diff options
Diffstat (limited to '22686-8.txt')
| -rw-r--r-- | 22686-8.txt | 13092 |
1 files changed, 13092 insertions, 0 deletions
diff --git a/22686-8.txt b/22686-8.txt new file mode 100644 index 0000000..124496c --- /dev/null +++ b/22686-8.txt @@ -0,0 +1,13092 @@ +Project Gutenberg's Een strijd om de schatten van Alva, by H. Bertrand + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een strijd om de schatten van Alva + of De watergeuzen in 1572 + +Author: H. Bertrand + +Illustrator: Cornelis Koppenol + +Release Date: September 20, 2007 [EBook #22686] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA + + OF + + DE WATERGEUZEN IN 1572 + + + + NAAR HET ENGELSCH + + DOOR + + H. BERTRAND + + Geïllustreerd door C. KOPPENOL + + + AMSTERDAM + + H. J. W. BECHT + + + + + + SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN. + + + + + + +INHOUD + + + I. DE STORM OP DE SCHELDE + II. DE INHOUD VAN DE BARGE + III. DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL + IV. DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD + V. HET GEVAAR WORDT DREIGEND + VI. IN HET GESCHILDERDE HUIS + VII. ALVA'S DOCHTER + VIII. "ONBEREIKBAAR!" + IX. "GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT!" + X. HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD + XI. MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG + XII. "BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN." + XIII. "GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!" + XIV. GODS VOORZIENIGHEID + XV. HET GEVECHT OP SCHAATSEN + XVI. DE BERSERKER EED + XVII. GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573 + XVIII. "IS HET EEN DROOM?" + XIX. DE BRUIDSCHAT VAN DE DOCHTER + XX. "PAPA KOMT! NU--ZAL IK HET DOEN!" + XXI. "DE HERTOG VAN ALVA!" + XXII. "OHO! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!" + XXIII. "HET IS EEN STAATSZAAK!" + + + + + + + +HOOFDSTUK I. + +DE STORM OP DE SCHELDE. + + +"Eerste officier, waar is de bootsman?" + +"Vóóruit, commandant, om het plechtanker klaar te maken," antwoordt +Harry Dalton, de dienstdoende luitenant van de _Dover Lass_. + +"Goed, roep den bootsman hier. Hij heeft den besten neus aan boord," +schreeuwt Guy Stanhope Chester, de commandant. + +"Tot uw orders, commandant!" + +Hierna gaat de jonge zeeman, want hij is hoogstens vijf en twintig +jaar, terwijl hij het schuim en het water van zijn oliejas schudt, +al tastend naar het kompashuis, waarvan de lantaarn bedekt is, +voornamelijk om haar voor den wind te beschermen, maar ook om te +voorkomen, dat het schip in de duisternis zal verraden, waar het +zich bevindt. + +Terwijl hij den koers van het schip opneemt, kijkt hij naar de twee +mannen, die vastgebonden zijn aan het stuurtoestel, om niet door de +golven te worden meegesleept, die over het schip hebben gespoeld, +sedert zij de krijtrotsen aan Engelands kust verlieten, en roept hun +toe: "Maakt je maar los, jongens, wij zijn nu in stiller water. Een +gedeelte van Vlaanderen is tusschen ons en den storm." + +Een oogenblik later verschijnt de bootsman, een geharde oude Engelsche +pikbroek, een van de nieuwe soort van zeelieden van de groote vaart, +uit de school van Drake en Frobisher. Hij is voor geen kleintje +vervaard en zou geheel en al zeerob zijn, indien hij niet een +borstkuras van geslagen ijzer droeg. Hij salueert zijn commandant, +die vraagt: + +"Hoelang is het geleden, sinds wij Vlissingen passeerden, Martin +Corker?" + +"Ongeveer vier glazen, mijnheer." + +"Twee uur! Dat dacht ik al. Kon je de plaats met het bloote oog +onderscheiden, bootsman?" vraagt Guy, het bezaanswant grijpend van +het schip, dat geweldig slingert door den noordwester storm en het +wassend tij. + +"Het was te donker, kapitein; maar ik peilde met mijn lood, zag het +land met mijn oogen en rook de slachterijen op de kust met mijn neus." + +"Zoo ging het mij ook," lachte de commandant. "Jij en ik, Martin, +zijn dikwijls genoeg op de Schelde geweest, om het kanaal te kunnen +ruiken in zoo'n donkeren nacht, ofschoon die vervloekte Spanjaarden +iedere boei op de rivier hebben vernield." + +Daarna neemt de jonge commandant den eersten officier terzijde en +vervolgt ernstig, met saamgetrokken wenkbrauwen: "Er is geen kans op, +dat wij Alva's galjoenen op deze onstuimige zee in zulk een nacht +zullen ontmoeten." + +"Neen," bromt Dalton, "die Spaansche lummels zijn alleen op zee te +vinden bij mooi weer." + +"En buitendien," voegt de commandant er aan toe, "zou de _Dover Lass_ +het flinkste en grootste Spaansche galjoen, dat ooit de zee bevoer, +bij zulk een storm ook te schande maken," en hij kijkt met den trots +en de liefde van een zeeman naar het nette kleine schip, op welks +halfdek hij staat, terwijl het danst op de golven van den Scheldemond, +het water, dat zijn boeg schoonveegt, vlug door zijn spuigaten werpend, +met Zuid-Beveland te lij en Vlaanderen te loever. + +Maar de nacht is zoo donker en het schuim zoo verblindend, dat +Guy Chester's scherpe oogen slechts de helft van zijn schip kunnen +onderscheiden, dat niet meer dan honderd vijf en dertig voet lengte +en tweehonderd vijftig tonnen inhoud heeft, opgetuigd op een wijze, +zooals in de tijden van koningin Elizabeth van Engeland in zwang was, +met drie masten, de groote- en de fokkemast vierkant getuigd, en de +bezaansmast met een langen zeilboom, waaraan een brikzeil zou kunnen +gespannen worden, als het schip niet wegens den storm gereefd had. + +Onder dit tuig bevinden zich op het dek van de _Dover Lass_ zulk een +menigte grimmige verdedigingsmiddelen als ooit op een schip van die +grootte, dat koers zette naar Engeland, bijeen werden gevonden;--zes +lange halve achttienponders voor negenponds kogels aan iedere zijde; +vier draaibassen op het halfdek, drie kleine kanonnen, moorddadige +stukken, op den bak, en een half dozijn serpentines, gemonteerd als +draaibassen, op de verschansingen, die voor een schip uit die dagen +ongewoon laag zijn. + +Een eigenaardigheid van de _Dover Lass_, met betrekking tot haar +hutten en verschansingen, is, dat zij geen hoogen achtersteven en +hooge voorplecht heeft en dientengevolge in staat is, met grooter gemak +tegen den wind op te zeilen, dan de gewone zestiende-eeuwsche schepen. + +Rondom het dikste gedeelte van haar masten bevinden zich wapenrekken +met een menigte hartsvangers, enterhaken en strijdbijlen, terwijl de +haakbussen en pistolen te vinden zijn bij den wapenmeester onder den +bak of in de hut van den bevelhebber. + +Haar bemanning, ongeveer honderd vijf en twintig van de luchthartigste +zeerobben, die ooit iemand den hals afsneden of een schip in den +grond boorden, liggen dezen avond, allen zonder uitzondering, niet in +hun kooi, maar op de gemakkelijkste plaatsen, die zij kunnen vinden +tusschen het geschut aan de loefzijde van het dek, en halen grappen +uit, die hun op een gouvernementskruiser niet zouden veroorloofd +worden. + +Toch heeft de _Dover Lass_ het uiterlijk van een oorlogsschip, al is de +discipline er niet zoo streng; het is klaarblijkelijk een dier schepen, +door een particulier persoon uitgerust, om te handelen, als er wat te +handelen valt, te vechten, als zij er toe genoodzaakt worden, en de +"Dons" te plunderen, overal en te allen tijde, zooveel ze kunnen; +zooals de schepen, die onder Drake en Frobisher en den ouden John +Hawkins de schrik van de Spanjaarden waren, nog meer dan de schepen +van de Koningin. + +"Wel een verschil met verleden week," bromt de eerste officier, +"toen gij, kapitein Chester, bezig waart het hof te maken aan de +schoone dames van Shene en Windsor." + +"En gij aan ieder mooi meisje in Harwich," lacht de aangesprokene. + +Deze opmerkingen, die schenen gefluisterd te worden, werden in +werkelijkheid uitgeschreeuwd, de een met den mond aan het oor van den +ander, want het gehuil van den wind door het want en het geklots van de +aanrollende golven, als zij het schip zweepten, waren bijna in staat, +zelfs de stem van den ouden Stentor te smoren. + +Een oogenblik later staat de bootsman voor den gezagvoerder, salueert +en schreeuwt: "Zou het niet beter zijn, dat ik het andere anker ook +gereed hield?" + +"Ja, wij zouden het bij deze zee kunnen noodig hebben," antwoordt +de commandant, terwijl de eerste officier uitroept: "Bij den ouden +Boreas Bill, wat een hondenweer!" + +"Ja, maar nog slimmer aan land dan op zee," antwoordt Guy, met de eene +hand zijn oliejas dichter om zich heen trekkend en met de andere zijn +zuidwester vasthoudende, waar, ondanks al de moeite, die hij zich +geeft, om hem vast op zijn hoofd te drukken, toch nog eenige blonde +lokken onder uitwaaien. Het drietal houdt niet op, al dien tijd met +de voeten te stampen, onophoudelijk het water af te schudden, en zijn +best te doen, om warm te blijven bij dien snijdenden noordenwind. + +En het is een verschrikkelijke nacht; een van die nachten, die het +menschdom voorgoed in het geheugen blijven door de weduwen, die zij +maken en de weezen, die zij achterlaten; een nacht, waarin de zee het +land verzwelgt; een nacht, waarin de dijken voor het gebeuk van den +oceaan bezwijken, en het water stroomt over de onbeschermde weiden +en bloeiende boomgaarden, die veranderen in een bed van voortjagende +stroomen en diepe zoutzeeën, die de vluchtende boeren met hun vrouwen +en kinderen doet omkomen in Vlaanderen, Brabant, Zeeland, Friesland en +op de eilanden en in de polders van Zuid- en Noord-Holland; een nacht, +die de Nederlanders opnieuw in ellende dompelde, de rijken zoowel als +de armen, edellieden zoowel als burgers, die buitendien reeds vijf +jaar lang het slachtoffer waren van de martelingen, verbrandingen en +geeselingen van Philips II en Alva, zijn onderkoning; een nacht, waarin +de lang aanhoudende noordwesterstorm blaast tegen de onbeschermde +dijken van Holland, gesteund door een springvloed van ongemeene +kracht, en de weerlooze Nederlanden teistert, om ze te herinneren +aan den grooten vloed, waarvan men nog eeuwen zal gewagen--dien van +Allerheiligen 1570.--Het is nu bijna twee jaar later, in de lente van +1572. Teekenen van de ellende, welke op het land wordt aangericht, +vertoonen zich weldra in de duisternis van den nacht. Op het strand +van Zuid-Beveland ziet men lichten heen en weer zweven, en de kreten +van tal van verdrinkende boeren worden meegevoerd door het gehuil +van den wind. + +"Bij Sint George, er is een dijk doorgebroken!" schreeuwt Chester +zijn luitenant toe; dan zegt hij iets zachter: "God sta de arme +drommels bij, wij kunnen het niet!" als het schip naderbij stevent, +met den storm nu meer aan stuurboord. + +Een minuut later commandeert hij haastig: "Roep de twee +kwartiermeesters en laat loggen." + +Als dit gedaan is, mompelt hij plotseling: "Tien knoopen--in den vloed +vier meer! Twee uren! Wij moeten het Kromvliet te loever hebben, +de overstroomde landen liggen aan lij." Daarna roept hij haastig +tot zijn luitenant: "Ga vóóruit en zie, of de beide ankers gereed +zijn. Wij moeten trachten te komen onder de lij van Zuid-Beveland in +het slecht water, waar de vloed, van de Oosterschelde komende, den +stroom van de Westerschelde ontmoet. Als wij verder op geraken met +dezen wind en vloed, zullen onze ankers ons niet meer kunnen houden +aan deze zijde van Fort Lillo, en dat beteekent gevangenschap en dood +voor iedereen, _Alva's dood_--gij weet, wat dat is!" + +Hierop mompelt de luitenant niet anders dan: "Ja, dat weet ik!" en +begeeft zich haastig naar vóóruit, waar men hem de matrozen kan +zien commandeeren, die geroepen zijn door den bootsman. Chester, +die bij het roer staat, geeft zelf de richting van het schip aan, +en commandeert de beide stuurlieden. + +Een oogenblik later waggelt Martin Corker, de bootsman, over het +glibberige dek naar den commandant toe en fluistert schor: "Schip +vooruit!" + +"Hoe weet ge dat? dat zoudt ge immers onmogelijk vannacht kunnen zien." + +"Lichten!" + +"O, de lichten van Sandvliet." + +"Neen, schepen! pistolen--haakbussen. Ik zag hun geweren flikkeren, +drie streken aan lij in het slecht water onder de kust van Beveland!" + +"Dan kan ik deze schepen nemen," fluistert de commandant. + +Hierbij komt de natuur van dezen man plotseling duidelijk aan het +licht, zijn verwonderlijke vlugheid van denken en doen. Hij beveelt: +"Alle hens aan dek, klaar om te wenden. Zend twintig man naar het +achterdek, om de bezaan te geiën! Laat de twee ankers stoppen tot +op twintig vaâm! Gelast het stuurboordskwartier zich te wapenen met +pieken, haakbussen en bijlen--enkel staal. Er moet bij deze affaire +geen rumoer worden gemaakt! Commandeer drie mannen te loever met +enterhaken!" + +Een minuut later ziet hij vuurwapenen schitteren op een kabelslengte +aan bakboord. + +"Stuurboord je roer!" schreeuwt hij tot den man aan het +stuurrad. "Genoeg, stuur voorzichtig, zeg ik je. Bezaan uit!" + +Een oogenblik later passeeren zij rakelings de schepen en nauwkeurig +de kracht van de strooming berekenend, die geweldig is, wendt hij +plotseling zijn schip en geeft zijn bevelen door de spreektrompet: +"Stuurboord je roer! Lijbrassen los! Haal door de loefbrassen!" + +En aanstonds wendt het schip met scherp gebrast vóórtuig en staanden +kluiver, die, hoewel bijna uit de lijken gewaaid, het schip spoedig in +het slecht water drijft, gevormd door den stroom van de Oosterschelde, +die hier het water van den hoofdmond ontmoet. + +Het volgend oogenblik heeft hij twee schepen langszij en zijn de +manschappen van stuurboordskwartier, door zich aan touwen af te laten, +in de schepen gesprongen, die ze enteren en nemen. Deze dobberen weldra +naast hem aan lij, beschermd voor de zee en den wind, terwijl hij het +anker laat vallen in het slecht water, gevormd door de ondiepten en +moerassen van Zuid-Beveland. + +Er is blijkbaar nagenoeg niet gevochten in de boot, daar zijn +manschappen haar bij verrassing genomen hebben. + +Een oogenblik later klimt de bootsman weer aan boord van de _Dover +Lass_ en bericht: "Wij hebben ze beide!" + +"Wat zijn het?" + +"De een is een vriend en de ander een vijand." + +"Wie is de vriend?" + +"Dirk Duyvel en zijn Watergeuzen; en Dirk gaat te keer als een bezetene +en vloekt en zweert bij hoog en laag, dat hij gemeen behandeld is." + +"Wie is de vijand?" + +"Een Spaansch plezier-galjoen of staatsbarge, te oordeelen naar de +uitrusting en de tenten." + +"Wie zijn er aan boord?" + +"Roeiers, die om hun leven smeeken, en twee of drie vrouwen, op +één na allen flauw gevallen. Er was ook een Italiaan aan boord of +een Spanjaard, tenminste zoo iets, maar Duyvel en zijn troep hebben, +toen zij hem gevangen hadden genomen, een touw om zijn lijf gebonden, +hem overboord geworpen en hem zoo meegesleept; ik denk, dat hij nu +wel verdronken zal zijn." + +"Goed, trek den Italiaan op en breng hem aan boord. Zend Dirk ook +hier." + +Een oogenblik later komt een breedgebouwde Hollandsche zeerob aan +boord, stampt hard met zijn zware laarzen en vloekt bij iederen stap, +dien hij doet. + +"Kom hier, Dirk, wat hebt gij te vloeken?" lacht de jonge commandant. + +"Waarom ik vloek? Ik vloek op u! Wie geeft u het recht, mij mijn buit +af te nemen? Wie zijt gij, zeg?" + +"Kent ge me niet meer, Dirk? Kom eens hier." + +De commandant werpt de deur van zijn hut open en wenkt den Hollandschen +zeeman, dat hij hem naar binnen zal volgen. Er hangt een schommelende +lamp aan een dwarsbalk van den koekoek, die een schemerachtig +licht verspreidt, maar de duisternis is zóó ondoordringbaar, dat +de Hollander en de Engelschman toch beiden met hun oogen knippen, +als zij binnenkomen. + +Een oogenblik later roept Dirk uit: + +"Genadige hemel! Ik herkende de stem niet. Het is kapitein Chester. De +'Eerste der Engelschen'!" + +Deze bijnaam, waarmee hij Guy betitelt, is hem door de Hollanders +gegeven, toen hij voor het eerst in hun land verscheen als spion, +gezant en agent van koningin Elizabeth; daar Engeland op voet van +vrede met Spanje verkeert, heeft zijn souverein openlijk de daden +van den man afgekeurd, die zijn leven dag aan dag in de waagschaal +stelde voor hare belangen op de kusten van Holland, belangstellend +den ongelijken strijd gadeslaande, dien de Nederlanders voeren tegen +de macht van Philips II van Spanje en de wreedheden--het verwoesten, +verbranden, geeselen en martelen--van Alva, zijn onderkoning. Deze +bijnaam, de "Eerste der Engelschen", is hem waarschijnlijk gegeven in +de hoop--hoe flauw die ook was--dat hij niet de _laatste_ Engelschman +zou zijn; dat anderen na hem zouden komen, om hen te helpen strijden +voor vrijheid van denken en dat zij, zoo zij al niet openlijk worden +bijgestaan, althans in het geheim ondersteund zullen worden door de +macht der dochter van Hendrik VIII;--heeft toch Philips niet gezworen, +de kettersche Engelschen evengoed als de Hollanders te zullen verdelgen +in het belang van den godsdienst? Want totaal verslagen te Jemmingen +en verdreven uit Friesland, hun stadhouder en prins een balling in +Duitschland, bestaat er voor de aanhangers van Willem den Zwijger +geen hoop op redding meer, tenzij door de krachtdadige tusschenkomst, +of zoo hem deze niet mocht worden verleend, door den heimelijken +bijstand van Engeland. + +Als hij den Engelschman herkent, komt er een droomerige uitdrukking +op het gelaat van Dirk Duyvel, ofschoon hij grimmig mompelt: "Kapitein +Chester, uw daad is niet de daad van een Watergeus." + +"Wel verdraaid! Gij weet best, dat ik een van de uwen ben," lacht +de jonge man, een penning toonend, dien hij om den hals draagt en +waaraan twee of drie geuzennapjes hangen met deze woorden er op: "_En +tout fidelles au Roy!_" en een borstbeeld van Philips II van Spanje. + +"Een wonderlijke zinspreuk voor een Engelsch onderdaan," vervolgt Guy, +"doch sinds ik een der uwen werd, ter wille van haar, die mij herwaarts +zond," hij aarzelt een weinig, eer hij de woorden uitspreekt, "heb +ik tegenover u gehandeld als een broeder Gueux, en trouw gezworen +aan de grondbeginselen van de Bedelaars van de Zee--als zij er die +ten minste op na houden. Houden zij er die op na, Dirk?" spotte +hij. "Antwoord mij, gij zeeschuimer. Hebt gij niet het schip van uw +eigen broer gekaapt, verleden jaar?" + +"Nu, die geschiedenis is voor tweeërlei uitlegging vatbaar, kapitein," +bromt de Hollander. Daarna vervolgt hij angstig: "Maar gij zijt toch +niet van plan, mijn buit te rooven?" + +"Neen, ik wil u alleen maar helpen, hem in veiligheid te brengen. En +gij hebt mijn hulp vannacht wel noodig, want gij zoudt het met dezen +wind zonder mij nooit klaarspelen en uw schepen weer bereiken. Waar +zijn zij?" + +"Ongeveer vier mijlen de Oosterschelde af." + +"Dan zou uw boot ze nooit bereiken. Gij zoudt in het Sandvliet gedreven +worden of voorbij de forten, in Alva's klauwen, tenzij gij op een dijk +werdt geworpen, waar gij gevaar liept, door zijn Spaansche huurlingen +overhoop te worden geschoten. Gij zoudt uw ankers hier niet kunnen +uitwerpen, uw booten zouden zinken; zonder de hulp van mijn schip +zoudt gij binnen tien minuten in de armen van de zeenimfen liggen of +binnen twee uren in Alva's handen zijn. Wat zou het ergste wezen?" + +"Ik denk, dat in Alva's handen te vallen, het ergste zou zijn, zoowel +voor mij als voor u! Hij haat den 'Eerste der Engelschen' haast nog +meer dan ons, oproerlingen," grijnst de Hollander. Hij huivert toch +bij het uitspreken van dien naam, gevreesd door iederen Nederlander +en meer nog door al die bannelingen, welke zich tot lijfsbehoud +gedwongen hebben gezien, om, onder den naam van Geuzen, piraten en +zeeroovers te worden, ofschoon zij de vrijheidsapostelen zijn onder +Willem van Oranje. + +"Nu, en wat hebt gij gevangen? Vertel mij eens alles," zoo laat de +Engelschman zich weer hooren. Deze heeft schitterende, donkerblauwe +oogen en lang, krullend, kastanjebruin haar, en zijn geheele persoon +vormt een scherpe tegenstelling met den Hollander, die er flegmatiek +en droomerig uitziet en wiens goedaardig gelaat prijkt met een +onveranderlijken grijnslach--die hem, Dirk Duyvel, nooit verlaat, +hetzij hij zijn gebeden opzegt, een schip plundert of een Spanjaard +naar de andere wereld zendt. + +"Wel, wij zetten hierheen koers," antwoordde hij. "De storm was toen +nog niet zoo hevig, anders hadden wij het zeker niet gedaan. Wij +zagen een dijk doorbreken aan deze zijde van het Sandvliet, en wij +wilden de bezittingen van de boeren in bewaring nemen, om ze hun +terug te geven, als zij in het leven mochten terugkeeren. Terwijl wij +daarmee bezig waren, zagen wij, dat er aan een landhuis een vaartuig +werd uitgezet; wij begrepen, dat daarop wat zou te halen zijn. Nu, +en toen volgden wij dat vaartuig. Het trachtte de rivier op te komen +in de richting van Antwerpen, maar wij schoten de matrozen dood, en +hadden het juist vermeesterd en een Italiaan overboord geworpen, en +waren bezig te onderzoeken of er ook iets viel buit te maken, behalve +de vrouwen, waarvan er drie in zwijm vielen, toen ik haar aansprak +en haar vertelde, wat wij van plan waren met haar te doen,--toen gij +langszij kwaamt; eer ik wist wat er gebeurde, lag ik op den grond, +met twee van de uwen over mij heen, die hun dolken tegen mijn hals +hielden, terwijl zij aardigheden verkochten over den waarschijnlijken +duur van mijn leven." + +Dit verslag wordt afgebroken door de komst van den bootsman, die +salueert en een levenlooze, druipende massa op de bank in de kajuit +neerlegt, terwijl hij plichtmatig bericht: "De Italiaan is aan boord, +commandant." + +"Laat eens zien, of er nog leven in zit." + +Doch na een kort onderzoek maakt Chester het teeken des kruises en +fluistert: "Hij is buiten het bereik der levenden. Alle barbiers, +medicijnmeesters en chirurgijns ter wereld zouden zijn hart niet weer +aan het kloppen kunnen brengen," en hij legt zijn hand op het hart +van den doode. + +Op hetzelfde oogenblik schrikt hij en roept uit: "Er zit iets in zijn +jas, er schijnt iets ingenaaid te zijn." + +"Alle duivels! Geld? Heeft hij geld in zijn jas?" schreeuwt de +Hollandsche vrijbuiter op spijtigen toon. "Zouden wij zoo dom zijn +geweest, het niet te vinden, toen wij zijn zakken doorzochten, eer +wij hem overboord gooiden? Is het geld? Dan is het van mij!" + +"Het is geen geld, het zijn papieren," merkt Chester op, het wambuis +van den Italiaan opensnijdend en er een pakje uithalend, dat zorgvuldig +in geoliede zijde gewikkeld is. + +"Als het enkel papieren zijn, kunt gij ze houden," zegt de +Nederlandsche Watergeus edelmoedig. + +De Engelschman onderzoekt de documenten, die hij in de hand houdt; +eensklaps maakt hij een gebaar van verrassing, hij schijnt te +ontroeren en mompelt in zichzelven: "Zou het mogelijk zijn!--ik kan +dat vervloekte Spaansche cijferschrift niet lezen." + +Weer onderzoekt hij alles nauwkeurig en na verloop van een paar +minuten beginnen zijn oogen te schitteren. + +Hij wendt zich tot Dirk Duyvel en zeg kortaf: "Hoeveel verlangt +gij voor uw buit? Voor alles! Gij hebt mij de papieren gegeven--wat +verlangt gij nu voor de boot?" + +"Het is een mooie boot!" + +"Maar _gij_ hebt er toch niets aan!" + +"En dan de drie vrouwen. Ik zou een losgeld voor haar kunnen krijgen." + +"Van wien?" + +"Van haar vaders of moeders of beminden; zij zouden het niet heel +aangenaam vinden, als zij wisten, dat die vrouwen ontvoerd waren door +de Watergeuzen, de kampvechters voor de vrijheid," zegt Duyvel met +een leelijke grijns, "en één is er bij, die heel mooi is." + +"Hm! hoe hebt gij dat kunnen onderscheiden in deze duisternis?" + +"Dat kon ik niet zien, maar ik hoorde het. Haar stem is zoo zoet +als het zachtste register van het groote orgel in Amsterdam, dat, +hetwelk men de 'engelenstem' noemt." + +"Hoeveel verlangt gij voor alles?" vraagt de Engelschman, +onverschilligheid veinzend, op den toon van een man, die met een +kramer marchandeert. + +"Duizend kronen." + +"Driehonderd," antwoordt Chester kortaf. + +"Vijfhonderd in elk geval." + +"Driehonderd in zilver," en de jonge commandant opent een kastje +in zijn hut en haalt er een zak met Carolus-guldens uit. "Het is +beter, dit zekere in handen te hebben," zegt hij, "dan te moeten +marchandeeren aan den wal, met de kans, om gevangen genomen en gehangen +te worden. Driehonderd voor alles, vrouwen, boot, alles!" + +"Wat wilt gij er mee doen?" + +"Dat is mijn zaak," zegt de Engelschman, opnieuw in de papieren +kijkend, die hij den doode,--naar zijn kleeding en voorkomen te +oordeelen, een Spanjaard of Italiaan,--heeft afgenomen. + +"En ik zal u zeggen, wat ik wil doen," vervolgt Guy; "wanneer deze zaak +zoo voordeelig blijkt als zij schijnt, geef ik er nog tweehonderd bij, +als ik weer uit Engeland hier kom." + +"Welnu, de buit is de uwe, geef mij nu maar spoedig het geld." + +Dit is spoedig gedaan. Chester schrijft een bewijs van ontvangst, +dat de Hollander onderteekent. Een oogenblik later zegt kapitein +Guy losweg: "Duyvel, ik zou u raden met uw boot naast ons te blijven +liggen tot morgen vroeg, gij redt het nooit in dien storm," gaat naar +het dek, en zijn eersten officier ter zijde nemend, zegt hij kortaf: +"Gij moet het commando van de _Dover Lass_ overnemen, luitenant Dalton, +tot ik terugkom." + +"Wilt gij het schip dan vannacht nog verlaten?" + +"Ja; een bericht, dat ik daar pas heb gekregen, maakt het noodig, +dat ik vannacht nog naar Antwerpen ga." + +"Naar Antwerpen! _In Alva's klauwen_, regelrecht in het verderf?" + +"Ja." + +"Hoe?" + +"In die Spaansche barge, die naast ons ligt." + +"Gij neemt toch eenigen van uw manschappen mee?" + +"Neen." + +"Dan is uw leven geen duit waard." + +"Dat zal wel losloopen. Die laffe roeiers van de barge zullen mij geen +kwaad doen. Gij weet, dat ik op Hispaniola Spaansch heb geleerd en +het zoo goed spreek, dat ik er mij zelf haast om veracht. Ik ben van +plan te gaan als een Spaansch officier, onder den naam, waarvan ik +mij bij mijn vorige bezoeken aan Antwerpen reeds bediende: kapitein +Guido Amati. Ik zal mij uitgeven voor den redder van de dame in +de boot,--namelijk als alles naar wensch gaat. Zorg dat de sloep +morgenmiddag op mij wacht bij den dijk, die het dichtst bij fort +Lillo is." + +"Gij speelt met uw leven. Ja, gij gaat zelfs nog verder, gij werpt +het weg," waagt de eerste officier nog angstig op te merken. + +"Ik doe beide voor mijn goede Queen Bess [1], wier hand ik kuste, +eer ik Engeland verliet," fluistert de jonge man. "Nu wil ik mijn +gevangene gaan zien." + +Een touw grijpende, springt hij over de lage verschansing en staat +in het volgende oogenblik tusschen zijn manschappen, die nog steeds +de wacht houden op het Spaansche pleiziervaartuig,--een seconde later +hoort Guy Chester de zoetste, lieflijkste, verleidelijkste stem, die +hij ooit heeft gehoord, sinds hij zijn ooren opende voor het geluid +van man--of vrouw. + + + + + +HOOFDSTUK II. + +DE INHOUD VAN DE BARGE. + + +Nooit te voren is Guy Chester zoo getroffen door den toon van een +menschelijke stem, ofschoon, in de bijna ondoordringbare duisternis, +haar bekoring niet wordt ondersteund door een bevallig figuurtje, +aanminnig gelaat of schitterende oogen. Het is enkel de stem, die +hem bekoort. Deze zegt: "Senor, zijt gij een officier? Hebt gij gezag +over deze woeste mannen?" + +Zij, die spreekt, is opgestaan, toen Guy in de boot sprong. Misschien +heeft de dame, in weerwil van de duisternis, opgemerkt, dat zijn +manschappen hem salueeren. Zij spreekt Spaansch, zuiver, beschaafd +Spaansch; het welluidende der Castilianen. + +"Dat heb ik, Senorita," antwoordt Guy, in dezelfde taal, ofschoon zijn +accent en uitspraak bijna barbaarsch klinken naast haar beschaafden +tongval. De klank van het Spaansch schijnt de dame gerust te stellen, +die te voorschijn komt van onder de tent, die den achtersteven van +de boot versiert en beschermt, vlak voor Chester gaat staan en op een +half verzoekenden, half bevelenden toon zegt: "Zeg mij, wie gij zijt!" + +"Kapitein in Romero's regiment Sicilianen. Niet geboren in Spanje, +zooals mijn accent verraadt," antwoordt de jonge Engelschman, en hij +voegt er aan toe: "Mijn geboorteplaats was op Hispaniola." + +"Ah! een Spaansch officier," roept de dame verheugd uit; "dus is uw +schip een Spaansch?" + +"Zeker," antwoordt de Engelschman, die, nu hij zich eenmaal heeft +voorgenomen te bedriegen, ook niet op een leugen ziet. + +"Dan," antwoordt de dame op een toon, die eensklaps vertrouwelijk en +toch bevelend wordt, "senor capitan, zijt gij wel zoo goed mij terstond +veilig naar Antwerpen te begeleiden." Een oogenblik later vervolgt zij: +"En ik hoop, dat gij die woeste Hollandsche rebellen, die onbeschaamde +Watergeuzen, zoo spoedig mogelijk zult straffen. Zij hebben den +kapitein en de soldaten van mijn barge vermoord, en den armen +secretaris van den markies de Cetona, Chiapin Vitelli, verdronken." + +Bij den naam van Vitelli ontstelt Chester. "Zeker, senorita," antwoordt +hij snel. "Al die schurken zullen worden gehangen aan de ra, zoodra +uw jacht uit zicht is." + +"Maar gij moet met mij meegaan, ik beveel het!" + +"Uw woorden zijn voor mij een bevel," zegt Guy beleefd, een glimlach +onderdrukkende, als hij er aan denkt, dat zijn schoone gevangene +zich een vreemd gezag over hem aanmatigt. "De commandant van het +schip zal overgaan tot de bestraffing van de zeeschuimers, zoodra +wij vertrokken zijn." + +"Gij zult zeker spoedig gereed zijn om mij te vergezellen?" De stem, +die in de duisternis tot hem komt, is die van iemand, welke gewoon +is te bevelen, ofschoon zij ongemeen lief en welluidend klinkt. + +"Binnen vijftien minuten," antwoordt Guy met militaire promptheid; +daarna vervolgt hij, met iets galants in zijn stem: "Zal ik u niet +een weinig ververschingen zenden van het schip? De nacht is heel koud." + +"Neen, ik ben goed ingestopt. Mijn kameniers kunnen mijn handen wrijven +en wij hebben uitstekenden Spaanschen wijn en andere ververschingen +in de kajuit. Maar haast u wat, of wij zullen niet voor morgenochtend +te Antwerpen zijn." + +"Zoo spoedig mogelijk zal ik terug zijn." Met deze woorden springt +Guy vlug uit de barge en klautert over de verschansing van zijn +eigen schip. + +Vervolgens trekt hij zijn eersten officier, die naar het gesprek heeft +staan luisteren, haastig ter zijde en zegt: "Het is alles naar wensch +gegaan. En ik ben nu ook nog iets meer te weten gekomen. Die doode +man in de hut (dien gij zoo spoedig mogelijk overboord moet werpen) +is de secretaris van dien verwenschten Chiapin Vitelli!" + +"De schurk, die Alva helpt in zijn plannen tegen het leven van onze +vorstin?" roept Dalton uit. + +"Ja. Dit maakt het dubbel noodzakelijk, dat ik naar Antwerpen ga. Het +zou kunnen zijn, dat ik daar eenige dagen moest blijven. Blijf met de +sloep dicht bij den dijk beneden fort Lillo, zooals ik u bevolen heb." + +"Gij doet een dolzinnig waagstuk," mompelt zijn ondergeschikte, +nog een bedenking wagend. + +"Maar ik moet het wel doen. Voor het geval, dat mij iets overkomt, +voor het geval, dat ik--niet terug mocht komen, zeg dan aan mijn +koningin, dat ik het om harentwil deed. Keer met het schip naar +Engeland terug, Dalton, en spreek tot onze vorstin deze woorden: +'Wees meer dan ooit op uw hoede voor Spaansch vergift of Spaansche +dolken. Het is de laatste waarschuwing van Uwer Majesteits getrouwen +vazal Guy Stanhope Chester.'" + +Dit zeggende, stapt de jonge man in zijn hut en als hij na tien minuten +de deur weer opent, beschijnt het flauwe licht een geheel ander man. + +Hij is niet langer de door weer en wind geteisterde zeeman in oliejas +en zuidwester, maar de zwierigste en wellevendste jonge edelman, die +ooit het hof maakte aan de dames van Hampton of met haar schertste +op de tennisvelden van Windsor of Westminster. + +Een lichtblauwe fluweelen baret, versierd met twee lange witte veeren, +vastgehecht door een diamanten gesp, bedekt zijn jeugdig hoofd; om zijn +hals draagt hij een breeden Spaanschen kraag van Venetiaansche kant; +zijn fluweelen wambuis is gegarneerd met zilver en satijn; zijn broek +is van de fijnste Fransche zijde; zijn hooge Spaansche laarzen zijn +van het zachtste bronskleurig marokijnleder. In dit zwierig kostuum, +met zijn blauwe, overmoedig schitterende oogen, lachende lippen en +krullende haren, maakt Guy Stanhope Chester een even goed figuur als +de ridderlijke Dudley, graaf van Leicester, wanneer hij de koningin +van Engeland en haar hofdames wist te betooveren. + +Misschien wint hij het zelfs nog van dezen, want zijn gelaat is open +en zijn glimlach oprecht, ofschoon er een vastberaden uitdrukking op +zijn gelaat ligt, als hij uit zijn hut stapt en naar het kruit in de +pan van de twee lange pistolen kijkt, die hij in zijn gordel heeft, +en zijn borst betast, om zeker te zijn, dat de lange scherpe ponjaard +op zijn plaats is, en vervolgens tegen het gevest van zijn zwaard +slaat, om er zich van te vergewissen, dat zijn trouw, welbeproefd +Toledaansch rapier aan zijn zijde hangt. Want bij het bezoek, dat hij +gaat brengen aan de groote stad der Nederlanden, die zich in Alva's +macht bevindt, is het voor hem niet alleen een quaestie van slagen +of mislukken, maar een quaestie van leven of dood. Guy is natuurlijk +zoo verstandig geweest, zich het aanzien te geven van een Katholiek +Spaansch officier; hij heeft den Geuzenpenning afgedaan en draagt in +plaats daarvan, zeer in het oog vallend, een rozenkrans van gouden +kralen en een rijk versierd kruis. + +Terwijl hij deze verandering in zijn uiterlijk maakte, had hij +een miniatuur-portret, gevat in diamanten, van zijn borst genomen, +een portret van een meisje van zeldzame Castiliaansche schoonheid, +dat hij met smachtende blikken bezag onder het mompelen van deze +onverstaanbare woorden: "Mijn eenige prijs van al de schatten van Alva, +die ik buitmaakte voor mijn koningin--als ik het origineel kon winnen." + +Intusschen veroorzaakt het zwierige kostuum van Guy Chester heel wat +opschudding op zijn halfdek, en trekt zelfs de aandacht van den anders +zoo onverstoorbaren vrijbuiter Dirk Duyvel, die juist buiten de hut +doodbedaard zijn driehonderd guldens zit te tellen. Deze roept: +"Drommels, daar moet een mooi meisje in 't spel zijn!" En zijn +eerste officier, ja, zelfs zijn tweede, veroorloven zich een paar +grappen over zijn voorkomen, terwijl Dalton nog opmerkt: "Bij de vier +Evangelisten! Die rooftocht beteekent _liefde_ zoowel als _bloed_!" + +En de tweede stuurman, die nog weinig meer is dan een roodwangig +jongetje, schatert het uit en fluistert daarna in het oor van zijn +commandant: "Neem mij mede, kapitein Chester, voor een kruisvaart te +land. Er zijn nog andere dames in de barge, behalve degene, voor wie +gij u zoo hebt opgedirkt." + +"Neen, mijn beste jongen, zulk een uitstapje aan wal zou je dood +zijn," merkt de commandant op, doch opeens keert hij terug in zijn hut +en mompelt: "Bij de zeven kampioenen van het Christendom, die stem +zou mij haast alle overleg doen verliezen. Daar zou ik nu waarlijk +zonder geld op weg zijn gegaan, een achteloosheid, die mij duur zou +te staan komen!" + +Met deze woorden ledigt hij in zijn eenen zak den inhoud van een +kleinen buidel, gevuld met Spaansch goud, dien hij uit een der +kastjes in de hut heeft gekregen, en stopt in den anderen een +aantal Spaansche florijnen, Hollandsche kronen en Nederlandsche +stuivers. Zich omkeerende, ziet hij zijn eigen beeld weerkaatst +in een kleinen Venetiaanschen spiegel, die in de hut is bevestigd, +en roept plotseling verschrikt uit: "En ik zou mijn regenmantel ook +vergeten. Dat zou een koopje zijn geweest bij dezen storm!" + +Dit zeggende, werpt hij over zijn zwierige kleedij een langen mantel +van een zachte Engelsche wollen stof en in het volgend oogenblik +is hij aan boord van het Spaansche vaartuig dat, na snel door zijn +manschappen te zijn ontruimd, nu van het schip wordt afgestooten. + +Daarna begeeft hij zich naar den achtersteven, neemt de roerpen in +de hand en roept op bevelenden toon in het Spaansch: "Voorwaarts, +gij honden van roeiers! De man, die rechtop durft gaan zitten of geen +slag houdt bij het roeien, totdat wij in Antwerpen zijn, sterft door +mijn hand." Want hij vreest, dat de minste onachtzaamheid van den +kant der roeiers de boot dwars van den wind en van den stroom zal +brengen, wat noodlottige gevolgen kon hebben bij deze holle zee, +snellen vloed en hevigen wind. + +"Gij schijnt zeeman zoowel als soldaat te zijn," merkt de jonge +Spaansche dame op, aan wier zijde hij nu gezeten is. + +"Ja, ik ben een weinig vertrouwd met elke wijze van vechten, te land +en ter zee," antwoordt Guy, iets nader schuivende bij die welluidende +stem. + +"Ik zal u," fluistert de jonge dame, "altijd als mijn redder +beschouwen." + +Vervolgens brengt zij hem in de uiterste verbazing en doet hem haast +schrikken, door op beschermenden toon te zeggen: + +"Gij hebt geluk gehad, senor capitan! _Want ik wil, dat gij voor +hetgeen gij aan mij hebt gedaan, tot kolonel bevorderd zult worden_!" + +Deze verzekering wordt door de liefelijke stem naast hem gedaan +met evenveel vertrouwen, alsof zij kwam van de koningin van Spanje +zelve. Maar den Engelschman loopt, bij het hooren er van, een koude +rilling over den rug. "Wie voor den drommel kan zij zijn?" vraagt +hij zich verwonderd af. "Ik lever mij roekeloos over in Alva's macht, +door haar naar Antwerpen te begeleiden." + +Maar terugkeeren is niet meer mogelijk. De boot is reeds in den +hoofdstroom; beide, wind en vloed, zweepen haar nu voort naar +Antwerpen, evenals de lijken van menschen en vee, die de stroom +meevoert, als getuigen van de verwoesting, welke de oceaan in de +Nederlanden aanricht. + +"En wie heb ik te danken voor deze bevordering?" waagt Guy te vragen, +want hij brandt van nieuwsgierigheid om den naam te vernemen van de +dame, die naast hem zit. + +"Gij kunt mij Dona Hermoine noemen," antwoordt de schoone op een +toon, die aanduidt, dat zij voldoende bekend is, om het geven van een +nadere aanduiding als overbodig te kunnen beschouwen. Een oogenblik +later zegt zij op kalmen toon tot een harer onderhoorigen, die naast +haar knielt, om haar handen te wrijven, daar de nacht zeer koud is: +"Zoo is het goed, Alida, tracht nu zelve ook warm te worden." + +"Ja, Excellentissima," antwoordt het meisje. + +De hoog klinkende titel prikkelt Chester's nieuwsgierigheid nog meer, +maar hij kan die thans niet verder bevredigen. Elke spier van zijn +gelaat is gespannen, hij heeft al zijn gedachten noodig om de boot +uit den wind en recht in den stroom te houden, terwijl zij de Schelde +opvliegt. Eén enkele verkeerde beweging van een der roeiers zou haar +uit den koers kunnen brengen, en dat zou in dezen stormachtigen nacht +gelijk staan met haar ondergang. + +Hij kan nauwelijks tijd vinden om de vrouwelijke bedienden van de +jonge dame te gelasten, haar zooveel mogelijk met stukken zeildoek +te beschutten voor het schuim, dat hen volgt; al zijn opmerkzaamheid +wordt vereischt, om de zwakke boot veilig te houden in haar wedloop +met de wilde wateren rondom haar. Hij heeft geen moeite met de roeiers; +zij roeien, alsof zij weten, dat hun leven afhangt van hun inspanning. + +Zóó snellen zij voort. + +Een donkere, sombere massa aan zijn rechterhand duidt het grimmige +fort Lillo aan. Als zij dit voorbij zijn, weet Guy, dat hij onder het +bereik is van Alva's handen, binnen de Spaansche linie. Zij snellen +echter voort, langs schepen, die zijn losgeslagen van hun ankers en +nu wegdrijven met den vloed, langs andere, die een schuilplaats hebben +gevonden in de verschillende bochten en inhammen van de Schelde. Geen +enkel vaartuig--behalve het hunne--spoedt zich voort met een doel, +alle hebben ergens een schuilplaats gezocht. Geen Spaansche galeien +houden de wacht op de rivier, maar de lichten op de dijken duiden aan, +dat de oeverbewoners waken, om hun bezittingen en zichzelven te redden. + +Een poosje later zegt de dame, die al dien tijd haar best heeft +gedaan om zich warm te houden, door met haar voetjes te stampen en +haar kleine handen te wrijven, waarin zij door haar vrouwen wordt +bijgestaan: "Zoudt gij niet een kleine hartversterking willen nemen, +senor capitan? Een glas wijn? Gij spaart zorg noch moeite voor mijn +veiligheid." + +"Leid in Gods naam mijn aandacht niet af van de boot!" mompelt Guy +tusschen de tanden. "Wij zijn aanstonds in een bocht van de rivier. De +wind zal dwars overkomen. Ik worstel voor ons aller leven." + +Dan zet hij zich opnieuw schrap voor den strijd, want de stroom en +de wind zijn niet meer in één richting en dat maakt zijn taak aan +het roer des te moeilijker. + +Maar als zij deze bocht voorbij zijn, en nu de waterzijde van Antwerpen +naderen, wordt de wind, door het land gebroken, minder hevig, en het +wassend tij, dat bijna zijn hoogtepunt heeft bereikt, minder snel +en gevaarlijk. + +"Goddank, wij hebben het ergste gehad," zegt Guy met een zucht van +verlichting. "Nu zal ik gaarne een glas wijn aannemen, schoone dame; +het is vinnig koud;" dit laatste zegt hij klappertandend. + +"Oho!" lacht de schoone aan zijn zijde. "Zijde, satijn en fluweel zijn +ook niet zoo doelmatig, senor capitan, als uw oliejas en zuidwester, +toen gij het eerst aan boord van mijn jacht kwaamt. Wie mooi wil zijn, +moet zich daarvoor ook wat last getroosten. Uw zwierige kleedij werd +vermoedelijk gekozen ter wille van de een of andere schoone dame in +Antwerpen, capitan mio." + +"Ja, voor een _zeer_ schoone," antwoordt Guy, wiens mantel van zijn +schouders is gegleden en wiens kanten opslagen den fijnen pols van +de jonge dame hebben aangeraakt, terwijl hij den zilveren beker aan +den mond brengt en den fijnsten ouden Spaanschen wijn, die ooit door +zijn keel is gegleden, in staat stelt zijn bloedsomloop te versnellen +en zijn verkleumd lichaam te verwarmen. + +Het edele vocht schijnt zijn levensgeesten op te wekken en hij lacht. + +"Nog een beker, als ik u mag verzoeken, om hem uit te drinken +op de gezondheid van de schoonste dame." En als hij dien heeft +gekregen, zegt Guy met zeemans-stoutmoedigheid en jeugdig vuur: +"Op u!" de schoone vóór hem doordringend aankijkend in de hoop, +dat de gloed zijner oogen door de duisternis heen zal dringen. Want +hij heeft de hand aangeraakt, die hem den beker heeft gereikt, en +deze is verwonderlijk zacht en klein, en de gansche wijze van zijn +en doen zijner schoone gezellin is die van bloeiende, levendige, +opgewekte jeugd; de jeugd, die de ouderdom kan benijden doch nooit +kan nabootsen; de jeugd, die de goden slechts eens geven; de jeugd, +die de zwartste duisternis niet kan verbergen. + +Buitendien heeft zij, door een onverwachte slingering van de boot, +een oogenblik tegen zijn borst gerust--slechts een _oogenblik_; doch +in die vluchtige aanraking heeft hij de gestalte van een Venus kunnen +onderscheiden en de vlugge bevalligheid van een Hebe. + +"In naam van alle heiligen, wie kan zij zijn?" vraagt hij verwonderd. + +Bij zijn vermetelen toost trekt de dame zich haastig terug, met +een ingehouden kreet, voortgekomen half uit verwondering, half uit +hoogheid. Een oogenblik later lacht zij, een lach, alleen eigen aan +de jeugd, bekoorlijk, betooverend, en merkt op: "Zulke toosten zullen +u de verontwaardiging van mijn duena op den hals halen." + +"Uw duena! die is hier niet!" + +"O ja. Zij is al dien tijd in onze tegenwoordigheid geweest. Mijn +strenge duena ligt in dien zetel recht tegenover u. De reuk van kruit +doet de gravin De Pariza altijd flauwvallen. Zij verliest geregeld +haar bezinning als haar pupil in het grootste gevaar verkeert. Bij +het eerste vuur, dat de Watergeuzen gaven, viel zij doodbedaard flauw, +en zij is sedert dien tijd niet weer bijgekomen. Als wij in Antwerpen +aankomen, heeft zij zeker haar oogen wijd open." + +"Vertel mij dan, eer zij ze opent, iets van uzelve," fluistert Guy +galant, want hij kan nu enkele oogenblikken wijden aan de dame, in +wier gelaat hij met bewonderende blikken zou kijken, als de duisternis +het hem veroorloofde. + +"Vertel mij allereerst iets van u _zelven_," antwoordt zij een +weinig haastig, op een toon van belangstelling, die den jongen +man behaagt. "Hoe meer ik van u weet, hoe beter ik u kan helpen, +om kolonel te worden. Hoe heet gij?" + +"Noem mij kapitein Guido," fluistert Chester zoo teeder mogelijk. + +"Geen anderen naam?" + +"Ik kan u mijn anderen naam niet noemen. Ik ben afwezig van mijn +regiment zonder verlof." + +"Dan zal het zeer moeilijk zijn, u te bevorderen," lacht de +dame. Vervolgens zegt zij: "Maar als gij mij uw naam niet wilt +toevertrouwen, vertel mij dan tenminste iets van uw vroeger leven." + +Dit doet Guy, door een geschiedenis te bedenken van zijn geboorte op +Hispaniola, van verschillende gevechten te land en ter zee voor den +roem der Spaansche vlag, in Italië en de Nederlanden, de dame aan +zijn zijde in den waan brengend dat hij zich aan de Spaansche zaak +heeft gewijd met lichaam en ziel en alle vijanden van de Moederkerk +haat, zich hullende in een weefsel van romantisme en bedrog, dat hem +eens noodlottig zal kunnen worden, want zijn schoone gezellin houdt +hem voor een soldaat van Philips van Spanje en zijn onderkoning, +Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva en Huesco. + +"Ah!" mompelt zij, "een dapper soldaat. Ik _moet_ u de benoeming van +kolonel verschaffen!" + +"En de volle naam van mijn weldoenster?" + +Misschien was zij van plan, deze vraag te beantwoorden, maar op +dit oogenblik komen de lichten van Antwerpen in zicht. Het gedeelte +van de stad, dat naar de rivier is toegekeerd, is geheel verlicht +door lantaarns, die zich her- en derwaarts bewegen; schepen worden +in veiligheid gebracht; de bemanning der aanzienlijke handelsvloot +in de haven is op haar hoede in dezen nacht, om zich voor den vloed +in veiligheid te brengen. De kooplieden van Antwerpen, de rijkste +koopstad van geheel Europa, zijn bezig om de handelsproducten van +Indië en Noord-Europa op de kaden te bewaren voor bederf door het +wassend getij, dat bruist over de half overstroomde kaden en dokken +der groote wereldmarkt voor den zestiende-eeuwschen handel. + +"Waar wilt gij landen?" vraagt Guy haastig. + +Haar antwoord is van dien aard, dat het den stoutmoedigen man naast +haar bijna doet beven. Zij zegt achteloos: "Het is het beste, dat +gij mij naar de Citadel brengt." + +"De Ci--ta--del?" stamelt Guy. + +"Ja, Sancho d'Avila, de gouverneur, zal het zich tot een eer rekenen, +mij vannacht nog te verwelkomen." + +"Kunt gij dan de schildwachten passeeren? Weet gij dan het wachtwoord +voor hedenavond?" stoot Chester uit, die een koude rilling voelt +bij de gedachte, dat hij zich te midden van Alva's garnizoen zal +moeten begeven. + +"Zeker. Zij zonden mij vanavond de woorden." + +"Wees dan zoo goed, ze mij op te geven, opdat ik u door de wachten +heen kan brengen." + +"Dat van hedennacht," zegt zij, "is _Jemmingen_." + +"En het contrasigne?" + +"_Santa Maria de la Cruz_. Gij zoudt het noodig kunnen hebben, daar +gij een officier zonder verlof zijt," fluistert zij; vervolgens voegt +zij er lachend aan toe: "Ik heb u misschien bewaard voor arrest. Dat +is een klein blijk van mijn dankbaarheid." + +Zij snellen nu voort langs de stad. De Engelsche kade ligt reeds +achter hen en zij bevinden zich tegenover het groote middendok, +waarvan de kolossale pakhuizen alle verlicht zijn, terwijl troepen +mannen met flikkerende toortsen op de aangrenzende werven en schepen +hun best doen, om de vaartuigen steviger voor anker te leggen en de +ladingen te bergen, waarvan reeds vele gedeeltelijk in veiligheid zijn +gebracht. Eenige Spaansche oorlogsgaljoenen bewegen zich tusschen +de andere schepen. De slaven zwoegen aan de groote roeiriemen, om +de schepen, die nu hulpeloos zijn in dezen hevigen storm, naar een +veiliger ankerplaats te brengen. + +En boven al dat rumoer en deze drukte--het geschreeuw der zeelieden, +het gevloek der kapiteins, de kreten der galeislaven bij het striemen +der zweep, de dansende lichten van stad en haven, want geheel Antwerpen +is in dezen nacht op de been,--klinkt het zilveren klokkenspel van +de groote kerk bij het slaan van kwart voor middernacht. + +Als zij haar voorbij varen, worden zij aangehouden door een +patrouilleboot; daar Chester echter het wachtwoord geeft, kan zijn +barge ongehinderd en zonder verder beletsel haar koers vervolgen. + +Zoo snellen zij verder, langs een aaneenschakeling van werven en kaden, +waarachter men de stadswallen en poorten kan onderscheiden--niet +zoo sterk gebouwd, niet zoo duchtig versterkt als die, welke de +landzijde der stad beschermen, maar toch goed bewaakt, de Spaansche +schildwachten op hun hoede, want deze nacht van storm en vloed heeft +niet enkel de burgers van Antwerpen doen opschrikken om hun bezittingen +en goederen te redden, maar ook het Spaansch garnizoen van de plaats, +om te beletten, dat er een oproer uitbreekt tijdens de beroering, +veroorzaakt door wind en getij. + +Een oogenblik later kan men achter de Esplanade of het Paradeplein, +dat de Citadel van de stad scheidt, de flikkerende lichten zien van +twee rivierbastions der uitgestrekte versterking, door Alva gebouwd, +niet om deze groote handelsstad, die in zijn macht is, te beschermen, +maar om haar te overheerschen en te onderdrukken. + +Terwijl hij de uitwerking van den vloed aan den oever gadeslaat, +bespeurt Chester's vlug zeemansoog het gevaar, waaraan hij zich zou +blootstellen, door de muren te naderen, die de gracht begrenzen. Bij +zulk een hoogen vloed en hevigen wind, zal hun boot als een eierdop +tegen de steenen verpletterd worden. Hij zegt dus haastig: "Is er +niet een andere waterpoort? Als ik van deze zijde beproef te landen, +zijn wij kinderen des doods. Spreek vlug, om Godswil--antwoord mij!" + +"Ja! Een kleine uitvalpoort achter het tweede bastion." De +zoetvloeiende stem naast hem is zenuwachtig en gejaagd. De golven +van de Schelde schuimen tegen het metselwerk van den Spanjaard. + +"Dat zal beter zijn!" roept Chester uit, en de boot met vaste hand +in de diepe gracht sturend, die de Citadel omringt, en die thans door +den hoogen vloed is herschapen in een bruisenden stroom, snellen zij +voorbij het groote, sombere bastion van den Hertog, en een oogenblik +later voorbij dat, hetwelk naar Alva zelven is genoemd. Hier landt de +boot, geheel beschut voor den wind, achter de hooge muren van deze +machtige Spaansche vesting, aan een kleine uitvalpoort, gelegen op +een kunstmatig eilandje in het midden van de gracht en verbonden +door een lichte, beweegbare brug met het hoofdgebouw tusschen de +reusachtige bastions van Alva en Paciotto, het laatste genoemd naar +den grooten ingenieur, die dezen omvangrijken, dreigenden vijfhoek +met zijn vijf geduchte redoutes ontwierp en bouwde,--de sterkste +vesting uit dien tijd. + +Als de boot landt, roept de schildwacht haar aan en ontvangt als +antwoord van den Engelschman het wachtwoord van dien nacht. Daarop +wordt de ophaalbrug neergelaten en worden zij verlicht door een +menigte brandende toortsen, die Chester doen ontdekken, hetgeen de +duisternis tot nu toe voor hem verborg, dat namelijk de boot, die +hij heeft binnengeloodst, blijkbaar een staatsgalei is, welker tent +is gedecoreerd met versierselen van Spaansch leder, waar het wapen +van den Onderkoning zelven is ingedrukt. Maar hij heeft geen tijd, +om hier verder over na te denken. + +"Mijn duena," zegt de dame haastig. "Wij moeten haar wekken, ter +wille van de etiquette, senor capitan, wij moeten de gravin De +Pariza wekken!" + +Dit gaat gemakkelijk, want de eeredame is blijkbaar reeds sinds +eenigen tijd bijgekomen, en een paar bekers van denzelfden wijn, die +den jongen zeeman heeft verkwikt, geven de chaperone aanstonds haar +spraak terug. Met verwilderde oogen in het rond ziend, roept zij uit: +"Heilige Maagd! Ik leef nog! Santa Maria! De Citadel van Antwerpen! Ik +ben gered!" + +Vervolgens staat deze hoedster van de etiquette en het decorum op +en richt haar trotsche patricische oogen op den Engelschman, terwijl +zij haastig uitroept: "Wie is die man?" + +"De edelman, die ons gered heeft uit de handen der Watergeuzen," +antwoordt de jonge dame van de barge. + +Hierop biedt Chester, die een nader onderzoek naar zijn identiteit +minder wenschelijk acht, fluks zijn arm aan de schoone, die nog dicht +in haar mantel en kap is gehuld en, toen het licht der toortsen op +haar viel, den Spaanschen sluier over haar gelaat heeft getrokken. Een +oogenblik later voelt Chester een lichte rilling, als zijn aanbod is +aangenomen en een fijn handje in zijn arm glijdt. + +Nog een oogenblik en hij heeft haar geholpen bij het uitstijgen en gaat +met haar de ophaalbrug over, gevolgd door de beide kameniers, die de +duena ondersteunen, welke dame nog niet zeer stevig op haar voeten +schijnt te staan en in een staat van buitengewone zenuwachtigheid +verkeert. + +Juist als zij aan het einde van de ophaalbrug zijn gekomen, hoort Guy +een doordringenden kreet achter zich, en hoe hachelijk zijn toestand +is, vlak voor de Citadel van Alva, wier open poort gereed staat hem +te verzwelgen, kan hij toch een glimlach niet onderdrukken, als hij +bemerkt, dat de Spaansche duena op de natte brug is uitgegleden en nu +half verdronken uit het water van de gracht wordt opgehaald. Als de +kameniers haar een weinig onhandig helpen, vergeet de Gravin, in blinde +woede ontstoken, alle etiquette en roept klappertandend, en met den +mond vol water, dat de meisjes voor haar onhandigheid zullen boeten. + +Maar Chester's lach besterft om zijn mond, als de schildwachten aan +de poort hem met gekruiste pieken den weg versperren en hun vaandrig +barsch zegt: "Het contrasigne, senor!" + +"_Santa Maria de la Cruz_," fluistert Guy. + +De pieken zakken, als de officier met zijn zwaard wenkt, en zij gaan +hem voorbij door de hooge Gothische poort. Op dit oogenblik valt er een +straal van een toorts, die in een nis van het metselwerk is bevestigd, +op de dame en doet haar gestalte scherper uitkomen. Nauwelijks heeft +hij haar opgemerkt, of de Spaansche officier neemt zijn stalen helm +af en zegt, tot op den grond buigend: "Als ik had geweten, dat gij +het waart, Excellentissima, zou ik niet zoo barsch zijn opgetreden!" + +"Gij deedt slechts uw plicht, senor," zegt de onbekende. Daarna Guy's +arm loslatend en den jongen officier terzijde nemend, die in gebogen +houding met ongedekten hoofde voor haar staat, fluistert zij hem in +het Spaansch iets toe. + +Een gedeelte van het antwoord van den vaandrig bereikt Guy's +oor. "Neen, Excellentissima, hij is nog niet van Brussel aangekomen." + +"Dan zal papa zich niet bezorgd over mij maken," zegt de dame +snel. En opnieuw Chester's arm nemend, vervolgt zij tot den jongen +officier: "Wees zoo goed en geleid ons naar de woning van de gravin +van Mansfeld." + +Voorafgegaan door den vaandrig, komen zij thans door de poort op het +hoofdplein van de Citadel, en gaan tusschen stapels kanonskogels en +allerlei oorlogstuig door, naar dat gedeelte van het plein, waar zich +blijkbaar de kwartieren van de officieren bevinden. + +Door de vensters van een dezer woningen, die oogenschijnlijk grooter, +geriefelijker en weelderiger is dan de overige, schitteren lichten +als van een feest en dringt dansmuziek tot hen door. Daar de +woning onmiddellijk achter het bastion van Paciotto ligt, hebben +ze haar spoedig bereikt en Guy heeft weinig gelegenheid, om met +zijn gezellin in gesprek te komen, nog te minder, omdat de storm, +die steeds aanhoudt, hen tot spoed aandrijft en de dame noodzaakt, +haar mantel zoo dicht mogelijk om zich heen te trekken. + +Zij treden door een zijdeur van het huis binnen, waar een lakei in +een rijke livrei hen ontvangt, eerbiedig buigend. + +"Verwacht de Gravin mij?" vraagt Guy's beschermelinge haastig. + +"Ja, Excellentissima, het feest van hedenavond is te uwer eer. U is +zeker opgehouden? Het is reeds middernacht," antwoordt de bediende +opnieuw buigend. + +Het antwoord wordt de dame bespaard door de komst van de druipnatte +duena, die op bitsen toon zegt: "Wat beteekent het, dat gij hier staat, +Dona Hermoine? Gij laat de gravin van Mansfeld boven wachten en mij, +druipnat en verstijfd tot op mijn beenderen hier beneden." Vervolgens +roept zij uit: "Vooruit, meiden, en helpt mij, mij verkleeden!" Het +klapperen van haar tanden en een dreigend gebaar aan het adres van +haar kameniers zet klem aan haar woorden bij; de kameniers snellen +dan ook den jongen Engelschman en zijn beschermelinge voorbij. + +Bij de lichten in de vestibule merkt Guy op, dat de vrouwelijke +bedienden jonge meisjes zijn met lenige figuurtjes en een bleeke, +olijfkleurige tint, zeker Moorsche slavinnen, welke toentertijd in +Spanje veel gehouden werden. Zij verdwijnen langs een trap met de +gravin De Pariza, bij wie de slaafsche gehechtheid aan de etiquette +gansch en al schijnt weggespoeld door het zoute water van de Schelde, +want zij verlaat Guy met zijn dame zonder een enkel woord meer +te spreken. + +Guy kijkt nu zijn gezellin opmerkzaam aan, in de hoop, dat haar gelaat +eindelijk zichtbaar zal zijn, maar de dichte sluier verbergt het nog +altijd en de mantel eveneens haar figuur, maar toch doet de laatste +een buitengewoon schoone gestalte vermoeden. Terwijl hij dit opmerkt, +bespeurt de Engelschman tevens, dat de mantel der dame gemaakt is van +het fijnste koninklijke sabelbont, en dat hij wordt vastgehouden door +juweelen versierselen van groote waarde. + +"Als Dirk Duyvel dit geweten had," denkt Guy glimlachend, "zouden er +meer dan driehonderd Carolusguldens noodig zijn geweest, om alleen +dien mantel van hem te koopen!" + +Maar aan zijn overpeinzingen wordt weldra een eind gemaakt; de +welluidende stem naast hem, nu nog liefelijker door de begeleiding van +luiten en strijkinstrumenten uit de aangrenzende vertrekken, zegt: +"Mijn duena heeft blijkbaar de plichten der gastvrijheid vergeten, +ik echter niet." En zij beveelt den lakei: "Geleid kapitein Guido +terstond naar een eetkamer. Niet naar een van die, welke voor de +gasten is ingericht, daar hij niet gekleed is voor het feest." + +Zij lacht even, en Chester kan, als zij een blik werpt op zijn langen +mantel, een schelmsche flikkering in haar oogen bespeuren, die te +sterk schitteren, om geheel beschaduwd te worden door den sluier, +en daarbij zegt zij op halfluiden toon: "Neem mijn gastvrijheid aan, +ik heb u een boodschap mee te geven." + +Dan gaat zij met lichten, zwevenden tred de trap op en is verdwenen, +terwijl Guy zich verkneutert bij de gedachte: "Zij heeft volstrekt +geen vermoeden van mijn zwierig costuum; ik heb nog een verrassing +voor haar in petto." + +"Hierheen, senor capitan," zegt de lakei op zachten toon en de +Engelschman wordt geleid naar een afzonderlijk salon, welks vorstelijke +weelde hem in verbazing brengt, want de met gobelins bekleede muren en +ingelegde Vlaamsche meubels overtreffen in pracht zelfs die van zijn +koningin te Hampton Court en Westminster. Hier wordt hem binnen enkele +minuten zulk een uitgezochte maaltijd voorgezet, als waaraan ooit een +hongerige zeeman zich te goed deed. De tafel is gedekt met sneeuwwit +linnen en prijkt met massief zilver en het fijnste Venetiaansche +glaswerk, en de vleeschgerechten bestaan uit oesters uit de Schelde, +koude patrijzen, een delicieuse salade van versche latuw met een +bewijsje knoflook; voorts is er een flesch koninklijke Xereswijn. + +"Mij dunkt, dat mijn dame groote oogen zal opzetten over mijn costuum +à la Leicester," denkt Guy, terwijl hij zijn langen mantel afwerpt +en zich vertoont in de smaakvolle kleeding, waarin hij zich heeft +gestoken, voordat hij zijn schip verliet. Ofschoon zijn marokijnen +laarzen een weinig hebben geleden van het zeewater, is de rest van +zijn costuum vrij wel onbeschadigd gebleven. + +Guy Stanhope Chester is dan ook zeer met zichzelven ingenomen, als +hij gaat zitten en een aanval doet op het maal, dat voor hem staat, +en den zilveren beker met Xeres telkens aan de lippen brengt, om +zijn verkleumd lichaam te verwarmen, zwijgend en vlug bediend door +den lakei. In de hoop, iets naders te vernemen omtrent de dame, +die hij heeft bevrijd, merkt Chester op: "Een luisterrijk feest, +dat uw meesteres vanavond geeft!" + +"Ja!" antwoordt de bediende, trotsch op de voornaamheid van zijn +huis. "Om onze gasten te amuseeren, hebben wij rederijkers uit Gent, +die voordrachten houden en kluchten vertoonen, twee Zigeunermeisjes uit +Andalusië, onzen eigen hofnar, om ons te laten lachen, en dan nog de +dochter van den oud-burgemeester, die voor ons zal dansen, gekleed in +de duurste zijde van haar vader. Ik zal trachten in de zaal te komen, +om haar te zien pronken; de kleine Vlaamsche heks heeft mooi gevormde +enkels en de allures van een gravin," grinnikt de jongen. + +Hij zegt echter niets van de dame van de barge, en als Chester zijn +maal heeft geëindigd, wordt de tafel afgenomen door verscheidene +lakeien in prachtige livrei; het schijnt, dat de familie, in welker +huis Chester zich bevindt, een vorstelijken staat voert. + +"Wel deksels," zegt de jonge man tot zichzelven, terwijl hij de +lakeien naoogt, als zij het vertrek verlaten, "de gastvrijheid van +de gravin van Mansfeld is niet te versmaden!" + +Maar nu voelt hij weer een koude rilling, ondanks den verwarmenden +wijn, als hij er aan denkt, dat hij het zout van den Spanjaard eet +in de Citadel van Antwerpen. + +Doch eensklaps heeft hij alle besef van zijn hachelijken toestand +weer verloren; hij springt overhaast op, zijn oogen nemen eerst een +uitdrukking van verwondering aan en daarna van verrukking, en zijn +hand tast in zijn borst, om te voelen, of een zeker iets nog wel goed +onder zijn satijnen wambuis geborgen is. Want een meisjesgestalte van +verwonderlijke schoonheid en bevalligheid, met een fluweelachtige huid +en groote, kwijnende maar toch levendig tintelende oogen, de kenmerken +van het zuiverste Castiliaansche bloed en de hoogste Castiliaansche +bevalligheid, staat vóór hem, gekleed in een avondtoilet, met een +fluweelen sleep en een keurs van glanzige zijde en kant, dat de +blanke schouders en armen zichtbaar laat, en de welluidende stem, +die hem op hun tocht over de Schelde reeds zoozeer heeft bekoord, +zegt met een mengeling van coquetterie en schuchterheid: "Ik dacht, +dat gij wel het gelaat zoudt wenschen te zien van haar, die gij uit +de handen der Hollandsche vrijbuiters hebt gered!" Daarna lacht +zij even en zegt: "Als zij geweten hadden, wie ik was, zouden de +Vlaamsche oproerlingen mij zeker een hoofd kleiner hebben gemaakt," +daarbij een beweging makend langs haar albasten hals, "eer gij mijn +barge terug hadt kunnen nemen." + +"Wie, voor den drommel, kan zij zijn?" vraagt Guy zichzelven, opnieuw +naar het miniatuur-portret tastend. "Zij is het origineel van het +portret, maar _wie_--_wie_?" + +Doch verbazing en bewondering zijn niet alleen aan zijn kant. + +Als hij opstaat, ziet de dame vóór zich een flinke, welgebouwde +gestalte van zes voet lang, met breede schouders, sterke armen en +een vlug, lenig lichaam; mannelijke vastberadenheid spreekt uit het +gelaat, dat gebronsd is door weer en wind, hetgeen bijna een zuidelijke +tint geeft aan zijn blanke Saksische huid, en waarmede zijn licht +kastanjebruin haar, zijn blauwe oogen en zijn blonde neerhangende +knevel een vreemd contrast vormen. Alles te zamen genomen het type +van een echten man,--in staat om een vrouwelijk hart duizend slagen +in de minuut te laten doen, iemand, die in staat is om te beminnen +als een troubadour, en te vechten als een paladijn voor wat hem in +deze wereld begeerlijk toeschijnt, en die veel kans heeft, dat ook +te verkrijgen; iemand, die in elk geval het bloed van de dame, die +vóór hem staat, sneller door de aderen doet vloeien en den glans van +haar oogen nog verhoogt. + +Niet, dat zij nog geen knappe mannen zou hebben gezien, want de +bloem van de Spaansche ridderschap heeft voor haar gebogen. Maar dit +vreemde type, deze kloeke Angelsaks, met zijn ijzeren spieren, zijn +groote trouwe oogen, zijn jongensachtig voorhoofd en echt mannelijk +gelaat, doen haar hart geheel anders kloppen, dan het ooit voor een +donkeroogigen Spaanschen grande, een Italiaanschen cavalier met zijn +zijdeachtigen knevel, een Franschen ridder of een Nederlandschen +edelman heeft gedaan. + +Beiden schijnen te gehoorzamen aan dezelfde opwelling--want +onwillekeurig zoeken en vinden hun handen elkander. + +Maar Chester is al te zeer verbijsterd--hij vergeet de Spaansche +begroeting, en de dame trekt lachend haar hand terug, terwijl zij +halfluid vraagt: "_Geen kus_? Gij--gij beleedigt mij!" + +"U beleedigen! Is _dat_ een beleediging?" En in het volgend oogenblik +geeft de dame een kleinen gil van verbazing, misschien wel van schrik, +want Guy Chester, zich niet bekreunende om de Spaansche wijze van +begroeting, heeft haar een fermen, welgemeenden Engelschen zoen +gegeven, zooals de zoon van den squire gewoon was, met Kerstmis op de +roode lippen van de meisjes te drukken, als zij onder den mistletoe +stonden. + +"Madre de Dios!" roept het meisje uit, met een purperen blos. "Ik +bedoelde mijn hand. Heilige Maagd! Welk een vergissing! Als de Gravin +dat eens had gezien,"--daarna moet zij lachen, ondanks zichzelve, +zij slaat de oogen neer en keert zich om. + +Guy trekt hiervan partij,--want zij bezit die eigenaardige schoonheid, +welke mannen waanzinnig kan maken. Snel heeft hij de zachte, slanke, +aristocratische vingers in de zijne genomen en de fout, een gevolg +van zijn Angelsaksische onstuimigheid, hersteld. + +Niettemin heeft de kus op die lippen bij hem zijn uitwerking gedaan, +en eveneens bij de jonge dame, al weet zij het nu zelve nog niet. Zij +zegt haastig en gejaagd: "Ik heb de gravin van Mansfeld verteld van +den dienst, dien gij mij hebt bewezen. Zij had u willen verzoeken, +haar feest met uw tegenwoordigheid te vereeren, maar ik meende, +dat uw kleeding daarvoor niet geschikt was. Ik zie nu, dat ik mij +vergiste. Gij hebt groot toilet gemaakt. Wilt gij u nu niet bij de +gasten voegen?" + +"Liever niet," haast Guy zich te antwoorden, want hij begrijpt, dat +hij onder de menigte gasten niet zooveel kans op een vertrouwelijk +gesprek zal hebben als nu. + +"Ah, gij vreest u te vertoonen, omdat gij u zonder verlof hebt +verwijderd uit uw garnizoen. Romero's Sicilianen liggen in Middelburg, +als ik mij niet vergis. Dat verklaart ook uw komst per schip. Maar," +vervolgt de dame ernstig, "ik heb daarover nagedacht. Als men er u +in Antwerpen naar vraagt, zeg dan dat gij door de officieren zijt +gezonden als hun eletto, om te vragen, wanneer hun achterstallige +soldij zal worden uitbetaald. Want gij weet, dat sinds de koningin +van Engeland ons achthonderd duizend kronen ontstal, geen soldaat in +Brabant, Vlaanderen of Friesland zijn soldij heeft gekregen. Geef +dit als reden op en het zal waarschijnlijk uitwerken, dat er geen +verder onderzoek wordt ingesteld, of gij in het bezit zijt van een +geschreven verlofpas van Romero." + +"Drommels," denkt Guy, "zij zou zeker raar opkijken, als zij wist, +dat ik meer dan iemand anders de hand heb gehad in het stelen van +die achthonderd duizend kronen." Hij vervolgt echter zeer ernstig, +want de dame heeft haar verlegenheid blijkbaar overwonnen en haar +oogen ontmoeten onbeschroomd de zijne: "Hartelijk dank voor uw +vriendelijken raad, Dona Hermoine. Ik zal er aan denken, als ik door +den provoost-generaal ondervraagd mocht worden.--Maar," en hier dwingen +zijn oogen het meisje de hare neer te slaan, "die raadgeving heeft voor +mij nog veel meer waarde, dan gij u kunt voorstellen--niet alleen toch, +dat zij mij voor arrest kan bewaren, maar zij is mij tevens een bewijs, +dat gij nog aan mij gedacht hebt, nadat gij mij reeds verlaten hadt." + +"Als dat zoo is, veroorloof mij dan u te toonen, dat ik zelfs nog +meer aan u dacht, dan gij kondt vermoeden," antwoordt het jonge +meisje, blozend over de bewonderende blikken waarmee de jonge man haar +aanziet. "Ik heb ook eenige regelen in uw belang geschreven--hier is de +brief. Nadat gij u weer bij uw regiment hebt gevoegd, moet ge dien bij +de eerste geschikte gelegenheid aan het hoofdkwartier overgeven, en ik +twijfel niet, of hij zal u spoedig een kolonelsplaats verschaffen." Dit +zeggende, overhandigt zij hem een brief, die hem groote oogen doet +opzetten, want hij is geadresseerd aan: "Don Fernando Alvarez de +Toledo, hertog van Alva, onderkoning van Spanje". + +"Wie, voor den duivel, kan zij zijn?" denkt Guy, maar hij heeft +geen tijd, om vragen te doen; de eene verbazing volgt bij hem op de +andere. Het meisje zegt nu haastig: "De gravin van Mansfeld en haar +gasten wachten mij. Dit feest is te mijner eere;" dan voegt zij er +op een bevangen toon, die Guy een vleugje van hoop geeft, aan toe: +"Als ik langer wegbleef, zou men willen weten, wat er de reden van +is." En zij raakt een zilveren schel, die op de tafel staat, aan. + +En als hij die schel hoort, die voor hem als het ware de doodsklok is +van zijn kortstondig geluk,--wetende dat het hem het leven kan kosten, +haar weer te zien, en aangegrepen door dien wilden hartstocht, die een +man slechts eens in zijn leven overmeestert en die hem doet gevoelen, +dat de vrouw daar vóór hem van alle wezens op aarde, diegene is, voor +wie hij, ware het noodig, zou willen sterven, zegt hij gejaagd: "Dan +rest mij nog slechts den tijd, om u van ganscher harte te danken voor +de vriendelijkheid, aan een onbekende bewezen; om u te zeggen"--maar +zijn oogen zeggen veel meer dan zijn lippen en met een verschrikt: +"Madre mia!" treedt zij haastig achteruit, als hij, door naderende +voetstappen tot vertwijfeling gebracht, de woorden fluistert: "_Ik +heb u lief_!" + +Waarop zij met moeite uitbrengt: "Neen! Neen! Gij weet niet, wie +ik ben!" + +En hij, een knie voor haar buigend, fluistert: "Al waart gij de +koningin van Spanje, dan zou ik u nog zeggen, dat ik u bemin!" en +drukt op haar met juweelen versierde hand den kus van trouw en +altijddurende toewijding. + +Doch de lakei treedt binnen, en zij zegt, hoog en bevelend, alsof zij +de koningin van Spanje was: "Gelast een vaandrig, kapitein Guido met +alle verschuldigde eer buiten de Citadel te geleiden." + +Haar zijden kleed ruischt en het volgend oogenblik is zij bij de deur +van de kamer, doch daar keert zij zich nog eens om, alsof zij slechts +noode heengaat. + +En hij, haar naoogend, met zijn geheele hart in zijn oogen, ziet een +tafereel, dat hij nooit zal vergeten; want het meisje staat daar in +de bevalligste houding, stralend van jeugd en schoonheid, getooid met +kanten, zijde en fonkelende juweelen, met ontblooten, sneeuwwitten +hals en albasten schouders; een van haar Andalusische voetjes, in +een ragfijn Brusselsch weefsel en een klein fluweelen schoentje, +komt uitkijken onder haar rok van kant en zijde; met haar eene hand +houdt zij de draperie boven de deur omhoog, en met de andere wuift +zij hem een vaarwel toe. + +Hij snelt op haar toe en fluistert: "Is het voor eeuwig?" + +"Eeuwig? Hoe plechtig!" en zij tracht te lachen. "Neem dit als +een herinnering!" en van haar vinger een ring trekkende, waarin +één vlammende robijn is gevat, laat zij dien vallen in zijn hand +en verdwijnt. + +En als hij zich omkeert, ademt hij zwaar en diep, als werd zijn borst +verruimd door een flikkering van hoop. Want in haar oogen heeft iets +geblonken, dat antwoord gaf op zijn woorden: "Al waart gij ook de +koningin van Spanje, toch zou ik u beminnen!" + + + + + +HOOFDSTUK III. + +DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL. + + +Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift, +komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan +een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende +snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform, +met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman +zegt op levendigen toon: "Ik ben de officier, die is aangewezen, om +u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan +u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon's busschutters." + +"En ik," antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande, +zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, "en ik neem wederkeerig +de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero's +musketiers." + +"Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg," merkt de vaandrig +op, als zij samen het huis verlaten. "Gij zijt zeker naar Antwerpen +gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is een onmogelijk +doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant +is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben +geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden," +voegt de knaap er trotsch en blufferig bij. + +"Diablo! Gij zijt een vechtersbaas," meesmuilt Guy. + +"'t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers +waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen," antwoordt +de vaandrig. "Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult +herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te +danken aan Alva's veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor +zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het," zegt +het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan, +op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde. + +Met zijn oogen de aangewezen richting volgend, kan Chester het voetstuk +zien van het groote standbeeld, vervaardigd van de te Jemmingen +buit gemaakte kanonnen, dat de overheerscher en de verdrukker der +Nederlanden bezig is op te richten tot zijn eigen verheerlijking en +glorie, zeer tegen den zin van Philips van Spanje, die naijverig is op +zijn generaals en altijd vreest, dat zij al te beroemd zullen worden. + +"Jake Yongling heeft een groot afbeeldsel van den Hertog gemaakt. Het +is zestien voet hoog en met het voetstuk bijna dertig. Daar is de +laatste van zijn armen!" vervolgt de jongensachtige krijgsman, een +oneerbiedigen schop gevend tegen dit onderdeel van de ijzeren beeltenis +van zijn generaal, dat op den grond ligt. Daarna fluistert hij +geheimzinnig: "Men zegt, dat het standbeeld een geheim verbergt. Wat +doet de Hertog met den tienden penning; waar laat hij dat geld?" + +Thans komen zij weldra op den grooten militairen straatweg, eindigend +bij de ophaalbrug over de gracht, die toegang geeft tot de Esplanade +der stad. Boven de massieve poort is een schild gebeiteld, waarop +een koninklijk kasteel met drie torens; op elken toren een raaf, +en elke toren bewaakt door een wolf--het wapen van Alva; daaronder +de keten van het Gulden Vlies, waaraan, als ter bespotting van dit +land, dat veroverd is door bloed en vuur, een voorstelling hangt van +het Lam Gods. Dit alles kan Guy gemakkelijk onderscheiden bij het +licht der brandende toortsen, waarvan eenige door de wachten worden +vastgehouden en andere bevestigd zijn in de nissen van den muur. + +De militaire voorschriften eischen, dat Guy's geleider rapport doet +aan den officier van den dag. + +Te dien einde treden zij een wachtkamer binnen, helder verlicht +door een dozijn brandende kaarsen, en terwijl de jonge vaandrig zijn +rapport doet en de order ontvangt voor het neerlaten van de ophaalbrug, +kijkt Chester voor tijdverdrijf naar de menigte militaire plakkaten +aan den vuilen muur; eensklaps valt zijn oog op één er van, dat, +hoe sterk zijn zenuwen anders ook zijn, hem een rilling aanjaagt, +want het luidt aldus: + + + + +_UITGELOOFD!