diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 20542-8.txt | 5831 | ||||
| -rw-r--r-- | 20542-8.zip | bin | 0 -> 131104 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h.zip | bin | 0 -> 2587748 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/20542-h.htm | 4669 | ||||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1360.jpg | bin | 0 -> 185726 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1363.jpg | bin | 0 -> 143499 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1365.jpg | bin | 0 -> 105419 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1368.jpg | bin | 0 -> 110645 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1369.jpg | bin | 0 -> 98152 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1370.jpg | bin | 0 -> 94309 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1373.jpg | bin | 0 -> 113665 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1375.jpg | bin | 0 -> 94519 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1379.jpg | bin | 0 -> 91520 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1389.jpg | bin | 0 -> 158928 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1393.jpg | bin | 0 -> 133015 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1394.jpg | bin | 0 -> 107484 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1398.jpg | bin | 0 -> 168242 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1400.jpg | bin | 0 -> 177058 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1401.jpg | bin | 0 -> 98821 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1404.jpg | bin | 0 -> 143349 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1407.jpg | bin | 0 -> 136077 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1410.jpg | bin | 0 -> 153285 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20542-h/images/p1415.jpg | bin | 0 -> 136758 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
26 files changed, 10516 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/20542-8.txt b/20542-8.txt new file mode 100644 index 0000000..a145bee --- /dev/null +++ b/20542-8.txt @@ -0,0 +1,5831 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 8: De Tandeloozen; Hoofdstuk 9: De Slurfdieren; + Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: February 8, 2007 [EBook #20542] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + +Achtste Orde. + +De Tandeloozen (Edentata). + + +De bloeiperiode van deze Zoogdieren-orde is voorbij. In den voortijd +leefden in Brazilië Tandeloozen, zoo groot als een Neushoorndier en +nog grootere; de kolossaalste, thans nog levende leden der orde hebben +hoogstens de afmetingen van een flinken Wolf. Onder de uitgestorven +soorten waren er, die een overgang vormden tusschen familiën van +hedendaagsche Edentaten, die nu door diepe kloven van elkander +gescheiden schijnen. Maar ook aan enkele van de thans nog bestaande +soorten zal misschien weldra het lot beschoren zijn om, evenals de +vormen der voorwereld, vernietigd te worden: hunne dagen zijn geteld. + +Bij de leden dezer diergroep is weinig te bespeuren van +overeenstemming, die men bij de vertegenwoordigers van elk der +andere Zoogdieren-orden opmerkt. Het belangrijkste kenmerk, dat zij +gemeen hebben, en dat hen van de overige Zoogdieren onderscheidt, +is de eigenaardige samenstelling van het gebit. Er zijn onder de +Tandeloozen wezens, waarop de naam der orde in haar zuiverste +beteekenis toepasselijk is, daar bij hen geen spoor van tanden +voorkomt; bij de overige, die wel degelijk (en soms zelfs zeer +vele) tanden hebben, ontbreken nagenoeg altijd de snijtanden; de +tusschenkaaksbeenderen zijn nl. bij alle Edentaten weinig ontwikkeld, +en alleen de in deze beenderen voorkomende tanden met die, welke er +in de onderkaak aan tegenovergesteld zijn, heeten snijtanden. (Alleen +bij de Gordeldieren treft men een paar onbeduidende tandjes in het +tusschenkaaksbeen aan.) Echte hoektanden zijn er evenmin; deze naam +komt nl. toe aan de tanden, die op den grens van het tusschenkaaksbeen +en van het eigenlijke bovenkaaksbeen geplaatst zijn. Nu is wel bij +eenige Luiaards de voorste kies zeer dicht bij den voorrand van het +bovenkaaksbeen gelegen en door een tusschenruimte van de overige +kiezen gescheiden; hij onderscheidt zich echter in geen enkel opzicht +van de maaltanden behalve door zijn grootere lengte. De maaltanden of +kiezen hebben steeds een eenvoudigen, cilindrischen of prismatischen +vorm en zijn door tusschenruimten van elkander gescheiden. Zij zijn +wortelloos en bestaan uitsluitend uit tandbeen en cement, zonder eenig +email. Slecht bij weinige soorten (Aardvarkens en sommige Gordeldieren) +worden zij gewisseld,--gewoonlijk dus maar éénmaal gevormd. Het +aantal van deze tanden varieert van de eene familie tot de andere, +en verschilt soms zelfs aanmerkelijk bij soorten, die tot eenzelfde +groep behooren: eenige hebben slechts 20, andere wel 100 tanden. + +De nagels zijn bij deze dieren zeer krachtig, maar eveneens +vreemdsoortig ontwikkeld. Zelden zijn de teenen volkomen beweeglijk, +altijd echter dragen zij nagels, die het uiteinde van het nagellid +_geheel_ omgeven, en zich hierdoor reeds duidelijk onderscheiden +van de eigenlijke klauwen, die altijd aan het onderste gedeelte +van de holle zijde een spleet vertoonen. Bij sommige zijn zij zeer +lang, sterk gekromd en zijdelings samengedrukt, en bewijzen bij +'t klimmen belangrijke diensten, bij andere zijn zij korter, breed, +bijna schopvormig en uitmuntend geschikt voor 't graven en wroeten +in den grond. + +Door het bespreken van het gebit en van de nagels hebben wij de +algemeene kenteekenen van de Edentata uitgeput; want in alle andere +opzichten vertoont hun lichaamsbouw een zeer groote menigvuldigheid +van verschijnselen. Hun lichaamsbekleeding vooral wisselt af binnen +zeer wijde grenzen; deze afwijkingen zijn nagenoeg even groot als bij +alle overige Zoogdieren tezamen genomen. Sommige dragen een dichte, +zachte vacht, andere een ruig, dor haarkleed; deze zijn met borstels, +gene met schubben bedekt; bij eenige is het lichaam gehuld in een uit +schilden (door een hoornlaag bedekte beenplaten) samengesteld pantser, +zooals bij geen der andere Zoogdieren gevonden wordt. + +De Edentaten zijn thans tot drie faunistische rijken beperkt, n.l. tot +het Oostersche, het Ethiopische en het Zuid-Amerikaansche. Azië +bevat slechts Schubdieren, Afrika bovendien nog Aardvarkens. De +Edentaten-fauna van Zuid-Amerika biedt een grootere verscheidenheid +van vormen aan; hier vindt men de Luiaards, de Mierenleeuwen en de +Gordeldieren. Van de thans levende zoowel als van de uitgestorvene +Tandeloozen, valt in overeenstemming met de ongelijkheid van hun +lichaamsbouw, ook een zeer belangrijk verschil in levenswijze te +vermelden. + + + +In de eerste plaats moet de familie van de _Luiaards_ (_Bradypodidae_) +genoemd worden omdat de weinige, hiertoe behoorende soorten nog +het meest van alle Edentaten door hun uiterlijk op de overige +Zoogdieren met klauwen gelijken. Naast deze maken zij echter door +hun onbehaaglijken lichaamsbouw, hunne stompzinnigheid en traagheid +een zeer treurige figuur. Buffon beschouwde ze als "door de natuur +stiefmoederlijk bedeelde diervormen, de eenige, die reeds bij de +geboorte ware toonbeelden van ellende zijn."--De voorste ledematen +zijn bij hen aanmerkelijk langer dan de achterste, de voeten met +kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend. De hals is betrekkelijk +lang en draagt een ronden, korten kop. Wegens de geringe ontwikkeling +der tusschenkaaksbeenderen, de kortheid en breedte der neusbeenderen +verkrijgt het aangezicht een zonderling stomp aanzien, waardoor het +op dat van een Aap gelijkt; de kleine mondopening wordt door meer +of minder harde, weinig beweeglijke lippen begrensd; de oogen zijn +klein, de oorschelpen geheel in de vacht verborgen. De staart is een +niet of nauwelijks zichtbaar stompje. De haren van het volwassen +dier zijn lang en grof als hooi, en hebben een geheel anderen val +dan bij de overige dieren; zij zijn n.l. van den buik naar den rug +gericht. Bij de in vrijheid levende dieren hebben zij een groenen +tint door een Alge (_Chroolepus_), die er op leeft. Zeer opmerkelijk +en geheel afwijkend van 't geen bij de overige Zoogdieren voorkomt, +is de bouw van de wervelkolom. In plaats van 7 halswervels, zooals +bij alle andere leden der klasse, vindt men er bij enkele Luiaards 6, +bij andere 9, bij uitzondering zelfs 10; het aantal ribbendragende +wervels (rugwervels) bedraagt bij den Aï 14, bij den Unau 24. Het +gebit bestaat uit 5 cilindervormige maaltanden in elke helft van de +bovenkaak; in de onderkaak zijn er bij _Choloepus_ vier, bij _Bradypus_ +vijf; de voorste van elke reeks is bij _Choloepus_ grooter dan de +volgende en hoektandvormig; bij _Bradypus_ is hij daarentegen kleiner +dan de overige. + +Het verbreidingsgebied van de Luiaard is tot Zuid-Amerika beperkt. De +groote wouden in de vochtige vlakten van dit vasteland, waar de +plantenwereld het toppunt van ontwikkeling bereikt, verschaffen +woonplaatsen aan deze merkwaardige wezens. Hoe wilder, donkerder en +schaduwrijker het woud is, hoe ondoordringbaarder de wildernis, des +te geschikter schijnen deze plaatsen voor het leven van de genoemde +dieren, die, daar zij tegen andere dieren niet opgewassen zijn, op +een minder goed beschutte woonplaats reeds voor lang het onderspit +gedolven zouden hebben. + + + +De _tweeteenige Luiaards_ (_Choloepus_) houd ik voor de hoogst +ontwikkelde. Zij zijn te herkennen aan den tamelijk grooten kop +met vlak voorhoofd en stompen snuit, den betrekkelijk korten hals, +den slanken romp (die geen uitwendig waarneembaren staart draagt), +de lange, schrale ledematen (de voorste zijn met 2, de achterste met 3 +zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen gewapend), het sluike, +zachte haar zonder wolhaar, het gebit en het gering aantal halswervels. + + + +De _Unau_ (_Choloepus didactylus_) bewoont Suriname en andere deelen +van Guyana; hij kan ongeveer 70 cM. lang worden. Het lange haar, +dat aan den kop naar achteren, aan den borst en den buik echter naar +den rug gestreken is en hier een kruin vormt, is in het aangezicht, +aan den schedel en in den nek witachtig olijfgroen-grijs, aan den +romp olijfgrijs, op den rug donkerder dan aan de onderzijde, aan de +borst op de voorpooten en schouders en op de onderbeenen olijfbruin; +de onbehaarde lichaamsdeelen (de snuit en de zolen van voor- en +achtervoeten) zijn vleeskleurig (de snuit met bruinachtigen tint); +de klauwen zijn blauwachtig grijs. + + + +In het tweede geslacht vereenigt men de _Drieteenige Luiaards_ +(_Bradypus_). Zij zijn gedrongen gebouwd, hebben een kleinen kop +met scheef afgeknotten snuit en kleine, door harde lippen begrensde +mondopening, een zeer langen hals, een duidelijk waarneembaren, +zijdelings afgeplatten staart en tamelijk korte, krachtige ledematen; +zoowel de voorvoeten als de achtervoeten zijn met drie zeer sterk +zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen voorzien. Het haar +vertoont op den kop een scheiding, van waar het naar onderen afhangt, +overigens is het echter, evenals bij de dieren van het vorige +geslacht, van de buikzijde naar de rugzijde gericht; de zolen zijn +bijna geheel behaard. + + + +De _Aï_ (_Bradypus tridactylus_, _B. pallidus_) is een bewoner +van Brazilië; hij bereikt een lengte van 52 cM., met inbegrip van +den 4 cM. langen staart. De vacht bestaat uit fijne, korte, dicht +bijeengeplaatste wolharen, waaraan men de drie overlangsche strepen +van de rugzijde van den romp het best kan waarnemen, en uit lange, +droge, harde, eenigszins gladde, op hooi gelijkende bovenharen. De +vacht is bleek roodachtig aschgrauw op de bovendeelen, zilvergrijs +op den buik; de klauwen zijn geelachtig of bruinachtig geel. + + + +De _Luiaards_ zijn echte boomdieren, evenals de Apen en de +Eekhoorntjes. Deze gelukkige wezens bewegen zich echter naar +welgevallen in de kronen der boomen, terwijl gene met moeite, als 't +ware kruipend, van den eenen tak op den anderen overgaan. Wat door de +vlugge en overmoedige beheerschers der wouden een pleizierwandeling +wordt geacht, is in de oogen van den Luiaard een lange, bezwaarlijke +reis. Hoogstens tot een uit weinige leden bestaand gezelschap +vereenigd, leiden deze trage dieren een eentonig leven, waarin zij +langzaam van den eenen boom naar den anderen trekken. Vergeleken met +hunne bewegingen op den grond, is hun behendigheid in 't klimmen +zeer opmerkelijk. Hunne lange armen veroorloven hen ver afgelegen +takken te grijpen, terwijl hunne kolossale klauwen hen in staat +stellen zich zonder moeite vast te houden. Hun wijze van klimmen is +geheel anders dan die van alle overige boombewoners, want bij hen is +het regel, wat bij deze als uitzondering voorkomt. Terwijl zij den +romp naar onderen laten afhangen, reiken zij met hunne lange armen +opwaarts naar de takken, haken zich hieraan vast met hunne klauwen +en schuiven zich op hun gemak voort van twijg tot twijg, van tak +tot tak. Zij schijnen echter trager, dan zij werkelijk zijn. Als +nachtdieren brengen zij wel is waar den geheelen dag door zonder +zich te bewegen; reeds in de schemering echter worden zij wakker en +'s nachts zwerven zij rond, wel is waar langzaam, maar toch niet lui, +door een grooter of kleiner gebied al naar dit tot bevrediging van +hunne behoeften noodig is. Zij voeden zich uitsluitend met knoppen, +jonge loten en vruchten en vinden in den overvloedigen dauw, dien +zij van de bladen aflekken, een voldoende vergoeding voor het hun +ontbrekende water. Ook bij het zoeken en opnemen van het voedsel toonen +zij een onmiskenbare traagheid: zij zijn sober, niet veeleischend en +geschikt om dagen achtereen, volgens sommigen zelfs weken lang, honger +en dorst te lijden, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Zij +verlaten een boom niet, zoolang deze hun nog voedsel kan verschaffen; +eerst wanneer de voorraad eetbare bestanddeelen schaarsch wordt, +denken zij er aan een anderen boom op te zoeken; met dit doel gaan +zij langzaam tusschen de takken naar beneden, zoeken een plaats uit, +waar de takken van de naburige boomen tusschen die van den door hen +bewoonden boom doordringen en bereiken langs dezen hoog boven den +grond gelegen brug het einddoel van den tocht. + +Op den bodem zijn deze tot levenslange gevangenschap op de boomen +gedoemde wezens niet thuis. Hun gang, of liever het hiervoor in de +plaats tredende, gebrekkig voortzeulen van het lichaam over den grond, +is van dien aard, dat het medelijden van den toeschouwer er door gewekt +wordt. Evenals de langzame Landschildpad tracht de plompe Luiaard +zijn lichaam te verplaatsen. Met ver zijwaarts gestrekte ledematen, +op de ellebogen steunend, met de pooten één voor één behoedzaam een +cirkelboog beschrijvend, schuift hij telkens een klein stukje verder; +de buik sleept intusschen bijna over den grond; kop en hals worden +voortdurend op loome wijze naar links en rechts bewogen, alsof zij +het zoo buitengewoon onbeholpen dier in evenwicht moeten houden. Men +zou na zulk een schouwspel niet kunnen gelooven, dat dit zoo ellendig +voorthompelend wezen in staat zal zijn om zich uit het water te redden, +wanneer het er bij ongeluk in valt. Toch zwemt de Luiaard tamelijk +goed; hij beweegt zich in 't water vlugger zelfs dan in de boomen, +houdt den kop hoog boven den waterspiegel, doorklieft de golven met +vrij groot gemak en komt werkelijk weer op den vasten wal terug. Bates +en Wallace zagen een Luiaard een rivier overzwemmen op een plaats waar +deze 300 M. breed was. Hieruit blijkt, dat de naam Luiaard, hoe goed +hij overigens ook gekozen moge zijn, eigenlijk alleen in den gang van +dit dier zijn volkomen rechtvaardiging vindt; want op de boomen maakt +hij niet den indruk van zóó traag te zijn, als men vroeger, verleid +door de overdreven voorstellingen van de eerste beschrijvers van dit +dier, meende te moeten aannemen. Opmerkelijk is de verbazingwekkende +zekerheid, waarmede alle klimbewegingen plaats hebben. De Luiaard +is in staat om zich met den eenen voet vast te haken aan een hooger +gelegen tak en zich dan onbezorgd er aan te laten hangen; niet slechts +wordt dan het volle gewicht van het lichaam door één poot gedragen, +maar ook wordt dit door dezen poot opgetrokken tot aan den tot steun +dienenden tak. + +Het kost zeer veel moeite een Luiaard, die zich aan een tak heeft +vastgeklemd, er van los te maken. De Luiaard slaapt en rust ongeveer +in dezelfde houding als die, welke hij gedurende zijne werkzaamheden +aanneemt. De vier pooten worden dicht bij elkander geplaatst; +de romp wordt bijna tot een bol ineengekromd; de naar de borst +gebogen kop rust of steunt niet op dit lichaamsdeel. In deze houding +hangt het dier den geheelen, langen dag, steeds op dezelfde plaats, +zonder moede te worden. Even ongevoelig als het voor honger en dorst +schijnt te zijn, even gevoelig toont het zich voor vocht en hierdoor +veroorzaakte afkoeling. In het regenseizoen hangt het dikwijls dagen +achtereen treurig en ellendig op een en dezelfde plaats; stellig in +de hoogste mate ontstemd over het naar beneden stroomende water. + +Niet dan hoogst zelden, gewoonlijk alleen des avonds, of als de morgen +aanbreekt, of ook, wanneer het zich niet veilig acht, verneemt men de +stem van den Luiaard. Zij is niet luid, en bestaat uit een klagende, +lang voortgezetten, fijnen, korten en snijdenden toon, die door +sommigen nagebootst wordt, door een veelvuldige herhaling van den +klank "i". Een van de onderzoekers uit lateren tijd maakt melding van +een geschreeuw, dat uit twee opeenvolgende klanken, of zelfs uit een +klimmend en dalend accoord zou bestaan. Over dag hoort men van den +Luiaard hoogstens diepe zuchten; op den grond schreeuwt hij niet, +zelfs niet, wanneer hij geplaagd wordt. + +Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat de zinnen van de Luiaards +geen hoogen graad van volkomenheid zullen bezitten. Zelfs schijnt +het, dat zij alle even stomp zijn. Zeer weinig ontwikkeld zijn ook de +geestvermogens. Deze dieren geven weinig blijken van verstand, maar +toonen veeleer stompzinnigheid, domheid en onverschilligheid. Men noemt +ze goedaardig en wil hiermede aanduiden, dat zij over 't algemeen voor +geen aandoeningen van den geest geschikt zijn. Volgens de berichten van +de reizigers, komen bij hen geen ware hartstochten voor; zij gevoelen +geen vrees, maar hebben ook geen moed, schijnen geen vreugde te +kennen, maar ook niet voor treurigheid vatbaar te zijn. Deze berichten +berusten volgens mijne ervaringen op geen goede gronden. Zoo laag als +de meeste natuuronderzoekers ons deze dieren voorstellen, staan zij +niet. Gewoonlijk wordt bij hun beoordeeling uit het oog verloren, dat +zij nachtdieren zijn, welker geestvermogens men niet naar behooren kan +leeren kennen, door ze alleen over dag na te gaan. De naam Luiaard is +in zijn letterlijke beteekenis alleen geldig voor het slapende dier; +wanneer het wakker geworden is en zijne bezigheden verricht, beweegt +het zich in een engen kring, maar beheerscht dezen op voldoende wijze. + +De Luiaard brengt slechts één jong ter wereld, dat bij de geboorte +een volledig haarkleed, en zelfs tamelijk goed ontwikkelde teenen +en klauwen bezit; het klemt zich dadelijk met de klauwen aan de +lange haren van de moeder vast, en omstrengelt met de armen haren +hals. Het wijfje voert haar jong altijd op deze wijze met zich mede. In +den beginne schijnt zij er veel genegenheid voor te gevoelen; haar +moederliefde bekoelt echter spoedig; ternauwernood getroost zij zich +de moeite haar kind te zoogen en te reinigen, of andere moederzorgen +op zich te nemen. + +De traagheid en stompzinnigheid der Luiaards blijkt ook, wanneer zij +mishandeld of gewond worden. Het is een bekend feit, dat de laagst +ontwikkelde dieren naar verhouding het best bestand zijn tegen +mishandelingen, verwondingen en smarten; bij de Luiaards vindt men +een bevestiging van deze stelling. Blijkbaar hebben zij een zeer +taai leven. Zij verdragen zware kwetsuren met de onverschilligheid +van een lijk. Dikwijls nemen zij niet eens een andere houding aan, +na door een flink schot hagel getroffen te zijn. Volgens Schomburgk +blijft de werking van het vreeselijke curare-gif der Indianen bij +hen langer uit, dan bij eenig ander dier. + +Vele vijanden hebben deze weerlooze schepsels niet. Door hun leven in +de boomen hebben zij weinig te lijden van de gevaarlijkste der dieren +die hen bedreigen, n.l. van de Zoogdieren. Hierbij komt, dat hun +vacht over 't algemeen in kleur overeenstemt met de takken, waaraan +zij onbeweeglijk hangen, als vruchten aan een boom, zoodat voor het +ontdekken van een slapenden Luiaard het geoefend oog van een Indiaan +vereischt wordt. Bovendien zijn deze dieren niet zoo volkomen weerloos, +als men aanvankelijk zou kunnen vermoeden. Ervaringen hierover kan men, +daar zij in den boom natuurlijk moeielijk te genaken zijn, alleen +opdoen bij Luiaards, die op den grond aangetroffen en aangevallen +worden; zij keeren dan spoedig hun buikzijde omhoog, en grijpen +den vijand met de klauwen aan; hunne ledematen, vooral de voorste, +zijn zeer gespierd. Zelfs een sterke man heeft moeite om zich los te +maken uit een omhelzing van dit dier, of om het los te rukken van den +boomtak, waaraan het zich heeft vastgeklemd; deze bewerking gelukt +trouwens in 't geheel niet, wanneer men niet den eenen voet na den +anderen loshaakt en daarna vasthoudt. + +Over het leven van den Luiaard in de gevangenschap was tot voor +weinige jaren niet veel bekend. Buffon verhaalt, dat de Markies de +Montmirail te Amsterdam een Luiaard kocht, die men tot aan dien tijd +gedurende den zomer met malsche bladeren en gedurende den winter +met scheepsbeschuit gevoed had. De Markies behield dit dier drie +jaren lang in 't leven en voedde het met brood, appels en wortels, +welke het met de klauwen van de voorvoeten aanvatte en naar den mond +bracht. Tegen den avond werd het dier wakker, zonder ooit eenige +bewijzen van hartstochtelijkheid te geven en zonder ooit te toonen, +dat het zijn verzorger had leeren kennen. + +Bij een rondreis door de dierentuinen van Engeland, Frankrijk, +Holland, België en de Rijnlanden was ik te Amsterdam voor 't eerst +in de gelegenheid, aan een levenden Luiaard waarnemingen te doen. De +talrijke bezienswaardigheden van dezen dierentuin veroorloofden +mij tot mijn spijt niet, langer dan een paar uren bij het hok van +het merkwaardige dier te blijven. Maar reeds dit korte bezoek was +voldoende om mij te leeren, dat de tot dusver gegeven beschrijvingen +grootendeels zeer overdreven zijn. Later heb ik zelf verscheidene +Luiaards gehad en bij hen mijne waarnemingen aangevuld. Ik wil niet +zoo koen zijn te beweren, dat deze ook over de levenswijze van het +dier in de vrije natuur onze denkbeelden kunnen wijzigen; toch kan +ik verzekeren, dat de Luiaards volstrekt geen treurige, vervelende +schepsels, maar integendeel zeer aantrekkelijk zijn, in alle opzichten +waardig om in een dierenverzameling opgenomen te worden. + +_Kees_, zoo heette de Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin, +bewoonde zijn hok reeds sedert negen jaren; hieruit blijkt, +dat hij minstens even goed als andere dieren bestand is tegen de +verandering van levenswijze, die met het verlies van de vrijheid +gepaard gaat. Het door hem bewoonde hok was in 't midden met een +houten stellage voorzien, om het dier gelegenheid tot klimmen te +geven; de vloer was met een dikke laag hooi bedekt, de zijden waren +door dikke glazen platen gesloten, van boven was het hok alleen met +traliewerk bedekt. Op soortgelijke wijze heb ook ik de woningen van +mijne gevangenen ingericht. + +Als men over dag een bezoek brengt aan het dier, ziet men in dezen +glazen kast niets anders dan een bal, die veel op een hoop droog +rietgras gelijkt. Deze bal schijnt vormloos, omdat men van de ledematen +van den Luiaard eigenlijk zoo goed als niets zien kan. Bij nauwkeuriger +onderzoek blijkt het, dat dit de houding is, die hij gewoonlijk bij +'t rusten en slapen aanneemt. De kop is teruggebogen naar de borst, +zoodat de spits van den snuit op het onderste deel van den buik rust, +en wordt door de pooten geheel bedekt. De ledematen liggen nl. dicht +op elkander, de eene poot altijd afwisselend met den anderen, en zijn +zóó overkruis gevouwen, dat men er niet tusschen door kan zien. In +den regel zijn de klauwen van één of twee voeten om een stok van de +stellage geslagen; niet zelden echter vat de Luiaard met de klauwen +van den eenen voet de bovenarm of het bovenbeen van een anderen poot +en slingert dus deze lichaamsdeelen op een vreemdsoortige wijze +door elkander heen. Van den kop is op deze wijze niets te zien, +men kan niet eens onderscheiden, waar de romp in den hals en deze +in den kop overgaat: kortom, men ziet niets anders dan een harigen +bal, en moet al zeer goed toekijken om op te merken, dat deze bal +zich langzaam op en neer beweegt. De bal is volkomen onverschillig +voor alle pogingen, die de toeschouwers aanwenden om door kloppen, +roepen en snelle bewegingen met de handen de aandacht van het dier te +trekken; door geen beweging verraadt het zijn leven; gewoonlijk gaan +de omstanders ontevreden weg, nadat zij verbijsterd den naam van het +dier gelezen en eenige niet bijzonder vleiende opmerkingen over het +"leelijke beest" gemaakt hebben. + +Er komt echter zeer spoedig leven en beweging in den haarbal, als men +het goed aanlegt; want de Luiaard is volstrekt niet zoo stompzinnig, +als wel beweerd wordt, maar een ordentlijke, brave gast, die op goede +behandeling aanspraak maakt. Zoodra zijn oppasser bij het hok komt en +hem roept, heeft er een verandering van tooneel plaats. Bedachtzaam, +of, laat ik liever zeggen, langzaam en op een eenigszins houterige +wijze, ontwikkelt de bal zich tot een dier, dat, moge het al niet +op een schoone gestalte bogen, toch volstrekt geen wangedrocht +is, zooals wel eens beweerd werd, geen wezen zonder begrip en +waarnemingsvermogen. Langzaam en gelijkmatig steekt de Luiaard +een van zijne lange pooten uit en klemt de scherpe klauwen om een +van de dwarsstangen van de stellage, Het is hem daarbij volkomen +onverschillig, of hij het eerst een achterpoot dan wel een voorpoot +uitsteekt, ook of de klauwen aangehaakt worden in den stand, dien zij +gewoonlijk ten opzichte van den arm hebben, dan wel, in dien, welken +zij na het omdraaien van den arm verkrijgen; al zijn ledematen gelijken +op kabels, die geen gewricht hebben, maar overal beweeglijk zijn. In +allen gevalle is de beweging van de ellepijp ten opzichte van het +spaakbeen zoo volkomen, dat misschien geen enkel dier te dezen aanzien +den Luiaard overtreft of nabij komt. Hij kan zich met alle vier pooten +zóó vast haken, dat de klauwen van iederen poot een andere richting +hebben dan die van den anderen. Die van één achtervoet zijn b.v. naar +buiten, die van één voorvoet naar binnen, die van den anderen voorvoet +naar voren en die van den laatsten achtervoet naar achteren omgeslagen; +welke combinaties van houdingen men ook bedenkt, bij den Luiaard komen +zij alle voor. Hij kan zijne ledematen geheel om hun as doen draaien, +zooals een geoefende acrobaat, en het blijkt duidelijk, dat dit hem +in 't geheel geen moeite kost. Hij haakt zich met de klauwen vast, +zooals hem dit het best uitkomt, en kan ook, eens vastgehecht zijnde, +zich geheel en al omdraaien, zonder in den stand der om de steunsels +geklemde klauwen eenige verandering te brengen. Of de kop nu laag of +hoog hangt, is hem eveneens onverschillig; hij grijpt even dikwijls +met de achterpooten naar boven, als met de voorpooten naar onderen, +hangt aan den rechter voorpoot of aan den linker achterpoot of +omgekeerd, strekt zich dikwijls op zijn gemak uit, door zich met de +achterklauwen vast te haken en den rug ergens op te laten rusten, +zooals een luie Hond pleegt te doen. In deze houdingen, die steeds +het bewijs zijn, dat de gemoedsrust van het dier niets te wenschen +overlaat, krabt het zich vaak met een der niet vastgehaakte ledematen +op alle deelen van zijn lichaam, ten deele door den poot er geheel +om heen te slingeren. Het kan lichaamsdeelen bereiken, die voor een +ander Zoogdier ontoegankelijk zijn zouden, kortom het geeft bewijzen +van een werkelijk verrassende lenigheid. Wanneer de Luiaard zoo aan +'t luieren is, doet hij de oogen bij afwisseling open en dicht, +gaapt, steekt de tong uit en opent daarbij den stompen snuit zoover +mogelijk. Steekt men hem nu door het traliewerk, dat het hok van +boven bedekt, iets lekkers toe, b.v. een klontje suiker, dan klautert +hij tamelijk vlug naar boven om de lekkernij in ontvangst te nemen, +snuffelt bij den wand langs en opent den bek zoover mogelijk, alsof +hij vragen wilde, hem het stukje suiker maar dadelijk in den mond te +laten vallen. Daarna vreet hij het smakkend met gesloten oogen op en +geeft duidelijk te kennen, dat hij de zoetigheid lekker vindt. + +Den vreemdsoortigsten indruk maakt de Luiaard, als men hem vlak +van voren ziet. De kopharen zijn in 't midden gescheiden, en hangen +aan weerszijden van de scheiding naar beneden, waardoor de kop een +uilachtig voorkomen verkrijgt. De kleine oogen zien er onnoozel uit, +omdat de pupil nauwelijks de grootte van een speldeknop heeft en +het oog dus geen uitdrukking bezit. Bij den eersten aanblik zou men +kunnen meenen, dat het dier blind moet zijn. De lippen zijn steeds +vochtig, alsof zij met vet bestreken zijn. Zij zijn bij den Unau +niet zoo onbeweeglijk, als wel eens gezegd is, ook volstrekt niet +hoornachtig, zooals soms beweerd werd, ofschoon zij vermoedelijk niet +zoo buigzaam zijn als bij andere Zoogdieren; zij zijn trouwens bij +het vreten tamelijk overbodig, want de beweging van de spitse tong +vervangt de werkzaamheid van de lippen. De tong herinnert aan die +van andere Tandeloozen, vooral van den Mierenleeuw. De Luiaard kan +haar ver uitsteken en bijna als een hand gebruiken. + +De Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin werd met verschillende +plantaardige stoffen gevoederd; gekookte rijst en wortels waren echter +zijne gewone spijzen. De rijst gaf men hem op een bord, de wortels +werden ergens op het hooi neergelegd. Gewoonlijk werd _Kees_ vóór den +maaltijd geroepen. Hij had dien tijd goed onthouden en richtte zich +dadelijk op, zoodra hij zijn naam hoorde. In 't eerst taste hij zeer +onhandig en plomp met de lange armen in 't rond; zoodra hij echter +eens een wortel gegrepen had, verkregen zijne bewegingen dadelijk +meer vastheid. Hij trok den wortel naar zich toe, vatte hem eerst +met den mond, daarna met de beide pooten, of liever met de klauwen, +aan, klemde hem er tusschen en beet nu, terwijl hij den wortel steeds +verder in den bek schoof, betrekkelijk zeer groote stukken er van +af; hij lekte zich intusschen voortdurend de lippen schoon en deed +dit ook met den wortel, die hij nu eens aan de eene dan weer aan de +andere zijde in den mond stak. Aan een bordje rijst en drie wortels +per dag heeft hij genoeg. + +De stompzinnige onverschilligheid, waarvan de reizigers melding maken, +kan, althans bij den Unau, plaats maken voor een duidelijk merkbare +opgewondenheid. Zoo goed als de Luiaard vriendschap toont voor zijn +verzorger, zoo goed onderscheidt hij hem van andere personen; hun +toont hij soms de tanden, of bedreigt ze met de klauwen, terwijl hij +zich zonder weerstand te bieden van zijn oppasser elke aanraking +en behandeling laat welgevallen. Nog onvriendelijker gedraagt de +Tweeteenige Luiaard zich tegenover andere wezens. Mijn plan om den +Unau en den Aï in een en hetzelfde hok te laten wonen, werd door den +eerstgenoemden, den oudsten bewoner van het hok, verijdeld; de poging +om de beide verwanten bij elkander te brengen moest onmiddellijk +opgegeven worden. Al de luiheid, die hem toegeschreven wordt, geheel +verloochenend, viel de Unau, zoodra hij zijn stamgenoot zag, dezen +onmiddellijk aan, gaf hem eerst eenige goed gemikte slagen met een +zijner krachtige pooten, en pakte hem vervolgens zoo woedend met de +tanden aan, dat de oppasser de beide dieren zoo schielijk mogelijk van +elkander scheiden moest, en den Aï, den onschuldigsten van de twee, +in veiligheid moest brengen: hetgeen niet kon geschieden, voordat deze +van den vertoornden Unau eenige slagen met de klauwen had ontvangen. + +Duidelijk verschilt van den tot dusver beschreven aard van den Unau, +die van den Aï. Op dezen doelden de meeste reizigers bij de schildering +van den Luiaard en in vele opzichten zijn de mededeelingen van de +meeste berichtgevers op hem toepasselijk. Het valt niet te betwijfelen, +dat hij veel minder begaafd is dan zijn stamgenoot.--Wanneer hij, +wakker wordend, den dunnen hals en den kleinen kop ver uitsteekt, +blijkt het spoedig, dat hij niet tevergeefs negen halswervels +heeft. Want met even groot gemak, als waarmede wij de hand omdraaien, +draait hij den kop zoover om, dat het achterhoofd geheel in het +verlengde van de borst, het aangezicht echter aan de rugzijde komt te +liggen. (Zie de afb. op p. 360.) Geen ander Zoogdier is in staat tot +deze draaiing, die aan den Drieteenigen Luiaard een hoogst zonderling +voorkomen verschaft. De Tweeteenige Luiaard beproeft deze beweging +van den kop nimmer; de Aï draagt den kop meestal in deze schijnbaar +onnatuurlijke houding, ofschoon hij haar naar vekiezing door de andere +kan vervangen. Zoo gemakkelijk de draaiing van den hals plaats heeft, +zoo plomp zijn alle overige bewegingen van den Aï, in vergelijking +met die van de Unau. + +Het voordeel, dat de Luiaards brengen aan de menschelijke bewoners +van hun woongebied, is buitengewoon gering. In sommige streken +eten de Indianen en de Negers hun vleesch, welks onaangename reuk +en smaak den Europeanen walging veroorzaken; op sommige plaatsen +wordt hun huid verwerkt tot een zeer taaie, stevige en duurzame +leersoort. Schade kunnen deze dieren niet veroorzaken; daar zij in +dezelfde mate verdwijnen, als het door den mensch bewoonde gebied +zich uitbreidt. Ook zij staan op de lijst van de diersoorten, welker +verdwijning van den aardbol men met zekerheid voorspellen kan. Slechts +in de afgelegenste wouden kunnen zij zich handhaven, en zoolang de +prachtige boomen, die hun een woonplaats en voedsel verschaffen, door +den bijl van den steeds verder doordringenden Europeaan verschoond +worden, zoolang zullen ook zij hun leven kunnen rekken. + + + +De _Miereneters_ of _Mierenberen_ (_Myrmecophagidae_), die de tweede +familie vormen, hebben uitwendig slechts weinig overeenkomst met +de Luiaards. Het lichaam is gerekt, de kop, vooral de snuit, sterk +verlengd; de staart bereikt bijna de helft van de lengte van het +overige lichaam. Een dichte, ruige, eigenaardige vacht bedekt den romp, +vooral de bovenzijde. De achterste ledematen zijn slank, en zwakker dan +de voorste. Zoowel de voorvoeten als de achtervoeten hebben, zooals +uit het onderzoek van het geraamte blijkt, vijf teenen, die evenwel +niet alle met klauwen voorzien zijn. De mondspleet is zeer klein; de +lange, dunne en cilindervormige tong herinnert aan een Worm. De ooren +en de oogen zijn zeer klein. Nog opmerkelijker is de bouw van den +kop. Door de verlenging van de neusbeenderen en bovenkaaksbeenderen, +is de snuit lang, buisvormig, geworden; de tusschenkaaksbeenderen +zijn zeer klein en gekromd, met de bovenkaaksbeenderen alleen door +kraakbeen verbonden. Tevergeefs zou men hier naar tanden zoeken; +elke spoor ervan ontbreekt. + + + +De grootste soort van deze familie is de _Groote Miereneter_ of +_Manendragende Mierenbeer_, die in Paraguay _Yurumi_ (= "kleine mond"), +in Suriname _Tamanoa_ wordt genoemd (_Myrmecophaga jubata_). De vacht +van dit opmerkelijke dier bestaat uit dichte, stijve borstelharen, +die bij het bevoelen ruw zijn. Dicht achter den kop, langs den +nek en de ruggegraat, vormen zij manen en hebben zij een lengte van +hoogstens 24 cM.; aan den staart zijn zij 26 à 40 cM., aan de overige +lichaamsdeelen, bij en aan de pooten hoogstens 8 à 11 cM. lang. De +kleur van de vacht is tamelijk verschillend; aan den kop is zij +aschgrauw met zwart gemengd; bijna dezelfde kleur hebben de nek, +de rug (ten deele ook de zijden van den romp), de voorpooten en de +staart. De keel, de hals, de borst, de buik, de achterpooten en de +onderzijde van den staart zijn zwartbruin. Een zwarte, naar achteren +spits toeloopende streep, strekt zich van den kop en de borst over +den rug in schuinsche richting naar achteren uit tot aan het kruis, +en wordt omgeven door twee hieraan evenwijdige, smalle, bleekgrijze +strepen. Een zwarte strook bedekt het uiteinde van den voorarm; zwart +zijn ook de teenen van de voorvoeten en de onbehaarde deelen van het +lichaam. De lengte van den volwassen Yurumi bedraagt 1.3 M., zonder +den staart, die 68 cM. lang is, als men de haren niet mederekent, +met deze echter minstens 95 cM. en dikwijls nog meer. In 't geheel is +het dier dus 2.3 M. lang; soms treft men echter oude mannetjes aan, +die nog langer zijn. + +"De Yurumi," zegt Rengger, "ziet er zeer leelijk uit. Zijn kop heeft +den vorm van een langen, dunnen, een weinig naar beneden omgebogen +kegel en eindigt in een kleinen, stompen snuit. De beiden kaken +zijn even lang; de onderste kan slechts weinig beweging maken; +de spleetvormige mondopening is zoo klein, dat zij met een dikken +mansduim geheel gevuld is; de neusgaten zijn halvemaanvormig; de +kleine oogen zijn diep gelegen; de eveneens kleine ooren zijn iets +meer dan 25 mM. breed, even lang en van boven afgerond. Wegens de +lange beharing schijnt de hals dikker dan het achterhoofd; de romp is +groot, wanstaltig en van boven naar onderen een weinig samengedrukt; de +ledematen zijn kort, de voorarmen breed en zeer gespierd. De voorvoeten +hebben vier teenen, ieder voorzien met een dikken nagel, die als een +adelaarsklauw samengedrukt is. Bij 't gaan en in den toestand van +rust, is deze nagel naar de zool teruggebogen; bij 't gaan rust alleen +de buitenrand van de zool, die vlak achter den buitensten teen met +een groote eeltplek voorzien is, op den grond. Van de achtervoeten +komt echter de geheele zool met den grond in aanraking. De lange, +ruige staart is hoog en smal en vormt een echte pluim. De tong, die +niet meer dan 9 mM. dik is, heeft den vorm van een langen, naar den +top ongevoelig dunner wordenden kegel; zij bestaat uit twee spieren +en twee klierachtige lichamen, die bij haar wortel gelegen zijn. Zij +kan sterk verlengd worden; het dier kan haar bijna 50 cM. ver buiten +den bek uitsteken. + +"De Yurumi komt in Paraguay niet veelvuldig voor; hij bewoont +de onbewoonde of althans weinig bezochte vlakten in 't noorden +des lands. Hij heeft geen bepaald leger en ook geen andere vaste +verblijfplaats, maar zwerft over dag door de vlakte rond, en slaapt +daar, waar de nacht hem overvalt; tot slaapplaats kiest hij echter bij +voorkeur een plek, waar het gras zeer hoog is, of waar althans eenige +struiken voorkomen. Gewoonlijk ontmoet men hem alleen, tenzij men +te doen heeft met een wijfje en haar jong. Zijn langzame, stappende +gang verandert soms, als hij vervolgd wordt, in een loggen galop, +waardoor hij echter zoo weinig vordert, dat een voetganger hem met +een gewonen pas kan inhalen. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit +Termieten en Mieren en uit de larven van deze Insecten. Om deze +dieren te verkrijgen, krabt hij met de nagels van zijne voorpooten +de heuvels en de aardhoopen, die haar tot woonplaats dienen, open, +steekt dan zijn lange tong tusschen de van alle zijden toesnellende +Insecten en trekt haar met diertjes bedekt in den bek terug. Hiermede +gaat hij voort, tot hij verzadigd is, of totdat er geen Mieren of +Termieten meer te voorschijn komen. + +"Het wijfje werpt in 't voorjaar één enkel jong en draagt dit een +tijd lang op den rug met zich. Het is een stil en vreedzaam dier, +dat noch den mensch, noch eenig ander Zoogdier kwaad doet, tenzij +het sterk geplaagd wordt. Men kan den Yurumi in het open veld over +een grooten afstand voor zich uitdrijven, zonder dat hij weerstand +biedt. Wanneer hij echter mishandeld wordt, gaat hij op de achterpooten +staan en steekt de armen naar zijn vijand uit om dezen met zijne +nagels te grijpen. + +"Ik heb langen tijd een Yurumi gehad, die nog geen jaar oud was, toen +ik hem kreeg. Men had hem in een boerderij aan den linkeroever van +den Nexay gevangen tegelijk met zijn moeder, die echter weinige dagen +daarna stierf. Ik voedde hem met melk, Mieren en gehakt vleesch. De +melk slurpte hij op, of wel hij stak de tong er in en trok deze +vervolgens met het weinige er aan hangende vocht in den bek terug. De +Mieren zocht hij in den tuin of in de nabuurschap van het huis op. + +"Het vleesch en het vel van den Yurumi worden alleen door de wilde +Indianen gebruikt; er zijn echter landlieden in Paraguay, die het vel +van dit dier, onder het beddelaken gelegd, voor een uitmuntend middel +tegen pijn in de lenden houden en het voor dit doel gebruiken. Zelden +wordt op dezen Miereneter jacht gemaakt; wanneer men hem echter +toevallig in het veld ontmoet, kost het niet veel moeite hem door +eenige stokslagen op den kop te dooden. De menschen moesten deze +dieren liever beschermen dan vervolgen, want wel verre van schadelijk +te zijn, bewijzen zij hun een belangrijken dienst, door het aantal +Termieten en Mieren te verminderen, die in eenige gewesten van +Paraguay zoozeer de overhand genomen hebben, dat daar niets verbouwd +kan worden. Waarschijnlijk heeft hij behalve den mensch geen andere +vijanden dan de Jagoear en den Koegoear. De fabelachtige verhalen van +de bewoners van Paraguay over gevechten, die tusschen den Miereneter +en den Jagoear zouden plaats vinden, zijn reeds door Azara wederlegd." + +Van andere onderzoekers vernemen wij, dat de Miereneter niet slechts +Paraguay, maar ook bijna alle overige landen van het oosten van +Zuid-Amerika bewoont, en dat zijn verbreidingsgebied zich uitstrekt +van den La-Platastroom tot aan de Caraïbische Zee. Bij 't gaan houdt +hij den kop naar den grond gebogen en besnuffelt met den neus den +bodem. Den staart draagt hij intusschen recht uitgestrekt en de +manen van den rug hoog opgezet, zoodat hij veel grooter schijnt, +dan hij werkelijk is. Behalve Mieren en Termieten hebben nieuwere +onderzoekers in de maag van den Yurumi ook nog wel aarde en houtvezels +gevonden; deze slikt het dier onwillekeurig door, terwijl het de Mieren +verslind. Dat het behalve de dieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken, +ook zeer gaarne Duizendpooten en Wormen eet, voor zoover deze niet +te groot zijn, is aan geen twijfel onderhevig. + +In lateren tijd zijn gevangen Miereneters herhaaldelijk naar Europa +gebracht; men heeft ze hier bij doelmatige voeding jaren lang in +'t leven kunnen houden. + +De gevangenen van den Londenschen dierentuin krijgen rauw, zeer +fijn gehakt vleesch en eidooier als voedsel; de Mierenbeer in den +Hamburger dierentuin, waarover door Noll berichten zijn gegeven, hield +bovendien zeer veel van brij, die bereid was door maïsmeel met heete +melk aan te roeren, en met een lepel stroop zoet te maken; het was een +vreemdsoortig schouwspel, het zonderlinge dier voor den schotel brij +te zien staan en dezen met zijn merkwaardige tong te zien ledigen. Met +een bijna ongeloofelijke snelheid, ongeveer 160 maal in de minuut, +wordt de zwartachtige, rolvormige tong wel 50 cM. ver buiten den +mond en in de brij gestoken, waarin zij zich kronkelt om onmiddellijk +daarna met spijs bedekt weer in den bek teruggetrokken te worden. + +Dat de Miereneter niet alleen volgens het oordeel der menschen een +zonderlinge gedaante heeft, maar ook bij andere dieren verrassing +en zelfs schrik teweegbrengt, bleek, toen het dier in het apenhuis +zou geborgen worden. Alle bewoners van dit huis werden bij 't zien +van den nieuwen commensaal door een hevigen schrik bevangen; de Apen +schreeuwden en raasden zoo, dat men om hun het uitzicht te benemen +hunne hokken bedekken moest; zelfs een Chimpanzee kroop, bij het zien +van het voor hen zoo vreeselijke dier, vol angst onder het stroo. + + + +De overige Miereneters zijn boombewoners. Van deze gelijkt +de _Tamandoea_ of _Cagoear_ (_Tamandua tetradactyla_) nog het +meest op zijn zooeven beschreven stamgenoot; toch wordt hij als +vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat +hij aan de voorpooten vier, aan de achterpooten vijf teenen heeft, +die alle met klauwen voorzien zijn, terwijl bovendien zijn staart een +grijpstaart is. Deze soort bewoont dezelfde landen als de vorige, met +uitzondering van Peru. Zijn lengte bedraagt ongeveer 1 M., met inbegrip +van den aan zijn topgedeelte geschubden, overigens echter behaarden, +40 cM. langen staart; de gemiddelde hoogte van dit dier is 30 à 35 cM. + +Tot dusver is men van de levenswijze van dit merkwaardige wezen +nog niet voldoende op de hoogte. In Paraguay en Brazilië leeft de +Tamandoea overal in de eenzame, met bosch begroeide gewesten; gaarne +houdt hij zich op in den woudzoom en in het kreupelhout, dikwijls ook +dicht bij de woningen der menschen; hij is niet gelijk zijne grootere +verwanten tot den bodem beperkt, maar klautert zeer behendig in de +boomen, hoewel hij dit, evenals de Luiaards, zeer langzaam doet; +evenals de andere dieren met echten grijpstaart zorgt hij er voor, +zich voor den staart een stevig steunpunt te verschaffen, zelfs +gedurenden den slaap. Zijn voedsel bestaat bij voorkeur uit Mieren +en wel hoofdzakelijk uit die, welke in de boomen leven. + +Ook de Tamandoea is in den laatsten tijd eenige malen levend naar +Europa en wel naar Londen overgebracht. Het eerste exemplaar had +Bartlett in zijn kamer gehuisvest, om goed te kunnen nagaan hoe +het zich beweegt. Met behulp van de kolossale, haakvormige klauwen +en van den grijpstaart klom het schielijk op de verschillende +meubelen, en sprong, toen het vertrouwelijker werd, van hier op +Bartlett's schouders, waarbij hij; den spitsen snuit en de lange, +wormvormige tong in alle plooien van de kleederen van zijn verzorger +stak en diens ooren, neus en oogen op een niet juist aangename wijze +onderzocht. Later, toen de Tamandoea een andere verblijfplaats had +gekregen, kwam hij, wanneer een bezoeker hem naderde, snel bij het +traliewerk aan de voorzijde van het hok en liet zijn onderzoekende +tong vlug over de tegen de traliën gehouden hand glijden; men moest +echter wel oppassen, dat het dier de klauwen niet om de vingers sloeg. + +Eigenaardig is de sterke, muscusachtige reuk, die de Tamandoea +verbreidt, vooral als hij geplaagd wordt. + + + +De _Dwerg_- of _Tweeteenige Miereneter_ (_Cycloturus didactylus_), +een diertje van de grootte van een Eekhoorn, is ongeveer 40 cM. lang, +waarbij 18 cM. voor den grijpstaart. Aan de voorvoeten komen vier +teenen voor, waarvan slechts twee met stevige klauwen voorzien zijn; +de achtervoeten hebben vijf teenen. De vacht is zoo zacht als zijde, +aan de bovendeelen vosrood, aan de onderdeelen grijs; ieder haar +van de bovendeelen is zwart met geelbruine spits, de haren van de +onderdeelen zijn grijsbruin. + +Hoewel ook de Dwerg-Miereneter tamelijk plomp gebouwd is, maakt +hij, vooral wegens zijn fraaie vacht, geen onaangenamen indruk. Zijn +verbreidingsgebied is beperkt. Men heeft hem tot dusver alleen gevonden +in het noorden van Brazilië, in Guyana en Peru, dus in gewesten, +die tusschen 10° Z.B. en 6° N.B. gelegen zijn. In het gebergte komt +hij soms tot op 600 M. boven den zeespiegel voor. Bijna overal is hij +zeldzaam, of wordt althans niet veelvuldig aangetroffen. Hij houdt +zich op in de dichtste wouden. Daar hij geheel en al nachtdier is, +brengt hij den dag slapend in de boomkronen door. Zijne bewegingen +zijn onbeholpen, langzaam en afgemeten; hij klimt echter behendig, +hoewel voorzichtig en steeds met behulp van den staart. Zijn voedsel +bestaat uit Mieren, Termieten, Bijen, Wespen, en uit de larven van +deze Insecten. + + + +De _Gordeldieren_ (_Dasypodidae_) zijn, evenals de Luiaards, ontaarde +afstammelingen van een familie, die vroeger van grootere beteekenis +was, dan nu. In vergelijking met sommige van hunne verwanten uit +den voortijd moet men ze als dwergen beschouwen. Sommige van deze, +die een rugpantser hadden uit onbewegelijk aaneengevoegde beenplaten +samengesteld (_Glyptodontia_), bereikten de afmetingen van een +Neushoorndier, o.a. _Panochthus tuberculatus_; de grootste soorten +van het geslacht _Glyptodon_ werden 2 M. lang en 1.2 M. hoog; het +rugpantser van _Glyptodon reticulatus_ had een lengte van 1.6 M. en +een hoogte van 1 M. Sommige soorten van andere geslachten hadden +minstens den omvang van een Rund; _Doedicurus clavicaudatus_ b.v. was +3.6 M. lang. [Nog grooter waren echter de nauw aan de Luiaards verwante +_Gravigraden_: het in 1789 te Lujan bij Buenos Aires uitgegraven skelet +van _Megatherium Cuvieri,_ dat zich in 't museum te Madrid bevindt, +had een lengte van 4.5 M. bij een hoogte 2.5 M. Uit den bouw der +ledematen van dezen _Reuzenluiaard_ blijkt, dat hij zich slechts +langzaam en onbeholpen over den bodem kon voortbewegen, en dat de +voorpooten grijporganen waren, die vermoedelijk dienden om takken +en twijgen af te breken, of zelfs om geheele boomen om te werpen, +terwijl het gewicht van het lichaam door de achterpooten en den staart +werd gedragen.] De hedendaagsche Gordeldieren worden slechts 1.5 M., +zonder den staart echter slechts 1 M. lang. Alle gordeldieren zijn +plompe wezens met een, wegens den langen snuit, langwerpigen kop, +waarboven groote varkensooren uitsteken, met een stevigen staart en +korte pooten, die zeer krachtige, voor 't graven geschikte klauwen +dragen. Den naam ontleenen zij aan het eigenaardige maaksel van hun uit +beenplaten samengesteld, door de lederhuid gevormd pantser, dat bedekt +is door een opperhuid, welker buitenste laag verhoornt. Het pantser +van de meeste soorten bestaat uit drie afdeelingen: een onbeweeglijk +voorste of _schouderschild_, een uit beweeglijke dwarsringen of +gordels samengesteld _middelschild_, en een onbeweeglijk _kruis_ of +_bekkenschild_. Door de beweeglijke gordels onderscheidt zich dit +pantser van het schubbenkleed van andere Zoogdieren. De middelste +gordels, die voor de onderscheiding van de soorten van belang zijn, +hoewel hun aantal ook bij de dieren van dezelfde soort niet altijd +even groot is, bestaan uit langwerpige, vierhoekige platen, terwijl +het schouderschild en het kruisschild gevormd worden door dwarsrijen +van vier- of zeshoekige platen, waartusschen kleine, onregelmatige +platen gelegen zijn. De voorrand van iederen gordel wordt in den regel +door den achterrand van den voorafgaanden gordel bedekt. Bij eenige +soorten is het geheele rugpantser uit zulke bewegelijke dwarsringen +samengesteld. De kop, de staart en de buitenzijde van de ledematen +worden door kleinere beenplaten beschermd. Alleen de bovenzijde van +deze dieren is gepantserd; de onderzijde van den romp is met meer of +minder grove, borstelige haren bedekt; zulke borstels komen ook op +vele plaatsen tusschen de schilden te voorschijn. + +Bij geen enkele Zoogdieren-familie varieert een aantal tanden zoo +sterk als bij de Gordeldieren. Eenige soorten hebben zooveel tanden, +dat de naam Tandeloozen, op hen toegepast, eerst dan eenige beteekenis +krijgt, wanneer men er de nadruk op legt, dat de tusschenkaaksbeenderen +altijd tandeloos zijn, of wanneer men op de gebrekkigheid van de tanden +wijst. Tot dusver heeft men nog niet eens met voldoende zekerheid +kunnen bepalen, hoeveel tanden deze of die soort van Gordeldieren +bezit, want ook binnen de grenzen van de soort komen er ten aanzien van +het aantal tanden belangrijke afwijkingen voor. Over 't algemeen kan +men zeggen, dat dit getal nooit geringer is dan acht in elke kaakhelft, +en dat het stijgen kan tot 26 aan elke zijde van de bovenkaak, en 24 +aan elke zijde van de onderkaak, zoodat het geheele aantal tanden 100 +kan bedragen. Ondanks dit groot aantal tanden is het gebit van weinig +beteekenis; door hun onvolkomen samenstelling hebben zij als 't ware +opgehouden tanden te zijn. Zij gelijken op zijdelings samengedrukte +cylinders, hebben geen echte wortels, missen het email en wisselen ook +in groote aanmerkelijkheid af. Gewoonlijk nemen zij van den eersten +tot ongeveer den middelsten allengs aan grootte toe, en daarna naar +achteren langzamerhand af, maar ook deze verhouding is geen doorgaande +regel. Bovendien zijn de tanden buitengewoon zwak. Wel grijpen zij in +elkander, maar het dier is niet in staat met kracht toe te bijten of +te kauwen.