diff options
Diffstat (limited to '22640-8.txt')
| -rw-r--r-- | 22640-8.txt | 4822 |
1 files changed, 4822 insertions, 0 deletions
diff --git a/22640-8.txt b/22640-8.txt new file mode 100644 index 0000000..861ef7f --- /dev/null +++ b/22640-8.txt @@ -0,0 +1,4822 @@ +The Project Gutenberg EBook of Multatuli, by J. Van den Bergh van Eysinga + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Multatuli + Onze groote schrijvers, deel 2 + +Author: J. Van den Bergh van Eysinga + +Release Date: September 16, 2007 [EBook #22640] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MULTATULI *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + DE MEULENHOFF-EDITIE + + EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK + + ONZE GROOTE SCHRIJVERS + + II + + + UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF + TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXX + + + + + + + ONZE GROOTE SCHRIJVERS + + MULTATULI + + DOOR + + DR. J. VAN DEN BERGH VAN EYSINGA + + GEÏLLUSTREERD + NAAR OORSPRONKELIJKE AFBEELDINGEN + EN PORTRETTEN + + + UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF + TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88 + + + + + + + +INLEIDING + + +In den geweldigen tijd van de Fransche Revolutie en de Napoleontische +oorlogen schijnt Europa zich te zullen vernieuwen: de besten droomen +van een vrije, rechtvaardige samenleving. Dit blijft een droom: het +moeitevol verworvene dreigt in een alles verstikkende reactie onder +te gaan. Herleving van het Roomsch-Katholicisme, van traditioneele +vorstelijke macht, van den invloed van de oude, heerschende families, +van oude zeden, doet zich alom voor, in ons land zoo goed als in +overig Europa. + +De Hollanders waanden zich, nu de benauwenis der Fransche +overheersching van hen was afgenomen, in een hemel op aarde. Er was +tevreden berusting onder het aartsvaderlijk, maar autocratisch bewind +van Willem I. Politiek leven komt niet op. Handel en nijverheid blijven +op laag peil. De ondernemingsgeest komt niet over het doode punt +heen. Wetenschap en godsdienst kwijnen voort. Het leven trekt zich in +de binnenkamers terug. Het familieleven bloeit in innige nederigheid, +maar het mist frischheid en veelzijdigheid, het verliest alle contact +met de groote wereld en het gaat op in lieve kleinigheden. Het +maatschappelijk leven is uiterst saai en vormelijk. Teekenend voor de +stemming in de jaren tusschen 1820 en 1840 is het Dagboek van Willem +de Clercq: het is een doorloopende klacht over de geesteloosheid van +het letterkundig en godsdienstig leven zijner tijdgenooten, over het +gebrek aan energie in handelskringen, over het uiterst onbeteekenende +van den gezelligen omgang. + +Omstreeks 1820 begint in sommige landen van Europa eenig revolutionnair +besef in de liberale partijen te ontwaken: in Duitschland verzetten +jonge studenten zich tegen de reactionnaire regeering; de carbonari +in Italië, de liberalen in Spanje en Zuid-Amerika gaan zich +roeren. Griekenland verzet zich tegen de Turksche tiranny. En de +bezieling komt van enkele opstandige dichters: van Byron en Shelley, +van Heine, Lamartine en Victor Hugo. + +In ons land is van revolutionnair verzet geen sprake: het eerste +nationale enthousiasme wordt hier te lande gewekt door den +tiendaagschen veldtocht en de eerste geestelijke beweging dier +dagen beteekent een versterking der reactie: Da Costa schrijft zijn +geestdriftige _bezwaren tegen den geest der eeuw_, d. i. tegen het +liberalisme. Met Bilderdijk wordt hij de geestelijke vader van het +réveil en van de anti-revolutionaire partij: een partij gericht tegen +een revolutie, die hier al lang morsdood was. + +Het nieuwe geluid van de Europeesche opstandige dichters drong niet +door tot het geestelijk leven onzer voorouders: zij werden door de +rhetorische preeken van Van der Palm (_bevroren muziek_ volgens Willem +de Clercq), het huiselijk gerijmel van Tollens en de goedmoedige humor +van Beets volkomen bevredigd; het degelijke werk van Potgieter ging +den meesten te hoog. + +De religieuse opleving (het réveil), de vernieuwing van het geestelijk +leven onder invloed van mannen als Potgieter, Bakhuizen van den Brink +mogen in hun beteekenis niet worden onderschat, maar toch.... Nederland +volgde slechts zéér, zéér van verre het Europeesche geestesleven, +tot wanhoop zijner geestelijke leiders. + +Na 1860 zal het dien achterstand eerst inhalen en verrassend snel +inhalen zelfs. Door een samenloop van omstandigheden wordt het +economisch leven intenser. Nieuwe verkeerswegen te land en te water +worden aangelegd, de opbloei van het Duitsche achterland komt den +Hollandschen handel ten goede. En evenals in het economische leven +komt er ook in wetenschap, kunst en letteren meer beweging. + +Tot de geestelijke opleving na 1860 heeft Multatuli den grooten stoot +gegeven: hij heeft de gedachten en gevoelens van de groote dichters +en denkers der romantiek in Hollandsche woordkunst vertolkt. Hij +heeft zijn leven gewijd aan de romantische idealen van vrijheid en +rechtvaardigheid. De Hollanders zijner dagen heeft hij tot besef +van hun wereldburgerschap gebracht, door in het hart van ons volk +menschelijk medevoelen voor de bevolking van Insulinde te wekken. Wat +een levenskwestie voor den Javaan was en een belangenkwestie voor +Indische industriëelen, was slechts een partijkwestie in de Tweede +Kamer. Multatuli maakt het tot een gewetensvraag voor het Nederlandsche +volk. + +Multatuli's boek heeft een omwenteling te weeg gebracht in de +verhouding van de Indische regeering tot de inlandsche bevolking. Maar +dit is uiterst langzaam gegaan, veel te langzaam naar den zin van den +vurigen verkondiger dezer nieuwe idealen. Al waren het medegevoel +en de ontroering door de _Max Havelaar_ gewekt, echt, toch zou het +jaren duren eer dit gevoel in tastbare hervormingen werd omgezet. + +Multatuli zoekt de oorzaak van dit talmen in de algemeene +achterlijkheid der Hollandsche natie, in de verleugening van +maatschappij, politiek en regeering. Hij stelt zich tot taak de +kluisters van overgeleverde opvattingen op 't gebied van staatkunde en +moraal, van zeden en van godsdienst te verbreken. Benauwende grenzen +heeft hij weggevaagd, nieuwe mogelijkheden van ruimer voelen en denken +heeft hij geschapen. + +Het enorme verschil tusschen de geestelijke benepenheid van ons +volk in 1820 en de alom ontkiemende vrijheid en veelzijdigheid in +1920 is voor een groot deel aan Multatuli's optreden te danken. De +geschiedenis van zijn leven en werken is een belangrijk hoofdstuk +uit de geschiedenis van de bevrijding van den Hollandschen geest. + + + + +JEUGD EN KINDERDROOMEN + + +Er bestaat een innig verband tusschen het innerlijk leven van den +volwassene en het gemoedsleven van het kind. Het zieleleven van den +kinderleeftijd is de voedingsbodem van latere geestelijke ontwikkeling. + +Vele kunstenaars en denkers met een diep en rijk gemoedsleven en een +sterke verbeelding hebben fijne, zuivere schetsen en opmerkingen +over het kinderleven gegeven, welke getuigen hoe sterk ervaringen +uit eigen kinderjaren doorwerken in het gemoed. + +Zoo leeren we uit het werk van den volwassene het kind kennen, +en uit deze openbaringen den mensen beter verstaan. Kennis van het +kinderlijk gemoedsleven is van groote beteekenis om de persoonlijkheid +van denkers en dichters te doorgronden. + +Niet de kennis van de uiterlijke omstandigheden is van het grootste +belang, maar het inzicht in het innerlijk leven van het kind: de +ontwikkeling zijner fantasie, het aanvoelen zijner omgeving, het +reageeren op zijn opvoeding. Dit laatste heeft Douwes Dekker onthuld +in de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, terwijl ook in de brieven +aan Tine, in den verlovingstijd geschreven, vele herinneringen aan +het kinderleven zijn opgehaald. + +Eduard Douwes Dekker was de vierde spruit uit een gelukkig en degelijk +Hollandsch burgergezin. + +Zijn vader was kapitein ter koopvaardij; een goedhartig, zeer +beschaafd, welbespraakt man, maar bij al zijne goedhartigheid was hij +een man, die gehoorzaamd wilde worden en die zijne jongens eenigszins +Spartaansch opvoedde. De moeder daarentegen moet eene liefdevolle, +verstandige, maar zeer nerveuse vrouw zijn geweest. Doordat zij veel +aan hoofdpijnen leed, moederde de oudste zuster mee over de vier +jongere broertjes. Van deze zuster heeft Eduard veel gehouden. Pieter, +zijn zeven jaar oudere broeder, een bedaarde, ijverige jongen, die +in alles het tegenovergestelde was van den ondeugenden Eduard, viel +minder in diens smaak. Pieter bracht het tot Doopsgezind predikant +en achtte het zijn plicht, onjuistheden in het spraakgebruik zijner +familieleden te corrigeeren en in 't bizonder placht hij Eduard zijne +gebreken op meesterachtigen toon onder het oog te brengen. Uit de +geweldige antipathie tegen dezen braven broeder is dan later de figuur +van _Stoffel Pieterse_ geboren: Wouters van kan niet toevallig zijn: +de familie Pieterse is naar broeder Pieter genoemd! + +Met beide andere broeders was hij goede vrienden. Vooral met Jan, die +drie jaar ouder was, met hem naar Indië ging en hem in zijn moeilijk +leven meermalen trouw steunde. + +De kinderen kregen een eenvoudige, maar goede en godsdienstige +opvoeding. Voor luxe-uitgaven, als muziekonderwijs, was echter geen +geld beschikbaar. Jan werd zeeman, later landheer in Indië, Pieter +studeerde en ook Eduard werd voor de studie bestemd. + +Eduard was het eenige kind, dat uit den band sprong; dat hij met +zijn broers guitenstreken uithaalde, was zeer normaal. Maar in huis +en school was hij een moeilijk kind. + +Hoe gelukkig en gunstig de uiterlijke omstandigheden mochten zijn, toch +ging het eigenlijke leven van dit kind buiten het gezin om. Een met +dichterlijke verbeelding begaafd kind, heeft in het gelukkigste gezin +zijn innerlijk leed te dragen, dat uit de tegenstelling voortvloeit +tusschen zijne aspiraties naar al wat groot en heerlijk is en het +eng-begrensde kinderleven. Deze afgetrokkenheid, dit droomen leidt tot +tal van vergrijpen tegen de orde van het dagelijksche leven. Telkens +botst het: knorren, straffen, komt herhaaldelijk voor. En van zijn +kant poogt het kind zich aan het verstoren zijner droombeelden te +onttrekken door leugens. Door vele berispingen is hij verhard, hij +raakt er aan gewend als zondebok te worden gebruikt. Zijne moeder kan +hem vrij goed regeeren, maar met den vader, die op autoriteit gesteld +is, vallen herhaaldelijk verdrietige scènes voor. Ook op school gaat +het slecht. Zijne ouders roepen de toegevelijkheid zijner onderwijzers +in, omdat hij h. i. moeilijk kan leeren. Verdiept in de tooverwereld +zijner fantasie kan hij zijn verstand niet bepalen bij taaloefeningen +en jaartallen. + +De school haat hij, het ouderlijk huis benauwt hem: zoo vaak hij kan +zwerft hij buiten de poort--zijne ouders woonden op den Haarlemmerdijk +te Amsterdam--langs de buitenpaden, om daar bij sloten, bruggetjes en +molens te mijmeren. Dit droomleven neemt hem geheel in beslag als de +wereld van ridderen rooverromans voor hem opengaat. De beelden uit zijn +lectuur, de ervaringen uit zijn kinderleven vermengen zich in zijn +fantasieën; en daar speelt hij zelf temidden van zijn romanhelden +en heldinnen de schoonste rol. Peinzende over deze romantische +heerlijkheden wordt in zijn ziel _Fancy_ geboren. Fancy nam hem op +en voerde hem mee, en heeft hem nooit weer losgelaten. + +Maar het bleef niet bij droomen en fantaseeren: hij wil zelf de +idealen van ridderlijkheid in praktijk brengen, hij wil zelf boven +anderen uitmunten, hij wil _de eerste_ zijn. Een groote eerzucht +ontwikkelt zich in het kinderlijk gemoed,--een eerzucht, om het +goede en rechte te doen zegevieren. De zucht om zelf de eerste te +zijn wordt geëvenaard door den drang tot weldoen en helpen. Beide +vloeien ineen. Kenmerkend is de geschiedenis van een zijner jeugdige +heldendaden, die hij aan Tine opbiecht: + +"Ik wandelde op een Zaterdag met mijn broeder Willem, die helaas niet +meer leeft--hij was een allerliefste jongen en drie jaren jonger dan +ik--op de Hoogesluis te Amsterdam. Ik herinner mij zeer goed, dat +het juist Zaterdag was, omdat er veel Joden op de been waren. Voor +ons uit liepen twee jodenkindertjes, een jongetje en een meisje. Het +waaide hard en het meisje, dat het toezicht over haar broêrtje scheen +te hebben, vermaande hem zijn mutsje goed vast te houden. Ik onthoud +nog al goed kleinigheden, het was een fluweel baretje met schotse +ruiten om den rand. Het mutsje waaide af en rolde over de steenen +tot de wind het naar den kant.... Herinnert ge u die laagte naast de +hooge sluis, daar waar een soort van tuintje is, bijna au niveau van +het water? Daar waaide het mutsje in. + +"De jongen, die vergeefs het ding tot bij de leuning was nageloopen, +huilde, en het meisje scheen bang te wezen voor berisping, als zij +thuis kwam, het arme kind wrong de handen en zag zoo bedroefd naar +beneden... + +"Men vraagde een man, die in een schuitje de brug doorvoer het aan +te reiken. Hij wilde niet. Wie houdt zich ook op om het mutsje van +een jodenkind,--wie let er op het geschrei van een jodenmeisje! + +"Ja men lette er op om eene reden te hebben tot stilstaan bij den weg. + +"Gij weet hoe men in Europeesche steden om elke kleinigheid +samenschoolt, hoe ieder vraagt: 'wat is het?' en niemand vraagt: +'kan ik helpen?' + +"Toen de laatstaangekomenen eenige oogenblikken later vraagden: +'wat is er?' was het antwoord: 'Daar is een jongeheer naar beneden +geklommen om het mutsje van dat kind terug te halen.' Die jonge heer +was ik, natuurlijk. + +"Men hielp mij met een touw naar boven, want ik kon niet tegen den +gladden rechten muur op. Ik scheurde mijne kleederen en schaafde +mij de handen, maar niet genoeg naar mijn zin. Ik heb in mijn leven +weinig genot gehad, dat boven de aandoening ging die ik gevoelde +toen ik weder boven stond. Ik wilde mijn portret wel hebben van dat +oogenblik. Twintig of dertig menschen, allen lieden van geringeren +stand en meest joden, juichten mij toe. Een oud man, dezelfde die +het touw had gegeven, gaf mij de hand en zeide: 'Jongeheer, het +zal u goed gaan!' Mijn lieve Willem riep als of hij grootsch was: +'dat is mijn broêr Eduard!' en ik... + +"O, die vervloekte ijdelheid! ik gloeide van genot. Ja, ik was +wel blijde om de vreugde van het kind, dat voor knorren der ouders +gevrijwaard was, maar dit was het niet,--als ik daarom alleen verheugd +ware geweest, zoude het voor mijne goedhartigheid pleiten, neen 'ik +had mijn loon weg.' Alles zag op mij, alles noemde mij, alles prees +mij! Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben +als ik--kleine jongen--hen iets gelast had. Ik nam de voorspelling +van den ouden man aan als iets natuurlijks en ik liep dien dag op +stelten des hoogmoeds voort, ieder aanziende alsof ik vragen wilde: +'groet gij mij niet, mij...'" [1] + +Zulke voorvallen zijn teekenend voor zijn karakter. Maar zulke kleine +heldendaden bevredigen hem niet. Hij droomt als een tweede Josef +van macht en heerschappij: hij wil de uitdeeler zijn van weldaden, +handhaver van het recht. Pijnlijk voelt hij de benauwende tegenstelling +tusschen deze gedroomde heerlijkheid en het leven thuis en op school +met al zijn beperkingen en voorschriften, waarin hij niet alleen +een zeer onbelangrijk, maar ook een alles behalve volmaakt jongetje +is. Maar zijn kritiek richt hij niet op eigen tekortkomingen, maar op +die zijner omgeving. Hij bespeurt alras de onevenredigheid tusschen +woord en daad der volwassenen: dit schokt zijn vertrouwen. En hij +ziet de armoede, die niet wordt gelenigd en het onrecht, dat wordt +geduld. In zijn droomen wil hij dan alles verbeteren, wat hem voorkomt +verkeerd en onrechtvaardig te zijn. En hij begrijpt niet, dat God +zooveel onrecht dulden kan. "De kleine jongen veroorloofde zich Hem +kwalijk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met _zijn_ +begrippen over 't goede, en hij was dan ook ernstig van plan allerlei +verbeteringen intevoeren, zoodra hij..." + +Wanneer? Hoe? + +Dit: _wanneer_ en dit: _hoe_ speelden de hoofdrol in z'n gedachten. Het +denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem +neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens +kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem +drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z'n wil. + +Ach, er was zoo véél te doen! En hij was zoo ver achter! Wat moest er +nog veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En +dit toch was z'n roeping, naar-i meende. De straat was slecht +geplaveid. Daar ginds stond 'n huis op 't instorten. Leentje stak +povertjes in de kleeren. Er was onlangs een arme blindeman in 't water +gevallen en verdronken. Er scheen niemand bij geweest te zijn om te +helpen... ook alweer God niet. Bovendien waarom was die man blind? En, +nu eenmaal blind zijnde, waarom was-i arm? En nu eenmaal arm zijnde, +waarom... och, er was geen eind aan verwijtende vragen. + +"De Fancy-verschijning had hem aangestoken met onmetelijkheid. Hij +onderging onbewust den indruk van 't verhevene en z'n onwetende ziel +doolde rond in 'n oneindige reeks van middelen, die hij te kiezen had, +en van wegen die hij wilde inslaan. Hij was goed, innig goed. Op 't +gebied van het goede wilde hij 't hoogste grijpen, het moeielijkste +tot stand brengen. Z'n weifelen in keus was 'n natuurlijk gevolg van +onwetendheid. Bij elk voorkomend geval greep hij met z'n verbeelding +terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z'n ongeoefend +oordeel daarvoor hield. Dat ook bij hem alzoo 'n rol werd gespeeld +door de gewone fout van edele harten--'n zeer ongewone fout dus--om de +zedelijke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van 't gebracht +offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde +tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf +niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, +hoe gaarne ware hij uitgetogen om hier-en-daar bij bekken- en +schildslag te doen bekend maken dat er 'n ridder was aangekomen, +die om de klandizie verzocht van wat martelarij! + +"Later, later!" dacht hij. Later als-i bevrijd zou zijn van schoolsche +en huiselijke banden. Dan zou-i 'n werelddeel gelukkig maken. En nog +een. En nóg een... + +"Helaas er stonden er maar vijf in 't boekje van zijn geografie. + +"Vijf werelddeelen slechts! 't Is niet de moeite waard om van te +spreken. + +"Wat dàn? Wat daarna? + +"Hier begon zich z'n fantasie te verliezen in de ruimte, en +'t firmament verwarrende met 'n gedroomden onstoffelijken hemel, +naderden zijn gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: +God. Maar dit bevredigde hem niet. + +"Geen '_weg ter Zaligheid_' en geen katechismus was er in geslaagd +het kind den anderen god te ontrooven, die hij in 't gemoed droeg, en +waarmee hij zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding +vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen, +het goede zijn. Dit wilde en was Wouter ook. Hij stond dus zoo'n +Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n +natuurlijken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde +hij zich prins van geestelijken bloede." + + +Zoo droomde Woutertje en zoo heeft Multatuli zelf gedroomd. Hij wil +koning van Afrika worden... + +Deze kinderdroomen worden jongelingsdroomen, hij wil een tweede +Napoleon zijn--en als man droomt hij van een keizerschap van Insulinde. + +In de droomen van het kind teekent het streven van den man zich reeds +af. "Ik wou zorgen dat er in 't heele land geen onrecht geschiedde," +lezen we in Idee 1063 en omdat hij niet kon dulden, niet in staat +te zijn onrecht te straffen, te verhinderen, nam hij ontslag als +assistent-resident van Lebak. + + +Op het gymnasium kon hij het niet uithouden: het onderwijs was hem +te dor en te schoolsch. Zijn vader plaatste hem als jongste bediende +op het kantoor bij Van der Velde, die in katoentjes handelde. Hier +kwam hij op zijn vijftiende jaar. Hoe moeilijk deze jaren voor den +intelligenten jongen geweest zijn blijkt uit de satire, die hij op +dit handelshuis in de Woutergeschiedenis leverde. Zich onderdanig +te schikken viel hem uiterst moeilijk: de opgeblazen deftigheid, +de koopmanstrots van de Keizersgracht was hem een gruwel. En dan +voelde hij het pijnlijk maar een heel gewone burgerjongen te zijn, +tot zoo'n uiterst onbelangrijken stand te behooren. Als hij met zijn +vriend op een "buiten" op bezoek is vindt hij het zeer moeilijk om +te bekennen, dat hij op den Haarlemmerdijk woont! + +"Ik had een zucht voor onafhankelijkheid die tot het bespottelijke +ging," bekent hij aan Everdine. + +In die jaren had hij een boezemvriend: den jongen Abraham des Amorie +van der Hoeven, dien hij op het gymnasium had leeren kennen. Tot aan +Van der Hoeven's dood toe hebben beide vrienden gecorrespondeerd. Als +jongelui hebben ze gelezen en geredeneerd over alles, wat hun jonge +gemoederen bezig hield. Ze hebben ook druk getheologiseerd: Van der +Hoeven zou theoloog worden, en is in Utrecht Remonstrantsch predikant +geweest. + +D. D. heeft een godsdienstige opvoeding genoten en omstreeks 1830 +beteekent een godsdienstige een orthodoxe opvoeding. Reeds als kind +zijn de dogmatische voorstellingen geen klanken voor hem: de vrees voor +hel en verdoemenis lééft in hem. En omdat die geloofsvoorstellingen hem +boeien, doet hij kinderlijk-naïeve vragen die soms zeer oneerbiedig +klinken. Zij spruiten geenszins voort uit onbewusten twijfel, maar +integendeel uit een kinderlijk-ernstig godsdienstig gevoel. Zoo +vroeg hij aan de baker of God ooit jong was geweest en of ze Hem +had gekend zonder baard... Maar de baker berispte hem en dreigde +met de verdoemenis, zoodat 't kind zijn zucht naar kennis smoorde +met de vrees, dat de aarde zich voor zijn voet zou openen en hem +zou verzwelgen. + +Eens had hij in een speelsche bui op Gods neus een bril geteekend: +en toen heeft hij gesidderd voor de trompet der diligence, die hem +in de ooren klonk als de bazuin der kinderen Assurs, door God te hulp +geroepen om zijn kinderlijke euveldaad te wreken. + +Met zijn vragen kan hij het zijn predikant op de catechisatie lastig +genoeg maken; daar hij 't niet met zichzelf eens was heeft hij zich +niet laten doopen--zijn ouders waren Doopsgezind--; maar van twijfel, +van ongeloof was toen nog geen sprake. + +Vóór zijn achttiende jaar heeft hij zich al bezondigd aan het maken +van verzen: in een gedicht _De Schaatsen_ bezong hij de genoegens +van wintersport en van vertellingen bij den huiselijken haard om te +eindigen met een sentimenteele aansporing om het leed van den arme +te verzachten met een beroep op... hemelsche vergelding! + +Veel vlotter en beter is de berijmde vertaling van _Andrieux' De +Molenaar van Sans-Souci_, een berijming, waaraan hij trouwens later nog +veel verbeterd heeft. De grondgedachte van dit vers vinden we in een +van de fijnste hoofdstukken der _Millioenenstudiën_ terug: _Vieux Delft +en moraal_. Zoo sterk zijn de indrukken van 't geen hij in zijn jonge +jaren las, dat de herinnering er aan in later jaren telkens terugkeert. + +De achttienjarige besluit zijn gedicht over de bekende anecdote van +Frederik den Grooten met de regels: + + + Zie: een landschap wordt gestolen, + En een molen blijft gespaard. + + +En 35 jaar later schrijft hij: "Zou ook niet hier alweer _alles in +alles_ zijn? Onbeschaamdheid in _pudeur_? Kemels in muggen? Gestolen +landschappen in gespaarde molens?" + +Uit deze verzen blijkt, dat de achttienjarige Douwes Dekker, wat +literaire smaak betreft, op een lijn stond met de almanakschrijvers +dier dagen. Dat hij Jean Paul leest is een belofte voor de toekomst. + +Zijn moeder en broeder lieten _De Schaatsen_ in een almanak opnemen: +dit deed Eduard, die toen al in Indië was, aangenaam aan. Doch +gelukkig voor zijne ontwikkeling en voor die onzer letterkunde zat +hij in Indië buiten 't bereik van almanakredacties en letterlievende +genootschappen. Zoo is zijn onvaste smaak er voor behoed om door +onbevoegden lof en aanmoediging voor goed bedorven te worden. + + + + +INDISCHE LEERJAREN (1838-1845). + + +Met het schip, waarop zijn vader kapitein en zijn broeder Jan stuurman +was, ging Eduard op zijn achttiende jaar naar Indië. Door een verlof +van drie jaren onderbroken is hij daar zeventien jaar geweest: +de jaren van zijn intellectueele en innerlijke vorming brengt hij +door ver van Holland. Hij is daardoor afgesneden van de Hollandsche +cultuur. Zijn vader weet hem geplaatst te krijgen als klerk zonder +bezoldiging bij de Algemeene Rekenkamer. Zijn loopbaan is de eerste +jaren zeer voorspoedig. Na zes weken reeds ontvangt hij salaris. In +een officieele missieve van 10 April 1839 lezen we dat hij "een +zeer bekwaam onderwijs genoten heeft," en "ofschoon jong van jaren, +de verwachting doet koesteren, dat hij tot een bekwaam ambtenaar zal +kunnen worden opgeleid." En het blijkt, dat andere departementen hem +voordeelige aanbiedingen hebben gedaan. + +Een jaar na zijn komst in Indië wordt hij dan ook al benoemd tot +kommies 2de klasse; hij onderscheid zich niet alleen door vlijt en +werkzaamheid, maar ook geeft hij "de onbetwistbaarste bewijzen van +vlugheid, doorzicht en kunde, in al hetgeen hem wordt opgedragen." + +Na het neerdrukkend bestaan van jongste bediende op de +Keizersgracht--waar het opgedragen werk steeds verre bleef beneden +zijn kennen en kunnen--was de arbeid in de Indische regeeringsbureaux +eene verademing: hier kregen ook beginnelingen werk, waar iets van +te maken viel. Voor wie toonde te willen werken, was er kans op +snelle bevordering. + +Niet alleen in de bureaux, ook in de samenleving van Batavia heeft +de jonge Douwes Dekker snel zijn weg gevonden: van het neerdrukkend +gevoel _maar_ een burgerjongen te zijn, voelt hij zich bevrijd. Hij +werd gewaardeerd als een geestig en ontwikkeld jongmensch, die niet +gewoon was zijn chefs, die hij niet lijden mocht te sparen. Maar het +gezellige leven is duur--hij verspeelde met biljarten wel eens f 100 +per week [2]--en een goed financier is Douwes Dekker nooit geweest! Om +zijne schulden (ruim f 2000) te betalen zal hij hoogstwaarschijnlijk +overplaatsing naar Sumatra's Westkust hebben gevraagd. In 1842 werd hij +wederom met een zeer loffelijke aanbeveling bevorderd tot controleur +2de klasse ter Westkust van Sumatra. + +Maar zijne schulden waren niet het eenige wat hem in Batavia benauwde: +het bureauwerk waarvoor hij zoo geschikt bleek, verveelde hem op +den duur: het vrije en avontuurlijke van een bestuursbetrekking in +de buitenbezittingen, waar hij als eerst-aanwezend ambtenaar, een +soort vorstelijke macht zou uitoefenen, werkte op zijne fantasie: +zelfstandig en rechtvaardig besturen en recht spreken, ervoor waken, +dat geen onrecht geschiede ... dat alles trok hem aan. "Een meer +levendigen en werkdadigen werkkring" vraagt hij daarom in zijn rekest +aan den Gouverneur-Generaal. + +Het zijn de kinderdroomen, die vasteren vorm gaan aannemen, die +werkelijkheid zullen worden. + +En dan is er nog iets, dat hem van Batavia wegdreef: zijn verbroken +engagement met Caroline Versteegh, dat hij omdichtte tot een +ongelukkige liefde. Zij was een koel en nuchter meisje: kenschetsend +is deze vermaning in een kort briefje: "denk niet te veel". Om de +toestemming van haren vader te verwerven werd hij Roomsch, maar +het mocht niet baten; in Aug. 1842 maakt haar vader een eind aan +de verloving, waarschijnlijk onder invloed van praatjes over zijn +financieele onsoliditeit. + +Onder deze teleurstelling heeft hij veel geleden, maar tegelijkertijd +was het hem een genot zich in de smart zijner ongelukkige liefde te +koesteren, zooals hij eerst in een geluksroes geleefd had, waarin +hij met haar dweepte, waarin zij hem een heilige was [3]. + +Deze eerste, ernstige liefde--want uit de Woutergeschiedenis weten +we, dat Wouter-Eduard van zijn kinderjaren af heel wat "vlammen" +gehad heeft--is tot romantische beleving verdicht. + +Hoe een geliefde te idealiseeren, hoe eene ongelukkige liefde +te dragen, dat had hij uit zijn romantische boeken geleerd: het +was een nieuwe sensatie nu zèlf in het leven dat belangwekkende te +ervaren. Zijne ongelukkige liefde belette hem niet bekoord te worden +door het dochtertje van een inlandsch hoofd met wie hij een tochtje +in een prauw maakte langs de kust; zij leefde met hem te Natal; +maar te Padang zond hij haar om zijn armoede naar haar vader terug. + +In deze jaren blijkt het hoe langer hoe duidelijker, dat de +droomwereld, waarin hij als kind geleefd had, ook macht over zijn ziel +behoudt op rijper leeftijd. Het wordt hem meer en meer ernst met zijn +droomen, met zijn luchtkasteelen: "ik moet bekennen nooit verstandig +genoeg geweest te zijn om mijne zestienjarige luchtkasteelen omver +te halen" [4]. Zijn levenstaak gaat hij er meer en meer op richten +om zijne luchtkasteelen te verwerkelijken. + +De anderhalf jaar op Sumatra doorgebracht zijn van groote beteekenis +voor zijn ambtelijk leven, maar ook voor zijne geestelijke vorming: +zelf heeft hij menigmaal later gezegd, dat hij zich te Natal bewust +is geworden. Steeds duidelijker grijpen literatuur en leven, droom +en werkelijkheid in elkander. + +In Natal waren maar enkele Europeanen, zoodat de jonge controleur veel +tijd had om te lezen. Hij las niet bij voorkeur Hollandsche boeken: +in den geest trekt hij den band met Holland niet toe. Hij was uit +Holland vertrokken, voordat hij er tot intellectueele kringen toegang +had gekregen. De religieuse beweging van het réveil was niet tot hem +doorgedrongen en evenmin wist hij af van 't geen er leefde in jonge +mannen als Potgieter en Bakhuyzen van den Brink, die een jaar vóór +zijn vertrek "De Gids" begonnen uit te geven. En in Indië heeft hij +zich om de ontwikkeling van het geestelijk leven in Holland weinig +bekommerd. Een enkel woord over een lief vers van Ten Kate lezen we in +zijn Brieven, maar verder