_ + +_Drie duizend Carolus-guldens._ + + +Nademaal zekere Engelschman, genaamd Guy Stanhope Chester, en nog +beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als de _Eerste der +Engelschen_, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres, +koningin Elizabeth van Engeland, op den 21sten Maart van het jaar +1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoen +_Santa Cruz_ en sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van +deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden +en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire +overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene, +die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope +Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij +verklaren. Op last van + + +ALVA, _Onderkoning._ + JUAN DE VARGAS, +_President van den Raad van Beroerten_. + + + +Dit is aangeplakt tusschen verschillende militaire orders, betrekking +hebbende op de Citadel, en een paar andere bevelschriften tot het +aanhouden van oproerlingen of het opleggen van belastingen. Na de +eerste ontsteltenis kan Guy het plakkaat kalm lezen en hij krijgt een +gevoel van verlichting, als hij bemerkt, dat de beschrijving van zijn +persoon, die bij de afkondiging is gevoegd, in vele bijzonderheden +onjuist is. + +"Al klaar, kapitein Guido! Ik heb de order gekregen!" zegt de +jonge vaandrig, hem op den schouder kloppend. Daarna vervolgt hij: +"Ah! gij waart bezig het plakkaat tegen den 'Eerste der Engelschen' +te lezen," en onder het heengaan vervolgt hij levendig: "Drie duizend +Carolus-guldens! Dat zou een aardig extraatje bij mijn soldij zijn! Kon +ik hem maar te pakken krijgen! Drie duizend gulden! Wij zouden een +festijn aanrichten, niet waar, senor capitan, betaald met het hoofd +van den zeeroover!" + +Hier wordt de jonge Spanjaard gestuit in zijn ontboezeming, +want de schildwacht vraagt hem het contrasigne, en als hij dat +gegeven heeft, gaat hij met zijn metgezel door de poort, nadat +de ophaalbrug is neergelaten. Daarmee is niet veel tijd gemoeid, +want een sterk detachement van het garnizoen is onder de wapenen, +en een gedeelte der troepen is juist uitgerukt om de wachtposten in +de stad te versterken en zooveel mogelijk hulp te verleenen bij het +beschermen der eigendommen van het gouvernement, die op de werven en +de kaden van Antwerpen in gevaar verkeeren door het getij, dat nog +onophoudelijk wast; de stad is dan ook nog verlicht en de alarmklokken +luiden voortdurend. + +"Hier moet ik u verlaten," zegt De Busaco, nadat zij de ophaalbrug +zijn overgegaan en de laatste schildwachten gepasseerd zijn. "In welke +herberg wilt gij uw intrek nemen? In _De Roode Leeuw_? Die heeft, +dunkt mij, den besten wijn." + +"Neen," antwoordt Guy, want hij heeft hier reeds over nagedacht; +"ik ga naar _Het Geschilderde Huis_. Het is daar rustiger." + +"Zoo?" lacht de jonge man. "Dus gij weet niet, wat daar morgen zal +gebeuren? Par Dios! de helft van de burgers van Antwerpen zullen daar +komen, om het te zien, en ook tal van officieren van het garnizoen. Gij +hebt het nieuws niet gehoord? De groote schilder, de Raphael der +Nederlanden, Frans Floris, heeft de uitdaging aangenomen van 'de Zes +Drinkebroers van Brussel', om ze allen op één avond onder de tafel +te drinken. Sapristi! naar wat men van hem vertelt, geloof ik zeker, +dat hij het ook zal doen. Ik ben van plan er ook naar te gaan kijken; +ik hoop u daar te ontmoeten!" + +"Zeer goed, kom vooral en drink een roemer wijn met mij!" zegt Chester, +die meent, dat gezien te worden met een Spaanschen officier een soort +van paspoort voor hem zal zijn, in een stad, waar men een prijs op +zijn hoofd heeft gezet. Hierop zegt de jonge De Busaco,--want de twee +hebben onder weg heel joviaal samen gebabbeld en zijn reeds goede +kameraden geworden: "Uw weg ligt recht vóór u, de Esplanade dwars +over naar de Bagijnenstraat," en hij keert met een vriendelijken +groet naar de Citadel terug. + +Een oogenblik denkt de Engelschman er aan, hem terug te roepen, +om hem een vraag te doen, die hem voortdurend op de lippen heeft +gezweefd, sinds hij haar heeft verlaten. Maar hij komt daarvan +terug. "Neen--om aan een officier, dien zij mij als geleide heeft +meegegeven, den naam en stand te vragen van mijn--mijn beminde--" hij +herhaalt welbehaaglijk dat woord eenige keeren in zijn geest--"zou +te gevaarlijk zijn. Ik allereerst diende de dame te kennen, die ik +naar Antwerpen heb gebracht." + +Hij steekt dus de Esplanade over, die vrij is gehouden van boomen +en van alles wat verder een belemmering kon zijn voor het vuur van +de Spaansche Citadel, die deze Vlaamsche stad beheerscht. En nog +altijd geheel vervuld met de gedachte aan zijn schoone, mompelt hij: +"Die schilder zal mij kunnen zeggen, wie zij is, hij weet het," +en hij versnelt zijn pas. + +Een oogenblik later bevindt de Engelschman zich aan den ingang van +de Bagijnenstraat, die tot in het hart der stad voert. Hij klapt +eenige malen in zijn handen en roept: "Heidaar, jongen! Hier met de +toorts. Licht mij voor!" wat weldra een dreumes van een straatjongen +tot hem brengt, die een brandende fakkel draagt. + +"Waarheen, Uwe Edelheid?" vraagt de jongen, want Guy's manieren en +uiterlijk zijn die van een man van geboorte. + +"Naar de Wolstraat! Het huis van Jacques Touraine." + +"O! De wondheeler en barbier," antwoordt de jongen. "Ik ken zijn +uithangbord." + +Zij loopen nu--de jongen vóór den Engelschman uitdravende, die +vlug voortstapt--de Bagijnenstraat door, waar thans wegens den storm +lantarens branden, die aan de gevels der huizen hangen, en gaan voorbij +de grootsche kerk van Onze Lieve Vrouwe van Antwerpen, nu bekend als de +kathedraal Notre Dame, welker klokkenspel ieder kwartier zijn zilveren +geluid doet hooren. Vervolgens duiken zij weg in den doolhof van nauwe +straten, vol middeneeuwsch vuil, dat haar zelfs nu nog verontreinigt, +om het noordelijk einde van de stad te bereiken. + +Na zich eenige minuten met moeite een weg te hebben gebaand door deze +nauwe stegen, houden zij stil bij een groot uithangbord, geschilderd +met roode, blauwe en witte strepen, dat als onderscheidingsteeken +dient van het huis van monsieur Jacques Touraine, den kleinen Franschen +wondheeler, artsenijmenger, chirurgijn en barbier. + +Hoe laat het ook reeds is, toch behoeven zij hem niet op te kloppen +en te wekken, want deze heer staat voor zijn deur, op zijn Fransche +manier levendig sprekend met eenigen zijner buren. Hij houdt een +klein kind van ongeveer zeven jaar bij de hand en zegt zenuwachtig: +"Mon Dieu! Als de vloed eens tot hier kwam!" + +"Drommels!" antwoordt een van de anderen, "de duivel zelf zou den vloed +dezen heuvel niet op kunnen stuwen! Het teeken van den grooten vloed +van 1300 is nog vijftig voet beneden ons." Hij lacht verachtelijk en +spot: "Wat zijt gij Franschen toch bang voor water!" + +De mannen in hun gesprek storend, wenkt Guy den barbier tot zich en +vraagt hem: "Is de schilder, die bij u woont, Antony Oliver, thuis?" + +Het antwoord is ontmoedigend: "Neen, hij is in Brussel." + +"Zoo!" bromt Guy half binnensmonds, blijkbaar zeer teleurgesteld, +want enkel om dezen Oliver te spreken, heeft hij zooveel gevaren +getrotseerd, en hij durft niet lang in Antwerpen blijven. Dan vraagt +hij eenigszins angstig: "Weet gij, wanneer hij denkt terug te komen?" + +"Morgen. Hij komt met zijn heer, den hertog van Alva. Hij is heraut +en onder-secretaris van den Onderkoning." + +"Ja!" roept het kereltje uit, "ik ben er zoo blij om; als monsieur +Oliver komt, krijgen wij altijd duivenpastei. Ik houd zooveel van +duivenpastei--gij ook?" + +"Nu, of ik!" lacht Guy, gerustgesteld door het bericht, dat de schilder +spoedig terug wordt verwacht. + +"Dan hoop ik, dat gij monsieur Oliver niet zult vragen om mijn +portie van de duivenpastei," snapt het kind voort; "maar misschien +krijgen wij er in het geheel geen--een man heeft vandaag zooveel +duiven weggehaald." + +"Daar is een stuiver voor je, om duivenpastei voor te koopen, mijn +kleine baas," lacht Chester, terwijl hij het kind een geldstukje +geeft. Vervolgens wendt hij zich tot den vader en vraagt: "Zijt gij +zeker van hetgeen gij mij gezegd hebt?" + +"Ik geloof het wel. Maar gij kunt het nog nader onderzoeken bij zijn +beste vrienden, de familie Bodé Volckers. Daar is het zeker bekend. Het +is een hupsche man, die Oliver, en een groot schilder--tenminste, +hij houdt zichzelf voor een groot schilder. Hij heeft mijn zoon +Achille als leerling--mijn jongste is de kleine Marvédie, die zoo +verzot is op duivenpastei," babbelt de Franschman, die blijkbaar van +zijn angst voor den vloed is bevrijd en wiens hart Guy heeft gestolen +door zijn gift aan het kind. Dan vraagt hij eensklaps: "Heb ik u niet +reeds eerder gezien? Mij dunkt, gij hebt monsieur Antony zes maanden +geleden ook reeds bezocht." + +"Ja," antwoordt de Engelschman kortaf, en om verdere vragen te +voorkomen: "Kunt gij mij zeggen, waar de familie Bodé Volckers woont?" + +"Och, iedereen weet dat; hij is onze oud-burgemeester, de vorst-koopman +van Antwerpen, Niklaas Bodé Volckers, die op de Place de Meir woont." + +"O, de Place de Meir, dank u, senor," antwoordt Guy, en den +toortsjongen terugroepend, zegt hij: "Bodé Volckers!" + +"Dat is twee stuivers meer," zegt de knaap; iemand, denkt hij, die +een burgemeester gaat opzoeken, kaa ook wel twee stuivers meer geven. + +"Vier, als gij er mij spoedig brengt." + +"_Vier_? Pots dit en dat! gij moet een graaf zijn," roept het kind +in verrukking uit, en opnieuw voor Guy uitdravende, geleidt hij hem, +weer langs de kathedraal, naar de prachtige woning, waar de oude Bodé +Volckers, de vorst-koopman uit die dagen, wiens koopvaardijschepen +naar de Indiën, de Oostzee en de Middellandsche zee zeilen, woont, in +groote praal en pracht, maar ondanks dat alles slechts een koopman, +handelaar en burger blijft; in de oogen der trotsche edellieden van +dien tijd niets meer beteekenende dan het stof der aarde--tenzij +zij zijn geld wenschen te leenen. Maar zooals het altijd gaat, groot +financieel succes roept maatschappelijke eerzucht wakker. De familie +van Niklaas Bodé Volckers klopt nu aan de deuren van de aristocratie. + +Dit wordt Guy ook gewaar, als hij de woning van den koopman heeft +bereikt. + +Het huis is imposant gebouwd, van gehouwen steen, met een ruim +binnenplein; de hoofdingang is zoo breed en hoog, dat een rijtuig er +met gemak door kan; het huis is overal verlicht, het eene gedeelte +echter nog helderder dan het andere. Daar bevindt zich blijkbaar de +kantoor- en monsterkamer van den heer Niklaas Bodé Volckers. Door +de openstaande deuren gaan eenige klerken en lastdragers in en uit, +en groote goederenwagens komen aanrijden, beladen met zijden en +satijnen stoffen, die van de overstroomde kaden in veiligheid worden +gebracht. Iedereen schijnt druk in de weer te zijn. + +"Ik moet mijnheer Bodé Volckers een oogenblik spreken," zegt Guy tot +een hem voorbij spoedenden bediende. + +"Moet gij mijnheer Bodé Volckers van nacht spreken?" herhaalt de knaap +ten hoogste verbaasd; "nu, terwijl zijn pakhuizen zijn ondergeloopen?" + +"Ik moet hem spreken. Hoort gij mij, knaap? Vlug wat!" roept Chester +ongeduldig, want daar hij edelman is, is hij gewoon om kooplieden, +burgers, handelaars, enzoovoort te bevelen. + +"Dat is onmogelijk, tenzij gij naar de kaden gaat," antwoordt de +leerling. "Mijnheer Bodé Volckers houdt daar het toezicht op het +vervoer van de goederen, die gevaar loopen te bederven in zijn groot +pakhuis op de Engelsche kade." + +Teleurgesteld maakt onze held rechtsomkeert en begeeft zich naar den +hoofdingang van het huis, waar hij een woordenrijk dienstmeisje vindt, +in gesprek met een man, die naar alle waarschijnlijkheid de koetsier is +van de familie, want de paarden en de equipage staan vóór het huis te +wachten. Zij schijnen het te hebben over de overstrooming in de stad, +daar het meisje zichzelve telkens in de rede valt met opgewonden uit +te roepen: "Die arme menschen!" en: "Goede hemel!" + +Daar de vensters in den voorgevel van het huis eveneens verlicht +zijn, wendt Guy zich aanstonds tot het meisje, zeggende: "Zou ik +ook even iemand van de familie van den heer Niklaas Bodé Volckers +kunnen spreken?" + +"Ik weet het niet," is het antwoord. "Als mijnheer maar binnen wil +gaan, dan zal ik het vragen." + +Zij maakt tegelijk een eerbiedige dienaresse, want Guy stopt haar +een zilverstuk in de hand. Zijn optreden is gebiedend, zijn voorkomen +aristocratisch, zijn hand mild, en het meisje is dus gaarne bereid, +hem van dienst te zijn; zij leidt hem naar een groot, gewelfd vertrek, +bekleed met Spaansch leder, welks stoffeering van weelde getuigt, +ja zelfs van pracht; de vloer is met kleeden en tapijten belegd en +sommige stukken van het ameublement zijn ingevoerd uit Italië, Spanje +en zelfs uit Turkije, en men heeft er zelfs kleedjes, vervaardigd op +de weefgetouwen van Ispahan en Bokhara. Het vertrek is verlicht door +een mooie kroon vol brandende waskaarsen. Uit deze kamer leidt een +gesneden eikenhouten trap naar de bovenvertrekken van het huis. + +"Wiarda Schwartz!" roept het meisje, in haar handen +klappend. "Wiarda!" Daar zij geen antwoord krijgt, zegt zij: "Ik ben +dadelijk terug," en de trap vlug oploopend, komt zij een oogenblik +later weer naar beneden, gevolgd door een aardig, donkeroogig +kameniertje, wier kleeding verraadt, dat zij de lieveling van haar +meesteres is, en wier korte gesteven rokjes en hooge Friesche muts +haar doen kennen als een behaagziek ding. + +In antwoord op haar min of meer nonchalante neiging, zegt Chester: +"Ik ben kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk. Kan ik vrouw Bodé +Volckers een oogenblik spreken?" + +"Niet, tenzij gij naar de andere wereld gaat," antwoordt het dametje +vrijpostig. "Vrouw Bodé Volckers is al drie jaren dood." + +"Dan zou ik nog verder moeten loopen dan naar de pakhuizen van haar +weduwnaar," herneemt Guy glimlachend. Daarna vraagt hij: "Kan ik dan +de meesteres van het huis spreken?" + +"O, gij bedoelt freule Wilhelmina Bodé Volckers," zegt het meisje, +en een hooge borst zettend, voegt zij er bij: "Freule Wilhelmina Bodé +Volckers is heden op het feest van de gravin van Mansfeld." + +Chester herinnert zich, hoe minachtend de lakei van de gravin +van Mansfeld zich heeft uitgelaten over de dochter van den +oud-burgemeester, die tot vermaak van het gezelschap danst in de +kostbaarste zijden stoffen van haar vader, en het kost hem moeite, een +glimlach te onderdrukken. Daar hij er echter te veel belang bij heeft, +om de gewenschte inlichting te krijgen, herneemt hij: "Misschien kunt +gij dan deze vraag beantwoorden: weet gij ook wanneer Antony Oliver, +de heraut van den hertog van Alva, uit Brussel terugkomt?" + +Maar dit doet kapitein Guido Amati in de achting van juffer Wiarda +Schwartz aanmerkelijk dalen. Zij zegt met onbeschaamde gemeenzaamheid: +"Ik? Wel neen! Die kladschilder, die bedelaar! Ik weet niets van +hem. Ik dacht, dat mijnheer de kapitein zijn kennissen had onder +den adel!" + +Nu Guy het huis even wijs verlaat, als hij het is binnengegaan, ziet +hij nog, dat juffer Schwartz haar neusje in de lucht steekt en met +haar klein voetje, met een roode kous en een nuffig schoentje bekleed, +spottend op den grond stampt. + +"Er schiet mij niets over, dan kalm af te wachten en tot morgen te +slapen. Ik heb daar ook wel behoefte aan," overlegt de Engelschman bij +zichzelven. "God alleen weet, wat de dag van morgen mij zal brengen." + +Hij roept opnieuw den toortsjongen, die blijkbaar opzettelijk in de +buurt is gebleven, in de hoop, dat Guy's bezoek aan de familie Bodé +Volckers van korten duur zal zijn, en gelast dezen, hem te brengen +naar de herberg _Het Geschilderde Huis_, die beroemd is om haar wijn +en bier en aan de Schoenmarkt ligt, tegenover de Place de Meir. Zij +is slechts een paar stappen van de woning van den koopman verwijderd, +en niet moeilijk te vinden, zooals Guy opmerkt, als hij haar nadert, +daar zij haar naam draagt naar de hooge, geschilderde gevels. + +In de benedenvertrekken brandt overal licht; onder den luifel, +versierd met dennetakken en verlicht door heen en weer schommelende +lampen, staan tafels en stoelen, waaraan verscheidene gegoede burgers +hebben plaats genomen, eenige Spaansche officieren en een half dozijn +reizigers. Hoe laat het ook reeds moge zijn, toch dringt het geluid +van een drinkgelag nog uit het groote binnenvertrek naar buiten. + +Hij wordt aan de deur verwelkomd door den waard, den onderdanig +buigenden Herman van Oncle, die bezig is een fortuin te verdienen met +zijn beroemde soupers en bruiloftpartijen, want dit is in de stad +het huis voor feestelijkheden bij uitnemendheid. _De Roode Leeuw_ +mag aristocratischer zijn, wat den wijn en het bier betreft, in het +regelen van schitterende trouwpartijen, die drie dagen duren, staat +_Het Geschilderde Huis_ in Antwerpen verreweg het gunstigst bekend. + +"Welkom in _Het Geschilderde Huis_!" roept de spraakzame herbergier +uit. "Welkom, senor--kolonel!" + +"Neen, kapitein," zegt Guy. + +"Welkom is hier iedereen, die in dienst van den Staat is, civiel +of militair." + +"Ik zou gaarne een kamer met een bed willen hebben." + +"Onmogelijk!" + +"Onmogelijk?!" + +"Ja; alles is bezet." + +"Gij moet mij toch een hokje geven." + +"Nu, als gij daar genoegen mee wilt nemen, dan een hokje boven +den stal. Mijn huis is geheel vol--gij hebt het nieuws toch zeker +gehoord? Morgen heeft hier het groote drinkgelag plaats tusschen +onzen beroemden artist Frans Floris, en 'de Zes Drinkebroers van +Brussel'. Men is van alle naburige plaatsen toegestroomd om het te +zien. Er is zelfs een deputatie uit Brussel aangekomen. Men spreekt +er van, dat de Hertog in eigen persoon morgen wil komen. Misschien +wil hij mij de eer bewijzen--misschien is hij van plan te komen, om +het grootste drinkgelag bij te wonen, dat ooit heeft plaats gehad in +Vlaanderen, Brabant of Holland! Ik zal niet minder dan twintig vaten +Rijnwijn moeten aansteken." + +"Twintig vaten voor zes drinkebroers?" lacht Chester. + +"Wel neen--maar de gansche stad zal hier komen, de gansche stad zal +ook dronken zijn!" + +"Ik wenschte, dat de stad wat kalmer was," zegt Guy, die vreest, +dat hij niet veel zal slapen, te oordeelen naar het feestrumoer, +dat tot hem komt uit het binnenvertrek. + +"St!" fluistert de kastelein zenuwachtig, als zij binnentreden. "Stoor +hen niet. Het zijn," en hierbij spalkt hij vol bewondering zijn oogen +open, "het zijn 'de Zes Drinkebroers van Brussel', die hun avondeten +gebruiken!" + +"Het schijnt, dat 'de Zes Drinkebroers van Brussel'," zegt Guy, op +wien die klinkende titel geen indruk maakt, "zich weinig sparen voor +morgen. Zij zijn nu al aardig aan den gang." + +"Ja, dat is juist het mooie van de zaak," zegt de waard, zich in +de handen wrijvend. "Daarom worden zij juist drinkebroers genoemd; +niemand en niets is in staat, hen ooit dronken te maken. Zij hebben +ieder reeds acht pinten wijn gedronken en beginnen nog pas. Zij hebben +een duivenpastei voor zich staan. Ik heb die eigenhandig gemaakt +van vogels, mij door senor Vasco de Guerra zelf verschaft. Hij is de +opperste van de zes drinkebroers, ofschoon de weddenschappen nog altijd +twee tegen één staan ten gunste van onzen Nederlandschen schilder, den +grootsten kunstenaar van onzen tijd--den Raphael van deze lage landen, +onze eer, onzen roem, onzen schuldenaar (want hij staat bij mij voor +vier duizend Carolus guldens in het krijt), maar toch de trots van +Antwerpen! Wilt gij niet het een en ander gebruiken, senor capitan, +eer gij uw slaapplaats boven den stal opzoekt?" + +"Ja, een halve pint wijn zal voor mij wel genoeg zijn," zegt +Guy. "Maar, gij zijt immers beroemd om uw bier--laat mij daarvan dus +liever een kan nemen," gaat hij voort, als een echt Engelschman zijn +nationaal brouwsel getrouw blijvend. + +"Het beste in geheel Vlaanderen. En dan hebben wij ook nog mout +uit Londen." + +"Juist, dát is het ware!" roept Guy uit, zijn rol van Spanjaard +vergetend. "Breng mij Engelsche mout!" En dan, zijn onvoorzichtigheid +bemerkend, voegt hij er aan toe: "Ik heb den geheelen dag reeds +Rijnwijn gedronken." + +Als de waard vertrokken is, trekt hij, in afwachting van zijn maaltijd, +figuren met zijn voet in het witte zand, waarmee de vloer is bestrooid +en leest onder andere aanplakbiljetten aan de muren van de gelagkamer, +de aankondiging van het groote drinkgelag tusschen Frans de Vriendt, +bijgenaamd Floris, en de zes grootste drinkebroers van Brussel. En +naast die aankondiging hangt Alva's edelmoedig aanbod van drie duizend +Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman. + +Weldra brengt men hem het verlangde, en hij neemt plaats aan een +tafeltje naast dat van de zes kampioenen van Brussel. Onwillekeurig +begint hij belang in hen te stellen, want het zijn zes van de +merkwaardigste typen, die hij ooit heeft gezien. + +Hun namen vangt hij successievelijk op uit hun gesprek. + +Vasco de Guerra, blijkbaar de aanvoerder van de club, Tomasito, een +vaandrig van De Billy's Walen, die door de anderen den eenoogige wordt +genoemd, omdat hij een oog heeft verloren bij Aremberg's nederlaag, +en Pablo Mendez, zijn alle drie Spaansche officieren, die zich, zooals +men uit hun gesprekken kan opmaken, houden voor edellieden van rang en +aanzien. De overige drie kampioenen treden meer bescheiden op, behalve +in het drinken; daarin doen zij niet voor de anderen onder. Twee van +hen worden aangesproken als Alphanse de la Noel en Conrad de Rijk, +beiden Nederlanders, de een uit Brabant, de andere uit Holland; de +laatste van het zestal is een gluiperige kleine Italiaan, Guisseppi +Pisa geheeten, een koopman in parfumerieën en andere toiletartikelen, +uit de hoofdstad. + +Daar Guy onder het nuttigen van zijn maal en het drinken van zijn bier +niets beters heeft te doen, luistert hij verstrooid en slaperig,--want +hij is doodmoe geworden van zijn nachtelijken tocht,--naar hun +gesprekken. + +"Par Dios!" zoo laat Vasco de Guerra zich hooren,--een groote man +met ronde, vischachtige oogen en een langen knevel, met een enkele +grijze vlok er in, die men algemeen beschouwt als een gevolg van zijn +groote losbandigheid,--"ik verneem, dat onze tegenstander Floris een +caricatuur van ons heeft geteekend." + +"Diablo! Is het beleedigend?" roept Tomasito, de eenoogige, een kleine +Spanjaard met een duivelachtigen aard, berucht zoowel om zijn wreedheid +op het slagveld als om zijn uitspattingen in de feestzaal. + +"Neen," zegt Mendez lachend, "hij heeft ons alleen maar _onder de +tafel_ geschilderd." + +"Sapristi!" grijnst de Italiaan Pisa. "Hij mag ons voor mijn part +onder de tafel _schilderen_, maar hij kan ons toch niet onder de tafel +_drinken_!" Daarna roept hij: "Hei, jongen! Een nieuwe kan zwaren +Rijnwijn. Ik moet mij oefenen voor morgen. Mariëtta komt van Brussel +over om eer te bewijzen aan mijn drinktalent." Dit gaat vergezeld +van een blik van verstandhouding op zijn kameraden, die uitroepen: +"Bravo! de gezondheid van Mariëtta, het zoetste lief uit Brussel!" + +Terwijl er nieuwe Rijnwijn wordt gebracht, roept Mendez uit: +"Caramba! er zijn geen duiven meer in de pastei," en trekt zijn mes +terug, waarmee hij de voor hem staande pastei heeft onderzocht, zijn +vingers, bij gebrek aan een servet, aflikkende. "Gij hebt ons maar +zes duiven gegeven, kapitein Vasco." + +"Het was alles, wat ik onder schot kon krijgen!" antwoordt De Guerra. + +"Gij zoudt duiven geschoten hebben?" spot De Rijk. + +"Zeker!--vandaag--hier!" + +"Bah! Uw hand beeft, Vasco, alsof gij de vijfhonderd gulden neerteldet, +die wij tegen den schilder verwed hebben!" sart De la Noel. + +"Toch heb ik ze geschoten," antwoordt Vasco, terwijl er een vreemde +uitdrukking in zijn vischachtige oogen komt, "en ik doodde niet +_alleen_ de zes duiven, maar ik zal ook--een ander dooden. Wij zullen +een banket hebben, als ik de belooning krijg voor zijn hoofd!" Hij +grijnst bij deze woorden, zoodat men zijn tanden kan zien. + +"Zijn _hoofd_?" roept er een. + +"De belooning van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van +den Engelschman?" schreeuwt een ander, naar het plakkaat wijzende, +wat Guy onwillekeurig naar zijn zwaard doet grijpen. + +"Bah!" lacht Vasco. "Denkt gij, dat ik mij op het zilte nat waag, +om zeeziek te worden en mij door dien Engelschman den hals te laten +afsnijden? Neen, ik kan mijn geld gemakkelijker verdienen; als ik +mijn zevende duif schiet, zullen wij meer duivenpastei hebben en een +feestgelag, dat ons niets kost." + +Deze geheimzinnige belofte wordt begroet door een luid gelach en een +gerinkinkel van bekers en kannen. "De Zes Drinkebroers van Brussel" +houden al evenveel van duivenpastei als het zoontje van den barbier +Jacques Touraine. + +Doch nu wordt Guy's aandacht afgeleid van het drinkend zestal naast +hem. De waard komt namelijk nederig buigend naar hem toe en zegt: + +"Senor capitan, uw bed is klaar, de lakens zijn schoon, niemand heeft +er de laatste drie dagen in geslapen." + +Chester volgt Van Oncle, die een waskaars draagt, naar een klein +vertrek boven den stal, dat tenminste goed gelucht is, daar het +verscheidene open vensters heeft, die niemand de moeite heeft genomen +te sluiten. + +Een oogenblik later is hij feitelijk alleen--de eenige van zijn buren +in de belendende kamertjes, die reeds thuis is, slaapt zijn roes uit, +en de anderen moeten nog komen. Hij bergt zijn dingen van waarde op een +veilige plaats en verbergt het zorgvuldigst, wat hij het kostbaarst +acht--het miniatuur-portret van de dame, wier naam hij niet weet; +maar wat hij wél weet is, dat hij haar met hart en ziel bemint; +vervolgens onderzoekt hij zijn wapenen en gaat naar bed, vervuld met +de gedachte aan zijn onbekende schoone, die hij eens heeft gekust, +maar die hij heeft gezworen, weer te zullen kussen; daarna slaapt hij +kalm in, in de stad zijner vijanden, onder de vlag van Spanje en Alva, +terwijl in de kamer beneden, in de straten rondom hem en op de muren +van elk wachthuis in Brabant en Vlaanderen biljetten zijn aangeplakt, +waarbij drie duizend Carolus-guldens worden uitgeloofd voor het hoofd +van den "Eerste der Engelschen". + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD. + + +De zon staat reeds hoog aan den hemel, als Guy de oogen opent. De +storm van den vorigen avond is bedaard, en de zon schijnt vroolijk, +als om den spot te drijven met de arme boeren en landlieden in de +naburige polders, die nog altijd in wanhoop verkeeren over hun vee, +dat verdrinkt, en over het water, dat nog altijd niet valt. Chester +kan, onder het kleeden, zich eenigszins een denkbeeld maken van de +aangerichte verwoesting; want zijn kamer ziet uit op de rivier, en +daarin drijven nog steeds doode schapen, koeien en varkens, en zelfs +lijken van menschen. + +Doch in de stad schijnt men zich daar weinig om te bekommeren. De storm +heeft uitgewoed en nu maken de schepen zich gereed, om de Schelde af +te zakken naar de Indiën en de Middellandsche zee; de kooplieden hebben +hun waren in veiligheid gebracht; de handel van die dagen, zoo min als +die van heden, laat zich door den strijd van het menschdom ophouden. + +Het geraas en rumoer dringt door tot in Guy's kamertje van de +Schoenmarkt en Eierstraten. Al de gilden van Antwerpen zijn heden +druk in de weer en zien er tevreden uit, behalve dat van de slagers; +dezen toch hebben menigen vetten os verloren, die graasde op de +uitgestrekte weiden aan den Kowensteinschen dijk. + +Daar het niet vroeg meer is, zijn de gasten, die de belendende +kamertjes in gebruik hadden, reeds vertrokken. Guy, die, op +zeemanswijze, halfgekleed te bed is gegaan, kan zich dus ongestoord +verder aankleeden; alleen naast hem snorkt nog een dronkaard zijn +roes uit. + +Vervolgens begeeft hij zich naar het waschhuis van het logement in +de benedenverdieping, waar hij kort proces maakt en voor een stuiver +een ongebruikten handdoek machtig wordt. + +Als hij zich heeft gewasschen, gaat Chester uit; hij voelt zich luchtig +en opgewekt, niettegenstaande hem opnieuw het plakkaat onder de oogen +komt, waarin men een prijs voor zijn hoofd uitlooft, en vervolgt +haastig zijn weg door de vuile stegen van het lage gedeelte der +stad naar de Wolstraat. Daar hij zich bij de familie Bodé Volckers +tevergeefs om inlichtingen heeft aangemeld, en hij onderstelt, +dat een herhaald bezoek hem niets verder zal brengen, besluit hij +nogmaals naar den Franschen barbier te gaan, om te beproeven, of hij +van dezen iets naders omtrent zijn huurder kan te weten komen. Want +het is zaak, spoed te maken, daar een langer verblijf in de klauwen +van zijn vijanden hem noodlottig kan worden; hij loopt toch ieder +oogenblik gevaar, herkend te worden, want er houden zich altijd vele +Vlaamsche handelaars uit Zeeland en Holland in de groote koopstad +op, van wie eenigen den "Eerste der Engelschen" misschien van aanzien +kennen en sommigen zeker niet te goed zouden zijn, om voor drie duizend +Carolus-guldens alles ter wereld te verkoopen, zichzelven inbegrepen. + +Als hij het huis van Jacques Touraine bereikt, wacht hem daar een +aangename verrassing. De woordenrijke kleine Franschman komt hem reeds +tegemoet en roept uit: "Hij verlangt al naar u, ik heb hem verteld, +dat gij naar hem hebt gevraagd!" + +"Hij--wie?" vraagt Guy. + +"Wel, de schilder Antony Oliver. Hij is van morgen uit Brussel +gekomen. Hij verlangt even sterk naar u, als gij naar hem." + +Maar de laatste woorden gaan verloren voor den Engelschman, die de +twee steile trappen opsnelt naar het bovengedeelte van het huis, +waar zich onder de dakpannen, tusschen de zwaluwnesten, de woonkamer, +die tevens dienst doet als atelier, bevindt van Antonius Oliver, in +de wandeling Antony genoemd, vervaardiger van geographische kaarten, +heraut en bij wijlen tweeden secretaris van Alva, onderkoning der +Nederlanden. Het inkomen van Antony is niet groot, zijn betrekking, al +is het een post van vertrouwen, niet zeer hoog, ofschoon hij daardoor +dikwijls in directe aanraking komt met den grooten Hertog. Want Oliver +heeft er met al zijn vermogen naar gestreefd, het vertrouwen van zijn +meester te winnen. + +Hij is geboortig uit Bergen, dicht bij de Fransche grenzen, en heeft +gedeeltelijk Fransch, gedeeltelijk Vlaamsch bloed in de aderen. Op het +oogenblik is hij bezig het stof der reis van zijn gezicht te wasschen; +Chester vindt hem zonder zijn wambuis en met een handdoek in de hand, +als hij, na te hebben aangeklopt, binnentreedt. + +"Ah!" roept hij, met een glimlach van vreugde op het gelaat, "ik ben +blij u te zien, mijn vriend, mijn Guido." + +"En ik niet minder, dat ik u thuis vind, Antony, mijn jongen," +antwoordt Guy, hartelijk zijn hand uitstekend. Want enkele weken van +samen doorgestaan gevaar hebben tusschen deze twee mannen een hechten +vriendschapsband geknoopt. + +"Ik ben blij u te zien," vervolgt de Vlaming, "en toch ook weer +niet." Dan fluistert hij: "Gij weet van den prijs op uw hoofd?" + +"Ja, ik heb het gezien," antwoordt Guy kortweg. + +"O, misschien in uw herberg?" + +"Neen, in de wachtkamer van de Citadel." + +"Mon Dieu! Zijt gij dan gearresteerd en ondervraagd?" brengt de +schilder angstig uit. + +"Neen, ik kwam er als cavalier van een hooggeplaatste dame!" lacht +de Engelsche zeeman. "Daarvoor ben ik bevorderd tot kolonel bij +Romero's musketiers!" + +"Onmogelijk! Vertel mij uw avontuur!" + +"Natuurlijk," zegt Guy, "hangt het samen met de zaak, die mij in +Antwerpen brengt." + +"Ja," antwoordt de ander nadenkend, "die zaak moet wel hoogst +belangrijk zijn, dat gij u weer zoo waagt." + +"Het is als altijd voor mijn Koningin!" fluistert Guy; "is er niemand +in de buurt?" + +"Neen, ik heb mijn leerling, Achille, uitgezonden met een verre +boodschap, daar ik u verwachtte en u alleen wenschte te spreken." + +"Welke verre boodschap?" + +"Ik zond hem uit om wijn, brood, kaas en vleesch _op crediet_ te +koopen. Achille is een wakkere jongen, en als ik hem het geld had +meegegeven, zou hij in een half uur terug zijn." Vervolgens de deur +grendelend en er een zwaar gordijn vóór schuivende, zegt Oliver: +"Vertel mij nu alles." + +"Kunt gij deze brieven ontcijferen, waaraan, naar ik vermoed, het +welzijn, ja zelfs het leven van mijn Koningin hangt?" fluistert de +Engelschman. En terwijl hij het pakje voor den dag haalt, dat hij den +vorigen avond aan het lijk van den verdronken Italiaan heeft ontnomen, +vertelt Guy den schilder zijn zonderling wedervaren. Zijn verhaal wordt +afgebroken door uitroepen van verwondering en levendige belangstelling, +zelfs nu en dan door een luid gelach van zijn Vlaamschen toehoorder. + +Als de Engelschman geëindigd heeft, neemt de schilder het woord. + +"Ei!" roept hij uit, de documenten nauwkeurig bekijkend, "hebt gij deze +gevonden op het lijk van den secretaris Chiapin Vitelli?" Dan voegt +hij er aan toe: "Ik ben een der weinige personen, die ze zou kunnen +lezen. Zij zijn geschreven in het bijzondere cijferschrift, dat op +het geheime correspondentiebureau van mijn meester, mijn weldoener, +in gebruik is; van hem, die mij mijn jaargeld betaalt, den man, wiens +hand ik kus,--den Hertog van Alva!" Er komt een vreemd licht in zijn +oogen, als hij spreekt van zijn weldoener. "Het is heel gemakkelijk +te ontcijferen, als gij den sleutel hebt, dien ik van buiten heb +geleerd en in mijn hoofd heb--ik durf hem nergens anders bewaren." + +"Deel mij dan den inhoud van deze brieven mee!" + +"Zeker," zegt de artist. "Gij kunt u intusschen onledig houden met +het bekijken van mijn schetsen." + +Haastig begint hij aan zijn werk, terwijl Guy zijn tijd doorbrengt met +het bezien van een aantal studiën in houtskool op doek en paneelen, +blijkbaar het werk van den jongen Vlaming. Aan de eene zijde van +het vertrek bevindt zich een marmeren plaat om verven te wrijven, +waarop een aantal penseelen, een palet en eenige kleine blazen met +grondverf, zooals de artisten in dien tijd gebruikten. Op een ezel +staat het onvoltooide portret van een blondharig, blauwoogig Vlaamsch +meisje, een werkelijke schoonheid, ofschoon van een iet of wat boersch +type. Dit is geteekend in den trant der Venetiaansche school, op wat +men toen noemde: een rooden grond. Op den achtergrond van het vertrek +hangt een groot gordijn, dat een meer belangrijk werk schijnt te +verbergen, het is tenminste even breed als de geheele muur der kamer. + +"Schuif het niet weg," zegt de schilder opkijkende, als hij hoort, +dat Guy het gordijn nadert. "Ik heb nog een aardige verrassing voor u +in petto," en ophoudende met lezen, kijkt hij den Engelschman snaaks +aan. "Iets, wat u bijzonder zal interesseeren, naar ik meen; gij kondt +het gelaat van de schoone uit de barge niet onderscheiden?" Want +Guy heeft in zijn beschrijving van het avontuur van den vorigen +nacht, met de aangeboren kieschheid van den edelman en den minnaar, +opzettelijk geen woord gesproken over de ontmoeting in het huis van +de gravin van Mansfeld met de dame, die hij bevrijdde. + +"Wat bedoelt gij?" vraagt Guy levendig. "Wacht een oogenblik," en een +half onderdrukte kreet van verbazing roept Guy aan de zijde van den +schilder, die blijkbaar in hevige gemoedsbeweging is gebracht door +het ontcijferen van het geheimschrift. + +Ongeduldig staat Guy daar te wachten op den uitslag van het onderzoek +der documenten. + +Een oogenblik later kijkt Oliver op en zegt: "Ik kan u nu in hoofdzaak +zeggen, wat de inhoud der brieven is." + +"En wat behelzen zij dan?" vraagt Guy ongeduldig. + +"Het zijn twee brieven, geschreven door Chiapin Vitelli, Alva's +vertrouwde, en waarschijnlijk aan zijn secretaris gegeven--zoo groot is +hun waarde--om ze persoonlijk te overhandigen aan een zekeren Ridolfi, +een Italiaan, die bankier is in Londen." + +"Ridolfi? Ja, ik heb wel van hem gehoord. Hij moet groote zaken doen +met Italië; hij is goudsmid zoowel als bankier en woont op Cheapside," +zegt Guy. "Maar wat heeft hij er mee te maken?" + +"Wel, dit is blijkbaar één brief uit een reeks van brieven, van welke +eenige beantwoord moeten zijn, waarin Alva onderhandelingen voert met +Ridolfi, waarschijnlijk de agent van den hertog van Norfolk, den man, +die plannen maakte voor een huwelijk met de Koningin van Schotland +en die zich nu in Elizabeths handen bevindt--onderhandelingen, welke +betrekking hebben op het vergiftigen der Koningin van Engeland." + +"Mijn vorstin vergiftigen! Groote God!" brengt Guy met moeite uit. Een +oogenblik later vervolgt hij, zich tot kalmte dwingend: "Ja, geruchten +van dit of een dergelijk complot zijn reeds ter oore gekomen van +Lord Burleigh, den eersten minister. Gij weet, dat ik, juist om dit +nader te onderzoeken, hierheen ben gezonden, ofschoon verloochend +door mijn Koningin, die voor het oogenblik schijnbaar met Alva vrede +wenscht, maar die op haar beurt afrekening zal houden,--een Engelsche +afrekening, dat kan ik u verzekeren,--met uw Spaanschen tyran!" + +"Dat weet ik. Daarom juist help ik u," mompelt de schilder. "Op +Elizabeth alleen is de hoop der Nederlanders gevestigd. Wij zijn +verslagen en vernietigd te Jemmingen, de prins van Oranje, naar +Duitschland gevlucht, leeft in ballingschap; Frankrijk wordt geheel +in beslag genomen door zijn eigen zaken, Coligny en Condé kunnen +ieder oogenblik slaags raken met de Ligue, en op hun bijstand valt +dus niet te rekenen,--van Engeland alleen kan nog redding komen. Als +zoodanig heb ik u verwelkomd als den 'Eerste der Engelschen', om de +Nederlanders bij te staan. Gij zult niet de _laatste_ zijn--ik weet +het! Maar,"--en het gelaat van den schilder wordt bezield door een +patriotisch vuur,--"wijzelven moeten ook handelen. Daarom heb ik mij +veroordeeld, om te leven onder de vreeselijkste onrust, waarin iemand +kan verkeeren,--een verrader in de naaste omgeving, in het bureau +van den Spaanschen onderkoning, om Lodewijk van Nassau en Willem den +Zwijger op de hoogte te kunnen houden van zijn plannen. Ontdekking +staat gelijk met--nu, dat weet gij!" + +Hij lacht, maar het is een akelige lach, en hij vervolgt fluisterend: +"Wat zou Alva, die menschen levend roostert, omdat zij op Vrijdag +vleesch eten; die vrouwen onthoofdt, omdat zij haar eigen mannen een +schuilplaats verleenen; die zijn troepen veroorlooft om te branden, +te rooven en te plunderen; wat zou hij doen met een ontmaskerd spion +in zijn eigen omgeving? Zijn er wel genoeg pijnbanken, duimschroeven +en takkenbossen voor zoo iemand te vinden?" Hij huivert, doch voegt er +daarna vastberaden bij: "Maar ik trotseer alles voor mijn vaderland!" + +"En ik voor het mijne," antwoordt Guy. "Op mijn hoofd is een prijs +gezet als zeeroover, maar ik waag het voor mijn Koningin. Elizabeth +schenkt mij haar glimlachjes, als ik aan haar hof verschijn, noemt +mij haar dapperen vrijbuiter en vertelt toch aan den ambassadeur +van Philips van Spanje, dat ik hier voor mijn eigen rekening ben; +zij verloochent mij, ofschoon zij weet, dat het om harentwille is, +om haar leven te beschermen, om zulke verfoeilijke samenzweringen +als deze te ontdekken, dat ik mijn leven waag! Buitendien," vervolgt +hij met een onheilspellende flikkering in zijn oogen, "houd ik niet +van Spanjaarden." + +"Persoonlijk," merkt de Vlaamsche schilder op, "heb ik eenige zeer +aangename menschen onder hen aangetroffen; ofschoon er in Alva's leger +een ontelbaar aantal schurken zijn. Maar het is voor mijn vaderland, +dat ik een leven vol onrust leid, met het zwaard van Damocles steeds +boven mijn hoofd." + +Guy behoeft den schilder slechts aan te zien, om te weten, dat hij de +waarheid spreekt. De man is klein van persoon en ziet er nietig uit, +al is hij ook welgebouwd en vlug en veerkrachtig; maar hij heeft +zachte, denkende oogen, bijzonder fijn gevormde, beweeglijke lippen +en een hoog, schrander voorhoofd. Chester is er van overtuigd, dat +Antony Oliver een moedig man is. En hij weet nu tevens, dat diens +zenuwgestel is aangedaan door de vrees voor ontdekking, waarin hij +aanhoudend verkeert. + +Toch komt hij rond voor zijn meening uit. + +"Ik haat iederen Spanjaard, edelman of boer, omdat ik een broeder heb, +die in de gevangenis van de Inquisitie op Hispaniola zit. + +"Arme jongen!" mompelt de schilder met een lichte huivering. "Op +Hispaniola! dat is een heel eind weg!" + +"Niet voor een Engelschen zeeman. Zeven jaren geleden zeilden Dick +en ik, beiden vol jeugdig vuur, met kapitein Ned Lovell naar de +Spaansche bezittingen en dreven daar handel met de Dons van Hispaniola +en woonden daar, omdat wij katholiek waren, ongemoeid in de stad +Haytien en verwierven rijkdommen. Toen keerde ik met onze klinkende +munt naar mijn geliefd Engeland terug, Dick achterlatend, om de rest +van onze koopwaren in goud om te zetten, en mij daarna te volgen. Een +jaar verliep. Geen Dick, maar Hawkins bracht bij de thuiskomst van +zijn derde reis het bericht mede, dat Dick verliefd was geworden op +een Spaansch meisje, dat zijn medeminnaars hem hadden aangeklaagd +als een Engelschen ketter, en de--Inquisitie--" Hier begeeft hem de +stem, er staan tranen in zijn oogen, ofschoon zij gloeien van een +wild vuur. "Dat was voor mij genoeg, om de Spanjaarden te haten en +mij ter beschikking van Koningin Elizabeth te stellen," zegt Guy, +na een pauze op somberen toon, "en als vrijbuiter in haar dienst, +kwam ik ook in het bezit van dit miniatuur." + +"Kunt gij mij ook zeggen," vraagt hij plotseling, het miniatuurportret +op ivoor, in diamanten gevat, te voorschijn halend, "wie de dame is, +die hierop staat afgebeeld?" + +"Oho!" lacht de schilder met een ondeugende flikkering in zijn +oogen. "Die vraag had ik verwacht, sinds gij mij verhaald hebt van de +dame in de barge. Gaf zij u dit? Is zij ook getroffen door Cupido's +pijlen?" + +"Wat bedoelt gij daarmee?" bromt de Engelschman, terwijl hij +verraderlijk bloost onder zijn verbrande huid. + +"Ik bedoel," lacht Antony, "dat gij een man zijt, die tot over de ooren +verliefd is. In uw verhaal over de gebeurtenissen van gisternacht +werd telkens door u gewag gemaakt van de 'godin in de barge', de +'schoone onbekende', het 'bevallige wezen in het nachtelijk donker', +de 'feeachtige vormen, die de duisternis niet geheel kon verbergen', +de 'stem zoo zoet als die van een engel', uw gansche wijze van doen +verried, dat zelfs de duisternis geen beletsel voor u geweest is, +om verliefd te worden op de dame, die gij gered hebt uit de handen +der Watergeuzen; en dat, ofschoon zij eigenlijk uw gevangene was, +gij de hare waart. Ging het haar als u? Is zij ook verliefd, dat zij +u haar portret gaf?" + +"Neen," antwoordt Guy, "ik geloof, dat ik verliefd ben geweest op +deze beeltenis, sinds ik die drie jaar geleden op zee veroverde." + +Dit antwoord brengt den schilder geheel en al in verbazing. Hij +mompelt: "Ik hield de Engelschen nooit voor een romantisch volk, maar +gij leert mij, dat de Italianen slechts stumperds zijn, vergeleken +met de eilandbewoners, waar het hartstocht betreft. _Verliefd op +een portret_?" + +"Ja; het kwam in mijn handen onder vreemde omstandigheden," antwoordt +de Engelschman, een weinig gemelijk, want de artist spreekt op een +schertsenden toon. "Op het eind van '68 speelde ik tennis in Londen, +toen de Koningin en haar eerste minister, Sir William Cecil, nu Lord +Burleigh, mij lieten roepen. De schatkist der Koningin was leeg. Vijf +Italiaansche schepen, die een leening van de Genueesche bankiers aan +Alva overbrachten, ten bedrage van achthonderd duizend zilveren kronen, +waren op weg naar Antwerpen--" + +"Ja," valt de ander hem glimlachend in de rede, "ik weet het--het geld, +waarmee de Hertog zijn troepen dacht te betalen--" + +"En waren in de haven van Southampton gedreven door kapers, afgezonden +door den prins van Condé, die op den uitkijk had gestaan, om den +schat te bemachtigen. De Spaansche ambassadeur had zich tot de +Koningin gewend en schepen gevraagd ter bescherming. Daar men met +Spanje in vrede verkeerde, moest men hem wel ter wille zijn, maar +Elizabeths schatkist was leeg, en zij werd geplaagd door rekeningen +van haar modiste en meer dergelijke vrouwenschulden en besloot dus, +zich den schat toe te eigenen. Cecil had om mij gezonden, omdat hij +wist, dat ik Spaansch sprak, en dacht dat ik de rechte man zou zijn, +om dat zaakje te beredderen. Men had den Spaanschen gezant reeds +verzocht, maatregelen te nemen voor het vervoer van den schat van +Southampton naar Dover over land, waar zich schepen der Koningin ter +bescherming zouden bevinden. Doch terwijl hij zijn toebereidselen +maakte, ontving ik de volgende opdracht: ik moest naar Southampton +gaan en den Franschen kapers tien duizend kronen aanbieden, als zij +hun positie voor de haven niet verlieten, zoodat de Genueesche schepen +niet durfden uitzeilen. Onderwijl won de Koningin inlichtingen in en +vernam, dat het geld geleend was door Italiaansche kooplieden. 'Als zij +Alva kunnen leenen, kunnen zij het mij ook doen,' dacht zij. Volgens +de persoonlijke aanwijzingen van de Koningin van Engeland maakte ik +mij meester van de achthonderd duizend zilveren kronen." + +"En dat maakte Alva bijna razend! Ik zie hem nog voor mij," lacht de +schilder, "op den morgen, dat hij het bericht ontving, in blinde woede +aan de beide punten van zijn baard rukkende. En van dat oogenblik af, +heeft hij uw Koningin gehaat en u niet minder, die hem dwong, den +Nederlanders zijn tienden penning op te leggen, om zijn troepen te +kunnen betalen. Doch wat heeft de diefstal der Koningin van Engeland +te maken met uw miniatuur-portret, zeg, vrijbuiter?" + +"Slechts dit," antwoordt Guy. "Het eenige, wat ik van het Genueesche +schip, toen ik het prijs maakte, voor mijzelven hield, was deze +beeltenis. Te oordeelen naar de aanwijzing op het pakje, waarin +het portret zich bevond, moest de dame, die het voorstelt, in de +Nederlanden wonen. Hoogst aangenaam was mij dus de persoonlijke +opdracht van Koningin Elizabeth, om naar hier over te steken en in +haar belang zeeroover te worden; wel wist ik, dat ik daardoor mijn +leven in de waagschaal stelde, maar ik wist ook, dat het mijn eenige +kans was, om ooit in werkelijkheid het gelaat te aanschouwen, dat ik +heb liefgehad van dien dag tot op heden. Noemt gij dat romantisme? Mij +goed! Maar zeg nu, wie zij is." + +"Wel," antwoordt de schilder, "mag ik u als antwoord een ander portret +laten zien?" + +"Van wien? Wat geef ik om portretten, behalve dit eene? Gij kunstenaars +denkt altijd aan kunst--ik denk aan vleesch en bloed, die winnen het +van kunst." + +"Winnen zij het ook van dit?" lacht Oliver, en het gordijn op den +achtergrond wegtrekkend, onthult hij een kolossaal altaarstuk, +onafgewerkt behalve de hoofdfiguur, de Madonna. Guy is een en al +verbazing, want het is de beeltenis van de vrouw, wier lippen hij +den nacht tevoren heeft gekust, wier miniatuur-portret hij in de +hand houdt; beurtelings staart hij nu van dit naar het prachtige +altaarstuk, op de figuur van de Moeder Gods. Het moet een werk zijn, +dat door de liefde geïnspireerd is. + +De Engelschman wordt vuurrood, daarna doodsbleek, en mompelt: +"Gij bemint haar dus ook!" terwijl hij zijn vermeenden medeminnaar +afgunstig aanziet. + +"Neen," antwoordt Antony, "ik bemin de dame niet, al bemin ik +mijn schilderij. Gij behoeft niet jaloersch te zijn, mijn waarde +Engelschman, de vrouw, die ik bemin, is veel meer dan deze een +wezen van vleesch en bloed--juffer Wilhelmina, dochter van den +oud-burgemeester Bodé Volckers. Haar blonde beeltenis staat op dien +ezel. Ik aarzel niet u mijn geheim toe te vertrouwen, zooals gij +mij het uwe deedt. Maar _dit_," hij kijkt teeder naar het doek, +"is een werk van liefde, liefde voor mijn kunst. Hierop heb ik al +mijn hoop gebouwd, om een naam in de wereld achter te laten. Als +ik mijn altaarstuk kan voltooien, eer de tijd komt, dat de hand, +die mij bedreigt, mij in haar ijzeren greep vermorzelt, hoop ik in +de herinnering te blijven voortleven--niet als de patriot, maar als +de kunstenaar!" + +"En, bij den hemel! dat zult gij," roept Guy uit, die natuurlijk niets +liever wenscht, dan aan de beeltenis van de vrouw, die hij liefheeft, +een onvergankelijken roem beschoren te zien, "want gij hebt niet alleen +een Madonna geschilderd, maar een godin, waardig de Moeder Gods te +zijn." Hier maakt hij eerbiedig het teeken des kruises en beschouwt +opnieuw het schilderstuk, dat zijn bewondering voorzeker ten volle +verdient, niet alleen om de liefelijkheid van het model, maar ook om +de oorspronkelijkheid van opvatting en den rijkdom van koloriet. + +In tegenstelling met het schilderstuk op den ezel, is dit altaarstuk +geschetst op een parelgrijzen achtergrond, de Madonna is de eenige +afgewerkte figuur, de beeltenis van Guy's beminde. + +Het meisje staat daar in maagdelijke schoonheid; haar blanke, +blauwgeaderde voeten rusten licht als die eener fee op een regenboog +van het zachtste zonlicht; de lijnen van haar lichaam bezitten reeds de +schoonheid der vrouw, maar zijn nog maagdelijk bevallig en teer; zij is +gehuld in een eng sluitend wit gewaad, waarover een lange azuren mantel +hangt. Op den blanken hals rust het gelaat van ongemeene schoonheid, +welks zachte en toch schitterende oogen, koraalroode lippen, wangen, +waarop rozen en leliën bloeien, Guy's hart ook nu weer zoo onstuimig +doen kloppen. + +Het geheel, vergoddelijkt door de groote ziel, die uit het aanminnig +gelaat straalt, verlicht door zonnestralen en vol van die wonderschoone +effecten van gouden licht en diepe, warme schaduwen, eigen aan de +school van den Venetiaan Tintoretto, is wel geschikt om Guy halfgek +van opgewondenheid te maken; want het is het levend, sprekend portret +van de vrouw, die hij liefheeft, maar toch weer niet geheel en al +aan haar gelijk. + +Want het schilderij geeft haar wisselende schoonheid slechts op een +enkel moment te aanschouwen, en den vorigen nacht heeft hij telkens, +als hij haar veranderlijke, beweeglijke, maar altijd edele trekken +beschouwde, een verschillenden indruk van haar gekregen, heeft hij +telkens een nieuwe bekoring in haar ontdekt. + +Hij roept ongeduldig den schilder toe: "Gij beantwoordt mijn vraag +niet. Gij laat mij alleen iets zien, dat mijn verlangen, om haar naam +te vernemen, nog meer moet prikkelen. Zeg mij, wie zij is!" + +Het antwoord, dat volgt, doet hem ontstellen en ontstemt hem +tevens. "Zij is," zegt Oliver langzaam, "het eenige wezen op aarde, +dat Alva liefheeft!" + +"Neen, neen, dat wil ik niet gelooven," brengt Chester met moeite uit. + +"Gij moet! Zij is het eenige wezen, dat hij aanbidt, het eenige +wezen, dat de onderkoning van Spanje ooit met een liefkoozenden +naam toespreekt." + +"Ik kan u niet gelooven," roept de Engelschman uit, zijn handen als +in doodsangst wringend. "Zij is te rein, om de beminde te zijn van +wien ook en het allerminst van dien duivel." + +"Zij is niet te rein," zegt de schilder langzaam, "om zijn dochter +te zijn." + +"Zijn _dochter_?! Alle heiligen in den hemel!" + +"Ja, Hermoine de Alva is de dochter van den Hertog. Haar moeder, +de gravin De Perugia, een Italiaansche dame van groote schoonheid, +stierf vier jaren geleden. Sedert dien tijd heeft de Hertog Dona +Hermoine bij zich genomen. Zij is de reinste, liefelijkste, edelste +bloem, die Spanje ooit naar de Nederlanden heeft gezonden. Zij bezit +even groote geestesgaven als haar vader, doch haar hart is even teeder +als het zijne wreed is. Toch is zij de dochter van Alva en daarom, +mijn Engelschman, vrees ik, dat uw liefde hopeloos is! Neem u in +acht! Uw broeder beminde een Spaansch meisje!" + +Guy antwoordt hierop niets. Hij is diep doordrongen van de waarheid +der laatste vernietigende opmerking van den schilder. Doch weldra +komt de Engelsche onversaagdheid weer bij hem boven en hij roept uit: + +"Bij den hemel! Welk een triumf, om datgene, wat hij het meest +liefheeft, aan Alva te ontrooven, om zijn eigen dochter, die hem +dierbaarder is dan iets anders ter wereld, tot de bruid te maken, +de geëerde en gevierde bruid van den man, op wiens hoofd hij drie +duizend Carolus-guldens heeft gezet,--den vrijbuiter,--den 'Eerste +der Engelschen'!" en hij barst uit in een spottenden, triumfeerenden, +maar hartelijken lach. + + + + + +HOOFDSTUK V. + +HET GEVAAR WORDT DREIGEND. + + +"Bravo!" roept de Vlaming uit, "bravo! Maar eerst moet zij u ook +liefhebben." + +"O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft," roept Chester uit, +den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht +voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse +gloed van de fakkel van Hymen. + +"Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte, +dat ik ook zoo was," zucht de schilder en vervolgt dan, zich +vermannend: "Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met +hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot +tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen +bankier in Londen." + +"O, wij zullen wel goed op hem passen," zegt Guy op dreigenden +toon. "Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om +onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord +van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten." + +"Waarom vertrekt gij niet terstond?" + +"Omdat," antwoordt de Engelschman, "gij mij de overzetting van +die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd +gemoeid zijn." + +"Volstrekt niet." + +"Waarom niet?" + +"Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u +eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in +Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen +mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin +Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan +de Nederlanden besparen." Dit zeggende, gaat de schilder zitten en +schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op. + +Daarna vervolgt hij: "Berg dat goed weg bij de brieven," en geeft den +sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: "Mij dunkt, +dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op +uw hoofd." + +"Ik ga niet vóór van avond," antwoordt Chester, bijna gemelijk. "Het +tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip--het zal mij dus niet +veel ophouden. Buitendien--" hier valt zijn oog op het spottend gezicht +van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: "Maar, voor den +drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten, +zonder haar nog eens gezien te hebben?" Hij wuift met de hand de +goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon, +hem niet alleen met hemelsche, doch ook--zoo denkt tenminste deze +vermetele jonge man--met aardsche liefde aanziet. + +"Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te +vragen?" spot de schilder. + +"Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb," merkt +Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te +laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven, +en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje. + +"En gij hebt hem nog niet geopend?" vraagt Oliver, den brief van alle +kanten bekijkend. + +"Zeker niet; hij is verzegeld." + +"Maar, mijn jongen," herneemt de schilder, "gij zet te veel op het +spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de +dame staat, eer gij haar weer ontmoet." En hij doet Guy schrikken, +als hij er bijvoegt: + +"Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog +in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet." + +"Een medeminnaar?" stamelt Guy. + +"Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo +gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou +bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van +gravin Hermoine de Alva--generaals en edellieden." Daarna vervolgt +hij op bevelenden toon: "Gij moet dezen brief openen. Het spel, +dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is +waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend +op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen." + +Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kan beletten, heeft Oliver +vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven +gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij +hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt. + +"Gij moet hem lezen," zegt hij. "Uw leven zoudt gij kunnen inboeten +door u te laten leiden door een overdreven eergevoel. _Lees hem_! Den +een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va +te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst. _Lees +hem_, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u." + +"Waarom niet?" vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om +het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft. + +"Omdat," zegt de schilder plechtig, "wij een spel spelen, waarbij ons +beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet +hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb, +als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen, +val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland +verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen +geeft. Lees!" + +Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen +door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de +oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd, +als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het +schoonste vrouwelijke handschrift: + + +"Lieve papa! + + +"Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero's +voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te +nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk +tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te +worden; doe het ter wille van uw liefhebbende + + +Hermoine." + + + +Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief +niet aan zijn vriend en mentor te toonen. + +"Bij Saint Denis!" roept Oliver uit, het briefje inziende, "ik geloof, +dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste, +en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft +verteld." En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij: +"Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als +gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw +welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn +even talrijk als windmolens." + +"En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen, +om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?" zegt Guy stoutmoedig, +het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend. + +"Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden," glimlacht de +schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: "Maar laat ik u +een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede, +hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint +dan alles ter wereld." + +"Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?" + +"Neen, duizendmaal neen!" + +"Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?" + +"Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens +trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn." + +"Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?" + +"Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij +heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen +zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat +Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker +der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!--een diamanten +halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit +haar omgeving van een aanbidder; want als zij 'neen' zegt, heeft +ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft +zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat +Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten, +edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is, +dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den +Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal +zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat +hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar +misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva's barmhartigheid. Als +gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u +niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt +voor des tijgers welp!" + +"Waarom noemt gij haar zoo?" roept Guy toornig uit. + +"Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe," antwoordt de schilder +weemoedig. "Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij +geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te +brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven." + +"Ah! zij heeft _hier_ voor u geposeerd?" + +"Ja, in het bijzijn van haar duena." + +"Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar +verschaffen." + +"Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet, +dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou +begaan, ook al aanbidt zij u--iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn." + +"Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik +wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij +zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker," +zegt Guy vol vertrouwen. "Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als +ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring," +en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de +hand van den schilder. + +"Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een +kus?" lacht Oliver; en als een gloeiende blos Guy's gelaat overdekt, +mompelt hij: "Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer +van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking +met den Engelschen." Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij: +"Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De +duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel +om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken, +gelukkig jongmensch--of beter, ongelukkig jongmensch--is een samenkomst +ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen." + +"Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?" roept Guy uit. + +"Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien, +die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar +duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva +afzonderlijk spreken." + +"Maar de duena--de fatale duena?" bromt Guy. + +"De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende +kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten +te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de +gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen +zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere +bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,"--hier +wordt de schilder rood van verontwaardiging,--"tusschen den man, +die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en 'de Zes +Drinkebroers van Brussel'. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren +van de herbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van +den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht, +den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man, +wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor +altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier +jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk +omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede +tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden +dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, 'de Val +der Engelen'; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden +zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het +nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden," +en Oliver zucht. + +"Dat is dus afgesproken," roept Guy uit, het verontwaardigd relaas +van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan +herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. "Nu wij met onze zaken +klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille +terug is met zijn proviand,--misschien wel een weinig duivenpastei, +hè?" en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want +door Antony's berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge +man in een vroolijke stemming gebracht. + +De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op +Guy's lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij +op den schilder heeft. Bij het woord "duivenpastei" wordt Oliver +doodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: "Wat +weet gij van duivenpastei?" + +"Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie, +het zoontje van Touraine, den barbier." + +"Wat zei hij van duivenpastei?" vraagt de schilder, wiens vreemde +wijze van doen Guy's aandacht trekt. "Spreek op, spoedig--ons leven +kan er van afhangen!" + +"Alleen dit," zegt de Engelschman, "dat hij zooveel duivenpastei van +u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij +nog,--ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,--dat hij +misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een +man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen." + +"Een man--zooveel duiven weggenomen--van hier!" stamelt Antony. Daarna +roept hij plotseling uit: "Dat verklaart mij waarom er geen brieven +van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,--geen duiven, die ze +brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn +God! Ik moet het weten." + +Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn +weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen +met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: "Ik kan niets +krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel +geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil +geven." + +"Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb," zegt +Oliver nadenkend. Dan schijnt hij plotseling een idee te krijgen, +want hij roept uit: "Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem +boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem +maken," met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend. + +"Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder," +antwoordt de jongen en vliegt de trappen af. + +"Ik moet hem ondervragen," mompelt de schilder. "Als dit waar is, +dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen." + +Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op +de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen, +uitroepend: "Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver's +duivenpastei!" + +"Ja zeker, duivenpastei!" roept de schilder, "duivenpastei! Maar wat +is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?" + +"Neen!" + +"Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok, +maar in de til--vliegende om de til?" De stem van den schilder klinkt +heesch--zijn oogen schieten vuur. + +"O ja, verscheidene, de twee laatste dagen," antwoordt de jongen. En +als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept +hij angstig uit: "Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u, +monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op +mijn woord van eerlijken jongen!" + +"Neen, hij heeft ze niet weggenomen," roept nu de kleine Marvédie; +"een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee." + +"Wanneer?" + +"Gisteren." + +"Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?" + +"O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn +schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor +hem te halen om ze in te stoppen." + +"Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine +Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" brengt Antony met moeite uit, +zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van +een doode. + +"Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de +schelvisch op de markt." + +"Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine +Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" en de schilder grijnst +afschuwelijk. + +"Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait, +als gij duivenpastei voor mij maakt," zegt de kleine jongen. + +"En waar was uw broer?" De stem van den schilder klinkt dof. + +"O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen," +zegt Achille. "Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest, +heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel +verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand +heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen." + +"Het is goed," zucht Antony, "hier is een gulden. Ja, haal daarvoor +duiven!" Hij lacht droevig. "Wij willen toch duivenpastei hebben." + +De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit +als krijt en hij stamelt: "Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand +heeft mijn geheim ontdekt." + +"Welk geheim?" fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend. + +"Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van +Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het +welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift, +zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van +tijd--Ik ben een verloren man, ja, nog erger--ik ben een gemartelde! O +mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!" en +de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en +blauwe lippen. + +"Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft," zegt +de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar +voor Oliver gelijkstaat met gevaar voor hemzelf. + +"Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van +geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder +de schrijvers van den Hertog. Ik--ik was den geheelen morgen +reeds niet op mijn gemak. Toen ik--ik hier aankwam, dacht ik de +duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik--de +reden. Zes! Zes brieven--waarvan elk op zichzelf voldoende is om +mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!" kreunt de schilder, +zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden. + +"Zes! Zes duiven!" herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: "Kent gij +een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef, +en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?" + +"Mijn God!" roept de schilder uit, "zeker! Hij, dien gij daar +beschrijft, is Vasco de Guerra--mijn vijand! Hij--heeft--heeft de +brieven!--Wat bracht u op die gedachte?" + +"Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond 'de Zes Drinkebroers +van Brussel', die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag +met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven, +die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van +een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende +zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn +kameraden een groot feest te geven." + +En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht +zag en hoorde bij het drinkgelag van "de Zes Drinkebroers van Brussel" +in _Het Geschilderde Huis_. + +"Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim +bezit,--hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken, +want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk, +die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger +is weggejaagd,--bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den +soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen +en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun +officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt +weggejaagd? Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand +van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier, +Wiarda Schwartz, omgekocht." + +"Ah, zoo!" merkt Guy op. "Daarom behandelde zij mij zoo beleefd, +toen ik naar u vroeg." + +"Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen, +wij moeten handelen--en dat wel spoedig," antwoordt de schilder, die +zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. "Vasco +vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds +eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij +zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan +vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich." + +"In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen," zegt +Guy. "Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in +ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien +meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje +met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den +stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen +haan naar kraaien." + +"Neen," zegt de schilder, "dat zou ons in verdenking brengen. Misschien +kan ik iets beters verzinnen," en hij spant zijn vindingrijk brein in, +zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit: +"Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van +'de Zes Drinkebroers van Brussel' onder de tafel drinken, bewusteloos, +levenloos. In de verwarring kunnen wij den benevelden Vasco naar een +andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem +de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen." + +"Maar als Vasco eens wint?" + +"Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan +eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen." + +"Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet +doet," zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij: +"Misschien kan ik u helpen, ik heb hier...." hij haalt uit zijn +wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat +beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop +zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend. + +"Wat is het? Vergift?" vraagt de schilder. "Het vergift van de +Borgia's?" + +"Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den +manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens +een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie +maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den +dood. Het vergift is zeer vluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik +draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen +en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn +lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als +het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de +tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn +beker hem voor altijd doen inslapen." + +"Dus als Frans Floris niet slaagt,--het vergift van de Antillen," +prevelt de schilder. "Het geldt zijn leven of het onze." Na een +oogenblik nadenken vervolgt hij: "Neen, ik moet Vasco de Guerra, +mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd +gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug, +zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een +ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood, +zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion +meer in Alva's nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf +ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend." + +"Dat is flink gesproken," antwoordt Guy kortaf. "Doe een weinig van +dit in den wijn van den Spaanschen spion." + +Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand, +doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: "Maar, bij alle +heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker +te doen, en niet in de bekers van de anderen?" + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +HET DRINKGELAG IN HET GESCHILDERDE HUIS. + + +Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt +weifelend: "Hoe?" en zegt dan: "Laat mij even nadenken. Ik ken de +gebruiken van dit land," en hij overlegt in zichzelven met gefronste +wenkbrauwen. + +Na een oogenblik peinzens roept hij uit: "Ik heb het probleem +opgelost." + +"Hoe?" vraagt de Engelschman levendig. + +"Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het +feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers +hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun +complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle +Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang +zijn. Na het tiende rondje,--het zou niet voorzichtig zijn, het +eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot +na het vijftiende,--zal ik hem een beker wijn zenden met _dit_ er in, +het vergift van de Antillen," hier klopt hij op het fleschje, dat de +Engelschman hem gegeven heeft, "met de complimenten van Wilhelmina Bodé +Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap, +niet weigeren, en daarna--daarna--zouden gij en ik," hij fluistert +het laatste, "mijn beste Guido,--in ieder rustig, gelukkig, vredig +land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen, +gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak." + +Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van +menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun +voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen. + +"Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk +niet, dat De Guerra reeds is opgestaan," zegt Guy, "maar ik zal op +hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons +geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit +te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in +dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken +en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor +mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde." + +Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de +schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg +het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst, +terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich +van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit +verlaat, in het bereik van zijn hand is. + +Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt +den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd +alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag in +_Het Geschilderde Huis_ moet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich +door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het +ruimere, het schoonere gedeelte van de stad. + +Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend: +"Verlies Vasco niet uit het oog." + +"En gij bezorgt mijn boodschap?" antwoordt de Engelschman. + +"Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona +Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet +hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou +doen weten," antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande, +waarachter de Citadel ligt. + +Chester begeeft zich opnieuw naar _Het Geschilderde Huis_, dat nu +het tooneel is van veel leven en beweging. + +De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan +veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit +oogenblik de overhand heeft over zijn liefde. + +Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te +weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den +morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening, +dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen +strijd, die hem wacht. + +Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het +aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen +zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen +om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat +gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers, +met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris' leven +vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken +altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris' dood daarentegen zou hun +groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd +zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat, +om zijn mededingers onder de tafel te werken. + +"Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag," merkt een dikke +burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als +een brouwer doet kennen. + +"Ja," antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak +en opvoeding. "Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven, +om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde +levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook +voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was +een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht +Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak +over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd +jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt, +omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden." + +"En heeft het hem bekeerd?" spot de ander. + +"Hem bekeeren!" roept Dirk Coornhert uit. "Neen, hij zwoer, vandaag +te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer's geest en +hij lachte mij in mijn gezicht uit: 'Als ik dronken ben, dan ben ik +gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben, +zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.'" + +"Vervloekt! En ik ben er ook een," bromt de brouwer. "Twee duizend +Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die +het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die +verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand, +en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen +dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen +den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet +vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En +dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was." + +"Ja, zij heeft hem geruïneerd," mompelt de drukker. "Het is juist +iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel, +wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers +zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien +onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt, +dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren, +en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij +speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge +gillende tonen als zoo'n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden +veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van +zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij +zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde +en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem +op meer dan een millioen kronen taxeert." + +"Alle duivels!" valt de brouwer uit, "wat beteekent een millioen of +zelfs twee millioen kronen in dezen tijd--het is enkel maar zooveel +meer voor dien vervloekten tienden penning!" + +"Ja, God sta ons bij," stemt de drukker toe. "De tiende penning zal +alles verslinden, wat wij nog bezitten." + +En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch +bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist +zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt, +dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende +van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale +dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent +natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele +inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in +Brabant, Vlaanderen en Holland. + +Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid +te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren +van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden +rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij de burgers op +de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere +gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn +helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen; +want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog +vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,--edelman zoowel +als boer, koopman zoowel als visscher. + +Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de +vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje +op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder +kloppend, roept hij uit: "Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op +de Drinkebroers van Brussel." + +"Dat is niet heel ridderlijk," zegt Guy, "zes drinkebroers tegen +één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een +beker met mij te drinken." + +"Gracios, senor capitan," antwoordt de jonge officier, en weldra +zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap. + +"Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen," merkt de Spanjaard op, "voor +de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien +en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning, +mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als +hij het niet doet,"--hij kijkt woest in het rond,--"zijn wij van plan, +ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier +is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het +grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen +en hun goederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor +hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!" + +"God zij hun genadig," denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond +laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke +"Spaansche furie", die een paar jaar later in Antwerpen zal +uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek, +zeggende: "Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik +heb nog een paar goudstukken in mijn zak!" en hij roept: "Jongen, +nog een kan wijn!" + +Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard +vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den +grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft, +dat "de Zes Drinkebroers van Brussel" een list hebben bedacht om +hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als +capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder +moet zetten. + +"Zij zullen winnen, mijn jongen," lacht de vaandrig. "Ik heb zelf +gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier +vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt +geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven," hij +wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer, +"en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden, +behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is +De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit, +dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik +denk, dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons +regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op +aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik," en vaandrig De +Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren +aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij +heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt. + +Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist, +die bij hem komt en fluistert: "Ik heb uw boodschap gedaan." + +"Zij komt natuurlijk?" + +"Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo +ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele +boodschap durfde overbrengen." + +"En toen?" vraagt Guy ongeduldig. + +"Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid +noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht +om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt." + +"En vervolgens?" + +"Toen zeide zij op onverschilligen toon: 'Ik zal vandaag om drie uur +bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza, +heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den +koopman nog eens te zien dansen.'" + +"Niets anders?" vraagt Guy teleurgesteld. + +"O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk +eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en +de zijden en fluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te +bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita +Wilhelmina. 'Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?' lachte +zij, 'en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij +mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?'" Hierop, +zegt Oliver met een glimlach, had ik de stoutmoedigheid te antwoorden: +"Misschien blijf ik dan toch in de familie," en verliet ik haar, +zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield. + +Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer, +die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had +toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk. + +En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: "Ik zag +Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den +naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man, +of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan, +behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te +scheiden," valt hij zichzelf in de rede, "of men zal u nog houden voor +een van 'de Zes Drinkebroers van Brussel', en wij hebben gewichtiger +dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan +zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen +heeft." En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de +kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen +het wapen van Brussel op hun wambuis dragen. + +Als de Guerra's oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een +glimlach van wreeden triomf in, en met een vlugge, misschien onbewuste +beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te +verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft. + +"Ziet gij die beweging?" fluistert Guy tot Antony. "Die brieven +zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet +te krijgen!" + +"Dat zal ik," zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand +licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het +vergift der Antillen nog in zijn bezit is. + +En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote, +geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen +worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven +wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken +met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat +zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken. + +Een oogenblik later klinkt luide de kreet: "Hij is gekomen!" en +de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt, +den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes +zijner leerlingen. + +Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek +met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd +met schilderstukken en fresco's, waarvan sommige door den aan het +drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn. + +In het midden staat een groote eikenhouten tafel, met stoelen voor +zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om +den dorst op te wekken,--zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie +gedoopt,--alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een +menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel +is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en +barbaarsche losbandigheid. + +Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door "de Drinkebroers van +Brussel". Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder +dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen +zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt, +zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van +gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen. + +De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man, +die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen; +het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten +slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van +vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder +de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de +gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke +ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den +vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den +gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;--ja +zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de +beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meester te komen, +terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de +fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt. + +"Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver," roept +hij. "Dat wil zeggen, een gedeelte van mij--een van de officieren heeft +mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten +doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de +klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik--ik kon niet eerder +komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei." + +Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich, +dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt, +zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een +vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend: +"Welkom, broeders slampampers van Brussel!" en neemt plaats aan het +hoofd van de tafel. + +Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die +zegt: "Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen." Een middeleeuwsche +geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon +Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt--doch +slechts voor een oogenblik. + +Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat +de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een +enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn +liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij +de achting van zijn vrienden en stadgenooten verspeelt. Opstaande +van zijn stoel, roept hij uit: "Laat ons beginnen, Drinkebroers van +Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink +u allen onder de tafel en laat u daar liggen." + +"Dat zijn de bepalingen, senor Floris," antwoordt De Guerra met +een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn +plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand +met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt. + +"Nu, daar gaat hij dan!" schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie +naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept. + +Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd +van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers +ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: "Nogmaals!" + +Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen +zij zich weer op de spijzen,--want met dronkenschap gaat gulzigheid +gepaard. + +Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op +wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De +opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en +Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de +stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van +Bacchus, als dit tweetal. + +Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend +naar binnen,--zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes +en kruimels,--en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwen op de +groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten; +en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen +aan de verschillende deelnemers. + +Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde +oogenblik--ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om +den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner +gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer. + +Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen, +de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen +van de dronkaards. + +"Bij de vijftiende bokaal," fluistert Oliver. + +"Waarom nu niet?" zegt Guy vlak aan zijn oor. + +"Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende," antwoordt +de schilder. "Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden +kunnen doen." + +Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt +een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa, +als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel. + +"Doe het nu," fluistert Guy. + +"Ik durf niet--nog niet," antwoordt Oliver. + +Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De +Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver's gelaat krijtwit +en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man, +dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje, +nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt. + +"Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt," stamelt Antony. + +"Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit +is," fluistert Guy, die zich het eerst herstelt. + +"Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco's +achterdocht is gaande gemaakt,--de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten +vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer +kunnen arbeiden." Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn +witte lippen. + +Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte; +bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers +van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met +den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt +glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en +opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet +zoo heel vast meer op zijn beenen. + +Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden +onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de +dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer +van de hoofdstad. Guy,--die het hoofd heeft afgewend en enkel op de +gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van +zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal +winnen,--voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend, +het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen. + +"Hij komt weer bij!" fluistert deze. + +"Wie?" + +"Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap +winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende +eenige bekers bij Floris ten achteren te komen." + +Dat is ook het gevoelen van Floris' vrienden; en als De Guerra nog +wankelend uitroept: "Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van +Brussel," komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon. + +Maar De Vriendt zegt: "Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers +voor en speel het toch wel met hem klaar." + +Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken +wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel +was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen +over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach +van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte +Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk +wordt,--woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel. + +Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen. + +"Nu is het uw laatste kans," fluistert Guy. + +Een bediende roepend, zegt Antony: "Een beker van uw zwaarsten +Rijnwijn, maar spoedig." + +Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het +volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander +door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is het oogenblik +om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen. + +Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten, +gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder, +die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met +zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt +een gedeelte van het sterke vergift in den beker. + +"Geef hem vooral genoeg," fluistert Guy, die voor zijn vriend is +gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo +groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,--daar er +weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,--dat het +niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen +niet genomen. + +Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop +reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met +het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen +der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: "Breng dit +aan den Spanjaard Vasco de Guerra." + +"Ja." + +"Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze +vlok er in!" + +"Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!" + +"Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle +Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!" + +Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor +een nieuw rondje, de Spanjaard steviger op zijn voeten dan de andere, +want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille +naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand +voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos +van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt. + +Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco +de Guerra uit: "Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn +knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!" + +En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een +lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger +kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want +de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer +op zijn beenen staan. + +"Vervl ...," fluistert Oliver. "Het vergift werkt niet." + +"Wacht maar," antwoordt Guy. + +Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze +spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn +neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken. + +Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen +nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft. + +Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op, +Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn +voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden. + +"Drink!" zegt De Guerra, en de schilder werkt met moeite zijn portie +naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot. + +"Let nu op, hoe ik het doe!" en Vasco neemt vlug, bedaard en +zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der +omstanders, die op hem gewed hebben. + +Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil +brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering, +zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend +op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof +hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de +lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen, +terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris +hebben gehouden. + +Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend, +zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche +lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes +leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij +uit: "Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard van _Het +Geschilderde Huis_!" en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat +hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer +voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend, +naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn +overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte, +dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken, +en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen. + +De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht +meer aan "de Zes Drinkebroers van Brussel", behalve misschien een +enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost, +een paar schoppen geeft. + +Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar +ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen. + +Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en +er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje. + +Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het +bekijkt: "Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!" + +Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer +en prevelt: "De spion is dood!" En de Vlaming haalt verruimd adem,--een +van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood +van De Guerra afgewend. + +De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: "Uw komst +ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,--tenminste voor +een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!" + +Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn +gekomen, neemt Oliver's gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan +en hij fluistert: "Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst +vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen +gebracht?" + +Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen +wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas +wappert. Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange, +magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche +wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van +het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die +orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk +zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde +punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar +is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt; +de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de +onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is +hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent +er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek, +forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek +en aschkleurig,--het geheel vormt een gezicht, koud als de dood, +waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen; +en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de +trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy's hart +den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen +oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: "Alva!" + +De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto, +zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen +zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit. + +Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn +scherpe oogen uit de hoogte op de menigte neer, die hem met den hoed +in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept: +"Oliver! Antonius Oliver!" en de schilder, naar voren tredend, buigt +voor het strijdros van den Hertog. + +"Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een +zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono's regiment musketiers, +voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen, +ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever +dadelijk zelf naar de Citadel," beveelt de landvoogd. + +"Met verlof,--Uwe Hoogheid," antwoordt Oliver, "de man--de man, +naar wien gij vraagt--" + +"Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?" zegt de Onderkoning, want de +onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den +schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders +ook is. + +"Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort +tot 'de Zes Drinkebroers van Brussel', nu smoordronken in de herberg +ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt." + +"Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!" zegt +Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er +van siddert: "En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen +in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling +doen,--waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,--wat +mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den +provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstond in arrest neemt. Ik +wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,--dien zot, +dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij +heeft te zeggen.--Voorwaarts, heeren!" + +En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos +latende staan, als het lijk in _Het Geschilderde Huis_; want Oliver +weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer, +en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: "Brr! De beul +heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!" + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +ALVA'S DOCHTER. + + +"Ja, het was juist op tijd," fluistert de Engelschman, eveneens een +zucht van verlichting slakend. Daarna werpt hij een haastigen blik +op de groote Hollandsche klok in de gelagkamer, die langzaam tikt. + +Als hij dit opmerkt, begint de schilder te lachen. "Het zien van den +vader doet u naar de dochter verlangen, hè? Maar ge zult nog een half +uurtje geduld moeten hebben, mijn ongeduldige minnaar. Buitendien heb +ik vandaag nog niets gegeten. De provoost-geweldige moet maar wachten, +tot ik verzadigd ben. Neem deel--aan mijn diner." + +Nadat zij hun verlangen aan een vluggen knecht hebben kenbaar gemaakt, +nemen zij plaats, om een haastigen en toch gezelligen maaltijd te +houden, met een vredig en voldaan gevoel, want deze jonge mannen zijn +zóó gewend aan gevaar, dat iedere korte pauze in hun aanhoudende +worsteling met den dood hun een kalme, rustige en genoeglijke tijd +toeschijnt. + +Terwijl hij eet en drinkt, werpt Guy nu en dan een afgetrokken blik +naar buiten; er gaan een menigte menschen over de Schoenmarkt. Deze +menigte heeft een schilderachtig aanzien door de bonte mengeling +van kleederdrachten, want bijna alle natiën der wereld zijn hier +vertegenwoordigd. Antwerpen is op dit oogenblik het middelpunt van +Noord-Europa en de grootste handelsstad van de wereld. + +Op de rivier liggen schepen, die ladingen innemen, bestemd voor de +Indien, Oost en West, zelfs voor de ver verwijderde stranden van Peru +en de Kaap de Goede Hoop; andere, die terugkeeren uit de Oostzee en +de Middellandsche zee, worden gelost, en dientengevolge verhoogen +zeelieden en bezoekers uit alle bekende deelen van den aardbol de +levendigheid van het tooneel. + +Vreemd genoeg, ziet men op dat tijdstip geen Engelschen in Antwerpen; +want sinds Elizabeth de achthonderd duizend kronen van Alva roofde, +heeft de Hertog allen handel met Groot-Brittannië verboden en beslag +gelegd op alle Engelsche bezittingen in de stad, en alle Engelschen, +die te Antwerpen woonden, of er zaken deden, vandaar verdreven; +en vroeger hielden er zich een groot aantal op en was de Engelsche +wolhandel een voorname bron van inkomsten voor de stad. Juist nu +heeft Antwerpen zijn toppunt bereikt, waarvan het spoedig, tengevolge +van de afpersingen, de belastingen en de tyrannie van den Spanjaard, +zal dalen tot een handelsstad van den vierden rang. + +De burgers echter, ofschoon lijdende onder den druk, vermoeden +daarvan nog niets, en de kooplieden gaan lachend over de straat, zich +beschouwende als vorsten op een handelstroon, die nooit kan wankelen. + +De totale afwezigheid van Engelsch bloed en Engelsche gelaatstrekken +zouden Guy in het oog doen loopen, als er niet verscheidene Deensche +officieren van De Billy in de stad waren, bij sommigen van welke +men eveneens het blonde haar en de blauwe oogen van het Saksische +type opmerkt. + +"Nu moet ik Alva's bevel aan den provoost-geweldige +overbrengen. Gelukkig is zijn bureau niet ver van hier. Wacht op mij, +ik ben in een kwartier terug. Gij behoeft niet zoo ongeduldig naar +de klok te kijken," zegt Oliver lachend. + +Maar Guy kijkt niet naar de klok. Zijn oogen zijn gevestigd op een +man in de kleederdracht van een Zeeuwschen handelaar, die zorgvuldig +zijn schildpadden bril afveegt en daarna het plakkaat leest, dat een +belooning uitlooft voor het hoofd van den "Eerste der Engelschen". Als +de Zeeuw zich omkeert, is de Engelschman er zeker van, dat hij hem +meer heeft gezien. + +Een oogenblik later meent Guy, dat de man hem ook herkent; ofschoon +hij het hoofd afwendt, houdt hij hem toch in het oog en merkt op, +dat deze van zijn kant hetzelfde doet. + +"Laat mij meegaan naar den provoost-geweldige," fluistert hij +Oliver toe. + +"Gij--wilt _daar_ heengaan?" brengt Antony verwonderd uit, zijn oogen +wijd openend. + +"Ja," antwoordt Guy. "Er is hier een man, die mij herkent en ook +bekend is geworden met de waarde van mijn hoofd. Als hij mij volgt, +zal ik hem een poets bakken." + +Als zij zich op weg begeven, Oliver met een heel ernstig gelaat, +ontmoeten zij den kleinen De Busaco, die met groote passen naar hen +toe komt en buitengewoon hartelijk wordt verwelkomd door Chester, daar +deze niet ten onrechte meent, dat intimiteit met Spaansche officieren +de achterdocht van den man, die hem bespiedt, misschien zal verdrijven. + +"Gij zijt in goed gezelschap, zie ik, Amati," zegt de kleine +vaandrig. "Wees zoo goed, mij voor te stellen aan den ondersecretaris +van den Hertog." + +En als dit gedaan is, vraagt de jonge Spanjaard: "Waar gaat gij heen?" + +"Naar den provoost-geweldige." + +"Dan ga ik mee," herneemt De Busaco. "Ik moet daar toevallig +ook wezen. Ik zou gaarne verlof hebben, om vanavond in de stad te +blijven. Een Vlaamsche schoone, gij begrijpt me!" en hij strijkt zijn +knevel krijgshaftig in de hoogte. + +Als zij samen hun weg vervolgen, begint De Busaco, die zich +blijkbaar om die reden bij hem heeft gevoegd, Oliver uit te hooren, +welke vooruitzichten er bestaan op een spoedige betaling van de +achterstallige soldij voor het garnizoen van Antwerpen; of hij iets van +de plannen van den Hertog weet; of de tiende penning geregeld inkomt, +enzoovoort; zijn verliezen bij het drinkgelag hebben klaarblijkelijk +zijn belangstelling in die zaak nog aanmerkelijk verhoogd. + +Guy let hier echter weinig op. Hij is geheel oog en oor om te +ontdekken, of de Zeeuw hen volgt. Op de Schoenmarkt is het zóó druk, +dat dit moeilijk valt uit te maken, maar als zij de Kammestraat zijn +ingeslagen, de herberg _De Roode Leeuw_ voorbij zijn en de nauwe +steegjes, die naar de voornaamste waterpoort van de stad leiden, +waar het bureau van den provoost-geweldige zich bevindt, wordt de +menigte minder talrijk, en als Guy zich even omkeert, ziet hij den +man dicht achter zich. + +Deze volgt het drietal tot aan de poort, doch blijft als versteend +van verbazing staan, als hij Guy en Oliver, vergezeld door den +Spaanschen officier, het bureau van Alva's provoost-geweldige ziet +binnentreden, op de deur van welk gebouw de belooning van drie duizend +Carolus-guldens is aangeplakt. + +"De Busaco," merkt de Engelschman op, terwijl hij aan de deur blijft +stilstaan, "ziet gij ginds dien Zeeuw?" + +"Ja." + +"Wilt gij een klein sommetje verdienen, als schadeloosstelling voor +uw achterstallige soldij?" + +"_Santos_! Wat graag!" + +"Roep dan een paar soldaten en neem hem gevangen. Hij woont in de +weerspannige gewesten, te Vlissingen. Ik geloof dat de Raad van +Beroerten op hem loert." + +"Een belooning!" roept de kleine Spanjaard uit, en de wachtkamer +binnenstormend, met verwaarloozing van alle militaire vormen, +schreeuwt hij: "Gauw, gauw, een paar man tot mijn assistentie,--er +is wat te verdienen!" + +Twee Spaansche soldaten komen ijlings naar hem toe, hij snelt met +hen de straat op en achtervolgt weldra, zoo snel als hij kan, den +Zeeuwschen koopman, schreeuwend: "_Heretico fugitivo!_" en andere +woorden van dolle woede, welke den persoon in quaestie beenen doen +maken, met het gunstig gevolg dat deze, die goed den weg weet in de +stad, zich kan verbergen in een van de blinde sloppen van dit kwartier +en den kleinen Spanjaard ontsnapt, wiens hooge, wijde laarzen juist +niet bevorderlijk zijn aan zijn vlugheid van beweging. + +"Ik kon hem niet inhalen," klaagt De Busaco, als hij vijf minuten later +buiten adem terugkomt, aan Guy, "maar ik zal hem in het oog houden." + +"Doe dat; de belooning zal u uw achterstallige soldij doen vergeten," +merkt Guy op, als Oliver terugkeert, nadat hij met den kapitein van +de wacht alles heeft afgesproken voor de arrestatie van De Guerra. + +"Ik denk," lacht Chester, als hij en Oliver hun weg vervolgen (want +zij hebben den vaandrig bij den provoost-geweldige gelaten), "dat +die snuiter uit Zeeland wel geen haast zal maken, zich aan een der +wachthuizen in de stad aan te melden, om inlichtingen omtrent mij te +verschaffen. En nu, na gevaar--" de uitdrukking van zijn gelaat geeft +zijn bedoeling te kennen aan den schilder, die zijn woorden aanvult +met: "Liefde!" + +De twee vrienden gaan nu weer door de Kammestraat over de Schoenmarkt +naar de Place de Meir, waar het deftige huis van Bodé Volckers ligt, en +als zij er binnentreden, bevinden zij zich weldra in tegenwoordigheid +van een koopmansfamilie uit dien tijd. + +Guy is echter een weinig teleurgesteld, als hij, de verwulfde +koetspoort doorgaande, geen equipage op het binnenplein ziet staan. + +"Wees niet ongeduldig, het is beter, dat wij de eersten zijn, dan +kan ik alles voor de inkoopen regelen, eer Dona de Alva met de Gravin +komt," zegt de schilder. + +Oliver gaat Guy voor met de familiariteit van den vriend des huizes en +klopt aan een zijdeur aan den overkant van het binnenplein, die bijna +onmiddellijk wordt geopend door het dienstmeisje van den vorigen avond; +de kamenier Wiarda is zeker ergens anders bezig. + +Zij worden regelrecht geleid in een vertrek, dat blijkbaar de +huiskamer is. De leden van het gezin,--bestaande uit den koopman +zelf, zijn zoon Jacob, een jongen van zestien jaar, die pas de +school voor het kantoor heeft verlaten, en zijn dochter Wilhelmina, +wier zijdeachtige blonde krullen en vroolijke blauwe oogen zulk een +diepen indruk hebben gemaakt op Olivers hart,--voeren blijkbaar een +klein dispuut, want hun stemmen klinken luid en schel. + +De oude heer, een energieke maar corpulente Vlaming, met het type +van een rijk koopman, is zeer opgewonden. Zijn wangen zijn rood +van drift. Ook in de blauwe oogen van de jonge dame flikkert toorn, +ofschoon zij min of meer omfloerst zijn door ingehouden tranen, en een +der hoeken van den fijn besneden mond trilt zenuwachtig. De jongen +schijnt, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd zouden doen, +zich te vermaken met de woordenwisseling tusschen zijn vader en zijn +zuster, want zijn blond Germaansch gezicht heeft moeite om een lach +te weerhouden. Als hij durfde, zou hij het uitschateren van pret. + +"Zoo, Oliver," roept de koopman uit, hem te gemoet komende met +uitgestoken handen, "terug van Brussel! Dat was maar een kort +uitstapje!" en hij verwelkomt den schilder, los en gemeenzaam, als +een vriend des huizes. + +Juffer Wilhelmina daarentegen groet Antony op deftige Spaansche wijze, +en steekt haar beminde de blanke vingers toe, hem verlof gevend, +ze te kussen. + +De jongen giegelt alleen: "Hoe gaat het u?" + +"Ik ben zoo vrij geweest, een vriend mee te brengen, kapitein Guido +Amati van het garnizoen te Middelburg," zegt de schilder. + +"Een vriend van u, Oliver! Welkom,--welkom in mijn huis," zegt Niklaas +met Vlaamsche gastvrijheid, Guy hartelijk de hand schuddend. + +"Kapitein Amati is een kennis van Dona Hermoine, en als secretaris +van den Hertog--" + +Het is onnoodig, meer te zeggen; als hij den naam van de dochter van +den Onderkoning uitspreekt, is juffrouw Wilhelmina ook aanstonds een +en al voorkomendheid en houdt hem haar slanke vingers toe voor een +Spaanschen groet. Guy weet nu ook wat hem te doen staat, hij vergist +zich ditmaal niet en drukt een kus op de blanke hand, waarvoor hij +misschien wel wat veel tijd neemt, naar Oliver's meening. + +De koopman, op en top de eenvoudige Vlaming, roept nu uit: "Stoelen, +Wilhelmina; stoelen voor de heeren!" + +"Vader," antwoordt het meisje op hoogen toon, "gij vergeet, dat wij +lakeien in huis hebben," en na een tafelschel in beweging te hebben +gebracht, beveelt zij den binnentredenden bediende, den cavaliers +stoelen te geven. + +"Oho! nog meer vreemde kuren!" spot de oude heer op scherpen toon, +blijkbaar het gesprek weer opnemend, waar het was afgebroken. "Vergeet +den Vlaamschen eenvoud niet, mijn dochter. Ofschoon uw vader een +millionnair wordt genoemd, kon hij wel eens niet lang meer een +millionnair blijven, tengevolge van dien verwenschten tienden penning," +voegt Niklaas er aan toe, op de tanden knarsend. + +"Gij komt van Brussel, senor Antony," valt de jonge dame hem in de +rede, de Spaansche wijze van aanspreken navolgend. "Daar hebt gij +zeker, als onder-secretaris van den Hertog, de hertogin van Aerschot +ontmoet. Zij komt vandaag in Antwerpen en geeft morgenavond een +partij. Gij komt er natuurlijk ook, kapitein Amati, en gij eveneens, +senor Oliver?" + +"Ik moet ongelukkig Antwerpen vanavond alweer verlaten," antwoordt Guy. + +"En onder-secretarissen en herauten worden niet uitgenoodigd," merkt +de schilder op, die zich klaarblijkelijk met hun uitsluiting volstrekt +niet kan vereenigen. + +"Maar gij zijt toch zeker uitgenoodigd, freule Bodé Volckers?" vraagt +Guy. "Uw dansen wordt, naar ik hoor, zeer bewonderd." + +"Natuurlijk," antwoordt de jonge dame achteloos. + +"Natuurlijk _niet_!" roept de Vlaamsche vader uit met het air van +een Romeinschen. + +"Papa!" + +"Wel vermaledijd! Denkt gij, dat ik u nogmaals zal toestaan, jonge +dame, mijn koetspaarden tot laat in den nacht buiten te laten wachten, +zooals gisteravond, zoodat zij 's morgens voor den vrachtwagen in slaap +vallen! De gravin van Mansfeld gisteren en de hertogin van Aerschot +morgen, en gij niet vóór het middagmaal uit uw bed! Mijn bedienden +spelen den baas in huis; gij houdt sinds weken uw huishoudboek niet +meer bij. Spreek mij niet tegen, dametje, ik heb uw huishoudboek +ingekeken, niets opgeschreven,--niets opgeschreven,--geen greintje +handelsgeest! Maar laat ik u zeggen," voegt de oude heer er aan toe, +"dat als zoo iets weer gebeurt, gij voortaan om acht uur beneden +zult zijn, om de vrouwelijke klanten in den winkel te bedienen," +en hij wijst naar het gedeelte van het huis, waar het magazijn zich +bevindt. "Onthoud dat!" + +En zijn woede verder opkroppend, zegt papa Bodé Volckers Guy en Oliver +vaarwel met de hatelijke opmerking, dat hij de zaken wel moet nagaan, +als niemand anders in huis het doet, en neemt den giegelenden jongen +met zich. + +"Papa is heel zonderling. Een dergelijk gesprek begint altijd met den +tienden penning," merkt de jonge dame ernstig op. Dan vervolgt zij, +half zuchtend, half lachend: "Wij hebben dat bijna iedere week, +ofschoon niet altijd in het publiek. Hij zal zoo aanstonds wel +terugkomen," en zij begint verschrikt en zenuwachtig te lachen, als +de oude heer haar profetie vervult, door zijn hoofd door de deur te +steken en te roepen: + +"En den Franschen kakkerlak, die u leert uw voeten in de lucht +te gooien, heb ik vanmorgen met ceintuur, halskraag en al de deur +uitgesmeten!" + +Dit bericht blijkt echter te veel voor de zelfbeheersching der schoone +Wilhelmina. Met een kreet van schrik springt zij op. "O papa! Arme, +lieve, kleine monsieur de Valmy!" en de tranen springen haar in +de oogen. + +"Ja, en de muziekmeester, die vent, die op het spinet speelt, zal +hem volgen. Niets meer van al die malle bokkensprongen, niets meer +van al die halve trillers en dat hooge Italiaansche gegil," bromt de +oud-burgemeester. "Denk aan den tienden penning! Op een goeden dag +zal ik zelf nog muziekmeester moeten worden," en onder het uiten van +die buitensporige profetie verdwijnt Bodé Volckers naar zijn kantoor. + +Maar dit is iedereen te kras. Allen beginnen te schateren, juffrouw +Wilhelmina het hardst, steeds uitroepend: "Muziekmeester! Daar is +hij juist voor in de wieg gelegd! Halve trillers en gegil!" + +En terwijl zij plaats neemt voor het spinet, begint zij glimlachend +een Provençaalsch liedeke te zingen, met zooveel natuurlijke gratie, +dat beiden, Oliver en Guy, eenstemmig verklaren, dat het schande zou +zijn, als de muziekmeester werd afgedankt, tiende penning of geen +tiende penning. + +Dit schijnt hen allen op hun gemak te zetten, en juffrouw Bodé Volckers +vergast nu de heeren op een verslag van het groote feest bij de gravin +van Mansfeld ter eere van Dona Hermoine de Alva, den vorigen avond, +en noemt de namen van de seigneurs de Noircarmes, d'Avila, Mondragon, +Gabriel de Cerbolloni en andere officieren en edelen, die tegenwoordig +waren, evenals de jongere gravin van Mansfeld, de aristocratische +barones d'Ayala en de schoone Dona Anica de la Medrado, die juist +uit Madrid was aangekomen en de laatste modes had meegebracht. "Ik +was de eenige _uit de stad_," voegde zij er argeloos aan toe, "maar +mijn dansen werd zeer bewonderd." + +Een oogenblik later wordt dit bewezen. + +Men hoort het trappelen van hoeven op het plein en men ziet vier +prachtige Spaansche muilezels aankomen met een staatsiekoets achter +zich, de voorrijders en lakeien in de schitterende livrei van Alva. + +Een seconde later komt Dona Hermoine de kamer binnen, gekleed in +kostbaar bont, haar trotsch hoofd beschaduwd door een zwierigen +Spaanschen hoed met lange witte veeren, haar donkerkleurig gelaat +stralend, terwijl haar oogen nog levendiger worden, zoodra zij Guy +opmerkt. Achter haar aan schrijdt de gravin De Pariza, duena van top +tot teen. + +Ofschoon Guy en Oliver zoo vlug mogelijk opstaan om rang, titel en +schoonheid te begroeten, is juffrouw Bodé Volckers hun toch reeds +voor en verwelkomt de dames, die haar en haar huis zooveel eer aandoen. + +"Hoe minzaam van u, Dona de Alva, hoe vriendelijk van u, gravin +De Pariza," zegt zij, "om mij zooveel eer in mijn eigen huis te +bewijzen," en buigende tot op den grond, kust zij Hermoine's hand, +hetgeen die jonge dame, dochter van den onderkoning van Spanje, +genadig veroorlooft,--daarna gaat deze echter onmiddellijk op de +buigende heeren af, om hun hetzelfde voorrecht toe te staan. + +De gravin De Pariza steekt haar deftige, magere, strenge hand niet +uit als de dochter van den oud-burgemeester tot op den grond voor +haar buigt, doch zegt tamelijk uit de hoogte: "Wij zijn hier gekomen, +_juffrouw_ Bodé Volckers, om u nog eens te zien dansen. Het verschafte +mij gisteravond veel vermaak." + +"Om mij te zien dansen--_hier_?" zegt de jonge dame pruilend, +omdat de Gravin haar aanspreekt met _juffrouw_, den titel van de +middelklassen, en haar met weinig meer onderscheiding behandelt +dan een dienstmeisje. "Ik--ik ben niet in kostuum. Buitendien, deze +heeren--". Juffrouw Bodé Volckers is geheel van haar stuk gebracht, +daar het verzoek het karakter draagt van een bevel, dat haar voor +kapitein Guido Amati meer het voorkomen geeft van een danseres, +dan van een jonge dame uit de groote wereld. + +"O, gij kunt uw kostuum immers aandoen. Ga naar boven en haast u een +weinig. Die rose zijden kousen staan u goed," antwoordt senora De +Pariza. "En wat deze heeren betreft,"--zij vestigt haar Argusoogen op +Chester en Oliver, die in gesprek zijn met Dona Hermoine, ofschoon +Antony, als onder-secretaris van haar vader, een weinig achter den +Engelschman staat, die een krijgsman van rang en aanzien is met +zijn titel van kapitein van de musketiers,--"dat zijn natuurlijk +familieleden, daar gij ze alléén ontvangt, juffrouw Bodé Volckers. Maar +dat komt niet te pas voor een meisje van uw leeftijd. Slechts met +broers mag men zich zoo iets veroorloven, met neven is het reeds +gevaarlijk. Wip dus vlug de trappen op en trek dat Hongaarsch kostuum +aan, dat u gisteravond zoo goed stond. Ik zal een mijner Moorsche +meisjes vragen, om op het spinet te spelen." + +En de duena wil zich reeds naar de deur begeven, om een der meisjes te +laten komen, als Dona Hermoine, die de verlegenheid opmerkt, waarin +het bevel het jonge meisje, dat haar hartje zoo hoog draagt, heeft +gebracht,--met die neerbuigende minzaamheid, waarmee hooggeplaatste +personen beneden hen in rang staanden op hun gemak weten te zetten, +plotseling uitroept: + +"Dansen, gravin? Dan ben ik tot uw dienst!" en met een bevalligen zwaai +haar pelsmantel afwerpend en den zoom van haar zijden japon opnemend, +staat zij in een losse, bevallige houding voor hen, terwijl zij +lachend zegt: "Castagnettes, en ik ben een Andalusische Zigeunerin!" + +Maar de duena keert onthutst terug en roept verbolgen uit: "Voor deze +heeren, Dona de Alva?" + +"Waarom niet, als ik goed genoeg kan dansen, om hen te +behagen? Kapitein Guido heeft mij gisteravond zulk een grooten dienst +bewezen, dat ik wel iets tot zijn belooning en voor zijn genoegen +mag doen, en senor Oliver is iemand, die tot mijns vaders huishouding +behoort en als zoodanig een goede bekende." + +Bij deze woorden deinst Oliver een stap achteruit. Den vader, den +tyran, kon hij verraden, maar de gedachte, dat dit wezen, zoo goed en +beminnelijk, hem eens voor een verrader en een laaghartige zal houden, +doet nu reeds de wroeging aan zijn hart knagen. + +"Dansen! De dochter van den Onderkoning hier dansen en haar voeten +hoog oplichten?" roept de duena verontwaardigd uit. + +"Waarom niet?" lacht het meisje overmoedig. "Heb ik dan niet geposeerd +voor Oliver's Madonna--en dat nog wel met _bloote_ voeten? Eenmaal +zal ik senor Antony beroemd maken of, liever, hij zal mij onsterfelijk +maken door zijn talent en zijn altaarstuk." + +"Gij hebt voor uw voeten geposeerd?" zegt Guy op halfluiden toon, +met verrukking het fraai gevormde voetje beschouwend, dat het meisje +laat zien, terwijl zij nog steeds in de houding van een Zigeunerin +voor hen staat. + +"Ja, ik hoop, dat hij ze naar uw smaak klein genoeg geschilderd heeft," +lacht de jonge dame. "Maar ga gij aan het spinet zitten, senorita +Mina, en speel voor mij, opdat ik de gravin De Pariza met een dansje +genoegen kan doen," voegt Dona Hermoine er aan toe, haar duena, die +haar verlangen naar een proeve van de kunst van Terpsichore geheel +schijnt verloren te hebben, schalks aankijkend. + +Deze zegt dan ook scherp: "Als juffrouw Bodé Volckers niet genegen is, +mij het genoegen van gisteravond nog eens te doen smaken, zal ik naar +haar vaders winkel gaan en zien, of daar vandaag ook koopjes zijn te +doen in Lyonsche zijde en fluweel en Venetiaansche kant." + +"Dat zou ik denken!" merkt Oliver op. "Buitengewone koopjes! De schade, +door het water veroorzaakt, moet alle prijzen verlaagd hebben." + +"Koopjes? Kom, laat ik dan eens gaan zien," en De Pariza begeeft zich +naar de deur om haar beide Moorsche meisjes te roepen, maar Guy, die +haar reeds, van het oogenblik af, dat zij binnenkwam, naar de maan +heeft gewenscht, haast zich beleefd de deur voor haar te openen, die +toegang geeft tot het binnenplein, aan welks overzijde het magazijn +van den koopman zich bevindt. + +Dona Hermoine is blijkbaar niet gekomen, om ook inkoopen te doen; +zij vergezelt haar duena tenminste niet, maar blijft nog staan, +een toonbeeld van gratie, in de houding, die zij voor den dans heeft +aangenomen. + +"Gij maakt u niet druk met nieuwe kostuums, Dona de Alva," merkt +Guy droomerig op, geheel onder den indruk van de bevallige pose +van het meisje, die nog wordt verhoogd door het engsluitende half +Zuid-Spaansch, half Moorsch kostuum van dunne stof, dat elke lijn van +haar bevallige schoonheid duidelijk doet uitkomen en, opgenomen door +een fijn handje, even een enkel laat zien, zoo volmaakt in proportie +en vorm, dat dichters er over zouden droomen,--maar de vermetele +jonge zeeman is er eenvoudig verliefd op. + +"Neen, waarom ook? Ik heb ze bij dozijnen, die ik niet eens alle +draag, en Papa zou er mij duizend geven als ik dwaas genoeg was, +er hem om te vragen," antwoordt Dona Hermoine, haar Zigeunerhouding +opgevende en haar Moorschen rok latende vallen. "Hij geeft mij alles, +wat ik begeer." Dan merkt zij naïef op: "Gij zijt mijn naam te +weten gekomen--gij weet nu, dat ik de dochter van den Viceroy ben, +kapitein Guido _Amati_. Gij--gij ziet, dat ook ik uw naam ben te +weten gekomen. Of beter gezegd: majoor Guido Amati." + +"Majoor?" + +"Ja; bevorderd sedert vanmorgen!" + +"Maar uw vader--?" + +"O, ik heb hem er niets van gezegd. Gij zijt afwezig zonder verlof. Ik +heb ook niets gezegd aan Sancho d'Avila, die kolonel in uw regiment +is, tijdens Romero's verblijf in Spanje. Maar er was een plaats open +en het was gemakkelijk, haar te doen geven aan kapitein Guido Amati, +die, zooals mij werd verteld, de dapperste officier van het leger is, +of althans een van de dappersten." + +"Majoor bij Romero's voetvolk!" stamelt Guy, die haar, terwijl zij +sprak, geheel verbijsterd heeft aangestaard. + +"Ja, ik heb de monsterrol van het regiment zelf ingezien, om mij te +overtuigen, dat kapitein veranderd was in majoor." + +"De monsterrol!" brengt Guy met moeite uit, zijn ooren niet +vertrouwend. + +"Ja, er zijn duplicaten in de Citadel." + +"De monsterrol in de Citadel," stamelt hij, geheel verbluft. Maar hij +is gelukkig zoo wijs te bedenken, dat verbazing hem zal verraden, +en dat dankbaarheid het eenige is, waarmee hij deze verrassende +mededeeling kan ontvangen, een dankbaarheid, die hem niet moeilijk +valt. Zijn voordeel doende met de houding der jonge dame, want zij +heeft haar hand naar hem uitgestrekt met een gelukkig, bevallig gebaar, +drukt hij er één kus van erkentelijkheid op en twee kussen van liefde, +waarop mademoiselle Brunette's leliën in rozen veranderen. + +Dit wordt begunstigd door de omstandigheid, dat het paar zich alleen +bevindt, daar Oliver de schoone Mina heeft meegetroond naar de +aangrenzende kamer en haar in het oor fluistert: "Kijk eens in Dona +Hermoine's oogen. Leest gij daarin geen verzoek, dwaas meisje? Zij +redde u uit de verlegenheid, waarin haar duena's verzoek om te dansen +u bracht; doe nu ook iets voor haar. En doe ook uw vader genoegen. Ga +naar het magazijn en wees koopvrouw. Laat de gravin De Pariza de nieuwe +stoffen zien. Maak er koopjes van. Stel den prijs de helft lager." + +"_De helft_ lager! Goede hemel, wat zal mijn vader daarvan zeggen?" + +"Ik zal het ontbrekende betalen, of liever kapitein Amati." + +"O, nu vat ik het," lacht het meisje. "Maar wat zal haar vader, +de geduchte Hertog, zeggen?" + +"Hij zal het nooit te weten komen, als gij de gravin De Pariza maar +koopjes genoeg aanbiedt, om haar een geruimen tijd bezig te houden. Doe +het--voor mij." + +"O, gij-!" + +Want de schilder heeft aan dit "voor mij" kracht bijgezet, door haar +een zoen te ontstelen. + +Aldus geprest en een blik opvangend uit Hermoine's schitterende oogen, +waaruit werkelijk een verzoek spreekt, snelt Mina weg, om op Oliver's +aandringen de kostbaarste stoffen in haar vaders magazijn tot koopjes +te verlagen, en de prijzen zóó te verminderen, dat Bodé Volckers +krankzinnig zou worden van ergernis, als hij er bij tegenwoordig was +geweest; maar mijnheer Bodé Volckers is gelukkig naar de kade gegaan, +om het oog te houden op het lossen van een schip. + +Oliver begeeft zich naar het uiterste einde van het aangrenzende +vertrek, en ofschoon hij feitelijk aanwezig is, ziet hij toch +inderdaad niets en de dochter van den Onderkoning en Guy Stanhope +Chester zijn alleen. + +"Gij ziet," zegt de jonge dame schalks, "dat ik onderzoek naar +u heb gedaan. O, heb maar geen zorg. Niemand weet, dat gij hier +zijt,--afwezig zonder verlof. Zij zouden u misschien geen majoor hebben +gemaakt, als hun dat bekend was geweest. Maar ik heb hooren verluiden, +dat gij nog meer zijt dan _majoor_ Guido Amati; gij zijt majoor Guido +Amati de Medina, zoon van Hernandez de Medina, eens gouverneur van +Hispaniola, en gij hebt gezworen uw doorluchten familienaam niet te +zullen dragen, voordat gij generaal zijt, en dat zal nu niet lang +meer duren." + +Daarna roept zij, in de handen klappend, levendig uit: "Nu, als gij een +Medina zijt, moet gij een neef zijn van den hertog van Medina Coeli." + +"Slechts--een neef--in den derden graad," stamelt Guy, die denkt, +dat zijn ooren hem bedriegen, ofschoon hij weet, dat zijn oogen hun +werk uitstekend doen. + +"Nu, hoe dat ook zij, gij hebt het bloed van de grandes van Spanje +in uw aderen, en als zoodanig staat uw familie gelijk met de mijne," +merkt het meisje op, een veelbeteekenenden nadruk leggend op de +laatste woorden. "Als zoodanig moogt gij natuurlijk aan mijn zijde +_zitten_," en terwijl de jonge dame op een Turksche sofa plaats neemt, +een toonbeeld van beweeglijke gratie, noodigt zij Guy uit, gebruik +te maken van het voorrecht, dat hij geniet als haar gelijke in rang. + +En als zij den Engelschman daarbij aankijkt, kleurt zij tot achter +de ooren, en als antwoord begint Guy's hart sneller te kloppen, +als hij bespeurt, wat er in het meisje omgaat. + +"Ik ben blij, dat gij zooveel van mij weet," zegt hij lachend. "Blij +dat, hetgeen gij te weten zijt gekomen, u niet mishaagt." + +"O, dat weet ik nog niet," merkt de jonge dame op, en zegt met +schalkschheid in haar toon, maar met trillende lippen: "Men fluistert +ook, dat kapitein Guido Amati een zeer wild jongmensch was. Ik hoop, +dat majoor Guido Amati zich beter zal gedragen. Men zegt echter +tegelijk, dat gij de dapperste officier van het leger zijt." En het +meisje kijkt hem verheugd, stralend en trotsch aan. + +Waarschijnlijk heeft haar verbeelding een geschiedenis verdicht, +waarvan Guido Amati de held is; het toovert een licht in haar oogen, +dat haar schoonheid verhoogt, want bezat zij niet zooveel vrouwelijke +gratie, levendigheid en gevoel, dan zou haar schitterend vernuft +misschien aan Hermoine de Alva's schoon gelaat een te groote koelheid +verleenen. + +Maar nu het romantisme in haar natuur, dat tot nu toe sluimerde, +in haar ontwaakt, wordt haar teeder gelaat als bezield,--als om een +heilige te doen ontbranden, maar een zeeman... + +En hetgeen zij zegt, maakt de gelegenheid des te schooner. Zij houdt +den ring met den robijn in de hoogte en fluistert: "Gij hebt mij +dien teruggegeven?" + +"Alleen om u nog eens te zien," en Guy gaat naast haar zitten. + +"Als gij mij dan nog eens wilt zien, neem hem dan terug--schielijk." + +"Nooit!" + +"_Nooit_?" + +"_Nooit_! tenzij gij dezen ring, een van mijn sieraden uit Hispaniola, +aan uw vinger wilt dragen." En de Engelschman maakt van zijn halsketen +een ring los, waarin slechts een enkele diamant is gevat. + +"O, Santos! wat doet gij?" stamelt het meisje. + +Hij heeft nu haar fraai handje gegrepen en haar oogen kijken een +oogenblik in de zijne en worden dan neergeslagen, zoodat de oogleden +ze geheel bedekken. Het volgend oogenblik schittert de diamanten +ring aan haar slanken vinger en Hermoine de Alva, de dochter van +den onderkoning van Spanje, is slechts een vrouw--een liefhebbende +vrouw--voor dezen man, die niet gedongen heeft naar haar hart, maar +er zich stormenderhand van heeft meester gemaakt. + +"Neem den robijn--nu gij mij den diamant hebt gegeven," fluistert +zij. "_Gij weet wat dat beteekent_?" + +"Goede Goden, of ik dat weet! Nu zijt gij mijn verloofde. Mijn,--mijn +voor altijd!" En zijn overmoedige lippen geven haar kus op kus, niet +als den vorigen avond, den vluchtigen, half geroofden kus onder de +mistletow, maar den kus van een verlangend hart. + +"Pas op! Ik--ik ben de dochter van den Viceroy," fluistert het +meisje. Zij laat haar hoofdje hangen, kijkt hem een oogenblik later +weer aan en zegt met veel nadruk: "Mijn Guido, gij zijt vermetel!" + +"Ja," fluistert hij. "Al waart gij ook de koningin van Spanje, ik +zou u toch liefhebben." + +"Dan zou uw liefde hopeloos zijn!" + +"Daar gij echter, Gode zij dank, Hermoine de Alva zijt," antwoordt Guy, +"zal mijn liefde triumfeeren en zal ik u, dochter van den Viceroy, +tot mijn vrouw maken. Hoort gij het?"--want bij het hooren van dezen +nieuwen titel maakt zij een gebaar van ontsteltenis. "_Vrouw_! En elken +keer dat gij tot mij zegt: 'Ik ben de dochter van den Viceroy,' of: +'Neem u in acht voor den landvoogd der Nederlanden!' moeten uw lippen +boete betalen, twee kussen voor ieder woord." + +"Madre Mia! Wat zijt gij onstuimig," roept het meisje uit, zich +verzettend tegen de verlangde boete. Want Guy Stanhope Chester is +half krankzinnig van liefde en ofschoon hij deze jonkvrouw, zijn +gevangene, met eerbied behandelt, maakt hij haar toch op zulk een +vrije en losse zeemansmanier het hof, dat hij de dochter van den +Onderkoning geheel tot zijn slavin maakt. "Heilige Maagd! gij--gij +zijt zoo--zoo geheel anders." + +"Dan wie?" roept Guy jaloersch. + +"Dan--dan mijn andere aanbidders, die mij naderen, buigend tot op +den grond, flauwe complimenten afstekend en bedelend om de eer van +mijn hand." + +"En dat hebben zij durven doen!" stuift onze held op, die nu deze +aanminnige brunette, met de zielvolle, goddelijk schoone oogen, +de wangen, waarop rozen en leliën bloeien, den blanken hals en de +verrukkelijke vormen, half meisje, half vrouw,--kortom, Hermoine de +Alva,--als zijn eigendom beschouwt. + +"Durven doen?" pruilt de jonge dame. Dan zegt zij lachend: "Waarom +niet? Ben ik dan _zoo_ leelijk?" + +"Neen, neen; al te schoon." + +"En waarom zouden dan de Spaansche grandes en generaals en hidalgo's +van vier en twintig kwartieren niet met nederige woorden en op +eerbiedige wijze smeeken om een eer, die gij maar stoutweg neemt, +mijn vermetele Guido, alsof de hemel u had gelijkgesteld in rang met +mij, de dochter van den Viceroy!" + +"Dat heeft hij ook, door de liefde, uw liefde," en Guy neemt haar +opnieuw in zijn armen, fluisterend: "Gij spraakt de woorden: 'dochter +van den Viceroy'. Denk aan de boete." + +"Neem ze, tyran," fluistert het meisje, en met dezen naam, dien vrouwen +bij voorkeur geven aan hen, die over haar liefde weten te gebieden, +legt zij haar ziel op haar lippen en geeft ze hem. + +En dit spelletje zou in het oneindige voortgeduurd hebben, daar het +paartje zich daarbij bijzonder schijnt te vermaken, als niet Oliver +met luide voetstappen zijn komst uit de andere kamer had aangekondigd. + +Hij komt op hen af, en voor de jonge dame buigend, zegt hij: "Dona +de Alva, ik heb de eer als heraut van uw vader u van zijn komst +te verwittigen!" + +"Papa! Hier?" en met deze woorden springt het meisje op. + +"Ja, de cavalcade is reeds op de Schoenmarkt, de Hertog zoekt u +waarschijnlijk. Ik zal de gravin De Pariza roepen." + +Als Oliver de deur achter zich toetrekt, begrijpt Guy, dat de tijd +van afscheidnemen gekomen is, want Hermoine grijpt haar pelsmantel +en fluistert: "Het is beter, dat Papa u niet ziet, daar gij u zonder +verlof uit uw garnizoen verwijderd hebt. Ik zal hem op straat te +gemoet gaan." + +En als Guy haar in haar mantel hult, iedere aanraking een +liefkoozing, zegt zij vol beteekenis: "Ik ga een paar maanden in +Brussel doorbrengen, maar als majoor Guido Amati de Medina verlof +vraagt, om zijn garnizoen te Middelburg te mogen verlaten, zal hij het +ongetwijfeld krijgen. Verwaarloos echter uw militaire plichten niet +ter wille van mij. Denk er vooral aan, mijn Guido, dat elke schrede +voorwaarts, die gij in het leger doet, u nader brengt bij de kerkdeur, +waar uw bruid u wacht, die gij hebt doen vergeten, dat zij de dochter +is van den Viceroy!" + +"De boete!" roept Guy, en neemt zijn kus zeer plechtig, want het rumoer +van de naderende menigte kondigt reeds de komst van haar vader aan. + +Waarop de jonge dame met een allerliefst pruilmondje zegt: "Hoe +akelig! Men zou denken, dat gij een aanbidder waart, die geen succes +heeft! Maar uw boodschap door Oliver sprak van gevaar," en er klinkt +angst in haar stem. + +"Ja, ik moet het wachtwoord van hedenavond hebben, om de schildwachten +te kunnen passeeren. Ik moet vanavond nog vertrekken." + +"Om in Middelburg te zijn als uw bevordering aankomt, natuurlijk. Ik +heb daaraan gedacht en het wachtwoord meegebracht." Dit zeggende, +overhandigt zij hem een klein papiertje. + +Hij leest: + +Het wachtwoord is: "Santa Cruz." + +Het contrasigne: "Don Frederico." + +Terwijl hij leest, kijkt zij hem glimlachend aan: "Ik heb half en +half lust, het u niet te geven. Wat bracht u, wilde jonge officier, +zonder verlof naar Antwerpen?" + +"_Gij_!" + +"O!" + +"En voor u zou ik nog duizend keer terugkomen. Ik wilde naar de +verdronken landen gaan, om eenden te schieten, toen ik door een hoogere +bestiering u van de Watergeuzen mocht redden, mijn eigendom--mijn +buit." En wetende dat hij de heele wereld tegen zich heeft bij zijn +pogen om zijn geliefde tot zijn bruid te maken, wordt Guy door een +razende smart aangegrepen, nu het oogenblik van scheiden is gekomen, +dat hem erger toeschijnt dan de dood. Treurigheid is aanstekelijk, +evenals liefde, en het meisje begint te zuchten en te snikken onder +zijn afscheidskussen, die zoo plechtig zijn--ofschoon zij niet kan +gissen waarom. + +Maar Oliver rammelt aan de deurklink en roept: "De gravin De Pariza +zit al in het rijtuig. Vlug!" + +En nu geleidt Guy, die begrijpt, dat zijn tijd gekomen is, ofschoon +zijn beminde nog langer zou willen toeven en tegen hem aanleunt met +zuchtjes van liefde, haar haastig naar het rijtuig en helpt er haar in. + +Zich half omkeerend, heft zij haar blanke hand een weinig op. Hij +ziet den verlovingsring aan haar vinger schitteren. + +De postiljons knallen met de zweepen, de staatsiekoets verdwijnt uit +het gezicht, en alles wat hem rest van de vrouw, die hij slechts +een oogenblik geleden in zijn armen hield, is de herinnering aan +haar kussen, haar ring met den robijn aan zijn vinger en een klein +briefje,--de talisman, die hem veilig door haar vaders schildwachten +aan de poorten zal brengen. + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +"ONBEREIKBAAR!" + + +"Kijk," zegt de schilder, en brengt Chester naar een venster aan +de straat. + +Deze ziet, verscholen achter de gordijnen in Bodé Volckers' huis, +den man van ijzer en bloed, voor wien de menigte siddert en beeft, +zich diep buigen over den zadelknop voor de koets van zijn dochter, +terwijl zijn gelaat wordt verhelderd door den glans van vaderliefde +in zijn oogen. + +"Drommels! Mij dunkt, dat ik mijn rekening met hem heb vereffend," +mompelt de Engelschman. Dan wendt hij zich haastig tot Antony en zegt: +"Een woord met u. Bij mijn eerste bezoek hier, hebt gij voor mijn +veiligheid den naam van kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk +voor mij uitgedacht. Nu bestaat er werkelijk zulk een kapitein Guido +Amati, die bij Romero's voetvolk dient." + +"Zeker bestaat hij," antwoordt Oliver, tot groote verbazing van +Guy. "Ik koos den naam uit de monsterrol van Romero's regiment. Dit +lag toen in Friesland in kwartier, tweehonderd mijlen van hier, de +verst afgelegen provincie van Nederland, en ik vond het beter u een +naam te geven, die kon worden geverifiëerd. Maar wat zou dat?" + +"Wat dat zou?" antwoordt Guy norsch. "Alleen dit, dat ik juist heb +vernomen, dat Guido Amati om mijnentwil is bevorderd tot majoor in +zijn regiment; dat kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk geen al +te besten naam heeft,--misschien zijn er wel dames in het spel,--en +dat majoor Guido Amati juist een scherpe vermaning heeft gekregen om +zich voortaan beter te gedragen. Voor den duivel!" vervolgt hij op +woesten toon, "als deze heer, naar wien ik gedoopt ben, zich voortaan +niet wat meer in acht neemt, dan krijgt hij met mij te doen, met mij, +die nu gebukt gaat onder zijn zonden!" + +Daarna barst hij in lachen uit, waarmee Oliver instemt, en hij +zegt kalmer: "Maar ik bezit ook de reputatie, dat ik de dapperste +officier van het leger ben. Buitendien ben ik een neef in den derden +graad van den hertog van Medina Coeli en als zoodanig waarschijnlijk +gerechtigd, om mijn hoed op te houden in tegenwoordigheid van Philips +II van Spanje." + +"Voortreffelijk, mijn grande," antwoordt Antony met een glimlach. "Hier +is de nota van hetgeen de gravin De Pariza op uw kosten heeft +gekocht--tweehonderd gulden! Dat is uw aandeel in de zaak. Als Zijne +Hoogheid de Hertog van Alva hier niet voorbij was gekomen, zou zij, +geloof ik, het geheele magazijn van Bodé Volckers hebben leeggekocht." + +"A--ah," zucht Guy, de nota inkijkend, "ik zou nog heel wat meer willen +geven voor een tweede _tête-à-tête_ met mijn--mijn aanstaande vrouw," +en hij moet een traan wegpinken, als hij denkt aan het schoone wezen, +wier liefde hij heeft veroverd _à coup de main_. + +"_Uw aanstaande vrouw_!" roept Oliver verbaasd uit. "Morbleu! gij +hebt er geen gras over laten groeien. Bij den hemel, als Alva u ooit +in handen krijgt en dit te weten komt, dan wee u, vermetele jonge +man! Buitendien zult gij er vlug bij moeten zijn, als gij haar ooit +wilt bezitten!" + +"Waarom?" + +"Alva zal niet lang meer in de Nederlanden blijven. Het land is +onderdrukt en gekneveld (tot rust gebracht, noemt hij het), ofschoon +het overal gist. Hij int den tienden penning en toch betaalt hij zijn +troepen niet. Een gedeelte van het geld zendt hij naar Spanje,--juist +genoeg, om Philips tevreden te stellen, maar de rest--de hemel weet, +wat hij er mee doet, ofschoon ik gis, dat hij het voor zichzelven +naar Italië of Spanje overmaakt, om in rijkdom de gelijke van koningen +te worden." + +"Bij Sint George, als ik het in handen kon krijgen!" antwoordt de +Engelschman, terwijl de zeeroover weer in hem ontwaakt. "Dat zou een +bruidsschat zijn, zijn schoone dochter waardig!" + +"Zoover als ik ben ingelicht," zegt Oliver, "heeft geen mensch +een oog geslagen op de plaats, waar hij zijn schatten bewaart, +ofschoon ik mijn vermoedens heb. Het groote standbeeld, dat hij +opricht, datzelfde, dat de volgende week in de Citadel zal onthuld +worden, heeft iets zonderlings in zijn afmetingen. Zijn piedestal is +buitengewoon groot. De werklieden, die daartoe gebruikt zijn, komen +uit Italië en staan onder het onmiddellijk toezicht van Paciotto, +den ingenieur. Dezen zijn, nadat zij het piedestal hadden afgemaakt, +rijkelijk beloond, weer ingescheept en naar hun land teruggezonden. Men +heeft niet één hunner toegestaan, in Nederland te blijven. Er is een +geheim in dat standbeeld verborgen!" + +Verdere beschouwingen worden afgebroken door de binnenkomst van den +oud-burgemeester en zijn dochter. De oude heer schijnt zeer in zijn +nopjes te zijn. + +"Gij blijft zeker het avondeten met mij gebruiken, heeren," zegt +hij. "Het verheugt mij u te kunnen mededeelen, dat mijn dochter +Mina vanmiddag een gehoorzaam meisje is geweest en veel voor mij +heeft verkocht--voor een waarde van vierhonderd gulden aan de +gravin De Pariza, waarvan tweehonderd contant zijn betaald, iets +wat mij nog nooit gebeurd is, zoolang ik met den adel handel. Maar +mijn kleine Mina," en hij vat haar onder de kin, "is ook een echte +koopmansdochter. Zij zal haar lieve moeder nog evenaren." + +"Vader," zegt de jonge dame, gebruik makend van de gelegenheid, +"mag ik niet naar de hertogin van Aerschot gaan?" + +"Hm, hm! Nu, gij zijt jong, geniet dan maar, laat echter de paarden +niet weer den geheelen nacht wachten; gij weet dat ik ze 's morgens +voor de vrachtwagens noodig heb. Heeren, gij blijft natuurlijk, en +ik zal er u het bewijs van geven, dat mijn dochtertje niet alleen +een goede verkoopster is, maar ook goed kan koken." + +"Vader!" roept het jonge meisje verwijtend uit, "gij vergeet, dat +wij een uitstekenden Franschen kok in huis hebben!" + +Doch Guy blijft niet, om kennis te maken met de voortreffelijke keuken +in den huize Bodé Volckers. Nu hij de bijeenkomst met zijn brunette +heeft gehad, geeft hij Oliver gelegenheid, er een met zijn blondine te +hebben en vertrekt naar _Het Geschilderde Huis_, waar Antony belooft, +zich dien avond nog bij hem te voegen. + +Het is nu donker, en plaats nemend in de gelagkamer, die verlicht is +door olielampen en flikkerende kaarsen, bestelt de Engelschman een +rijkelijk souper, daar hij misschien den geheelen nacht op de been +zal moeten zijn om zijn schip weer te bereiken. Het succes heeft +hem eetlust bezorgd, ofschoon hij nauwelijks weet, wat hij eet, want +zijn geheele maaltijd is een opeenvolging van herinneringen, ieder +op zichzelve een genot. In zijn droomerijen wordt hij plotseling, +en wel op onaangename wijze, gestoord. + +Een man, naar zijn kleeding te oordeelen de kapitein van een +koopvaardijschip, komt de kamer binnen, gevolgd door een burger, +en valt met een onderdrukten vloek op een stoel neer aan de tafel +naast die van Chester. + +"Voor den duivel!" moppert hij, "een mooie boel, dat men geen verlof +kan krijgen, de stadspoorten door te gaan, om zich naar zijn eigen +schip te begeven. Wat zal er van mijn lading worden, die gedeeltelijk +gelost is? De stuurman en de dronken bemanning zullen zich fraai +gedragen!" + +"Blijf bedaard, kapitein," sust zijn metgezel. "Het is een buitengewone +maatregel. Gij zult zonder twijfel morgen bij daglicht de poort +mogen passeeren." + +"Ja, en ik word intusschen op de kosten gejaagd van in een herberg +logies te moeten nemen, en mijn gemakkelijke hut staat leeg. Alweer +een gulden, die mij hier in de haven van Antwerpen wordt afgeperst. Als +dit zoo voortgaat, zal de handel hier spoedig geheel verloopen." + +"Maar dit zal waarschijnlijk niet licht weer gebeuren," zegt de +koopman. "Van zoo iets heeft men vroeger nooit gehoord." + +En het tweetal bespreekt de waaroms van zulk een buitengewone +waakzaamheid aan de poorten. + +Dit geval geeft Guy te denken. Hij heeft, toen hij daareven de herberg +binnentrad, dienzelfden kapitein, waarschijnlijk de gast van den +burger, aan een tafeltje het avondeten zien gebruiken. Een half uur +geleden zijn zij vertrokken, de kapitein schijnt de schildwachten niet +te hebben kunnen passeeren. Als er zulke orders zijn uitgevaardigd, +kan het wachtwoord van hedenavond hem waarschijnlijk niet baten. Wat +kan de oorzaak daarvan zijn? Zou het mogelijk wezen, dat men eenig +vermoeden heeft van zijn tegenwoordigheid in de stad? + +Terwijl hij hierover nadenkt, komt Oliver binnen met een ernstige +uitdrukking op zijn gelaat. Hij gaat bij Guy zitten en fluistert: +"Ga mee." + +"Waarom?" Eveneens fluisterend. + +"Er zijn orders uitgevaardigd, dat niemand vannacht de poorten van +Antwerpen mag passeeren." + +"De reden?" + +"Ik weet het niet; misschien hebben zij lont geroken, dat gij in de +stad zijt. Ga mee naar mijn kamers." + +"Neen, ik blijf hier," antwoordt de Engelschman op vasten toon. + +"Waarom?" + +"Om twee redenen. In de eerste plaats, omdat ik u niet verder +in verdenking wil brengen. En in de tweede plaats, omdat, als er +orders zijn gegeven, dat niemand de poorten mag uitgaan, dit zeer +waarschijnlijk ter oore zal komen van een jonge dame, die belang stelt +in majoor Guido Amati de Medina, officier van Romero's voetvolk, +uit zijn garnizoen afwezig zonder verlof. Zij weet, dat ik hier in +_Het Geschilderde Huis_ ben afgestapt. Hier zal zij mij dus laten +zoeken, als zij mij een boodschap wil zenden. Maar blijf hier niet +bij mij zitten, Oliver. Als men mij kwam arresteeren, terwijl gij +bij mij waart, zoudt gij zelf in verdenking komen,--ga aan een andere +tafel zitten!" + +"Ik wil u niet verlaten, daar ik u misschien kan helpen," zegt de +edelmoedige schilder. En hij mompelt plotseling: "Bij den hemel, +misschien is het nu gekomen!" + +En zoo is het, ofschoon niet, zooals Antony vreest, want de +kleine vaandrig De Busaco komt parmantig de deur binnen, werpt een +onderzoekenden blik door de kamer en stapt op den Engelschman toe. + +"Ik zoek u," zegt hij, terwijl Guy's hand naar den dolk in zijn +wambuis tast. "Ik zoek u, om een van de staats-barges de rivier af +naar Sandvliet te brengen." + +"Zoo!" + +"Ja, de provoost-geweldige wilde mij geen verlof geven, om vannacht +in Antwerpen te blijven en ik ben toen weer naar de Citadel gegaan, +om het te vragen. Daar gekomen, kreeg ik bevel, bij Dona de Alva te +komen. Zij zeide mij, dat kapitein Amati, die haar barge gisternacht +zoo gelukkig de rivier had opgebracht, juist de man was, om het +vaartuig hedennacht de rivier ook weer af te brengen. Het is belast +met een boodschap van de jonge dame. Zij droeg mij op, u dit briefje +te geven, en u door de Citadel te geleiden naar de plaats, waar gij +gisteravond zijt geland, alwaar de roeiers en een nieuwe bemanning +u wachten,--ik geloof, dat de Watergeuzen de andere gedood hebben." + +Dit zeggende, reikt hij den Engelschman een verzegelden brief over +van de hand van haar, die hem zoo dierbaar is. + +Alva's zegel verbrekend, leest Guy haastig: + + +"Mijn liefste Guido! + + +"Ik kan u niet anders noemen. Het is misschien wel wat spoedig, +maar gij ziet daaruit, hoe ik over u denk. + +"Ik heb eerst daareven gehoord, dat de poorten voor iedereen, +die de stad wil verlaten, gesloten zijn, daar een gerucht, dat +de een of andere zeeroover of vogelvrijverklaarde zich binnen de +muren van Antwerpen moet bevinden, het hoofdkwartier heeft bereikt; +wetende hoe noodzakelijk het is voor een officier, die uit Middelburg +afwezig is zonder verlof, om de stad te verlaten, zend ik mijn boot +naar mijn landhuis te Sandvliet, om eenige benoodigdheden te halen, +die ik gisteravond bij mijn overhaast vertrek vergat. Wilt gij nu zoo +vriendelijk zijn, om de boot even veilig de Schelde af te sturen als +gij haar gisteravond de Schelde hebt opgestuurd? + +"Vaandrig De Busaco zal u door de Citadel geleiden. + +"God biddend" dat Hij over u moge waken en u tot mij terug moge brengen +met evenveel liefde in uw hart als ik in het mijne voor u heb, ben ik, +zooals ik altijd zal zijn, + + +uw Hermoine." + + +"Gij schijnt u te verblijden over het bevel, om nu nog zoo laat in +den avond een watertochtje te gaan maken?" lacht De Busaco. + +"Ik ben altijd tot de orders van Dona de Alva," antwoordt Guy. "Kom!" + +"Haast u dan," antwoordt de kleine vaandrig. "Ik heb verlof +gekregen. Hoe vlugger wij nu vertrekken, hoe eerder ik vrij ben." + +Guy betaalt dus haastig zijn gelag en de drie mannen verlaten _Het +Geschilderde Huis_, en de Bagijnenstraat doorgaande, komen zij op de +Esplanade, waar Oliver op zachten toon en met een hartelijken handdruk +zegt: "Vaarwel." + +"God zegene u!" antwoordt Guy. + +En ofschoon zij geen woord meer wisselen, zegt hun vriendschappelijke +handdruk genoeg. + +Eenige minuten later zijn Chester en De Busaco in de Citadel, waar +Guy, terwijl hij over de ophaalbrug en door de groote poort gaat, +verneemt, dat het wachtwoord voor hedenavond veranderd is en nu luidt: +"San Sebastian," contrasigne: "Corpus Christi." + +De enceinte overstekend, komen zij weer vlak langs het standbeeld +van Alva, en De Busaco maakt bij zijn neus langs de opmerking: +"Zij hebben zijn arm vandaag opgetrokken. Alles is nu klaar, om hem +de volgende week te onthullen. Caramba! dat beteekent de last van +een groote parade. En nog geen soldij! Op een goeden dag gaan wij de +achterstallige soldij uit dit holle voetstuk opgraven. Alva is slim, +maar zijn troepen zijn ook niet van gisteren!" + +Het groote vestingwerk doorgaande, komen zij bij de kleine uitvalpoort +aan de gracht, waar Guy den vorigen nacht landde. Hier worden zij niet +bemoeilijkt. Dezelfde barge, welke de Engelschman de rivier op heeft +gebracht, wacht hem; de roeiers bevinden zich reeds op hun plaats +alsmede de nieuwe bemanning, aan welke De Busaco hem voorstelt als +den officier, die het bevel over de barge op zich zal nemen; daarna +gaat de vaandrig heen met een haastig: "Adio, senor!" want het is +reeds over den tijd, waarop zekere jonge dame in de stad hem wacht. + +Juist als de barge van wal wil steken, want Guy vindt het geraden, +zoo min mogelijk te dralen, komt een meisje, een van de Moorsche +kameniers van den vorigen avond, de kleine ophaalbrug op, uitroepend: +"Wacht!