--De tong gelijkt eenigszins op die van den Miereneter, +maar is veel korter en kan niet zoo ver buiten den bek gestoken +worden; zij is driekantig toegespitst en met kleine verhevenheden +bezet. Door buitengewoon groote speekselklieren in de onderkaak, +wordt zij voortdurend bedekt gehouden met een kleverig slijm. + +Alle Gordeldieren zijn bewoners van het Zuid-Amerikaansche faunistische +rijk tot aan Mexico. Zij bewonen schaars begroeide en zandige vlakten +en velden, en komen niet verder dan tot aan den woudzoom, zonder in +dezen door te dringen. Slechts gedurende de paring komen verscheidene +individuën van dezelfde soort bijeen; gedurende het overige deel van +'t jaar leeft ieder Gordeldier afzonderlijk, en bekommert zich niet +veel om de andere levende wezens, met uitzondering van die, welke +het tot voedsel dienen. Alle Gordeldieren verbergen zich over dag +zooveel mogelijk en graven daarom gangen, die bij de meeste geen groote +uitgestrektheid hebben; één soort leeft echter, evenals de Mol, onder +den grond. De overige graven hunne holen bij voorkeur aan den voet van +groote Mieren- of Termietenwoningen; omdat hun voedsel hoofzakelijk +bestaat uit Insecten en hunne larven, vooral echter uit Mieren en +Termieten. Wormen en Slakken worden, als de gelegenheid zich voordoet, +ook opgegeten; doode dieren, die in ontbinding verkeeren, worden +evenmin versmaad; sommige houden ook veel van plantaardig voedsel. + +Zoodra 's avonds de duisternis invalt, verschijnen de gepantserde +dieren voor hunne onderaardsche woningen, en zwerven een tijd lang +rond, waarbij zij zich langzaam stappend van de eene plaats naar de +andere begeven. De vlakke bodem is hun eigenlijk rijk; hier zijn +zij te huis zooals weinig andere dieren. Zoo langzaam en traag +zij schijnen, als zij gaan of op een andere wijze zich bewegen, +zoo snel en behendig zijn zij, als het hun doel is in den grond te +graven. Als zij opgejaagd, verschrikt of vervolgd worden, weten zij +niets beters te doen, dan zich in den volsten zin van het woord aan +den grond toe te vertrouwen. En zij verstaan het graven werkelijk +zoo goed, dat zij letterlijk voor de oogen van den toeschouwer in den +grond wegzakken. Omdat zij zoo geheel en al het vermogen om zich te +verdedigen missen, zouden zij weerloos aan hunne vijanden overgeleverd +zijn, indien zij niet in staat waren hun op deze wijze te ontkomen. Wel +is waar is één soort in staat om zich tot een bal op te rollen als onze +Egel; hij doet dit echter alleen in den uitersten nood, om vervolgens +zoo schielijk mogelijk weder te gaan graven en zich in den grond te +verbergen. Deze oogenschijnlijk zoo stumperachtige dieren weten zich +trouwens ook wel in 't water te redden. + +De Gordeldieren zijn onschadelijke, vreedzame, stompzinnige wezens, +zonder eenige in 't oog loopende geestesgaven. Hun stem bestaat uit een +knorrend geluid, zonder kleur of uitdrukking. Ook de Gordeldieren staan +aan den vooravond van hun algeheele uitroeiing. Hun vermenigvuldiging +is gering. Wel werpen eenige soorten tot aan 9 jongen; deze groeien +echter zoo buitengewoon langzaam, en zijn evenals hunne ouders zoo +weinig opgewassen tegen hunne vijanden, dat er bij geen enkele soort +sprake kan zijn van toeneming van het aantal. + + + +De _Gordeldieren_ of _Armadillen_ (_Dasypus_) hebben alle nagenoeg +dezelfde gestalte. De op korte pooten rustende romp is gedrongen, +de kegelvormige staart middelmatig lang, gepantserd en stijf, +de pantserschilden beenig en volkomen met de onderliggende deelen +vergroeid. Het middelschild bestaat uit zes of meer beweeglijke +gordels. Alle voeten hebben vijf teenen; de klauwen van de voorvoeten +zijn zijdelings samengedrukt, de buitenste een weinig naar buiten +gedraaid. + +Alle Gordeldieren dragen in de Guaranische taal den geslachtsnaam +_Tatoe_, die ook in de Europeesche talen is overgenomen. De naam +"Armadil" is van Spaanschen oorsprong en beteekent eigenlijk +"gepantserd", "met een harnas voorzien." Deze naam wordt bij voorkeur +gebruikt voor het _Zesgordelige Gordeldier_, terwijl men voor de +overige soorten den Guaranischen of anderen vaderlandschen naam +behouden heeft. + + + +Een van de meest bekende Gordeldieren--de _Tatoepoyoe_ der Guarani, +d.i. de "Tatoe met de gele hand", ons _Borstelig Gordeldier_ (_Dasypus +villosus_),--dat de Pampas van Buenos Aires bewoont, heeft van al zijne +verwanten het leelijkste en plompste voorkomen. De nek is voorzien +met een kraag van 9 naast elkander gelegen, langwerpig vierhoekige +schildjes; op het voorste deel van den rug bevinden zich aan elke +zijde zeven, in het midden vijf overlangsche reeksen van onregelmatig +zeshoekige platen. Op dit schouderschild volgen zes van elkander +gescheiden, beweeglijke gordels, die uit langwerpig vierhoekige +schildjes zijn samengesteld; hierna komt het kruis- of bekkenschild, +dat uit tien reeksen van langwerpig vierhoekige schildjes bestaat. Het +dichtst bij den romp gelegen deel van den staart is gepantserd met +vijf beweegbare gordels, die uit vierhoekige schildjes samengesteld +zijn; het overige deel van den staart is met onregelmatig zeshoekige +schildjes bedekt. De kop is aan de bovenzijde door een groep van +onregelmatig zeshoekige schildjes beschut, dit kopschild heeft +boven ieder oog een inham. Onder ieder oog bevinden zich eenige +samenhangende, horizontale en aan den hals twee dwarsloopende, niet +samenhangende reeksen van schildjes. Ook de bovenzijde van de voeten +en de voorzijde van den voorarm zijn met onregelmatig zeszijdige +schubben bezet. Alle pantserplaten zijn bruinachtig geel van kleur; +door schuring tegen de wanden van het hol worden zij soms lichtgeel. De +overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een bruinachtige, gerimpelde +huid, die met talrijke platte wratten bezet is. Lichtkleurige haren +staan langs den achterrand van de gordels en van eenige andere reeksen +van schildjes; met bruine haren zijn de niet gepantserde lichaamsdeelen +begroeid. De lichaamslengte bedraagt 50 cM. zonder den 24 cM. langen +staart, de schouderhoogte 24 cM. + + + +Het _Zesgordelige Gordeldier_ (_Dasypus sexcinctus_) gelijkt op +de vorige soort en is met inbegrip van den 20 cM. langen staart +55 à 60 cM. lang. Het heeft achter en tusschen de ooren een uit +acht stukken bestaande reeks van schildjes, zes breede gordels zijn +gelegen tusschen het schouderschild en het bekkenschild. Het pantser +is bruinachtig geel, aan de rugzijde donkerder; de gewone huid is +bleek bruinachtig geel. + + + +De Gordeldieren blijven niet in een bepaald gebied, maar veranderen +dikwijls van leger. Dit bestaat uit een gangvormig, 1 à 2 M. lang hol, +dat door henzelf gegraven wordt. De opening van dit hol is kringvormig +en heeft, al naar de grootte van het dier, een middellijn van 20 à +60 cM.; nader bij het blind loopende uiteinde wordt de gang wijder; +het laatste gedeelte is kamervormig, zoodat de bewoner zich onder den +grond gemakkelijk omdraaien kan. In de wildernis gaan deze dieren, +als de lucht bewolkt is en het felle zonlicht hen dus niet hindert, +ook over dag uit; in bewoonde gewesten verlaten zij hunne holen niet +voordat de schemering aanvangt, maar zwerven dan ook gedurende den +ganschen nacht rond. Het schijnt hun tamelijk onverschillig te zijn, +of zij hun hol terugvinden of niet; als zij den weg gemist hebben, +graven zij zonder aarzeling een nieuw hol. Hiermede beoogen zij +een tweeledig doel, zooals reeds door Azara werd opgemerkt en door +andere natuuronderzoekers bevestigd: de Gordeldieren leggen hunne holen +hoofdzakelijk onder Mieren- en Termietenhoopen aan om in de gelegenheid +te zijn, hun belangrijkste voedsel ook over dag in te zamelen. + +Behalve uit Mieren en Termieten bestaat het voedsel van de Gordeldieren +hoofdzakelijk uit Kevers en hunne larven, uit Rupsen, Sprinkhanen +en Aardwormen. Het staat bovendien onwedersprekelijk vast, dat zij +ook plantaardig voedsel gebruiken; uit het onderzoek van de maag van +gedoode dieren is dit gebleken. + +Het is licht te begrijpen, dat de omzwervingen van den Armadil altijd +slechts binnen een beperkten kring kunnen plaats hebben. De gewone gang +van deze dieren is een langzame draf, de eenige versnelling, die zij +er in kunnen aanbrengen, is het schielijker verplaatsen van de pooten; +toch kunnen zij op deze wijze zoo snel vooruitkomen, dat een mensch ze +niet kan inhalen. Het is voor hen een onmogelijkheid sprongen te maken +of zich snel en behendig om te draaien. De zwaarlijvigheid verhindert +gene, het nauwsluitend pantser deze verrichting. Zij kunnen dus, +als zij aan hun gang de grootst mogelijke snelheid willen geven, +niets anders doen dan in rechte richting voortdraven of een zeer +grooten boog beschrijven; zij zouden weerloos aan hunne vijanden prijs +gegeven zijn, indien zij niet andere kunststukken verstonden. Wat +aan hun behendigheid ontbreekt, wordt door hun groote spierkracht +vergoed. Deze openbaart zich vooral in de snelheid, waarmede zij zich +in den grond verbergen, zelfs op plaatsen waar een houweel slechts +met moeite doordringt, b.v. aan den voet van Termieten-heuvels. Een +volwassen Tatoe, die een vijand in de buurt bespeurt, heeft slechts 3 +minuten noodig om een gang te graven, die aanmerkelijk langer is dan +zijn lichaam. Zoodra zij zich zoover hebben ingegraven, dat hun lichaam +geheel in den gang is doorgedrongen, is zelfs de sterkste man niet meer +in staat, om ze aan den staart rugwaarts uit hun hol te trekken. Daar +hunne holen nooit wijder zijn dan voor het binnensluipen juist noodig +is, hebben zij eenvoudig hun rug eenigszins te krommen om te maken, +dat de randen van de gordels aan de rugzijde en de scherpe klauwen +aan de buikzijde den weerstand zoozeer doen toenemen, dat niemand +dien overwinnen kan. + +Het wijfje werpt in den winter of in het voorjaar 4 à 6 jongen +en houdt ze gedurende eenige weken zorgvuldig in haar hol +verborgen. Waarschijnlijk duurt de zoogtijd niet lang, want men ziet +de jongen spoedig in 't veld rondloopen. Zoodra zij eenigszins in +staat zijn om zichzelf te redden, gaat ieder zijns weegs en de moeder +bekommert zich in 't geheel niet meer om haar kroost. + +Men jaagt den Tatoe gewoonlijk bij maneschijn. De jager wapent +zich met een dikken stok van hard hout, die aan het einde spits of +ook wel knotsvormig toeloopt en zoekt met eenige Honden het wild +op. Als de Tatoe de Honden nog te rechter tijd bemerkt, vlucht hij +oogenblikkelijk naar zijn eigen hol; veel liever graaft hij zich zoo +schielijk mogelijk een nieuw hol, dan dat hij in een vreemd hol zijn +toevlucht zoekt. Als de Honden hem ingehaald hebben, voordat hij het +hol bereikt heeft, dan is hij verloren. Daar zij hem met de tanden +niet aanpakken kunnen, houden zij hem met den snuit en de pooten vast, +totdat de jager bij hen gekomen is en het Gordeldier door een slag op +den kop doodt. Geoefende Honden trachten den loopenden Tatoe met den +neus om te wenden om hem aan de onderzijde te kunnen aangrijpen. Als +dit gebeurd is, verscheuren zij hem oogenblikkelijk in den letterlijken +zin van 't woord; het pantser kraakt daarbij onder hunne tanden, alsof +eierschalen worden stuk geknepen. Een Tatoe, die zijn hol heeft kunnen +bereiken, ontkomt altijd aan de Honden, omdat het hun niet mogelijk +is, hem op te graven. Wanneer hij door de Honden gegrepen is, denkt +hij er niet aan zich te verdedigen, hoewel hij, naar men zou zeggen, +met zijne klauwen belangrijke verwondingen zou kunnen toebrengen. + +Alle Gordeldieren worden door de Zuid-Amerikanen ten zeerste +gehaat, omdat zij de oorzaak zijn van vele ongelukken. De koene +ruiters van de steppen, die het grootste deel van hun leven te +Paard zittend doorbrengen, worden door den arbeid der Gordeldieren +op sommige plaatsen zeer gehinderd. Het paard, dat in gestrekten +galop voortsnelt, trapt plotseling in een hol, en kan met den +ruiter verongelukken. Daarom vervolgen de eigenaars van alle +landbouwondernemingen en veefokkerijen den armen pantserdrager op +de onmeedoogendste en volhardendste wijze. Behalve door den mensch, +wordt hij vervolgd door de groote soorten van Katten, door den +Braziliaanschen Wolf en door den Jakhalsvos. + +Zelden worden in Paraguay Tatoes in gevangenschap gehouden. Zij zijn +te vervelend, en door hun neiging tot woelen ook te schadelijk om +als huisgenooten van den mensch diens vriendschap te kunnen verwerven. + +De Gordeldieren worden dikwijls naar Europa gebracht, en in eenige +diergaarden bij de Apen geborgen. In de gevangenschap worden zij met +Wormen, Insecten, Insectenlarven en rauw of gekookt vleesch gevoed. Het +vleesch moet men echter voor hen in kleine stukjes snijden, omdat +zij van groote stukken niets afbijten kunnen. Zij vatten de spijs aan +met de lippen of met de tong, die zich sterk kan verlengen. Wanneer +zij behoorlijk verzorgd worden, kunnen zij jaren lang blijven leven +en in goeden welstand gehouden worden; gewillig of onwillig dienen +zij als rijdieren en speelkameraden voor de Apen, laten zich alles +welgevallen, geraken gewoon aan wandelingen over dag, en planten zich +ook wel voort. Jongen, die in den Londenschen dierentuin ter wereld +kwamen, waren bij de geboorte blind; aan hun nog zachte huid waren +alle plooien en velden van het volwassen dier reeds zichtbaar. + +Het nut van de Gordeldieren is niet onbelangrijk. De Indianen houden +zeer veel van het vleesch van alle soorten dezer familie; slechts +twee van deze vallen bij de Europeanen in den smaak. Volgens Kappler +verliest het vleesch de hieraan eigen muscusreuk, als het een nacht +over in een oplossing van zout en citroensap blijft liggen. Rengger +verzekert, dat gebraden Gordeldieren-vleesch, met Spaansche peper +en citroensap toebereid een van de smakelijkste gerechten van de +Paraguayaansche keuken is. De Indianen van Paraguay maken van het +pantser korfjes; de Botokoeden gebruiken het afgestroopte staartpantser +als spreektrompet; vroeger maakte men van gedeelten van het pantser +ook klankbodems voor gitaren. + + + +Het nog weinig bekende _Kogel-gordeldier_ (_Tolypeutes tricinctus_) +wordt door de inboorlingen _Apar_ of _Matako_, door de Spanjaarden +_Bolita_ genoemd. De eerste beschrijving van dezen vertegenwoordiger +van een nieuw geslacht, werd gemaakt naar een opgezet exemplaar, +dat door sommige onderzoekers gehouden werd voor een uit stukken van +verschillende soorten samengesteld voorwerp. Reeds Azara gaf echter van +het bedoelde dier zulk een duidelijke beschrijving, dat zijn bestaan +niet langer betwijfeld kon worden. Hij zegt, dat de Matako niet in +Paraguay aangetroffen wordt, maar op 36° Z.B. en verder zuidwaarts +voorkomt. "Sommigen noemen hem Bolita, omdat hij de eenige is van alle +Tatoes, die, als hij bevreesd is, of gevaar loopt gevangen te worden, +den kop, den staart en de vier pooten verbergt, door van het geheele +lichaam een kogel te vormen, die men als een bal in alle richtingen +kan rollen, zonder dat het dier zijn gewone houding herneemt. Men +kan dezen kogel ook slechts met groote moeite ontrollen. De jagers +dooden het dier door het met geweld tegen den grond te werpen." + +Zijn lengte, gemeten van het puntje van den snuit tot aan de spits van +den staart, bedraagt 45 cM.; de 7 cM. lange staart is van onderen aan +de spits rond of kegelvormig, aan den wortel daarentegen in de breedte +samengedrukt. De schubben zijn niet vlak zooals bij de overige soorten, +maar gelijken meer op dikke korrels en treden ver naar buiten. + +Anton Göring kreeg een levende Bolita, uit San Louis in westelijk +Argentinië het eigenlijke vaderland van deze diersoort, of althans +de streek, waar zij het veelvuldigst voorkomt. Daar leeft dit +dier, juist zooals Azara aangeeft, in het vrije veld; of het ook +in eigen gegraven holen woont, kon Göring niet gewaar worden. De +inboorlingen nemen het bij de vangst van andere Gordeldieren (die +gelijk reeds gezegd werd, een lievelingsspijs van de Gaucho's zijn) +bij gelegenheid mede. Omdat echter de Matako een aardig dier is, +vindt hij gewoonlijk genade in hunne oogen; hij blijft gespaard, +maar wordt gevangen gehouden. Hij dient n.l. als speelgoed voor de +kinderen des huizes, die met hem werpen als met een bal, of hem langs +een plank naar beneden laten rollen en zich vermaken met het geklepper, +dat hij door zijn zonderlinge gang veroorzaakt. Göring werd dikwijls +door zijne bezoekers aangezocht om zijn Bolita te laten zien. Hoewel +deze nog niet lang gevangen was geweest, gaf hij reeds eenige bewijzen +van vertrouwelijkheid, en nam zonder schroom het voedsel, dat men +hem voorhield uit de hand. Hij at allerlei vruchten en bladen, vooral +perziken, komkommers en salade; dit deed hij slechts, wanneer men hem +deze zaken voorhield, maar toch meermalen op een dag, zoo vaak men hem +wat gaf. Het voedsel moest voor hem, wegens zijn kleine mondopening, +in smalle stukjes gesneden zijn, die hij vervolgens op een zeer nette +wijze opnam. Hij sliep zoowel over dag als 's nachts. Hiertoe strekte +hij de voorpooten recht voor zich uit, trok de achterpooten in, en +ging liggen op deze en op den buik; de kop werd benedenwaarts gebogen +en tusschen de voorpooten verborgen. De rug was in iedere houding +sterk bovenwaarts gekromd; het dier was niet bij machte hem geheel te +strekken. Hoewel het in het bijzijn van verscheidene personen volkomen +rustig heen en weerliep, kromp het toch dadelijk ineen, zoodra men +het aanraakte, en deed dit, als men het drukte, zoo sterk, dat het +bijna een volslagen bol werd. Als men het daarna met vrede liet, +strekte het zich allengs weder uit, en zette zijn wandeling voort. + +Het was een bijzonder aardig dier; elk zijner bewegingen was, hoe +vreemdsoortig ook, toch werkelijk bevallig. De gang op de spitsen van +de omstreeks 3 cM. lange, gekromde klauwen, was in de hoogste mate +verrassend en wekte steeds de verwondering van alle toeschouwers. Als +men het buiten liet loopen, trachtte het zoo schielijk mogelijk te +ontvluchten; wanneer het echter ingehaald werd door een vervolger, +b.v. door een Hond, dan rolde het zich tot een kogel samen. Als +men deze kogel over den bodem voortrolde, bleef hij vast gesloten; +zoodra echter de beweging ophield, ontrolde het dier zich en liep +weg. De Honden toonden zich niet meer gebeten op den Bolita dan op +alle overige Gordeldieren. + + + +Het geslacht _Priodon_, dat boschrijke gewesten van Brazilië en +Guyana bewoont, wordt vertegenwoordigd door het _Reuzen-gordeldier_ +(_Priodon gigas_). De Prins Von Wied, die dit dier niet te zien +heeft kunnen krijgen, meent, dat het over het grootste deel van +Brazilië en misschien zelfs over geheel Zuid-Amerika verbreid is. In +de groote oerwouden vonden zijne jagers dikwijls holen of gangen +van dit dier, vooral onder de wortels van oude boomen, en men kon +zijn omvang uit de wijdte dezer woningen afleiden. De jagers onder +de inboorlingen beweerden, dat het hierin een groot Zwijn evenaart, +welke mededeeling niet in tegenspraak was met de wijdte der holen, +en nog meer bevestigd werd door de staarten dezer dieren, welke +de Prins aantrof bij de Botokoeden, die aan de oevers van den Rio +Grande de Belmonte wonen. Deze wilden gebruiken als spreektrompet een +voorwerp, dat zij "Tatoe-staart" noemen en dat 36 cM. lengte heeft +bij 8 cM. middellijn aan het dikste uiteinde. + +Uit latere onderzoekingen bleek, dat het Reuzen-gordeldier een +lichaamslengte van 1 M. en meer bereikt, zonder den ongeveer half +zoo langen staart; volgens Kappler kan het 45 KG. zwaar worden. Het +voorhoofd en de schedel zijn met zeer onregelmatige beenplaten +bedekt. Het schouderpantser bestaat uit tien gordelvormige reeksen +van beenplaten, waartusschen dicht bij den achterrand van weerszijden +nog een reeks doordringt; de beweeglijke gordels zijn ten getale van +12 of 13 voorhanden; het heuppantser bestaat uit 16 à 17 reeksen +van schilden. Deze zijn vierkant of rechthoekig, ook wel vijf- +of zeshoekig, die van de achterste reeksen van het heuppantser +onregelmatig; de staart is met onregelmatige, vierhoekige beenplaten +bedekt. Het merkwaardigste van het geheele dier is misschien zijn +gebit. In elke bovenkaakshelft komen 22 à 24 tanden voor, waarvan +er echter dikwijls verscheidene uitvallen; steeds echter bestaat +dit gebit uit 90 à 100 tanden, of althans organen, die de tanden +vervangen. In de voorste helft van elke reeks zijn het namelijk +slechts dunne platen en eerst verder achterwaarts worden zij allengs +dikker. Waarom het Reuzen-gordeldier dit kolossaal gebit bezit is +nagenoeg onverklaarbaar, daar het zich, voor zoover men weet, door +zijn voedingswijze volstrekt niet van de overige soorten onderscheidt. + + + +De Amerikaan Harlan ontdekte in het jaar 1824 niet ver van Mendoza +in westelijk Argentinië tot groote verbazing van de bewoners dezer +gewesten, die met het bestaan van dit dier nagenoeg onbekend waren, een +hoogst merkwaardig lid van de familie der Gordeldieren--de _Gordelmuis_ +(_Chlamydophorus truncatus_). Gedurende geruimen tijd waren er slechts +twee exemplaren van bekend, die in de verzamelingen van Philadelphia en +Londen bewaard werden en gelukkig op de zorgvuldigste wijze onderzocht +konden worden. De Gordelmuis wordt terecht als vertegenwoordigster +van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij onderscheidt zich echter +van de overige, reeds genoemde Gordeldieren meer door haar pantser +dan door haar inwendig maaksel. + +De _Schildmol_ of _Gordelmuis_ is door het hoogst eigenaardige, +bijna lederachtige hoornpantser, dat zijn lichaam bedekt, een der +merkwaardigste leden van het geheele dierenrijk. Dit zonderlinge +wezen is een dwerg in vergelijking met de andere Gordeldieren +en overtreft de kleinste, bekende Zoogdieren slechts weinig in +grootte. Door zijn vorm en meer nog door zijn levenswijze herinnert +het sterk aan de Mollen. Zijn kop is kort, de achterste helft breed, +de voorste toegespitst, en eindigt in een tamelijk korten, stompen +snuit. De oogen zijn klein en liggen verborgen onder de afhangende +haren. De op korten afstand achter de oogen gelegen ooren hebben geen +waarneembare oorschelp. In elke kaakhelft treft men acht kiezen aan +van zeer eenvoudig maaksel; zij zijn rolvormig en, met uitzondering +van de beide voorste in iedere kaak, die een weinig spits toeloopen, +aan de kauwvlakte afgeplat. De pooten zijn kort, de voorste ledematen +zeer krachtig, plomp en bijna op gelijke wijze als die der Mollen +samengesteld; de achterste daarentegen veel smaller dan de voorste, +met lange en smalle voeten voorzien. Alle teenen dragen middelmatig +scherpe klauwen; die van de voorvoeten zijn zeer groot en stevig +en vormen krachtige graafwerktuigen. De staart, die in een inham +van het pantser, dat het achterste deel van het lichaam bedekt, +vastgehecht is, maakt plotseling een benedenwaartsche kromming en +is tusschen de achterpooten door, langs het onderlijf teruggebogen, +zoodat hij geheel tegen den buik ligt. + +De geheele bovenzijde van het lichaam wordt bedekt door een bijna +lederachtig, uit hoorn bestaand schild-pantser, dat tamelijk dik is +en minder buigzaam dan zoolleder, het begint op den kop, dicht bij de +spits van den snuit, en strekt zich over den geheelen rug tot op het +achterste deel van den romp uit, welks bovenvlakte hier rechthoekig +benedenwaarts gebogen is, waardoor het dier er uitziet, alsof het +afgeknot, verminkt werd. Dit pantser--dat meestal uit regelmatige +dwarse gordels of reeksen van grootendeels rechthoekige, gedeeltelijk +echter ruitvormige en ook wel onregelmatige, met knobbeltjes bezette +schilden bestaat--is geenszins, zooals bij de overige Gordeldieren, +overal stevig met de lichaamshuid verbonden, maar ligt er grootendeels +slechts los over heen. Volgens een lijn, die over het midden van den +rug loopt, is het door een vlies bevestigd aan de doornuitsteeksels van +de wervelkolom; bovendien is het door middel van twee schilden aan de +beide halfbolvormige uitsteeksels van het voorhoofdsbeen aangehecht; +daarentegen wijkt het aan de zijden van den romp van de oppervlakte +af en kan daar opgetild worden. Aan het voorste deel van den kop is +het pantser echter stevig met het geraamte verbonden en ook aan het +achterste deel van den romp, waar het een vlakke plaat vormt over het +afgeknotte deel van 't lichaam. Hoewel de ruimten tusschen de gordels +niet bijzonder groot zijn, laten zij toch een vrij groote buiging van +den romp toe; zelfs is er reden voor het vermoeden, dat dit dier zijn +lichaam tot een bal ineenrollen kan. Het volkomen onbeweeglijke, met +den staart slechts door een vlies verbonden pantser van het achterdeel, +dat een rechten hoek vormt met de as van lichaam en volkomen plat is, +bestaat uit 5 of 6 half-kringvormige reeksen van deels rechthoekige, +deels ruitvormige schildjes. Het geheele pantser is aan zijn bovenzijde +zoowel als aan het niet met de huid verbonden deel van de onderzijde +onbehaard en volkomen glad; alleen aan de onderranden bevinden zich +talrijke, tamelijk lange, zijdeachtige haren. Daarentegen is de +huid van het dier overal en zelfs onder de losse gedeelten van het +pantser, tamelijk dicht met lange, fijne en zachte, bijna zijdeachtige +haren begroeid, met uitzondering alleen van den staart, de zolen, +de spits van den snuit en de kin, die volkomen naakt zijn. De lengte +van het lichaam bedraagt 13 cM., zonder den 3.5 cM. langen staart; +de schouderhoogte is 5 cM. + +In de dierkundige werken wordt van de levenswijze van de Gordelmuis +niet anders bericht, dan dat zij in zandige vlakten leeft en hier +op soortgelijke wijze als onze Mol in Europa, lange gangen onder +de oppervlakte van den grond graaft; met zorg vermijdt zij het +verlaten van haar onderaardsch paleis en komt waarschijnlijk alleen +bij toeval aan de oppervlakte van den bodem. Naar men zegt doorwoelt +zij met groote snelheid den grond, zij loopt er doorheen evenals de +Mol; aan de aardoppervlakte zijn hare bewegingen echter langzaam en +plomp. Hoogstwaarschijnlijk maakt zij jacht op Insecten en Wormen, +misschien behelpt zij zich soms ook met malsche wortels. Van haar +voortplanting weet men alleen, dat zij niet snel geschiedt. De +inboorlingen beweren, dat het wijfje hare jongen onder haar pantser +verborgen medevoert. + +Men ziet hoe gebrekkig deze mededeelingen zijn, terwijl sommige +bovendien slechts op bloote vermoedens berustten. Des te aangenamer was +het mij, van Göring nog iets over dit dier te vernemen: "De Schildmol +leeft niet alleen in Mendoza maar ook in San Louis" (beide staten van +de Argentijnsche Republiek, aan of bij de Chileensche grens). "De +Spanjaarden noemen hem _Bicho ciego_, omdat zij meenen, dat hij +geheel blind is; enkele geven hem echter den naam _Juan calado_ ('Jan +Kant'). Dit diertje bewoont zandige, droge, steenachtige gewesten, +hoofdzakelijk zulke, die met doornplanten en cactussen begroeid +zijn. Over dag houdt het zich steeds verborgen onder den grond; +des nachts echter verschijnt het ook aan de oppervlakte, vooral bij +maneschijn loopt het buiten zijn hol rond, het liefst onder struiken." + +Men vangt dit dier niet anders dan bij toeval, vooral bij het graven +van de besproeiingskanalen, die aangelegd moeten worden daar, waar +men den bodem bebouwen wil. Eenige malen is het ook bij de vangst +van andere Gordeldieren mede gevangen geworden. In den laatsten +tijd heeft men zich, om aan de veelvuldige aanzoeken te voldoen, +wat meer moeite gegeven om Schildmollen te vangen; dit kost echter, +naar het schijnt, veel moeite, daar Göring, die zich 7 maanden lang +in deze streken ophield, in weerwil van alle pogingen, die hij deed +en de verlokkendste beloften, geen enkel levend of versch gedood +exemplaar meester kon worden. Ook thans nog is de "Bicho ciego" een +voorwerp van bewondering voor de inboorlingen. Zij laten ieder door +hen gevangen exemplaar zoo lang leven, als het bij de gebrekkige +zorg die zij er aan wijden, leven kan en bewaren het vervolgens +als een groote merkwaardigheid, zoo goed hun dit mogelijk is. Over +'t algemeen hebben de Zuid-Amerikanen de gewoonte om dieren, die +hun merkwaardig voorkomen, in gevangenschap te houden, zonder er +evenwel aan te denken ze ook goed te verzorgen. Daar deze menschen +het prepareeren en opzetten van dieren niet kennen, vindt men de +Schildmollen bij hen alleen in den toestand van mummiën. + + + +De _Schubdieren_ (_Manididae_) komen door lichaamsvorm en levenswijze +met de Miereneters overeen, maar vormen toch een familie op zich +zelf, die van de zooeven genoemde duidelijk onderscheiden is. Het +lichaam van de Schubdieren is n.l. aan de bovenzijde bedekt met +groote, plaatvormige hoornschubben, die elkander dakpansgewijs of +liever als de schubben van een dennekegel bedekken. Deze bedekking, +het voornaamste kenteeken der familie, is eenig in haar soort; want +het pantser van de Gordeldieren en van de Gordelmuizen vertoont +slechts een verwijderde overeenkomst met de bedoelde eigenaardige +hoornvormingen, die wat haar vorm betreft, eerder met de schubben +van een Visch of van een Kruipend Dier vergeleken kunnen worden dan +met eenig voortbrengsel van de huid van een Zoogdier. + +Tot nauwkeuriger omschrijving van de Schubdieren moge het volgende +dienen: De romp is gestrekt, de staart lang, de kop klein, de snuit +kegelvormig toegespitst; de vóór- en achterpooten zijn kort, hunne +voeten hebben vijf teenen, die met stevige, voor 't graven geschikte +klauwen gewapend zijn. Slechts aan de keel, de onderzijde van den romp +en de binnenzijde der pooten ontbreken de schubben, terwijl het geheele +overige deel van het lichaam door het "schobbejak" omhuld is. Alle +schubben zijn met de eene spits in de lichaamshuid vastgehecht; +zij hebben een ruitvormige gedaante, zijn aan de randen zeer scherp +en bovendien buitengewoon hard en vast. Door deze inrichting kan het +lichaam tamelijk goed in alle richtingen bewogen worden; de schubben +zelf kunnen trouwens even goed zijdelings heen en weer geschoven, +als opgericht en tegen het lichaam aan gelegd worden. + +Tusschen de schubben in en op de ongeschubde lichaamsdeelen staan dunne +haren, die echter soms aan de buikzijde volkomen wegslijten. De snuit +is ongeschubd, maar met een stevige, hoornachtige huid bedekt. De kaken +zijn volkomen tandeloos. Een eigenaardige, breede spier, die evenals +bij den Egel onder de huid gelegen is, dient voor het ineenrollen of +in een bol veranderen van het lichaam. De tong is tamelijk lang en +vooruitsteekbaar; buitengewoon groote speekselklieren leveren haar +het noodige slijm om het voedsel, dat uit Insecten, waarschijnlijk +vooral uit Mieren en Termieten, bestaat, er aan te doen kleven. + +Een groot deel van Afrika en geheel Zuid-Azië alsmede eenige naburige +eilanden vormen het vaderland van deze vreemdsoortige dieren; zij +houden zich op in steppen en boschstreken, in de gebergten zoowel als +in de vlakten. Waarschijnlijk bewonen zij alle holen, die door hen +zelf gegraven zijn en leven hierin eenzaam en ongezellig. Evenals +hunne verwanten verbergen zij zich over dag, en bewegen zich 's +nachts. Aan gevangen Schubdieren heeft men opgemerkt, dat zij over +dag slapen en dan ineengerold zijn, zoodat de kop onder den staart +verborgen is. Als de schemering aanvangt, ontwaken zij en zwerven +daarna rond om voedsel te zoeken. + +De Schubdieren maken bij het gaan hoofdzakelijk gebruik van de +achterste ledematen, die met de geheele zool op den grond rusten, +richten het sterk gekromde lichaam naar voren, buigen den kop ter +aarde en laten de voorpooten hangen, zoodat de klauwen bijna den +bodem raken. Soms wordt ook de staart tegen den grond gedrukt tot +ondersteuning van het lichaam gedurende het gaan; het dier kan zijn +evenwicht echter ook behouden, wanneer het den staart recht uitgestrekt +of met de spits naar boven gekromd draagt. + +Hunne bewegingen zijn volstrekt niet zoo langzaam en traag, als vroeger +beweerd werd. Van een in Liberia waargenomen soort (_Manis gigantea_) +zegt Büttikofer: "Dit dier loopt, in tegenstelling met hetgeen de +boeken er van vermelden, zeer snel, zoodat een man het bijna niet +zou kunnen inhalen en richt zich, terwijl het vlucht, soms op de +achterpooten en den staart op, om achterwaarts te zien; het laat dan +de voorpooten hangen." Bovendien bevestigt onze zegsman het feit, dat +twee Afrikaansche soorten eveneens goede loopers zijn en bovendien +behendig in de boomen kunnen klimmen; van de laatstbedoelde zegt +hij: "Deze dieren worden tam en kunnen langen tijd in huis gehouden +worden, waar men ze vrij laat rondloopen, omdat zij ijverig jacht +maken op Mieren, Kakkerlakken en andere lastige Insecten. Zij zijn +zeer behendig en beklimmen in een ommezien de daken der huizen en de +stammen der boomen." + +Als zij behoorlijk verzorgd worden, verdragen de Schubdieren geruimen +tijd het leven in de gevangenschap. Ook raken zij tamelijk spoedig +gewoon aan melk, brood, ja zelfs aan graankorrels, hoewel Insecten +steeds hun liefste voedsel blijven uitmaken. Het vleesch van de +Schubdieren wordt door de inboorlingen gegeten en als smakelijk +geroemd; het pantser dient bij sommige volksstammen tot het opsieren +van verschillende gereedschappen. + + + +Het _Langstaartige Schubdier_ (_Manis longicaudata_) heeft een totale +lengte van 1 à 1.3 M., waarvan bijna twee derden op den staart +komen. Bij jongere dieren is de staart voluit het dubbele van het +overige lichaam; naarmate het dier ouder wordt, wijzigt zich deze +verhouding eenigszins. De schubben bedekken, met uitzondering van het +onderste deel van de buitenzijde der voorpooten, de geheele boven- +en buitenzijde van den romp en van den staart, van dezen ook nog de +onderzijde; de niet geschubde lichaamsdeelen zijn met stijve borstels +begroeid. Het aangezicht en de keel schijnen bijna geheel kaal. De +buitengewoon stevige en aan de randen scherpe schubben zijn op het +midden van den rug het grootst. De algemeene kleur van het dier is +zwartachtig bruin met een roodachtige tint; iedere schub afzonderlijk +is aan den voet zwartbruin en langs de randen geelachtig gezoomd. De +borstelige haren zijn zwart. Het vaderland van dit dier is West-Afrika. + +Het eerste uitvoerige bericht over de levenswijze van dit Schubdier +danken wij aan Desmarchais: "In Guinea vindt men in de wouden een +viervoetig dier, dat de Negers _Quoggelo_ noemen. Het is van den hals +tot aan de spits van den staart met schubben bedekt, die bijna den +vorm hebben van de bladen van artisjokken, maar een weinig spitser +toeloopen. Overal dicht opeengedrongen, zijn zij dik en stevig genoeg +om het dier te beschutten tegen de klauwen en tanden van andere +dieren, die het aanvallen. De Luipaarden vervolgen het onophoudelijk +en bereiken het zonder moeite, daar het op lange na niet zoo snel +loopt als zij. Het vlucht, maar wordt spoedig ingehaald. Zoomin met +de klauwen als met den bek, kan het zich tegen de vreeselijke tanden +en klauwen van de Roofdieren verweren. Daarom rolt het zich ineen en +slaat den staart onder den buik, zoodat de spitsen van de schubben +allerwege naar buiten gekeerd zijn. De groote Katten rollen het zacht +met de klauwen heen en weer, steken zich echter zoodra zij het steviger +aangrijpen en zien zich genoodzaakt het met vrede te laten. De Negers +slaan het met stokken dood, trekken het de huid af, die zij aan de +blanken verkoopen, en eten zijn vleesch. In zijn snuit, die men met +een eendensnavel zou kunnen vergelijken, ligt een zeer lange, kleverige +tong, die het in de gaten der mierenhoopen steekt of op hun weg legt; +de Mieren, door den reuk aangelokt, begeven zich dadelijk op deze tong +en blijven er aan hangen. Bemerkt het dier, dat zijn tong met Insecten +bedekt is, dan trekt het haar in den bek terug en houdt zijn maal." + + + +De _Pangolin_ (_Manis pentadactyla_) heeft een korten staart en +een volledig pantser op de buitenzijde van de voorpooten. Dit dier +bewoont Vóór-Indië en Ceylon, bij voorkeur heuvelachtige gewesten; +het komt echter nergens talrijk voor. Reeds Aelianus bericht, dat er +in Indië een dier voorkomt, dat er als een Landkrokodil uitziet. + +Van de overige Schubdieren, met uitzondering van het Steppen-schubdier, +onderscheidt de Pangolin zich door zijn grootte en bovendien, doordat +zijne schubben, die op 11 à 13 reeksen geplaatst zijn, op den rug +en den staart zeer breed en nergens gekield zijn. Een volwassen +mannetje kan wel 1.3 M. lang worden; hiervan komt ongeveer de helft +op den staart. + +Ook van deze soort is de levenswijze ons slechts zeer onvolledig +bekend. Het dier graaft gangen, die over een afstand van 2 à +4 M. schuins naar beneden gericht zijn en in een groote kamer +uitkomen. Hier leven de Schubdieren paarsgewijs; waarschijnlijk van +Januari tot Maart vindt men 1 of 2 jongen bij hen. Als zij in het hol +zijn, verstoppen zij gewoonlijk den ingang zoo goed met aarde, dat deze +niet gemakkelijk gevonden zou worden, zonder het eigenaardig spoor, +dat er om heen leidt. Burt verhaalt, dat de Pangolin niets anders +dan Mieren eet en er zeer vele verdelgt, maar dat hij ook 2 maanden +achtereen zonder voedsel in 't leven kan blijven, dat hij 's nachts +rondzwerft en in de gevangenschap zeer onrustig is, zich tamelijk snel +kan bewegen en, als men hem aanvat, zich bedaard bij den staart laat +opnemen, zonder de minste poging te doen om zich tegen zijn vijand +te verweren, enz. De Chineezen vervaardigen pantsers uit zijn huid. + + + +Het _Javaansche Schubdier_ (_Manis javanica_) bewoont op Java, +Sumatra en Borneo bosschen, liefst in bergachtige streken. Het klimt +in de boomen en vindt een schuilplaats in boomspleten of tusschen +bovenaardsche boomwortels, vooral van _Ficus_-soorten, minder dikwijls +in rotsholen. Het maakt jacht op Mieren en Termieten, welker nesten +het opengraaft, voorts op andere Insecten, Wormen, enz. Zijn vleesch +wordt vrij algemeen door de inlanders gegeten en van zijne schubben +worden soms ringen vervaardigd, die als amuletten tegen allerlei +kwalen gebruikt worden. "Meermalen," schrijft Haszkael, "heb ik op +Java Schubdieren gekocht, maar ze nooit lang behouden, daar ik ze, bij +gebrek aan een betere bergplaats, in navolging van de inboorlingen, +met een touw, dat aan een vooraf doorboorde schub was vastgemaakt, +aan een boom moest binden. Zij klommen zeer snel en behendig in den +boom; ook op den grond bewegen zij zich vermoedelijk vrij goed: ik kon +mijne gevangenen, als zij, hun doorboorde schub in den steek latend, +ontvluchtten, nooit weder krijgen." + + + +Een betrekkelijk korte, breede, eerst bij de spits dunner +wordende en daar plotseling stomp afgeronde staart komt voorbij +het _Steppen-schubdier_ (_Manis Temminckii_), de _Aboe-Khirfa_ +("Schors-vader") van de nomaden van Kordofan. Wat grootte en vorm +betreft komt het nog het meest met den Pangolin overeen. De kop +is kort en dik, de romp breed, de staart ongeveer zoo lang als het +overige lichaam. Eivormige schubben bedekken den kop; zeer groote, +aan den wortel fijn overlangs gegroefde, aan de spits gladde schubben +vormen aan de rugzijde van den romp 11 à 13, op het voorste deel van +den staart 5 en bij de spits 4 reeksen. Volwassen mannetjes bereiken +een lengte van ongeveer 80 cM., met inbegrip van den ongeveer 30 +cM. langen staart. Het Steppen-schubdier bewoont voornamelijk Oost- +en Zuid-Afrika, maar wordt ook in West-Afrika, gevonden; het vindt +in de aan Termieten zoo rijke steppen een overvloed van voedsel en +de gewenschte eenzaamheid. Het graaft en bewoont gaten in den grond, +welke nooit zoo diep zijn als die van het Aardvarken en waaruit het +eerst na het begin van de schemering te voorschijn komt. Het is +zoomin behendig als vlug en niet in staat zich tegen vijanden te +verdedigen. Mieren, Termieten, Sprinkhanen, Kevers, misschien ook +Wormen maken zijn voedsel uit. + +Ik zag een van deze merkwaardige wezens levend bij een koopman in +Khartoem, die het met melk en wittebrood voedde. Het was, evenals de +overige leden van zijn geslacht, volkomen onschadelijk; men kon met +hem doen, wat men wilde. Over dag lag het ineengerold in den een of +anderen hoek, 's nachts kwam het te voorschijn; het at met de tong, +die het telkens in de melk dompelde en waaraan de wittebroodkruimels +zich hechtten. + + + +In de laatste familie vereenigen wij de _Aardvarkens_ +(_Orycteropodidae_), plompe dieren, met dikken, loggen romp, die +met een ijl, borstelig haarkleed bedekt is, met dunnen hals, langen, +slanken kop met rolvormigen snuit, middelmatig langen, kegelvormigen +staart en korte, betrekkelijk dunne pooten, waarvan de voorste vier, +de achterste vijf teenen hebben, die met zeer stevige, bijna rechte en +platte, aan de randen scherpe, hoefachtige nagels voorzien zijn. De +bek is tamelijk groot, de oogen staan ver naar achteren, de ooren +zijn lang. Bij het jonge dier bevat elke bovenkaakshelft 8, elke +onderkaakshelft 6 kiezen; bij oude dieren daarentegen is het aantal +kiezen in elke reeks verminderd tot 5 boven en 4 onder; deze kiezen +zijn rolvormig, wortelloos, uit tallooze fijne buisjes samengesteld, +die op de kauwvlakte gesloten, aan het tegenovergestelde uiteinde +echter open zijn. + + + +Het _Kaapsche Aardvarken_ (_Orycteropus capensis_) bereikt een +lengte van ongeveer 2 M., met inbegrip van den ongeveer 85 cM. langen +staart, en een gewicht van 50 à 60 KG. De huid is zeer dik, met glad +neerliggende en tamelijk wijd uiteenstaande, borstelachtige haren +bekleed; het haar van de bovenzijde van 't lichaam is iets korter +dan dat van de onderzijde, waar het, vooral aan den oorsprong der +teenen, bosjes vormt. De kleur is zeer gelijkmatig: de rug en de +zijden zijn geelachtig bruin met een roodachtig waas, de onderzijde +en de kop licht roodachtig geel, het achterdeel, de staartwortel en +de ledematen bruin. Pas geboren jongen zijn vleeschkleurig. + +De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika hebben dit dier "Aardvarken" +genoemd, omdat zijn vleesch in smaak overeenkomt met dat van het +Wilde Zwijn; reeds sinds lang maken zij er ijverig jacht op; zij +hebben het hierdoor goed leeren kennen. + +Het Aardvarken komt voor in Zuid- en Midden-Afrika, van de oostkust +tot aan de westkust; evenals de Gordeldieren bewoont het bij voorkeur +het vlakke land, woestijnachtige gewesten en steppen, waar Mieren en +Termieten talrijk zijn. Het is een eenzaam levend dier; hoewel men +het soms in gezelschap van zijne soortgenooten aantreft, heeft het met +deze geen omgang; over dag slaapt het in groote, zelf gegraven holen, +des nachts zwerft het rond. + +Het heeft een ongeloofelijke bekwaamheid in 't graven. Weinige +oogenblikken heeft het maar noodig om zich geheel in den grond te +verbergen, hoe hard de bodem ook moge zijn. Als het bij een Mieren- +of Termieten-woning komt, besnuffelt het deze eerst zorgvuldig aan +alle zijden, en tijgt dan aan den arbeid: het wroet in den grond, +totdat het de belangrijkste afdeeling van het nest of althans +een hoofdverkeersweg van de Insecten bereikt heeft. In zulke +hoofdgangen nu steekt het Aardvarken herhaaldelijk zijn lange, +kleverige tong, wacht totdat deze geheel met Insecten bedekt is, +trekt haar dan in den bek terug, en herhaalt deze beweging zoolang, +totdat het volkomen verzadigd is. Zoo wordt het eene nest na het +andere geplunderd, en onder de alles vernielende Termieten een groote +slachting anngericht. Geen dier is in staat het Aardvarken in zijn +hol te vervolgen, daar het de uitgegraven aarde met zooveel kracht +achteruitwerpt, dat de aanvaller zich verschrikt terugtrekt. Zelfs +voor den mensch is het moeilijk hem op te delven, en ieder jager, +die dit beproeft, wordt na weinige minuten volkomen met aarde bedekt. + +Het Aardvarken is buitengewoon voorzichtig en schuw, en begraaft +zich ook 's nachts bij het geringste gedruisch onmiddellijk in den +grond. Door zijn groote lichaamskracht is het trouwens in staat aan +velerlei gevaren het hoofd te bieden. De jager, wien het gelukt een +Aardvarken te overrompelen en vast te houden, is hierdoor