is hij van Walter Scott, Sue en Lamartine, +van Heine en August Lafontaine vervuld; m. a. w. niet de geestelijke +leiders van zijn eigen volk, maar die van de Europeesche romantiek +hebben zijn geestelijk leven gevormd. Dit heeft niet alleen op zijn +levens- en wereldbeschouwing een overwegenden invloed geoefend, +maar ook op zijne literairen smaak en op zijn eigen stijl. Deze is +levendiger, losser en daardoor pakkender dan die der best gestileerde +stukken zijner Hollandsche tijdgenooten. In Indië heeft hij onder +invloed van buitenlandsche schrijvers langzamerhand een talent van +schrijven ontwikkeld, waarmede hij een dertigtal jaren later zijne +landgenooten diep zal treffen. Niet alleen zijn stijl heeft hij in +de afzondering der tropen gevormd, ook zijn denkbeelden gaan onder +invloed van de Europeesche denkers en schrijvers der romantiek hoe +langer hoe meer afwijken van de in Holland gangbare. Dat proces +heeft zich geleidelijk voltrokken; alles werkt mede om van den +jongen Douwes Dekker een typisch vertegenwoordiger der romantiek te +maken. Door zijn aanleg is hij er zeer zeker toe voorbestemd: zijn +impulsief temperament, zijn neiging tot droomen en fantaseeren, hem +van kind af eigen, zijn verlangen naar macht om 't goede te kunnen +doen zegevieren, zijn amoureuze aanleg, maken hem uiterst gevoelig +voor romantische lectuur; en door die lectuur wordt zijn aanleg in +die richting verder ontwikkeld. + +Het Indische milieu, de ambtenaarsloopbaan, die hem op jeugdigen +leeftijd in zijn onmiddellijke omgeving met de hoogste macht heeft +bekleed, hebben zijn romantische heerschersneigingen versterkt. + +Aanleg, lectuur en omstandigheden drijven hem alle tot romantische +daden in het ambtelijke leven, tot een romantische levenshouding. + +Zeer merkwaardig in dit inzicht zijn de romans van August Lafontaine: +deze boeken blijven hem boeien. Het zijn dezelfde, die in de +Woutergeschiedenis herhaaldelijk ter sprake komen en in welker stijl +hij de luchtkasteelen van zijn zestienjarigen leeftijd optrok. In +zijn brieven aan Tine, in zijn _Ideën_ komt hij telkens terug op die +romans: één er van noemt hij in het bizonder: _Hermann Lange_. In +verband met zijn eigen lotgevallen is dit een merkwaardig boek: de +jonge held wordt door z'n rijke, naar aanzien strevende ouders, een +fantast genoemd, die niet voor de wereld deugt, daar hij te eerlijk, +te edel en te oprecht is! Hij heeft zelfstandig leeren denken, en hij +voelt diep. Om zijn scherpzinnigheid te oefenen, weerlegt hij elke +meening, ook als hij ze voor waar houdt! Hij heeft gevoel voor humor: +hij vindt alles zoowel eerbiedwaardig als lachwekkend. + +Met zijn fier en edel karakter is hij in de ambtelijke wereld van +een klein vorstendommetje niet bemind: als hem wordt opgedragen om +een stuk, dat hij gesteld heeft, over te maken, omdat het poëzie en +geen proza is, neemt hij zijn ontslag. Hij wil het geluk der fortuin +niet zoeken door daden, die hij immoreel vindt. "Kruipen leer ik nooit, +daar ik geleerd heb te ontberen." Hij ontwikkelt uitvoerig een theorie, +waarom _goede_ menschen in Staatsdienst weinig kunnen uitrichten; +want zij, die belang hebben bij de misbruiken, waaronder 't volk +gebukt gaat, kénnen juist de zaken 't best, zoodat de deugdzaamste en +ijverigste vorst of minister, niets kan uitrichten met zoo'n bende +deugnieten. Weer in dienst geplaatst wordt Hermann Lange voor de +tweede maal onrechtvaardig behandeld. Maar hij verdedigt zich flink +en houdt zijn goed recht staande. Wederom wordt hij ontslagen. En +zijn vrouw glimlacht en zegt gelaten: "een gerust geweten is meer +waard dan de rijkste bezoldiging." Een liefelijke en uiterst sobere +huiselijkheid is de belooning voor zijn karaktervol handelen. + +Inderdaad vinden we hier verschillende trekken, die ook in de _Max +Havelaar_ voorkomen: de verheven aspiraties, de zin voor humor, de +afkeer van "misbruiken", de minachting van rijkdom en de fierheid, +waarmede hij liever wordt ontslagen dan te buigen voor zijn chef. Wat +Douwes Dekker in zijn held bewondert, wat zoo strookt met zijn eigen +aanleg, dat heeft hij in eigen loopbaan in praktijk gebracht. + +Hoe grooten indruk op zijn gemoed een levensbeschrijving van Napoleon +heeft gemaakt, blijkt uit een stuk door hem in Natal geschreven, en +het eerst door zijne weduwe in 1891 uitgegeven. In deze _Losse Bladen +uit het Dagboek van een oud man_, zien we hoe de jonge man zich af +gaat vragen, wat zal _ik_, die in mijn tot nu toe vage droomen en +aspiraties eigen superioriteit zoo levendig heb beseft, voor groots +tot stand brengen? En dan zijn er twee genieën, die hem voor den +geest zweven: Napoleon en Rousseau. Het groote van Napoleon was niet +zoozeer zijn dapperheid, zijn krijgskunst, als wel zijn _denkbeeld_: +"Napoleon was groot toen hij met het hoofd in de hand nadacht, en +het lot van Europa vaststelde, voor nog iemand voorzien kon dat hij +op Europa eenigen invloed zoude kunnen uitoefenen." Hieruit volgt dan +volgens D. D., dat _die begeerte zelve_ tot grootheid, de eerste stap +tot grootheid is. En deze begeerte koesterde hij in hooge mate. "Ik +zit met het hoofd in de hand en peins.... Wanneer ik ooit voor het +oog van de wereld schitteren zal, men danke het dit oogenblik!" + +En hij weifelt lang tusschen Diogenes en Alexander, tusschen Rousseau +en Napoleon, tusschen het verhevene en het verheven schijnende! Maar +hij laat den schrijver van de dagboekbladen het laatste kiezen: "uit +zwakheid, uit ijdelheid, misschien uit wraakzucht!" En terwijl hij +den man van de daad wil navolgen, verheerlijkt hij hem om ... zijn +_denkbeeld_. Hij wil een kroon bemachtigen: + +"Ik beminde een meisje en verloor haar. Wat anders dan een kroon kan +mij schadeloos stellen?" + +Zoowel deze uitingen als wat volgt verraden een zoekenden geest, die +grootsche plannen in zich omdraagt, om dan weer spoedig te vertwijfelen +aan hun verwerkelijking. Want dezelfde jonge aspirant-veroveraar laat +hij na 33 jaren gelaten als gepensionneerde grootvader Alexander en +diens generaal vasthouden bij het soldaatje spelen van zijn kleinzoon. + +Uit dit stuk spreken eene grenzenlooze eerzucht en diepste wanhoop +aan eigen kunnen. Merkwaardig is het ook, dat hem van den aanvang af, +het tweeledige van zijn levensideaal bewust is geweest. + +De _Losse Bladen_ zijn in zeker opzicht eene bekentenis: het hoogste is +de geestelijk roem van een Diogenes, een Rousseau; maar uit ijdelheid +kiest hij de wereldsche grootheid van een Napoleon! En toch eert hij +in deze in de eerste plaats de grootheid der gedachte: in Napoleon +eert hij, dat wat Rousseau groot maakte; en hij beseft het manco van +den denker: de daad ontbreekt. In later jaren, als hij door zijn woord, +door zijne ideeën duizenden meesleept, droomt hij van wereldsche macht, +van een keizerrijk van Insulinde. Als hij machtig inwerkt op den geest +zijner landgenooten, betreurt hij het, dat de macht hem ontbreekt, +allerlei practische hervormingen in te voeren. De tragiek dezer +vergissing openbaart zich al in een zijner eerste stukken! + +In zijn Natalsche maanden is hij vervuld van drang tot daden; +hij heeft veelomvattende plannen: hij wil een haven te Natal laten +aanleggen om het uit zijn isolement op te heffen. Maar zijn chefs +zijn niet gediend van de grootsche plannen van den jongen controleur, +zij eischen nauwkeurige administratie in de eerste plaats. Hierdoor +voelt D. D. zich gekrenkt in zijn ijdelheid: terwijl hij zich droomde +regelaar van een zonnestelsel, was 't hard voor hem nog zoo weinig +te beteekenen dat hij niet eens een haven kon laten maken, waar hij +wilde. D. D. heeft voor de zelfstandige bestuursmacht zijn plichten +als ondergeschikt ambtenaar verwaarloosd: al zijn lijden op Sumatra +is hieraan toe te schrijven, dat hij als besturend ambtenaar zich +inderdaad bestuurder, vorst der onder hem gestelde bevolking voelde, +maar dat hij als ambtenaar telkens faalde. Hij had zeer vele en +uiteenloopende functies te vervullen: hij was zelfstandig bestuurder +en inspecteur der pepervelden, politiehoofd, politierechter, voorzitter +van den rapat (= inlandsche rechtbank), vendumeester, beheerder van het +gouvernements-provisie- en zoutpakhuis, ontvanger van de tolrechten, +postmeester, agent van de Padangsche wees- en boedelkamer en voorts was +hij belast met het toezicht op 's lands gebouwen en openbare werken! + +Al die administraties en kassen moesten nauwkeurig worden bij- en uit +elkaar gehouden. De streek was bovendien pas tot rust gebracht. Onder +zijn voorganger was een complot ontdekt om oproer te maken en den +controleur te vermoorden. Intriges van inlandsche hoofden maakte de +berechting van zulke quaesties hoogst moeilijk. Met een paar Inlandsche +Hoofden was hij zéér bevriend en vertrouwde hen volkomen. Zoo kwam het, +dat hij in allerlei intriges van inlanders de zaak door hun oogen bezag +en den gouverneur tegenwerkte, die zijn vrienden afzette en verbande; +dit heeft de stemming van gouverneur Michiels ten zijnen opzichte +niet beter gemaakt. Dreigende oproeren, die hem noopten, dikwijls ver +van zijn kas te vertoeven, voerde hij dan ook als verontschuldiging +aan voor zijn slordig bijgehouden administratie. Uit het Natalsche +archief blijkt echter niets van dien voorkomen opstand en ook het +genoemde complot is gebleken een verzinsel van inlanders te zijn; +maar Douwes Dekker zag met romantische verbeelding het gevaar van +opstand, van moord dreigen en dat was voor zijn psychisch evenwicht +niet bevorderlijk: het versterkte hem in de heroïsche opvatting zijner +taak en maakte hem nog ongeschikter voor het accuraat beheer van de +gelden, het zout en de rijst van het gouvernement. + +Talrijk zijn de aanmerkingen op zijn administratie: telkens moet +hij tekorten bijpassen, boeten betalen. In zijn ambtelijke antwoorden +teekent zich de Havelaar-figuur al af: als de reglementen voor een goed +transport toestaan f 12 voor drie koelies en f 4 voor een conducteur +in rekening te brengen, terwijl ook al onder zijn voorgangers, de +conducteur f 8 kreeg, terwijl er maar _2 koelies_ waren, was D. D. er +niet toe te bewegen de declaratie reglementair in te richten. "Ik +_wilde_ en _kon_ niet zeggen, dat ik f 4 voor een conducteur betaalde, +want het was eene onwaarheid! Ik mogt niet 3 koelies opbrengen waar ik +slechts 2 betaalde, want het ware een logen geweest! Ik zal er trotsch +op zijn met de telkenreize voorkomende vergoeding van f 4 belast te +worden, _omdat ik niet wilde liegen_, waartoe mijne voorgangers zich +door den drang der omstandigheden hadden laten dwingen." En als hij +berispt wordt, omdat hij _prauwhuur_ inplaats van de reglementair +toegestane scheepsruimte en tafelgelden, declareert, antwoordt hij: +"Indien er bepalingen bestaan die de verzaking der waarheid vorderen +dan zijn dezelve voor mij van geene kracht. Ik acht de waarheid +hooger dan het Staatsblad en geef openlijk deze verklaring al zoude +mijne ongeschiktheid tot ambtenaar als een onmiddellijk gevolg dier +verzekering beschouwd worden." + +De toon zijner verantwoording is scherp, soms pathetisch. Als hij +er kans toe ziet, schrijft hij graag een hatelijkheid aan den steeds +aanmerkingen makenden chef. In een verslag over een inspectie van de +pepertuinen weet hij zijn chef mee te deelen, dat deze de hoofdpaden +bij zijn inspectie niet had verlaten, maar dat _hij_ zich niet bepaald +(heeft) tot het waarnemen der langs de hoofdpaden aangeplante ranken, +maar (zich) ginds en herwaarts van den weg af begeven (heeft). Waardoor +hem bleek dat _zijn_ oordeel over de aanplantingen nog verreweg +ongunstiger is, dan dat van zijn chef. Zulke opmerkingen maakten zijn +chef niet zachtzinniger in diens oordeel over de talrijke overtredingen +der reglementen. + +Medegevoel met den inlandschen arbeider spreekt uit zijne missive over +de pepercultuur: de stand van zaken is daar "allerellendigst", maar: +"De arbeiders hebben gebrek aan behoorlijk voedsel! Ik weet niet in +hoeverre deze omstandigheid in dienst een reden tot verschooning kan +daarstellen van achterlijkheid in het vervullen der op ondergeschikten +rustende verpligtingen, doch dat is zeker dat het mij in gemoede +moeijelijk zoude vallen menschen tot werken aan te zetten voor ik mij +verzekerd konde houden dat het allernoodigste tot levensonderhoud +in genoegzame mate voorhanden was. Rijst is op het oogenblik voor +de arbeiders in de pepertuinen niet te verkrijgen, men voedt zich +sober met Inlandsche _oebi_ en _Pisang_, die overigens nog niet eens +in genoegzame hoeveelheid aanhanden is." Hij meent in de geknakte +énergie de oorzaak der werkeloosheid te hebben gevonden: en deze moet +worden opgewekt door "voor den arbeider eene meer lagchende toekomst, +een vrolijker vooruitzigt daar te stellen, en in dit geval een +aanvang te maken met hem te voeden." Zijn chef bericht hem koeltjes, +dat de Hoofden moeten worden aangespoord deze _hunne_ plicht na te +komen! Vielen werkzaamheden voor het gouvernement verricht tegen en +klaagden de belanghebbenden, dan was de jonge controleur al te gauw +geneigd, meer te betalen dan de reglementen toestonden. + +Na een half jaar zijn de aanmerkingen op zijn administratie zoo +talrijk, dat de gouverneur, generaal Michiels, hem dreigt met +overplaatsing, "zoo hij nog langer achterlijk is in het tijdig genoeg +afleggen van zijne geldelijke en materieele verantwoording." En als +de resident na een maand bericht zend, dat "de controleur voornoemd +een halsstarrigheid en kwade wil aan den dag legt, die afkeuring en +bestraffing verdienen," wordt Douwes Dekker ter beschikking gesteld +van den resident der Padangsche Bovenlanden. Hij verlaat Natal met +een schuld aan 't gouvernement van f 1350: dit kastekort was louter +het gevolg van slordig beheer, van ongeauthoriseerde uitgaven, van +opgeloopen boeten; zelfs zijn chef, die hem allerminst welgezind was, +heeft er niet aan gedacht hem van oneerlijkheid te verdenken. De +gouverneur echter was buitengewoon verstoord over zooveel nonchalance +in dienstzaken en heeft hem onbillijk streng behandeld. Tot overmaat +van ramp werd na zijn vertrek uit Natal nog een belangrijk tekort +ontdekt, doordat een wissel, van ruim f 8000 voor ruim f 2000 minder +was geboekt. Generaal Michiels verdacht D. D. nu van ontrouw en +suspendeerde hem; zoo heeft hij een jaar lang te Padang, welke plaats +hij niet verlaten mocht, moeten leven zonder inkomsten. Haast niemand +wilde of durfde om eigen carrière met hem omgaan, omdat hij onder +verdenking van diefstal stond en in ongenade bij den despotischen +Michiels was gevallen. Zijn verzoek om in Natal zelf de zaak van den +wissel te mogen onderzoeken werd hem geweigerd. En zoo is deze zaak +nooit opgehelderd. In zijn ambtelijk schrijven hierover lezen we: "Ik +moet volmondig bekennen de zaak in kwestie niet ten mijnen voordeele te +kunnen ophelderen; ik hoop dat deze of gene onvoorziene omstandigheid +in den vervolge de zaak tot klaarheid brengen zal. Voorloopig vergenoeg +ik mij met de mededeeling dat particuliere omstandigheden van ernstigen +aard het mij onmogelijk maken mij de bijzonderheden die de afgave +van den wissel hebben vergezeld, te herinneren." + +Aan Tine schrijft hij later, dat hij bestolen is. "Was ik dan zoo +slordig, dat ik mij bestelen liet? Ik was krankzinnig na het lezen +der advertentie in de courant dat mijn meisje met een ander getrouwd +was. Eene kas van f 100.000 was onder opzicht van eenen inlandschen +schrijver. Ik bemoeide mij met niets." [5] + +Caroline huwde 5 Januari 1843 te Samarang en de fatale wissel +werd geboekt op 3 Mei 1843. Nu is het zeer onwaarschijnlijk, dat +couranten pas na 4 maanden Natal bereikten. Bovendien is de wisselpost +door D. D. zelven behandeld en geboekt en niet door een inlandsch +bediende. Het bedrag van de kas is ook sterk overdreven, want in de +geheele maand Mei 1843 bedragen de ingekomen gelden plus het aanwezige +saldo een kleine f 35.000, dus nog lang geen f 100.000 [6]. + +In de _Max Havelaar_ is dit voorval in het heroïsche omgewerkt: +daar vertelt Max, hoe zulke fouten begaan waren op oogenblikken, +dat hij--dikwijls in levensgevaar--ver van de kas, het beheer +had moeten toevertrouwen aan anderen. "Als er door slordigheid of +verzuim eenige duizenden tekort waren in mijn beheer, noem ik dit +_op-zich-zelf_ geen kleinigheid. Maar als deze duizenden ontbraken +tengevolge van mijn gelukte pogingen om den opstand te voorkomen, +die de streek van Mandheling dreigde in vuur en vlam te zetten, en +de Atjineezen te doen terugkeeren in de vesten waaruit wij hen pas +met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan vervalt +het gewicht van zoodanig te-kort, en 't werd zelfs reeds eenigszins +onbillijk de terugbetaling daarvan opteleggen aan iemand die oneindig +grooter belangen gered had." In een brief aan den Gouverneur-Generaal +van 2 Febr. 1846 gewaagt hij slechts van spanning in Natal. + +Zoo heeft D. D. in den loop der jaren deze gebeurtenis in zijn +verbeelding omgewerkt tot een gebeurtenis, waarin hij de lijdende +heldenrol speelt. + +Zonder een cent inkomen, door de meesten gemeden, heeft hij bijna +een jaar lang te Padang een ellendigen tijd gehad. Hij woonde in een +klein inlandsch huisje. Zijn kleeren waren grootendeels verkocht, +en als hij honger heeft kaapt hij een kalkoen van den Gouverneur, +als diens kudde langs zijn hut werd gedreven. Hij duelleert met wie +hem, om den Gouverneur te believen, onhebbelijk bejegenen, en hij +schrijft verzen en een comedie. Op een quitantie van een tijdschrift, +die onbetaald naar het bureau te Batavia zou teruggaan schetst hij +in enkele geestige Fransche verzen zijn lot. En op de ontbijttafel +van den Gouverneur, die berucht is om het schorsen van ambtenaren, +laat hij dit gedicht leggen: + + + Het wandlend schorsbesluit, dat schorsend ons regeert, + Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen, + Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd... + Als 't niet voor langen tijd finaal reeds ware ontslagen. + + +Maar de Gouverneur negeerde deze snaaksche wanhoopsuitingen en strafte +den jongen auteur hierdoor het pijnlijkst, getuige zijn klacht in de +_Max Havelaar_: "Hij gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd +niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen +door verregaande geestigheid!... 't Was om eens-voor-al te walgen +van puntdichten en kalkoenen!" + +In een brief van 1846 aan den Gouverneur-Generaal Rochussen schetst +hij zijn lijden te Padang aldus: "Twaalf volle maanden heb ik op die +wijze op een plaats waar ik niemand en niemand mij dan volgens de +nadeeligste geruchten kende, geleefd. Ik had volstrekt geene middelen +overgespaard, en trachtte dus te bestaan der weinige kleederen, +die ik succievelijk verkocht. + +"Op het laatst van mijn verblijf aldaar, openbaarde zich in den +algemeenen geest eene verandering ten mijnen voordeele, men kreeg +medelijden, en bood mij een aalmoes aan. + +"Men was begonnen met mij onregtvaardig te verdenken, ik kon dus +niets van die lieden aannemen. + +"Toen leed ik honger, Uwe Excellentie, toen bracht ik meermalen, +als het mij niet gelukt was de huur van een klein inlandsch huisje +te betalen, den nacht onder den blooten hemel door. + +"Erger dan dat, ik was veracht en verstoten door eene maatschappij +die mij voor een schurk hield, want de Gouverneur had het gezegd! + +"Niemand groette mij, niemand kende mij, niemand liet zich met mij in, +want ik stond op het punt om eerloos te worden. + +"Zoo leefde ik twaalf maanden, Uwe Excellentie, als het leven heeten +mag, worstelen als het was met de dagelijksch terugkeerende grief van +armoede en schande, gemarteld door de verwachting eener criminele +regtspleging; zoo leefde ik twaalf maanden, elken dag denkende: +dit is de laatste, en mij elken dag bedrogen ziende. + +"Den 10en Augustus 1844 heb ik mij neergelegd om te sterven, van +honger te sterven, Uwe Excellentie. Ik had in drie etmalen niet +gegeten! Een Chinees, wien ik eens eene dienst bewezen had, vond mij, +en bragt mij eten. + +"Op eenen avond, toen ik te acht ure nog niet wist, waar ik den +nacht zoude doorbrengen, schreef ik eenen brief aan Z. E. den +Gouverneur-Generaal Merkus. + +"Kort daarop ontving de Civiel- en Militair-Gouverneur der Westkust +last mij naar Java te laten vertrekken." [7] + +Al het leed, al de bitterheid over zijn maatschappelijke onteering en +zijn ongelukkige liefde, al zijn hunkeren, afwisselend naar den dood of +naar het geluk of naar rehabilitatie, heeft hij in zijn tooneelstuk: +_De Eerlooze_, uitgeklaagd. Het heele stuk wordt gedragen door het +besef slechts _schijnbaar_ schuldig te zijn, innerlijk hoog verheven +te zijn boven iedere laagheid, elk bedrog. Wel erkent hij, "ikzelf +ben een zwak mensch die 't goede wil, maar menigmaal struikelde," +maar zijn geweten is zuiver: zijne bedoelingen zijn altijd zuiver +geweest. Het doorleden leed, zijn krachtig idealisme, zijn drang +zich voor zijn ideaal te geven, te offeren, heeft hij echter niet +weten om te scheppen tot een stuk met oorspronkelijke situaties en +karakters. Hij heeft eigen gemoeds- en levenservaring in de vormen +gegoten van romantische schrijvers als Kotzebue en Lafontaine. De +arme, burgerlijke muziekmeester Holm, die op zijne adellijke leerlinge +Caroline verliefd wordt, voor wie hij sentimenteele romances dicht, +Karel van Bergen, de misdadige bon-vivant van ouden adel, die door +Caroline's stiefmoeder als schoonzoon begeerd wordt, het offer dat de +edele Holm bij herhaling brengt ten einde dezen onwaardigen medeminnaar +te redden, om de schuld van zijn vader jegens dien van Karel te boeten, +en eindelijk de uitredding door een vriend van beider reeds overleden +vaders, tevens broeder van de booze stiefmoeder, die den armen Holm +in zijn eer hersteld, tot zijn zoon en erfgenaam aanneemt, en hem +de geliefde Caroline in de armen voert--dat alles zijn karakters +en situaties uit de boekenwereld van Kotzebue, Lafontaine e. d. "Al +zulke schrijverij, 't produkt van middelmatig talent, veel nabootsing +en _niet de minste studie_, is leeg. Dat is geen grijpen _ins volle +Menschenleben_, dat is grabbelen in een muffe leesbibliotheek. Dat is +geen zielkundige ontleding van wat ons de wereld te aanschouwen geeft, +dat is 'n marionetten-repetitie. Dat is geen menschteekenen, dat is +kladderij van de poppenkast. Dat is geen waarheid, dat is leugen. Wie +de wereld niet kent, en toch voorgeeft haar te kopieeren of te schetsen +is onnoozel als ik in '43, of..." Dit oordeel van den schrijver zelf +30 jaar later over zijn eersteling uitgesproken is scherp maar juist. + +De Raad van Indië was niet zoo overtuigd van de oneerlijkheid van den +geschorsten ambtenaar als Generaal Michiels: een der leden maakte de +opmerking dat "het getal ambtenaren dat onder den Gouverneur ongelukkig +is geworden, weder met één vermeerderd is." + +Dekker krijgt verlof om naar Batavia te gaan. Hij wordt op wachtgeld +gesteld vanaf 't oogenblik zijner schorsing, die hier feitelijk mede +te niet is gedaan; het tekort in zijn kas moet hij aanzuiveren en +dan zal hij voor plaatsing wederom in aanmerking komen. + +In Batavia heeft hij weer vrienden gevonden, die hem voorthelpen +en in het najaar van 1845 wordt hij weer geplaatst, doordat hij ter +beschikking van den assistent-resident van Krawang wordt gesteld. De +administratie was daar ten achteren geraakt en moest worden +bijgewerkt. Een half jaar bleef hij daar en kreeg toen een vaste +aanstelling als commies te Bagalen. Dit was beneden zijn rang. Een +vaderlijk vriend heeft hem er van teruggehouden uit verontwaardiging +hierover ontslag te nemen. Twee jaar lang ziet hij met iedere post +uit naar het bericht zijner overplaatsing, totdat hij eindelijk tot +secretaris van Menado benoemd werd. + + + + +VERLOVING EN HUWELIJKSJAREN IN INDIË + + +Kort na zijn benoeming te Krawang, in September 1845 haalt hij +voor zijn gastheer Van der Hucht, die in de Preanger een landgoed +bezat, Hollandsche meisjes te Batavia van de boot: dit waren de +drie baronesjes Van Wijnbergen. Deze meisjes waren arme weezen, +door familieleden opgevoed. De oudste, Everdine, was bij tantes te +Wageningen opgegroeid en was eenigen tijd op een kostschool geweest, +waar zij als secondante haar kost en inwoning verdiende. Dekker +bracht de meisjes naar Parkan Salak. Tot Everdine voelde hij zich +sterk aangetrokken: na enkele weken verloofden zij zich. Hare familie +was niet zeer ingenomen met het engagement; zijn carrière was niet +schitterend, hij had schulden, en zijn luchthartige wijze om over geld +te spreken, stelde hen niet gerust. Toen Everdine haar klein ouderlijk +erfdeel opvroeg om te kunnen trouwen, waarschuwde de familie haar. Zij +bleef haren verloofde trouw, ze geloofde in hem en vertrok naar een +kennis te Tjanjor, waar ze na enkele maanden trouwden. + +In de verlovingsmaanden heeft Dekker zijn gemoedsleven, zijn +levenservaringen in zijn brieven aan Everdine opengelegd. Na de +beproevingen van de laatste jaren verlangt hij naar stil huiselijk +geluk: dan eerst zal hij zijn innerlijke onrust, zijn reikhalzen +naar macht verliezen. Hij kan er naar verlangen "dat eene degelijke, +stevige werkelijkheid het vliegend, huppelend, afmattend genot zijner +onstoffelijke droomen vervangen moge." Maar toch komen telkens de +oude machtsdroomen weer boven; de onevenredigheid tusschen wil en +macht maakt hem verdrietig. Als hij een jong meisje in moeilijke +omstandigheden ontmoet, zou hij haar ridderlijk willen helpen, maar +hij weet niet hoe en compromitteert haar door zijn ridderlijkheid! "Ik +zoude geld en magt willen hebben om te helpen waar mijn gevoel mij +dwingt om te ondersteunen en te redden waar smart is."