; als gij het wilt, zal ik
+boete doen, mijn Guido, omdat ik u wat uit de hoogte heb behandeld,
+maar niet omdat ik het haar deed. Hier binnen zal ik vannacht tien
+Ave Maria's voor u bidden." En de gordijnen ter zijde trekkend,
+toont zij hem de verlichte kapel van het huis; achter de brandende
+kaarsen staat het schilderij van zijn dooden vriend, het meesterstuk
+van Oliver, en zij fluistert: "Hier op deze plaats bid ik voor u!"
+
+"Ja," antwoordt Guy met een blik op de liefelijke Madonna, "ik offer
+zelf aan dat altaar."
+
+"St, niet spotten," antwoordt het meisje plechtig. "Dit is de kapel,
+waarin wij getrouwd zullen worden."
+
+Dit denkbeeld verplaatst Guy in den zevenden hemel en hij begaat een
+groote fout, waarover zij hun eerste werkelijke kibbelpartij hebben,
+want hij komt zeer handig met het plan van een geheim huwelijk voor
+den dag.
+
+Daarop zegt zij zeer uit de hoogte: "Buiten weten van mijn vader,
+zonder zijn toestemming, hij, die mij zoo liefheeft? Nooit!" en vier
+of vijf minuten lang is zij ongenaakbaar voor haar Guido.
+
+Hij stapt echter weer even handig van de zaak af en verschoont er
+zich mee, dat het enkel zijn vurige liefde voor haar is, en dan
+vergeeft Hermoine hem en zendt hem eindelijk weg, overgelukkig,
+hartstochtelijker dan ooit, maar met het bewustzijn, dat hij een lastig
+werk voor zich heeft--om de jonge dame te schaken en toch haar liefde
+te behouden.
+
+Het onderhoud met de gravin De Pariza toont hem, dat spoed een
+vereischte is voor zijn welslagen en dat elk eenigszins lang uitstel
+in deze zaak waarschijnlijk noodlottig zal zijn voor zijn voornemen
+en misschien ook voor zijn leven.
+
+Maar het meisje heeft eveneens haar plan van handelen gemaakt, en als
+er den volgenden morgen een koerier met brieven uit Holland komt,
+klapt zij in haar handen vol vreugde over een idee, dat in haar
+levendig brein plotseling is opgekomen, en zij zegt bij zichzelven:
+"Papa komt, nu--nu zal ik het doen! Hoera! Ik zal het doen!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI.
+
+"DE HERTOG VAN ALVA!"
+
+
+Onbekend met Dona de Alva's plannen voor zijn welzijn, gaat haar
+verloofde als een voorzichtig man voort, om het kleine fortuin te
+verzamelen, waarmee hij zijn huishouden denkt te beginnen en hij
+blijft den geheelen volgenden dag op zijn schip, om de zakken met
+goud in ontvangst te nemen, die eenige uren te voren toebehoorden
+aan zijn toekomstigen schoonvader en nu in zijn bezit zijn.
+
+Zij worden aan boord gebracht, veilig verborgen in de bedden van de
+matrozen, en als zij niet zoo zwaar waren geweest, zou men nooit hebben
+kunnen vermoeden, dat het geen gewone bedden waren. Zij worden alle
+aan boord gebracht door Chester's eigen matrozen, en hoe zwaarder de
+zak is, des te meer in zijn nopjes is de zeeman, die hem draagt. Het is
+dan ook slechts door strenge bevelen en door de bedreiging, den eerste
+den beste te zullen dooden, die zijn vreugd laat blijken, dat Chester
+de uitgelatenheid van zijn pikbroeken, waardoor de opmerkzaamheid
+van de andere schepen op hen gevestigd zou kunnen worden, intoomt.
+
+Corker zelf brengt de eerste lading naar beneden.
+
+"Bodé Volckers is een zeeroover van beroep," fluistert de zeeman als
+hij Chester verslag geeft. "Hij zou vechten voor het goud, totdat hij
+geen droppel bloed meer in de aderen had. Hij heeft moeder Sebastian
+al tweemaal Jamaica gegeven, en de duivel mag haar met rust laten,
+als zij niet aan de rum sterft, eer wij den laatsten zak uit het huis
+hebben. Bodé heeft touwen meegebracht om haar te binden, als het moet;
+dat zij niet kan janken is voor ons van groot voordeel. Geen prop
+noodig, men knoopt haar eenvoudig even aan den beddestijl op en zij
+is onschadelijk gemaakt."
+
+Den geheelen dag komt het goud geregeld aan boord en tegen den avond,
+want de mannen werken hard, telt Chester, dat hij onder den vloer van
+de hut van de _Esperanza_ honderd negen en zeventig zakken met goud
+heeft, verzegeld met Alva's wapen; en als hij ze schat op twintig
+duizend kronen elk, heeft hij drie millioen, vijfhonderd en tachtig
+duizend kronen in zijn bezit. Dit stemt volmaakt overeen met de opgave
+van Corker.
+
+En nu laat hij de matrozen onder toezicht van Niklaas, om het zilver en
+de kist met onbekende preciosa uit de schatkamer te halen, en draagt
+Martin Corker de bewaking op van het schip met zijn kostbare vracht,
+terwijl hijzelf een boot neemt en de Schelde afzakt naar Sandvliet,
+brandend van verlangen om zijn beminde te zien.
+
+In dit opzicht doet Dona Hermoine niet voor hem onder. Zij staat
+reeds op den uitkijk naar de boot en snelt hem verheugd tot aan de
+landingsplaats te gemoet, opgewonden uitroepend: "Goed nieuws! Goed
+nieuws!"
+
+"Welk nieuws?" vraagt Chester angstig--daar bijna elk nieuws nu voor
+hem gelijkstaat met slecht nieuws.
+
+"Papa komt--hij zal spoedig hier zijn. Dan kunt gij het hem vragen."
+
+"Wanneer zal de Hertog hier zijn?"
+
+"Binnen drie of vier dagen, volgens zijn brief."
+
+"A--ah!" laat Guy hooren met een diepe zucht van verlichting, want
+den volgenden avond moet het op de een of andere manier tot een
+beslissing zijn gekomen tusschen hem en zijn meisje, dat schoone
+wezentje, dat aan zijn arm hangt, terwijl hij het pad naar het huis
+opwandelt; haar kleine voeten maken twee stappen tegen de zijne een.
+
+Het staat bij hem vast, dat de volgende avond moet beslissen,
+of zij zijn vrouw zal worden en hem gelukkig zal maken voor zijn
+geheele leven, of dat hij haar dan voor het laatst zal zien. De
+gedachte hieraan maakt dat hij teederder dan ooit voor haar is,
+hij weet toch, dat, al zijn de omstandigheden hem ook ongunstig,
+zij hem toch liefheeft.
+
+Daarna een tête-à-tête in het vooruitstekende venster aan de Schelde
+en zij zitten gezellig te babbelen, totdat hij haar zegt, dat hij
+vandaag geen tijd heeft, om lang te blijven.
+
+"Waarom?" pruilt zij.
+
+"Omdat ik schikkingen tref aangaande mijn vermogen, om daarmee
+behoorlijk voor den dag te kunnen komen bij uw vader."
+
+"O ja, dat heb ik al vroeger gehoord! De hertog van Alva is jegens
+mij altijd heel goed en toegevend geweest, en hij zal ook nu mijn
+verzoek niet weigeren. Ik heb hem over u hooren spreken, mijn Guido,
+als den dappersten man van het Spaansche leger; dat zegt veel, daar
+er zoovele dapperen zijn. Die beroemde tocht, dien gij hebt gemaakt,
+heeft u bij hem evenzeer in de gunst gebracht als bij mij."
+
+De lof van den doode, in wiens schoenen hij staat, belet Guy een
+bekentenis te doen, die hij in de beide laatste dagen telkens op
+de lippen heeft gehad: "God helpe mij, als zij slechts mijn naam
+liefheeft en niet mij!" denkt hij telkens huiverend bij zichzelven.
+
+Hij zou misschien later op den avond alles aan Hermoine hebben
+verteld, want hij begrijpt, dat zij er nu recht op heeft, de waarheid
+te vernemen, maar er komt iets tusschenbeide, dat hun van weinig
+beteekenis toeschijnt, doch grooter invloed op hun leven heeft,
+dan zij vermoeden.
+
+Guy heeft lachend geïnformeerd naar de gravin De Pariza.
+
+"Sedert gisteravond heeft zij geen woord tegen mij gezegd. Zij blijft
+in haar eigen vertrekken," antwoordt de jonge dame. "Die vrouw zou
+mij verraden, als zij durfde, en na hetgeen gisteren is voorgevallen,
+beklaag ik haar Moorsche slavinnen. Gij weet, dat toen Papa mij Zora
+schonk, hij Alida ten geschenke gaf aan de gravin De Pariza. Ik hield
+echter meer van Alida, en om haar te bevrijden uit de handen van haar
+tyran, want dat is mijn duena--gij behoeft mij met uw kussen niet
+telkens in de rede te vallen, Guido mio--ben ik er in geslaagd, Zora
+tegen Alida te ruilen en nu is Alida bij mij in dienst en Zora bij
+de Gravin. Het was een overeenkomst, doch geen schriftelijke. Maar
+vanmorgen eischte zij Alida terug. Zou het zijn om haar wraak te
+koelen op het arme meisje?" vervolgt zij levendig. "Als dat zoo is,
+als zij haar durft slaan, laat zij zich dan in acht nemen voor Hermoine
+de Alva."
+
+Terwijl zij spreekt, springt zij, zich losrukkend uit Guy's armen,
+op en fluistert: "Wat is dat? Luister! Mijn hemel, het is Alida!"
+
+Want men hoort nu duidelijk een verwijderd gekerm. "Het is Alida! Die
+laffe vrouw heeft haar geslagen!" roept zij uit.
+
+En snel als de wind, met vlammende oogen en een uitdrukking van wraak
+op haar gelaat, vliegt Hermoine de Alva de kamer uit, terwijl Guy
+haar volgt, doch haar nauwelijks kan bijhouden. Aan het eind van een
+gang duwt het meisje haastig een deur open en aan hun oogen vertoont
+zich een zonderling schouwspel.
+
+Het is de kamer van de duena; in het midden staat de gravin De Pariza
+met opgeheven zweep en voor haar op den grond hurkt Alida, de Moorsche
+slavin. Doch de zweep daalt niet neer. Met den sprong van een jonge
+tijgerin rukt Hermoine haar uit de hand van de onthutste gravin.
+
+"Hoe durft gij mijn kamer binnentreden?" schreeuwt deze.
+
+"Hoe durft gij iemand slaan, die mij toebehoort?"
+
+"Pardon, Dona de Alva," zegt de gravin op snijdenden toon. "Het
+meisje is een geschenk van uw vader aan mij. Geef mij mijn zweep,
+opdat ik haar een bestraffing kan toedienen."
+
+"Nooit! Alida behoort mij toe, gij hebt haar aan mij overgedaan; zij
+is van mij, ik houd van haar en zij staat onder mijn bescherming, zij
+is mijn Alida. Wreed schepsel! Gij hebt uw zweep terugverlangd? _Gij
+zult ze hebben_!" En als een wrekende godin gaat zij op de sidderende
+duena af, die, hevig ontsteld, begint te gillen.
+
+Maar Guy houdt den blanken opgeheven arm tegen.
+
+"Ik doe het, als zij het waagt haar aan te raken!" zegt Hermoine op
+woesten toon tot Guy; en daarna vriendelijker tegen Alida: "Ga naar
+mijn kamer en blijf daar; daar zijt gij veilig," en weer in den vorigen
+toon vervallend: "Laat zij het hart hebben u weer aan te raken en ik
+eerbiedig haar grijze haren zelfs niet!"
+
+"Groote God, mijn pruik!" krijscht La Pariza en zij laten haar staan,
+heur dunne haren uitrukkend. De Gravin, zonder valsch haar en andere
+kunstmiddelen om de sporen van verval te verbergen, vertoont een
+leelijk, ja zelfs een terugstootend beeld, want op haar gelaat is,
+behalve de verwoesting van den tijd, nu ook nog een uitdrukking van
+duivelschen haat te lezen.
+
+Terwijl Guy zijn meisje wegvoert fluistert hij: "Hebt gij opgemerkt,
+hoe zij u aanzag? Zij is nu levenslang uw vijandin."
+
+"Daar geef ik niets om!" lacht Dona de Alva fier. En zij vervolgt
+zacht: "Ik ben blij, dat gij mij belet hebt, tot haar laag peil af
+te dalen. Had ik haar aangeraakt, ik zou mij over mijzelve geschaamd
+hebben. Als ik de uwe ben door den zegen van de Moederkerk, gebruik
+dan als echtgenoot al uw lankmoedigheid om mijn vrouwelijke zwakheden
+te verdragen."