nog volstrekt +niet zeker van den gewenschten buit. Evenals het Gordeldier drukt het +zich, zelfs wanneer het slechts halverwege in zijn hol doorgedrongen is +met al zijn kracht tegen de wanden, houdt zich met de scherpe klauwen +er stevig aan vast, kromt den rug en drukt hem met zooveel geweld +naar boven, dat het nagenoeg onmogelijk is, ook maar een enkelen poot +los te rukken en het dier uit den grond te trekken. Zelfs voor de +vereenigde krachten van verscheidene mannen is dit werk zwaar genoeg. + +Nauwkeurige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver. + +In de laatste tientallen jaren is het Aardvarken herhaaldelijk naar +Europa gebracht; men heeft het hier bij behoorlijke verzorging meer +dan een jaar lang in 't leven kunnen houden. Het wordt gevoederd +met fijn gehakt vleesch, rauwe eieren, mierenpoppen en meelbrij, +waardoor echter het voedsel dat het in de vrije natuur gebruikt, +slechts op een zeer onvoldoende wijze wordt vervangen. + +Alleen in gewesten, die dikwijls door karavanen worden bezocht, wordt +het Aardvarken den mensch schadelijk door zijn graven; overigens +veroorzaakt het eerder nut dan schade. Het vleesch gelijkt op dat +van 't Zwijn en wordt soms uitmuntend, soms taai en kwalijk riekend +genoemd; de dikke, stevige huid wordt tot leder verwerkt. + + + + + +Negende Orde. + +De Slurfdieren (Proboscidea). + + +Als een uitstervend geslacht, als de laatste afstammelingen van een +voormaals talrijkere Zoogdieren-groep, treden de _slurfdieren_ voor +ons. Zij maken den indruk van levende getuigen uit vroegere tijdperken +van de ontwikkelingsgeschiedenis der dierenwereld, van wezens uit den +vóórtijd, die aan het lot, dat hunne stamgenooten getroffen heeft, +ontkomen zijn, en tot den tegenwoordigen tijd gespaard bleven. + +Van de tot deze orde behoorende diervormen, die onze planeet bewoond +hebben, leven thans nog slechts de vertegenwoordigers van één familie; +twee of misschien drie soorten; zij maken de laatste leden uit van een +reeks, die den tegenwoordigen tijd op een duidelijk zichtbare wijze met +de voorwereld verbindt: want tot hun familie moet men de reusachtige +dieren rekenen, welker goed geconserveerde lijken het ijs van Siberië +gedurende duizenden van jaren voor ons bewaard heeft. Om van de +beteekenis dezer diergroep een juist denkbeeld te krijgen, is het +noodig ook op de uitgestorvene soorten de aandacht te vestigen. Neumayr +zegt van hen het volgende: "Over 't algemeen onderscheidden zich de +Zoogdieren, die gedurende het diluviale tijdvak Europa bewoonden, +door hun krachtige ontwikkeling: er zijn zoovele groote vormen bij, +dat met het oog op deze, de hedendaagsche Europeesche Zoogdieren-fauna +zich als een jammerlijk ontaard overblijfsel van vroegeren bloei aan +ons voordoet. Het meest loopt dit in 't oog, als wij letten op de +groote planteneters van dien tijd; in de eerste plaats blijkt dan de +sterke verbreiding van drie kolossale soorten van Slurfdieren, die +alle grooter waren dan de hedendaagsche Indische en Afrikaansche +soort. Twee van deze, n.l. _Elephas meridionalis_ en _Elephas +antiquus_--misschien de grootste landbouwers onder de Zoogdieren, die +ooit bestaan hebben--lieten hoofdzakelijk in Zuid-Europa sporen van hun +aanwezigheid achter; hun verbreidingsgebied reikte tot in Engeland; +reeds in Noord-Duitschland echter waren zij zeer zeldzaam. Beide +zijn vooral veelvuldig geweest in de oudste diluviale periode (in +het tijdvak, dat aan den ijstijd onmiddellijk voorafgaat) daarna +verdwijnt _Elephas meridionalis_, terwijl overblijfselen van _Elephas +antiquus_ nog voorkomen in de aardlagen, die zich afgezet hebben in het +interglaciale tijdperk (tusschen den eersten en den tweeden ijstijd). + +"Geheel anders was het gesteld met de derde soort, met den _Mammoet_ +(_Elephas primigenius_), wiens overblijfselen in het tijdvak dat +aan den ijstijd voorafgaat, slechts zelden gevonden worden, maar in +de diluviale gronden uit latere tijdperken buitengewoon veelvuldig +zijn; tallooze kudden van deze dieren bevolkten destijds Europa en +het noorden van Azië. Geen fossielen hebben zoo sterk de aandacht +getrokken als die van den Mammoet, wiens beenderen en tanden op sommige +plaatsen in menigte voorhanden zijn. In vroegeren tijd hield men ze +voor de beenderen van Sint Christophorus of van een anderen heilige, +wien men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te +moeten toeschrijven; vele van zulke overblijfselen werden daarom in +kerken als reliquieën bewaard. Anderen hielden ze voor de beenderen +van de reuzen Gog en Magog, die in den bijbel worden genoemd, of van +andere minder beroemde reuzen. Door hen, die met de klassieke oudheid +meer bekend waren, werden zij aan den Germaanschen koning Teutobod +toegeschreven. Toen men er eindelijk toe overging, deze beenderen en +tanden nauwkeuriger te bekijken, en de overeenkomst opmerkte, die +zij met Olifantstanden hebben, meende men, dat zij afkomstig waren +van de voor den krijg afgerichte Olifanten, die Hannibal op zijn +vermetelen tocht uit Spanje door het zuiden van Frankrijk en over de +Alpen medenam, en die, zooals bekend is, alle op één na onderweg ten +gevolge van de vermoeienissen der reis bezweken. + +"Later kwam men tot de overtuiging, dat de Mammoet werkelijk tot voor +betrekkelijk korten tijd in Europa geleefd heeft en het lag voor de +hand hieruit af te leiden, dat het klimaat van Europa in dien tijd +warmer was. Door nog latere ervaringen werd deze meening echter niet +bevestigd: in het zuiden van Europa ontbreekt de Mammoet, terwijl +hij in het midden en in het noorden van dit werelddeel gevonden +wordt. Hoe veelvuldig hij hier echter op sommige plaatsen is, nog +overvloediger komt hij voor in Siberië, vooral in het noorden van +dit land, waar sommige diluviale lagen geheel gevuld zijn met zijne +overblijfselen. Waarschijnlijk is geen omstandigheid beter geschikt +om dit in 't licht te stellen dan het feit, dat _ongeveer het derde +gedeelte van al het ivoor, dat in den handel komt van de diluviale +Mammoeten van Siberië afkomstig is_. Volgens Middendorf zijn sedert +200 jaren ieder jaar meer dan 100 paar slagtanden van Mammoeten +uit Siberië op de markt gekomen. Zelfs op de zoo moeilijk bereikbare +Nieuw-Siberische eilanden, die ten noorden van het Aziatisch vasteland +tusschen 73 en 76° N.B. in de IJszee gelegen zijn, is het fossiele +ivoor in zulk een groote hoeveelheid aanwezig, dat de ivoorverzamelaars +herhaaldelijk den gevaarlijken sledetocht over de bevroren zee wagen +om deze schatten te lichten. + +"Het is zeer zeker een merkwaardig feit, dat het ivoor gedurende zulk +een langen tijd zoo weinig verandering heeft ondergaan, dat het nu +nog technisch bruikbaar is; nog veel wonderbaarlijker echter is de +ontdekking van volledige exemplaren met huid en haar, met vleesch en +ingewanden, in den bevroren bodem van Siberië. Deze lijken waren nog +zoo frisch, dat het vleesch steeds door IJsberen, Wolven, Vossen en +Honden verslonden was, voordat een expeditie deze afgelegen gewesten +kon bereiken om het gevonden materiaal ten behoeve van de wetenschap +in bezit te nemen. + +"Men kan zich nog geen volkomen duidelijke voorstelling vormen van +de wijze, waarop deze bevroren grond ontstond; daarom weet men ook +niet, hoe de Mammoeten er in bedolven zijn geraakt. Voor sommige +gevallen geldt de verklaring, dat de Olifanten, Neushoorndieren +enz. toevalligerwijze weggezonken zijn in moerasgrond, die later +bevroren en sedert den ijstijd niet weder ontdooid is. In andere +gewesten hebben, naar het schijnt, andere oorzaken tot soortgelijke +gevolgen aanleiding gegeven; zoo ziet men b.v. aan de Eschscholtz-bocht +in het noordwestelijkste deel van Noord-Amerika een tamelijk zuivere +afzetting van waterijs (geen gletscher-ijs) uit het diluviale tijdperk, +waarin oude strandlijnen ingesneden zijn en deze ijsmassa wordt bedekt +door een laag klei met overblijfselen van groote Zoogdieren. + +"Hoe dit ook zij, zeker is het, dat van tijd tot tijd volledige +Mammoet-lijken door den dooi blootgelegd worden; de inboorlingen +meenen, dat dergelijke dieren ook nu nog in den grond leven en dezen +doorwoelen, en dat zij, gedurende dezen arbeid bij vergissing aan de +lucht komend, onmiddellijk sterven en daarom in volkomen verschen +toestand gevonden worden. De eerste gebeurtenis van dezen aard, +die bekend geworden is, had plaats aan den mond van de Lena; hier +bemerkte een Toengoese, dat een Olifant in een tijdperk van twee +jaren langzamerhand uit zijn ijshulsel te voorschijn kwam; in 1799 +werd deze ontdekking gedaan, maar eerst zeven jaren later kwam zij +den natuuronderzoeker Adams ter oore, die toen een reis door Siberië +deed en de bedoelde plaats bezocht. Ongelukkig was het dier reeds +grootendeels verslonden; één oor, één oog, een stuk van de huid en +vele pezen en banden waren behalve het skelet nog aanwezig. Toen +reeds werd het hoogst merkwaardige feit ontdekt, dat de Mammoet +over het geheele lichaam met een dichte, roodbruine, wollige vacht +bekleed was en aan den hals lange manen had." De manen in den nek +reikten bijna tot op de knieën; ook op den kop groeiden zachte haren +van één Meter lengte. Boven het dichte wolhaar, dat den geheelen romp +bedekte, verhieven zich borstels van 25 cM. lengte. De overblijfselen +van dit dier werden voor een som van 8000 roebels aan het museum te +Petersburg verkocht, waar het skelet met de daaraan nog aanwezige +pezen is opgesteld. + +"Sedert dien tijd zijn herhaaldelijk dergelijke in den grond +vastgevroren dieren gevonden; nooit is het echter gelukt er één +in zijn geheel voor bederf te bewaren. Een onder de leiding van +F. Schmidt uitgezonden expeditie kon tegen het einde van het tijdperk +1860--1870 weder eenige deelen van een Mammoet redden; bovendien +verzamelde men eenige nog met de huid bedekte lichaamsdeelen van +Neushoorndieren. Vooral een door Schrenk ontdekte kop van _Rhinoceros +Merckii_ is goed bewaard gebleven en levert het bewijs, dat de huid +met een rood gevlekte vacht bekleed was. + +"Over het algemeen is de Mammoet nauw verwant aan den Indischen +Olifant; hij onderscheidt zich echter van dezen, behalve door zijn +grootte en beharing door de veel talrijkere en smallere emailplaten +van de kiezen en door de reusachtige, zeer sterk naar boven en buiten +gekromde stoottanden." Deze zijn soms ruim 4 M. lang en 125 K.G. zwaar. + +"Zooals reeds gezegd werd, meende men aanvankelijk, dat de Mammoet +in een heet klimaat geleefd zou hebben, omdat hij nauw verwant +is aan den Olifant. Toen men hem echter in zoo grooten getale in +Siberië aantrof en de daar in het ijs bedolven exemplaren ontdekte, +zocht men den volgenden uitweg: men nam aan, dat door geweldige, +van 't zuiden naar 't noorden zich uitstrekkende watervloeden, +misschien wel door den zondvloed van Noach, tallooze overblijfselen +van tropische dieren naar de Noordpool-gewesten gespoeld zouden +zijn. Weldra echter zag men de onmogelijkheid van dit vermoeden in +en nam zijn toevlucht tot de even onjuiste veronderstelling van een +zeer plotseling ingetreden omkeering van het klimaat. Zoomin voor de +eene als voor de andere meening is eenige grond aan te voeren. De +Mammoet was door zijn dichte vacht tegen de koude beschut; dat hij +ook werkelijk in koude gewesten leefde, blijkt uit de overblijfselen +van voedsel, die men in de maag en tusschen de tanden van den Mammoet +(en den Rhinoceros) gevonden heeft; daar deze hoofdzakelijk bestaan +uit twijgen en spruiten van naaldboomen gelijk aan die, welke thans +nog in Siberië groeien. _Elephas primigenius_ is dus de Olifant +van de noordelijke gewesten, die zijn hoofdzetel had in Siberië en +Noord-Europa; in Midden-Europa ontmoette hij den zuidelijken vorm +_Elephas meridionalis_ en ook den _Elephas antiquus_, die zeer veel +overeenkomst had met den Afrikaanschen Olifant. + +"Behalve de drie genoemde, over een groot gebied verbreide +soorten komen in Europa nog overblijfselen voor van eenige andere +vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht, die, hoewel zij een +kleiner gebied bewoonden, toch van groot belang zijn. In de eerste +plaats moet de echte _Afrikaansche Olifant_ genoemd worden, waarvan +in de beenderenholen van Sicilië en in Spanje in de omstreken van +Madrid fossielen gevonden zijn, welk feit van belang is als steun +voor de stelling, dat Europa vroeger op verschillende plaatsen met +Afrika verbonden was. Het opmerkelijkst echter zijn de zeer talrijke +overblijfselen van een zeer nauw aan den Afrikaanschen Olifant +verwanten vorm, die men op het eiland Malta gevonden heeft. Alle +zooeven bedoelde fossiele soorten zijn echter aanmerkelijk kleiner +dan de hedendaagsche: de grootste (_Elephas mnaidriensis_) bereikt +gemiddeld geen grootere hoogte dan 2 M., _Elephas melitensis_ is +zelfs aanmerkelijk kleiner en _Elephas Folconeri_ is een zeer kleine +dwergvorm, welks grootste exemplaren nog geen Meter hoog waren en +dus niet grooter waren dan een kalf. Uit de aanwezigheid van groote +Zoogdieren op Malta blijkt in allen gevalle, dat dit tamelijk kleine +en schaars met planten begroeide eiland eens deel uitmaakte van een +groot vasteland. Van het ontstaan van een Dwerg-olifant, waarnevens nog +een Dwerg-nijlpaard voorkomt, geeft men de volgende (niet onmogelijke) +verklaring: Toen Malta een eiland werd en de plantenwereld daar niet +meer voldoende was voor het voeden van groote soorten, verkregen de +de Olifanten en Nijlpaarden hier kleinere afmetingen." + +"Voor het verdwijnen van de groote diluviale Zoogdieren heeft men +ondanks alle hiervoor in 't werk gestelde pogingen, nog geen verklaring +kunnen vinden." + + + +Onze Olifanten (_Elephas_)--de eenige thans nog levende +vertegenwoordigers van de gelijknamige familie (_Elephantidae_)--zijn +gekenmerkt door de lange beweeglijke slurf en door het gebit, vooral +door de slagtanden, die als sterk ontwikkelde snijtanden beschouwd +worden. De romp is kort en dik, de hals zeer kort, de kop rond en +door de aanwezigheid van holten in de bovenste schedelbeenderen +gezwollen; de tamelijk hooge, zuilvormige pooten hebben vijf met +elkander verbonden teenen en vlakke hoornachtige zolen. + +Het merkwaardigste lichaamsdeel van den Olifant is de slurf, een +verlengde neus, die zich door lenigheid, gevoeligheid en bovenal +door een vingervormig uitsteeksel aan zijn uiteinde onderscheidt. Zij +dient zoowel voor 't ruiken, als voor het tasten en het grijpen. De +ringvormige en overlangsche spieren die haar samenstellen, bestaan +volgens Cuvier uit ongeveer 40000 afzonderlijke bundels en stellen +haar in staat zich in alle richtingen te wenden, zich te verkorten +en te verlengen. De ontbrekende bovenlip wordt vervangen door de +slurf. Zonder dit orgaan zou de Olifant niet kunnen leven. + +Alle overige lichaamsdeelen en zelfs de zintuigen van den Olifant zijn +minder opmerkelijk. De oogen zijn klein en hebben een onnoozele, maar +goedaardige uitdrukking, de oorschelpen daarentegen zijn zeer groot en +gelijken op lappen leder. De voor- en achtervoeten zijn zeer kort. De +teenen zijn zoo innig omgeven door een gemeenschappelijke huid, +dat zij zich niet ten opzichte van elkander kunnen bewegen. Zij zijn +voorzien van hoeven, die wel is waar klein zijn, daar zij slechts de +spits van den teen omhullen, maar tevens stevig, breed en plat. Boven +de met een dikke huid bedekte, min of meer cirkelvormige zool van +elken poot, aan welker voorrand de hoeven zichtbaar zijn en op welker +achterrand de voetwortel rust, bevindt zich een kraakbeenige plaat, een +vetkussen en eindelijk de sterk bovenwaarts gewelfde, korte middelvoet +(of middelhand). De zachte stap van de op zuilen gelijkende pooten, die +zulk een kolossaal lichaam dragen, is een gevolg van deze eigenaardige +samenstelling van den voet. + +Zeer merkwaardig is het gebit. In de bovenkaak draagt de Olifant twee +buitengewoon sterk ontwikkelde slagtanden; overigens heeft hij geen +snijtanden, ook geen hoektanden en gewoonlijk slechts één kolossale +kies in elke kaakhelft. Deze kies bestaat uit een vrij groot aantal +(3 à 27) dwars gerichte platen, ieder bestaande uit tandbeen, omgeven +door een laag email, die zich op de door afslijting gevormde, platte, +kauwvlakte voordoet als een richel met eenigszins geplooiden rand, +die zeer langwerpig elliptisch is (Mammoet en Indische Olifant) of +ruitvormig (Afrikaansche Olifant). Deze "dwarsjukken" worden vereenigd +door het daartusschen liggend cement, dat ook de zijvlakken van de +geheele kies bedekt. Als de kies door het kauwen zoover afgesleten is, +dat zij haar dienst niet meer voldoende kan verrichten, vormt zich +achter haar een nieuwe kies, die, langzamerhand aangroeiend, verder +naar voren dringt en geruimen tijd vóór het uitvallen van het laatste +overblijfsel van de vorige kies dienst begint te doen. Men heeft +waargenomen, dat deze tandwisseling zes malen achtereenvolgens plaats +heeft, zoodat alles bijeengenomen elke kaakhelft zes kiezen bezit, die +de eene na de andere in gebruik genomen worden, zoodat er nooit meer +dan twee te gelijk in functie zijn. De drie eerstverschijnende kiezen +van elk zestal worden gerekend tot het melkgebit te behooren. Bij +den Indischen Olifant komt de eerste melkkies in de derde levensmaand +voor den dag, vertoont 3 dwarsjukken en valt in het tweede levensjaar +uit. De tweede melkkies heeft 8 dwarsjukken en valt in het vijfde of +zesde jaar uit, de derde met 12 dwarsjukken in het negende jaar. Van +de eerste ware kies, die dan natuurlijk al reeds sedert eenigen tijd in +functie is met een deel van hare dwarsjukken, zijn deze in het 15e jaar +in vollen getale (12 à 14) aan de kauwvlakte zichtbaar; zij valt uit, +als het dier 20 à 25 jaar oud is. Op nog lateren leeftijd vertoonen +zich achtereenvolgens de tweede en de derde ware kies; gene heeft +16 à 18, deze 24 à 27 dwarsjukken. Het aantal wortels van de kies +staat in verband met het aantal dwarsjukken. Bij jonge tanden zijn +de wortels kort en met een wijde opening voorzien; later ontwikkelen +zich vooral aan de achterste helft van de kies tamelijk lange, met +cement bedekte wortels, die gedeeltelijk met elkander vergroeien. De +slagtanden hebben voortdurend open wortels en groeien dus steeds aan; +zij kunnen bij den Afrikaanschen Olifant een lengte van 2 1/2 M. en +een gewicht van 90 KG. bereiken. Met uitzondering van een dun laagje +cement, dat het diep in de tandkas verborgen deel van deze tanden +bedekt, en van een (bij zeer jonge tanden aan de spits aanwezig) +zeer spoedig afslijtend emailkapje, bestaat de geheele slagtand uit +tandbeen; deze stof is het dus, die als "ivoor" dienst doet. + + + +De _Indische_ of _Aziatische Olifant_ (_Elephas asiaticus, +E. indicus_), dien wij als type van zijn geslacht en van zijn familie +plegen te beschouwen, is een kolossaal, plomp, sterk gespierd dier met +zwaren, aan het voorhoofd zeer breeden kop, korten hals, reusachtigen +romp en zuilvormige pooten. Zijn kop, die bijna loodrecht gehouden +wordt, draagt er veel toe bij om den overweldigenden indruk die het +reusachtige dier op den toeschouwer maakt, te verhoogen. Het voorhoofd +is plat of zelfs een weinig uitgehold.--De huid is in bepaalde +richtingen fijn geplooid, in andere, die de plooien meestal kruisen, +gegroefd; hierdoor ontstaat aan haar oppervlakte een eigenaardige, +netvormige teekening; alleen aan de borst verdikken deze plooien zich +tot losse, beweegbare, kwabvormige opzwellingen. Wegens dit netwerk +van plooien valt het bijna volslagen gemis van beharing minder in +'t oog. Het haarkleed bepaalt zich over 't grootste deel van 't +lichaam tot zeer verspreid staande borstels, die een weinig dichter +bijeengeplaatst zijn rondom de oogen, aan de lippen, aan de onderkaak, +op de kin en op 't achterste deel van de rug; de staart echter is aan +zijn spits overvloedig met haar voorzien; dit vormt hier een platte, +dunne kwast. De haren hebben een bruine of zwarte kleur, behalve +op de lippen, waar zij witachtig zijn; de huid zelve is vaalgrijs, +behalve aan de slurf, het onderste deel van den hals, de borst en den +buik, die een vleeschkleurige tint vertoonen en dicht bezet zijn met +rondachtige, donkere vlekken.--Gewoonlijk komen aan de achtervoeten +slechts vier hoeven tot ontwikkeling (daar de éénledige binnenteen +de hoef mist); terwijl de voorvoeten er vijf hebben. + +De afmetingen van den Olifant worden in den regel overschat en dikwijls +onjuist bepaald. Bij de grootste mannetjes bedraagt de totale lengte, +van de spits van de slurf tot aan de spits van den staart, bijna 7 +M., waarvan ongeveer 2 M. voor de slurf en hoogstens 1.5 M. voor den +staart gerekend moeten worden; de schouderhoogte bedraagt hoogstens +3 M. Waarschijnlijk treft men niet veel exemplaren aan, die grooter +zijn. Sanderson (wiens getuigenis ongetwijfeld veel gewicht in +de schaal legt, daar hij gedurende een half menschenleven met het +bestuur van de Olifanten-vangst in Engelsch Indië belast was) heeft +van honderden van Olifanten de grootste gemeten en de schouderhoogte +bepaald: bij de twee meest ontwikkelde mannetjes bedroeg zij 3 M. en +2.95 M. en bij de twee kolossaalste wijfjes 2.57 M. en 2.52 M. Het +gewicht van de zwaarste dieren is waarschijnlijk 4000 KG., misschien +ook iets meer. + +De Indiërs, die buiten kijf de beste Olifanten-kenners zijn, +onderscheiden naar de gestalte en de hiervan afhangende geschiktheid om +te werken, bij deze dieren drie slagen, die zij _Koemiria, Dwasala_ +en _Miërga_ noemen. De Koemiria is de volkomenste Olifant, zwaar +en evenredig gebouwd, met ruime borst, krachtigen kop en romp, +met een rechten, platten, naar achteren afhellenden rug. Zijn oog +is open, helder en innemend. Zoowel naar het lichaam als naar den +geest is hij een edel dier, betrouwbaar en onversaagd, majestueus +en afgemeten in zijne bewegingen, als 't ware geschapen voor een +vertooning van koninklijke waardigheid. Een tegenstelling met hem +vormt de Miërga: deze is licht en minder schoon gebouwd, langpootig, +kleinkoppig, met varkensoogen, krom en steil van rug, engborstig en +dikbuikig, met zwakke, slappe slurf en dunne, gemakkelijk kwetsbare +huid. Tusschen het edelste en het onedelste slag houdt de Dwasala +het midden; deze is tevens het talrijkst vertegenwoordigd. De drie +genoemde, zoo verschillende slagen, zijn niet door den mensen +gefokt; men vindt ze bij een en dezelfde kudde; zij staan dus, +naar wij mogen veronderstellen, tot elkander in een nauwen graad +van bloedverwantschap. + +Lichtkleurige Olifanten--zelfs zulke, die lichtkleurige vlekken +hebben--, zoogenaamde _Witte Olifanten_, komen zeer zelden voor. In +Siam, waar albino's van allerlei dieren hoog geschat worden, omdat +men meent, dat zij gezagvoerders zijn over hunne soortgenooten, +waar de Witte Olifant als het machtigste van alle dieren voor heilig +wordt gehouden, en één der vele titels van den koning daarom "heer +van den Witten Olifant" beteekent, moet men zich, naar het schijnt, +bij het zoeken naar witte Olifanten tevreden stellen met exemplaren, +welker kleur slechts weinig lichter is dan de gewone; een echte albino +is daar nog niet voorgekomen. + +In Indië is de Olifant op 25-jarigen leeftijd volwassen, hoewel nog +niet in 't bezit van zijn volle kracht, die hij eerst op ongeveer +35-jarigen ouderdom heeft. Het mannetje is ongeveer in het 20e +jaar voor de voortplanting geschikt. De wijfjes brengen hun eerste +jong ter wereld als zij 16 jaar oud zijn, de volgende jongen met +tusschenpoozingen van gemiddeld 2 1/2 jaar. De pas geboren Olifanten +hebben een schouderhoogte van ongeveer 90 cM. en op den tweeden dag +gemiddeld een gewicht van 90 K.G.; gedurende 6 maanden gebruiken zij +geen ander voedsel dan de moedermelk; dan beginnen zij langzamerhand +een weinig malsch gras te eten, hoewel zij zich nog eenige maanden +lang hoofdzakelijk met melk voeden. Van den beginne af zien zij er +minder plomp uit dan andere jonge dieren er is zelfs reden om ze lief +en grappig te noemen; gedurende den eersten tijd van hun leven houden +zij zich bij voorkeur onder den romp en tusschen de pooten van hun +moeder op, en verlaten deze veilige plaats ook dan niet als het oude +dier sneller begint te loopen. Naar het schijnt, staan zij gedurende +verscheidene jaren, althans tot aan de geboorte van een volgend jong, +onder de hoede van de ouders. + +De Aziatische Olifant is inheemsch in de meeste, boschrijke gewesten +van zuidoost Azië, in Vóór-Indië van den voet van den Himalaja tot +aan de zuidspits, verder in Assam, Birma, Siam, op het Maleische +Schiereiland, en voorts in afnemend aantal op de twee naastbij gelegene +groote eilanden Ceylon en Sumatra. (De op Borneo levende Olifanten +zijn alle van Sumatra afkomstig.) Volgens Temminck en Schlegel vormen +de op Ceylon en Sumatra inheemsche Olifanten een afzonderlijke soort, +die onder den naam _Elephas sumatranus_ door hen beschreven werd, +maar slechts onbelangrijk van den Indischen Olifant verschilt. Deze, +hoewel in vele gewesten reeds uitgeroeid, of althans zeer in aantal +verminderd, bewoont binnen het zoo even genoemde verbreidingsgebied +alle groote en samenhangende wouden, het gebergte zoowel als de vlakte. + + + +De _Afrikaansche Olifant_ (_Elephas africanus_) overtreft den Indischen +in grootte; zijn gedaante is over 't algemeen minder fraai; het is +echter te verwachten, dat men ook bij deze soort, evenals bij de +vorige, na nauwkeuriger onderzoek "slagen" zal leeren kennen, die +door uitwendige eigenschappen verschillen. Zijn romp is korter, maar +staat hooger op de pooten dan bij zijn stamgenoot, van wien hij zich +bovendien nog duidelijk onderscheidt door den platteren kop met meer +gewelfd voorhoofd, dunnere slurf, grootere slagtanden en veel grootere +ooren, door de meer gewelfde ruglijn, smallere borst en leelijker +pooten. Aan de voorpooten heeft hij vier, aan de achterpooten drie +hoeven, ofschoon het aantal teenen voor en achter vijf bedraagt.--De +plooien en groeven van de huid vormen een grover netwerk dan bij +den Indischen Olifant. Met uitzondering van een weinig beteekenende +haarlijst op den nek en tusschen de schouders, eenige wijd vaneen +geplaatste, soms wel 15 cM. lange, zwartbruine haren, die van de borst +en den buik afhangen en enkele borstels om de oogen en aan de onderlip, +ontbreekt de beharing geheel. De blauwachtig grijze, leikleurige huid +is gewoonlijk met vuil en stof bedekt en hierdoor vaalbruin. + +Bij een door Kirk aan de oevers van de Zambesi gedooden, mannelijken +Olifant bedroeg de afstand van den spits van de snuit tot aan de kruin +2.75 M, de lengte van de gebogen lijn, die dit punt met den aanvang +van den staart verbindt, was 4.2 M., de staart had een lengte van 1.3 +M.; de totale lengte bedroeg dus ruim 8 M. bij een schouderhoogte +van 3.14 M. En toch had dit dier nog geen hoogen leeftijd bereikt, +daar iedere slagtand slechts 15 KG. zwaar was. + +Het verbreidingsgebied van den Afrikaansche Olifant is in deze eeuw, +vooral van 't zuiden af, aanmerkelijk ingekrompen en strekt zich +tegenwoordig uit van den breedtegraad van het Tsad-meer in het noorden +tot aan dien van het Ngami-meer in het zuiden. Nauwkeurig kunnen de +grenzen van dit gebied niet aangegeven worden, omdat Olifanten groote +reizen ondernemen, zelfs van tijd tot tijd van woonplaats veranderen, +zoodat zij in sommige gewesten gedurende vele jaren en tientallen +van jaren niet waargenomen worden, in andere onverwachts verschijnen. + + + +Beide soorten van Olifanten, zoowel de Afrikaansche als de Indische, +waren aan de ouden wel bekend. Reeds de oude Ethiopiërs dreven +een levendigen handel in ivoor, welks Grieksche naam (_elephas_) +later tot dien van den Olifant werd, en reeds bij Herodotus in deze +beteekenis voorkomt. Ktesias, de lijfarts van Artaxerxes _Mnemon_ was +de eerste, die een Olifant volgens eigen waarnemingen beschreef. Hij +zag dit dier levend te Babylon, waar het waarschijnlijk uit Indië +was gebracht. Hij was de eerste, die het sprookje verbreidde, dat +de olifant geen gewrichten in de pooten heeft, niet kan gaan liggen +en hierom staande slapen moet. Ieder die een Olifant kunstjes ziet +verrichten, weet wel beter. Wel is waar legt onze reus zich niet +altijd neder om te slapen; hij doet dit echter wel degelijk als hij +zijn gemak wil nemen; het gaan liggen en het opstaan kosten hem even +weinig moeite als iedere andere beweging. Darius is de eerste veldheer, +waarvan de geschiedenis melding maakt, die Olifanten in den oorlog +gebruikte, o.a. toen hij Alexander _den Grooten_ bestreed. Eenige van +de door Alexander buit gemaakte Olifanten kreeg Aristoteles te zien, +die een vrij nauwkeurige beschrijving van deze diersoort gaf. Na dien +tijd wordt van haar dikwijls melding gemaakt. Bijna driehonderd jaar +achtereen speelde zij een rol in de eindelooze oorlogen, die gevoerd +werden, voordat de Romeinen er in slaagden de wereldheerschappij +te verwerven. De Olifanten werden zelfs naar Europa overgebracht en +in de Italiaansche veldtochten gebruikt; dit geschiedde niet alleen +met de Indische, maar ook met de Afrikaansche soort. Deze, die men +in lateren tijd wel eens voor ontembaar heeft gehouden, werd door +de Carthagers uitmuntend voor den oorlog afgericht en bewees haren +meesters belangrijke diensten. + +De Romeinen maakten van de Olifanten hoofdzakelijk gebruik in +hunne kampspelen; aan hen is het te wijten, dat deze dieren in +de gewesten ten noorden van den Atlas uitgeroeid zijn. Hoe goed de +Afrikaansche Olifanten gedresseerd werden, blijkt uit de mededeeling, +dat zij letters met een griffel konden schrijven, op een gespannen +koord liepen, met hun vieren op een zolder een vijfden droegen, die +ziek heette te zijn, op de maat dansten, aan een prachtigen disch, +met gouden en zilveren gereedschap voorzien, volgens de regels der +etikette dineerden enz. + +In de hierboven genoemde landen vindt men de Olifanten in ieder +eenigszins omvangrijk woud. Hoe meer water het bevat en hoe meer het +de kenmerken van een oerwoud draagt, des te veelvuldiger komen zij +er voor. Men moet echter niet meenen, dat alleen zulke wouden den +Olifant tot woonplaats dienen. Uit zorgvuldige onderzoekingen is de +onjuistheid gebleken van de bewering, dat dit reusachtige dier niet +van koele en hooggelegen oorden houdt. Op Ceylon bewoont hij juist +bij voorkeur heuvel- en bergachtige gewesten. In Uvah vond Tennent +nog kudden van Olifanten op plaatsen, die 2400 M. boven den zeespiegel +gelegen zijn. Geen hoogte is hun te luchtig of te koud, wanneer er maar +overvloed van water te vinden is. De Olifant vermijdt het zonlicht +zooveel mogelijk, brengt den dag in het duistere woud door en maakt +van den koelen, donkeren nacht gebruik voor zijne zwerftochten.--Van +den Afrikaanschen Olifant valt iets dergelijks op te merken. In de +Bogoslanden heb ik zijn drek nog gevonden op een hoogte van 2000 M., +en tevens vernomen, dat hij in de naburige gebergten, op een hoogte +van 3000 M. boven den zeespiegel, nog geregeld voorkomt. Op dezelfde +hoogte vond Von der Decken sporen van de aanwezigheid van Olifanten op +den Kilima-ndsjaro; na hem vond Hans Meijer ze op een hoogte van 4000 +M. Ook van getemde exemplaren wordt bericht, dat zij bij 't bestijgen +van hooge bergen van groote behendigheid en van onvermoeide volharding +blijken geven. + +Hoe veelvuldig de Olifanten in het binnenland van Afrika ook zijn, +toch is het soms moeilijk de plaats te vinden, waar zij zich op een +gegeven oogenblik ophouden, daar zij een zwervend leven leiden. Bij +zulke veranderingen van verblijfplaats volgen zij in den regel bepaalde +paden of banen nieuwe wegen, zonder zich er om te bekommeren of deze +door wouden of door moerassen, over steile hoogten of door nauwe +ravijnen leiden. Voor hen levert de bodem naar 't schijnt, geenerlei +hinderpalen op: zij zwemmen door stroomen en meren, dringen zonder +bezwaar door het dichtste oerwoud heen, maken op den vasten grond +dikwijls echte straten, omdat zij hunne tochten gezellig ondernemen en +bovendien gewoon zijn in een lange rij achter elkander aan te loopen, +zoodat zij dan een betrekkelijk smal spoor achterlaten. Meestal zijn +de paden van de hoogte naar 't water gericht. + +Het voorste lid van de kudde gaat rustig door het oerwoud, onbekommerd +over het kreupelhout, dat hij onder zijne breede voeten ineenstampt, +evenzeer onbekommerd over de boomtakken, die hem in den weg komen; +hij breekt ze eenvoudig met de slurf af en vreet ze grootendeels +op, de houtige gedeelten achterlatend. In het gebergte leggen zij, +evenals in het woud, paden aan; zij doen dit op zulk een vernuftige +wijze, dat zelfs deskundigen, die hun arbeid nagaan, er verbaasd over +zijn. Steeds zoeken de Olifanten de gunstigst gelegen bergpassen, die +in den geheelen omtrek te vinden zijn, voor hunne wegen uit. Sommige +van deze passen worden door hen zoo geregeld en sedert zoo langen tijd +begaan, dat zij met hunne voeten zelfs harde gesteenten afgesleten, +ja in den letterlijken zin van 't woord uitgeslepen hebben. + +De Olifant is trouwens slechts schijnbaar plomp van beweging, in +werkelijkheid echter zeer behendig. Gewoonlijk beweegt hij zich voort +met een bedaarden, gelijkmatigen pas, zooals het Kameel en de Giraffe, +waarbij hij 4 à 6 KM. per uur aflegt; deze bedaarde gang kan echter +zoo zeer versneld worden, dat het dier een afstand van wel 15 of 20 +K.M. met een nagenoeg verdubbelde snelheid doorloopt. Meesterlijk +heeft het kolossale Slurfdier er den slag van, zoo zachtjes door +het woud te sluipen, dat men het in 't geheel niet hoort. "In +'t eerst", zegt _Sir_ Emerson Tennent van den Aziatischen Olifant, +"stuift de wilde kudde met luid gedruisch door het kreupelhout; weldra +echter vermindert het geraas en hoort men in 't geheel niets meer, +zoodat iemand, die hieraan niet gewoon is, zou kunnen meenen, dat de +vluchtende reuzen op een korten afstand zijn blijven staan."--Als de +Olifant een steilte op zijn weg ontmoet, blijkt het, dat hij ook in +'t klauteren ervaren is. Naar boven komt hij nog het gemakkelijkst: +door de voorpooten in het handgewricht te buigen, komt het voorste +gedeelte van 't lichaam lager te liggen en wordt het zwaartepunt +dus naar voren verplaatst; met op deze wijze gebogen voorpooten +en eenigszins achterwaarts gestrekte achterpooten bereikt het dier +langzaam aan zijn doel. Bij het afdalen heeft het echter wegens zijn +verbazend groot gewicht met grootere bezwaren te kampen. Op de gewone +wijze voortgaande, zou de Olifant ongetwijfeld het evenwicht verliezen, +naar voren omtuimelen en een val doen, die hem het leven zou kunnen +kosten. Het voorzichtige dier vermijdt dit gevaar door aan den rand +van den afgrond neer te knielen, zoodat zijn borst den bodem raakt, +nu de voorpooten hoogst bedachtzaam vooruit te schuiven, totdat zij +ergens een steunpunt hebben gevonden, en vervolgens de achterpooten +bij te trekken; zoo komt de kolossus langzamerhand, glijdend, en +schuivend, beneden. Het komt trouwens wel eens voor, dat de Olifant +op zijne nachtelijke tochten een zwaren val doet. In het dal langs +den bovenloop van den Mensa zag ik hiervan onmiskenbare sporen. Een +talrijke kudde was bij een berghelling afgedaald om het dal over te +steken en hier op een smallen weg geraakt, die door het regenwater op +sommige plaatsen uitgespoeld was. Een van de Olifanten had de pooten +gezet op een vooruitstekenden steenklomp, die, losrakend en naar +beneden vallend, het dier zijn evenwicht deed verliezen, zoodat het +in de diepte stortte. Het dier moet een geweldige buiteling gemaakt +hebben, want het gras en de struiken waren tot op een afstand van +ongeveer zestien meter en over een breedte, die met de lichaamslengte +van een Olifant overeenkomt, neer gedrukt, afgebroken en gedeeltelijk +zelfs ontworteld. Door een sterker en dichter boschje was de val +van het dier gestuit, want vandaar leidde het spoor weer naar den +hoofdweg. De val had dus geen ernstiger gevolgen gehad, dan misschien +eenige pijn in de lenden. + +Dat de Olifant in 't zwemmen goed ervaren is, werd reeds opgemerkt; +het schijnt hem een genot te zijn, zich te water te begeven en er +in onder te duiken. Als hij het noodig acht, zwemt hij dwars door +breede en snel stroomende rivieren; soms houdt hij het geheele +lichaam onder den waterspiegel met uitzondering van de spits van +de slurf. Dat deze ook voor het drinken dient, is bekend. De twee +kanalen, die als voortzettingen van de beide afdeelingen der neusholte +zich door de geheele slurf uitstrekken en door een uit bindweefsel en +spiervezels bestaand verlengstuk van het kraakbeenig neusmiddelschot +vaneengescheiden zijn hebben een vrij gelijkmatige wijdte tot dicht +bij het midden van het tusschenkaaksbeen, hier kunnen zij vernauwd +worden, zoodat de vloeistof, die in de slurf is opgezogen, niet verder +kan doordringen. De vloeistof wordt uit de slurf geperst, b.v. in +de mondholte, door de drukking van de lucht in de longen, die, omdat +de luchtpijp nu tot aan de achterste neusopeningen opgeheven is, geen +gevaar loopen, om bij het doorslikken van het vocht hiervan iets binnen +te krijgen. Van het zich verslikken is dus in dit geval geen sprake. + +De slurf wordt door den Olifant nog voor velerlei andere doeleinden +gebruikt. Daar zij zeer gevoelig is, wordt zij slechts bij uitzondering +gebezigd om er mede te slaan of een mensch aan te vatten. Bij alle +grove werkzaamheden of gevaarlijke verrichtingen wordt zij zorgvuldig +gespaard en te dien einde zoo nauw mogelijk opgerold. Hoofdzakelijk +dient zij voor het opnemen en naar den mond brengen van voedsel en +water, alsook voor het speuren en tasten. Met dit werktuig breekt de +Olifant takken af, ook wel dunne boompjes; om dikkere af te breken, +drukt hij er met den voet tegen; voor 't verschuiven van lasten maakt +hij ook wel gebruik van het onder de oogen gelegen deel van den kop, +waar de snuit aanvangt. Als de Olifant in dienst van den mensch +een zwaar voorwerp moet opheffen, neemt hij het hieraan bevestigde +touw in den bek en legt het tevens over een van zijne slagtanden, +ingeval hij deze heeft. Ook de slagtanden worden voor allerlei +verrichtingen gebezigd, altijd echter, evenals de snuit, met groote +voorzichtigheid en zeer zeker niet als hefboomen voor het voortrollen +van steenblokken of voor het uit den grond woelen van boomwortels. Zij +dienen den Olifant hoofdzakelijk als wapens om aan te vallen of zich +te verdedigen, en worden in andere gevallen zooveel mogelijk gespaard, +omdat zij betrekkelijk gemakkelijk breken. + +Alle hoogere vermogens van den Olifant zijn geëvenredigd aan zijne +reeds genoemde begaafdheden. Het gezicht schijnt niet bijzonder +ontwikkeld te zijn; alle jagers zijn althans van oordeel, dat het +gezichtsveld van het dier zeer beperkt is. Des te beter zijn de reuk +en het gehoor ontwikkeld; ook de smaak en het gevoel zijn, gelijk men +bij gevangen dieren kan waarnemen, betrekkelijk fijn. Hoe scherp het +dier hoort, ondervinden alle olifantenjagers. Het geringste geluid +is voldoende om de aandacht van den Olifant te trekken; het breken +van een takje zou zijn gemoedsrust kunnen verstoren. De reukzin is +voortreffelijk ontwikkeld en stelt het dier in staat om op buitengewoon +grooten afstand de lucht van iets te krijgen; geen jager is in staat +om boven den wind den Olifant voldoende te naderen. In de slurf heeft +ook de tastzin haar hoofdzetel; vooral het vingervormig uitsteeksel +van den top van dit werktuig wedijvert in fijnheid van gevoel met +den geoefenden vinger van een blinde. + +De stem van den Olifant biedt veel verscheidenheid aan; de geluiden, +waardoor hij zijne aandoeningen te kennen geeft zijn van velerlei +aard. Welgevallen drukt hij uit door een zeer zacht gemurmel; vrees +openbaart hij door een diep uit de borst komend gebulder, schrik door +een kort en schril getrompet met de slurf; als hij woedend is, hoort +men van hem een onafgebroken, zwaar en rommelend keelgeluid, bij het +aanvallen daarentegen een gillend trompetgeluid: het trompetten moet +men zich echter voorstellen als een schetterend gekrijsch. + +Elke Olifanten-kudde is een groote familie en omgekeerd iedere familie +vormt een afzonderlijke kudde. Het aantal leden van zoo'n kudde kan +zeer uiteenloopen: het kan van 10, 15, 20 stuks aangroeien tot eenige +honderden. Enkele reizigers spreken van 400 en 500, ja zelfs van 800 +Olifanten, die zij bijeen gezien hebben. Zoo verzekert Von Heuglin, +dat hij een troep van deze dieren heeft ontmoet, welker aantal volgens +zijn schatting op minstens 500 begroot moest worden en evenzoo beweert +_Sir_ Joh. Kirk aan den Zambesi eens een kudde van 800 stuks te hebben +aangetroffen. Tot zulke verbazend groote benden vereenigen zij zich +echter ongetwijfeld slechts zelden; men kan in den regel aannemen, +dat in deze gevallen verscheidene kudden zich bijeengevoegd hebben, +die elkander bij een grooten tocht toevallig ontmoetten en gedurende +korten tijd denzelfden weg volgen. + +Hoewel iedere kudde een eigen familie vormt, schijnen toch vreemde +Olifanten, zooals jonge mannetjes en weggeloopen, getemde wijfjes, +meestal zonder bezwaar opgenomen te worden; het is echter wel mogelijk, +dat er velerlei uitzonderingen zijn. In allen gevallen is het niet +juist te veronderstellen, dat de zoogenaamde "eenzame Olifanten" +uitgestooten zijn en nergens opname hebben kunnen vinden. Sanderson +spreekt deze opvatting bepaaldelijk tegen. Volgens hem leiden de +meeste van deze dieren, die vaker jonge dan oude mannetjes zijn, +slechts schijnbaar een eenzaam leven, maar houden zij zich veeleer uit +eigen verkiezing slechts tijdelijk een weinig verwijderd van hun kudde, +welker bewegingen zij echter volgen. Een werkelijk eenzame Olifant, +die niet meer met zijns gelijken samenleeft, komt zeer zelden voor, +en is dan nog geenszins altijd een boosaardige klant, een "_Rogue_", +zooals de Engelschen hem noemen (de _Goenda_ der Indiërs, de _Hora_ +der Singalezen, ook wel _Ronkedoor_ genoemd in de bekende "Reis +naar Ceylon" van Haafner). Daarentegen ontwikkelen zij zich niet +zelden tot doortrapte plunderaars van plantages, die niet zoo licht +door de gewone middelen verjaagd kunnen worden. Sommige van deze +eenloopende gezellen worden trouwens gevaarlijk voor den mensch, +die hen bij toeval stoort of opzettelijk verrast, daar zij, evenals +zoo vele andere weerbare dieren, min of meer onder den indruk van den +eersten schrik, den mensch aanvallen in plaats van hem te ontwijken. + +De geestvermogens van den Olifant zijn dikwijls veel te hoog geschat, +vooral door hen, die hem alleen in den getemden staat leerden kennen, +maar niet in de vrije natuur nagegaan hebben. De meeste anecdoten over +de schranderheid en het overleg van getemde Olifanten, die telkens +weer hierbij tepas gebracht worden,--zooals die van den snijder, die +een Olifant eens in plaats van de gewone lekkernijen een prik met een +naald gaf, en die naderhand met het werk, dat hij onderhanden had, +door het uit de rivier terugkeerende dier met een straal vuil water +werd bespoten,--of die van den Olifant, die het wiel van een kanon +ophief, om te verhoeden, dat het den van 't kanon gevallen soldaat +overreed, en andere vertelsels meer--, zijn wel aardig verzonnen, maar +niet werkelijk gebeurd. De in 't wild levende Olifant geeft stellig +meer bewijzen van onnoozelheid dan van vernuft, en de gedresseerde, +die schijnbaar uit eigen aandrift handelt, doet in werkelijkheid +alleen, wat zijn geleider hem gelast. "Laten wij eens even nagaan," +schrijft Sanderson, "of de wilde Olifant meer inzicht toont dan +eenig ander dier. Hoewel hij in zijn slurf een lichaamsdeel bezit, +dat hem voortreffelijk zou kunnen waarschuwen voor een op lompe wijze +aangelegden, met een laag takken en twijgen bedekten valkuil, valt +hij er toch geregeld in. Zijne metgezellen loopen vol schrik weg, +hoewel het hun weinig moeite zou kosten hem uit den kuil te halen, +als zij de aarde van den rand er in trapten. Als een jongen Olifant +er in gevallen is, blijft wel is waar de moeder in zijn nabijheid, +tot de jagers komen, maar het komt haar niet in de gedachten, haar +jong op de een of andere wijze te helpen: zij denkt er niet eens aan, +takken af te breken en in den kuil te werpen, opdat het gevangen kind +den honger zal kunnen stillen. Maar zóó iets gelooft het publiek +veel minder graag dan het verzinsel, dat de moeder haar jong op +allerlei wijzen behulpzaam is, het gras toewerpt om het voedsel te +verschaffen, water met haar slurf aanbrengt om het te laten drinken, +of zoolang stokken en takken in den kuil werpt, totdat haar kind +er uit kan komen. Voorts worden geheele kudden van Olifanten in +gebrekkig gemaskeerde omheiningen gedreven, waarin geen ander wild +dier zich zou laten jagen; zij worden één voor één gevangen, doordat +een paar mannen, die met tamme Olifanten naar hen toesluipen, hen +de pooten samenbinden. Ontvluchte Olifanten worden op gelijke wijze, +bijna zonder moeite, weder opgevangen; zelfs door de ervaring worden +zij dus niet verstandiger. Zulke feiten zijn zeer zeker onvereenigbaar +met de meening, dat de Olifanten buitengewoon verstandige dieren zijn, +veel minder nog met de stelling, dat zij tot scherpzinnig nadenken in +staat zouden zijn. Ik geloof niet, dat ik den Olifant onrecht aandoe, +wanneer ik beweer, dat hij in vele opzichten dom is; bovendien kan +ik de stellige verzekering geven, dat de mij bekende verhalen over +zijne handelingen voorzoover zij niet op staaltjes van spierkracht en, +leerzaamheid neerkomen, die hij onder de aansporing van zijn geleider +vertoont, niets anders zijn dan op effect berekende verzinsels, +gegrond op een te hoog denkbeeld van de geestesgaven van den Olifant. + +"Wij stappen nu van het verstand van den Olifant af, om zijn +gemoedsstemming gedurende de gevangenschap na te gaan. Ik vertrouw, dat +ieder, die met Olifanten te maken heeft gehad, met mij zal instemmen, +wanneer ik zeg, dat hunne goede eigenschappen bijna niet hoog genoeg +geschat kunnen worden en dat slechte bij hen steeds een uitzondering +zijn. De beste eigenschappen van den Olifant zijn gehoorzaamheid, +zachtmoedigheid en geduld. In deze opzichten wordt hij door geen enkel +huisdier overtroffen. Zelfs in een zeer onaangenamen toestand--b.v., +als hij de blakerende zon dulden of pijnlijke heelkundige bewerkingen +ondergaan moet,--toont hij zelden eenige prikkelbaarheid. Hij +weigert nooit iets te doen, wanneer hij op de juiste wijze bestuurd +wordt--tenzij het iets is, waarvoor hij vrees koestert. De Olifant, +de wilde zoowel als de tamme, is buitengewoon vreesachtig; zijn vrees +wordt door ieder eenigszins vreemdsoortig verschijnsel zeer licht +opgewekt. Toch hebben vele van deze dieren een goeden aanleg tot moed, +die alleen maar op een behoorlijke wijze ontwikkeld behoeft te worden, +zooals blijkt uit het gedrag van sommige Olifanten bij de tijgerjacht." + +Van vreesachtigheid geven de wilde Olifanten blijken bij al wat zij +ondernemen: hetzij zij voedsel zoeken, of uitgaan om zout te likken +(waarvan zij groote liefhebbers zijn), of om te drinken of om te baden, +altijd bewegen zij zich met de grootst mogelijke voorzichtigheid, +maar geven zich dan ook, nadat zij zich van hun veiligheid overtuigd +hebben, met des te grooter genot aan het genoegen van den maaltijd +over. Zij breken spelenderwijs takken van de boomen af, waaien +zich hiermede koelte toe, verdrijven de hun zoo lastige Vliegen en +verslinden de takken nu op hun gemak, na ze eenigszins ineengefrommeld +te hebben. Hoewel het maal bedaard en zonder overhaasting gebruikt +wordt, geschiedt dit toch niet altijd stil en zonder gedruisch te +maken; integendeel het gaat, naar Von Heuglin in het stroomgebied +van den Boven-Nijl heeft opgemerkt, met een waarlijk helsch geraas +gepaard. Het knikken van de twijgen, het kraken van de takken of +stammen, die dikwijls met vereende krachten afgebroken worden, +het kauwen, ademen, zich ontlasten, het dof gerommel van de lucht +in de ingewanden, het plassen van de zware voeten door het moeras, +het nat spuiten van het lichaam met de slurf, het klepperen met de +kolossale ooren, die dikwijls als zonneschermen uitgebreid worden, +het wrijven van het kolossale lichaam tegen dikke boomstammen en het +gillend getrompet, dat intusschen van deze dieren gehoord wordt, dit +alles te samen brengt een oorverdoovend geraas teweeg. Geëvenredigd aan +dit geraas is de elke beschrijving te boven gaande verwoesting, die een +Olifanten-kudde in het woud aanricht. "Wat door de kolossale voeten +niet nedergetrapt wordt," verhaalt onze zegsman, "wordt omgesmeten, +de sterkste boom ontworteld, zijne takken afgebroken; het kreupelhout +ligt verward door elkander op den grond alsof een razende wervelwind +het had neergeworpen; stammen, die de stormen van meer dan een eeuw +getrotseerd hebben, zijn als riethalmen geknapt." (?) Takken van meer +dan een arm dik worden door den Olifant zonder bezwaar verzwolgen. Zeer +dikke takken schilt hij geheel of gedeeltelijk, waarna hij het hout +laat liggen. In dorre steppen wroet hij ook in den bodem om saprijke +wortels te verkrijgen. + +De Olifanten behooren ongelukkig eveneens tot de dieren, die hun +ondergang tegemoet gaan. De vervolgingen, die zij te verduren hebben, +zijn geen wraakoefeningen voor de door hen aangerichte schade; men +maakt jacht op hen wegens het genoegen, dat deze jacht oplevert, +en om het kostbare ivoor te verkrijgen. Van de vroegste tijden af +is daarom een verdelgingskrijg tegen hen gevoerd. In Indië en op +Ceylon worden zelfs tandelooze of korttandige mannetjes, ja zelfs de +tandelooze wijfjes en jongen alleen ter wille van het jachtvermaak +geschoten en misschien nog vaker in valkuilen gevangen, waarin zij +bij het naar beneden storten dikwijls zoozeer gewond worden, dat +zij voor dienstverrichtingen niet meer bruikbaar zijn. In Afrika, +waar de dieren van beiderlei geslacht groote slagtanden hebben, +maken zoowel de inboorlingen als de Europeesche beroepsjagers jacht +op hen ter wille van het ivoor. Ongelukkig gaan ook zij hierbij niet +altijd met omzichtigheid te werk, maar moorden soms doelloos. In +het open veld, b.v. in Zuid-Afrika, waar men op een goed gedresseerd +Paard zich op een willekeurigen afstand van den Olifant bewegen kan, +gebruikt men bij deze jacht dikwijls het Engelsche militaire geweer +en schiet het dier hiermede snel achtereenvolgens zooveel kogels in +'t lijf, totdat hij ter aarde stort. Waar echter de Tsetse-vlieg +het gebruik van Paarden onmogelijk maakt, en vooral in streken, die +rijk zijn aan wouden, of waar veel struikgewas groeit, jaagt men +te voet en maakt gebruik van zeer zware geweren met gladde loopen +of van zware dubbelloops-buksen. Daar men zich in het dichtst van +het woud tot in de onmiddellijke nabijheid van het wild begeeft, +de meeste schoten op een afstand van minder dan 30 schreden en met +een hiermede geëvenredigde gewisheid op het kwetsbaarste lichaamsdeel +lost--zoo mogelijk op een plek ter grootte van een hand tusschen het +oog en het oor--, is wegens de zeer sterke lading niet zelden één +kogel voldoende om den reusachtigsten Olifant neer te vellen. + +De vermoeienissen bij deze wijze van jagen zijn zoo groot, dat +slechts de meest geharde mannen ze kunnen verduren; het gevaar voor +den jager is echter niet zoo groot, als het wel schijnen kan. Het +valt niet te ontkennen, dat de vertoornde Olifanten soms op hunne +vervolgers aanvallen; enkele van deze hebben ook inderdaad onder de +voeten van de reuzen van het woud hun laatsten adem uitgeblazen.