--een oogenblik--wacht!" + +Daarna fluistert zij tot Guy, die overeind staat in de barge, terwijl +zij hem een zwaren leeren gordel overreikt: "Bind dezen om uw middel, +senor capitan, mijn meesteres beval mij u te zeggen, dat gij er nu +goed op moest passen. Gij liet hem gisteravond zoo achteloos in de +barge liggen." + +"O,--dat is waar ook," zegt de Engelschman, wien het liegen niet +moeilijk meer valt. "Ik heb er al naar gezocht. Ik wist niet, waar ik +hem had gelaten," en hem om zijn middel bindend, peinst hij er over, +wat er toch wel in kan zitten. + +"Duivels, het is geen reddingstoestel," denkt hij. "Het zou mij doen +zinken als een baksteen." + +Maar om 't even, wat het ook moge zijn, hij is er door in de wolken, +want het komt van Hermoine de Alva. + +Hij heeft echter niet veel tijd, om zich daar verder mee bezig te +houden, hij had den roeiers reeds gelast, hun riemen uit te slaan, +en de barge is nu van wal gestoken en glijdt voort door de gracht, +die de groote bastions der Spanjaarden omringt. + +Vijf minuten later zijn zij in de open rivier, en ofschoon zij het +tij tegen hebben, zijn zij toch op weg naar Sandvliet en gaat hij de +veiligheid tegemoet. Zij passeeren ongemoeid aan de overzijde de stad, +hoewel Guy de lichten van verschillende wacht- en patrouille-booten +kan zien tusschen de schepen langs den oever. + +"Doet uw best, jongens," roept de Engelschman opgewekt; "ik geef u +een vat wijn, als wij te Sandvliet zijn." + +Aldus aangevuurd, buigen de roeiers zich over hun riemen heen, +terwijl de bootsmansmaat van de barge heel vriendschappelijk met +Chester babbelt, hem vertellend, dat de plaats, waar zij heengaan, +een prachtig zomerkasteel van Alva is, dat somtijds door dezen zelf +wordt gebruikt, maar het meest door zijn dochter, om er te genieten +van de frissche zeewinden, die gedurende de heete zomermaanden over +de Schelde waaien. + +"Wij zijn er dit jaar heel vroeg heengegaan," zegt hij, "het weer was +zoo mooi. Gelukkig was ik gisteravond in Antwerpen, anders zou ik nu +ook dood zijn, evenals die arme Antonio en de anderen,--vermoord door +de bloeddorstige Watergeuzen." + +Het gesprek met dezen man doet den tijd omsnellen en daar zij den +wind in hun voordeel hebben, zijn zij binnen drie uur bij Fort Lillo. + +De vier patrouillebooten zijn hier op haar qui vive en een er van +houdt de barge aan. Als de _Costa Guarda_ zich langszij bevindt, ziet +de commandant, dat het een staats-barge van Alva is; hij ontvangt van +Guy het nieuwe wachtwoord, dat klaarblijkelijk reeds naar Fort Lillo +gezonden was, en zegt, terwijl hij Guy een goede reis wenscht: "Wees +voorzichtig. Er is bericht gekomen, dat de 'Eerste der Engelschen' +hier ergens kruist. Twee galjoenen, de _Santa Cruz_ en de _Heilige +Drieëenheid_, gaan morgen uit om te zien, of zij dien zeeroover +gevangen kunnen nemen." + +"Dank voor de inlichtingen," antwoordt Guy, terwijl de boot opnieuw +voortsnelt. + +Bij den laatsten dijk, dien de vloed beneden Fort Lillo heeft gespaard, +ziet Guy drie lantaarns op een lijn geplaatst en weet dus, dat zijn +sloep hem daar wacht. Hij zegt eensklaps: "Gij hebt nu het ergste +van den tocht achter den rug en zijt nog slechts een mijl van het +landhuis verwijderd. Hoe heet het?" + +"Bella Vista," antwoordt de bootsmansmaat. + +"Goed, breng de barge dan naar Bella Vista en kwijt u van de boodschap, +die u is opgedragen. Hier zijn twee goudstukken voor den wijn, dien +ik u en de bemanning beloofd heb. Zet mij hier aan land. Daar wacht +mij een sloep. Ik ga eenden schieten op de overstroomde landen; als +mijn jongens flink doorroeien, ben ik daar met het aanbreken van den +dag. Ik heb haakbussen en een boog in mijn sloep." + +De mannen zijn overgelukkig met het geld en zetten Guy vlug aan den +dijk af, waarna zij hun weg vervolgen. + +Een paar minuten later begint Guy in de richting van de drie lantaarns +te wenken. + +Als hij dit een poosje heeft gedaan, hoort men het geplas van riemen en +komt een sloep zeer behoedzaam door de duisternis nader, waarschijnlijk +een hinderlaag vreezend. + +"Ahoy!" roept Guy. + +En nu hoort hij Martin Corker roepen: "Vooruit, jongens! Dat is de +stem van den commandant," en met drie of vier krachtige slagen is de +boot aan den dijk. + +Een oogenblik later vliegt zij, door gespierde Engelsche armen +voortgeroeid, terug naar de _Dover Lass_. Men kan echter van het +kleine schip niets bespeuren, daar het geen lichten uit heeft; maar +als de sloep licht-signalen geeft, wordt er een lantaarn op het schip +geheschen, om de plaats aan te duiden, waar het zich bevindt. + +Aan dek doet Chester's eerste officier hem rapport: + +"Ik ben blij, dat gij terug zijt," zegt Dalton. "Wij zouden +waarschijnlijk morgen zijn aangevallen. Er is een patrouilleboot de +rivier afgekomen, zeker om te zien of zij ons konden vinden." + +"Wij zullen morgen niet aangevallen worden," lacht Guy, en door de +spreektrompet geeft hij order, het anker in te halen en de zeilen +te hijschen. + +"Gij wilt dus niet met de Spanjaarden vechten?" + +"Neen, ik wil mijn biezen pakken en direct oversteken naar Engeland. Ik +heb mijn koningin zulk een gewichtige tijding te brengen, dat ik +verraad tegen haar zou plegen, als ik er ook maar een oogenblik +mee talmde." + +En de _Dover Lass_, een vlug schip met een talrijke bemanning, is nu +spoedig onder zeil en snelt de Schelde af naar de open zee. + +Guy Stanhope Chester heeft zich naar zijn hut begeven, waar hij bezig +is, wat hij op zijn vreemd uitstapje naar Antwerpen heeft buitgemaakt, +achter slot en grendel te bergen. + +Zijn schat bestaat uit een pakje brieven in cijferschrift, die +betrekking hebben op den beraamden aanslag tegen Elizabeth van +Engeland, en den sleutel, met behulp waarvan men ze kan lezen; +een ring met een robijn, die voor hem het tastbaar bewijs is, dat +hij de liefde van de dochter van den Onderkoning heeft gewonnen, +en twee briefjes van haar hand. + +"Drommels, ik heb mij goed gehouden," denkt Guy. Dan bekijkt hij +het miniatuur-portret, dat hij drie jaren bij zich heeft gedragen, +en mompelt: "Merkwaardig, dat ik haar eindelijk moest vinden +en haar hart winnen. Wie durft nog zeggen, dat de romances zijn +gestorven met de troubadours? Drommels, ik kom mij zelf voor als een +troubadour. Tra-la-la!"--en met den lichten tred van een troubadour +op en neer loopend, roept hij plotseling uit: "Wel, sapperloot, ik +heb nog meer," want de zware gordel om zijn middel herinnert hem aan +het laatste, wat Dona de Alva hem zond. + +Als hij hem van nabij beschouwt, bespeurt hij, dat het een zeer sterke +leeren gordel is en zoodanig gemaakt, dat men hem secuur kan omgespen. + +En als hij hem geopend heeft, laat hij een half onderdrukt +"bah!" hooren, want de gordel is vol goudstukken, doch een oogenblik +later grijpt hij naar een klein pakje, dat er met de muntstukken uit is +gerold. Daarop barst hij eensklaps in lachen uit: "Wat zie ik?! Haar +portret! Zij wist natuurlijk niet, dat ik er al een van haar had," +want een ander miniatuur-portret van zijn schoone Castiliaansche +beminde vertoont zich aan zijn verraste oogen. Een briefje is bij +het portret ingesloten. + +Het luidt aldus: + + +"Mijn liefste! + + +"Ik neem de vrijheid u mijn beeltenis te zenden, opdat zij beter in +uw herinnering moge blijven. Het is u niet vergund, het levende beeld +met u te voeren. God weet, hoezeer ik wensch, dat het zoo ware. Maar +als majoor Guido Amati de Medina eenmaal generaal wordt, zal ik maken, +dat het origineel hem toebehoort--o God! wat een geluk! + +"Ik heb de vrijheid genomen, hierbij een honderd goudstukken in te +sluiten. De officieren van het Middelburgsch garnizoen hebben reeds +over het jaar geen soldij ontvangen, en ik zou gaarne zien, dat een +edelman, die eens de dochter van Alva zal huwen, leeft overeenkomstig +zijn stand. Als gij aarzelt, dit van mij aan te nemen, zal ik denken, +dat gij mij niet zoo liefhebt, als ik het u doe. Het is slechts een +klein voorschot op den bruidsschat van uw toekomstige echtgenoote, + + +Hermoine de Alva." + + + +"Mijn echtgenoote zal zij worden," roept Guy uit. En in den wilden +hartstocht, die jonge harten soms aangrijpt, zet hij de beide fraaie +portretten vóór zich en roept triomfantelijk uit: "Ziedaar mijn oude +liefde, de onvindbare, die ik toch gevonden heb! Ziedaar mijn _nieuwe_ +beminde, de onbereikbare, maar tot wie ik mij, bij den hemel, toch zal +opheffen, om haar tot mijn vrouw te maken, al is zij ook de dochter +van Alva, mijn doodvijand!" + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +"GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT." + + +Op den morgen van den tweeden dag na het zooeven vermelde, landt +Chester te Sandwich en reist met postpaarden, zoo vlug als hij kan, +naar Londen. + +Als hij in de hoofdstad aankomt, hoort hij dat zijn vorstin en haar +hof zich te Hampton bevinden, en verneemt hij tevens tot zijn groote +vreugde, dat de Koningin in blakenden welstand verkeert. Hij is dus +tijdig genoeg gekomen, om tot Engelands heil elken aanslag van het +Borgia-complot te verijdelen. + +Want in die dagen vreesde iedere ware Engelschman, Katholiek of +Protestant, dat Elizabeth op de een of andere wijze door Italiaansche +sluipmoordenaars uit den weg zou worden geruimd en de kroon zou +overgaan op haar wettige troonopvolgster, Maria, koningin van +Schotland, die nu de gevangene van Elizabeth was; men wist dat de +hertog van Norfolk, een geloovig Katholiek, niet alleen den toeleg +had, de schoone Maria op den troon van Engeland te zetten, maar +ook haar te huwen en naast haar te regeeren als prins-gemaal. Dit +zou Brittannië geheel onder den invloed van Philips II van Spanje +hebben gebracht en den weg hebben gebaand voor zijn lievelingsplan, +de vestiging der Inquisitie in Engeland, met al haar verschrikkingen +van brandstapels, geeselingen en martelingen, zooals die in Nederland +in practijk werden gebracht, onder soortgelijke omstandigheden, +door Alva, zijn onderkoning. + +Al is hij een goed Katholiek, zoo is Guy toch ook een goed Engelschman +en uitermate bezorgd voor de veiligheid van zijn Protestantsche +koningin. + +Dit alles maakt, dat Guy rust noch duur heeft, zoolang zij niet is +gewaarschuwd voor het gevaar, dat haar dreigt van de zijde van Ridolfi, +Alva's agent te Londen. + +Hij zet zich dus opnieuw te paard, ofschoon hij doodelijk vermoeid +is door zijn langen rit van Sandwich, en komt vroeg in den avond +aan het paleis te Hampton Court aan. Het gelukt hem, onmiddellijk +toegelaten te worden bij Cecil, Lord Burleigh, en hij geeft hem de +brieven in cijferschrift van Vitelli aan Ridolfi en ook den sleutel, +dien Oliver hem heeft verschaft. + +Als Guy haastig de strekking van deze brieven vermeldt, zegt de +Lord met een ernstig gelaat: "Gij hebt den staat een grooten dienst +bewezen. Maar gij hebt zeker den geheelen dag gereden; ik zal er voor +zorgen, dat gij iets te eten en te drinken krijgt en u eenigszins +verfrisschen kunt," en een lakei roepend, geeft hij daarvoor zijn +bevelen. "Terwijl gij wat uitrust, zal ik met mijn ondersecretaris +de brieven ontcijferen en overschrijven voor de Koningin. Gij kunt +ze haar dan persoonlijk overhandigen, daar hebt gij recht op." + +De jonge man is met deze schikking zeer ingenomen, want hij heeft +twaalf uren in den zadel gezeten en onderweg maar weinig voedsel tot +zich genomen. + +Een uur later vergezelt Guy, die door het gebruik van een stevig +maal en een flesch wijn weer geheel bekomen is, Lord Burleigh,--thans +Elizabeths eerste minister en de machtigste man in Engeland,--naar de +audiëntie-kamer van Hare Majesteit, waar deze hen zonder ceremonieel +ontvangt. De Koningin is in groot toilet, het keurslijf, dat de +ivoorwitte schouders onbedekt laat, fonkelt van juweelen, en de +hals is versierd met een snoer van paarlen en diamanten. Elizabeth +is zeer ijdel, waartoe zij ook het recht heeft, als de dochter +van Anna Boleyn, de beauté van haar vaders hof, en zij staat daar +vóór hen in een opzichtig sleepgewaad, bezaaid met edelgesteenten, +de voeten gestoken in Spaansche schoenen met hooge hakken,--een beeld +van ijdelheid, geest, waardigheid en heerschers-bewustzijn. Kortom, +zij is de goede "Queen Bess", in den bloei des levens, vijf en dertig +jaren, en behoeft den ouderdom nog niet te duchten, die haar schoonheid +zal doen verwelken en haar van haar goed humeur zal berooven. + +"Mijn goede Burleigh," zegt zij, "wat zijt ge toch altijd haastig! Ik +heb juist uw mededeeling ontvangen en daar gij mij liet weten, dat +er veel van spoedig handelen afhangt, heb ik vijf gerechten van +mijn souper voorbij laten gaan en mijn kameniers naar een plaats +gezonden, waar haar nieuwsgierige ooren geen vertrouwelijk gesprek +kunnen afluisteren. En gij, Master Chester, mijn zeeroover, hebt gij +opnieuw achthonderd duizend kronen van Alva binnen het rechtsgebied +van mijn koninkrijk ontdekt?" + +"Neen," antwoordt Burleigh, terwijl de twee mannen diep voor haar +buigen. "Master Chester heeft enkel een complot van den hertog van Alva +tegen uw leven ontdekt. Deze brieven van Vitelli, zijn veldmaarschalk +en vertrouwde, aan Ridolfi, den Italiaanschen bankier te Londen, +zijn er het bewijs van." + +"O! in cijferschrift," zegt de Koningin, ze inkijkend. + +"Ja, maar dank zij Master Chester's bereidvaardigheid om zijn leven +opnieuw voor Uwe Majesteit te wagen, heeft hij den sleutel in Antwerpen +weten te krijgen. De brieven zijn nu overgebracht in het Engelsch." + +"Gauw--geef ze hier!" En Elizabeth gaat zitten en kijkt ze haastig +door, waarna zij uitroept: "Zij wilden mij dus vergiftigen en dien +verrader Norfolk op den troon zetten als prins-gemaal van de vrouw, +die mijn gevangene is. _Dat beslist het lot van Norfolk_! Hij is +gisteren door de Lords veroordeeld wegens hoogverraad. Deze brieven, +Burleigh, zijn zijn doodvonnis. Met de dame zal ik later afrekenen, +en wat Ridolfi betreft--" + +"Er zijn reeds orders gegeven, om Ridolfi gevangen te nemen, Uwe +Majesteit," valt Burleigh haar in de rede. + +"Zeer goed," antwoordt Elizabeth, "dan is er voor het oogenblik +niets meer te doen dan van kok te veranderen; en"--hier komt er +een vriendelijke uitdrukking in de oogen van Hare Majesteit--"en +dezen jongen man te beloonen, dien wij, uit politieke overwegingen, +vogelvrij verklaard hebben; maar met dat al hebben wij toch veel +met zeeroovers op! Denk maar aan onzen Francis Drake, die niet meer +geeft om te eten of te drinken dan om een Spanjaard te berooven +en tien percent van zijn buit in te palmen. En aan den ouden John +Hawkins, die negers gaat vangen op de kust van Afrika, om ze aan de +Dons te verkoopen en dezen den hals afsnijdt, terwijl hij met hen +handelt,--alles voor de glorie van Engeland! Inderdaad, Burleigh,--ik +zeg het met overtuiging,--kapers zijn mijn beste onderdanen. Daar ik +echter mijn potsenmakers vanavond om uwentwil heb weggezonden, Master +Chester, zijt gij verplicht, mij daarvoor een kleine vergoeding te +schenken. Vertel mij eens wat van uw avonturen in de Nederlanden." + +Guy voldoet aan dit verlangen en Hare Majesteit luistert met beide +ooren; af en toe kost het haar moeite, een lach te onderdrukken en +geeft zij Burleigh een paar tikjes met haar waaier, maar vooral is +zij een en al aandacht, als Chester haar vertelt van Dona Hermoine +de Alva en van de herhaalde ontmoetingen, die hij met die jonge +dame heeft gehad. En Guy, die door zijn onderwerp in vuur geraakt, +beschrijft met schitterende oogen de schoonheid van het meisje. + +"Gij drommelsche kerel!" roept Elizabeth uit, als hij geëindigd +heeft. "Dat is een geschiedenis, even romantisch als de troubadours +verhalen van Amadi de Gaule, die meisjes redde uit de handen van +reuzen, evenals gij het die nuffige miss Alva deed uit de handen der +Watergeuzen. Waarachtig, Burleigh, ik ben bang, dat zijn loyauteit +er onder geleden heeft. + +"Terwijl hij over die kleine Spaansche heks spreekt, ziet Master +Chester zijn Engelsche vorstin aan op een wijze, waarvoor de Lords +hem zouden kunnen veroordeelen als schuldig aan hoogverraad." + +"O, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, evenzeer hoveling als zeeroover, +"als liefde hoogverraad is, dan is iedere jonge Engelschman, die zijn +koningin aankijkt, een verrader." + +Zijn vurige blik zet kracht aan zijn woorden bij, en dat kost hem +ook geen moeite, want Elizabeth is in den vollen bloei van haar +schoonheid,--een schoonheid, waarvan men zich thans kwalijk meer een +voorstelling kan maken, daar haar meeste portretten zijn gemaakt, toen +zij vijftig jaren en daarboven was. Maar nu Chester haar bewonderend +aanziet, is zij pas vijf en dertig. + +"En ik wil dien vermetelen vleier straffen," zegt zij lachend, +"ofschoon hij geen verrader is. Geef mij uw zwaard, Guy Chester." + +De jonge man wil zijn zwaard afgespen. "Neen, bloot, zooals gij het +tegen uw vijanden gebruikt." + +Terwijl Guy het uit de scheede trekt, zich op één knie nederlaat en +het aan zijn koningin overhandigt, vervult hem eensklaps de hoop op +een onverwachte, roemvolle onderscheiding. + +"Hij is, naar ik hoor, van goede geboorte, Burleigh?" + +"Uwe Majesteit," antwoordt Cecil, buigend, "van moeders zijde heeft +hij het bloed van Lord Stanhope van Harrington in zijn aderen. Zijn +vader is een neef van de Stanleys en high sheriff van Cheshire. Zijn +grootvader werd tot ridder geslagen." + +"Dan," zegt de koningin van Engeland, "zal hij eveneens ridder +zijn!" En zij geeft hem met haar kleine hand den ridderslag, zeggende: +"Sta op, Sir Guy Chester!" + +Maar Sir Guy staat niet op, eer hij hulde heeft bewezen aan de schoone +hand, die hem heeft geridderd, en hij doet dit met zooveel geestdrift, +dat Hare Majesteit rood wordt in het aangezicht en uitroept: "Het +schijnt wel, dat dit Spaansche meisje hem een nieuwe manier heeft +geleerd, om de hand te kussen." + +En als de jonge man weer vóór haar staat, reikt zij hem het zwaard +over, het bij het lemmet vasthoudend en hem het gevest toestekend, +en zegt: "Moogt gij dit, nu gij tot ridder zijt geslagen, evenals +vroeger gebruiken tot schrik van Engelands vijanden; vooral tot schrik +van Alva,--spaar hem niet ter wille van zijn dochter." + +"Neen," antwoordt Guy, "want iedere slag, dien ik tegen den vader +richt, brengt mij nader tot de dochter." + +"Wel heb ik van mijn leven!" spot Hare Majesteit, "wat denkt deze +nieuwbakken ridder Chester dan te doen met de dochter van een vorst?" + +"Haar te _trouwen_, als God het wil en Uwe Majesteit het genadig +veroorlooft," roept Guy uit en trekt zich terug met Lord Burleigh, +de koningin van Engeland in een opgewekte stemming achterlatend, +daar zij recht in haar schik is met haar nieuwen ridder. + +Doch niettegenstaande Chester's waarschuwing hoogstwaarschijnlijk haar +leven heeft gered, slaat Elizabeth--die, hoe groot zij ook is als +Koningin, waar het staatszaken geldt, een zonderlinge zuinigheid in +practijk brengt,--volstrekt geen acht op Chester's herhaald verzoek +om geld, teneinde zijn schip te kunnen repareeren en zijn bemanning +te betalen. En daar hij brandt van verlangen, om opnieuw naar de +Nederlanden over te steken, gebruikt hij de honderd goudstukken, +het geschenk van zijn beminde, om zijn schip uit te rusten tegen haar +vader, de helft er van bestedende voor de verfraaiing en versiering +van de hutten der _Dover Lass_ en haar salons zoo rijk stoffeerende, +dat Harry Dalton, zijn eerste luitenant, uitroept: "Bij alle mooie +meisjes van Plymouth, men zou haast denken, dat hij ter kaapvaart +uitgaat op een vrouw!" + +Maar ondanks de honderd goudstukken, is Chester spoedig weer zonder +voldoende middelen om zijn schip zeilklaar te maken, en hij gaat dus +weer van Sandwich naar Londen, om zijn gierige vorstin opnieuw om +geld te verzoeken. + +Meenende beter te zullen slagen, als hij Burleigh in den arm neemt, +die den meesten invloed op de Koningin heeft en altijd getoond +heeft, zijn vriend te zijn, treedt Chester op zekeren namiddag in het +laatst van Maart het kabinet van dien edelman binnen, die in gepeins +verzonken zit. + +"Gij zijt juist de man, dien ik moet hebben, Sir Guy," zegt hij +levendig. "Vertel mij eens alles, wat gij weet van de Watergeuzen, +die Nederlandsche zeeschuimers." + +"Dat, Mylord, kan ik in weinige woorden doen," antwoordt Chester. "Het +zijn mannen uit alle standen, van Brabant, Vlaanderen, Friesland, +Holland--kortom uit alle provinciën, waar Alva gebiedt; door wreedheid +en vervolging worden zij gedwongen, hun heil te zoeken op de zee, +want op het land te blijven, staat voor hen gelijk met den dood op +den brandstapel, na voorafgaande foltering. Zij zijn buiten de wet +gesteld wegens hun verzet tegen de Spaansche dwingelandij. Onder +hen bevinden zich mannen, hoog in aanzien bij den prins van Oranje, +die aan hun bedrijf eenigermate een wettig karakter heeft trachten +te geven, door hun lastbrieven uit te reiken, waarvan ik de eer heb +er ook een te bezitten, met den penning, die er bij behoort," en hij +vertoont zijn Geuzenpenning, dien hij altijd bij zich draagt, aan +Lord Burleigh. "Tot hen behoort zoowel de ridder Bloys van Treslong +en Willem van der Marck, baron van Lumey, als Dirk Duyvel, wiens naam +hem reeds kenmerkt als een echten vrijbuiter. Maar waarom stelt gij +zooveel belang in de Watergeuzen?" + +"Om deze reden. Vijf en twintig schepen, met dat volkje bemand, +zijn te Dover binnengeloopen. Zij roepen onze bescherming in en +verzoeken om proviand en water. Van Treslong en hun admiraal Van der +Marck zijn te Londen, om hulp te vragen. Wij zijn, zooals het heet, +op voet van vrede met Spanje en Alva, maar ik zou hun toch niet gaarne +gastvrijheid weigeren." + +"Vijf en twintig schepen--dat is een vloot! Gij moet hun gastvrijheid +weigeren," antwoordt Guy. + +"Waarom?" + +"Laat mij dit aan de Koningin uitleggen. Breng mij bij haar; ik moet +geld voor mijn schip hebben." + +"Dat zal Hare Majesteit, naar ik vrees, u niet zoo grif toestaan. Zij +heeft zich deze maand een half dozijn nieuwe costumes aangeschaft--en +modemaakstersrekeningen genieten in het oog eener vrouw de voorkeur +boven de benoodigdheden voor de uitrusting van een schip," lacht Cecil, +maar bestelt toch zijn rijtuig. + +En zoo rijden zij dan naar Westminster, waarheen de Koningin Burleigh +ontboden heeft, om zijn raad in te winnen, voordat zij de afgezanten +der Geuzen ontvangt. + +"Groote goden!" roept Hare Majesteit uit, "ik zie, Mylord Burleigh, +dat gij ook een Geus hebt meegebracht. Is dat misschien ook al een +afgezant?" + +Dit zeggende, kijkt zij Guy alles behalve vriendelijk aan, want de +Geuzen hebben koningin Elizabeth de laatste dagen veel hoofdbreken +gekost. Zij zijn hongerig, en zij is er niet van thuis, hen te +spijzigen; zij zijn dorstig, en zij heeft geen lust, haar kas aan te +spreken, om dien dorst te stillen; het zijn echter vijanden van Alva, +en om die reden zou zij hen willen ondersteunen. + +"Neen, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die plotseling een ingeving +krijgt. "Ik kom geen hulp voor de Watergeuzen vragen, ik zeg +integendeel: _verleen ze hun niet_." + +"Waarom niet?" vraagt de Koningin, die niet gewoon is, dat iemand +buiten haar geheimen raad haar zoo openhartig zijn meening zegt. + +"Om deze reden: als Uwe Majesteit hen van eten en drinken voorziet, +zullen zij hier blijven en uw gasten en kostgangers zijn, zoolang +als uw gastvrijheid duurt." + +"Weg met die luie schobbejakken, die hier op mijn kosten goede sier +willen maken," gromt Hare Majesteit. + +"Vijf en twintig schepen zijn een formeele vloot. Zij hebben de +Nederlanden verlaten en nu heeft Alva zijn handen vrij, om ze tegen +u te gebruiken." + +"Dus gij zoudt hun voedsel weigeren?" + +"Ja," antwoordt Guy, "voor geen halven cent proviand." + +"Maar zij hebben ook geen water." + +"Geen druppel water. Als gij hen van proviand en water voorziet, +zullen zij niet teruggaan naar de Nederlanden, al beveelt gij hen ook, +Engeland te verlaten. Zij zullen eerder hun fortuin gaan zoeken in +de Spaansche wateren, waar buit in overvloed is te vinden, dan zich +aan Alva's ijzeren vuisten te wagen. _Geef hun niets dan kruit en +lood_. Dan moeten zij koers zetten naar een naburige haven. Zij durven +niet naar Frankrijk gaan, zij moeten rechtstreeks den strijd tegen +Alva aanbinden, en vijf en twintig schepen zijn een macht, die aan +den loop van zaken in de Nederlanden een andere wending kan geven. Zij +waren tot nu toe zwak, omdat zij hun kracht verbrokkelden. Nu vormen +zij een geheel. Geef hun kruit, Majesteit, geef hun kruit en kogels, +om Alva te bestrijden." + +"O! Gij wilt hen laten vechten voor de kost! Een kostelijke +inval!" roept Hare Majesteit uit. "Sir Guy Chester gebruikt niet +alleen zijn zwaard, hij gebruikt ook zijn hoofd. Wat zegt gij er van, +Burleigh?" + +"Ik?" antwoordt de staatsman, die groot en ook edelmoedig genoeg is, +om de wijsheid van een ander te erkennen, "ik zeg, dat hij u den +verstandigsten raad heeft gegeven, dien gij ooit ontvangen hebt. Gij +maakt den Spaanschen gezant gelukkig, door hem te zeggen, dat gij den +Geuzen uw land hebt ontzegd en hun hulp hebt geweigerd, en tegelijk +doet gij een bliksemstraal uit helderen hemel op Alva en Spanje +neerschieten en berokkent hun oneindig meer schade dan door u aan een +openlijken oorlog met hen te wagen, waarvoor wij niet gereed zijn--" + +"Maar die dan toch niet lang meer zal uitblijven, Mylord," merkt +Elizabeth op. Vervolgens roept zij een page en zegt: "Laat de +afgezanten van de Geuzen binnenkomen." + +En Treslong en Van der Mark komen nu binnen, om een mededeeling te +ontvangen, die hen voor het oogenblik met wanhoop vervult, maar later +zal blijken, hun den weg te hebben gebaand tot onvergankelijken roem. + +Hare Majesteit ontvangt, onder een troonhemel staande, zeer uit de +hoogte de twee avonturiers; dezen zien er haveloos uit, maar hebben +flinke rapieren opzij, en hun bleeke gezichten getuigen van kommer +en gebrek. + +"Gij zijt hier gekomen, heeren," zegt zij, "om mij een verzoek te +doen. Wat is dat?" + +"Mondvoorraad om ons voor den hongerdood te bewaren," antwoordt +de admiraal. + +"Geen mondvoorraad!" + +"Goede hemel! In naam der barmhartigheid! Wij hielden u voor Alva's +vijandin." + +"Ik ben Alva's _vriendin_. _Geen mondvoorraad_! _Wat nog meer_?" + +"En water,--wij hebben nog slechts voor drie dagen water in onze +schepen. Sta ons tenminste toe, wat de menschelijkheid nog nooit aan +een dorstig zeeman geweigerd heeft--_water_!" + +"Geen _water_! Hebt het hart, aan land te komen, om water uit meer +of rivier te scheppen, en ik zal mijn soldaten op u afzenden." + +"En dit heet een Christelijk land?" + +"Ja, Christelijk genoeg, om zijn woord te houden jegens Spanje, een +bevriende mogendheid. Zoo gij binnen vier en twintig uren onze haven +niet hebt verlaten, zullen onze batterijen haar vuur op u openen." + +"En ons terugdrijven naar den open oceaan, zonder water, zonder +voedsel?" + +"Ja!" + +"Dan," zegt Van Treslong, "moge God u uw onmenschelijkheid +vergeven! Wij hebben alles opgeofferd voor onzen godsdienst, die de +uwe is; voor ons land, dat gij zegt, lief te hebben, alles--behalve +ons leven. Als de tijd gekomen is, zullen wij er dat ook voor +laten. Die tijd schijnt nu te zijn aangebroken. Het is nu om ons +leven te doen. Wij moeten terug naar de Nederlanden, om te vallen in +den ongelijken strijd tegen Alva!" + +"De hemel helpe ons," zucht de admiraal. "Wij hebben zelfs geen kruit +om ons te verdedigen," en de beide mannen verwijderen zich buigende, +met wanhoop in het hart. + +De Koningin doet een stap voorwaarts, alsof zij hen terug wilde +houden, en roept: "God vergeve mij! Men zal mij een hardvochtige vrouw +noemen. Ik zal vannacht stellig droomen van deze arme, verhongerende +Geuzen. Zij zullen echter niet naar hun land teruggaan zonder _kruit_ +en _lood_!" En zij zegt tot Chester: "Is uw schip reeds uitgezeild?" + +"Neen, Uwe Majesteit." + +"Dan moet gij hen volgen. Hier is een bevelschrift, waarop men +u zooveel kruit, wapenen en kogels zal uitreiken als gij kunt +bergen. Laat het aan boord brengen en zeil vanavond nog weg uit de +haven van Sandwich. Zoek de vrijbuitersvloot in Dover op. Wapen de +Geuzen, voorzie hen van ammunitie, geef hun ruimschoots genoeg om te +kunnen vechten." + +"Maar, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die nu weet, dat hij zal krijgen, +wat hij behoeft, "ik heb geen geld om mijn bemanning te betalen." + +"Hier is een order op mijn schatkist voor twintig duizend kronen." En +Elizabeth gaat zitten om te schrijven, doch zegt plotseling: +"Uw bemanning telt, naar ik meen, slechts honderd vijf en twintig +koppen. Vijftien duizend kronen zal dus voldoende zijn om uw +knorrende honden koest te houden," en zij teekent de order, maar +heeft er aanstonds weer berouw over en mompelt: "Mij dunkt, _tien_ +duizend is ook wel genoeg." + +"Neen, Uwe Majesteit, dat is niet genoeg, en met vijftien duizend +kronen betaalt gij de expeditie volstrekt niet te duur, want gij +zendt op Alva een bende wanhopigen af, die tot alles in staat zijn, +die, al verwenschen zij u om uw hardvochtigheid, veel beter voor u +zullen vechten dan uw eigen krijgslieden, want zij zullen vechten, +niet voor hun land, niet voor hun godsdienst, maar voor datgene, wat +ieder mensch het naast aan het hart ligt--_hun bestaan_! Bovendien +doen zij het geheel buiten u om!" + +"Drommels, Cecil, wat een redenaar," lacht Hare Majesteit. "Een echte +zeeman-advocaat. Misschien kan hij het mettertijd nog wel brengen +tot ondersecretaris van staat--wat dunkt u, lord Burleigh?" + +"Best mogelijk, Uwe Majesteit. Gij hebt er wel gehad met minder +hersens in het hoofd." + +"En ook wel, die minder goed wisten te praten," antwoordt Elizabeth, +die niet kan vergeten, dat zij vijftien duizend kronen minder in +haar schatkist heeft. "Hij heeft mij het geld leelijk afgetroggeld, +hij trok partij van mijn zwakheid, Lord Burleigh. Voer hem spoedig +weg van hier, eer ik de order terugneem. Tracht gij echter die twee +arme Nederlandsche edellieden in te halen en noodig ze bij u ten +eten. Laat hun zien, dat gij tenminste een hart hebt, als uw Koningin +het niet heeft." En de twee mannen vertrekken, terwijl Guy tot spoed +aanmaant. Hij vreest, dat Hare Majesteit de order op haar schatkist +zal terugverlangen en verscheuren. + +Burleigh vergezelt hem naar de thesaurie, daar hij blijkbaar zelf +de zaak nog niet vertrouwt. Maar als het geld aan Guy is uitbetaald, +vraagt hij dezen: "Hare Majesteit zeide, dat de Geuzen goed van wapenen +en ammunitie moesten voorzien worden. Kan uw schip zooveel bergen?" + +"Voor een veldtocht?--Neen!" + +"Dan," zegt Burleigh, "geef ik u hier een order van mijn hand, Sir Guy +Chester. Neem vier schepen, laad ze met kruit, wapenen en ammunitie, +waarvoor ik u een koninklijke aanwijzing zal geven op het arsenaal van +de Koningin te Sandwich, Harwich of elk ander, waar gij u maar zult +vervoegen. Wij zonden deze mannen uit, niet slechts voor een gevecht, +maar voor een langdurigen en hardnekkigen oorlog met Alva, want nu +geldt het zijn hoofd of dat der van gebrek omkomende Watergeuzen. Hier +is eveneens een volmacht, waardoor ge u de schepen kunt verschaffen, +die gij noodig hebt voor uw doel. Maar dit alles blijft natuurlijk +geheel tusschen ons. Engeland leeft in vrede met Spanje. En nu, +God zij met u." + +En zoo krijgt Guy, krachtens zijn volmacht, in de haven van Sandwich +vier groote karveelen tot zijn beschikking en laadt ze met al de +wapenen en ammunitie, die hij kan machtig worden, kruit in overvloed +voor menigen strijd en menig beleg, en daarna zeilt hij den volgenden +morgen met die vaartuigen naar Duins en blijft heen en weer kruisen +tusschen de Goodwin Sands en de kust van Frankrijk. Hier moeten +de Geuzen, als zij uit Dover komen, hem wel in het oog krijgen, en +het duurt dan ook niet lang, of zijn schepen worden gevisiteerd en +prijsverklaard door dit tot wanhoop gedreven volkje. + +"Elizabeth van Engeland wilde u geen proviand geven, maar hier zijn +wapenen en ammunitie, waarmede gij ze bij Alva kunt gaan halen," +lacht Chester, als Treslong's schip de _Dover Lass_ langszij komt. + +En de Geuzen begrijpen hem zoo goed, dat zij de vier schepen geheel +leeg plunderen en de _Dover Lass_ zelve nauwelijks genoeg kruit laten +om zich te verdedigen, waardoor Guy zich genoodzaakt ziet, naar Dover +terug te keeren om voor zichzelven ammunitie te halen. + +Als dit de Koningin ter oore komt, roept zij woedend haar raadsman, +Lord Burleigh, toe: "Wel vervloekt, wat een onbeschaamdheid! Gij hebt +mijn koninkrijk geruïneerd. Gij hebt uit mijn arsenaal te Sandwich +zooveel ammunitie geroofd, als voldoende was om het geheele Engelsche +koninkrijk te verdedigen. Gij zijt een lage verrader!" + +"Met uw verlof, Majesteit," merkt Cecil op, "gij hebt mij bevolen, +de Geuzen behoorlijk te wapenen. Dat heb ik gedaan. Hoe meer kruit +en kogels ik hun geef, des te harder zal uw vriend Alva het te +verantwoorden hebben." + +"Nu, het zal u vergeven zijn," antwoordt Hare Majesteit, "indien gij +die arme, hongerige officieren van de Geuzen, Treslong en Van der Mark, +tenminste goed van spijs en drank hebt voorzien." + +"Ook daarin heb ik aan Uwer Majesteits orders voldaan," antwoordt +Burleigh. "Ik heb ze onthaald op de lekkerste schotels en den fijnsten +wijn. Ik zie hen nog eten. Er is zeker na de dagen van den reus +Glutton [2] nooit door iemand zulk een woesten aanval op spijs en +drank gedaan. Uwe Majesteit zal daarover kunnen oordeelen, als zij +de rekening ontvangt, die ik reeds bij de thesaurie heb ingeleverd." + +"De rekening ingeleverd bij de thesaurie!" krijscht Elizabeth. "Uit +mijn oogen, ellendige dief! Burleigh, gij besteelt mij; gij besteelt uw +vorstin, lage, inhalige schurk,--en de rekeningen van mijn naaisters +en modistes zijn nog niet betaald! Bij God! ik zal u het hoofd voor +de voeten laten leggen, als de Geuzen niet triumfeeren over Alva!" + +Dit zeggende, stapt de Koningin de kamer uit, in de hoogste mate +ontstemd en verbolgen. + + + + +HOOFDSTUK X. + +HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD. + + +Daar hij thans zelf gebrek aan ammunitie heeft, is Guy genoodzaakt, +zich nog eenige dagen in Engeland op te houden. Doch de vlugge kleine +_Dover Lass_ heeft niet lang werk, om naar Nederland over te steken, +zij zet alle zeilen bij en vroeg in April bevindt Chester zich opnieuw +aan den mond van de Schelde. Als hij Vlissingen in zicht krijgt, heeft +hij redenen om zich te verwonderen maar ook om zich te verheugen, +want de oranje-blauw-witte vlag van den prins van Oranje wappert van +den toren. + +"Wel verd....!" roept hij zijn eersten officier toe, "de Geuzen zijn +in Vlissingen geland en hebben er bezit van genomen! Voor ons uit +zeilen twee schepen met de Oranjevlag in top. Haal ze in en zie er +eens alles van te weten te komen, Dalton." + +In een halfuur heeft de _Dover Lass_ de schepen ingehaald, die onder +het commando staan van kapitein De Rijk van Amsterdam. Van hem verneemt +Guy, dat de Geuzen niet alleen Vlissingen hebben ingenomen, maar ook +den Briel. Hun succes is de vonk geweest, die de vaderlandsliefde in +Holland en al de Noordelijke Nederlanden heeft doen ontbranden. De +eene stad vóór, de andere na verklaart zich voor den prins van Oranje +als den stadhouder van Philips II en tegen Alva, want zoo groot was +de eerbied, dien men in die dagen voor het koningschap koesterde, dat +Oranje zich nog altijd den vazal van den Spaanschen koning noemde, +ofschoon hij tegen hem streed met alle wapenen, die hem ten dienste +stonden. + +Tot groote verbazing van Guy, heeft De Rijk, die Engeland een +weinig later heeft verlaten dan de andere Geuzenschepen, vijfhonderd +Engelsche vrijwilligers aan boord, die Guy op echt Engelsche wijze +begroeten. Want Burleigh is door Elizabeth's liefelijke opmerkingen +wel een weinig bang geworden voor zijn hoofd en helpt de Watergeuzen +op alle mogelijke manieren. + +De _Dover Lass_ en de twee Geuzenschepen stevenen nu te zamen, door +een zacht koeltje voortgedreven, naar de haven van Vlissingen. Juist +als zij daar landen, bemerken zij, dat er iets ongewoons gaande is +in de stad. Een kwartier geleden hebben zij een kleine pinas met +een enkelen mast gezien, die van den kant van Antwerpen kwam en de +haven even vóór hen binnenliep. Drie heeren in een zwierige kleedij, +naar het uiterlijk Spanjaarden, zijn uit dit vaartuigje lachend aan +land gestapt en de stad ingewandeld. + +Juist als De Rijk en Chester aan wal gaan, komen deze drie zelfde +heeren haastig de stad weer uitsnellen in de richting van de haven, +achtervolgd door zulk een joelende en tierende menigte, als Vlissingen +nooit te voren zag. Het is een troep Watergeuzen, dronken van bloed, +met hun aanvoerder, den grommigen Dirk Duyvel, tot de tanden gewapend +met pistolen en pieken, zwaarden en haakbussen. + +"Weg met de Spaansche bloedhonden!" schreeuwen sommigen. "Hangt ze +op, aan de hoogste galg, gezwind!" krijschen anderen. "In de zee +met Alva's beulen!" gilt de rest,--dit alles gekruid met Hollandsche +vloeken van de krachtigste soort. + +Als zij bemerken, dat hun de terugtocht naar het schip door de +manschappen van De Rijk wordt afgesneden, komt de voornaamste van +de drie Spanjaarden haastig op De Rijk af, en een buiging voor hem +makend, trekt hij van zijn vinger een prachtigen zegelring en laat +dien den aanvoerder der Geuzen zien, hijgend uitroepend: "Ik--ik +geef mij aan u over.--Ik--ik wist niet, dat de stad in handen was van +de--de oproerlingen. Laat deze ring mij behoeden voor een overhaasten +dood. Ik ben een edelman. Ik kan een groot losgeld betalen. Ik ben +Alva's ingenieur." Hij stoot deze woorden in den grootsten angst, +naar adem hijgend, uit, want de menigte zit hem dicht op de hielen. + +Guy herkent met verbazing in den man Paciotto, den grooten militairen +ingenieur van Alva, dien hij te Antwerpen aan diens zijde heeft gezien. + +"Gij kent mij?" brengt Paciotto met moeite uit. + +"Maar al te goed!" schreeuwt de menigte, die nu de hand aan hem slaat. + +"Maar al te goed!" herhaalt De Rijk. "Ik zal u echter voor een +onmiddellijke executie bewaren," en hij en Guy en nog een paar +andere officieren beschermen met getrokken zwaard de drie mannen, +die anders het volgend oogenblik in stukken gehakt zouden zijn door +de Watergeuzen. Want dezen zijn, nadat zij den Briel hebben ingenomen, +dronken van bloed en dorsten naar wraak op de Spanjaarden, voor al de +wreedheden, die door hen de vijf laatste jaren gepleegd zijn. Ieder +heeft een familielid te wreken, deze een vader, die wreed vermoord +is, een tweede een broeder, die den brandstapel beklommen heeft, een +derde de beleediging, zijn vrouw aangedaan, en dit alles maakt hen +even onmenschelijk als hun vijanden. Welke kans op lijfsbehoud heeft +een officier van Alva bij zulke mannen? Guy heeft spoedig begrepen, +dat Paciotto niet eens de keus zal worden gelaten, hoe hij ter dood +zal worden gebracht. + +Terwijl De Rijk en hij den Italiaan behoeden voor onmiddellijke +geweldpleging, hebben een aantal Geuzen het kleine Spaansche schip, +waarmee Paciotto is gekomen, bestormd, en de weerlooze bemanning om +hals gebracht, onder woeste kreten van vreugde en triomf. + +Een oogenblik later wordt de Italiaan naar het Raadhuis gesleept, +waar Treslong, die het bevel voert, beraadslaagt met den burgemeester +en andere overheidspersonen, in tegenwoordigheid van zijn meeste +kapiteins. + +"Bij onze martelaren," roept de Hollandsche vice-admiraal uit, "wij +hebben geluk. Daar is ons een van Alva's voornaamste gunstelingen in +handen gevallen.--Een krijgsraad voor den Italiaanschen edelman!" + +"Ik roep het krijgsrecht in, Willem van Bloys, graaf van Treslong," +zegt Paciotto op hoogen toon, ofschoon de wanhoop op zijn gelaat te +lezen staat. + +"Hetzelfde krijgsrecht, dat Alva toepaste, toen hij mijn broeder +met zeventien andere edellieden liet terechtstellen op de markt te +Brussel," antwoordt de Hollander. + +"Ja, gerechtigheid en barmhartigheid," spot een der andere +officieren. "Dezelfde gerechtigheid, die Alva mijn vader deed +wedervaren, toen hij om genade smeekte te Jemmingen. Dezelfde +barmhartigheid, die Bossu nu twee dagen geleden te Rotterdam in +practijk bracht." + +"Met zulke rechters ben ik vooruit veroordeeld," zucht de Italiaan, als +Van Treslong en zijn officieren plaats nemen rondom een groote trom. + +Als de krijgsraad den eed heeft afgelegd, merkt de Hollandsche +vice-admiraal, die veel doorzicht heeft, op: "Wij moeten den +burgemeester in onzen krijgsraad opnemen. Dat zal hem voorgoed aan +onze zaak verbinden. Hij zal Vlissingen tot het uiterste verdedigen, +omdat hij daarmee zijn eigen hoofd tegenover Alva verdedigt." + +Zoo wordt de burgemeester, tegen wil en dank, lid van den krijgsraad +en wordt er over Paciotto gerecht gehouden. + +"Waarvan beschuldigt gij mij?" vraagt de ongelukkige man. "Dat ik +een goed onderdaan ben van uw koning, Philips van Spanje? Welnu, +aan die misdaad verklaar ik mij schuldig." + +"Bah!" antwoordt Van Treslong, "gij zijt de rechterhand en de +vertrouweling van Alva, onzen beul. Daarom begeeren wij uw leven. En +ook, omdat gij voor hem zijn geduchte sterkte, de Citadel van +Antwerpen, hebt gebouwd." + +"Als ik daarom den dood heb verdiend, executeer mij dan," mompelt +de Italiaan met heesche stem. "Maar ik smeek u, laat mij dan sterven +door het zwaard." + +"Halt!" roept Guy, wiens ridderlijk gemoed medelijden krijgt met de +onderliggende partij. "Ik zal u als uw militaire advocaat voor deze +rechtbank verdedigen." + +"Verspil uw woorden niet voor mij, senor," zegt de Italiaan op +treurigen toon. "Deze Vlaamsche honden lekken hun baard reeds om +mijn bloed." + +Guy stoort zich echter niet aan die tegenwerping, maar begint voor den +ongelukkigen Spaanschen officier te pleiten, op zijn hartstochtelijke +manier, in het vuur zijner rede zulke weinig vleiende woorden voor +Paciotto's rechters bezigende, dat de Engelschman, als hij niet zelf +den Geuzenpenning had gedragen en, wat nog meer zegt, als hij niet de +man was geweest, die hun de vier schepen met kruit en ammunitie had +bezorgd, het er zelf wel eens niet zonder kleerscheuren had kunnen +afbrengen voor dezen krijgsraad van de Watergeuzen. + +Ondanks Chester's warm pleidooi, maken de Geuzen korte metten, en +in minder dan vijf minuten op de tikkende hangklok aan den muur, +veroordeelen zij den Italiaanschen ingenieur niet tot den dood door +het zwaard, maar tot den dood door den--strop. + +Als het vonnis is uitgesproken, roept de Italiaan plotseling uit: "Hoe +lang is het geleden dat uw vloot zich voor Vlissingen heeft vertoond?" + +"Ongeveer drie dagen," antwoordt een Geuzen-aanvoerder. "Doch wat +kan dat u schelen, daar gij binnen drie minuten zult sterven?" + +Het antwoord van Paciotto klinkt vreemd en wonderlijk; hij slaat zijn +handen in elkaar en toorn vlamt er in zijn oogen, zijn wanhoop maakt +plaats voor verontwaardiging en hij roept uit: + +"Mijn God! Opgeofferd! Heilige Maagd! Gedood ter wille van mijn +geheim!" En zich tot Guy wendend, fluistert hij: "Zijt gij de 'Eerste +der Engelschen'?" + +"Ja." + +"Vraag dan aan de Hollandsche officieren, of zij mij nog tien +minuten willen toestaan, om mij met God te verzoenen; alleen in uw +tegenwoordigheid, want aan den rozenkrans, dien gij om uw hals draagt, +zie ik, dat gij van mijn geloof zijt." + +Dit verzoek wordt door Treslong met een norsch: "Ja!" beantwoord. + +Hierop wordt Paciotto, nadat zijn handen gebonden zijn, in een +aangrenzend vertrek gebracht, waaruit hij onmogelijk kan ontvluchten +en waarin Chester, bewogen door de smeekende oogen van den Italiaan +en misschien ook door nieuwsgierigheid gedreven, hem volgt. + +"Sluit de deur," fluistert de Italiaan. En hij vervolgt gejaagd: +"Gij zijt de eenige, die goed voor mij is geweest in het laatste uur +van mijn leven. Ik ben in staat u dit te vergelden! Ik kan u den weg +wijzen om in rijkdom gelijk te worden aan de vorsten dezer aarde." + +"Hoe dan?" + +Doch de Italiaan geeft daarop geen antwoord, doch mompelt: +"Opgeofferd! Ik ben een kind des doods,--door toedoen van Alva die +nooit iemand spaart, als zijn belang meebrengt, hem uit den weg te +ruimen. Deze stad werd reeds drie dagen door den vijand bedreigd! Hij +wist dus van den aanval der Geuzen,--hij wist dat Vlissingen een +hoogst gevaarlijke plaats zou zijn en hij zond mij hier kwansuis heen +om de vestingwerken na te zien, maar inderdaad opdat zijn geheim met +mij zou sterven. Want ik ben de eenige man in de Nederlanden, die het +kent." En op hartstochtelijken toon vervolgt hij, heesch fluisterend: +"Men heeft mij verteld, dat gij er weinig om geeft, uw leven te +wagen. Zoudt gij, met de kans om enorme schatten te verwerven, een +stout waagstuk willen ondernemen, om mij op mijn vijand te wreken?" + +"Voor die schatten zou ik mijn leven willen wagen--ja, haast mijn +zaligheid op het spel willen zetten," antwoordt Guy levendig, want +sinds hij de liefde van Alva's dochter heeft gewonnen, is het zijn +eenige gedachte, aanzien, macht en geld genoeg te verwerven, om haar +den staat en den luister te kunnen verschaffen, die toekomen aan de +dochter van een onderkoning. + +"Dan, 'Eerste der Engelschen', zijt gij de man, dien ik noodig heb +voor mijn _post-mortem_-afrekening met Alva, gij, die den moed hadt, +Antwerpen te bezoeken; ik herinner mij, u daar gezien te hebben, +den Onderkoning vrij in het aangezicht kijkend, zijn proclamatie +met den prijs op uw hoofd bijna vlak boven u aan den muur. Gij zijt +de man om mij te wreken. Luister, en ik zal u het geheim van het +standbeeld meedeelen." + +"Alva's standbeeld!" roept Guy uit, terwijl Oliver's woorden hem weer +te binnen schieten. + +"Stil! Val mij niet in de rede. Mijn tijd is zeer kort. Dit groote +standbeeld, dat de Hertog heeft opgericht tot zijn verheerlijking, is +gedeeltelijk bestemd voor een ander doel! Om den schat te beschermen, +dien hij heeft verzameld met zijn tienden penning en dien hij naar +Spanje denkt mee te nemen voor zijn eigen gebruik en voordeel. Het +voetstuk--" + +"O, ik herinner het mij. Het voetstuk is van buitengewonen omvang,--het +bevat den buit van de Nederlanden," fluistert Chester. + +"Bah! Neen, daarvoor is Alva veel te slim. Het standbeeld en het +voetstuk bevatten _niets_." + +"_Niets_?" + +"En toch," zegt de Italiaan, "is _het standbeeld_ de bewaarplaats +van Alva's schat." + +"Hoe dan?" + +"Luister. Terwijl ik als hoofdingenieur bezig was de Citadel +van Antwerpen te veranderen en te verbouwen, ontdekte ik een +onderaardsche gang, aangelegd om uitvallen te kunnen doen. Zij liep +van het groote bastion van den Hertog onder de gracht door naar +een plaats van uitgang in de stad zelve, een huis, vlak achter de +Esplanade gelegen. Volgens geheime aanwijzingen van den Onderkoning +zelf, liet ik aan het einde van de gang aan de zijde van de Citadel +dertig voet onder den grond een vertrek uithouwen. Dit vertrekt +dient tot bergplaats van Alva's schatten. Het soliede metselwerk +van het groote bastion van den Hertog staat er vlak boven. Men zou +weken lang moeten graven, om er van de Citadel in door te dringen, +en men zou om het te laten springen, zooveel kruit noodig hebben, +dat het geheele bastion in de lucht zou vliegen. Dus kan men het +vertrek van uit de Citadel niet bereiken. Maar van de stadszijde is +het toegankelijk, hoewel alleen voor hem, die het geheim kent, want +het is op de meest vernuftige wijze voorzien van ieder mechanisme, +dat Giovanni Alfriedo, een vindingrijk Italiaan uit Venetië, tot +bescherming er van heeft kunnen uitdenken. En toch is het gemakkelijk +en spoedig te bereiken voor hen, die in het bezit zijn van het geheim, +en ik ben de eenige man, behalve Alva, die dat nu kent--daar Giovanni +op zijn terugreis naar Venetië vermoord is geworden door zeeroovers, +misschien wel op last van iemand en met een geheime bedoeling." + +"Uw tijd is om!" roept Van Treslong uit, op de deur bonzende. + +"Nog tien minuten voor de ziel van een stervende," smeekt Paciotto. + +"Ja, tijd, opdat hij in de vertroostingen zijner kerk moge sterven," +roept Guy uit, die nu brandt van nieuwsgierigheid om achter Alva's +geheim te komen. + +Men staat hem nog vijf minuten toe, niet uit barmhartigheid, maar +om een beul te zoeken. Want de stadsbeul is naar Middelburg, en daar +Treslong dit nu eerst verneemt, verheft hij zijn stem tot de menigte +vóór het stadhuis en looft een vrij aanzienlijke som uit voor hem, +die het beulswerk wil verrichten. + +Doch niemand wil zich met dit vernederend werk belasten,--tot er +zich eindelijk iemand voor aanbiedt, die, hoorende, dat Paciotto +een Spanjaard is, uitroept: "Ik durf dat karreweitje wel aan! Ik zal +den Spanjaard wel netjes ophangen! Ik moet echter permissie hebben, +iedereen van kant te maken, die mij uitjouwt, omdat ik de beul van +een Spanjaard ben geweest," en hij maakt zijn toebereidselen met touw +en ladder. + +Terwijl men een beul voor hem zoekt, fluistert Paciotto haastig Guy +in het oor: "De ingang bevindt zich in een huis, nu bewoond door +een oude doofstomme vrouw, senora Sebastian. Zij weet van niets, +men heeft haar het huisje tegen een lagen prijs verhuurd, toen het +werk was afgeloopen. Gij neemt vier steenen op, midden in den kelder, +en gij hebt den ingang voor u. Maar deze gewelfde gang wordt op twee +plaatsen, voordat ge aan de gracht komt, afgesloten door ijzeren +deuren, zóó sterk, dat zij alles kunnen weerstaan, behalve kruit. Elke +deur wordt geopend door vernuftig uitgedachte sloten. Overeenkomstig +het eigenaardige systeem van dezen bekwamen ingenieur, heeft men +voor elk slot drie sleutels noodig, die in een bepaalde volgorde +moeten gebruikt worden. Wijkt men af van die volgorde, dan weigeren +de sloten. Elke poging om de ijzeren deuren te laten springen, zou +de gang zelf vernielen en het Scheldewater naar binnen doen stroomen +en hem, die het beproefde, doen verdrinken." + +"Maar hoe staat het standbeeld daar nu mee in verband?" fluistert Guy. + +"Ah! Dat is Alva's list om zijn muitzieke soldaten te verschalken. Door +de geheimzinnigheid van den Onderkoning met betrekking tot dit +standbeeld, beschouwt het halve Antwerpensche garnizoen het als +uitgemaakt, dat het standbeeld zelf de bewaarplaats is van Alva's +goud. Dit was zijn bedoeling. Hij vreest niet dat de burgers zijn schat +stelen zullen, maar wel dat zijn eigen soldaten, die in jaren niet +betaald zijn, in opstand zullen komen. Het eerste, waar zij de hand +naar zouden uitsteken, zou de buit van hun bevelhebber zijn. Daarom +zouden zij het allereerst, om zijn goud te vinden, het voetstuk van +het standbeeld openbreken. Maar als zij dat gedaan hadden, werd de +gewelfde gang, die naar de stad leidt, voor iedereen ontoegankelijk, +behalve voor de visschen, want het standbeeld is zóó ingericht, dat als +het beschadigd wordt, zich vanzelf een sluis opent, en de eenige weg +naar Alva's schat door het water van de gracht wordt overstroomd. En al +ontdekten zij daarna ook de bergplaats van het goud, dan zou het zeker +nog een maand duren, eer zij het konden bemachtigen, daarvoor zou men +het bastion van den Hertog in de lucht moeten laten vliegen. In die +maand zou het oproer zeker reeds gedempt en de schat beveiligd zijn." + +"Maar de sleutels?" fluistert Guy ongeduldig, want het steeds luider +wordend rumoer van de menigte buiten, waarschuwt hem, dat de tijd +kostbaar is. + +"Ik heb hier,--maak mijn wambuis los en snijd de voering open," +fluistert Paciotto, "want mijn handen zijn vastgebonden,--teekeningen +van elk der drie sleutels met hun nommer, waarnaar gij ze +kunt laten maken, en bovendien een beschrijving van de manier, +waarop zij gebruikt moeten worden; eveneens een teekening van de +onderaardsche gang, die naar den schat van den Hertog voert. Wreek +mij op hem. Gij wilt het beproeven, ik zie het aan uw gelaat,--als +gij slaagt, zal het een merkwaardige verrassing voor Alva zijn. Wat +zal hij aangaan, als hij in zijn leege schatkamer zijn roofgeld +niet meer vindt! De geheele tiende penning verdwenen, waarvoor hij +de gunst van zijn koning op het spel heeft gezet, waarvoor hij de +Nederlanden al die jaren heeft onderdrukt. Geen goud voor Alva--geen +goud--ho! ho!--ha! ha!--hi! hi!" en hij barst uit in een afschuwelijk +wanhopig gelach,--zijn laatsten lach op aarde. + +Juist op het oogenblik, dat Guy een klein pakje van hem aanneemt, +zorgvuldig in perkament gewikkeld, wordt de deur opengeworpen en +komen Treslong, De Rijk en eenige andere Geuzen het vertrek binnen. + +"Het is tijd!" roept de admiraal. + +"En gij kent dus geen genade?" zegt de Italiaan. + +"Niet, als het een gunsteling van Alva betreft. Wij behandelen u met +dezelfde genade, die uw meester ons heeft betoond." + +En zij grijpen hem aan en sleepen hem naar buiten, terwijl hij +wanhopend uitroept: "Gun mij den dood van een edelman,--niet de galg, +maar het zwaard. Ik ben evengoed edelman als Egmont en Hoorne,--ik +wil sterven door het zwaard, waarop een edelman recht heeft." + +Maar het noemen van de namen van Egmont en Hoorne heeft juist een +verkeerde uitwerking; het vermeerdert nog de woede tegen Paciotto en +men duwt hem naar buiten op het plein voor het stadhuis. Daar staat +de ladder tegen de galg, waaraan reeds de twee officieren, die hem +vergezelden, bengelen; hij werpt wanhopige blikken op Chester en +mompelt: "Vergeet niet mij te wreken." + +En zoo beklimt Paciotto, de bekwame ingenieur, onder het gelach van de +spottende bende Watergeuzen, de ladder, met het kruis aan zijn lippen, +en al hangt men hem op als een hond, toch sterft hij als een edelman +en een goed Katholiek. + +Doch Guy heeft nauwelijks oogen voor den doodsstrijd van den +ongelukkige. Hij ziet enkel Alva's schatten, alles wat de Hertog +aan belastingen den Nederlanders heeft afgekneveld,--de onmetelijke +rijkdommen van den vader, die hij wil veroveren als bruidsschat van +de dochter. + + + + + +HOOFDSTUK XI. + +MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG. + + +Chester is er de man niet naar, om enkel naar Alva's schatten te +haken, en geen middelen in het werk te stellen, om ze in zijn bezit +te krijgen. Zoo spoedig mogelijk begeeft hij zich weer aan boord van +de _Dover Lass_ en sluit zich terstond op in zijn hut, om het pakje +te onderzoeken, dat hij van Paciotto heeft ontvangen; nu hangt deze +ongelukkige man als voedsel voor de raven op de markt te Vlissingen. + +Nadat hij het zorgvuldig in perkament gewikkelde pakje heeft geopend, +komen er drie teekeningen uit te voorschijn van drie groote sleutels +in hun natuurlijke grootte en afmeting, genummerd met de cijfers 1, 2 +en 3. Buitendien bevat het pakje een aanwijzing voor hun gebruik. Deze +luidt: + +"Gebruik voor de eerste deur achtereenvolgens de sleutels 1, 2 en 3. + +"Voor de tweede deur de sleutels 3, 2 en 1. + +"Voor de derde deur eerst nº. 2, daarna nº. 1 en ten slotte nº. 3. + +"Gebruik ze precies in de genoemde volgorde. Elke willekeurige +verandering daarin kan de sloten onbruikbaar maken." + +Behalve dit, is er nog een schets van de gang naar de Citadel, waarop +eveneens is aangegeven de sluis, die in verbinding staat met het +standbeeld van Alva, en hoe het mechanisme van de sluis onbeweegbaar +kan gemaakt worden, zoodat, al wordt het standbeeld vernield, het +water van de Schelde toch niet in de gang kan stroomen, om hen, +die daar aan het werk zijn, te doen verdrinken. + +Deze teekeningen en aanwijzingen zijn op het lichtste en fijnste +Italiaansche papier geteekend, zoodat haar volume zeer klein is en +zij gemakkelijk geborgen kunnen worden. + +Guy maakt van alles een nauwkeurige kopie en bergt deze weg in zijn +stevige kist in de hut van de _Dover Lass_. Het oorspronkelijke +document steekt hij bij zich. + +Daarna gaat hij overleggen, wat hem te doen staat. Het is niet alleen +noodig, dat hij eenigen tijd naar Antwerpen gaat, om de sleutels +te laten maken bij een bekwamen slotenmaker, maar hij moet ook een +schip met bemanning bij zich hebben, dat in staat is, den buit weg +te voeren, nadat hij er zich van heeft meester gemaakt. Een bezoek +aan Antwerpen op zichzelf is reeds gevaarlijk. Een gedeelte van zijn +bemanning mee te nemen op een schip en daar in de haven te gaan liggen, +schijnt hem niet raadzaam. + +Hij komt eindelijk, nadat hij de onderneming van alle kanten heeft +bekeken (want hij wil er zelfs niet met Dalton over spreken, die +anders geheel te vertrouwen is), tot het volgende vindingrijke +besluit. Hij wil zich met behulp van de _Dover Lass_ meester maken +van eenige Spaansche koopvaardijschepen, totdat hij er een aantreft +met een kapitein, die nooit in Antwerpen is geweest, maar nu op +weg is naar die stad. Als hij van het schip bezit heeft genomen, +zal hij den kapitein en de bemanning wel zóó doen verdwijnen, dat +zij nooit weer te voorschijn komen. Hijzelf wil zich vermommen en den +naam van den kapitein van het schip aannemen. Uit zijn bemanning zal +hij slechts diegenen kiezen, die het meest op Spaansche en Vlaamsche +pikbroeken gelijken, en daarna met het schip naar Antwerpen zeilen, +hiertoe de papieren en de stukken van de Spaansche haven gebruikend, +en zijn lading afleveren aan haar bestemming, alsof hij de kapitein +van het schip was. Terwijl zijn schip wordt gelost, kan hij zich +waarschijnlijk (met behulp van Antony Oliver, als deze tenminste in +de stad is) meester maken van den schat van den Hertog, zijn schip +er mee bevrachten en tegelijkertijd lading innemen voor een haven, +waarheen hij door Antwerpsche kooplieden zal gezonden worden. + +En als hij dan opnieuw in de open zee zal zijn gekomen, is hij van plan +naar Engeland te zeilen en zijn schat met hetzelfde recht aan land te +brengen, als waarmee Drake, Hawkins en andere Engelsche vrijbuiters +hun buitgemaakte staven goud uit Spaansch-Indië daarheen voeren. Daar +zal hij zeggen, dat Alva's goud afkomstig is van een prijsverklaard +galjoen en Elizabeth de tien percent, waarop zij aanspraak maakt, +betalen, de gebruikelijke belasting op zulk een buit. + +Een uur, nadat hij dit besluit heeft genomen, is de _Dover Lass_ +onder zeil naar den open oceaan, en gedurende de volgende dagen +neemt het kleine schip twee of drie schepen, die op weg waren naar +Antwerpen. Doch geen van alle zijn geschikt voor zijn doel. Hij hoort +de kapiteins van die schepen uit en verneemt, dat zij reeds vroeger +te Antwerpen zijn geweest, of dat sommige hunner matrozen familie +of vrienden in die stad hebben, of er is iets in de scheepspapieren, +dat ze onbruikbaar voor hem maakt. + +Daarom brengt hij deze schepen naar Vlissingen en verkoopt schepen en +lading voor een appel en een ei in die stad, welke nu goed bewaard +is in de handen van den prins van Oranje; de vlag van dezen prins +wappert nu reeds van verscheidene torens in de Nederlandsche steden, +doch sommige van deze worden daarvoor later wreed gestraft, en hun +inwoners allen over de kling gejaagd,--mannen, vrouwen en kinderen. + +Het geld, dat hij ontvangt voor den gedwongen verkoop van deze gestolen +goederen, is nauwelijks een tiende van hun waarde, want het geld is +zeer schaarsch in de Nederlanden, sinds de invoering van den tienden +penning, maar het is voldoende voor hetgeen Chester zich voorstelt +in Antwerpen te doen. + +Dit alles rooft echter tijd en reeds is er een maand verloopen, +sedert hij in het bezit is van Paciotto's geheim, eer hij het karveel +_Esperanza_ buitmaakt, kapitein Andrea Blanco, wiens journaal aanwijst, +dat hij nooit te voren in Antwerpen is geweest, maar bijna altijd op +West-Indië gevaren heeft. Het gelukt hem na veel moeite van kapitein +Blanco te weten te komen, dat hij geboortig is uit Hispaniola en dat de +geheele bemanning nog nooit te voren in Vlaamsche wateren is geweest. + +Het schip is zeer geschikt voor zijn doel, daar het een stevige bark +is van ongeveer driehonderd ton, ofschoon niet te vergelijken met +de _Dover Lass_, en gewapend met zeven stukken geschut aan iedere +zijde. Het heeft zich dan ook eenigen tijd verdedigd tegen de _Dover +Lass_, wat in die bloedige tijden in den regel ten gevolge zou hebben +gehad, dat de bemanning meedoogenloos werd afgemaakt,--vooral wanneer +het belang van den veroveraar meebracht, zooals nu, om ze allen +daarheen te helpen, waar zij nooit iets over de Antwerpsche haven +zouden kunnen vertellen. + +Hoe rationeel hem dat ook toeschijnt, kan Chester er toch niet toe +besluiten, ze in koelen bloede te vermoorden. + +Hij roept daarom Dalton en zegt: "Het is noodzakelijk, dat ik +persoonlijk het bevel op mij neem over ons prijsgemaakt schip, de +_Esperanza_, mij uitgeef voor haar kapitein en met dertig mijner +manschappen naar Antwerpen zeil." + +"Naar Antwerpen gaan?" roept Dalton verbaasd uit. "Naar den duivel +gaan? En wie zal u daarheen willen volgen?" + +"Gij, als ik het u vroeg, Dalton," antwoordt zijn commandant. "Roep +de bemanning." + +En als zij allen vóór de groote mast staan, overziet Chester de honderd +vijf en twintig matrozen van de _Dover Lass_, brutale vechtersbazen, +tot den kok en den kajuitsjongen incluis, en spreekt hen kort en +bondig toe: "Nu, jongens, heb ik een karreweitje voor je, iets dat +je zal aanstaan--waarbij heel wat buit is te behalen. Daarvoor moet +ik dertig man hebben, die met mij op de _Esperanza_ naar Antwerpen +willen zeilen. Als wij niet slagen, weet gij vooruit, wat Alva met +ons zal doen. Dat zal niet malsch zijn. Als ik slaag, krijgt ieder +van de matrozen van de _Dover Lass_ twintig goudstukken, gij, Dalton, +tweehonderd en de andere officieren naar verhouding. Doch ieder, +die met mij op de _Esperanza_ gaat, krijgt er twintig extra voor het +waagstuk, en het gaat op leven en dood, daarom dwing ik niemand. Zij, +die lust hebben met mij dat avontuur te wagen, moeten op het halfdek +gaan staan." + +En in een oogwenk staan al de matrozen om hem heen op het halfdek, +terwijl Dalton uitroept: "Neem mij in 's hemels naam mee, +commandant. Ik laat u niet alleen gaan." + +Doch Chester antwoordt: "Het is noodzakelijk, dat gij het bevel +over de _Dover Lass_ op u neemt," en hij kiest die mannen uit, +die het meest op matrozen van een koopvaardij schip lijken; hij is +zoo gelukkig, er zeven en twintig te vinden, die Spaansch spreken, +daar zij hier en daar, in West-Indië en in de Middellandsche zee, +wat van die taal hebben opgevangen. + +Daarom neemt hij deze zeven en twintig, onder aanvoering van Martin +Corker, die beweert, dat hij genoeg Spaansche halzen heeft afgesneden, +om het Spaansch vlot te kunnen spreken. + +Nadat dit geregeld is, neemt Chester Dalton mee in zijn hut en zegt +tot hem op ernstigen toon: "Luister naar mijn bevelen. Sla de geheele +bemanning van de _Esperanza_ in boeien. Zorg, dat niemand ontsnapt. Ga +dan spoedig onder zeil en zet ze aan land op de westkust van Ierland." + +"Wat! onder die bloeddorstige barbaren? Dan mag ik wel oppassen, +dat wij er het hachje ook niet bij inschieten," zegt Dalton. Want in +dien tijd was de Westkust een _Ultima Thule_, door iedere pikbroek +gevreesd, want geen schipbreukeling kwam er ooit van terug. + +"Keer terstond naar Vlissingen terug," vervolgt Guy, "zoodra gij u +van uw opdracht hebt gekweten. Wacht mij daar." + +"Doch als gij niet terugkomt?" + +"Dan zijt gij commandant van de _Dover Lass_. Maar ik kom wel +terug. Als gij echter iets om mijn leven geeft en om dat van de arme +drommels, die ik met mij neem, zorg dan dat niemand van de Spaansche +bemanning, het allerminst de kapitein, uit uw handen loskomt, totdat +gij hen hebt afgeleverd aan de O'Brien's, O'Toole's of een of ander +bloeddorstig Iersch opperhoofd, die hen tot zijn slaven zal maken en +uit wiens wilde klauwen zij evenmin zullen kunnen ontsnappen, als de +negers, die in Afrika werden gestolen, dit in West-Indië kunnen doen!" + +"Verlaat u op mij. Geen der knoflooketende Dons ziet zijn moeder ooit +terug. Als ik gevaar mocht loopen, dat een Spaansch oorlogsschip mijn +schip nam, dan overboord met hen," zegt Dalton en laat zijn woorden +vergezeld gaan van een welsprekend gebaar. + +Daarna zet de _Dover Lass_ koers naar de Hebriden, de noordelijke +route naar Ierland nemend, om iedere ontmoeting met een Spaansch +oorlogsschip te vermijden. + +En Guy Chester, vermomd als kapitein Andrea Blanco, zeilt met zijn +zeven en twintig vrijwilligers, die al het mogelijke hebben gedaan, om +hun Engelsche afkomst te verbergen, op het schip de Esperanza onder de +Spaansche vlag, met Martin Corker aan het roer, naar den Scheldemond. + +Hij bereikt dien in den morgen, ontsnapt bij Vlissingen ternauwernood +aan de vervolging van zijn collega's, de Watergeuzen, en is in den +namiddag tot Fort Lillo genaderd. Hier vindt hij drie Spaansche +oorlogsschepen en veel bedrijvigheid; als hij wordt aangehouden door +een Spaansche patrouilleboot, vertoont hij zijn charterpapieren en +cognossement, aan de firma Jakobszoon en Olins, die hun kantoor hebben +in de Wolstraat, dicht bij de Engelsche kade te Antwerpen. + +Zijn stukken blijken in orde te zijn, en partij trekkende van den +vloed, laat Chester op een mooien dag in Mei, terwijl de ondergaande +zon den fraaien toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk verguldt, het +anker vallen voor Antwerpen, passeert ongemoeid het douanekantoor +en gaat met zijn cognossement en charterpapieren naar het huis van +Jakobszoon en Olins. + +"Hoezee! Gij zijt aan de plunderende Geuzen ontsnapt, mijn waarde +kapitein Blanco," roept de oudste firmant Jakobszoon uit, een blozend, +zwaarlijvig persoon. + +Jan Olins, een man met een net geschoren gelaat en deftige manieren, +merkt op: "Gij hebt er uw schip netjes doorheen gebracht. Als het +gouvernement deze Hollandsche vrijbuiters niet weet te verdelgen, +is het gedaan met den handel van Antwerpen." + +Daarop noodigen de twee heeren hun kapitein, die zich zoo flink +gehouden heeft, uit, om met hen te soupeeren. "Ga met ons mede," +zegt Jakobszoon, "het is juist de avond, waarop ik uitga. Wij zullen +een flesch drinken in _De Geschilderde Herberg_." + +Doch Guy heeft niet veel lust, om _De Geschilderde Herberg_ +te bezoeken, daar hij liever naar Antony Oliver gaat, en hij +verontschuldigt zich dus, onder voorwendsel dat hij naar zijn schip +moet terugkeeren. + +"Zoo, gij wilt dus aan boord slapen?" zegt de jongste firmant. + +"Waarschijnlijk wel," antwoordt de kapitein, "totdat ik mijn schip +veilig aan de kade heb liggen." + +"Nu, de _Engelentoren_ is anders een zeer goede herberg en niet ver +van hier," zegt Jakobszoon. "Zij ligt ook in de buurt van uw schip." + +"Dank u, ik zal het onthouden," en afscheid nemend van de twee heeren, +die zeer in hun nopjes schijnen te zijn over de aankomst van hun +schip en zich dientengevolge zeer gastvrij betoonen, staat Chester +weldra voor het geschilderde uithangbord van den barbier. + +Het is reeds avond, er brandt geen lamp in het voorhuis en hij wordt +niet herkend door Touraine, die hem binnenlaat. Hij vliegt de trappen +op en wordt, als hij aanklopt, tot zijn onuitsprekelijke vreugde, +terstond binnengelaten door Oliver. En tot zijn even groote vreugde +herkennen de scherpe oogen van den schilder hem niet. Antony is bezig +aan zijn altaarstuk. De ondergaande zon schijnt door het venster en +geeft leven en bezieling aan het gelaat en de goddelijke oogen van +Hermoine de Alva. Met de haast van den minnaar gaat de Engelschman +op het schilderij af. Op Oliver's angstige opmerking: "Wat is er van +uw dienst?" antwoordt hij niets, geheel verdiept als hij is in de +beschouwing van zijn beminde! + +"Wat is er van uw dienst, senor?" + +"O--ja! Hebt gij den laatsten tijd dikwijls duivenpastei +gegeten?" fluistert Chester ontwakend. + +"Morbleu!" roept de Vlaamsche artist uit. "Kapitein--neen, majoor +Guido Amati!" + +"Nu niet," zegt de ander kortaf, de deur sluitend, "maar Andrea +Blanco, kapitein van een Spaansch koopvaardijschip met huiden, +talk en Spaanschen wijn in cognossement aan Jakobszoon en Olins, +zijn lading lossende aan de Engelsche kade." + +"Maar toch mijn Guido," fluistert de schilder, en de levendige +Fransche Vlaming slaat zijn armen om Guy's hals en geeft hem naar +'s lands wijs twee hartelijke zoenen, op iedere wang één. + +"Is uw factotum hier?" vraagt de Engelschman een weinig brusk, want +hij is niet gesteld op zulk een teedere begroeting. + +"O, ik heb Achille vandaag vrijaf gegeven. Hij is beneden bij zijn +familie," zegt Oliver. "Doch wat brengt u hier? Mademoiselle Hermoine?" + +"Is zij hier--in Antwerpen?" roept Guy opgewonden uit, terwijl +zijn hart onstuimig begint te kloppen en zijn oogen schitteren van +verlangen. + +"Neen, zij is gelukkig in Brussel." + +"_Gelukkig_?" + +"Ja, omdat het u is aan te zien, dat gij alles zoudt trotseeren om haar +te spreken te krijgen, en dat met vijf duizend kronen op uw hoofd." + +"_Vijf duizend_?" + +"Ja--gij zijt onlangs in prijs gestegen. Alva heeft gehoord, hoe +gij de Geuzen op hem hebt afgezonden met kruit en kogels, om zich +met geweld te verschaffen, wat zij voor hun levensonderhoud noodig +hebben. Geen proviand, geen water, maar overvloed van kruit, hè? Dat +was een mooie poets, die ge hem hebt gespeeld. Doch koningin Elizabeth +heeft u opnieuw vogelvrij verklaard en Alva heeft laten afkondigen, +dat uw hoofd vijf duizend kronen waard is. Parbleu! wat haat hij +u! Als hij eens wist--" en de schilder barst in lachen uit en vervolgt +daarna ernstig: + +"Wat is de reden, dat gij dit geduchte waagstuk opnieuw onderneemt, +Guido?" + +"Grendel de deur en luister," fluistert de Engelschman. Als dit +gedaan is, begint hij op halfluiden toon: "Bij mijn laatste bezoek +hier maakte ik mij meester van de liefde van Alva's dochter. Bij dit +bezoek zal ik mij meester maken van al het goud, dat Alva door zijn +tienden penning heeft bijeengebracht." + +"Diable! gij zijt dol!" + +"Luister en oordeel of ik het ben," en een stoel krijgend, +vertelt Chester de vreemde geschiedenis van Paciotto's biecht en +_post-mortem_-wraak op den dictator der Nederlanden. + +Antony luistert vol aandacht naar zijn wonderbaarlijk verhaal en kan +zoo nu en dan een uitroep van verbazing niet onderdrukken. Aan het +einde gekomen, laat Guy de teekeningen van de sleutels zien en het +plan van de onderaardsche gang onder het bastion, en zegt: "Gelooft +gij het nu?" + +"Ja," antwoordt de schilder langzaam, "ik geloof u! Alva heeft zijn +troepen in den waan gebracht, dat het standbeeld dienst doet als zijn +schatkamer. Alva wist, dat Vlissingen het drie dagen zou uithouden, +alvorens zich over te geven. Hij heeft dus Paciotto opzettelijk +daarheen gezonden. Ik geloof u!" + +"Dan," zegt Guy, "krijgt gij een derde gedeelte van Alva's geld, +als gij het mij helpt buitmaken." + +"Van harte gaarne!" antwoordt Oliver vol vuur. "Mijn deel zal voor mijn +vaderland bestemd zijn, niet voor mijzelven. Ik zal Alva beoorlogen +met zijn eigen tienden penning. Maar gij hebt zeker honger." + +"Neen, ik heb aan boord gegeten." + +"Oho, verliefden hebben geen honger!" + +"Zoo is het. Maar hoe gaat het haar? Gij zijt in Brussel geweest--hoe +maakt zij het?" + +"Ja, ik ben eerst twee dagen geleden weer thuis gekomen," antwoordt +de schilder zuchtend. "Ik wilde nog de laatste hand leggen aan mijn +altaarstuk, eer ik ten strijde ga." + +"Gij ten strijde?" + +"Ik moet. Kan ik, nu al de Nederlandsche gewesten naar de wapenen +grijpen, rustig thuis blijven? En buitendien, mijn positie wordt +met den dag gevaarlijker. Ik zal weldra moeten vluchten. Nom de +Dieu, het ging laatst bij het walletje langs," vervolgt Oliver, +"het was op den dag, toen de tijding kwam, dat de Watergeuzen den +Briel hadden ingenomen." + +"Hoe? Waart gij in gevaar?" + +"Oordeel zelf. Gij weet, dat deze belasting iedereen te gronde +richt. De bakkers willen niet meer bakken, de slagers niet meer +slachten, het volk wil geen handel meer drijven. Dit beviel Zijne +Hoogheid Alva slecht; hij zond dus om zijn beul en beval hem, achttien +stroppen en evenveel ladders van twaalf voet lengte te maken en +de achttien voornaamste bakkers van Brussel in hun eigen deurpost +op te knoopen, als een waarschuwend voorbeeld voor de anderen, om +terstond met bakken te beginnen. Dienzelfden avond kwam het nieuws +van de inneming van den Briel en redde hen, want die tijding bracht +de hoofdstad in opschudding en Alva's gedachten werden er zoo geheel +door in beslag genomen, dat hij de bakkers vergat. 