+
+Guy voelt zich door die woorden beschaamd, want hij is, als hij in
+twist geraakt met zijn gelijken, dikwijls wreed en bloeddorstig en te
+midden van zijn matrozen grijpt hij al heel spoedig naar het eindje
+touw, als de discipline van het schip zulks vereischt.
+
+Hij aarzelt nu weer opnieuw om Hermoine te zeggen, dat hij een
+ander is, dan de Guido Amati, voor wien zij hem houdt en dien zij
+bemint. Maar aan den anderen kant zou hij haar voor niets ter wereld
+willen verliezen en hij wil zelfs het gevaar loopen, haar verwijten
+te moeten hooren en haar toorn op zich te laden, als zij maar de
+zijne wordt door den zegen van de kerk, voor de menschen en voor God.
+
+Om dit mogelijk te maken, moet hij nog veel toebereidselen treffen. En
+afscheid van haar nemend, zegt hij: "Morgenavond precies om negen
+uur. Onthoud het, ik ben van plan een klein waterfeest voor u te
+arrangeeren. De maan is er dan nog niet, maar zij zal opgaan eer wij
+terugkomen. Wilt gij morgenavond een zeiltochtje met mij op het water
+maken, mijn lieveling?"
+
+"Ja, en zelfs vanavond wel, als gij het mij hadt gevraagd," lacht
+het meisje. Daarna zegt zij peinzend: "Was Papa maar hier, dan konden
+wij hem meenemen."
+
+"Ik--ik smeek den hemel van niet," antwoordt haar beminde ontsteld.
+
+"O, vrees niets, ik ben almachtig tegenover den hertog van Alva!"
+
+Met een laatste kushand, snelt Dona Hermoine, vervuld van dit
+denkbeeld, naar huis terug.
+
+Dit vertrouwen in haar macht over Philips' onderkoning, brengt
+onverwachts een verandering in dien droom van jonge liefde.
+
+Den volgenden dag reeds in den namiddag galoppeert de hertog van
+Alva met rinkelende sporen en overdekt met het stof van de reis,
+begeleid door dertig ruiters, voor Hermoine's landhuis, om daar door
+zijn dochter met vreugde verwelkomd te worden.
+
+Het meisje snelt hem verheugd te gemoet, uitroepend: "Ik dacht niet,
+dat gij zoo spoedig hier zoudt zijn; uw brief sprak eerst van over
+vier dagen, hertog van Alva!" En zij maakt een dienaresse voor
+hem, maar hij springt van zijn strijdros, terwijl zijn slangenoogen
+schitteren als hij de eenige vreugde van zijn ouderdom ziet, en zijn
+mooi kind aan zijn hart drukkend, fluistert hij: "Dus, mijn Hermoine,
+zijt gij teleurgesteld?"
+
+"Teleurgesteld dat gij zijt gekomen? Integendeel--verrukt!"
+
+"Gij moet weten," merkt de Hertog op, nadat hij met haar het huis
+is binnengetreden, "dat ik, nadat ik u had geschreven, een koerier
+van Antwerpen ontving, die mij een tijding bracht van D'Avila, den
+commandant, waardoor het noodzakelijk werd, dat ik voor een paar
+dagen terugkeer naar de Citadel."
+
+Dit is de waarheid; want onder een lang rapport over militaire
+aangelegenheden, over versterkingen, wapenen en oorlogsammunitie en
+verschillende bijzonderheden aangaande de garnizoenen van Brabant en
+Vlaanderen, heeft Sancho d'Avila bij wijze van postscriptum geschreven:
+"Wat ik nog zeggen wilde, het zal Uwe Hoogheid niet onverschillig
+zijn te vernemen, dat uw oude veteraan, de eerwaardige Roderigo,
+vier dagen geleden stierf."
+
+Juist dit oogenschijnlijk zoo onbeduidend postscriptum heeft den hertog
+van Alva zoo plotseling herwaarts gebracht van Nijmegen, waar hij bezig
+was te zorgen dat de belegeraars rondom Haarlem van ammunitie werden
+voorzien. Binnen een uur na de ontvangst bestelde Alva, met eenige half
+ingehouden verwenschingen, zijn paard en verliet de stad aan de Waal
+met zijn lijfgarde, van paarden verwisselend te 's-Hertogen-bosch,
+Breda en Bergen-op-Zoom en zoo snel als hij kon langs de Schelde
+naar Antwerpen trekkend. Daar de weg langs Sandvliet liep en het
+hem slechts een omweg van vijf minuten kostte om haar te bezoeken,
+die hem het liefste op aarde is, heeft de Hertog dien omweg genomen,
+en hij houdt thans zijn dochter in zijn armen.
+
+"Ik kan niet lang blijven," merkt hij haastig op; "ik moet nog vanavond
+in Antwerpen zijn."
+
+"Morgen vroeg is veel beter. Uw kamer is altijd voor u in
+gereedheid. Zij wordt nooit door iemand anders gebruikt." Bij deze
+woorden bloost het meisje eensklaps, want het schiet haar te binnen,
+dat Guido er, al is het slechts een kwartier, gebruik van heeft
+gemaakt. "Gij moet met mij soupeeren!"
+
+"Onmogelijk, ik moet verder gaan."
+
+"Gij moogt niet, papa, _gij moogt niet_! Gij zijt zoo lang onder
+mijn contrôle weg geweest, dat gij weerspannig en ongedisciplineerd
+zijt geworden."
+
+Dit is de manier om haar zin bij Alva door te drijven, een manier, die
+hij niemand anders zou veroorloven, man noch vrouw. Terwijl zij tot
+hem spreekt, neemt zij ondanks zijn tegenwerpingen den helm van zijn
+hoofd, streelt zijn grijze haren en trekt aan de twee punten van zijn
+langen zilveren baard, uitroepend: "Nu zijt gij mijn gevangene! Tien
+kussen als losgeld!"
+
+"Santos y demonios! gij zijt de ergste rebel in de Nederlanden,"
+lacht de Hertog.
+
+"Ja, de meest uittartende en de eenige die u zal bedwingen."
+
+Dat bevalt den hertog van Alva, die voor zijn doen uitstekend geluimd
+is, en hij zegt: "Gij hebt gelijk; ik heb Haarlem nu zoo goed als zeker
+in mijn macht. De Bossu heeft Marinus Brandt op het meer verslagen,
+de stad is geheel afgesneden--zij moet de mijne worden. En als ik dan
+met deze rebellen heb afgerekend en dit land, geheel van oproerlingen
+gezuiverd, aan mijn heer, koning Philips, heb overgegeven, verlaten
+wij voor altijd dit mistige land en gaan terug naar het Zuiden met
+zijn granaatappelen, druiven en olijven, en zullen wij vergeten,
+dat er ooit oorlog was."
+
+"Ja," roept het meisje uit, "en wij nemen hem met ons."
+
+"Hem? Wien?"
+
+"Mijn toekomstigen echtgenoot."
+
+"_Uw toekomstigen echtgenoot_! Van wien spreekt gij, kind?" vraagt
+Alva, ten hoogste verbaasd. "Nooit zag ik een vrouw, die zoo
+ontoegankelijk was voor aardsche liefde!" Dan lacht hij: "Dat is een
+zeldzame ommekeer. Den laatsten keer waart gij een en al ernst. Gij
+hieldt een gebedenboek in uw hand en spraakt er van, de bruid der
+Moederkerk te worden."
+
+"Maar dat is alles voorbij."
+
+"Daar ben ik blij om, ofschoon ik het u niet zou geweigerd hebben. Mijn
+Hermoine zou al een heel curieuse non geweest zijn."
+
+"Ja, zij zal een betere bruid zijn," lacht het meisje, tot haar
+onderwerp terugkeerend. "Maar ik vertel er u niets van, tenzij gij
+met mij dineert, en dan nog pas na het diner. Zie! Uw geleide is
+afgestegen. Zij hebben een langen rit achter den rug. Zij gaan ook eten
+en drinken. Wil mijn vader jegens zichzelf niet even barmhartig zijn
+als jegens zijn soldaten? Bovendien ziet gij er afgemat en ziek uit!"
+
+"Volstrekt niet. Ik ben alleen maar vervuld van de tijding, die mij
+herwaarts riep, maar hoe dringend mijn komst ook is, ik zal haar
+uitstellen tot morgen."
+
+"Blijf dan dineeren. Ik heb mijn bevelen al gegeven, toen ik u zag
+aankomen." Dit zeggende, worden de gordijnen weggetrokken en begeeft
+de Hertog, den arm zijner dochter nemend, zich naar de eetzaal. Hier
+ziet Hermoine voor den eersten keer sinds den vorigen avond, de
+gravin De Pariza, en als zij haar blik opvangt, weet zij, dat deze,
+ondanks haar eed, op de een of andere wijze alles wat er gebeurd is
+aan den Hertog zal overbrengen.
+
+Doch tot Hermoine's groote vreugde verlangt Don Fernando Alvarez
+de Toledo, hertog van Alva en hertog van Huesca, gedreven door
+nieuwsgierigheid, een tête-à-tête met zijn aanminnig kind en zegt,
+tot verbazing en bittere teleurstelling van haar duena, kortaf:
+"Gravin, ik verheug mij, dat ik u, zooals gewoonlijk, gezond zie. Mijn
+dochter en ik hebben het een en ander te bespreken en wenschen alleen
+te zijn. Goedenmiddag, Dona De Pariza, ik kus u de hand," en hij
+doet haar al buigend uitgeleide naar de deur met deftige Spaansche
+etiquette. "Nu uw verhaal, Hermoine. Is het een aardigheid, wat gij
+daareven zeidet van een minnaar, kind?"
+
+"Geen aardigheid."
+
+"Vertel het mij dan."
+
+"Na den eten, papa; niet voordat de wijn uw hart een weinig zachter
+heeft gestemd. Het is verhard in Holland."
+
+"Niet te uwen opzichte," zegt de Hertog. "Vertel het mij, mijn schat."
+
+"Niet voordat gij mij op uw doorluchtige knie laat zitten."
+
+Dit zeggende is zij reeds op zijn knie en vertelt hem onder
+liefkoozingen en vleierijen en kussen van haar beminde.
+
+Waarop hij zijn oogen van verbazing wijd opent en zegt: "Uw Guido
+Amati? Ik meende, dat hij als gesneuveld was vermeld na het gevecht
+op het ijs."
+
+"Neen, hij is hersteld van zijn wonden. O, het zou niet zoo gemakkelijk
+gaan, hem te dooden! Herinner u maar zijn tocht over de verdronken
+landen. Gij zijt vandaag die plaats voorbijgekomen," zij wijst de
+richting aan met haar hand.
+
+"Ja, ik herinner het mij. Dat was een stout stuk, een Cid waardig,"
+zegt Alva, die boven alles strateeg is.
+
+"Ah! geef mij dan aan den Cid. De Cid zou zeker de dochter van Alva
+waardig zijn. Als Guido de gelijke is van den Cid, is hij ook mijner
+waardig!" En met smeeken en vleien perst Hermoine den man, van wien
+zij denkt, dat hij haar niets kan weigeren, de belofte af, haar hand
+te zullen schenken aan kolonel Guido Amati de Medina.
+
+"Nu moet gij vooral niet heengaan," smeekt zij. "Hij komt vanavond
+hier. Gij moet hem zien. Gij moet hem even gelukkig maken als
+mij. Vader, ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu."
+
+"Oho!--Als ik het had geweigerd, dan zoudt gij mij dus waarschijnlijk
+gehaat hebben."
+
+"Daartoe zou ik nooit kunnen komen, maar gij weigert mij ook niets. En
+daar gij nooit 'neen' tegen mij zegt, moet gij hier blijven en hem
+zien. Geef hem uw zegen; vader, beloof mij, als gij mij liefhebt, dat
+gij Guido Amati, als mijn aanstaanden echtgenoot, uw zegen zult geven."
+
+"Als ik het dan moet doen, en gij zegt, dat ik het moet," mompelt de
+Hertog, terwijl zijn lippen beven en zijn oogleden trillen, "moet ik
+eerst even naar Lillo rijden, om vandaar een boodschap naar Sancho
+d'Avila te zenden."
+
+"Gij komt dus terug? Hij zal hier om negen uur zijn. Gij zult
+terugkomen--beloof het, zweer het!"
+
+"Ik beloof het bij dezen kus!"
+
+"Neem er dan twee, voor meerdere zekerheid," juicht Hermoine met van
+geluk stralende oogen.