--"Ik geloof +opregt, dat het jammer is, dat ik niet hoog in de wereld sta. Ik +zoude kunnen klimmen, ja--maar de tijd, dien wij beleven is te +kort na 1790-1812. Er zullen nog jaren verloopen eer het onderste +weer boven komt. Ik had tachtig jaar vroeger of zooveel later willen +geboren zijn. En toch 2-1/2 jaar geleden had ik plannen, gewelddadige, +misschien onuitvoerbare plannen waarvan het hoofd mij duizelt. Thans +heeft zich alles opgelost in de begeerte om stil gelukkig te wezen. Ik +geloof, dat ik het verstandigste gekozen heb." + +Maar het opgaan in zijn droomen maakte hem vaak onbekwaam voor het +dagelijksche leven. Nu hij na ruim twee jaren non-actief te zijn +geweest, weer geregeld werk had gekregen, werkt hij met vlagen. Soms +voert hij halve, soms heele dagen niets uit. Dan weer is hij hard aan +het werk; als de gegevens, de bouwstoffen ontbreken, verschaft zijne +fantasie hem stof voor ambtelijke rapporten. En als zijn meisje zich +over zijn werk ongerust maakt verzekert hij haar, dat hij zal zorgen +er met eer af te komen, "voor zoover aan de Krawangsche knoeiboel +eer te behalen is. Het is nog al gelukkig dat die officieele rommel +met een half hoofd geklaard kan worden." + +Everdine werkt verzachtend, verzoenend in op de tegenstrijdigheden van +zijn karakter: gelijkmatiger gaat hij werken; hij tracht zijn lust tot +redetwisten te beheerschen. "Ik ben met ieder wel en disputeer niet, +niet alleen omdat het zoo uw bevel is maar ook omdat hier ieder mij +gelijk geeft, hetgeen zeer gemakkelijk is, maar niet amusant." Hij +biecht haar dan ook eerlijk op, dat hij zich dikwijls amuseert "door +alles juist anders te zeggen dan ik meen, ik heb nog dienzelfden +avond beweerd dat liefde zotternij was." Dit was ook een geliefde +ontspanning van Lafontaine's held, Hermann Lange! + +Dekkers opvattingen waren in die jaren al merkwaardig genoeg om +debat uit te lokken, ook zonder dat hij paradoxen opperde! In de +brieven uit den verlovingstijd begint de schrijver van de _Ideen_ +zich al af te teekenen. Zijn eigen persoon stelt hij op den voorgrond: +het was dan ook zijn bedoeling zich aan Everdine te doen kennen. En +dat doet hij met zeldzame openhartigheid. Hij wil haar de fouten +van zijn jonge leven opbiechten en haar inwijden in zijn droomen +van macht en grootheid; hij verheelt zijn innige overtuiging niet, +dat het eigenlijk heel jammer is dat hij niet zéér hoog geplaatst is, +maar tevens erkent hij, dat zijn beste daden voor een groot deel uit +ijdelheid geboren zijn. Hij is zich bewust van het tegenstrijdige +in zijn karakter, dat hij jaren later in zijn zelfportret in de _Max +Havelaar_ zoo meesterlijk zal schetsen. In zijn idealisme is hij er +vast van overtuigd in uitwendigen tegenspoed gelukkig te kunnen zijn, +armoede te kunnen verdragen, als hij maar rijk is aan liefde. Toch +bekent hij "een zwak, inconsequent schepsel (te zijn), die fraai +redeneert over de onwaarde van fortuin, en toch niet sterk genoeg +wezen zoude om zonder grieve te zien dat zijne vrouw in een katoenen +japonnetje gekleed ging als eene andere mooi getoiletteerd was!" En +zuchtend erkent hij, "dat de edele mensch onedele oogenblikken heeft!" + +Over het huwelijk, over opvoeding, over vrouwenleven spreekt hij reeds +voor dien tijd merkwaardige gedachten uit. Hij komt er tegen op dat +"sommige zaken te zeer omsluyerd" worden, want "reinheid wordt niet +bewaard door onwetendheid." + +Over het huwelijk verklaart hij zeer anti-maatschappelijke idées te +hebben. "Blijft men elkander beminnen dan is er geen band noodig. Zoo +niet dan is die band drukkend, onmenschelijk en immoreel." Over +dergelijke onderwerpen schrijft hij, "dat hij nooit uitgesproken +zoude hebben." En als hij over een boek van den Noor Bernard handelt, +schetst hij in eenige fijngevoelde, ietwat sentimenteele zijdjes het +deerniswaardig lot eener oude vrijster. + +Over godsdienstige vraagstukken rept hij maar enkele malen. Deze staan +niet in het middelpunt zijner belangstelling. Hoezeer de opvattingen +zijner jeugd zich langzamerhand reeds gewijzigd mochten hebben, is hij +geloovig gebleven. Dogmatische termen als verlossing en verzoening zijn +zinledig voor hem geworden; hij gelooft in God en onsterfelijkheid. In +Natal mag hij "Gods zorg mistrouwd hebben," die twijfelzin berouwt +hem spoedig. Hij is ervan doordrongen, dat godsdienstige waarheden +verstandelijk niet bewezen maar door het gevoel aanvaard worden: "wij +kunnen zoo oneindig meer gevoelen dan begrijpen." Waar het religieuze +louter als gevoelszaak wordt beschouwd, wordt zijn overgang tot de +Roomsche kerk begrijpelijk; hij heeft werkelijk gemeend, dat die +godsdienst _de schoonste_ was. Maar achteraf krijgt hij een tegenzin +in "dat geheel afhankelijk maken van eigen meening van het oordeel +der kerk, zegge van eenige domme, dikwijls slechte priesters." Dit +veroordeelt hij als geestelijke slavernij. + +Wezenlijke belangstelling heeft hij voor letterkunde. Niet alleen +leest hij graag, hij bestudeert met belangstelling ieder mensch, +dien hij ontmoet; hij analyseert en beschouwt "elke nieuwe kennis +als een nieuw exemplaar voor de verzameling, die ik in mijn hoofd +bewaar, als een nieuw liedje, waarvan ik de wijs wil leeren." Met +belangstelling neemt hij zijn omgeving op: door zijne fantasie kleurt +hij zijn ervaringen: reeds als kind ging er geen week voor hem om +zonder iets, dat betrekkelijk interessant was. En Everdine vindt dat +zijne ontmoetingen te Poerwakarta wel op een roman gelijken. Zijn +grootste genoegen is het, zijn ervaringen op te schrijven. Als jongen +van 15, 16 jaar hield hij een dagboek, en schreef verzen; evenzoo +in Natal. En zijne brieven aan Everdine worden ongemerkt stukjes +literatuur; herinneringen uit zijn kinderjaren, de beschrijving +zijner omgeving te Poerwakarta, zijn omgang met Cateau. Zijn stijl +wordt natuurlijker, losser, zelf vergelijkt hij ze met hutspot. Ook +overweegt hij de mogelijkheid om zich aan letterkundigen arbeid te +wijden: het is nog een verwijderd ideaal. Hij spreekt den wensch uit +dat er eens een tijd zou komen, waarin hij geen ambtsbezigheden zou +hebben en zich niet om den broode hoefde te bekommeren. Dan zou hij +menschen willen bestudeeren en schilderen. + +Deze literaire neigingen raken in de volgende jaren wat op den +achtergrond. Den gelukkigsten, evenwichtigsten tijd beleeft Douwes +Dekker in zijn tien eerste huwelijksjaren. Hartelijk en vertrouwend +en vast geloovend in zijn superioriteit heeft Everdine zich aan +hem gegeven. Door hare rust en zachtheid boeit ze hem en weet ze +hem te leiden. Rustige en arbeidzame jaren slijten ze in Bagelen, +in Menado, in Ambon. Vooral in Menado voelden zij zich gelukkig. De +resident Scherius was iemand die Dekker begreep en waardeerde en +zoo werkte deze in een ambtelijke atmosfeer, die het beste in hem +wakker riep, waardoor zijne gaven tot hun recht kwamen. Daar de +resident ongetrouwd was, waren Dekker en zijn vrouw in het gezellig +verkeer de eersten van de plaats. Het mondaine leven werd hun zelfs +te druk, zoodat Dekker even buiten Menado een klein landgoed kocht: +"drie palen afstands slechten weg scheen mij eene geschikte barrière +tusschen mijn denken en hun dansen." Niet alleen om te _denken_, ook +om zijn werk te kunnen doen had hij meer rust noodig. In Menado is +de opeenstapeling van zoowat alle bestuursfuncties nog krasser dan te +Natal. Dekker moet dan ook voortdurend op zijn qui vive zijn om de boel +recht te houden. Daar er ook toezicht op de onafhankelijke rijkjes +gehouden moest worden was de bestuurstaak verre van gemakkelijk: +"men heeft daarvan in Holland geen begrip," schrijft hij aan zijn +broeder Jan. De vertrekkende resident beveelt hem als zijn opvolger +aan, maar tevergeefs. Als de nieuwe resident 't bestuur overneemt, +ontdekte deze weer verscheidene slordigheden in zijn beheer, zoodat +hij met een f 3000 wordt belast. Enkele maanden later wordt Dekker +benoemd tot assistent-resident van Amboina. Hij vond daar een +onrustige bevolking; in de _Max Havelaar_ komt deze klacht voor: +"Ik had te kampen met oproer onder mij, met lauwheid of timiditeit +boven mij. Ergernis over het laatste heeft mij ziek gemaakt. Ik werd +er in 1852 bewusteloos ingescheept naar Europa." Ook op Ambon heeft +hij flink en hard gewerkt en in die weinige maanden bewondering gewekt +door zijn groote werkkracht en innemende eigenschappen. + +Nerveus van aanleg had zijn zenuwgestel een geduchten knak gekregen +door zijn ervaringen op Sumatra. Daarna tot rust gekomen begint deze +kwaal in Menado en vooral in Ambon weer te verergeren, zoodat een +verlof naar Europa wordt toegestaan. + + + + +VERLOF IN HOLLAND. + + +Vol illusies gaan Dekker en zijn vrouw op reis naar Holland. Zij +hadden eenige duizenden bespaard, zoodat ze met het verlofstractement +schijnbaar een onbezorgden tijd tegemoet gingen. + +Geliefde betrekkingen hadden zij niet in Holland: Dekkers ouders en +zijn oudste zuster waren overleden, eveneens zijn boezemvriend Des +Amorie van der Hoeven. Maar toch gaat zijn verlangen naar Holland uit, +hij heeft er graven te bezoeken. Hij wil zich vrij kunnen bewegen in +Holland. Hij wil er genieten. In Menado heeft hij eens geschreven: + + +"Ik wil namelijk in Holland: + +"Haring eten, één kwartier na 't inrijden van de eerste kar. Boerekool +eten, als het goed koud is. Maar er moet meer zijn, iets meer zijn +dan voor mij alleen: ik ben geen groote eter. Mijn knecht moet ieder +binnenroepen, die er uitziet als ware hem boerekool welkom. + +"Naar de kermis gaan en op mijn gemak in eene poffertjeskraam zitten, +om de jongens te zien eten die ik binnen zou roepen. + +"Alle arme kinderen in Europa, laat ik St. Nicolaas houden. Ieder +krijgt zijn naam in letterbanket "en wat daarnevens past", zooals +Tollens zegt. Ik wil mij laten kiezen voor de Tweede Kamer. + +"Den Rodolphe uithangen, min het boksen. O, die Sue, die dief! 't +Is waar, in 't schrijven is hij mij vóórgeweest, maar ook alleen in +'t schrijven. + +"Ben ik klaar met de weinige armen, die in Europa verscholen zijn +gebleven voor de Argusoogen der Christelijke liefdadigheid, dan laat +ik in Den Haag de Opera spelen voor mij alleen. Maar 't moet op de +affiches staan dat het voor mij is." + +En daarom leeft hij zuinig, om in dien verlofstijd de droomen van +zijn jonge jaren in werkelijkheid te beleven. En dan is er nog iets: +in Holland hoopt hij zekerheid te krijgen of hij voor iets in staat +is of niet. Nu lijdt hij onder gedurigen twijfel en dat beneemt hem de +kracht om door te zetten: want met _schrijven_ hoopt hij naam te maken. + +En zoo gaat hij met gespannen verwachtingen op reis: de eerste +teleurstelling baart St. Helena, waar hij, vurig vereerder van +Napoleon, Longwood bezoekt: "alles misselijke teleurstelling" schrijft +hij in zijn aanteekeningboekje en voegt er mismoedig aan toe: "Poëzie +in eeuwigdurenden strijd met proza. Die strijd is ongelijk, want +poëzie is overal kwetsbaar zelfs zonder dat proza het zoo bedoelt." + +Met Kerstmis overnachten ze te Hellevoetsluis, daarna trekken ze +naar Den Haag en Amsterdam. Een vroolijk, zorgeloos leven begint nu: +D. onthaalt weeskinderen in een buitentuin te Amsterdam op lekkers en +speelgoed, als hij daar een dag is met de kinderen zijner overleden +zuster. "De assistent-resident met verlof maakte dien dag den indruk +van een verkleeden prins uit een tooversprookje," schrijft zijn nichtje +Sietske jaren later als zij de herinneringen aan haren beroemden oom +op schrift stelt. + +D. maakt door den verloofde van Everdine's nichtje kennis met een kring +Leidsche studenten, wat aanleiding geeft tot het over en weer geven van +feestjes. Hij beleeft vermakelijke avonturen met een vriend uit Natal, +die per advertentie aan een vrouw wil komen, en schaakt een meisje om +een anderen vriend gelukkig te maken. In het belang zijner gezondheid +gaat hij een reisje naar België en Frankrijk ondernemen, maar hij +blijft hangen in Spa: hier speelt hij en verliest wat hij nog heeft. + +In 1855 reist hij weer naar een speelbank: nu naar Homburg. In +zijn brieven aan zijn vrouw beschrijft hij zijn reisavonturen: +zijn reis-amouretjes biecht hij eerlijk op, een ervan begint +met een kennismaking door middel van vrijmetselaarsteekenen in +een spoorwegcoupé (in zijn verloftijd had D. zich bij een loge +aangesloten), daarna gaan ze samen in het posthuis eten. "Zij +zag er goed uit. Ik was, in weerwil van mijn toestand, altijd +ik. Onze kniëen en handen raakten elkaar. In Duitschland is eene +romantische atmospheer... zie uwe plaatjes... enfin, in weerwil van +alle weerwillen: het was zoo." En als hij zijn avontuur nog verder +verteld heeft, raadt hij Everdine's gedachten en besluit: "Nu denk je +dat het een gemeen meisje was, nietwaar? Neen, geloof me. Dat woord +eer en deugd in den gewonen zin genomen, ik hecht daaraan als je weet +niet zoo veel." We zien hier _la nouvelle morale en action_. + +Terwijl hij zelf al op zwart zaad zit blijft hij arme zielen in nood +spontaan helpen. Een staaltje daarvan schetst hij in zijne ontmoeting +met arme muzikanten: "Ik heb uitgaande en zelfs thuiskomende nog van +mijn armoedje hulp verleend, en het was mij een bitter genoegen daarbij +als het ware tot God te zeggen: Zie, hoe ik handel. O 't is wreed!" [8] + +Nog geen jaar is hij in Holland of de geldzorgen beginnen te nijpen, +en dit is te erger, daar ze dan juist de geboorte van hun eerste +kindje verwachten. De minister geeft 3 maanden voorschot op zijn +tractement, maar telkens herhaalt zich de misère. Inplaats van in +1854 naar Indië terug te gaan tracht hij telkens uitstel te krijgen: +eerst om zijn eigen gezondheid, later om een ziekte van zijn kind. Hij +lijdt aan zwaarmoedigheid, aan "een hoogen graad van melancholie +en ongeregelde werking van hersenen en ruggemerg volgens medische +verklaring." De kwaal waarom hij in Indië verlof kreeg is in Holland +verergerd. Het geregelde ambtenaarsleven was voor zijn gestel beter, +dan een verloftijd vol spannende avonturen en nijpende zorgen. Daarbij +kwamen verschillende teleurstellingen. + +Hij had gehoopt een fortuin van dertig mille dat aan zijne vrouw zou +toekomen te bemachtigen. En in de weken van zijn omgang met Leidsche +studenten was het zijn illusie daarvan te Leiden te gaan studeeren +om doctor in de Nederlandsche Letteren te worden. Hij gaat naar zijn +vriend, den uitgever Kruseman te Haarlem, om dezen te raadplegen over +de kans om als schrijver in Holland te kunnen leven. "Mijn hoofddoel +was van hem te weten te komen of ik talent had uit het oogpunt van +een boekhandelaar. Hij begrijpt dat ik dit weten moet. De toejuiching +van een tafelvriend etc. beduidt niets, maar een boekhandelaar moet +de waarde van het talent als koopman kunnen schatten. Hij moet kunnen +weten of er door de natie geld voor gegeven zal worden, want zonder dat +loopt alles spaak. Ofschoon zijn oordeel niet decisief was, beschouw +ik toch zijn oordeel over het geheel als gunstig. Decisief kan het +antwoord niet zijn, want 1º. had hij van mij geene proeven genoeg +en 2º. is alle litterarische succes een dobbelspel vooral van een +debutant. 'De eerlooze' scheen hij wel mooi te vinden. Waarschijnlijk +zal dat stuk niet gespeeld kunnen worden omdat... er in Holland geen +goede acteurs zijn". + +Als zijne pogingen om een erfenis te bemachtigen, om als schrijver +van zijn pen te leven, om aan de speelbank het onmisbare geld te +bemachtigen--als dat alles mislukt is, neemt hij eindelijk passage +naar Indië, nadat hij weer de noodige voorschotten heeft opgenomen. + +Zoo komt hij einde 1855 in Batavia aan. Zijn verlof heeft zijn +zenuwgestel verder ondermijnd, zijn illusies zijn niet vervuld, +en hij steekt diep in de schuld! + + + + +DE DAAD VAN LEBAK. + + +In September 1855 komt Douwes Dekker met zijn gezin te Batavia +aan. Drie maanden leven zij van een klein wachtgeld, wat tot het +maken van nieuwe schulden noopt. + +In die maanden was Dekker aan het "hof" van Duymaer van Twist om zijn +origineelen, levendigen geest zeer gezien. In 't begin van 1856 wordt +hij benoemd tot assistent-resident van Lebak. + +In Lebak wordt in enkele weken de tragedie afgespeeld van zijn +aanklacht tegen den regent, van zijn terechtwijzing door zijne +superieuren en van zijn ontslag, waardoor zijn gezin in de diepste +ellende wordt gestort. Uit deze ellende weet hij één ding te redden: +den droom van zijn leven. En hierdoor worden sluimerende krachten +in hem wakker: zijn mededoogen met de arme geknevelde inlandsche +bevolking, zijn verzet tegen een maatschappelijke en staatkundige orde, +die zooiets gedoogt, zullen in hem een schrijverstalent van ongemeene +kracht wekken. + +De geschiedenis van Lebak heeft Dekker zelf in _Max Havelaar_ verhaald, +nadere gegevens gaf hij in de _Minnebrieven_. De officieele stukken +zijn juist weergegeven, maar overigens is het gebeurde door romantische +verbeelding gekleurd. Dat is aan zijn boek als kunstwerk ten goede +gekomen; ook aan de beteekenis van zijn boek doet het geen afbreuk, +want deze is gelegen in de warme sympathie, die het wekte voor den +inlander, voor Indië, niet in de historische betrouwbaarheid van de +feitelijke voorstelling. Zoo zal dit hoofdstuk, evenals het verhaal van +Dekkers wedervaren op Sumatra eenigszins afwijken van de voorstelling +in de _Max Havelaar_ door hem zelven gegeven. + +De afdeeling Lebak behoort tot de armste streken van het rijke Java: +geen cultures van suiker of koffie hebben er den inlander een bron +van inkomsten geschapen. De bevolking kan ternauwernood in haar eigen +onderhoud voorzien, want er was geen irrigatiestelsel om de rijstvelden +tot rijke oogsten te dwingen; handelsproducten werden er niet geteeld; +het lag ver van den grooten verkeersweg in een uithoek. De bevolking +is er zeer arm en fanatiek godsdienstig: ze vereert haren regent als +een heilige, zijn graf is later een bedevaartplaats geworden, ondanks +het feit, dat deze regent zijn onderdanen op de schromelijkste wijze +knevelde en liet bestelen door zijn talrijke familieleden. + +Hierdoor weken vele Lebakkers uit: zij vulden de gelederen der +opstandelingen in de Lampongsche districten, zij waren gewilde +werkkrachten op de landgoederen in vruchtbaarder streken. + +Als Douwes Dekker in zijn afdeeling komt kent hij noch de taal, +noch de adat der inlandsche bevolking; maar één ding heeft hem zeker +getroffen: de slaafsche onderworpenheid der bevolking aan hare hoofden, +een verhouding, die in de buitenbezittingen, waar D. D. jaren geweest +was, niet bekend was. + +In die inlandsche wereld bestonden veeten: en een inlandsch ambtenaar, +de Djaksa, inlandsch officier van justitie, die gebeten is op den +regent, tracht dadelijk den nieuw-aangekomen assistent-resident tegen +den regent op te zetten. Hij weet zich aangenaam te maken bij D. D.: +hij ontdekt bizondere teekens op 't hoofdje van zijn kleinen jongen, +die dezen tot een koningskind stempelen. En hij zendt klagers af op den +pasgekomene, die hem de knevelarijen van den regent vertellen. Geen +spontaan vertrouwen van inlanders, wat trouwens met het inlandsche +karakter niet zou strooken, maar wraakzucht van den eenen voornamen +inlander tegen een anderen, is de grond dezer klachten. Evenmin als +in Natal heeft D. D. de inlandsche intriges in Lebak doorzien, weer +is hij er de dupe van geworden. + +Nu waren die klachten echter meer dan gegrond en de bewijzen vond +D. D. in zijn archief. Zijn voorganger had al gegevens verzameld +over de knevelarijen van den ouden regent. In zijn archief sluit hij +zich op, om deze te bestudeeren. Hij gaat naar den regent om dezen +te bewegen aan de misbruiken een eind te maken: wel belooft de oude +Adhipatti dit. Maar al spoedig blijkt het, dat de knevelarijen niet +hebben opgehouden: de oude regent was niet rijk genoeg om zònder de +vruchten van die misbruiken zijn vorstelijken staat te voeren, zijn +talrijke familie te onderhouden, vooral niet op het oogenblik, dat hij +het dure bezoek van zijn familielid, den regent van Tjanjor verwachtte. + +Het stelen van buffels, vaak de eenige rijkdom van den inlander en +zijn bedrijfskapitaal tevens, wekte Dekkers diep gevoel van medelijden +en het vaste voornemen deze stumpers te beschermen; trouwens dit was +niet alleen zijn roeping, het was ook zijn plicht als ambtenaar. Hier +opent zich voor zijn geest een mogelijkheid om een groote daad te +volbrengen, om als weldoener der bestolen inlandsche bevolking naam te +maken. Hij voelt dat _het_ oogenblik in zijn leven gekomen is, dat het +hem _nu_ gegeven zal zijn heel de grootheid van zijn geest en gemoed +te openbaren. In deze geweldige spanning ziet hij over het hoofd, dat +zijn Westersche idealen van gerechtigheid hemelsbreed verschillen van +de opvattingen der inlanders, over rechten en plichten hunner vorsten. + +Hij ziet over het hoofd, dat het verval zijner afdeeling meer aan +economische factoren moet worden toegeschreven, dan aan de misbruiken +der inlandsche hoofden. Zijn heele wezen is geconcentreerd op het +doen ophouden der tallooze kwellingen der bevolking: buffelroof en +onbetaalde heerendiensten. + +Na een verblijf van enkele weken slechts in zijn afdeeling klaagt +hij den regent en zijn schoonzoon aan, en stelt voor deze inlandsche +vorsten naar Serang te voeren om zonder hun tegenwerking het onderzoek +te kunnen voortzetten. De beschuldiging luidt aldus: + +"Ik gevoel mij krachtens mijn ambtseed verplicht meetedeelen: + +_dat ik den Regent van_ Lebak, Radhen Adhipatti Karta Nattà Nagara, +_beschuldig_ _van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken +over den arbeid zijner onderhoorigen, en_ _verdenk_ _van knevelary, +door het vorderen van opbrengsten_ in natura, _of tegen willekeurig +vastgestelde, onvoldoende, betaling_; + +_dat ik voorts den Dhemang van_ Parang-Koedjang,--_zijn +schoonzoon_--_verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten_. + + +Om beide zaken behoorlijk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid +u voortestellen, my te gelasten: + + +1º _den regent van_ Lebak _voornoemd, met den meesten spoed naar_ +Serang _optezenden, en zorgtedragen dat hij noch voor zijn vertrek, +noch gedurende de reize in de gelegenheid zij, door omkooping of +op een andere wijze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal +moeten inwinnen_; + +2º _den Demang van_ Parang-Koedjang _voorloopig in arrest te nemen_; + +3º _gelijken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen +rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen +worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen +onderzoek_; + +4º _dat onderzoek te doen plaats hebben, en van den uitslag te dienen +van omstandig bericht_. + + +Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des +Regents van _Tjanjor_ te kontramandeeren. + +Ten-slotte heb ik de eer--ten-overvloede voor u, die de Afdeeling +Lebak beter kent dan my nog mogelyk is--de verzekering te geven +dat uit een _politiek_ oogpunt de streng rechtvaardige behandeling +dezer zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar +zou beducht zyn als ze _niet_ tot klaarheid gebracht werd. Want ik +ben geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide, +_poessing_ is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet. + +Ik heb de kracht tot den moeilyken plicht dien ik door het schryven van +dezen brief volbreng, gedeeltelijk geput uit de hoop dat my vergund +zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter verschooning +van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door eigen schuld +veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel. + +_De Adsistent-resident van Lebak_, Douwes Dekker. + + +Er was nog een oorzaak voor de spoed, waarmede deze aanklacht werd +verzonden: de mededeeling van de weduwe van zijn voorganger, dat ze +overtuigd was dat haar man vergiftigd was door den schoonzoon van den +Regent [9]. Vrees voor de veiligheid van zijn gezin heeft hem bizonder +strenge maatregelen tegen den regent doen voorstellen. Want lukte het +den regent zijn aanklagers te nopen de aanklachten in te trekken, +dan zou hijzelf een mal figuur slaan, maar wat erger was, hij zou +met machteloosheid geslagen zijn om de inlanders verder te beschermen. + +Door het gevoel van eigen onveiligheid was zijn opwinding nog +gestegen. Dan komt eerst een briefje van den resident, om hem tot +kalmte te vermanen, daarna de resident in hoogsteigen persoon. Deze +ambtenaar was een karakter juist tegengesteld aan dat van zijn +assistent-resident. Kalm, zakelijk was hij en in alle opzichten voelt +hij zich _ambtenaar_. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de daden +van zijn ondergeschikte ambtenaren, en hij duldt geen zelfstandig +optreden. Wel erkent hij de nobele gevoelens, die D. D. bezielen, maar +hij ziet ook de practische moeilijkheden om dit idealisme in daden om +te zetten. Hij is nuchter man van de praktijk; in Dekkers oogen is hij +de incarnatie van het verfoeilijke ambtenarendom. Wat hij met heel +zijn ziel verfoeit is het ambtelijk _schipperen_, met de bedoeling +in de gunst te komen te Batavia. Wat ongunstig is wordt niet gemeld +of verzacht: een gekunsteld optimisme wil de wantoestanden niet zien +of vergoelijkt ze, omdat 't altijd zoo geweest is, omdat 't elders +nog erger is! D. D. doorzag dit stelsel en wil er niet aan meedoen. + +Als de resident hem verzoekt de aanklacht in te trekken, weigert +hij. Als de resident er dan toe overgaat om de gegrondheid der gedane +klachten nader te onderzoeken en hem verzoekt de getuigen op te roepen, +opdat deze gehoord kunnen worden, weigert hij wederom, omdat hij de +arme lieden, die hem zijn vertrouwen schonken, wil sparen. + +Hij spreekt de fiere woorden uit: + +"Resident, _ik_ ben adsistent-resident van Lebak, _ik_ heb beloofd +de bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenarij, _ik_ +klaag den regent aan, en zijn schoonzoon van Parang-Koedjang, _ik_ +zal de gegrondheid mijner aanklacht bewijzen zoodra me daartoe de +gelegenheid wordt gegeven die ik voorstelde in mijn brieven, _ik_ +ben schuldig aan laster, als mijn aanklacht valsch is!" + +De resident tracht tevergeefs hem van zijn verkeerde grondbeginselen +af te brengen en zei dat hij zich genoodzaakt voelde de brieven onder +de aandacht der regeering te brengen. + +Een maand lang wacht Dekker in uiterste spanning het antwoord van +den Gouverneur-Generaal af. + +De Raad van Indië is niet te spreken over een ambtenaar, die alle +ambtelijke vormen overboord gooit. Zoowel de resident, als de Raad +van Indië, als de Gouverneur-Generaal zijn overtuigd van zijn goede +bedoelingen, van zijn edele aandrift. De resident is er verre van de +grieven tegen den regent vooruit als onmogelijk te verwerpen. + +De Raad van Indië vindt het echter onduldbaar, "dat het gezag van +de hoofden van inlandsch en gewestelijk bestuur door het eigenzinnig +opvolgen van dusdanige, zelfs edele aandrift worde in gevaar gebracht +ten nadeele van het algemeen." Dit college wil hem ongeschikt voor den +dienst verklaren, maar Duymaer van Twist redt hem met de overweging +dat om zijn goede bedoelingen, zijn onvoorzichtige handelingen voor +een verschoonende beoordeeling vatbaar zijn en wil trachten hem voor +'t binnenlandsch bestuur te behouden. + +Het vertrouwen van D. D. op dezen Gouverneur-Generaal bleek dus +niet misplaatst; hij was een man, die al getoond had er niet tegen +op te zien hoofden en regenten te ontslaan, die zich aan knevelarij +schuldig maken. + +Maar de regeering heeft ook rekening te houden met de gevoelens der +inlandsche bevolking: de knevelende regent van Lebak, werd als Heilige +vereerd door zijn mishandelde onderdanen. Maar D. D. heeft dit niet +ingezien, hij werd door den Djaksa, den vijand van den Adhipatti, op +een dwaalspoor geleid en geloofde vast, dat de bevolking op uitbarsten +stond: westersche vrijheidsidealen, past hij toe op een oostersche +bevolking: een tragisch misverstand! De overtuiging dat de bevolking +zou opstaan vergrootte weer de spanning, waarmede hij het antwoord +van den Gouverneur-Generaal afwachtte. + +Als dat antwoord komt is het een terechtwijzing: de Gouverneur-Generaal +mist in hem "bezadigd overleg, beleid en voorzichtigheid", hij +mist ook "begrippen van ondergeschiktheid aan zijnen onmiddellijken +superieur". Vooral het feit, dat hij geen bewijzen heeft overgelegd +en aan den resident volle opening van zaken geweigerd heeft, wordt +streng gelaakt. Om deze redenen wordt D. D. ontlast van zijn functie +te Lebak en voorloopig overgeplaatst naar Ngawi: daar zal het van +zijn verdere handelingen afhangen of hij bij het binnenlandsch bestuur +geplaatst zal kunnen blijven. Maar in het officiëele stuk geen woord +van waardeering voor zijne edele gevoelens en goede bedoelingen! + +Dit koele ambtelijke oordeel over een zaak, die voor hem in de eerste +plaats gemoedszaak was, heeft hem smartelijk getroffen, heeft hem +tot het uiterste geprikkeld. Zijn eigenliefde, zijn ijdelheid waren +gekwetst: 't is hem onmogelijk op proef te dienen alsof hij zich +slecht gedragen had. Zijn overijling--hij was nauwelijks een maand +te Lebak toen de aanklacht verzonden werd--zijn negeeren van den +ambtelijken weg, erkent hij niet als fouten; integendeel hij ziet +nu duidelijker dan ooit, dat, wil hij zijn levenstaak volbrengen, +hij geen _ambtenaar_ kan blijven: "En eindelijk ik zie in dat ik om +een eind te maken aan al dat geknoei, geen ambtenaar moet wezen. Als +ambtenaar staan er tusschen de Regeering en mij te veel personen die +belang hebben bij 't loochenen der ellende van de bevolking". + +Maar hij blijft gelooven in den Gouverneur-Generaal, hèm wil hij +spreken, "om nog tijdig voor dat arme volk iets te verrichten." Want +Duymaer van Twist stond op het punt te vertrekken, en van zijn opvolger +weet hij dat er niets te wachten valt. + +Onmiddellijk vraagt Dekker eervol ontslag uit 's lands dienst en +vertrekt naar Batavia. Door ziekte en drukte van zijn aanstaand vertrek +heeft Duymaer van Twist geen audiëntie meer verleend aan den eervol +ontslagen assistent-resident, ondanks een zeer dringenden brief, dien +Dekker hem nog den avond voor zijn vertrek deed toekomen: een klacht, +dat Z. E. geen "tijd heeft kunnen vinden _om recht te doen_! + +Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den bedelstaf +gebracht... + +Maar Uwe Excellentie heeft _gesanktioneerd_: HET STELSEL VAN MISBRUIK +VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT, +en daarover klaag ik. + +Dat schreit ten hemel! + +Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dùs ontvangen +indisch traktement, Excellentie! + +Nog éénmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy +het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de +zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid, +die tevens de zaak is van welbegrepen politiek. + +Als Uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van +hier te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by +de overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige, +bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen +wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten +ten-opzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking." + +In dezen brief vinden we _twee_ dingen aangeroerd: het lot van eigen +gezin èn het stelsel, waaronder de inlander gebukt gaat: maar het +tweede is voor D. D. _hoofdzaak_. Dat _stelsel_ omver te werpen zal +voortaan zijn levensdoel zijn en hij weet: als ambtenaar van het +geldende régime kan hij niets bereiken. + +Zoo heeft Eduard Douwes Dekker in de weken in Lebak doorgebracht zijn +levenstaak gevonden; en als we zijn Indische jaren overzien, dan valt +het op, dat hij zich telkens de vraag stelde: welke grootsche taak +is voor mij weggelegd, maar ook, dat hij in den inlander steeds _den +mensch_ heeft geëerd. In Natal waren inlandsche hoofden zijne vrienden, +hij komt op voor de hongerende arbeiders in de pepertuinen en geeft den +raad hun werklust aan te wakkeren, door een meer "lachend verschiet" +voor ze te openen. + +Toch ging in Menado zijn hart er naar uit: de armen van Europa +wel te doen, alle arme kinderen in Europa St. Nicolaas te doen +houden. Daarvoor had hij toen duizenden, neen millioenen noodig. Aan +arme, laat staan geknevelde en mishandelde oosterlingen dacht hij +niet, al _wist_ hij, dat ze er waren. Telkens opnieuw hoopt hij als +_schrijver_ naam te maken; ook bij zijn komst te Lebak maakt hij +plannen om geregeld zijn denkbeelden op papier te ontwikkelen en +Tine meende, dat dat eens gedrukt zou worden en dan zou men zien, +wie haar man was! + +Maar nu is dit alles verdrongen door het alles overheerschende, +in enkele weken hem bewust geworden doel: het regeeringsstelsel van +Insulinde ten bate van den Inlander om te zetten. + + + + +DE MAX HAVELAAR. + + +Tusschen de daad van Lebak en het verschijnen van _Max Havelaar_ +liggen vier jaren, jaren, waarin D. D. met zorgen en gebrek +geworsteld heeft. Alle moeite om een werkkring op Java te vinden +waren vergeefs. In zijn _Ideën_ vertelt hij hierover het volgende: +"Het lag in de rede dat ik pogingen aanwendde om in afwachting van +'t herstel mijner verbroken carrière in 't leven te blijven. Terstond +alzoo meldde ik mij overal aan om werk, zonder iets te gering te +achten. Ik concurreerde met jonge lieden, met kinderen, met baren, +overal werd ik afgewezen. Men kan toch een op verzoek ontslagen +Adsistent-Resident niet aan klerks werk zetten. Bovendien ik was +te knap. + +Ik geloof dat weinigen zoo bittere vruchten oogsten van hun +onbekwaamheid, als mij m'n knapte heeft opgebracht." + +Ook zijn pogingen om een rijstpelmolen te huren mislukken. Zijn +brieven aan Tine worden somber en mistroostig. Het blijkt, dat de +familie van zijn vrouw hem tegenwerkt: zijn schulden zijn een welkom +wapen, vooral de schuld aan een paar tantes, die D. D. jarenlang met +belangrijke bedragen gesteund had, en van wie hij in zijn verloftijd +geld geleend had. + +Zijn broeder Jan stelt hem ten slotte na een jaar vruchteloos zoeken +in staat naar Holland te reizen om daar te trachten weer in den zadel +te komen. + +Om de vele