's Morgens zond +hij dadelijk om mij. 'Oliver,' zeide Zijne Hoogheid, 'zoek mij den +kerel, die dat heeft vervaardigd.' En hij duwde mij een caricatuur van +zichzelven, waarop hij gejaagd naar zijn bril zoekt, onder den neus, +met het onderschrift: + + + + 'Op den eersten van April + Verloor duc d'Alf zijn bril.' + + + +'Deze schandelijke en brutale caricatuur,' vervolgde Zijne +Hoogheid, 'heeft men aangeplakt gevonden tegen mijn paleis. Gij +moet den verwenschten kladschilder zoeken.' 'Hoe kan ik dat, Uwe +Hoogheid?' stamelde ik. 'Dat kunt gij beter dan iemand anders. Gij +zijt een kunstenaar,' snauwde de Hertog. 'Ik laat mij hangen, als de +schurk niet denzelfden stijl van teekenen heeft als gij. Hij moet +onder denzelfden meester gewerkt hebben. Gij moet dien oproerling, +dien kladschilder vinden!' Zoo ging ik heen, doch mijn knieën knikten, +want die schilder was ikzelf! Maar ik zit op gloeiende kolen, ik +kan dat niet langer uithouden, ik ben van plan te gaan vechten--en +misschien te sterven, maar als een man, met het zwaard in de vuist, +niet als een misdadiger op de pijnbank." + +"En Dona Hermoine," viel Guy hem in de rede, "wat zeide zij er van?" + +"Waarvan?" + +"Van het nieuws van de inneming van den Briel?" + +"Ik geloof, dat zij daar in het geheel geen notitie van genomen +heeft. Die jonge dame denkt aan niets anders dan aan raouts en +feesten," antwoordt de schilder, "en bemoeit zich niet met politiek. En +dan heeft zij een vurigen aanbidder in generaal Noircarmes--" + +"Alle duivels!--heeft zij mij vergeten?" buldert de Engelschman. + +"Neen, ik denk eer, omdat zij veel aan u denkt." + +"Hoezoo?" + +"Wel, de eerste weken, nadat gij weg waart, was zij altijd zeer +opgeruimd; er was aan Alva's hof geen tweede gelaat, dat zoo straalde, +geen tweede paar oogen, dat zoo schitterde, niemand, die zooveel geest +ten toon spreidde, en er zijn vele schoone vrouwen in Brussel. En +toen--" + +"Nu, wat toen?" + +"Toen werd zij treurig en had blijkbaar verdriet." + +"Wat was de reden daarvan? Weet gij het niet?" + +"Ja, ik vermoed het." + +"Wat dan?" + +"Gij!" + +"Ik?" + +"Ja. Er kwam bericht uit Middelburg, dat uw gedrag veel te wenschen +overliet, mijn jongen," zegt Oliver, inwendig lachend. + +"Mijn gedrag veel te wenschen overliet?" + +"Zeer veel," lacht Oliver. "Het rapport luidde, dat bij de ontvangst +van zijn bevordering, majoor Guido Amati eenige dagen aan den rol +ging en zich bezondigde aan allerlei uitspattingen." + +"Goede hemel! Die ellendige schurk!" + +"Dat is hij," stemt Oliver toe. + +"Hij--hij zal mij nog in het verderf storten! Zij zal mij voor een +ondankbaren ellendeling houden! Vervl....! dat mijn goede naam moet +afhangen van dien dronkaard, dat verloopen sujet!" roept Guy woedend +uit. "Wat zal ik doen? Geef mij raad, Oliver. Ik moet naar Middelburg +en hem naar de andere wereld zenden, eer hij mij van alle hoop op +geluk berooft." + +"Dat zou ik niet doen," lacht Oliver, "want als gij majoor Guido +Amati doodt, zal Hermoine de Alva in den rouw gaan." + +"In den rouw over hem?" + +"Neen, over u. Als ik mij niet vergis, heeft zij u innig lief. Doch +uw gedrag, mijn beste jongen, maakt haar diep ongelukkig." En de +schilder kan zich niet meer inhouden, maar barst in lachen uit en +zegt op spottenden toon: "Diable, ik zie u al, boete doende voor +de zonden van majoor Guido Amati aan de voeten van uw beminde! Kom, +laten wij nu gaan soupeeren." + +"Ik kan niet eten. Lach mij niet uit." + +"Waarom niet? Als Hermoine zich het gedrag van den wilden majoor Guido +Amati niet aantrok, dan was er reden, om uw eetlust te verliezen. Als +Dona Hermoine de Alva ophoudt belang te stellen in het doen en laten +van majoor Guido Amati, dan eerst is het tijd voor Guy Chester om +wanhopig te worden." + +"Als gij de zaak van dien kant beschouwt, hebt gij gelijk, en ik zal +dus maar met u gaan soupeeren," antwoordt Guy, weer moed scheppend. + +En het tweetal verlaat Oliver's woning, niet om naar een der groote +herbergen van Antwerpen te gaan, maar naar den dichtbijgelegen +_Engelentoren_, waar hun niet veel bijzonders wordt voorgezet, ofschoon +Guy nu eensklaps een goeden eetlust krijgt--ondanks de slechte keuken +en den zuren wijn. + +In Oliver's woning teruggekeerd, gaan zij beraadslagen over de zaak, +die Guy in de stad zijner vijanden heeft gebracht, en maken het +volgende plan. Chester zal op de gewone wijze zijn schip gaan lossen, +terwijl Oliver de noodige inlichtingen zal zien te verkrijgen en de +sleutels zal laten maken. + +"Het is niet raadzaam, ze alle drie bij denzelfden slotenmaker te +laten vervaardigen. Ik zal een kopie van deze teekeningen maken, en +wel van iederen sleutel op een afzonderlijk stuk papier. Gij bewaart +de oorspronkelijke teekeningen. Ik breng de teekening van nº. 1 naar +een slotenmaker, dien ik ken, de teekening van nº. 2 naar een in een +ander gedeelte der stad. Neen, het is nog beter, dat ik de twee andere +sleutels elders laat maken, daar de verschillende slotenmakers in de +stad er met elkaar over zouden kunnen spreken, want het zijn vreemde +sleutels en zij zullen veel geld kosten." + +"Dat komt er niet op aan," zegt Guy, "ik heb geld genoeg." + +Zij spreken dus af, dat een van de sleutels in Antwerpen, een in +Mechelen en een in Brussel zal worden gemaakt. Antony zal ook onderzoek +doen naar het huis bij de Esplanade en zien, of het er uitziet, +zooals het beschreven is en of de oude doofstomme Spaansche vrouw er +nog woont. "Ik vertrek onmiddellijk naar Brussel, om een der sleutels +te laten maken en den tweeden geef ik in Mechelen," zegt Oliver. + +"Laat mij naar Brussel gaan," zegt Guy levendig. "Gij hebt hier genoeg +te doen." + +"En gij dan niet?--moet uw schip niet gelost worden? En buitendien," +antwoordt Antony, "is het niet om den sleutel, dat gij naar Brussel +wenscht te gaan. Het is om Hermoine de Alva." En hij vervolgt +op ernstigen toon: "Laat zij doen wat zij wil, of denken wat zij +wil, maar zoek haar in Godsnaam niet op, eer wij dit zaakje hebben +opgeknapt. Als men argwaan tegen u opvat, is alles verloren. Vergeet, +dat gij majoor Guido Amati de Medina zijt, een lichtzinnig soldaat +en de minnaar van de dochter van den Onderkoning; wees enkel Andrea +Blanco, een eenvoudig koopvaardij-kapitein, die alleen belang stelt +in grog en chartergeld; begin morgen vroeg uw schip te lossen." + +"Vooruit dan maar," zucht Guy, die moet erkennen, dat de raad van +den schilder verstandig is, al is hij ook niet naar zijn smaak. "Ik +zal terstond aan boord gaan." + +"Dat kunt gij niet. Gij moet vannacht bij mij blijven. De poorten zijn +gesloten, en er is geen jonge dame bij de hand, om u het wachtwoord te +geven of u een gouvernements-barge aan te bieden, om u veilig buiten +Antwerpen te brengen!" lacht Oliver en voegt er ernstiger aan toe: +"Tête Dieu! gij zijt toen den dans nog maar even ontsprongen. Het +was bekend geworden, dat gij hier waart. Alleen Alva's dochter kon +u nog redden. Onthoud, dat Hermoine de Alva u, en misschien ook mij, +dien nacht behoed heeft voor den brandstapel of de galg. En nu vijf +duizend kronen op uw hoofd,"--de schilder zucht. + +Maar ondanks deze sombere herinneringen, brengen de beide jonge mannen +een genoeglijken avond door bij een flesch wijn in het atelier van +den schilder, en spreken over Antony's altaarstuk, dat zoo goed als +af is. De mooie oogen van Hermoine de Alva kijken haar Engelschen +minnaar aan, alsof zij hem opnieuw welkom heeten in de stad zijner +vijanden--maar toch ook de stad zijner liefde. + + + + + +HOOFDSTUK XII. + +"BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN." + + +Den volgenden morgen gaat ieder aan zijn werk. + +Chester is reeds vroegtijdig aan de kade, daar hij de een of andere +onbescheidenheid zijner matrozen vreest, die niet bekend zijn met +de manieren van een koopvaarder, en begint zijn lading te lossen met +een spoed, die zijn geconsigneerden best aanstaat. + +Jan Olins komt persoonlijk aan boord om toezicht te houden en klopt Guy +op den schouder, zeggende: "Wij zijn zeer over u tevreden," vervolgens +gaat hij in het ruim en onderzoekt zorgvuldig de geheele lading, +tot groote verbazing van Guy, die geen koopvaardij-kapitein is, maar +hij breekt er zich toch niet lang het hoofd mee, in de onderstelling, +dat dit zoo de gewoonte van de kooplieden is. + +'s Middags ziet hij tot zijn verwondering Olins met Niklaas Bodé +Volckers op het schip afkomen, en uit vrees, dat de vader van de +schoone Mina, die hem eens gastvrijheid verleende, hem zal herkennen, +neemt hij de vlucht in zijn hut en grendelt de deur. + +Gelukkig komen zij niet aan boord, zij kijken enkel naar het schip, +en gaan spoedig weer heen. + +Een oogenblik later wandelt Chester de stad in, om Oliver op te zoeken. + +Deze heeft hem het volgende mede te deelen: + +"Er bestaat een huis, zooals Paciotto heeft beschreven, een oud kavalje +in een beruchte buurt. Het wordt bewoond door een doofstomme oude +Spaansche vrouw, senora Sebastian geheeten, maar door de zeelieden, +wien zij huisvesting verleent (haar huis is vlak bij de dokken), +in de wandeling 'de Stomme Duivelin' genaamd, bekend wegens haar +boosaardig karakter." + +"Dat komt uit, ik wil er terstond eenige mijner manschappen heensturen, +om ze er te laten logeeren," zegt Guy. + +"Nog niet, niet voordat wij de sleutels hebben. Laat uw mannen haast +maken met het lossen. De sleutel nº. 1 is reeds besteld. Nº. 3 breng +ik morgen naar Brussel en ik laat nº. 2 onderweg te Mechelen. Zie +intusschen zoo spoedig mogelijk uw lading aan wal te brengen." + +"Hoe lang moet gij in Brussel blijven?" + +"Totdat de sleutel klaar is, waarschijnlijk vijf dagen," antwoordt +Oliver. + +"Zoo lang? Gij weet, dat spoed een eerste vereischte is. Ik zal zorgen, +dat mijn schip tegen dien tijd gelost is." + +"Het zal niet eerder gaan. De slotenmaker hier zegt, dat hij vier +dagen noodig heeft. Dientengevolge duurt het vijf dagen eer ik uit +Brussel met de andere terug ben. En buitendien," zegt de schilder, +"heb ik heden met een postduif een brief van Lodewijk van Nassau +gekregen, die het noodig maakt, dat ik eenige inlichtingen tracht in +te winnen in de hoofdstad. Alle steden in Holland, behalve Amsterdam, +zijn opgestaan--en nu tracht Lodewijk van Nassau tegelijk een aanval +in den rug te doen. Het zou een schande zijn, als al de Nederlanden +naar de wapenen grepen en Bergen, mijn geboorteplaats, nog aan Alva's +zijde bleef." + +"Meent gij, dat Antwerpen dus ook zal opstaan?" + +"Neen, noch Antwerpen, noch Brussel; het Spaansche garnizoen is in +beide steden te sterk, doch het wordt van dag tot dag zwakker. Wat ik +zeggen wilde, ik zag onzen vriend, den kleinen Busaco, dezen middag +met zijn compagnie naar het Noorden trekken." + +"Dan wordt voor Antwerpen de kans toch ook gunstig." + +"'t Mocht wat! Antwerpen denkt slechts aan zijn handel. Handel is +de dood voor vaderlandsliefde. De burgers verlangen niets anders +dan met rust gelaten te worden in het belang van hun handel. Maar +geloof mij, deze stad zal meer lijden dan iedere andere stad in de +Nederlanden. Antwerpen wil onzijdig blijven en zal dientengevolge +van beide kanten worden aangevallen. Maar ik moet naar de familie +Bodé Volckers." + +"Ah! De schoone Wilhelmina!" lacht Guy. "Ik zou gaarne met u gaan, +maar de losbol Guido Amati, verschijnende in de gedaante van Andrea +Blanco, kapitein van een koopvaardijschip, zou Niklaas Bodé Volckers +de oogen wel eens kunnen openen. Maar gij staat op heete kolen. Dus +goedennacht en--vaarwel." + +"Ja, ik moet Mina spreken. God weet, wat mij in Brussel kan +overkomen. Ik moet echter ook voor u zorgen. Beloof mij, Guido," +en er klinkt angst uit zijn stem, "dat indien gij hier niet kunt +slapen, gij tenminste iederen avond en iederen morgen zult komen, +om te zien, of de postduiven bericht van mij hebben gebracht. Ik zal +zes duiven meenemen. Gij weet, dat het schelletje het teeken geeft, +als de duiven de til binnen zijn gevlogen. Zij kunnen u nog van dienst +zijn voor uw veiligheid--voor uw leven, want God weet, hoe spoedig +Alva's wantrouwen tegen mij wordt opgewekt." + +Zij nemen nu afscheid, na elkaar hartelijk de hand geschud te hebben. + +Den volgenden morgen verlaat de schilder de stad, Achille met zich +nemend, om de zes duiven te dragen, en Guy haast zich met het lossen +van het schip. + +Hij is daar drie dagen mee bezig en neemt alle mogelijke +voorzorgsmaatregelen. Niemand mag het schip 's nachts verlaten. Niemand +mag een droppel sterken drank, wijn of bier drinken, want allen +weten, dat hun leven gevaar loopt bij de minste onvoorzichtigheid, +en de koelbloedigste huivert, als hij denkt aan den dood, die hem van +Alva wacht. Zelfs Corker, die de onverschrokkenheid in persoon is, +vertelt zijn commandant, dat hij zenuwachtig is en niet kan slapen. + +"Het heeft er veel van," zegt de oude zeerob, "alsof iemand mij de +keel dichtknijpt. Soms heb ik een gevoel, alsof ik zou stikken, en +Bill Chucksin deed ons den vorigen nacht wakker schrikken door te +schreeuwen: 'In Godsnaam, verbrand mij niet levend!' Het heeft een +slechte uitwerking op de equipage." + +"Neen, een goede," zegt Guy. "Ik heb opgemerkt, dat zij allen vandaag +zeer voorzichtig zijn geweest." + +Vervolgens wendt hij zich tot den bootsman en beveelt: "Zeg den +jongens, dat zij, als ik slaag, ieder twee horloges mogen koopen, +voor ieder horlogezakje één--wat voor de kooplui een fortuintje zal +zijn. Schiet gij goed op met het lossen, José?" + +"Dat gaat best, senor capitan Blanco," antwoordt de aangesprokene +met een blik van verstandhouding. "Het ruim komt morgen vroeg geheel +leeg, en dan moeten wij het dek nog schoonmaken. Daar komt een van uw +geconsigneerden aan, senor capitan Blanco," en met een paar Spaansche +woorden verdwijnt de bootsman, want hij is er niet op gesteld, +bezoekers te ontmoeten. + +Guy ontvangt met gefronste wenkbrauwen zijn geconsigneerde, die de +loopplank overstapt. Het is de vierde dag, hij heeft niets van Oliver +gehoord en hij maakt zich dus zeer ongerust. + +"Slaapt gij gewoonlijk aan boord?" vraagt Jan Olins, na de +gebruikelijke begroeting, aan zijn kapitein. + +"Neen, aan land. Soms in de herberg, die gij mij hebt aanbevolen, +en soms bij een vriend, een schilder." + +"Welnu gij zult mij zeer verplichten, als gij vannacht aan boord +wilt blijven. Gij kunt de stad niet verlaten, nadat de poorten +gesloten zijn." + +"Het is goed. Wat kan ik voor u doen?" + +"Ga met mij mee naar uw hut en ik zal het u zeggen," antwoordt de +Vlaming. En als zij de deur van de hut gesloten hebben, fluistert +Olins: "Onder den dubbelen vloer van deze hut, hebt gij, zooals +gij weet, twaalf kisten met goederen, die niet in de factuur zijn +aangegeven." + +Dit weet Guy _niet_, maar hij houdt zich alsof hij het weet. + +"Deze kisten moeten vanavond laat aan wal worden gebracht en niet +naar ons pakhuis vervoerd, maar naar een plaats, die ik u zelf zal +aanwijzen." + +"Vanavond, als het donker is?" + +"Ja, laat in den avond. De maan gaat om tien uur onder. Elf uur is +de geschiktste tijd. Zeg uw mannen, dat zij per hoofd twee gulden +extra krijgen en gij het gewone tarief." + +"Wat is het tarief voor smokkelen hier in de haven van +Antwerpen?" vraagt Guy. + +"Stil! wij noemen dat zoo niet, wij noemen dat eenvoudig den tienden +penning ontduiken," antwoordt de koopman op halfluiden toon. "Gij +krijgt honderd gulden voor uw deel in de zaak." + +"Geef mij dan uw hand op die honderd gulden, mijn waarde heer," +antwoordt Guy, die wel weet, dat, als hij niet op het voorstel ingaat, +men terstond zal merken dat hij geen koopvaardijkapitein is. + +"Zeer goed, die zaak is dus in orde," fluistert Olins en slaat zijn +hand in Guy's uitgestrekte vingers, waarna hij weer aan land gaat. + +Als hij alleen is, begint Guy te lachen: "Ik wil toch weten, wat ik +smokkel," en een man van de daad zijnde, beurt hij terstond een plank +in den vloer van zijn hut op en maakt een der kisten open. + +Als hij den inhoud heeft onderzocht en de kist weer secuur heeft +weggeborgen, begint de Engelschman zacht te fluiten,--mijnheer Jan +Olins is in zijn achting gerezen. + +Daarna begeeft hij zich naar Oliver's atelier; hij komt onopgemerkt +binnen, want de schilder heeft hem de sleutels gelaten, en trekt het +gordijn weg van Antony's altaarstuk om het gelaat te beschouwen van +haar, die hij zoo vurig verlangt te zien. Doch nauwelijks vestigt +hij zijn blikken op de schoone oogen van Madonna Hermoine, of het +geklapwiek van vleugels boven hem, herinnert hem aan het eigenlijke +doel van zijn komst. + +Hij klimt haastig naar boven en als hij de til onderzoekt, vindt hij +er tot zijn verwondering alle zes duiven, doch zonder brieven. + +Op den terugweg naar het schip, houden zijn gedachten zich hiermee +voortdurend bezig, en hij kan het niet anders verklaren, dan dat de +vogels bij ongeluk moeten zijn ontsnapt en naar huis teruggevlogen. + +Dien avond brengt Guy, met behulp van Corker en eenige zijner matrozen, +op persoonlijke aanwijzing van Jan Olins, de twaalf kisten, waarvoor +geen belasting is betaald, in het geheim en ongehinderd naar een +groot pakhuis. + +Alles gaat tot zoover goed, maar als zij het pakhuis verlaten, kijkt +Guy bij toeval rond en ziet bij de lantaarn, die Olins draagt, om hen +bij te lichten, den naam van Niklaas Bodé Volckers in groote letters +boven den ingang en bemerkt nu ook diens zoon, Jakob, die blijkbaar +op de goederen heeft staan wachten en in gesprek is met Jan Olins. + +"Zoo, zoo!" denkt de Engelschman. "Als ik Bodé Volckers eens mocht +noodig hebben, dan heb ik hem dus in mijn macht, ofschoon ik nu nog +niet weet, hoe hij mij zou kunnen helpen." + +Daarna keeren zij behoedzaam naar de _Esperanza_ terug, onopgemerkt +en ongehinderd, ofschoon de patrouille-booten op haar post zijn, +maar de nacht is zeer donker en zoo worden zij niet gezien. Olins +gaat mee aan boord, om daar te overnachten, daar hij niet voor het +aanbreken van den dag de stad kan binnenkomen. + +Hij vertrekt den volgenden morgen vroeg, terwijl Chester nog slaapt, +ofschoon wat onrustig wegens het leven, dat de matrozen maken, als +zij het dek wasschen. + +Een oogenblik later ontwaakt Guy, om tot de ontdekking te komen, +dat hij terstond de hulp van een inwoner van Antwerpen noodig heeft, +om zijn leven te redden. + +"Er is een jongen aan boord gekomen, commandant. Hij zegt, dat +hij een brief voor u heeft," fluistert de bootsman hem in het oor, +"daarom nam ik de vrijheid, u te wekken." + +"Hm!" + +"Hij zegt, dat er haast bij is." + +"Wat voor een jongen?" + +"Een Fransche." + +"Achille!" en Chester, geheel wakker, springt op van zijn legerstede, +en beveelt: "Zend hem terstond hier!" + +Het is Achille met een brief van Oliver. + +"Gij zijt kapitein Andrea Blanco?" vraagt de jongen. + +"Ja." + +"Dan moet gij dit terstond lezen," zegt de jongen en overhandigt +hem het briefje, dat de sporen draagt van in groote haast te zijn +geschreven. Het heeft geen adres, maar is van Oliver's hand en luidt: + +"Vlucht! vlucht spoedig!--in Godsnaam!--Red uw leven en dat van den +jongen, die u dit brengt. Hij is mijn leerling,--zij zullen hem op de +pijnbank brengen. Het zwaard valt neer op mijn hoofd. Ik heb slechts +tijd om te zeggen: God zegene u. Vaarwel." + +"Wie gelastte u, mij dit te brengen?" vraagt Guy, met bevende lippen +en doodsbleek gelaat. + +"Hij zeide mij--" + +"Hij!--Wie?" + +"Monsieur Oliver; hij zeide mij, dat ik een duif moest krijgen," +vertelt de jongen, "en ik ging naar het hok, en op de een of andere +manier--want ik haastte mij--liet ik de deur open, en zij vlogen alle +weg. Ik ging dadelijk naar hem toe, om het hem te vertellen." + +"En hij?" + +"Ik denk, dat hij ziek was. Want hij schreeuwde: 'Mon Dieu, wat hebt +gij gedaan?' En toen zeide hij: 'Gij hebt de duiven laten vliegen, +nu moet gij een brief wegbrengen--Miséricorde! mijn vriend!' Daarna +gaf hij mij geld voor een paard en beval mij, zoo hard te rijden als +ik kon, om gisteravond vroeg genoeg hier te zijn, teneinde de stad +binnen te komen, eer de poorten gesloten werden, en dit te geven +aan kapitein Andrea Blanco op het schip _Esperanza_. En dan te doen, +wat hij mij zou zeggen." + +"Als dat zoo is, waarom zijt gij dan vannacht niet hier +gekomen?" vraagt Guy op barschen toon. + +"De stalhouder had mij met het paard bedrogen, die verwenschte +kerel!--het beest was kreupel en ik kwam zoodoende eerst aan de +Keizerpoort, toen zij juist gesloten werd, en ik heb den geheelen +nacht thuis moeten wachten, maar ik heb den brief hier gebracht, +zoodra de poorten weer open waren. Doch gij zijt niet kapitein Andrea +Blanco, gij zijt kapitein Guido Amati," voegt Achille er aan toe, +die Guy met nieuwsgierige blikken heeft aangekeken, al den tijd, +dat hij in de hut was. + +"Beiden." + +"Dat is zonderling." + +"Breek er u het hoofd maar niet mee, of het zonderling is of niet," +zegt Chester op zulk een brusken toon, dat de Fransche jongen er +geheel door overbluft is. "Ga zitten!" + +"Ik--ik zou liever naar huis gaan om te ontbijten," brengt Achille +zenuwachtig uit. + +"Blijf hier, gij kunt met mij ontbijten, doe slechts, wat ik u zeg. Dat +is wat u meester u gelastte." + +Achille durft niet anders dan gehoorzamen en dit wordt hem gemakkelijk +gemaakt door een overvloedig ontbijt, dat hem wordt voorgezet; +hij begint dan ook te eten, ofschoon Guy hem geen gezelschap houdt, +want hij heeft al zijn denkkracht noodig, om te overleggen, wat hij +zal doen. + +Hij zou alleen kunnen vluchten, maar hij wil zijn equipage niet +blootstellen aan het gevaar, vermoord te worden. Hij wil haar niet in +den steek laten, na haar eerst in den val te hebben gelokt. En dan +die arme Fransche jongen, die zonder het te weten zijn leven heeft +gewaagd, om hem te waarschuwen! Er is slechts één ding, dat hen allen +kan redden, en dat is, te trachten met de _Esperanza_ zoo spoedig +mogelijk de open zee te bereiken. Hij heeft een geheelen nacht verloren +door de kreupelheid van Achille's paard, maar hij veronderstelt, +dat men hem de eerste uren nog wel met rust zal laten. Brussel is +dertig mijlen ver, en zelfs al heeft men bericht hierheen gezonden, +dan duurt het nog eenigen tijd, eer de Spaansche spionnen er achter +zijn gekomen, dat Andrea Blanco driemaal met Oliver den verrader +in den _Engelentoren_ heeft gegeten. Hij kan de eerste zes uren nog +niets te vreezen hebben. Hij geeft zijn manschappen dus bevel, om de +rest van de goederen zoo gauw mogelijk te lossen, verzoekt Achille, +de hut niet te verlaten en gaat haastig naar het kantoor van zijn +geconsigneerden, dat juist geopend wordt. + +Hij vraagt en krijgt een onderhoud met den oudsten firmant in diens +particulier kantoor en zegt: "Ik ben met lossen klaar. Kunt gij mij +geen cognossement geven voor ballast voor een andere plaats?" + +"Wat een dwaasheid!" antwoordt de welgedane Jakobszoon. "Waarom +zouden wij u met ballast laten gaan, wanneer wij u goede lading kunnen +bezorgen? Wacht hier totdat er lading te krijgen is." + +"Gij moet mij een cognossement voor ballast geven." + +"Waarom?" + +"Omdat de douanen op mijn schip loeren." + +"Verwenscht! gij hebt gesmokkeld!" roept de koopman uit. "Als ge er +u hebt ingewerkt met uw infame zeemanspractijken en ons daardoor ook +hebt gecompromitteerd, dan kunt gij ook hier blijven en de gevolgen +dragen, kapitein Blanco. Ik help u niet." + +Dat antwoord is ontmoedigend. Het bewijst Chester, dat Jakobszoon +niets weet van de twaalf kisten met goederen, die Olins in ontvangst +heeft genomen. + +Guy verlaat het kantoor, doch blijft in de buurt wachten op Olins. + +Deze heer komt altijd vroeg aan het kantoor, zoo ook nu, +niettegenstaande hij gisteravond laat naar bed is gegaan, en hij +ontmoet hem bij de Wolstraat. + +"Ik moet u spreken, mijnheer Olins," zegt hij. + +"Goed, ga mee naar het kantoor." + +"Neen, alleen en niet op uw kantoor." + +"Nu, dan in dit wijnhuis," antwoordt Olins, Guy oplettend aankijkend, +en gaat hem voor naar een wijnhuis, waar hij goed bekend schijnt te +zijn, want hij krijgt dadelijk een afzonderlijke kamer. + +"Nu," zegt hij, "is het soms om het geld voor die smokkelgeschiedenis, +kapitein Blanco? Gij kunt het terstond krijgen, als uw bemanning +ongeduldig is." + +"Neen, ik wilde u vragen, mij aanstonds een cognossement voor ballast +te geven, om uit de haven weg te komen." + +"Onmogelijk!" roept Olins, en fluistert dan: "Waarom hebt gij dat +noodig?" + +"Omdat men mij verdenkt te hebben gesmokkeld." + +"Wat? Om die kisten met kant van gisteravond?" vraagt de Vlaming op +halfluiden toon, terwijl zijn gelaat betrekt. + +"Het was geen kant," zegt Chester kortaf. + +"O--o! Gij moet Antwerpen met den vloed verlaten," fluistert Olins, +terwijl hem het zweet aan alle kanten uitbreekt. "Doch waar zal ik +u heenzenden?" + +"Geef mij papieren op Amsterdam." Guy noemt de eerste de beste plaats, +die hem invalt. + +"Dat is goed, gij zult ze hebben. Maar," voegt de koopman er +zenuwachtig aan toe, "zonder ladingspapieren zou het verdacht lijken!" + +"Ik zal u de ladingspapieren bezorgen," roept Guy uit, terwijl hij +plotseling op een idee komt. + +"Van wien?" + +"Van uw _mede-patriot_, Bodé Volckers." Dit in zijn oor. + +"Groote God! Gij weet--" + +"Ja, haakbussen, in kant gepakt, dat is geen geldboete--maar de dood," +fluistert Guy. "Vul een order in voor lading op Amsterdam." + +En Guy bewondert den koopman, terwijl hij dit schrijft,--want het +handschrift van den patriot Jan Olins is zoo ferm en gelijkmatig, +alsof het gedrukt was. + +"Zend de papieren terstond naar het douanekantoor," fluistert Guy. + +Daarna begeeft hij zich haastig naar zijn schip en verdwijnt in zijn +hut, om er eenige oogenblikken later weer uit te voorschijn te komen, +niet als Andrea Blanco, koopvaardijkapitein, maar als Guido Amati, de +beruchte Spaansche soldaat, want hij is van meening, dat dit de beste +vermomming is, om een onderhoud te hebben met den oud-burgemeester +Bodé Volckers. + +Tot zijn teleurstelling hoort hij, als hij aan het pakhuis van +Niklaas gekomen is, dat deze zich nog bevindt in zijn huis aan de +Meir. Onderweg komt hij op het denkbeeld, dit zaakje op te knappen in +de rol van verloopen sujet, in de hoop, zoodoende beter te slagen. Hij +wil den schijn aannemen, alsof hij geld wil hebben als spion; hij +wil goud vragen, maar ladingspapieren ontvangen. + +Om zijn leelijke rol goed te spelen, brengt hij zijn haren in wanorde +en trekt zijn hoed in de oogen, en den schijn aannemend, alsof hij +volslagen dronken was, vervolgt hij zijn weg naar het huis van Bodé +Volckers en treedt dit binnen. + +Een aantal klerken zijn aan het werk, alles is druk bezig. Hij wordt +ontvangen door een onderdanig buigenden klerk, die angstig vraagt +naar zijn naam en naar hetgeen hij verlangt,--want deze bandelooze +Spaansche soldaten bedachten zich tegenover de Vlaamsche burgers niet +lang, om naar mes of sabel te grijpen. Als hij vraagt, om Bodé Volckers +te spreken, wordt hij dadelijk in diens particulier kantoor gelaten. + +Hij gaat binnen, sluit, met goed nagebootste dronkemansgebaren, al +hikkend, de deur en grendelt ze, terwijl de koopman met de grootste +verbazing naar hem kijkt, misschien ook wel met vrees, want Guy's +verwilderde haren en woest rollende oogen geven hem het aanzien, +alsof hij regelrecht van een drinkgelag komt. + +"Gij kent mij--gij kent mij--ik ben--ik ben majoor Guido A--Amati, +v--an--Romero's voetvolk," begint de pseudo-doordraaier, zijn woorden +door hikken afgebroken. + +"Ja, ik--ik heb de eer gehad u eens in mijn huis te zien, kapitein +Amati!" + +"Majoor--_majoor_ Amati de Medina!--vergeet niet het--de +Medina.--Ga--ga zitten en--hik--teeken dit!" En Guy duwt den koopman +in zijn stoel terug, waaruit hij half is opgestaan, en houdt hem het +charterpapier onder den neus. + +"Wat--wat is dat?" stamelt Bodé Volckers. + +"Het is een charterbrief--van de firma Jakobszoon en Olins, voor +capitan Andrea Blanco.--Gij kent capitan Andrea--Andrea Blanco?"--hij +knikt hem veelbeteekenend toe,--"van het schip _Esperanza_?" + +"Ballast gecharterd?" roept Niklaas uit, wederom geheel koopman. "Wat +dronken zottepraat is dat? Er zit immers geen geld in ballast." + +"Geen ballast, maar een charter--ter begeleiding van twaalf +kisten goed--die gisteravond in uw pakhuis--ongeveer twaalf +uur--Begrepen,--Bodé Vol--Volckers?" + +En als aan deze woorden kracht wordt bijgezet, vat Bodé Volckers met +schrik en ontzetting zijn bedoeling en stamelt: "Gij--gij beschuldigt +mij van smokkelen; daar--daar staat slechts een boete op!" + +"Ja,--boete van _uw hoofd_!" + +"Smokkelen van kant--boete van mijn hoofd--gij zijt dronken!" antwoordt +de koopman, moed scheppende. + +"Smokkelen van haakbussen--gepakt in kant--in oorlogstijd--beteekent +de _pijnbank_." + +"Groote God!" roept Niklaas uit, "haakbussen! Ik zou haakbussen--Die +gemeene Olins!--haakbussen!" En deze woorden bewijzen Guy, dat Bodé +Volckers geen patriot is, maar enkel een smokkelaar. + +"Juist--het--kost--u--uw hoofd," hikt Guy. En hij vervolgt met een +dronkemansblik: + +"Ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn aanstaande +bankier--de man, die mij al het geld, dat ik voor het dobbelen +noodig heb--hik--voortaan zal geven, naar de andere wereld werd +geholpen. Begrepen--Bodé Volckers?" + +"Hoeveel geld verlangt gij? Ik ben--ik ben een arme man!" + +"Gij zult binnenkort nog wel armer worden! Begrepen--Bodé Volckers?" en +hij kijkt hem met inhalige blikken aan. + +"Hoeveel verlangt gij?" smeekt de koopman. + +"Een slomp;--maar daar zullen wij later wel eens over spreken," +hikt Chester. "Teeken dit charter--maak eerst, dat het schip kan +wegkomen, dan zullen wij een paar flesschen samen drinken en ik zal +een verduiveld grooten wissel op u trekken." + +"Gij bedriegt mij niet--gij zijt er _zeker_ van, dat het haakbussen +zijn?" + +"Roep de douanen--open ze en zie zelf!" roept Guy uit. + +Doch dat voorstel is geheel en al onaannemelijk. Bodé Volckers teekent +met bevende hand het charter van de _Esperanza_ om Antwerpen terstond +te verlaten voor Amsterdam en andere havens. + +"Als gij uzelven lief hebt, Bodé Volckers--mijn beste bankier, +Bodé Volckers--laat dan de goederen terstond aan boord brengen," +fluistert Guy, het charter wegbergend, "en--breng mij een flesch wijn." + +"Ja, ik zal mijn orders oogenblikkelijk geven," stamelt de koopman. + +Maar juist als hij dit zal doen, hoort men buiten het geraas van +wielen, het klappen van een zweep en het getrappel van paarden, en een +postsjees rijdt, klaarblijkelijk in groote haast, het binnenplein op. + +Een oogenblik later vergeet de Engelschman zijn voorgewende +dronkenschap. Een gebiedende en toch liefelijke stem, een stem, +die Guy's hart sneller doet kloppen dan het gevaar van ontdekking, +zelfs nog meer dan de verschrikking van den dood, zegt buiten de deur: +"Dien bij uw meester aan Hermoine de Alva!" + +"Goede hemel! Alva's dochter!" mompelt de burgemeester. "Zij moet u +niet zien. Ga de achterdeur uit!" + +Doch Chester zou niet heengaan, al moest het hem ook het leven kosten. + +"Oho! jij bent me een mooie, Bodé Volckers! Dames," hikt Guy, met +een zwakke poging, om zijn rol vol te houden, "ik ga nooit voor +dames loopen." + +"Gauw!" fluistert de oude heer. "Gij moet blijven, totdat wij de +zaak geregeld hebben en ik u orders voor de goederen heb gegeven", +en hij duwt Chester haastig in een klein spreekkamertje naast het +particulier kantoor, mompelend: "Een mooie geschiedenis--in handen +van een verloopen sujet--een ellendigen dronkaard, een speler. Hoe +red ik mij daar nog weer uit!" + +En Guy's hart begint nog sneller te kloppen. In de deur van het +kamertje is een klein luikje, dat in het kantoor uitkomt en waardoor +men alles kan hooren, wat daar gebeurt. Het schijnt opzettelijk +daarvoor te zijn gemaakt en gebruikt te worden, om meer voordeel van +de klanten te kunnen behalen. + +De eerste woorden, die Guy uit de aangrenzende kamer hoort, doen +hem schrikken. Want de liefelijke stem, die nu zeer ernstig klinkt, +spreekt deze vreemde woorden: "Senor Bodé Volckers, ik ben zoo vlug, +als ik kon, van Brussel komen rijden, om u den raad te geven, als gij +uw dochter lief hebt, _haar onverwijld buiten Antwerpen te brengen_!" + + + + + +HOOFDSTUK XIII. + +"GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!" + + +"Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva," antwoordt de oude man, +buigend tot op den grond. "Waarom wenscht gij, dat mijn dochter +Antwerpen zal verlaten?" + +"Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en +naar het Spinhuis te brengen." + +"Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne +geen kwaad doen," zegt de oude man op gestrengen toon. "Zij is den +laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening +lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan +een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en +zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis, +Dona de Alva." + +"Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet." + +"Groote God, gij bedoelt toch niet--het gedeelte voor slechte +vrouwen--het uitvaagsel van de stad?" stamelt Bodé Volckers. + +"Ja." + +"Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en +afscheid, die zij dezen armen schepels geven?" + +"Ja." + +"Mijn Mina!" gilt de oude man. "Mijn Mina!" zijn handen wanhopig +wringend. Dan roept hij uit: + +"Voor welke misdaad?--voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar +de ergste misdadigsters--voor welke misdaad?" + +"Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader." + +"Oliver, de onder-secretaris van uw vader?" + +"Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver +is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik +kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo +diep vernederd en verlaagd zal worden," vervolgt Hermoine, bijna even +wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen +en schijnt niet in staat tot handelen. + +Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen +houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking +aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man, +die zijn kind wil vernederen, en sist: "Maar uw vader, van wien dit +uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker--" + +"Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn +dochter,"--haar toon is bevelend, doch weemoedig. "Ik vergeef u uw +verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn +vaders staatkunde te critiseeren. Daarin meng _ik_ mij zelfs niet, +ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op +de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag +smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter +moge stemmen. Iederen avond bid ik: 'Geen bloed meer.' God alleen +weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil +niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo +genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en +hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in +het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben +hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt, +zal ik het doen." + +En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks +kan loopen, roept zij ongeduldig uit: "Zorg voor een boot--een schip, +_spoedig_! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land, +naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat +hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met +dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem +heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het +is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft +kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter +hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen." + +Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt: +"God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt--God zegene u! Ik +weet iemand, die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht." + +"Op wien?" + +"Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,--die in de kamer +hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter +buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de +dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier--majoor +Guido Amati." + +"Groote goden, wat een aanbeveling!" mompelt Guy, rillend, terwijl hij +doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken +uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion, +die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies +van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor +op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen. + +Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter +gegaan. + +Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch +van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart, +er onder dreigt te bezwijken. + +God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester +de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit +daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het +hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te +zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn +uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij +er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is? + +Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer +binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een +verklaring,--voor zijn liefde. + +Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door +het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt, +springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen +en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: "Is dit het +besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering +hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?" en zij voegt er spottend +aan toe: "Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen +rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het +aangezicht van den vijand, is desertie--" + +"Zonder verlof," valt Chester haar in de rede, "waarom denkt gij dat?" + +"Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft +mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor +Guido Amati." + +"Dan heb ik het aan uw invloed te danken," zegt Guy op treurigen toon, +"aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat +Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en +mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij +waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen." + +"Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart." + +"Dat was een leugen!" + +"Een leugen?" + +"Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeft verteld, +evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden +vertelde,--dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan +hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?" + +Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de +sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken +haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht +voor haar en zij roept uit: "Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles, +wat een vrouw u zou kunnen verzoeken." + +"Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was, +zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een +verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door +een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?" en hij +gaat voor haar staan. "Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem +gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?" En naar haar vinger kijkend, +schrikt hij en roept uit: "Groote God, de ring is weg!" en hij barst +uit: "Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?" + +En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer, +maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn +borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft +neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der +Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn +onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen, +maar de zielvolle, hartstochtelijke, _werkelijke_ oogen van Hermoine +de Alva. + +Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem +staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed +en beweeglijke vrouwelijkheid. + +"Nu ben ik de rechter, niet gij!" roept hij uit. "Antwoord mij!" want +zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige: +"Vergeef mij!" + +Maar het jaloersche hart antwoordt: "Neen." + +En zij zegt: "Gij _moet_!" + +"En waarom?" + +"Om deze reden." Zij spreekt nu op smeekenden, weemoedigen toon. "Ik +meende--ik stem nu toe, mijn Guido, ten onrechte--dat gij mijner niet +waardig waart. Als ik, de dochter van den Viceroy--" + +"Boete!" roept Guy uit, bijna werktuiglijk, en in een oogwenk verdwijnt +de trots van de dochter van den Viceroy en van het gewonde hart van +Hermoine de Alva voor het liefdebevel. Hij drukt zijn lippen weer op +de hare, de lippen, waarnaar hij zoo heeft gehunkerd, haar zachte +armen omklemmen hem,--de armen, waarnaar hij heeft gesmacht. En op +dit oogenblik gevoelt Chester, dat hij, ofschoon hij omringd is door +zijn vijanden, zal overwinnen, en hij vreest den haat van den vader +niet meer, nu hij zeker is van de liefde der dochter. + +"Foei," roept het meisje uit, moeite doende om zich vrij te maken. "Wat +houdt gij er een mooie logica op na! Gij noemt mij trouweloos en gij +wilt mij niet toestaan mijn mond te openen, om mij te verdedigen." + +"Wat is logica vergeleken bij uw trouwe oogen?" fluistert Guy, +"ik verlang kussen van deze lippen, geen woorden." + +"Geen kus meer, eer ik mij verdedigd heb." + +"Waarom niet?" + +"Omdat, ofschoon gij mij kust, alsof--gij mij liefhadt," antwoordt +het meisje, vuurrood wordend, "er toch nog jaloezie in uw oogen te +lezen is en ik niet wil, dat gij jaloersch zijt, mijn Guido, want +daarvoor hebt gij geen reden. Gij zijt heengegaan en hebt mijn hart +meegenomen. Mijn geschenk, mijn portret was in uw handen. Ik was +nog geen week in Brussel, of men vertelde in de stad, op zulk een +wijze, dat het mij ook wel ter oore moest komen, dat in plaats van +zóó te leven, dat gij spoedig den rang zoudt verwerven, die u tot den +mijne zou maken, gij vergeten waart dat--ik u mijn hart had gegeven, +en dat gij leefdet--niet als--als een edelman, maar als een losbol, +nog erger dan dat, als iemand, die niet om mijn liefde gaf. Hetgeen +iedereen zeide,--ik kende u niet langer dan twee dagen,--bracht mij +aan het twijfelen. Toen informeerde ik naar u,--in zoover als een jonge +dame naar een jongen man kan informeeren, van wien men veronderstelt, +dat hij haar onverschillig is,--en ik kreeg hetzelfde antwoord.--'Gij +waart dapper, zelfs roekeloos--_maar uw leven was een beleediging +voor mijn liefde_.'" Zij kijkt hem treurig aan. "Toen wist ik door +mijn invloed bij den gouverneur van Middelburg te bewerken, dat aan +majoor Guido Amati geen verlof zou verleend worden, om naar Brussel +te gaan, zoodat hij mij niet meer zou kunnen bepraten en maken, dat +ik hem vergaf,--zooals gij nu hebt gedaan! Heilige Maagd, Guido! als +gij mij bedrogen hebt, dan--" + +"Verdien ik, dat gij nooit de mijne wordt," roept Guy uit. "Maar +ik ben u trouw, ben u altijd trouw geweest. Goede hemel! denkt gij, +dat ik zooveel lieftalligheid binnen een week zou kunnen vergeten, +binnen een maand, binnen een jaar--mijn geheele leven? Gij zijt de +dochter van den Viceroy--" + +"Boete!" lacht het meisje, bloost echter terstond en tracht weg +te loopen. + +"O, ik zal ze betalen, zelfs tienvoudig." Hij neemt haar weer in +zijn armen. + +Plotseling zegt zij, verbleekend: "Gij zijt weer afwezig zonder +verlof." + +"Ja, dat is uw schuld!" Hij zegt dit op achteloozen toon, doch schrikt, +als hij ziet, hoe zij het zich aantrekt. + +Zij fluistert met witte lippen: "Desertie uit het leger, terwijl +Middelburg omringd is door vijanden,--dat wordt niet gestraft met het +verlies van uw rang--maar met het verlies van uw hoofd. Mijn vader +handhaaft streng de tucht." + +"Wat geef ik daarom!" antwoordt Chester, "het was immers mijn eenige +kans, om u te zien." + +Dit grieft haar geducht, doch toont tevens, hoeveel zij van hem houdt, +want zij wordt bleek en stamelt: "Gij hebt uw leven dus gewaagd om +mijnentwille. Beloof mij, dat gij dit niet weer zult doen. Beloof mij, +dat gij vandaag naar uw post zult terugkeeren. Ik heb u een verzoek +te doen. Terwijl gij voor uw eigen veiligheid zorgt, kunt gij meteen +die arme koopmansdochter in veiligheid brengen. Haar vader zegt mij, +dat gij een schip te uwer beschikking hebt." + +"Zooals ook mijn leven te uwer beschikking staat!" antwoordt +Chester. "Laat deze zaak geheel aan mij over. Al hadt gij het mij +niet verzocht, dan zou ik toch de beminde van mijn vriend voor die +vernedering hebben bewaard." + +Hij begrijpt eensklaps, dat het beter is, niet verder met Hermoine +over Oliver te spreken, doch zij zegt: "Ja, die verrader was uw +vriend!" en zij vraagt met angstige lippen: "Hoe was het mogelijk, +dat gij zoo bevriend waart met een vijand van Spanje?" + +"Uw vader vertrouwde hem, waarom zou ik het dan niet hebben +gedaan?" antwoordt de Engelschman, die altijd terstond met een antwoord +gereed is; maar hij voegt er treurig aan toe: "Het spijt mij, dat ik +na het gebeurde genoodzaakt zal zijn, dezen Oliver overhoop te steken." + +En met deze leugen op zijn lippen, keert Guy zich om, want Bodé +Volckers klopt aan de deur. Als hij ze heeft geopend, spreekt hij +op zulk een kalmen toon den burgemeester aan, dat de oude man hem +verwonderd aankijkt en niet weet, wat hij er van moet denken. + +"Op verzoek van Dona de Alva heb ik op mij genomen, uw dochter in +veiligheid te brengen. Geef bevel, dat uw twaalf kisten met goederen +terstond aan boord van de _Esperanza_ worden gebracht." + +"Dat is reeds geschied," mompelt Bodé Volckers, Guy met verbaasde +oogen aanstarend; en hij stamelt: "Gij zijt toch--gij zijt immers +wel nuchter genoeg voor deze zaak?" + +"Diablo! Nuchter genoeg om u aan te durven," snauwt Guy, zich eensklaps +zijn rol van dronken losbol herinnerend. "Stuur een voldoende som geld +aan boord, om de uitgaven van uw dochter te kunnen bestrijden--en de +mijne ook!" + +Deze woorden zijn typisch voor den Spaanschen officier Amati, en +Niklaas slaat, aan diens beruchtheid als doordraaier denkende, zijn +handen ineen en smeekt: "Ik ben genoodzaakt haar aan uw hoede toe +te vertrouwen. Zij is mijn lievelingskind. Gij kunt alles van mij +krijgen, mijn geld, mijn leven, doch spaar mijn kind. Als het water +mij niet aan de lippen stond, denkt gij dan, dat ik mijn lam onder +de hoede van den wolf zou stellen?" + +Bij deze vleiende opmerking klemt Guy zijn tanden op elkaar, slaat +hooghartig als een hidalgo, zijn hand aan het zwaard en sist: + +"Maldito! Heb ik haar, de dochter van den Onderkoning, niet gezworen, +de kleine heks in veiligheid te brengen, waarheen gij haar wenscht te +zenden? Naar welke stad, die zich voor Oranje heeft verklaard en waar +een Hollandsche bezetting ligt, moet uw dochter gezonden worden? Noem +de plaats, en het zal geschieden." + +"Haarlem!" antwoordt de oude man, "ik heb vrienden in Haarlem,"--later +had hij zich om dat gezegde de tong wel willen afbijten. + +"Goed," zegt Guy. "Breng uw dochter terstond hier." + +"Zoo aanstonds. Mina pakt." + +"Pakt? Idioot! Meent gij, dat zij fraaie kleeren zal noodig hebben +in het Spinhuis? Haast u en behoed den blanken rug van uw dochter +voor de geeseling. Vlug!" + +Vol ontzetting over dit beeld, snelt de burgemeester heen en Guy bijt +half en half ontevreden op zijn knevel, want hij voelt, dat het zijn +plicht is, den ouden man tot spoed aan te zetten, maar hij weet ook, +dat hij daardoor een onderhoud bekort, waarvoor hij zijn leven zou +willen geven, om het te rekken. Nu keert hij zich om en kijkt naar +Hermoine de Alva. + +Deze heeft hem den rug toegekeerd en schijnt met haar hand in haar +boezem ijverig naar iets te zoeken. + +Als Guy de deur sluit, slaakt zij een zucht van verlichting, alsof +zij heeft gevonden wat zij zoekt, en als hij zijn armen om haar heen +slaat, fluistert zij: "Die arme Bodé Volckers zal dadelijk terugkomen +en dan moet gij gaan. Ay de mi! de tijd is kort. Maar aan mijn vinger +heb ik weer den ring, die mij aan u zal doen denken." + +Tot zijn onuitsprekelijke vreugde ziet Guy, dat zij den ring met den +brillant opnieuw aan haar ringvinger heeft. + +"Zweer nu, steeds aan mij te denken als uw trouwen ridder, wat men +ook van mij moge uitstrooien," fluistert hij. + +"Ja," antwoordt het meisje, "als men mij zegt, dat gij mij ontrouw +zijt, zal ik tot mijzelve zeggen: het is een leugen. Als men mij zegt, +dat gij een dronkaard zijt, zooals die oude, onnoozele Bodé Volckers +mij vertelde," zij kijkt met oogen, vlammend van verontwaardiging, +naar de deur, waarachter de burgemeester verdwenen is, "zal ik zeggen: +mijn Guido heeft mij eens bewezen dat het een leugen was, nu weet +ik, dat het altijd een leugen is.--Maar zult gij wel ooit tot mij +terugkeeren?" vervolgt zij nu op treurigen toon. "Ik weet, dat gij +nu naar uw post terug moet. Er is slechts één plaats, als er oorlog +is tegen de vlag van Spanje, waar de verloofde van Alva's dochter +zich behoort te bevinden, en dat is op het oorlogsveld! Slechts daar +kunt gij roem en glorie verwerven, groot genoeg om naar mijn hand +te dingen." + +"Twijfel daaraan niet, ik zal dáár te vinden zijn, waar de strijd het +hevigst is," mompelt Guy grimmig, "en het is voor u, dat ik vecht, +al waardeert Alva ook misschien mijn streven niet." + +"Mijn vader beloont steeds dapperheid en goed gedrag, onthoud dat, +majoor Guido Amati de Medina,--dapperheid en goed gedrag. Gij moogt den +moed van een paladijn hebben, het zal u niet in rang doen stijgen, als +gij geen hersens bezit. Mij dunkt, gij hebt overvloed van beide," lacht +zij, de krullen van Guy's hoog voorhoofd wegstrijkend, en roept opeens +opgewonden uit: "Wel, gij hebt het voorhoofd van een schaakspeler!" + +"Ja, het spel waarin de ridder [3] de koningin neemt," fluistert Guy. + +"Dan moet hij zeer galant en teeder en bescheiden voor zijn gevangen +koningin zijn," roept het meisje blozend uit, met een teederen blik in +haar oogen. Want de ridder heeft naar zijn woord bezit genomen van de +koningin van zijn hart, en wel op een buitengewoon hartstochtelijke +wijze, en voor een oogenblik komt de verzoeking bij hem op, haar met +geweld te ontvoeren. + +Het volgend oogenblik begrijpt hij echter, dat het nu de tijd niet is, +om dit voornemen uit te voeren of moeite te doen, om Hermoine over te +halen, hem vrijwillig te volgen, want hij zou voor niets ter wereld +den goeden naam van haar, die hij zoo hoog stelt, in gevaar willen +brengen, en buitendien klopt de burgemeester ook reeds aan de deur. + +"Herinner u--" + +Zij spreken het gelijktijdig uit en met een kus beletten zij elkaar, +den zin aan te vullen. Het is hun laatste omhelzing, eer Guy met +een kloek besluit de deur opent en Niklaas binnenlaat, gevolgd door +juffrouw Wilhelmina, die er beklagenswaardig uitziet in haar meer dan +eenvoudige kleeding, zonder iets van de luxe, die zij vroeger in haar +toilet ten toon spreidde. + +De sporen van tranen zijn nog op haar wangen aanwezig, zij ziet zeer +bleek, doch haar oogen schitteren zenuwachtig en verleenen een vreemde +schoonheid aan haar gelaat. + +"Haast u! er staat een rijtuig voor de deur," mompelt de +burgemeester. "Ik heb zooveel bagage, als ik kon vinden, naar het +schip gezonden. Uw kamenier gaat mee." + +Mina valt hem echter in de rede en gaat op Hermoine de Alva af, +die haar treurig aanziet, als zij vraagt: + +"Vertel mij wat van hem!" + +"Hem--van wien?" + +"Mijn Oliver. Is hij in veiligheid?" + +"Voor het oogenblik, ja." + +"Goddank!" + +"Ja, de verrader Oliver is den vorigen nacht uit Brussel +gevlucht. Dezen morgen kregen wij bericht dat hij Bergen had ingenomen +met acht man." + +"Acht man! Ah! Dat was een heldendaad! Acht man een bezetting +verrassen! Maar Lodewijk van Nassau zal ongetwijfeld zoo vlug mogelijk +uit Frankrijk de stad binnentrekken. Uw held is veilig, kleine +Mina!" roept Guy uit, geheel zijn rol van Spaansch officier vergetend +in zijn geestdrift over de dapperheid en den roem van zijn vriend. + +"Ja, hij is veilig, _voor het oogenblik_," laat nu Hermoine zich +hooren. "Hij is een dapper man en een groot schilder. Ik wil voor +zijn altaarstuk zorgen. Máar, o misericordia!"--zij slaat haar oogen +ten hemel en zegt op angstigen toon: "Ik smeek God, dat mijn vader +hem nooit levend in handen moge krijgen." En zich tot Mina wendend, +vervolgt zij zeer ernstig: "Als gij uw beminde ooit weer moogt spreken, +smeek hem dan, zoo hij tenminste de verschrikkingen van de hel vreest, +_zich nooit levend te laten gevangennemen_! Het is jammer, dat zulk een +dapper en talentvol man mijn vaders brood at en hem verraadde. Toch, +majoor Guido Amati, draag ik, vertrouwende op uw woord van edelman, +u op, dit arme meisje te beveiligen voor mijn vaders toorn." + +"Gauw dan, breng haar in het rijtuig," zoo haast Guy den koopman. + +En als de burgemeester zijn dochter naar buiten brengt, fluistert +Hermoine de Alva: "Gij ziet nu, dat ik vertrouwen in u stel en hoe +weinig ik geloof, dat gij een losbol zoudt zijn. Dit meisje is mooi +en toch stel ik haar onder uw hoede, want ik geloof in u, evenals de +meisjes uit den ouden tijd het in haar ridders deden." + +"Bij Sint George en den draak! gij kunt mij vertrouwen." En zich +bukkende, drukt Chester zijn lippen op den mond, die hem wordt +toegestoken, want hij hoort Bodé Volckers roepen: "Kom dan toch!" + +Chester vertrekt en de laatste blik, dien hij opvangt uit de schoone +oogen van zijn beminde, spreekt van onwankelbare trouw, en hij neemt +het bewustzijn met zich, dat, al moge hetgeen men van hem vertelt +gunstig of ongunstig luiden, Hermoine de Alva zal blijven gelooven in +majoor Guido Amati de Medina van Romero's voetvolk, als haar ridder +en haar kampioen. + +Bij het rijtuig gekomen, drukt de burgemeester de hand van den +Engelschman en fluistert: "Alles is in orde, rijd rechtstreeks naar +het schip," en voegt er aan toe: "Gij hebt haar in uw handen. Zooals +gij met mijn Mina doet, moge God met u doen. Haast u, het tij is +u gunstig." + +Het gaat nu in snellen draf naar de _Esperanza_, en aan boord vindt +Chester Olins met de verlangde papieren. Hij vertoont deze aan een +douane-beambte, die reeds wacht, en als alles in orde blijkt te zijn, +verlaat het schip de haven. + +Ongeveer anderhalf uur later is de _Esperanza_ Fort Lillo gepasseerd +en op weg naar den open oceaan, waar de Hollandsche zeelieden thans +Alva's gehuurden krijgsknechten de baas zijn. + +Terwijl hij nog een blik achterwaarts werpt, naar Fort Lillo met +zijn grimmig geschut, slaakt Chester een zucht van verlichting. Hij +is opnieuw uit Antwerpen ontsnapt; de schat van den Hertog is nog +onaangeroerd, maar hij heeft honderd kussen veroverd,--waarvoor hij +honderdmaal zijn leven zou gewaagd hebben. Doch zijn manschappen +hebben niets gekregen, en zij toonen lust om te mopperen. + +En nu komt de koopmansdochter op Chester af en fluistert: "God zegene +u, dat gij mij gered hebt voor vernedering en de geeselroede." + +"Gij stelt, hoop ik, volkomen vertrouwen in mij?" antwoordt Guy en +kijkt het schoone meisje aan, op wier wangen de frissche zeewind een +blosje heeft getooverd. + +"Ja! Gij zijt de vriend van Oliver, gij zoudt hem niet verraden. Gij +zijt"--hier begint juffrouw Wilhelmina te stamelen, doch glimlacht +daarbij--"de beminde van iemand, wien niemand ontrouw zou kunnen +worden." + +"Par Dios! Wie is dat?" vraagt Guy, op zijn lippen bijtend. + +"Dona Hermoine de Alva. Gij herinnert u immers nog wel de koopjes, +die ik haar duena bezorgde, majoor Guido Amati de Medina?" En het +meisje lacht vroolijk, ofschoon zij niet aan de zee gewend is, en +het lachen haar moeielijk begint te vallen. + + + + + +HOOFDSTUK XIV. + +GODS VOORZIENIGHEID. + + +Eenige uren later is Chester te Vlissingen, waar 't Zeraerts nu bevel +voert in naam van den prins van Oranje. + +Hij verlaat de haven weer spoedig, als hij bemerkt dat de _Dover +Lass_ nog niet is teruggekeerd van Ierland,--echter eerst na eenige +moeielijkheden te hebben gehad met de auroriteiten, die de _Esperanza_ +wilden bemachtigen, totdat Guy zich bekend maakte als den "Eerste +der Engelschen" en broeder-Geus. + +Hij haast zich nu, zijn belofte aan Dona Hermoine te vervullen +en het aan zijn zorgen toevertrouwde meisje naar Haarlem te +brengen. Allereerst hijscht hij de Oranjevlag en werpt in den loop van +den volgenden dag het anker te Zandvoort uit. Nadat hij zich met de +sloep aan land heeft laten zetten, neemt hij tien van zijn matrozen +mee en heeft een voorspoedigen tocht van vijf mijlen door de met +bosschen bedekte duinen naar het Spaarne en verder naar Haarlem; de +zon beschijnt vroolijk de straten en de burgers, die zich bedrijvig +voorwaarts spoeden; de klokken van de Groote Kerk luiden, als om +triumfantelijk de zegepraal van het protestantisme te verkondigen; +de vrouwen lachen, de kinderen spelen voor de nette woningen met hun +helder gekleurde gevels. + +Als zij de St.-Janspoort zijn doorgegaan, die streng bewaakt wordt +door een burgerwacht, bewapend met haakbussen en bogen, laat Guy zich +brengen bij den commandant van de stad, Ripperda, en als hij zijn naam +noemt, doet hij de ervaring op, dat de "Eerste der Engelschen" goed +bekendstaat in deze Hollandsche stad en als vriend wordt beschouwd. Het +wordt Guy dan ook dadelijk toegestaan, juffrouw Bodé Volckers naar +de familie van haar oom, zekeren Pieter Kies, te geleiden, die zijn +fortuin heeft gemaakt met zijn bleekerij. + +Na den avond in den kring van de rijke, gastvrije Hollandsche familie +te hebben doorgebracht, laat hij de schoone Mina gelukkig en tevreden +achter, ofschoon zij vol zorg is over het lot van den man, dien +zij liefheeft. + +"Als gij iets van Oliver hoort, laat het mij dan weten, indien gij +tenminste kunt," smeekt zij, en vervolgt met een trillende stem: +"God zegene u, dat gij mij in uw hoede hebt genomen. Oliver zal +u voor zichzelven dankzeggen, als hij tenminste nog leeft, en u +wederziet," en daarna glimlacht zij: "Gij zijt niet, wat gij schijnt +te zijn. Gij zijt niet de Spaansche kapitein, gij zijt een patriot, +zooals mijn aanstaande echtgenoot, en toch,"--zij kijkt hem vlak in +de oogen,--"zijt gij de verloofde van Alva's dochter!" En als zij +bemerkt, dat Guy schrikt, voegt zij er op geruststellenden toon aan +toe: "Vertrouw mij, ik zal uw geheim bewaren, want ik weet, dat gij +voor iederen kus van Dona Hermoine uw leven op het spel zet." + +Het staat Guy volstrekt niet aan, dat een ander achter zijn geheim is, +en eenigszins ontstemd begeeft hij zich naar de nette kleine herberg +_De Zwaan_. Daar brengt hij een aangenamen nacht door tusschen schoone +lakens (want de Hollandsche herbergen waren veel beter dan die te +Antwerpen) en is zeer tevreden over den jongen waard, Hasselaer +genaamd. Deze en zijn moeder, een weduwe van ongeveer veertig jaar, +weten _De Zwaan_ flink in orde te houden. + +Den volgenden morgen gaat Chester, na een smakelijk ontbijt, +opnieuw naar Ripperda en vraagt een pas voor zichzelven en zijn +tien volgelingen. + +"Zeker," antwoordt de forsche Hollandsche commandant, "het verheugt +mij iemand van dienst te kunnen zijn, die zooveel voor onze zaak +heeft gedaan. Ik hoop, dat gij hier nog eens terug zult keeren, +als wij gelukkiger dagen beleven." + +"Wat kan meer van geluk getuigen dan dit?" antwoordt Guy, terwijl +hij kijkt naar het aardige schouwspel, dat de drukte van nering en +hanteering aanbiedt. + +"O, zeker, het ziet er aardig genoeg uit," zegt de Hollander, +"maar God weet, wat ons de oorlog zal brengen. Het is hier in de +noordelijke gewesten op het oogenblik overal rustig, maar het is de +kalmte vóór den storm. Alle steden van Holland, behalve Amsterdam, +zijn tegen Alva opgestaan, en met dien aanval in zijn rug door Oliver +in Bergen, waarvan het bericht juist tot ons is gekomen, en met de +hulp van Fransche Hugenoten, die Condé en Coligny ons hebben toegezegd, +zal alles misschien nog goed afloopen--maar God alleen weet het!" + +En God weet, wat Ripperda niet weet, want als de dappere Hollander +had kunnen vermoeden, wat hem en den zijnen boven het hoofd hangt, +dat zij weldra het gras uit de straten zullen eten, om ziel en lichaam +bij elkander te houden, en dat zij zich al die ontberingen enkel hebben +getroost, om door Alva's beulen ellendig te worden omgebracht, zou hij +en iedereen, man, vrouw of kind, die nu in de straten van het gelukkige +Haarlem loopt, vluchten, hun bezittingen en de woningen waaraan zij +gehecht zijn verlatende, alsof zij door God vervloekt waren. + +Doch alles heeft nu een lachend en gelukkig aanzien, als Chester de +stad door de St.-Janspoort verlaat en naar Zandvoort terugkeert, waar +een sloep op hem ligt te wachten; daarop zet hij met de _Esperanza_ +weer koers naar Vlissingen, waar de _Dover Lass_ reeds is aangekomen. + +"Gij hebt de Spanjaarden allen veilig en wel in Ierland +achtergelaten?" vraagt Guy aan Dalton. + +"Ja, iedere Don is veilig onder dak gebracht bij een O'Toole. Zij +kunnen nu zeker reeds Iersch spreken," antwoordt de gevraagde. + +Chester wordt begroet met drie luide hoezee's van de bemanning van +de _Dover Lass_--uit vreugde over de behouden terugkomst van hun +commandant, want als hij er het leven heeft afgebracht, heeft hij +natuurlijk ook geld. + +"En nu de schat!" roept Dalton levendig uit, doch zijn verweerd gelaat +betrekt, als Guy antwoordt: "Voor het oogenblik nog geen schat." + +Ook de manschappen zijn zeer teleurgesteld, want allen meenden, toen +zij zagen, dat hun commandant nog leefde, de twintig beloofde gouden +dubloenen reeds in handen te hebben. + +Buitendien is Guy nog genoodzaakt, eerst weer naar Engeland te zeilen, +om geld voor zijn bemanning te halen, en om er de sleutels te laten +maken. + +Ofschoon hij te Londen de sleutels der schatkamer van den Onderkoning +bij drie verschillende bekwame slotenmakers gemaakt krijgt, om +ze daarna zorgvuldig weg te bergen in de hut van de _Dover Lass_, +blijven de geldkisten van zijn eigen land voor hem gesloten. + +Het gelukt hem niet, een leening te sluiten met bankiers en +zilversmeden, want hij wil niet zeggen, waar de buit, waarvan hij +spreekt, zich bevindt, en de meeste denken, dat het in West-Indië +is,--dat de onderneming dus een langdurige zeereis zal vereischen, +gepaard gaande met groot gevaar voor schipbreuk en gevangenschap. + +Hij kan geen hulp van Elizabeth krijgen, die haar hand toornig tegen +haar zak slaat, als hij om geld vraagt, en zegt: "Sir Guy Chester, gij +moogt van geluk spreken, dat gij er uw hoofd afbrengt! Wie beroofde +mijn arsenalen van kruit? Wie anders dan gij en die zwakhoofdige +Burleigh? Als die Hollanders het mijn vriend Alva nu niet zoo lastig +maakten, dan had het, dunkt mij, veel van hoogverraad." + +Guy, die de geschiedenis van den schat van den Hertog niet durft +vertellen, zit dus erg in de klem, temeer daar eenige zijner matrozen +hem gaan verlaten voor kapiteins van andere schepen, die vooruit kunnen +betalen. Hij begeeft zich op zekeren dag vol wanhoop naar Lord Burleigh +en zegt tot hem: "Evenmin als ieder ander, versmaadt gij het geld." + +"Dat is zoo," antwoordt Burleigh, zich in de handen wrijvend. + +"Ik kan u niet vertellen, waar ik dat geld vandaan haal, maar er is +een schatkamer te plunderen door iemand, die bereid is, er zijn leven +voor te wagen. Die man ben ik. Ik weet, waar die schat is." + +"Waar dan?" + +"Dat zal ik nooit zeggen. Doch gij weet, dat, als ik eens mijn woord +heb gegeven, ik het ook houd. Buitendien heb ik uw naam als staatsman +gevestigd." + +"Gij hebt mijn naam als staatsman gevestigd?" + +"Ja, door mijn raad met betrekking tot de Geuzen, men noemt u nu den +wijzen, den vèrzienden, den loozen vos Burleigh." + +"Ja, en ik loop er gevaar door, mijn hoofd te verliezen," antwoordt +de Lord norsch. "Gij wildet mij echter over geld spreken?" + +"Ja! Schiet mij zes duizend kronen voor en als ik levend terugkom, +zal ik u zestig duizend teruggeven--tien voor één. Nog beter, geef +mij tien duizend en gij krijgt honderd duizend terug. Het is als een +dobbelspel. Ik waag mijn leven, gij uw geld." + +"Ik stel mijn tien duizend kronen op hooger prijs dan gij uw leven," +antwoordt de Lord en zendt hem weg. + +Doch juist in die dagen komt Francis Drake terug uit de Spaansche +wateren, zijn schip zwaar beladen met staven goud van een buitgemaakt +galjoen, en daar Guy heeft uitgestrooid, dat zijn schat ook uit +West-Indië moet komen, ontbiedt Zijn Lordschap hem en zegt, dat hij +het geld niet persoonlijk kan voorschieten, maar dat hij wel eenige +Londensche kooplieden kan bewegen, de tien duizend kronen te leenen +op de voorwaarden van afbetaling, die Guy heeft aangeboden. + +De jonge man neemt het aanbod onmiddellijk aan en als hij het geld in +handen heeft, tuigt hij zijn schip opnieuw op, vult zijn bemanning +tot een voldoende sterkte aan, hetgeen niet moeilijk is, omdat +de beste zijner manschappen, met Dalton en Corker aan het hoofd, +hem niet hebben verlaten, en gaat onder zeil naar de Nederlanden, +niettegenstaande het winter is, en komt vroeg in December te Vlissingen +aan. Nauwelijks heeft hij het anker laten vallen, of hij wordt op +een aangename wijze verrast. + +Er nadert een sloep van den wal en Achille, die nu als kajuitsjongen +fungeert, komt schreeuwend door het luik naar beneden: "Monsieur +Oliver! Mijn meester, de schilder Oliver!" + +Met één sprong en met een kreet van blijdschap is Chester op het +dek, en laat toe, hoezeer het hem als Engelschman ook stuit, dat hij +omhelsd en gekust wordt, nog wel ten aanschouwe van zijn grinnekende +matrozen, want de man, die hem zoo teeder begroet, is Oliver, de als +uit den dood herrezene,--immers Alva heeft Bergen heroverd en een +groot gedeelte van de verdedigers dier stad doen ombrengen. + +"Kom in mijn hut en vertel mij uw lotgevallen. Gij zijt nu geen +schilder meer, gij zijt enkel soldaat," zegt Guy, de hand van den +schilder krachtig drukkend en met iets als een traan in zijn oog, +als hij Antony aankijkt. + +"Vertel gij eerst;--wat weet gij van de vrouw die ik liefheb?" roept +de schilder uit. + +"Veilig." + +"Goddank!" + +"Ga nu mee naar beneden, ik zal u alles vertellen." + +Als zij in de hut zijn gekomen, brengen zij elkander beurtelings +in verbazing door het nieuws, dat zij beiden hebben mee te +deelen. Oliver verhaalt van de verrassing van Bergen, hoe hijzelf +bij het aanbreken van den dag den poortwachter neerstiet, terwijl +zijn acht metgezellen, in marktkarren onder groenten verborgen, de +stad werden binnengebracht; hoe Lodewijk van Nassau, die buiten in het +bosch wachtte met vijfhonderd ruiters, ieder met één voetknecht achter +zich, daarna de stad binnentrok, terwijl Oliver en zijn acht helden +de poort zoolang tegen het Spaansche garnizoen verdedigden, tot zij +de ophaalbrug waren overgetrokken. Vervolgens de bijzonderheden van +de belegering door Alva; hoe zij op ontzet hoopten, daar hun hulp uit +Frankrijk was beloofd; toen het bericht van het feest van Catharina +de Medicis, de afgrijselijke slachting in den St.