+
+Als zijn escorte een oogenblik later gereedstaat, bestijgt de Hertog
+zijn ros en draaft weg van de villa zijner dochter, die hem kushanden
+nazendt en hem nastaart met oogen vol tranen van geluk, terwijl zij
+mompelt: "Mijn vader en mijn aanstaande echtgenoot bij elkaar! Wat
+zal dat een heerlijke avond worden!"
+
+Alva rijdt naar Lillo en draagt Mondragon, den commandant, op,
+terstond een brief te verzenden naar Sancho d'Avila, commandant van
+de Citadel van Antwerpen. En daarna ondervraagt Don Fernando met een
+begrijpelijke nieuwsgierigheid Mondragon, die een zijner gunstelingen
+is, omtrent zijn aanstaanden schoonzoon: "Mondragon, kent gij een
+zekeren Guido Amati, kolonel in Romero's legioen?"
+
+"Zeker, Uwe Excellentie, hij stond onder mij, eer hij naar Holland
+ging."
+
+"Zoo! Vertel mij eens alles wat gij van hem weet."
+
+"Ik kan u weinig goeds van hem vertellen, behalve, dat hij de dapperste
+onder de dapperen was en zulk een behendig schermer als er ooit een
+een Toledosche kling hanteerde; doch iemand die zóó bandeloos was,
+zulk een lichtmis en zóó aan het spel verslaafd, heb ik nog nooit
+ontmoet, en ik ben een oud soldaat."
+
+"Bandeloos, een lichtmis en een speler," herhaalt Zijne Hoogheid
+langzaam, terwijl zijn gelaat nog valer wordt dan gewoonlijk. "Zijt
+gij zeker van hetgeen gij daar zegt, Mondragon?"
+
+"Welzeker, ik heb hem goed gekend. Maar wat maakt het uit? Guido
+Amati is dood."
+
+"Onmogelijk; ofschoon het mij ook verteld is."
+
+"Het staat vermeld op de monsterrollen van Romero's afdeeling."
+
+"Is dat werkelijk zoo?"
+
+"Ja, inderdaad."
+
+"Dus als hij leefde, zou zijn naam zeker voorkomen op de lijst van
+zijn regiment?"
+
+"Even zeker, als dat er een betaalmeester in het leger is. Guido
+Amati is er de man niet naar, om zijn soldij te laten staan; maar
+hij is stellig dood. Ik geloof zelfs, dat er hier in het garnizoen
+mannen zijn, die hem zagen vallen."
+
+"Ah! in het gevecht op het ijs?"
+
+"Ja. De jonge De Busaco, een luitenant met verlof, en de sergeant
+Gomez."
+
+"Laat hen terstond hier komen," zegt Alva, verbaasd en geschokt door
+die onbegrijpelijke mededeelingen.
+
+En De Busaco, het vertrek binnentredend, salueert.
+
+"Luitenant De Busaco, nietwaar?" zegt Don Fernando.
+
+"Ja, Uwe Hoogheid, pas bevorderd."
+
+"Waart gij bij het gevecht op het ijs?"
+
+"Ja, Uwe Hoogheid."
+
+"Wie voerde daar het bevel?"
+
+"Kolonel Guido Amati."
+
+"Werd hij gedood?"
+
+"Ik denk het wel, Uwe Hoogheid; ik zag hem vallen."
+
+"Dat is zeer vreemd, terwijl mijn dochter zegt, dat hij leeft!" mompelt
+de Onderkoning, hoe langer hoe meer verbaasd. Mondragon en De Busaco
+zetten groote oogen op en de laatste weet, dat de catastrophe,
+waarvoor hij reeds lang heeft gevreesd, nu is gekomen.
+
+"Gij zaagt hem vallen?" vraagt Don Fernando nog eens, alsof hij zijn
+ooren niet kan gelooven.
+
+"Ja, Uwe Hoogheid."
+
+"En gij denkt, dat hij dood is?"
+
+"Ja, Uwe Hoogheid, de Hollanders maakten al onze gewonden af."
+
+"Zooals zij altijd doen," antwoordt Alva. "Ik vrees, dat ik hun dat
+kunstje heb geleerd. Zij zijn goed van aannemen. Is Gomez ook al hier?"
+
+"Ja, Uwe Hoogheid,"
+
+En de vrijpostige sergeant komt binnen, salueert den hertog van Alva
+en geeft hem de volgende inlichtingen:
+
+"Ja, ik zag Guido Amati vallen. Ik trachtte hem nog te redden, maar
+ik gleed uit op het ijs, ontsnapte echter met Gods hulp."
+
+"Gij weet dus, dat hij dood is."
+
+"Ja,--tien heiligen zouden hem niet hebben kunnen redden."
+
+"Spreek met wat meer eerbied van de kerk! Hoe weet gij dat?"
+
+"Omdat ik zag, dat drie pieken door zijn lichaam werden gestoken."
+
+"Dat is voldoende," mompelt Alva, die hoe langer hoe minder van de
+zaak begrijpt. "Gij kunt gaan, Gomez."
+
+"En drie pieken door het lichaam zouden zelfs voldoende zijn, om
+iemand, die zoo taai is als Guido Amati, te dooden," merkt Mondragon
+op; doch als de sergeant is heengegaan, vraagt de commandant
+plotseling: "Wat scheelt er aan, Uwe Hoogheid? Hebt gij slechte
+berichten van Haarlem ontvangen?"
+
+"O, neen, zeer goede. Zij eten daar nu reeds het gras uit de
+straten. Wij hebben Oranje op het meer verslagen en zijn er nu
+meester van. Het is niet over Haarlem." En plotseling beveelt hij:
+"Laat mijn escorte terstond voorkomen. Kan Gomez paard rijden?"
+
+"Ja, Uwe Excellentie."
+
+"Laat hij mij dan vergezellen."
+
+En gevolgd door dertig man, gewapend met lansen en haakbussen, rijdt
+de hertog van Alva terug naar het landhuis van zijn dochter. Onderweg
+roept hij den vrijpostigen Gomez aan zijn zijde en vraagt hem:
+"Hoe zag die Guido Amati er uit?"
+
+"Groot, welgebouwd, met kort, donker, krullend haar, zwarte,
+onverschrokken oogen en een huid zoo bruin als van een bleeken
+Morisco."
+
+"Hij had natuurlijk de manieren van een edelman," vervolgt de
+Onderkoning.
+
+"Voor zoover een krijgsman als ik er over kan oordeelen, ja, Uwe
+Hoogheid, en den beschaafden tongval. Men zei, dat hij even zuiver
+Castiliaansch sprak als een priester."
+
+"Het is goed, ik weet genoeg, sergeant," zegt de Onderkoning. En zij
+zijn weldra het landhuis genaderd.
+
+Daar hij echter een geslepen oude staatsman is, laat de hertog van
+Alva niets merken van de zonderlinge ontdekking, die hij in het fort
+te Lillo heeft gedaan, doch zegt slechts, de vertrekken van Hermoine
+binnentredend: "Mijn dochter, wij zijn teruggekomen, zooals wij beloofd
+hebben, om dien edelman te zien, dien gij bemint, Guido Amati; deze
+man schijnt een verwonderlijk sterk gestel te hebben."
+
+"Hoezoo?" vraagt het meisje.
+
+"Hij werd doodelijk gewond in het gevecht op het ijs."
+
+"Zeker, dat is zoo! Ik heb immers zelf zijn wonden gezien! Zij zijn
+vreeselijk!" Dit laatste huiverend.
+
+"_Gezien_ de wonden, die de pieken dwars door zijn lichaam hebben
+gemaakt?"
+
+"Neen, maar hij had een houw over het hoofd, die iedereen van het
+leven zou hebben beroofd, behalve een Paladijn."
+
+"Hm! men zegt, dat uw Paladijn een los heer is."
+
+"Dat is laster! Deze of gene mededinger strooit dat praatje
+telkens weer uit. Ja, zelfs Bodé Volckers," vervolgt Hermoine, "die
+leugenachtige koopman, vertelde mij, dat hij dronken was, en twee
+minuten later komt Guido, even nuchter als gij zijt, naar mij toe, en
+met een veel vroolijker gezicht dan gij op het oogenblik zet; uw oud,
+lief gezicht staat zoo donker als de nacht." En het meisje kust hem.
+
+"Vertel mij, hoe gij hem het eerst ontmoet hebt."
+
+Aldus aangemoedigd, gaat Dona Hermoine, die zooals alle verliefden
+haar beminde gaarne verheerlijkt, zitten en biecht haar vader alles
+op; nu en dan doet deze haar een paar vragen, die zij heel dwaas,
+maar die hij heel belangrijk vindt.
+
+"Gij zegt, dat gij hem het eerst hebt ontmoet op den dag van den
+springvloed in 1572?"
+
+"Ja, papa; dat was, zooals ik u vertelde, de avond, dat hij mij redde
+uit de handen der Geuzen."
+
+"A--ah--ah. De krijgsman, dien gij lief hebt, heeft donker haar en
+donkere oogen, nietwaar?"
+
+"Neen, helderblauwe oogen en zijn haar is voor een Spanjaard heel
+blond.--Heb ik u dat dan al niet gezegd, dom vadertje?"
+
+"O ja; ik bedoel helderblauwe oogen, ik was het vergeten. Licht
+kastanjebruin haar, zegt gij, en vrije en losse manieren. Is zijn
+gang niet die van een zeeman?"
+
+"Die van een ruiter."
+
+"O ja; zij hebben beiden een zwaaienden gang. De dag, dat gij hem hebt
+ontmoet, was dezelfde, waarop ik zoo haastig van Brussel terugkwam?"
+
+"Ja, gij kwaamt heel onverwachts. Het was de dag van het drinkgelag van
+Floris den schilder, waarbij hij een van zijn tegenstanders dooddronk."
+
+"Ja, dat herinner ik mij," zegt Zijne Hoogheid langzaam. "De dag, dat
+De Guerra mij een onthulling wilde doen, maar stierf. Deze edelman,
+dien gij zegt, dat gij bemint," de hertog van Alva doet moeite, om den
+ongedwongen toon vol te houden, "spreekt het patois van Hispaniola?"
+
+"Ja, het is alles behalve keurig Spaansch, maar het klinkt mij toch
+als muziek in de ooren."
+
+"Hm! als hij komt, kunt gij hem bij mij brengen." En als hij het
+vertrek heeft verlaten, geeft Alva eenige bevelen aan den luitenant,
+die het bevel voert over zijn escorte.
+
+Vervolgens keert hij naar de eetzaal terug en laat zich, daar het
+reeds bijna acht uur is, het avondeten voordienen.
+
+En om hem gezelschap te houden, komt zijn dochter binnen, stralend
+van vergenoegdheid. Zij, die er vroeger als een lelie uitzag, bloost
+nu als een roos.
+
+Op het gelaat van den hertog van Alva ligt een vreemde uitdrukking,
+en als hij drinkt, is het, alsof hij een prop in zijn keel heeft,
+die hem dreigt te doen stikken, ofschoon hij vanavond de matigheid
+zelve is, zooals zijn dochter beweert, terwijl zij haar papa met
+liefderijke handen van alles bedient.
+
+"Gij--gij zijt er toch niet bedroefd over, dat gij mij moet
+missen?" fluistert zij, terwijl haar gelaat betrekt.
+
+"Neen, dat--dat is het niet." Zijn gelaat heeft een uitdrukking,
+die Hermoine niet begrijpt.
+
+"Maar à propos," zegt zij, "aangebeden papa, nog een belofte."
+
+"Welke?"
+
+"Neem den prijs weg van het hoofd van dien Engelschman. Zooals gij
+u zult herinneren, redde hij het leven van mijn Guido."
+
+"Misschien morgen, dan zal het wel niet meer noodig zijn," mompelt
+Zijne Hoogheid, ofschoon hij vermijdt, het meisje aan te zien, en de
+oogen op zijn beker gericht houdt.
+
+"Dank u, lieve, beste papa," antwoordt zijn dochter. Dan zegt zij
+plotseling: "Maar nu moet ik gaan."
+
+"Waarom?"
+
+"Om toilet te maken voor mijn aanstaanden echtgenoot."
+
+"Hm!"
+
+"Ik zal mij kleeden als een bruid."
+
+"Gij hebt dien man dus wel zeer lief, mijn Hermoine?" En er klinkt
+weemoed in zijn stem.
+
+"Met mijn gansche hart," antwoordt zij; en plotseling roept zij uit:
+"Misschien heb ik vanavond nog een andere verrassing voor u, als
+gij het tenminste toestaat, maar gij staat mij alles toe, nietwaar,
+papaatje!--gij lieve oude papa, die uw dochter vanavond innig gelukkig
+wilt maken."