--De +werkelijk vertoornde Olifant maakt ook nog op andere wijze dan door +zijn kolossale zwaarte, waaronder de bodem dreunt, een onvergetelijken +indruk op den toeschouwer. Met ineengerolde slurf, de ooren een weinig +opgeheven, den staart in een kring zwaaiend, schiet hij woest snuivend +op zijn vijand toe; het voorste deel van zijn lichaam schijnt aan te +groeien, het ziet er althans veel breeder en hooger uit, dan ooit te +voren; aan het achterste deel van den romp worden de lange huidplooien +door hun heen en weer slingerende beweging veel duidelijker zichtbaar; +de reusachtige massa nadert snel en aanhoudend; het toornig snuiven +wordt afgewisseld door een woedend gekrijsch, waarvan iemand, die aan +zulke geluiden niet gewoon is, zich geen denkbeeld kan vormen. Wanneer +in deze omstandigheden de van drift ziedende reus zijn tegenstander +bereikt, is deze verloren, en is hij, meestal zonder eenige kans op +redding, blootgesteld aan de billijke wraakoefening van den getergden +planteneter. + +Het tijdstip, waarop de Indische Olifanten uitgeroeid zullen zijn, is +vooreerst nog niet aangebroken. De betoogen van weldenkende ambtenaars +hebben teweeggebracht, dat de inboorlingen van hunne zoovele dieren +verminkende vangwijzen thans een minder ruim gebruik maken dan +vroeger; hierdoor verheugt de in 't wild levende Olifant zich thans +in een volledige vrijheid van beweging, zoowel in de West-Ghats als +in de eindelooze dsjungels en wouden, die zich langs den voet van +den Himalaja tot aan Birma en Siam uitstrekken. Het aantal dieren, +dat ieder jaar op last en ten behoeve van de regeering gevangen +wordt, is betrekkelijk zeer gering; er valt niet aan te twijfelen, +dat de wildernissen, die men den Olifant en andere wilde dieren als +woonplaats kan overlaten, tegenwoordig zoo talrijk met wild bevolkt +zijn, als men maar wenschen kan. + +In Afrika oefenen de inboorlingen nu nog op dezelfde wreede en +onmeedoogende wijze als voor onheugelijke tijden de jacht op den +Olifant uit. In het westen van Afrika, in het Ogowe-gebied, vlechten +de Negers de slingerplanten tot een soort van netwerk ineen, drijven +dan de Olifanten naar de op deze wijze omheinde plaatsen van het woud +en slingeren, als de dieren besluiteloos voor de dooreengewarde ranken +blijven staan, honderden van lansen in het lichaam van de sterkste en +grootste exemplaren, totdat deze ter aarde storten. Gebruikelijker is +het echter bij dergelijke jachten in het woud, zulk een omheining in +den vorm van een grooten halven cirkel aan te leggen en de Olifanten, +die er toevallig in geraakt of er in gedreven zijn, zoo schielijk +mogelijk met een haag te omgeven. Rondom deze worden dan wachten +geplaatst en vuren aangestoken, om de dieren, die de omheining +naderen, terug te schrikken. Hoewel het zelfs den kleinsten en zwaksten +Olifant mogelijk zou zijn, om zonder groote inspanning door de weinig +weerstand biedende omtuining heen te breken en aan de slecht gewapende +inboorlingen te ontkomen, wagen de gevangen dieren het evenwel niet, +de vlucht te nemen. Zij worden door de hen omringende jagers letterlijk +uitgehongerd, aangeschoten, gespietst en in een toestand van doodelijke +uitputting eindelijk om 't leven gebracht. + +Veel aantrekkelijker en menschelijker dan alle jachtmethoden, is de +wijze waarop men de Olifanten levend vangt, om deze vagebonden te +temmen, tot nuttige dienaren van den mensch op te leiden. De Indiërs +zijn meesters in deze kunst. Onder hen bestaat een echt gilde van +Olifanten-vangers, die Panikis heeten; zij volgen het spoor van den +Olifant, zooals een goede Hond het spoor van een Hert herkent; sporen, +die door Europeesche oogen niet opgemerkt worden, zijn voor hen als 't +ware de met duidelijke aanwijzingen beschreven bladen met een voor hen +verstaanbaar boek. Hun eenig wapen bestaat in een stevigen en rekbaren +strik van herte- of buffelleer, dien zij, als zij onvergezeld op de +vangst uitgaan, den door hen begeerden Olifant om den poot werpen. Met +onhoorbare schreden volgen zij hem op den weg en wachten een gunstig +oogenblik af, om hem te kluisteren; soms zelfs zien zij kans om hem, +wanneer hij stil staat, den strik aan beide pooten te bevestigen. Hoe +zij het aanleggen om ongemerkt het vreeschachtige dier te naderen, +is en blijft een raadsel. Een Europeaan is, omdat hij den goeden +uitslag van de onderneming zou verijdelen, niet in staat deze lieden +op hunne jachttochten te volgen en moet zich tevreden stellen met +wat hij er van hoort vertellen. + +Veel grootscher en winstgevender is een wijze van vangen, die +geheele kudden aan de heerschappij van den mensch onderwerpt. Om +deze in practijk te brengen, wacht men gewoonlijk het begin van het +droge jaargetijde af, en trekt dan met eenige honderden geoefende +inboorlingen en zooveel mogelijk tamme Olifanten naar een gewest, +waar een talrijke kudde wilde Slurfdieren verblijf houdt. Deze kudde +wordt in de eerste plaats door een 5 à 10 KM. langen keten van posten +omgeven, die ieder met twee manschappen bezet en, al naar den aard van +het terrein, op afstanden van 60 à 100 schreden van elkander verwijderd +zijn. In den regel kan een op deze wijze omsingelde Olifantenkudde +niet anders dan door groote onachtzaamheid van de schildwachten +ontkomen. Binnen weinige uren hebben de manschappen in alle stilte +een zwakke omheining van gespleten bamboe-stokken enz. langs den +geheelen ring voltooid, en voor zich zelf van takken een soort van +hutten gebouwd; des nachts worden vuren aangestoken. Heeft men een +recht groot terrein omheind, dat rijk is aan voedsel en water, dan +veroorzaken de Olifanten gewoonlijk slechts gedurende de eerste nachten +eenige moeite; zij worden, telkens als zij de omheining naderen, door +fakkels, schoten en geschreeuw teruggedreven. Deze soort van insluiting +wordt gedurende 4 à 10 nachten volgehouden, d.i. zoolang, totdat een +reeds vroeger begonnen, uit stevig paalwerk bestaande omheining, den +"Khedda", op een gunstig gelegen plek binnen het afgeperkte terrein +voltooid is. De sterke, uit boomstammen en planken samengestelde, +ongeveer 4 M. hooge wand, omsluit een kringvormige ruimte van 20 +à 50 M. middellijn en laat een ongeveer 4 M. breeden ingang vrij, +die door een zware valdeur gesloten kan worden, waarheen een gang +leidt, die door twee tot op een afstand van 100 M. voortgezette, uit +palen bestaande, uiteenwijkende vleugelwanden begrensd wordt. Zoodra +deze getimmerten gereed zijn, wordt de kring om de omsingelde kudde +vernauwd. De naastbij geplaatste wachtposten begeven zich naar de +uiteinden van de beide vleugelwanden, de meer verwijderd staande +dringen op de Olifanten aan, eerst langzaam en voorzichtig, daarna +sneller; wanneer eindelijk de dieren tot aan de wijde opening van den +Khedda genaderd zijn, wordt met groot geschreeuw en het afschieten +van de geweren een algemeene storm ondernomen, die de dieren langs +den weg tusschen de beide vleugelwanden en door de nauwe poort tot +binnen in den Khedda drijft. De valdeur, die aan een touw hangt, +dat nu doorgesneden wordt, valt krakend naar beneden,--de kudde +is gevangen. Niet altijd loopt deze arbeid goed van stapel; soms +bemerken de dieren gevaar, stormen op hunne belagers af, breken +door den kring heen, moeten op nieuw omsingeld worden, of zijn in +'t geheel niet meer tegen te houden. In den regel echter gelukt het, +de eenmaal in een kring besloten kudde in de voor 't vangen bestemde +ruimte te drijven en haar hierin te doen blijven, in weerwil van de +onrustigheid der dieren en de pogingen, die zij af en toe aanwenden, +om een bres te maken in de omheining. Als de eerste ontroering voorbij +is, zendt men tamme Olifanten met hunne geleiders en de hun toegevoegde +binders in den Khedda; deze maken zich achtereenvolgens één voor één +van de dieren meester, en brengen ze gekluisterd buiten de vangruimte +in het omringende woud, waar zij aan boomen vastgelegd worden. Tennent +beschrijft de vangwijze, die op Ceylon in gebruik is, als volgt: + +"Buiten de vangruimte was alles gereed gemaakt om de tamme Olifanten, +die helpen moeten bij het binden hunner wilde soortgenooten in +de kraal" (zoo heet hier de Khedda) "te voeren. De strikken werden +gereed gehouden; eindelijk trok men behoedzaam de boomstammen weg, die +den ingang gesloten hielden, en liet twee tamme Olifanten zachtjes +naar binnen gaan. Elk dier werd bereden door een kornak en zijn +knecht. Elke Olifant had een stevigen halsband om, van welke naar +weerszijden een riem van antilopenleder, met een strik voorzien, +naar beneden hing. Ter zelfder tijd trad de aanvoerder van de binders +naar binnen, en hield zich achter de tamme Olifanten verborgen; hij +was verlangend voor zich de eer te verwerven den eersten Olifant te +binden. Het was een vlug mannetje van ongeveer 70-jarigen leeftijd, +die voor diensten bij de olifantenvangst bewezen, reeds twee zilveren +kettingen als eereteekens verworven had. Zijn zoon, eveneens bekend +door zijn moed en behendigheid, vergezelde hem." + +"Een van de twee tamme Olifanten, die de kraal binnengingen, had een +buitengewoon hoogen ouderdom bereikt. De andere, die _Siribeddi_ werd +genoemd, was omstreeks vijftig jaar oud en onderscheidde zich door +zijn zachtaardig en verstandig voorkomen. Zonder gedruisch te maken +waren de vangers binnengekomen; langzaam met een sluwen blik, doch +schijnbaar zonder zich om iets te bekommeren, drentelde _Siribeddi_ +voort tot aan de plaats, waar de negen wilde Olifanten bijeenstonden, +nu en dan staan blijvend om in het voorbijgaan een bosje gras of +eenige bladen af te plukken. Toen hij dichter bij was gekomen, gingen +de wilde Olifanten hem te gemoet, hun aanvoerder streek hem zachtjes +met de slurf over den kop, keerde zich daarna om en begaf zich met +langzame schreden weder naar zijne bedrukte metgezellen. _Siribeddi_ +volgde hem op dezelfde onverschillige wijze en ging dicht achter +hem staan, zoodat de oude man, onder hem doorkruipend, een strik om +den achterpoot van den wilden Olifant kon schuiven. Deze bemerkte +onmiddellijk het gevaar, waarin hij verkeerde, schudde den strik af, +keerde zich om en viel op den ouden man aan. Deze zou zwaar hebben +moeten boeten voor zijn vermetelheid, indien _Siribeddi_ hem niet +met de slurf beschermd en den aanvaller naar het midden der kudde +teruggedreven had. De oude man was licht gewond en verliet de kraal, +terwijl zijn zoon Raughanie hem verving. De kudde stond weer in een +kring met de koppen naar het middelpunt gekeerd. De beide tamme +Olifanten gingen onbeschroomd bij hen staan, en wel zoo, dat zij +het grootste mannelijk exemplaar tusschen zich hadden. Dit bood geen +weerstand, maar toonde zijn ongenoegen door voortdurend nu eens den +eenen dan weer den anderen poot op te heffen. Raughanie sloop nader +en hield met beide handen den strik open, waarvan het andere uiteinde +aan _Siribeddi_'s halsband vastgemaakt was; hij wachtte het oogenblik +af, waarop de wilde Olifant een van zijne achterpooten zou oplichten; +eindelijk gelukte het hem den strik om dezen poot te werpen; hij trok +hem aan en vluchtte toen achteruit. Oogenblikkelijk gingen de beide +tamme Olifanten eveneens achterwaarts. _Siribeddi_ trok het touw +aan en sleepte op deze wijze den gekluisterden reus uit den kring +weg; de andere tamme Olifant plaatste zich terzelfder tijd tusschen +_Siribeddi_ en de nog overige leden der kudde om hen te verhinderen +zich in den strijd te mengen. + +"Nu moest de gevangene nog aan een boom vastgemaakt en hiervoor 30 à +40 M. verder achteruit getrokken worden, en dit, terwijl hij woedend +weerstand bood, voortdurend vreeselijk brulde, naar alle zijden +heen sprong en de kleine boomen, die hem in den weg stonden, als +riet vertrapte. _Siribeddi_ trok hem gestadig naar zich toe en sloeg +eindelijk den riem dien hij voortdurend zoo strak mogelijk gespannen +hield, om een hiervoor geschikten boom. Zich om den boom heen bewegend, +stapte hij voorzichtig over den riem om dezen nogmaals om den stam te +wikkelen, waarbij hij natuurlijk tusschen den boom en den Olifant door +moest gaan. Hij kon dezen natuurlijk niet zoo vastbinden, dat er geen +ruimte meer tusschen den stam en de gevangene overbleef. De tweede +tamme Olifant kwam hem te hulp, en duwde den gevangene terug door +zich schouder tegen schouder en kop tegen kop bij hem te plaatsen, +terwijl _Siribeddi_ na elke achterwaartsche schrede van het wilde +dier den slap geworden riem aantrok en zóó den afstand tusschen den +boomstam en den olifantspoot verkortte, totdat beide met elkander in +aanraking waren. De vanger maakte toen den riem vast en wierp een +tweeden kluister om den anderen achterpoot, die op dezelfde wijze +als de eerste en aan denzelfden boom bevestigd werd. Eindelijk werden +nog de beide achterpooten met zachter banden aan elkander gehecht om +de wonde en de zwelling, die de riemen zouden kunnen veroorzaken, +indien de beweging van het dier niet eenigszins beperkt werd, +minder gevaarlijk te maken. Nadat de beide tamme Olifanten zich +nogmaals, als in den aanvang, naast den wilde hadden geplaatst, kon +Raughanie, onder hun lichaam doorgaande, ook de beide voorpooten van +den gevangene kluisteren en aan een dichtbij, doch vóór hem staanden +boom bevestigen. Nu was zijn arbeid, wat dit dier betrof afgeloopen +en verlieten de tamme Olifanten die steeds hunne kornaks droegen, +het slachtoffer, om een ander lid van de kudde hetzelfde lot te doen +ondergaan. Merkwaardig is het, dat de wilde Olifanten nimmer een poging +doen, om de bestuurders van de tamme dieren aan te vallen en op den +grond te werpen." Zoodra de aanvankelijk min of meer weerspannige +gevangenen eenigermate gewoon zijn geraakt aan den mensch en aan +hunne tamme soortgenooten, worden zij overgebracht naar de plaats, +waar men ze africht voor het werk, dat men van hen verlangt, b.v. het +vervoeren van zware bouwmaterialen, balken of steenen. + +In tegenstelling met de Indiërs, welker wijze van Olifanten-vangst +zooeven beschreven werd, gaan de Afrikaansche stammen op een +merkwaardig ruwe en lompe wijze te werk ter bereiking van hetzelfde +doel. De nomadische stammen van de steppen, die zich tusschen +den Nijl en de Roode Zee uitstrekken, houden zich meer of minder +geregeld met de vangst van Olifanten bezig; het middelpunt van den +handel in deze dieren was sedert 1857 Kassala. Marno die Casanova +op één van diens reizen naar Kassala begeleidde, bericht, dat de +bewoners van de steppen jacht maken op jonge, nog zuigende Olifanten, +en deze alleen kunnen vermeesteren, nadat zij hun moeder op de reeds +vroeger beschreven wijze vervolgd en gedood hebben. Terwijl de koenste +jagers met het oude dier bezig zijn, trachten andere zich meester +te maken van het jong; zij werpen het strikken om het lijf, trekken +het op den grond en kluisteren het aan alle vier pooten. Gekrabd en +gekwetst, keeren de jagers van hun woesten rit door wildernissen van +doornstruiken met den buit naar hun dorp terug, evenals de krom en +lam gereden Paarden; beide hebben zij na zulk een jacht een langen +rusttijd noodig. Volgens Marno biedt de opvoeding van de Olifanten, +zelfs van zeer jong gevangen exemplaren, groote moeilijkheden aan, +zoowel door hun weerspannigheid gedurende en na de vangst, als door +de bezwaren verbonden aan hun voeding en hun vervoer. + +In de Europeesche dierentuinen kan de Afrikaansche Olifant even goed +in 't leven gehouden worden als de Aziatische, zelfs wanneer er weinig +gedaan wordt tot bevrediging van zijne natuurlijke behoeften: dikwijls +mist hij een groote ruimte voor vrije beweging of een badvijver van +voldoende diepte en wijdte. Om de nadeelige gevolgen van te weinig +lichaamsoefening te ontgaan, is hij wel genoodzaakt heen en weer +te loopen of voortdurend de eene poot na de andere op te tillen en +neder te zetten; terwijl hij zich voor het gemis van het zoo noodige +bad schadeloos stelt, door zich van tijd tot tijd met de slurf, +nat te spuiten. Zijne uitmuntende zintuigen, zijn leerzaamheid, +zijn zachtaardig voorkomen vallen iederen toeschouwer dadelijk 't +oog. Hij leert gemakkelijk en al spelend; hij "werkt" gewillig en +gaarne en vormt om die reden een van de merkwaardigste nummers op het +programma van ieder wildedierenspel, terwijl hij evenzeer de lieveling +is van de bezoekers der diergaarden.--De hoeveelheid voedsel, die hij +noodig heeft, is zeer aanzienlijk: volgens Haacke krijgt de Aziatische +Olifant van de diergaarde te Frankfort, die omstreeks 43 jaar oud +is, dagelijks 8 KG. tarwe-zemelen, 8 KG. roggebrood, 2 KG. rijst en +25 KG. hooi, behalve het ligstroo, dat hij nu en dan opvreet, en de +lekkernijen, bestaande uit wittebrood, roggebrood, suiker, vruchten +en dergelijke zaken, waarop de bezoekers hem tracteeren. Ditzelfde +dier drinkt iederen dag ongeveer 16 met water gevulde stal-emmers leeg. + +Het vleesch van den Afrikaanschen Olifant heeft den smaak van +rundvleesch, maar is veel taaier en grover van vezels. De Negers +snijden alle spieren van dit dier in lange repen, die zij in de zon +of boven het vuur laten drogen, en vóór het gebruik tot een grof +poeder wrijven, dat zij aan hunne eenvoudige gerechten toevoegen. Bij +de jachtexpedities die de Njam-njam ondernemen, dooden zij soms +zooveel Olifanten, dat verscheidene dorpen hierdoor maanden lang een +voldoende hoeveelheid vleesch hebben. "Dikwijls" zegt Schweinfurth, +"zag ik lieden die, naar ik meende, zich met een groot bos brandhout +naar hunne hutten begaven: zij droegen de hun toekomenden portie +olifantenvleesch, dat in lange repen gesneden en boven het vuur +gedroogd, geheel het uiterlijk van hout en takjes had verkregen." + +Voor den wereldhandel is van den Olifant alleen het ivoor van belang, +maar dan ook van groot belang. De totale hoeveelheid ivoor, dat van +de thans levende Olifanten-soorten afkomstig is en op de wereldmarkt +komt, bedroeg volgens een statistieke opgave over de jaren 1879-1883, +gemiddeld per jaar ongeveer 868.000 KG. Hiervan leverden Ceylon en +Sumatra 2000 KG., Achter-Indië 7000 K.G., Voor-Indië 11000 KG. en +Afrika 843.000 KG. + + + + + + +Tiende Orde. + +De Onevenvingerigen (Perissodactyla). + + +De orde van de Onevenvingerigen omvat, evenals die der Slurfdieren, +slechts de weinig talrijke vormen, die van een eertijds veel rijker +ontwikkelden stam zijn overgebleven; deze in den regel groote dieren +steunen, terwijl zij zich bewegen, alleen op de hoeven, d.w.z. op +nagels die het laatste vingerlid geheel omgeven; steeds is bij hen de +teen, die met den derden teen van den vijfteenigen voet overeenkomt, +meer ontwikkeld dan de overige; bij de Paarden is hij zelfs de eenige, +die tot ontwikkeling is gekomen. Het gebit van de Onevenvingerigen +onderscheidt zich door de kleinheid of afwezigheid der hoektanden en +de door lijsten verbonden knobbels der maaltanden; snijtanden komen +in beide kaken voor. + +Van deze orde zijn ongeveer 25 soorten bekend, die, met uitzondering +van Australië, nagenoeg over de geheele wereld verspreid zijn: zij +kunnen over vier scherp van elkander gescheiden familiën verdeeld +worden: in de éénteenige Paarden, de Tapirs, die vier teenen aan de +voorpooten, drie teenen aan de achterpooten hebben, de drieteenige +Neushoorndieren en de Klipdassen, welker teenen in aantal met die +der Tapirs overeenstemmen. Wegens de geringe overeenkomst, die er, +ook wat de levenswijze betreft, tusschen deze vier familiën bestaat, +komt een op alle toepasselijke beschrijving ons onuitvoerbaar voor. + + + +De _Paarden_ (_Equidae_) van de hedendaagsche dierenwereld vormen een +zeer begrensde groep en vertoonen zooveel overeenkomst met elkander, +dat men ze tot één geslacht rekent. Dit geslacht--dat der _Paarden_ +(_Equus_)--is gekenmerkt door een middelmatig groote, schoone gestalte, +betrekkelijk krachtige ledematen en een mageren, langwerpigen kop met +groote, levendige oogen, middelmatig groote, toegespitste, beweeglijke +ooren en wijd geopende neusgaten. De hals is stevig en gespierd, de +romp afgerond en vleezig, het lichaam grootendeels met zachte, korte, +dicht aanliggende haren bedekt, die zich echter in den nek tot manen +verlengen; ook de staart is, hetzij alleen aan de spits (bij de Ezels) +of over zijn geheele lengte (bij de Eigenlijke Paarden), met lange +haren begroeid. Het aanwezig zijn aan elken poot van slechts _één +teen_, welks eindlid (_hoeflid_) door een sierlijk gevormden hoef +als door een schoen omgeven is, onderscheidt de Paarden van alle +Onevenvingerigen. Wegens de groote rol, die dit lichaamsdeel bij de +beweging speelt, is het noodig het te beschrijven. + +De _teen_ bestaat uit drie leden: de _koot_, de _kroon_ en het +_hoeflid_. Het geraamte van het _hoeflid_ bestaat uit twee beenderen +van zeer ongelijke grootte: het voorste en grootste, het _hoefbeen_, +is sponsachtig, heeft een scherpen, halfcirkelvormigen onderrand, +die de eenigszins uitgeholde ondervlakte van het hoefbeen van voren en +aan de zijden begrenst; het achterste, kleinere beentje, dat, evenals +het hoefbeen, met de ondervlakte van het kroonbeen verbonden is, heet +_straalbeen_. De pees van de spier, die het hoeflid buigt, gaat achter +dit straalbeen langs, om zich te hechten aan de ondervlakte van het +hoefbeen, waar zij zich tot een peesvlies (den "ganzevoet") verbreedt. + +De hoef, die het hoeflid omgeeft, bestaat uit: 1º. een hard, verhoornd +gedeelte (de _hoorndoos_), en 2º. de meer inwendig gelegen, zachte +_hoefhuid_. Aan de hoorndoos onderscheidt men drie deelen: + +(a) De _hoornwand_, welks voorste, sterk hellend gedeelte (de _teen_) +zich achterwaarts ombuigt, in de meer loodrecht geplaatste zijwanden of +_kwartieren_ overgaat, die, steeds smaller wordend, aan de buitenzijde +van het hoeflid blijven tot daar, waar zij in twee minder harde +uitwassen (de _verzenen_) hun achterste punt bereiken; hier gaat de +hoornwand op de onderzijde van het hoeflid over onder den naam van +_steunsels_, die naar voren van weerszijden samenloopen, en onder een +scherpen hoek elkander ontmoeten. De lijn volgens welke de hoornwand +in de gewone huid overgaat, heet _kroonrand_; het deel dat op den +grond rust, en aan den "teen" ruim 1 cM. breed is, heet _draagrand_. + +(b) De _hoornzool_, een dikke plaat met oneffene oppervlakte, die de +ruimte vult welke tusschen den "teen", de zijwanden en de steunsels +overblijft, is met den draagrand verbonden volgens een _witte lijn_; +alleen hier rust zij op den grond, daar zij eenigermate gewelfd is. + +(c) De _hoornstraal_ is een weekere, maar zeer veerkrachtige hoornmassa +van wigvormige gedaante, die de driehoekige ruimte tusschen de beide +steunsels aanvult; door de overlangsche _straalgroef_ is hij in twee +afdeelingen verdeeld, die zich naar achteren ieder tot een _hoornbal_ +uitzetten. + +De binnenste oppervlakte van den hoornwand is met diepe groeven +voorzien, waarin plooien van de rijk met bloedvaten en zenuwen +voorziene _zachte hoefhuid_ doordringen; deze wordt naar het deel, +waarmede zij in aanraking is, onderscheiden in _vleeschwand_, +_vleeschzool_ en _vleeschstraal_. De beide laatste hebben geen +plaatvormige, maar tepelvormige uitwassen, die in kuiltjes van +het hoorn doordringen. De hoefhuid is evenzoo ingericht aan den +kroonrand, waar zij het dikst is en zoom heet. De vleeschstraal is +wit, veerkrachtig en niet zeer gevoelig. Door de zachte hoefhuid +wordt het hoorn van den hoef gevormd. + +Door haar samenstelling is de hoef in staat zich eenigszins te +verwijden en te vernauwen. Zoodra, bij het neerzetten van den voet, het +gewicht van het lichaam op het hoefbeen en straalbeen, en bijgevolg op +den straal, de steunsels en de hoornzool drukt, wordt de zool vlakker; +tevens komt de straal met den bodem in aanraking en verbreedt zich; +beide oefenen dus een zijdelingsche drukking uit op den hoornwand, +welks achterste gedeelte zich het eerst aan den kroonrand en daarna +ook aan den draagrand zal verwijden. Bij het ophouden van de drukking +wordt de hoef, door de veerkracht zijner bestanddeelen, weder in den +vorigen toestand teruggebracht. De verwijding en de daarop volgende +inkrimping bedragen ongeveer 3 mM. Hierdoor zal er geen pijnlijke +drukking op en geen beschadiging van de zachte hoefhuid plaats hebben, +schokken worden voorkomen en de bloedsomloop blijft ongestoord. Een +sierlijke en vlugge beweging wordt er door bevorderd. Voor het behoud +van deze belangrijke eigenschappen van den hoef is het noodig, hem goed +te verzorgen; steeds moet de draagrand een loodrechten stand hebben. De +snelle afslijting van dezen rand op een harden of geplaveiden weg, +wordt door het aanbrengen van een hoefijzer (door het beslaan) +vermeden. De hoefijzers mogen de inkrimping en uitzetting van den +hoef niet verhinderen; zij worden vastgehecht met 5 à 9 nagels, die in +de witte lijn worden ingeslagen. Vooral de voorhoeven hebben, wegens +hun van nature vlakkere zool, beschutting door een hoefijzer noodig. + +Het kootbeen is verbonden met een lang middelvoetsbeen, dat _kanonbeen_ +(_pijpbeen_) wordt genoemd; hierachter komen twee weinig ontwikkelde +(rudimentaire) middelvoetsbeenderen voor, die, wegens hun vorm, +_griffelbeenderen_ heeten: zij bereiken het kootgewricht niet, maar +eindigen op eenigen afstand daarboven stomp in het vleesch. In +'t diluviale tijdvak bestonden onze hedendaagsche Eénhoevigen +reeds. De dieren, die hen in het voorafgaande tertiaire tijdvak +vervingen, hadden in plaats van de griffelbeenderen, twee goed +ontwikkelde middelvoetsbeenderen, die ieder een achterteen droegen; +deze uitgestorven, drieteenige vormen, worden als de voorouders +van de hedendaagsche Paarden beschouwd.--Gewoonlijk wordt het deel +van den poot, waarin het pijpbeen en de griffelbeenderen voorkomen, +de pijp genoemd; het polsgewricht heet in de wandeling "voorknie", +of eenvoudig "knie". Wat de teen en de pijp betreft, komen de voor- +en achterpooten in hoofdzaken met elkander overeen. + +Elke kaakhelft bevat 3 _snijtanden_, die als het ware van boven +ingestulpt zijn, waardoor in elk dezer tanden een holte ontstaan +is. Op deze wijze zijn de drie bouwstoffen van den tand, _cement_, +_email_ en _tandbeen_, in dubbele lagen aanwezig. Van boven gezien +ontdekt men licht de twee kringvormige lagen van email, die, harder +zijnde, minder afslijten. De binnenste omsluit een centrale holte, +het _merk_, die, behalve dat zij inwendig met cement is bekleed, +met een kalkachtige massa en met gekauwde spijsdeelen is opgevuld, +en daardoor een geheel andere kleur vertoont dan het glasachtige +email. Tusschen de beide email-kringen treft men het weekere tandbeen +aan. De genoemde holte of instulping is in de snijtanden der bovenkaak +van het Gewone Paard 1.3 à 1.7 cM. diep, in die der onderkaak slechts +0.66 cM., en wordt naar beneden toe steeds nauwer. Aangezien nu de +tanden door het gebruik voortdurend afslijten, spreekt het van zelf, +dat het merk steeds kleiner worden en eindelijk geheel verdwijnen +moet; dit geschiedt echter eerder aan de tanden der onderkaak dan aan +die der bovenkaak, wijl bij deze de holte dieper is.--De _hoektanden_ +ontbreken dikwijls, vooral bij de wijfjes; bij de mannetjes vertoonen +zij zich in den regel als kleine, haakvormige, stompe kegels, +die door de paardenkenners gewoonlijk "haaktanden" worden genoemd, +omdat zij den naam "hoektanden" geven aan de buitenste snijtanden, +terwijl de voorafgaande paren snijtanden bij hen "middeltanden" en +"grasbijters" heeten.--De zes vierzijdige _kiezen_ van iedere kaakhelft +hebben sterk gekronkelde email-plooien op de kroonvlakte.--Van de +spijsverteringsorganen verdienen voorts nog vermelding: de nauwe +slokdarm, die op de plaats, waar hij in de maag eindigt, met een klep +voorzien is, de enkelvoudige (onverdeelde), langwerpig ronde, tamelijk +kleine maag, de sterk ontwikkelde blinde darm; de galblaas ontbreekt. + +Als het oorspronkelijk verbreidingsgebied van de Paarden--welker +overblijfselen men voor 't eerst in de lagen van het tertiaire +tijdvak ontmoet--wordt het grootste gedeelte van het noordelijk +halfrond beschouwd. In Europa zijn de wilde Paarden, naar 't schijnt, +eerst voor betrekkelijk korten tijd uitgestorven; in Azië en Afrika +zwerven ook thans nog kudden van deze dieren door de gebergten en hoog +gelegen steppen. In Amerika, waar zij uitgestorven waren, zijn zij +opnieuw verwilderd; ook in Australië komen reeds verwilderde Paarden +voor. Zij voeden zich met gras, kruiden en andere plantaardige stoffen; +de tamme Paarden hebben zelfs dierlijk voedsel--b.v. vleesch, visch, +Sprinkhanen--leeren gebruiken. + +Alle Paarden zijn levendige, wakkere, beweeglijke, schrandere dieren; +hunne bewegingen zijn bevallig en statig. De gewone wijze van gaan +der in vrijheid levende soorten, is een tamelijk scherpe draf, hun +versnelde beweging een betrekkelijk gemakkelijke galop. Vreedzaam en +goedaardig tegenover andere dieren, voor zoover deze hun geen kwaad +doen, ontwijken zij angstvallig den mensch en de groote Roofdieren, +maar verdedigen zich in geval van nood door slaan en bijten moedig +tegen deze vijanden. + +De dieren van het Paardengeslacht worden verdeeld in twee +ondergeslachten: de _Paarden_ (_Equus_) en de _Ezels_ (_Asinus_). Bij +gene bereikt het oor ongeveer 1/4 gedeelte van de lengte van den +kop en is de staart van den wortel af lang behaard; bij deze is het +oor langer, (soms zelfs bijna half zoo lang als de kop) en draagt de +staart alleen aan de spits lange haren. Bij alle Paarden (in engeren +zin) komen aan beide paren ledematen eeltplekken (_zwilwratten_) voor; +aan de voorpooten: één aan het bovenste derde gedeelte van de voorarm +en wel aan haar binnenzijde, een andere aan het onderste uiteinde +van de pijp; aan de achterpooten: één even onder het spronggewricht +aan de binnenzijde, een tweede aan het benedenste gedeelte van de +pijp. Bij de Ezels ontbreken de zwilwratten aan de achterpooten, +terwijl zij aan de voorpooten aanwezig zijn. + +De vermenigvuldiging van deze dieren geschiedt langzaam. Het wijfje +werpt na langen draagtijd (48 weken bij de merrie, 52 bij de ezelin) +één enkel jong. Hier te lande is de Ezel bronstig in April en Mei, +het Paard tusschen het einde van Maart en het begin van Juni. + +Minstens twee, waarschijnlijker echter drie soorten van deze familie, +zijn door den mensch onderworpen. Geen geschiedverhaal, geen sage maakt +melding van den tijd, waarin zij voor 't eerst huisdieren werden; zelfs +het werelddeel, waarin de eerste Paarden getemd zijn, kan niemand met +zekerheid aanwijzen. Naar men meent, heeft men vooral aan de volken +van Middel-Azië het bezit van het Paard als huisdier te danken; ook +de halfwilde, voormalige bewoners van Europa hebben wilde Paarden +getemd. Betrouwbare gegevens over den tijd, waarin de hulpmiddelen +van den mensch zulk een belangrijke uitbreiding ondergingen, en over +de volken, die haar voor 't eerst in praktijk brachten, ontbreken +ons echter ten eenenmale. + + + +Nog tegenwoordig zwerven in de steppen van Zuidoost-Europa kudden van +Paarden rond, die door enkelen beschouwd worden als de wilde stamouders +van ons huisdier, door anderen als afstammelingen van tamme Paarden, +die tot den wilden staat terugkeerden. Deze dieren, _Tarpans_ genaamd, +hebben alle eigenschappen van echte wilde dieren en worden door +de Tartaren en Kozakken als zoodanig aangemerkt. De Tarpan is een +klein Paard met dunne, maar krachtige, langhielige pooten, tamelijk +langen, dunnen hals en betrekkelijk dikken kop; deze is "ramsneuzig" +(de rug van den neus is bol), heeft spitse, vooroverhellende ooren en +kleine, vurige, boosaardige oogen. Het haar is in den zomer dicht, +kort, golvend, vooral aan het achterdeel, waar het bijna gekroesd +kan heeten; in den winter daarentegen is het dicht, zwaar en lang, +vooral aan de kin, waar het bijna een baard vormt; de manen zijn +kort, dicht, ruig en gekroesd; de staart is middelmatig lang. De +hoofdkleur van het zomerkleed is gelijkmatig vaalbruin, geelachtig +bruin of isabella-geel; in den winter worden de haren lichter, soms +zelfs wit; de manen en de staart hebben een gelijkmatige, donkere +kleur. Gevlekte exemplaren komen nooit voor, zwarte zelden. + +Men ontmoet de Tarpans in kudden, die uit verscheidene honderden +individuën kunnen bestaan. Gewoonlijk bestaat iedere troep weder uit +een aantal kleinere gezelschappen of familiën, die elk een hengst +tot aanvoerder hebben. Deze kudden bewonen uitgestrekte, open en +hoog gelegen steppen en trekken van de eene plaats naar de andere, +in den regel in den wind op. Zij zijn buitengewoon waakzaam en schuw, +kijken rond met ver omhoog geheven kop, bespieden den omtrek, spitsen +de ooren, openen de neusgaten en ontdekken in den regel nog ter +rechter tijd het hun dreigend gevaar. De hengst is alleenheerscher +in zijn kring; hij zorgt voor de veiligheid van hen, die aan zijn +bescherming zijn toevertrouwd, maar duldt van hen geen afwijkingen van +den bekenden regel. Zoodra zijn aandacht getrokken wordt door een of +ander verschijnsel, begint hij te snuiven en de ooren snel te bewegen, +draaft met omhoog gehouden kop het verdachte voorwerp een eind weegs te +gemoet en laat een schel gehinnik hooren, zoodra hij gevaar bemerkt; +op dit teeken maakt de geheele kudde zich in gestrekten galop uit de +voeten. Dikwijls verdwijnen de dieren als door een tooverslag: zij +hebben zich verborgen in de een of andere diepe inzinking van den bodem +en wachten hier af, wat de toekomst brengen zal. Voor Roofdieren zijn +de weerbare en strijdlustige hengsten niet bevreesd. Op Wolven gaan +zij hinnikend af en slaan hen met de voorpooten neder. Het sprookje, +dat zij gezamenlijk een kring vormen met de koppen naar 't middenpunt +gekeerd en aanhoudend met de achterpooten achteruitslaan, is reeds +sinds lang weerlegd. + +De Tarpan kan moeielijk getemd worden: het schijnt, dat hij de +gevangenschap niet kan verdragen. Zijn buitengewoon levendige natuur, +zijne spierkracht en wildheid maken zelfs de bekwaamheden van de in +'t paardendresseeren ervaren Mongolen te schande. Wegens de niet +geringe schade, die de Tarpan aan de "wilde" stoeterijen toebrengt +door het wegvoeren van de Paarden, maakt men met hartstochtelijken +ijver jacht op dit dier. + + + +De bovenstaande mededeelingen brengen het vraagstuk van de afstamming +van het Paard geen stap nader bij zijn oplossing. Uit de gewoonten van +den Tarpan kan men geen bewijzen putten vóór of tegen de stelling, +dat dit dier van getemde Paarden afstamt. Dat deze gemakkelijk en +spoedig verwilderen, blijkt op overtuigende wijze uit de geschiedenis +van de kudden, die steppen van Zuid-Amerika bevolken en die wij nu +zullen behandelen. + +"De in 1535 gestichte stad Buenos Ayres werd later verlaten," +verhaalt Azara. "De vertrekkende inwoners deden in 't geheel geen +moeite om al hunne Paarden bijeen te brengen. Er bleven 5 à 7 van +deze dieren achter, die aan zichzelf overgelaten waren. Toen in het +jaar 1580 deze stad weder in bezit genomen werd, vond men er reeds +een menigte verwilderde Paarden, afstammelingen van de tamme, die +er achtergelaten waren. Reeds in het jaar 1596 was het aan iedereen +geoorloofd deze Paarden te vangen en te gebruiken. Dit is de oorsprong +van de tallooze kudden Paarden, die ten zuiden van den Rio de la +Plata rondzwerven." De _Cimarrones_, zoo noemt men deze Paarden, +bewonen thans alle deelen van de Pampas en vormen er talrijke kudden, +die soms wel uit duizenden individuën bestaan. + +Zij zijn lastig en richten schade aan, niet alleen omdat zij goede +weiden kaal vreten, maar ook omdat zij de tamme Paarden met zich +medelokken. Gelukkig verschijnen zij des nachts niet. De wilden +in de Pampas eten het vleesch van de Cimarrones, vooral dat van de +veulens en merries. Ook vangen zij er verscheidene om ze te temmen; +de Spanjaarden daarentegen maken er bijna geen gebruik van. Hoogst +zelden vangen zij een van deze Paarden met het doel om het te temmen.-- + +In Paraguay komen geen verwilderde Paarden voor, maar de toestand +waarin de Paarden van dit land verkeeren, verschilt niet belangrijk +van dien der wilde. Zij worden _Mustangs_ genoemd en zoo verwaarloosd, +dat zij merkbaar verbasteren. Zij zijn middelmatig hoog, hebben een +grooten kop, lange ooren en dikke gewrichten; alleen de hals en de +romp zijn tamelijk regelmatig gebouwd. In den zomer zijn zij kort, in +den winter lang behaard; de manen en de staart zijn altijd dun en kort. + +De Zuid-Amerikaansche Paarden brengen het geheele jaar onder den +blooten hemel door. Eénmaal in de acht dagen worden zij bijeengedreven +om te verhoeden, dat zij verstrooid geraken; men onderzoekt en zuivert +hunne wonden, bestrijkt deze met koedrek en snijdt van tijd tot tijd, +om de drie jaren ongeveer, den hengsten de manen en de staartharen +af. Aan de veredeling van deze dieren wordt niet gedacht. + +"Gewoonlijk," zegt Rengger, "leven de Paarden bij troepen in een +bepaald gebied, waaraan zij sinds hun jeugd gewoon zijn. Bij iederen +hengst voegt men 12 à 18 merries, die door hem bijeengehouden en +tegen vreemde hengsten verdedigd worden. De veulens blijven tot in +het derde of vierde jaar bij hunne moeders. Deze geven blijken van +groote liefde voor haar kroost, zoolang zij het nog zoogen; soms +verdedigen zij het zelfs tegen den Jagoear. Wanneer de Paarden een +weinig ouder zijn dan 2 of 3 jaar, worden aan de hiervoor uitgekozen +jonge hengsten de jonge merries toebedeeld; men gewent iederen hengst +er aan met zijn gezelschap een bepaald gebied te beweiden. De Paarden, +die tot één troep behooren, mengen zich nooit onder die van andere +troepen en toonen zooveel gehechtheid aan elkander, dat het moeite +kost een grazend Paard van zijne metgezellen te scheiden. Wanneer +de verschillende gezelschappen dooreengemengd worden, zooals bij +het samendrijven van alle Paarden van een hoeve geschiedt, zoeken +de bijeenbehoorende elkander dadelijk weer op. Niet alleen aan +hunne metgezellen, maar ook aan hunne weiden zijn deze dieren zeer +gehecht. Ik heb er gezien, die van een afstand van 80 uren gaans +teruggekeerd waren naar de vroeger door hen bewoonde plaatsen. Des +te zonderlinger is daarom het feit, dat soms de Paarden van een +geheel district zich op weg maken, en één voor één of bij troepen +wegloopen. Dit gebeurt hoofdzakelijk, wanneer na droog weder plotseling +hevige regenbuien vallen, waarschijnlijk ten gevolge van de vrees, +die deze dieren hebben voor den hagel, die niet zelden met het eerste +onweder gepaard gaat. + +"De zintuigen van deze nagenoeg in 't wild levende dieren zijn, +naar het schijnt, scherper dan die van de Europeesche Paarden. Het +gehoor is buitengewoon fijn; des nachts kan men aan de beweging van +hunne ooren zien, dat zij het geringste, voor den ruiter volkomen +onhoorbare gedruisch hebben opgemerkt. Hun gezichtsvermogen is, evenals +bij alle Paarden, tamelijk zwak, hoewel zij gedurende het leven in de +vrije natuur door oefening een groote vaardigheid verkrijgen in het +onderscheiden van voorwerpen op aanzienlijken afstand. Door middel +van hun reukzin leeren zij de omgeving kennen. Zij besnuffelen alles, +wat hun vreemd voorkomt. Door dezen zin leeren zij hun berijder, +het tuig, den stal waar zij gezadeld worden, enz. onderscheiden, door +hem weten zij in moerassige streken de plaatsen te vinden, waar zij +zouden verzinken; in den donkeren nacht of bij dichten nevel wijst hij +hun den weg naar hunne woonplaatsen of naar hun weide. Goede Paarden +besnuffelen hun berijder op 't oogenblik, dat hij in den zadel stijgt; +ik heb er wel gezien, die hem in 't geheel niet op den rug toelieten +of zich niet door hem lieten sturen, als hij niet een 'poncho' +medenam, een mantel, zooals altijd gedragen wordt door de landlieden, +die Paarden temmen en voor 't rijden africhten. Op grooten afstand +ruiken zij trouwens niet. Zelden heb ik een Paard gezien, dat op 50 +schreden afstands de lucht kreeg van een Jagoear. Daarom vormen zij in +de bewoonde gewesten van Paraguay den gewonen buit van dit Roofdier." + +Het leven van de verwilderde Paarden in de verder noordwaarts +gelegen Llanos heeft Alexander von Humboldt ons in korte woorden +op meesterlijke wijze geschilderd: "Wanneer in den zomer onder de +loodrecht invallende stralen van de nooit door wolken omsluierde zon +het grastapijt van deze onmetelijke vlakten geheel en al verdroogd +en in poeder veranderd is, ontstaan er langzamerhand diepe kloven in +den bodem, alsof hij door geweldige aardschokken was opengespleten. In +dichte stofwolken gehuld, door honger en een brandenden dorst gekweld, +zwerven de Paarden en Runderen rond, gene met languitgerekten hals en +met den hoogopgeheven neus den hen te gemoet ijlenden wind opsnuivend +om uit de vochtigheid van den luchtstroom de nabijheid van een nog +niet geheel verdampten plas af te leiden. Op een andere wijze, met meer +overleg en sluwheid, trachten de Muildieren hun dorst te lesschen. Een +bolvormige plant met vele overlangsche groeven aan haar oppervlakte, +de meloen-cactus, verbergt onder een stekelig hulsel een veel water +bevattend merg. Met de voorpooten slaat het Muildier de stekels weg +om het koele distelsap te drinken. Het putten uit dezen levenden +plantaardigen bron geschiedt echter niet altijd zonder gevaar: +dikwijls ziet men dieren, die door de cactus-stekels aan de hoeven +verlamd zijn. Ook dan wanneer eindelijk op de brandende hitte van den +dag de koelte van den even langen nacht volgt, kunnen de Paarden en +Runderen geen ongestoorde rust genieten. De Bladneuzige Vleermuizen +vervolgen hen gedurende den slaap en hangen zich aan hun rug om hun +bloed te zuigen. + +"Eindelijk, als na langdurige droogte de verkwikkelijke regentijd +aanbreekt, komt er verandering van tooneel. Nauwelijks is de +oppervlakte van den bodem bevochtigd, of het heerlijkste groen bedekt +de steppe. De Paarden en Runderen zwelgen in vroolijk levensgenot. In +het hoog opschietende gras verschuilt zich de Jagoear en overmeestert +met vasten sprong menig Paard, menig veulen. Weldra zwellen de +stroomen en dezelfde dieren, die gedurende een deel van 't jaar van +dorst versmachten, moeten als Amphibiën leven. De merriën zoeken +met hare veulens een schuilplaats op de hooggelegen banken, die, +in de lengte gerekt, zich als eilanden boven den waterspiegel van +het meer verheffen. Met iederen dag wordt het droog gebleven terrein +kleiner. Uit gebrek aan weideplaatsen zwemmen de dicht opeengedrongen +dieren uren lang rond en vinden een karig voedsel in de bloeiende +graspluimen, die zich boven het gistende, bruin gekleurde water +verheffen. Vele veulens verdrinken, vele worden door de Krokodillen +gegrepen, met den staart doodgeslagen en verslonden. Niet zelden +ziet men Paarden, die groote litteekens, kenteekenen van den aanval +der Krokodillen, aan de pooten hebben. Ook onder de Visschen hebben +zij een gevaarlijken vijand. Het water van het moeras is bevolkt met +talrijke Electrische Alen. Deze merkwaardige Visschen zijn in staat +om met hunne geweldige electrische schokken, de grootste dieren te +dooden, wanneer zij hunne batterijen tegelijkertijd in een gunstige +richting ontladen. De weg; door de steppe aan de Uri Tucu moest +opgegeven worden, omdat de Sidderalen zich in zulk een menigte in +een riviertje hadden opgehoopt, dat ieder jaar vele Paarden door hen +verdoofd werden en bij het doorwaden van het stroompje verdronken." + +Een nog veel gevaarlijker vijand hebben de kudden in zich zelf. Soms +worden zij door een panischen schrik bevangen. Bij honderden +en duizenden ijlen zij als razenden voort, laten zich door geen +hindernissen tegenhouden, rennen tegen rotsen aan of vallen zich te +pletter in afgronden. Plotseling verschijnen zij in het kamp van de +in 't open veld overnachtende reizigers, vervolgen hun weg tusschen +de wachtvuren door, over de tenten en wagens heen, vervullen de +lastdieren met een doodelijken schrik, rukken ze los en nemen hen +op in den levenden stroom--voor altoos. Verder noordwaarts komen +de Indianen het aantal vijanden vermeerderen, die het leven van de +wilde Paarden verbitteren. Zij vangen ze op, om ze gedurende hunne +jachttochten te berijden, en mishandelen ze zoo erg, dat zelfs het +krachtigste Paard na korten tijd bezwijken moet. Evenals bij de +Bedoeïnen van de Sahara geeft ook bij de Indianen het Paard dikwijls +aanleiding tot bloedige gevechten. Hij, die geen Paarden heeft, tracht +ze te stelen. Paardendiefstal wordt bij de Roodhuiden als een eervol +bedrijf aangemerkt. Benden van dieven volgen de trekkende stammen +of karavanen weken lang, totdat zij de gelegenheid vinden om alle +rijdieren mede te nemen. Ook om hunne huiden en hun vleesch worden +de Paarden in Amerika ijverig vervolgd. + + + +Een beschrijving of zelfs een eenvoudige opsomming van de bijna +tallooze rassen of stammen van het _Paard_ (_Equus caballus_), +die onder den invloed van den Mensch ontstaan zijn, behoort niet +in het kader van dit werk. Bovendien bestaan er voortreffelijke, +uitvoerige werken speciaal over dit onderwerp. Het is voor ons +doel