-Bartholomeusnacht, +die het bloed der edelste Hugenoten door de straten van Parijs deed +stroomen en waardoor hun geen hulp meer kon geworden van den vermoorden +Coligny; hoe Oranje's poging om hen te ontzetten, mislukte; hoe ten +slotte hij, Oliver, Lodewijk van Nassau en eenige anderen aan Alva's +klauwen ontsnapten, en hoe nu de Onderkoning, daar hij niets meer van +Frankrijk heeft te vreezen, een groot leger verzamelt, om Holland te +heroveren, Amsterdam daarbij tot centrum kiezend, als de eenige stad, +die nog in zijn handen is. + +"Apropos," zegt Guy, "nu wij toch over Spanjaarden spreken: hebt gij +soms ook iets gehoord van onzen vriend, majoor Guido Amati?" + +"_Kolonel_ Guido Amati." + +"Te drommel,--alweer bevorderd?" + +"Ja, gij zijt de dochter van den Onderkoning alweer een stap nader +gekomen," lacht Antony. "Hebt gij het niet gehoord? Toen Mondragon +een maand geleden het beleg van Goes ophief, trok majoor Guido Amati +'s nachts aan het hoofd van het Spaansche voetvolk over de verdronken +gronden van Zuid-Beveland, waar het zetten van één schrede naast +den weg gelijkstond met verdrinken, waar een uur vertraging in den +overtocht van vier uren gelijkstond met verzwolgen te worden door +het wassend tij, en zoo verraste hij, als uit de lucht gevallen, +in den vroegen morgen 't Zeraets' soldaten, nadat hij een plaats +was overgetrokken, die, naar men meende, enkel voor de visschen en +de vogels toegankelijk was. Ter belooning droeg Mondragon majoor +Guido Amati ter bevordering voor. Op zijn aanbeveling werd dadelijk +beschikt, terwijl het anders gewoonlijk een jaar duurt. Gij ziet dus, +dat gij u loffelijk gedragen hebt. Mij dunkt, dat Dona de Alva zeer +trotsch op u kan zijn." + +"Goddank," lacht Guy, "dat mijn bandelooze naamgenoot weer aan het +vechten is gegaan, en ik mij dus goed zal gedragen; hebt gij niets +van haar gehoord?" + +"Neen, behalve dat zij nog altijd even schoon is, doch veel +hooghartiger en kouder. Zelfs Noircarmes, vertelt men, fronst het +voorhoofd en bijt op zijn knevel, als de naam van Dona de Alva genoemd +wordt. Vertel mij nu van mijn beminde." + +Hierop geeft Guy een verslag van dien merkwaardigen morgen in Antwerpen +en hoe hij Mina Bodé Volckers op bevel van Dona de Alva heeft bewaard +voor geeseling en vernedering, waarop Oliver met tranen in de oogen +uitroept: "God zegene haar en vervloeke haar vader! Hoe kan zulk een +edel meisje een dochter van Alva zijn?" + +En dan vraagt hij een weinig angstig: "Waar hebt gij Mina +heengebracht?" + +"Naar Haarlem." + +"_Haarlem_?" Het klinkt als een kreet van ontzetting. "Groote God, +waarom deedt gij dat?" + +"Haar vader zond haar daarheen naar haar oom, Pieter Kies." + +"_Haarlem_!" De schilder is verstijfd van schrik. "Het is bijna +ingesloten!" kermt hij. "_Haarlem_! en Alva heeft gezworen, +dat hij geen man, vrouw of kind levend uit die stad zal laten +ontsnappen. Haarlem! Haarlem! Mijn God! Is zij daar nog?" + +"Dat weet ik niet. Ik verliet haar daar veilig en weltevreden, +wachtend op u,--haar laatste woorden waren voor u." + +"Haarlem! Wij moeten er heen. Wij moeten beproeven haar te redden. Het +is bijzonderlijk voorgeschreven, dat alle uitgewekenen, die zich in +de stad bevinden, niet alleen ter dood gebracht maar ook gepijnigd +moeten worden. Mina is een uitgewekene. Help mij, Engelschman,--gij +hebt mijn beminde den dood in de kaken gevoerd--help mij er haar +weder uit verlossen!" kreunt Oliver, die in zijn angst bijna geen +rede meer verstaat. + +"Verwijt het mij niet," antwoordt Guy. "Ik heb voor haar gedaan, +wat ik meende, dat het beste was. Doch ik zal u helpen, om haar te +bevrijden--ik zal er mijn leven voor wagen." + +"God zegene u," roept Oliver uit. "En uw bemanning?" + +"Zij volgt mij." + +"God zegene hen!" + +En zijn schat vergetende en nog eens zijn zielsbeminde, naar wier +bijzijn hij hunkert, den rug toekeerend, vertrekt Guy met zijn vriend, +die nu geen schilder meer is, doch geheel en al krijgsman is geworden, +om het waagstuk te beproeven, dat, zal het slagen, geen uitstel +kan lijden. + +Dalton waagt de opmerking, als hij orders ontvangt, om het anker binnen +te halen en naar het Noorden te zeilen: "Dat is eigenlijk niet mooi +tegenover hen, die u met geld geholpen hebben, commandant." + +"Vriendschap vóór handel--het geluk van mijn vriend vóór het geld van +Engelsche bankiers en woekeraars!" antwoordt zijn commandant. "Dalton, +gij hebt een meisje in Engeland; wat zoudt gij doen, om haar te +beveiligen voor Alva's troepen?" + +"Vechten, tot ik dood neerviel." + +"Nu, man, mijn vriend heeft het zijne in Haarlem!" + +"Dan zal ik ook voor zijn meisje vechten," roept de ruwe zeeman uit; +en de manschappen wetten hun hartsvangers en strijdbijlen en zingen +daarbij Britsche liederen, ter eere van hun liefjes thuis. + +Den volgenden dag bereiken zij Delft en vernemen daar, dat zij +Haarlem niet over Leiden kunnen bereiken. Hier hooren zij ook +van het afgrijselijke bloedbad te Naarden--vijfhonderd burgers +vermoord in de kerk, de rest van de inwoners eveneens grootendeels +omgebracht. Bijzonderheden ontbreken, daar de verschrikte boeren +de plaats niet durven binnengaan, waaruit het gekerm van vrouwen +en kinderen opstijgt, dat men mijlen ver kan hooren. Het is de +Hollandsche stad overgeleverd aan de genade van Spaansche soldaten, +prijsgegeven aan plundering, moord en vernieling; het is hetzelfde +verhaal als van Mechelen en Zutfen, hetzelfde verhaal als van iedere +stad, waar Alva's veteranen als overwinnaars binnendringen. + +Oliver is de wanhoop nabij. Hij huivert bij hetgeen hij hoort en +fluistert Guy met bleeke lippen toe: "Er blijft ons niets anders over +dan te zien, of wij de Zuiderzee kunnen bereiken en vandaar uit het IJ, +zoodat wij van den noordkant binnen Haarlem kunnen komen. Die weg is +nog vrij." + +"Misschien!" antwoordt Guy, twijfelend. "Doch het is een wanhopige +onderneming. Wij moeten beide keeren Amsterdam passeeren, waar Alva's +geheele legermacht zich bevindt en misschien nog oorlogsschepen +bovendien." + +"Mon Dieu! Gij wilt haar toch niet aan haar lot overlaten?" roept de +Fransche Vlaming woest uit. + +"Neen, maar ik moet zekerheid hebben, dat zij in Haarlem is, eer ik +het leven mijner mannen voor zulk een dolzinnig waagstuk op het spel +zet. Het is December, er zal spoedig ijs komen." + +Chester tracht nu berichten in te winnen en treft toevallig den +laatsten man, die uit Haarlem ontsnapt is, aan, een man, half +krankzinnig van angst, want hij is slechts met moeite ontkomen aan de +Spaansche patrouilles, die met gruwzame wreedheid iedereen ophangen +of doodslaan, dien zij ontmoeten. + +Als zij hem ondervragen, antwoordt hij: "Ja, ik kom uit Haarlem--ik +redde ternauwernood mijn leven--Ik heb den rook van het brandende +Naarden gezien, het gekerm gehoord--" + +"Maar Haarlem, wat weet gij van Haarlem?" valt Guy hem in de +rede. "Beantwoord vlug mijn vragen en ik zal u geld geven." Want de +arme man is van alles beroofd en moet leven van aalmoezen. "Kent gij +een zekeren Pieter Kies?" + +"Natuurlijk, lid van den gemeenteraad." + +"Is hij nog in de stad?" + +"Ja." + +"Woont er bij hem in huis een blond meisje met groote blauwe oogen?" + +"O, gij bedoelt de beminde van den patriotschen schilder, die nu den +eerenaam heeft gekregen van Oliver van Bergen?" + +Nu hebben zij zekerheid. Oliver begint op zijn luidruchtige Fransche +wijze te jammeren: "Nom de Dieu! Mina is reddeloos verloren, zij +zal gefolterd worden, omdat ik haar liefheb," en op heeschen toon +smeekt hij Guy: "Red haar, Engelschman! Als gij u mijn vriend noemt, +red haar dan." + +"Ik zal alles doen, wat een man vermag." + +"Gezwind dan! Licht het anker en zet koers naar de Zuiderzee! Spoed +is haar eenige redding." + +"Ik moet voor deze zaak toch eenige voorbereidingen treffen," antwoordt +Chester, die ernstig twijfelt aan den goeden afloop van dit avontuur. + +"Voorbereidingen? Hebben wij dan geen wapenen en kruit? Haast u, +doe het voor mij, haast u!" smeekt Oliver. + +Aangespoord door de wanhopige woorden van zijn vriend, doet Guy +in allerijl proviand op voor den tocht. Hij ziet eerst om naar een +loods, die bekend is met de binnenwateren, welke hij moet bevaren, +en is zoo gelukkig er spoedig een te vinden in den persoon van den +Frieschen vrijbuiter 't Hoen. Deze geeft aanstonds order, de _Dover +Lass_ zooveel mogelijk te lichten. + +"Zes duim meer of minder diepgang, daar kan in de Zuiderzee met haar +ondiepten ons leven van afhangen," zegt 't Hoen, die bij al zijn +woestheid een ervaren zeeman is. + +De _over Lass_ wordt nu ontlast van al het overtollige; zij bergt +nog alleen proviand, water en ammunitie. + +Daarna vraagt 't Hoen, zich niet storende aan de spotternijen der +zeelieden: "Hoevelen van u kunnen schaatsenrijden?" + +"Welzoo, het wordt dus een winterbuitenpartij met dames en vuurwerk +op het ijs?" lacht de bootsman. + +Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, gaat 't Hoen heen en +koopt voor iederen man, die er mee weet om te gaan, een paar Friesche +schaatsen. Als hij ze aan boord heeft gebracht, zegt hij tot Chester: +"Commandant, wij zullen die moeten gebruiken om weg te loopen, als +wij al te zeer in de klem geraken," waarop Corker een leelijk gezicht +trekt, daar het denkbeeld, zijn schip te verlaten, al is het om zijn +leven te redden, hem tegen de borst stuit. + +Deze voorbereidselen zijn door Chester en zijn manschappen met +zooveel spoed gemaakt, dat zij zich nauwelijks vier uren in Delft +hebben opgehouden. + +Den volgenden dag bereiken zij reeds de Zuiderzee en vernemen te +Enkhuizen, dat de Spaansche bevelhebber bezig is, Haarlem aan alle +kanten in te sluiten. + +Tegen den avond in de buurt van Amsterdam aangekomen, blijven zij daar +op en neer varen, gereed om over het IJ de stad voorbij te zeilen, +als de duisternis zal zijn gevallen, en om den volgenden morgen +Haarlem te bereiken vóór het geheel is omsingeld, en het meisje voor +het gevaar van een beleg te bewaren. + +Doch de Voorzienigheid is dien nacht niet met hen. Er komt een koude +wind uit het Noorden, die vorst meebrengt en het water met een ijslaag +bedekt. En toch is de wind niet sterk genoeg, om hun een weg door +het bevriezende water te banen. + +Den volgenden morgen zitten zij vast in het ijs en met hen drie +andere Geuzenschepen, gelukkig alle vlak bij elkaar en misschien met +een zelfde doel hier. Zij zijn nu hulpeloos, zij kunnen noch voor-, +noch achteruit. + +De stad Amsterdam, met Alva's leger binnen zijn muren, _is slechts +vier mijlen van hen verwijderd_. + + + + + +HOOFDSTUK XV. + +HET GEVECHT OP SCHAATSEN. + + +Oliver komt zenuwachtig uit den mast naar beneden en fluistert: "Ik +kan den toren van de Groote Kerk in Haarlem zien. Wij zijn nog slechts +twintig mijlen gescheiden--van--de vrouw, die ik liefheb,--haast u." + +"Als het blijft doorvriezen," mompelt Guy, "zullen wij zeker eerder +in de andere wereld komen dan in Haarlem. Er rest ons niets dan hier +te blijven en op onze schepen te sterven. De Spanjaarden zullen over +het ijs komen, om ons aan te vallen. Wij zullen moeten bezwijken voor +hun overmacht." + +"Wij moeten met de andere Geuzen overleggen, wat ons te doen staat," +zegt 't Hoen. "Kunt gij schaatsenrijden, 'Eerste der Engelschen' +ga dan mee." + +"Goed," antwoordt Guy, "is het ijs sterk genoeg?" + +"Ja, nu reeds voor voetvolk, en dezen nacht ook wel voor de Spaansche +kanonnen." + +De mannen binden hun schaatsen onder, vliegen over de spiegelgladde +Zuiderzee en zijn na eenige oogenblikken bij de schepen der Geuzen. Na +een korte beraadslaging besluiten de gezagvoerders, om zich tot het +uiterste te verdedigen, onverschillig hoe groot de overmacht van de +Spaansche zijde ook moge zijn; overgave staat gelijk met zelfmoord. + +Vervolgens overleggen zij, hoe zij zullen vechten, en als zij Guy +tot hun opperbevelhebber hebben gekozen, neemt deze terstond zijn +maatregelen. Binnen vijf minuten is niet alleen de bemanning van +de _Dover Lass_ op het ijs, doch ook de bemanning van de andere +Geuzenschepen, alles en allen vijfhonderd man, en zij werken zoo hard +als zij kunnen, omdat zij weten, dat hun leven er van afhangt, met +ijshaken, breekijzers, ijszagen, met elk werktuig, dat zij slechts +kunnen gebruiken, en hakken een geul open van de drie Geuzenschepen +naar de _Dover Lass_ om deze bij de andere te kunnen brengen. + +Met bijna bovenmenschelijke inspanning gelukt het hun binnen drie +uren, niet alleen de _Dover Lass_ een veiliger ligplaats bij de andere +schepen te verschaffen, maar ook om het ijs om de schepen geheel weg +te hakken, zoodat zij als in een klein meer liggen, omringd door ijs. + +Vervolgens brengen zij de schepen in den vorm van een parallelogram, +binden ze aan elkaar vast en maken van de naar den buitenkant gekeerde +zijden een drijvende citadel. Daarna slaan zij kleine ankers in het +ijs en sjorren de schepen vast met kabeltouwen om te beletten, dat +zij tegen het ijs drijven en den vijand in de gelegenheid stellen, +aan boord te komen. + +"Pardieu!" roept Oliver uit. "Dat is een nieuw idee. Dat kan ons +redden." + +"Geen vijandelijk soldaat kan aan boord komen, als de kabels sterk +genoeg zijn en wij het water open kunnen houden," antwoordt Guy. + +Zij werken nu met vereende krachten, om het ijs te verbrijzelen; +het is een zwaar werk, want de koude wordt heviger en het ijs dikker. + +Groote vreugde wekt dan ook het bericht van den man op den +uitkijk: "Zij komen!" en werkelijk zien zij nu ook allen ongeveer +vijftienhonderd man Spaansche en Waalsche voetknechten over het gladde +pad aankomen, om hen af te maken. + +Dit schijnt geen moeilijke taak voor de aanvallende partij--schepen, +vastgevroren in het ijs!--Zij stellen zich blijkbaar voor, de weerlooze +bemanning in koelen bloede over de kling te jagen. En zij rukken +voorwaarts met het zelfvertrouwen, waarmee het Spaansche voetvolk de +Hollanders altijd te gemoet gaat, totdat dezen zich in een harden +strijd van tien jaren gevormd hebben tot even goede soldaten, als +die van een ander land in Europa. En met hun vuurwapenen--halve +achttienponders en falconets--tot aan den mond geladen met +geweerkogels, spijkers en schroot, met hun pieken en strijdbijlen +onder hun bereik, wachten zij met rustig vertrouwen de komst hunner +vijanden af op hun houten citadel, drijvende in het kleine, door ijs +omringde meer. + +Deze gracht van ijskoud water zal Alva's veteranen bij het enteren +meer moeielijkheid veroorzaken dan de diepste gracht van eenige +ommuurde stad, die zij in de Nederlanden hebben bestormd. Doch niet +gissende, wat er vóór hen ligt, komen de Spaansche busschutters, +onder het aanheffen van een luiden strijdkreet, nader, terwijl hun +aanvoerder hen blijkbaar tot spoed aanzet. + +"Goddank, deze knapen schijnen niet van plan te zijn, ons lang te laten +wachten," lacht Guy, zijn met staal bekleede handen tegen elkander +slaande, "een stalen wambuis en een metalen broek zijn juist niet +aangenaam in dit Decemberweer." + +Het is Sir Guy Chester's eerste gevecht sedert hij tot ridder geslagen +is, en hij is in volle wapenrusting: helm, pluimen en vizier, +borstkuras en rugbedekking; zelfs ontbreken de gouden sporen, het +insigne van zijn orde, niet. Dit van het ijs glibberig geworden dek is +niet zoo geschikt voor het pronken met zijn Italiaansche wapenrusting +als de rug van een vurig strijdros op een slagveld, doch het tijdperk +van de ridderschap is nog niet voorbij--ridderschap beteekent nog +militaire adel, de gouden sporen duiden nog blauw bloed en vermetelheid +aan--welke jonge man zou de verleiding kunnen weerstaan om de insignes +daarvan te dragen? Guy Chester tenminste niet. Zijn bemanning ontvangt +hem met gejuich, zij weten het, dat in deze Milaneesche wapenrusting +een aanvoerder steekt, dien zij kunnen vertrouwen en volgen. + +"Oho!" schreeuwt Oliver met een hartelijken lach. "Kijk! De Spaansche +honden vallen door de gladheid over en door elkaar. Dat zal een +vermakelijke geschiedenis worden." + +"Ja, en ook een bloedige--voor hen," roept Dalton woest, met het +zwaard in de hand. + +En zoo is het. + +De bemanning der kleine vloot vuurt geen geweer af en laat den vijand +vlak bij zich komen. Doch als het Spaansche voetvolk chargeert, komen +de eerste gelederen eensklaps tot de ontdekking, dat zij in het water +vechten inplaats van op het ijs. En zij moeten, om hun leven te redden, +hun armen uitslaan en zwemmen, wat een koud werkje in December is. + +"Wij zullen ze wat opwarmen," roept Guy, en de _Dover Lass_ opent +het vuur met haar geschut aan stuurboord en schiet op de verdrinkende +soldaten. De Hollandsche schepen volgen haar voorbeeld. + +Doch Alva's Spaansch voetvolk is te land noch ter zee zoo gemakkelijk +aan het wijken te brengen. De bevelvoerende officier deployeert een +gedeelte van zijn manschappen als tirailleurs en dezen leggen met +hun haakbussen op de schepen aan. Weldra fluiten de kogels over de +verschansingen en door het want van de _Dover Lass_, zoowel in salvo's +als bij enkele schoten. + +Een ander gedeelte van de Spanjaarden kruipt over het ijs en tracht +bij de kabels te komen, die de schepen vasthouden, om hun kabeltouwen +af te snijden, opdat zij naar de een of andere zijde van het meertje +zullen drijven, waardoor het mogelijk wordt, ze te enteren. Als Guy +dit bemerkt, gaat hij vooruit naar den bak, om zijn manschappen te +bevelen, hun dit met hun haakbussen te beletten, en hij ondervindt +daarbij het voordeel van zijn ridderlijke wapenrusting. Zonder zijn +stalen borstkuras zouden de Spaansche scherpschutters hem spoedig het +licht hebben uitgeblazen. Twee kogels stuiten af op zijn wapenrusting +en één strijkt langs de pluim van zijn helm. + +Maar de kabels blijven ongedeerd, en zij, die zich opnieuw wagen aan +de wanhopige poging om ze af te snijden, worden allen neergeschoten, +en de stuurboord-batterij van de _Dover Lass_ dondert nog voort, +het ijs met kogels overdekkend. + +Aan de andere zijde van het drijvend fort gaat het niet zoo goed; +met groote inspanning en veel verliezen slagen de Spanjaarden er +ten laatste in, een der Geuzenkabels af te snijden; niet in staat +de sterkere spanning uit te houden, laat een ander anker los, en de +houten citadel drijft tegen de sterke ijsmassa aan. + +Nu zijn de Spanjaarden in het voordeel; in een oogwenk hebben zij hun +stormladders tegen het schip gezet, van welks dek men over den boeg +van de _Dover Lass_ heenziet, want zij is een veel kleiner vaartuig. + +Terwijl de Spanjaarden de ladders opstormen, om zich al vechtende +een weg te banen op het dek van den Hollander, roept Guy zijn +enterafdeeling, en zij snellen hun bedreigden kameraden te hulp, +terwijl de andere Geuzenschepen eveneens manschappen naar het dek +van dit schip zenden, dat nu het middelpunt van den strijd wordt. + +Een oogenblik gelukt het den Spanjaarden door hun overmacht, het +halfdek van het Hollandsche schip te veroveren en zij denken, terwijl +zij luide triumfkreten aanheffen, reeds gewonnen spel te hebben, doch +de moorddadige stukken van den bak van het schip en twee van den boeg +van de _Dover Lass_ overstemmen dezen kreet met hun gebulder, bressen +schietende in de juichende massa. Daarna wordt het dek heroverd met +een flank-aanval van de andere schepen, doch slechts gedeeltelijk, +daar Alva's veteranen vechten, alsof zij nooit verslagen konden worden, +en alsof hun aanvoerder betooverd en onkwetsbaar was. + +Tweemaal hebben Guy en hij hun zwaarden gekruist, doch zij zijn weer +van elkaar geraakt door het gedrang. + +De kanonnen van het besprongen schip zijn nu van weinig nut, en de +vuurmonden van de andere schepen kunnen aan deze zijde niet deelnemen +aan het gevecht--het ziet er kwaad uit voor de Watergeuzen. + +Doch al vechtende denkt Guy na, en eensklaps naar zijn eigen schip +terugkeerend, roept hij uit: "Laadt twee achttienponders met zware +kogels en brengt ze naar den bak." + +Als dit door Corker en eenige anderen gedaan is, richt Chester deze +kanonnen niet op de Spanjaarden, maar op het ijs, waarop de Spaansche +stormladders steunen. + +De eerste losbranding werpt vijftig man en hun ladders in het +water. "Wij zullen ze gauwer verdrinken, dan doodschieten!" gillen +de Engelsche matrozen--en een paar andere losbrandingen beslissen de +zaak, het ijs is vernield onder de voeten van de Spanjaarden en in +het ijskoude water spartelen een honderdtal veteranen. + +De anderen geven het op. De door ijs omringde citadel geeft hun een +te harde noot te kraken. + +Daar hij wel begrijpt, dat hij de zaak slechts erger kan maken door +vol te houden, geeft de Spaansche bevelhebber, oogenschijnlijk nog +niet gewond, bevel om terug te trekken en zijn veteranen voldoen +hieraan langzaam en maken rechtsomkeert in de richting van Amsterdam, +hun lichtgewonden meenemend. + +Als 't Hoen bemerkt dat vele zijner vijanden uitglijden op het ijs, +begint hij te lachen en roept plotseling uit: "Wij moeten geen enkel +man van hen laten ontsnappen. Hen na, op schaatsen!" schreeuwt hij +tot de bevelhebbers van de andere Hollandsche schepen. + +Dit voorstel wordt door alle Hollanders gretig aangenomen; de +Engelschen, die in staat zijn zich vlug op het ijs te bewegen, voegen +zich bij hen, en in minder dan vijf minuten stelt Guy op het gladde +terrein bij zijn schip een vijf en twintig man van de _Dover Lass_ +op, ieder gewapend met haakbus en zwaard of piek en strijdbijl en +ieder met Friesche schaatsen onder de voeten. + +Zelfs Oliver, die op schaatsen nauwelijks overeind kan blijven, +vergezelt hen. De Hollandsche bevelhebbers hebben over een grooter +aantal te beschikken, daar al hun mannen bedreven zijn in de nationale +liefhebberij van Holland. + +De Spanjaarden, die er volstrekt niet op bedacht zijn, vervolgd +te zullen worden, gaan langzaam naar de stad terug en kijken zelfs +niet om, want het gezicht achter hen van verdronken of gedoode en +gewonde kameraden, die voortkrabbelen en bevriezen op het ijs, is +niet aangenaam. + +"De gekwetsten kunnen ons niet ontsnappen," roept Maarten Merens, +een van de Hollandsche bevelhebbers, "wij zullen ze later wel op ons +gemak afmaken. Voorwaarts, hen achterna, die nog ongedeerd zijn," +en de Geuzen spoeden zich voort, als zwaluwen in haar vlucht. + +En zoo gebeurt het, dat de Spaansche bevelhebber plotseling achter zich +een krassend geluid hoort, veroorzaakt door de schaatsen op het ijs, +en omkijkend ziet hij vier- of vijfhonderd Hollanders en Engelschen, +niet de helft van het aantal krijgslieden, dat hij terugvoert, als +een zwerm vogels op hem afkomen. + +Hij beveelt zijn manschappen zich om te wenden en zich op te stellen +teneinde den aanval af te wachten, doch zij doen dit niet snel +genoeg. Met hun vlugge schaatsen stormen de Hollanders en Engelschen +op hen in alsof het een charge van ruiterij was, het gladde ijs beneemt +hun hun kalmte en in een oogenblik is de Spaansche slagorde uit elkaar +gedreven, en het ijs wordt het tooneel van honderd afzonderlijke +gevechten, waarbij de Hollanders en Engelschen in het voordeel zijn, +daar zij aanvallen wien zij willen en zich terug kunnen trekken, +zoodra het hun behaagt. + +Het is een kluchtig tooneel, ofschoon het bloed als water vloeit, +en mannen sterven schuddend van het lachen, hun lach met doodskreten +vermengd. Guy zelf moet, terwijl hij een man neervelt, lachen, als +het lichaam zonder hoofd een bokkesprong op het gladde ijs maakt. Een +Spanjaard, die vervolgd wordt door een Hollander, werpt zich in zijn +wanhoop plat op het ijs, en de Hollander rolt languit over hem heen, +doch vlug ter been als hij is, geeft hij zijn vijand een goed gemikten +trap in het oog met zijn Friesche schaats, en de Spanjaard is dood, +eer de Hollander weer goed op zijn beenen staat. + +Nu de eerste woede van den strijd wat bedaard is, zoekt Guy den +aanvoerder op; deze ziet wederkeerig naar hem rond. + +Tot op dit oogenblik heeft de Castiliaan zwijgend gevochten, elkeen +doodend, die onder zijn bereik kwam; ofschoon hij niet gewoon is, +zich op het ijs te bewegen, is zijn bedrevenheid in het schermen zoo +groot, dat twee of drie Hollanders gewond zijn neergezonken en een +Engelsch matroos zijn moeder nooit zal weerzien, door toedoen van +zijn Toledaansch zwaard. + +De Spanjaard roept nu uit: "Kom op, ik ken u. Gij zijt de 'Eerste +der Engelschen'. Kom op, en al hebt gij vleugels, toch zal ik u +wel kortwieken!" + +Op deze wijze van uitdaging is de Engelsche ridder wel verplicht +acht te slaan. Het is een manier, die in zwang was in de dagen van +de ridderschap en nog niet geheel verdwenen is in Engeland, en Guy +neemt haar aan. + +En de twee strijders gaan op elkaar af; het reusachtig zwaard van den +Engelschman kan niet halen bij de veel scherper gepunte Toledosche +kling, en was Guy niet bekleed met zijn harnas, dan zou deze dag zijn +laatste zijn geweest. + +De Spanjaard heeft een stalen polsgewricht en hij hanteert zijn zwaard +volgens de regels der beste Italiaansche school, maar Guy redt telkens +door de vlugheid zijner voeten zijn hoofd. Dit verbittert den Spanjaard +en hij knarst op zijn tanden--terwijl Guy een schaatsenrijderskunstje +in practijk brengt, dat hem in staat stelt, om den Castiliaan heen te +draaien en hem een paar houwen te geven, die zelfs diens bekwaamheid +in het schermen niet kan pareeren. + +Den volgenden keer, dat hij een halven cirkel om zijn vijand +beschrijft, verwondt Guy hem licht. Doch vooruitschietend, terwijl hij +een houw doet, blijft een van Sir Guy's riddersporen in zijn schaatsen +haken, en hij zou verloren zijn geweest, als hij niet door een vlugge +beweging op zijn hurken was gaan zitten en zich op zijn beide schaatsen +uit de nabijheid van zijn tegenstander had laten wegglijden. + +Hij is wel een vijftig el van hem af, eer hij zich omkeert, en bevindt +zich nu vlak tegenover den kleinen vaandrig De Busaco, die het hard +te verantwoorden heeft gehad en reeds gewond is; zijn hooge laarzen +belemmeren zijn bewegingen op het ijs. + +Chester komt juist bijtijds om den kleinen Spaanschen vaandrig +in bescherming te nemen en zijn leven te redden, daar twee of drie +Watergeuzen hem bijna bereikt hebben, en De Busaco er in het volgende +oogenblik om koud zou zijn geweest. + +Guy herinnert zich, dat zij in Antwerpen goede vrienden waren, en het +zou hem onmogelijk zijn, den vaandrig nu aan zijn lot over te laten; +met zijn rechterarm slaat hij dan ook twee pieken naar beneden, die op +den vaandrig gericht zijn, en hij roept hem toe: "Geef u aan mij over; +geef u aan mij over, dwaas!" Want de kleine Spanjaard verweert zich, +met getrokken zwaard, al wat hij kan. + +Doch op hetzelfde oogenblik, terwijl hij weer een een uitval doet, +glijden de beenen onder den armen jongen weg en bonst zijn hoofd +met een geweldigen smak op het ijs, waardoor hij het bewustzijn zou +verloren hebben, als hij geen stalen helm op had gehad. + +"Hij is de mijne!" zegt Guy, de zwaarden terugduwend. "Hij is mijn +gevangene. Geef u over, gij stijfkop van een Busaco!" + +"Ik verklaar mij overwonnen," zegt Busaco somber. Maar eensklaps +glimlacht hij en roept uit: "Mon Dieu! Kapitein Guido Amati! Ja, +ik geef mij aan u over. Welk losgeld verlangt gij van me? Gij wilt +mij immers niet dooden, wel?" + +"Neen, Busaco, gij zijt veilig. Tweemaal hebt gij mijn leven gered, +al wist gij het niet. Nu red ik het uwe." + +"Ja," zegt de ander, "dat was vreemd, nietwaar, _kapitein Guido +Amati_? Naar de vlag te oordeelen, die van uw mast waait, wordt gij +nu den 'Eerste der Engelschen' genoemd." + +Het zijn dwaze woorden en zij komen hem bijna duur te staan, want +de Engelschman weet, dat als zijn gevangene dit overbrengt aan het +Spaansche hoofdkwartier, hij geen kans meer heeft, om als Guido +Amati samenkomsten te hebben met Alva's dochter. Hij zegt: "Ja, de +'Eerste der Engelschen', maar geen losgeld voor u." + +"Geen losgeld," mompelt De Busaco, "dus wilt gij mij dooden, omdat +ik uw geheim ken?" + +"Neen! Zweer mij bij alles wat u op aarde dierbaar is, dat gij mij +nooit zult herkennen als den 'Eerste der Engelschen', al stond ik ook +in Alva's eigen paleis voor u. Er staan vijf duizend kronen op mijn +hoofd; zweer echter, dat gij mij nooit zult kennen als den 'Eerste +der Engelschen', doch enkel als Guido Amati." + +"Ik zweer het bij dit kruis, dat mijn moeder mij gaf," zegt de kleine +vaandrig, het crucifix aan zijn lippen brengend. Daarna lacht hij en +voegt er aan toe: "De eed was overbodig. Ik wist het reeds." + +"Wanneer--hoelang?" + +"Sedert drie weken, toen ik den _werkelijken_ kolonel Guido Amati +zag. Gij zijt bevorderd, zooals gij misschien weet." + +"En gij hebt er nooit over gesproken, zelfs niet tegen Amati zelf?" + +"Neen--tegen niemand!" + +"Waarom niet?" + +"Santos! het was een geheim van een dame." + +"God zegene u," zegt Guy, zijn gevangene aan het hart drukkend. "Het +zou misschien den goeden naam, maar niet de eer van een dame kunnen +schaden." + +"O, iedereen weet, dat Dona de Alva een heilige is. Dwaas, dat zij +juist u moet beminnen. Zonderling--" + +Doch zij hebben geen tijd, om verder over de zaak te spreken. Chester +neemt den jongen man bij de hand, trekt hem met zich mede over +het ijs en vergezelt hem voor meerdere veiligheid tot dicht bij +Amsterdam. Daardoor brengt Guy bijna zijn eigen leven in gevaar, +want er komen hun reeds Spaansche troepen te gemoet, hij verlaat dus +den vaandrig met een handdruk en een: "God zegene u. Denk er aan!" + +"Vertrouw op mij. Ik heb gezien, hoe zij u aankeek. Ik weet, dat zij +u bemint en niemand zou haar verdriet kunnen aandoen--maar pas op, +daar komen mijn kameraden!" roept De Busaco. + +Zich omkeerend, rijdt Guy naar zijn schip terug, waar hij Antony +en een paar anderen vindt, gebogen over het lijk van den Spaanschen +officier, met wien Guy het tweegevecht heeft gehad, dat zoo plotseling +werd afgebroken. + +"Zij hebben hem gedood, nadat gij waart weggegaan," zegt Oliver. "Ik +heb hen terwille van u van zijn lijk afgehouden. Hij was een dapper +soldaat." + +"Terwille van mij?" roept Guy uit. "Denkt gij soms, dat ik zal treuren +over een gevallen held? Als ik geen kleinen tegenspoed had gehad, +zou ik hem vermoedelijk zelf het licht hebben uitgeblazen, ofschoon +hij meesterlijk met het zwaard wist om te gaan." + +"Dat zou verschrikkelijk zijn geweest," zegt de schilder. + +"Waarom?" + +"Gij zoudt _zelfmoord_ gepleegd hebben." + +"_Zelfmoord_! Wat bedoelt gij daarmee?" + +"Ik bedoel, dat de oogen van haar, die gij liefhebt, weldra zullen +weenen, als de dood van dezen man haar wordt bericht." + +"Kerel, wat bedoelt gij toch?" + +"Ik bedoel, dat dit kolonel Guido Amati is, de man, voor wien Hermoine +de Alva u houdt." + +"Goede hemel!" zegt Chester, zich over den dooden man heenbuigend. + +"Ik heb zijn kleederen onderzocht en hem zijn kostbaarheden afgenomen; +niet voor mijzelven, maar om ze op de een of andere manier aan zijn +familie ter hand te stellen," voegt de schilder er bij; "deze brief +echter komt u toe." + +Als hij het document bekijkt bij het licht van de zon, die in het +Westen neerdaalt, ontstelt Chester hevig. Het is het handschrift, +dat hij kent en waarmee hij dweept, en dat hij zoo weinig onder de +oogen krijgt, ofschoon hij het niet vergeet, en hij leest: + +"God zegene u, mijn dappere; gij zijt nu kolonel. Die bevordering is +spoedig gekomen, niet waar? Dat hebt gij aan mij te danken. Een goede +raad aan u, mijn held. Neem den 'Eerste der Engelschen' gevangen +of dood hem en gij kunt er zeker van zijn, dat gij generaal wordt, +en dat brengt u aan de kerkdeur, waar Hermoine u wacht." + +"Groote God! Dat is afschuwelijk," mompelt Guy. "Gezonden door de +vrouw, die ik bemin, om mij te dooden! En nu zal zij hem beweenen." + +"Ja, en hoe meer zij hem beweent, hoe teederder zij u bemint. Gij zijt +nog niet dood. O, wonderbare gedaanteverwisseling! Stel u de oogen van +Hermoine voor, als zij ziet, dat gij leeft. O God! kon ik slechts mijn +beminde in de oogen zien, die zich dáár bevindt," en Oliver wijst in +de richting van Haarlem. "Guido, help mij, om haar te redden." + +Een oogenblik later roept Antony verschrikt uit: "Mon Dieu, wat scheelt +u?" want de Engelschman leunt zwaar tegen hem aan en brengt met moeite +uit: "Een--een kogel moet door mijn kuras heen zijn gedrongen!" + +Als de schilder het staal heeft afgerukt, ziet hij, dat dit werkelijk +het geval is, ofschoon de woonde niet diep blijkt te zijn. + +Aanhoudend bloedverlies gedurende al dien tijd, dat hij zich zoo +druk heeft geweerd, maakt hem nu zwak en mat, en Chester wordt op +zijn schip gedragen. + +De Hollandsche bevelhebbers zijn volstrekt niet op hun gemak; als deze +koude aanhoudt, zal het ijs hun schepen opnieuw insluiten en zullen +zij aangevallen worden door het gansche garnizoen van Amsterdam, dat +hun nooit zal vergeven, vierhonderd van de beste Spaansche soldaten +verslagen te hebben. + +"Er moet een wonder gebeuren, om ons nu te redden!" merkt 't Hoen +op. "Het tij moet wassen--de wind moet opzetten--het ijs moet smelten, +alles tegelijkertijd. Het is zeker wel eens gebeurd, doch niemand +heeft het ooit gezien, en ik veronderstel dus, dat Jan Veeder, onze +dominee, het een wonder zou noemen,--Jan Veeder, die de volgende week +een lijkpredikatie voor mij zal houden!" + +Doch dienzelfden nacht geeft de Voorzienigheid, die de koude +heeft gezonden, hun een kans om te ontsnappen, de laatste in dien +winter,--want het wonder gebeurt. Een hevige wind en de vloed en de +dooi komen tegelijk, en de vloed is hoog genoeg, dat zij de Pampus +kunnen passeeren. De wind stuwt de zee hoog op, jaagt het broze ijs +uiteen, blaast de zeilen op, en de vier schepen zetten, met alle +zeilen bij, koers naar het Noorden en komen den volgenden morgen +behouden in de haven van Enkhuizen aan. + +Doch Chester bemerkt van dat alles niets. Hij ligt buiten kennis, +daar hij wondkoorts heeft gekregen. + + + + + +HOOFDSTUK XVI. + +DE BERSERKER EED. + + +Na eenigen tijd herstelt Chester van de wonde, hem door een Spaanschen +kogel toegebracht, ofschoon het niet heel spoedig gaat, daar de +heelkunde in die dagen ruw en onwetenschappelijk was en zelfs dikwijls +den dood veroorzaakte. Als hij weer op krachten komt, verneemt hij, +dat de _Dover Lass_ is ingevroren in de haven van Enkhuizen. + +Guy vindt echter, dat zij een grove fout hebben begaan, met naar +het Noorden te zeilen. Als zij in Delft gebleven waren, zouden zij +waarschijnlijk nu het meisje over het bevroren meer uit Haarlem hebben +kunnen redden. + +Nu ligt tusschen hen en de bedreigde stad de dijk langs het IJ, bewaakt +door Alva's troepen, beschermd door Alva's forten, die Noord-Holland +zoodanig afsluiten, dat het onmogelijk is, den belegerden hulp te +verleenen. + +Hij zal zijn schip verscheidene maanden niet kunnen gebruiken +vanwege het ijs, en overgehaald door Oliver, die zijn tijd heeft +verdeeld tusschen het verplegen van zijn gewonden kameraad en het +doen van wanhopige pogingen, om de waakzaamheid van Alva's troepen te +verschalken en Haarlem te bereiken, begeeft Chester zich eindelijk +op weg door Waterland naar Egmond. Hier tracht Diederik Sonoy, +die in Noord-Holland voor den prins van Oranje het bevel voert, +krijgslieden bijeen te brengen, om den Diemerdijk op het een of +andere zwakke punt aan te tasten en dat te versterken, teneinde voor +Amsterdam en de Spanjaarden elken toevoer af te snijden, zooals zij +dit voor Haarlem hebben gedaan. + +"Pardieu!" merkt Oliver op, als zij hun weg vervolgen over half +bevroren meren en door dorpen, haast bedolven onder de sneeuw, "als +ik mijn altaarstuk bij mij had gehad, zou ik het hebben kunnen afmaken +tusschen twee schermutselingen in. Ik heb niets voor mijn kunst gedaan, +niets--en zelfs niets voor mijn liefde." Hij wringt wanhopig de handen. + +"En wat heb ik voor de mijne gedaan?" zucht Guy. + +"Diable!" zegt de schilder, die vermoedt, wat er omgaat in zijn +vriends binnenste, "Alva's schat zal onaangeroerd blijven, totdat de +Hertog de Nederlanden verlaat. Zelfs een oproer van zijn niet betaalde +troepen zal hem niet kunnen noodzaken, dien af te geven. Hij is goed +opgezouten voor den winter." + +"Zijt gij er zeker van, dat de Hertog er niets van vermoedt, dat gij +de sleutels hebt laten maken?" vorscht Guy, die niet geheel en al +gerust is. + +"Dat kan hij onmogelijk--want ik heb ze niet laten maken--ik vreesde +reeds, eer ik Mechelen had bereikt, dat men mij verdacht--daarom gaf +ik er geen last toe en vernietigde ik de teekeningen, eer ik Brussel +verliet," antwoordt Oliver. Een oogenblik later vervolgt hij met +een glimlach: "En wat Alva's dochter betreft, zij treurt zeker over +kolonel Guido Amati de Medina." + +Het denkbeeld, dat zij treurt om zijn dood, maakt Guy wanhopig en +hij zou er alles voor over hebben gehad, om haar even in de schoone +oogen te kunnen kijken. Maar dat is zoo goed als onmogelijk, zoolang +zijn schip in het ijs ligt vastgevroren. + +Om den tijd te dooden, slaat hij Spanjaarden dood en hij voegt zich +bij den troep, dien Sonoy bij het eerste teeken van de lente bij +elkaar brengt voor den aanval op den Diemer dijk. + +Deze, bestaande uit achthonderd man, wordt ingescheept op een aantal +galeien en platboomde vaartuigen, die zich in beweging stellen zoodra +de winter voorbij is en de binnenwateren bevaarbaar worden. + +Het punt van aanval is zorgvuldig uitgekozen, en wel daar waar de +dijk op zijn smalst is en het meest geschikt ter verdediging tegen +van Amsterdam komende troepen. Aan de eene zijde wordt de smalle +weg begrensd door het IJ, aan de andere door het Diemer meer, zoodat +Amsterdam van Muiden--en daarmee de weg voor proviand en versterkingen +van uit Utrecht--wordt afgesneden. + +De aanval is plotseling en onverwacht. De Spaansche patrouilles, die +overrompeld worden, worden gemakkelijk teruggedreven en Sonoy versterkt +zich op den smallen weg, waarna hij, denkende, dat de zaak hiermee in +orde is, recht in zijn schik naar Edam gaat, om versterkingen te halen. + +Wat Oliver betreft, hij is een en al vreugde. Hij kan den toren +van de Groote Kerk te Haarlem zien, nog geen twintig mijlen van hen +verwijderd, en hij meent dus, dat het oogenblik niet meer verre is, +waarop hij zijn beminde weer in zijn armen zal sluiten. + +Doch de Spaansche gouverneur van Amsterdam kan natuurlijk niet +gedoogen, dat hem alle toevoer wordt afgesneden. Hij zendt onmiddellijk +een groote macht voetvolk met een paar kanonnen naar den dijk en +de seigneur De Billy, een beproefd veteraan van vele veldslagen, +bevelhebber te Muiden, zendt vierhonderd man Walen om de Geuzen van +de andere zijde aan te tasten. + +In vereeniging met een menigte gewapende Spaansche galeien, doen +zij ongelukkig den aanval gedurende de afwezigheid van Sonoy. Diens +troepen, hoe dapper ook, zijn nu zonder oppersten aanvoerder. Zij +zijn voornamelijk samengesteld uit de bemanning van de Geuzenschepen, +waarvan iedere bevelhebber over de anderen wil commandeeren. Steeds +twistend onder elkander, wachten zij den aanval af, zonder discipline +en wederzijdschen steun. + +Het gevolg is, dat zij niet gereed zijn, als het geschut tegen hen +begint te spelen en de eerste welgerichte schoten reeds de haastig +opgeworpen verdedigingswerken van de Hollanders vernielen. Reeds +hebben eenige der Geuzen den dijk verlaten en de wijk genomen naar +hun vaartuigen, om deze tegen de Spaansche galeien te verdedigen, +en ook om gereed te zijn tot vluchten. + +"Wij moeten een aanval doen op de kanonnen," roept Chester uit. En hij +en Oliver, gevolgd door vijftig anderen, beproeven dit. Zij trachten +door de Spaansche speerdragers heen te komen, en banen zich een weg +met speer en piek naar een kanon, en had men hen krachtig bijgestaan, +dan zou het hun misschien zijn gelukt, ofschoon elke stap voorwaarts +een der hunnen het leven kost. Doch men laat hen in den steek en zij +worden eindelijk teruggedreven, bij ieder voetbreed grond een man +verliezend, terwijl de Spanjaarden de gewonden onbarmhartig afmaken. + +Met moeite slaat Guy er zich doorheen en hij moet zijn vriend, den +schilder, die doodelijk gewond is, nog meesleepen. Maar als hij binnen +de versterking terugkeert, vindt hij deze verlaten; alle manschappen, +die ze moesten verdedigen, zijn naar de booten gevlucht--behalve +één, Jan Haring van Hoorn. Deze held heeft post gevat op het smalste +gedeelte van den dijk en verdedigt zich met zwaard en schild tegen +een duizendtal veteranen van Alva's leger. Gelukkig voor hem, kunnen +zij hem slechts één voor één bevechten, daar de dijk zeer smal is, +het diepe Diemer meer aan de eene zijde ligt, en het snelstroomend +water van het IJ aan de andere. + +Haring's verdediging geeft Guy tijd, om een oogenblik adem te scheppen. + +Zich over zijn vriend heenbuigend, mompelt hij tusschen zijn vast +opeengeklemde tanden: "Vrees niet! Die Spaansche honden zullen u +niet levend in handen krijgen." Dan veegt hij het doodszweet van zijn +vriends voorhoofd en ziet smartelijk in het hem zoo dierbaar gelaat, +dat reeds met een doodskleur overtogen is. + +Met moeite brengt de stervende uit: "Red uzelf!" + +"En u eveneens!" + +"Red uzelf!" Uit Oliver's oogen spreekt een angst, die geen doodsangst +is. "Red uzelf, om mijn Mina te redden. Zweer mij, Guido, mijn vriend, +dat gij haar zult redden!" + +"Dat heb ik reeds gedaan," fluistert Guy haastig. "Wenscht gij nog +iets anders?" + +"Enkel dit--doch gij zijt--geen--kunstenaar. Ik zou zoo gaarne--mijn +altaarstuk--hebben afgemaakt. Ik--zie--nu--_werkelijke_ engelen--" + +De laatste woorden klinken als een zucht, en Antony wendt zijn oogen +naar den blauwen hemel, en de ziel van den patriot gaat daarheen, +waar de _werkelijke_ engelen en de _ware_ Madonna zich bevinden. + +Daarna kijkt Chester in het rond, om tot de ontdekking te komen, dat +hij er weinig beter aan toe is dan zijn doode vriend. De Spanjaarden +bestoken hem van voren en van achteren. De Hollandsche schepen zijn +alle een halve mijl ver weggedreven; aan de IJ-zijde snijden Spaansche +schepen den terugtocht af. + +Guy werpt een snellen blik om zich heen, om een uitweg te zoeken en +vindt dien in het Diemer meer. Ongeveer vijftig el van land ligt een +kleine sloep, behoord hebbende aan de Spaansche wacht, die op deze +plaats werd verrast, en waarvan de touwen gedurende het gevecht zijn +losgesneden; het is de eenige sloep op het Diemer meer. + +Ras besloten, snelt hij op Haring toe, uitroepende: "Dat is onze +eenige kans!" + +Samen hakken zij nog eens op de Spanjaarden in, om tijd te winnen, +en springen daarna in het meer. Als zij verdwijnen, stijgt er een +kreet van woede op uit de Spaansche huurlingen, die hun een kogelregen +nazenden. Doch zij bereiken, elkander hulp verleenend, gelukkig de +sloep, klimmen er in, nemen de riemen en zijn weldra buiten schot. + +En als hij toevallig naar den dijk kijkt, huivert Guy en wendt zijn +hoofd af. + +"Zij snijden hem het hoofd af," fluistert Haring. "Het is Alva twee +duizend Carolusguldens waard." + +Guy weet, wiens hoofd de Hollander bedoelt, en zijn hart wordt nog +meer vervuld met haat en verbittering tegen de Spanjaarden. Hij wordt +er opnieuw door versterkt in zijn besluit, om zijn gelofte aan zijn +dooden kameraad te houden, al zou het hem ook het leven kosten. + +"Het was een Berserker eed," mompelt hij, "doch ik zal hem houden." En +hij kijkt naar zijn vijanden, die zijn vriend hebben omgebracht, +met iets van dien nobelen waanzin, die in de aderen der Berserkers +gloeide, namelijk de woede om zijn vijanden te verslaan, zonder zich +te bekommeren om zijn eigen leven, dat welbehagen in het dooden, +onverschillig of men er zelf bij te gronde gaat, zoolang men nog niet +verzadigd is van doodslag en wraak. + +Maar de stem van den Hollandschen zeeman doet hem van de romantiek +tot de werkelijkheid terugkeeren. Deze zegt: "Sir Chester, het ziet +er slecht met ons uit. Wij zijn aan de verkeerde zijde van den Diemer +dijk--en hebben geen wapens. Wij kunnen den dijk niet weer oversteken, +om te trachten onze vrienden te bereiken, want hij is nu over zijn +geheele lengte ingenomen door die helsche Spaansche troepen. Wij hebben +vandaag echter eenige hunner overhoop gestoken en wij zullen er nog +meer naar de andere wereld zenden, eer zij het ons doen, ofschoon +wij geen andere wapenen hebben dan onze tanden en nagels,"--want +de beide mannen zijn genoodzaakt geweest, hun wapens weg te werpen, +om naar de sloep te zwemmen. + +"Wij zijn niet aan den verkeerden kant van den Diemer dijk," antwoordt +Guy op beslisten toon. "Tenminste, ik niet." + +"Hoezoo?" vraagt Haring, zijn oogen wijd opensperrend. + +"Omdat ik naar Haarlem ga, en gij de man zijt, om mij er heen te +brengen. Gij kent immers het land?" + +"Iederen drop water en iederen korrel zand, die er in is, en daarvoor +vecht ik." + +"Dan kent gij misschien een weg, om van hier in het Haarlemmer meer +te komen?" + +"Zonder wapens?" vraagt de Hollander. "Dat zal moeilijk gaan; +wij kunnen niet vechten en--het stuit mij tegen de borst, voor de +Spanjaarden te gaan loopen!" + +"Wij moeten eerst vluchten om later te kunnen vechten," mompelt Guy, +"en spoedig ook." Want de Spanjaarden zijn bezig, een boot over +den dijk te dragen, om hen te vervolgen. Gelukkig zijn er twee paar +riemen in de sloep, die licht is, en Haring en Chester roeien al wat +zij kunnen over het Zuidwestelijk gedeelte van den nauwelijks twee +mijlen langen Diemer plas. + +Zij zijn nu voor het oogenblik in veiligheid, want als de Spanjaarden +bemerken, dat zij zoo snel als zij kunnen wegroeien, zien zij er van +af, om een boot over den dijk te sleepen. De beide mannen overleggen +nu haastig, wat hun verder te doen staat. + +"Het is onmogelijk, langs dien weg te ontkomen," verklaart Haring, naar +het Oosten wijzend, waar de weg naar Utrecht het meer begrenst. "Die +is te goed bewaakt. Mogelijk dat wij aan de Westzijde aan land kunnen +komen, waar het meer en de Amstel samenvloeien. Het is slechts een +mijl bezuiden Amsterdam; er kruisen wachtbooten." + +Dat is de richting, die Guy wenscht te nemen, en hij stemt gretig +met het voorstel in, vragend: "Is er in de plassen en meren, waarmee +dit land overdekt is, niet een weg, waarlangs wij naar het Haarlemmer +meer kunnen roeien?" + +"Ja, er is een weg," antwoordt Haring. "Doch de eerste zes mijlen +zullen wij moeten afleggen onder aanhoudend gevaar voor ons leven. De +laatste twaalf mijlen gaan over het terrein, dat men elkander betwist, +waar wij dus zoowel vijanden kunnen ontmoeten, met wie wij zullen +moeten vechten, als vrienden, die ons kunnen helpen. Hadden wij +maar wapens," zucht de Hollander, "dan hadden wij kans, al vechtende +Haarlem te bereiken, en Alva's schepen te ontloopen." + +"Wapens!" merkt Guy op, "gij hebt uw zeemans mes en ik mijn ponjaard." + +"Voor den duivel! Dat zaakje zullen wij dan opknappen met ponjaard +en mes," zegt Haring, grimmig lachend. "Ik heb er altijd schik in, +een Spanjaard te pakken te krijgen." + +Zij onderzoeken de sloep nu nauwkeurig en vinden een mast en een +zeil, die vóóruit zijn opgeborgen, wat hun goed te stade komt, want +er waait een lichte bries, die hun gunstig is. Zij plaatsen den mast +en hijschen het zeil. + +Eensklaps slaakt Haring, die bezig was de kastjes te onderzoeken, +een vreugdekreet. + +"Wat is er?" vraagt Guy. + +"Mondvoorraad! Deze schurken van Spanjaarden meenen het goed met +ons. Hier is een flesch Spaansche wijn, waarvan ik evenveel houd, +als ik den man haat, van wien hij afkomstig is, en overvloed van +roggebrood en gezouten haring, met olie om ze te bakken. Het zal +heerlijk naar binnen glijden. Dat is een buitenkansje." + +"Ja, en hier is nog iets beters," roept Guy uit. + +"Wat kan nog beter zijn dan eten?" vraagt de Hollander. + +"_Wapens_!" + +In het kastje aan de andere zijde van de sloep heeft Chester vier +Spaansche haakbussen gevonden met ammunitie, een zwaard en een +strijdbijl. Zij wenschen elkander wederkeerig geluk met hun vondst, +want zij zijn nu goed toegerust voor hun avontuur. + +Een kwartier later naderen zij de plaats, waar het Diemer meer +samenvloeit met het aardige riviertje de Amstel, dat van het Zuiden +komt. Er staat een wachthuis bij het punt van samenvloeiïng, met de +Spaansche vlag wapperende op het dak. Een paar Spaansche voetknechten +staan er voor op post; maar het is een zoele dag, die hen slaperig +maakt, de boot onder zeil glijdt onhoorbaar langs hen heen, en eer +Alva's veteranen recht wakker zijn geworden, is de kleine sloep hen +reeds een vijftig voeten voorbij. + +"Nu," fluistert Guy, "ter gedachtenis aan Oliver!" + +Dit zeggende, schieten zij beiden, en de veteranen vallen neer met +de kogels tusschen hun ribben, terwijl de sloep den Amstel opzeilt. + +Doch de twee gewonde Spanjaarden, die voor het wachthuis liggen te +kermen, hebben vijf kameraden. Dezen springen snel in een boot en +onder wilde kreten van woede en wraak hebben zij weldra de vervolging +van de moordenaars hunner makkers begonnen. + +"Dat hebben wij hem eens netjes gelapt," merkt de Hollander op. "Ik had +gedacht, dat wij hier drie of vier patrouille-booten zouden vinden, +doch alles schijnt samengetrokken te zijn bij den Diemer dijk. En +nu vooruit, daar komen zij!" De beide mannen grijpen de riemen, +maar het is een hard werk, tegen den stroom in te roeien, en vier +man hanteeren de riemen in de Spaansche boot, die op hen wint. + +"Haal op, Haring, terwijl ik de haakbussen laad. Ik kan dit vlugger +dan gij," zegt Chester. En een oogenblik later voegt hij er aan toe: +"Laat ze nu maar komen, wij hebben vier geladen geweren, twee voor +ieder van ons." + +Haring laat nu ook de riemen rusten en beiden wachten de vijanden af, +die snel naderen, denkende, dat zij gemakkelijk spel zullen hebben, +daar zij met hun vijven zijn, van wie er nu twee roeien, terwijl de +andere drie de geweren laden. + +Maar dat staat den Hollander en den Engelschman volstrekt niet aan. + +Als een van hen gewond wordt, is de andere ook reddeloos verloren. Zij +grijpen opnieuw de riemen en draaien snel om een uitstekende punt, +beplant met wilgen, die juist hun bladeren beginnen te ontplooien en +hun eenigermate een schuilplaats bieden. + +Zoo vlug als zij kunnen, landen zij, ieder met twee geweren, en +kruipen dwars over de smalle landtong, om de Spanjaarden aan te vallen, +als zij de punt willen omroeien. Uit hun hinderlaag vuren zij op hun +vervolgers, dooden er één en wonden twee anderen doodelijk. + +Op zulk een moorddadige wijze begroet, wenden de Spanjaarden, met +een kreet van verrassing en schrik, hun boot en laten zich de rivier +afdrijven. + +"Niet één hunner moet kunnen terugkeeren, om ons paardenvolk achterna +te zenden!" fluistert Haring. + +"Vooruit dan, dan zullen wij ook met de twee anderen afrekenen," +antwoordt Guy. En hun geweren opnieuw ladend, snellen zij weer naar +hun sloep en halen met de uiterste inspanning de Spanjaarden in, +die roeien wat zij kunnen, maar niet zijn opgewassen tegen zulke +waterrotten als de Geuzen. + +Een paar schoten, daarna een van Alva's veteranen het hoofd tot aan +zijn kin gekloofd met de strijdbijl en de Spaansche patrouille-boot +drijft de rivier af, slechts gevuld met lijken. + +"Dat was een gelukje," zegt de Hollander. "Nu kan niemand van hen +alarm maken. Totdat wij aan het wachthuis te Ouderkerk komen, zullen +wij wel geen Spanjaarden meer ontmoeten. Maar daar ligt soms een +heele compagnie. We moeten trachten, de bezetting in de duisternis +te verschalken." + +Zij roeien het riviertje nu verder op, dat kalm en langzaam verder +stroomt, en om zes uur 's avonds verschuilen zij zich tusschen de +wilgen, er zooveel mogelijk voor zorgende, dat niemand er hen kan +vinden. De boeren, die zij tegenkwamen, zijn voor hen gevlucht. Zij +durven geen vuur aan te maken, maar eten hun gezouten haring en brood +met olie en wachten de naderende duisternis af. + +Weldra daalt deze neder; het wordt een stikdonkere nacht, zonder +maan. Haring en Guy roeien behoedzaam den stroom op en zien binnen +een half uur de lichten van Ouderkerk. Zij houden zich nu aan den +anderen kant van de rivier, terwijl de Hollander als loods dienst +doet, daar hij blijkbaar iedere ondiepte in de rivier kent, en zij +zouden de plaats, een klein dorpje, ongemerkt voorbij zijn gekomen, +als een paar honden niet waren beginnen te blaffen, wat ten gevolge +heeft, dat de Spaansche schildwacht op den oever hen aanroept. + +Zonder te antwoorden, roeien de beide mannen uit al hun macht, doch +zoo zacht mogelijk, voort, en weldra houden de honden op met blaffen +en hervat ook de schildwacht zijn geregelden gang, zeker denkend, +dat er, daar hij niets heeft gezien, ook niets is voorbijgegaan. Zij +meenen dan ook, als zij de plaats voorbij zijn, uit het gehuil van +de honden op te merken, dat de Spanjaard hen schopt, omdat zij een +valsch alarm hebben gemaakt. + +Bijna den geheelen nacht roeien zij door en bemerken tot hun vreugde, +als de dag aanbreekt, dat zij in het Legmeer zijn, een lange, smalle +strook water, die zich bijna tot aan het Haarlemmer meer uitstrekt. In +den vroegen morgen worden zij echter achtervolgd en ingehaald, en dat +zou waarschijnlijk hun dood zijn geweest, als hun vermeende vijanden +niet waren gebleken, vrienden te zijn. + +Het is een kleine patrouille-boot, die dit onveilige water bevaart +in dienst van den prins van Oranje. + +Van den bevelhebber vernemen zij, dat De Bossu pas nog meer galeien op +het Haarlemmer meer heeft gebracht, en dat zij een harden dobber zullen +hebben, om door de Spanjaarden heen te komen, daar de Hollandsche vloot +zich aan de Kaag bevindt, aan het Zuidelijk gedeelte van het meer, +om gekalfaterd te worden. "Ik zou u afraden, te gaan," zoo besluit +de Hollandsche bevelhebber. + +Guy echter begrijpt, dat het gevaar elken dag grooter zal worden, +dat Alva steeds meer schepen naar het Haarlemmer meer zal zenden, +en hij dringt er dus op aan, om verder te gaan, en Haring is niet de +man om hem in den steek te laten. + +"Nu, als gij er dan op staat," antwoordt de Hollandsche bevelhebber, +"zullen wij u helpen." + +Zijn matrozen helpen Guy en Haring nu om hun sloep van het Legmeer +door de polders te brengen, over een sloot, die langs een dijk loopt +en in het Haarlemmer meer uitkomt. + +"Nu," zegt Chester, "hoeveel levensmiddelen kunt gij missen? Het zou +tegen alle menschelijkheid in zijn, als wij in die uitgehongerde stad +kwamen en geen enkelen zak meel voor hun hongerige monden meebrachten." + +"Gij hebt gelijk," antwoordt de bevelhebber der boot. "Wij zullen +u driehonderd pond meel meegeven, meer kan uw boot niet dragen. Gij +zet uw leven op het spel," vervolgt hij. "Ga liever vannacht. Op het +Zuidelijk gedeelte zijt gij veiliger. Zoodra gij in de nabijheid van +Haarlem komt, pas dan op! De Spanjaarden hebben altijd twee of drie +galeien bij de Fuik." + +Den raad hunner vrienden opvolgend, gaan Haring en Chester weer onder +zeil, nadat zij een flesch brandewijn hebben gekregen, die hen geheel +verkwikt, en spoeden zich over het Haarlemmer meer naar twee kleine +eilanden aan de Westzijde, ongeveer vier mijlen ten Zuiden van de stad. + +Daar blijven zij liggen, totdat het weer nacht is en bereiken in +de duisternis, ofschoon zij slechts ternauwernood ontkomen aan een +patrouille-boot, de Fuik en landen aan een der kleine forten, daar +gebouwd om de gemeenschap open te houden tusschen het meer en de +belegerde stad. + +Hier worden zij verwelkomd door een menigte uitgehongerde, uitgeteerde, +doch vastbesloten burgers, die, dank zij den ontberingen van het beleg, +meer gehard zijn dan veteranen. Want steeds leert de geschiedenis, +dat als de burger opstaat om huis, vrouw en kinderen te verdedigen, +geen krijgsman zoo goed honger, dorst, wonden en folteringen kan +verdragen, als hij, die vecht met het oog op zijn dak gericht en die +iederen nacht terugkeert van de verschrikkingen van den oorlog, om +zijn vrouw en kinderen te omhelzen, wier aanblik hem nog vastberadener +weer doet vertrekken, terwijl hun kussen en tranen hem nog heldhaftiger +doen strijden. + + + + + +HOOFDSTUK XVII. + +GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573. + + +Guy en Haring worden met zooveel vreugde begroet, als alleen +belegerden, tot wanhoop gedreven en van alles afgesneden, bij het +zien van vrienden uit de buitenwereld, aan den dag kunnen leggen. + +"Brengt gij tijding van naderende hulp?" roept een Hollandsche burger +van de wacht hun toe. + +"Is de vloot van den Prins bijna gereed?" fluistert een ander met +angstige lippen. "Wij hebben door een postduif bericht gekregen, +dat hij troepen uitrust te land." + +"Vertel mij van mijn vrouw in Delft, Margriet Enkhuysen--gij hebt +haar toch gezien, nietwaar?" vraagt een ander. + +Zij deelen de reden hunner komst mee en leveren hun drie zakken af, +waarna zij de stad in worden geleid door de Schalkwijker poort. Men +heeft niet noodig Guy te vertellen, dat hij in een stad is, die reeds +weken lang belegerd wordt en waar de nood op het hoogste is gestegen. + +De straten zijn in duisternis gehuld, er branden geen lichten, behalve +in de Groote Kerk, nu gebruikt voor hospitaal, en in het Stadhuis, +waar Ripperda, de commandant, krijgsraad houdt met zijne officieren. + +Het is onnatuurlijk stil in de stad. Men hoort geen blaffende honden, +men ziet geen katten, zij zijn alle opgegeten. Het eenige geluid in +de straten is de geregelde stap van patrouilles, die elkaar aflossen, +of van compagnieën, die naar de wallen trekken. De stemmen van de +schildwachten klinken hol en zwak van den honger. + +Guy verlaat Haring bij _De Zwaan_, waar nu geen gelukkige burgers +zitten en waarbinnen alles donker is, om zich te begeven naar het +groote ravelijn tusschen de St.-Jans- en de Kruispoort teneinde Pieter +Kies te zoeken, die, zooals hem gezegd is, daar de wacht heeft. + +"Waarom hebt gij de dochter van Niklaas Bodé Volckers niet uit de +stad gezonden, voordat zij belegerd werd?" vraagt Guy verontwaardigd. + +"Omdat wij haar noodig hadden." + +"_Haar_ noodig hadden? Hoe zoo? Zij is een vrouw, een non-combattante." + +"Vrouwen zijn hier geen non-combattanten. Hadden wij de vrouwen niet, +dan zouden wij mannen de stad niet kunnen houden." + +"Gij wilt toch niet zeggen, dat Mina vecht?" + +"Neen, zij vult zandzakken en naait die dicht, maar er zijn anders +vrouwen genoeg, die vechten. Vechten, evengoed als mannen. Vrouwen +zijn hier mannen! Neen, zij zijn meer dan dat, zij zijn engelen van +barmhartigheid en--engelen van den dood, die met dezelfde handen +den eenen dag de gewonden verplegen en den anderen de Spanjaarden +dooden. Daar hebt gij bijvoorbeeld de weduwe Kenau Hasselaer,--de +Spanjaarden vluchten voor haar veel eerder, dan voor menigen man van +het garnizoen." + +"Alles goed en wel," zegt Guy, "maar ik heb mijn vriend, den beminde +van het meisje, beloofd, haar veilig buiten Haarlem te brengen." + +"Hoe zoudt gij dat kunnen?" vraagt de burger grimmig. + +"Dat is mijn zaak, als zij het er op wagen wil." + +"Zie dan, dat gij den commandant Ripperda te spreken krijgt. Als hij +zijn toestemming geeft, is het mij ook goed. Weigert hij, dan weiger +ik ook. Zij is hier veiliger. Meent gij, dat wij van plan zijn, +ons over te geven? Niet zoolang wij nog iets te eten hebben." + +Hiermee gaat Guy heen. Doch Ripperda, de commandant, heeft het druk +en is niet te spreken; Chester begeeft zich dus naar _De Zwaan_, naar +Haring; de herberg is zindelijker dan ooit; eigenlijk te zindelijk, +want er is niets, wat haar vuil kan maken--er is niets te eten, +behalve een soep, gekookt van het gras uit de straten. Daarom spreekt +het tweetal dan ook maar zijn eigen voorraad aan, dien zij uit voorzorg +hebben meegebracht. + +Doch de reuk van de gezouten haring is zoo sterk, dat de kinderen +zich aan de deur verdringen, en de weduwe Hasselaer, die juist van de +wallen komt en zich van haar borstkuras ontdoet, woedend uitroept: +"Laffe kerels, wat doet gij? Zulke lekkere beetjes zijn voor de +gewonden!" En zij grijpt den Spaanschen wijn, den brandewijn, het brood +en de haring en alles wat zij hebben en loopt er, zoo vlug als zij kan, +mee naar de kerk, nu een hospitaal, ofschoon zij zelve watertandt bij +het zien van zulke ongekende lekkernijen,--gevolgd door de kinderen, +die snikken en smeeken om een stukje haring--een heel klein hapje,--of +om er tenminste even aan te mogen ruiken. + +Doch Kenau Hasselaer is onverbiddelijk en de gewonden krijgen de +haring. + +Guy en Haring kijken elkaar verbluft aan. "Wij zullen ons morgen +vroeg," zegt de Engelschman, "moeten melden om op rantsoen gesteld te +worden. Het is, geloof ik, een half pond beschimmeld brood, gemaakt +van zemels." + +"Voor den duivel!" bromt de Hollander. "Wij moeten hier zien uit te +komen, zoolang wij nog krachten hebben. Als dat satansche wijf ons +tenminste den brandewijn nog maar gelaten had!" + +Zij besluiten maar naar bed te gaan en vallen weldra in een diepen +slaap, daar zij geheel en al op zijn door de inspanning van den +vorigen nacht. + +Zij worden echter al spoedig gewekt door het gekletter van wapenen, +het luiden van de klokken van de Groote Kerk en de kleinere klokken, +vermengd met het gedonder van het geschut. + +Bovendien worden zij heen en weer geschud door de onzachte hand van +vrouw Hasselaer. + +"Wordt wakker, luilakken," roept zij uit, "en vecht voor uw +leven! Op! Ik zal u den weg wijzen." + +Wel wetende, dat de Spanjaarden ook hen zullen ombrengen, als zij de +stad innemen, grijpen Guy en zijn metgezel haastig naar de wapenen en +spoeden zich met de weduwe door de donkere straten, welke nu vol mannen +zijn, die uittrekken, om voor hun bedreigde haardsteden te vechten. + +Als zij zijn aangekomen op den wal ten Oosten van de Kruispoort, +die in een blokhuis is herschapen, zien de beide mannen, die aan de +oorlogstooneelen gewoon zijn, zich verplaatst te midden van een strijd, +zooals zij nog nooit hebben bijgewoond. Want zij bevinden zich hier +bij de vrouwen-afdeeling. + +"Hel en duivel! Er is hier geen enkele man. Wij met ons beiden zullen +hier niet veel uitrichten," roept Haring uit. + +"Gij niet?" roept Kenau Hasselaer uit; "nu, wij wel. Vrouwen van +Haarlem, toont dezen knapen, wat vechten is!" + +Zij doen het en maken Haring, die een held is, evenals Chester, +den wakkeren Engelschman, bijna beschaamd door haar daden van +dapperheid--Kenau Hasselaer en andere zestiende-eeuwsche Amazonen. + +"Duivels! Katten moeten voor haar onderdoen!" roept Haring uit, als +hij ziet, hoe zij de Spaansche veteranen ontvangen, die aanrukken in +de meening dat de stad reeds in hun macht is; want het is een aanval +bij verrassing geweest en hij zou bijna geslaagd zijn. + +Om voorbereidingen te treffen voor den grooten uitval, in vereeniging +met Oranje's aanval van het meer uit, die door middel van postduiven +de stad is aangekondigd, zijn de wachten verzwakt op het ravelijn, het +groote vestingwerk juist achter de gracht, dat loopt tusschen de Kruis- +en de St-Janspoort, vlak tegenover het hoofdkwartier van Don Frederik. + +Dit ravelijn is platgeschoten en vernield onder het onafgebroken vuur +van de zware Spaansche batterijen, in den nacht is de gracht haastig +overbrugd door pontons, die er door Vargas zijn overgeworpen. + +De veteranen van Romero, De Billy en Vargas zijn er overgetrokken en +hebben kalm postgevat aan den voet van het ravelijn. + +Nadat zij een oogenblik hebben uitgeblazen, heeft hun voorhoede de +bressen beklommen, en eer de Hollandsche schildwachten, die uitgeput +waren door nachtwaken, honger en vermoeienis, wisten wat er met hen +gebeurde, hadden zij de meesten hunner gedood en bezit genomen van het +verdedigingswerk, dat de Spanjaarden voor den sleutel der stad houden. + +Bovendien hebben zij het groote blokhuis bij de Kruispoort vermeesterd +en heeft Romero de St-Janspoort bezet. + +"Slaat er op in! Houwt dood--Haarlem is ons!" is de kreet, die Don +Frederik's gelukkige ooren bereiken, als hij beveelt versterkingen +te zenden, om zijn succes te verzekeren. + +Doch op hetzelfde oogenblik, dat de Spanjaarden dwars over het +ravelijn denken binnen te stormen, doen zij een ontdekking, die hun +minder aangenaam verrast. + +Terwijl het geschut, week aan week, het ravelijn heeft gebeukt, +hebben de belegerden, voornamelijk de vrouwen en de kinderen, er vlak +achter een hulpravelijn opgericht, van zakken zand en aarde, die beter +bestand tegen het geschutvuur en even moeilijk te beklimmen is als +het ravelijn. Ze was onzichtbaar voor de Spanjaarden en zij hebben +er dan ook niets van bemerkt, eer zij, na de eerste versterking te +hebben beklommen, de tweede voor zich zien oprijzen. + +Terwijl Alva's krijgslieden een oogenblik verrast blijven staan, wordt +het hulpravelijn bezet door de gealarmeerde bevolking van de naburige +straten. Een oogenblik later worden de verdedigers versterkt door de +Duitsche troepen van het garnizoen, en met den kreet: "De Spanjaarden +komen!" begint het gevecht. + +De zwakste plaats in Haarlem's muur is die, vlak bij het blokhuis +aan de Kruispoort, die nu bezet is door Vargas' veteranen. Deze +verschansing wordt verdedigd door Kenau en haar medestrijdsters. Dit +is een eerepost, en Ripperda, de bevelhebber der stad, weet, dat hij +dit zwakke punt aan niemand beter kan toevertrouwen dan aan haar, +die hij er heeft geplaatst, en hij heeft toch veteranen onder zijn +bevel, die menige campagne hebben meegemaakt, en achthonderd dappere +Schotten, die nu zijn teruggebracht tot anderhalf honderd, alsmede +de Fransche compagnie onder Courie. + +Want deze vrouwen vechten niet alleen voor al hetgeen waarop +een man prijs stelt, maar bovendien om zich te vrijwaren voor +martelingen. Allen zonder uitzondering, meisje, vrouw of weduwe, +rillen als zij denken aan de Spaansche barmhartigheid tegenover de +hulpelooze vrouwen van een veroverde stad. + +Alva's veteranen schrijden thans weer vol vertrouwen voorwaarts. Zij +hebben zich van den eersten wal meester gemaakt, waarom zouden zij +nu ook den tweeden niet nemen? + +Zij beklimmen de helling met de kreten: "Philips!" en: "Don +Frederico!" om op den top een hartelijk welkom van Sorosis te +ontvangen. + +Achter den wal is een groot vuur aangemaakt, waarover een reusachtige +ketel hangt vol kokende pekel. Eerst wordt de vijand met een salvo +begroet, zoodat hij een oogenblik terugdeinst, iedere vrouw vuurt _à +bout portant_ haar musket af op den naderenden vijand, die aarzelt +onder die slachting. + +"Spoel die Spanjaarden weg!--vooruit met het water!" roept de weduwe +uit, en terwijl zij den eersten emmer met het kokende vocht grijpt, +werpt zij den inhoud in het gelaat van een Italiaanschen kapitein, +wiens wapenrusting, hoe solide ook, hem toch niet kan bewaren voor +vreeselijke brandwonden. Terwijl hij het uitbrult van pijn, maakt +zij hem af met haar zwaard. + +En haar gezellinnen storten de kokende pekel met vlugge handen over +de Spanjaarden uit, die brullen en schreeuwen en zich wringen van pijn. + +Maar anderen, van achteren opdringende, nemen hun plaats in; de +vrouwen gaan dezen te lijf met slagzwaarden. Daar zij geen vrees voor +den dood kennen, dragen zij geen schild, doch zwaaien haar groote +wapenen met beide handen, en tegen de kracht van zulk een slag baat +geen handigheid in het pareeren. + +"Piekeniers vooruit!" schreeuwt De Billy, doch een oogenblik later +wordt hij gewond en van het tooneel van den strijd weggedragen en de +piekeniers rukken niet snel genoeg aan, want Kenau Hasselaer veegt, +aan het hoofd van haar vrouwen, het hulpravelijn schoon en drijft +iederen Spanjaard, die nog leeft, in het blokhuis bij de Kruispoort. + +Daarna lacht zij schor: "Wij hebben het gevuld. Nu, vrouw Jannaps--uw +taak!" + +En een vrouw, die geduldig heeft gewacht op den top van het +hulpravelijn, springt naar beneden en roept, als zij een oogenblik +later terugkomt, uit: "Ik heb de lont in het kruit gestoken!" + +Deze woorden worden bijna op hetzelfde oogenblik bevestigd en het +groote blokhuis aan de Kruispoort, dat vooraf met ongeveer twintig +vaten kruit in gereedheid was gebracht voor zijn Spaansche bezoekers, +vliegt in de lucht, met honderd man Waalsch voetvolk van De Billy en +een detachement van Vargas' veteranen. + +Daarna drijven zij de laatste nog niet gewonde Spanjaarden terug over +de kleine brug, en ofschoon Romero met zijn compagnie de St.-Janspoort +bezet houdt, aan den anderen kant van het hulpravelijn, kan niet +één der schildwachten zijn hoofd ongestraft naar buiten steken, door +de hevigheid van het vuur uit de nabijgelegen huizen en van twee of +drie kleine kanonnen. Voor deze ontvangst trekt Romero, die een oog +bij het gevecht heeft verloren, zich met zijn manschappen terug, +dat wil zeggen, met degenen die er nog toe in staat zijn, want nu +komt het verschrikkelijkste van alles. + +Het voorbeeld volgend van den vijand, die zich berucht heeft gemaakt +door zijn wreedheden, dringen de Hollanders vooruit, en langzaam en +in koelen bloede, zooals slagers te werk gaan, maken zij de Spaansche +gewonden af, die tevergeefs om genade smeeken. + +Gedurende het gevecht zijn Guy en Haring steeds aan de zijde van Kenau +Hasselaer gebleven. Zoo vaak de vrouwen een uitval hebben gedaan, +hebben de twee mannen er aan deelgenomen, en als zij terugkomt, +klopt zij hen op den schouder, uitroepend: "Goed zoo jongens, gij +hebt u flink gehouden, haast zoo flink als wij vrouwen! Gij hebt den +moed om te vechten; hebt gij ook den moed om met ons den hongerdood +te sterven?" + +In dat laatste hebben noch Haring noch Guy veel lust; zij zijn +buitendien ook met een bepaald doel hier gekomen. Guy zoekt dus +Ripperda op, die op den wal staat, omringd door zijn officieren, en +vraagt hem verlof, om de dochter van Bodé Volckers buiten de stad te +mogen brengen. + +"Ik ben zeer verheugd, u weer te zien, 'Eerste der Engelschen', en +ik dacht, dat gij bij ons wildet blijven," antwoordt de Hollandsche +bevelhebber. + +"O, gij hebt geen gebrek aan soldaten, mannen noch vrouwen," antwoordt +Guy. "Gij hebt reeds te veel eters in de stad." + +"Gij denkt toch niet, dat de vijand de stad zal innemen?" + +"Niet door geweld van wapenen," antwoordt de Engelschman. "Daarom zeg +ik, hoe minder monden er zijn om te voeden, hoe beter. Eenige booten +met meel zouden u beter te pas komen dan een duizendtal veteranen." + +"Gij hebt gelijk," antwoordt Ripperda, terwijl zijn gelaat +betrekt. "Doch ik en de mijnen, wij blijven hier, zelfs met zoodanige +verschrikkingen onder onze oogen--kijk!" + +Het is nu dag geworden, en voorzichtig door een schietgat kijkend, +uit vrees voor de Spaansche kogels, ziet Guy voor zijn oogen het beeld +van een Hollandsche stad, belegerd door de Spanjaarden. Vóór hem het +hulpravelijn bezaaid met dooden, de gracht er mee gevuld. Daartegenover +staat een andere wal, die door de Spanjaarden is genomen en nog door +hen bezet wordt gehouden. Daarachter de gracht, gevoed door het water +uit het Spaarne, bewaakt door de Spaansche batterijen. + +Links groepen boomen en het Leprozen-hospitaal; daarachter en overal +in het rond de tenten van de belegeraars, die de ongelukkige stad +afsnijden van vrienden en voedsel. + +Chester kan op dezen afstand het wapengekletter hooren der compagnieën, +die ter aflossing naar de versterkingen trekken. + +Verspreid over dit tooneel staan een half dozijn windmolens, en vlak +tegenover hen een ander gevaarte, dat Chester als krijgsman de tanden +op elkaar doet klemmen van verontwaardiging. + +Het is een reusachtige galg, waaraan twintig lijken bengelen, eenige +aan het hoofd, andere aan de voeten opgehangen. + +En nu komt, als allergrootste verschrikking, de Spaansche beul met zijn +helpers, om opnieuw zijn werk te verrichten. Zij voeren op ruwe wijze +eenige wanhopige schepsels met zich mede, die aan handen en voeten +gebonden zijn. Zij nemen de dooden af, om de levenden op te hangen, +die in het gezicht van hun kameraden en stadgenooten de lucht met +hun doodskreten zullen vervullen. + +Een kreet van woede en smart stijgt van den wal omhoog--deze +gemartelden zijn buren, waarmee men nog den dag te voren heeft +gesproken, die bij een uitval in de handen der Spanjaarden zijn +gevallen. En één der vrouwen gilt: "Barmhartige God, ik zie hem--zij +hangen mijn Klaas op!" en kreunend valt zij neer. + +"Wij zullen hetzelfde doen," roept Ripperda, "hoofd om hoofd! Roep +den provoost-geweldige!" + +Weldra bengelen ongeveer twintig Spanjaarden op de wallen, als een +afgrijselijk antwoord op de wreede uitdaging. + +Dit wekt opnieuw de woede van Alva's manschappen op en zij werpen +van het naburige ravelijn iets in het Hollandsche hulpravelijn. + +Het valt bijna aan de voeten van Guy en Ripperda. + +De Hollandsche bevelhebber bukt zich, om het te onderzoeken en +mompelt plotseling tot Guy: "Er is een plakkaat aan het hoofd +bevestigd. Kapitein Oliver van Bergen." + +"Groote God!" en ontzet kijkt Guy nog eens, en nu voor het laatst, +in het gelaat van zijn dooden vriend. + +"Wist gij dat hij dood was?" vraagt Ripperda. + +"Ja," mompelt Guy, "maar ik kon het hier niet vertellen, uit vrees, +dat zijn verloofde het zou hooren." + +"Ja, dat meisje, Mina, zou met den patriot trouwen!" zucht de +bevelhebber. Daarna vervolgt hij op schorren toon: "Neem haar met u, +als gij haar levend weg kunt krijgen. Breng haar snel van hier; vertel +haar niets, eer zij deze verschrikkingen achter zich heeft. Vaarwel, +mijn Engelsche vriend. Als wij elkaar weer ontmoeten, zal Haarlem +vrij zijn van Spaansche moordenaars." + +En de beide mannen nemen afscheid, vol eerbied voor elkaar. + +Guy begeeft zich naar Pieter Kies en zegt: "Ik heb het verlof van +den commandant. Breng mij bij Mina Bodé Volckers!" + +Als het meisje, dat vermagerd is door honger en angst, de kamer +binnentreedt, snikt zij: "Gij zijt gekomen om mij bij Antony te +brengen. Ik weet het. Ik lees het op uw gelaat." + +"Ja," antwoordt Guy met veel inspanning. + +"Waar is hij? Waarom kwam Antony niet met u mede?" + +"O hij--hij wacht ons," stamelt Guy en gaat met Haring mee, om de +toebereidselen voor de reis te treffen. + +De eenige kans, om het meisje uit de stad te krijgen, is, den weg +over het meer te nemen. Daartoe moeten zij 's nachts ontvluchten. + +Terwijl zij Mina door de Schalkwijker poort naar buiten brengen, langs +de korte lijn van versterkingen en verschansingen op den linkeroever +van het Spaarne, waardoor de belegerden nog gemeenschap met het meer +hebben, bereiken zij het fort aan den oever, waarvan de Oranjevlag +waait, en wachten den nacht af, terwijl zij hun boot gereedmaken. + +De nacht komt, doch voor hen veel te langzaam, want zij hebben zulk +een honger. De duisternis echter is bevorderlijk aan hun onderneming. + +Vijf Spaansche galeien bewaken de Fuik. Er worden zeilen gezien in +het Zuid-oosten. Vier van de galeien breiden haar zeilen uit, gaan op +verkenning en als het nacht is, zijn zij nog niet teruggekeerd. Er +blijft dus slechts één galei over, die zij hebben te verschalken, +schoon zij twee patrouille-booten uitzendt. + +"Ik denk dat ik met deze vervloekte schepen, die ons van proviand +verstoken houden, eens goed zal afrekenen," zegt de Hollandsche +bevelhebber van het fort. Hierop maakt hij drie booten gereed, om de +patrouille-booten der Spanjaarden 's nachts te overvallen. + +Terwijl deze uittrekken, begeven ook Chester en Haring zich in hun +sloep op weg, en de galei ontsnappend, die nu in een gevecht is +gewikkeld met de Haarlemmers, zijn zij weldra op het open meer, +en zeilen naar het Zuiden. + +Vóór de dag aanbreekt, hebben zij de Kaag bereikt en gaan verder naar +Delft; den volgenden avond heeft Guy aan zijn eed voldaan. + +Nadat hij het geredde meisje onder dak heeft gebracht en goed verzorgd +weet in de herberg genaamd _De Vergulde Toren_, begeeft Chester zich +naar de gelagkamer en heeft daar een wonderbaarlijke ontmoeting. Een +man, wiens oogen wild in hun kassen rollen, staat op als hij hem ziet, +en mompelt klappertandend: "Hel en duivel! Dat is een doode!" + +Het is de koopman Bodé Volckers, die zich reeds maanden lang in Delft +ophoudt, om den prins van Oranje te smeeken, zijn dochter te redden. + +"Dat ben ik niet," fluistert Guy, en voegt er norsch aan toe: "Houd +op met dat klappertanden, totdat gij mij hebt aangehoord," en Niklaas' +arm nemend, brengt hij hem naar een afzonderlijk vertrek. + +"Dus hebt gij mij herkend?" vraagt de Engelschman met gedempte stem. + +"Ja, maar gij zijt dood. Reeds maanden geleden kwam het bericht in +Antwerpen, dat kolonel Guido Amati gedood was in het gevecht op het +ijs door den 'Eerste der Engelschen'!" + +"Neen, ik ben hersteld van mijn wonden!" + +"Dan, ongelukkige man, zijt gij, als zij u, een kolonel in het +Spaansche leger, hier ontdekken, er nog erger aan toe, dan dat gij dood +waart. Ik zal u echter niet verraden," mompelt Bodé Volckers. "Gij +hebt mijn kind eens gered, al hebt gij haar ook naar een plaats +gebracht, waar haar nog grooter gevaar wachtte." En eensklaps roept +hij uit, zijn handen wringend: "Red haar opnieuw, mijn Mina! Zij is +in Haarlem! In de oogen der Spanjaarden een uitgewekene, omdat zij +zich aan de justitie onttrokken heeft. Als zij de stad innemen, is +zij verloren. Gij staat bij Alva in gunst, smeek hem om genade voor +haar. Gij hebt invloed bij zijn dochter, spreek tot haar!" + +"Dat is onnoodig," antwoordt Guy. "Ik heb uw dochter reeds in +veiligheid gebracht!" + +"Hoe is dat mogelijk? Er waar is zij dan?" + +"Hier, in _De Vergulde Toren_!" + +"Hier? Goddank! Hebt gij haar uit Haarlem bevrijd? Breng haar bij mij, +mijn Mina, die verloren was--mijn Mina, die teruggevonden is!" + +En de oude man is als krankzinnig van vreugde, grijpt Guy's hand en +overlaadt hem met zegenwenschen. + +Het volgend oogenblik wil hij heensnellen om zijn kind te zien, voor +wie hij zooveel angst heeft uitgestaan, maar Guy houdt hem terug en +zegt: "Eerst moet ik u iets zeggen." + +"Wat is het? Houd mij niet tegen." + +"Het is slechts terwille van haar," antwoordt hij en doet verslag van +Oliver's dood, er fluisterend aan toevoegend: "Deel het haar mede--ik +heb het trachten te doen, maar ik kon het niet." + +Chester is nu genoodzaakt, om in zijn verhaal te laten invloeien, +wie hij werkelijk is, en dit schijnt Bodé Volckers zelfs nog meer te +treffen, dan de dood van den schilder. Hij brengt verwonderd uit: +"Gij! De 'Eerste der Engelschen'! Gij? En gij zijt in Antwerpen +geweest--heeft een sterveling ooit zoo iets durven wagen? Tien duizend +kronen staan nu op uw hoofd, sinds het gevecht op het ijs. Hoe hebt +gij zoo uw leven kunnen wagen?" Maar nu roept hij plotseling uit: +"O! Bij den hemel! Gij zijt verliefd op Alva's dochter!" + +"Ja," zegt Guy, die voelt, dat hij dezen man op zulk een wijze aan +zich heeft verplicht, dat zijn geheim veilig bij hem is. "Zij is mijn +verloofde, ik hoop met de dochter van den Hertog te trouwen." + +"Dan moet gij u haasten, jonge man, dan moet gij u haasten," zegt +Bodé Volckers op plechtigen toon. + +"Waarom?" + +"Omdat--o, nu vermoed ik ook de reden!