+
+En zij kust hem teeder op het voorhoofd en snelt dan heen, haar vader
+alleen latende, in gespannen verwachting, of zijn vermoedens al dan
+niet juist zullen blijken te zijn.
+
+Maar met dat al staan er tranen in zijn oogen, in die oogen, die
+ze nooit hebben vergoten, en een paar maal neemt zijn gelaat een
+pijnlijke uitdrukking aan, als hij de stem van zijn dochter hoort,
+die in het aangrenzend vertrek haar bevelen geeft voor haar toilet
+en voor de ontvangst van den man, dien zij bemint. Doch in het
+volgende oogenblik schieten er stralen uit zijn slangenoogen en zijn
+lange handen ballen zich krampachtig, alsof zij een lang gezochten,
+moeilijk te vatten vijand grepen, in wiens doodsstrijd hij zich reeds
+verlustigt, en hij mompelt: "Als hij het is, die mijn goud stal voor
+die Jezebel Elizabeth; als hij het is, op wiens raad de Geuzen uit
+Engeland verdreven werden met: 'Geen proviand, geen water, maar slechts
+kogels en kruit,' om rebellie in dit land te stoken, dan zou ik hem
+zelfs nog liever in mijn macht willen hebben dan Willem den Zwijger."
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII.
+
+"HAHA! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!"
+
+
+Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa's toestemming
+te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn
+wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé
+Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in
+Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen
+van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van
+het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud,
+al is de waarde er van ook niet zoo groot.
+
+Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk
+haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van
+de _Esperanza_ onder dek te brengen.
+
+Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om
+toezicht te houden sinds Chester de wacht op de _Esperanza_ heeft
+betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn
+commandant: "Bodé Volckers wenscht, dat gij, zoo gauw als ge kunt,
+in het huis van 'de Stomme Duivelin' bij hem komt."
+
+"Waarom?"
+
+"Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat
+eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk
+te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in."
+
+Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want
+Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo
+vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar
+Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven.
+
+"Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer
+ging?"
+
+"Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen," antwoordt
+de koopman.
+
+"Het geval ligt er toe," zucht Chester, "ik zal er dus nog eens in
+moeten gaan." Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij
+terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder
+het groote bastion, lacht hij: "Alles is in orde, dit is het laatste
+van Alva's nesteieren."
+
+"Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?"
+
+"Ja."
+
+Daarna brengen zij de groote steenen weer op hun plaats, waardoor de
+ingang naar het gewelf wordt gesloten en leggen er de steenen van den
+keldervloer weer boven op, en nadat de matrozen eenige geldstukken,
+die uit een zak gevallen zijn, opgeraapt en bij zich gestoken hebben,
+ziet de kelder van senora Sebastian er precies weer zoo uit, als zij
+hem hebben gevonden. En als Bodé Volckers nog een flesch met rum
+naast de snorkende stomme vrouw heeft neergezet, schudden zij met
+een zucht van verlichting het stof van hun voeten.
+
+"Hebt gij de papieren van uitklaring?" fluistert Guy.
+
+"Ja, ik zal ze van mijn kantoor gaan halen."
+
+"Goed, dan zullen wij de zeilen maar hijschen," zegt de Engelschman,
+en de kist met de juweelen, die hij met een mantel heeft bedekt,
+zelf dragende, begeeft Guy zich aan boord van de _Esperanza_.
+
+Daarna maken zijn matrozen alles gereed om de Schelde af te varen,
+terwijl Guy ongeduldig wacht op zijn papieren van uitklaring,
+want iedere minuut komt hem nu voor als een uur van folterende
+onrust. Eensklaps verschijnt Bodé Volckers, bleek, zenuwachtig, zich
+reppend, zooveel als zijne dikke beenen onder zijn zwaar lichaam
+dit toelaten. Hij komt de loopplank op, en zegt, Guy de papieren
+toestekend: "Kapitein Andrea Blanco, uw papieren."
+
+"Gaat gij weer aan wal?"
+
+"Neen, ik ben doodelijk geschrikt! God helpe mij! Ik durf hier niet te
+blijven. Breng mij naar de hut, er is iets verschrikkelijks gebeurd."
+
+"Wat?" brengt Guy met moeite uit, doch hij geeft tegelijkertijd zijn
+bevelen, om onder zeil te gaan. De matrozen vliegen allen naar hun post
+en Martin Corker grijpt het roer. Als zij de Schelde afzeilen, gaat
+Guy in zijn hut en fluistert tot den koopman, die half bezwijmd is:
+
+"Wat is er gebeurd, wat heeft u zoo doen ontstellen?"
+
+"Groote God! de hand heeft zich bewogen!"
+
+"Welke hand?"
+
+"De hand van Alva's _standbeeld_!"
+
+"Genadige hemel!--Wanneer?"
+
+"Toen gij het gewelf binnengingt, vanmiddag om twaalf uur, heeft
+zich de hand van Alva's standbeeld bewogen. Ze zullen nu al wel in
+het huis van moeder Sebastian zijn! Het standbeeld bewaakte Alva's
+schat. God zij ons genadig, als zij een bode naar Lillo zenden, om de
+schepen aan te houden eer wij het fort voorbij zijn. Het garnizoen
+spreekt er van, alsof het iets bovennatuurlijks ware! Zij zeggen,
+dat het de val van Haarlem beduidt, maar ik weet nu, dat het zeggen
+wil, dat iemand in Alva's schatkamer is binnengedrongen. Daarom was
+het helsche standbeeld daar neergezet," roept Bodé Volckers uit.
+
+Maar zijn laatste woorden zijn gericht tot een leege hut, want
+Chester is op het dek, om op de _Esperanza_ alle zeilen te doen
+bijzetten. Het schip vliegt de Schelde af met zulk een vaart, dat
+het bijna onmogelijk zou zijn hen in te halen en Chester doet een
+schietgebed, dat de douanen hem niet te lang mogen ophouden.
+
+Deze Spaansche beambten, die hij praait, ontvangt hij aan boord,
+en hun chef maakt hij gelukkig, door hem een rol dubloenen in de
+hand te stoppen, met het verzoek, om wat voort te maken, daar hij
+zich heeft te haasten om den wind en het tij. Dank zij de dubloenen,
+vergunt men hem spoedig te passeeren. Met een zucht van verlichting
+stevent Guy, steeds met alle zeilen bij, de Schelde af, en om vijf
+uur zijn zij de _Dover Lass_ in het Kromvliet opzij gekomen en laden
+zij onmiddellijk den schat over in het gewapende schip.
+
+Hiermee zijn zij om zeven uur reeds klaar; want Chester heeft nu
+honderd vijf en twintig matrozen aan het werk, die hun handen reppen,
+zooals zeelui altijd doen, als er uitzicht is op buit.
+
+Vervolgens vraagt Guy aan Dalton: "Zijt gij er in geslaagd, een
+geestelijke van de Katholieke kerk in Zeeland voor mij op te sporen,
+zooals ik u had opgedragen?"
+
+"Ja en het was alsof de drommel er de hand in had," zegt de ruwe
+officier. "Ik kwam dadelijk terecht bij den eenige, dien de Hollanders
+gespaard hadden. Er was er eigenlijk nog wel een, maar Michael Krok
+had hem de ooren afgesneden en ik wist niet of hij een wettig huwelijk
+zou kunnen inzegenen," want Guy is genoodzaakt geweest zijn eersten
+officier in het vertrouwen te nemen.
+
+"Vraag hem, of hij hier wil komen," zegt Chester.
+
+En als de priester bij hem wordt gebracht, merkt de commandant op:
+"Men heeft u toch goed behandeld, eerwaarde vader?"
+
+"Uitstekend. Men heeft mij zoo overvloedig van alles voorzien, dat
+het mij speet, dat het vastendag was. Ik lijd tegenwoordig geregeld
+honger. De Hollanders hebben mijn kudde verstrooid en mij van alles
+beroofd."
+
+"Weet gij, waarom ik u liet komen?"
+
+"Ja, men zeide mij, dat ik een sacrament van de Kerk moest
+verrichten; ik ben daartoe bereid, want daarvoor ben ik op het
+eiland gebleven,"--hij wijst in de richting van Zuid-Beveland,--"alle
+vervolgingen, alle bedreigingen, alle beleedigingen ten spijt. Vraag
+iederen Watergeus of vader Anastasius ooit voor hen vluchtte, en er
+is slechts één onder hen, die de Katholieke priesters behandelde
+als Godsmannen. De 'Eerste der Engelschen' is, ofschoon hij Alva
+beoorloogt, een getrouwe zoon van Rome. Als zoodanig voldoe ik gaarne
+aan zijn verzoek."
+
+"Kent gij mij?" vraagt Guy.
+
+"Ja, dat is de reden, waarom ik zoo spoedig kwam."
+
+"Dus wilt gij met mij gaan, om een sacrament van de Kerk te
+verrichten?"
+
+"Dat zou ik voor iedereen doen, die er om vroeg."
+
+Guy is er van overtuigd, dat dit zoo is; want vader Anastasius is over
+geheel Zeeland bekend als een priester, die zijn Heer meer liefheeft
+dan zijn leven en die zijn plicht even nauwgezet vervult tegenover
+den nederigste als tegenover den hoogst geplaatste, zooals de Kerk
+dit voorschrijft.
+
+"Geef vader Anastasius een plaats in mijn sloep," zegt Chester kortaf
+tot Dalton. "Beman en bewapen ze!"
+
+"Dat is reeds geschied."
+
+"De twee andere ook?"
+
+"Ja."
+
+"Hoeveel man?"
+
+"Zestig."
+
+"Dus blijven er nog zestig voor de _Dover Lass_ over. Dat is voldoende,
+zelfs voldoende om het schip te verdedigen in geval van nood. Gij
+moet het commando over het schip van mij overnemen, Corker zal over
+de sloepen commandeeren. Zijn zij goed bewapend?"
+
+"Ja, pistolen, haakbussen, pieken en strijdbijlen alles zoo
+goed in orde, alsof wij op roof uitgingen, in plaats van op een
+troubadours-avontuur," antwoordt de luitenant.
+
+Om acht uur is de schemering neergedaald over land en zee, en
+berekenende, dat een uur voldoende is om hem naar het landhuis te
+brengen, waar zijn beminde hem wacht, begeeft Chester zich op weg,
+in zijn sloep den Roomsch-Katholieken priester met zich nemend, en
+gevolgd door de twee andere sloepen; de roeiers spannen hun spieren
+in zooveel zij kunnen, want zij verlangen zoo spoedig mogelijk weg te
+komen, wetende, dat zij met hun schip nu een hoogen prijs waard zijn.
+
+Veertig minuten later, dicht bij Sandvliet, ontmoeten zij een boot
+vol Italiaansche muzikanten met violen, mandolines, fluiten en harpen,
+en versierd als voor een feest.
+
+Zij zijn vroeg in den morgen voor dien avond aangenomen door Achille,
+die nog altijd kajuitsjongen is. Allen zijn heel lustig en zingen
+een vroolijken Toskaanschen minnezang.
+
+"Dit is mijn klein waterfeest," fluistert Guy tot Corker, die naast
+hem zit en wien hij zijn laatste bevelen geeft. "De dame zal denken,
+dat het een pleziertochtje op de rivier is."
+
+"Oho! Ontvoering!" lacht de bootsman.
+
+"Ja--om haar, die ik bemin en vereer--tot mijn vrouw te maken,"
+antwoordt Guy. Daarna fluistert hij: "Zij is Alva's dochter."
+
+Waarop Corker een langgerekt gefluit doet hooren en mompelt:
+"Groote God!" en met een doodelijk ontsteld gelaat luistert, als
+Guy hem nog eenige orders geeft: "Neem de grootste sloep, bewaak den
+dijk tusschen het huis en Sandvliet, om de troepen tegen te houden,
+die bij een mogelijk alarm zouden kunnen aanrukken. De beide andere
+sloepen zullen de andere zijden van het huis bewaken."
+
+Want Chester vreest, dat op het laatste oogenblik een der lakeien of
+de gravin De Pariza bericht van wat er in Sandvliet gebeurt naar Lillo
+zal zenden of dat een onverwacht voorval zijn plannen zal dwarsboomen,
+en hij weet, dat als hij Hermoine ditmaal verliest, zij voor altijd
+voor hem verloren zal zijn.
+
+Een oogenblik later fluistert hij verrukt: "Kijk, het huis ziet er
+feestelijk uit, het is geheel verlicht; zij is voor mij gereed, mijn
+bruid!" Nadat hij Corker nog de meest mogelijke waakzaamheid heeft
+aanbevolen, neemt deze het bevel op zich.