voldoende de belangrijkste rassen te behandelen. Gewoonlijk +worden zij in twee groepen gerangschikt: de _Oostersche_ en de +_Westersche rassen_. De Oostersche rassen behooren oorspronkelijk +thuis in Azië en Afrika, vooral in de landen van de gematigde zone +dezer werelddeelen, zooals blijkt uit de namen die aan de vier +hoofdafdeelingen van deze groep gegeven zijn: het _Barbarijsche_ +of _Berber-ras_, het _ras der Nijllanden_, het _Arabisch-Perzische +ras_ en het _Mongoolsch-Tartaarsche ras_. Tot het laatstgenoemde +worden, behalve de Paarden van een groot deel van Midden-Azië, ook de +"slagen" gerekend, die in het oosten van Europa tot aan de grenzen van +Duitsch-Oostenrijk en Pruisen het meest algemeen verbreid zijn. Tot +het Berber-ras behooren o.a. sommige slagen van Zuid-Spanje (o.a. het +vermaarde Andalusische), waarvan weer een groot deel van de Paarden +der Nieuwe Wereld, o.a. die van Mexico, afstammen. + +De eere-plaats onder alle paarden-stammen verdient ook thans +nog het _Arabische Volbloed-Paard_. (Een Paard heet "volbloed", +wanneer al zijne voorouders zonder eenige uitzondering, naar uit +authentieke bescheiden moet blijken, gedurende een lange reeks +van geslachten de kenmerkende eigenschappen van een en hetzelfde +ras in zich vereenigden, en dus van zuiver ras waren. Om het ras +zuiver te houden moet ieder Paard steeds met zijne gelijken paren +en moet ieder exemplaar, dat storende afwijkingen vertoont, als +fok-dier niet in aanmerking komen. "Half-bloed"-Paarden ontstaan +door kruising van Volbloed-Paarden, die in dit geval gewoonlijk +"ras"-Paarden worden genoemd, met andere Paardenslagen; terwijl +"Koudbloed"-rassen in 't geheel geen Volbloed-Paarden onder hunne +voorouders tellen.) "Het Volbloed-Paard", schrijft _Graaf_ Wrangel, +"heeft geen edeler vertegenwoordiger dan het Arabische Paard van zuiver +ras, dat, daar het op de grens tusschen de natuurlijke en de door +de kultuur verkregen rassen staat, zoowel door den natuuronderzoeker +als door den paardenkenner en--den dichter als het edelste dier van +de schepping geprezen wordt." + +Volgens de algemeen door de Arabieren gestelde eischen, moet het edele +Paard de volgende eigenschappen in zich vereenigen: een geëvenredigde +lichaamsbouw, korte en beweeglijke ooren, zware, maar toch sierlijke +beenderen, een vleeschloos gelaat, neusgaten "zoo wijd als de muil van +den Leeuw", fraaie, donkere, uitpuilende oogen, "met een uitdrukking +gelijk aan die van een liefhebbende vrouw," een fraai gebogen en langen +hals, breede borst en breed kruis, smallen rug, ronde achterschenkels, +zeer lange ware en zeer korte valsche ribben, een ingesnoerde romp, +lange bovenschenkels, "zooals die van den Struis zijn", met spieren, +"zooals het Kameel ze heeft," een zwarten, eenkleurigen hoef, fijne, +niet zeer gevulde manen en een rijk behaarden staart, dik aan den +wortel en dun in de nabijheid van de spits. Het moet vierderlei +lichaamsdeelen breed hebben: het voorhoofd, de borst, het achterdeel +en de ledematen; vierderlei lichaamsdeelen moeten lang zijn: de hals, +de voorarm, de buik en de dij, vierderlei lichaamsdeelen daarentegen +kort: de lendenen, de ooren, de kooten en de staart. Deze eigenschappen +bewijzen, dat het Paard van een goed ras is en snel loopt; want het +gelijkt dan door zijn lichaamsbouw "op den Windhond, de Duif en het +Kameel te zamen." + +In de 18e levensmaand begint de opvoeding van het edele dier. In +'t eerst tracht een knaap het te berijden. Het leidt het naar de +drinkplaats, naar de weide, maakt het schoon, kortom voorziet in al +zijne behoeften. Beide leeren te gelijker tijd: de knaap wordt een +ruiter, het Paard een rijdier. Nooit echter zal de jonge Arabier +van het veulen, dat hem is toevertrouwd, te veel eischen, nooit er +werkzaamheden van vergen, die het niet verrichten kan. Op iedere +beweging van het dier wordt acht geslagen, het wordt zachtmoedig +en liefderijk behandeld, hoewel men geen ongehoorzaamheid en +boosaardigheid duldt. Eerst wanneer het Paard zijn tweede levensjaar +volbracht heeft, legt men het een zadel op; na afloop van het derde +jaar gewent men het er langzamerhand aan, al zijne krachten in te +spannen. Eerst wanneer het zeven jaar oud geworden is, beschouwt men +zijn opvoeding als afgeloopen; daarom zegt het Arabische spreekwoord: +"Zeven jaar voor mijn broeder, zeven jaar voor mij en zeven jaar voor +mijn vijand." + +De Arabieren onderscheiden vele familiën in hunne Paarden; ieder +gewest, ieder volk beroemt zich op die, welke het bezit. In Arabië +rangschikt men deze dieren ook thans nog in 21 "bloedstammen" of +familiën, van welke de vijf belangrijkste onder den naam "Khamsa" +samengevat worden: deze heeten van de vijf merriën van Salomo af te +stammen. De oudste en edelste van deze vijf familiën heet "Kehilan" of +"Kochlani". Vermakelijk is het te luisteren naar den lof, die over een +bijzonder edel Paard verkondigd wordt. "Zeg niet, dat het mijn Paard +is, noem het mijn zoon! Het loopt sneller dan de stormwind, sneller +nog dan de blikken over de vlakte waren. Het is zoo zuiver van ras +als goud. Zijn oog is zoo scherpzichtig, dat het in het duister een +haar kan onderscheiden. Het achterhaalt de gazelle. Tot den arend +zegt het: Ik beweeg mij zoo snel als gij! Als zijn oor het jubelen +der meisjes verneemt, hinnikt het van vreugde en bij het fluiten der +kogels springt zijn hart op van blijdschap. Uit de hand der vrouwen +neemt het aalmoezen aan, den vijand slaat het met de hoeven in 't +aangezicht. Als het loopen kan zooveel het begeert, storten zijne +oogen tranen. Hetzij de hemel klaar is, of de stormwind het licht der +zon door stofwolken verduistert, 't is alles om 't even; dit Paard is +een edel dier, dat het woeden van den storm veracht. In deze wereld +is er geen, die het evenaart. Snel als de Zwaluw ijlt het voort; het +is zoo licht, dat het op de borst van uw geliefde zou kunnen dansen, +zonder haar lastig te zijn. Zoo zacht draaft het, dat gij gedurende den +snelsten draf op zijn rug zittend een kop koffie kunt drinken, zonder +een druppel te spillen. Het begrijpt alles, wat een zoon van Adam +begrijpt; alleen door het gemis van de spraak verschilt het van dezen." + +In Engeland wordt tegenwoordig aan de paardenfokkerij niet minder +zorg gewijd dan in het Oosten. Nog geen tweehonderd jaar geleden +fokten de Spanjaarden en Italianen veel beter Paarden dan de +Engelschen; deze zijn echter sedert dien tijd evenveel vooruitgegaan +als gene achteruitgingen. De vroeger zoo beroemde Andalusische +en Polesina-rassen bestaan niet meer, terwijl daarentegen het +_Engelsche Volbloedras_ (_thorough-breed, racing breed_) als het +uitstekendste lid van het Westersche of Europeesche hoofdpaardenras +wordt beschouwd. Alleen door paring van individuën, die verschillende +uitnemende eigenschappen bezitten, kunnen wezens ontstaan, waaraan +deze eigenschappen vereenigd voorkomen, en alleen als deze wezens +met huns gelijken paren kan men verwachten, dat hunne afstammelingen +onverbasterd zullen blijven. Voor het verkrijgen en zuiver houden, +van een uitmuntend paardenras is dus een zorgvuldige keuze van +fokdieren noodig. Al sinds lang legt men zich in Engeland toe op het +fokken van Paarden, die door een buitengewone snelheid op de renbaan +kunnen schitteren. Het Engelsche Volbloedpaard is een product van dit +streven. De eerste gebeurtenis, die voor de geschiedenis van dit ras +belangrijk zou worden, was, dat Jacobus I (1603--1625) eerst eenige +Arabische, later ook eenige Turksche hengsten en merriën naar Engeland +liet komen, om gebruikt te worden als renpaarden en voor het veredelen +van de inlandsche paardenslagen. Karel II (1603--1625) volgde dit +voorbeeld en schafte zich toen Oostersche merriën (_the royal mares_) +benevens eenige Oostersche hengsten aan. Het vaderland van deze merries +is twijfelachtig. Schwarznecker vermoedt, dat zij uit Barbarije en +Turkije afkomstig waren. Bij dit fokmateriaal kwamen later nog eenige +Oostersche hengsten, waarvan vooral drie beroemd zijn geworden als +stamvaders van vele vermaarde renpaarden. Deze zijn: Darley _Arabian_ +(1714)--een uit de woestijn van Palmyra afkomstige, door Darley te +Aleppo gekochte Arabische hengst, de vader van _Flying Childers_, +het paard dat 1 Eng. mijl (1610 M.) in de minuut aflegde, en dat, +op deze wijze dag en nacht doorrennend, in 17 etmalen den evenaar +rondgeloopen zou zijn; deze was de overgrootvader van _Eclipse_ +(den stamvader van den _Eclipse_-stam), die in 3 seconden 7 sprongen +van 25 voet deed--, Godolphin's _Berber_--wiens afstammelingen den +_Matchem_-stam vormen--, Byerley's _Turc_--waaruit de _Herodes_-stam +is voortgesproten, zoo genoemd naar het renpaard _Herodes_, die zijn +eigenaar een winst van ruim 2 1/2 millioen gulden op de wedrennen +verschafte. Ieder Volbloedpaard moet, om als zoodanig erkend te worden, +ingeschreven zijn in het in 1791 aangevangen _General Stud-book_, +hetgeen alleen geschiedt, als zijn stamboom geen andere voorouders +aanwijst, dan Paarden, die in dit register voorkomen. Het Engelsche +Volbloedpaard heeft een kleinen kop, een langen hals, die meestal +gestrekt wordt gedragen; het staat dikwijls hoog op de pooten, +heeft sterk ontwikkelde achterschenkels, een duidelijk zichtbaar +spierstelsel en breede, stevige pezen. Hoewel dit ras door ieder +onbevangen beoordeelaar minder schoon wordt genoemd dan het Arabische, +wijl bij het Engelsche paard het streven naar doelmatigheid meer op +den voorgrond stond dan het zoeken van een harmonieuzen lichaamsbouw, +is het toch wat grootte, sterkte, snelheid en geschiktheid voor +acclimatisatie betreft, ver boven het Arabische Volbloedpaard +verheven; terwijl het als fokdier voor de vorming van uitmuntende +rij- en tuigpaarden zijns gelijken niet heeft. Terecht noemt men +het dan ook: "de edelste Europeesche stamgenoot van het Arabische +paard. Vele paardenkenners beweren, dat het verschil tusschen beide +rassen eenvoudig veroorzaakt is door gewijzigde levensomstandigheden +en dat het Engelsche Volbloedpaard onvermengd Oostersch bloed in +zijne aderen heeft. Het stamregister van dit ras levert echter het +onomstootelijk bewijs, dat er geen enkel Volbloedpaard is, in wiens +stamboom zoowel aan vaders- als aan moederszijde geen andere dan +Oostersche voorouders voorkomen." Het volbloedpaard is niet anders +"dan een door voortdurende reinteelt voortgebracht product van +de wedrennen van de voorbereiding hiervoor (_training_) en van de +door deze beide factoren bepaalde zorgvuldige keuze van fokdieren, +verzorging en voeding." Zoowel door zijn lichaamsvorm als door zijne +vermogens munt het hedendaagsche Volbloedpaard in alle opzichten boven +zijne voorouders uit; het kan een hoogte van 1.75 en meer bereiken. (De +hoogte van het Arabische Paard bedraagt 1.5 à 1.6 M.) De gestalte is +edeler en, wat de verhoudingen betreft, evenrediger geworden.--Het +Engelsche Volbloedpaard wordt voor het veredelen van andere rassen +naar alle door Europeanen bewoonde landen van de wereld uitgevoerd. + +De derde vertegenwoordiger van het Volbloedras is het _Anglo-arabische_ +of _Gemengd Volbloedpaard_, ontstaan door kruising van het Engelsche +en het Arabische Volbloedpaard, welke kruising eerst in den laatsten +tijd heeft plaats gehad. + +Veel talrijker dan de Volbloedrassen zijn de _Halfbloedslagen._ Deze +ontstaan door kruising van Volbloedfokpaarden met merries of hengsten +van de gewone Westersche landslagen. Dit geschiedt op groote schaal +in zoogenaamde stoeterijen, die aan den Staat, aan een vereeniging +of aan particulieren behooren. De staats- of hoofdstoeterijen hebben +ten doel een voor de behoeften van het land geschikt, edel, rein +paardenras voort te brengen. In Pruisen zijn er drie; de belangrijkste +van deze is die te Trakehnen, bij Gumbinnen in Oost-Pruisen, waar 360 +halfbloed-merries worden gehouden. Zij werd in 1732 door Friedrich +Wilhelm I opgericht, met het doel om voor zijn privaat gebruik goede +Paarden te verkrijgen, en heeft er veel toe bijgedragen om aan de +paardenfokkerij in Pruisen een goede richting te geven, en om het +tot aan dien tijd zeer verwaarloosde Oud-Pruisische paardenslag op +een oordeelkundige wijze te veredelen. Vóór het begin van de vorige +eeuw bepaalde men zich er toe, Paarden te fokken, zonder zich toe te +leggen op de veredeling van het ras. Waarschijnlijk stond dus destijds +overal in Duitschland de paardenfokkerij op een lager standpunt dan +in de Middeleeuwen; daar toen, zooals bekend is, een veel drukker +handelsverkeer tusschen het Oosten en Westen bestond dan in latere +tijden, met uitzondering van den tegenwoordigen tijd. Door gebruik te +maken van Arabische en Engelsche Volbloedpaarden heeft de _Trakehner_ +zich langzamerhand ontwikkeld tot een fokras, dat zich door een +goed gevormden kop, een fraai aangezetten hals, een gedrongen romp +met rechten rug, een langwerpig rond kruis, tamelijk breede borst, +zeer krachtige ledematen, als ook door snelheid onvermoeidheid en +soberheid onderscheidt. Vooral voor het leveren van cavalerie- +en koetspaarden is het uitnemend geschikt.--Staatsstoeterijen +heeft Pruisen bovendien nog te _Graditz_ bij Torgau (Saksen) en +in Beberbeck bij _Hofgeismar_ (Hessen). Deze inrichtingen leveren +ook een groot deel van de dekhengsten ten behoeve van den landbouw, +die in de "landsstoeterijen" bewaard, en gedurende den dektijd over +de verschillende districten verdeeld worden.--Ook in andere Duitsche +landen (Beieren, Wurtemberg, Brunswijk, Lippe), oefent de regeering +op dezelfde of soortgelijke wijze als in Pruisen, grooten invloed +uit op de paardenfokkerij. Anders is het gesteld in Hannover, +Oldenburg, Mecklenburg en Holstein, waar door de landbouwers +uitstekende halfbloedslagen worden gefokt. Het _Oldenburger_ +(Bovenlandsche) Paard is ook hier te lande gunstig bekend, vooral +als tuig- of koetspaard; het is sterk en meer dan middelmatig groot +(1.75 à 1.85 M. hoog). Soortgelijk, doch iets edeler van vorm, zijn +de _Hannoversche_ en _Holsteinsche_ paarden.--Verder behooren nog tot +deze afdeeling: in Oostenrijk het _Lippizaner_ en het _Kladruber_ slag, +die met het Spaansche halfbloedslag, den _Andalusiër,_ nauw verwant +zijn; in Frankrijk het _Anglo-normandische_ en het _Anglo-bretonsche_ +slag; de Russische _Orlowdravers,_ die in de stoeterijen Khränowoy +en Padu, in het gouvernement Woronesch gefokt worden, stammen af +van een Arabischen hengst en een Hollandsche merrie, [evenals de +Engelsche _Norfolk-dravers,_ van een Engelschen Volbloedhengst een +Friesche merrie]; andere Russische halfbloedpaarden zijn sommige +slagen van _Donsche_ en _Tscherkessische_ paarden. Door kruising van +Engelsche Volbloedhengsten en merries van het Yorkshire-landslag +(ook wel Cleveland-bruinen genaamd, naar de streek waar zij het +meest gefokt werden), ontstond het Engelsche Jachtpaard (_Hunter_), +dat zich door een sterkeren lichaamsbouw en kortere pooten van het +Engelsche Volbloedpaard onderscheidt, en dus een grooter gewicht kan +dragen, maar er door kop en hals mede overeenkomt; kleiner is het +_Engelsche halfbloed koetspaard_ (_Hackney_ of _Hack_) en nog kleiner +(ongeveer 1.4 M. hoog), de voor 't zelfde doel dienende _Cob_. Van +de _Noord-Amerikaansche_ paarden behooren tot deze afdeeling sommige +slagen van _Sneldravers_ (_Trotter_). De Paarden van de hier genoemde +slagen zijn, zooals te verwachten is, zeer verschillend, zoowel wat +lichaamsbouw als wat geschiktheid betreft. Er zijn lichte, middelmatige +en zware dieren onder; vele zijn uitmuntende rij- of wagenpaarden, +andere sterke werkpaarden; verscheidene onderscheiden zich door een +zeer groote trekkracht. + + + +Tot de derde afdeeling, die der _Koudbloedige rassen,_ genaderd, zijn +wij het best in de gelegenheid iets te zeggen van de in Nederland +thuis behoorende paarden. "Evenals de meeste Europeesche landen," +zegt Reinders, "bezit Nederland eigenlijk een groot mengelmoes +van Paarden. Men wil, dat daaronder drie typen voorkomen, die men +gewoonlijk als het _Friesche_, het _Geldersche_ en het _Zeeuwsche_ +ras onderscheidt. Het meest verbasterd (door kruising met andere +rassen gewijzigd) is daarvan wellicht 't Zeeuwsche, maar van de beide +andere gaat het dikwijls moeilijk een exemplaar van de echte type, +van 'het echte ras' te vinden. Twee andere typen zouden wellicht nog +daarbij gevoegd kunnen worden, die van Holland en Utrecht, maar nog +meer dan in andere provinciën heeft hier verbastering plaats gehad. + +"Het _Friesche Paard,_ in de provinciën Groningen, Friesland en +Drente, maar door uitvoer naar Noord- en Zuid-Holland ook in deze +provinciën niet zeldzaam, werd voorheen onder dezen naam naar alle +streken van Europa uitgevoerd, inzonderheid naar Rome en Madrid, +waar het als staatsiepaard een grooten naam had. Ook thans nog is +het als koetspaard in het buitenland gezocht. Jaarlijks gaat onder +anderen een zeker aantal zwarte hengsten van dit ras naar Engeland +om daar voor de lijkkoetsen dienst te doen. Hun schoone vorm, hun +verheven gang en hunne sterke beenen maken hen daarvoor uitermate +geschikt. Van al de Nederlandsche Paarden is het Friesche Paard het +grootst hoewel niet meer zoo groot als voorheen. Het Friesche Paard +heeft ook naam als harddraver, maar bezit deze eigenschap meer door +aanleg dan wel tengevolge van de keuze bij het aanfokken, gelijk +bij het Engelsche Renpaard het geval is. Ook als harddraver werd het +vroeger veelvuldig uitgevoerd en met andere rassen gekruist. + +"Het _Geldersche Paard,_ nog het meest oorspronkelijk in de Betuwe, +is kleiner dan het Friesche. Het is meer rij- dan trekpaard en om +zijne verhevene bewegingen gezocht als cavaleriepaard; de zwaardere +exemplaren zijn ook goede trekpaarden. De goede eigenschappen van +het Geldersche Paard worden toegeschreven aan een kruising van +het oorspronkelijke inlandsche met het Andalusische Paard in den +Spaanschen tijd. + +"Het _Zeeuwsche Paard_ is zwaar en meer of minder plomp van vorm. Het +is sterk, maar niet zeer schoon, wel geschikt voor ploeg- of werkpaard, +maar wegens zijn moeilijke beweging minder gepast als tuigpaard." + +De talrijke in Nederland voorkomende vreemde Paarden behooren voor +een groot deel hetzij tot Duitsche slagen of tot het _Vlaamsche_ of +het _Ardenner_ ras, die beide in België en in de aangrenzende Fransche +departementen gefokt worden; de _Ardenners_ zijn meestal roodschimmels; +het zijn sterke gebergtepaarden, waarvan een grooter en een kleiner +slag bestaat; hier te lande heeft men meestal het zware slag; het +meestal zwarte _Vlaamsche Paard_ is grooter, gemiddeld 1.8 M. hoog in +de schouders, nog iets hooger in het kruis, met eenigszins ingezonken +rug; het heeft een breed gespleten kruis evenals het nauw verwante, +iets kleinere en meer gedrongen gebouwde _Brabantsche Paard._ Het +ras der _Percherons,_ zoo genoemd naar het Fransche landschap Perche +(Depn Eure et Loire en Orne), komt in twee hoofdverscheidenheden voor, +als middelsoort rij- en tuigpaard en als zwaar trekpaard; meestal zijn +het schimmels met kleinen, edelen kop, fijn manenhaar, hoog, meestal +gespleten kruis en korte, krachtige ledematen. Verwant hieraan zijn +de _Boulognezer Paarden._ De _Clydesdalers_ zijn zware Engelsche +landbouwpaarden. Nog grooter zijn de _Engelsche Karrepaarden_ +(_Dray-horse_, 1.9 à 1.94 M. schouderhoogte), die men wel eens +"Olifantspaarden" noemt, en die, ondanks hun kolossalen omvang, +goed geproportioneerd zijn en zich gemakkelijk bewegen; naar men +zegt, stammen zij af van Paarden, die uit Holland werden ingevoerd +en welker nakomelingen door goede verzorging en doelmatige keuze +van fokdieren veredeld zijn; zij worden o.a. voor het trekken van +de bierwagens gebruikt. Het _Norische ras_ heeft zijn hoofdzetel +in de Oostenrijksche Alpen (Salzburg, Tirol, enz., tot aan het +westelijke deel van Hongarije); het sterkste en grootste van de vele, +hiertoe behooren de slagen is het _Pinzgauer Paard;_ het kleinste, +de door karige voeding en ruw klimaat ontaarde _Hafflinger Hit_ +in de omstreken van Bozen. Voorts verdienen nog vermelding het +_Jutlandsche_ of _Deensche Paard_ en het Russische _Bitjug-Paard._ +In de _Hongaarsche_ paardenslagen, die wegens hun volharding voor +gemakkelijke cavalerie-diensten uitnemend geschikt zijn, is een +Oostersch type zichtbaar: zij zijn nauwelijks middelmatig groot, +hebben een zwaren kop, een eenigszins verlengden romp, een recht +kruis en krachtige, droge ledematen. + +In Hongarije, Zuid- en Oost-Rusland, Roemenië en andere landen met +geringe bevolkingsdichtheid en uitgestrekte weidegronden heeft het +paardenfokken meestal plaats in zoogenaamde "wilde" of "half-wilde" +stoeterijen: in gene worden de Paarden gedurende het geheele jaar +aan zichzelf overgelaten; de hier geboren Paarden zijn zeer duurzaam, +krachtig en sober, maar nimmer zoo schoon als die, welke onder toezicht +van den mensch geboren en grootgebracht worden, vooral omdat op de +kruising door den mensch weinig of geen invloed wordt geoefend. Dit +is nog wel eenigszins het geval in de "half-wilde" stoeterijen, +waar, evenals in de Zuid-Amerikaansche Llanos, in den bronsttijd aan +elken hengst een bepaald aantal merries worden toebedeeld, of waar, +zooals in vele Oost-Europeesche landen geschied, de Paarden wel van +de lente tot den herfst in vrijheid leven, maar 's winters in stallen +gehouden worden. Deze vormen een overgang tot de reeds genoemde "tamme +stoeterijen", waar stamboeken gehouden worden, die de afstamming, +den ouderdom en bijzondere kenteekenen van ieder ingeschreven Paard +vermelden; hier heeft de voedering plaats in stallen 's winters en +op de weiden (afzonderlijk voor de hengsten en merriën) gedurende +den zomer. + + + +Paardenrassen van in 't oogloopende kleinheid, welker schouderhoogte +in volwassen toestand minder dan 1.4 M. bedraagt, worden _Ponies_ +genoemd. Het kleinste Paard, de _Schotlandsche Pony_ of _Hit_, +die gevulde, langharige manen en een ruigen staart heeft, is +dikwijls slechts 90 cM., soms niet meer dan 85 cM., enkele malen +zelfs maar 82 cM. hoog en dus niet grooter dan enkele rassen van +Honden. Wanneer zij grooter zijn 1.20 M. noemt men ze _Dubbele +Hitten_ of _Ketten_. In Engeland bestaan, behalve het genoemde +Pony-ras, nog die van _Wales_, _Exmoor_ (in het Schotsche Hoogland) +en _New-Forest_. Ook in andere landen komen Pony's voor, o.a. in +Noorwegen en Zweden, op IJsland en Corsika. Iedere bezoeker van de +Amsterdamsche diergaarde kent de _Javaansche Paardjes_. Opmerkelijk is +trouwens bij alle Indische Paarden de geringe grootte. Een hoogte van +1.3 M. is reeds buitengewoon, in den regel wisselt deze af tusschen +95 en 125 cM. Het beste Indische Paard is het _Macassaarsche_, dat +gewoonlijk als cavalerie-paard voor het O.I. leger dient. Ook de +_Hitten_ uit de bergstreken van _Timor_ worden zeer geroemd. + + + +De Oostersche paardenrassen vertoonen over 't algemeen veel minder +verscheidenheid van vorm dan de Westersche; het is gemakkelijker van +gene een algemeen beeld te ontwerpen dan van deze. "Een Berberpaard," +zegt Wilckens, "verschilt slechts weinig van een Arabisch-Perzisch +Paard, en zelfs het gewone Tartaarsche Paard vertoont in vorm +veel overeenkomst met den Arabischen Volbloed. Daarentegen merkt +men bij onderlinge vergelijking van de Westersche paardenrassen +een buitengewone verscheidenheid van vorm op, die het voor den +oppervlakkigen beoordeelaar onbegrijpelijk maakt, dat deze zoo +uiteenwijkende dieren tot een en dezelfde soort gerekend worden; +inderdaad, wanneer men b.v. het kolossale Engelsche Karrepaard, +of zelfs het Suffolk-paard naast een Shetlandsche Pony, of +een voor den renbaan gefokt Engelsch Volbloed-paard naast een +Vlaamsch of een Pinzgauer Paard plaatst, welk een in 't oog loopend +verschil! Ongetwijfeld is zoowel de groote overeenstemming van den +vorm der Oostersche Paarden als de groote verscheidenheid van vormen +der Westersche een gevolg van den invloed van het klimaat en van de +levenswijze op de ontwikkeling dezer dieren. Omdat eenerzijds het +klimaat in de steppen van Afrika en Azië (en zelfs in Zuid-Rusland, +Hongarije en Galicië) gelijkmatiger is, dan anderzijds dat in Engeland +en Zuid-Frankrijk, in Denemarken en de Alpen, omdat het Oostersche +Paard op gelijkaardiger wijze gevoed en gebruikt wordt dan het +Westersche, zijn de leden van het eerste hoofdras meer aan elkander +gelijk en is dit ras armer aan variëteiten. De zeer verschillende +wijze van voeding van het Westersche Paard en zijn geschiktheid +tot zeer uiteenloopende werkzaamheden zijn een uitvloeisel van den +hoogeren trap van beschaving en van den vooruitgang op industrieel +gebied van de Westersche volken." + + + +Het tamme Paard is tegenwoordig bijna over den geheelen aardbol +verspreid. Het ontbreekt alleen in de koudste landstreken en op +verscheidene eilanden, waar de mensch dezen helper nog niet noodig +heeft. + +Het veulen heeft bij de geboorte de oogen geopend en is behaard; +weinige minuten later kan het staan en gaan. Men laat het ongeveer 5 +maanden lang zuigen, ronddartelen en spelen en speent het dan. In het +eerste jaar draagt het een wollig haarkleed, korte, overeindstaande +gekroesde manen en een dergelijken staart, in het tweede levensjaar +worden de haren glanziger, de manen en de staartharen langer en +sluiker. Later kan men de leeftijd vrij nauwkeurig bepalen door acht +te geven op de snijtanden. Bij de geboorte zijn de spitsen van drie +kiezen in elke kaakhelft zichtbaar, soms ook de middelste snijtanden +(_grasbijters_) van onder- en bovenkaak, die in allen gevalle binnen de +twee eerste weken na de geboorte zich vertoonen. De volgende snijtanden +(_middeltanden_) komen op den leeftijd van 2 à 6 weken, de buitenste +(_hoektanden_) 5 à 9 maanden na de geboorte. Dan is het _veulen_- of +_melkgebit_ volledig. Al deze tanden vallen op een bepaalden leeftijd +uit, om voor de _blijvende_- of _paardentanden_ plaats te maken. De +"melksnijtanden" zijn zuiver wit, schopvormig en met een hals voorzien, +in tegenstelling met de geelachtige, beitelvormige, aan de voorzijde +gegroefde "paarden-snijtanden." De tandwisseling begint op 2 1/2 à +3-jarigen leeftijd: dan wisselen de grasbijters; hetzelfde geschiedt +met de middeltanden, als het dier 3 1/2 à 4, met de "hoektanden" +(buitenste snijtanden) als het 4 1/2 à 5 jaar oud is. In de 10e à 12e +levensmaand krijgt het veulen de 4e, op 2- à 2 1/2-jarigen leeftijd de +5e, en als het 4 à 5 jaar oud is, de 6e kies. De drie eerste melkkiezen +wisselen tusschen 2 1/2 en 3 jaar. Bovendien komt bij het mannetje +geregeld, bij het wijfje bij uitzondering op 4- à 5-jarigen leeftijd, +tusschen de snijtanden en de kiezen in elke kaakhelft een _haaktand_ +(hoektand) te voorschijn, ten teeken, dat de ontwikkeling van het +dier is afgeloopen. Na het vijfde jaar let men, om de ouderdom +van het dier te kennen, op het merk in de snijtanden, dit is een +zwartachtig bruine holte ter grootte van een linze op de afgesleten +kroonvlakte. Dit merk verdwijnt door afslijting aan de grasbijters +van de onderkaak op den leeftijd van 5 of 6 jaar, aan de middeltanden +in het zevende, aan de hoektanden in het achtste jaar; vervolgens +verdwijnt in dezelfde volgorde het merk van de bovenkaakssnijtanden, +totdat in het elfde of twaalfde jaar alle merken verdwenen zijn. Met +toenemenden leeftijd verandert ook allengs de gedaante der tanden: +zij worden des te smaller, naarmate zij ouder worden. + +De Paarden kunnen éénkleurig zijn of een gemengde haarkleur hebben. De +éénkleurige zijn: vaal of isabelkleurig (lichtgeel of goudgeelachtig), +voskleurig (naar rood of kaneelkleur zweemend; flauw rosachtig heet +"koeharig", "brandvossen" zijn meer roodachtig, "zweetvossen" van +lichteren tint), bruin (kastanjebruin en wel licht goudgeelachtig of +donker), zwart (gitzwart of moorzwart, vuilzwart). Bij bruine of vale +Paarden zijn de manen, de staart en de onderste deelen der pooten +meestal zwart; bij de zwarte en witte zijn zij van dezelfde kleur, +bij voskleurige nu eens van dezelfde, dan weer van een lichtere of +donkerder kleur. Een zwarte streep over den rug, van de manen tot +den staart, heet een "aalstreep". + +De gemengdkleurige Paarden zijn: "stekelharig", wanneer de meeste +haren zwart zijn, maar tusschen deze over het geheele lichaam hier +en daar enkele grijze haren te voorschijn komen, zonder dat ouderdom +hiervan de oorzaak is; "schimmels", wanneer de meestal witte grondkleur +(die grijs kan schijnen, doordat enkele donkerder haren met de witte +gemengd zijn) regelmatig gerangschikte vlekken vertoont door sterkere +ophooping van donkere haren op sommige plaatsen; "tijgerkleurig", +wanneer de helder witte beharing bezaaid is met duidelijk uitkomende, +min of meer ronde, zwarte, bruine, roodachtige of leikleurige vlekken; +"bont", wanneer groote, donkerkleurige onregelmatige vlekken met +de meestal witte grondkleur afwisselen. Vooral bij schimmels komt +het voor, dat de kleur bij de geboorte anders (donkerder) is dan op +lateren leeftijd. "Geappeld" heet het Paard, wanneer ronde vlekken +(die uit een donkeren rand en een lichteren kern bestaan) hetzij +over het geheele lichaam of meer bepaaldelijk over enkele deelen, +zooals de schouders en het kruis verspreid zijn. "Bont" noemt men een +Paard _niet_, wanneer het enkele vlekken of strepen aan den kop heeft, +of wanneer alleen de voeten meer of minder ver wit gekleurd zijn. Een +"kol" is een kleine of middelmatig groote, witte vlek op het voorhoofd, +even boven de oogen; een "bles" is een witte band over den neus van +het Paard van tusschen de oogen tot aan de neusgaten; een "snuf" is +een witte bovenlip.--Alleen de kleine haren (die in den winter langer +zijn dan in den zomer) worden gewisseld; dit geschiedt hoofdzakelijk +in het voorjaar. Het winterhaar valt in dezen tijd zoo snel uit, +dat het "verharen" reeds binnen een maand grootendeels afgeloopen +is. Langzamerhand worden de uitgevallen haren vervangen; eerst na het +begin van September of October beginnen de nieuwe haren zich sterk +te verlengen. De haren van de manen en den staart blijven onveranderd. + +Het Paard is aan vele ziekten onderhevig. De belangrijkste zijn de +spat, een gezwel gevolgd door een verharding van het spronggewricht; +de droes, een zwelling van de klieren aan de onderkaak; de wormziekte, +een droge of vochtige uitslagziekte, waardoor de haren uitvallen; +de kwade droes, een sterke ontsteking aan het neusmiddelschot, die +in hooge mate besmettelijk is en ook op den mensch kan overgaan; de +razende kolder, een hersenontsteking; de stille kolder, een dergelijk +lijden; de grauwe en de zwarte staar en andere kwalen. Bovendien +wordt dit dier gekweld door vele uitwendige en inwendige parasieten. + +Het Paard kan een leeftijd van 40 jaar en meer bereiken, maar wordt +dikwijls zoo slecht behandeld, dat het reeds op zijn 20e jaar afgeleefd +is; men mag aannemen, dat het slechts zelden 30 jaar oud wordt. + +Over de eigenschappen, gewoonten, hebbelijkheden en eigenaardigheden +van de Paarden, in één woord over de gesteldheid van hun geest, +zal ik Scheitlin laten spreken: "Het Paard," zegt hij, "heeft +onderscheidingsvermogen voor voedsel, woning, ruimte, tijd, licht, +vorm, voor zijn familie, voor buren, vrienden, vijanden, andere +dieren, menschen en zaken. Het bezit waarnemings-, voorstellings- +en herinneringsvermogen, geheugen, verbeeldingskracht; het heeft een +fijn ontwikkeld gevoel voor een groot aantal toestanden, die zijn +lichamelijke of geestelijke gesteldheid wijzigen. Het wordt aangenaam +of onaangenaam gestemd door elke wijziging van omstandigheden, is +in staat om tevreden te zijn over het leven, dat het op een gegeven +tijdstip leidt, of om naar verandering te haken; zelfs is het vatbaar +voor hartstochten, voor fijn gevoelende liefde en haat. Zijn verstand +is groot en wordt zonder groote moeite in bekwaamheid omgezet, want +het Paard is buitengewoon leerzaam. + +"Zijn opmerkingsvermogen, zijn geheugen en zijn goedhartigheid +maken het mogelijk het alle kunststukken te leeren, die de Olifant, +de Ezel en de Hond kunnen verrichten. Het moet raadsels oplossen, +vragen beantwoorden, door beweging met den kop 'ja' en 'neen' zeggen, +door met den poot te tikken getallen aangeven, b.v. de tijdaanwijzing +van een horloge. Het let op de beweging van de handen en voeten van +zijn leermeester, begrijpt de beteekenis van het zweepgeklap en van +de woorden, die het vervangen of er mede gepaard gaan: het heeft +dus werkelijk een klein woordenboek in de gedachten. Op commando +houdt het zich ziek, neemt een onnoozele houding aan door de pooten +wijd uiteen te zetten en den kop te laten hangen, waggelt treurig en +vermoeid voort, laat zich langzaam vallen, ploft op den grond neer, +houdt zich dood (ook wanneer iemand op zijn lichaam gaat zitten, of +zijn pooten uiteen legt, of het aan den staart trekt, of den vinger in +de zoo fijngevoelige ooren steekt, enz.); zoodra zijn meester echter +zegt, dat hij het door den vilder zal laten halen, springt het weder +overeind en neemt een wakkere en vroolijke houding aan; het heeft deze +klucht uitmuntend begrepen. Het blijkt niet, dat het behagen schept +in de grappen, die het zoo dikwijls moet herhalen. Alleen in loopen en +springen heeft het vermaak. Hoe lang zal men het moeten onderrichten, +voordat het er zich aan waagt om door twee groote hoepels te springen, +die tamelijk ver van elkander verwijderd zijn en die met wit papier +dichtgeplakt, op hem den indruk van witte muren moeten maken? Dat +de mensch iets leeren kan en wil, verwondert ons niet, maar wel dat +het _Paard_ het kan. Men moet werkelijk niet vragen: Wat kan het +leeren? maar: Wat kan het _niet_ leeren? + +"Ieder, die een Paard iets menschelijks wil leeren, moet het, in +den beginne althans, echt menschelijk behandelen, d.w.z. hij moet +niet trachten het door slaan, of door bedreigingen, of door honger +de gewenschte vaardigheid bij te brengen, maar alleen goede woorden +gebruiken en het bejegenen zooals een goed, verstandig mensch een goed, +verstandig mensch bejegent. In den regel zijn de Paarden geheel en +al kinderen in het goede zoowel als in het booze. + +"Het Paard kent niet alleen het begrip plaats, maar ook het begrip +tijd. Het leert op de maat stappen, draven, galoppeeren en dansen. Het +kent ook verschil van tijd op grootere schaal; het weet, of het morgen, +middag of avond is. Het ontbreekt het Paard zelfs niet aan muzikaal +gevoel. Evenals de krijgsman houdt het van trompetgeschal. Het krabt +vroolijk met de voorpooten op den grond, wanneer dit geluid als sein +voor het loopen bij wedrennen en gedurende den veldslag weerklinkt; +het kent en begrijpt ook het tromgeroffel en alle geluiden, die met +zijn moed en met zijn vrees in verband staan. Het kent het gebulder +van het geschut; maar hoort het niet graag, wanneer het soortgenooten +gedurende veldslagen door kogels heeft zien treffen. Door het hooren +van donder wordt het eveneens onaangenaam aangedaan. Misschien heeft +het ervaren, dat het onweer onheil kan stichten. + +"Het Paard is zeer vatbaar voor vrees en gelijkt dus ook in dit opzicht +op den mensch. Het verschrikt door een ongewoon geluid, een ongewoon +voorwerp, een wapperend vaandel, een hemd, dat buiten het venster +waait. Zorgvuldig kijkt het naar den bodem, wanneer hier steenen +op liggen; voorzichtig stapt het in de beek of in de rivier. Het is +buitengewoon bang voor den bliksem. Gedurende het onweder zweet het +uit angst van getroffen te worden. Als het eene Paard op hol gaat, +kan het andere, dat minder schichtig is, het tegenhouden; gewoonlijk +echter wordt het eveneens door den schrik bevangen; beide rennen +dan voort met steeds klimmende vrees en toenemenden angst, hollen in +dolle vaart over en door alles heen, over den dorschvloer, met den +kop tegen een muur, enz., alsof zij dol zijn. + +"De eenige ware lust van het Paard is het rennen. Van nature is het +een reiziger; alleen voor hun vermaak rennen de Paarden, die in de +Russische steppen grazen; zij galoppeeren vele uren, een dagreis ver +met de koetsen mede; zonder nood van op den langen weg te verdwalen, +keeren zij eindelijk naar hun uitgangspunt terug. Op de weide spelen +zij vroolijk met elkander, werpen het voorste of het achterste deel van +'t lichaam omhoog en halen allerlei streken uit, rennen te zamen of +bijten elkander. Er zijn er bij, die gedurig bezig zijn de andere te +plagen. Het dier, dat menschelijke handelingen tracht na te bootsen, +moet zich den mensch zeer nabij gevoelen, moet in hem bijna zijns +gelijke vinden. + +"De hengst is in alle opzichten een vreeswekkend dier. Zijn spierkracht +is ontzettend, zijn moed boven alle beschrijving groot, zijn oog schiet +vuur. De merrie is veel zachtaardiger, goedhartiger, toegevender, +gehoorzamer, gemakkelijker te besturen; daarom geeft men aan haar +dikwijls de voorkeur boven den hengst. Het paard is voor allerlei +aandoeningen vatbaar. Het mint en haat, is jaloersch, wraakzuchtig, +nukkig enz. Geen Paard is aan een ander gelijk. Bijtlustig en boos, +valsch en arglistig is het eene, goed vertrouwend en zachtaardig het +andere. De natuur of de opvoeding of beide gezamenlijk hebben ze zoo +verschillend doen worden. + +"Groot is het verschil van levenslot der Paarden! Het lot van de meeste +is in de jeugd vertroeteld en met haver gevoederd te worden, op hun +ouden dag een kar voort te slepen, met haksel en ruigte het leven te +rekken, en rijkelijk slagen te ontvangen. Aan de nagedachtenis van +menig Paard werden tranen gewijd; terecht zijn voor sommige Paarden +marmeren gedenkteekens opgericht. Zij hebben een jeugd, die voor +'t spelen bestemd is, jongelingsjaren, waarin zij met hunne gaven +pronken, een mannelijken leeftijd om te arbeiden, en een ouderdom, +waarin zij naar lichaam en geest trager en doffer worden; zij bloeien, +rijpen en verwelken!" + + + +Het tweede ondergeslacht van de Paarden (_Asinus_), waarvan de +kenmerken reeds vroeger opgegeven zijn omvat de _Ezels_ en de +_Tijgerpaarden_. + + + +De _Koelan_ van de Kirgiezen, de _Dziggetai_ (letterlijk vertaald +"Langoor") der Mongolen in 't algemeen [_Equus (Asinus) hemionus_], +heeft sommige eigenaardigheden, waardoor zijn schoonheid die van +den Ezel verre overtreft. Deze zijn: een buitengewoon licht gebouwd +lichaam, slanke ledematen, een wild en vlug voorkomen en een fraaie +haarkleur. Hij is iets grooter dan het kleine slag van muildieren, +bijna gelijk aan een hit. De kop is eenigszins zwaar ontwikkeld, +de borst groot, van onderen hoekig en een weinig samengedrukt. De +ooren zijn langer dan bij het Paard, maar korter dan bij de gewone +muildieren. De manen zijn kort en overeind geplaatst; hierdoor en ook +door den staart en de hoeven gelijkt hij op den Ezel. De borst en de +bovenarmen zijn smal en op lange na niet zoo gevleescht als bij het +Paard; ook het achterstel is schraal; de ledematen zijn buitengewoon +licht en fijn, en tevens tamelijk lang. De kleur van den Dziggetai +is licht geelbruin; de neus en de binnenzijde der ledematen hebben +een vaal-gelen tint; de manen en de staart zijn zwartachtig. Over +het midden van den rug, boven de ruggegraat, loopt een bruinachtige, +eenigszins naar geel en grijs zweemende streep, die van voren ongeveer +zoo breed is als een vinger, zich naar 't midden van den rug allengs +tot 1 cM. versmalt; haar breedte neemt daarna snel weer toe, zij +komt in 't kruis en boven het bekken met die van 3 vingers overeen, +om vervolgens weer af te nemen tot een smalle lijn op 't midden van +de bovenzijde van den staart; overal steekt zij sterk af bij de kleur +van het overige haar. + +De totale lengte bedraagt ongeveer 2.5 M., waarvan 50 cM. op den +kop en 40 cM. op den staart komen (de haarkwast aan de spits niet +medegerekend); de schouderhoogte wisselt van 1.3 tot 1.5 M. af. + +De Dziggetai of Koelan is een kind van de steppe. Hoewel hij zich +bij voorkeur in de nabijheid van meren en rivieren ophoudt, vermijdt +hij evenwel de dorre, waterlooze en woestijnachtige streken niet, +en evenmin de bergachtige gewesten, voor zoover deze n.l. een +steppe-karakter hebben, met andere woorden, niet met bosschen +bedekt zijn. Zoomin de ijlere lucht van het hooge gebergte, als +de temperatuurswisselingen van het laagland, waar in den zomer +een verzengende hitte, in den winter een strenge koude heerscht, +zoomin de prikkelende sneeuwstormen van de hoogvlakte, als de door +den wind voortgestuwde heete zandwolken van de laagvlakte, beperken +het verbreidingsgebied van deze tegen weer en wind geharde dieren +in de steppen; door niemand anders dan door den mensch wordt zijn +aanwezigheid zoo niet bepaald, dan toch eenigermate beperkt. Streken, +welker uitgestrekte weidegronden van tijd tot tijd door rondzwervende +herdersvolken bezocht worden, of waardoor de nomadische herder met +zijne kudden geregeld heen en weer trekt, worden door de Koelan +verlaten; daar waar te midden van vruchtbaarder weidegronden zich +landstreken bevinden, zoo arm, zoo dor, zoo woestijnachtig, dat +zelfs de genoemde voorloopers van den aan vaste woonplaatsen gebonden +mensch ze vermijden, kan men er verzekerd van zijn het wilde Paard, +dat onbeperkte vrijheid verlangt, te zullen aantreffen. + +Nog tegenwoordig bevolkt het in aanzienlijken getale verscheidene +districten van Akmolinsk en bewoont het een strook steppe-land tusschen +het Altaï-gebergte en het Saisan-meer; men ontmoet het van hier +uitgaande op alle voor zijn levenswijze geschikte, verder oostwaarts +en zuidwaarts gelegen oorden van zuidelijk Siberië en Toerkestan, +hoewel hier niet zoo menigvuldig als in de woestijnachtige steppen +van Mongolië en het noordwesten van China of in de gebergten van Tibet. + +Gezelligheid is een grondtrek van de inborst van dit wilde +paard en van de Eénhoevigen in 't algemeen. Evenals in Afrika de +Zebra, de Quagga en de Dauw zich voegen bij de kudden Antilopen en +Struizen, ziet men in de hooge gebergten van Midden-Azië de Dziggetai +gemeenschappelijk grazen met verschillende soorten van wilde Schapen, +met de Tibetaansche Antilope en den Yak, in de laagvlakten met de +Krop- en Saiga-Antilopen. Ook met verwilderde Paarden leeft hij in +goede verstandhouding. + +Wie ooit Koelans in hun vaderland en in volledige vrijheid zag, +zal moeten erkennen, dat zij hoog begaafde dieren zijn. Betooverd +volgt het oog hunne bewegingen; verrukt en verbaasd tracht het de +onvergelijkelijke behendigheid van deze snelvoetige dieren na te +gaan. "Het is een verwonderlijk schouwspel," zegt Gay, "te zien, +hoe vlug zij de bergen bestijgen en hoe behendig zij er van afdalen +zonder ooit te struikelen. Alsof zij met hunne onuitputtelijke krachten +wilden spelen, repten de door ons vervolgde Koelans zich voort over +de heuvels en door de dalen van de steppe." + +Zulk een dier ontkomt gemakkelijk aan de vervolgingen van groote +Roofdieren. In de West-Aziatische steppen zijn er trouwens geen, +die op Koelans jacht maken; want de hier inheemsche Wolven wagen het +niet gezonde, wilde Paarden aan te vallen, omdat deze hunne krachtige +hoeven uitmuntend tegen vijanden weten te gebruiken. Waarschijnlijk +worden alleen vermoeide en door ziekte aangetaste Koelans, die van +de kudde verwijderd zijn geraakt, een prooi van de Wolven. In het +zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van hun verbreidingsgebied worden +de Koelans misschien door Tijgers lastig gevallen. Een gevaarlijker +vijand is echter de mensch. De nomadische herders van de steppe zijn +hartstochtelijke liefhebbers van de Koelan-jacht, vooral omdat voor dit +bedrijf een groote behendigheid van de zijde van den jager vereischt +wordt.