schulden in Holland tijdens zijn verloftijd gemaakt +durft hij daar niet terug te keeren. Zoo reist hij langzaam: blijft +eenigen tijd te Marseille, in Duitschland onderweg beleeft hij tal van +avonturen: soms is hij slechts toeschouwer, maar vaak ook treedt hij +op als redder. In zijn later werk vinden we talrijke herinneringen +aan deze periode, o. a. de geschiedenissen van Adèle Pluribus en +de Sainte Vierge. Hij beleeft veel en hij schrijft. Indië laat hem +niet los: in Kassel sluit hij een innige vriendschap met Ottilie, +voor wie hij _Saidjah's lied_ in het Maleisch, en het Duitsche vers: +_Mein Kind da schlägt die neunte Stunde_ dicht. Later schrijft Ottilie +hem, hoeveel stukken in _Max Havelaar_ ze herkend heeft. + +In het najaar van 1857 komt hij te Brussel aan. Daar leefde hij in +een kleine herberg, waar zijn broeder bij zijn terugkomst uit Indië +een maandenlangen achterstand voor hem aanzuiverde. + +Daar schrijft hij in het begin van 1858 zijn langen brief aan +Duymaer van Twist, een brief, dien hij pas na de verschijning van +_Max Havelaar_ in 1860 heeft uitgegeven. In dezen brief schetst hij +uitvoerig de gebeurtenissen die tot het aanklagen van den regent +en tot zijn ontslag nemen hebben geleid: hij richt zich tot Van +Twist als mensch tot mensch, legt hem de nood van zijn gezin bloot, +deelt hem mede, dat 't hem nog niet gelukt is een ander middel van +bestaan te vinden, zoodat "de schipbreuk van m'n leven totaal is. Ik +ben armer dan de armste daglooner. Het papier waarop ik schrijf +is geborgd. Meermalen heb ik geen plaats om het hoofd ter ruste +te leggen. Mijn vrouw en kinderen heb ik moeten opdragen aan het +medelijden mijns broeders." Hij vertrouwt op Van Twist als eerlijk +man, hij moge geen Gouverneur-generaal meer zijn, hij herinnert hem +er aan dat het geweten niet afhankelijk is van verplaatsing of ontslag. + +Hij eindigt zijn brief met het verzoek zijn stuk met bijdragen +(hierbij zijn stukken, die hij geweigerd had aan den resident van +Bantam over te leggen) aandachtig te lezen, om hem naar aanleiding +daarvan te steunen in zijn pogingen om _op de meest eervolle_ wijze +weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst. En hij +besloot den brief met de fiere woorden: "Maar, Excellentie, anders +dienen dan ik diende te Lebak, kan ik niet." + +Op dezen brief kwam geen antwoord. + +In het voorjaar van 1858 komt Tine met de twee kinderen in Europa: +een paar maanden na Dekkers vertrek uit Indië was Nonnie geboren. Zij +ontmoeten elkaar in Luik, maar het wordt een kommervol samenzijn. Ten +einde raad aanvaardt Tine met de kinderen van uit Antwerpen de reis +naar Den Haag, naar hare zuster, zonder een cent op zak. Een herbergier +in Rotterdam, dien haar man uit zijn verloftijd kende, schiet haar 't +geld voor om de boot vanaf Antwerpen te kunnen betalen, haar zuster +scheept haar af met een maal eten en f 20, waarvoor ze kan reizen +naar haar zwager Jan, die te Brummen een buiten had betrokken. Daar +vindt ze voorloopig een thuis. Het rampzalige leven vol armoede en +onzekerheid is ook voor háár begonnen; voor haar was dit nog moeilijker +dan voor haar man, omdat op haar de zorg voor de twee jonge kinderen +rustte. Maar alle ontberingen en zorgen en het ontzenuwende wachten +op het slagen van zijn pogingen, heeft ze met heldhaftig vertrouwen +op zijn goed recht, op zijn genialiteit gedragen. In de eerste jaren +van Dekkers literair succes, als uitzicht op herstel zijner carrière +telkens wordt gewekt om weer te worden teleurgesteld, worden beider +financieele zorgen verlicht door de hoop, dat weldra recht gedaan +zal worden, zoodat ze hun schulden betalen en onbezorgd zullen +kunnen leven. + +Van het vertrek van Lebak af heeft Tine een vast vertrouwen gehad in +de groote begaafdheid van haar man. Eéns vertrouwde zij, zou hij zich +uiten, zou openbaar worden _wie_ haar man is. + +Maar de familie deelt dit geloof niet: hare zuster dwingt haar tot +het schrijven van een brief, waarin ze verklaart zich van hem af te +scheuren en dat ze als vreemde menschen ieder hun weg moeten gaan. En +haar zwager Jan juicht het plan toe, dat zij in Indië zal trachten +zich een positie te scheppen. Dekker trekt weer naar Brussel, diep +terneergeslagen door hare brieven: in een herberg, waar hij een jaar +tevoren had gewoond en zich goede vrienden had gemaakt wordt hij met +open armen ontvangen. Om geld wordt hij er niet lastig gevallen. Hij +koopt een lampje om 's avonds te schrijven: vele brieven schrijft +hij er aan Tine, en dan neemt hij zijne schrijverij weer op. _De +Eerlooze_ wordt overgewerkt: hij hoopt een contract om stukken te +leveren als het slaagt. Daar hij later misschien weer in betrekking +zou kunnen komen, wil hij zijn naam niet op de affiches hebben en +hij noemt zich _Multatuli_. Het stuk moet dien naam bekend maken, +want hij wil zich een kring scheppen, die zijn partij zal opnemen in +de kwestie van Lebak. + +Dit plan neemt einde September vaster vormen aan. Hij zal een boek +maken en dat boek moet er hem bovenop helpen: hij "zal de lezers +aangrijpen, zooals ze nooit aangegrepen zijn." Het is in den vorm van +een vertelling, een roman, schrijft hij aan Tine, maar de regeering +"zal het moeten opvatten als een beroep aan het Nederlandsche volk +tegen alle de beroerdheden van het bestuur." + +Van den beginne af is zijn bedoeling tweeledig: zichzelf er boven op +helpen en tevens opkomen voor het recht van den inlander. Dit was ook +de grondtoon van zijn brief van 1858 aan den Gouverneur-Generaal in +ruste, het zal de grondtoon blijven van _Minnebrieven_ en _Ideën_. Hij +vereenzelvigt zich met den inlander; door zijn principieele ontslagname +heeft hij _zijn_ zaak en die van den inlander onverbrekelijk verbonden: +te "strijden voor die arme verdrukten (heeft hij zich) voor roeping +gekozen." + +Binnen een maand is het boek af: wel bekroop hem dikwijls twijfel +aan de waarde van zijn werk, maar tenslotte houdt de vreugde in zijn +werk de overhand. Juichend schrijft hij 13 October 1859, dat zijn +boek af is! + +D. D. heeft een goeden kijk op zijn boek gehad: inderdaad maakte het +hem in enkele maanden tot een beroemd man. Het viel niet alleen buiten +alle in Holland beoefende genres, ook de strekking was nieuw. Tendens +romans waren ook in ons land tot vervelens toe geschreven; nooit +echter was uit verontwaardiging en geestdrift een kunstwerk geboren +van zoo zuiver gehalte als de _Max Havelaar_. Het houdt in geen +enkel opzicht verband met de Hollandsche letterkunde van den dag; +het beteekent een nieuw tijdperk in onze letteren. Geen wonder. Waar +de schrijver zich geestelijk buiten Hollandsche invloeden om had +gevormd en bij voorkeur genoot van de groote geesten der Europeesche +Romantiek. Geen slaafsch navolger werd hij van Rousseau noch van Heine, +van Scott noch van Victor Hugo. Het typisch Hollandsche leefde ook +in hem: de geest van Wolff en Deken is verwant met den zijne. Maar +hij had in Indië ruimer leeren voelen en denken, dan in het Holland +dier dagen gewoonte was. Zijn scherpe satire, zijn fonkelende humor, +zijn gloeiende verontwaardiging klonken als ongekende klanken in de +aan bezadigder uitingen gewende Hollandsche ooren. Koloniale kwesties +waren nog nooit tot het terrein der letteren doorgedrongen. En nu +deed dit meesleepende boek alle Hollandsche harten opeens opengaan +voor de arme Javaansche bevolking. + +_Max Havelaar_, evenals alle werken van Multatuli, is een boek +van scherpe tegenstellingen: met meesterlijken humor weet hij +deze tegenover elkaar te stellen, zoodat de eigenaardigheden van +beide kanten elkander scherp belichten. In het eerste hoofdstuk al +Droogstoppel en Sjaalman. Het heele boek is gebouwd op de tegenstelling +tusschen den nuchteren zakenman, voor wie Indië met zijn cultures +louter een complex geldelijke belangen vertegenwoordigt, en den +mensch, Max Havelaar, die in de bevolking van Insulinde menschen en +broeders heeft gevonden, die onder bitter onrecht gebukt gaan en die +hij helpen wil. + +Batavus Droogstoppel is het kostelijk type van den nuchteren Hollander, +voor wie niets bestaat buiten zijn zakenwereld en geldmaken, dan een +stel conventioneele begrippen over fatsoen, moraal, godsdienst en +politiek. Door zijn nuchterheid is hij ongevoelig voor geestelijk +en artistiek genot, maar ook het onechte en opgeschroefde van +sentimenteele romans en verzen, van rhetorische vaderlandsliefde +bespeurt hij onmiddellijk: zoo kan zijn kritiek soms goed raak +zijn. Hij waardeert zijn medemensch naar zijn materieel succes in de +wereld: geestelijke rijkdom kan hij niet waardeeren. Als hij zijn ouden +schoolmakker Sjaalman ontmoet, heeft hij spijt over de hernieuwde +kennismaking als hij diens kale kleeren te laat opmerkt. Zijn +ouden rijken schoolmakker vraagt Sjaalman om hulp voor het uitgeven +van een boekdeeltje: makelaar in verzen, zucht Droogstoppel. Hulp +hierbij komt opdagen in den persoon van een Duitsch volontair op +zijn kantoor: Ludwig Stern. Deze is romantisch en sentimenteel; hij +brengt Droogstoppels dochter 't hoofd op hol met verzen van Heine, +waarvan Droogstoppel een vermakelijke analyse zal leveren. Stern zal +een boek samenstellen uit de gegevens van Sjaalman's pak en om de +soliditeit te verhoogen lascht Droogstoppel af en toe een hoofdstuk in. + +De tegenstelling Sjaalman--Droogstoppel beheerscht zoodoende het +heele boek: de tegenstelling Hollandsche rijkdom--Javaansche ellende +wordt steeds scherper belicht. De schuld hiervoor treft de regeering, +die het uitzuigen der inlandsche bevolking door inlandsche grooten +en Hollandsche ambtenaren en industriëelen duldt. Het optreden van +Havelaar is een doorloopende aanklacht tegen het koloniaal bewind. De +voorschriften, de reglementen zijn voortreffelijk, maar de toepassing +bederft alles. Tegen den ambtelijken leugen komt Havelaar op. Hij +brengt de tegenstelling aan het licht tusschen theorie en praktijk +in koloniaal bewind, tusschen den _ambtenaar_ en den _mensch_: en +hij is het slachtoffer, de martelaar zijner overtuiging. + +De geschiedenis van Havelaars ambtenaarsloopbaan en van 't gebeurde +te Lebak wordt meegedeeld door Stern, een bewonderaar van Heine: +niet de nuchtere, kritische Droogstoppel, maar de romantische Stern +verhaalt de gebeurtenissen. + +Dit is een bekentenis, zij het dan een ongewilde: Havelaars carrière +is die van D. D., maar romantisch getint wat de bizonderheden aangaat: +het ravijn achter Havelaars erf bestaat niet, de toespraak tot de +hoofden van Lebak is nooit gehouden, de verre nachtelijke tochten +heeft D. D. niet ondernomen. Daar hij in die streek onbekend was met +de wegen, zoowel als met de taal, terwijl hij zich buitengewoon slecht +kon oriënteeren, is dat een onmogelijkheid. + +Bovendien, zoo hij werkelijk zoo'n tocht had gemaakt, alléén in den +tropischen nacht, dan zou de beschrijving er van zeker niet ontbroken +hebben in Sjaalman's pak! Zijn voorganger echter maakte wel zulke +excursies: het was een volkomen geoorloofde dichterlijke vrijheid, +om ze op Havelaars rekening te stellen. + +Slijmering is niet het portret van Brest van Kempen, den resident van +Bantam: Slijmering is geworden tot het type van den door D. D. gehaten +_ambtenaar_, ook is Dekkers voorganger niet vergiftigd, al was +hij zelf vast overtuigd van het tegendeel. En zelf erkent onze +schrijver, dat Saïdjah geen historische persoon is, dat hij die +inlandersliefde sterk idealiseerde. Deze idylle berust niet op diep +meeleven met den inlander, het is "literatuur": deze aandoenlijke +geschiedenis van de verstoorde liefde van twee reine jonge kinderen +in de tropen behoort tot de sfeer van _Paul et Virginie_. Zoo dicht +de van conventie afkeerig geworden Europeaan zijn liefdesverlangen +om tot de geschiedenis van _natuurmenschen_. Saïdjah's lied onder +den ketapan heeft D. D. gedicht onder den indruk van zijn romantische +liefde voor Ottilie te Cassel, niet in de tropen! Maar al blijkt het +uit allerlei gegevens, dat _Max Havelaar_ nauw samenhangt met de +Europeesche literatuur, dat allerlei episodes verdicht zijn, toch +tast dit in geenen deele de strekking van het boek aan. Hiertegen +waarschuwt de schr. in deze woorden: + +"En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saïdjah_ en zyn liefde +heb geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer +weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen +tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die +men 'inlanders' noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zulke +bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van mijn boek, +geeft mij een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, 'het kwaad +dat gij bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_ +de inlander niet is als uw _Saïdjah_... er ligt in de mishandeling +der Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen +_Saïdjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen +niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus...' + +"Neen, Minister van Koloniën, neen, Gouverneur-generaal in ruste, +niet dàt hebt gij te bewijzen! dat de bevolking niet mishandeld +wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saïdjahs_ onder de bevolking +zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van lieden die +_niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die _niet_ +sentimenteel zijn?" + +Havelaar komt in Lebak met het vaste voornemen met de ambtelijke sleur +te breken en zijn ideaal van rechtvaardig bestuur door te voeren; +hij zal de redder zijn van de geknevelde inlanders, die zich aan +hem toevertrouwen. En als hij genoodzaakt is zijn ontslag te nemen, +dringen de stumperds zich om hem heen, met moeite beweegt hij ze rustig +naar hun dessa's terug te keeren, al zijn welsprekendheid is noodig +om oproer te voorkomen... Ook dit is fictie, al meende D. D. vast +en zeker dat het werkelijkheid was; nooit heeft hij begrepen, dat +hij het tragisch slachtoffer van de veete tusschen regent en djaksa +geworden is. Hij _voelde_ in zich den drang den inlander te bevrijden, +en hij meende, dat deze dat besefte, hem daarom aanhing en vertrouwde; +zijn idealisme, zijn ijdelheid waren hierdoor gestreeld. Ook deze +menschelijke zwakheden hebben meegedaan, maar wie deze alléén wil +laten gelden, doet èn aan het boek en aan den persoon van D. D. groot +onrecht. Menschelijke daden moeten als een mengeling van het groote +èn kleine begrepen worden. Dekker heeft zich de beschermer der +bevolking _gevoeld_; dat is de realiteit, waardoor de daad zijner +ontslagname gedragen wordt. De inlanders hebben hier niets van beseft, +'t is totaal aan hen voorbijgegaan. D. D. is in Lebak vergeten, +maar de regent wordt er als een heilige vereerd. En desondanks, +omdat zijn gevoel zuiver en zijn verontwaardiging echt waren, is zijn +aanklacht verstaan en tot hart en geweten van het Nederlandsche volk +doorgedrongen, zuivere menschenliefde overstraalt alle menschelijke +zwakheden, en stempelt de daad van Lebak tot iets groots. + +Het machtig idealisme van Havelaar is boven de tegenstelling +van Hollandsche geldzucht en inlanderslijden uit; hij ziet de +verzoening. Maar dan moet Holland zich herzien: 't enghartig fatsoen, +het conventioneele geloof moeten tot menschelijker opvattingen worden +vernieuwd. De uitbuiting van mensch door mensch, van volk door volk, +moet plaats maken voor het besef van recht en rechtvaardigheid, door +de Fransche revolutie in Europa gewekt; de uitbuiting zal verdwijnen +wanneer de verteedering des harten en de verbroedering aller menschen +door Rousseau en de romantici gepredikt, ook het Hollandsche volk in de +ziel zullen grijpen. Deze wereldbeschouwing heeft Havelaar in praktijk +gebracht: hij is in Indië gestuit op de ambtelijke sleur, in Holland +op droogstoppelig eigenbelang, op conventioneele levensbeschouwing. + +D. D. de eervol ontslagen ambtenaar, heeft geen succes gehad, toen +hij zijn zaak bracht voor het Nederlandsche volk, maar _Max Havelaar_ +heeft het op den duur gewonnen. Dit gloedvol geschreven boek opent +niet alleen een nieuw tijdperk in onze letteren, maar ook in onze +koloniale geschiedenis. + +In de zaak van Lebak is recht gedaan, al is 't dan niet gebeurd op +de eclatante wijze, als D. D. gewenscht had. Eenige mindere hoofden, +w.o. de dief van Saïdjah's buffel, werden afgezet en de regent kreeg +een scherpe vermaning: de man was _te_ gezien bij de bevolking, +dan dat de regeering hem krasser dorst aanpakken! + + +"Het zal als een donderslag in het land vallen," voorspelt hij aan +Tine. En hij draagt het op aan zijne trouwe lieve Tine met enkele +ontroerende Fransche zinnen, over het zware lot van de vrouw van +een dichter. + +Onder het overschrijven, op een onverwarmd kamertje in October-en +Novemberkou, krijgt hij hoe langer hoe meer pleizier in zijn boek: +"'t is een geheel nieuw genre, dat op niets lijkt,--'t lijkt: op mijn +toasten. Humor, gevoel, scherpte, alles dooreen, men weet niet of men +lachen of schreien moet." Zijn tooneelstuk vindt hij heel kinderachtig, +maar door het boek zal hij in drie maanden de held van den dag zijn. + +In schrijven krijgt hij pleizier: hij hoopt van letterkunde te +kunnen leven! + +Door bemiddeling van een broeder van het rozekruis, een tak van de +orde der Vrijmetselaars, kwam het manuscript in handen van Jacob van +Lennep, den toen zoo populairen romanschrijver. Als hij het gelezen +heeft is hij vol geestdrift over _Max Havelaar_. Door zijn broeder Jan +wordt D. D. in staat gesteld in Holland te komen om over de uitgave te +onderhandelen. Hij is in tweestrijd welken kant uit te gaan: in Holland +schrijver te worden, of een betrekking in Indië te aanvaarden. Maar +dan wil hij minstens resident worden en de Ned. Leeuw krijgen! Zijn +hart gaat uit naar het auteurschap--hij heeft wel honderd boeken +in zijn hoofd, zijn schulden wijzen hem naar Indië! Maar dit zijn +voorloopig nog vage toekomstverwachtingen. + +Van Lennep vindt het boek "bliksems mooi", maar ook zéér +gevaarlijk. Hij wil trachten de uitgave te voorkomen. En D. D. blijkt +hiertoe te vinden, mits hij weer benoemd wordt, zoodat zijn benoeming +een rehabilitatie is: ze moet een politieke beteekenis hebben. + +Al zijn invloed van conservatief kamerlid wendt Van Lennep bij +den minister aan om D. D. een betrekking te bezorgen ten einde het +verschijnen van het opzienbarende boek te voorkomen. Hij gebruikt zelfs +dit boek, om het ministerie te dwarsboomen met zijn spoorwegplannen, +die voor Amsterdam niet voordeelig zijn. Door de politieke besprekingen +en het enthousiasme van Van Lennep, begon Dekker hooger eischen te +stellen: niet resident, neen Raad van Indië wil hij worden: en Van +Lennep ondersteunt zijdelings ook dezen eisch bij den minister. Meer +dan een eervolle, onafhankelijke en winstgevende betrekking in +West-Indië wil de minister echter niet aanbieden en dit wijst +D. D. hooghartig van de hand. + +Door de politieke actie van Van Lennep gesterkt, meent hij iets beters +te kunnen krijgen, als zijn boek verschijnt. De minister is minder +bang hiervoor, dan Van Lennep, die het veiliger vindt, dat D. D. in +Indië handelt, dan in Holland spreekt. + +Rochussen zinspeelt echter op diens minder goede reputatie, maar +Van Lennep weerlegt flink al deze lasterpraatjes: het is hem bekend, +dat zijn broeder hem steunt, hij heeft de aandoenlijkste bewijzen, +dat zijn vrouw hem innig aanhangt, en de tantes, aan wie hij geld +schuldig is, had hij te voren mildelijk geld gegeven. Er blijft dus +niets over van de verhalen, dat hij tantes oplicht en dat zijn vrouw +van hem wil scheiden; het eenige, wat men tegen hem kan inbrengen is +zijn excentriciteit en zijn schulden. Van Lennep was zeer onder de +bekoring van D. D.'s boek en persoonlijkheid, maar dit verhinderde +niet, dat hij als behoudend, aristocratisch Hollander het gevaar, +dat hij van een openlijk optreden duchtte, wilde neutraliseeren. Wel +wil hij de regeering inlichten en aansporen om recht te doen, maar van +volksopwinding is hij afkeerig. Als de minister niet geneigd is een +post in Oost-Indië aan te bieden zal de _Max Havelaar_ gedrukt worden. + +Als de gevreesde spoorwegwet is afgestemd, heeft Van Lennep het boek +niet meer noodig als politiek wapen. Hij vreest voor de uitwerking van +dit geestelijk buskruitvat en hij doet wat hij kan om de uitwerking +te verzachten. Hij stelt D. D. door een ruim voorschot in staat zich +met zijn gezin in Brussel te vestigen en zorgt zelf voor de uitgave. + +In Mei 1860 verschijnt _Max Havelaar_ en maakt een buitengewonen +opgang. De schitterende litteraire vorm wekt bewondering--de +geschiedenis der mishandelde inlanders ontroering.--D. D. reist naar +Holland. Uitgevers, journalisten, politici verdringen zich om hem. En +hij merkt spoedig, dat aan de uitgave te weinig publiciteit wordt +gegeven, dat de prijs te hoog is, dat er veel te weinig exemplaren +naar Indië worden gestuurd. Voor zijn _zaak_ acht hij een volksuitgave +dringend noodig, maar hiervoor is Van Lennep niet te vinden en nu +blijkt het hem, dat Van Lennep zich als eigenaar van zijn boek +beschouwt. Op handige wijze had deze aan den niets vermoedenden +schrijver een briefje weten te ontlokken met de verklaring dat +hij "het kopyregt over _Max Havelaar_ aan Mr. J. van Lennep had +afgestaan." D. had alleen _bedoeld_ zijn weldoener in staat te +stellen met een uitgever te accordeeren, maar Van Lennep meende aan +de rust van het land verplicht te zijn op grond van het briefje in +vol vertrouwen geschreven _zijn_ eigendomsrecht op D. D.'s boek te +handhaven, tot zelfs voor het gerecht toe, en D. D. te verhinderen +een volksuitgave het licht te doen zien. Deze eigengerechtigde +handelwijze kwam voort uit vrees voor onrust, voor volksbewegingen: +zeer merkwaardig is het, dat Van Lennep dezelfde volksuitingen vreesde, +die D. D. hoopvol verwachtte van zijn boek. Van het eerste oogenblik +af heeft Van Lennep D. D. als "een gevaar" beschouwd, dat hij zal +trachten te neutraliseeren. Onder zijn enthousiasme verborg hij een +dubbelhartigheid die hem tot de onverdedigbare daad heeft verleid, +zich tusschen een auteur en zijn werk te plaatsen. De tegenwerking +van den man, in wien hij zijn eersten helper had meenen te vinden +heeft D. D. diep gegriefd en bitter gestemd. + +Als de regeering laks blijkt, is juist al zijn hoop op een +volksbeweging gevestigd: en in het algemeen enthousiasme meende hij +het begin daarvan te beleven. Van Lennep's tegenwerking heeft deze +illusies vernietigd en een verbittering in zijn gemoed gewekt, die +zijn verder leven vergiftigd heeft. Uit zijn houding tegenover Van +Lennep blijkt zijn onevenwichtigheid: eerst weigert hij hooghartig +geld voor _Max Havelaar_ in ontvangst te nemen, maar gebogen door +geldgebrek, vraagt hij enkele jaren later om die som: "Mijne vrouw en +kinderen lijden gebrek!" En Van Lennep is dadelijk hiertoe bereid, +mits D. D. openlijk de beschuldiging terugtrekt, als zou hij, Van +Lennep, op zijn boek hebben gespeculeerd. En hij doet het en dankt +Van Lennep nog voor den innemenden toon van zijn brief... Op meer +dan gerechtvaardigde verontwaardiging volgde een onware en daarom +onwaardige beschuldiging in de _Ideën_, in _Over Vrijen arbeid_, en +daarop dit haast onderworpen-vriendelijke briefje. Wel is D. D. een +vat vol tegenstrijdigheden. + +Zijn zenuwgestel is door deze geschiedenis zeer geschokt: eerst de +afwachting, daarna de opwinding over het succes van zijn boek en toen +de woedende verontwaardiging over den afloop van het proces over 't +auteursrecht, hebben zijn zenuwen tot het uiterste gespannen. Daarbij +komt, dat hij de rust zijner huiselijke omgeving mist, daar hij +steeds meer een zwervend leven gaat leiden. Het geregeld verblijf in +hotels en koffiehuizen en het impulsieve weldoen verslinden bovendien +veel geld, zoodat geldzorgen, ook in tijden, dat hij met schrijven +verdient, aan de orde van den dag blijven. Met korte tusschenpoozen +van enkele maanden, soms slechts van enkele weken, leeft hij van +Tine gescheiden. In den verloftijd en later op de langzame terugreis +uit Indië ontwikkelt zich bij hem een onweerstaanbare drang tot +het bohême-leven. Vast werk heeft hij niet; de pogingen tot herstel +zijner carrière, de besprekingen voor de uitgave zijner werken en de +propaganda zijner denkbeelden houden hem telkens vast in Holland. Door +geldgebrek, spanning en teleurstelling wordt herhaaldelijk zijn +stemming om te schrijven gebroken. + +Tine blijft in Brussel, daar kan ze goedkooper leven, daar verbergt +ze liever haar armoede. Maar hierdoor ontglipt haar ook den zachten, +maar heilzamen invloed, dien ze op haar man uitoefende. Uit +beider brieven spreekt een roerende liefde, die sterk blijft in +allen tegenspoed. Met een heftig temperament als het zijne, zijn +botsingen niet uitgebleven: hij kan haar soms bittere verwijten +doen, als hij in een slechte stemming is. Maar door haar zachtheid, +haar enthousiasme voor zijn denkbeelden en zijn levenstaak, wordt +hij telkens ontwapend. Hij biecht haar alles op: ook zijn amoreuse +avonturen. Zijne bekentenissen, dat hij "verliefd" is, gaan echter +steeds gepaard met de warmste verzekeringen zijner trouwe liefde +voor haar. Hij wil zichzelf èn haar suggereeren, dat ze boven een +gewoon huwelijk staan, dat zij boven jaloezie verheven is. Maar Tine +valt het moeilijk in deze verhoudingen mee te voelen met haar man: +hare afkeuring is tusschen de regels harer brieven door te lezen. Het +is dat rotsvaste vertrouwen op zijn genie, dat haar geduld en moed +heeft gegeven gedurende de moeilijke jaren te Brussel. Tine heeft +niet alleen met geldgebrek te kampen, maar ook met de lasterlijke +praatjes harer rijke, orthodoxe familieleden. Deze vinden haar man +met zijn schulden en zijn avonturen, die sterk vergroot en verdraaid +worden rondverteld, compromittant. Dit temeer, als hij in geschriften +vrije opvattingen over godsdienst en zedelijkheid gaat verkondigen. + +En deze laster verbreidt zich snel: de ongeloofelijkste verhalen +doen de ronde. Zelf steekt hij hiermede den draak en geeft Tine deze +boodschap aan broer Jan: + +"Zeg aan Jan dat ik gister een portemonnaie heb gestolen, een kind +doodgetrapt, dat ik vanavond naar een hoerenhuis ga, en morgen +mijn vader en moeder ga vermoorden, zeg hem dat ik bovendien, o +gruwel! personeel ben, maar dat dit alles de vraag niet is. De vraag +is of ik regt heb in de zaak van Lebak enz." + +Ook door deze lastercampagne tegen haar man wordt Tine's afkeer van +Holland hoe langer hoe sterker. + + + + +DE MINNEBRIEVEN. + + +Door de drukte en opwinding over zijn zaak is hij zelden in de stemming +om te schrijven. Op aandrang van redacties en uitgevers geeft hij +enkele stukjes in de _Tijdspiegel_; zijne _Indrukken van den dag_ +verschijnen bij Thieme; op aandringen zijner politieke vrienden +schrijft hij enkele krantenartikels en een Rotterdamsch uitgever weet +hem te bewegen een stuk te schrijven ten bate van de slachtoffers van +een banjir. In deze bladzijden, getiteld: "_Wijs mij de plaats, waar +ik gezaaid heb_" tracht hij met statistische tabellen den Hollanders +aan het verstand te brengen, welk groot belang zij bij Indië hebben; +maar vooral wil hij de Hollandsche harten tot ontferming bewegen door +een ontroerend beeld van het lijden van den inlander. Evenals Saïdjah's +geschiedenis is ook de inlandsche idylle van 't feest ter eere van +'n gedooden tijger, die door den banjir zoo wreed werd verstoord, +sentimenteel. Al die feestvierenden hebben hun eigen vreugdevolle +verwachtingen, en die spreken ze uit in de korte zinrijke regels van +hun dichtspel: 't verlangen van de vrouw naar haar eerstgeborene, +en dat van de bruid, de trots van den man op zijn klewang, op zijn +snelrijdend paard; maar "sterker is de kracht van den stroom," riep een +oud man die veel banjirs beleefd had. En dan komt de banjir en alle +geluk, alle verwachting wordt weggevaagd en die hoopvolle menschen +worden dan geschetst als lijken, lijken die dreigen met de pest, +zegt de krant. "'t Zijn de lijken van _mensen_!" roept Multatuli. + +Zy voelden, hoopten, vreesden, als wy. Ze hadden aanspraak op +levensgeluk als wy... + + +Lezer, Nederlander, het waren _mensen_, die Javanen! + + +En de overblyvende, die treurig staart op de verwoeste landstreek, +en vruchteloos rondschouwt naar de plaats waar hy gezaaid heeft, +is 'n _mens!_ En waar hy het lyk zoekt van z'n kind, krimpt hem het +hart ineen, zoowel door de vreeze van niet te vinden wat hy zocht, +als uit angst dat hy 't vinden zal. En waar hy slaagt in z'n droevig +nasporen, snydt hem de wanhoop door de ziel, zooals dat wezen zou by +_Uzelf_, lezers! wanneer _gy_ 't lyk vond van uw kind, van uw bruid, +van uwe moeder... + +Die Javaan, is 'n _mens_, lezer!" + + +Een beroep op 't menschelijk medegevoel is deze idylle, maar in de +vrees, dat dit niet verstaan zou worden, besluit hij met een beroep op +het welbegrepen _belang_ van den Hollander bij een dankbare gezindheid +van den inlander. + + +"De lyken daarginder zullen worden weggenomen. De lieve ryke natuur +zal met haar groen kleed alles bedekken wat bloot lag, alles versieren +wat verstoord werd. Gouden halmen zullen vredig ruischen op de graven +der gestorvenen. Na jaren zullen de meisjes in de dorpen byeenzitten, +en gretig luisteren naar de verhalen over den _banjir_. De ouden van +dagen zullen de ellende schetsen die ze bywoonden of vernamen van +hun ouders... + + +Is 't u onverschillig, Nederlanders, Christenen, beschavers, hoe het +slot zal luiden van die verhalen? + + +Uw kleinkinderen zullen die mede aanhooren. Want de toekomst uwer +kleinkinderen is in Indië. Is 't u onverschillig hoe zy zullen +hooren spreken over hun voorvaderen? Is het u om 't even hoe _gy_ +zult genoemd worden in de _pantoens_ van het nageslacht? Wilt ge dat +er op den aanhef: + + +_Hard is de rots die er staat aan den ingang van het dorp_, een +weerslag volge als deze: + + +_Harder is 't gemoed van den blanken broeder aan de overzyde der zee?