+
+Twee minuten later bereikt Guy de landingsplaats.
+
+"Onder dat venster daar, muzikanten; en speelt een zachte Venetiaansche
+serenade," fluistert hij tot den leider der Italianen, naar het groote
+vooruitspringende venster wijzend, dat helder verlicht is.
+
+"Si, gracioso, Senor," antwoordt de leider van deze ongelukkige
+drommels; want Guy heeft hen voor zijn feest gehuurd met vorstelijk
+milde hand, zichzelf financieel als een Midas gevoelend. "Een
+aangenamen avond, senor, een recht aangenamen avond!" En de gelukkige
+Italiaan kust de hand van zijn milden begunstiger en gaat met zijn
+troep datgene tegemoet, wat het noodlot over hem heeft beschikt.
+
+Hierop antwoordt Guy niets, maar springt aan land en fluistert tot zijn
+bootsman: "Houd de boot gereed, om onverwijld te kunnen vertrekken,"
+en tot den priester: "Ik verzoek u, met mij mede te gaan, eerwaarde
+vader."
+
+Zij gaan nu de trappen op naar den dijk en wandelen het pad op,
+dat door den kleinen tuin naar het huis leidt.
+
+"Het is een zomernacht," zegt Guy. "Vader Anastasius, zoudt gij er
+niet tegen hebben, hier onder de boomen op de bank te gaan zitten,
+totdat ik u laat roepen? Het is het sacrament van het huwelijk, dat
+ik mij door uw handen wensch te laten toedienen, en ik zou eerst nog
+met de dame willen spreken, eer ik u bij haar breng."
+
+"Zooals gij verlangt," antwoordt de man Gods. "Ik kan evengoed voor
+u en uw huwelijk bidden hier onder den vrijen hemel als in een paleis."
+
+Daarna klopt Guy aan de huisdeur; hij is zonder wapens, behalve het
+rapier, dat de ridders steeds dragen, en het scherpe stiletto, dat
+hem nooit verlaat, want hij wenscht zijn beminde niet te verschrikken
+door een onnoodige tentoonspreiding van oorlogstuig.
+
+De deur wordt terstond geopend door Alida, die fluistert: "Zij wacht
+u reeds, heer, en is overgelukkig! Neem de gelukwenschen aan van haar,
+die u beiden liefheeft en uw slavin is."
+
+Het Moorsche meisje wil zijn hand kussen, maar hij laat haar daarvoor
+den tijd niet en is het vertrek met het groote vooruitspringende
+venster reeds binnengetreden, om het verlicht te vinden door
+welriekende lampen, en versierd met bloemen, linten en groen, als
+voor een luisterrijk feest.
+
+En van het venster, waar zij naar hem heeft staan uitkijken, zweeft een
+wezen van verrukkelijke aanminnigheid hem tegemoet en hij fluistert:
+"Mijn bruid, gij zijt veel te schoon voor deze aarde!"
+
+Hij heeft gelijk, want het meisje is gekleed als een bruid,
+in glinsterende witte zijde, een kostbaar voortbrengsel van de
+weefgetouwen van Lyon. Zij heeft oranjebloesems in het haar, haar
+fraaie schouders en haar hals zijn wit als ivoor en de blanke arm,
+dien zij om zijn hals slaat, is zoo blank als albast: "Mijn Guido,
+eindelijk! Nu zult gij zien, welk een verrassing ik voor u heb. Kom
+met mij mee, nu zullen wij gelukkig zijn. Als ik er hem om smeek,
+zal hij misschien toestaan, dat wij dezen avond nog vereenigd worden."
+
+Haar vingers wijzen naar de kapel, en zij lacht: "Ik heb een verrassing
+voor hem ook. Ik heb vanavond tot de Madonna gebeden en nu ziet zij
+zoo vriendelijk op mij neer."
+
+Guy begrijpt niet recht, wat zij bedoelt, maar hij voelt zich
+overgelukkig, vooral als hij de kapel ziet, nadat de gordijnen zijn
+weggetrokken; de waskaarsen branden bij dozijnen op het altaar, het
+is versierd met bloemen en alles schijnt gereed voor een godsdienstige
+ceremonie.
+
+"Kijk er niet te lang naar, maar kom mee. Hij zal verbaasd zijn,
+als ik hem de reden zeg."
+
+"Hij! Wie?"
+
+"Dat zult gij aanstonds zien; ik zal hem bij u brengen." Zij staan
+nu voor de draperieën, die den toegang naar de eetzaal afsluiten,
+en het meisje roept uit: "Trek de gordijnen weg!"
+
+Als deze zich openen, fluistert zij: "Guido, op uw knieën voor mijn
+vader, die mij heeft beloofd, dat gij mijn echtgenoot zult worden--op
+uw knieën en dank hem, zooals ik doe!" en zij werpt zich neer voor
+de magere figuur in het zwart, die altijd het Gulden Vlies draagt,
+den Onderkoning van den koning van Spanje, den hertog van Alva.
+
+Hoe groot is echter haar verbazing, als Guy, in plaats van zijn knieën
+te buigen, met een sprong en een kreet van ontzetting van haar zijde
+wegsnelt en de hand aan zijn rapier slaat.
+
+Op hetzelfde oogenblik springen acht Spaansche busschutters door de
+geopende vensters in het vertrek en grijpen hem, terwijl zijn zwaard
+nog pas half is uitgetrokken, en binden zijn handen, doch niet zonder
+een wanhopige worsteling. Eer hij overmand is, ligt er een Spanjaard
+dood aan zijn voeten.
+
+Het meisje is hevig ontsteld en roept uit: "Guido, zijt gij krankzinnig
+geworden, dat gij een Spaansch krijgsman doodt?" en zij voegt er op
+hoogen toon aan toe: "Mannen, bevrijdt dien officier terstond!"
+
+Maar de mannen kijken slechts haar vader aan.
+
+"Bevrijdt dien officier! Gij weet niet, wat gij doet. Maakt hem
+los! Het is kolonel Guido Amati, de aanstaande schoonzoon van uw
+Viceroy!" En als ter verontschuldiging zegt zij tot Guy: "Het is
+een allerjammerlijkst misverstand, mijn Guido. Worstel niet met hen,
+zij zouden u kunnen dooden." Want Chester tracht zwijgend zich een
+weg te banen naar het venster, om er zich uit te werpen in de Schelde.
+
+Daarna wendt Hermoine zich tot haar vader en roept uit: "Beveel uw
+soldaten, den man, dien ik bemin, weer vrij te laten. Is dat de manier,
+waarop gij de belofte houdt, die gij aan uw dochter hebt gedaan?"
+
+Daarop vraagt de Hertog: "Wie is die man? Laat iemand mij dat
+zeggen. Herkent gij hem? Wie is hij?"
+
+Naar voren tredend, salueert de brutale sergeant van Romero en
+fluistert in het oor van den Onderkoning: "Het is de 'Eerste der
+Engelschen'!"
+
+Bij deze woorden barst de hertog van Alva in een akelig gelach
+uit. "Haha! De vos is eindelijk gevangen! Mijn dochter, gij hebt de
+tien duizend kronen verdiend. Hij is de man, naar wien ik zoolang
+gehunkerd heb. Kom hier en kus uw vader!"
+
+En tusschen dit alles door dringt de zachte muziek naar binnen van de
+harpen, mandolines en violen der muzikanten in de barge, die buiten
+op het water een serenade spelen.
+
+De muziek hoorend en het voornemen van den Engelschman bemerkend,
+beveelt Alva op scherpen toon: "Zijn boot--zorg voor zijn boot! Laat
+niemand ontsnappen!"
+
+Onmiddellijk wordt er gevuurd op de boot en klinken er
+hartverscheurende kreten uit de kelen der doodelijk gewonde Italianen,
+die sterven met de tonen der muziek op de lippen en onder het venster
+verdrinken.
+
+Op hetzelfde oogenblik rukt Chester zich los en snelt naar Hermoine
+toe, en haar Guido, de man, dien zij bemint, vraagt haar huiverend:
+"Waarom hebt gij dat gedaan?"
+
+"Waarom ik dat heb gedaan? Omdat ik u liefheb!" antwoordt zij. "Waarom
+hebt gij dien man gedood?" Want zij begrijpt het nog niet.
+
+Maar haar vader zegt: "Kom bij mij, Hermoine, ik zal u alles
+uitleggen."
+
+Zij antwoordt: "Neen, neen!" En als Alva naar haar toe komt, roept
+zij afwerend: "Blijf waar gij zijt! Waag het niet, mij aan te raken,
+eer gij mij hebt gezegd, waarom gij uw belofte zijt vergeten!"
+
+Daarop antwoordt Alva, met een stem, die haar zoo scherp voorkomt, als
+de bazuin van het laatste oordeel van onzen Heer hun zal voorkomen,
+wien geen hoop wacht in de eeuwigheid: "Dit is niet de man, dien gij
+meendet lief te hebben. Dit is niet Guido Amati. Hij werd gedood in
+het gevecht op het ijs, gedood door dezen Engelschen roover, dezen
+vervloekten zeeschuimer, dezen laaggeboren clown, die een Spaansch
+edelman naäapte, om uw vertrouwen en liefde te winnen."
+
+"Laaggeboren clown!" barst de Engelschman verontwaardigd los. "Dat
+is een leugen, waar gij dat schimpwoord met den naam van Chester
+verbindt. Hertog van Alva, gij spreekt tot een ridder; geridderd door
+de Koningin zelve. Ik heb in mijn aderen het bloed van de Stanhopes,
+die onder Willem den Veroveraar vochten; mijn neef is een Stanley
+en draagt een gravenkroon. Adeldom bezit ik genoeg voor u en de
+uwen. Denkt gij, dat ik haar, die ik bemin, zou misleid hebben door
+haar te bewegen tot een verbintenis met onedel bloed? Hier op mijn
+borst draag ik de gouden sporen van mijn ridderschap!"
+
+Het meisje, dat ineengekrompen is onder de woorden, die den man,
+dien zij liefheeft, als een onedele brandmerken, rukt de sporen van
+zijn borst, die toonen, dat hij van rang is, houdt ze Alva voor en
+roept op bijna gelukkigen toon uit: "_Hij is van adel_! Vader, hoort
+gij mij? _Hij is van adel_. Nu kunt gij niet meer weigeren, hij is
+van adel, al is hij"--zij breekt eensklaps af en zegt stamelend tot
+Guy, want zij begint het nu te begrijpen: "Zijt gij de--de 'Eerste
+der Engelschen'?"
+
+"Ja!"
+
+Het antwoord wordt gegeven op een hoogen en trotschen toon, en nu
+wordt haar eensklaps alles helder en zij stamelt: "O, nu begrijp
+ik alles--! Deze--deze Oliver, zijn vriend--den dag, dat hij mij
+bevrijdde--den dag, dat zij zeiden, dat de Engelsche zeeroover in
+Antwerpen was." Daarna fluistert zij, bijna juichend: "Dien dag, mijn
+lieveling, heb ik u tweemaal gered; thans _wil ik_ u wederom redden!"
+
+Doch deze woorden eindigen in een verschrikkelijken kreet, als Alva,
+op een toon, even onwrikbaar als de rots der eeuwen, ijskoud zegt:
+"Gomez, _haal den beul_!"
+
+"Den beul! Vader, gij begrijpt het niet. Dit is de man, dien ik bemin."
+
+"Gij bemint hem?" spot de Hertog. "Gij bemint den vijand van uw
+land? Dezen man, een vriend van Oliver, den verrader in mijn omgeving,
+wiens aanval op Bergen Oranje tijd gaf, om geheel Holland in opstand
+te brengen, den man, die mij ter wille van zijn koningin beroofde
+van mijn Italiaanschen schat? Gij moet hem haten, mijn dochter,
+zooals ik doe," en hij wendt zich af om zijn verdere bevelen te geven.
+
+Bij deze woorden vertoont er zich een spotachtige lach om Guy's mond,
+maar Hermoine legt haar hand op zijn lippen en fluistert smeekend:
+"Vertoorn hem niet, beheersen u, om mijnentwille, mijn Guido--mijn
+Engelschman. Ik kan Papa om mijn kleinen vinger winden," en zij tracht
+hem bemoedigend toe te lachen: "Kijk wat ik ga doen."
+
+En in het volgend oogenblik slaat zij haar armen om zijn hals en vleit:
+"Wat spreekt gij toch voor onzin? Gij doet altijd, wat uw Hermoine
+u zegt te doen. Lieve papa, zal ik u aan uw stouten baard trekken?"