--In de Europeesche dierentuinen behoort de Koelan nog steeds +tot de zeldzaamheden, hoewel men hem in de laatste 20 jaren dikwijls +daarheen heeft overgebracht, en hij er ook herhaaldelijk (alleen +te Parijs niet minder dan 16-maal) jongen heeft geworpen. Met goed +gevolg heeft men hem met den Ezel, den Quagga, den Zebra, en kort +geleden ook met het Paard gekruist. + + + +Een tweede, in Azië in 't wild levende Eénhoevige, die misschien +met den Koelan een zelfde soort vormt, is de _Onager_ van de +Ouden, die ook in den Bijbel herhaaldelijk genoemd wordt. Volgens +Sclater's vergelijkend onderzoek van de wilde Paarden is het meer dan +waarschijnlijk, dat de wilde Ezel, die de Indische woestijnen bewoont, +zich niet van den Onager onderscheidt. Het verbreidingsgebied van +deze soort zou zich dus van Syrië over Arabië, Perzië en Beloetsjistan +tot in Indië uitstrekken. + +De _Onager_ [_Equus (Asinus) onager_] is aanmerkelijk kleiner +dan de Dziggetai, maar toch hooger en fijner van ledematen dan de +Gewone Ezel. De kop is betrekkelijk nog hooger en grooter dan bij de +Koelan; de dikke lippen zijn tot aan den rand dicht bezet met stijve, +borstelige haren; de ooren zijn tamelijk lang, maar korter dan bij den +Gewonen Ezel. De heerschende kleur is fraai wit met een zilverachtigen +glans, deze gaat aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den +hals en van den romp en ook aan de heupen in een bleeke isabelkleur +over. Over de schouderstreek loopt een witte streep ter breedte van +een hand benedenwaarts, een tweede streep loopt aan weerszijden langs +het midden van den rug en over de achterzijde der dijen; tusschen de +beide overlangsche strepen ligt de koffie-bruine rugstreep. De beharing +is nog zijdeachtiger en zachter dan bij een Paard. Het winterhaar +kan men met kameelwol vergelijken, het zomerhaar is uiterst glad en +fijn. De rechtopstaande manen bestaan uit zachte, wollige, ongeveer 10 +cM. lange haren; de kwast aan den staart wordt meer dan een span lang. + +Door zijn levenswijze herinnert de Onager aan den Koelan. Een hengst is +de aanvoerder van de kudde, die uit merries en veulens van beiderlei +geslacht bestaat. Wat vlugheid van beweging betreft, doet de Onager +voor den Dziggetai volstrekt niet onder. + +De zintuigen van den Onager, vooral die van 't gehoor, 't gezicht +en den reuk, zijn zoo fijn, dat het niet mogelijk is hem in +de open steppen te genaken. Hij is zoo buitengewoon matig, dat +hij hoogstens om den anderen dag naar de drinkplaats gaat; het +opwachten van dit dier, "het jagen op den afstand", is dus meestal +ondoenlijk. Zouthoudende planten vormen zijn liefste voedsel; na deze +geeft hij de voorkeur aan die, welke een bitter melksap bevatten, +zooals paardenbloemen, melkdistels en dergelijke; klaversoorten, +lucerne en allerlei kruisbloemige planten worden echter ook niet +door hem versmaad. Hij heeft evenwel een tegenzin in alle planten, +die welriekend zijn, doordat zij vluchtige oliën bevatten, in +moeraskruiden, boterbloemachtigen en alle stekelige gewassen, zooals +distels. Hij houdt meer van brak, zouthoudend water dan van zoet; +het moet echter helder zijn; troebel water lust hij niet. + +Over den paringstijd en den werptijd is nog niets bekend. + + + +De stamsoort van onzen tammen _Ezel_ [_Equus (Asinus) asinus_] bewoont +Afrika en is er door twee ondersoorten vertegenwoordigd. De eerste +ondersoort--de _Steppen-ezel_ (_Equus asinus africanus_)--gelijk door +grootte en uitzicht op zijne getemde nakomelingen in Egypte, door +levenswijze en aard echter op zijne in 't wild levende, Aziatische +verwanten. Hij is groot, slank en fraai gebouwd, isabelkleurig, +aan de onderzijde lichter, met duidelijk herkenbare rugstreep en +schouderkruis en eenige meer of minder duidelijke dwarsstreepen aan +de buitenzijde van den benedenvoet. De korte manen staan overeind, +de staartkwast is dik en lang. + +Van den Steppenezel onderscheidt zich de _Somali-ezel_ (_Equus asinus +somalicus_) door een aanzienlijker grootte en langere, hangende +manen. Het schouderkruis ontbreekt; wel komen aan de pooten talrijke, +duidelijke, zwarte dwarsstrepen voor. Zijn vaderland is Somaliland. De +beter bekende Steppenezel daarentegen bewoont de woestijnen van +Opper-Nubië. In de nabijheid van den Atbara, de voornaamste Nubische +bijrivier van den Nijl is hij veelvuldig, zoo ook in de Barka-vlakten; +zijn verbreidingsgebied strekt zich uit tot aan de kust van de Roode +Zee. Hier leeft hij in volkomen gelijksoortige omstandigheden als +de Dziggetai en de Onager. Iedere hengst staat aan het hoofd van +een kudde van 10 à 15 stuks, die hij bewaakt en verdedigt. Hij is +buitengewoon schuw en voorzichtig; de jacht op dit dier is hierdoor +zeer moeilijk. Alle tamme Ezels, die men in 't zuiden van Egypte en +waarschijnlijk ook in Abessinië gebruikt, stammen, naar het schijnt, +van deze soort af; want volgens de verzekering van de Arabieren +gelijken de Wilde Ezels zoozeer op hen, dat men den eenen voor den +anderen zou kunnen aanzien. + +De gestreepte voeten van dit dier, en vooral die van den Somali-ezel, +zijn een opmerkelijk verschijnsel; daar hierdoor deze Ezels een +overgang schijnen te vormen tusschen hunne Aziatische verwanten en +de Tijgerpaarden. + + + +De Steppenezel wordt reeds sinds overouden tijd getemd en de gevangen +Wilde Ezels worden dikwijls voor de veredeling van tamme Ezelrassen +gebruikt. De Romeinen van de oudheid gaven groote sommen voor dit doel +uit; de Arabieren doen dit ook thans nog. Alleen bij ons is de _Tamme +Ezel_ door voortdurende verwaarloozing tot op een laag peil afgedaald. + +Als men den Ezel, die hier te lande graan of meel voor den molenaar +draagt of den melkboer zijn beroep helpt uitoefenen, met zijne +verwanten in zuidelijker landen vergelijkt, zou men er toe kunnen +komen, beide voor verschillende soorten te houden, zoo weinig gelijken +zij op elkander. De Ezel uit het Noorden is, zooals iedereen weet, +een trage, eigenzinnige, dikwijls weerbarstige klant, die algemeen, +heewel ten onrechte, als zinnebeeld van onnoozelheid en domheid +wordt beschouwd; de Ezel uit het Zuiden daarentegen, vooral de +Egyptische, is een fraai, wakker, buitengewoon vlijtig en volhardend +dier, wiens arbeid niet veel bij dien van het Paard achterstaat, +en dezen in sommige opzichten zelfs overtreft. Maar hij wordt dan +ook veel zorgvuldiger behandeld dan onze Ezel. In vele Oostersche +landen zorgt men niet minder goed voor de zuiverheid van de beste +ezelrassen dan voor die van het edelste paardenras; men voedert de +dieren zeer goed, kwelt hen in hun jeugd niet te veel en kan derhalve +van de volwassenen diensten verlangen, die onze Ezel in 't geheel niet +zou kunnen verrichten. Er is wel reden voor de zorg, die men in het +Oosten aan den Ezel besteedt, want hij is daar een huisdier in den +volsten zin van het woord, dat in het paleis van den rijkste, zoowel +als in de hut van den armste voorkomt, en de onmisbaarste dienaar is, +dien de bewoner van zuidelijke gewesten kent. Reeds in Griekenland +en Spanje treft men zeer schoone Ezels aan, hoewel zij altijd nog +ver achterstaan bij die, welke men in het Oosten, vooral in Perzië, +Toerkmenië en Egypte, gebruikt. De Grieksche en de Spaansche Ezel +evenaren een klein muildier in grootte; hun haar is glad en zacht; de +manen zijn tamelijk, de staartharen betrekkelijk zeer lang; de ooren +zijn lang, maar fijn gebouwd, de oogen schitterend. Groote volharding, +een gemakkelijke, vlugge gang en een zachte galop stempelen deze +Ezels tot onovertreffelijke rijdieren. + +Nog veel schooner dan deze uitmuntende dieren zijn de Arabische Ezels, +vooral die, welke in Yemen worden gefokt. Er zijn twee rassen van: +één van groote, moedige en snelle dieren, die voor het reizen zeer +geschikt zijn, en één, welks leden kleiner en zwakker zijn, en +gewoonlijk voor 't dragen van lasten gebruikt worden. Soortgelijke +rassen komen voor in Perzië en Egypte, waar men veel geld voor een +goeden Ezel uitgeeft. Een voor rijdier geschikte Ezel, die aan alle +eischen voldoet, staat hooger geprijsd dan een middelmatig Paard; +niet zelden betaalt men f 900 voor zulk een dier. "Men kan zich," zegt +Bogumil Goltz, "geen bruikbaarder en dapperder schepsel voorstellen dan +deze Ezel. De grootste kerel zet zich op een exemplaar, dat dikwijls +niet grooter is dan een kalf van zes weken en brengt het in galop. Deze +zwak gebouwde dieren bewegen zich met een flinken pas; hoe zij echter +aan de kracht komen om uren lang met een volwassen mensch op den rug, +zelfs bij groote hitte, te draven en te galoppeeren, komt mij volkomen +onverklaarbaar voor en schijnt tot de bovennatuurlijke ezels-mysteriën +te behooren." Den rij-ezels wordt het haar zeer zorgvuldig over het +geheele lichaam kort geknipt; alleen aan de bovenarmen en dijen laat +men het zijn volle lengte behouden; hier worden echter in de beharing +allerlei figuren en krullen uitgeknipt, waardoor de dieren een zeer +eigenaardig voorkomen verkrijgen. + +Verderop in het binnenland, waar dit nuttige wezen eveneens als +huisdier wordt gehouden, zijn edele Ezels zeldzaam, en ook deze +weinige worden van buiten ingevoerd. + +In vroegere tijden trof men op eenige eilanden van den Griekschen +archipel en op Sardinië half-verwilderde Ezels aan; tegenwoordig +vindt men er nog in Zuid-Amerika. Zulke aan de heerschappij van den +mensch ontkomen Ezels nemen spoedig alle gewoonten van hunne wilde +voorouders aan. + +Door de bovenstaande mededeelingen is meteen het verbreidingsgebied +van den Ezel aangeduid. Het oostelijke deel van Voor- en Middel-Azië, +het noorden en oosten van Afrika, Zuid- en Middel-Europa en eindelijk +Zuid-Amerika zijn de landstreken waar hij het best gedijt. Hoe droger +het land is, des te beter gevoelt hij zich er thuis. Vochtigheid en +koude verdraagt hij minder goed dan het Paard. + +Waarschijnlijk is het rijden op Ezels nergens zoozeer in zwang als +in Egypte. In alle grooten steden van dit land zijn deze gewillige +dieren werkelijk onmisbaar voor de gemakkelijkheid van 't leven. Men +gebruikt ze, zooals bij ons de huurrijtuigen; en het wordt volstrekt +niet vreemd gevonden zich door hen te laten dragen. Wegens de engheid +van de straten der Oostersche steden, zijn Ezels beter dan andere +vervoermiddelen geschikt om den weg, dien men heeft af te leggen, +af te korten en gemakkelijk te maken. Daarom ziet men ze b.v. in +Kaïro, overal te midden van den onafgebroken stroom van menschen, +die zich door de straten beweegt. De ezeldrijvers van Kaïro vormen +een eigen stand, een ware kaste; zij behooren bij de stad, zooals de +minarets en de palmen. Zij zijn onontbeerlijk voor de inwoners zoowel +als voor de vreemdelingen; aan hen heeft men iederen goeden dag te +danken, hoewel zij iederen dag iemand de gal doen overloopen. "Het +is een ware lust en een ware ellende", zegt Bogumil Golts, "met +de ezeljongens om te gaan. Men kan het niet eens met hen worden, +hetzij men ze voor goedhartig of boosaardig, koppig of dienstwillig, +traag of wakker, listig of onbeschaamd houdt; zij vertoonen een +mengelmoes van alle mogelijke eigenschappen." De reiziger ontmoet +ze, zoodra hij in Alexandrië aan land stapt. Op elk druk plein staan +zij met hunne dieren van zonsopgang tot zonsondergang. De aankomst +van een stoomboot is voor hen een hoogst gewichtige gebeurtenis; +want dan moeten zij zich beijveren om de in hunne oogen onwetende of +zelfs domme toeristen voor zich te veroveren. De vreemdeling wordt +vooreerst in drie of vier talen aangesproken, en wee hem, wanneer +hij in 't Engelsch antwoordt. Dadelijk heeft er om den "rijken man" +een vechtpartij plaats, totdat de reiziger het verstandigste doet, +wat hij doen kan, n.l. op goed geluk op een Ezel gaat zitten en zich +door den jongen naar het eerste het beste hotel laat drijven. Dit +is de eerste kennismaking met de ezeljongens; maar eerst als men de +Arabische taal machtig is en, in plaats van het koeterwaalsch der +drie of vier door hen geradbraakte talen, hun eigen taal met hen kan +spreken, leert men ze kennen. + +De eene zegt: "Kijk toch eens, Mijnheer, naar den Ezel, dien ik u +aanbied, een echte locomotief in vergelijking met de dieren, die +de andere jongens u aanprijzen! Zij zullen onder u inzakken, want +het zijn erbarmelijke schepsels en gij zijt een forsch man! Maar de +mijne! Voor hem is het een kleinigheid als een Gazelle met u weg +te loopen."--"Dit is een Kahiriner Ezel," zegt de andere; "zijn +grootmoeder was een Gazelle en zijn bet-overgrootmoeder een wild +Paard. Komaan, Kahiriner, loop eens en laat Mijnheer zien, dat ik +de waarheid spreek! Doe uwe ouders geen schande aan, maak voort in +Gods naam, mijn Gazelle, mijn Zwaluw!"--De derde wil alle overige de +loef afsteken; hij roemt zijn Ezel als een "Bismarck", een "Moltke" +enz., en in dezen toon gaat het voort, totdat men eindelijk een +van de dieren bestegen heeft. Dit wordt nu door een onnavolgbaar +getrek en geduw of door stooten, steken en slagen met den aan +'t eene einde puntig toeloopenden drijversstok in galop gebracht, +terwijl de knaap, die er achteraan rent, door roepen, schreeuwen, +aansporen en babbelen zijne longen niet minder mishandelt dan den Ezel +vóór hem. "Pas op, Mijnheer! Uw rug, uw voet, uw rechterzijde is in +gevaar! Wees voorzichtig, uw linkerzijde, uw hoofd! Denk er om! een +Kameel, een muildier, een Ezel, een Paard! Let op uw gezicht, op uw +hand! Ga uit den weg, vriend; laat mij en Mijnheer voorbij! Scheld +niet op mijn Ezel, smeerlap; hij is meer waard dan je overgrootvader +was. Verschooning, meester, dat gij gestooten werd!" Deze en en honderd +andere uitroepen gonzen den reizigers onophoudelijk om de ooren, +terwijl hij tusschen allerlei gevaar opleverende dieren en ruiters, +tusschen straatkarren, lastdragende Kameelen, wagens en voetgangers +door rent. De Ezel verliest geen oogenblik zijn goede gezindheid; zijn +gewilligheid kan bijna niet ingetoomd worden; hij snelt steeds voort +in een allerprettigsten galop, totdat het doel bereikt is. Kaïro is de +hoogeschool voor alle Ezels; hier eerst leert men deze voortreffelijke +dieren kennen, waardeeren, achten en van hen houden. + +Op _onzen_ Langoor trouwens zijn Oken's woorden volkomen toepasselijk: +"De tamme Ezel is door langdurige slechte behandeling zoozeer ontaard, +dat hij bijna in 't geheel niet meer lijkt op zijne voorouders. Niet +alleen bereikt hij een veel geringere grootte dan deze, maar ook zijn +kleur is doffer, meer aschgrauw, zijne ooren zijn langer en slapper +geworden. De moed is bij hem in weerspannigheid veranderd, de vlugheid +in langzaamheid, de levendigheid in traagheid, de schranderheid in +domheid, de vrijheidsliefde in geduld, de volharding in lijdzaamheid +bij het verduren van mishandelingen." Scheitlin zegt van hem: "De tamme +Ezel is veeleer schrander dan dom; zijn schranderheid gaat echter +niet samen met goedheid, zooals bij het Paard, maar openbaart zich +meer als valschheid en sluwheid, en nog wel het meest als koppigheid +en eigenzinnigheid. Hoewel uit een slavin geboren, is hij in zijn +jeugd zeer opgewekt en een liefhebber van potsierlijke sprongen, +evenals al wat jong is; evenals het menschenkind, heeft hij trouwens +geen besef van zijn misschien vreeselijke, treurige toekomst. Als hij +volwassen is, moet hij trekken en dragen; hij laat zich hiervoor goed +africhten, hetgeen een bewijs is van zijn verstand, want hij moet +zich schikken naar den wil van een ander wezen, van den mensch. Het +kalf is hiervoor nooit verstandig genoeg, en zelfs het paardenveulen +begrijpt aanvankelijk niet, wat men van hem verlangt. Geduldig draagt +de Ezel zijn grooten last, maar volstrekt niet gaarne, want zoodra men +hem dien heeft afgenomen, is het voor hem een genoegen zich over den +grond te wentelen, en zijn afschuwelijk gebalk te laten hooren. Hij +heeft waarschijnlijk in 't geheel geen muzikaal gevoel. Zijne ooren +duiden werkelijk iets bijzonders aan. + +"Wij kunnen den Ezel volkomen in zijn eer herstellen door er op te +wijzen, dat hij afgericht kan worden tot zeer vele kunstjes, die men +gewoonlijk alleen van het Paard ziet. Sommige kinderen leeren moeilijk, +maar wat zij geleerd hebben, kennen zij grondig en voor altoos; zoo is +het ook met den Ezel. Men kan wedrennen met hem houden; hij leert door +hoepels springen en kanonnen afschieten. Hij springt goed, zonder het +doel te missen en zonder angst te toonen. Hij let op de blikken en de +woorden van zijn meester, en begrijpt deze telkens goed. Daarom kan +men hem ook leeren dansen, zich op de maat bewegen en deuren openen, +waarbij hij zijn bek als een hand gebruikt, trappen op- en afgaan, het +schoonste, oudste of meest verliefde lid van een gezelschap aanwijzen, +door met den poot op den grond te kloppen van een horloge, dat hem +voorgehouden wordt, den tijd, van een kaart of van een dobbelsteen het +aantal oogen aangeven, en iedere vraag van zijn meester, door met den +kop te schudden of te knikken, bevestigend of ontkennend beantwoorden." + +De zintuigen van den tammen Ezel zijn goed ontwikkeld. Bovenaan staat +het gehoor, hierop volgt het gezicht, dan de reuk; gevoel schijnt hij +weinig te hebben, ook de smaak is, naar men vermoedt, niet bijzonder +fijn, anders zou hij waarschijnlijk begeeriger, veeleischender +zijn dan het Paard. Zijne verstandelijke vermogens zijn, naar uit +Scheitlin's woorden blijkt, niet zoo gering als gewoonlijk aangenomen +wordt. Hij heeft een uitmuntend geheugen: hij kan iederen weg, dien +hij eens gegaan is, weer terug vinden; hoe dom zijn uitzicht ook zij, +toch is hij dikwijls recht sluw en listig. Ook is hij niet altijd +zoo goedaardig, als men meent; hij heeft soms zelfs afschuwelijke +kuren. Plotseling blijft hij dan midden op den weg stilstaan, en +laat zich door geen slagen dwingen om verder te gaan, of gaat met +zijn geheele last op den grond liggen, waar hij zich door bijten en +schoppen verweert. Sommigen meenen dat zijn gevoelig gehoor hiervan +de oorzaak is, dat ieder geraas hem verdooft en verschrikt, hoewel hij +overigens niet bijzonder vreesachtig, maar slechts nukkig is. Uiterst +vreemd gedraagt een Ezel zich in een streek waar Roofdieren zijn. Het +is zeer vermakelijk of hoogst onaangenaam, al naar men het nemen +wil, op een Ezel of een Muildier door een van de nauwe dalen van +het gebergte van Habesch te rijden. Overal bespeurt het lange oor +gevaar. Het draait en keert zich naar alle zijden, wordt met opzet +benedenwaarts gebogen in de richting van een rotsblok, waarachter +een vijand in hinderlaag zou kunnen liggen, het tracht zelfs met +een paar sterke wendingen alles af te luisteren, wat er hooger op, +langs de hellingen voorvalt, richt zich plotseling stijf omhoog en +luistert in een bepaalde richting. Wanneer nu nog de reuk het gehoor +te hulp komt en beide het edele rijdier schrikbeelden voor den geest +tooveren, dan is de gemoedsrust voor goed verstoord. Het wil niet +verder. Juist op de plaats waar het nu staat, is misschien in de vorige +nacht het vreeselijk tot buitengewone voorzichtigheid aansporend feit +voorgevallen, dat een Leeuw, een Luipaard, een Hyaena of een ander +gruwelijk Roofdier over den weg is geslopen! De Ezel snuffelt, kijkt, +luistert; de ooren draaien letterlijk rond in zijn kop; hij blijft +als aan den grond genageld, totdat eindelijk een van de lieden voor +hem uitgaat. Loos genoeg om te begrijpen, dat zijn gids de meeste +kans heeft om in de klauwen van het grimmige Roofdier den laatsten +adem uit te blazen, zal hij dezen volgen en inwendig gerustgesteld +verder gaan. Op reis kan de Ezel geen enkel zintuig ontberen. Als men +hem een doek voor de oogen bindt, blijft hij oogenblikkelijk staan; +dit doet hij ook, als men hem de ooren bedekt of dicht stopt; eerst +als, hij van al zijne zintuigen gebruik kan maken, gaat hij verder. + +De Ezel is met het slechtste, karigste voedsel tevreden. Gras en hooi +van zulk een hoedanigheid, dat iedere fatsoenlijke koe ze met een +afkeer verradend gesnuif laat liggen en een Paard er zich ontevreden +van afwendt, worden door hem nog als een lekkernij beschouwd: hij is +zelfs met distels en doornstruiken tevreden. Alleen in de keuze van +drank is hij zorgvuldig; hij wil geen water hebben dat troebel is; brak +mag, helder moet het zijn. In de woestijn heeft men hierdoor dikwijls +veel last met den Ezel, daar deze, hoe ook door den dorst gekweld, +het troebele water uit de lederen waterzakken niet wil drinken. + +Hier te lande valt de bronsttijd van den Ezel in de laatste lente- +en de eerste zomermaanden; in het zuiden duurt hij ongeveer het +geheele jaar door. De hengst verklaart aan de Ezelin zijn liefde +met het welbekende, oorverscheurende "I-a, I-a," en laat op deze +langgerekte, vijf- à tienmaal herhaalde geluiden nog een half dozijn +snuivende zuchten volgen. Zulk een aanzoek is onweerstaanbaar; zij +oefent zelfs op de medevrijers een machtigen invloed uit. Ieder, die +in een land heeft gewoond, waar vele Ezels zijn, heeft het kunnen +ervaren. Zoodra een ezelin hare stem laat hooren, ontstaat er een +formeel oproer onder alle hengsten in den omtrek. De naastbijwonende, +gevleid door de eer, dat hij de voor hem zoo aanlokkelijke geluiden +het eerst op een behoorlijke wijze mag beantwoorden, balkt er op los +zoo luid hij kan. Een tweede, derde, vierde, tiende valt in: eindelijk +balken zij allemaal; door den langen duur van dit concert zou iemand +doof of half gek kunnen worden. Ik waag het niet te beslissen, of dit +medebalken als een bewijs van teedere sympathie moet worden opgevat, +of eenvoudig voortvloeit uit lust tot schreeuwen, maar kan stellig +verzekeren, dat één Ezel alle overige aan 't balken kan brengen. De +reeds beschreven ezeljongens van Kaïro, die, naar het schijnt, veel +behagen scheppen in het geluid van de dieren, waarmede zij hun kost +verdienen, maken het "I-a"-geschreeuw, dat op beschaafde ooren zulk +een onaangenamen indruk maakt, aan den gang, door het onnavolgbare, +kort afgebrokene "Ii, Ii, Ii", dat den hoofdinhoud van de ezelsrede +voorafgaat, na te bootsen: spoedig neemt een van de Ezels de moeite +over om de vroolijke opgewondenheid verder te verbreiden. + +Ongeveer 11 maanden na de paring werpt de Ezelin één jong (hoogst +zelden twee), dat bij de geboorte volkomen ontwikkeld is en zien kan; +de moeder lekt het liefderijk af en biedt het reeds een half uur na de +geboorte de uier aan. Na 5 à 6 maanden kan het veulen gespeend worden, +maar het volgt de moeder nog lang op al hare wegen. Zelfs in zijn +vroegste jeugd verlangt het geen bijzondere oppassing of verzorging, +maar is evenals zijne ouders tevreden met elk voedsel dat het krijgen +kan. Als men het kind van de moeder wil scheiden, is aan weerskanten +het verdriet groot. Beiden verzetten zich en geven, als dit niets baat, +hun verdriet en hun verlangen nog dagen achtereen door geschreeuw +of althans door buitengewone onrustigheid te kennen. Als er gevaren +dreigen, verdedigt de oude haar kind met moed; zij offert liever zich +zelf op en vreest zelfs vuur en water niet, als het er op aankomt haar +jong te beschermen. Reeds in het tweede jaar is de Ezel volwassen; maar +eerst in het derde jaar bereikt hij zijn volle kracht. Hij kan, zelfs +wanneer hij hard werken moet, een tamelijk hoogen leeftijd bereiken: +er zijn voorbeelden van, dat Ezels veertig vijftig jaar oud werden. + + + +Reeds in den ouden tijd heeft men het Paard en den Ezel met elkander +gepaard en door deze kruising bastaarden verkregen, die _Muildieren_ +heeten, als de vader, _Muilezels_ echter als de moeder tot het +Ezelgeslacht behoort. Beide hebben in hun gestalte meer van hun moeder +dan van hun vader; door hun aard gelijken zij echter meer op dezen +dan op gene. + +Het _Muildier_ (_Equus mulus_) is bijna even groot als het Paard en +gelijkt ook door zijn lichaamsbouw op dit dier; het verschilt er +echter van door den vorm van den kop en de lengte der ooren, door +den staart, die aan den wortel kort behaard is, door de schrale +dijen en de smallere hoeven, welke kenmerken aan die van den Ezel +herinneren. Zijn kleur gelijkt in den regel op die van de moeder. Het +balkt als zijn vader. + +De _Muilezel_ (_Equus hinnus_) behoudt de onaanzienlijke gestalte, +de grootte en de lange ooren van zijn moeder, krijgt van het Paard +slechts den dunneren en langeren kop, de vollere dijen, den over zijn +geheele lengte behaarden staart en de hinnikende stem; met zijn moeder +heeft hij ook de traagheid gemeen. + +De paardemerrie draagt het Muildier iets langer dan het paardenveulen; +het pasgeboren Muildier staat echter veel eerder op zijne pooten dan +het jonge Paard; daarentegen is hij minder spoedig volwassen dan het +Paard. Beneden de 4 jaar mag men geen Muildier tot den arbeid dwingen; +daarentegen behoudt het zijn kracht geregeld tot in 20e of 30e niet +zelden zelfs tot in het 40e levensjaar. + +Men fokt uitsluitend Muildieren, omdat deze beter geschikt zijn voor +het gebruik. Alleen in Spanje en Abessinië heb ik Muilezels gezien. Het +Muildier vereenigt de goede eigenschappen van zijne beide ouders in +zich. Zijne soberheid en volharding, zijn zachten, vasten tred zijn +erfstukken van den Ezel, zijne kracht en moed een geschenk van zijn +moeder. In alle bergstreken acht men de Muildieren onmisbaar; voor +de bewoners van Zuid-Amerika zijn zij niet minder noodig dan voor +de Arabieren het Kameel. Een goed Muildier draagt een last van 150 +KG. en legt hiermede iederen dag een weg van 20 à 28 KM. af. Zelfs na +een lange reis bemerkt men ternauwernood vermindering van de kracht +van het op deze wijze belaste dier, al is het voeder schaarsch en +zóó slecht, dat een Paard het in 't geheel niet zou lusten. + +Zelfs in den laatsten tijd heeft men herhaaldelijk beweerd, dat +Muildieren en Muilezels onvruchtbaar zouden zijn. Dit is echter +niet altijd het geval, wanneer een van de beide parende dieren +geen bastaard is. Reeds sedert overouden tijd zijn er voorbeelden +van bekend, dat Muildieren jongen voortbrachten, n.l. bij paring +van een Paardehengst met een muildier-merrie. In lateren tijd zijn +eveneens verscheidene gevallen waargenomen, die de geschiktheid van +het Muildier voor de voortplanting boven allen twijfel verheffen: +zoo is het in de laatste kwart eeuw in den Acclimatisatie-tuin te +Parijs gebleken, dat Muildieren tot in het tweede geslacht vruchtbaar +kunnen zijn.--Dat Muildieren (of Muilezels) onderling of Muildieren +met Muilezels vruchtbaar kunnen paren, is nog niet bewezen. + + + +Een oude Latijnsche schrijver verhaalt, dat Caracalla in het jaar 211 +van onze tijdrekening in de arena te Rome behalve Tijgers, Olifanten en +Neushoorndieren ook een _Hippotigris_ ("Tijgerpaard") liet optreden, en +dit dier eigenhandig doodde. Dat de bedoelde schrijver hiermede niets +anders op het oog gehad kan hebben dan de eene of andere soort van +Afrikaansche, gestreepte wilde Paarden, valt moeielijk te betwijfelen; +de Engelsche natuuronderzoeker H. Smith heeft dus recht, als hij de +naam _Tijgerpaarden_ gebruikt tot aanduiding van een ondergeslacht +(of liever van een groep van soorten) van de familie der paarden. + +De Tijgerpaarden gelijken, wat hun gestalte betreft, zoowel op +de Paarden als op de Ezels. De romp is gedrongen, de hals forsch, +de kop houdt het midden tusschen dien van een Paard en dien van een +Ezel, de ooren zijn tamelijk lang, maar tevens breed, de haren van de +overeindstaande manen niet zoo hard en dik als bij het Paard, maar +toch minder zacht en minder buigzaam dan bij den Ezel, de staart is +alleen aan zijn onderste gedeelte lang behaard. Alle bekende soorten +hebben een bont, levendig gekleurd en gestreept vel. De zuidelijke +helft van Afrika is haar vaderland; misschien komt slechts één soort +ook benoorden den evenaar voor. Zij leven op de gebergten en in de +vlakten; iedere soort geeft echter, naar het schijnt, de voorkeur +aan een afzonderlijk gebied. + + + +De _Quagga_ (_Equus quagga_) nadert door zijn gestalte meer tot het +Paard dan tot den Ezel, maar moet, wat schoonheid betreft, bij den +Dauw achterstaan. De romp is zeer goed gevormd, de kop middelmatig +groot en sierlijk; de ooren zijn kort, de pooten krachtig. Langs +den geheelen hals verheffen zich korte en rechte manen; de staart is +van den wortel af behaard, de staartharen langer dan bij de overige +Tijgerpaarden, evenwel aanmerkelijk korter dan bij het Paard. Ook door +de beharing van de overige lichaamsdeelen gelijkt de Quagga op het +Paard: het haar is kort en ligt dicht tegen het lichaam aan. Bruin, +aan den kop donkerder, op den rug, het kruis en de zijden lichter, +is de grondkleur van het vel; de buik, de binnenzijde van de dijen en +de staartharen zijn zuiver wit. De kop, de hals en de schouders zijn +geteekend met grijsachtig witte, roodachtig getinte strepen, die op het +voorhoofd en de slapen overlangs gericht en dicht opeengedrongen zijn, +op de wangen echter dwars loopen en iets verder uiteen staan. Tusschen +de oogen en den mond vormen zij een driehoek. Op den hals bemerkt +men tien zulke strepen, die ook op de manen zich vertoonen, op +de schouders vier en op den romp nog eenige, die des te korter en +bleeker worden, naarmate zij verder naar achteren voorkomen. Langs den +geheelen rug tot op den staart, strekt zich een zwartachtig bruine, +aan weerszijden roodachtig grijs geboorde rugstreep uit. De ooren +zijn van binnen met witte haren bezet, van buiten geelachtig wit, +met een donkerbruine streep. Beide geslachten gelijken zeer veel op +elkander; het wijfje is echter een weinig kleiner en heeft kortere +staartharen. Het volwassen mannetje wordt 2 M., met den staart 2.6 +M. lang; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.3 M. + +De _Dauw_ (_Equus Burchelli_), Burchell's, en Chapman's _Tijgerpaard_, +de _Bonte Quagga_ der Hollandsche Boeren, is ongetwijfeld het edelste +dier van zijn stam, omdat zijn gestalte het meest op die van een +Paard gelijkt; het is nagenoeg even groot als de Quagga. Het zachte, +glad aanliggende haar is aan de bovenzijde isabelkleurig, van onderen +wit. Veertien smalle, zwarte strepen ontspringen aan de neusgaten, +zeven daarvan zijn buitenwaarts gericht en vereenigen zich met een +gelijk aantal van boven komende; de overige gaan scheef over de wangen +heen en zijn verbonden met strepen, die de onderkaak versieren. Over +het midden van den rug loopt een zwarte streep met witte randen; de +hals is, evenals de 13 cM. hooge manen, geteekend met tien breede, +zwarte dwarsstrepen, waarvan sommige zich splitsen en waartusschen +smalle, bruine strepen liggen. Nog breedere strepen omringen den +romp, niet echter de onderste gedeelten van de pooten, die gewoonlijk +beneden den elleboog en het kniegewricht effen wit zijn. + + + +De _Zebra_ of het _Bergpaard_ (_Equus zebra_), dat ongeveer even +groot is als de vorige soort, heeft over het geheele lichaam, ook +over de pooten, strepen, en is hieraan gemakkelijk van den Dauw te +onderscheiden. Zijn lichaamsbouw gelijkt minder op dien van het Paard +dan op dien van den Ezel en meer bepaaldelijk van den Dziggetai. De +op slanke, goed gebouwde pooten rustende romp is vol en krachtig, +de hals gebogen, de kop kort, de snuit gezwollen; de staart is +middelmatig lang, over het grootste deel van zijn lengte kort en +alleen bij de spits lang behaard, hij gelijkt dus op dien van den +Ezel; de manen zijn dicht, maar zeer kort. Op witten of geelachtigen +grond loopen van den snuit tot aan de hoeven dwarsstrepen van glanzig +zwarte of roodbruine kleur; alleen de achterzijde van den buik en +de binnenzijde van het bovenlichaam zijn niet gestreept. De donker +bruinzwarte, overlangsche streep op den rug is eveneens aanwezig, +een tweede loopt langs het onderlijf. + + + +Het eigenlijke vaderland van de _Tijgerpaarden_ is Zuid- en +Oost-Afrika; zij ontbreken in de keerkringsgewesten van de westelijke +helft van Afrika en in het geheele Kongo-gebied, met uitzondering van +het meest afgelegen, zuidoostelijk deel. De _Quagga_ wordt gevonden in +de noordwaarts van het Kaapland gelegen Kalahari-woestijn en in Duitsch +Zuidwest-Afrika tot aan den Kunene, bovendien in de Zuid-Afrikaansche +Republiek. Verder op bij de Zambesi en de Kunene komt de _Bonte +Quagga_ voor. De _Zebra_, die aan bergachtige gewesten de voorkeur +geeft, bewoont hetzelfde gebied als de beide andere soorten en is nog +verder verbreid: in het Kaapland wordt hij ook thans nog gevonden; +noordwaarts komt hij aan de westzijde tot in Benguela, aan de oostzijde +tot op ongeveer 12° Z.B. voor. + +De Tijgerpaarden leven gezellig. Gewoonlijk ziet men wel 10 à 30 +stuks bijeen; vele berichten maken melding van gezelschappen, die +uit honderden individuën bestonden; waarschijnlijk verhuisden deze +van het eene gewest naar een ander. Steeds ziet men iedere soort +afzonderlijk. Misschien zijn de Tijgerpaarden van de eene soort +voor die van de andere bevreesd. Andere dieren schuwen zij echter +niet: zoo melden alle onderzoekers eenstemmig, dat men tusschen de +Quagga-kudden bijna geregeld Springbokken en Bonte Bokken, Gnoes, +en Struisen, maar ook Buffels vindt. Vooral de Struisen zijn, naar +gezegd wordt, de standvastige begeleiders van de genoemde Wilde +Paarden; de reden hiervan zal wel zijn, dat deze met de waakzaamheid +en de voorzichtigheid van de genoemde reuzen uit de Vogelklasse hun +voordeel kunnen doen. + +Alle Tijgerpaarden zijn buitengewoon snelle, bewegelijke, waakzame +en schuwe dieren. Vlug als de wind snellen zij voort, door de vlakte +zoowel als in bergstreken. + +Het inhalen van zulk een aaneengesloten kudde van Tijgerpaarden, valt +den goed bereden jager niet moeielijk, hoewel een alleenloopend dier +gemakkelijk den vlugsten ruiter ontkomt. Men verhaalt, dat de jonge +Quaggas wanneer het den vervolger gelukt met het Paard in de kudden +door te dringen en de veulens van de moeder te scheiden, zich gewillig +gevangen geven en het Paard volgen, zooals zij vroeger hun eigen +moeder deden. Er schijnt over 't algemeen tusschen de Tijgerpaarden +en de Eenhoevige huisdieren een zekere vriendschap te bestaan; de +Gewone en de Bonte Quaggas althans volgen, naar men zegt, niet zelden +de Paarden van de reizigers en grazen rustig op dezelfde weide. + +De Tijgerpaarden zijn niet bijzonder keurig op hun voedsel, hoewel +zij hunne eischen hooger stellen dan de Ezels. Hun vaderland biedt +hun genoeg voedsel aan voor hun levensonderhoud; wanneer op de eene +plaats gebrek begint te heerschen, zoeken zij andere meer begunstigde +plaatsen op. + +De stem van de Tijgerpaarden verschilt evenzeer van het hinneken van +het Paard als van het balken van den ezel. Volgens de door Cuvier +gegeven beschrijving laat de Quagga wel 20-maal achtereenvolgens de +klanken "oa, oa" hooren; sommige reizigers omschrijven dit geluid door +"kwè, kwè" of "kwèhè" en leiden hiervan den Hottentotschen naam van +dit dier af. Het geluid van den Dauw gelijkt op "joe, joe, joe"; deze +kort afgebroken klanken verneemt men althans van het gevangen dier, +zelden meer dan driemaal achtereen. + +Alle zintuigen van de Tijgerpaarden zijn goed ontwikkeld. Het oor +ontgaat niet het geringste gedruisch, hun oog laat zich slechts uiterst +zelden bedriegen. Wat geestesgaven betreft, komen alle soorten tamelijk +wel met elkander overeen. Een onbegrensde neiging tot vrijheid, +uitgelatenheid, een zekere wildheid, ja zelfs boosaardigheid en +een groote moed zijn hun allen eigen. Dapper verweren zij zich door +schoppen en bijten tegen Roofdieren. De Hyenas laten hen wijselijk met +vrede. Waarschijnlijk is de machtige Leeuw in staat een Tijgerpaard +te overmeesteren; de vermetele Luipaard valt waarschijnlijk alleen +de zwakste exemplaren aan. Ook de Tijgerpaarden hebben tot ergsten +vijand de mensch. De moeielijkheid van de jacht en het fraaie vel, +dat op velerlei wijze gebruikt wordt, lokken den jager aan tot het +vervolgen van dit wild, dat over 't geheel genomen onschadelijk genoemd +mag worden. De Europeaan doodt het met den kogel, de inboorling met de +werpspeer; nog vaker echter worden deze dieren in valkuilen gevangen +en daarna met geringe moeite gedood of voor de gevangenschap bestemd. + +Ten onrechte werden de Tijgerpaarden vroeger voor ontembaar +gehouden. Vele pogingen tot het temmen van deze prachtige dieren +hebben blijkbaar niet op de juiste wijze plaats gehad, of zijn +niet lang genoeg voortgezet. Enkele gelukten, anderen leidden niet +tot de gewenschte uitkomst. Meermalen zijn reeds Quaggas voor het +trekken van rijtuigen of voor het dragen van lasten afgericht; in +Engeland had men een paar van deze fraaie dieren zoo ver gebracht, +dat men ze voor een lichten wagen spannen en evenals met Paarden +met hen rondrijden kon. Andere berichten maken melding van mislukte +africhtingsproeven. Sparrmann verhaalt, dat een rijke kolonist aan +de Kaap, die eenige jong gevangene Zebras had laten opfokken en over +hun opvoeding tevreden scheen te zijn, eens op het denkbeeld kwam deze +nieuwmodische koetspaarden voor den wagen te spannen. Hij nam zelf de +teugels ter hand en reed met zijne harddravers weg. De rit had zeer +schielijk plaats, want kort daarna bevond de gelukkige eigenaar zich +weer in den gewonen stal zijner dieren en had zijn vernielden wagen +naast zich. + +Deze en dergelijke ervaringen hebben de Kapenaars tot de meening +gebracht, dat het temmen van de Tijgerpaarden niet mogelijk is; +vele deskundigen twijfelen er echter niet aan, dat mettertijd ook +de bonte paarden den mensch dienstbaar zullen zijn. Barrow beweert, +dat de goede uitslag zeker is, wanneer men met meer omzichtigheid en +geduld handelt dan de Hollandsche Afrikaanders deden. + +Alle Tijgerpaarden verdragen zonder bezwaar de gevangenschap in +Europa. Als zij goed gevoederd en ook overigens goed behandeld worden, +blijven zij niet slechts gezond, maar planten zich ook voort, zelfs +wanneer zij in een beperkte ruimte opgesloten zijn. Het is gebleken, +dat de Tijgerpaarden niet alleen onderling, maar ook met andere +Eénhoevigen gekruist kunnen worden. Tot dusver heeft men reeds +hybriden verkregen na paring van een Zebra-hengst met een Ezelin, +van een Ezel-hengst met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst +met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Quagga-merrie, +van een Dziggetai-hengst met een Ezelin, van een hengst, die een +bastaard van een Zebra-hengst en een Ezel was, met een Pony-merrie, +van een hengst door kruising van een Ezel met een Zebra-merrie ontstaan +met een Pony-merrie. De beide laatstgenoemde gevallen leveren nieuwe +bewijzen voor de vruchtbaarheid van bastaarden. + + + +Als naaste verwanten van de Paarden in de hedendaagsche +dierenwereld mag men de _Tapirs_ (_Tapiridae_) beschouwen, een +familie van betrekkelijk kleine, plomp gebouwde dieren, welke zich +onderscheiden door een goed gevormden romp met langwerpigen, schralen +kop, slanken hals, een kort staartstompje en middelmatig hooge, +krachtige pooten. De overeind staande ooren zijn kort en tamelijk +breed, de scheef geplaatste oogen daarentegen klein. De bovenlip +is bij wijze van een slurf verlengd en hangt ver over de onderlip +naar beneden. De pooten zijn krachtig; de voorpooten hebben vier, +de achterpooten drie teenen. Het stevige vel ligt overal glad tegen +de overige lichaamsdeelen aan. De beharing is kort, maar dicht, bij +de Amerikaansche soorten van het midden van den kop tot aan het kruis +bij wijze van manen verlengd. Het gebit bestaat uit drie snijtanden en +één hoektand in iedere kaakhelft met 7 maaltanden in iedere helft van +de bovenkaak en 6 in iedere onderkaakshelft. Het geraamte onderscheidt +zich door den betrekkelijke slanken vorm der beenderen. + + + +Van de 3 of 4, voor 't meerendeel in Amerika levende soorten dezer +familie is minstens één ons reeds sedert langen tijd bekend, terwijl +de overige soorten eerst in den laatsten tijd ontdekt, beschreven en +onderscheiden werden. Wel is het opmerkelijk, dat de Amerikaansche +Tapir het eerst in de wetenschappelijke werken werd opgenomen, +en dat, ondanks het levendige verkeer met Indië en Zuid-Azië, de +eerste betrouwbare berichten over den Indischen Tapir niet vóór +het begin van deze eeuw (n.l. in 1819, door bemiddeling van Cuvier) +tot ons zijn gekomen. Bekend was dit dier reeds lang vóór dien tijd, +maar niet aan ons, wel aan de Chinezen, welker leer- en schoolboeken +reeds sinds lang van deze soort melding maakten. Bij de Tapirs merkt +men hetzelfde verschijnsel op als bij andere familiën, die zoowel +in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd zijn, n.l. dat +de soorten van de Oude Wereld edeler van vorm, men zou kunnen zeggen +volkomener zijn dan die, welke in de Nieuwe Wereld leven. + + + +De _Indische Tapir_ of _Schabrak-Tapir_ (_Tapirus indicus_) +onderscheidt zich van zijne verwanten door aanzienlijker grootte +en door zijn betrekkelijk slanken lichaamsbouw; van den kop is het +aangezichtsgedeelte dunner, de schedel meer gewelfd; de slurf is +forscher en langer, de pooten zijn krachtiger, de manen ontbreken, +ook de kleur is anders. Vooral de bouw van de slurf is, naar het mij +voorkomt, belangrijk voor het herkennen van dit dier. Terwijl deze bij +de Amerikaansche Tapirs duidelijk te onderscheiden is van den snuit +en door zijn afgeronden vorm op een buis gelijkt, gaat de bovenste +helft van den snuit bij den Schabrak-tapir onmerkbaar in de slurf +over en gelijkt deze op de dwarse doorsnede veel op de slurf van den +Olifant; zij is n.l. aan de bovenzijde afgerond, aan de onderzijde +recht afgesneden. + +Zeer eigenaardig is de kleur van het hoogst gelijkmatige haarkleed. Bij +de zuiver donkerzwarte grondkleur steekt de grijsachtig witte, +duidelijk begrensde schabrak sterk af. Volgens nauwkeurige metingen aan +een volwassen wijfje bedroeg de totale lengte 2.5 M. met inbegrip +van het 8 cM. lange staartstompje, bij 1 M. schouder- en 1.05 +M. kruishoogte. Het verbreidingsgebied van dit dier begint op ongeveer +15° N.B. en strekt zich van hier zuidwaarts uit over Tenasserim en +Siam, het Maleische Schiereiland, Sumatra en Borneo. + +In 1820 kwamen voor 't eerst een huid, een geraamte en verscheidene +ingewanden van het tot aan dien tijd nog slechts zeer onvolledig +bekende dier in Europa aan. Sedert dien tijd is onze bekendheid met +den Schabrak-tapir aanmerkelijk toegenomen, maar toch ontbreekt er nog +steeds veel aan. Van zijn leven in de vrije natuur weten wij nog niets; +ook de waarnemingen over het leven van dit dier in de gevangenschap +vereischen in vele opzichten nog aanvulling. Sterndale noemt het schuw +en zegt dat het een verborgen leven leidt, maar dat het, jong gevangen, +goed getemd kan worden en zeer gehecht wordt aan zijn verzorger. + +Korte manen in den nek en een effen haarkleed kenmerken den _Gewonen +Amerikaanschen Tapir,_ die in Brazilië _Anta_ of _Danta_ wordt genoemd +(_Tapiris terrestris_). Met deze soort is men het vroegst bekend +geworden. De reizigers spraken reeds weinige jaren na de ontdekking +van Amerika over een daar levend, groot dier, dat zij voor een +Nijlpaard hielden en daarom _Hippopotamus terrestris_ noemden. Een +uitvoerige beschrijving, waaraan een afbeelding is toegevoegd, +werd er eerst omstreeks het midden van de 18e eeuw van gegeven door +den zeer verdienstelijken Georg Marcgrav. Deze eerste beschrijving +werd later door verschillende reizigers en onderzoekers aangevuld, +zoodat wij tegenwoordig over weinige groote dieren beter onderricht +zijn dan juist over dezen Tapir. De romp is bedekt met een tamelijk +gelijkmatig haarkleed, dat alleen van 't midden van den bovenkop langs +den nek tot aan de schouders stijve manen vormt, die echter niet +bijzonder lang worden. De kleur hiervan is zwartachtig grijsbruin, +aan de zijden van den kop, vooral echter aan den hals en aan de borst, +iets lichter; de voeten en de staart, de middellijn van den rug en van +den kop zijn gewoonlijk donkerder van kleur; de ooren zijn witachtig +grijs gezoomd. Verscheidene afwijkingen komen voor: er zijn vale, +grijze, geelachtige en bruinachtige exemplaren. Bij de jonge dieren +vertoont alleen de rug de grondkleur van de oude; de bovenzijde van +den kop is bij hen dicht bezet met witte, kringvormige vlekken; langs +iedere zijde van den romp loopen vier onafgebroken reeksen van punten +van lichtere kleur, die zich ook over de ledematen uitstrekken. Met +toenemenden leeftijd verlengen deze vlekken zich tot strepen en na het +einde van het tweede jaar verdwijnen zij geheel. Volgens de metingen +van Tschudi kan de Tapir wel 2 M. lang en 1.7 M. hoog worden, volgens +Kappler bedraagt zijn schouderhoogte bij deze lengte ternauwernood 1 +M. Opmerkelijk is het, dat deze maximale afmetingen niet voorkomen bij +mannetjes, maar bij wijfjes, en dat deze in den regel de grootste zijn. + +Volgens de nieuwste onderzoekingen schijnt het vaderland van den +Tapir beperkt te zijn tot het zuiden en oosten van Zuid-Amerika, en +wordt hij in 't noorden en westen van dit faunistisch rijk vervangen +door zeer na verwante, maar duidelijk verschillende soorten en wel in +de hooge gedeelten van den Andes-keten van Bogota tot Quito door den +_Bergtapir_ (_Tapirus pinchacus_), in Centraal-Amerika door _Baird's +Tapir_ (_Tapirus Bairdii_). + + + +Om een levensbeschrijving van de Tapirs te geven, staan ons nagenoeg +geen andere hulpbronnen ten dienste dan de mededeelingen van Azara, +Rengger, den _Prins_ von Wied, Tschudi, Schomburgk en anderen over de +Amerikaansche soorten, want over de levenswijze van den Schabrak-tapir +bezitten wij geen uitvoerige berichten. Alle soorten gelijken trouwens +zooveel op elkander, dat het voldoende is van één hunner den handel +en den wandel na te gaan. + +Alle Tapirs houden zich op in het woud en vermijden angstvallig de +niet met boomen bezette gedeelten. Door den voorwaarts dringenden +mensch worden zij teruggedrongen; zij nemen de wijk naar dieper gelegen +deelen van de wouden, terwijl, volgens Hensel, de overige dieren van +de Zuid-Amerikaansche keerkringslanden zich in omgekeerde richting naar +de ontgonnen gedeelten van het woud begeven. In de wildernissen van de +Zuid-Amerikaansche oerwouden loopen de Tapirs regelmatige paden uit, +die moeielijk onderscheiden kunnen worden van de wegen der Indianen +en den onervaren reiziger licht verleiden tot het volgen van een +verkeerde richting. De dieren maken van deze wildpaden gebruik, +zoo lang zij niet gestoord worden; wanneer de angst hen bevangt, +banen zij zich zonder eenige merkbare inspanning een weg door het +meest verwarde mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken. + +De Tapirs gaan bij voorkeur gedurende de schemering hun voedsel +zoeken. "Wij hebben," zegt Tschudi, "de dichte oerwouden, waarin een +groot aantal Tapirs leven, maanden lang doorkruist, zonder er in den +loop van den dag ooit een te ontmoeten. Naar het schijnt, houden +zij zich dan uitsluitend op in het dichte struikgewas op koele, +schaduwrijke plaatsen, bij voorkeur in de nabijheid van stilstaand +water, waarin zij zich gaarne wentelen." In zeer donkere wouden, +waar zij in 't geheel niet verontrust worden, zwerven zij echter +ook over dag rond. In den zonneschijn bewegen zij zich hoogst +ongaarne en gedurende de eigenlijke middaguren zoeken zij steeds op +de meest beschaduwde plaatsen van het woud zich te vrijwaren tegen +de verslappende hitte en nog meer tegen de Muggen, waarvan zij zeer +veel te lijden hebben. "Wanneer men," zegt de _Prins_ von Wied, +"in den vroegen morgen of des avonds zachtjes en zonder gedruisch +te maken de rivieren bevaart, krijgt men dikwijls Tapirs te zien, +die zich baden om zich te verfrisschen of voor de steken van Muggen +en Vliegen te beveiligen. Werkelijk verstaat geen enkel dier beter +de kunst om zich deze lastige gasten van 't lijf te houden: elke +modderpoel, iedere beek of vijver wordt met dit doel door den Tapir +opgezocht en gebruikt. Wanneer dit dier geschoten wordt, vindt men +daarom zijn huid met aarde en slijk bedekt." Tegen den avond gaan +de Tapirs hun voedsel zoeken: waarschijnlijk zijn zij des nachts +voortdurend in beweging. Hun levenswijze gelijkt wel eenigszins op die +van ons Wild Zwijn; zij vereenigen zich echter niet tot zulke groote +benden als de dieren van deze soort, maar leven meer afzonderlijk +op de wijze van de Neushoorndieren. Vooral de mannetjes leven, naar +men zegt, in afzondering en zoeken alleen in den paartijd de wijfjes +op. Hoogst zelden treft men familiën aan, en gezelschappen van meer +dan drie individuën werden tot dusver alleen op buitengewoon goede, +vette weiden gevonden. + +De bewegingen van de Tapirs herinneren aan die van de Zwijnen. Hun +gang is langzaam en voorzichtig; de eene poot wordt bedachtzaam voor de +andere gezet, de kop intusschen naar den grond gebogen; de snuffelende +slurf, die onophoudelijk heen en weer gedraaid wordt en de ooren, +die voortdurend in beweging zijn, brengen leven in de overigens zeer +traag schijnende gestalte. De Tapir is een voortreffelijke zwemmer en +een nog beter duiker, die zonder aarzeling over de breedste rivieren +zwemt, niet alleen als hij vlucht, maar bij iedere gelegenheid. + +De voortreffelijkste zinnen van den Tapir, de reuk en het gehoor, +staan waarschijnlijk op denzelfden trap van ontwikkeling; het gezicht +is zwak. De slurf is een zeer gevoelig tastwerktuig, en wordt voor +dit doel veelvuldig gebruikt. + +De stem is een eigenaardig, schril gefluit, dat in 't geheel niet +geëvenredigd is aan de grootte van het dier. + +Alle Tapirs zijn, naar het schijnt, goedhartige, vreesachtige +en vreedzame dieren, die alleen in den hoogsten nood van hunne +wapens gebruik maken. Zij vluchten voor iederen vijand, zelfs +voor het kleinste hondje; het bangst zijn zij echter voor den +mensch, wiens overmacht zij wel hebben ingezien. Dit blijkt reeds +hieruit, dat zij in de nabijheid van plantages veel voorzichtiger +en schuwer zijn dan in het onbetreden woud. Op dezen regel zijn +echter uitzonderingen. In sommige omstandigheden stellen zij zich +te weer, en zijn dan tegenstanders, waarmede rekening gehouden +dient te worden. Door woede verblind vallen zij hun vijand aan, +en trachten hem omver te loopen; ook gebruiken zij hunne tanden +wel op de wijze van onze Wilde Zwijnen. Zoo handelen de moeders, +wanneer zij hunne jongen verdedigen, die door de jagers bedreigd +worden. Zij stellen zich dan zonder aarzeling aan gevaar bloot. Wie +gedurende langen tijd gevangen Tapirs heeft nagegaan, komt tot de +overtuiging, dat zij, wat hunne geestesgaven betreft, hooger staan dan +het Neushoorndier en het Nijlpaard, en ongeveer met het Zwijn op een +lijn gesteld moeten worden. "Een jong gevangen Tapir," zegt Rengger, +"geraakt na een gevangenschap van slechts weinige dagen zoozeer aan +den mensch en diens woning gewend, dat hij ze niet meer verlaat. Hij +wordt onrustig, als zijn oppasser lang achtereen wegblijft, en zoekt +hem, als hij hiertoe in de gelegenheid is, overal op. Door iedereen +laat hij zich trouwens aanraken en liefkoozen." Kappler, die dikwijls +jonge Tapirs heeft opgevoed, verhaalt, dat hij ze steeds na verloop +van korten tijd weggaf, omdat zij door hun te groote gemeenzaamheid +zeer lastig werden; een volwassen dier trok eens van een gedekte +tafel het laken met al wat er op stond, naar beneden.--De door mij +verzorgde gevangenen hebben deze waarnemingen bevestigd. Zoowel +de Indische als de Amerikaansche Tapir waren hoogst goedaardige +dieren. Zij waren volkomen tam, vreedzaam gezind tegen ieder dier, en +toonden genegenheid aan bekenden.