--het was na den dood van Guido +Amati--omdat zij vroom is geworden. Men zegt, dat zij non wil worden." + +"Non!" krijt Guy. "Omdat zij gehoord heeft, dat Guido Amati dood +is! Dat is een zonderling wreede scherts!" en hij barst terwijl hem +het hart in de schoenen zinkt, in een afgrijselijk gelach uit en +bespot zichzelven, terwijl Bodé Volckers heensnelt om zijn dochter +in zijn armen te sluiten. + + + + + +HOOFDSTUK XVIII. + +"IS HET EEN DROOM?" + + +Na eenigen tijd keert Bodé Volckers terug van het onderhoud met zijn +dochter, en in zijn Vlaamsche oogen ligt een treurige uitdrukking. Als +hij Guy ziet, die op hem heeft gewacht barst hij uit: "Die schilder +Oliver! Welk recht had zulk een man, om iets anders lief te hebben +dan zijn vaderland? Welk recht had hij, wiens leven aan een zijden +draad hing, om mijn kind lief te hebben?" + +"Het recht, dat alle menschen hebben om het schoone te beminnen," +zucht Guy, die door de verrassende mededeelingen van Bodé Volckers met +betrekking tot Dona de Alva's kloosterplannen, niet enkel romantisch +gestemd is, maar ook weemoedig. + +"Doch niet het recht om het schoone op te offeren. Oliver's verraad +tegenover Alva bracht Mina in gevaar, en nu heeft zijn dood haar +het hart gebroken. Zij kan zelfs niet meer naar huis gaan uit vrees +voor Alva's pijnbank. Alva!" roept de koopman met verheffing van +stem uit, "die mij en de mijnen in ellende heeft gestort, die mij +heeft geruïneerd!" + +"U geruïneerd? Hoe?" vraagt Guy teleurgesteld. Hij heeft op den +koopman gewacht, daar hij geldelijke hulp noodig heeft, en diens +woorden klinken hem dus niet heel aangenaam in de ooren. + +"Hoe?" herhaalt Bodé Volckers. "Allereerst door mijn huiselijk leven +te verwoesten, in de tweede plaats door mijn handelszaak naar den +kelder te brengen met zijn tienden penning, en in de derde plaats +door mij, als een gedwongen leening aan het Spaansche gouvernement, +vijfhonderd duizend kronen af te nemen." + +"Wenscht gij ze terug te hebben?" + +"Hemel en aarde,--ja! Maar het geld is zoo goed als verloren. Wat +praat gij voor onzin?" zegt de koopman op spottenden toon. + +"Het is geen onzin!" + +"Geen onzin te beweren, dat Alva zijn schulden zal terugbetalen?" + +"Neen, want ik zal ze voor hem terugbetalen." + +"Gij--een krijgsman--vijfhonderd duizend kronen betalen! Gij zijt uw +verstand kwijtgeraakt door al uw avonturen," roept Bodé Volckers uit, +die denkt, dat Guy hem voor den gek wil houden. + +"Volstrekt niet. Schiet mij tien duizend kronen voor, waag u leven, +evenals ik het mijne waag, en ik zal u vijfhonderd duizend kronen +teruggeven en u in de gelegenheid stellen, u te wreken." + +De Engelschman zegt dit alles fluisterend, doch op vasten toon, +hij heeft de zaak goed overdacht en is tot het resultaat gekomen, +dat, nu Oliver is heengegaan, Bodé Volckers met zijn Antwerpsche +pakhuizen, Antwerpsche schepen en kennis van Antwerpsche toestanden, +juist de man is om hem in deze zaak te helpen, als hij er tenminste +den moed toe heeft. + +"Mijn leven wagen? Ik zou het honderdmaal wagen als ik mij daardoor +wreken kon op den man, die mij van alles heeft beroofd!" + +"Goed, kom dan mee naar mijn kamer, wij moeten die zaak in het +geheim bespreken," zegt Guy, die er nu zeker van is, dat, al zou Bodé +Volckers zijn leven ook niet wagen uit vaderlandsliefde, hij het een +dozijn keeren zou doen, om zijn vijfhonderd duizend kronen terug te +krijgen. De beweegredenen, waaruit de man handelt, gaan hem echter +niet aan, alleen zijn daden. + +Als zij op Chester's kamer zijn gekomen, zegt de koopman: "Wat wenscht +gij van mij?" + +"Allereerst heb ik honderd kronen noodig om Jan Haring te betalen, +die mij heeft geholpen om uw dochter buiten de wallen van Haarlem +te brengen." + +"Ik wil--ik wil Haring heel gaarne zelfs duizend kronen geven. En +u mijn liefde, mijn genegenheid, en alles wat gij slechts wenscht, +omdat gij mijn Mina voor vernedering en dood hebt bewaard," antwoordt +de koopman op dankbaren toon. + +"Uw leven soms ook?" + +"Ja, dat wil ik ook geven, om mij op Alva te wreken." + +"Als dat zoo is," zegt Guy, "luister dan naar mij." En nadat hij Bodé +Volckers geheimhouding heeft laten zweren, vertelt hij hem alles van +het geheim van Alva's standbeeld, alles van Alva's schat, want hij +begrijpt, dat hij dezen man, wiens leven hij in de waagschaal stelt +ten behoeve van zijn eigen zelfzuchtige bedoelingen, zijn volkomen +vertrouwen moet schenken. + +"Goed. Wat verlangt gij dat ik zal doen?" herneemt de Vlaming, +wiens oogen beginnen te schitteren, als hij hoort van Alva's +verborgen schatten, terwijl zijn ziel van vreugde wordt vervuld, +als hij denkt aan den buit. "Zou ik niet een weinig meer kunnen +terugkrijgen--interest tenminste?" + +"Top, ook interest--zeshonderd duizend, als uw leven u iets waard +is--wij zullen er zevenhonderd en vijftig duizend van maken." + +"Goed--nu tot de zaak! Wat hebt gij noodig?" + +"Allereerst, want de tijd dringt, heb ik zoo spoedig mogelijk papieren +van uitklaring noodig van de stad Amsterdam voor de _Esperanza_, +die nog in de haven van Vlissingen ligt. Kunt gij ze mij verschaffen?" + +"Van Amsterdam? Onmogelijk! Doch ik kan u uitklaring en carga van +Stockholm verschaffen." + +"Dat zal ons twee weken ophouden--noem een haven, die dichter bij is." + +"Van Duinkerken? Daarmee zijn slechts drie of vier dagen gemoeid." + +"Van Duinkerken! Best," antwoordt Chester. "Met de _Esperanza_ +zeil ik dan, op u geconsigneerd als kapitein Andrea Blanco, nog eens +rechtstreeks de haven van Antwerpen binnen en blijf daar liggen, totdat +ik mij van Alva's schat en Alva's dochter heb meester gemaakt. Is +het in die stad bekend, dat gij hier zijt?" + +"Neen. Daarvoor heb ik gezorgd," zegt Bodé Volckers. "Men denkt, +dat ik in Frankrijk ben, om Lyonsche zijde te koopen. Ik zal zelf +met u naar Duinkerken varen. Dat werpt een schijn van waarheid over +alles--Lyonsche zijde uit een Fransche haven." + +"En als het later ontdekt wordt, dan kost het u het leven." + +"Om 't even," zegt de Vlaming. "Antwerpen's handel gaat te gronde en +ik ga de stad uit met alles, wat ik bij elkander kan brengen. Die +zevenhonderd en vijftig duizend kronen zullen er mij weer bovenop +helpen." + +Zoo worden alle schikkingen gemaakt en ieder onderdeel geregeld; +er wordt besloten, dat Mina rustig in Delft zal blijven, dat op het +oogenblik de meest geschikte plaats voor het meisje is. + +"Zij is onverschillig voor alles," klaagt Bodé Volckers en voegt er, +op de tanden knarsend, aan toe: "Doch ik zal mij op den man wreken, die +haar tot de geeseling en het spinhuis wilde veroordeelen en mij, enkel +omdat ik haar vader ben, heeft beroofd van vijfhonderd duizend kronen." + +Denzelfden avond overhandigt Guy Jan Haring van Hoorn een beurs met +goud, zeggende: "Dit is een belooning voor het gevaar, waaraan gij +u om mijnentwille hebt blootgesteld." + +"Wel, sapperloot!" roept de Hollandsche visscher uit. "Dit is meer +geld, dan ik ooit bij elkaar heb gezien. Ik neem echter niets aan +voor een goede daad." + +"Gij hebt vrouw en kinderen, neem het voor hen en voor de uitgaven, +die gij hebt te doen om naar het Noorden terug te keeren; ik wenschte +buitendien dat gij een particuliere boodschap van mij daarheen +overbracht." + +Zoo wordt het dus geschikt, dat Haring terstond naar Noord-Holland +vertrekt met orders voor Dalton om de _Dover Lass_ onmiddellijk naar +Vlissingen te brengen en zoo hij Guy en de _Esperanza_ daar niet +mocht vinden, naar Zuid-Beveland te zeilen en het anker uit te werpen +in het Kromvliet. Dit is voor het oogenblik niet zeer gevaarlijk, +daar de Spaansche galjoenen zich bijna alle te Amsterdam bevinden, +om hulp te verleenen aan de belegeraars rondom Haarlem. + +Den volgenden morgen vertrekt Haring naar het Noorden en begeven Guy en +Bodé Volckers zich per schip naar Vlissingen, waar de _Esperanza_ ligt. + +Guy heeft ongeveer tien zijner manschappen aan boord van dit schip +gelaten en dit aantal is voldoende, om naar Duinkerken te zeilen, +waar hij carga inneemt van Bodé Volckers' agenten in die plaats en +papieren van uitklaring op Antwerpen krijgt. + +Als zij deze haven verlaten, zeilen zij opnieuw naar Vlissingen +en vinden tot hun groote vreugde de _Dover Lass_ op hen wachtend, +daar Haring zeer snel heeft gereisd, Dalton zijn orders stipt heeft +uitgevoerd en de _Dover Lass_ buitendien terstond onder zeil kon gaan, +omdat de haven van Enkhuizen reeds geheel vrij was van ijs. + +"Bij alle zeemeerminnen!" roept zijn eerste officier uit, als hij +zijn commandant ziet, "wij dachten, dat gij dood waart--verdronken +bij dien vervloekten Diemer dijk. Dat is kostelijk nieuws." + +"En ik heb toch nog beter nieuws voor u," lacht Guy. + +"En dat is?" + +"Geld om de bemanning te betalen!" Waarop de Britsche pikbroeken +luide juichkreten doen hooren. + +Daarna haalt Guy het geld van Bodé Volckers voor den dag en rekent +met zijn zeelieden af. + +Den volgenden morgen kiest hij de manschappen uit, die den vorigen +keer ook reeds mee zijn geweest naar Antwerpen en laat zich door de +_Dover Lass_ vergezellen tot aan het Kromvliet, waar zij het anker +uitwerpt bij de Bevelandsche kust, terwijl hij verder gaat naar +Antwerpen, de wachtbooten bij Lillo passeert en naar de dokken zeilt, +nog ongeduldiger verlangend naar een ontmoeting met Alva's dochter +dan naar het buitmaken van Alva's schat. + +Hij begrijpt, dat het zaak is, met het laatste zooveel mogelijk haast +te maken. Gedurende zijn gevechten en schermutselingen is zijn gelaat +aan vele Spaansche krijgslieden bekend geworden, en ofschoon de meeste +nog in Holland zijn, zijn er toch eenige, die gewond werden, voor hun +herstel hier. Gelukkig zijn dezen gebonden aan hun kamer en hun bed, +daar enkel de zwaar gewonden uit het leger worden weggezonden,--Spanje +toch heeft iederen man noodig bij het beleg van Haarlem--maar met +tien duizend kronen op zijn hoofd bevindt de "Eerste der Engelschen" +zich in elk geval in groot levensgevaar. + +Om geen tijd verloren te laten gaan, begeeft Chester zich, zoo +goed mogelijk vermomd als kapitein Andrea Blanco, naar het huis +van den koopman, om schikkingen te treffen, teneinde zijn carga te +lossen. Weldra zijn zij in een ernstig gesprek gewikkeld, waarin Guy +Bodé Volckers, die de zaak nu met hart en ziel is toegedaan, opdraagt, +zooveel mogelijk informatiën in te winnen omtrent het huis van de +Spaansche vrouw, senora Sebastian, als hij opeens alleraangenaamst +wordt verrast. + +Hij hoort de stem van de gravin De Pariza in den winkel achter het +kantoor, waar hij met den koopman zit. Deze stem kwam hem tot nu +toe altijd hard, onaangenaam en afstootend voor, maar nu klinkt +zij hem zoo zoet als een engelenstem in de ooren, als zij zegt: +"Ik kom om een weinig wit Fransch mousseline voor Dona de Alva te +koopen. Gij behoeft er niet veel ellen van uit te meten, daar Dona +Hermoine weldra naar Spanje vertrekt, om in een klooster te gaan." + +"Zal ik het goed voor Uwe Genade in de Citadel laten bezorgen?" vraagt +de volijverige bediende. + +"Neen, ik zal het zelf meenemen. Het weer is zoo prachtig, dat Dona +Hermoine en ik nu reeds voor den zomer onzen intrek hebben genomen in +het landhuis te Sandvliet. Doch snel wat, jonge man, de staatsbarge +wacht." + +Deze woorden verjagen alle gedachten aan Alva's schat uit Guy's hoofd. + +"Geef mij eenige nadere inlichtingen," fluistert de koopman, "omtrent +het huis van de Spaansche vrouw." + +"Ik heb u gezegd, waar het ligt. Morgen zal ik verder met u +spreken. Wat is de snelste manier, om te Sandvliet te komen?" + +"De snelste is te paard, maar zij is niet de veiligste." + +"Ik kies de snelste." + +"Door de schildwachten van Lillo? Gij zult aangehouden worden! Gij +moet een pas hebben!" Vervolgens fluistert de koopman, waarschuwend: +"Gaat gij als kapitein Andrea Blanco of als kolonel Guido Amati, +of als die andere?" Bodé Volckers wordt zoo wit als de dood, als hij +die laatste opmerking maakt. + +"Als--Goede God! Ik _moet_ immers gaan als kolonel Guido Amati!" + +"Meent gij, dat gij fort Lillo kunt passeeren met een pas ten name +van kolonel Guido Amati, die reeds drie of vier maanden geleden als +dood is opgegeven?" zegt Bodé Volckers. "Een jaar geleden zoudt gij +Lillo hebben kunnen passeeren als _kapitein_ Guido Amati, maar als +_kolonel_ Guido Amati, een man van rang, een man, die aan het hoofd +van een regiment stond, een man bovendien, die in een dagorder vermeld +werd onder de dooden--neen, neen, gij werpt uw leven weg en zult het +meisje niet winnen. Gij werpt den schat weg en offert mijn leven op." + +"Gij hebt gelijk," zegt Chester neerslachtig, "maar ik moet haar zien." + +"Ga dan met een boot, dat is de eenige veilige manier," antwoordt +Niklaas. + +"Nu goed; ik zal de sloep van de _Esperanza_ nemen; daarmee komt men +snel vooruit en ik zal alle mogelijke zorg voor mijzelf dragen--om +_harentwille_ het meest," antwoordt Guy. "Het zou niet goed voor haar +zijn, opnieuw om Guido Amati te treuren. Doe gij intusschen hier, +wat gij kunt. Ik ben morgen vroeg terug." + +Met deze woorden verlaat kapitein Andrea Blanco het kantoor van den +koopman, begeeft zich aan boord van de _Esperanza_ en vermomt zich, +zoo goed als hij kan, als kolonel Guido Amati; want tengevolge van +zijn wonden, ziet hij bleek, terwijl vermoeienissen en angst rimpels +van zorg in zijn voorhoofd hebben gegroefd. + +Ondanks dit alles ligt er een glans van innig geluk en vreugdevolle +verwachting op het gelaat van den stoutmoedigen jongen man, als hij +in zijn boot, voortgeroeid door zes flinke mannen, de Schelde afglijdt. + +En zijn gelukkige stemming wordt nog verhoogd, als hij, met vluggen +stap en zwierig uitgedost in satijn en zijde,--zooals het een cavalier +betaamt, die de dame van zijn hart gaat bezoeken,--uit zijn boot aan +den dijk stapt, ongeveer een halven mijl ten Westen van Sandvliet, +waar een nette landingsplaats is met sierlijke treden tot aan het water +ten gebruike van dames, en vanwaar een lommerrijke laan van populieren +leidt naar het fraaie kasteel, door Alva voor zijn dochter gebouwd, +om er de zomermaanden door te brengen. + +Het huis ligt aan het eind van de laan op den dijk, en men heeft daar +een heerlijk uitzicht op de Schelde. Een der vleugels reikt zelfs +tot aan het water, een boot zou tot vlak onder de ramen kunnen varen. + +Het is een ruim gebouw, bestaande uit het hoofdgebouw en twee vleugels; +de eene vleugel aan het water, met zijn balkons en zonneblinden, +is zeker het gedeelte, waar de dochter van den Onderkoning zelve +woont, de andere vleugel is, voor zoover Guy, als hij naderbij komt, +er over kan oordeelen, bestemd voor het gebruik van de bedienden en +bevat de keuken, de provisiekamers enzoovoort. Het hoofdgebouw wordt +waarschijnlijk gebruikt voor de ontvangst van bezoekers en het geven +van partijen. + +Het geheel is een schoone en ruime villa, gebouwd met Moorsche +bevalligheid en Oostersche pracht. Dit kan men gemakkelijk reeds op +een afstand zien, want overal zijn van buiten zonneblinden aangebracht +en sommige ramen zijn van geschilderd glas. + +Voor het huis langs den dijk is een aardige tuin; de boomen,--het +is reeds Mei,--zijn vol jonge blaadjes in hun eerste groen en +frissche schoonheid. In de grasperken zijn eenige bloemen geplant, +waarschijnlijk gekweekt in broeikassen. + +Aan het eind van den tuin is een klein tuinhuisje, begroeid met +wijngaardranken en met de open zijde naar den waterkant. Dit trekt +dadelijk Guy's aandacht, als hij een onderzoekenden blik in het rond +werpt, alvorens zijn komst aan te kondigen door, volgens het gebruik +van die dagen, in de handen te klappen. + +Als hij nauwkeuriger uitkijkt, ontdekt hij een witte japon. Zijn +hart begint sneller te kloppen, zijn liefde zegt hem, dat zij het is, +die hij eens in zijn armen hield. + +Bij de haag staat een populier. Guy grijpt hem vast en springt over +de heg in den tuin, nadert het tuinhuisje--en wat hij daarbinnen ziet, +berooft hem bijkans van zijn bezinning. + +Hermoine de Alva--haar gelaat gedeeltelijk van hem afgewend en haar +oog op de Schelde gericht, achterover liggend op een lage rustbank +met zijden kussens bedekt, haar eene hand het fraaie hoofdje +ondersteunend, een harer voetjes te voorschijn komend onder de +plooien van haar gewaad, haar bevallige figuur gekleed in een zacht +wit gewaad, afgezet aan den hals, de mouwen en den zoom met een smal, +zwart randje--vertoont een beeld, waarop zijn oogen, die dien aanblik +zoolang hebben ontbeerd, uren lang onbeweeglijk zouden kunnen staren +in een soort van droomende verrukking. + +Doch Chester is niet de man om te droomen, als hij in de gelegenheid +is, zijn beminde te omhelzen. Hij staat slechts een oogenblik stil, +om er over na te denken, hoe hij den schok kan voorkomen, dien het +zien van een dood gewaande haar zou kunnen geven. + +"Zij zal mij voor een geest houden en bang voor mij zijn," overlegt +hij; want geesten en hekserij en het bovennatuurlijke waren in dien +tijd aan de orde van den dag. + +Terwijl hij daar nog aarzelend staat, neemt het meisje een gebedenboek +op, dat naast haar ligt, en dwingt zichzelve om te lezen, doch zuchtend +legt zij het weer uit de hand. Als zij zich beweegt, schittert er +iets aan haar blanke hand. Het is de ring, dien hij haar gaf, en Guy +kan zich niet langer bedwingen. + +"Van vreugde sterft men niet, anders was ik zelf al lang dood," +denkt hij; vervolgens zegt hij op lossen toon, bijna aan haar oor: +"Dona Hermoine, waarom heet gij mij niet welkom?" + +"Heilige Maagd! die stem--," stamelt het meisje. "Die +stem--!" Opspringend en hem scherp aanziende, hijgt zij: "Madre +mia! Guido! Mijn Guido, die dood is!" en fluistert vervolgens met +bleeke lippen: "Uw geest kan niet gekomen zijn, om mij verwijten te +doen--dat kunt gij niet, daar ik mij aan den hemelschen Bruidegom +heb gewijd na uw dood!" En haar mooie oogen staren hem vol schrik en +ontzetting aan. + +"Niet dood, maar enkel gewond; daarom heb ik verlof tot herstel van +gezondheid. Aan dooden geven zij zulk een verlof niet." En meenende het +bovennatuurlijke het best met het alledaagsche te kunnen verdrijven, +vervolgt Guy: + +"Zoudt gij mij niet uitnoodigen voor het middagmaal?" + +"Een middagmaal voor een _geest_!" Dit komt als een wilde kreet over +Hermoine's lippen, en haar gebedenboek met het vergulde kruis op zijn +fluweelen omslag omhoog houdend, begint zij: "Exorcizare te--" + +Doch hij roept uit: "Ik ben geen geest! Bezweer mij niet, ik ben +geen geest!" + +"Geen geest? _Onmogelijk_! Ik heb rouw over u gedragen--sinds--die +Jobstijding--van het gevecht op het ijs--toen die wreede Engelsche +moordenaar en zijn manschappen u doodden." + +"Mij niet! Ofschoon zij mij hier en daar leelijk toetakelden--een houw +over het hoofd en een kogel in het lichaam. Ik wil u bewijzen, dat ik +niet dood ben. Zijn dit de lippen van een geest? Herinnert gij ze u?" + +Guy slaat zijn armen om het meisje heen, dat half bezwijmd is, en +tracht door kussen een eind aan haar twijfel te maken. + +En hij bereikt zijn doel zóó goed, dat het meisje uitroept: +"Levend! Ja, ja, gij zijt levend! uw hart klopt tegen het mijne. Mijn +Guido leeft!" en zij barst in tranen uit, alsof zij smart in plaats +van vreugde ondervond. + +Wat Guy betreft, hij stelt zich ruimschoots schadeloos voor zijn +langdurige gedwongen afwezigheid, zoodat Dona de Alva bloost doch +tegelijkertijd straalt van geluk en opnieuw bloost en fluistert: +"Gij--gij behoeft mij niet zoo herhaaldelijk te bewijzen, dat gij +leeft. Ik weet nu wel, dat uw lippen niet die van een geest zijn." En +zij voegt er op verwijtenden toon aan toe: "En gij liet mij zoolang +treuren." + +"Ik was een gevangene--" begint Chester. + +"Een gevangene!--Zij maken geen gevangenen!" + +"De 'Eerste der Engelschen' wel! En dan mijn wonden!" zoo verdedigt +Guy zich op meewarigen toon. + +"O ja, uw zware wonden. Ik--ik zal u verplegen." + +"Ja, onder uw handen zal ik zeker spoedig herstellen," zegt hij met +een stralend gelaat en vervolgt opgewonden: + +"Ik zal niet gezond worden eer--" + +"Eer wat?" + +"Eer ik met u getrouwd ben." + +"Met mij getrouwd zijt!" En juffrouw Brunette bloost tot in haar +sneeuwwitten hals, zij slaat de oogen neer, ofschoon zij van geluk +schitteren. + +"Ja, dezen keer, dat ik hier ben, trouw ik met u!" Hij fluistert het, +en toch klinkt het wild en hartstochtelijk. + +En nu brengt Hermoine hem in verbazing, want zij antwoordt, hem +dapper in de oogen kijkend, op vasten toon: "Ja, dezen keer zal +het gebeuren!" en zij stamelt: "Ik zou niet opnieuw zooveel kunnen +lijden. Als gij vertrekt, ga ik met u, kolonel Guido Amati de Medina +zal een vrouw hebben. Doch gij moogt er niet over denken, naar het +leger terug te keeren, eer gij volkomen hersteld zijt, en dat zal +lang duren, vrees ik," en het meisje beschouwt het kleine litteeken +op het voorhoofd van haar beminde, alsof het een doodelijke wonde was. + +En hij beschuldigt zich nu van groote onhartelijkheid, hij noemt +zich een ellendeling, dat hij haar zoolang heeft laten treuren; wat +beteekende plicht, wat beteekende zijn eed, vergeleken bij de wreede +smart, die haar gelaat heeft omfloerst? + +Een oogenblik later doet zijn liefste Guy schrikken. Zij roept +plotseling uit: "Wel, wat is de kleine De Busaco toch een goed +profeet! Hij--hij heeft zeker het tweede gezicht!" + +"De Busaco! Hebt gij hem dan gesproken?" roept de gewaande Guido +Amati onthutst uit. + +"Ja, hij is op fort Lillo in garnizoen, daarheen gezonden om te +herstellen. De arme kleine luitenant kreeg het koudvuur in zijn wonden, +die hij had opgedaan in het gevecht op het ijs. Toen ik hoorde, dat +hij het was, die u het laatst had gezien, mijn Guido,"--zij neemt, +dit zeggende Guy's hand in de hare, alsof zij vreesde, dat zij hem +opnieuw zou verliezen,--"zond ik om hem en informeerde handig--als +geschiedde het slechts uit belangstelling in een goede kennis--o, ik +beheerschte mij goed!--hoe gij waart gevallen. En hij vertelde het mij; +doch eer hij mij verliet, zeide hij: 'Ik wed, dat gij kolonel Guido +Amati toch niet voor het laatst hebt gezien.' 'Waarom niet?' bracht +ik met moeite uit, met nieuwe hoop in mijn hart. 'Zaagt gij hem +dan niet vallen?' 'Ja,' zeide De Busaco achteloos, en ik vond zijn +manier van doen heel vreemd, 'doch mijn vriend, kolonel Guido Amati, +heeft, als een kat, _negen_ levens en hij heeft er nog maar één van +opgeofferd.' Vermoedde hij misschien, dat zij uw leven zouden sparen?" + +"Misschien," antwoordde Guy. "Deze Engelsche moordenaar, zooals gij +hem noemt, spaarde mij niet alleen, doch redde mijn leven, zorgde +voor mij, nam mij mee naar Enkhuizen en toen ik daar doodziek lag met +hevige wondkoortsen, zorgde hij er voor, dat ik zoo goed werd opgepast, +alsof hijzelf het was." + +"Dus hij is geen Engelsche moordenaar?" + +"Neen, hij is een Engelsche ridder, en ik hoop, dat de tijd nog eens +zal komen, dat gij zult zeggen, dat hij een edelman is, uw achting +waard." + +"Dat is hij nu reeds! Hij redde uw leven voor de messen van die wreede +Hollandsche vrijbuiters," zegt het meisje plotseling; daarna mompelt +zij op verschrikten toon; "En ik zette Papa er toe aan, den prijs +op het hoofd van uw redder te verhoogen. De hemel vergeve mij!--tien +duizend kronen staan nu op het hoofd van den man, die uw leven redde!" + +"Diable!" antwoordt Guy, niet zeer ingenomen met hetgeen hij hoort. "De +Engelschman is heel goed in staat voor zichzelven te zorgen, wij zullen +dus maar van hem afstappen en terugkeeren tot kolonel Guido Amati." + +"Apropos van hem," lacht Hermoine, "de geest vroeg, meen ik, om een +middagmaal.--Verlangt het spook geestelijke oesters, kabouterachtige +tarbot en ragout uit den heksenketel?" en het meisje, nu een beeld +van stralende vreugde, klapt in de handen. + +"Neen," antwoordt Guy, "maar de geest zal een reuzenmaaltijd houden +met verlof van het meisje uit het betooverd kasteel, en zij mag den +wijn zoo krachtig maken als zij wil." + +"Kom dan, want ik ben van plan het gemeste kalf voor u te slachten!" En +Hermoine wil de hand van haar ridder vatten, om hem naar het priëel +te geleiden. + +Doch Chester aarzelt eensklaps en fluistert: "De gravin De Pariza--wat +zal uw duena zeggen?" + +"Zij zal niets zeggen," merkt Dona de Alva luchtig op. "De gravin De +Pariza zal vanavond niet thuis zijn." + +"Niet? Ik meende, dat zij de staatsbarge bij zich had." + +"Ja. Zij houdt de barge bij zich in Antwerpen. Zij overnacht bij de +gravin van Mansfeld. Sedert dien nacht--gij herinnert hem u immers, +den nacht, dien ik zegen?--toen gij mij uit de handen der Geuzen +bevrijd hebt, vreest de gravin De Pariza de Watergeuzen meer dan de +vijanden uit de andere wereld, en ofschoon het heet, dat zij hier +woont, is zij zooveel mogelijk iederen nacht afwezig. Zij komt niet +terug voor morgenochtend." + +"Dat is een buitenkansje," lacht Guy, in zijn hart Dirk Duyvel en zijn +zeeschuimers zegenend, "dat zal ons voor veel onaangenaamheid bewaren; +ik zal u altijd 's avonds komen bezoeken. De gravin De Pariza kan +haar tong niet in bedwang houden." + +"Neen, dat kan zij ook niet," roept het meisje uit, "ik zal het haar +echter leeren!" en op dit oogenblik is zij geheel Alva's dochter. "Maar +ga nu mee in huis. Gij zijt hongerig, en met uw wonden moet gij +versterkend voedsel hebben. Kom mee aan het avondeten." + +En Guy laat zich gedwee naar dezen maaltijd leiden, met den eetlust +van een zeeman en volstrekt niet met dien van een geest. Dona Hermoine +neemt zijn arm, alsof zij vreesde hem te zullen verliezen. Als zij +in de ruime vestibule van dit schoone buitenverblijf zijn gekomen, +klapt zijn schoone dame in de handen, en de twee Moorsche meisjes, +die Guy reeds vroeger heeft gezien, snellen toe. + +"Alida, maak een kamer in orde voor dezen heer, die met mij het +avondeten gebruikt," beveelt Hermoine. Waarop een der meisjes, met +een dienaresse, haar meesteres iets in het oor fluistert. + +Hierop barst Dona de Alva in lachen uit, en zegt: "Zeker. Hij is +mijn vriend, kolonel Guido Amati, dien gij met denzelfden eerbied +moet behandelen als mij. Senor, als gij terugkomt, vindt gij den +reuzenmaaltijd, dien gij besteld hebt, gereed." + +Waarop Guy, het Moorsche meisje,--hetzelfde, dat hem indertijd het +pakje in de Citadel heeft gebracht en dat de vertrouwde dienstmaagd +van zijn beminde schijnt te zijn,--volgend, zich weldra bevindt in een +zoo luxueus ingerichte kamer, als hij ooit heeft gezien, ofschoon zij +duidelijk de sporen draagt, voor een heer te zijn bestemd. Aan de muren +hangen wapenen, in de aangrenzende kleedkamer staan mannenlaarzen en +op de toilettafel ligt een misboek, fraai ingebonden, met het kasteel +met de drie torens, een raaf op iederen toren--het wapen van Alva--er +op;--hierin ligt een boekelegger, kunstig bewerkt en geteekend: +"Uw Hermoine". + +"Welk mannelijk wezen," denkt Guy bij zich zelven, half jaloersch, "is +gewoon zich hier zoo huiselijk in te richten?" En zich tot het meisje +wendend, dat hem hierheen heeft geleid en dat hem met nieuwsgierige, +verwonderde oogen aankijkt, vraagt hij: "Zijn dit de vertrekken van +een heer?" + +"Ja! Het is de kamer van Zijne Hoogheid den hertog van Alva, als +hij ons met zijn tegenwoordigheid vereert," antwoordt het meisje +met een diepe buiging en verlaat Guy, die nu het heiligdom van zijn +vijand opneemt. + +"Drommels!" denkt hij, "nu ben ik met recht in het hol van den +leeuw." En naar de pracht van de draperieën en den hemel van het bed +kijkend, mompelt hij: "Een week geleden sliep ik in de herberg van +Hasselaer te Haarlem!" en als al de verschrikkingen van den honger +en den dood in de belegerde stad hem opnieuw voor den geest komen, +schijnt zijn tegenwoordige weelderige omgeving hem bijna een droom toe. + +Maar om geen tijd te verliezen,--want hij verlangt naar zijn beminde +en ook naar zijn maaltijd,--borstelt de jonge man alle sporen van +de reis van zich af en bedient zich daarna van zachter handdoeken, +dan hij ooit in zijn gespierde handen heeft gehad. + +En als hij vervolgens de breede eikenhouten trap afgaat naar de +vestibule, wordt hij door het andere Moorsche meisje geleid in een +vertrek, dat nooit uit zijn geheugen zal gaan--misschien niet om +den indruk, dien het eerst op hem maakte, maar om hetgeen er later +in gebeurde. + +Het is een statig gewelfd vertrek in den rechtervleugel van het huis; +een groot, vooruitstekend venster komt vlak aan het water van de +Schelde uit, waardoor men het geklots van de golven kan hooren, want +het venster is geopend en de zeilen zijn neergelaten om de ondergaande +zon buiten te houden. Aan de eene zijde is de muur verdeeld in drie +groote nissen. Daarvoor hangen zware gordijnen van dik Vlaamsch +tapijtgoed, versierd met gouden kwasten, die dit vertrek scheiden +van een ander, dat er achter ligt. Hier tegenover aan den tuinkant +zijn vensters, die uitkomen op een balkon, beschut door schitterend +gekleurde zeilen en voorzien van gemakkelijke zitplaatsen. + +Op een met kussens bedekte sofa bij het vooruitstekende venster zit, +terwijl de stralen van de ondergaande zon haar donker haar beschijnen, +Hermoine. Bij zijn binnenkomst staat zij echter op, om hem te gemoet +te gaan en zegt: "Ik heb geen toilet gemaakt; ik kon het niet over mij +verkrijgen, u te laten wachten, gij zijt zoo hongerig!" waarop zij, +in de handen klappend, uitroept: "Terstond opdienen!" + +Onmiddellijk openen zich de zware gordijnen, weggetrokken door gouden +koorden voor twee van de deuropeningen en de eetkamer wordt zichtbaar, +waarin een tafel staat, bedekt met een sneeuwwit tafellaken, waarop +goud en zilver schittert, Venetiaansch glaswerk fonkelt en een +overvloed van bloemen een liefelijken geur verspreidt. + +"Kolonel Amati," fluistert Hermoine, en haar blanke hand in de zijne +leggend, gaan zij samen naar binnen, om den maaltijd te gebruiken, +die zoo weelderig is aangericht, als Guy nog nooit, zelfs niet aan het +hof van Elizabeth, heeft gezien; want er zijn allervreemdste voorwerpen +om mee te eten, vorken genaamd, waarvan hij het gebruik niet kent, en +als Engelschman geeft hij de voorkeur aan zijn vingers en een servet. + +Doch zijn gastvrouw is er op gesteld om hem het gebruik van deze +Italiaansche uitvinding te wijzen, en toont hem, hoe hij dit instrument +aan zijn mond kan brengen, zonder in zijn tong te prikken, waarbij +Guy lacht en op treurigen toon uitroept: "Ik smeek u, Dona Hermoine, +laat mij niet meer bloed verliezen!" + +Hierop verbleekt zij een weinig, en hem aankijkend, fluistert zij: "Uw +wonden, o ja--uw zware wonden. Eet en word sterk om mijnentwille." En +zij noodzaakt hem vol bezorgdheid, een reuzenmaaltijd te houden, +waarvan hij volstrekt niet afkeerig is, daar de keuken uitstekend is +en de wijn van de fijnste Spaansche merken en afgekoeld met ijs--een +nieuwe mode, waaraan de Engelschman volle recht laat wedervaren. + +Al dien tijd eet het meisje niets, en schijnt genoeg te hebben aan +hetgeen haar oogen zien. + +"Gij--gij eet niets, mijn Hermoine," fluistert haar ridder, die nu +van zijn kant ook bezorgd wordt. + +"O, ik ben er aan gewend, te vasten," zegt zij, "gij weet, dat ik mij +voorbereidde voor het kloosterleven. Zou het niet verschrikkelijk zijn +geweest?" en het bekoorlijke pruilende mondje geeft iets pikants aan +de non in den dop. + +"Gij zoudt in een klooster zijn gegaan om mijnentwille?" + +"Dat was mijn plan. Er is een groot klooster in Valladolid--waarvan +ik abdis zou worden--ik zou het rijk begiftigd hebben--" + +"Gij abdis?" + +"Ja. Zie ik er niet gestreng uit?" schertst de gelukkige +Hermoine. "Misschien had ik mij toch nog bedacht. Ik begon reeds +genoeg te krijgen van het gebedenboek. Maar nu denk ik niet meer over +middernachtelijk waken--o, Guido mio--zeg mij, dat het geen droom is." + +"Ik wil meer doen--ik wil het bewijzen!" fluistert Guy en staat van +de tafel op. + +Hij ziet er uit, alsof hij eens goed gebruik van zijn recht wil +maken. En daar Hermoine er niets tegen schijnt te hebben, hem dit +recht toe te staan, geeft zij haar twee Moorsche meisjes, die hen +aan tafel hebben bediend, een teeken, en als Chester en Hermoine +de eetkamer verlaten, om naar het andere vertrek te gaan, vallen de +gordijnen achter hen dicht en zijn zij alleen. + +"Kom in het venster; daar krijgen wij weldra maanlicht," zegt de jonge +dame. En zij gaan naast elkaar zitten en kijken naar de kalme golven +van de Schelde, terwijl een zoel zomerbriesje hun tegemoet waait +door het geopend venster. "Zal ik wat muziek voor u maken?" vraagt +het meisje. + +"Uw stem is voor mij de schoonste muziek." + +"O," roept Hermoine uit, "ik speel op de mandoline; ik bezit daar +eenige vaardigheid in. Buitendien kan ik de cachuca en de bolero +dansen. Morgenavond zal ik voor meer afwisseling voor u zorgen. Mijn +Moorsche meisjes bespelen de harp en de guitaar en ik zal De Busaco +inviteeren." + +"Inviteer, als 't u belieft, niemand." + +"Zelfs den kleinen De Busaco niet, die niet wilde gelooven, dat gij +dood waart?" + +"Neen." + +"Weet gij, dat hij misschien ons geheim vermoedt?" + +"Waarom?" + +"Toen hij bij mij kwam, bracht hij mij twee brieven, die hem in +handen waren gekomen, daar hij de zorg voor uw goed op zich had +genomen. Hij overhandigde ze mij, zeggende: 'Ik denk, dat zij wel +eenige waarde voor u zullen hebben.' 'Gij hebt ze niet goed bewaard, +mijn Guido.'" Er is een verwijt in haar oogen te lezen. + +"Ik droeg uw brief altijd bij mij," antwoordt Guy met veel +tegenwoordigheid van geest. + +"Mijn _brieven_," verbetert hem het meisje; "ik zond er u drie." + +"O, ja, maar ik--ik noem uw brief, dien, welken ik het laatst ontving, +en dien ik bij mij droeg om hem te kleuren met mijn bloed, denzelfden, +die mij aanspoorde, om bevordering te verwerven door het verslaan van +den Engelschen kapitein," en Chester haalt het epistel voor den dag, +gevonden op het lijk van Guido Amati na het gevecht op het ijs. + +"Ja, de brief, die mij mijzelve deed verwenschen," roept Hermoine uit, +"de brief die, zooals ik meende, u den dood had gebracht in plaats +van liefde; de brief, die u opdroeg, den dapperen Engelschman,--ik +wil hem nu niet meer _wreed_ noemen,--te dooden." En er komen tranen +in haar oogen, en snikkend zegt zij: "Vertel mij al uw avonturen van +het oogenblik af, dat gij van mij verwijderd waart." + +Aldus gedwongen, geeft Guy een nauwkeurig verslag van het gevecht +op het ijs, natuurlijk van een Spaansch standpunt uit, en zegt +haar eindelijk, dat hij er zich vast van verzekerd houdt, dat de +eerstvolgende slag, waaraan hij deelneemt, hem tot generaal zal +doen bevorderen. + +Een oogenblik later vraagt hij, naar de Schelde kijkend: "Zijt gij +niet bevreesd voor de Watergeuzen?" + +"Neen," antwoordt Hermoine, "zij zijn allen naar Holland +gegaan. Bovendien heb ik acht gewapende lakeien in huis en in de +stallen nog vier als geleide bij de galei, dan ligt er garnizoen +in Lillo, en een halve compagnie te Sandvliet, ginds vlak om den +hoek." Haar blanke arm maakt een bevallige beweging in de aangeduide +richting. "Ik ben hier voor iedereen veilig, behalve voor u, mijn +Guido." + +En Guy denkt, terwijl hij naar de Schelde kijkt, die verlicht is door +de maan: "Veilig, behalve voor mij." Want hij ziet in het Kromvliet, +vlak bij de Zuid-Bevelandsche kust, de masten van de _Dover Lass_ +en in zijn hoofd rijpt een plan, volgens hetwelk hij Hermoine de Alva +aan haar woord wil houden en haar de zijne wil maken. + + + + + +HOOFDSTUK XIX. + +DE BRUIDSSCHAT VAN DE DOCHTER. + + +Chester heeft ongelukkig maar heel weinig tijd, om zijn toebereidselen +te treffen. Het rooven van Alva's schat moet zoo vlug mogelijk in +zijn werk gaan; bovendien wil hij zorgvuldig waken voor den goeden +naam van deze vrouw, die hem door alles haar groote liefde bewijst. + +Daarom staat de Engelschman dan ook na een half uur, waarin het meisje +hem menigen blik heeft gegund in haar liefelijk, rein gemoed, op, +om heen te gaan; het kost hem een geweldige inspanning, maar hij is +vast besloten, om haar te verlaten. + +"O, ga nog niet," vleit Hermoine. "Gij zijt--gij zijt zoolang weg +geweest." + +"Maar ik kom morgen terug." + +"Hoe laat?" + +"'s Avonds." + +"'s Avonds? Ach! Dat duurt nog zoo vele seconden." + +"Ik kan niet eerder komen, maar ik zal zoo vroeg mogelijk hier zijn." + +"Waar houdt gij verblijf?" + +"Aan boord van het schip, dat mij hierheen bracht uit het Noorden, +de _Esperanza_." + +"De _Esperanza_? Het fort Lillo is hier dichter bij." + +"Op Lillo zou de bevelhebber misschien denken, dat ik reeds in staat +was, weer dienst te doen. Ik zou mij naar zijn orders hebben te +gedragen en niet meer vrij zijn om u te komen bezoeken wanneer ik wil." + +"Ja, gij hebt gelijk. Mijn gewonde held, die den opzienbarenden +marsch over de overstroomde landen maakte, heeft wel verdiend, +om eenige maanden uit te rusten. Geheel Brabant, Vlaanderen en +Spanje weerklonken van den roem van dien marsch." En het meisje +slaat haar armen om zijn hals en fluistert hem woorden van lof toe, +die hem overgelukkig zouden maken, als hij niet wist, dat zij bestemd +waren voor den dooden Guido Amati. En als zij ziet, dat hij bij zijn +besluit volhardt, voegt zij er aan toe: "Als gij dan toch moet gaan, +wil ik tenminste nog drie minuten langer van u profiteeren." + +"Op welke manier?" + +"Door u naar uw boot te brengen." + +En, haar hand door zijn arm gestoken, slenteren zij langs het smalle +paadje, waar het hier en daar geheel donker is onder het dichte loof +der populieren. Telkens als zij zulk een donker plekje bereiken, +staan zij stil om afscheid te nemen--en hoe meer zij de boot naderen, +hoe meer tijd ieder afscheid vergt, zoodat het lang duurt, eer zij +het laatste donkere plekje bereikt hebben, en daar staan zij stil en +luisteren naar de stemmen der matrozen, die hun tegenklinken van de +landingsplaats. De mannen zijn zeer vroolijk en doen zich te goed aan +den wijn en de eetwaren, die zij hebben meegebracht. En eensklaps slaat +het meisje haar armen om den verloren gewaande en fluistert opgewonden: +"O, mijn Guido, dat wij toch nooit weer behoefden te scheiden!" + +"Die tijd is zeer nabij." + +"Nabij? En Papa weet nog van niets!" + +"Toch is die tijd zeer nabij. Ik zweer het bij _dit_!" En Chester +springt, Hermoine met gloeiende wangen achterlatend, de trap aan de +landingsplaats af met het vaste besluit, om zijn woorden tot waarheid +te maken. + +Vreemd genoeg gaat zijn boot de Schelde niet op, maar juist naar den +anderen kant en bereikt na twee uren met veel moeite, daar het tij +tegen is, de _Dover Lass_, waar Chester in zijn verliefde bezorgdheid +in zijn hut een lange beraadslaging houdt met Dalton. + +Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de groote sloep wordt +uitgezet, geheel bewapend en uitgerust, en dat hij dien nacht en den +volgenden de wacht houdt op de Schelde vlak tegenover Dona Hermoine's +landhuis, om den slaap van Alva's dochter te bewaken. Want Chester +heeft niet zooveel vertrouwen als zijn beminde in de afwezigheid van +stroopende Geuzen en is vast besloten, dat geen andere zeeroover zijn +schat zal wegvoeren. + +Geholpen door het tij, stevent Guy's schip de Schelde op, en hij +bereikt de Antwerpsche dokken vroeg genoeg, om een paar uren slaap +voor het aanbreken van den dag te genieten. Bij het gloren van den +ochtend is hij weer op. + +Als hij zijn orders aan Martin Corker geeft, die in last heeft het +lossen van de carga, voornamelijk bestaande uit zijde, te bespoedigen, +geeft deze hem een antwoord, dat hem met verbazing vervult. + +"Wij hebben geen handen genoeg meer om het vlug te doen," moppert +de bootsman. + +"Hoezoo? Gij hebt toch dertig man!" + +"Dertig gisteren--maar Bodé Volckers, wien gij mij hebt gelast te +gehoorzamen, kwam hier gisteravond voor zonsondergang en nam twaalf +man met hun plunje en beddegoed mee, om in de stad te slapen." + +"Het is goed," antwoordt de kapitein, doch begeeft zich haastig +naar het huis van den burgemeester, om hem naar de reden van zijn +handelwijze te vragen. + +Het gelukt hem met Bodé Volckers onmiddellijk een onderhoud te +krijgen, daar deze reeds op zijn kantoor is, en daar verneemt hij, +dat de koopman dit zaakje van schat-stelen heeft aangepakt op een +echte koopmansmanier. + +"Wij hebben al een begin gemaakt," zegt Niklaas. "Laat nu alles +maar aan mij over. Het is beter, dat gij niet veel in de zaak wordt +gemoeid. Ik ben gemakkelijk genoeg te weten gekomen van werklieden aan +de dokken, dat de oude senora Sebastian, die 'de Stomme Duivelin' wordt +genoemd, tengevolge van haar boos humeur en omdat zij het vermogen +mist, dit met haar tong te uiten,--een herberg voor zeelieden houdt +en haar tijd verdeelt tusschen rumdrinken en slapen. Zij heeft echter +niet veel meer te doen, daar het verkeer in de haven veel minder is +geworden sinds dien vervloekten tienden penning." + +"Ja," antwoordt Guy, "de dokken zijn niet half zoo vol schepen. Maar +wat heeft dit met onze zaak te maken?" + +"Dit: als er weinig schepen zijn, zijn er ook weinig matrozen, en +'de Stomme Duivelin' had er den vorigen nacht maar twee, een Noor +en een Franschman. Nu heeft zij er veertien, twaalf van uw schip, +die nu de meerderheid uitmaken en hun bagage en hun stroozakken +hebben meegenomen." + +"Wat is uw plan?" + +"Wij maken den Noor en den Franschman dronken--stomdronken; brengen hen +dronken naar een van mijn schepen, en morgen vroeg ontwaken zij in open +zee, buiten de Schelde, op weg naar het andere einde der wereld. Dan +maken wij 'de Stomme Duivelin' ook dronken en bewusteloos; laten de +twee ledige slaapplaatsen door nog twee van uw matrozen innemen--gij +hebt immers vertrouwde lieden?" + +"Zeker. Zij weten, dat hun leven afhangt van hun voorzichtigheid." + +"Daarna kunnen er geen logeergasten meer in het huis worden opgenomen, +omdat er geen plaats meer is, en wij hebben er eenige uren de vrije +beschikking over; gedurende dien tijd kunnen wij onderzoeken, of +niets ons meer in den weg staat, om ons van Alva's schat meester te +maken. Vervolgens kunnen uw matrozen het geld overdag wegbrengen +in hun bedden--zij vullen daartoe de stroozakken met dubloenen, +in plaats van met stroo--en worden vervangen door nieuwe matrozen, +die eveneens hun bedden medebrengen." + +"Dat is een goed plan," antwoordt Guy, nadenkend, "een beter zou ik +niet weten. Er dreigt echter misschien nog een gevaar. Wordt het huis +bewaakt door een van Alva's agenten?" + +"Daar heb ik onderzoek naar gedaan, en ik meen te weten, dat niemand, +die in betrekking staat tot Alva en het Spaansche gouvernement, ooit +in de buurt van het huis is geweest, sinds het verhuurd is aan senora +Sebastian. Maar," voegt de koopman er aan toe, het hoofd schuddend, +"daarop ben ik toch volstrekt niet gerust! Denkt gij, dat zulk een +sluw man geen voorzorgen zou nemen, om zich voortdurend op de hoogte +te stellen van de veiligheid van zijn schat? Let op mijn woorden, +er is iets in Alva's standbeeld, waarvan wij niets weten." + +"Als gij bang zijt het waagstuk te beproeven, ik niet," zegt Guy op +vastbesloten toon. "Laat het dan maar aan mij over." + +"Nu, misschien is het ook beter, dat gij er het eerst ingaat," +antwoordt Bodé Volckers. "Gij hebt het grootste belang bij de zaak. En +als het tot vechten mocht komen, dan hebt gij duizend kansen tegen +ik geen enkele." + +Zoo wordt het dus afgesproken, en Bodé Volckers kwijt zich met grooten +ijver van zijn taak. Vier uur later zijn de Noor en de Franschman +dronken; den volgenden morgen worden zij wakker, zwalkend op den +oceaan, aan boord van een schip naar Indië, een reis, die drie jaren +zal duren. Als het duister wordt, gaat de koopman naar Chester, die in +zijn kantoor heeft zitten wachten en fluistert: "'De Stomme Duivelin' +is stomdronken; sla nu uw slag." + +"Wijs mij den weg." En Guy neemt Corker mede en wordt door Niklaas +gebracht in een straat dicht bij de Esplanade, waar te midden van +andere bouwvallige en vuile woningen het huis van senora Sebastian +staat. Een van Guy's matrozen laat hen binnen, daar de koopman hem +niet verder heeft durven vergezellen dan tot aan de deur. + +"Waar is de meesteres van het huis?" + +"Stomdronken boven, commandant," fluistert de man. "Een uur geleden +tierde zij nog, maar nu zal zij den geheelen nacht wel snorken,--zij +is stom maar snorkt toch als Neptunus." + +Chester overtuigt zich hiervan, en een rumflesch onder haar bereik +leggende, om te zorgen, dat als zij mocht wakker worden, zij hen toch +niet zal storen, komt hij weer haastig naar beneden en roept uit: +"Aan het werk!" + +En Guy en Corker gaan den kelder in en aan den arbeid bij het licht +van een flikkerende olielamp. + +Tot groote vreugde van Chester, vindt hij, nadat hij de vier zware +steenen in het midden heeft opgenomen, een luik, met een ring om het op +te trekken in het midden. Het is echter niet te bewegen, en bezwijkt +niet voor hun vereende krachten, voordat zij een ijzeren bout hebben +gebruikt. Na een haastig onderzoek komen zij tot het besluit, dat +het klaarblijkelijk gedurende twee of drie jaren niet van de plaats +is geweest en dat de tijd het er zoo vast in heeft gemetseld. Als +zij er eindelijk in zijn geslaagd, het op te lichten, zien zij een +nauwe schacht voor zich met een ladder, die naar beneden leidt. + +De schacht is nauwelijks tien voet diep, en als zij de flikkerende +lantaarn omlaag houden, ontdekken zij een gang, die in de juiste +richting leidt. + +"Houd gij," fluistert Guy tot Corker, "nu hier de wacht. Indien gij +wordt aangevallen, verdedig u dan zoo goed als gij kunt, en waarschuw +en red mij als het mogelijk is. Zoo niet, blijf dan waar gij zijt." + +"Het was beter, dat gij mij met u mee liet gaan, commandant!" + +"Neen, ik wil mijn eigen leven eerst wagen. Ik heb de teekeningen, +ik heb het licht, ik heb de sleutels." + +Terwijl hij de lantaarn eerst tot op den bodem houdt, om er zich van +te overtuigen, dat er in de gang geen bedorven lucht is, die hem zou +kunnen doen stikken, daalt Chester omlaag en vindt een geplaveide +gang, nauwelijks breed genoeg voor twee menschen om elkaar voorbij +te gaan, met een gewelfde zoldering. Hij loopt de gang ten einde, +volkomen kalm van hoofd, al klopt zijn hart ook iets sneller. + +Na tweehonderd voet stuit hij op de eerste ijzeren deuren. Deze zijn +buitengewoon sterk en zouden voor niets bezwijken, behalve voor een +ontploffing. Hij leest de verklaring van het gebruik der sleutels nog +eens na bij het licht van de lantaarn, ofschoon hij ze reeds uit het +hoofd kent, daarna smeert hij den eersten sleutel in met de fijnste +olijvenolie en steekt hem in het slot. + +De sloten zijn blijkbaar in goeden staat en verzekerd tegen vocht +en roest. De sleutel draait met gemak rond. Daarna wordt de tweede +geprobeerd--weer springt de schoot terug--daarna de derde, eveneens +met goeden uitslag. Als hij den laatsten sleutel er uittrekt, ziet +Chester, hoe bewonderenswaardig het mechanisme van den Italiaan is, +want de twee zware ijzeren deuren zouden bij de aanraking van een +kind op hun hengsels draaien. + +Tot zoover heeft Paciotto hem de waarheid verteld. + +Hij gaat nu met meer vertrouwen verder. Het tweede paar deuren is +onder de gracht, zooals hij kan hooren aan het klotsen van het water +boven hem. Zij worden met hetzelfde gemak geopend door den talisman, +dien Guy in zijn bezit heeft, zoodat de machinerie zichtbaar wordt, +waarvan de ingenieur heeft gesproken, en waarvan hij de teekening in +zijn hand houdt, namelijk die, welke de vleugeldeuren reguleert, en +die hem zullen doen omkomen door het water van de gracht, als Alva's +standbeeld wordt vernield. + +Terwijl hij de aanwijzingen op het papier volgt, neemt hij zijn +maatregelen om dit te beletten door de verbinding met de gracht +af te sluiten, en brengt, teneinde de zaak dubbel veilig te maken, +de dubbele deuren weer op haar plaats. + +Daarna gaat hij verder naar het derde paar deuren. Dit moet hem den +toegang tot Alva's schatkamer verschaffen. Zijn hart bonst, terwijl +hij de sleutels nauwkeurig naar volgorde gebruikt--bijna aarzelend, +alsof hij bang was voor hetgeen hij daarbinnen zal zien. + +Eindelijk springen de schooten driemaal terug, hij duwt de deur open +en de lantaarn omhoog houdend, wil hij verder gaan, maar hij struikelt +plotseling, hij hoort een rinkelend geluid en valt neer te midden van +zakken met goud, en zijn lantaarn opheffend, roept hij uit: "Bij den +hemel, wat een aanblik voor een gierigaard!" en daarbij lacht hij, +doch zeer zacht, alsof hij vreesde, dat het solide metselwerk van +twintig voet dik en het groote bastion van den Hertog, dat zich er +boven bevindt, van vloeipapier zijn en alles zullen doorlaten, zelfs +een zucht. + +Zich herstellend, overziet hij vlug den schat en meent hem op minstens +vier of vijf millioen te mogen schatten. + +Daarna gaat hij naar Corker terug, die hem ontvangt met: "Gij zijt +niet geslaagd?" + +"Zeker, alles is in orde. Haal de manschappen." Hij neemt ze met zich +mede en maakt een berekening van den schat; er zijn, voor zoover hij +kan zien--hij moge een kleine vergissing begaan--omstreeks honderd +negen en zeventig zakken met goud, alle gestempeld met Alva's wapen, +en blijkens het strookje, dat er aan bevestigd is, inhoudende twintig +duizend kronen, en ongeveer vierhonderd duizend Spaansche zilveren +dollars in ongeveer tweehonderd vijftig zakken. Buitendien is er +een sterke kist, die Chester niet opent, maar waarvan hij vermoedt, +dat zij juweelen en andere kostbare steenen bevat. + +Corker als bewaker achterlatend, beveelt hij de mannen, ieder zooveel +zakken als zij kunnen in den kelder te dragen en met dit werk voort te +gaan, totdat hij terugkomt. Hij zet vier zwaar gewapende mannen bij den +ingang op post, om het huis voor een plotselingen aanval te beschermen. + +En daarna gaat hij met haastigen tred door de duistere straten naar +het kantoor van Bodé Volckers die hem ontvangt met--want Chester is +niet lang bezig geweest: "Geen succes--wel?--alles gekkenpraat?" + +"Gekkenpraat,--die vijf millioen waard is!" + +"Hel en duivel! Vijf millioen! God zegene u, mijn brave jongen. Laat +ons er dan aanstonds beslag op gaan leggen." + +"Neen, niemand heeft ons gestoord," spot Guy. "Daarom juist is het +gevaarlijk, Bodé Volckers." + +Bodé Volckers is er nu evenmin van terug te houden, Alva's schat te +gaan zien, als men hem vroeger daartoe zou hebben kunnen overhalen; +en hij gaat met Guy naar het huis van "de Stomme Duivelin". + +Hier gekomen, zegt hij: "Laat nu alles aan mij over. Ik zal het er wel +uit krijgen; iedere dollar zal u worden voorgeteld, op mijn eer van +koopman." Waarop Chester antwoordt: "Dat zou mij voldoende waarborg +zijn, maar volgens de manier van ons vrijbuiters, heb ik Corker +gelast, elken zak te schatten en elk muntstuk op de _Esperanza_ te +brengen. Wij zullen in Vlissingen deelen. Maar gij moet het er uit +laten halen. Gij zijt beter voor dat werk geschikt dan ik." + +En dat is ook zoo, want Bodé Volckers is met hart en ziel bij het werk, +terwijl Guy's gedachten meer in Sandvliet zijn, bij Alva's dochter. + +Zoo wordt de zaak dus geschikt; de matrozen zullen 's nachts al +het goud in den kelder dragen, daarna zullen de ijzeren deuren weer +gesloten worden en overdag zal Bodé Volckers den schat in de bedden van +de matrozen aan boord brengen. Als koopman kan hij dit gemakkelijk doen +zonder argwaan te wekken. Den volgenden nacht zal een ander gedeelte +der matrozen het zilver uit het gewelf naar den kelder brengen en +het overdag op dezelfde wijze vervoeren, alsmede de kist met juweelen. + +"Als wij het goud hebben ingepalmd, zal het voornaamste van den buit +wel binnen zijn," zegt Bodé Volckers. "Onderwijl zal ik carga in de +_Esperanza_ brengen, om het schip in staat te stellen, Antwerpen weer +te verlaten." + +"Gij zijt op alles verdacht," zegt Guy. En hij beveelt Corker, het +goud, als het aan boord komt, te bergen onder de hut, daar waar de +gesmokkelde haakbussen verstopt zijn geweest, op hun vorige reis +naar Antwerpen. Maar op zijn horloge ziende, mompelt hij verschrikt: +"Hemel, het is al acht uur! Nu zijn de poorten gesloten, en kan ik +niet meer voldoen aan mijn afspraak." + +"Ah! Te Sandvliet?" grinnikt de koopman. + +"Ja." + +"Dat dacht ik al. Maar ik kan u nu door de poorten brengen. Zij worden +niet meer bewaakt door de Spaansche troepen. Onze burgerwacht doet nu +dienst. Luitenant Karloo aan de hoofdpoort is een vriend van mij. Ik +zal u bij hem brengen." + +Zoo ondervindt Guy weinig belemmering, als Bodé Volckers doorgang voor +hem vraagt. Het Spaansche garnizoen is wegens den oorlog in Holland +langzamerhand zóó verminderd, dat het nog enkel voldoende is, om de +Citadel zelf te bewaken. + +Chester merkt dit alles met genoegen op en hij begrijpt, dat het hem +nu gemakkelijker zal vallen, het goud door de poorten te brengen en in +zijn schip te laden, daar er onder de burgerwacht niet die discipline +heerscht als onder Alva's veteranen. En met een verruimd hart zeilt +Chester nu opnieuw naar Sandvliet, bij zichzelven overleggend: "Nu +ik in het bezit ben van haar bruidsschat, is het oogenblik gekomen, +om Dona Hermoine zelve tot de mijne te maken!" + + + + + +HOOFDSTUK XX. + +"PAPA KOMT! NU ZAL IK HET DOEN!" + + +"Het is al over tienen--maar beter laat dan nooit," denkt Guy, als hij +uit de boot springt, de trap opvliegt en met haastige schreden het +smalle pad naar Sandvliet opsnelt. "Drommels! Zij is nog niet naar +bed gegaan," lacht hij, ziende, dat de vertrekken, waarin Hermoine +hem gisteren heeft ontvangen, nog helder verlicht zijn. Hij laat den +koperen klopper op de deur vallen. + +Deze wordt terstond geopend door Alida, die reeds op hem schijnt te +wachten. Zij fluistert haastig: "Excellentissima wacht u." + +"Is zij alleen?" + +"Ja, senor coronel." + +Chester licht de draperieën van de deur op, en een blik slaande in +het vertrek, geraakt hij geheel en al in verrukking over het schoone +tooneel, dat zich aan zijn oogen vertoont. + +De kamer is verlicht door hanglampen, gevuld met welriekende olie, +en versierd met bloemen van Venetiaansch glas, doch te midden +van die pracht staat met een pruilend mondje de godin van dit +feeënverblijf. Zij is gekleed in een licht gazen avondtoilet van het +bleekste amber. De golvende souple stof omgeeft haar als een wolk, +waaruit haar ronde armen, haar fraaie hals en schouders te voorschijn +komen--blinkende in het stralende licht als een lichte zomerwolk, +die even gekleurd is door de zonnestralen. Op haar sierlijken hals +rust een even schoon gelaat, omlijst door het zachte en golvende +zwarte haar, getooid met bloemen, en in het gelaat schitteren twee +verontwaardigde oogen. Zóó staat zij daar, als een fee in een sprookje. + +Zij is, zooals het schijnt, geducht uit haar humeur, want een klein +voetje, dat onder haar rok van Mechelsche kant komt uitgluren, trappelt +ongeduldig op den vloer, en haar oogen, ofschoon zij toornig vlammen, +staan vol tranen als Guy binnenkomt. Maar in het volgende oogenblik +komt er een uitdrukking van geluk over haar gelaat en is zij aan zijn +zijde, om hem een welkom toe te fluisteren. "Ik dacht, dat gij nooit +zoudt komen. Gij scheent geen groot verlangen naar mij te hebben!" + +"Ik werd opgehouden door zaken." + +"Zaken? Welke zaken heeft een luierende dandy?" en Dona Hermoine +steekt haar neusje in de lucht. + +"Ja, door zaken, namelijk om mijn vermogen in zulk een staat te +brengen, dat ik er flink mee voor den dag kan komen bij uw vader, +als ik hem om uw hand vraag," antwoordt Guy, voor een enkelen keer +de waarheid sprekend. + +"O, daaraan hadt gij niet behoeven te denken," roept het meisje uit, +"ik heb geld genoeg voor ons beiden. Denkt gij misschien, dat ik u om +uw geld trouw, Guido, als ik vorstelijke bezittingen in Italië heb, +die alle de uwe zullen worden, mijn meester en heer?" En zij maakt +een buiging voor hem en vleit: "Gij hebt mij nog maar eens gekust!" + +"Hoe kan ik anders, als gij uw neus in de lucht steekt?" + +"Dat bracht mijn lippen nader tot de uwe," lacht zij. + +Doch het verdere gedeelte van den avond heeft zij geen reden, om zich +opnieuw over zijn verwaarloozing te beklagen; want Guy is geheel +en al betooverd door haar schoonheid, die hem heerlijker dan ooit +toeschijnt, en hij drinkt haar in, zooals een man den zwaren wijn +drinkt, die hem het hoofd doet verliezen. + +"Gij hebt toilet gemaakt als voor een feest," fluistert hij in het +rose oortje, dat dicht bij hem is. + +"Doch enkel voor u; gij herinnert u, mijn heer, dat gij mij hebt +bevolen, geen gasten uit te noodigen." + +"En gij hebt mij gehoorzaamd?" + +"Ja--wordt gij dan niet mijn heer?" + +"Gij zoudt mij dus evengoed gehoorzamen als een vader?" lacht Chester. + +"O, veel beter! Papa zegt, dat ik zijn tyran ben en de ware viceroy der +Nederlanden, doch dat is niet waar," zegt het meisje met overtuiging; +daarna zucht zij: "Als dat zoo was, was dit land een ander,"--en +daarna roept zij op haar ouden toon uit: "Maar laten wij daarvan +niet spreken, verjaag uit mijn gedachten wat mij zoovele tranen +heeft veroorzaakt. Laat mij er slechts aan denken, dat wij bij elkaar +zijn--gelukkig! En ik heb mij voorgenomen, u dezen avond heel gelukkig +te maken, mijn Guido." + +"Het is onmogelijk mij nog gelukkiger te maken, dan ik reeds ben," +fluistert Guy, in verrukking het schoone meisje beschouwend, dat hij +zoo spoedig de zijne hoopt te nemen. + +"En toch kan ik dat nog. Gij weet niet, welke verrassing ik voor u +heb weggelegd. Het kwam mij voor, dat wij u den vorigen avond niet +aangenaam genoeg bezighielden. Ik had met de gravin De Pariza willen +spreken, als zij vandaag hier was gekomen, en speellieden uit Antwerpen +willen ontbieden, om muziek voor ons te maken op het water voor de +vensters. Dat zou romantisch geweest zijn, zooals in den tijd der +troubadours, en geleken hebben op een Venetiaanschen nacht, nietwaar, +mijn Guido?" + +"Daar zal ik een volgenden keer voor zorgen," fluistert de verrukte +Chester. + +"Maar toch heb ik voor u gedaan, wat ik kon. Mijn Moorsche meisjes +zullen later voor u spelen en dansen--voor het oogenblik wil ikzelve +trachten u te amuseeren. Ik meende uit een opmerking van gisteravond te +moeten opmaken, dat gij denkt, dat ik geen talenten bezit. Luister!" En +ondanks Guy's protest, die niets anders verlangt, dan zijn meisje het +hof te maken, neemt de jonge dame van een stoel een mandoline, waarmee +zij blijkbaar den tijd heeft gedood, totdat hij kwam, gaat zitten +en begint, hem aankijkend, een liefelijk preludium te tokkelen. En +daarna zingt de stem, waarvan de Hollandsche Watergeus zeide, dat +zij gelijk was aan de engelenstem van het orgel in Amsterdam, een +Moorsch lied voor hem, zoet, tropisch, zwaarmoedig, met die gratie +en zoetvloeiendheid, die alleen eigen zijn aan het zonnig Italië en +Spanje. Het schoone en betooverende van dit alles wordt nog verhoogd +door de teedere blikken, waarvan de zangeres haar gezang doet vergezeld +gaan, en het lied eindigt dan ook met een verrassing; want de laatste +toon, ofschoon bestemd voor zijn oor, wordt regelrecht gericht op de +lange snor van haar verloofde en afgebroken op een wijze, die in de +muziekgeschiedenis onbekend is. + +"Madre mia!" lacht het meisje, "men zou denken dat gij de componist van +het stuk waart. Gij hebt mijn mooie hooge noot wreedaardig vermoord." + +"Laat mij haar vervolgen!" Dit komt van een ruwe, snerpende stem +achter hen. + +En als het paar opschrikt, zien zij Hermoine's duena voor zich, de +gravin De Pariza, die hen ontsteld aanstaart, en het opnemend voor +de beleedigde etiquette, uitbarst: + +"Ik was van plan geweest, Dona de Alva, vanmiddag terug te komen, doch +werd opgehouden door boodschappen in de stad. En nu ik terugkeer, kom +ik tot de ontdekking, dat ik niet had moeten heengaan. Ik ben verbaasd, +dat iemand, die door mij is opgevoed, _alleen_ een cavalier ontvangt." + +"Niet als die cavalier mijn toekomstige echtgenoot is, kolonel Guido +Amati. Gij hebt hem, zooals gij u wel zult herinneren, reeds vroeger +gezien, bij den koopman Bodé Volckers. Gij--" + +Doch op dit oogenblik gilt haar duena met rollende oogen: + +"Guido Amati! De man, die gesneuveld is! O hemel, een geest! Heilige +Maagd, bewaar mij voor den geest!" en zij zinkt neer, Latijnsche +gebeden prevelend. + +Hermoine begint echter te lachen: "Neen, niet dood! Gij behoeft +hem niet te bezweren! Dit is vleesch en bloed, laat hij u maar eens +aanraken met zijn lippen!" + +Waarop Chester protesteert: "Neen, neen!" + +"Ja, ja, kus haar de hand. Zij is zeer gesteld op een ridderlijk +huldebetoon, kus haar de hand! Ik geef u verlof. Ik zal niet jaloersch +zijn, Guido mio." + +En toegevende, drukt Guy lachend een kus op de dorre handen, die zijn +opgeheven tot een gebed. + +Deze aanraking schijnt haar te kalmeeren, en bemerkende, dat hij geen +geest is, staat de gravin De Pariza op en wordt weer geheel duena, +terwijl zij op hoogen toon zegt: "Als kolonel Guido Amati dan geen +geest is, moet ik dien edelman verzoeken, zijn bezoeken hier te +staken, totdat ik den hertog van Alva heb ingelicht aangaande zijn +bedoelingen." + +"De edelman zal zijn bezoeken in mijn huis niet staken!" antwoordt +Hermoine met een verontwaardigde flikkering in haar oogen. + +"Gij vergeet, dat gij tot uw duena spreekt!" + +"Bedenk, dat ik Dona de Alva ben!" + +"Goed, in dat geval schrijf ik terstond aan uw vader." + +"Gij zult van dit alles geen woord aan mijn vader overbrengen. Ik zal +hem alles vertellen op mijn eigen manier en als ik den tijd daartoe +gekomen acht." + +"Zal ik niet!" krijt de duena. "Zal ik niet! Meent gij, dat ik uw +vaders toorn op mij wil laden?" + +"Laad dan den mijne op u!" roept het meisje uit, en terwijl zij +vlak voor haar duena gaat staan, vervolgt zij met vlammende oogen: +"Waag het, een woord van dit alles aan wien ook te zeggen, voordat ik +het u beveel, en ik vertel mijn vader, dat vier jaren geleden, toen +gij meendet, dat ik nog te jong was, om op staatszaken acht te slaan, +gij, voor twee duizend kronen, den jongen Brederode hebt gewaarschuwd, +zoodat hij Brussel kon ontsnappen om gevangenneming en terechtstelling +te ontgaan!" + +"Welke bewijzen hebt gij daarvoor?" stamelt de gravin. + +"Geen andere dan Brederode's brief, waarin hij u dankzegt voor uw +waarschuwing en verklaart, dat hij u genoeg had gegeven en niet van +plan is, meer te geven. Ik heb dien brief zorgvuldig bewaard. Hebt gij +u misschien verbeeld, dat ik u hier bij mij had laten blijven, indien +ik u niet naar mijn hand kon zetten, wanneer ik het verkoos?" spot +Hermoine. + +"Ik--ik was in zulk een groote geldverlegenheid," stamelt La Pariza. + +"Meent gij, dat dit u zal vrijwaren voor straf? Gij weet, welk vonnis +mijn vader doet vellen over een ieder, die behulpzaam is bij een +ontvluchting--eerst de pijnbank--en daarna de brandstapel!" Deze +vreeselijke bedreiging komt zoo koel over de lippen van het meisje +alsof zij een ijsberg ware, en als Chester haar aankijkt, behoeft +hij niet te twijfelen dat zijn verloofde Alva's dochter is. + +"Neen--neen! Genade!" snikt de gravin. + +"Dan voor mij op uw knieën, en zweer mij bij het kruis van Christus, +dat gij tegen niemand over mijn verloofde zult spreken. Zweer het--op +uw knieën en zweer het!" roept Hermoine dreigend uit. + +"Ik--ik zweer het," stamelt de duena. + +"Op uw knieën en met het kruis op uw lippen. Op uw knieën! Zweer het +bij de Zeven Heiligen van het Christendom, bij de Twaalf Evangelisten, +bij de Vier Apostelen, bij al de sacramenten van de kerk, bij het +lichaam van onzen Heer, spijt anathema en dispensatie beide--zweer!" + +En zich op de knieën werpend, zweert de ontstelde gravin De Pariza +den eed, haar voorgezegd door Alva's dochter, die haar het crucifix +tegen de lippen drukt. + +"Waartoe dat heele relaas?" vraagt Guy, die in verbazing het tooneel +heeft aanschouwd, waarin Dona Hermoine hem een nieuwen blik op haar +karakter geeft. + +"Omdat ik haar niet vertrouw," antwoordt het meisje. "Het moet een +sluwe priester zijn, die het nu uit haar krijgt. Breek dien eed en +uw ziel vliegt rechtstreeks door het vagevuur naar de eindelooze +hellepijn, gravin De Pariza." + +"Ik--ik meende altijd, dat gij van mij hieldt," stamelt de duena +opstaande. + +"Van _u_ houden?" herhaalt het meisje met een vreemde flikkering +in haar oogen. "Denkt gij, dat ik ben vergeten, dat gij mij, toen +ik twaalf jaar was, om de ooren hebt geslagen? Denk niet, dat ik +bang voor u ben! Dat is goed voor uw Moorsche slavin, die naar uw +kleedkamer gaat als naar de pijnbank. Ik hoorde haar gistermorgen +nog gillen onder uw kastijding. Maar heb niet het hart, met uw +lafhartige natuur, u op haar te wreken. Neem u in acht voor mij, +ik haat wreedheid! _Ik ben Alva's dochter_!" + +Bij deze laatste woorden bijt Guy zich op zijn lippen, om een glimlach +te verbergen, en Dona De Pariza laat een half onderdrukten spotlach +hooren. + +Het meisje gaat op haar af en roept uit: "Waag het niet, den schijn +aan te nemen alsof gij mijns vaders naam bespot, waag het niet, +hem van wreedheid te beschuldigen. Hij is voor mij altijd zoo goed +geweest als een engel. Ik wil het niet van uw lippen hooren--noch +van _iemands_ lippen!" want Guy heeft zijn glimlach toch niet geheel +kunnen verbergen en zij gaat nu voor hem staan met een hooghartige +uitdrukking op haar gelaat, zeggende: "Vergeet niet, dat ik de dochter +van den Viceroy ben." + +"Boete!" lacht Chester. + +"O ja--o--o--ik vergat het! Ja, mijn heer!" zegt zij, een buiging +voor hem makend. En als hij de boete opeischt, fluistert zij: "O +santos! wat zijt gij een kwelgeest--gij kust mij, zoo vaak als gij +er de kans schoon toe ziet." + +Dit tooneel beschouwt de duena in de uiterste verbazing, terwijl zij in +zichzelve mompelt: "God zij geloofd, juffertje-driftkop heeft eindelijk +haar meester gevonden! Die verloopen doordraaier Guido Amati zal haar +naar zijn pijpen doen dansen, daarvoor sta ik borg!" en daarna gaat +zij naar haar kamer, het paartje alleen latend,--waarom het volstrekt +niet rouwig is. + +Als La Pariza hen een oogenblik later had kunnen beluisteren, zou +zij nog meer verbaasd zijn geweest, want zij zou dan hebben bemerkt, +dat kolonel Guido Amati Dona Hermoine een boetpredikatie houdt over +de noodzakelijkheid, zijn gevoel en zijn tong te beheerschen. + +Hiernaar luistert het meisje oplettend, met neergeslagen oogen, op een +wijze, die Guy wel verwondert maar hem tevens hoogst welgevallig is; +want hij heeft de vaste overtuiging, dat er slechts één middel is om +dit meisje te veroveren--namelijk haar te ontvoeren, en hij beseft, +dat hij, om dat te kunnen doen, haar volkomen moet beheerschen. + +Maar hij maakt zijn predikatie een weinig te lang en zij roept +eensklaps plagend uit: "Bullebak! Bullebak! Ik ben de dochter van den +Viceroy!" en danst dan lachend weg. En hij zet haar achterna, om de +boete te innen, over tafels en stoelen en divans; Hermoine neemt haar +langen sleep op en ontsnapt hem telkens weer op haar vlugge voetjes, +totdat hij haar vangt bij de derde portière in de kamer, waarachter +hij nog geen blik heeft mogen werpen. + +Hier wordt zij, terwijl hij haar in zijn armen houdt, eensklaps zeer +ernstig en fluistert: "Beknor mij niet; als gij het wilt, zal ik +boete doen, mijn Guido, omdat ik u wat uit de hoogte heb behandeld, +maar niet omdat ik het haar deed. Hier binnen zal ik vannacht tien +Ave Maria's voor u bidden." En de gordijnen ter zijde trekkend, +toont zij hem de verlichte kapel van het huis; achter de brandende +kaarsen staat het schilderij van zijn dooden vriend, het meesterstuk +van Oliver, en zij fluistert: "Hier op deze plaats bid ik voor u!" + +"Ja," antwoordt Guy met een blik op de liefelijke Madonna, "ik offer +zelf aan dat altaar." + +"St, niet spotten," antwoordt het meisje plechtig. "Dit is de kapel, +waarin wij getrouwd zullen worden." + +Dit denkbeeld verplaatst Guy in den zevenden hemel en hij begaat een +groote fout, waarover zij hun eerste werkelijke kibbelpartij hebben, +want hij komt zeer handig met het plan van een geheim huwelijk voor +den dag. + +Daarop zegt zij zeer uit de hoogte: "Buiten weten van mijn vader, +zonder zijn toestemming, hij, die mij zoo liefheeft? Nooit!" en vier +of vijf minuten lang is zij ongenaakbaar voor haar Guido. + +Hij stapt echter weer even handig van de zaak af en verschoont er +zich mee, dat het enkel zijn vurige liefde voor haar is, en dan +vergeeft Hermoine hem en zendt hem eindelijk weg, overgelukkig, +hartstochtelijker dan ooit, maar met het bewustzijn, dat hij een lastig +werk voor zich heeft--om de jonge dame te schaken en toch haar liefde +te behouden. + +Het onderhoud met de gravin De Pariza toont hem, dat spoed een +vereischte is voor zijn welslagen en dat elk eenigszins lang uitstel +in deze zaak waarschijnlijk noodlottig zal zijn voor zijn voornemen +en misschien ook voor zijn leven. + +Maar het meisje heeft eveneens haar plan van handelen gemaakt, en als +er den volgenden morgen een koerier met brieven uit Holland komt, +klapt zij in haar handen vol vreugde over een idee, dat in haar +levendig brein plotseling is opgekomen, en zij zegt bij zichzelven: +"Papa komt, nu--nu zal ik het doen! Hoera! Ik zal het doen!" + + + + + +HOOFDSTUK XXI. + +"DE HERTOG VAN ALVA!" + + +Onbekend met Dona de Alva's plannen voor zijn welzijn, gaat haar +verloofde als een voorzichtig man voort, om het kleine fortuin te +verzamelen, waarmee hij zijn huishouden denkt te beginnen en hij +blijft den geheelen volgenden dag op zijn schip, om de zakken met +goud in ontvangst te nemen, die eenige uren te voren toebehoorden +aan zijn toekomstigen schoonvader en nu in zijn bezit zijn. + +Zij worden aan boord gebracht, veilig verborgen in de bedden van de +matrozen, en als zij niet zoo zwaar waren geweest, zou men nooit hebben +kunnen vermoeden, dat het geen gewone bedden waren. Zij worden alle +aan boord gebracht door Chester's eigen matrozen, en hoe zwaarder de +zak is, des te meer in zijn nopjes is de zeeman, die hem draagt. Het is +dan ook slechts door strenge bevelen en door de bedreiging, den eerste +den beste te zullen dooden, die zijn vreugd laat blijken, dat Chester +de uitgelatenheid van zijn pikbroeken, waardoor de opmerkzaamheid +van de andere schepen op hen gevestigd zou kunnen worden, intoomt. + +Corker zelf brengt de eerste lading naar beneden. + +"Bodé Volckers is een zeeroover van beroep," fluistert de zeeman als +hij Chester verslag geeft. "Hij zou vechten voor het goud, totdat hij +geen droppel bloed meer in de aderen had. Hij heeft moeder Sebastian +al tweemaal Jamaica gegeven, en de duivel mag haar met rust laten, +als zij niet aan de rum sterft, eer wij den laatsten zak uit het huis +hebben. Bodé heeft touwen meegebracht om haar te binden, als het moet; +dat zij niet kan janken is voor ons van groot voordeel. Geen prop +noodig, men knoopt haar eenvoudig even aan den beddestijl op en zij +is onschadelijk gemaakt." + +Den geheelen dag komt het goud geregeld aan boord en tegen den avond, +want de mannen werken hard, telt Chester, dat hij onder den vloer van +de hut van de _Esperanza_ honderd negen en zeventig zakken met goud +heeft, verzegeld met Alva's wapen; en als hij ze schat op twintig +duizend kronen elk, heeft hij drie millioen, vijfhonderd en tachtig +duizend kronen in zijn bezit. Dit stemt volmaakt overeen met de opgave +van Corker. + +En nu laat hij de matrozen onder toezicht van Niklaas, om het zilver en +de kist met onbekende preciosa uit de schatkamer te halen, en draagt +Martin Corker de bewaking op van het schip met zijn kostbare vracht, +terwijl hijzelf een boot neemt en de Schelde afzakt naar Sandvliet, +brandend van verlangen om zijn beminde te zien. + +In dit opzicht doet Dona Hermoine niet voor hem onder. Zij staat +reeds op den uitkijk naar de boot en snelt hem verheugd tot aan de +landingsplaats te gemoet, opgewonden uitroepend: "Goed nieuws! Goed +nieuws!" + +"Welk nieuws?" vraagt Chester angstig--daar bijna elk nieuws nu voor +hem gelijkstaat met slecht nieuws. + +"Papa komt--hij zal spoedig hier zijn. Dan kunt gij het hem vragen." + +"Wanneer zal de Hertog hier zijn?" + +"Binnen drie of vier dagen, volgens zijn brief." + +"A--ah!" laat Guy hooren met een diepe zucht van verlichting, want +den volgenden avond moet het op de een of andere manier tot een +beslissing zijn gekomen tusschen hem en zijn meisje, dat schoone +wezentje, dat aan zijn arm hangt, terwijl hij het pad naar het huis +opwandelt; haar kleine voeten maken twee stappen tegen de zijne een. + +Het staat bij hem vast, dat de volgende avond moet beslissen, +of zij zijn vrouw zal worden en hem gelukkig zal maken voor zijn +geheele leven, of dat hij haar dan voor het laatst zal zien. De +gedachte hieraan maakt dat hij teederder dan ooit voor haar is, +hij weet toch, dat, al zijn de omstandigheden hem ook ongunstig, +zij hem toch liefheeft. + +Daarna een tête-à-tête in het vooruitstekende venster aan de Schelde +en zij zitten gezellig te babbelen, totdat hij haar zegt, dat hij +vandaag geen tijd heeft, om lang te blijven. + +"Waarom?" pruilt zij. + +"Omdat ik schikkingen tref aangaande mijn vermogen, om daarmee +behoorlijk voor den dag te kunnen komen bij uw vader." + +"O ja, dat heb ik al vroeger gehoord! De hertog van Alva is jegens +mij altijd heel goed en toegevend geweest, en hij zal ook nu mijn +verzoek niet weigeren. Ik heb hem over u hooren spreken, mijn Guido, +als den dappersten man van het Spaansche leger; dat zegt veel, daar +er zoovele dapperen zijn. Die beroemde tocht, dien gij hebt gemaakt, +heeft u bij hem evenzeer in de gunst gebracht als bij mij." + +De lof van den doode, in wiens schoenen hij staat, belet Guy een +bekentenis te doen, die hij in de beide laatste dagen telkens op +de lippen heeft gehad: "God helpe mij, als zij slechts mijn naam +liefheeft en niet mij!" denkt hij telkens huiverend bij zichzelven. + +Hij zou misschien later op den avond alles aan Hermoine hebben +verteld, want hij begrijpt, dat zij er nu recht op heeft, de waarheid +te vernemen, maar er komt iets tusschenbeide, dat hun van weinig +beteekenis toeschijnt, doch grooter invloed op hun leven heeft, +dan zij vermoeden. + +Guy heeft lachend geïnformeerd naar de gravin De Pariza. + +"Sedert gisteravond heeft zij geen woord tegen mij gezegd. Zij blijft +in haar eigen vertrekken," antwoordt de jonge dame. "Die vrouw zou +mij verraden, als zij durfde, en na hetgeen gisteren is voorgevallen, +beklaag ik haar Moorsche slavinnen. Gij weet, dat toen Papa mij Zora +schonk, hij Alida ten geschenke gaf aan de gravin De Pariza. Ik hield +echter meer van Alida, en om haar te bevrijden uit de handen van haar +tyran, want dat is mijn duena--gij behoeft mij met uw kussen niet +telkens in de rede te vallen, Guido mio--ben ik er in geslaagd, Zora +tegen Alida te ruilen en nu is Alida bij mij in dienst en Zora bij +de Gravin. Het was een overeenkomst, doch geen schriftelijke. Maar +vanmorgen eischte zij Alida terug. Zou het zijn om haar wraak te +koelen op het arme meisje?" vervolgt zij levendig. "Als dat zoo is, +als zij haar durft slaan, laat zij zich dan in acht nemen voor Hermoine +de Alva." + +Terwijl zij spreekt, springt zij, zich losrukkend uit Guy's armen, +op en fluistert: "Wat is dat? Luister! Mijn hemel, het is Alida!" + +Want men hoort nu duidelijk een verwijderd gekerm. "Het is Alida! Die +laffe vrouw heeft haar geslagen!" roept zij uit. + +En snel als de wind, met vlammende oogen en een uitdrukking van wraak +op