+
+Hij antwoordt echter: "Kind, gij begrijpt mij niet. Ik zal allerlei
+mooie zaken en nieuwe kleederen voor u uit Frankrijk laten komen. Gij
+zult hem spoedig vergeten!" en met verheffing van stem:--"_De beul_!"
+
+Zij laat zich echter niet zoo gemakkelijk afschepen en tracht te
+lachen: "De beul?--voor den man, dien gij mij tot echtgenoot beloofd
+hebt? Welk een onzin! Gij bedoelt den priester. Mijn lieve, beste
+domme papaatje, laat dadelijk den priester halen!"
+
+Doch Alva antwoordt ijskoud: "Om hem te laten biechten, als hij geen
+ketter was!" Daarop vervolgt hij op strengen toon: "Gomez, waarop
+wacht gij nog? Gij hebt mijn bevelen--_De beul_!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII.
+
+"HET IS EEN STAATSZAAK!"
+
+
+En voor het eerst van haar leven gedraagt zij zich oneerbiedig tegen
+haar vader en lacht zij spottend, maar tegelijk smartelijk: "Mijn vader
+biedt mij sieraden aan voor het leven van mijn beminde! Misschien werpt
+hij mij het goud, dat als prijs op het hoofd van mijn beminde staat,
+in den schoot en denkt dat ik het zal gebruiken om er lekkernijen
+voor te koopen," en dan zegt zij weer snikkend tot Guy, die, nu al
+de uitgangen van het vertrek bezet zijn, geen kans tot ontsnappen
+meer heeft, dan schier alleen door bovenmenschelijke middelen:
+
+"O, barmhartige Moeder Gods, waarom hebt gij mij niet vertrouwd? Dacht
+gij, dat ik enkel uw naam liefhad?" En daarna smeekt zij met heesche
+stem: "Vader, spaar hem! Gij hebt het beloofd! Spaar tenminste zijn
+leven. Vader, barmhartigheid voor mij!"
+
+Want men hoort nu rumoer buiten, het geluid van mannen, die het huis
+binnenkomen; maar het is slechts de luitenant van de lijfgarde,
+die binnentreedt, met een viool druipend van bloed in zijn hand,
+en rapporteert: "Wij hebben iedereen, die in de boot was, gedood,
+muzikanten en allen."
+
+Dit bericht vervult Chester met een sprankeltje hoop, het eerste,
+dat in hem gloort. Als een lichtstraal gaat het hem door het hoofd:
+"_De slachting van de muzikanten is een waarschuwing voor mijn booten,
+dat hun commandant zich in gevaar bevindt_."
+
+Maar deze zwakke hoop maakt weer plaats voor een gevoel van smart
+voor haar, die hij bemint, want Hermoine smeekt nu tot haar vader,
+als gold het haar eigen leven, hem noemende met vleiende namen, alsof
+zij hem aanbad in haar vertwijfeling, en zij zegt snikkend, ofschoon
+zij geen tranen heeft: "Vader, _hoort_ gij mij niet, voelt gij mij
+niet?" Met haar armen om den hals van den ijzeren onderkoning gaat
+zij voort: "Weet gij dan niet--dat ik--dien man bemin!--Zie het dan,
+geloof het als gij de wanhoop ziet van mijn brekend hart! Als gij hem
+doodt, zult gij mij dooden. Ik heb over hem getreurd toen ik hem dood
+waande; moet ik nu opnieuw tot weduwe gemaakt worden?"
+
+En terwijl zij zoo smeekt, in haar wanhoop, is Hermoine de Alva nog
+liefelijker dan in haar vreugde, want zij is als met een bovenaardsch
+waas overtogen--zij is als Eva, pleitende voor Adam, niet bij God,
+maar--bij Satan.
+
+Doch Satan is niet barmhartig, en meenende, dat haar vader niet
+begrijpt, dat haar eigen leven er mee gemoeid is, roept zij uit:
+"Nu zult gij mij toch wel gelooven!"
+
+En het meisje gaat blozend, ondanks de tegenwoordigheid van de oude
+veteranen en al de lakeien en bedienden, die op het rumoer zijn
+toegesneld en die nu aan de deuren staan, naar Chester toe, slaat
+haar armen om hem heen en kust hem snikkend en smeekt hem, niet te
+denken dat zij hem voor iets ter wereld zou hebben kunnen verraden,
+want zij heeft hem zoo innig lief.
+
+Maar opeens verandert haar gelaat van uitdrukking, want terwijl
+zij over Guy staat heengebogen, fluistert deze haar in het oor:
+"Tracht tijd te winnen--waarschuw mijn booten--tracht tijd te winnen."
+
+Zij denkt er over na, hoe zij dit zal doen, en begrijpt, dat alleen
+list haar kan baten.
+
+Zij wendt een flauwte voor en mompelt: "Water--water--mijn hoofd!"
+
+Waarop haar vader uitroept: "Groote God, zij bezwijmt!"
+
+En schamper zegt zij tot hem: "Dat zou u goed te pas komen! Als ik
+weer bijkwam, zou ik beroofd zijn van wat mij het dierbaarste is. Neen,
+ik wil niet bezwijmen, zoolang hij leeft--water!"
+
+Alva zelf wil het haar brengen, maar zij duwt hem weg en zegt
+huiverend: "Niet uit uw handen; mijn kamenier Alida--snel!"
+
+En het Moorsche meisje, dat alles met gespannen belangstelling heeft
+gadegeslagen, snelt toe en brengt haar een beker vol.
+
+Terwijl Hermoine drinkt, fluistert zij: "Naar de landingsplaats,
+waarschuw de booten--de Engelsche booten!"
+
+Een flikkering in de schrandere oogen van het Moorsche meisje duidt
+aan, dat zij het begrijpt en zij verlaat het vertrek met den beker
+in de hand.
+
+De Hertog bemerkt het niet. Nadat zijn dochter hem huiverend van zich
+stiet, heeft hij zich afgewend en zijn hand op zijn hart gedrukt,
+terwijl zich een sterke ontroering op zijn gelaat afteekende. Van dit
+oogenblik afaan vermijdt hij het zijn dochter aan te zien, die, nu zij
+haar vader niet kan vermurwen, nog alleen van uitstel redding verwacht.
+
+Hierin wordt zij onverwachts geholpen door een vijandin, de gravin
+De Pariza, die valsch lachend binnenkomt: "Gij zult hem toch zeker
+langzaam laten verbranden? Hij is een ketter."
+
+"Wat leutert gij van ketter, draak," roept Chester, "ik ben een
+evengoed Katholiek als de hertog van Alva zelf." En aan zijn God
+denkende, nu de dood hem zoo nabij is, neemt hij zijn rozenkrans en
+begint te bidden.
+
+"Een Katholiek," lacht Alva hoonend, "evengoed als ik? En gij verzet
+u tegen den koning van Spanje?"
+
+"Ja," antwoordt Guy, "ik ben een Katholiek, _maar ik ben ook een
+Engelschman_."
+
+"Er zal er spoedig een minder zijn, om tegen de Spaansche vlag te
+vechten," zegt Alva hoonend.
+
+Dit gaat vergezeld van een wanhoopskreet van zijn dochter.
+
+De beul, een van hen, die Alva altijd met zich voert, om parate
+executie te kunnen houden, komt binnen (een man in een nauwsluitend
+leeren buis en met een afgrijselijk wreed gelaat) en Alva zegt tot hem:
+"Hoe nu, kerel, waar is uw strop?"
+
+"Ik dacht, heer," antwoordt de man, "naar hetgeen ik buiten hoorde,
+dat er iemand verbrand moest worden en ik kwam vragen, waar dat moest
+geschieden. Er zijn takkenbossen genoeg in den kelder om mijn man te
+roosteren. Zal ik hem verbranden op het plein voor het huis? Ik kan
+genoeg talk vinden, om hem in te smeren!"
+
+De uitdrukking op het gelaat van zijn dochter, waarmee zij, zonder
+een woord te zeggen, op hem afkomt, terwijl zij hem strak aankijkt,
+doet Alva het hoofd afwenden en mompelen:
+
+"De strop; hij is geen ketter, hang hem buiten aan een boom op."
+
+"Zijt gij daartoe vast besloten?" Hermoine's welluidende stem is nu
+gebroken en schor.
+
+"Ja! Het is een staatszaak."
+
+"Mijn tranen, mijn gebeden, mijn gebroken hart,"--zij brengt dit met
+moeite uit,--"kunnen dus geen verandering brengen--in--uw besluit?" En
+er ligt een uitdrukking van doodsangst in de schoone oogen van het
+meisje, dat geen tranen meer heeft.
+
+"Neen. Het is een staatszaak." Alva's lippen beven, terwijl hij
+dit zegt.
+
+"Dan eisch ik voor den man, dien ik bemin, en die geen ketter is,
+het recht om de laatste genademiddelen van de Kerk te ontvangen. Gij
+zult zijn ziel niet verdoemen, al veroordeelt gij zijn lichaam. Gij
+zijt zelf een te goed Katholiek, om een Katholiek te doen sterven
+zonder den bijstand van de Kerk."
+
+Don Fernando antwoordt hierop: "Er is geen priester hier."
+
+"Gij brengt den beul mede en geen priester!" zegt zij bitter. "Geef
+hem en mij tenminste den tijd om onze gebeden op te zeggen--want als
+hij sterft--breekt mijn hart ook."
+
+Maar nu komt er eenige beweging onder de krijgslieden aan de deur,
+en een man in priestergewaad zegt: "Plaats voor een vader van de Kerk!"
+
+En als de krijgslieden hem doorlaten, ziet Guy tot zijn verbazing,
+dat het vader Anastasius is, dien hij had laten opsporen, om hem
+dezen avond te trouwen.
+
+"Nu," roept Hermoine uit, "hertog van Alva, kunt gij niet langer
+weigeren."
+
+"Dat zal hij ook niet," zegt de priester, "hij zal het mij niet
+weigeren, mij, vader Anastasius, die zooveel jaren in Zeeland heb
+geleefd en vervolgd ben ter wille van onzen Heer; hij mag mij de
+vergunning niet weigeren om de ziel van dezen man te redden."
+
+"En waarom niet?" antwoordt Alva hooghartig.
+
+"Omdat ik u in den ban zou doen. Goed Katholiek als gij zijt, hebt
+gij geen recht, om een ordonnantie van Rome te schenden."
+
+"Ga uw gang dan. Bindt hem stevig. Bid met hem in die kapel, als gij
+meent, dat dit plechtiger is, en red zijn ziel. Nu, meisje, ga naar
+uw kamer."
+
+"Niet voordat ik het laatste oogenblik heb gezien en de laatste woorden
+heb gehoord van den man, dien ik bemin. Gij hebt mij alles geweigerd,
+waarom ik u smeekte, gij hebt geweigerd het leven van mijn geliefde te
+sparen en ik heb er u niet om vervloekt--omdat ik uw dochter ben. Maar
+ik zal 's hemels wraak over u inroepen, als gij mij van zijn zijde
+wegzendt, zoolang er nog leven in hem is."
+
+Hierop zegt Alva niets, doch zinkt neer bij de tafel, met het hoofd
+in de handen, terwijl hij tot den luitenant mompelt: "Met uw leven
+staat gij ervoor in, dat hij niet ontsnapt."
+
+Als er een wacht is geplaatst voor den ingang van de kapel, wordt
+Guy er gebonden en hulpeloos heengeleid, en hij zinkt voor den
+priester neer.
+
+Maar terwijl hij de biecht van den stervenden zondaar aflegt, hoort hij
+het geruisch van zijde naast zich en de witte kant en de oranjebloesem
+raken zijn gelaat aan, dat gewond is door geweerkolven, en een schoon
+wezen, op wier gelaat wanhoop te lezen staat maar tevens goddelijke
+liefde, knielt naast hem neer en fluistert tot den priester: "Niet het
+sacrament der stervenden, maar het sacrament _van het huwelijk_!--met
+dezen man, dien ik liefheb en die mij liefheeft--en die zijn leven
+keer op keer heeft gewaagd, om mij te komen zien. Nu weet ik, welke
+gevaren gij hebt getrotseerd om mij te winnen--mijn Guido!--nu weet
+ik het--mijn Guy, mijn Engelschman!"
+
+"Maar de hertog van Alva!" mompelt de priester ontsteld.
+
+"Gij toondet daareven ook geen vrees voor hem. Wees even barmhartig
+als gij goed zijt. Kijk naar het altaarstuk, zie, de Madonna smeekt
+u voor mij!"