--Keller Leuzinger is van oordeel, +dat de Anta een huisdier zou kunnen worden. Volgens hem worden jong +gevangen dieren reeds na weinige dagen zoo tam als Honden, en denken in +'t geheel niet meer aan ontvluchten. "In Curitiba, hoofdstad van de +provincie Parana," verhaalt onze zegsman, "liep een tamme Tapir, die +aan niemand toebehoorde, verscheidene jaren achtereen in de straten +rond, en werd van 's morgens tot 's avonds door de negerjongens +bereden. Een temperatuur van 2 à 3 graden onder het vriespunt, die +daar in Juni en Juli niet tot de zeldzaamheden behoort, schenen hem +weinig te hinderen." + +De in vrijheid levende Tapirs voeden zich slechts met planten, en +hoofdzakelijk met boombladen. In Brazilië geven zij de voorkeur aan +jonge palmbladen, niet zelden echter doen zij strooptochten in de +plantages en toonen dan, dat suikerriet, mango, meloenen en allerlei +groenten ook van hun gading zijn. + +Alle soorten van Tapirs worden door den mensch ijverig vervolgd, +omdat men hun vleesch en hun vel gebruikt. Het vleesch wordt geroemd +als malsch, sappig en smakelijk; de dikke huid wordt gelooid en in +lange riemen gesneden, die, na afgerond en door herhaalde inwrijving +met gesmolten vet lenig gemaakt te zijn, als zweepkoorden of teugels +gebruikt worden. + +Men jaagt den Tapir in Amerika gewoonlijk met behulp van Honden, die +het vluchtende dier fel vervolgen, tot het, wat geregeld geschiedt, +naar het naast bij gelegen water ijlt. Hier echter loert, in een licht +schuitje aan den oever verborgen, de jager, die nu met de Honden het +zwemmende en duikende wild vervolgt. Het wordt, indien de watervlakte +niet te klein is, weldra door zijne vervolgers ingehaald en met een +kogel of ook wel met het lange jachtmes afgemaakt. Zeer duidelijk +beschrijft Von der Steinen een Tapirjacht, door hem bijgewoond +gedurende zijn vaart op den Xingoe: "Valentin ontdekt een dicht bij +den oever zwemmen den Tapir; allen haastten zich om aan de jacht deel +te nemen. Irineo treft hem met twee kogels de eene in de flanken, +de andere in de slurf, Valentin zendt hem een lading hagel om de +ooren--hij ontsnapt in het woud. De Honden vervolgen hem en wij roeien +zoo hard wij kunnen; op nieuw gevuurd, nogmaals ontsnapping in het +struikgewas. De Honden kijken onnoozel in het water en weten niet wat +zij doen zullen; de kleine Spits vindt echter het spoor en volgt dit, +de andere Honden komen hem te hulp. Daar ginds op een afstand van 1/2 +KM., is de Tapir al weer te water gegaan; wij hem zoo snel mogelijk +achterna in een onbeschrijfelijke verwarring; hij komt boven en duikt +weer onder; Pedro mist hem op 5 pas en schiet een pijl op hem af, +die terugspringt; Merelles schiet ook dicht bij het dier langs; +een ander raakt het; de booten varen bijna over elkander heen; wij +trachten het wild te grijpen; onze boot slaat bijna om en schept +water; de Tapir wordt met messen gestoken; de Yuruna treft hem met +een pijl, en schreeuwt, opgewonden met de armen zwaaiend, dat men +hem met den lasso moest vangen; Antonio's mes doet een bloedstraal +uit het dier stroomen--nogmaals zwemt het onder water door; maar, +tusschen twee booten bovenkomend, wordt het bij een poot gepakt, +gedood en naar een nabijgelegen rots gesleept. Het is een groot +exemplaar, wel zoo groot als een Muildier; in zijn haar krioelt het +van bruine tieken. Fraai zien de korte, stijfharige manen er uit, +gelijk aan die der Grieksche godenpaarden." + +Waarschijnlijk hebben de Tapirs nog gevaarlijker vijanden dan de +menschen in de groote soorten van Katten, die hetzelfde gebied +bewonen. Dat de Amerikaansche Tapirsoorten fel vervolgd worden door +den Jagoear, wordt door alle reizigers verzekerd; men mag wel aannemen, +dat Schabrak-Tapir denzelfden last ondervindt van den Tijger. + + + +Hoewel reeds bij uitwendige beschouwing en vergelijking van de +Paarden, Tapirs en Neushoorndieren eenige van de overeenstemmende +kenmerken waargenomen worden, die aanleiding hebben gegeven tot de +samenvoeging van deze dieren in één zelfde orde, is het toch noodig +ook de laatstgenoemde dieren te ontleden om hun verwantschap duidelijk +aan te toonen. + +De _Neushoorndieren_ (_Rhinocerotidae_) zijn plomp gebouwde, logge +dieren van tamelijk aanzienlijke grootte; zij onderscheiden zich +door hun in 't oog loopend grooten kop, welks aangezichtsgedeelte van +voren één hoorn (of twee achter elkander geplaatste hoornen) draagt; +zij hebben een korten hals, een krachtigen romp, gehuld in een op een +pantser gelijkende huid en nagenoeg geheel of grootendeels onbehaard, +een korte staart en korte, zware, maar toch geenszins plompe pooten, +welker voorvoeten en achtervoeten ieder drie teenen hebben, waarvan +het eindlid door een hoef omsloten is. Ieder deel van 't lichaam +heeft, zelfs wanneer men het met het overeenkomstige deel van +andere Neushoorndieren vergelijkt, een eigenaardig en vreemdsoortig +voorkomen. De kop is zeer langwerpig; vooral het aangezicht is +buitengewoon verlengd; het schedelgedeelte daarentegen van voren naar +achteren sterk samengedrukt, zoodat het voorhoofd een zeer steile +helling verkrijgt; tusschen het voorhoofd en het merkbaar verhevene +neusgedeelte ontstaat hierdoor een in 't midden diep uitgeholde, +zadelvormige inzinking; de mondopening is in verhouding tot den kop +zeer klein, het middelste deel van de bovenlip tot een vinger- of +slurfvormig uitsteeksel verlengd, de onderlip afgerond of van voren +recht afgesneden; het oog opmerkelijk klein, het niet ongewoon gevormde +oor eerder groot dan klein, zijn buitenrand afgerond. De korte, steeds +geplooide hals is dikker dan de kop en gaat zonder merkbare scheiding +in den kolossalen romp over; deze onderscheidt zich zoowel door de +scherpe, in 't midden uitgeholde ruglijn en den over zijn geheele +lengte afgeronden en hangenden buik, als doordat hij iets hooger +is in de schouders dan in het kruis; de korte staart is bij sommige +naar de spits toe zijdelings sterk samengedrukt en dan tot aan het +einde bijna gelijk van breedte, bij andere gestrekt kegelvormig. De +pooten krommen zich als die van een Dashond van buiten naar binnen; +alleen het deel, dat onder het polsgewricht en spronggewricht ligt, +is recht en verticaal geplaatst; dit deel verbreedt zich gelijkmatig, +totdat het den bodem bereikt, waarop het met de eivormige zool rust; +de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer dubbel zoo breed als +elk der beide zijdelingsche. De steeds zeer dikke huid, die bij de +meeste soorten op een pantser gelijkt, sluit bij sommige glad tegen het +lichaam aan, met uitzondering van eenige weinige, niet sterk verheven +plooien. Bij andere soorten bestaat zij uit verscheidene schilden, +die door diepe plooien duidelijk gescheiden zijn en alleen door deze +plooien een zekere bewegelijkheid verkrijgen, omdat hunne randen over +elkander geschoven kunnen worden, daar waar zij verbonden zijn door de +dunnere, buigzame huid, die de groeven bekleedt. Diepe rimpels omgeven +de oogen en den mond en verschaffen aan de plompe, maar betrekkelijk +zeer beweeglijke lippen een onverwachte lenigheid. Fijnere groeven +kruisen elkander op de huid en voorzien haar met een netvormige +teekening, welker mazen knobbelvormige verhevenheden van zeer +regelmatige gedaante insluiten; deze vormen op de huid, vooral op +de schilden, een even vreemdsoortige als bevallige versiering. De +beharing bepaalt zich tot een meer of minder langen zoom om de ooren +en om de platgedrukte staartspits; bij enkele soorten ook eenige +plekken op den rug behaard. De hoornen, die, evenals de haren, +opperhuidsvormingen zijn, bestaan uit evenwijdig loopende, uiterst +fijne, ronde of kantige, van binnen holle vezels van hoornstof: +zij rusten met hun breede, rondachtige grondvlakte op de dikke huid, +die het aangezicht bekleedt. Niet zelden, hoewel altijd slechts bij +enkele exemplaren, vertoont de opperhuid op verschillende plaatsen, +het meest echter aan den kop, hoornachtige woekeringen, die een hoogte +van verscheidene centimeters kunnen bereiken. + +Plompheid van vorm en krachtige ontwikkeling kenmerken de beenderen. De +breede en forsche neusbeenderen, die de neusholte bedekken, en door +een dik neusmiddelschot gesteund worden, welks voorste gedeelte, +evenals bij de andere Zoogdieren, kraakbeenig is, zijn oneffen, +ruw en knobbelig daar, waar de hoorn er op rust, en wel des te meer, +naarmate de hoorn grooter is. Aan het gebit ontbreken de hoektanden; +bij de Afrikaansche soorten vallen de vier in elke kaak voorkomende +snijtanden reeds op zeer jeugdigen leeftijd uit, terwijl er bij de +Aziatische soorten gedurende het geheele leven vier in de onderkaak +en twee in de bovenkaak aanwezig blijven. Voor 't overige bestaat +het gebit uit zeven maaltanden in elke kaakhelft. + +De Neushoorndieren bewonen tegenwoordig alleen het Oostersche en het +Ethiopische faunistische rijk; zij hadden in den vóórtijd een veel +uitgestrekter verbreidingsgebied. Dat van de beide uitgestorven, +tweehoornige soorten, die met de namen _Rhinoceros antiquitatis_ +(_R. tichorhinus_) en _Rhinoceros Merckii_ (_R. leptorhinus_) aangeduid +worden, omvatte gedurende den ijstijd en het hieraan voorafgaande +praeglaciale tijdvak geheel Noord- en Centraal-Azië met inbegrip van +Siberië en China, bovendien Noord- en Midden-Europa. Bij beide was het +neusmiddelschot ook van voren verbeend. Hierdoor verkreeg de voorste +en grootste van de beide hoornen steun; de achterste rustte op het +voorhoofdsbeen. Van beide soorten zijn volledige lijken met huid, +haren en goed geconserveerde weeke deelen gevonden in den bevroren +bodem van de moerassige landstreek, die den mond van den Jeniseï van +dien van den Lena scheidt. In het St. Petersburger Museum worden +deelen van deze merkwaardige lijken bewaard, welke bewijzen, dat +de Neushoorndieren van den IJstijd met een dicht, wollig haarkleed +bedekt waren en dat hun huid de eigenaardige plooien van de thans +levende, tropische vormen miste. In Noord-Azië, van den Ob tot aan de +Beringstraat is er geen rivier in het vlakke land, aan welks oevers +geen beenderen van voorwereldlijke dieren vooral van Olifanten, +Buffels en Neushoorndieren gevonden worden. + +Onze kennis van de hedendaagsche soorten is in den laatsten tijd +aanmerkelijk uitgebreid, maar laat in sommige opzichten nog veel te +wenschen over. Flower heeft in het jaar 1876 deze familie op nieuw +bewerkt. Naar het gebit en de huidplooien onderscheidt de genoemde +onderzoeker drie hoofdgroepen van Neushoorndieren. Tot de eerste +rekent hij alle soorten met in schilden verdeelde, tot de tweede die +met minder geplooide huid, tot de derde de soorten zonder blijvende +huidplooien. + + + +Blijvende snijtanden (zie boven), één hoorn en goed ontwikkelde hals- +en lendenplooien, die met de overige huidplooien schildvormige +velden omgeven, en de als harnas dienende huid in pantserplaten +verdeelen, kenmerken de _Gepantserde Neushoorndieren_ (_Rhinoceros_), +vertegenwoordigd door twee welbekende, levende soorten. + + + +De _Indische Neushoorn_ (_Rhinoceros unicornis_) bereikt, met inbegrip +van den 60 cM. langen staart, een lengte van 3.75 M. een schouderhoogte +van 1.7 M. en een gewicht van omstreeks 2000 KG. De hoorn wordt 60 à 65 +cM. lang. Zeer krachtig en plomp gebouwd, onderscheidt dit dier zich +van zijne verwanten door den betrekkelijk korten, breeden en dikken +kop en de eigenaardige begrenzing der huidschilden. Het bewoont thans +nog het noordelijk deel van Indië en het Zuiden van China. + + + +De andere soort van het ondergeslacht is de _Wara_, de _Javaansche +Neushoorn_ der Europeesche handelaars (_Rhinoceros sondaicus_), +die echter niet tot Java beperkt is, maar een uitgestrekter +verbreidingsgebied heeft dan de vorige soort, daar hij ook in +Achter-Indië (n.l. in Birma, Pegoe en Tenasserim) voorkomt. De +huidplooien zijn hier zeer diep, maar de door haar begrensde velden +hebben een anderen vorm dan bij de vorige soort; korte, zwarte borstels +komen verspreid over het geheele lichaam voor. Evenals de Indische +Neushoorn is ook de Javaansche vuil bruingrijs van kleur. Zijn +hoorn wordt hoogstens 25 cM. lang. De lichaamslengte bedraagt, met +inbegrip van den 50 cM. langen staart, 3 M., terwijl de schouders +1.4 M. hoog zijn. + + + +De _Half-gepantserde Neushoorndieren_ (_Ceratorhinus_) hebben +onvolledig ontwikkelde hals- en lendenplooien, die de huid wel in +gordels, maar niet in schilden verdeelen. Zij hebben twee achter +elkander geplaatste, betrekkelijk korte hoornen en komen, wat hun +gebit betreft, met de dieren der vorige groep overeen. + + + +De eenige vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de _Badak_ of +_Sumatraansche Neushoorn_ (_Rhinoceros sumatranus_), de kleinste van +de tot dusver genoemde, daar zijn lichaamslenge, met inbegrip van +55 cM. langen staart, 3.35 M. bedraagt, bij een schouderhoogte van +1,5 M.; de voorste hoorn is 25, de achterste 12 cM. lang. De huid is +verspreid borstelig behaard en grijsbruin van kleur. + + + +Het volkomen ontwikkelde gebit van de _Afrikaansche Neushoorndieren_, +die het derde ondergeslacht (_Atelodus_) vormen, is gekenmerkt door het +ontbreken van alle snijtanden. De gladde, gelijkvormige en onbehaarde +huid is alleen op de verbindingsplaats van hals en romp duidelijk +geplooid en zoomin in schilden als in gordels verdeeld. Deze dieren +zijn met twee slanke, achter elkaar geplaatste hoornen gewapend. + + + +De meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht is de _Zwarte +Neushoorn_ der Zuid-Afrikaansche Boeren en Engelsche jagers, die door +de inboorlingen van Zuid-Afrika _Borele_ en, als de achterste hoorn +zeer lang is, _Keitloa_ genoemd wordt (_Rhinoceros bicornis_). Zijn +kleur wisselt af tusschen donker leikleurig grijs, dat de overhand +heeft en vuil roodbruin. Geheel volwassen mannetjes hebben, met +inbegrip van den ongeveer 60 cM. langen staart, een totale lengte van +4 M., bij 1,4 M. schouderhoogte. De meer of minder sterk achterwaarts +gebogen hoornen zijn 70 à 80 cM. lang. Slechts bij uitzondering is +de achterste hoorn nagenoeg even lang of iets langer dan de voorste; +bij de meeste exemplaren bereikt hij niet de helft van de lengte van +den voorsten; dikwijls is hij slechts een kort stompje. + +Het verbreidingsgebied van dit dier is vooral van 't zuiden af +aanmerkelijk ingekrompen, maar is nog steeds zeer uitgestrekt, daar +het een groot deel van Afrika omvat en wel voornamelijk de oostelijke +helft, ongeveer van 15° N.B. tot aan de zuidkust. + + + +De grootste soort van de geheele familie is die, welke door de +Hollandsch sprekende bewoner van Zuid-Afrika _Witte Neushoorn_, door de +inboorlingen _Monoehoe_, _Kobâba_ of _Tsjikori_ (_Rhinoceros simus_) +wordt genoemd. Met inbegrip van den 60 cM. langen staart heeft hij +een lengte van ruim 5 M. Bijna 1/3 van deze lengte komt op den kop, +die twee hoornen draagt, waarvan de voorste een lengte van 1 M. heeft +en in den regel zwak naar voren gebogen is, de achterste daarentegen +klein blijft. Grootendeels is zijn kleur lichtgeel à lichtgrijs +of bleekgrijsbruin, op de schouders en dijen en het onderlijf iets +donkerder. Aan den buitengewoon langen kop is opmerkelijk de stompe +snuit; hieraan ontbreekt het slurfvormige uitsteeksel, dat bij de +overige leden der familie aan de bovenlip voorkomt; hij gelijkt +hierdoor op den snuit van een Rund. Dit dier bewoont de zuidelijke +helft van Afrika. + + + +De ouden hebben den Neushoorn zeer goed gekend. Volgens Plinius bracht +Pompejus, behalve den Los uit Gallië en den Baviaan uit Ethiopië, +het eerste Eénhoornige Neushoorndier in het jaar 61 voor Chr. naar +de kampspelen te Rome. De eerste schrijver, die van dit dier melding +maakt, is Agatharchides; op hem volgt Strabo, die te Alexandrië +een Neushoorn gezien heeft. Pausanias noemt hem het "Ethiopische +Rund". Martialis wijdt aan beide soorten eenige dichtregelen. Van +den Eénhoornigen zegt hij: + + + "Op de ruime vlakte, o Caesar, voert de Neushoorn + Kampstrijden uit, zooals nimmer nog gezien zijn. + Hoe stormde in grimmige woede ontstoken het ondier nader! + Hoe machtig door zijn hoorn, waarvoor slechts een bal was + de Stier!" + + +Van den Tweehoornigen Neushoorn wordt gezegd: + + + "Terwijl de mannen trachtten den Neushoorn ten strijde te + prikkelen, + Den verkropten toorn van den reus langzaam deden zwellen, + Verloor het volk door het lange wachten de hoop op den strijd, + Maar de gewone woede keert dra in het monster terug; + Met den dubbelen hoorn heft hij den geweldigen Beer op, + Zooals de Stier de stroopoppen tot de sterren omhoog werpt." + + +De Arabische schrijvers hebben de beide soorten reeds zeer vroeg +genoemd en den Indischen Neushoorn van den Afrikaanschen onderscheiden; +in hunne sprookjes komen beide niet zelden als bovennatuurlijke +wezens voor. Marco Polo, de bekende reiziger, wiens geschriften voor +de dierkunde zoo belangrijk zijn, is de eerste, die, na een langdurig +tijdvak, waaruit geen berichten over den Neushoorn tot ons gekomen +zijn, het stilzwijgen verbreekt. Hij had het in de 13e eeuw op zijn +reis door Indië, en wel op Sumatra, weder gezien. In het jaar 1513 +kreeg de koning van Portugal uit Oost-Indië een levenden Neushoorn. De +mare van het bestaan van dit vreemdsoortige dier verbreidde zich over +alle landen. Albrecht Dürer gaf een houtsnee in 't licht, die hij naar +een slechte, uit Lissabon afkomstige afbeelding gemaakt had. Hierop +is het dier voorgesteld, alsof het met schabrakken bedekt en met +pantserschubben aan de voeten bekleed is; ook draagt het een kleinen +hoorn op den schouder. Bijna 200 jaren lang was deze houtsnede van den +beroemden graveur de eenige afbeelding, die men van het Neushoorndier +had. Eerst door Chardin, die te Ispahan een Neushoorndier zag, werd +in 't begin van de vorige eeuw een betere afbeelding gegeven. Een +betere levensbeschrijving gaf Bontius reeds omstreeks het midden van +de 17e eeuw. + +Over 't geheel genomen komen alle Neushoorndieren in levenswijze, aard, +eigenschappen, bewegings- en voedingswijze met elkander overeen, hoewel +van iedere soort eigenaardigheden bericht worden. Onder de Aziatische +soorten b.v. staat het Indische Neushoorndier als een buitengewoon +boosaardig dier bekend; het Javaansche wordt veel goedaardiger +genoemd en het Sumatraansche is dit, volgens de beschrijvingen, +in nog hoogere mate. Een soortgelijk verschil merkt men tusschen +de Afrikaansche soorten op. Het zwarte Neushoorndier wordt, ondanks +zijn betrekkelijk geringe grootte, als het kwaadaardigste van alle +Afrikaansche dieren beschouwd, terwijl de Witte Neushoorn geheel +onschadelijk heet te zijn. Eenige grond zal er wel bestaan voor deze +verschillende karakterschetsen; de volle waarheid zal echter wel zijn, +dat iedere Neushoorn, die voor de eerste maal een mensch ontmoet, +en niet getergd wordt, zich goedaardig toont, maar bewijzen geeft +van boosaardigheid, wanneer onaangename ervaringen zijn verstand +gescherpt en hem vertoornd hebben. + +De Neushoorndieren bewonen bij voorkeur een zeer waterrijk gebied; +moerassige gewesten, rivieren, die ver buiten hunne oevers treden, +meren met slijkerige, door struikgewas omgeven oevers, in welker +nabijheid zich grasrijke weidegronden bevinden, bosschen, die +door beken doorsneden zijn en dergelijke plaatsen. De Afrikaansche +soorten gedijen echter ook zeer goed in gewesten, die rijk aan gras +en struiken, maar bijzonder droog zijn, wanneer zij hier op niet +te grooten afstand poelen aantreffen. Voor zulke zware, zoo goed +gepantserde dieren opent zelfs de meest verwarde wildernis hare voor +andere dieren ontoegankelijke verborgenheden; zelfs de vreeselijkste +doornen zijn buiten machte den Rhinoceros te keeren. Om deze reden +ontmoet men de meeste soorten bijzonder veelvuldig in bosschen, reeds +bij het zeestrand, sommige echter in hooge gewesten nog regelmatiger en +overvloediger dan in lage. Ieder Neushoorndier bezoekt waarschijnlijk +minstens éénmaal per dag het een of andere water, om hier te drinken en +zich in het slijk te wentelen. Een slijkbad is een levensbehoefte voor +alle op het land levende "dikhuidige" dieren; want, hoezeer ook deze +naam (die vroeger op alle Onevenvingerigen, met uitzondering van de +Eénhoevigen, en bovendien op de Zwijnen, Nijlpaarden en Slurfdieren +werd toegepast) door den aard van hun vel gerechtvaardigd wordt, +toch zijn zij zeer gevoelig voor de steken van de Vliegen, Bremzen +en Muggen; tegen deze boosaardige, kleine vijanden kunnen zij zich +eenigermate beschutten en zich tijdelijk rust verschaffen door zich +met een dikke laag slijk te bedekken. Voordat zij uitgaan om te +fourageeren, zoeken de Neushoorndieren de weeke oevers van de meren, +poelen en rivieren op, en woelen een gat in den modder, waarin zij +zich rondwentelen en omdraaien, totdat de rug en de schouders, de +zijden en het onderlijf met slib bedekt zijn. Hoe prettig zij dit +ploeteren in den modder vinden, blijkt uit hun luid geknor; zelfs +verliezen zij door het hun zoo aangename bad niet zelden hun gewone +waakzaamheid uit het oog. + +De Neushoornen zijn meer des nachts dan over dag in de weer. Een +groote hitte is hun zeer onaangenaam; zoolang deze heerscht, slapen +zij op de een of andere schaduwrijke plaats, half op de zijde, half +op den buik liggend; de kop is vooruitgestoken of rust op den grond; +soms echter staan zij traag in een stil gedeelte van het woud, waar +zij door de boomen tegen de zonnestralen beschut zijn. Volgens alle +berichten slapen deze dieren zeer vast. Niet zelden is het gebeurd, +dat men slapende Neushoornen zonder eenige voorzorgsmaatregelen +kon naderen; zij geleken op gevoellooze rotsblokken en verroerden +zich niet. Gewoonlijk is het dreunende gesnurk van den slapenden +Neushoorn op een vrij grooten afstand hoorbaar, en trekt het zelfs +de aandacht van hem, die het rustende dier niet ziet. Soms echter +geschiedt de ademhaling zonder gedruisch, zoodat de reiziger niet +gewaarschuwd werd voor de aanwezigheid van het reusachtige dier, +dat hij plotseling voor zich ziet liggen. + +Met het aanbreken van den nacht, in vele gewesten echter reeds in de +middaguren, staat de Neushoorn op, rekt en strekt zich behaaglijk in +zijn slijkbad, en gaat nu grazen. Hij zoekt voedsel in dichte, voor +andere dieren ternauwernood toegankelijke wouden en in open vlakten, +in het water en in de met riet begroeide moerassen, op de bergen en +in het dal. In de dsjungels van Indië heeft hij lange, lijnrechte +wegen gebaand, door het breken en zijwaarts buigen van alle planten, +die hem in den weg stonden, en door het vasttrappen van den grond; +ook in de binnenlanden van Afrika ziet men zulke paden. + +Het Neushoorn dier vreet boomtakken en allerlei harde struiken, +distels, brem, biezen, steppengras, enz., maar is volstrekt niet +afkeerig van saprijker voedsel. Te dezen aanzien bestaat dus tusschen +hem en den Olifant een soortgelijk verschil, als tusschen den Ezel +en het Paard. In Afrika voedt de Zwarte Neushoorn zich hoofdzakelijk +met twijgen, vooral met die van de daar zeer veelvuldig voorkomende, +doornachtige Minosa's; de Witte Neushoorn echter eet, in verband met +den vorm van zijn onderlip, gras, dat in bosjes bijeen groeit. Dikwijls +richten deze dieren, in streken waar akkerbouw voorkomt, groote +verwoestingen aan. Bovendien vernielen en vertrappen zij daar nog veel +meer dan zij opeten. Het gras wordt met den breeden muil afgeplukt; +de twijgen worden afgebroken met het als hand dienend uitgroeisel van +de bovenlip.--De Indische Neushoorn kan het slurfvormige verlengstuk +van de bovenlip tot ongeveer 15 cM. verlengen, en hiermede een dikken +bos gras omvatten, uitrukken en in den bek brengen. Het schijnt hem +onverschillig te zijn, dat er nog eenige aarde aan de wortels blijft +hangen. Wel slaat hij het uitgerukte bosje even tegen den grond, om +het grootste deel van de aarde er af te schudden, maar daarna stopt +hij het zonder eenig gemoedsbezwaar in den wijden muil, en slikt het +zonder moeite door. Zeer gaarne eet hij wortels, die hij zeer goed +weet op te delven. Tot tijdverdrijf, hoofdzakelijk voor zijn vermaak +althans, woelt hij soms ook wel een boompje of een struik uit den +grond; daartoe veegt hij met zijn kolossalen hoorn zoo lang de aarde +tusschen de wortels weg, totdat hij den struik vatten en uit den +grond lichten kan, waarna hij de wortels er afbreekt en deze verslindt. + +De levenswijze van de Neushoorndieren heeft niet veel +aantrekkelijks. Wanneer zij niet eten, slapen zij; om de overige wereld +bekommeren zij zich nagenoeg niet. Zij leven niet gelijk de Olifanten +in kudden bijeen, maar meestal afzonderlijk of hoogstens tot kleine +troepen van 4 à 10 individuën vereenigd. Tusschen de leden van zulk +een gezelschap bestaat geen nauwen band: in den regel leeft ieder +voor zich en doet wat hem goeddunkt. Toch kan men niet zeggen, dat het +eene dier het andere steeds met doffe onverschilligheid beschouwt; in +zulk een gezelschap vindt men ook de moeder en haar kind; bovendien is +de betrekking tusschen de volwassen dieren van verschillend geslacht +niet zelden van zeer innigen aard en wordt misschien eerst door den +dood afgebroken. Zij schijnen log van lichaam en ook log van geest; de +schijn stemt hier echter niet geheel met de werkelijkheid overeen. In +den regel heeft de Neushoorn een zwaren en eenigszins plompen gang; +als hij liggen gaat, of zich omwentelt, doet hij dit zoo onbeholpen +mogelijk; al zijne bewegingen zien er echter onbeholpener uit, dan +zij zijn. Hij is niet zooals de Olifant een telganger, maar verzet +de pooten overkruis, d.w.z. verplaatst tegelijkertijd een voorpoot +en een achterpoot van verschillende zijden. Iedere Neushoorn zwemt +nu en dan; hij blijft echter altijd aan de oppervlakte van het water +en duikt alleen onder, wanneer dit strikt noodig is. + +Onder de zinnen van de Neushoorndieren staat het gehoor bovenaan; dan +volgt de reuk en hierna het gevoel. De gezichtszin is zeer weinig +ontwikkeld. Het gehoor is vermoedelijk zeer fijn: het zachtste +gedruisch wordt op een grooten afstand waargenomen. De smaakzin +ontbreekt hun niet; bij tamme dieren althans nam ik waar, dat zij +veel van suiker houden en blijken geven van bijzonder welgevallen, +wanneer zij er op getracteerd worden. Hun stem bestaat uit een dof +gegrom, dat door een woest gesnuif en geproest vervangen wordt, +als zij toornig zijn. De Neushoorndieren in vrijen toestand laten +dit geproest dikwijls hooren, want zij worden spoedig tot toorn +geprikkeld en hun onverschilligheid voor alles, wat geen voedsel is, +kan zeer schielijk in het tegenovergestelde gevoel veranderen. Dan +letten zij zoomin op het aantal als op de weerbaarheid hunner +vijanden, maar gaan blindelings en regelrecht op het voorwerp van +hun toorn af. Evenals de stier heeft de Neushoorn een afkeer van +roode kleuren; men heeft opgemerkt, dat hij menschen aanviel, die +hem in 't geheel geen kwaad hadden gedaan, maar kleederen droegen, +welker sterk sprekende kleuren zijn woede opwekten. Gelukkig kost het +niet veel moeite, een in razenden drift voorthollenden Neushoorn te +ontwijken. De geoefende jager laat hem tot op een afstand van 10 à +15 schreden naderen en springt dan ter zijde; het doldriftige dier +rent hem voorbij, verliest zijn spoor, holt op goed geluk voort en +koelt misschien zijn woede aan een volkomen onschuldig voorwerp. + +De Neushoorn brengt slechts een jong ter wereld, een klein, plomp +beest, zoo groot als een halfwassen Zwijn, dat met geopende oogen +geboren wordt. Zijn roodachtige huid heeft nog geen plooien; een +beginsel van een hoorn is reeds aanwezig. + +Hoe lang het jonge Neushoorndier bij zijn moeder blijft, weet men niet; +evenmin kent men de verhouding tusschen vader en kind. In de eerste +maanden groeit het snel. Een exemplaar, dat op den derden levensdag +ongeveer 60 cM. hoog en 1.1 M. lang was, werd in de daaropvolgende +maand 13 cM. hooger en 15 cM. langer. Na 13 maanden had het reeds +een hoogte van 1.2, een lengte van 2 en een omvang van 2.1 M. bereikt. + +In den ouden tijd heeft men vele sprookjes verteld over de +vriendschappelijke verhouding tusschen den Neushoorn en sommige +dieren en over zijn vijandschap met andere dieren, vooral met +den Olifant; het heet, dat hij dezen bij elke gelegenheid aanvalt +en steeds overwint. Deze reeds bij Plinius voorkomende verhalen +worden af en toe door den een of anderen reisbeschrijver opgewarmd, +maar behooren toch stellig onder de sprookjes thuis. Meer grond is +er voor hetgeen men verhaalt van de vriendschap van den Neushoorn +voor zwakkere dieren. Andersson, Gordon Cumming en anderen vonden +bijna geregeld op den Zwarten zoowel als op den Witten Neushoorn een +gedienstigen Vogel, den Madenhakker, die den reusachtigen viervoeter +over dag trouw vergezelt en in zekeren zin de dienst van schildwacht +bij hem vervult; hij voedt zich met het ongedierte, waarvan de huid +van zijn kolossalen vriend krioelt, en zet zich daarom bij of op +diens lichaam neder. Deze Vogels zijn de beste vrienden, die de +Neushoorn heeft; zij laten zelden na, hem te waarschuwen voor een +dreigend gevaar. Het spreekt wel van zelf, dat deze diensten door +den beweldadigde erkend worden; zelfs het stompzinnigste Zoogdier +zou dankbaar zijn, wanneer het verlost werd van een zoo pijnlijke +kwelling als een heirleger stekende Insecten moet veroorzaken. Of +echter de Vogel bij de nadering van menschen het dier, dat hem tot +jachtveld dient, in 't oor pikt om het te wekken, wil ik maar liefst +in 't midden laten; ik geloof eerder, dat de onrust, die hij toont, +zoodra hij iets verdachts opmerkt, voldoende is om de aandacht van +den Neushoorn te trekken. Dat zeer voorzichtige Vogels, op welker +bewegingen door andere dieren gelet wordt, bij deze den dienst van +voorposten en schildwachten vervullen, is in vele gevallen gebleken. + +Behalve de mensch heeft de Neushoorn waarschijnlijk niet veel +vijanden. De Leeuwen en Tijgers mijden dit dier, omdat zij weten, +dat hunne klauwen toch te zwak zijn om door de dikke pantserhuid diepe +wonden te scheuren; misschien kunnen zij gevaarlijk worden voor een van +de moeder gescheiden jong. De Neushoorn is voor andere, veel kleinere +dieren veel meer bevreesd, dan voor de groote Roofdieren; hij heeft +vooral in eenige Horzels en in de Muggen verraderlijke vijanden, +waartegen hij zich nagenoeg in 't geheel niet verweren kan. Overal +echter is de mensch wel zijn gevaarlijkste vijand. De volksstammen, +in welker gebied hij voorkomt, en ook Europeesche jagers maken ijverig +jacht op hem. Men heeft wel eens beweerd, dat de pantserhuid voor +kogels ondoordringbaar zijn; het lijdt echter geen twijfel meer, +dat een mes, een lans en zelfs een met kracht geschoten pijl er door +heendringen. De inboorlingen besluipen den Neushoorn, terwijl hij +slaapt, onder den wind en werpen hem hunne lansen in 't lichaam of +schieten op hem, terwijl zij de tromp van het geweer bijna op zijn +romp houden om te maken, dat de kogels hun volle kracht behouden. De +Abessiniërs gebruiken werpspiesen en slingeren dikwijls 50 of 60 van +deze moordtuigen naar één Neushoorn; zoodra deze uitgeput is door +bloedverlies, waagt een van de stoutmoedigste jagers zich in zijn +nabijheid, en tracht met een scherp zwaard de Achillespees door te +hakken, om het dier te verlammen, en tot verderen weerstand ongeschikt +te maken. In Indië gaat men op de Rhinoceros-jacht met Olifanten, +maar ook deze kolossen worden soms door het woedende dier in gevaar +gebracht. + +De Afrikaansche soorten worden door de Europeanen op gelijke wijze +gejaagd als de Olifanten; het wild wordt des nachts opgewacht aan +de drinkplaats, over dag in de wildernis bekropen, of in het open +landschap te paard genaderd, om op den kortst mogelijken afstand met +een grooten kogel het meest kwetsbare lichaamsdeel te treffen. Dat +een Neushoorn, die door jagers vervolgd en in 't nauw gebracht is, +of getroffen en door pijn gekweld wordt, zich dikwijls tegen zijne +vervolgers keert, kan ons van een weerbaar dier niet verwonderen. + +Moeielijker dan de jacht is de vangst van dit dier. De Wara wordt +hoofdzakelijk buitgemaakt ter wille van zijn hoorn, waarvoor de +Chineezen een hoogen prijs betalen. Om hem te vangen, worden op +zijne paden nauwe kuilen gegraven, die zorgvuldig met takken bedekt, +en vooraf met puntige palen voorzien zijn, waarop het zware dier zich +spietst, wanneer het in den kuil valt. De Neushoorn volgt zijn gewone +pad, valt in den kuil, en is, zelfs wanneer het onbeschadigd blijft, +buiten staat er uit te komen. De jonge Afrikaansche Neushoorndieren, +die soms op onze wilde-dierenmarkten voorkomen, worden gevangen na +het dooden van de wijfjes, die deze jongen vergezellen. + +Een merkwaardig geval van goed vertrouwen bij een zeer jongen Zwarten +Neushoorn, wordt ons door Selous medegedeeld. Op een morgen, toen +hij met zijn reisgezel Wood ter jacht was uitgereden, stonden zij +onverwachts in een kreupelboschje voor een grooten Zwarten Neushoorn, +wien zij onmiddellijk twee kogels toezonden. Het zwaar getroffen dier +vluchtte; gelijk nu eerst bleek, was het een wijfje. Een jong van +slechts weinige dagen trachtte tevergeefs het te volgen, maar gaf deze +poging dadelijk op, en kroop onder het Paard van Wood, terwijl Selous +de moeder het genadeschot gaf. "Naar mijn vriend teruggekeerd," zoo +verhaalt onze zegsman verder, "vond ik hem onder een schaduwrijken boom +zitten, en zag het Neushoornkalf dicht bij het Paard staan, dat voor +het kleine monster in 't geheel niet bang scheen te zijn. Het kalfje, +ternauwernood grooter dan een halfwassen Zwijn, toonde volstrekt geen +vrees, als wij of de inboorlingen, die ons vergezelden, het naderden +en het streelden. Het viel mij echter op, dat het zeer sterk over den +geheelen rug zweette, wat ik bij een volwassen Neushoorn nooit had +opgemerkt. Daar het moederlooze dier het Paard van Wood volgde, alsof +dit zijn moeder was, besloten wij het mede te nemen naar de wagens, +die ongeveer 6 Engelsche mijlen verder waren, om te beproeven het +groot te brengen. Wij reden weg, en het kalfje liep ons na als een +Hond. Het had echter klaarblijkelijk veel last van de brandende zon, +want het ging onder iederen schaduwgevenden struik rusten; zoodra +wij het echter 30 schreden vooruit waren, kwispelde het met zijn +staartje, piepte en draafde Wood's Paard achterna. Eindelijk bereikten +wij de wagens--maar nu veranderde op eens het gedrag van den jongen +bewoner der wildernis. Misschien werd hij van streek gebracht door +de Honden, die blaffend om hem heen sprongen, of door het gezicht +van de huifwagens, of door de veelheid van nieuwe indrukken, die +hem in ons leger overstelpten;--hoe dit ook zij, onze beschermeling +ging als een echte duivel te keer, en schoot woedend op de menschen, +de Honden en zelfs op de wielen van de wagens toe. Wij bonden hem een +riem om den hals en den schouder, waarbij hij geweldig tegenspartelde, +een luchtsprong deed, herhaaldelijk op mij toeschoof en met zijn +neus krachtig tegen mijn knie bokste. Toen hij vastgelegd was, begon +hij tot bedaren te komen; maar werd dadelijk weer wild, zoodra er +menschen of Honden in zijn nabijheid kwamen. Zooals ik gevreesd had, +nam hij niets van het voedsel, dat wij voor hem gereed maakten; melk +zou hem wel gesmaakt hebben, maar deze konden wij hem ongelukkig niet +verschaffen, daar wij geen koeien hadden. Omdat deze pogingen mislukten +en het te verwachten was, dat hij, als wij hem lieten loopen, ellendig +verhongeren of een prooi van Leeuwen of Hyena's worden zou, hield ik +het voor het beste, het ongelukkige schepsel, dat ik zoo gaarne in +'t leven had gehouden, een kogel door den kop te schieten." + +In onze diergaarden zijn de meeste Neushoorndieren goedaardig en tam; +zij laten zich aanraken, naar een andere plaats drijven en op andere +wijze behandelen, zonder zich te weer te stellen; langzamerhand +geven zij duidelijke blijken van gehechtheid aan iederen oppasser, +die verstandig met hen omgaat. Slechts één geval is mij bekend, dat +een Neushoorn twee menschen, die hem waarschijnlijk geplaagd hadden, +aanviel en doodde. + +Tegen de schade, die de Neushoorn in vrijen toestand aanricht, weegt +al het nut, dat hij kan opleveren, in de verste verte niet op. In +gewesten, waar een regelmatige bebouwing van den bodem plaats vindt, +kan hij niet geduld worden; hij is in den volsten zin van 't woord +een bewoner van de wildernis. Van het gedoode dier weet men nagenoeg +alle deelen te gebruiken. Niet alleen het bloed, maar ook de hoorn +staan in hoog aanzien wegens de geheimzinnige krachten, die men er aan +toedicht. In het oosten ziet men in de huizen van de voorname lieden +allerlei bekers en andere drinkgereedschappen, die uit den hoorn van +dit dier gedraaid zijn. Men schrijft aan deze vaten de eigenschap +toe van op te bruisen, zoodra er een vergiftige vloeistof in gegoten +wordt, en meent dus hierin een probaat middel te hebben om zich +voor vergiftigingen te vrijwaren. De Turken van hoogen stand hebben +voortdurend een drinkbeker van Rhinoceros-hoorn bij zich en gebruiken, +wanneer zij pogingen tot vergiftiging duchten, hieruit hun koffie. Nog +vaker wordt de hoorn gebruikt voor het maken van gevesten van kostbare +sabels. Van de huid vervaardigen de inboorlingen gewoonlijk schilden, +pantsers, schotels en andere gereedschappen voor eigen gebruik. Het +vleesch wordt gegeten, het vet hoog geschat, hoewel de Europeanen +zoo min op het eene als op het andere bijzonder gesteld zijn. + + + +In de woeste, steenachtige gebergten van Afrika en West-Azië, bemerkt +men op vele plaatsen een opgewekt leven. Dieren zoo groot als Konijnen, +die zich op een rotsterras of op een steenblok in de zon koesterden, +sluipen, verschrikt door de komst van een mensch, schielijk langs +de rotswanden voort, verdwijnen in een van de tallooze rotskloven en +kijken dan nieuwsgierig en onschuldig, als zij zijn, op den ongewonen +bezoeker neer. Dit zijn de _Klipdassen_, de kleinste en sierlijkste +van alle thans levende Onevenvingerigen. + +Ten aanzien van de plaats, die deze lieftallige rotsbewoners in de +klasse der Zoogdieren moeten innemen, heeft te allen tijde verschil van +meening geheerscht bij de natuuronderzoekers. Pallas beschouwde ze, op +grond van hun uitwendig voorkomen en hun levenswijze als Knaagdieren, +Oken meende, dat zij aan de Buideldieren verwant zouden zijn, Cuvier +plaatste ze in zijn orde van de Veelhoevigen. In den laatsten tijd +wordt hun ook deze plaats betwist, en vindt men het noodig ze in +een afzonderlijke orde, die der _Plathoevigen_ (_Lamnungia_) op te +nemen. Wij behandelen ze hier--te recht of te onrecht, dit zij in 't +midden gelaten--als een groep van de Orde der Onevenvingerigen. Zij +vormen slechts één familie. + +De _Klipdassen_ (_Hyracidae_) onderscheiden zich door de volgende +eigenschappen: De romp is middelmatig lang en rolrond, de kop +betrekkelijk groot en plomp, naar voren spits uitloopend en vooral in +dwarse richting sterk versmald, de bovenlip gespleten, de spits van +den neus fraai gevormd, het oog klein, maar uitpuilend, het in de vacht +bijna verborgen oor kort, breed en rond, de hals kort en gedrongen; de +staart is een nauwelijks merkbaar stompje. De pooten zijn middelmatig +hoog en tamelijk zwak; de fijne voeten zijn langwerpig, die van de +voorpooten eindigen in vier, die van de achterpooten in drie teenen, +welke tot aan de eindleden door een gemeenschappelijke huid vereenigd +zijn; met uitzondering van den binnenteen van de achtervoeten, die een +klauwachtigen nagel draagt, zijn al deze eindleden voorzien met platte, +hoefvormige nagels; op de naakte zolen komen verscheidene veerkrachtige +eeltkussens voor, die door diepe groeven vaneengescheiden zijn. + +Reeds in overoude tijden worden de Klipdassen als goed bekende dieren +vermeld. De in Syrië en Palestina levende soort schijnt bedoeld +te zijn, waar in den bijbel de naam "Saphan" gebruikt wordt, welk +woord in de vertaling van Luther, door "Konijn" wordt vervangen. De +Klipdassen zijn voor 't meerendeel kenmerkende dieren van de +gebergten der woestijnen en steppen. Er zijn verscheidene soorten +van, die alle gebergten van Syrië, Palestina, Arabië en misschien +ook van Perzië bewonen, voorts die van de Nijllanden, van Oost-, +West- en Zuid-Afrika. Men vindt ze in de gebergten van 2000 à 3000 +M. hoogte niet minder talrijk dan in de bij wijze van eilanden uit +de vlakte oprijzende koppen en kegels, die aan de steppenlanden van +Noordoost-Afrika zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen. + + + +Wij zullen den Klipdas van Abessinië--den _Aschkoko_ (_Hyrax +abyssinicus_)--beschrijven, daar deze ons het best bekend is. De +lengte van dit dier bedraagt 25 à 30 cM.; zijn vacht bestaat uit +tamelijk lange en fijne haren, die aan den wortel grijsbruin, in het +midden vaalgrijs en vóór de lichtkleurige spits donkerbruin zijn, +welke kleuren zich vereenigen tot een lichter of donkerder gesprenkeld +vaalgrijs. Kleurafwijkingen schijnen tamelijk veelvuldig voor te komen. + +Hoe meer de rotswanden gespleten zijn, des te veelvuldiger treft +men er deze dieren aan. Wanneer men bedaard door de dalen wandelt, +ziet men ze op rijen zitten op de rotskammen; nog vaker liggen zij, +want het zijn gemaklievende, luie dieren, die zich gaarne door de +warme zon laten beschijnen. Een snelle beweging of een luid gedruisch +verdrijft ze oogenblikkelijk: de geheele troep geraakt in beweging; +allen vluchten en loopen met de behendigheid van Knaagdieren weg +en zijn bijna in 't zelfde oogenblik verdwenen. In de nabijheid van +de dorpen, waar men ze evenzeer, dikwijls bijna vlak naast de huizen +aantreft, toonen zij bijna geen vrees voor den inboorling en verrichten +in zijn tegenwoordigheid onbeschroomd hunne bezigheden, alsof zij er +van overtuigd zijn, dat hier niemand er aan denkt, hen te vervolgen; +voor menschen in vreemde kleedij of van een ongewone kleur nemen zij +echter oogenblikkelijk de wijk in hunne rotsspleten. Veel meer dan +den mensch vreezen zij den Hond of andere dieren. Ook wanneer zij +zich voor hem in hunne rotsspleten verborgen hebben, hoort men hun +eigenaardig trillend gegil, dat veel op het geschreeuw van kleine +Apen gelijkt. De Abessiniërs meenen, dat de Luipaard, de ergste +vijand van de Klipdassen, langs de rotswanden sluipt, wanneer men +ze tegen den avond of gedurende den nacht hoort schreeuwen; want +na zonsondergang houden zij zich altijd stil, tenzij zij gestoord +worden. Ook Vogels kunnen hun den grootsten schrik veroorzaken. Een +toevallig voorbijvliegende Kraai, zelfs een Zwaluw, is in staat hen +naar hunne veilige woningen terug te drijven. + +Wegens de buitengewone schuwheid van de Klipdassen schijnt het vreemd, +dat zij in vriendschap leven met dieren, die veel gevaarlijker +en bloeddorstiger zijn dan zelfs de roofgierigste Arend, nl. met +de Zebra-Mangoeste (_Herpestes Zebra_) en met een Doorn-Hagedis +(waarschijnlijk _Stellio cyanogaster_). Naar het schijnt, speelt in dit +gezellige klaverblad de voorzichtige Klipdas de rol van schildwacht, +want zoodra hij zijn gillend gefluit laat hooren, verdwijnt het +geheele gezelschap in de spleten van het gesteente. + +Slechts ongaarne verlaten de Klipdassen hunne rotsen. Als het gras, +dat tusschen de steenklompen groeit, opgegeten is, gaan zij wel is +waar naar lager gelegen plaatsen, maar dan staan er altijd wachten op +de meest uitstekende rotspunten, en een waarschuwend signaal van deze +is voldoende, om alle zoo schielijk mogelijk de vlucht te doen nemen. + +Door hunne bewegingen en hun aard vormen de Klipdassen in zekeren +zin een overgang tusschen de plompe Neushoornen en de behendige +Knaagdieren. Zij kunnen meesterlijk klimmen. Een nauwkeurig onderzoek +der voetzolen, die zoo veerkrachtig zijn als gomelastiek, leert, dat +de Klipdassen in staat zijn, om zich door het willekeurig inkrimpen +en uitzetten van de middelste spleet der zoolkussens aan gladde +oppervlakten vast te hechten. + +De handelingen van de Klipdassen verraden een groote zachtaardigheid, +ja zelfs onnoozelheid, vereenigd met een ongeloofelijke angstvalligheid +en vreesachtigheid. Zij zijn buitengewoon gezellig; men ziet ze bijna +nooit alleen, of liever, men kan, indien dit geval zich voordoet, +er bepaald op rekenen, dat de overige leden van het gezelschap zich +bij toeval niet in de nabijheid bevinden. Aan de woonplaats, die +zij zich eens gekozen hebben, blijven zij voortdurend getrouw. In +hun vaderland, dat zoo rijk is aan geurige, in bergstreken groeiende +planten, zullen zij wel nooit gebrek lijden. Herhaaldelijk zag ik ze +aan den voet van de rotsen + +grazen, geheel op de wijze van de Herkauwers. Zij bijten het gras +met hunne tanden af en bewegen de kaken op soortgelijke wijze, +als de Tweehoevigen doen, wanneer zij herkauwen. Naar het schijnt, +drinken zij niet, of slechts zeer weinig. + +Daar het wijfje zes tepels heeft, meende men vroeger, dat de Klipdassen +een tamelijk groot aantal jongen werpen. Schweinfurth heeft echter +aangetoond, dat zij er twee ter wereld brengen en dat deze bij de +geboorte reeds zeer ontwikkeld zijn. + +De jacht op de Klipdassen biedt geen bezwaren aan, tenzij deze +angstvallige dieren reeds herhaaldelijk vervolgd werden. Alleen +in Arabië en in Zuid-Afrika wordt op den Klipdas jacht gemaakt, +wegens zijn vleesch, waarvan de smaak met dat van het Konijn +overeenstemt. Verscheidene reizigers maken melding van Klipdassen, die +zij in gevangen toestand hebben nagegaan, _Graaf_ Mellin vergelijkt +een door hem getemd exemplaar met een Beer, die tot op de grootte +van een Konijn ingekrompen zou zijn. Hij noemt dit dier volkomen +weerloos, en zegt, dat het evenmin door een snelle vlucht aan zijne +vijanden kan ontkomen, als het zich met zijne tanden of klauwen zou +kunnen verdedigen. Als het door zijn meester geroepen werd, gaf het +antwoord door zachtjes te fluiten, kwam dan aanloopen en liet zich +op den schoot nemen en liefkoozen. + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 20542-8.txt or 20542-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/0/5/4/20542/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/20542-8.zip b/20542-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f56c7a1 --- /dev/null +++ b/20542-8.zip diff --git a/20542-h.zip b/20542-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1c8da72 --- /dev/null +++ b/20542-h.zip diff --git a/20542-h/20542-h.htm b/20542-h/20542-h.htm new file mode 100644 index 0000000..ca4c56d --- /dev/null +++ b/20542-h/20542-h.htm @@ -0,0 +1,4669 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>Het Leven der Dieren</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="A. E. Brehm"> +<meta name="DC.Creator" content="A. E. Brehm"> +<meta name="DC.Title" content="Het Leven der Dieren"> +<meta name="DC.Date" content="#"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument,p.note +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +p.question +{ +margin-bottom:0; +text-align:left; +} + +p.answer +{ +margin-top:0; +text-align:right; +} + +p.explanation +{ +font-size:smaller; +margin-left:0.9em; +margin-right:0.9em; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +text-decoration:underline; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +.poem .stanza +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 8: De Tandeloozen; Hoofdstuk 9: De Slurfdieren; + Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: February 8, 2007 [EBook #20542] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="body"><a id="d0e75"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e75">358</a>]</span><div class="div1"> +<h2 class="label">Achtste Orde.