haar gelaat, vliegt Hermoine de Alva de kamer uit, terwijl Guy +haar volgt, doch haar nauwelijks kan bijhouden. Aan het eind van een +gang duwt het meisje haastig een deur open en aan hun oogen vertoont +zich een zonderling schouwspel. + +Het is de kamer van de duena; in het midden staat de gravin De Pariza +met opgeheven zweep en voor haar op den grond hurkt Alida, de Moorsche +slavin. Doch de zweep daalt niet neer. Met den sprong van een jonge +tijgerin rukt Hermoine haar uit de hand van de onthutste gravin. + +"Hoe durft gij mijn kamer binnentreden?" schreeuwt deze. + +"Hoe durft gij iemand slaan, die mij toebehoort?" + +"Pardon, Dona de Alva," zegt de gravin op snijdenden toon. "Het +meisje is een geschenk van uw vader aan mij. Geef mij mijn zweep, +opdat ik haar een bestraffing kan toedienen." + +"Nooit! Alida behoort mij toe, gij hebt haar aan mij overgedaan; zij +is van mij, ik houd van haar en zij staat onder mijn bescherming, zij +is mijn Alida. Wreed schepsel! Gij hebt uw zweep terugverlangd? _Gij +zult ze hebben_!" En als een wrekende godin gaat zij op de sidderende +duena af, die, hevig ontsteld, begint te gillen. + +Maar Guy houdt den blanken opgeheven arm tegen. + +"Ik doe het, als zij het waagt haar aan te raken!" zegt Hermoine op +woesten toon tot Guy; en daarna vriendelijker tegen Alida: "Ga naar +mijn kamer en blijf daar; daar zijt gij veilig," en weer in den vorigen +toon vervallend: "Laat zij het hart hebben u weer aan te raken en ik +eerbiedig haar grijze haren zelfs niet!" + +"Groote God, mijn pruik!" krijscht La Pariza en zij laten haar staan, +heur dunne haren uitrukkend. De Gravin, zonder valsch haar en andere +kunstmiddelen om de sporen van verval te verbergen, vertoont een +leelijk, ja zelfs een terugstootend beeld, want op haar gelaat is, +behalve de verwoesting van den tijd, nu ook nog een uitdrukking van +duivelschen haat te lezen. + +Terwijl Guy zijn meisje wegvoert fluistert hij: "Hebt gij opgemerkt, +hoe zij u aanzag? Zij is nu levenslang uw vijandin." + +"Daar geef ik niets om!" lacht Dona de Alva fier. En zij vervolgt +zacht: "Ik ben blij, dat gij mij belet hebt, tot haar laag peil af +te dalen. Had ik haar aangeraakt, ik zou mij over mijzelve geschaamd +hebben. Als ik de uwe ben door den zegen van de Moederkerk, gebruik +dan als echtgenoot al uw lankmoedigheid om mijn vrouwelijke zwakheden +te verdragen." + +Guy voelt zich door die woorden beschaamd, want hij is, als hij in +twist geraakt met zijn gelijken, dikwijls wreed en bloeddorstig en te +midden van zijn matrozen grijpt hij al heel spoedig naar het eindje +touw, als de discipline van het schip zulks vereischt. + +Hij aarzelt nu weer opnieuw om Hermoine te zeggen, dat hij een +ander is, dan de Guido Amati, voor wien zij hem houdt en dien zij +bemint. Maar aan den anderen kant zou hij haar voor niets ter wereld +willen verliezen en hij wil zelfs het gevaar loopen, haar verwijten +te moeten hooren en haar toorn op zich te laden, als zij maar de +zijne wordt door den zegen van de kerk, voor de menschen en voor God. + +Om dit mogelijk te maken, moet hij nog veel toebereidselen treffen. En +afscheid van haar nemend, zegt hij: "Morgenavond precies om negen +uur. Onthoud het, ik ben van plan een klein waterfeest voor u te +arrangeeren. De maan is er dan nog niet, maar zij zal opgaan eer wij +terugkomen. Wilt gij morgenavond een zeiltochtje met mij op het water +maken, mijn lieveling?" + +"Ja, en zelfs vanavond wel, als gij het mij hadt gevraagd," lacht +het meisje. Daarna zegt zij peinzend: "Was Papa maar hier, dan konden +wij hem meenemen." + +"Ik--ik smeek den hemel van niet," antwoordt haar beminde ontsteld. + +"O, vrees niets, ik ben almachtig tegenover den hertog van Alva!" + +Met een laatste kushand, snelt Dona Hermoine, vervuld van dit +denkbeeld, naar huis terug. + +Dit vertrouwen in haar macht over Philips' onderkoning, brengt +onverwachts een verandering in dien droom van jonge liefde. + +Den volgenden dag reeds in den namiddag galoppeert de hertog van +Alva met rinkelende sporen en overdekt met het stof van de reis, +begeleid door dertig ruiters, voor Hermoine's landhuis, om daar door +zijn dochter met vreugde verwelkomd te worden. + +Het meisje snelt hem verheugd te gemoet, uitroepend: "Ik dacht niet, +dat gij zoo spoedig hier zoudt zijn; uw brief sprak eerst van over +vier dagen, hertog van Alva!" En zij maakt een dienaresse voor +hem, maar hij springt van zijn strijdros, terwijl zijn slangenoogen +schitteren als hij de eenige vreugde van zijn ouderdom ziet, en zijn +mooi kind aan zijn hart drukkend, fluistert hij: "Dus, mijn Hermoine, +zijt gij teleurgesteld?" + +"Teleurgesteld dat gij zijt gekomen? Integendeel--verrukt!" + +"Gij moet weten," merkt de Hertog op, nadat hij met haar het huis +is binnengetreden, "dat ik, nadat ik u had geschreven, een koerier +van Antwerpen ontving, die mij een tijding bracht van D'Avila, den +commandant, waardoor het noodzakelijk werd, dat ik voor een paar +dagen terugkeer naar de Citadel." + +Dit is de waarheid; want onder een lang rapport over militaire +aangelegenheden, over versterkingen, wapenen en oorlogsammunitie en +verschillende bijzonderheden aangaande de garnizoenen van Brabant en +Vlaanderen, heeft Sancho d'Avila bij wijze van postscriptum geschreven: +"Wat ik nog zeggen wilde, het zal Uwe Hoogheid niet onverschillig +zijn te vernemen, dat uw oude veteraan, de eerwaardige Roderigo, +vier dagen geleden stierf." + +Juist dit oogenschijnlijk zoo onbeduidend postscriptum heeft den hertog +van Alva zoo plotseling herwaarts gebracht van Nijmegen, waar hij bezig +was te zorgen dat de belegeraars rondom Haarlem van ammunitie werden +voorzien. Binnen een uur na de ontvangst bestelde Alva, met eenige half +ingehouden verwenschingen, zijn paard en verliet de stad aan de Waal +met zijn lijfgarde, van paarden verwisselend te 's-Hertogen-bosch, +Breda en Bergen-op-Zoom en zoo snel als hij kon langs de Schelde +naar Antwerpen trekkend. Daar de weg langs Sandvliet liep en het +hem slechts een omweg van vijf minuten kostte om haar te bezoeken, +die hem het liefste op aarde is, heeft de Hertog dien omweg genomen, +en hij houdt thans zijn dochter in zijn armen. + +"Ik kan niet lang blijven," merkt hij haastig op; "ik moet nog vanavond +in Antwerpen zijn." + +"Morgen vroeg is veel beter. Uw kamer is altijd voor u in +gereedheid. Zij wordt nooit door iemand anders gebruikt." Bij deze +woorden bloost het meisje eensklaps, want het schiet haar te binnen, +dat Guido er, al is het slechts een kwartier, gebruik van heeft +gemaakt. "Gij moet met mij soupeeren!" + +"Onmogelijk, ik moet verder gaan." + +"Gij moogt niet, papa, _gij moogt niet_! Gij zijt zoo lang onder +mijn contrôle weg geweest, dat gij weerspannig en ongedisciplineerd +zijt geworden." + +Dit is de manier om haar zin bij Alva door te drijven, een manier, die +hij niemand anders zou veroorloven, man noch vrouw. Terwijl zij tot +hem spreekt, neemt zij ondanks zijn tegenwerpingen den helm van zijn +hoofd, streelt zijn grijze haren en trekt aan de twee punten van zijn +langen zilveren baard, uitroepend: "Nu zijt gij mijn gevangene! Tien +kussen als losgeld!" + +"Santos y demonios! gij zijt de ergste rebel in de Nederlanden," +lacht de Hertog. + +"Ja, de meest uittartende en de eenige die u zal bedwingen." + +Dat bevalt den hertog van Alva, die voor zijn doen uitstekend geluimd +is, en hij zegt: "Gij hebt gelijk; ik heb Haarlem nu zoo goed als zeker +in mijn macht. De Bossu heeft Marinus Brandt op het meer verslagen, +de stad is geheel afgesneden--zij moet de mijne worden. En als ik dan +met deze rebellen heb afgerekend en dit land, geheel van oproerlingen +gezuiverd, aan mijn heer, koning Philips, heb overgegeven, verlaten +wij voor altijd dit mistige land en gaan terug naar het Zuiden met +zijn granaatappelen, druiven en olijven, en zullen wij vergeten, +dat er ooit oorlog was." + +"Ja," roept het meisje uit, "en wij nemen hem met ons." + +"Hem? Wien?" + +"Mijn toekomstigen echtgenoot." + +"_Uw toekomstigen echtgenoot_! Van wien spreekt gij, kind?" vraagt +Alva, ten hoogste verbaasd. "Nooit zag ik een vrouw, die zoo +ontoegankelijk was voor aardsche liefde!" Dan lacht hij: "Dat is een +zeldzame ommekeer. Den laatsten keer waart gij een en al ernst. Gij +hieldt een gebedenboek in uw hand en spraakt er van, de bruid der +Moederkerk te worden." + +"Maar dat is alles voorbij." + +"Daar ben ik blij om, ofschoon ik het u niet zou geweigerd hebben. Mijn +Hermoine zou al een heel curieuse non geweest zijn." + +"Ja, zij zal een betere bruid zijn," lacht het meisje, tot haar +onderwerp terugkeerend. "Maar ik vertel er u niets van, tenzij gij +met mij dineert, en dan nog pas na het diner. Zie! Uw geleide is +afgestegen. Zij hebben een langen rit achter den rug. Zij gaan ook eten +en drinken. Wil mijn vader jegens zichzelf niet even barmhartig zijn +als jegens zijn soldaten? Bovendien ziet gij er afgemat en ziek uit!" + +"Volstrekt niet. Ik ben alleen maar vervuld van de tijding, die mij +herwaarts riep, maar hoe dringend mijn komst ook is, ik zal haar +uitstellen tot morgen." + +"Blijf dan dineeren. Ik heb mijn bevelen al gegeven, toen ik u zag +aankomen." Dit zeggende, worden de gordijnen weggetrokken en begeeft +de Hertog, den arm zijner dochter nemend, zich naar de eetzaal. Hier +ziet Hermoine voor den eersten keer sinds den vorigen avond, de +gravin De Pariza, en als zij haar blik opvangt, weet zij, dat deze, +ondanks haar eed, op de een of andere wijze alles wat er gebeurd is +aan den Hertog zal overbrengen. + +Doch tot Hermoine's groote vreugde verlangt Don Fernando Alvarez +de Toledo, hertog van Alva en hertog van Huesca, gedreven door +nieuwsgierigheid, een tête-à-tête met zijn aanminnig kind en zegt, +tot verbazing en bittere teleurstelling van haar duena, kortaf: +"Gravin, ik verheug mij, dat ik u, zooals gewoonlijk, gezond zie. Mijn +dochter en ik hebben het een en ander te bespreken en wenschen alleen +te zijn. Goedenmiddag, Dona De Pariza, ik kus u de hand," en hij +doet haar al buigend uitgeleide naar de deur met deftige Spaansche +etiquette. "Nu uw verhaal, Hermoine. Is het een aardigheid, wat gij +daareven zeidet van een minnaar, kind?" + +"Geen aardigheid." + +"Vertel het mij dan." + +"Na den eten, papa; niet voordat de wijn uw hart een weinig zachter +heeft gestemd. Het is verhard in Holland." + +"Niet te uwen opzichte," zegt de Hertog. "Vertel het mij, mijn schat." + +"Niet voordat gij mij op uw doorluchtige knie laat zitten." + +Dit zeggende is zij reeds op zijn knie en vertelt hem onder +liefkoozingen en vleierijen en kussen van haar beminde. + +Waarop hij zijn oogen van verbazing wijd opent en zegt: "Uw Guido +Amati? Ik meende, dat hij als gesneuveld was vermeld na het gevecht +op het ijs." + +"Neen, hij is hersteld van zijn wonden. O, het zou niet zoo gemakkelijk +gaan, hem te dooden! Herinner u maar zijn tocht over de verdronken +landen. Gij zijt vandaag die plaats voorbijgekomen," zij wijst de +richting aan met haar hand. + +"Ja, ik herinner het mij. Dat was een stout stuk, een Cid waardig," +zegt Alva, die boven alles strateeg is. + +"Ah! geef mij dan aan den Cid. De Cid zou zeker de dochter van Alva +waardig zijn. Als Guido de gelijke is van den Cid, is hij ook mijner +waardig!" En met smeeken en vleien perst Hermoine den man, van wien +zij denkt, dat hij haar niets kan weigeren, de belofte af, haar hand +te zullen schenken aan kolonel Guido Amati de Medina. + +"Nu moet gij vooral niet heengaan," smeekt zij. "Hij komt vanavond +hier. Gij moet hem zien. Gij moet hem even gelukkig maken als +mij. Vader, ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu." + +"Oho!--Als ik het had geweigerd, dan zoudt gij mij dus waarschijnlijk +gehaat hebben." + +"Daartoe zou ik nooit kunnen komen, maar gij weigert mij ook niets. En +daar gij nooit 'neen' tegen mij zegt, moet gij hier blijven en hem +zien. Geef hem uw zegen; vader, beloof mij, als gij mij liefhebt, dat +gij Guido Amati, als mijn aanstaanden echtgenoot, uw zegen zult geven." + +"Als ik het dan moet doen, en gij zegt, dat ik het moet," mompelt de +Hertog, terwijl zijn lippen beven en zijn oogleden trillen, "moet ik +eerst even naar Lillo rijden, om vandaar een boodschap naar Sancho +d'Avila te zenden." + +"Gij komt dus terug? Hij zal hier om negen uur zijn. Gij zult +terugkomen--beloof het, zweer het!" + +"Ik beloof het bij dezen kus!" + +"Neem er dan twee, voor meerdere zekerheid," juicht Hermoine met van +geluk stralende oogen. + +Als zijn escorte een oogenblik later gereedstaat, bestijgt de Hertog +zijn ros en draaft weg van de villa zijner dochter, die hem kushanden +nazendt en hem nastaart met oogen vol tranen van geluk, terwijl zij +mompelt: "Mijn vader en mijn aanstaande echtgenoot bij elkaar! Wat +zal dat een heerlijke avond worden!" + +Alva rijdt naar Lillo en draagt Mondragon, den commandant, op, +terstond een brief te verzenden naar Sancho d'Avila, commandant van +de Citadel van Antwerpen. En daarna ondervraagt Don Fernando met een +begrijpelijke nieuwsgierigheid Mondragon, die een zijner gunstelingen +is, omtrent zijn aanstaanden schoonzoon: "Mondragon, kent gij een +zekeren Guido Amati, kolonel in Romero's legioen?" + +"Zeker, Uwe Excellentie, hij stond onder mij, eer hij naar Holland +ging." + +"Zoo! Vertel mij eens alles wat gij van hem weet." + +"Ik kan u weinig goeds van hem vertellen, behalve, dat hij de dapperste +onder de dapperen was en zulk een behendig schermer als er ooit een +een Toledosche kling hanteerde; doch iemand die zóó bandeloos was, +zulk een lichtmis en zóó aan het spel verslaafd, heb ik nog nooit +ontmoet, en ik ben een oud soldaat." + +"Bandeloos, een lichtmis en een speler," herhaalt Zijne Hoogheid +langzaam, terwijl zijn gelaat nog valer wordt dan gewoonlijk. "Zijt +gij zeker van hetgeen gij daar zegt, Mondragon?" + +"Welzeker, ik heb hem goed gekend. Maar wat maakt het uit? Guido +Amati is dood." + +"Onmogelijk; ofschoon het mij ook verteld is." + +"Het staat vermeld op de monsterrollen van Romero's afdeeling." + +"Is dat werkelijk zoo?" + +"Ja, inderdaad." + +"Dus als hij leefde, zou zijn naam zeker voorkomen op de lijst van +zijn regiment?" + +"Even zeker, als dat er een betaalmeester in het leger is. Guido +Amati is er de man niet naar, om zijn soldij te laten staan; maar +hij is stellig dood. Ik geloof zelfs, dat er hier in het garnizoen +mannen zijn, die hem zagen vallen." + +"Ah! in het gevecht op het ijs?" + +"Ja. De jonge De Busaco, een luitenant met verlof, en de sergeant +Gomez." + +"Laat hen terstond hier komen," zegt Alva, verbaasd en geschokt door +die onbegrijpelijke mededeelingen. + +En De Busaco, het vertrek binnentredend, salueert. + +"Luitenant De Busaco, nietwaar?" zegt Don Fernando. + +"Ja, Uwe Hoogheid, pas bevorderd." + +"Waart gij bij het gevecht op het ijs?" + +"Ja, Uwe Hoogheid." + +"Wie voerde daar het bevel?" + +"Kolonel Guido Amati." + +"Werd hij gedood?" + +"Ik denk het wel, Uwe Hoogheid; ik zag hem vallen." + +"Dat is zeer vreemd, terwijl mijn dochter zegt, dat hij leeft!" mompelt +de Onderkoning, hoe langer hoe meer verbaasd. Mondragon en De Busaco +zetten groote oogen op en de laatste weet, dat de catastrophe, +waarvoor hij reeds lang heeft gevreesd, nu is gekomen. + +"Gij zaagt hem vallen?" vraagt Don Fernando nog eens, alsof hij zijn +ooren niet kan gelooven. + +"Ja, Uwe Hoogheid." + +"En gij denkt, dat hij dood is?" + +"Ja, Uwe Hoogheid, de Hollanders maakten al onze gewonden af." + +"Zooals zij altijd doen," antwoordt Alva. "Ik vrees, dat ik hun dat +kunstje heb geleerd. Zij zijn goed van aannemen. Is Gomez ook al hier?" + +"Ja, Uwe Hoogheid," + +En de vrijpostige sergeant komt binnen, salueert den hertog van Alva +en geeft hem de volgende inlichtingen: + +"Ja, ik zag Guido Amati vallen. Ik trachtte hem nog te redden, maar +ik gleed uit op het ijs, ontsnapte echter met Gods hulp." + +"Gij weet dus, dat hij dood is." + +"Ja,--tien heiligen zouden hem niet hebben kunnen redden." + +"Spreek met wat meer eerbied van de kerk! Hoe weet gij dat?" + +"Omdat ik zag, dat drie pieken door zijn lichaam werden gestoken." + +"Dat is voldoende," mompelt Alva, die hoe langer hoe minder van de +zaak begrijpt. "Gij kunt gaan, Gomez." + +"En drie pieken door het lichaam zouden zelfs voldoende zijn, om +iemand, die zoo taai is als Guido Amati, te dooden," merkt Mondragon +op; doch als de sergeant is heengegaan, vraagt de commandant +plotseling: "Wat scheelt er aan, Uwe Hoogheid? Hebt gij slechte +berichten van Haarlem ontvangen?" + +"O, neen, zeer goede. Zij eten daar nu reeds het gras uit de +straten. Wij hebben Oranje op het meer verslagen en zijn er nu +meester van. Het is niet over Haarlem." En plotseling beveelt hij: +"Laat mijn escorte terstond voorkomen. Kan Gomez paard rijden?" + +"Ja, Uwe Excellentie." + +"Laat hij mij dan vergezellen." + +En gevolgd door dertig man, gewapend met lansen en haakbussen, rijdt +de hertog van Alva terug naar het landhuis van zijn dochter. Onderweg +roept hij den vrijpostigen Gomez aan zijn zijde en vraagt hem: +"Hoe zag die Guido Amati er uit?" + +"Groot, welgebouwd, met kort, donker, krullend haar, zwarte, +onverschrokken oogen en een huid zoo bruin als van een bleeken +Morisco." + +"Hij had natuurlijk de manieren van een edelman," vervolgt de +Onderkoning. + +"Voor zoover een krijgsman als ik er over kan oordeelen, ja, Uwe +Hoogheid, en den beschaafden tongval. Men zei, dat hij even zuiver +Castiliaansch sprak als een priester." + +"Het is goed, ik weet genoeg, sergeant," zegt de Onderkoning. En zij +zijn weldra het landhuis genaderd. + +Daar hij echter een geslepen oude staatsman is, laat de hertog van +Alva niets merken van de zonderlinge ontdekking, die hij in het fort +te Lillo heeft gedaan, doch zegt slechts, de vertrekken van Hermoine +binnentredend: "Mijn dochter, wij zijn teruggekomen, zooals wij beloofd +hebben, om dien edelman te zien, dien gij bemint, Guido Amati; deze +man schijnt een verwonderlijk sterk gestel te hebben." + +"Hoezoo?" vraagt het meisje. + +"Hij werd doodelijk gewond in het gevecht op het ijs." + +"Zeker, dat is zoo! Ik heb immers zelf zijn wonden gezien! Zij zijn +vreeselijk!" Dit laatste huiverend. + +"_Gezien_ de wonden, die de pieken dwars door zijn lichaam hebben +gemaakt?" + +"Neen, maar hij had een houw over het hoofd, die iedereen van het +leven zou hebben beroofd, behalve een Paladijn." + +"Hm! men zegt, dat uw Paladijn een los heer is." + +"Dat is laster! Deze of gene mededinger strooit dat praatje +telkens weer uit. Ja, zelfs Bodé Volckers," vervolgt Hermoine, "die +leugenachtige koopman, vertelde mij, dat hij dronken was, en twee +minuten later komt Guido, even nuchter als gij zijt, naar mij toe, en +met een veel vroolijker gezicht dan gij op het oogenblik zet; uw oud, +lief gezicht staat zoo donker als de nacht." En het meisje kust hem. + +"Vertel mij, hoe gij hem het eerst ontmoet hebt." + +Aldus aangemoedigd, gaat Dona Hermoine, die zooals alle verliefden +haar beminde gaarne verheerlijkt, zitten en biecht haar vader alles +op; nu en dan doet deze haar een paar vragen, die zij heel dwaas, +maar die hij heel belangrijk vindt. + +"Gij zegt, dat gij hem het eerst hebt ontmoet op den dag van den +springvloed in 1572?" + +"Ja, papa; dat was, zooals ik u vertelde, de avond, dat hij mij redde +uit de handen der Geuzen." + +"A--ah--ah. De krijgsman, dien gij lief hebt, heeft donker haar en +donkere oogen, nietwaar?" + +"Neen, helderblauwe oogen en zijn haar is voor een Spanjaard heel +blond.--Heb ik u dat dan al niet gezegd, dom vadertje?" + +"O ja; ik bedoel helderblauwe oogen, ik was het vergeten. Licht +kastanjebruin haar, zegt gij, en vrije en losse manieren. Is zijn +gang niet die van een zeeman?" + +"Die van een ruiter." + +"O ja; zij hebben beiden een zwaaienden gang. De dag, dat gij hem hebt +ontmoet, was dezelfde, waarop ik zoo haastig van Brussel terugkwam?" + +"Ja, gij kwaamt heel onverwachts. Het was de dag van het drinkgelag van +Floris den schilder, waarbij hij een van zijn tegenstanders dooddronk." + +"Ja, dat herinner ik mij," zegt Zijne Hoogheid langzaam. "De dag, dat +De Guerra mij een onthulling wilde doen, maar stierf. Deze edelman, +dien gij zegt, dat gij bemint," de hertog van Alva doet moeite, om den +ongedwongen toon vol te houden, "spreekt het patois van Hispaniola?" + +"Ja, het is alles behalve keurig Spaansch, maar het klinkt mij toch +als muziek in de ooren." + +"Hm! als hij komt, kunt gij hem bij mij brengen." En als hij het +vertrek heeft verlaten, geeft Alva eenige bevelen aan den luitenant, +die het bevel voert over zijn escorte. + +Vervolgens keert hij naar de eetzaal terug en laat zich, daar het +reeds bijna acht uur is, het avondeten voordienen. + +En om hem gezelschap te houden, komt zijn dochter binnen, stralend +van vergenoegdheid. Zij, die er vroeger als een lelie uitzag, bloost +nu als een roos. + +Op het gelaat van den hertog van Alva ligt een vreemde uitdrukking, +en als hij drinkt, is het, alsof hij een prop in zijn keel heeft, +die hem dreigt te doen stikken, ofschoon hij vanavond de matigheid +zelve is, zooals zijn dochter beweert, terwijl zij haar papa met +liefderijke handen van alles bedient. + +"Gij--gij zijt er toch niet bedroefd over, dat gij mij moet +missen?" fluistert zij, terwijl haar gelaat betrekt. + +"Neen, dat--dat is het niet." Zijn gelaat heeft een uitdrukking, +die Hermoine niet begrijpt. + +"Maar à propos," zegt zij, "aangebeden papa, nog een belofte." + +"Welke?" + +"Neem den prijs weg van het hoofd van dien Engelschman. Zooals gij +u zult herinneren, redde hij het leven van mijn Guido." + +"Misschien morgen, dan zal het wel niet meer noodig zijn," mompelt +Zijne Hoogheid, ofschoon hij vermijdt, het meisje aan te zien, en de +oogen op zijn beker gericht houdt. + +"Dank u, lieve, beste papa," antwoordt zijn dochter. Dan zegt zij +plotseling: "Maar nu moet ik gaan." + +"Waarom?" + +"Om toilet te maken voor mijn aanstaanden echtgenoot." + +"Hm!" + +"Ik zal mij kleeden als een bruid." + +"Gij hebt dien man dus wel zeer lief, mijn Hermoine?" En er klinkt +weemoed in zijn stem. + +"Met mijn gansche hart," antwoordt zij; en plotseling roept zij uit: +"Misschien heb ik vanavond nog een andere verrassing voor u, als +gij het tenminste toestaat, maar gij staat mij alles toe, nietwaar, +papaatje!--gij lieve oude papa, die uw dochter vanavond innig gelukkig +wilt maken." + +En zij kust hem teeder op het voorhoofd en snelt dan heen, haar vader +alleen latende, in gespannen verwachting, of zijn vermoedens al dan +niet juist zullen blijken te zijn. + +Maar met dat al staan er tranen in zijn oogen, in die oogen, die +ze nooit hebben vergoten, en een paar maal neemt zijn gelaat een +pijnlijke uitdrukking aan, als hij de stem van zijn dochter hoort, +die in het aangrenzend vertrek haar bevelen geeft voor haar toilet +en voor de ontvangst van den man, dien zij bemint. Doch in het +volgende oogenblik schieten er stralen uit zijn slangenoogen en zijn +lange handen ballen zich krampachtig, alsof zij een lang gezochten, +moeilijk te vatten vijand grepen, in wiens doodsstrijd hij zich reeds +verlustigt, en hij mompelt: "Als hij het is, die mijn goud stal voor +die Jezebel Elizabeth; als hij het is, op wiens raad de Geuzen uit +Engeland verdreven werden met: 'Geen proviand, geen water, maar slechts +kogels en kruit,' om rebellie in dit land te stoken, dan zou ik hem +zelfs nog liever in mijn macht willen hebben dan Willem den Zwijger." + + + + + +HOOFDSTUK XXII. + +"HAHA! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!" + + +Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa's toestemming +te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn +wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé +Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in +Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen +van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van +het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud, +al is de waarde er van ook niet zoo groot. + +Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk +haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van +de _Esperanza_ onder dek te brengen. + +Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om +toezicht te houden sinds Chester de wacht op de _Esperanza_ heeft +betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn +commandant: "Bodé Volckers wenscht, dat gij, zoo gauw als ge kunt, +in het huis van 'de Stomme Duivelin' bij hem komt." + +"Waarom?" + +"Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat +eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk +te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in." + +Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want +Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo +vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar +Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven. + +"Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer +ging?" + +"Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen," antwoordt +de koopman. + +"Het geval ligt er toe," zucht Chester, "ik zal er dus nog eens in +moeten gaan." Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij +terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder +het groote bastion, lacht hij: "Alles is in orde, dit is het laatste +van Alva's nesteieren." + +"Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?" + +"Ja." + +Daarna brengen zij de groote steenen weer op hun plaats, waardoor de +ingang naar het gewelf wordt gesloten en leggen er de steenen van den +keldervloer weer boven op, en nadat de matrozen eenige geldstukken, +die uit een zak gevallen zijn, opgeraapt en bij zich gestoken hebben, +ziet de kelder van senora Sebastian er precies weer zoo uit, als zij +hem hebben gevonden. En als Bodé Volckers nog een flesch met rum +naast de snorkende stomme vrouw heeft neergezet, schudden zij met +een zucht van verlichting het stof van hun voeten. + +"Hebt gij de papieren van uitklaring?" fluistert Guy. + +"Ja, ik zal ze van mijn kantoor gaan halen." + +"Goed, dan zullen wij de zeilen maar hijschen," zegt de Engelschman, +en de kist met de juweelen, die hij met een mantel heeft bedekt, +zelf dragende, begeeft Guy zich aan boord van de _Esperanza_. + +Daarna maken zijn matrozen alles gereed om de Schelde af te varen, +terwijl Guy ongeduldig wacht op zijn papieren van uitklaring, +want iedere minuut komt hem nu voor als een uur van folterende +onrust. Eensklaps verschijnt Bodé Volckers, bleek, zenuwachtig, zich +reppend, zooveel als zijne dikke beenen onder zijn zwaar lichaam +dit toelaten. Hij komt de loopplank op, en zegt, Guy de papieren +toestekend: "Kapitein Andrea Blanco, uw papieren." + +"Gaat gij weer aan wal?" + +"Neen, ik ben doodelijk geschrikt! God helpe mij! Ik durf hier niet te +blijven. Breng mij naar de hut, er is iets verschrikkelijks gebeurd." + +"Wat?" brengt Guy met moeite uit, doch hij geeft tegelijkertijd zijn +bevelen, om onder zeil te gaan. De matrozen vliegen allen naar hun post +en Martin Corker grijpt het roer. Als zij de Schelde afzeilen, gaat +Guy in zijn hut en fluistert tot den koopman, die half bezwijmd is: + +"Wat is er gebeurd, wat heeft u zoo doen ontstellen?" + +"Groote God! de hand heeft zich bewogen!" + +"Welke hand?" + +"De hand van Alva's _standbeeld_!" + +"Genadige hemel!--Wanneer?" + +"Toen gij het gewelf binnengingt, vanmiddag om twaalf uur, heeft +zich de hand van Alva's standbeeld bewogen. Ze zullen nu al wel in +het huis van moeder Sebastian zijn! Het standbeeld bewaakte Alva's +schat. God zij ons genadig, als zij een bode naar Lillo zenden, om de +schepen aan te houden eer wij het fort voorbij zijn. Het garnizoen +spreekt er van, alsof het iets bovennatuurlijks ware! Zij zeggen, +dat het de val van Haarlem beduidt, maar ik weet nu, dat het zeggen +wil, dat iemand in Alva's schatkamer is binnengedrongen. Daarom was +het helsche standbeeld daar neergezet," roept Bodé Volckers uit. + +Maar zijn laatste woorden zijn gericht tot een leege hut, want +Chester is op het dek, om op de _Esperanza_ alle zeilen te doen +bijzetten. Het schip vliegt de Schelde af met zulk een vaart, dat +het bijna onmogelijk zou zijn hen in te halen en Chester doet een +schietgebed, dat de douanen hem niet te lang mogen ophouden. + +Deze Spaansche beambten, die hij praait, ontvangt hij aan boord, +en hun chef maakt hij gelukkig, door hem een rol dubloenen in de +hand te stoppen, met het verzoek, om wat voort te maken, daar hij +zich heeft te haasten om den wind en het tij. Dank zij de dubloenen, +vergunt men hem spoedig te passeeren. Met een zucht van verlichting +stevent Guy, steeds met alle zeilen bij, de Schelde af, en om vijf +uur zijn zij de _Dover Lass_ in het Kromvliet opzij gekomen en laden +zij onmiddellijk den schat over in het gewapende schip. + +Hiermee zijn zij om zeven uur reeds klaar; want Chester heeft nu +honderd vijf en twintig matrozen aan het werk, die hun handen reppen, +zooals zeelui altijd doen, als er uitzicht is op buit. + +Vervolgens vraagt Guy aan Dalton: "Zijt gij er in geslaagd, een +geestelijke van de Katholieke kerk in Zeeland voor mij op te sporen, +zooals ik u had opgedragen?" + +"Ja en het was alsof de drommel er de hand in had," zegt de ruwe +officier. "Ik kwam dadelijk terecht bij den eenige, dien de Hollanders +gespaard hadden. Er was er eigenlijk nog wel een, maar Michael Krok +had hem de ooren afgesneden en ik wist niet of hij een wettig huwelijk +zou kunnen inzegenen," want Guy is genoodzaakt geweest zijn eersten +officier in het vertrouwen te nemen. + +"Vraag hem, of hij hier wil komen," zegt Chester. + +En als de priester bij hem wordt gebracht, merkt de commandant op: +"Men heeft u toch goed behandeld, eerwaarde vader?" + +"Uitstekend. Men heeft mij zoo overvloedig van alles voorzien, dat +het mij speet, dat het vastendag was. Ik lijd tegenwoordig geregeld +honger. De Hollanders hebben mijn kudde verstrooid en mij van alles +beroofd." + +"Weet gij, waarom ik u liet komen?" + +"Ja, men zeide mij, dat ik een sacrament van de Kerk moest +verrichten; ik ben daartoe bereid, want daarvoor ben ik op het +eiland gebleven,"--hij wijst in de richting van Zuid-Beveland,--"alle +vervolgingen, alle bedreigingen, alle beleedigingen ten spijt. Vraag +iederen Watergeus of vader Anastasius ooit voor hen vluchtte, en er +is slechts één onder hen, die de Katholieke priesters behandelde +als Godsmannen. De 'Eerste der Engelschen' is, ofschoon hij Alva +beoorloogt, een getrouwe zoon van Rome. Als zoodanig voldoe ik gaarne +aan zijn verzoek." + +"Kent gij mij?" vraagt Guy. + +"Ja, dat is de reden, waarom ik zoo spoedig kwam." + +"Dus wilt gij met mij gaan, om een sacrament van de Kerk te +verrichten?" + +"Dat zou ik voor iedereen doen, die er om vroeg." + +Guy is er van overtuigd, dat dit zoo is; want vader Anastasius is over +geheel Zeeland bekend als een priester, die zijn Heer meer liefheeft +dan zijn leven en die zijn plicht even nauwgezet vervult tegenover +den nederigste als tegenover den hoogst geplaatste, zooals de Kerk +dit voorschrijft. + +"Geef vader Anastasius een plaats in mijn sloep," zegt Chester kortaf +tot Dalton. "Beman en bewapen ze!" + +"Dat is reeds geschied." + +"De twee andere ook?" + +"Ja." + +"Hoeveel man?" + +"Zestig." + +"Dus blijven er nog zestig voor de _Dover Lass_ over. Dat is voldoende, +zelfs voldoende om het schip te verdedigen in geval van nood. Gij +moet het commando over het schip van mij overnemen, Corker zal over +de sloepen commandeeren. Zijn zij goed bewapend?" + +"Ja, pistolen, haakbussen, pieken en strijdbijlen alles zoo +goed in orde, alsof wij op roof uitgingen, in plaats van op een +troubadours-avontuur," antwoordt de luitenant. + +Om acht uur is de schemering neergedaald over land en zee, en +berekenende, dat een uur voldoende is om hem naar het landhuis te +brengen, waar zijn beminde hem wacht, begeeft Chester zich op weg, +in zijn sloep den Roomsch-Katholieken priester met zich nemend, en +gevolgd door de twee andere sloepen; de roeiers spannen hun spieren +in zooveel zij kunnen, want zij verlangen zoo spoedig mogelijk weg te +komen, wetende, dat zij met hun schip nu een hoogen prijs waard zijn. + +Veertig minuten later, dicht bij Sandvliet, ontmoeten zij een boot +vol Italiaansche muzikanten met violen, mandolines, fluiten en harpen, +en versierd als voor een feest. + +Zij zijn vroeg in den morgen voor dien avond aangenomen door Achille, +die nog altijd kajuitsjongen is. Allen zijn heel lustig en zingen +een vroolijken Toskaanschen minnezang. + +"Dit is mijn klein waterfeest," fluistert Guy tot Corker, die naast +hem zit en wien hij zijn laatste bevelen geeft. "De dame zal denken, +dat het een pleziertochtje op de rivier is." + +"Oho! Ontvoering!" lacht de bootsman. + +"Ja--om haar, die ik bemin en vereer--tot mijn vrouw te maken," +antwoordt Guy. Daarna fluistert hij: "Zij is Alva's dochter." + +Waarop Corker een langgerekt gefluit doet hooren en mompelt: +"Groote God!" en met een doodelijk ontsteld gelaat luistert, als +Guy hem nog eenige orders geeft: "Neem de grootste sloep, bewaak den +dijk tusschen het huis en Sandvliet, om de troepen tegen te houden, +die bij een mogelijk alarm zouden kunnen aanrukken. De beide andere +sloepen zullen de andere zijden van het huis bewaken." + +Want Chester vreest, dat op het laatste oogenblik een der lakeien of +de gravin De Pariza bericht van wat er in Sandvliet gebeurt naar Lillo +zal zenden of dat een onverwacht voorval zijn plannen zal dwarsboomen, +en hij weet, dat als hij Hermoine ditmaal verliest, zij voor altijd +voor hem verloren zal zijn. + +Een oogenblik later fluistert hij verrukt: "Kijk, het huis ziet er +feestelijk uit, het is geheel verlicht; zij is voor mij gereed, mijn +bruid!" Nadat hij Corker nog de meest mogelijke waakzaamheid heeft +aanbevolen, neemt deze het bevel op zich. + +Twee minuten later bereikt Guy de landingsplaats. + +"Onder dat venster daar, muzikanten; en speelt een zachte Venetiaansche +serenade," fluistert hij tot den leider der Italianen, naar het groote +vooruitspringende venster wijzend, dat helder verlicht is. + +"Si, gracioso, Senor," antwoordt de leider van deze ongelukkige +drommels; want Guy heeft hen voor zijn feest gehuurd met vorstelijk +milde hand, zichzelf financieel als een Midas gevoelend. "Een +aangenamen avond, senor, een recht aangenamen avond!" En de gelukkige +Italiaan kust de hand van zijn milden begunstiger en gaat met zijn +troep datgene tegemoet, wat het noodlot over hem heeft beschikt. + +Hierop antwoordt Guy niets, maar springt aan land en fluistert tot zijn +bootsman: "Houd de boot gereed, om onverwijld te kunnen vertrekken," +en tot den priester: "Ik verzoek u, met mij mede te gaan, eerwaarde +vader." + +Zij gaan nu de trappen op naar den dijk en wandelen het pad op, +dat door den kleinen tuin naar het huis leidt. + +"Het is een zomernacht," zegt Guy. "Vader Anastasius, zoudt gij er +niet tegen hebben, hier onder de boomen op de bank te gaan zitten, +totdat ik u laat roepen? Het is het sacrament van het huwelijk, dat +ik mij door uw handen wensch te laten toedienen, en ik zou eerst nog +met de dame willen spreken, eer ik u bij haar breng." + +"Zooals gij verlangt," antwoordt de man Gods. "Ik kan evengoed voor +u en uw huwelijk bidden hier onder den vrijen hemel als in een paleis." + +Daarna klopt Guy aan de huisdeur; hij is zonder wapens, behalve het +rapier, dat de ridders steeds dragen, en het scherpe stiletto, dat +hem nooit verlaat, want hij wenscht zijn beminde niet te verschrikken +door een onnoodige tentoonspreiding van oorlogstuig. + +De deur wordt terstond geopend door Alida, die fluistert: "Zij wacht +u reeds, heer, en is overgelukkig! Neem de gelukwenschen aan van haar, +die u beiden liefheeft en uw slavin is." + +Het Moorsche meisje wil zijn hand kussen, maar hij laat haar daarvoor +den tijd niet en is het vertrek met het groote vooruitspringende +venster reeds binnengetreden, om het verlicht te vinden door +welriekende lampen, en versierd met bloemen, linten en groen, als +voor een luisterrijk feest. + +En van het venster, waar zij naar hem heeft staan uitkijken, zweeft een +wezen van verrukkelijke aanminnigheid hem tegemoet en hij fluistert: +"Mijn bruid, gij zijt veel te schoon voor deze aarde!" + +Hij heeft gelijk, want het meisje is gekleed als een bruid, +in glinsterende witte zijde, een kostbaar voortbrengsel van de +weefgetouwen van Lyon. Zij heeft oranjebloesems in het haar, haar +fraaie schouders en haar hals zijn wit als ivoor en de blanke arm, +dien zij om zijn hals slaat, is zoo blank als albast: "Mijn Guido, +eindelijk! Nu zult gij zien, welk een verrassing ik voor u heb. Kom +met mij mee, nu zullen wij gelukkig zijn. Als ik er hem om smeek, +zal hij misschien toestaan, dat wij dezen avond nog vereenigd worden." + +Haar vingers wijzen naar de kapel, en zij lacht: "Ik heb een verrassing +voor hem ook. Ik heb vanavond tot de Madonna gebeden en nu ziet zij +zoo vriendelijk op mij neer." + +Guy begrijpt niet recht, wat zij bedoelt, maar hij voelt zich +overgelukkig, vooral als hij de kapel ziet, nadat de gordijnen zijn +weggetrokken; de waskaarsen branden bij dozijnen op het altaar, het +is versierd met bloemen en alles schijnt gereed voor een godsdienstige +ceremonie. + +"Kijk er niet te lang naar, maar kom mee. Hij zal verbaasd zijn, +als ik hem de reden zeg." + +"Hij! Wie?" + +"Dat zult gij aanstonds zien; ik zal hem bij u brengen." Zij staan +nu voor de draperieën, die den toegang naar de eetzaal afsluiten, +en het meisje roept uit: "Trek de gordijnen weg!" + +Als deze zich openen, fluistert zij: "Guido, op uw knieën voor mijn +vader, die mij heeft beloofd, dat gij mijn echtgenoot zult worden--op +uw knieën en dank hem, zooals ik doe!" en zij werpt zich neer voor +de magere figuur in het zwart, die altijd het Gulden Vlies draagt, +den Onderkoning van den koning van Spanje, den hertog van Alva. + +Hoe groot is echter haar verbazing, als Guy, in plaats van zijn knieën +te buigen, met een sprong en een kreet van ontzetting van haar zijde +wegsnelt en de hand aan zijn rapier slaat. + +Op hetzelfde oogenblik springen acht Spaansche busschutters door de +geopende vensters in het vertrek en grijpen hem, terwijl zijn zwaard +nog pas half is uitgetrokken, en binden zijn handen, doch niet zonder +een wanhopige worsteling. Eer hij overmand is, ligt er een Spanjaard +dood aan zijn voeten. + +Het meisje is hevig ontsteld en roept uit: "Guido, zijt gij krankzinnig +geworden, dat gij een Spaansch krijgsman doodt?" en zij voegt er op +hoogen toon aan toe: "Mannen, bevrijdt dien officier terstond!" + +Maar de mannen kijken slechts haar vader aan. + +"Bevrijdt dien officier! Gij weet niet, wat gij doet. Maakt hem +los! Het is kolonel Guido Amati, de aanstaande schoonzoon van uw +Viceroy!" En als ter verontschuldiging zegt zij tot Guy: "Het is +een allerjammerlijkst misverstand, mijn Guido. Worstel niet met hen, +zij zouden u kunnen dooden." Want Chester tracht zwijgend zich een +weg te banen naar het venster, om er zich uit te werpen in de Schelde. + +Daarna wendt Hermoine zich tot haar vader en roept uit: "Beveel uw +soldaten, den man, dien ik bemin, weer vrij te laten. Is dat de manier, +waarop gij de belofte houdt, die gij aan uw dochter hebt gedaan?" + +Daarop vraagt de Hertog: "Wie is die man? Laat iemand mij dat +zeggen. Herkent gij hem? Wie is hij?" + +Naar voren tredend, salueert de brutale sergeant van Romero en +fluistert in het oor van den Onderkoning: "Het is de 'Eerste der +Engelschen'!" + +Bij deze woorden barst de hertog van Alva in een akelig gelach +uit. "Haha! De vos is eindelijk gevangen! Mijn dochter, gij hebt de +tien duizend kronen verdiend. Hij is de man, naar wien ik zoolang +gehunkerd heb. Kom hier en kus uw vader!" + +En tusschen dit alles door dringt de zachte muziek naar binnen van de +harpen, mandolines en violen der muzikanten in de barge, die buiten +op het water een serenade spelen. + +De muziek hoorend en het voornemen van den Engelschman bemerkend, +beveelt Alva op scherpen toon: "Zijn boot--zorg voor zijn boot! Laat +niemand ontsnappen!" + +Onmiddellijk wordt er gevuurd op de boot en klinken er +hartverscheurende kreten uit de kelen der doodelijk gewonde Italianen, +die sterven met de tonen der muziek op de lippen en onder het venster +verdrinken. + +Op hetzelfde oogenblik rukt Chester zich los en snelt naar Hermoine +toe, en haar Guido, de man, dien zij bemint, vraagt haar huiverend: +"Waarom hebt gij dat gedaan?" + +"Waarom ik dat heb gedaan? Omdat ik u liefheb!" antwoordt zij. "Waarom +hebt gij dien man gedood?" Want zij begrijpt het nog niet. + +Maar haar vader zegt: "Kom bij mij, Hermoine, ik zal u alles +uitleggen." + +Zij antwoordt: "Neen, neen!" En als Alva naar haar toe komt, roept +zij afwerend: "Blijf waar gij zijt! Waag het niet, mij aan te raken, +eer gij mij hebt gezegd, waarom gij uw belofte zijt vergeten!" + +Daarop antwoordt Alva, met een stem, die haar zoo scherp voorkomt, als +de bazuin van het laatste oordeel van onzen Heer hun zal voorkomen, +wien geen hoop wacht in de eeuwigheid: "Dit is niet de man, dien gij +meendet lief te hebben. Dit is niet Guido Amati. Hij werd gedood in +het gevecht op het ijs, gedood door dezen Engelschen roover, dezen +vervloekten zeeschuimer, dezen laaggeboren clown, die een Spaansch +edelman naäapte, om uw vertrouwen en liefde te winnen." + +"Laaggeboren clown!" barst de Engelschman verontwaardigd los. "Dat +is een leugen, waar gij dat schimpwoord met den naam van Chester +verbindt. Hertog van Alva, gij spreekt tot een ridder; geridderd door +de Koningin zelve. Ik heb in mijn aderen het bloed van de Stanhopes, +die onder Willem den Veroveraar vochten; mijn neef is een Stanley +en draagt een gravenkroon. Adeldom bezit ik genoeg voor u en de +uwen. Denkt gij, dat ik haar, die ik bemin, zou misleid hebben door +haar te bewegen tot een verbintenis met onedel bloed? Hier op mijn +borst draag ik de gouden sporen van mijn ridderschap!" + +Het meisje, dat ineengekrompen is onder de woorden, die den man, +dien zij liefheeft, als een onedele brandmerken, rukt de sporen van +zijn borst, die toonen, dat hij van rang is, houdt ze Alva voor en +roept op bijna gelukkigen toon uit: "_Hij is van adel_! Vader, hoort +gij mij? _Hij is van adel_. Nu kunt gij niet meer weigeren, hij is +van adel, al is hij"--zij breekt eensklaps af en zegt stamelend tot +Guy, want zij begint het nu te begrijpen: "Zijt gij de--de 'Eerste +der Engelschen'?" + +"Ja!" + +Het antwoord wordt gegeven op een hoogen en trotschen toon, en nu +wordt haar eensklaps alles helder en zij stamelt: "O, nu begrijp +ik alles--! Deze--deze Oliver, zijn vriend--den dag, dat hij mij +bevrijdde--den dag, dat zij zeiden, dat de Engelsche zeeroover in +Antwerpen was." Daarna fluistert zij, bijna juichend: "Dien dag, mijn +lieveling, heb ik u tweemaal gered; thans _wil ik_ u wederom redden!" + +Doch deze woorden eindigen in een verschrikkelijken kreet, als Alva, +op een toon, even onwrikbaar als de rots der eeuwen, ijskoud zegt: +"Gomez, _haal den beul_!" + +"Den beul! Vader, gij begrijpt het niet. Dit is de man, dien ik bemin." + +"Gij bemint hem?" spot de Hertog. "Gij bemint den vijand van uw +land? Dezen man, een vriend van Oliver, den verrader in mijn omgeving, +wiens aanval op Bergen Oranje tijd gaf, om geheel Holland in opstand +te brengen, den man, die mij ter wille van zijn koningin beroofde +van mijn Italiaanschen schat? Gij moet hem haten, mijn dochter, +zooals ik doe," en hij wendt zich af om zijn verdere bevelen te geven. + +Bij deze woorden vertoont er zich een spotachtige lach om Guy's mond, +maar Hermoine legt haar hand op zijn lippen en fluistert smeekend: +"Vertoorn hem niet, beheersen u, om mijnentwille, mijn Guido--mijn +Engelschman. Ik kan Papa om mijn kleinen vinger winden," en zij tracht +hem bemoedigend toe te lachen: "Kijk wat ik ga doen." + +En in het volgend oogenblik slaat zij haar armen om zijn hals en vleit: +"Wat spreekt gij toch voor onzin? Gij doet altijd, wat uw Hermoine +u zegt te doen. Lieve papa, zal ik u aan uw stouten baard trekken?" + +Hij antwoordt echter: "Kind, gij begrijpt mij niet. Ik zal allerlei +mooie zaken en nieuwe kleederen voor u uit Frankrijk laten komen. Gij +zult hem spoedig vergeten!" en met verheffing van stem:--"_De beul_!" + +Zij laat zich echter niet zoo gemakkelijk afschepen en tracht te +lachen: "De beul?--voor den man, dien gij mij tot echtgenoot beloofd +hebt? Welk een onzin! Gij bedoelt den priester. Mijn lieve, beste +domme papaatje, laat dadelijk den priester halen!" + +Doch Alva antwoordt ijskoud: "Om hem te laten biechten, als hij geen +ketter was!" Daarop vervolgt hij op strengen toon: "Gomez, waarop +wacht gij nog? Gij hebt mijn bevelen--_De beul_!" + + + + + +HOOFDSTUK XXIII. + +"HET IS EEN STAATSZAAK!" + + +En voor het eerst van haar leven gedraagt zij zich oneerbiedig tegen +haar vader en lacht zij spottend, maar tegelijk smartelijk: "Mijn vader +biedt mij sieraden aan voor het leven van mijn beminde! Misschien werpt +hij mij het goud, dat als prijs op het hoofd van mijn beminde staat, +in den schoot en denkt dat ik het zal gebruiken om er lekkernijen +voor te koopen," en dan zegt zij weer snikkend tot Guy, die, nu al +de uitgangen van het vertrek bezet zijn, geen kans tot ontsnappen +meer heeft, dan schier alleen door bovenmenschelijke middelen: + +"O, barmhartige Moeder Gods, waarom hebt gij mij niet vertrouwd? Dacht +gij, dat ik enkel uw naam liefhad?" En daarna smeekt zij met heesche +stem: "Vader, spaar hem! Gij hebt het beloofd! Spaar tenminste zijn +leven. Vader, barmhartigheid voor mij!" + +Want men hoort nu rumoer buiten, het geluid van mannen, die het huis +binnenkomen; maar het is slechts de luitenant van de lijfgarde, +die binnentreedt, met een viool druipend van bloed in zijn hand, +en rapporteert: "Wij hebben iedereen, die in de boot was, gedood, +muzikanten en allen." + +Dit bericht vervult Chester met een sprankeltje hoop, het eerste, +dat in hem gloort. Als een lichtstraal gaat het hem door het hoofd: +"_De slachting van de muzikanten is een waarschuwing voor mijn booten, +dat hun commandant zich in gevaar bevindt_." + +Maar deze zwakke hoop maakt weer plaats voor een gevoel van smart +voor haar, die hij bemint, want Hermoine smeekt nu tot haar vader, +als gold het haar eigen leven, hem noemende met vleiende namen, alsof +zij hem aanbad in haar vertwijfeling, en zij zegt snikkend, ofschoon +zij geen tranen heeft: "Vader, _hoort_ gij mij niet, voelt gij mij +niet?" Met haar armen om den hals van den ijzeren onderkoning gaat +zij voort: "Weet gij dan niet--dat ik--dien man bemin!--Zie het dan, +geloof het als gij de wanhoop ziet van mijn brekend hart! Als gij hem +doodt, zult gij mij dooden. Ik heb over hem getreurd toen ik hem dood +waande; moet ik nu opnieuw tot weduwe gemaakt worden?" + +En terwijl zij zoo smeekt, in haar wanhoop, is Hermoine de Alva nog +liefelijker dan in haar vreugde, want zij is als met een bovenaardsch +waas overtogen--zij is als Eva, pleitende voor Adam, niet bij God, +maar--bij Satan. + +Doch Satan is niet barmhartig, en meenende, dat haar vader niet +begrijpt, dat haar eigen leven er mee gemoeid is, roept zij uit: +"Nu zult gij mij toch wel gelooven!" + +En het meisje gaat blozend, ondanks de tegenwoordigheid van de oude +veteranen en al de lakeien en bedienden, die op het rumoer zijn +toegesneld en die nu aan de deuren staan, naar Chester toe, slaat +haar armen om hem heen en kust hem snikkend en smeekt hem, niet te +denken dat zij hem voor iets ter wereld zou hebben kunnen verraden, +want zij heeft hem zoo innig lief. + +Maar opeens verandert haar gelaat van uitdrukking, want terwijl +zij over Guy staat heengebogen, fluistert deze haar in het oor: +"Tracht tijd te winnen--waarschuw mijn booten--tracht tijd te winnen." + +Zij denkt er over na, hoe zij dit zal doen, en begrijpt, dat alleen +list haar kan baten. + +Zij wendt een flauwte voor en mompelt: "Water--water--mijn hoofd!" + +Waarop haar vader uitroept: "Groote God, zij bezwijmt!" + +En schamper zegt zij tot hem: "Dat zou u goed te pas komen! Als ik +weer bijkwam, zou ik beroofd zijn van wat mij het dierbaarste is. Neen, +ik wil niet bezwijmen, zoolang hij leeft--water!" + +Alva zelf wil het haar brengen, maar zij duwt hem weg en zegt +huiverend: "Niet uit uw handen; mijn kamenier Alida--snel!" + +En het Moorsche meisje, dat alles met gespannen belangstelling heeft +gadegeslagen, snelt toe en brengt haar een beker vol. + +Terwijl Hermoine drinkt, fluistert zij: "Naar de landingsplaats, +waarschuw de booten--de Engelsche booten!" + +Een flikkering in de schrandere oogen van het Moorsche meisje duidt +aan, dat zij het begrijpt en zij verlaat het vertrek met den beker +in de hand. + +De Hertog bemerkt het niet. Nadat zijn dochter hem huiverend van zich +stiet, heeft hij zich afgewend en zijn hand op zijn hart gedrukt, +terwijl zich een sterke ontroering op zijn gelaat afteekende. Van dit +oogenblik afaan vermijdt hij het zijn dochter aan te zien, die, nu zij +haar vader niet kan vermurwen, nog alleen van uitstel redding verwacht. + +Hierin wordt zij onverwachts geholpen door een vijandin, de gravin +De Pariza, die valsch lachend binnenkomt: "Gij zult hem toch zeker +langzaam laten verbranden? Hij is een ketter." + +"Wat leutert gij van ketter, draak," roept Chester, "ik ben een +evengoed Katholiek als de hertog van Alva zelf." En aan zijn God +denkende, nu de dood hem zoo nabij is, neemt hij zijn rozenkrans en +begint te bidden. + +"Een Katholiek," lacht Alva hoonend, "evengoed als ik? En gij verzet +u tegen den koning van Spanje?" + +"Ja," antwoordt Guy, "ik ben een Katholiek, _maar ik ben ook een +Engelschman_." + +"Er zal er spoedig een minder zijn, om tegen de Spaansche vlag te +vechten," zegt Alva hoonend. + +Dit gaat vergezeld van een wanhoopskreet van zijn dochter. + +De beul, een van hen, die Alva altijd met zich voert, om parate +executie te kunnen houden, komt binnen (een man in een nauwsluitend +leeren buis en met een afgrijselijk wreed gelaat) en Alva zegt tot hem: +"Hoe nu, kerel, waar is uw strop?" + +"Ik dacht, heer," antwoordt de man, "naar hetgeen ik buiten hoorde, +dat er iemand verbrand moest worden en ik kwam vragen, waar dat moest +geschieden. Er zijn takkenbossen genoeg in den kelder om mijn man te +roosteren. Zal ik hem verbranden op het plein voor het huis? Ik kan +genoeg talk vinden, om hem in te smeren!" + +De uitdrukking op het gelaat van zijn dochter, waarmee zij, zonder +een woord te zeggen, op hem afkomt, terwijl zij hem strak aankijkt, +doet Alva het hoofd afwenden en mompelen: + +"De strop; hij is geen ketter, hang hem buiten aan een boom op." + +"Zijt gij daartoe vast besloten?" Hermoine's welluidende stem is nu +gebroken en schor. + +"Ja! Het is een staatszaak." + +"Mijn tranen, mijn gebeden, mijn gebroken hart,"--zij brengt dit met +moeite uit,--"kunnen dus geen verandering brengen--in--uw besluit?" En +er ligt een uitdrukking van doodsangst in de schoone oogen van het +meisje, dat geen tranen meer heeft. + +"Neen. Het is een staatszaak." Alva's lippen beven, terwijl hij +dit zegt. + +"Dan eisch ik voor den man, dien ik bemin, en die geen ketter is, +het recht om de laatste genademiddelen van de Kerk te ontvangen. Gij +zult zijn ziel niet verdoemen, al veroordeelt gij zijn lichaam. Gij +zijt zelf een te goed Katholiek, om een Katholiek te doen sterven +zonder den bijstand van de Kerk." + +Don Fernando antwoordt hierop: "Er is geen priester hier." + +"Gij brengt den beul mede en geen priester!" zegt zij bitter. "Geef +hem en mij tenminste den tijd om onze gebeden op te zeggen--want als +hij sterft--breekt mijn hart ook." + +Maar nu komt er eenige beweging onder de krijgslieden aan de deur, +en een man in priestergewaad zegt: "Plaats voor een vader van de Kerk!" + +En als de krijgslieden hem doorlaten, ziet Guy tot zijn verbazing, +dat het vader Anastasius is, dien hij had laten opsporen, om hem +dezen avond te trouwen. + +"Nu," roept Hermoine uit, "hertog van Alva, kunt gij niet langer +weigeren." + +"Dat zal hij ook niet," zegt de priester, "hij zal het mij niet +weigeren, mij, vader Anastasius, die zooveel jaren in Zeeland heb +geleefd en vervolgd ben ter wille van onzen Heer; hij mag mij de +vergunning niet weigeren om de ziel van dezen man te redden." + +"En waarom niet?" antwoordt Alva hooghartig. + +"Omdat ik u in den ban zou doen. Goed Katholiek als gij zijt, hebt +gij geen recht, om een ordonnantie van Rome te schenden." + +"Ga uw gang dan. Bindt hem stevig. Bid met hem in die kapel, als gij +meent, dat dit plechtiger is, en red zijn ziel. Nu, meisje, ga naar +uw kamer." + +"Niet voordat ik het laatste oogenblik heb gezien en de laatste woorden +heb gehoord van den man, dien ik bemin. Gij hebt mij alles geweigerd, +waarom ik u smeekte, gij hebt geweigerd het leven van mijn geliefde te +sparen en ik heb er u niet om vervloekt--omdat ik uw dochter ben. Maar +ik zal 's hemels wraak over u inroepen, als gij mij van zijn zijde +wegzendt, zoolang er nog leven in hem is." + +Hierop zegt Alva niets, doch zinkt neer bij de tafel, met het hoofd +in de handen, terwijl hij tot den luitenant mompelt: "Met uw leven +staat gij ervoor in, dat hij niet ontsnapt." + +Als er een wacht is geplaatst voor den ingang van de kapel, wordt +Guy er gebonden en hulpeloos heengeleid, en hij zinkt voor den +priester neer. + +Maar terwijl hij de biecht van den stervenden zondaar aflegt, hoort hij +het geruisch van zijde naast zich en de witte kant en de oranjebloesem +raken zijn gelaat aan, dat gewond is door geweerkolven, en een schoon +wezen, op wier gelaat wanhoop te lezen staat maar tevens goddelijke +liefde, knielt naast hem neer en fluistert tot den priester: "Niet het +sacrament der stervenden, maar het sacrament _van het huwelijk_!--met +dezen man, dien ik liefheb en die mij liefheeft--en die zijn leven +keer op keer heeft gewaagd, om mij te komen zien. Nu weet ik, welke +gevaren gij hebt getrotseerd om mij te winnen--mijn Guido!--nu weet +ik het--mijn Guy, mijn Engelschman!" + +"Maar de hertog van Alva!" mompelt de priester ontsteld. + +"Gij toondet daareven ook geen vrees voor hem. Wees even barmhartig +als gij goed zijt. Kijk naar het altaarstuk, zie, de Madonna smeekt +u voor mij!" + +En naar het altaarstuk ziende, schrikt vader Anastasius, maakt het +teeken des kruises en stamelt: "Een wonder! Het gelaat van de Moeder +Gods is het uwe, mijn kind; dezelfde oogen, dezelfde mond--wonderbaar!" + +"Gij ziet, dat Moeder Maria mijn gelaat heeft aangenomen, om mijn +voorspraak bij u te zijn," fluistert het meisje, een ingeving +krijgend. "Spoedig, maak de ceremonie zoo kort mogelijk." + +Aldus aangespoord, spreekt de priester, denkende dat het op bevel van +de Heilige Maagd zelve geschiedt, over Guy Chester en Hermoine de Alva, +ofschoon haastig, het sacrament van de Heilige Kerk uit, die dezen +man en deze vrouw samenvoegen tot één vleesch, één lichaam en één naam. + +Als hij het antwoord geeft, is het Guy eensklaps alsof alle hoop +nog niet behoeft te worden opgegeven; God zal deze edele vrouw, deze +teedere engel redden en hem met haar; hij hoort haar nu fluisteren: +"Ik ben uw vrouw; _nu zullen wij zien of mijn vader mijn echtgenoot +zal durven dooden_!--Heilige man Gods, uw zegen." + +En als de priester zijn handen over hen uitbreidt, komen er tranen in +zijn oogen en hij zegt: "_Benedicte_! De Heilige Maagd zal den man, +dien gij bemint, behoeden." + +Daarna voelt Chester de lippen zijner vrouw, die koud zijn als marmer, +op de zijne, en zij, opstaande, gaat naar haar vader en zegt met een +heesche, onnatuurlijke stem: "Het is geschied!" + +Want het vertrek heeft nu veel van een gruwelkamer en alle stemmen +klinken hol en onnatuurlijk; zelfs Hermoine's eigen stem is hard en +schor geworden. + +"Hij is gereed?" + +"Neen, hij is _getrouwd_." + +"Wat?" + +"Ja, hij is met mij _getrouwd_." + +"Met u getrouwd! Misericordia! Nu zult gij voortaan uw vader steeds +beschouwen als den moordenaar van uw echtgenoot! Haal mij dien +vervloekten priester hier!" roept Alva uit; er is woede, vermengd +met angst, in zijn stem. + +"Wat verlangt gij van mij?" antwoordt vader Anastasius. + +"Hoe hebt gij het durven wagen, hen in den echt te vereenigen?" + +"Op bevel van de Heilige Maagd! Zie! Moeder Maria heeft de trekken +van zijn vrouw aangenomen, om hem te beschermen." + +"O! wat een bedriegerij!" roept Alva uit. "Het schilderij van den +verrader Oliver zou mij beletten wraak te nemen! Maar dat zal niet +gebeuren, het is een staatszaak!" En hij geeft den beul, die naast +hem staat met den strop in de hand, een teeken. + +Hermoine echter gaat voor haar vader staan en zegt: "Geen onteerende +dood voor mijn man, die evengoed een edelman is als gij. Wees tenminste +zoo barmhartig en veroordeel hem tot het zwaard." + +"Goed! ik zal hem denzelfden dood toestaan als Egmont en +Hoorne. Onthoofd dien Engelschman op deze tafel!" + +"Voor mijn oogen?" vraagt zijn dochter huiverend. + +"Gij hebt het verlangd. Het is een staatszaak." + +"Vader!" gilt het meisje, want de beul heeft het zwaard +getrokken. "Vader, daar gij zelf op genade hoopt, betoon ze ook +mij. Wenscht gij, dat iedereen op aarde u een vervloekten en wreeden +moordenaar zal noemen? Er was slechts één, die u nooit zoo noemde, +tot nu toe. Dat was uw dochter. Zoudt gij wenschen, dat zij zeide: +'Mijn vader heeft mijn echtgenoot gedood?'" + +Hij antwoordt echter heesch: "Vlug, maak er een einde aan!" + +Eenige mannen willen Guy nu naar de tafel sleepen, maar vader +Anastasius gaat voor het altaar staan, breidt zijn armen over Chester +uit en roept: "_Dit is een heilige plaats_! Vervloekt zij iedereen, +die haar betreedt met getrokken zwaard en een bloot wapen! De Madonna +beveelt het mij! Terug, of ik slinger den banvloek van de Moederkerk +naar uw hoofd!" Want de priester is in de vaste overtuiging, dat de +Heilige Maagd hem beveelt, den bruidegom te redden. + +Maar Alva, zich baan brekend door de krijgslieden, roept uit: "Gij +gaat te ver, verwenschte priester!" en hij wil zelf de hand slaan +aan den gebonden man, want zijn manschappen deinzen achteruit, als de +priester met verheffing van stem uitroept: "Vervloekt zijt gij!" en +de huiveringwekkende formule der excommunicatie begint uit te spreken. + +Fernando tracht te lachen. "Monniken jagen mij geen vrees aan--ik, +die een leger heb aangevoerd tegen den paus!" en het schijnt, alsof +hij voornemens is, zelf het vonnis aan den echtgenoot van zijn dochter +te voltrekken. + +Op dit oogenblik vliegt een donker, vlugvoetig meisje het venster +binnen, uitroepend: "Hierheen! Gezwind!" + +Alva roept zijn manschappen toe, tegen de aanvallers front te +maken--maar het is te laat--al hun aandacht is door de executie in +beslag genomen en zij hebben niets gemerkt van de nadering der mannen, +die hen nu overvallen onder aanvoering van Corker. + +Het duurt slechts een oogenblik en de ontstelde lijfgarde is +neergesabeld of op de vlucht gedreven om daar buiten te worden +ingehaald en afgemaakt, terwijl hun heer alleen staat te midden van +zijn vijanden, ofschoon ongewond; want zijn wapenrusting is bestand +tegen kogels van pistolen en haakbussen. Zijn hoofd is onbedekt en +zijn laatste uur was bijna gekomen, want Chester, die nu een zwaard +in de hand heeft, stormt op hem af, uitroepend: "Nu is het mijn +beurt, hertog van Alva!" Maar Hermoine, zich aan haars vaders borst +werpende en hem met haar armen beschermend, smeekt: "Spaar hem, als +gij barmhartig jegens mij wilt zijn! Spaar hem, Guy, mijn echtgenoot, +als gij dezen nacht een gelukkige vrouw met u wilt voeren,--want hoe +zou ik het, zelfs in uw armen, kunnen vergeten, dat gij de moordenaar +mijns vaders zijt?" + +"Spaar hem, jonge man, ik gelast het u nu, zooals ik u zooeven redde," +roept de priester uit. + +"Ja, dat deedt gij, goede vader Anastasius," zoo laat nu Hermoine +zich hooren, als Guy zijn arm laat zakken. + +Don Fernando vraagt thans op somberen toon: "Welk losgeld?" + +En voor Guy's oogen verrijst het beeld van de belegerde stad, de +uitgeputte mannen, de verhongerende vrouwen, de stervende kinderen +en hij antwoordt: "De vrijheid van Haarlem!" want hij gevoelt dat +hij het lot van een volk in zijn hand heeft. + +"_Nooit_! Ik heb goud om mijn leven te betalen, doch eer ik toesta, +dat één vendel het legerkamp voor Haarlem verlaat, kunt gij mij +neerstooten!" is het vastbesloten antwoord van Alva. "Vermoord mij, +als gij wilt, doch niemand zal zeggen, dat Don Fernando de Toledo, +om zijn leven te redden, de trouw aan zijn vorst heeft geschonden." + +"Laat men hun dan wat proviand mogen toevoeren!" smeekt Guy nu. + +"Neen!" + +"Laat de vrouwen en de kinderen tenminste de stad mogen verlaten, +opdat er minder monden te voeden zijn!" smeekte Hermoine op haar beurt. + +"Neen!" + +Ware hij op dit oogenblik omringd geweest door Hollanders, dan zou het +laatste uur voor den Hertog geslagen zijn; maar gelukkig voor hem, +zijn het Engelschen, die om hem heen staan; toch werpen ook dezen +blikken vol haat en woede op hem en slaan de handen aan hun zwaarden. + +Chester roept echter uit: "De wapens neer! Geen van mijn manschappen +zal den vader van mijn vrouw letsel doen. Kom mee, Hermoine." + +En het meisje gaat naar hem toe. + +Dit ziende, stamelt de hertog van Alva: "Gij--gij neemt haar mede?" + +"Waarom niet? Gij hebt haar niet lief!" + +"Of ik haar liefheb!--Het was een staatszaak.--Beloof mij dan +tenminste, als gij niet langer bij mij wilt blijven, Hermoine--dat +gij mij nu en dan eens zult komen bezoeken--wanneer gij dit alles +zult vergeten zijn." + +Doch het meisje antwoordt: "Neen. Ik zou niet zonder mijn man +willen komen, en ik vertrouw niet genoeg op uw liefde voor mij, +dat gij zijn leven zoudt sparen, als het in uw macht stond hem te +dooden.--Het zou--_een staatszaak_ zijn! Wat beteekenden mijn leven, +mijn geluk, al wat mij op aarde dierbaar is, toen ik u pas vijf minuten +geleden om erbarming smeekte, vergeleken bij die _staatszaak_! Vader, +blijf uw staatkunde getrouw, zij heeft u het eenige hart in de wereld +gekost--dat u beminde!" Hier is het haar onmogelijk, verder te spreken, +en naar den man toegaande, die tot heden zooveel voor haar is geweest, +fluistert zij: "Gij waart altijd teeder en goed voor mij--vroeger!" en +kust hem herhaaldelijk. + +En nu begint de Hertog te smeeken, dat zij zal denken aan zijn grijze +haren--zij, die de troost is van zijn ouderdom--en barst eindelijk +los tegen Guy: "Uw liefde is een zelfzuchtige--gij veroordeelt dit +meisje, dat in een vorstelijke omgeving is grootgebracht, om met u +het leven van een zeeroover te leiden." + +"Maar tegelijk met haar heb ik mij een aanzienlijken bruidsschat +toegeëigend--een koningsdochter waardig, _uw geheelen onzaligen tienden +penning_, hertog van Alva!" antwoordt Guy, die dezen Parthischen pijl +niet kan terughouden. + +"Hoezoo? Vanwaar?" + +"Uit uw schatkamer onder het bastion van den Hertog." + +"Groote God! Onmogelijk!" + +"Het was het geheim van den stervenden Paciotto!" + +"Ik--ik kan het niet gelooven," stamelt Fernando bleek, bevend, +gebroken. + +"Gelooft gij het dan, als ik u zeg: _het standbeeld heeft zijn hand +bewogen_?" spot Chester. + +"En Roderigo, mijn schatbewaarder, _stierf_ zes dagen geleden! Het is +het noodlot--de fortuin heeft mij den rug toegekeerd," kreunt Alva en +laat het hoofd op de borst zinken, alsof alle hoop hem heeft verlaten. + +Guy leidt zijn vrouw weg van dit wanhoopstooneel; doch als zij zich +bij de deur nog eenmaal omwendt om haar vader, die nu geheel alleen +is, een laatsten blik toe te werpen, begint Hermoine te huiveren en +te snikken in de armen van haar echtgenoot. + +De ijzeren Hertog knielt voor het altaarstuk, waaruit de oogen zijner +dochter op hem neerzien en hij snikt--hij, die nooit te voren geweend +heeft. + +Het is het eenige wat Alva in deze wereld van zijn dochter rest. Nadat +het schoone wezen, dat de vreugde van zijn ouderdom was, van hem is +heengegaan, wendt ook de fortuin haar aangezicht van hem af. Ofschoon +hij Haarlem inneemt en zijn beulen, vijf in getal, er dag en nacht aan +het werk zijn, om de burgers van die ongelukkige stad te vermoorden +en de dapperste verdedigers van haar wallen te onthalzen, Ripperda, +Hasselaer en haar andere helden en heldinnen, stoot Don Fernando voor +Alkmaar het hoofd. + +Hij is niet meer de Alva van vroeger, en als hij eenige maanden +later naar Spanje vertrekt, gaat hij heen, gebroken naar ziel en +naar lichaam; hij heeft het vertrouwen van zijn koning verloren, en +de onsterfelijke beruchtheid verworven, de wreedste man der wreedste +eeuw te zijn. Al zijn schuldeischers in Holland en Brabant zenden +hem verwenschingen na, als hij het land verlaat,--zij kennen de ware +geschiedenis van zijn standbeeld niet. + +Zelfs Requesens, zijn opvolger, geloof slaande aan de praatjes van +de soldaten, haalt het groote standbeeld van Alva omver en laat naar +den schat graven--om niets te vinden dan het onderaardsche gewelf, +dat eens de bergplaats er van was. De Hertog neemt naar Spanje één +ding mee, dat hem voortaan het dierbaarst op aarde is--het altaarstuk, +geschilderd door den genialen kunstenaar Oliver, en het wordt geplaatst +op het altaar in de kathedraal te Vittoria, waar de hertog van Alva +zich vestigt. De boeren vertellen, dat de man met het hart van steen +iederen dag weent voor de Madonna om de duizenden menschenlevens, die +hij in de Nederlanden heeft doen verloren gaan. En nu, na driehonderd +jaren, houdt men het schilderij voor een der eerste werken van Murillo +en strekt het om den roem van dezen meester te verhoogen--aan toeristen +vertelt men, dat de waarde er van niet te bepalen is. + +Zoo heeft de doode Oliver zelfs zijn beroemdheid verloren. Zijn +genie heeft den naam van een ander helpen vestigen; zijn lichaam werd +geworpen in zijn geliefd IJ, zijn hoofd binnen Haarlem's wallen als aas +voor de roofvogels. Hij stierf om Nederland te bevrijden, om de komst +voor te bereiden van een nieuwen tijd, waarin de menschen zichzelf +zouden kunnen zijn en vrijheid van denken zouden hebben en God zouden +kunnen aanbidden, ieder op zijn eigen wijze. Hij heeft enkel den roem +behouden, een patriot te zijn geweest--en is dat niet genoeg? + +Guy voert zijn vrouw naar de landingsplaats, ver van haar vaders +wanhoop en vernedering. Hier wachten al zijn booten op hem, terwijl +de matrozen inderhaast, onder toezicht van Alida, het voornaamste van +Hermoine's bezittingen meevoeren. Het Moorsche meisje neemt zelve +het kistje met juweelen in de hand en gaat naast haar meesteres in +de sloep zitten. + +Chester geeft eindelijk het bevel, om van wal te steken, en de sloepen +begeven zich op weg naar de _Dover Lass_. + +"Herinnert gij u onzen vorigen boottocht op deze rivier?" fluistert +Guy in het oor van zijn vrouw. "De onbekende dame, die mij tot kolonel +wilde bevorderen, hè?" + +"En heb ik niet meer voor u gedaan?" antwoordt Lady Chester--née +Hermoine d'Alva--in zijn oor. + +De blik, waarmee Guy haar aanziet, is welsprekend genoeg; er zijn +geen woorden noodig. + +Als zij de _Dover Lass_ langszij zijn gekomen, neemt Chester zijn vrouw +in zijn armen en draagt haar naar zijn hut, waar Hermoine verwonderd +rondkijkt en uitroept: "Uw schip is zoo fraai als een staatsgalei of +vorstelijk pleiziervaartuig, mijn heer," want Achille heeft met zijn +Franschen smaak de hut herschapen in een dames-boudoir, met frissche +bloemen, op den oever geplukt. + +"Ja, het was voor de wittebroodsweken, dat ik de hutten liet +versieren. Het was voor u." + +"Dus gij waart er zóó zeker van, mij te winnen--met de macht van +geheel Spanje tegenover u? Wat bezit gij Engelschen een volharding +en een vermetelheid!" Dit zegt zij lachend, maar daarna neemt haar +gelaat een ernstige uitdrukking aan en stamelt zij: "Wat hebt gij +niet gewaagd voor mij, mijn Guy--mijn Engelschman!" + +Maar Chester moet zich van haar losrukken en op het dek gaan om zijn +zeemansplicht te vervullen. De Engelsche vlag wappert van de _Dover +Lass_, en het schip snelt naar den mond der Schelde, Vlissingen +voorbij, want Guy wil hier niet stilhouden, uit vrees voor Spaansche +oorlogsschepen. + +Den volgenden avond werpen zij het anker uit te Harwich, waar de +klokken vroolijk luiden. + +"Welkom in Engeland!" roept Guy uit en brengt zijn vrouw aan land. Hier +doet het gerucht weldra de ronde, dat Chester een galjoen met enorme +schatten heeft buitgemaakt en hij betaalt dan ook tien percent, +zooals gebruikelijk is, aan de Engelsche kroon, evenals in dergelijke +gevallen Drake, Hawkins en andere zeeschuimers deden. + +De rest van den schat is volgens de wet van het land de zijne, en hij +keert aan Bodé Volckers zijn aandeel uit. De Vlaming gaat met dit geld +naar Holland en vestigt zich eenige jaren later, als Amsterdam zich +voor Oranje heeft verklaard, in die stad om een van haar voornaamste +kooplieden te worden. + +En als de matrozen hun gage en hun belooning hebben ontvangen, zijn +er geen gelukkiger zeelieden in alle havens van Engeland; en nog +weken later, als eenige van de pikbroeken in Plymouth of Portsmouth +worden gezien met twee groote horloges op zak, roepen de menschen: +"Dat is een van Chester's matrozen, niemand behalve een matroos van +de _Dover Lass_ kan zich zulk een buitensporige weelde veroorloven!" + +Als dit alles ter oore komt van koningin Elizabeth, zegt Hare Majesteit +tot haar eersten minister: "Burleigh, deze Sir Guy Chester is de +grootste dief van ons allen. Hij heeft de dochter van Alva gestolen +en hij en het meisje hebben samen haar vader bestolen, den armen +ouden Hertog." + +"Zij namen een voorbeeld aan Uwe Majesteit," antwoordt Burleigh. "Gij +herinnert u de achthonderd duizend kronen immers nog wel?" + +"Dat zou ik denken! Maar mijn ridder Chester is voor mij verloren als +krijgsman wanneer zijn fortuin slechts een vijfde bedraagt van het +kapitaal, waarop men het schat, en de lieftalligheid van zijn vrouw +slechts een tiende is, van hetgeen er van verluidt. Breng die kleine +heks bij mij. Ik wil die Spaansche schoonheid zien." + +"Inderdaad," antwoordt Cecil, die Hermoine heeft gezien en verrukt is +over haar schoonheid, "Lady Chester is de schoonste vrouw op aarde--op +Uwe Majesteit na." + +"Uit mijn oogen met uw laffe vleierij--dat 'op Uwe Majesteit na' +komt hinkend achteraan," lacht Elizabeth. "Maar breng haar hier, ik +geloof, dat gij zelf op haar verliefd zijt, gij oude zondaar! Laat +mij dat Spaansche wonder aanschouwen." + +En als Sir Guy Chester met zijn vrouw aan het hof komt, wekt Hermoine +door haar geest en haar lieftalligheid de algemeene bewondering op. + +Haar ziende, zegt Queen Bess op weemoedigen toon: "De fortuin heeft van +Chester een saletjonker gemaakt; hij eet nu zelfs met dat afschuwelijke +Italiaansche ding, vork genaamd. Toch heeft hij oog voor kostbaarheden; +de diamanten van zijn vrouw zijn schooner dan de mijne. Misschien +zou hij een goede Lord van de Schatkist zijn, want hij zal nu wel +niet meer gaan vechten--tenzij het hem in het hoofd mankeert." + +Elizabeth heeft goed gezien. Chester koopt groote bezittingen rondom +Londen en richt zich met zijn vrouw in op een vorstelijken voet, +en beiden smaken een volkomen geluk. Tien jaren later gordt hij +echter zijn zwaard nog eens aan, zooals iedere echte Engelschman, +en op zijn eigen kosten zes schepen uitrustende, waarvan het kleinste +de oude _Dover Lass_ is, onder bevel van Dalton, vat hij post in het +kanaal onder Lord Howard van Effingham, om te strijden tegen de groote +Armada, door Philips van Spanje uitgezonden teneinde de vrijheid van +zijn land te bedreigen. + +Die roemrijke overwinning is het laatste zeegevecht van den "Eerste +der Engelschen". Van dien tijd af aan woont hij het grootste gedeelte +van het jaar in het milde klimaat op de kust van Kent, waar zijn vrouw +zich het best thuis gevoelt, waar het zoele windje haar herinnert +aan haar Spaansch geboorteland. Hier regeert zij tot aan het einde +van haar lang, gelukkig leven als koningin in het hart van haar man. + +Hun eenig verdriet is, dat hun geen zoon wordt geboren, om hun groote +bezittingen te erven, maar zij hebben een dochter, het evenbeeld +van Hermoine, en deze huwt in een voorname Engelsche familie, als +bruidsschat het uitgestrekte grondbezit meebrengend, dat nu een der +hertogelijke geslachten tot een van de rijkste en aanzienlijkste van +Engeland maakt. + +Nu en dan heeft een dochter van dat huis Hermoine's prachtige oogen, +blanke teint en weelderig haar en haar bevalligheid is niet die van +een dochter van het Noorden, maar van een dochter van het Zuiden. Dan +lachen haar broeders en zusters en zeggen dat de Spaansche schoonheid +nog eens hier opdoemt, ofschoon zij zijn vergeten, van wie zij +afkomstig is. + +Zij kennen nog slechts als legende de geschiedenis van den +stoutmoedigen zeeman, den onverwinnelijken krijgsman, en den alles +trotseerenden minnaar, die Alva's schat en het hart van Alva's dochter +won, om haar te maken tot de de bruid van den "Eerste der Engelschen"! + + + + + + + + + + + + + + +_Bij den Uitgever dezes verscheen mede:_ + +VOOR KONING EN VADERLAND + +NAAR HET DUITSCH VAN + +HANS VON ZOBELTITZ + +DOOR + +H. BERTRAND. + +Rijk geïllustreerd. Prijs ingenaaid f _2.40_, in prachtband f _2.90_. + + + +Het _Nieuws van den Dag_ van 27/11 '95 zegt o.a.: + +Het is de aan avonturen zoo rijke geschiedenis van twee jongens, het +zoontje van een sergeant-majoor en het zoontje van een edelman, die +met nog andere knapen door Koning Frederik Wilhelm worden uitverkoren +om deel uit te maken van het kadettenkorps dat door den Koning was +opgericht. Frederik Wilhelm had namelijk besloten tot de oprichting +van een compagnie jongens, juist zoo oud als de Kroonprins was. Deze +jongens kregen echte soldatenpakken aan, ze werden als soldaten +gewapend en de Kroonprins zelf werd hun bevelhebber. + +De lotgevallen van deze ferme jongens worden in het boek op boeiende +en spannende wijze verteld, en 't zijn werkelijk lotgevallen die de +moeite waard zijn. Zoo worden bij voorbeeld de twee genoemde jongens de +ontdekkers van een complot dat tegen het leven van den Koning gesmeed +is. Zij gaan zelf heel parmantig hun gewichtige ontdekking aan den +Koning mededeelen en door hun toedoen wordt de hoofd-samenzweerder, +een Franschman, gevangen genomen. + +En zoo hebben de jongens avontuur op avontuur. + +Het spreekt vanzelf dat zij ook den oorlog meemaken, en dat zegt niet +weinig, een oorlog in den tijd van Frederik den Groote. + +Het leven van de beide vorsten, de meer dan gestrenge opvoeding welke +Frederik Wilhelm zijn zoon geeft, de gespannen verhouding tusschen +vader en zoon welke daaruit voortkomt en al de gevolgen daarvan, dat +alles en veel meer nog wordt beschreven in dit boek, dat de aandacht +in beslag neemt van het begin tot het einde. + +Het verhaal wordt door een aantal goed uitgevoerde platen opgeluisterd. + + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Koningin Elizabeth. + +[2] Glutton = gulzigaard. + +[3] Knight = ridder, paard in het schaakspel. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Een strijd om de schatten van Alva, by H. Bertrand + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA *** + +***** This file should be named 22686-8.txt or 22686-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/2/6/8/22686/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