+
+En naar het altaarstuk ziende, schrikt vader Anastasius, maakt het
+teeken des kruises en stamelt: "Een wonder! Het gelaat van de Moeder
+Gods is het uwe, mijn kind; dezelfde oogen, dezelfde mond--wonderbaar!"
+
+"Gij ziet, dat Moeder Maria mijn gelaat heeft aangenomen, om mijn
+voorspraak bij u te zijn," fluistert het meisje, een ingeving
+krijgend. "Spoedig, maak de ceremonie zoo kort mogelijk."
+
+Aldus aangespoord, spreekt de priester, denkende dat het op bevel van
+de Heilige Maagd zelve geschiedt, over Guy Chester en Hermoine de Alva,
+ofschoon haastig, het sacrament van de Heilige Kerk uit, die dezen
+man en deze vrouw samenvoegen tot één vleesch, één lichaam en één naam.
+
+Als hij het antwoord geeft, is het Guy eensklaps alsof alle hoop
+nog niet behoeft te worden opgegeven; God zal deze edele vrouw, deze
+teedere engel redden en hem met haar; hij hoort haar nu fluisteren:
+"Ik ben uw vrouw; _nu zullen wij zien of mijn vader mijn echtgenoot
+zal durven dooden_!--Heilige man Gods, uw zegen."
+
+En als de priester zijn handen over hen uitbreidt, komen er tranen in
+zijn oogen en hij zegt: "_Benedicte_! De Heilige Maagd zal den man,
+dien gij bemint, behoeden."
+
+Daarna voelt Chester de lippen zijner vrouw, die koud zijn als marmer,
+op de zijne, en zij, opstaande, gaat naar haar vader en zegt met een
+heesche, onnatuurlijke stem: "Het is geschied!"
+
+Want het vertrek heeft nu veel van een gruwelkamer en alle stemmen
+klinken hol en onnatuurlijk; zelfs Hermoine's eigen stem is hard en
+schor geworden.
+
+"Hij is gereed?"
+
+"Neen, hij is _getrouwd_."
+
+"Wat?"
+
+"Ja, hij is met mij _getrouwd_."
+
+"Met u getrouwd! Misericordia! Nu zult gij voortaan uw vader steeds
+beschouwen als den moordenaar van uw echtgenoot! Haal mij dien
+vervloekten priester hier!" roept Alva uit; er is woede, vermengd
+met angst, in zijn stem.
+
+"Wat verlangt gij van mij?" antwoordt vader Anastasius.
+
+"Hoe hebt gij het durven wagen, hen in den echt te vereenigen?"
+
+"Op bevel van de Heilige Maagd! Zie! Moeder Maria heeft de trekken
+van zijn vrouw aangenomen, om hem te beschermen."
+
+"O! wat een bedriegerij!" roept Alva uit. "Het schilderij van den
+verrader Oliver zou mij beletten wraak te nemen! Maar dat zal niet
+gebeuren, het is een staatszaak!" En hij geeft den beul, die naast
+hem staat met den strop in de hand, een teeken.
+
+Hermoine echter gaat voor haar vader staan en zegt: "Geen onteerende
+dood voor mijn man, die evengoed een edelman is als gij. Wees tenminste
+zoo barmhartig en veroordeel hem tot het zwaard."
+
+"Goed! ik zal hem denzelfden dood toestaan als Egmont en
+Hoorne. Onthoofd dien Engelschman op deze tafel!"
+
+"Voor mijn oogen?" vraagt zijn dochter huiverend.
+
+"Gij hebt het verlangd. Het is een staatszaak."
+
+"Vader!" gilt het meisje, want de beul heeft het zwaard
+getrokken. "Vader, daar gij zelf op genade hoopt, betoon ze ook
+mij. Wenscht gij, dat iedereen op aarde u een vervloekten en wreeden
+moordenaar zal noemen? Er was slechts één, die u nooit zoo noemde,
+tot nu toe. Dat was uw dochter. Zoudt gij wenschen, dat zij zeide:
+'Mijn vader heeft mijn echtgenoot gedood?'"
+
+Hij antwoordt echter heesch: "Vlug, maak er een einde aan!"
+
+Eenige mannen willen Guy nu naar de tafel sleepen, maar vader
+Anastasius gaat voor het altaar staan, breidt zijn armen over Chester
+uit en roept: "_Dit is een heilige plaats_! Vervloekt zij iedereen,
+die haar betreedt met getrokken zwaard en een bloot wapen! De Madonna
+beveelt het mij! Terug, of ik slinger den banvloek van de Moederkerk
+naar uw hoofd!" Want de priester is in de vaste overtuiging, dat de
+Heilige Maagd hem beveelt, den bruidegom te redden.
+
+Maar Alva, zich baan brekend door de krijgslieden, roept uit: "Gij
+gaat te ver, verwenschte priester!" en hij wil zelf de hand slaan
+aan den gebonden man, want zijn manschappen deinzen achteruit, als de
+priester met verheffing van stem uitroept: "Vervloekt zijt gij!" en
+de huiveringwekkende formule der excommunicatie begint uit te spreken.
+
+Fernando tracht te lachen. "Monniken jagen mij geen vrees aan--ik,
+die een leger heb aangevoerd tegen den paus!" en het schijnt, alsof
+hij voornemens is, zelf het vonnis aan den echtgenoot van zijn dochter
+te voltrekken.
+
+Op dit oogenblik vliegt een donker, vlugvoetig meisje het venster
+binnen, uitroepend: "Hierheen! Gezwind!"
+
+Alva roept zijn manschappen toe, tegen de aanvallers front te
+maken--maar het is te laat--al hun aandacht is door de executie in
+beslag genomen en zij hebben niets gemerkt van de nadering der mannen,
+die hen nu overvallen onder aanvoering van Corker.
+
+Het duurt slechts een oogenblik en de ontstelde lijfgarde is
+neergesabeld of op de vlucht gedreven om daar buiten te worden
+ingehaald en afgemaakt, terwijl hun heer alleen staat te midden van
+zijn vijanden, ofschoon ongewond; want zijn wapenrusting is bestand
+tegen kogels van pistolen en haakbussen. Zijn hoofd is onbedekt en
+zijn laatste uur was bijna gekomen, want Chester, die nu een zwaard
+in de hand heeft, stormt op hem af, uitroepend: "Nu is het mijn
+beurt, hertog van Alva!" Maar Hermoine, zich aan haars vaders borst
+werpende en hem met haar armen beschermend, smeekt: "Spaar hem, als
+gij barmhartig jegens mij wilt zijn! Spaar hem, Guy, mijn echtgenoot,
+als gij dezen nacht een gelukkige vrouw met u wilt voeren,--want hoe
+zou ik het, zelfs in uw armen, kunnen vergeten, dat gij de moordenaar
+mijns vaders zijt?"
+
+"Spaar hem, jonge man, ik gelast het u nu, zooals ik u zooeven redde,"
+roept de priester uit.
+
+"Ja, dat deedt gij, goede vader Anastasius," zoo laat nu Hermoine
+zich hooren, als Guy zijn arm laat zakken.
+
+Don Fernando vraagt thans op somberen toon: "Welk losgeld?"
+
+En voor Guy's oogen verrijst het beeld van de belegerde stad, de
+uitgeputte mannen, de verhongerende vrouwen, de stervende kinderen
+en hij antwoordt: "De vrijheid van Haarlem!" want hij gevoelt dat
+hij het lot van een volk in zijn hand heeft.
+
+"_Nooit_! Ik heb goud om mijn leven te betalen, doch eer ik toesta,
+dat één vendel het legerkamp voor Haarlem verlaat, kunt gij mij
+neerstooten!" is het vastbesloten antwoord van Alva. "Vermoord mij,
+als gij wilt, doch niemand zal zeggen, dat Don Fernando de Toledo,
+om zijn leven te redden, de trouw aan zijn vorst heeft geschonden."
+
+"Laat men hun dan wat proviand mogen toevoeren!" smeekt Guy nu.
+
+"Neen!"
+
+"Laat de vrouwen en de kinderen tenminste de stad mogen verlaten,
+opdat er minder monden te voeden zijn!" smeekte Hermoine op haar beurt.
+
+"Neen!"
+
+Ware hij op dit oogenblik omringd geweest door Hollanders, dan zou het
+laatste uur voor den Hertog geslagen zijn; maar gelukkig voor hem,
+zijn het Engelschen, die om hem heen staan; toch werpen ook dezen
+blikken vol haat en woede op hem en slaan de handen aan hun zwaarden.
+
+Chester roept echter uit: "De wapens neer! Geen van mijn manschappen
+zal den vader van mijn vrouw letsel doen. Kom mee, Hermoine."
+
+En het meisje gaat naar hem toe.
+
+Dit ziende, stamelt de hertog van Alva: "Gij--gij neemt haar mede?"
+
+"Waarom niet? Gij hebt haar niet lief!"
+
+"Of ik haar liefheb!--Het was een staatszaak.--Beloof mij dan
+tenminste, als gij niet langer bij mij wilt blijven, Hermoine--dat
+gij mij nu en dan eens zult komen bezoeken--wanneer gij dit alles
+zult vergeten zijn."
+
+Doch het meisje antwoordt: "Neen. Ik zou niet zonder mijn man
+willen komen, en ik vertrouw niet genoeg op uw liefde voor mij,
+dat gij zijn leven zoudt sparen, als het in uw macht stond hem te
+dooden.--Het zou--_een staatszaak_ zijn! Wat beteekenden mijn leven,
+mijn geluk, al wat mij op aarde dierbaar is, toen ik u pas vijf minuten
+geleden om erbarming smeekte, vergeleken bij die _staatszaak_! Vader,
+blijf uw staatkunde getrouw, zij heeft u het eenige hart in de wereld
+gekost--dat u beminde!" Hier is het haar onmogelijk, verder te spreken,
+en naar den man toegaande, die tot heden zooveel voor haar is geweest,
+fluistert zij: "Gij waart altijd teeder en goed voor mij--vroeger!" en
+kust hem herhaaldelijk.
+
+En nu begint de Hertog te smeeken, dat zij zal denken aan zijn grijze
+haren--zij, die de troost is van zijn ouderdom--en barst eindelijk
+los tegen Guy: "Uw liefde is een zelfzuchtige--gij veroordeelt dit
+meisje, dat in een vorstelijke omgeving is grootgebracht, om met u
+het leven van een zeeroover te leiden."
+
+"Maar tegelijk met haar heb ik mij een aanzienlijken bruidsschat
+toegeëigend--een koningsdochter waardig, _uw geheelen onzaligen tienden
+penning_, hertog van Alva!" antwoordt Guy, die dezen Parthischen pijl
+niet kan terughouden.
+
+"Hoezoo? Vanwaar?"
+
+"Uit uw schatkamer onder het bastion van den Hertog."
+
+"Groote God! Onmogelijk!"
+
+"Het was het geheim van den stervenden Paciotto!"
+
+"Ik--ik kan het niet gelooven," stamelt Fernando bleek, bevend,
+gebroken.
+
+"Gelooft gij het dan, als ik u zeg: _het standbeeld heeft zijn hand
+bewogen_?" spot Chester.
+
+"En Roderigo, mijn schatbewaarder, _stierf_ zes dagen geleden! Het is
+het noodlot--de fortuin heeft mij den rug toegekeerd," kreunt Alva en
+laat het hoofd op de borst zinken, alsof alle hoop hem heeft verlaten.
+
+Guy leidt zijn vrouw weg van dit wanhoopstooneel; doch als zij zich
+bij de deur nog eenmaal omwendt om haar vader, die nu geheel alleen
+is, een laatsten blik toe te werpen, begint Hermoine te huiveren en
+te snikken in de armen van haar echtgenoot.
+
+De ijzeren Hertog knielt voor het altaarstuk, waaruit de oogen zijner
+dochter op hem neerzien en hij snikt--hij, die nooit te voren geweend
+heeft.
+
+Het is het eenige wat Alva in deze wereld van zijn dochter rest. Nadat
+het schoone wezen, dat de vreugde van zijn ouderdom was, van hem is
+heengegaan, wendt ook de fortuin haar aangezicht van hem af. Ofschoon
+hij Haarlem inneemt en zijn beulen, vijf in getal, er dag en nacht aan
+het werk zijn, om de burgers van die ongelukkige stad te vermoorden
+en de dapperste verdedigers van haar wallen te onthalzen, Ripperda,
+Hasselaer en haar andere helden en heldinnen, stoot Don Fernando voor
+Alkmaar het hoofd.