_ + + +Wilt ge dat? + + +Of wilt ge dat de oude dorpspriester z'n hand zal leggen op het hoofd +van uw kind, en tot hem zeggen: + + +_Kom tot ons... zet u neder aan ons maal en neem uw deel van wat we +hebben... want ik heb uw vaderen gekend!_ + + +En ten slotte, gy die zegt te weten dat er 'n onsterfelykheid is, en +'n oordeel... gy die predikt dat dit leven 'n tyd is van arbeid om +te geraken tot hooger staat... gy die beweert te gelooven dat u hier +'n veld is aangewezen ter bebouwing waarop eenmaal 'n oogst zal te +gaêren zyn, ryk of schraal naar de mate van uwen yver... u vraag ik +of ge beschaamd wilt staan op de vraag die eens zal worden voorgelegd +aan ieder Nederlander die _Indië_ zyn _eigendom_ noemde: + + + "WYS MY DE PLAATS WAAR GE GEZAAID HEBT." + + +Voor de mentaliteit van 't Nederland dier dagen is het teekenend, +dat dit stukje van den armen idealist f 1300 opbracht van de f 11000, +die ons land naar Java zond. + +Dergelijke ondervindingen stemden D. D. bitter: hij vraagt zich af +of zijn woord tevergeefs heeft geklonken, of Nederland evenmin recht +wil doen als de Indische regeering. Door den geweldigen opgang, die +zijn boek had gemaakt, had hij de stemming zoowel ten opzichte van +zichzelf, als ten opzichte van den Javaan overschat. + +Niet alleen de Indische regeering, ook de regeerende kringen van +Nederland, ook de burgerij, die in het onrecht berust, gaat hij +aanvallen. En hij verwacht veel van de jongeren en van de vrouwen. Hun +gezichtskring te verruimen, hun enthousiasme tot daden op te zweepen +wordt nu zijn doel. Vooral jonge meisjes ontvlammen in geestdrift +voor de idealen van Multatuli: ze bieden hem haar medewerking aan in +zijn strijd, zonder zich bewust te zijn, waarin die hulp zou kunnen +bestaan. Multatuli aanvaardt die hulp: die aanhankelijkheid doet hem +goed. Zoo ontstaan tal van vriendschappelijke verhoudingen, die in +vele gevallen amoureus getint waren. Tegenover hun omgeving is het +hun eerste taak Multatuli's persoon en denkbeelden te verdedigen en +als ze er toe in de gelegenheid waren hebben verscheidenen dezer +vriendinnetjes hem financiëel op royale wijze bijgestaan. In den +zomer van 1861 biecht hij aan Tine op dat hij vier amourettes heeft: +voor zijn werk heeft hij behoefte aan jongeren, die hem met groote +gehechtheid en overgave aanhangen. + +Veel sympathie heeft hij gevonden bij de kinderen zijner overleden +zuster. De vader en stiefmoeder maakten zich al spoedig ongerust +over de enthousiaste vereering van de negentienjarige Sietske en haar +broertje voor de revolutionnaire idealen van hun oom. + +In den cirkelgang van 't eentonig meisjesleven met zijn kleine plichten +en benepen vooruitzichten, viel Multatuli binnen als een meteoor. En +op hem heeft de geestdrift van dit jonge meisje in de opwinding en +toch betrekkelijke eenzaamheid van het hotelleven een groote bekoring +uitgeoefend. Zelf klaagt de negentienjarige over haar lot in deze +woorden: "Na 't zien van zoo'n tuin voel ik eerst regt hoe prozaisch +mijn dagelijks bleekveldje is... och, je begrijpt me wel! Maar +bekommer je daarover niet, want bij al die gêne en bekrompenheid +is er iets heerlijks: ik mag denken wat ik wil, ik mag droomen wat +ik wil, ik mag hopen wat ik wil, dàt kunnen ze mij niet verwijten, +dat kunnen ze mij niet ontnemen. Dáárin kan niemand mij dwingen!" en +later getuigt ze:... "Brieven en 't levende woord brachten me onder een +begoocheling die me bezielde met een geloof, dat bergen verzetten kon." + +Steeds enthousiaster schrijft hij aan Tine over dit nichtje: Siet is +mijn oogappel, Siet inspireert me. Zij is de eenige persoon die ik +gebruiken kan als hulp om te schrijven, met Siet kan ik driemaal meer +voortbrengen dan alleen. Hoewel Tine reeds aan zijn "caprices" gewend +was, en hoewel haar stelselmatig werd voorgehouden, dat zij boven +een gewoon huwelijk verheven moest zijn, heeft deze verhouding tot +Sietske haar erg gehinderd. En hij kwam in een moeilijk parket, toen +'t hoe langer hoe duidelijker werd, dat Tine niet dezelfde was als het +beeld van de ideale, alles begrijpende en aanvaardende vrouw, dat hij +in zijn brieven aan Ottilie, aan Sietske van haar had ontworpen. Zijn +vriendinnetjes dwepen dan ook met Tine, verscheidenen hebben bij haar +gelogeerd, en Sietske wil niets doen, dat Tine zou afkeuren. Hoewel +vervuld van Sietske, toch blijft Tine de eerste: "Je weet heel +goed dat ik dood ongelukkig zou wezen zonder jou, en je begrijpt +heel goed het onderscheid tusschen eene caprice en de verhouding +tusschen u en mij die oneindig inniger is," schrijft hij haar als +antwoord op een verdrietigen brief, waarin ze hem verwijt, dat Siet +hoogstwaarschijnlijk meer waarde voor hem heeft dan zij. Dergelijke +bezwaren vindt hij "klein en niet in harmonie met alles." Op zijn +aansporing gaat Sietske werken voor het examen voor onderwijzeres; +zij moet zich ontwikkelen om hem van dienst te kunnen zijn. + +Sietske heeft zich door hare akten onafhankelijk gemaakt: ze heeft werk +gevonden in Engeland, later in Indië. Als ze in Amsterdam is blijft +ze haar oom helpen; hare vereering bekoelt, slaat om in antipathie, +en dan is haar sympathie voor Tine, die haar geregeld had geschreven, +toen ze in Engeland was: Tine begreep hoe ze daar met vele gedachten +alleen stond. + +Onder den indruk van de hartstochtelijke vereering van Sietske is +in den zomer van 1861 zijn scheppingsdrang plotseling opgevlamd: in +enkele weken schrijft hij de _Minnebrieven_. Evenals in de dagen, dat +hij _Max Havelaar_ schiep, geniet hij van zijn eigen schepping. Aan +Tine schrijft hij: "Ik heb een stijl die ik zelf niet ken. Je zult +zien, muziek en onweer. Ik maak mij tot den eersten schrijver van +Europa.--Men erkent dat ik een omkeering maak in de literatuur. Ja, +omkeeren is mijn métier!" + +De _Minnebrieven_ zijn in opzet en vorm ongelijk aan _Max Havelaar_, +en evenzoo zullen ook de _Ideën_ en de _Millioenenstudiën_ weer een +eigen vorm hebben. Ook in dit opzicht is Multatuli aan het _omkeeren_ +geweest. Na al de geijkte genres geeft hij aan iedere uiting van +zijn geest een nieuwen vorm; _Max Havelaar_ was een roman, waarin +'t romantisch verhalen met 't satirisch schetsen en pathetische +pleidooien voor recht met fellen hoon afwisselen. + +De _Minnebrieven_ bestaan uit een reeks brieven, parabelen, politieke +stukken en beschouwingen, soms zeer persoonlijk, dan weer zeer +objectief van karakter: geen zijner werken beantwoordt zoozeer aan +Multatuli's ideaal van methode, n.l. de afwezigheid van alle methode +als dit boekje. Ieder onderdeel is de zuivere uitdrukking zijner +stemming geworden: deze wisselingen van stemming in zijn strijd om +recht, om vrijheid, die meer en meer een strijd werd tegen alle vormen +van gezag, waarin de levende geest ten doode toe bekneld was, spiegelen +zich in vorm en rhytme der minnebrieven af. De volle rijkdom van zijn +geest en van zijn taalgenie is hier ontplooid in hooge ernst, bitter +sarcasme en in zwevende, speelsche phantasieën. In dit schijnbaar +onsamenhangende en grillige geschrift zit toch lijn, het is beheerscht +door een gedachte: het vinden, verliezen en herwinnen van Fancy. + +De scherpe tegenstellingen tusschen 't zachte en 't bittere in +zijn gemoed, zijn streven naar recht en zijn hoonen van alle gezag +vinden in Fancy, in zijn dichterlijk schouwen hun hoogere eenheid +en verzoening. Fancy geeft hem de kracht om de disharmonie in zijn +innerlijk leven te overwinnen. + +De _Minnebrieven_ zijn geen _minne_brieven, of liever, 't zijn +vergeestelijkte minnebrieven. De liefde voor Sietske, de briefwisseling +met Sietske, de afkeer van haar stiefmoeder, zoowel als de liefde +voor Tine en de kinderen en zijn Indisch streven vormen er den +achtergrond van. Sietske is geïdealiseerd tot Fancy, maar Fancy doet +zich in haar brieven aan Max voor als een gewoon meisje, dat voor +haar examen leert, omdat hij anders te wolkerig schrijft, om begrepen +te worden door meisjes, die _niet_ in de wolken wonen. Daarom vraagt +Fancy aan Max om haar iets te _leeren_. Max biecht zijne zonderlinge +liefdesgeschiedenis aan Tine op en zij moedigt hem aan, want Fancy is +ook de steun in haar zwaar en moeilijk leven. Geboren uit de bekoring +door Sietske op hem uitgeoefend, is dit boekje toch een apotheose +voor Tine geworden: Tine wordt boven Max door Fancy tot vertrouwde +uitverkoren. En in de inleidende bladzijden blijkt het, dat Tine +Max' waarachtige Fancy is uit deze schoone passage: "Eene _vrouw_ is +niets. Niets bij de optelling van lasten, maar veel, oneindig veel, +ja _alles_, zoodra er sprake is van hulp en steun! Ik zou volstrekt +geen pleizier hebben in gebrek lijden, als ik m'n vrouw niet had... + +O, ge weet niet hoe 'n vrouw liefheeft... ge kunt niet begrijpen, +met hoe groote woekerwinst zij den man de indrukken weergeeft, die +hij neerschreef in haar ziel! Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo +vele mannen daarin niets wisten neer te schrijven? Kan men oogst +verwachten, waar niet gezaaid is... baring, zonder bevruchting?" En +als het lot den man neerbuigt door smart, dan toont de vrouw de +oogst van haar huwelijk als ze zegt: "Waarom weent ge? Hebt ge mij +niet een schat te bewaren gegeven? Zie, hoe ik gewoekerd heb met het +talent dat ge neerlaagt in mijn schoot. We zijn rijk, rijk in liefde, +rijk in adel! _Ik_ heb bewaard wat gij weggaaft! _Ik_ heb gespaard +en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist! _Ik_ ben uw +_huishoudster_ geweest, ja, de huishoudster uwer _ziel_!" + + +Fancy is echter ook een verheerlijking van Sietske: maar Fancy is +nog meer, ze is het beeld van Multatuli's dichterlijke genius, ze is +het droomwezen, dat hem bezielt. Zijn dichtergemoed ziet dan ook in +meisjes, die hem enthousiast tegemoet komen, verschijningen van de +eeuwige schoonheid, van de poëzie. Maar als de betoovering breekt, +dan is weer een andere zijne Fancy, die hem inspireert: het is de +telkens terugkeerende ontgoocheling van een dichterliefde. Maar naast +die vluchtige Fancy-verschijningen heeft hij vasten steun voor zijn +ziel gevonden in de trouw van Tine, die in hem gelooft, en die in +hare groote liefde alles verdraagt. En Tine is in de _Minnebrieven_ +geïdealiseerd tot de vrouw, die alles begrijpt en meevoelt en +goedkeurt, tot de vrouw, die Fancy smeekt haren Max te blijven steunen. + +Uit de werkelijke brieven van D. D. aan Tine blijkt echter, dat +zij zich over deze "caprice" ongerust maakt, nu hij haar onomwonden +verklaard heeft, dat Sietske zijn Fancy is. Tot troost schrijft hij +haar: "Zonder dat ik er aan dacht ben jij in de M. B. de hoofdpersoon +geworden. Faber, de advocaat, merkte mij dat op (hij is heel fijn) +hoe ik door de dichterlijke verheffing van Fancy, ù in de hoogte +stak. (Dat is geheel natuur geweest en ik heb de waarheid gezegd als +een kind of dronken man.) Weet je hoe dat blijkt? Fancy is met u eigen, +intiem, identiek. Zij (de wil, de kracht, de energie, de fantasie) +zij is met u vertrouwelijk en mij fopt zij. Voor u is zij bondgenoot, +voor mij meesteres. U zegt zij de waarheid, met mij speelt ze." Maar +'t is het tragische lot van de vrouw van den dichter geweest, dat Fancy +zich telkens voor hem openbaarde in andere, jonge vrouwen, terwijl +_zij_ voor hem de blijvende Fancy was... op den achtergrond. Deze +tweeledigheid in zijn liefdeleven tracht hij telkens haar te doen +begrijpen, maar ze kàn er niet in meeleven, ze kan het hoogstens uit +groote liefde... dulden. + +De humor en de geestigheid der Minnebrieven hebben een tragischen +ondergrond. Ook in dit opzicht vinden we een scherpe tegenstelling +in de motieven. + +Tot grappige misverstanden geeft Fancy's dubbelzijdig wezen +aanleiding. Ze is een huishouderig meisje èn tevens 't wezen van poëzie +en schoonheid, aan wie Max vraagt: "Wie zijt gij eigenlijk? Hoe heet +gij? Waar woont ge? Moet ik u zoeken in de wolken of in de straten +eener stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: +hebt gij gezien wat mijne ziel liefheeft? Moet ik 'n tooverspreuk +uitvinden, om u te doen nederdalen van omhoog? Om u op te zweren uit +de diepte? Woont ge op 'n ster die stof is? Draait en slingert uwe +woning als de mijne, die onder heeft noch boven? Kunt gij de zon +zien, Fancy? Of, Fancy, _zijt_ gij de zon? Zijt gij 't middelpunt +der aarde, dat alles aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrup +een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den +grond, een minnebrief aan u! Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen +op de straten, en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping +mogelijk is, door 'n koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij +zal zich vergissen... de bliksem zal 't niet toelaten... Schrijf +mij of hij terecht is gekomen? En zend mij 'n lok uwer haren, +Fancy... wanneer ge haren hebt als anderen... wat ik niet hoop!" En +dan komt het grappig contrasteerende antwoord van Fancy: "Ja, haren +heb ik wel, maar ik woon... neen, ik woon niet. M'n ouders wonen, +en ik ben bij hen. Doe in 't vervolg een postzegel op uw brieven. Ik +ben somwijlen schraal bij kas, en ge begrijpt dat er op onze begrooting +geen gelden worden toegestaan voor port aan minnebrieven." En ze klaagt +over haar huishoudelijke plichten, het rekken van lakens, die lang +genoeg zijn, het maken van anti-makassars, tegen haarolie, die ze niet +gebruiken. En Max antwoordt verdrietig dat hij met haar huishouderij +niet wil concurreeren. Tine dringt hem om Fancy vergeving te vragen, +want zonder Fancy kan hij niet leven. En weer schrijft Fancy hem: +ze _is_ een meisje, maar ze wil de zijne zijn... geheel-en-al, ze zal +hem aanhangen en hem doen overwinnen. "Maar vergeef mij intusschen, +dat ik maar een meisje ben, en leer mij een en ander, als het waar +is tenminste dat ge meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is +natuurlijk... door al die beddelakens. Is het waar dat kousenweven +is uitgevonden door de liefde? Hebt ge mij niet genoeg lief om 'n +machine uit-te-denken die _huishoudt_? Ach, m'n moeder is dood! Er +is geen poëzie in ons huis, alles is dor en droog en fatsoenlijk +en vervelend. Ik ben geestig maar kan hier niets uitvoeren met m'n +geest. En m'n hart is overkompleet." + +Als Max haar iets zal leeren, begint hij haar de fout aan te wijzen, +die aan de gangbare wereldbeschouwing ten grondslag ligt: in "een kort +begrip van de leer der zaligheid" laat hij een scherp licht vallen op +al de ongerijmdheden in de leer van schepping, zondeval en verlossing. + +Maar wie wil leeren, moet _zelf leeren begrijpen_: de grond van alle +misstanden steekt hierin, dat _gezag_ en _traditie_ heerschen in den +staat, in de samenleving, in den godsdienst, inplaats van redelijkheid. + +Dat licht hij toe in een negental Geschiedenissen van Gezag: en +dit Gezag berust op kracht, list, bedrog, onwetendheid, geloof. Dit +zijn de bronnen van 't gezag van vorsten, opvoeders en ouders, van +priesters, van de publieke opinie en van den man over de vrouw. Overal +waar de redelijkheid, de gerechtigheid, de liefde uit menschelijke +verhoudingen verdwijnt, daar treedt onrechtmatig gezag in de plaats. De +verleugening van 't maatschappelijk en geestelijk leven zal Multatuli +ontmaskeren, door alle geüsurpeerd gezag te ondermijnen. In de eerste +plaats tast hij conventioneele deugd en Godsdienst aan. En als Fancy +dit troosteloos vindt wijst Max haar op _gezag_ door _liefde_, +op _welvaart_ door _rechtvaardigheid_, op _geluk_ door _deugd_: +_mensch zijn_ dat is alles! + +Maar Max blijft twijfelen aan Fancy's meisjesschap: en hij vraagt +Tine, wie ze is, en Tine kent haar ook, al jarenlang. "Zij heeft +mijn leven heerlijk schoon gemaakt en ik wijt de schrale voeding +onzer kinderen niet aan haar, zooals gij meermalen deedt in buien +van onrechtvaardigheid." En Fancy geeft aan de kinderen dichterlijke +gedachtetjes en ze leert ze ook jokkentjes, en ze fluistert hun +moeder het juiste woord in, om hun hartjes te treffen, als ze uit +speelschheid een ander leed berokkenden. Maar Fancy beknort Tine, +omdat ze haar heeft verklapt aan Max: "Lààt hem zoo dom als-i is. 't +Is maar een _man_, hij die altijd roept: Ze is maar 'n _meisje_!" En +dan schrijft Fancy deze woorden aan Tine: "Ik zal u blijven steunen +in uw moeilijke taak, edele moedige verhevene vrouw... trouwe dappere +echtgenoot... sterke moeder... heldin! Ik zal blijven bij u, naast u, +in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet +maken door 't vóórhouden eener schilderij van uw rein leven, dat het +u zij als 'n spiegel van gelukkiger toekomst! Want ik zegge u hier, +wat ik nooit zeide tot _hem, U zeg ik dat gij onsterfelijk zijt_!" + +Op Fancy's noodkreet, dat ze om de ontvangen minnebrieven gedreigd +wordt met 't verbeterhuis volgt een reeks brieven van nijdige +vaders, stiefmoeders, dominee's, kappellieden en ooms, die allen +even verbolgen zijn over Max' verdorvenheid. Door de aanvallen en de +laster van publiek, de armoede van zijn gezin en den tegenspoed met +zijn Indische plannen komt hij onder den druk der ellende, waardoor +hij de voeling met Fancy verliest. Zijn brieven aan Tine worden +zakelijk en als hij zich boven de sfeer van het proza verheft, wordt +hij cynisch. Hij zendt haar zijn brief aan den gouverneur-generaal, +allerlei gegevens ten bewijze dat de Javaan wordt mishandeld, en +een brief aan de kiezers te Tiel, waarin hij het stichten van een +derde partij aanbeveelt, die de meening zou voorstaan, "dat men den +Javaan niet moet mishandelen.". Ondanks Tine's noodkreten blijft +Fancy zich schuilhouden. Max blijft moedeloos: voor publiek kan hij +niet schrijven, maar wel voor Tine. Voor haar dicht hij drie bitter +cynische sprookjes: evenzoovele aanklachten, dat het publiek den +schrijver van _Max Havelaar_ niet _wil_ begrijpen, hem hoogstens prijst +om zijn mooien stijl: in de eerste parabel biedt een impresario aan de +moeder, die zoo mooi _gilde_ toen ze haar kind in 't water nasprong +om het te redden, een engagement aan bij 't theater; in de tweede +parabel wordt Chresos, die de beroovers van zijn dorp aanklaagde, +veroordeeld door den magistraat die met de roovers heult; en in de +_Kruissproke_ bereikt de verbittering zijn hoogtepunt. De tragedie +van Christus' dood is een feest geweest voor de Joden te Jerusalem, +een feest voor kinderen, die kruismannetje speelden, nog wekenlang, +een feest voor volwassenen belust op sensatie. Het lijden van den man, +die wèl deed, is een schouwspel, een amusement voor 't domme publiek, +dat van zijn streven geen flauw besef heeft. Maar tot dit domme publiek +hooren niet alleen de Joden uit Christus' dagen, Multatuli roept er ook +de mannen van handel en beurs en industrie, burgers en theologen bij: +ook voor hen is de kruistragedie slechts een vermaak, een schouwspel; +immers Christus _woorden_ praten zij na, zonder er naar te _handelen_. + +De verbittering over de miskenning der zuiverste en hoogste bedoelingen +verjaagt Fancy uit zijn gemoed, zoodat hij verzinkt in het proza der +politieke propaganda. Maar dit kan hij niet verdragen, hij wordt ziek +en in ijlende koorts schrijft hij een brief aan Tine, waarin alle +motieven der Minnebrieven rhapsodisch verward terugkeeren, maar _in_ +die dooreenhaspeling zit toch zin: "Ben je de moeder of de vrouw? Waar +zijn de kinderen? Zijn de kleertjes al verkocht? Hu, huup... waar is +je tulband? Zingt, kinderen, zingt, uw vader draagt het kruis! Dag +Schmoel... dag Nathan... dag Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee, +allen mee... Jochébed, (in de Kruissproke tilde zij haar kind omhoog, +om het goed te laten genieten) wil je dien gouverneur-generaal wat +omhoog houden? Zwaar is hij niet! Geef hem 'n buffel... één, hoort +ge?" Max' herstel beteekent Fancy's terugkeer: hij herinnert zich de +keeren, dat hij Fancy in zijn leven ontmoet heeft: Fancy's goedkeuring +lichtte hem toe uit de oogen van een voorbijgangster, toen hij als kind +een goede daad verrichtte, hij vond haar terug in het jonge meisje, +dat hem om voorlichting vroeg, in de oogen van een werkman, die langs +zijn venster klom. En hij heeft nu van haar de zekerheid, dat zij +hem zal geven "den wil, later de kracht, in 't eind de overwinning." + + +In de maanden van inspiratie en van succes verwacht hij niet alleen +herstel van carrière, maar ook een volksbeweging, die hèm aan 't hoofd +van 't koloniale bestuur zal plaatsen: hij droomt met Sietske van het +keizerschap van Insulinde en Sietske beleefde in hare verbeelding al +de kroning te Buitenzorg. In deze stemming slaat hij den raad van een +goed vriend in den wind, om zijn eischen niet te hoog te stellen: door +de openbare sympathie zal het bestaan van zijn gezin nooit verzekerd +zijn en nu hoofd en richting van 't koloniaal bewind van richting +veranderd zijn, zou ieder 't in hem prijzen, zoo hij weer in dienst +trad. Zijn droomen van macht en hervorming hadden hem echter zoo in +beslag genomen, dat hij dezen practischen raad niet meer kon opvolgen. + +Het succes van de _Minnebrieven_ was lang zoo groot niet als dat van +zijn eerste boek: dat leek nog op een roman, maar de kritiek wist met +de _Minnebrieven_ geen raad: enkele bladen prijzen de "verhaaltjes", +vele zwijgen. + + +De hoop om op Indische zaken invloed te oefenen geeft hem in datzelfde +jaar een brochure _Over vrijen arbeid in Nederlandsch-Indië_ in de +pen. Hij hoopt op den val van het ministerie en op de benoeming van +Rochussen, zijn beschermer, tot minister van koloniën; deze hoop is +verijdeld. Zeer helder zet hij uiteen, dat vrije arbeid van inlanders +moet leiden tot teugellooze exploitatie door industrieelen. En dat +deze veel meedoogenloozer zal zijn dan de knevelarijen onder het +Cultuurstelsel. Beide stelsels verduidelijkt hij door een teekenend +beeld: De _teugel_ door den gouverneur-generaal vastgehouden, die +onderverdeeld is in lijnen en koorden, die ten laatste elk individu +bereiken en in toom houden, is het beeld van het _gezag_. "Verander +al die lijnen in _buizen_, zet de twaalf-millioen dunne, twintigmaal +onderverdeelde bij-buisjes op de borst van twaalf-millioen Javanen, +breng 'n zuiger, 'n Hinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en +daarna... + +_Pomp,_ _pomp_, _pomp_, zeg ik u. _Pomp_ voor den duivel... en voor +Nederland.--Dat is 't kultuurstelsel. Geef elken avonturier toegang +tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine +nevenbuisjes... Vergun hem z'n eigen buizen, de buizen van de WelEdele +Heeren Droogstoppel en Consorten, te plaatsen op de borst van twaalf +millioen Javanen... + +Laat hem boren dóór die borst, tot hij 't hart raakt... En dan... ja, +dan... + +_Pomp_... _pomp_... _pomp_... voor den duivel... en voor de _vrije +arbeiders_..." + +Niet in het stelsel zit de fout, maar in baatzuchtige toepassing. Het +liberale denkbeeld van vrije arbeid past niet in het inlandsch +gezagsysteem: het zal geen vrijwilligheid van den arbeid scheppen of +waarborgen. Nadrukkelijk waarschuwt Dekker zijn landgenooten, dat +Indië voor Nederland verloren zal gaan, "als Nederland niet zorgt, +dat den Javaan recht wordt gedaan". + + + + +HET TWEEDE HUWELIJK + + +Meer en meer gaat Multatuli inzien, dat Indië alleen gered kan +worden, door Nederland te redden van den leugen. Hij roept, wie nog +niet heelemaal zijn verleugend, op tot den strijd, tot het streven +naar waarheid. Indië geraakt eenigszins op den achtergrond en "de +naam Insulinde representeert voortaan (zijn) algemeen streven, als +Nasareth het Christus-idee." + +In het politieke en het maatschappelijke leven, in zeden, opvoeding +en godsdienst zal hij den leugen aantoonen. Hij trekt te velde +tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen: d. i. "tegen al wat +op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, +bekrompen of benauwd is." (I. 403.) + +Zijn levensomstandigheden blijven even onzeker; feitelijk heeft +hij vanaf 1860 van zijn pen geleefd, later ook van 't geven +van voordrachten, maar eerst tegen 1870 laat hij alle hoop op +herstel zijner carrière varen en neemt 't besluit schrijver te +worden. Verscheiden geestverwanten steunen hem met grooter of kleiner +bedragen. Maar 't is een bodemlooze put: het impulsief "weldoen" +kan hij nooit laten, als hij geld op zak heeft; zijn verblijf in +hotels kost schatten, en met de uiterste zuinigheid kan Tine niet +uit de schulden blijven. Zijn hoop is eerst gevestigd geweest op +een nationale inschrijving ten bate van Max Havelaar, op pogingen om +hem over zijn 17 dienstjaren pensioen te verleenen, maar er gebeurt +niets. Als zijn _Ideën_ opgang maken biedt hij zijn portret in 500 +exemplaren voor f 10 of f 50 (met autograaph) te koop aan, om met die +som ter verwerkelijking zijner plannen een tijdschrift op te richten: +de geestverwanten laten hem in den steek. + +Af en toe blijft hij enkele weken, een enkelen keer langer tijd bij +zijn gezin in Brussel. In den zomer van 1864 schieten een paar leden +van de "_Dageraad_", voor wie hij soms optrad, belangeloos eenige +kamertjes voor hem af op den zolder van zijn uitgever. Daar woont hij +anderhalf jaar, tot hij naar Duitschland vlucht, omdat hij tot boete en +gevangenisstraf veroordeeld was: hij had n.l. een schouwburgbezoeker, +die een actrice in tegenwoordigheid van haar kind bespotte, een +oorvijg toegediend! Als Tine hare wissels onmogelijk kan voldoen, +vlucht ze naar Amsterdam, naar de verlaten zolderkamertjes van haar +man en in een restaurant in de buurt bezorgde Dekker zijn vrouw en +kind het middagmaal op crediet. + +In 1862 was hij begonnen aan de uitgave zijner _Ideën_; naar +aanleiding hiervan kwam hij in briefwisseling met Mimi Hamminck +Schepel, een zeer begaafd meisje uit een deftige, behoudende, Haagsche +familie. _Minnebrieven_ en _Ideën_ werden er niet geduld: van een +vriendin kreeg ze deze boeken te leen. Ze werd meegesleept en bezield +door Multatuli's strijd voor waarheid en recht: de troosteloosheid van +de geschiedenissen van gezag, het tragische van het martelaarschap +grepen haar aan, maar haar jeugdige geestdrift zette het leed om 't +onrecht om in bezielden moed. Haar begrijpend en meelevend enthousiasme +zijn voor den verkondiger der Ideën, een heerlijken troost en steun +geweest in zijn moeilijk leven. Heel spoedig groeit deze vriendschap, +uit geestverwantschap geboren, tot liefde: inniger en bestendiger is +deze liefde geworden, dan die voor Sietske en anderen. En Mimi heeft +een zwaren, moeilijken strijd te voeren gehad tusschen haar tot liefde +ontbloeide vereering voor Multatuli en haar plicht en liefde jegens +hare ouders. Deze kúnnen zich in de romantische liefdesopvattingen +niet indenken, nog minder invoelen. D. D. stelt Tine steeds voor als +de alles begrijpende, meevoelende vrouw; hij spoort Mimi aan hare +liefde aan zijn vrouw te bekennen. En om haar man tegen praatjes, +als zou zij een ongelukkige, verlaten vrouw zijn, te verdedigen, reist +zij met haar kinderen naar Den Haag om Mimi's ouders gerust te stellen; +'t is haar gelukt, schrijft ze aan een vriendin, die familie het nobele +karakter van D. D. te doen begrijpen, en ze ervan te overtuigen, +dat het hooge enthousiasme van hun dochter wèl geplaatst was. Ze +voelt zich gelukkig anderen gelukkig te hebben kunnen maken en zelf +was ze beloond, doordat haar man over haar tevreden was. Na den dood +harer moeder gaat Mimi naar 't buitenland, later is ze onderwijzeres +aan de Arnhemsche kweekschool; ter wille van haren vader mijdt ze +D. D. Maar als deze armer en verlatener dan ooit in Duitschland +rondzwerft gaat ze naar hem toe, om tot het einde toe met en voor +hem te leven. En terwijl Mimi zijn tweede vrouw is, blijft hij naar +Tine en de kinderen verlangen: en dat is geen "literatuur", in zijn +romantische liefdesverhoudingen is hij oprecht, ja hij suggereert zich +zelfs, dat ook Tine hierin met hem meevoelt. Dit nu is het tragische, +dat Tine wel gepoogd heeft hem te waarschuwen, maar ten slotte nooit +krachtig _hare_ opvatting heeft gesteld tegenover de zijne: ze wilde +den prikkelbaren man sparen, ze wil als vrouw van een genie alles +offeren; ze weet zich als weinig vrouwen bemind, en ze verwijt zich +soms, dat ze zich niet genoeg verheffen kan tot zijn hoogheid van +ziel. Toen hij altijd bij haar was kon ze alle moeilijkheden dragen, +maar in hare eenzaamheid overmant haar de melancholie. Haar grooten +troost vindt ze in de kinderen en in hare vriendschap voor Stéphanie, +die ze als jong meisje te Brussel leerde kennen. Stéphanie was in +den vollen zin des woords Tine's Fancy! + +Maar de romantische liefdesverhoudingen keurt ze af, ze kan er zich +niet mee vereenigen. Als ze weet dat Mimi bij haar man is, neemt ze +het besluit te trachten voor zich en de kinderen te zorgen: ze vraagt +hulp aan vrienden om naar Indië te gaan. + +De pogingen van Van Vloten e.a. om haar aan een vast inkomen te helpen, +mislukken. Dan komt de uitnoodiging van Stéphanie, die met professor +Omboni gehuwd is, om in Italië te komen, als een uitredding. Door eigen +arbeid als gezelschapsdame, later als onderwijzeres, heeft Tine met +hulp van vrienden voor zich zelve en de kinderen gezorgd. D. D. doet +ook wat hij kan en eindelijk, in 1869, is er hoop op hereeniging van +het gezin. Door een erfenis is Mimi in staat in Den Haag een huis +in te richten: en daar neemt het gezin met Mimi hun intrek. Door +journalistieken arbeid was D. D. van een bescheiden vast inkomen +verzekerd. + +Uit Tine's brieven aan Stéphanie blijkt het, dat dit jaar in Den Haag +haar alle illusies heeft benomen: de kinderen blijken van hun vader +vervreemd, die toch zoo veel van ze houdt. Ze is niet op haar gemak: +"waar alles onnatuurlijk is, ben ik niet mezelf", de verhoudingen zijn +allerverwardst en pijnlijk voor haar, want haar hart veroudert niet. Ze +bekent aan hare vriendin, dat ze Italië niet