+
+Hij is niet meer de Alva van vroeger, en als hij eenige maanden
+later naar Spanje vertrekt, gaat hij heen, gebroken naar ziel en
+naar lichaam; hij heeft het vertrouwen van zijn koning verloren, en
+de onsterfelijke beruchtheid verworven, de wreedste man der wreedste
+eeuw te zijn. Al zijn schuldeischers in Holland en Brabant zenden
+hem verwenschingen na, als hij het land verlaat,--zij kennen de ware
+geschiedenis van zijn standbeeld niet.
+
+Zelfs Requesens, zijn opvolger, geloof slaande aan de praatjes van
+de soldaten, haalt het groote standbeeld van Alva omver en laat naar
+den schat graven--om niets te vinden dan het onderaardsche gewelf,
+dat eens de bergplaats er van was. De Hertog neemt naar Spanje één
+ding mee, dat hem voortaan het dierbaarst op aarde is--het altaarstuk,
+geschilderd door den genialen kunstenaar Oliver, en het wordt geplaatst
+op het altaar in de kathedraal te Vittoria, waar de hertog van Alva
+zich vestigt. De boeren vertellen, dat de man met het hart van steen
+iederen dag weent voor de Madonna om de duizenden menschenlevens, die
+hij in de Nederlanden heeft doen verloren gaan. En nu, na driehonderd
+jaren, houdt men het schilderij voor een der eerste werken van Murillo
+en strekt het om den roem van dezen meester te verhoogen--aan toeristen
+vertelt men, dat de waarde er van niet te bepalen is.
+
+Zoo heeft de doode Oliver zelfs zijn beroemdheid verloren. Zijn
+genie heeft den naam van een ander helpen vestigen; zijn lichaam werd
+geworpen in zijn geliefd IJ, zijn hoofd binnen Haarlem's wallen als aas
+voor de roofvogels. Hij stierf om Nederland te bevrijden, om de komst
+voor te bereiden van een nieuwen tijd, waarin de menschen zichzelf
+zouden kunnen zijn en vrijheid van denken zouden hebben en God zouden
+kunnen aanbidden, ieder op zijn eigen wijze. Hij heeft enkel den roem
+behouden, een patriot te zijn geweest--en is dat niet genoeg?
+
+Guy voert zijn vrouw naar de landingsplaats, ver van haar vaders
+wanhoop en vernedering. Hier wachten al zijn booten op hem, terwijl
+de matrozen inderhaast, onder toezicht van Alida, het voornaamste van
+Hermoine's bezittingen meevoeren. Het Moorsche meisje neemt zelve
+het kistje met juweelen in de hand en gaat naast haar meesteres in
+de sloep zitten.
+
+Chester geeft eindelijk het bevel, om van wal te steken, en de sloepen
+begeven zich op weg naar de _Dover Lass_.
+
+"Herinnert gij u onzen vorigen boottocht op deze rivier?" fluistert
+Guy in het oor van zijn vrouw. "De onbekende dame, die mij tot kolonel
+wilde bevorderen, hè?"
+
+"En heb ik niet meer voor u gedaan?" antwoordt Lady Chester--née
+Hermoine d'Alva--in zijn oor.
+
+De blik, waarmee Guy haar aanziet, is welsprekend genoeg; er zijn
+geen woorden noodig.
+
+Als zij de _Dover Lass_ langszij zijn gekomen, neemt Chester zijn vrouw
+in zijn armen en draagt haar naar zijn hut, waar Hermoine verwonderd
+rondkijkt en uitroept: "Uw schip is zoo fraai als een staatsgalei of
+vorstelijk pleiziervaartuig, mijn heer," want Achille heeft met zijn
+Franschen smaak de hut herschapen in een dames-boudoir, met frissche
+bloemen, op den oever geplukt.
+
+"Ja, het was voor de wittebroodsweken, dat ik de hutten liet
+versieren. Het was voor u."
+
+"Dus gij waart er zóó zeker van, mij te winnen--met de macht van
+geheel Spanje tegenover u? Wat bezit gij Engelschen een volharding
+en een vermetelheid!" Dit zegt zij lachend, maar daarna neemt haar
+gelaat een ernstige uitdrukking aan en stamelt zij: "Wat hebt gij
+niet gewaagd voor mij, mijn Guy--mijn Engelschman!"
+
+Maar Chester moet zich van haar losrukken en op het dek gaan om zijn
+zeemansplicht te vervullen. De Engelsche vlag wappert van de _Dover
+Lass_, en het schip snelt naar den mond der Schelde, Vlissingen
+voorbij, want Guy wil hier niet stilhouden, uit vrees voor Spaansche
+oorlogsschepen.
+
+Den volgenden avond werpen zij het anker uit te Harwich, waar de
+klokken vroolijk luiden.
+
+"Welkom in Engeland!" roept Guy uit en brengt zijn vrouw aan land. Hier
+doet het gerucht weldra de ronde, dat Chester een galjoen met enorme
+schatten heeft buitgemaakt en hij betaalt dan ook tien percent,
+zooals gebruikelijk is, aan de Engelsche kroon, evenals in dergelijke
+gevallen Drake, Hawkins en andere zeeschuimers deden.
+
+De rest van den schat is volgens de wet van het land de zijne, en hij
+keert aan Bodé Volckers zijn aandeel uit. De Vlaming gaat met dit geld
+naar Holland en vestigt zich eenige jaren later, als Amsterdam zich
+voor Oranje heeft verklaard, in die stad om een van haar voornaamste
+kooplieden te worden.
+
+En als de matrozen hun gage en hun belooning hebben ontvangen, zijn
+er geen gelukkiger zeelieden in alle havens van Engeland; en nog
+weken later, als eenige van de pikbroeken in Plymouth of Portsmouth
+worden gezien met twee groote horloges op zak, roepen de menschen:
+"Dat is een van Chester's matrozen, niemand behalve een matroos van
+de _Dover Lass_ kan zich zulk een buitensporige weelde veroorloven!"
+
+Als dit alles ter oore komt van koningin Elizabeth, zegt Hare Majesteit
+tot haar eersten minister: "Burleigh, deze Sir Guy Chester is de
+grootste dief van ons allen. Hij heeft de dochter van Alva gestolen
+en hij en het meisje hebben samen haar vader bestolen, den armen
+ouden Hertog."
+
+"Zij namen een voorbeeld aan Uwe Majesteit," antwoordt Burleigh. "Gij
+herinnert u de achthonderd duizend kronen immers nog wel?"
+
+"Dat zou ik denken! Maar mijn ridder Chester is voor mij verloren als
+krijgsman wanneer zijn fortuin slechts een vijfde bedraagt van het
+kapitaal, waarop men het schat, en de lieftalligheid van zijn vrouw
+slechts een tiende is, van hetgeen er van verluidt. Breng die kleine
+heks bij mij. Ik wil die Spaansche schoonheid zien."
+
+"Inderdaad," antwoordt Cecil, die Hermoine heeft gezien en verrukt is
+over haar schoonheid, "Lady Chester is de schoonste vrouw op aarde--op
+Uwe Majesteit na."
+
+"Uit mijn oogen met uw laffe vleierij--dat 'op Uwe Majesteit na'
+komt hinkend achteraan," lacht Elizabeth. "Maar breng haar hier, ik
+geloof, dat gij zelf op haar verliefd zijt, gij oude zondaar! Laat
+mij dat Spaansche wonder aanschouwen."
+
+En als Sir Guy Chester met zijn vrouw aan het hof komt, wekt Hermoine
+door haar geest en haar lieftalligheid de algemeene bewondering op.
+
+Haar ziende, zegt Queen Bess op weemoedigen toon: "De fortuin heeft van
+Chester een saletjonker gemaakt; hij eet nu zelfs met dat afschuwelijke
+Italiaansche ding, vork genaamd. Toch heeft hij oog voor kostbaarheden;
+de diamanten van zijn vrouw zijn schooner dan de mijne. Misschien
+zou hij een goede Lord van de Schatkist zijn, want hij zal nu wel
+niet meer gaan vechten--tenzij het hem in het hoofd mankeert."
+
+Elizabeth heeft goed gezien. Chester koopt groote bezittingen rondom
+Londen en richt zich met zijn vrouw in op een vorstelijken voet,
+en beiden smaken een volkomen geluk. Tien jaren later gordt hij
+echter zijn zwaard nog eens aan, zooals iedere echte Engelschman,
+en op zijn eigen kosten zes schepen uitrustende, waarvan het kleinste
+de oude _Dover Lass_ is, onder bevel van Dalton, vat hij post in het
+kanaal onder Lord Howard van Effingham, om te strijden tegen de groote
+Armada, door Philips van Spanje uitgezonden teneinde de vrijheid van
+zijn land te bedreigen.
+
+Die roemrijke overwinning is het laatste zeegevecht van den "Eerste
+der Engelschen". Van dien tijd af aan woont hij het grootste gedeelte
+van het jaar in het milde klimaat op de kust van Kent, waar zijn vrouw
+zich het best thuis gevoelt, waar het zoele windje haar herinnert
+aan haar Spaansch geboorteland. Hier regeert zij tot aan het einde
+van haar lang, gelukkig leven als koningin in het hart van haar man.
+
+Hun eenig verdriet is, dat hun geen zoon wordt geboren, om hun groote
+bezittingen te erven, maar zij hebben een dochter, het evenbeeld
+van Hermoine, en deze huwt in een voorname Engelsche familie, als
+bruidsschat het uitgestrekte grondbezit meebrengend, dat nu een der
+hertogelijke geslachten tot een van de rijkste en aanzienlijkste van
+Engeland maakt.
+
+Nu en dan heeft een dochter van dat huis Hermoine's prachtige oogen,
+blanke teint en weelderig haar en haar bevalligheid is niet die van
+een dochter van het Noorden, maar van een dochter van het Zuiden. Dan
+lachen haar broeders en zusters en zeggen dat de Spaansche schoonheid
+nog eens hier opdoemt, ofschoon zij zijn vergeten, van wie zij
+afkomstig is.
+
+Zij kennen nog slechts als legende de geschiedenis van den
+stoutmoedigen zeeman, den onverwinnelijken krijgsman, en den alles
+trotseerenden minnaar, die Alva's schat en het hart van Alva's dochter
+won, om haar te maken tot de de bruid van den "Eerste der Engelschen"!
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+_Bij den Uitgever dezes verscheen mede:_
+
+VOOR KONING EN VADERLAND
+
+NAAR HET DUITSCH VAN
+
+HANS VON ZOBELTITZ
+
+DOOR
+
+H. BERTRAND.
+
+Rijk geïllustreerd. Prijs ingenaaid f _2.40_, in prachtband f _2.90_.
+
+
+
+Het _Nieuws van den Dag_ van 27/11 '95 zegt o.a.:
+
+Het is de aan avonturen zoo rijke geschiedenis van twee jongens, het
+zoontje van een sergeant-majoor en het zoontje van een edelman, die
+met nog andere knapen door Koning Frederik Wilhelm worden uitverkoren
+om deel uit te maken van het kadettenkorps dat door den Koning was
+opgericht. Frederik Wilhelm had namelijk besloten tot de oprichting
+van een compagnie jongens, juist zoo oud als de Kroonprins was. Deze
+jongens kregen echte soldatenpakken aan, ze werden als soldaten
+gewapend en de Kroonprins zelf werd hun bevelhebber.
+
+De lotgevallen van deze ferme jongens worden in het boek op boeiende
+en spannende wijze verteld, en 't zijn werkelijk lotgevallen die de
+moeite waard zijn. Zoo worden bij voorbeeld de twee genoemde jongens de
+ontdekkers van een complot dat tegen het leven van den Koning gesmeed
+is. Zij gaan zelf heel parmantig hun gewichtige ontdekking aan den
+Koning mededeelen en door hun toedoen wordt de hoofd-samenzweerder,
+een Franschman, gevangen genomen.
+
+En zoo hebben de jongens avontuur op avontuur.
+
+Het spreekt vanzelf dat zij ook den oorlog meemaken, en dat zegt niet
+weinig, een oorlog in den tijd van Frederik den Groote.
+
+Het leven van de beide vorsten, de meer dan gestrenge opvoeding welke
+Frederik Wilhelm zijn zoon geeft, de gespannen verhouding tusschen
+vader en zoon welke daaruit voortkomt en al de gevolgen daarvan, dat
+alles en veel meer nog wordt beschreven in dit boek, dat de aandacht
+in beslag neemt van het begin tot het einde.
+
+Het verhaal wordt door een aantal goed uitgevoerde platen opgeluisterd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Koningin Elizabeth.
+
+[2] Glutton = gulzigaard.
+
+[3] Knight = ridder, paard in het schaakspel.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Een strijd om de schatten van Alva, by H. Bertrand
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA ***
+
+***** This file should be named 22686-8.txt or 22686-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/2/6/8/22686/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.