had moeten verlaten. Als +D. D. met Mimi voor eenige weken naar Duitschland is gegaan, reist +ze met de kinderen naar Milaan. Haar kinderen ontwikkelen zich +voorspoedig, haar zoon krijgt een betrekking in Venetië, waar ze bij +hem woont: en hier is ze, verzwakt door al het leed en de ontbering, +in 1874 gestorven. + +Onder de definitieve scheiding van Tine en zijn kinderen heeft +D. D. blijvend geleden. Doordat hij zijn ideaal van vrije liefde +werkelijk heeft uitgeleefd, heeft hij groot leed gebracht over de +vrouw, van wie hij is blijven houden zelf heeft hij de kinderen +er door verloren. En de tweede vrouw, Mimi, heeft ten slotte ook +geleden onder zijn telkens opvlammende nieuwe neigingen. Wat Tine +voor hem is geweest in de Indische huwelijksjaren: de vrouw, die zijn +materieele bestaan verzorgt en daardoor ook evenwicht brengt in zijn +innerlijk leven, maar die in de eerste plaats met hem opgaat in zijn +geestelijke roeping,--dat is Mimi voor hem geweest in zijn laatste +twintig levensjaren. + +Het ligt in den aard der omstandigheden, dat bij een vrij huwelijk +de vrouw den meesten moed toont: zij _breekt_ met maatschappelijke +opvattingen, die haar veel sterker bonden dan den man. En ze deed het, +niet in een eerste vlaag van dwepende vereering, maar na jarenlange +gedachtenwisseling en aanvankelijke weifeling. Maar toen eens haar +besluit genomen was om ondanks wet en conventie de uitspraak van +haar hart te volgen heeft zij trouw en standvastig haar liefdestaak +vervuld. "Ik vind uw leven het ideaal van een vrouwenleven," schrijft +haar eens een onzer eerste "geëmancipeerde" vrouwen! Zij weet in zijn +rusteloos bohêmeleven weer eenige rust en huiselijkheid te brengen: +logementen, waar hij anders maanden kon blijven hangen, heeten nu +de pest in zijn brieven en hij eet voor weinig geld eigenlijk beter +dan in een logement: op spiritus kookt Mimi hun potje! Met vertalen +en journalistiek werk tracht ze ook wat te verdienen. En dat sobere, +werkzame leven wordt overstraald door een geluk, dat ze aldus heeft +beschreven: "Ja, we waren zeer arm in Coblenz; maar in weerwil van +die armoede is de indruk die mij uit dien tijd is overgebleven een +indruk van rijkdom en heerlijkheid. We woonden er in één kamer in de +Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelijk +en zindelijk maar uiterst eenvoudig ingericht. We hadden haar gehuurd +voor zes thaler 's maands. Maar op dat kanapétje aan die wrakke tafel +zat hij... _Multatuli_. Zijn positie was ellendig, maar dat kon niet +zoo blijven. Als hij zeide: Jou althans kan niemand mij afnemen! dan +was ik voldaan. Ik ook had zorg en smart, maar de grootte van zijn +leed hield mij staande en maakte mij moedig. Er was iets groots in +alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen +op een rots. Onze eenzaamheid, de schoonheid der natuur, de groote +geschiedenis die wij zagen afspelen als een boeiend drama, 't was alles +aangrijpend. En dan met hem! Als uit een eeuwig frissche fontein zoo +welden zijn opmerkingen, beschouwingen, boutades uit zijn hoofd, uit +zijn hart. Zij kleurden en verlevendigden voor mij de gebeurtenissen +die reeds uit zich zelf zoo merkwaardig en ook in de zijdelingsche +lichten waarin wij ze zagen zoo pikant en bijzonder waren." (Brieven +VII, 103-104). + +Een jaar na Tine's overlijden is het tweede huwelijk gesloten: een +bewuste concessie aan het verachte publiek, en een verstandige daad +ter wille van de twintig jaar jongere tweede vrouw, die al bijna +een tiental jaren zijn leven gedeeld had. Zelf noemt hij het "een +verdrietige noodzakelijkheid, omdat we niet onafhankelijk zijn van +de wereld." + +Al heeft D. D. de laatste 20 jaar van zijn leven in Duitschland +geleefd, toch bleef hij in geregeld contact met Holland. Een enkele +maal tracht hij invloed uit te oefenen op de politiek; in 1867 "weert +(hij) zich als een oud konijn" om het ministerie te laten vallen, +maar in hoofdzaak tracht hij invloed te oefenen op den geest van +zijn volk. Verschillende vrienden zijn hem bijgevallen. Vosmaer is +vol bewondering en sympathie, met Van Vloten (die hem later bitter +zal grieven met zijn "Onkruid onder de tarwe", een scherpe kritiek +op D. D. als mensch en schrijver), Busken Huet, Tiele, den Vlaming +De Geyter, met Mina Krüseman e. a. is hij in schriftelijk verkeer. + +Tusschen 1866-1869 bezorgde Huet hem een vast medewerkerschap aan +de _Opregte Haarlemmer Courant_: hij moest geregeld "kleurlooze" +berichten geven. Om eigen beschouwingen toch te kunnen plaatsen, +gaf hij deze als citaten uit een door hem gefingeerd blad de +_Mainzer Beobachter_. Toen dit den uitgever ter oore kwam, hield +zijn medewerking op. In verschillende bladen heeft hij bijdragen en +feuilletons gegeven; zoo verschenen _De Japansche gesprekken_, _De +Millioenenstudiën_: maar de lezers ergerden zich of begrepen het niet, +zoodat de redacties voortzetting niet aandurfden. + +De vriendschappelijke relatie sedert 1871 met den uitgever Funke is +zoowel aan zijn werk als aan zijn financiën ten goede gekomen. Wel +was d'Ablaing, de eerste uitgever van de twee eerste bundels _Ideën_ +een vriend en geestverwant, maar hij kon D. D. financieel niet genoeg +steunen, omdat hij zelf herhaaldelijk krap zat; zoo moest hij op +honorarium wachten, of kon geen voorschot krijgen, dat onmisbaar was, +om aan 't werk te kunnen komen. De verstandhouding met d'Ablaing, +die zoowel voor den schrijver als voor zichzelf voordeel beoogde +uit diens _Ideën_, leed hieronder: 't liep uit op wederzijdsche +beschuldigingen en verwijdering. + +Funke daarentegen verlichtte door voorschotten en ruime honoraria +de geldzorgen, en verschafte D. D. "loisir" om te schrijven. Hij +waardeerde hem niet alleen als schrijver, maar wist ook zijn +eigenaardigheden te eerbiedigen. Zoo verschenen tusschen 1871 en 1877 +herdrukken met aanteekeningen van de twee eerste bundels _Ideën_, die +in 1862 en 1864 waren verschenen. Tusschen 1870 en 1873 kwamen daar nog +bundel III-VI bij; bundel VII werd onderbroken door de zenuwspanning +na Tine's overlijden en kwam eerst drie jaar later gereed. + +D. D. bleef in Duitschland wonen; eerst te Wiesbaden, na 1880 te +Nieder-Ingelheim waar de vader van hun pleegkind _Wouter_ ze in +staat stelde een huisje te koopen. Hier sleet hij zijne laatste, nu +zoo rustige levensjaren en overleed er den 19den Februari 1887. Ook +door de bemoeiingen van de aanbieders van het _Huldeblijk_ waren de +financiëele zorgen verlicht. Een som van f 20.000 werd bijeengebracht +en daarvoor werden lijfrenten voor D. D. en zijn vrouw gekocht. Ook +dit bewijs van Hollandsche waardeering heeft den grooten man bitter +gestemd bij alle dankbaarheid aan warme vrienden. "Het is die armzalige +taxatie die me grieft.--Ik ben wel voor een millioen uitgescholden +aan den eenen kant en voor even zoo veel in de hoogte gestoken aan +den anderen kant. Vrome tijdschriften verklaren dat ik God onttroond +heb.--Ik heb nu 't zelfde inkomen als toen ik 43 jaar geleden als +negentienjarig jongetje klerk bij de algemeene Rekenkamer te Batavia +was.--We weten nu wat toejuiching, opgang en Godonttroonen _in Holland_ +waard is!" (Brieven X. 192-193). + + + + + TER VERSPREIDING. + + + AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN. + + + Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan + gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer + algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, + naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van 't + "_Contagium dat er heerst in onzen staat_." + + Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, + in den Havelaar, in de Minnebrieven, in den Vrij-Arbeid, + in de Ideën. + + Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een + aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een + dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid + houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die + onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte + van zodanige onderneming in handen is van geldschieters. + + Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze + Couranten zijn... zo-als ze zijn. + + + Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, + die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, + hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij + van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, + hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst. + + + Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret + laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen + prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot + betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar + ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, + die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de + opbrengst der Ideën, al is dan ook, _voor Holland_, de opgang + van mijn geschrijf buitengewoon. + + Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een + spreuk of 'n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een + te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor + mijn autograaf Of liever, men beschouwe z'n uitgaaf ala een + bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik + langs dezen weg geraken wil. + + Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, + wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief, + _tien_ of _vijftig_ Gulden te zenden aan mijnen Uitgever, + de firma B. C. MEIJER, _Kalverstraat_ 246, Amsterdam. + + Voor _tien_ Gulden zal een STEENDRUK-EXEMPLAAR worden gezonden; + voor _vijftig_, een PHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, + (door Mitkiewicz te Brussel.) + + Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat + ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, + als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne + deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid--en wat rust!--kan + ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn + portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen + als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige + ingenomenheid met mijn werk. + + En--in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen + namaak--ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen + waarop mijn handschrift niet staat. + + + Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, + als ze _mij_ kost! + + + MULTATULI. + + + + + + _Aan de_ + + Firma R. C. MEIJER. + + Amsterdam. + + _Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden_: + + _Een_ Steendruk-Exemplaar / Photografie-Exemplaar van het + Portret van _MULTATULI_. + + _waarvoor hierin gesloten_ Tien / Vijftig _Gulden_. + + _Handteekening_: + + _Naam_: + + _Woonplaats_: + + + (Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door + te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven). + + + + Prospectus voor den verkoop van MULTATULI'S portret, waardoor + hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen + oprichten, 1865. + + + + +MULTATULI ALS DENKER EN HERVORMER + + +Als Multatuli met de _Max Havelaar_ geen onmiddellijke verbeteringen en +hervormingen ten bate van den Javaan en geen schitterende rehabilitatie +van Douwes Dekker kan verkrijgen, wordt uit den kolonialen profeet, +de Hollandsche hervormer geboren. In het staatkundige maatschappelijke +en geestelijke leven van zijn volk vind hij den grond van 't Indisch +wanbestuur. Al de scherpte van zijn pen, de hartstocht en virtuositeit +van zijn taal, gaat hij aanwenden om zijn landgenooten wakker te +schudden en te ergeren, om ze van geestelijke en conventioneele +gezagsbanden te bevrijden. Hij heeft altijd gehoopt dit met een eigen +tijdschrift of dagblad te bereiken: door geldgebrek is dit mislukt. + +In 1862 begint hij met de uitgave van _Ideën_: op ongezette tijden +gaf hij een vel _Ideën_ in lossen omslag, dat tevens diende als +correspondentieblad met zijn lezers. Zoo vormt zich een vaste +lezerskring van geestverwanten: hij geeft hun zijn _Ideën_, hij deelt +hun ook zijn persoonlijke wederwaardigheden mede over de Havelaarzaak, +'t proces Van Lennep, over aanvallen en doodzwijgen in de pers enz. + +De zeven bundels tusschen 1862 en 1877 verschenen zijn zeer +verschillend van gehalte en van inhoud: ze zijn "de Tines zijner ziel". + +Hij spreekt er in uit, wat hem vervult in korte, kernachtige parabelen +en verhalen, hij geeft eene satirische bespreking eener brochure over +een bidstond. Staatkundige beschouwingen wisselen af met fragmenten +zijner _Geschiedenis van Wouter Pieterse_. + +Buitengemeen levendig van stijl is vooral de eerste bundel: een stijl, +dien hij aan 't slot van _Max Havelaar_ heeft aangekondigd: + +"Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, +duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius' +_justum ac tenacem_! Trompetten hier, en scherp gekletter van +bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en +hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, +onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit!" + +In de eerste _Ideën_ stelt hij het oordeel van den enkeling boven dat +eener vergadering: uit dit denkbeeld volgt dan later de gevolgtrekking +over de ònwaarde van volkvertegenwoordigingen, van regeeren der helft + +1; een allergeestigste persiflage van dezen regeeringsvorm heeft hij +later in zijne _Specialiteiten_ gegeven. + +Groote waarde heeft het zelfstandig oordeelen: "De jeugd moet zich +oefenen in 't bepalen: (I. 10) "Om een voorwerp te teekenen is 't +niet voldoende den omtrek, de kleur en de schaduw van dat voorwerp +te kennen, men moet dat alles kunnen weergeven." (I. 11.) De groote +beteekenis van _juist uitdrukken_ stelt hij in 't licht: maar de +juist uitgedrukte waarheid maakt geen indruk, vandaar dat ze in +'t kleed van verdichting en verbeelding moet worden gestoken om +ingang te vinden. Zoowel in het puntig, scherp formuleeren zijner +denkbeelden, als in het dichterlijk inkleeden er van toont Multatuli +zich een meester. + +De strekking der _Ideën_ is in I. 136 uitgesproken: "De roeping van +den mensch is _mensch_ te zijn. Daarheen moeten leiden: opvoeding, +onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving, godsdienst." + +Maar de ontwikkeling van het waarachtig menschelijke wordt door +averechtsche opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving +en godsdienst juist belemmerd. Want deze instellingen berusten op +gezag, traditie en conventie, zij zijn ontaard tot dwangmiddelen, +terwijl ze wegwijzers tot vrijheid moesten zijn. + +De godsdienst is de hoofdschuldige: in naam van den godsdienst +wordt 't gezag van ouders over kinderen, van den man over de vrouw +gehandhaafd. Dogmatische frasen bederven het gezond verstand, een +onhoudbare mythologie wordt gegeven inplaats van nuttige kennis +der natuur. Wat M. ook bestrijdt, telkens komt hij neer op den +schadelijken invloed van het "geloof". Zijn spot, zijn sarcasme, +zijn verstandelijke kritiek zijn gericht op het doode vormelijke en +dogmatisch-kerkelijke geloof, dat hem sedert zijn jeugd een nachtmerrie +was geweest. De vormelijke godsdienstigheid heeft hij in al zijn +leegheid laten zien en van het afbreken van het gehate "geloof" +heeft hij intens genoten. Daaraan danken we een paar van zijn dolste +en geestigste parodieën: ten eerste de geschiedenis van den bidstond +den Elberfeldsche weezen, die zóó door den geest worden aangegrepen, +dat ze liggen te stuipen op de keldertrap! In hun waan zijn _deze_ +Christenen oprecht, maar diepe verachting koestert M. voor _die_ +geloovigen, die het op een akkoordje gooien met hun geloof: + + +"Als 't _waar_ is dat die goddienery nadeelig werkt... + +--Ja, zegt men, maar dat is sporadisch. 't Komt niet dikwyls voor. Hy, +zy, en ik hebben nooit gestuipt op de keldertrap. We _gelooven_... nu +ja, maar we laten ons niet dol maken. We doen behoorlyk onze zaken. We +gelooven... zóó, zóó... met gepaste matigheid. + +Die wezens staan me nader dan gy! + +Wie nonsens _gelooft_, en door krankzinnigheid bewys geeft voor de +oprechtheid van z'n geloof, heeft recht op medelyden en... genezing, +als er genezing mogelyk is. + +Maar gy die _gelooft_... ja, maar niet meer dan juist noodig is in +'t belang van uw "zaken"... gy die zondags 'n hemelvaart belofzingt, +maar 'n knecht zoudt wegjagen als hy in de week u kwam vertellen +dat uw grootboek was opgevlogen... gy die uw krankzinnigheid weet +afteknippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, +en niet te groot toch voor de aarde... gy die zoo verstandig zyt +als de verstandigste waar 't uw dadelyk belang geldt, maar meent +den Heere te dienen door dat verstand te leggen aan 'n halsbandje +van spinnewebbe of yzer, naar 't u voegt, zoodra er spraak is +van--veronderstellen--edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, +maar onder 't bidden en oefenen, gedurig 'n oog in 't zeil houdt van +'t aardsche scheepje... gy die 't beste deel van uw ziel bewaart voor +beurs, school, sociëteit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw +"_Heer_" te onthalen op wat afval... gy... + +Wat moet ik _U_ zeggen? Dit: ga naar de Elberfeldsche weezen, kryg +stuipen en wordt oprecht." (I. 179.) + +De tweede felle parodie leverde M. in zijn _Bakerpreek_: Stel dat M.'s +relaas van het salie-avondje van Juffrouw Pieterse eenmaal de heilige +Schrift der Opper-Aziaten zal zijn, dan zal zich in die streken na +50 eeuwen een kerkgeschiedenis, een dogmatische strijd en een geloof +hebben ontwikkeld, wier verloop analoog aan die van 't christendom +zal zijn. Ten stelligste ontkent M., dat deze parodie op dogmatisch +wondergeloof als aanval op het _heilige_ veroordeeld moet worden: + +"Spot met zoogenaamd 'heilige' zaken, bewijst niets tegen die zaken, +maar wekt de tragen op en geeft den vreesachtigen moed: _tot nadenken +over de vraag: of die zaken wel heilig zijn?_ Dit is veel gewonnen, +want dan is de tijd daar tot eenvoudige redeneering." (I. 395.) + +Door domheid en misverstand zijn de woorden van Jezus verknoeid: +maar voor de Jezusfiguur heeft M. groote bewondering: "Ik heb in veel +opzichten eerbied voor Jezus, maar volstrekt niet voor 't zoogenaamd +christendom. + +Er zijn door Jezus dingen gezegd die ik geloof--schoon ik ze niet +geloof _omdat_ hij 't zeide--maar in 't christendom-zelf geloof +ik _niet_. Ik ontken 't bestaan van dat christendom [10]. Ik heb +'t nooit ontmoet, nooit waargenomen, en ben overtuigd dat Jezus, op +aarde terugkomende, heel verwonderd wezen zou te hooren, dat men zich +naar hem noemde. Ik heb 'n neefje die spelfouten maakt en zich daarom +Multatulist noemt. Wat zou m'n aanhang groot wezen als dat opging. + +"Het christendom bestaat voor een groot deel uit neefjes die spelfouten +maken." (I. 186.) + +En in I. 57 lezen we: "Er is maar één weg ten hemel: _Golgotha_. Wie +er wil komen langs anderen weg is 'n infame smokkelaar." + +Fel tegenstander was M. ook van de toen opkomende moderne richting: +deze theologen streden óók tegen de versteening van het christendom +in dogma en wondergeloof. Maar volgens M. bleven ze halverwege staan +en waren niet consequent: in een geestige parabel verhaalt hij van +pasteibakkers, die zulke lekkere taartjes bakten, 'n winstgevend +beroep. Totdat scheikundigen ontdekten, dat er papaverstroop in +verwerkt werd! Een eerlijke pasteibakker verklaart geen taartjes meer +te zullen bakken; maar anderen pogen onschadelijke taartjes, met een +heel klein beetje slaapstroop te fabriceeren, om den taartjeswinkel +aan te kunnen houden, zonder strijd te voeren tegen de wetenschap der +chemisten... "De pogingen om de mystiekerij van 't oude geloof overeen +te brengen met hedendaagsche standpunten is even belachelijk--en +misdadig!--als 't schermutselen met 'politieke beginselen' die geen +wortel hebben in 't gezond verstand, omdat men daarbij voortdurend +verzuimt met de feiten te rade te gaan." (I. 453.) + +Terwijl M. de moderne richting en Renan heftig aanvalt, wijst hij +elders weer op de psychologische en symbolische waarheden, die in +mythologische verhalen van het Oude en het Nieuwe Testament, in +het dogma der erfzonde verscholen liggen: een schriftbeschouwing, +die de oude mystieken, zonder nog aan de historische feitelijkheid +te twijfelen, bij voorkeur hebben toegepast, en die door de +wijsgeeren sinds Lessings dagen als de godsdienstig eenig houdbare +is beschouwd. Geestig is de wijze waarop hij een loopje neemt met +de historiciteit van den wandelenden Jood (I. 800-803) en waarop +hij de verwarring schetst in het hoofd van den jongen, die Ovidius' +scheppingsgeschiedenis als _mythe_ mag beschouwen, maar die van +Genesis als _historie_ moet aannemen, op straffe zijn zaligheid in +gevaar te brengen. + +Ondanks zijn felle afbreken van alle "goddienery" wordt M. in een +sentimenteel oogenblik bekoord door de liefelijkheid van naïef geloof, +zooals blijkt uit de geschiedenis der Sainte-Vierge (I. 242), en de +figuren van Femke met haren katechismus en de oude pastoorsdienstbode +Stijntje uit _Wouter Pieterse_. Maar zijn afkeer van de bekrompen, +kleinzielige orthodoxie was zóó hartgrondig, dat hij de poëzie van +het naïef geloovige alleen bij Roomschen vermocht te vinden. + +Tot wijsgeerig verstaan en waardeeren van het godsdienstig leven is +hij niet in staat geweest: hij kende het christendom dan ook niet +uit zijn grootste vertegenwoordigers: Augustinus en de mystieken, de +groote dogmatische en wijsgeerige vertolkers van het christendom waren +hem niet bekend: hij bleef in de opvatting steken, dat godsdienst en +wijsbegeerte elkaar uitsluiten. Zijn strijd tegen een persoonlijk God, +persoonlijke onsterfelijkheid en tegen het vraaggebed bedoelt hij +als vernietiging van het geloof: inderdaad vecht hij tegen uitwassen +van het christendom, waartegen sommigen der grootste wijsgeeren en +theologen eveneens gestreden hebben. + +In de _Ideën_ vinden we twee gedachtenreeksen over de vraag, "wat +is waarheid", die voor M. gelijkluidend is met de vraag "wat is +God." Als hij de natuur als uitgangspunt zijner redeneering neemt, +dan is God gelijk aan de ijzeren wet der noodzakelijkheid; wel had hij +"liever te doen met 'n God die vatbaar is voor rede, maar dit kàn nu +eenmaal niet".-- + +"De _noodzakelijkheid_ die dit wil (n.l. dat 1 + 1 = 2), voorschrijft +en handhaaft, is almachtig, eeuwig, onveranderlijk, is _God_. Die +God bouwt zonnestelsels... + +Er is geen bol aan 't firmament, die niet z'n bestaan te danken heeft +aan 'n reeks van feitelyke syllogismen, even eenvoudig als 1 + 1 = 2. + +_Die_ God voegt samen, ontbindt, maakt, vermaakt, richt, wendt, buigt, +heft, perst en plet... + +Ja, plet! En knipt, als--in die andere plettery--de schaar, die ook +niet weet wat ze doet! + +Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet +toetehappen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we gaarne +wilden heelhouden! + +Bidden zou dus, als 't niet kinderachtig ware, een misdadige poging +zyn om de natuur te verlokken tot wanorde." (I. 162-163.) + +Gaat hij daarentegen van den mensen uit, dan vormt hij zich een God +naar eigen beeld: in de Woutergeschiedenis schetst M. hoe Wouter zijn +Godsbegrip opbouwde: + +"Geen '_Weg ter Zaligheid_' en geen katechismus was er in geslaagd +het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg, +en waarmee hy zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding +vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen, +het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo'n +Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n +natuurlyken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde hy +zich prins van geestelyken bloede, als ware hem de Fancy-vertelling +ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den +lezer inzage te geven in Wouter's stamboom. + +"Hoe hy 't aanlei om den god dien hy geschapen had, den god van 't +goede overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed +kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen." (I. 1083-1084.) En +als M. verteederd is door het naïeve geloof van een lief Roomsch +vrouwtje en een monnik besluit hij 't verhaal van zijn reisavontuur +met de woorden: "En in aller harten woonde liefde. Waardoor waren +die wonderen gewrocht? Door den godsdienst van het goede." Zoo +is er tegenstrijdigheid in zijn godsdienstige opvattingen, eene +tegenstrijdigheid, die we terugvinden in zijn levensideaal: hoewel +overtuigd, dat alles volgens de onverbreekbare wet der noodzakelijkheid +zich voltrekt, wil hij, Multatuli, overal ingrijpen om het goede +en het rechte te doen zegevieren. Hij wenscht macht en geld om al +zijn idealen te verwezenlijken; in zijn gesprek met Keizer Adolf in +'t Rijk der Gnomen zet hij dezen het volgende programma uiteen: + + +"Daarenboven is niet alles zoo goed als het, met eerlijke gebruikmaking +van de onveranderlyke wetten der lieve Natuur, wezen kon. De goedige +aarde levert voedsel genoeg, en toch wordt er gebrek geleden door +de menschheid... + +--Ik zal ze wat yzer zenden. + +--Om 's hemels wil, doe dat niet, Meester! Ze eten het niet, en maken +er ballen van om elkaar dood te gooien. + +--Wat salpeter? + +--Nog erger! Ook dat eten ze niet, en gebruiken het om die ballen +voortteblazen. Er zou voedsel in overvloed zyn, ging ik voort, en +toch hebben velen niet het noodige. Er is daarboven kennis genoeg +te samelen, en toch kwynt 'n zeer groot deel der mensheid weg in +walgelyke onwetendheid. Er is daar stof genoeg voor algemeene vreugd, +voor genot, voor geluk... en toch, Meester, toch blyven jammer en +leed hoofdtoon in de geschiedenis van dat arme mensdom! + +Meester, ik heb vyftig jaren op die aarde rondgedoold, en zelf veel +geleden, maar sedert ik de gaaf ontving m'n voelen tot denken te maken, +en verstand te scheppen uit de bron van het hart, sedert dien tyd +was me niets zoo bitter als 't aanschouwen van de algemeene ellende +die voortdurend de plaats inneemt van mogelyk algemeen geluk. + +En steeds kwam daarby de gedachte in my op: o, als ik te bevelen +had... _si j'étais roi_! + +Ik zocht macht om goed te doen. + +Maar, Meester, die macht bleef uit, vooral nadat ik, herhaaldelyk +getracht hebbende goed te doen zònder haar, hoe langer hoe machteloozer +werd gemaakt door de velen die belang hebben by 't kwade. + +Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! Ik wil meer goud dan gy +yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw gnomen en kobolden +mee. Ik moet me een plaats koopen in de volksvertegenwoordiging... + +--Worden die plaatsen gekocht? + +--Indirect ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen +zonder betaling. Ik moet dan, dóór of met geld, me een plaats +veroveren vanwaar ik waarheid kan doen hooren aan ministers... 'n +ministersplaats ook, om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld +heb ik noodig om zelf koning te zyn, opdat ik 't recht en de macht +bezitte goed te doen aan 't volk... liefst zònder ministers. Geld heb +ik noodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te onttroonen +in Afrika... en andere werelddeelen. Geld om bevoegdheid te koopen +_tot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen_. Geld +voor volksbibliotheken... + +--Je wilt dat het volk lezen zal? + +--Zóóver gaat m'n eerzucht niet. Ik wenschte dat het in staat werde +gesteld lezen te _leeren_, 'n kunst die nog in haar kindsheid is. De +meesten brengen 't daarin niet veel verder dan noodig is voor 'n +benoeming tot briefbesteller. Ik heb geld noodig, Meester, tot het +bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemeene +hygiène, geld tot het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte +oorzaken van watersnood en verzande havens. Geld tot het uitwisschen +van grenzen, geld voor vruchtboomen langs de wegen, geld voor den +beul... + +--Hè? + +--Ja, pensioen. Geld tot ondersteuning _zonder smaad_ van invalide +burgers, geld tot betaling van--des-noods onvrywilligen--arbeid +derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware, +d. i. _veredelende_ kunst. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld +voor _deugd_! En meester, zóóveel geld wenschte ik, dat er nà +dat alles nog iets overschoot om m'n lief gezin te behoeden tegen +gebrek." (Millioenenstudiën I: 43, 51-52.) + + +Terwijl hij de macht der noodzakelijkheid zoo klaar besefte, meende hij +zelf door Fancy geroepen te zijn, in de hopeloos verwarde samenleving +orde te brengen. Deze drang, deze overtuiging heeft hem voortgedreven +héél zijn leven door: ieder mensch in nood, in lichte of voorgewende +armoede, voelde hij zich gedrongen te helpen. En als helpen met geld +onmogelijk of onnoodig was, was hij altijd bereid zich voor zijn +medemensch _moeite_ te getroosten. Niet alleen de enkeling wil hij +bijstaan, zijn eerzucht gaat er naar uit de _menschheid_ wél te doen, +door de afwijkingen van de rede, van Logos weer goed te maken. + +In zijn later werk (in de _Millioenenstudiën_ voor 't eerst, later in +het tweede gedeelte van de _Woutergeschiedenis_) komt het inzicht dat +Fancy zonder Logos niets vermag en Fancy leert hem, dat de dichter +het _recht_ niet zal kunnen doen zegevieren met millioenen schats, +maar wèl door zijn _ideeën_. "Meent ge dat het mij meer moeite kosten +zou, u de _millioenen_ toe te werpen, dan ik aan 't vóórzeggen +der _Studiën_ besteed heb", is de vraag waarmede Fancy-logos van +M. afscheid neemt. Zijn dichterlijke verbeelding zal de geestelijke +waarden moeten scheppen, waardoor recht en goedheid onder de menschen +zullen zegepralen. + +Na jaren van worsteling om geld en invloed is deze verzoenende gedachte +gekomen, dat Fancy door den _geest_ overwint. + +Een vat vol tegenstrijdigheden dat was M. óók in zijn +wereldbeschouwing. Geweldig voorstander van welvaart en vrijheid +van het volk, wilde hij liefst voor zich de rol van een Napoleon +spelen. Van 't parlementaire stelsel,--de Tweede Kamer had hèm niet +in zijn strijd om den Javaan bijgestaan--verwacht hij niets goeds maar +hij weet er niets beters voor in de plaats te stellen! Als staatkundig +hervormer roept hij om een "derde partij", die de volkswelvaart en +niet het partijbelang zal dienen. Want de onmacht van regeering, +Kamers en partijen zijn de oorzaak van de groote ellende van 't volk. + + +"Ieder weet, dat myn bitterheid over den toestand van ons Volk zich +niet bepaalt by de zaken in Indië. Na de Havelaars-geschiedenis, +myn punt van uitgang, zag ik weldra in, dat de grond dieper +lag, dan in de luiheid en gewetenloosheid van plichtvergeten +gouverneurs-generaal. Achter zoo'n ellendigen van Twist zat een +minister. Achter zoo'n minister zat een Tweede-Kamer, ja... zelfs +'n Eerste. Wat zoo'n Eerste-Kamer beduidt is onlangs gebleken, +toen Duymaer van Twist daarin onverhinderd zitting nam. Niemand +drong den man ter deure uit. Niemand schaamde zich plaats te nemen +naast den medeplichtige aan zooveel roof, naast den moordenaar van +zooveel Saïdjah's. + +En achter de beide Kamers, zit, staat, ligt--of kruipt, als ge +wilt--het Volk, het Nederlandsche Volk!" (I. 583.) + + +Tot het Volk zal hij zich richten, op de ellende van het Volk zal hij +wijzen: hij zal opstandigheid prediken. In zijn tweeden bundel _Ideën_ +heeft hij zeer uitvoerig het werk van Le Play over _Les Ouvriers +Européens_ behandeld in verband met het welzijn van het Nederlandsche +Volk. In deze studie komt o. a. een gedetailleerd arbeidersbudget +voor. M. komt tot de slotsom dat de Hollandsche arbeider ja in vele +gevallen de kleine burger in ons land onder veel slechter condities +leeft en werkt dan de arbeiders in andere beschaafde en half beschaafde +landen van Europa, ja zelfs, dat de Hollandsche arbeider er slechter +aan toe is dan de zwarte slaaf! + +"De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel maar... zy +was openlyk, oprecht, frank. En: _de slaaf werd beschermd door de wet_. + +Wie beschermt den _witten_ slaaf? Wie verzacht of geneest den kanker +van de blanke slaverny? Ook dat is een _gruwel_, filantropen, en een +gruwel met toebehooren van huichelary en valsheid. + +De invoering eener _gereglementeerde_ slaverny met verplichting aan +den kant des meesters, om z'n eigendom behoorlyk te onderhouden, +zou voor zoo menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als +ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor 'n blanke, +en daarom is 't onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden +verheven zyn boven de begrippen, die slaverny dulden. Integendeel, +ze staan daar beneden, en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor +de verantwoordelykheid van 't patronaat, met 'n valsch kleursel van +eerbied voor menschenrecht. + +De christelyke beschaving is fyn en slim in hare berekeningen. + +Zy zegt: gy moogt niet _verkocht_ worden... ze meent: ik wil u +niet _koopen_. Zy zegt: ik wil niet dat ge _slaaf_ zyt... ze meent: +ik wil uw _eigenaar_ niet wezen. Zy zegt: behoudt uw _waarde_ als +mensch... ze meent: ik wil myn _kapitaals_waarde niet verliezen. Zy +zegt: geen _vernedering_ voor _u_... ze meent: geen _schade_ voor _my_. + +Want de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z'n _maag_ levert +hem gebonden over aan ieder die hem een maal aardappelen met azyn +betaalt. Hy _is_ slaaf, _minus_ 't recht op onderstand, _minus_ +registratiekosten, _minus_ gezegelden koopbrief, _minus_ rente +en risico. + +Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, +oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf, die werken +kan, en betaalt hem als z'n voorganger met 'n maal aardappelen daags... + +Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volk +_schandelyk_. Zeven-achtste deel der gehuwde mannen, moeten +de vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de +vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun jongen, +met minachting neerzien op 't verwaand menschdom, als ze wisten hoe +schraal de tafel bereid is, waarom 't aanzit." (Idee 451.) + +Als de oorzaak van deze ellende beschouwt M. de slechte regeering: de +constitutioneele koning is niet verantwoordelijk omdat hij onschendbaar +is en dus onmachtig, de ministers komen en gaan zóó snel, dat ze de +verantwoordelijkheid op hun opvolger(s) afschuiven. + +Als een pikant staaltje van de wijze hoe er bestuurd wordt, hoe de +bestuurders hun roeping begrijpen, wijst M. op 't volgende. + +"Wy weten nu eenmaal, dat het Volk geen vleesch eet. Voor 'n oogenblik +aannemende, dat het bestuur daaraan niets doen kan, zal 't toch waar +blyven, dat zoo'n feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe +de Gedeputeerde Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent +kwyten. Wy lezen in 't verslag van die provincie over 1861: + + + _Wij moeten nog wijzen op 't verblijdend verschijnsel, dat + de invoer van_ Smeer... + + +de "_Nederlandsche Industrieel_" voegt hier zeer gepast by: "_dat is: +de afval van ons naar Engeland gezonden vee_." + + + _... "smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de + geringe volksklasse het gemis van vleesch te vergoeden, + in de beide laatste jaren weder klimmende is_." + + +Het is moeilyk by zulke mededeelingen niet bitter te worden. + +Men vraagt zich wat de overhand heeft by die heeren Gedeputeerde +Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de wreedheid? + +Of zou er ironie liggen in dat _verblyden_ over 't verruilen van +versch vleesch tegen oud smeer? Zou 't een geestigheid wezen? Laat +ons het zachtste oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We +kunnen daarvoor de minder domme opinie teruggeven--niet als verblydend +verschynsel helaas!--dat 'n vlucht uilen, "zoo by-uitnemendheid +geschikt wezen zou... om H. H. Gedeputeerde Staten van Friesland +te vervangen". + + +In den noodtoestand der arbeidende bevolking ziet M. het grootste +gevaar voor de nationale toekomst. In de jaren tusschen 1866 en 1870 +toen Pruisen zijn grenzen uitzette, was de vrees voor annexatie hier te +lande levendig. De oud-minister--Professor Bosscha schreef een brochure +_Over Pruisen en Nederland_ om zijn landgenooten tot waakzaamheid, tot +geestdrift en... tot den vrijwilligen wapenhandel op te wekken. Deze +brochure prikkelde M. tot het schrijven over de ware oorzaken van +Nederlands onmacht tegenover een veroverend Pruisen; hij betoogt, +dat de hooggeroemde vaderlandsliefde die zich uit in bombastische +verzen en in... binnenkamers, een leugen is, dat "gymnastie, algemeene +dienstplichtigheid en scherpschuttersgenootschappen" slechts _middelen_ +zijn, maar dat dit niets helpt, zoolang _de geest in ons land niet +verbeterd is_. En geestdrift ontbreekt omdat de toestand van 't volk +ellendig is: de materieële toestand is miserabel en het geestelijk +leven eveneens. "Jacht op stijl overal, stijl, nergens. Overal +gemaaktheid, opgedrongen deftigheid, mislukte verheffing, brommende +leegte, conventioneel schrijversfatsoen, d. i. _leugen_.--De natie +is ziek, zeer ziek, en de naam dier ziekte, in welken vorm zij zich +ook voordoe, is _leugen_!" + +De materiëele ellende van 't volk is weer de grondoorzaak van geringe +ontwikkeling, minderwaardig vermaak. En 't nationaal bederf is niet +tot de arbeidersklasse beperkt: eenzelfde geest van lamlendigheid +doortrekt alle lagen der samenleving. Vandaar dat zeden en gewoonten, +kunst, godsdienst en staatkunde verleugend zijn. + +Door het scherp belichten van den maatschappelijken leugen heeft +M. veler oogen geopend. Met bijzondere voorliefde heeft hij het +minderwaardige lot der vrouw op de kaak gesteld. Hij doet een fellen +aanval op de zeden, die voorschrijven het meisje dom en onwetend +te houden, die de vrouw toestaan slechts de huishoudster van haar +man te zijn, die de ongetrouwde vrouw tot werkeloosheid en hysterie +veroordeelen. De zeden, die de verhouding der geslachten bepalen, +zijn in aanhoudenden strijd met de hoofdwet der Natuur. + + +"We willen haar dwingen tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot +alleenzyn, waar ze haakt naar verbinding. Tot scheiding, waar ze +aandringt op vereeniging. We dringen ons als plicht op, die Natuur +te verkrachten. + +Deze verkrachting--of de voortdurende vruchtlooze poging +daartoe--noemen we _Deugd_. + +Onze geheele opvoeding van de meisjes is 'n moorddadige opstand tegen +het goede." (I. 203.) + +"Wat maakt ge van onze dochters, o zeden! Ge dwingt haar tot liegen +en huichelen. Ze mogen niet weten wat ze weten, niet voelen wat ze +voelen, niet begeeren wat ze begeeren, niet wezen wat ze zyn. + +"Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen +meisje. Zoo spreekt geen meisje!" + +Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zoo'n arm +ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen +haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met +smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als ze behoorlyk +verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven--dat noemen de +zeden _braaf_!--dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar 't loon +komt aanbieden voor zooveel braafheid door 'n aanstelling tot opzichter +over z'n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard +geslacht aan den gang te houden. 't Is wel de moeite waard!" (I. 195.) + +Het ascetisch ideaal van het christendom vindt hij uit den booze. Met +innige verontwaardiging vaart hij uit tegen het negeeren van de vrouw +door den Evangelist en legt een nieuwe lezing in den schoonen gedragen +stijl van het Evangelie naast de oude van Mattheus XIX over het ware +huwelijk, dat niet alleen lichamelijke gemeenschap, maar ook die van +ziel en geest insluit. + +Tegenover de vaak zoo treurige werkelijkheid stelt M. het ideale +huwelijk, tegenover de dwingende zeden predikt hij vrije liefde. Al +moge hij het niet als de _ideale_ verhouding aanprijzen, in ieder geval +beschouwt hij het als een bevrijding uit den ascetischen dwang der +zeden. In het Holland zijner dagen wekken deze ideeën heftig verzet: +de schrijver wordt als een toonbeeld van onzedelijkheid uitgekreten. + +Ook op zedelijk gebied heeft M. de denkbeelden der Europeesche +romantiek in ons land vertolkt: eerzame Hollandsche letterkundigen +hadden romantische stoutigheden slechts verzacht en verwaterd durven +weergeven [11]. + +Maar in M. lééfde hetzelfde gevoel van opstandigheid als in Byron, +Heine, Shelley e. a.: in zijn _Ideën_ kwamen deze gevoelens daardoor +eerst tot uitbarsting in een taal, gelijkwaardig aan die der groote +romantici. Al moge M. nog zoozeer beïnvloed zijn door deze denkers en +dichters, al mogen de sporen van hun invloed in zijn werken telkens +zijn aan te wijzen, toch is hier geen sprake van slaafsche navolging: +uit zijn _Brieven_ blijkt het, dat ideeën die van zijn jonge jaren +af in hem woelen, onder invloed zijner lectuur zijn bewust eigendom +zijn geworden. En met zijn wondere taalbegaafdheid heeft hij in later +jaren wat in hem leefde zóó pakkend, zóó meesleepend weten te uiten, +dat scharen van jongeren door zijn wóórd den strijd voor vrijer +levensopvatting hebben aanvaard. + +Tal van jongen vrouwen en meisjes heeft de Geschiedenis van Thugater +(uit de _Minnebrieven_) en die van de kleine Agatha (I. 182) de +oogen geopend! + +Niet alleen de meisjes-opvoeding moest herzien, heel de +onderwijsmethode moest gewijzigd: van M. is uitgegaan een krachtige +beweging om de doode onderwijsmethodes door nieuw levend onderwijs te +vervangen. In _Wouter Pieterse_, levert hij een felle charge op de +verschoolsching van het lager onderwijs in de figuren van Pennewip +en Stoffel, terwijl hij in de wijze waarop Dr. Holsma zijn kroost +onderricht, vingerwijzingen geeft omtrent een leermethode, die het +kind tot denken, tot zelfvinden aanmoedigt. + +Goed onderwijs moet opleiden tot _vrije studie_, moet geschikt maken +voor het leven. + + +"'t Is niet waar dat die maatschappy den jongen van zestien jaar +met open armen ontvangt, omdat-i weet te vertellen wat Semi-Ramis +heet verricht te hebben, hoe Rusland begrensd is, aan welke rivier +Groningen ligt, enz. + +'t Is _niet_ waar, dat ze hem 'n paar jaar later onder hartelyk +_welkom!_ bekleed met de _toga virilis_, omdat-i nu verstand heeft +van kegelsneden, en na veel tobben in-staat is 'n bladzy te vertalen +uit Virgilius of Homerus... by-voorkeur altyd die eene! + +'t Is _niet_ waar, dat de akademische dissertatie waarvan-i +ten-langen-laatste door de kunst verloste, hem wordt toegekend als +diploom van mannelykheid! + +Na al 't verwringen en verkrachten van de Natuur, op school +en kollegiebanken, blyft alzoo den ouders niet eenmaal de +verontschuldiging dat de Maatschappy tot zoo'n leiding dwingt. 't +Allereerste waaraan de jongeling die de wereld intreedt, behoefte +heeft--nadat men twaalf, veertien jaren besteedde om hem voor die +wereld geschikt te maken--is... ontbolstering. Wel 'n bewys dat de +voorbereiding allergebrekkigst was! Wat naar de school riekt, is in +'t werkelyk leven onbruikbaar. + +Eilieve hoe kan dit worden overeengebracht met de voorgewende +bedoeling, dat men hem naar school zond _om hem geschikt te maken +voor dat werkelyk leven_?" (I. 876.) + +Merkwaardig is het, dat M. de theorie van Montessori voorziende als +voorwaarde voor vruchtbaar onderwijs den eisch heeft gesteld, dat +een bepaalde leerstof pas gegeven mag worden, als 't kind er zich +toe voelt aangetrokken! + +"Dezelfde leerling die nu misselyk wordt gemaakt van Tacitus, +zou misschien z'n grootste vreugde scheppen in 't ontleden der +werken van dien schryver, als-i vooraf liefst uit eigen aandrift +had leeren belangstellen in de daarin behandelde zaken. Er komt +'n tyd dat de knaap zich voelt aangetrokken door de vaak treffende +verhouding tusschen uitgebreidheden en getallen. Wie ooit, byv. des +nachts wakker liggende, zich bezig-hield met de evenredigheid tusschen +zekere lynen en figuren op tapytwerk of behangsel, zal me begrypen. Een +ander zal behoefte voelen aan kennis van de wys waarop de stoffen +zyn samengesteld. Hy wil weten wat ze vereenigt, hoe ze ontbonden +worden? Dan is de tyd voor de scheikundige les gekomen, niet toen de +knaap met 'n onvriendelyk: wat gaat my dat aan? de boodschap afzei, +die men hem brengen kwam op ongelegen uur. + +Gy die dit alles nooit bedacht, drinkt ge bier by uw ontwaken? Eet +ge stokvisch tot ontbyt? Kolft ge in de kerk? Is 't dan zoo moeilyk +te begrypen dat ook verstandelyke _indrukken_ hun tyd kiezen, en dat +wy alzoo verkeerd handelen, de wenken te verkrachten, die de Natuur +ons daaromtrent zoo duidelyk geeft? + +Ik verwacht niet anders dan dat de meeste _onderwyzers van beroep_ +me ongelyk geven, en hoor sommigen zeggen: + +--Nu, als ik wachten zou tot _die_ jongen me naliep om wat te weten +van driehoeksmeting, van stuifmeeldraadjes, van germaansche oudheid... + +Ik geloof 't gaarne! Ge hebt _niet_ gewacht, en kunt dus niet weten +wat er zou geschied zyn, als ge de begeerte naar kennis behoorlyk +had laten rypen. + +Of er kinderen zyn, by wie deze begeerte zich nooit openbaart? + +Deze vraag kan ook anders gesteld worden, en wel--ik beveel deze +methode ook voor andere vraagstukken aan--op 'n manier die 't antwoord +meebrengt: men wenscht te weten, of sommige kinderen schadeloos +kunnen verdronken worden? Wel zeker, er zyn idioot-geborenen! Maar +niet in de behoeften van deze ongelukkigen zoeke men het richtsnoer +ter beoordeeling van 't onderwys waarop 'n welgeschapen kind +aanspraak heeft. We mogen niet willens en wetens het getal der +geestelyk-mismaakten vermeerderen." (I. 873-874.) + + +"Door dwang verstoppen we de rykste bron van genot en _goed zyn_: +'t onafhankelyk denken. En dit niet voor 'n oogenblik alleen, maar we +leggen daardoor den grond tot den vervloekten afkeer van geestelyke +inspanning, tot de roestige luiheid die onze maatschappy kenmerkt. + +Er zou gewis 'n tyd aangebroken zyn dat de knaap, na uit eigen beweging +z'n oorsprong en dien van den mens te hebben nagevorscht de vraag deed: +waar kwamen de Hollanders vandaan? Liever zag ik dat-i z'n denkvermogen +besteedde--en dit zòu geschieden als men 't niet bedorven had--aan +'t geologisch beschouwen van de wyze waarop Nederland _ontstaan_ +is." (I. 864.) + + +Als van 't begin af belangstelling de drijfveer is van het +leeren, kan vrije studie op volwassen leeftijd eerst tot zijn recht +komen. Uitvoerig staat M. stil bij de beletselen, voor 't streven naar +waarheid: vooroordeel, belemmering van 't onderzoek en ongeschiktheid +van den onderzoeker. Hij wijst ook op 't nadeel van te ver gedreven +specialiseering in de wetenschap, waardoor de ruime blik verloren +dreigt te gaan. Tegen schoolsche wijsbegeerte trekt hij te velde: +alleen Locke kan genade bij hem vinden. + +Al komen in deze latere bundels nog wel pittige, korte uitvallen voor, +(zoo b.v. I. 933 en 936: _Principes heb ik niet_ èn _Nederland is +vol principes_),--toch is 't karakter sterk gewijzigd: rustiger, meer +betoogend dan bewerend wordt zijn werk. Zoo geeft hij zeer uitvoerige +beschouwingen over bekende, klassieke Hollandsche dichtstukken: +Rotgans, Feith, Hooft, Bilderdijk neemt hij kritisch onderhanden. Hij +wijst al in de richting van de kritiek van de _Nieuwe Gids_ als +hij klaagt dat onze heele letterkunde van den dag _namaak_ is, als +hij Rotgans als namaak van namaak veroordeelt, en het bestaan van +alle _kunstregels_ loochent, want "de ware artist teekent de Natuur +na, _zooals die zich aan hèm vertoont_. Men kan evenmin iets goeds +voortbrengen door 't volgen van modellen, als zich voeden met de spijs +die 'n ander gegeten heeft. Kunstbesef werkt van binnen naar buiten en +niet andersom. Een kunstprodukt dat op andere kunstprodukten gelijkt +deugt niet." (I. 1181.) + + + + +DE GESCHIEDENIS VAN WOUTER PIETERSE + + +Aan de Woutergeschiedenis, het rijkste werk van zijn rijken geest, +heeft M. jaren gearbeid. Het is een van de honderd boeken, die hij na +'t schrijven van _Max Havelaar_ in het hoofd had. Het begin is al +vóór 1862 geschreven: in de _Minnebrieven_ gewaagt hij van _Fancy_, +die in een koffer te Laeken ligt. + +In den eersten bundel _Ideën_ is deze Fancy-geschiedenis opgenomen; +geërgerd door de bekrompenheid, domheid en kwaadaardigheid zijner +landgenooten slaakt de ideënschrijver den kreet: "Wat poëzie, +mijn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walgelijks +om mij! Lieve Fancy wilt ge mij een sprookje voorzeggen?" Zoo is de +Woutergeschiedenis een vlucht uit de werkelijkheid: inplaats van ideën +_over_ de werkelijkheid geeft hij nu een beeld van de moeitevolle +worsteling der idee, om zich in een menschenkind te ontwikkelen. Hij +geeft zijn ideën als een sprookje, gekleurd door Fancy's schoone +schijn. Maar de beelden hem door Fancy voorgetooverd wekken telkens +den kritischen geest van den schrijver: dan onderbreekt hij 't verhaal +van Wouters wederwaardigheden om fouten in onderwijs en opvoeding, +onrecht en bekrompenheid in leven en kunst aan te wijzen. En deze +uitweidingen dijen herhaaldelijk tot verhandelingen uit. + +Zoo is de Woutergeschiedenis ten nauwste verbonden met de _Ideën_; +maar al staat ze verspreid in verschillende bundels (n.l. in bundel 1, +2, 5, 6, 7) toch is ze een gehéél van groote schoonheid. [12] + +Met de _Woutergeschiedenis_ doet het _kind_ zijn intrede in de +Hollandsche literatuur: geen Hollandsch dichter heeft vóór hem de +wonderwereld der kinderziel ontsloten. Toch waren de Hollanders +dier dagen niet ongevoelig voor de charmes van het kind, getuige hun +versjes op de eerste tandjes en stapjes. Maar het waren uitingen van +oudervreugde over voorspoedige groei, het was nog niet het liefdevol +zich verdiepen in de kinderziel. Ook hierin was Holland verre ten +achter: sinds de dagen van Rousseau hadden Europeesche kunstenaars en +paedagogen het kind bestudeerd. Rousseau gaf zijn _Emile_, Bernardin +de St. Pierre _Paul et Virginie_ en Duitsche romantici als Hoffman en +von Sallet beeldden in _Das fremde Kind_ en _Contraste und Paradoxe_ +het zieleleven van het kind uit. + +Deze lijn heeft Multatuli in onze letteren voortgezet, later hierin +gevolgd door Van Eeden met zijn _Kleine Johannes_. + +Al deze romantische kindergeschiedenissen zijn gebouwd op de +tegenstelling tusschen het geestelooze groote-menschenbestaan en de +dichterlijke aspiraties van de kinderziel, tusschen doode beschaving +en levende natuur. Rousseau ging uit van het dogma dat de beschaving +den mensch heeft bedorven, dat teruggang tot de natuur redding +beteekent. Emile wordt daarom opgevoed in strenge afzondering; zoo +opgevoed kan zich een nieuw geslacht ontwikkelen, vrij van de smetten +der beschaving. Paul en Virginie groeien op in de tropische natuur, +bewaakt en geleid door twee hoogstaande moeders: het beste der oude +cultuur, ontdaan van schadelijke invloeden, werkt hier dus mede aan +de natuurlijke ontwikkeling. In deze idyllische omgeving ontwaakt het +zinnenleven op zijn zuiverst: aandoenlijk is de schildering van de +ontwakende liefde in deze twee reine kinderharten. Het conventioneele +is in strijd met den aard van het kind. Deze ontplooit zich op zijn +schoonst temidden der natuur: de Duitsche romanticus von Sallet [13] +laat bovendien in zijn Julius den dichter ontwaken. Het romantisch +aangelegde kind groeit op in een conventioneel bankiersgezin: de meest +krasse tegenstelling tusschen dorre deftigheid en ontwakende poëzie is +hier geteekend. Van een zonderlingen oom krijgt hij een wonderglas: als +Julius verrukt thuiskomt met romantische verhalen over de heerlijkheden +door zijn glas in 't bosch gezien, krijgt hij een braakmiddel, daar +zijn moeder vreest, dat hij giftige bessen heeft gegeten, maar als hij +rijmende regels schrijft wordt hij als een wonderkind bewierookt. Zijn +fantasieën grijpen hem zóó aan dat hij in ijlende koortsen valt: aan +zijn romantisch fantasieleven gaat hij te gronde. Het wonderglas, +de fee, die hem verschijnt, en hem een rozetak meegeeft, die het +heele kantoor van den bankier met rozengroei overwoekert,--dat zijn +sprookjesmotieven, door de Duitsche romantiek bij voorkeur gebruikt +om de tegenstelling tusschen de nuchtere werkelijkheid en de wereld +van den droom te symboliseeren. + +Geen dezer romantische kindergeschiedenissen heeft M. zonder meer +nagevolgd. Enkele hoofdgedachten, kenmerkende verhoudingen en karakters +vinden we in de geschiedenis van Wouter Pieterse terug. M. weet een +haast wetenschappelijke nauwkeurigheid in de analyse van Wouters +gemoedsleven te paren aan gevoelig weergeven van zijn innerlijk door +de sprookjesachtige Fancy-verschijning. De tegenstelling tusschen +de starre vormelijkheid der groote menschenwereld en de poëzie der +kinderziel is bij M. niet kunstmatig en schematisch gebleven daar 't +hem gelukt is deze tegenstelling in een greep uit 't volle leven uit +te beelden. In dit opzicht zet hij de goede realistische traditie +der Hollandsche kunst voort: de kleinburgerlijke milieus uit de +Woutergeschiedenis zijn verwant met die van Breeroo, Wolff en Deken en +Beets. Emile staat _buiten_ de maatschappij, Julius is als rijkelui's +kind van de maatschappij afgesloten, maar de kleinburgerlijke Wouter +is van kleine jongen af nooit ontzien in de realiteit van gezin, school +en maatschappij. De wisselwerking tusschen den invloed zijner omgeving +en den drang van zijn innerlijk leven is zeer nauwkeurig nagegaan. + +Wouter is een kind met dichterlijken aanleg, en met een sterken drang +tot al wat groot en goed is. En daarbij komt een groote eerzucht: +hij vraagt zich af, waarom God zooveel slechts duldt, als _hij_ +God was, dan ... En dit kind met zijn bizonderen aanleg is door de +ironie van 't lot geplaatst in een geestelijk-doode omgeving. Fatsoen, +zedelijkheid, onderwijs, godsdienst alles is verburgerlijkt en ontaard +tot geestelooze vormen in de familie Pieterse, in Pennewips school, +bij juffrouw Laps, bij zijn vrienden de Hallemannetjes, "die zoo +bizonder fatsoenlijk waren", en in de handelszaak van Kopperlith op +de Keizersgracht. Wouter wordt hoogst fatsoenlijk en godsdienstig +opgevoed: en die opvoeding is even bekrompen als de woning en de +denkbeelden zijner omgeving. + + +"Hoe moet de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de +muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z'n geheel +bestaan. De arme jongen was bewinseld en bezwachteld van z'n geboorte +af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met +_twee woorden_ spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, +mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, +zwarte mannen voor stoute kinderen, 'oogjes toe' voor en na 'n +boterham, slapen met opgetrokken knieën, _zonde_ doen, angst over +gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement +van gevoeligheid... arme Wouter!" (I. 405.) + + +Het is de lectuur van den rooversroman _Gloriozo_ die in hem de +fantasie wakker roept en met den droom den wensch om zèlf ook een +roovers-, een heldenrol te spelen. Het verlangen naar een àndere +omgeving ontwaakt en in zijn droomerijen vermengen zich zijn +droomwenschen met zijn kleine-jongens-ervaringen. + + +"Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van +dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden +maakten met z'n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat +voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel +beter gaan, meende hy in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van z'n +moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen +sleep zooals die gravin? Hy had z'n bybel niet moeten verkoopen... dat +is waar... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar +dan behoorde hy toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op +z'n muts, zooals in 't boek stond. Ook verveelde hem z'n broer Stoffel, +en z'n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy +begreep niet waarom de heele familie niet naar Italië ging, om daar +'n behoorlyke roovery op te zetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, +dacht-i en Slachterskeesjen ook niet. + +'t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z'n vers... + +Alle Woensdagen namelyk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend +waren geweest, en daarom waard gekeurd werden mee te dingen naar +den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had +opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot zyn deel gekregen, +niet zonder toespeling op z'n vroegtydige verdorvenheid, en den +wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelyke +verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en +hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i +de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem +'t naast aan 't hart lag, de roovery." (I. 282.) + + +Dat rooverslied leidde tot een geweldige katastrophe; meester Pennewip +klaagt Wouter ten aanhoore van den heelen vriendenkring van den huize +Pieterse aan: zelfs de huisdominee komt aan zijn zedelijke verbetering +te pas. + +Terwijl bij de Pietersens harmonie is tusschen benepen omgeving en +benepen denkbeelden, groeit Wouters ziel juist tegen de verdrukking +in. Hij ontvlucht zijn thuis om bij molens, slooten en greppels te +lezen en te droomen. En daar verschijnt Fancy hem; hare verschijning +steekt hem aan met onmetelijkheid. Hij vindt eene vertrouwde voor zijn +droomen in een eenvoudig, lief waschmeisje, in Femke. Femkes sfeer +is die van natuurlijke naïeviteit, van het zuiver menschelijke, door +geen conventie verwrongen. _Hier_ kan Wouter zich onbelemmerd uiten en +daardoor innerlijk groeien: tegenover de versteende godsdienstigheid +van 't Protestantisme ontmoet hij daar Pastoor Jansen, die met +beminnelijke, eenvoudige vroomheid en goedheid en zonder valsche +verhevenheid zijn wonderlijk geloof aanhangt. + +Femke wekt een kinderlijke liefde in Wouter: hij wil haar ridder +zijn--hij verdedigt dan ook haar bleek tegen jongens die met steenen +gooien--hij droomt dat hij haar Koningin van Afrika zal maken. + +Als 't kind ziek wordt en zware koortsen krijgt ten gevolge van +zijn overspannen fantasieleven, ontfermt Dokter Holsma zich over +hem. In het gezin Holsma is de hoogere levenshouding tegenover de +vlakke burgerlijkheid der Pietersens en de naïve menschelijkheid +van vrouw Claus en Femke geteekend. Holsma is de ideale opvoeder en +zielearts. Hij wil Wouter leeren zijn onbeteugelde fantasie, zijn +vage verlangens te beheerschen en te regelen, nu hij de grens van +kind en jongmensch bereikt heeft. + +Het gezin Holsma is met voorliefde geschetst; maar het lééft niet +als de Pietersens: het is niet geboren uit de verbeelding van den +kunstenaar, maar uit het brein van den hervormer. + +Holsma en de zijnen zijn verheven boven het enge standsgevoel: ze zijn +verwant met de lieve Femke, maar ook met Prinses Erika. Ze bespreken +beide verwantschappen als de natuurlijkste zaak ter wereld. Want +standsverschil valt weg voor ware menschelijkheid. Hiertoe voedt +Holsma zijn kinderen op. Hij leert ze zèlf onderzoeken, zelfstandig +oordeelen. En het klinkt voor Wouter als een openbaring als hij de +doktersvrouw hoort zeggen: + + +"Ieder moet handelen naar zijn eigen overtuiging." Want het was hem +vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon worden opgevat, +dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien ook--mits 'n +volwassen persoon!--werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of +niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als 't vernomen nieuws, +dat _hy_ 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje zwol er van... + +Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk een gevolg van de methode waarop +men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem +leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak +geweest. Tweemaal twee is... zóóveel, Prins die of die is 'n held, +brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn +byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy +wist niet dat er _twyfel_ bestond, en hield dus z'n begeerte om iets +meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts +enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z'n weetgierigheid, +maar 't was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z'n rechtsgevoel +gestruikeld over die vuile historie van Jacob en Ezau. Byna voelde hy +'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't gedrag van den aanstaanden +aartsvader, en hy begon reeds met 'n enkel bescheiden woordje... maar +de dominee overlaadde hem met verwyten. "Zulke vragen pasten geen +kind!" heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer van-plan was uit +Jacobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzenhistorie volkomen +_fair play_ was. "Men moest niet verstokt zyn." De arme jongen bad +dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken +zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan +zedekundige analyze van Jacobs handelingen, en van Gods ingenomenheid +met dien schurk. + +Zoo ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy +in alles wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden +niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in +z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, +en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n +overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal +op-eens genezen kon. + +Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van +beredeneerden twyfel. Hy wist toch, dat duizenden en millioenen +menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en +Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de +noodzakelykheid, dat er soms 'n _keuze_ tusschen meeningen moest +gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen +en--by Wouter in zeer letterlyke zin nog--kinderachtig, maar 't was +zoo." (I. 1060.) + + +Bij het bezoek van Napoleon ziet Wouter in den Schouwburg en in 't +gedrang in een herberg een meisje met Noord-Hollandsche kap, waarin +hij Femke-Fancy meent te herkennen. Het is de zonderlinge prinses +Erika, die verwant is aan Femke en 't doktersgezin. Dit prinsesje +voelt zich in de stijve, gladde, vorstelijke omgeving niet bevredigd: +zij zoekt in den degelijken eenvoud van vrouw Claus en in de ruwheid +van 't volksleven de ware menschelijkheid. In de herberg ontmoet ze +Wouter en meent in hem haren broeder te herkennen: onbewust spreekt +ze waarheid als ze Wouter als "mein Bruder" betitelt: want beide +kinderen zijn onvoldaan, beiden zoeken het ware leven in de sfeer, +die aan hun eigene tegengesteld is. + +Bij de beroepskeuze begaan de Pietersens een nieuwen flater, door +hem in een beruchte zaak op de Zeedijk te plaatsen: sigarenwinkel +en... leesbibliotheek. Het opgaan in een ruimer romanwereld redt +Wouter in deze omgeving en dan komt hij op het deftige kantoor van +Kopperlith op de Keizersgracht. Deze Amsterdamsche deftigheid van de +hooge stoepen heeft M. meesterlijk geteekend, en ook de neerdrukkende +invloed van deze ziellooze omgeving op Wouter. + +Maar ook in handelskringen staat tegenover vervlakking en versteening +warm menschelijk gevoel. Tegenover de deftige opgeblazen voornaamheid +van het handelshuis op de Keizersgracht teekent Multatuli de jodenbuurt +met z'n lèvenden handel. Deze beschrijving van de Jodenbuurt, die +van een onderlingen handel in oude prullen en bedorven goed leeft, +is een waardige tegenhanger van die der techniek van den duffen handel +in katoentjes en diemeten. + +En in dien jodenhoek ontmoet Wouter de oude grootmoeder met hare +bedorven vijgen en haar kinderen en kleindochtertje. Als Wouter 't +gevallen kindje optilt en troost, worden deze eenvoudige menschen +vriendelijk en welwillend voor hem. + +Zoo vindt Wouter in alle kringen de tegenstelling tusschen doode vormen +en zuiver menschelijk gevoel. Bij Holsma die geestelijk boven deze +uitersten staat vindt hij leiding: deze wijst kern op zijn naasten +plicht, om hem van 't vage, doellooze fantaseeren te genezen. + +Want onder zijn zoo uiteenloopende ervaringen blijft Wouter droomen: +naast de dogmatiek van kerk en katechisatie bouwt hij zijn eigen +godsgeloof op, peinst hij over 't raadsel hoe een goed en almachtig +God zooveel verkeerds dulden kan... Als hij, Wouter, almachtig +ware, dan... "O Femke, als ik almachtig was, ik zou je... Neen, ik +zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De +engelen moesten 'n katechismus maken met honderdduizend vragen, +en... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen +bybelteksten die geen mensen begrypen kan. + + +Kyk, zóó--maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze +niet weet: + + +_Waarom valt 'n appel?_ + +_Groeit 'n boom van-boven of van-onder?_ + +_Waarom ben ik zoo verdrietig?_ + +_Waarom gaapt men elkaar na?_ + +_Hoe weet iemand of de pijn die hij in 't hoofd voelt, hoofdpijn is?_ + +_Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?_ + +_Hoe wist Adam dat hij eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i +de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?_ + +_Hoe verstond-i Gods taal?_ + +_Zou_ Stoffel _wel eens 'n fout gemaakt hebben?_ + +_Waarom begryp ik nooit wat juffrouw_ Laps _zegt? Is 't waar dat zy +de genade heeft? Hoe kom_ ik _er aan?_ + +_Wat moet 'n mensch doen om veel te weten, om... alles te weten?_ + +Alles? Hm?" (I. 1118). + + +De Woutergeschiedenis is niet voltooid: we verliezen Wouter uit 't oog +als hij met pastoor Jansen op weg is naar Haarlem om de gevolgen van +een dommen streek goed te maken. Wèl had M. zich voorgenomen Wouter tot +zijn dood toe te volgen: daarom liet hij hem omstreeks 1800 geboren +worden maar de bittere ontstemming, gewekt door Van Vloten's kritiek +in diens brochure _Onkruid onder de Tarwe_ en het uitblijven van de +hervormingen in staat en maatschappij, waarop hij zoo herhaaldelijk +had aangedrongen, hebben voorgoed zijn stemming bedorven en Fancy +uit zijn gemoed verdreven. "Mijn voornemen was in den _Wouter_ +'n schets te geven van den strijd tusschen hoog en laag, tusschen +zielenadel en ploerterij. Wouter is een nieuwe--en betere!--Faust, +een Don Quichot naar den geest. Ontevredenheid met mijn publiek--dat +niet lezen kan--belette mij telkens voort te gaan. Ik durf me vleien +met de meening dat het nageslacht dit jammer vinden zal." + +Zoo verlaten we Wouter op 't oogenblik dat hij het groote leven in +zal gaan: hij is bezield met goede voornemens om alleen aan zijn +naastbijliggenden plicht te denken--maar de weg naar de hel is ermee +geplaveid, voegt M. er aan toe. En hoe makkelijk hij aan zijn neiging +toegeeft om in 't lot van anderen reddend in te grijpen blijkt weer bij +'t standje bij de Haarlemmerschuit, waar hij met 't geld dat Prinses +Erika hem gaf om _eigen_ domheid te herstellen, twee meisjes uit de +handen van een verdacht wijf loskoopt! + +Ook dit tafereeltje is naar 't leven geteekend: uit de school +van Jan Steen! En tòch is er een groot verschil tusschen M.'s +werk en de naturalisten na hem: als romantisch humorist stelt hij +zich telkens tusschen den lezer en zijn figuren. Hij geeft in zijn +teekenend proza een levenden indruk van de geschetste milieus, van +Wouters droomleven: maar telkens valt hij met zijn redeneering de +scheppende Fancy in de rede. Kenmerkend is in dit opzicht het tafreel +van de Fancy-verschijning bij de draaiende molens: eerst weet hij de +stemming van Wouter bij die draaiende wieken en de liedjes die ze hem +suggereeren met zijn woordkunst te wekken, om eensklaps nuchter op +te merken, dat die molens net waren als andere molens; hij versterkt +niet den mystieken indruk dier molens maar verstoort ze. + +M. vergenoegt zich niet met 't schetsen van Wouters ontwikkeling, +voor hem is de ontwikkeling van dit mensch-exemplaartje, beeld en +gelijkenis van de ontwikkeling der menschheid. Wouters innerlijke +groei geeft dan ook telkens aanleiding om opmerkingen over legende- +en mythevorming, over folklore en psychologie te plaatsen. En door +de heele Woutergeschiedenis loopt als draad de overtuiging, dat de +overgeleverde godsdienstvormen een beletsel zijn om ware religie +in den mensch te doen ontkiemen. Het besef van 't goede in Wouter +is zuiver, terwijl de z.g. godsdienstigheid die men hem in gezin, +kerk en school tracht bij te brengen, een karikatuur is van 't geen +in zijn kinderlijk gemoed leeft. + +In de Woutergeschiedenis heeft M. een epopée willen geven, waarin +hij, "den strijd schetsen wilde van het goede in den mensen tegen de +boosheid, den reuzestrijd van ware heilige poëzie tegen 't leugenproza +dat ons de wereld voor waarheid geeft." + + + + +VORSTENSCHOOL + + +Hoe zeer de wereld die M. in Vorstenschool voor ons onthult ook +van Wouters milieu moge verschillen, toch vinden we in dit drama de +motieven van _Woutergeschiedenis_, _Havelaar_ en _Minnebrieven_ terug. + +In regeeringskringen is het geestelijk bederf, de versteening +al evenzeer doorgedrongen als in die der kleine burgerij: +van bijzaken, futiliteiten zijn de koning en zijn ministers +vervuld. Uniformenwijzigingen, intriges e. d. nemen hun leven in +beslag: om 't recht, om 't wel en 't wee van 't volk denken zij +niet. Onbeduidend, slecht en geesteloos zijn zij, die geroepen zijn +leiding te geven aan het volk. Maar in dat volk lééft toch nog, nederig +en verscholen, het waarachtig menschelijke. Tegenover de Droogstoppels +en Slijmeringen van 't hof plaatst M. de idyllische Hansje en den +dichterlijken Albert, als een tweede Saïdjah en Adinda. Ook hier +naïeve, reine menschenkinderen in wie de liefde 't gevoel voor +poëzie wakker roept. En boven de verdorvenheid der regeering en de +liefelijkheid dezer volkskinderen troont de ware, begrijpende, edel +willende mensch, koningin Louise, de Havelaarfiguur uit het drama. + +De bedrijven, waarin de koningin hare sociale idealen uiteenzet, heeft +M. 't eerst geschreven en op lezingen voorgedragen. Hij, die zelf van +kind af gedroomd had van koninklijke macht, om alle kwaad in goed te +verkeeren, laat nu zijn ideeën over volkswelvaart uitspreken door +een vorstin, die van oprecht idealisme vervuld is, die met energie +naar middelen vorscht om de volksellende te doen verdwijnen. + +De intrige, aan een Fransch werkje ontleend, is eenvoudig: eenige +hovelingen zetten een intrige op touw om een minister, die hun in den +weg staat te doen vallen. Zij verbreiden 't gerucht, dat de graaf een +nacht op Louise's rust heeft doorgebracht: inderdaad had de koningin +urenlang met den minister in gezelschap harer moeder gearbeid om +middelen te beramen om het volk op te heffen. Ze heeft heele bundels +verzameld met: + + + "Berichten over alles wat bij 't Volk Niet is zooals het + wezen moest, en toch-- Dát hoop ik!--eenmaal anders wezen zal." + + +Zij wijst erop, evenals M. in I. 451, dat géén stand honger +voorschrijft, en dat geen stand tot gebrek gedoemd kan zijn. Door +hare onderzoekingen maakt ze ook kennis met Hanna, een naaistertje, +die voor het moederlooze kindje van haar buurman Puf zorgt. Een +hoveling weet Puf wijs te maken dat Hanna 's nachts heeren van +'t hof ontvangt en hij vertelt 't verder: 't praatje over Hanna +en graaf van Weert, moet dat over van Weert en de koningin in de +wereld helpen. Maar Hanna wil de koningin niet offeren om eigen naam +te redden. En als haar broeder en de koningin, die haar incognito +bezocht, er op aandringen dat ze voor eigen goeden naam zal zorgen, +weigert ze met gloed. En als dan een hoveling als lakei verkleed haar +komt raden bij den koning een klacht in te dienen, daar er getuigen +zijn, dat van Weert dien nacht op Louise's rust had doorgebracht, +doorziet Louise de intrige en de afstraffing volgt. + +Er zit spanning en gang in het stuk, maar karakterontwikkeling +ontbreekt. Het is een tendenz-stuk om de leugen der liberale en +behoudende politiek op de kaak te stellen, om zielenadel boven den +armzaligen, intrigeerenden hofadel te verheffen, om ware vorstelijkheid +over een in futiliteiten opgaand koningschap te doen zegepralen. + +Het zijn dezelfde gedachten, elders pakkender reeds uitgesproken, +die nu in dramatischen vorm gegeven worden. Evenmin als in _De Bruid +daarboven_ heeft M. hier een eigen vorm voor zijn gedachten gevonden: +toen zweefden hem tooneelstukken van Kotzebue e. d. voor den geest, +nu werkt hij in den trant van het verhevener historische drama met +zijn gebonden stijl. + +In _Vorstenschool_ heeft M. weer een zijner dichtproeven opgenomen: +nl. het vers over poëzie, waarvan de eerste regel luidt: + +Daar is een kracht, uit hooger kracht gesproten... + +Dit gedicht is door en door rhetorisch, onzuiver in zijn beeldspraak, +en onwaar in de voorstelling; want in M.'s mond is het gewagen van de +klanken van 't suizend loof, dat "opwekt om te bidden en te danken" +een dichterlijke leugen. Evenals de gedichten van Bilderdijk en Da +Costa wordt ook dit vers van M. gedragen door pathos en rythme. + +Multatuli laat Hanna dan ook een loopje nemen met dit vers: "Hij +noemt de dingen heel anders dan ze zijn of heeten".--"Maar me dunkt, +men hoeft de dingen niet zoo op te sieren. Dat is onnoodig werk, +want ja is ja, en neen is neen, niet waar, en daarmee uit!" + +Poëzie is wel geen leugen, maar toch ook niet flinke ronde waarheid, +oordeelt Hanna. De ontroering roept later in haar het gevoel voor +poëzie wakker en ze heeft den goeden smaak slechts enkele sobere +woorden uit Alberts vers aan te halen: ware poëzie kan al dien +rhetorischen omhaal missen. M. staat blijkbaar sceptisch tegenover +zijn eigen dichterlijke proeve! + +Het heeft groote moeite gekost _Vorstenschool_ opgevoerd te krijgen: +geen enkel tooneelgezelschap durfde het aan, men vreesde, dat 't als +kritiek op den koning kwalijk zou worden genomen, 't Was nog kort +geleden, dat Busken Huet de Gidsredactie had moeten verlaten omdat hij +de koningin en de hofdames sprekende had ingevoerd om een almanakje af +te kammen! Het is aan het kordate optreden van Mina Kruseman gelukt +_Vorstenschool_ opgevoerd te krijgen. Door haar optreden tegen +kritiek en journalistiek had zij het publiek op haar hand weten +te krijgen in haar strijd om het tooneel te verheffen en Holland +wakker te schudden. Als directeuren van tooneelgezelschappen haar +mooie aanbiedingen doen voor een contract, stelt ze als voorwaarde, +dat ze alleen in Vorstenschool als eerste rol zal optreden. In den +zomer van 1874 teekent ze haar contract met Legras, Van Zuylen en +Haspels. Een enthousiaste brief schrijft ze aan haar vrienden in +Wiesbaden en ze vraagt wat Dekkers eischen zijn als auteur. Hij wil +echter de opvoering van een Hollandsch stuk niet drukken door tantième +voor den schrijver. Toch weet Mina Kruseman hem te bepraten honorarium +aan te nemen en ze weet het ook te bedingen evenals een uitnoodiging +om de repetities bij te wonen. + +Tragisch is het conflict geworden tusschen den schrijver en de actrice +bij de repetities: het begint met een verwijt per brief, dat zij door +f 200.-- honorarium voor zichzelf, de speelster van Hanna's rol en den +auteur te bedingen, _Vorstenschool_ zal smoren. "Mij ware 't aangenamer +(en vooral nuttiger!) indien _Vorstenschool_ op meer gewone condities +_of in 't geheel niet gespeeld_ ware!" Het komt tot een finale breuk +tusschen Mina en Douwes Dekker; en hij gaat zelfs zoover het spel van +Mina Kruseman openlijk te veroordeelen, terwijl zij de eenige was, +aan wie de opvoering te danken is geweest. + +Ondanks deze onaangenaamheden is de opvoering een groot succes +geweest. Multatuli is op het tooneel gehuldigd en ook in de volgende +jaren heeft hij geregeld eenige maanden in Holland doorgebracht +om lezingen te geven. Nu deze door den tooneeldirecteur Haspels +georganiseerd werden, was het succes groot. Zoo heeft de opvoering +van _Vorstenschool_ direct en indirect den persoonlijken invloed van +den grooten schrijver op ons volk versterkt. + + + + +MILLIOENENSTUDIËN + + +De _Millioenenstudiën_ verschenen in 1870 als feuilleton in het +Dagblad _Het Noorden_. Daar de lezers er niets van begrepen werd het +feuilleton gestaakt; in 1873 werd het werk eerst voltooid. + +Het vlijmend sarcasme, de bitterheid en de opstandigheid van +_Minnebrieven_ en _Ideën_ is hier gelouterd tot den waren humor. Deze +zuiverder meer bezonken stemming openbaart zich in meerdere +luchtigheid van vorm, in rijkere fantasie, in wondere fijnheid +en vrijheid van inkleeding. Er is geen uitgesproken strekking in, +'t is geen strijdschrift: 't is alsof M. met een fijnen glimlach +op eigen streven neerziet, of hij in de onvermijdelijkheid zijner +teleurstellingen berust. + +Geestig gevonden is het begin: + + +"Ik schryf ditmaal niet voor burgerlui. Zelfs prinsen en genien wier +inkomen iets minder mocht bedragen dan 'n zak guldens per uur, worden +beleefd--of des-noods onbeleefd--verzocht zich niet met myn geschryf +te bemoeien. Willen zy zich beteren... _à la bonne heure!_ + +_A tout péché miséricorde_, maar eerst... beterschap. + +"Ik wil ook burgerlui of arme vorsten en verkeerdgeborenen in de +gelegenheid stellen deeltenemen aan myn feuilleton, door hun den weg +te wyzen die tot beterschap leidt, _i. e._ door hen millionairs te +maken als anderen. Zoodra de allerarmste zóó rijk is, dat hy met z'n +geld geen raad weet, mag ieder my lezen. + +Wie er tegen dien tijd zal broodbakken of schoenmaken, jazelfs hoe +"_Het Noorden_" 't zal aanleggen om m'n feuilleton gezet en gedrukt +te krygen... dàt weet ik niet. Maar m'n bekommering daarover is +niet groot, omdat ik in m'n splinternieuwe funktiën van _richard_, +me niet behoef intelaten met staathuishoudkunde. Dat is 'n vak voor +arme drommels." + + +Hij gaat aan zijn "lieve mede-rijken" de pasverworven schatten toonen, +die hem voor een paar nachten ontsloten werden. Hij was n.l. door een +luik in de ruïne Sonnenberg gevallen en daar terecht gekomen in het +rijk der Gnomen, waar Keizer Adolf van Nassau den schepter zwaait. Hier +hoopt hij de kunst te leeren om aan de speeltafel millioenen te winnen +en hij ontvouwt den keizer zijn hervormingsprogram, waarvoor hij die +schatten noodig heeft. + +Deze wijst hem echter terecht over vele aardsche opvattingen, al +erkent hij zelf nog niet lang genoeg _onder_ de aarde te vertoeven +om alle vooroordeelen te hebben overwonnen. + +Zij spreken over vorsten en volkeren: tegenover M.'s vorstenverguizing +en volksbewierooking wijst Adolf op de slaafsheid der volkeren als +keerzijde van vorstendwingelandij. Adolf kapittelt hem over zijn te +groote royaliteit: en leert hem de nutteloosheid hiervan inzien. Aan +het luchtige schetsje zijner ontmoetingen met het kellnerinnetje +Staccata ligt een bittere ervaring ten grondslag: de edele idealist, +die belangeloos geeft, wordt zelfs door de beweldadigde niet +gewaardeerd: ze begrijpt beter, wie haar wil bedriegen, dan wie haar +edelmoedig een verlies wil vergoeden. + +En onder den grond leert hij Logos kennen: Logos zonder wien niets +tot stand komt en die ook met verbeteringen en hervormingen _den tijd_ +heeft. Wat Fancy hem voortoovert, zal Logos verwerkelijken, maar niet +plotseling. "Maar is dan dichterlijkheid 'n leugen, één leugen? + +--Zonder Logos, ja! Met Logos, neen! + +--Vervloekte fantasie! + +--Mens, laster Fancy niet! Ook in 't allerkleinste is ze machtig +boven alles." + +Harmonie, eenheid van verstand en verbeelding is de nieuwe +gedachte door M. gegrepen; zoo heeft hij in beginsel overwonnen de +tegenstrijdigheid zijner wereldbeschouwing. + +Ook het onredelijke van zijn verlangen om met millioenen de wereld +te verbeteren heeft hij ingezien. Hij ziet Logos aan het werk in de +speelzaal, want "de alles beheerschende rede openbaart zich--gelijk +overal!--op eerbiedwaardige wijze in de speelzaal". En terwijl hij bij +de Gnomen nieuwe wijsheid opdoet, eigen eenzijdigheden leert inzien, +verwerft hij een redelijken kijk op de wereld in de speelzaal. De +speelbank bedriegt niet: ze laat ieder de kans door Logos, door +de noodzakelijkheid hem gegeven. Met fijne ironie brengt M. zijn +lezers aan het verstand dat het bij het zoogenaamde onzedelijke +hazardspel heel wat eerlijker en oprechter toegaat, dan bij vele +handelspraktijken, die zoogenaamd eerlijke en fatsoenlijke burgers +zich veroorloven. Zoo schetst M. een verzamelaar van Vieux-Delft +en een deftig Amsterdams beursbezoeker, die hun schatten verwierven +door zedelijk minderwaardige handelingen; zij staan met hun bedrog +en leugen heel wat lager, dan wie een eerlijke kans aan de roulette +wil wagen. En naast deze sarcastische schetsen ontbreekt ook het +sentimenteele element niet: in Rouge-perd wordt 't vrouwtje geteekend, +dat _moet_ winnen om haar man te redden, en ze wint inderdaad! + +Deze losse schetsen boven den grond uit de speelzaal en onder-den-grond +uit 't gnomenrijk vat M. ten slotte samen in één tooneeltje, waar hij +alle personen, die hij door zijn naakte voorstelling hunner zedelijke +waarde beleedigde, laat opkomen, om hierover op te spelen: het is +een soortgelijk motief om de eenheid in de speelsche verscheidenheid +zijner _Millioenenstudiën_ vast te leggen als het koortsvisioen uit +de _Minnebrieven_. Maar de ware eenheid in de grillige, schijnbaar +zoo onmethodische werken van Multatuli is Fancy, die nooit van Logos +verlaten is. + + + + +BESLUIT. + + +Bij weinig schrijvers zijn leven en werken zoo nauw verbonden geweest +als bij Multatuli. Hij heeft eigen persoonlijkheid, eigen streven, +eigen innerlijk én uiterlijk leven in het middelpunt zijner werken +gesteld. Zijn leven heeft hij aan 't verwerkelijken en verkondigen +zijner Ideën gewijd. + +In _Max Havelaar_ (hoofdstuk 6) geeft hij een goedgelijkend, zij +het eenigszins geflatteerd zelfportret. De grondtrekken van zijn +karakter heeft hij zuiver getrokken: Een vat vol tegenstrijdigheden, +scherp als een vlijm en zacht als een meisje; een geest, die 't +hoogste en ingewikkeldste terstond vatte en de eenvoudigste zaak soms +niet kon begrijpen; een geest, die beide kanten tegelijk zag en een +buitengewone gave bezat, om wat hij niet door studie of waarneming +kent, intuïtief te benaderen, en om 't geen hij weet kantig en scherp +omlijnd weer te geven; scherp verstandelijk en gevoelig tot in 't +weeke en sentimenteele toe. Deze tegenstrijdige eigenschappen komen +scherp uit door het spontane zijner uitingen. Van aard was hij zacht, +gevoelig, hulpvaardig, vol vroolijken humor; het leed van anderen te +verzachten, hulpbehoevenden bij te staan, was hem een ware behoefte: +een warm-voelend, spontaan mensch met een groote geestdrift voor +recht en waarheid. Bij dezen nobelen aanleg kwam een groote eerzucht, +en persoonlijke ijdelheid: maar een eerzucht en ijdelheid van hooger +orde, daar ze gericht waren op de zegepraal van het goede. Doordrongen +van het besef steeds de ware belangen der menschheid op het oog te +hebben, beschouwde hij kritiek op zijn doen en laten eerder als een +aanval op zijn ideaal, dan als een poging hem in zijn streven door +goeden raad bij te staan. + +Hij heeft geen scheiding getrokken tusschen leven en ideaal, tusschen +droom en werkelijkheid. Hij heeft in de praktijk van het leven +uitgedragen, wat hem in zijn dichterdroomen als waarheid gold. Hij +heeft ernst gemaakt met de overtuiging, dat het in dit leven om +gerechtigheid gaat; de hoogste goederen der menschheid wáren hem de +hoogste: als kind, als jonge man droomt hij er van, als volwassene +offert hij eigen belang op aan zijn levensideaal. + +Hij heeft in groote geestdrift het offer van Lebak gebracht, spontaan, +zonder berekening. Zeer zeker is de harde levensstrijd hem bitter +tegengevallen: in zijn naïveteit had hij op glorierijk herstel zijner +carrière gerekend, zoodra 't zij de Gouverneur-Generaal, 't zij de +Hollandsche regeering zouden hebben ingezien, dat _hij_ gelijk had, +dat hém en den inlander onrecht geschied was. + +De strijd voor recht en vrijheid is hem bitter tegengevallen, +daar hij de menschheid naar zichzelf beoordeeld had: hij had zijn +landgenooten even groot zedelijk enthousiasme, vrijheidsliefde, +rechtvaardigheidsbesef en spontanen hervormingsdrang toegedicht, +als in hem leefde. + +Zoo ondervindt hij teleurstelling op teleurstelling, grief op grief: +hij wordt verbitterd. Dit roept niet altijd het nobelste in hem wakker: +ook leelijke kanten van zijn karakter teekenen zich af. Maar krachtig +blijft in alle ontbering, leed en teleurstelling zijn idealisme. Zijn +tijdgenooten veroordeelden zijn excentriciteiten: 't was voor +een gemiddelden Hollander om van te rillen, dat een man, die uit +armoede schulden maakt zijn weinige contanten herhaaldelijk gebruikt +om nijpenden nood die zich op zijn weg vertoont, te lenigen. Zeer +zeker is het onpractisch tot in 't liefdelooze toe om aan een oude +bedelares de f 25 te geven, die hij juist aan Tine zou verzenden, +die in Brussel met hare kinderen gebrek leed. + +Maar een practisch, berekenend mensch, die met bestaande toestanden +rekening houdt, zal uit puur idealisme geen goede positie met +recht op goed pensioen weggooien. Zoo heeft hij ontegenzeggelijk +naastbijliggende plichten verwaarloosd: hij heeft vrouw en kinderen +aan zijn ideaal geofferd. Maar ook _eigen levensgeluk_ heeft hij +geofferd. En zijn vrouw heeft in zijn enthousiasme gedeeld, zij heeft +zijn offer goedgekeurd. + +In het Holland van ± 1860 was het gezin het hoogste, zorg voor vrouw +en kinderen het heiligste. Het godsdienstig geloof dier generaties +was een beeld van het ideale gezinsleven. Iemand die hoogere plichten +wilde laten gelden, plichten tegenover de menschheid, beschouwde _men_ +òf als slecht òf als gek. En door zijn vrije ideeën over huwelijk en +zedelijkheid, zijn minachting voor "principes", zijn aanvallen op den +godsdienst, waren velen overtuigd van zijn minderwaardigheid. Want dat +is de excentriciteit bij uitnemendheid, het ideaal als richtsnoer van +'t leven te kiezen, om liever schipbreuk te lijden dan te schipperen, +om de groote doeleinden te zien en de kleine te miskennen. + +Hij heeft in droomen en visioenen geleefd, wier verwerkelijking hij +aanstaande achtte: telkens meent hij dat het lukken zal--en dan volgt +weer de ontnuchtering die bitter maakt. Hij wilde tastbare hervormingen +en verbeteringen invoeren: hij wilde een Napoleon zijn. Eerst na jaren +heeft hij ingezien, dat hij een Rousseau was: dat Fancy hem niet met +de macht van het geld, maar met de macht der Idee had toegerust. En +gedachten, ideeën werken langzaam door. + +Multatuli was zóó verdiept in zijn levensdroom, dat hij in +het practische leven telkens mistast: ook al door zijn groote +impulsiviteit. Hij leeft alleen in het oogenblik! + +Een groote onevenredigheid tusschen levensdroom en levenspraktijk, is +niet te miskennen. Deze is mede de grond van zijn mislukt gezinsleven, +zijn armoedig bohême-bestaan, zijn gebroken carrière, zijn geschokt +evenwicht. + +Eenzijdige vereerders zien alleen zijn edel streven als grond van +zijn levensoffer en van zijn geniale scheppingen, zijn bestrijders +en bedillers geven uitsluitend acht op zijn tekortkomingen tegenover +zijn gezin en zijn schuldeischers, zij laken zijn onbekookte en +onberedeneerde uitvallen, zij wijzen er op dat zijne daden niet op +de hoogte staan zijner woorden. + +Vereerders en bestrijders zien beiden maar een kant van dezen +tegenstrijdigen èn daardoor ook veelzijdigen mensch. Hij was niet +evenwichtig; zijn gestel èn de omstandigheden zijn hiervan de +oorzaak. Een karakter in den hoogsten zin des woords was hij niet, +maar wel een mensch met nobelen aanleg en nobele impulsies, wien zijn +idealen meer waard waren dan aanzien en voordeel. + +Dat waarheid en gerechtigheid 't hoogste waren, was geen fraze in +zijn mond. Dit heeft den stempel van waarachtigheid gedrukt op zijn +levenswerk. + +Al heeft hij in zijn levensgedragingen de hoogere eenheid van droom +en werkelijkheid niet verwezenlijkt, in zijn boeken heeft hij deze +doen _leven_, en zóó doen leven, dat hij een der groote bevrijders is +geworden van het maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk. + + + + +INHOUD. + + + Inleiding + Jeugd en Kinderdroomen + Indische Leerjaren (1838-1845) + Verloving en Huwelijksjaren in Indië + Verlof in Holland + De daad van Lebak + De Max Havelaar + De Minnebrieven + Het tweede Huwelijk + Multatuli als Denker en Hervormer + De Geschiedenis van Wouter Pieterse + Vorstenschool + Millioenenstudiën + Besluit + + + +Het recht van reproductie der afbeeldingen en handschriften door +den uitgever streng voorbehouden. + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Brieven I: 128-130. + +[2] Dit verwijt Caroline hem in een brief. + +[3] Brieven I: 116. + +[4] Brieven I: 78. + +[5] Brieven II: 27. + +[6] Zie de Bruyn Prince: _Officiëele Bescheiden_, blz. 234-235, 256, +facsimile's bij blz. 248, en Brieven I: 33. + +[7] Brieven II: 40-41. + +[8] Brieven II: 141-146. + +[9] Door verklaringen van den medicus van zijn voorganger is de +vergiftigingsgeschiedenis op afdoende gronden weerlegd. Dit neemt +niet weg, dat D. D. er in Februari 1856 vast aan geloofde en zijn +stemming er door bepaald werd. + +[10] Jezus is driemaal gekruisigd. Eens door de Joden, vervolgens door +z'n levensbeschrijvers en eindelijk door de christenen zelf. Hij had +nooit kwaadaardiger vijanden dan de laatsten. (M.) + +[11] Dr. Prinsen geeft sprekende voorbeelden hiervan in zijn boek +over Multatuli en de romantiek. + +[12] Door Multatuli's weduwe is het eerst een afzonderlijke uitgave +der _Woutergeschiedenis_ bewerkt; door schrijfster dezes is de +Woutergeschiedenis opnieuw uit de _Ideën_ gelicht. + +[13] Zie Dr. Prinsen, Multatuli en de Romantiek, blz. 291 vlg. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Multatuli, by J. Van den Bergh van Eysinga + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MULTATULI *** + +***** This file should be named 22640-8.txt or 22640-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/2/6/4/22640/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