</h2> +<h2>De Tandeloozen (<span class="letterspaced">Edentata</span>). +</h2> +<p>De bloeiperiode van deze Zoogdieren-orde is voorbij. In den voortijd leefden in Brazilië Tandeloozen, zoo groot als een Neushoorndier +en nog grootere; de kolossaalste, thans nog levende leden der orde hebben hoogstens de afmetingen van een flinken Wolf. Onder +de uitgestorven soorten waren er, die een overgang vormden tusschen familiën van hedendaagsche Edentaten, die nu door diepe +kloven van elkander gescheiden schijnen. Maar ook aan enkele van de thans nog bestaande soorten zal misschien weldra het lot +beschoren zijn om, evenals de vormen der voorwereld, vernietigd te worden: hunne dagen zijn geteld. + +</p> +<p>Bij de leden dezer diergroep is weinig te bespeuren van overeenstemming, die men bij de vertegenwoordigers van elk der andere +Zoogdieren-orden opmerkt. Het belangrijkste kenmerk, dat zij gemeen hebben, en dat hen van de overige Zoogdieren onderscheidt, +is de eigenaardige samenstelling van het gebit. Er zijn onder de Tandeloozen wezens, waarop de naam der orde in haar zuiverste +beteekenis toepasselijk is, daar bij hen geen spoor van tanden voorkomt; bij de overige, die wel degelijk (en soms zelfs zeer +vele) tanden hebben, ontbreken nagenoeg altijd de snijtanden; de tusschenkaaksbeenderen zijn nl. bij alle Edentaten weinig +ontwikkeld, en alleen de in deze beenderen voorkomende tanden met die, welke er in de onderkaak aan tegenovergesteld zijn, +heeten snijtanden. (Alleen bij de Gordeldieren treft men een paar onbeduidende tandjes in het tusschenkaaksbeen aan.) Echte +hoektanden zijn er evenmin; deze naam komt nl. toe aan de tanden, die op den grens van het tusschenkaaksbeen en van het eigenlijke +bovenkaaksbeen geplaatst zijn. Nu is wel bij eenige Luiaards de voorste kies zeer dicht bij den voorrand van het bovenkaaksbeen +gelegen en door een tusschenruimte van de overige kiezen gescheiden; hij onderscheidt zich echter in geen enkel opzicht van +de maaltanden behalve door zijn grootere lengte. De maaltanden of kiezen hebben steeds een eenvoudigen, cilindrischen of prismatischen +vorm en zijn door tusschenruimten van elkander gescheiden. Zij zijn wortelloos en bestaan uitsluitend uit tandbeen en cement, +zonder eenig email. Slecht bij weinige soorten (Aardvarkens en sommige Gordeldieren) worden zij gewisseld,—gewoonlijk dus +maar éénmaal gevormd. Het aantal van deze tanden varieert van de eene familie tot de andere, en verschilt soms zelfs aanmerkelijk +bij soorten, die tot eenzelfde groep behooren: eenige hebben slechts 20, andere wel 100 tanden. + +</p> +<p>De nagels zijn bij deze dieren zeer krachtig, maar eveneens vreemdsoortig ontwikkeld. Zelden zijn de teenen volkomen beweeglijk, +altijd echter dragen zij nagels, die het uiteinde van het nagellid <span class="letterspaced">geheel</span> omgeven, en zich hierdoor reeds duidelijk onderscheiden van de eigenlijke klauwen, die altijd aan het onderste gedeelte van +de holle zijde een spleet vertoonen. Bij sommige zijn zij zeer lang, sterk gekromd en zijdelings samengedrukt, en bewijzen +bij ’t klimmen belangrijke diensten, bij andere zijn zij korter, breed, bijna schopvormig en uitmuntend geschikt voor ’t graven +en wroeten in den grond. + +</p> +<p>Door het bespreken van het gebit en van de nagels hebben wij de algemeene kenteekenen van de Edentata uitgeput; want in alle +andere opzichten vertoont hun lichaamsbouw een zeer groote menigvuldigheid van verschijnselen. Hun lichaamsbekleeding vooral +wisselt af binnen zeer wijde grenzen; deze afwijkingen zijn nagenoeg even groot als bij alle overige Zoogdieren tezamen genomen. +Sommige dragen een dichte, zachte vacht, andere een ruig, dor haarkleed; deze zijn met borstels, gene met schubben bedekt; +bij eenige is het lichaam gehuld in een uit schilden (door een hoornlaag bedekte beenplaten) samengesteld pantser, zooals +bij geen der andere Zoogdieren gevonden wordt. + +</p> +<p>De Edentaten zijn thans tot drie faunistische rijken beperkt, n.l. tot het Oostersche, het Ethiopische en het Zuid-Amerikaansche. +Azië bevat slechts Schubdieren, Afrika bovendien nog Aardvarkens. De Edentaten-fauna van Zuid-Amerika biedt een grootere verscheidenheid +van vormen aan; hier vindt men de Luiaards, de Mierenleeuwen en de Gordeldieren. Van de thans levende zoowel als van de uitgestorvene +Tandeloozen, valt in overeenstemming met de ongelijkheid van hun lichaamsbouw, ook een zeer belangrijk verschil in levenswijze +te vermelden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>In de eerste plaats moet de familie van de <span class="letterspaced">Luiaards</span> (<i>Bradypodidae</i>) genoemd worden omdat de weinige, hiertoe behoorende soorten nog het meest van alle Edentaten door hun uiterlijk op de overige +Zoogdieren met klauwen gelijken. Naast deze maken zij echter door hun onbehaaglijken lichaamsbouw, hunne stompzinnigheid en +traagheid een zeer treurige figuur. <span class="smallcaps">Buffon</span> beschouwde ze als “door de natuur stiefmoederlijk bedeelde diervormen, de eenige, die reeds bij de geboorte ware toonbeelden +van ellende zijn.”—De voorste ledematen zijn bij hen aanmerkelijk langer <a id="d0e110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e110">359</a>]</span>dan de achterste, de voeten met kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend. De hals is betrekkelijk lang en draagt een ronden, +korten kop. Wegens de geringe ontwikkeling der tusschenkaaksbeenderen, de kortheid en breedte der neusbeenderen verkrijgt +het aangezicht een zonderling stomp aanzien, waardoor het op dat van een Aap gelijkt; de kleine mondopening wordt door meer +of minder harde, weinig beweeglijke lippen begrensd; de oogen zijn klein, de oorschelpen geheel in de vacht verborgen. De +staart is een niet of nauwelijks zichtbaar stompje. De haren van het volwassen dier zijn lang en grof als hooi, en hebben +een geheel anderen val dan bij de overige dieren; zij zijn n.l. van den buik naar den rug gericht. Bij de in vrijheid levende +dieren hebben zij een groenen tint door een Alge (<i>Chroolepus</i>), die er op leeft. Zeer opmerkelijk en geheel afwijkend van ’t geen bij de overige Zoogdieren voorkomt, is de bouw van de +wervelkolom. In plaats van 7 halswervels, zooals bij alle andere leden der klasse, vindt men er bij enkele Luiaards 6, bij +andere 9, bij uitzondering zelfs 10; het aantal ribbendragende wervels (rugwervels) bedraagt bij den Aï 14, bij den Unau 24. +Het gebit bestaat uit 5 cilindervormige maaltanden in elke helft van de bovenkaak; in de onderkaak zijn er bij <i>Choloepus</i> vier, bij <i>Bradypus</i> vijf; de voorste van elke reeks is bij <i>Choloepus</i> grooter dan de volgende en hoektandvormig; bij <i>Bradypus</i> is hij daarentegen kleiner dan de overige. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van de Luiaard is tot Zuid-Amerika beperkt. De groote wouden in de vochtige vlakten van dit vasteland, +waar de plantenwereld het toppunt van ontwikkeling bereikt, verschaffen woonplaatsen aan deze merkwaardige wezens. Hoe wilder, +donkerder en schaduwrijker het woud is, hoe ondoordringbaarder de wildernis, des te geschikter schijnen deze plaatsen voor +het leven van de genoemde dieren, die, daar zij tegen andere dieren niet opgewassen zijn, op een minder goed beschutte woonplaats +reeds voor lang het onderspit gedolven zouden hebben. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">tweeteenige Luiaards</span> (<i>Choloepus</i>) houd ik voor de hoogst ontwikkelde. Zij zijn te herkennen aan den tamelijk grooten kop met vlak voorhoofd en stompen snuit, +den betrekkelijk korten hals, den slanken romp (die geen uitwendig waarneembaren staart draagt), de lange, schrale ledematen +(de voorste zijn met 2, de achterste met 3 zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen gewapend), het sluike, zachte haar +zonder wolhaar, het gebit en het gering aantal halswervels. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Unau</span> (<i>Choloepus didactylus</i>) bewoont Suriname en andere deelen van Guyana; hij kan ongeveer 70 cM. lang worden. Het lange haar, dat aan den kop naar +achteren, aan den borst en den buik echter naar den rug gestreken is en hier een kruin vormt, is in het aangezicht, aan den +schedel en in den nek witachtig olijfgroen-grijs, aan den romp olijfgrijs, op den rug donkerder dan aan de onderzijde, aan +de borst op de voorpooten en schouders en op de onderbeenen olijfbruin; de onbehaarde lichaamsdeelen (de snuit en de zolen +van voor- en achtervoeten) zijn vleeskleurig (de snuit met bruinachtigen tint); de klauwen zijn blauwachtig grijs. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>In het tweede geslacht vereenigt men de <span class="letterspaced">Drieteenige Luiaards</span> (<i>Bradypus</i>). Zij zijn gedrongen gebouwd, hebben een kleinen kop met scheef afgeknotten snuit en kleine, door harde lippen begrensde +mondopening, een zeer langen hals, een duidelijk waarneembaren, zijdelings afgeplatten staart en tamelijk korte, krachtige +ledematen; zoowel de voorvoeten als de achtervoeten zijn met drie zeer sterk zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen +voorzien. Het haar vertoont op den kop een scheiding, van waar het naar onderen afhangt, overigens is het echter, evenals +bij de dieren van het vorige geslacht, van de buikzijde naar de rugzijde gericht; de zolen zijn bijna geheel behaard. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Aï</span> (<i>Bradypus tridactylus</i>, <i>B. pallidus</i>) is een bewoner van Brazilië; hij bereikt een lengte van 52 cM., met inbegrip van den 4 cM. langen staart. De vacht bestaat +uit fijne, korte, dicht bijeengeplaatste wolharen, waaraan men de drie overlangsche strepen van de rugzijde van den romp het +best kan waarnemen, en uit lange, droge, harde, eenigszins gladde, op hooi gelijkende bovenharen. De vacht is bleek roodachtig +aschgrauw op de bovendeelen, zilvergrijs op den buik; de klauwen zijn geelachtig of bruinachtig geel. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Luiaards</span> zijn echte boomdieren, evenals de Apen en de Eekhoorntjes. Deze gelukkige wezens bewegen zich echter naar welgevallen in +de kronen der boomen, terwijl gene met moeite, als ’t ware kruipend, van den eenen tak op den anderen overgaan. Wat door de +vlugge en overmoedige beheerschers der wouden een pleizierwandeling wordt geacht, is in de oogen van den Luiaard een lange, +bezwaarlijke reis. Hoogstens tot een uit weinige leden bestaand gezelschap vereenigd, leiden deze trage dieren een eentonig +leven, waarin zij langzaam van den eenen boom naar den anderen trekken. Vergeleken met hunne bewegingen op den grond, is hun +behendigheid in ’t klimmen zeer opmerkelijk. Hunne lange armen veroorloven hen ver afgelegen takken te grijpen, terwijl hunne +kolossale klauwen hen in staat stellen zich zonder moeite vast te houden. Hun wijze van klimmen is geheel anders dan die van +alle overige boombewoners, want bij hen is het regel, wat bij deze als uitzondering voorkomt. Terwijl zij den romp naar onderen +laten afhangen, reiken zij met hunne lange armen opwaarts naar de takken, haken zich hieraan vast met hunne klauwen en schuiven +zich op hun gemak voort van twijg tot twijg, van tak tot tak. Zij schijnen echter trager, dan zij werkelijk zijn. Als nachtdieren +brengen zij wel is waar den geheelen dag door zonder zich te bewegen; reeds in de schemering echter worden zij wakker en ’s +nachts zwerven zij rond, wel is waar langzaam, maar toch niet lui, door een grooter of kleiner gebied al naar dit tot bevrediging +van hunne behoeften noodig is. Zij voeden zich uitsluitend met knoppen, jonge loten en vruchten en vinden in den overvloedigen +dauw, dien zij van de bladen aflekken, een voldoende vergoeding voor het hun ontbrekende water. Ook bij het zoeken en opnemen +van het voedsel toonen zij een onmiskenbare traagheid: zij zijn sober, niet veeleischend en geschikt om dagen achtereen, volgens +sommigen zelfs weken lang, honger en dorst te lijden, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Zij verlaten een boom niet, +zoolang deze hun nog voedsel kan verschaffen; eerst wanneer de voorraad eetbare bestanddeelen schaarsch wordt, denken zij +er aan een anderen boom op te zoeken; met dit doel gaan zij langzaam tusschen de takken naar beneden, zoeken een plaats uit, +waar de takken van de naburige boomen tusschen die van den door hen bewoonden boom doordringen en bereiken <a id="d0e179"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e179">360</a>]</span>langs dezen hoog boven den grond gelegen brug het einddoel van den tocht. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e182" class="figure"><img border="0" src="images/p1360.jpg" alt="Aï (Bradypus tridactylus). ¼ v.d. ware grootte." width="717" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Aï</span> (<i>Bradypus tridactylus</i>). ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Op den bodem zijn deze tot levenslange gevangenschap op de boomen gedoemde wezens niet thuis. Hun gang, of liever het hiervoor +in de plaats tredende, gebrekkig voortzeulen van het lichaam over den grond, is van dien aard, dat het medelijden van den +toeschouwer er door gewekt wordt. Evenals de langzame Landschildpad tracht de plompe Luiaard zijn lichaam te verplaatsen. +Met ver zijwaarts gestrekte ledematen, op de ellebogen steunend, met de pooten één voor één behoedzaam een cirkelboog beschrijvend, +schuift hij telkens een klein stukje verder; de buik sleept intusschen bijna over den grond; kop en hals worden voortdurend +op loome wijze naar links en rechts bewogen, alsof zij het zoo buitengewoon onbeholpen dier in evenwicht moeten houden. Men +zou na zulk een schouwspel niet kunnen gelooven, dat dit zoo ellendig voorthompelend wezen in staat zal zijn om zich uit het +water te redden, wanneer het er bij ongeluk in valt. Toch zwemt de Luiaard tamelijk goed; hij beweegt zich in ’t water vlugger +zelfs dan in de boomen, houdt den kop hoog boven den waterspiegel, doorklieft de golven met vrij groot gemak en komt werkelijk +weer op den vasten wal terug. <span class="smallcaps">Bates</span> en <span class="smallcaps">Wallace</span> zagen een Luiaard een rivier overzwemmen op een plaats waar deze 300 M. breed was. Hieruit blijkt, dat de naam Luiaard, hoe +goed hij overigens ook gekozen moge zijn, eigenlijk alleen in den gang van dit dier zijn volkomen rechtvaardiging vindt; want +op de boomen maakt hij niet den indruk van zóó traag te zijn, als men vroeger, verleid door de overdreven voorstellingen van +de eerste beschrijvers van dit dier, meende te moeten aannemen. Opmerkelijk is de verbazingwekkende zekerheid, waarmede alle +klimbewegingen plaats hebben. De Luiaard is in staat om zich met den eenen voet vast te haken aan een hooger gelegen tak en +zich dan onbezorgd er aan te laten hangen; niet slechts wordt dan het volle gewicht van het lichaam door één poot gedragen, +maar ook wordt dit door dezen poot opgetrokken tot aan den tot steun dienenden tak. + +</p> +<p>Het kost zeer veel moeite een Luiaard, die zich aan een tak heeft vastgeklemd, er van los te maken. De Luiaard slaapt en rust +ongeveer in dezelfde houding als die, welke hij gedurende zijne werkzaamheden aanneemt. De vier pooten worden dicht bij elkander +geplaatst; de romp wordt bijna tot een bol ineengekromd; de naar de borst gebogen kop rust of steunt niet op dit lichaamsdeel. +In deze houding hangt het dier den geheelen, langen dag, steeds op dezelfde plaats, zonder moede te worden. Even ongevoelig +als het voor honger en dorst schijnt te zijn, even gevoelig toont het zich voor vocht en hierdoor veroorzaakte afkoeling. +In het regenseizoen hangt het dikwijls dagen achtereen treurig en ellendig op een en dezelfde plaats; stellig in de hoogste +mate ontstemd over het naar beneden stroomende water. + +</p> +<p>Niet dan hoogst zelden, gewoonlijk alleen des avonds, of als de morgen aanbreekt, of ook, wanneer het zich niet veilig acht, +verneemt men de stem van den Luiaard. Zij is niet luid, en bestaat uit een klagende, lang voortgezetten, fijnen, korten en +snijdenden toon, die door sommigen nagebootst wordt, door een veelvuldige herhaling van den klank “i”. Een van de onderzoekers +uit lateren tijd maakt melding van een geschreeuw, dat uit twee opeenvolgende klanken, of zelfs uit een klimmend en dalend +accoord zou bestaan. <a id="d0e203"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e203">361</a>]</span>Over dag hoort men van den Luiaard hoogstens diepe zuchten; op den grond schreeuwt hij niet, zelfs niet, wanneer hij geplaagd +wordt. + +</p> +<p>Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat de zinnen van de <span id="d0e207" class="corr" title="Bron: Luidaards">Luiaards</span> geen hoogen graad van volkomenheid zullen bezitten. Zelfs schijnt het, dat zij alle even stomp zijn. Zeer weinig ontwikkeld +zijn ook de geestvermogens. Deze dieren geven weinig blijken van verstand, maar toonen veeleer stompzinnigheid, domheid en +onverschilligheid. Men noemt ze goedaardig en wil hiermede aanduiden, dat zij over ’t algemeen voor geen aandoeningen van +den geest geschikt zijn. Volgens de berichten van de reizigers, komen bij hen geen ware hartstochten voor; zij gevoelen geen +vrees, maar hebben ook geen moed, schijnen geen vreugde te kennen, maar ook niet voor treurigheid vatbaar te zijn. Deze berichten +berusten volgens mijne ervaringen op geen goede gronden. Zoo laag als de meeste natuuronderzoekers ons deze dieren voorstellen, +staan zij niet. Gewoonlijk wordt bij hun beoordeeling uit het oog verloren, dat zij nachtdieren zijn, welker geestvermogens +men niet naar behooren kan leeren kennen, door ze alleen over dag na te gaan. De naam Luiaard is in zijn letterlijke beteekenis +alleen geldig voor het slapende dier; wanneer het wakker geworden is en zijne bezigheden verricht, beweegt het zich in een +engen kring, maar beheerscht dezen op voldoende wijze. + +</p> +<p>De Luiaard brengt slechts één jong ter wereld, dat bij de geboorte een volledig haarkleed, en zelfs tamelijk goed ontwikkelde +teenen en klauwen bezit; het klemt zich dadelijk met de klauwen aan de lange haren van de moeder vast, en omstrengelt met +de armen haren hals. Het wijfje voert haar jong altijd op deze wijze met zich mede. In den beginne schijnt zij er veel genegenheid +voor te gevoelen; haar moederliefde bekoelt echter spoedig; ternauwernood getroost zij zich de moeite haar kind te zoogen +en te reinigen, of andere moederzorgen op zich te nemen. + +</p> +<p>De traagheid en stompzinnigheid der Luiaards blijkt ook, wanneer zij mishandeld of gewond worden. Het is een bekend feit, +dat de laagst ontwikkelde dieren naar verhouding het best bestand zijn tegen mishandelingen, verwondingen en smarten; bij +de Luiaards vindt men een bevestiging van deze stelling. Blijkbaar hebben zij een zeer taai leven. Zij verdragen zware kwetsuren +met de onverschilligheid van een lijk. Dikwijls nemen zij niet eens een andere houding aan, na door een flink schot hagel +getroffen te zijn. Volgens <span class="smallcaps">Schomburgk</span> blijft de werking van het vreeselijke curare-gif der Indianen bij hen langer uit, dan bij eenig ander dier. + +</p> +<p>Vele vijanden hebben deze weerlooze schepsels niet. Door hun leven in de boomen hebben zij weinig te lijden van de gevaarlijkste +der dieren die hen bedreigen, n.l. van de Zoogdieren. Hierbij komt, dat hun vacht over ’t algemeen in kleur overeenstemt met +de takken, waaraan zij onbeweeglijk hangen, als vruchten aan een boom, zoodat voor het ontdekken van een slapenden Luiaard +het geoefend oog van een Indiaan vereischt wordt. Bovendien zijn deze dieren niet zoo volkomen weerloos, als men aanvankelijk +zou kunnen vermoeden. Ervaringen hierover kan men, daar zij in den boom natuurlijk moeielijk te genaken zijn, alleen opdoen +bij Luiaards, die op den grond aangetroffen en aangevallen worden; zij keeren dan spoedig hun buikzijde omhoog, en grijpen +den vijand met de klauwen aan; hunne ledematen, vooral de voorste, zijn zeer gespierd. Zelfs een sterke man heeft moeite om +zich los te maken uit een omhelzing van dit dier, of om het los te rukken van den boomtak, waaraan het zich heeft vastgeklemd; +deze bewerking gelukt trouwens in ’t geheel niet, wanneer men niet den eenen voet na den anderen loshaakt en daarna vasthoudt. + +</p> +<p>Over het leven van den Luiaard in de gevangenschap was tot voor weinige jaren niet veel bekend. <span class="smallcaps">Buffon</span> verhaalt, dat de Markies <span class="smallcaps">de Montmirail</span> te Amsterdam een Luiaard kocht, die men tot aan dien tijd gedurende den zomer met malsche bladeren en gedurende den winter +met scheepsbeschuit gevoed had. De Markies behield dit dier drie jaren lang in ’t leven en voedde het met brood, appels en +wortels, welke het met de klauwen van de voorvoeten aanvatte en naar den mond bracht. Tegen den avond werd het dier wakker, +zonder ooit eenige bewijzen van hartstochtelijkheid te geven en zonder ooit te toonen, dat het zijn verzorger had leeren kennen. + +</p> +<p>Bij een rondreis door de dierentuinen van Engeland, Frankrijk, Holland, België en de Rijnlanden was ik te Amsterdam voor ’t +eerst in de gelegenheid, aan een levenden Luiaard waarnemingen te doen. De talrijke bezienswaardigheden van dezen dierentuin +veroorloofden mij tot mijn spijt niet, langer dan een paar uren bij het hok van het merkwaardige dier te blijven. Maar reeds +dit korte bezoek was voldoende om mij te leeren, dat de tot dusver gegeven beschrijvingen grootendeels zeer overdreven zijn. +Later heb ik zelf verscheidene Luiaards gehad en bij hen mijne waarnemingen aangevuld. Ik wil niet zoo koen zijn te beweren, +dat deze ook over de levenswijze van het dier in de vrije natuur onze denkbeelden kunnen wijzigen; toch kan ik verzekeren, +dat de Luiaards volstrekt geen treurige, vervelende schepsels, maar integendeel zeer aantrekkelijk zijn, in alle opzichten +waardig om in een dierenverzameling opgenomen te worden. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Kees</span>, zoo heette de Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin, bewoonde zijn hok reeds sedert negen jaren; hieruit blijkt, dat +hij minstens even goed als andere dieren bestand is tegen de verandering van levenswijze, die met het verlies van de vrijheid +gepaard gaat. Het door hem bewoonde hok was in ’t midden met een houten stellage voorzien, om het dier gelegenheid tot klimmen +te geven; de vloer was met een dikke laag hooi bedekt, de zijden waren door dikke glazen platen gesloten, van boven was het +hok alleen met traliewerk bedekt. Op soortgelijke wijze heb ook ik de woningen van mijne gevangenen ingericht. + +</p> +<p>Als men over dag een bezoek brengt aan het dier, ziet men in dezen glazen kast niets anders dan een bal, die veel op een hoop +droog rietgras gelijkt. Deze bal schijnt vormloos, omdat men van de ledematen van den Luiaard eigenlijk zoo goed als niets +zien kan. Bij nauwkeuriger onderzoek blijkt het, dat dit de houding is, die hij gewoonlijk bij ’t rusten en slapen aanneemt. +De kop is teruggebogen naar de borst, zoodat de spits van den snuit op het onderste deel van den buik rust, en wordt door +de pooten geheel bedekt. De ledematen liggen nl. dicht op elkander, de eene poot altijd afwisselend met den anderen, en zijn +zóó overkruis gevouwen, dat men er niet tusschen door kan zien. In den regel zijn de klauwen van één of twee voeten om een +stok van de stellage geslagen; niet zelden echter vat de Luiaard met de klauwen van den eenen voet de bovenarm of het bovenbeen +van een anderen poot en slingert dus deze lichaamsdeelen op een vreemdsoortige wijze door elkander heen. Van den kop is op +deze wijze niets te zien, men kan niet eens onderscheiden, waar de romp in <a id="d0e235"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e235">362</a>]</span>den hals en deze in den kop overgaat: kortom, men ziet niets anders dan een harigen bal, en moet al zeer goed toekijken om +op te merken, dat deze bal zich langzaam op en neer beweegt. De bal is volkomen onverschillig voor alle pogingen, die de toeschouwers +aanwenden om door kloppen, roepen en snelle bewegingen met de handen de aandacht van het dier te trekken; door geen beweging +verraadt het zijn leven; gewoonlijk gaan de omstanders ontevreden weg, nadat zij verbijsterd den naam van het dier gelezen +en eenige niet bijzonder vleiende opmerkingen over het “leelijke beest” gemaakt hebben. + +</p> +<p>Er komt echter zeer spoedig leven en beweging in den haarbal, als men het goed aanlegt; want de Luiaard is volstrekt niet +zoo stompzinnig, als wel beweerd wordt, maar een ordentlijke, brave gast, die op goede behandeling aanspraak maakt. Zoodra +zijn oppasser bij het hok komt en hem roept, heeft er een verandering van tooneel plaats. Bedachtzaam, of, laat ik liever +zeggen, langzaam en op een eenigszins houterige wijze, ontwikkelt de bal zich tot een dier, dat, moge het al niet op een schoone +gestalte bogen, toch volstrekt geen wangedrocht is, zooals wel eens beweerd werd, geen wezen zonder begrip en waarnemingsvermogen. +Langzaam en gelijkmatig steekt de Luiaard een van zijne lange pooten uit en klemt de scherpe klauwen om een van de dwarsstangen +van de stellage, Het is hem daarbij volkomen onverschillig, of hij het eerst een achterpoot dan wel een voorpoot uitsteekt, +ook of de klauwen aangehaakt worden in den stand, dien zij gewoonlijk ten opzichte van den arm hebben, dan wel, in dien, welken +zij na het omdraaien van den arm verkrijgen; al zijn ledematen gelijken op kabels, die geen gewricht hebben, maar overal beweeglijk +zijn. In allen gevalle is de beweging van de ellepijp ten opzichte van het spaakbeen zoo volkomen, dat misschien geen enkel +dier te dezen aanzien den Luiaard overtreft of nabij komt. Hij kan zich met alle vier pooten zóó vast haken, dat de klauwen +van iederen poot een andere richting hebben dan die van den anderen. Die van één achtervoet zijn b.v. naar buiten, die van +één voorvoet naar binnen, die van den anderen voorvoet naar voren en die van den laatsten achtervoet naar achteren omgeslagen; +welke combinaties van houdingen men ook bedenkt, bij den Luiaard komen zij alle voor. Hij kan zijne ledematen geheel om hun +as doen draaien, zooals een geoefende acrobaat, en het blijkt duidelijk, dat dit hem in ’t geheel geen moeite kost. Hij haakt +zich met de klauwen vast, zooals hem dit het best uitkomt, en kan ook, eens vastgehecht zijnde, zich geheel en al omdraaien, +zonder in den stand der om de steunsels geklemde klauwen eenige verandering te brengen. Of de kop nu laag of hoog hangt, is +hem eveneens onverschillig; hij grijpt even dikwijls met de achterpooten naar boven, als met de voorpooten naar onderen, hangt +aan den rechter voorpoot of aan den linker achterpoot of omgekeerd, strekt zich dikwijls op zijn gemak uit, door zich met +de achterklauwen vast te haken en den rug ergens op te laten rusten, zooals een luie Hond pleegt te doen. In deze houdingen, +die steeds het bewijs zijn, dat de gemoedsrust van het dier niets te wenschen overlaat, krabt het zich vaak met een der niet +vastgehaakte ledematen op alle deelen van zijn lichaam, ten deele door den poot er geheel om heen te slingeren. Het kan lichaamsdeelen +bereiken, die voor een ander Zoogdier ontoegankelijk zijn zouden, kortom het geeft bewijzen van een werkelijk verrassende +lenigheid. Wanneer de Luiaard zoo aan ’t luieren is, doet hij de oogen bij afwisseling open en dicht, gaapt, steekt de tong +uit en opent daarbij den stompen snuit zoover mogelijk. Steekt men hem nu door het traliewerk, dat het hok van boven bedekt, +iets lekkers toe, b.v. een klontje suiker, dan klautert hij tamelijk vlug naar boven om de lekkernij in ontvangst te nemen, +snuffelt bij den wand langs en opent den bek zoover mogelijk, alsof hij vragen wilde, hem het stukje suiker maar dadelijk +in den mond te laten vallen. Daarna vreet hij het smakkend met gesloten oogen op en geeft duidelijk te kennen, dat hij de +zoetigheid lekker vindt. + +</p> +<p>Den vreemdsoortigsten indruk maakt de Luiaard, als men hem vlak van voren ziet. De kopharen zijn in ’t midden gescheiden, +en hangen aan weerszijden van de scheiding naar beneden, waardoor de kop een uilachtig voorkomen verkrijgt. De kleine oogen +zien er onnoozel uit, omdat de pupil nauwelijks de grootte van een speldeknop heeft en het oog dus geen uitdrukking bezit. +Bij den eersten aanblik zou men kunnen meenen, dat het dier blind moet zijn. De lippen zijn steeds vochtig, alsof zij met +vet bestreken zijn. Zij zijn bij den Unau niet zoo onbeweeglijk, als wel eens gezegd is, ook volstrekt niet hoornachtig, zooals +soms beweerd werd, ofschoon zij vermoedelijk niet zoo buigzaam zijn als bij andere Zoogdieren; zij zijn trouwens bij het vreten +tamelijk overbodig, want de beweging van de spitse tong vervangt de werkzaamheid van de lippen. De tong herinnert aan die +van andere Tandeloozen, vooral van den Mierenleeuw. De Luiaard kan haar ver uitsteken en bijna als een hand gebruiken. + +</p> +<p>De Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin werd met verschillende plantaardige stoffen gevoederd; gekookte rijst en wortels +waren echter zijne gewone spijzen. De rijst gaf men hem op een bord, de wortels werden ergens op het hooi neergelegd. Gewoonlijk +werd <span class="letterspaced">Kees</span> vóór den maaltijd geroepen. Hij had dien tijd goed onthouden en richtte zich dadelijk op, zoodra hij zijn naam hoorde. In +’t eerst taste hij zeer onhandig en plomp met de lange armen in ’t rond; zoodra hij echter eens een wortel gegrepen had, verkregen +zijne bewegingen dadelijk meer vastheid. Hij trok den wortel naar zich toe, vatte hem eerst met den mond, daarna met de beide +pooten, of liever met de klauwen, aan, klemde hem er tusschen en beet nu, terwijl hij den wortel steeds verder in den bek +schoof, betrekkelijk zeer groote stukken er van af; hij lekte zich intusschen voortdurend de lippen schoon en deed dit ook +met den wortel, die hij nu eens aan de eene dan weer aan de andere zijde in den mond stak. Aan een bordje rijst en drie wortels +per dag heeft hij genoeg. + +</p> +<p>De stompzinnige onverschilligheid, waarvan de reizigers melding maken, kan, althans bij den Unau, plaats maken voor een duidelijk +merkbare opgewondenheid. Zoo goed als de Luiaard vriendschap toont voor zijn verzorger, zoo goed onderscheidt hij hem van +andere personen; hun toont hij soms de tanden, of bedreigt ze met de klauwen, terwijl hij zich zonder weerstand te bieden +van zijn oppasser elke aanraking en behandeling laat welgevallen. Nog onvriendelijker gedraagt de Tweeteenige Luiaard zich +tegenover andere wezens. Mijn plan om den Unau en den Aï in een en hetzelfde hok te laten wonen, werd door den eerstgenoemden, +den oudsten bewoner van het hok, verijdeld; de poging om de beide verwanten bij elkander te brengen moest onmiddellijk opgegeven +worden. Al de luiheid, die hem toegeschreven wordt, geheel verloochenend, viel de Unau, zoodra hij zijn stamgenoot zag, dezen +onmiddellijk aan, gaf hem eerst eenige goed gemikte <a id="d0e248"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e248">363</a>]</span>slagen met een zijner krachtige pooten, en pakte hem vervolgens zoo woedend met de tanden aan, dat de oppasser de beide dieren +zoo schielijk mogelijk van elkander scheiden moest, en den Aï, den onschuldigsten van de twee, in veiligheid moest brengen: +hetgeen niet kon geschieden, voordat deze van den vertoornden Unau eenige slagen met de klauwen had ontvangen. + +</p> +<p>Duidelijk verschilt van den tot dusver beschreven aard van den Unau, die van den Aï. Op dezen doelden de meeste reizigers +bij de schildering van den Luiaard en in vele opzichten zijn de mededeelingen van de meeste berichtgevers op hem toepasselijk. +Het valt niet te betwijfelen, dat hij veel minder begaafd is dan zijn stamgenoot.—Wanneer hij, wakker wordend, den dunnen +hals en den kleinen kop ver uitsteekt, blijkt het spoedig, dat hij niet tevergeefs negen halswervels heeft. Want met even +groot gemak, als waarmede wij de hand omdraaien, draait hij den kop zoover om, dat het achterhoofd geheel in het verlengde +van de borst, het aangezicht echter aan de rugzijde komt te liggen. (Zie de afb. op p. <a href="#d0e182">360</a>.) Geen ander Zoogdier is in staat tot deze draaiing, die aan den Drieteenigen Luiaard een hoogst zonderling voorkomen verschaft. +De Tweeteenige Luiaard beproeft deze beweging van den kop nimmer; de Aï draagt den kop meestal in deze schijnbaar onnatuurlijke +houding, ofschoon hij haar naar vekiezing door de andere kan vervangen. Zoo gemakkelijk de draaiing van den hals plaats heeft, +zoo plomp zijn alle overige bewegingen van den Aï, in vergelijking met die van de Unau. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1363.jpg" alt="Yurumi (Myrmecophaga jubata). 1/12 v.d. ware grootte." width="720" height="579"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Yurumi</span> (<i>Myrmecophaga jubata</i>). 1/12 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het voordeel, dat de Luiaards brengen aan de menschelijke bewoners van hun woongebied, is buitengewoon gering. In sommige +streken eten de Indianen en de Negers hun vleesch, welks onaangename reuk en smaak den Europeanen walging veroorzaken; op +sommige plaatsen wordt hun huid verwerkt tot een zeer taaie, stevige en duurzame leersoort. Schade kunnen deze dieren niet +veroorzaken; daar zij in dezelfde mate verdwijnen, als het door den mensch bewoonde gebied zich uitbreidt. Ook zij staan op +de lijst van de diersoorten, welker verdwijning van den aardbol men met zekerheid voorspellen kan. Slechts in de afgelegenste +wouden kunnen zij zich handhaven, en zoolang de prachtige boomen, die hun een woonplaats en voedsel verschaffen, door den +bijl van den steeds verder doordringenden Europeaan verschoond worden, zoolang zullen ook zij hun leven kunnen rekken. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Miereneters</span> of <span class="letterspaced">Mierenberen</span> (<i>Myrmecophagidae</i>), die de tweede familie vormen, hebben uitwendig slechts weinig overeenkomst met de Luiaards. Het lichaam is gerekt, de kop, +vooral de snuit, sterk verlengd; de staart bereikt bijna de helft van de lengte van het overige lichaam. Een dichte, ruige, +eigenaardige vacht bedekt den romp, vooral de bovenzijde. De achterste ledematen zijn slank, en zwakker dan de voorste. Zoowel +de voorvoeten als de achtervoeten hebben, zooals uit het onderzoek van het geraamte blijkt, vijf teenen, die evenwel niet +alle met klauwen voorzien zijn. De mondspleet is zeer klein; de lange, dunne en cilindervormige tong herinnert aan een Worm. +De ooren en de oogen zijn zeer klein. Nog opmerkelijker is de bouw van den kop. Door de verlenging van de neusbeenderen en +bovenkaaksbeenderen, is de snuit lang, buisvormig, geworden; de tusschenkaaksbeenderen zijn zeer klein en gekromd, met de +bovenkaaksbeenderen alleen door kraakbeen verbonden. Tevergeefs zou men hier naar tanden zoeken; elke spoor ervan ontbreekt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De grootste soort van deze familie is de <span class="letterspaced">Groote Miereneter</span> of <span class="letterspaced">Manendragende Mierenbeer</span>, die in Paraguay <span class="letterspaced">Yurumi</span> (= “kleine mond”), in Suriname <span class="letterspaced">Tamanoa</span> wordt genoemd (<i>Myrmecophaga jubata</i>). De vacht van dit opmerkelijke dier bestaat uit dichte, stijve borstelharen, die bij het bevoelen ruw zijn. Dicht achter +den kop, langs den nek en de ruggegraat, vormen zij manen en <a id="d0e299"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e299">364</a>]</span>hebben zij een lengte van hoogstens 24 cM.; aan den staart zijn zij 26 à 40 cM., aan de overige lichaamsdeelen, bij en aan +de pooten hoogstens 8 à 11 cM. lang. De kleur van de vacht is tamelijk verschillend; aan den kop is zij aschgrauw met zwart +gemengd; bijna dezelfde kleur hebben de nek, de rug (ten deele ook de zijden van den romp), de voorpooten en de staart. De +keel, de hals, de borst, de buik, de achterpooten en de onderzijde van den staart zijn zwartbruin. Een zwarte, naar achteren +spits toeloopende streep, strekt zich van den kop en de borst over den rug in schuinsche richting naar achteren uit tot aan +het kruis, en wordt omgeven door twee hieraan evenwijdige, smalle, bleekgrijze strepen. Een zwarte strook bedekt het uiteinde +van den voorarm; zwart zijn ook de teenen van de voorvoeten en de onbehaarde deelen van het lichaam. De lengte van den volwassen +Yurumi bedraagt 1.3 M., zonder den staart, die 68 cM. lang is, als men de haren niet mederekent, met deze echter minstens +95 cM. en dikwijls nog meer. In ’t geheel is het dier dus 2.3 M. lang; soms treft men echter oude mannetjes aan, die nog langer +zijn. + +</p> +<p>“De Yurumi,” zegt <span class="smallcaps">Rengger</span>, “ziet er zeer leelijk uit. Zijn kop heeft den vorm van een langen, dunnen, een weinig naar beneden omgebogen kegel en eindigt +in een kleinen, stompen snuit. De beiden kaken zijn even lang; de onderste kan slechts weinig beweging maken; de spleetvormige +mondopening is zoo klein, dat zij met een dikken mansduim geheel gevuld is; de neusgaten zijn halvemaanvormig; de kleine oogen +zijn diep gelegen; de eveneens kleine ooren zijn iets meer dan 25 mM. breed, even lang en van boven afgerond. Wegens de lange +beharing schijnt de hals dikker dan het achterhoofd; de romp is groot, wanstaltig en van boven naar onderen een weinig samengedrukt; +de ledematen zijn kort, de voorarmen breed en zeer gespierd. De voorvoeten hebben vier teenen, ieder voorzien met een dikken +nagel, die als een adelaarsklauw samengedrukt is. Bij ’t gaan en in den toestand van rust, is deze nagel naar de zool teruggebogen; +bij ’t gaan rust alleen de buitenrand van de zool, die vlak achter den buitensten teen met een groote eeltplek voorzien is, +op den grond. Van de achtervoeten komt echter de geheele zool met den grond in aanraking. De lange, ruige staart is hoog en +smal en vormt een echte pluim. De tong, die niet meer dan 9 mM. dik is, heeft den vorm van een langen, naar den top ongevoelig +dunner wordenden kegel; zij bestaat uit twee spieren en twee klierachtige lichamen, die bij haar wortel gelegen zijn. Zij +kan sterk verlengd worden; het dier kan haar bijna 50 cM. ver buiten den bek uitsteken. + +</p> +<p>“De Yurumi komt in Paraguay niet veelvuldig voor; hij bewoont de onbewoonde of althans weinig bezochte vlakten in ’t noorden +des lands. Hij heeft geen bepaald leger en ook geen andere vaste verblijfplaats, maar zwerft over dag door de vlakte rond, +en slaapt daar, waar de nacht hem overvalt; tot slaapplaats kiest hij echter bij voorkeur een plek, waar het gras zeer hoog +is, of waar althans eenige struiken voorkomen. Gewoonlijk ontmoet men hem alleen, tenzij men te doen heeft met een wijfje +en haar jong. Zijn langzame, stappende gang verandert soms, als hij vervolgd wordt, in een loggen galop, waardoor hij echter +zoo weinig vordert, dat een voetganger hem met een gewonen pas kan inhalen. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit Termieten +en Mieren en uit de larven van deze Insecten. Om deze dieren te verkrijgen, krabt hij met de nagels van zijne voorpooten de +heuvels en de aardhoopen, die haar tot woonplaats dienen, open, steekt dan zijn lange tong tusschen de van alle zijden toesnellende +Insecten en trekt haar met diertjes bedekt in den bek terug. Hiermede gaat hij voort, tot hij verzadigd is, of totdat er geen +Mieren of Termieten meer te voorschijn komen. + +</p> +<p>“Het wijfje werpt in ’t voorjaar één enkel jong en draagt dit een tijd lang op den rug met zich. Het is een stil en vreedzaam +dier, dat noch den mensch, noch eenig ander Zoogdier kwaad doet, tenzij het sterk geplaagd wordt. Men kan den Yurumi in het +open veld over een grooten afstand voor zich uitdrijven, zonder dat hij weerstand biedt. Wanneer hij echter mishandeld wordt, +gaat hij op de achterpooten staan en steekt de armen naar zijn vijand uit om dezen met zijne nagels te grijpen. + +</p> +<p>“Ik heb langen tijd een Yurumi gehad, die nog geen jaar oud was, toen ik hem kreeg. Men had hem in een boerderij aan den linkeroever +van den Nexay gevangen tegelijk met zijn moeder, die echter weinige dagen daarna stierf. Ik voedde hem met melk, Mieren en +gehakt vleesch. De melk slurpte hij op, of wel hij stak de tong er in en trok deze vervolgens met het weinige er aan hangende +vocht in den bek terug. De Mieren zocht hij in den tuin of in de nabuurschap van het huis op. + +</p> +<p>“Het vleesch en het vel van den Yurumi worden alleen door de wilde Indianen gebruikt; er zijn echter landlieden in Paraguay, +die het vel van dit dier, onder het beddelaken gelegd, voor een uitmuntend middel tegen pijn in de lenden houden en het voor +dit doel gebruiken. Zelden wordt op dezen Miereneter jacht gemaakt; wanneer men hem echter toevallig in het veld ontmoet, +kost het niet veel moeite hem door eenige stokslagen op den kop te dooden. De menschen moesten deze dieren liever beschermen +dan vervolgen, want wel verre van schadelijk te zijn, bewijzen zij hun een belangrijken dienst, door het aantal Termieten +en Mieren te verminderen, die in eenige gewesten van Paraguay zoozeer de overhand genomen hebben, dat daar niets verbouwd +kan worden. Waarschijnlijk heeft hij behalve den mensch geen andere vijanden dan de Jagoear en den Koegoear. De fabelachtige +verhalen van de bewoners van Paraguay over gevechten, die tusschen den Miereneter en den Jagoear zouden plaats vinden, zijn +reeds door <span class="smallcaps">Azara</span> wederlegd.” + +</p> +<p>Van andere onderzoekers vernemen wij, dat de Miereneter niet slechts Paraguay, maar ook bijna alle overige landen van het +oosten van Zuid-Amerika bewoont, en dat zijn verbreidingsgebied zich uitstrekt van den La-Platastroom tot aan de Caraïbische +Zee. Bij ’t gaan houdt hij den kop naar den grond gebogen en besnuffelt met den neus den bodem. Den staart draagt hij intusschen +recht uitgestrekt en de manen van den rug hoog opgezet, zoodat hij veel grooter schijnt, dan hij werkelijk is. Behalve Mieren +en Termieten hebben nieuwere onderzoekers in de maag van den Yurumi ook nog wel aarde en houtvezels gevonden; deze slikt het +dier onwillekeurig door, terwijl het de Mieren verslind. Dat het behalve de dieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken, ook zeer +gaarne Duizendpooten en Wormen eet, voor zoover deze niet te groot zijn, is aan geen twijfel onderhevig. + +</p> +<p>In lateren tijd zijn gevangen Miereneters herhaaldelijk naar Europa gebracht; men heeft ze hier bij doelmatige voeding jaren +lang in ’t leven kunnen houden. + +</p> +<p>De gevangenen van den Londenschen dierentuin krijgen rauw, zeer fijn gehakt vleesch en eidooier als <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">365</a>]</span>voedsel; de Mierenbeer in den Hamburger dierentuin, waarover door <span class="smallcaps">Noll</span> berichten zijn gegeven, hield bovendien zeer veel van brij, die bereid was door maïsmeel met heete melk aan te roeren, en +met een lepel stroop zoet te maken; het was een vreemdsoortig schouwspel, het zonderlinge dier voor den schotel brij te zien +staan en dezen met zijn merkwaardige tong te zien ledigen. Met een bijna ongeloofelijke snelheid, ongeveer 160 maal in de +minuut, wordt de zwartachtige, rolvormige tong wel 50 cM. ver buiten den mond en in de brij gestoken, waarin zij zich kronkelt +om onmiddellijk daarna met spijs bedekt weer in den bek teruggetrokken te worden. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1365.jpg" alt="Tamandoea (Tamandua tetradactyla). ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="442"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tamandoea</span> (<i>Tamandua tetradactyla</i>). ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Dat de Miereneter niet alleen volgens het oordeel der menschen een zonderlinge gedaante heeft, maar ook bij andere dieren +verrassing en zelfs schrik teweegbrengt, bleek, toen het dier in het apenhuis zou geborgen worden. Alle bewoners van dit huis +werden bij ’t zien van den nieuwen commensaal door een hevigen schrik bevangen; de Apen schreeuwden en raasden zoo, dat men +om hun het uitzicht te benemen hunne hokken bedekken moest; zelfs een Chimpanzee kroop, bij het zien van het voor hen zoo +vreeselijke dier, vol angst onder het stroo. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De overige Miereneters zijn boombewoners. Van deze gelijkt de <span class="letterspaced">Tamandoea</span> of <span class="letterspaced">Cagoear</span> (<i>Tamandua tetradactyla</i>) nog het meest op zijn zooeven beschreven stamgenoot; toch wordt hij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht +beschouwd, omdat hij aan de voorpooten vier, aan de achterpooten vijf teenen heeft, die alle met klauwen voorzien zijn, terwijl +bovendien zijn staart een grijpstaart is. Deze soort bewoont dezelfde landen als de vorige, met uitzondering van Peru. Zijn +lengte bedraagt ongeveer 1 M., met inbegrip van den aan zijn topgedeelte geschubden, overigens echter behaarden, 40 cM. langen +staart; de gemiddelde hoogte van dit dier is 30 à 35 cM. + +</p> +<p>Tot dusver is men van de levenswijze van dit merkwaardige wezen nog niet voldoende op de hoogte. In Paraguay en Brazilië leeft +de Tamandoea overal in de eenzame, met bosch begroeide gewesten; gaarne houdt hij zich op in den woudzoom en in het kreupelhout, +dikwijls ook dicht bij de woningen der menschen; hij is niet gelijk zijne grootere verwanten tot den bodem beperkt, maar klautert +zeer behendig in de boomen, hoewel hij dit, evenals de Luiaards, zeer langzaam doet; evenals de andere dieren met echten grijpstaart +zorgt hij er voor, zich voor den staart een stevig steunpunt te verschaffen, zelfs gedurenden den slaap. Zijn voedsel bestaat +bij voorkeur uit Mieren en wel hoofdzakelijk uit die, welke in de boomen leven. + +</p> +<p>Ook de Tamandoea is in den laatsten tijd eenige malen levend naar Europa en wel naar Londen overgebracht. Het eerste exemplaar +had <span class="smallcaps">Bartlett</span> in zijn kamer gehuisvest, om goed te kunnen nagaan hoe het zich beweegt. Met behulp van de kolossale, haakvormige klauwen +en van den grijpstaart klom het schielijk op de verschillende meubelen, en sprong, toen het vertrouwelijker werd, van hier +op <span class="smallcaps">Bartlett</span>’s schouders, waarbij hij; den spitsen snuit en de lange, wormvormige tong in alle plooien van de kleederen van zijn verzorger +stak en diens ooren, neus en oogen op een niet juist aangename wijze onderzocht. Later, toen de Tamandoea een andere verblijfplaats +had gekregen, kwam hij, wanneer een bezoeker hem naderde, snel bij het traliewerk aan de voorzijde van het hok en liet zijn +onderzoekende tong vlug over de tegen de traliën gehouden hand glijden; men moest echter wel oppassen, dat het dier de klauwen +niet om de vingers sloeg. + +</p> +<p>Eigenaardig is de sterke, muscusachtige reuk, die de Tamandoea verbreidt, vooral als hij geplaagd wordt. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Dwerg</span>- of <span class="letterspaced">Tweeteenige Miereneter</span> (<i>Cycloturus didactylus</i>), een diertje van de grootte van een Eekhoorn, is ongeveer 40 cM. lang, waarbij 18 cM. voor den grijpstaart. Aan de voorvoeten +komen vier teenen voor, waarvan slechts twee met stevige klauwen voorzien zijn; de achtervoeten hebben vijf teenen. De vacht +is zoo zacht als zijde, aan de bovendeelen vosrood, aan de onderdeelen grijs; ieder haar van de bovendeelen is zwart met geelbruine +spits, de haren van de onderdeelen zijn grijsbruin. + +</p> +<p>Hoewel ook de Dwerg-Miereneter tamelijk plomp gebouwd is, maakt hij, vooral wegens zijn fraaie vacht, geen onaangenamen indruk. +Zijn verbreidingsgebied is beperkt. Men heeft hem tot dusver alleen gevonden in het noorden van Brazilië, in Guyana en Peru, +dus in gewesten, die tusschen 10° Z.B. en 6° N.B. gelegen <a id="d0e380"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e380">366</a>]</span>zijn. In het gebergte komt hij soms tot op 600 M. boven den zeespiegel voor. Bijna overal is hij zeldzaam, of wordt althans +niet veelvuldig aangetroffen. Hij houdt zich op in de dichtste wouden. Daar hij geheel en al nachtdier is, brengt hij den +dag slapend in de boomkronen door. Zijne bewegingen zijn onbeholpen, langzaam en afgemeten; hij klimt echter behendig, hoewel +voorzichtig en steeds met behulp van den staart. Zijn voedsel bestaat uit Mieren, Termieten, Bijen, Wespen, en uit de larven +van deze Insecten. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Gordeldieren</span> (<i>Dasypodidae</i>) zijn, evenals de Luiaards, ontaarde afstammelingen van een familie, die vroeger van grootere beteekenis was, dan nu. In +vergelijking met sommige van hunne verwanten uit den voortijd moet men ze als dwergen beschouwen. Sommige van deze, die een +rugpantser hadden uit onbewegelijk aaneengevoegde beenplaten samengesteld (<i>Glyptodontia</i>), bereikten de afmetingen van een Neushoorndier, o.a. <i>Panochthus tuberculatus</i>; de grootste soorten van het geslacht <i>Glyptodon</i> werden 2 M. lang en 1.2 M. hoog; het rugpantser van <i>Glyptodon reticulatus</i> had een lengte van 1.6 M. en een hoogte van 1 M. Sommige soorten van andere geslachten hadden minstens den omvang van een +Rund; <i>Doedicurus clavicaudatus</i> b.v. was 3.6 M. lang. [Nog grooter waren echter de nauw aan de Luiaards verwante <span class="letterspaced">Gravigraden</span>: het in 1789 te Lujan bij Buenos Aires uitgegraven skelet van <i>Megatherium Cuvieri,</i> dat zich in ’t museum te Madrid bevindt, had een lengte van 4.5 M. bij een hoogte 2.5 M. Uit den bouw der ledematen van dezen +<span class="letterspaced">Reuzenluiaard</span> blijkt, dat hij zich slechts langzaam en onbeholpen over den bodem kon voortbewegen, en dat de voorpooten grijporganen waren, +die vermoedelijk dienden om takken en twijgen af te breken, of zelfs om geheele boomen om te werpen, terwijl het gewicht van +het lichaam door de achterpooten en den staart werd gedragen.] De hedendaagsche Gordeldieren worden slechts 1.5 M., zonder +den staart echter slechts 1 M. lang. Alle gordeldieren zijn plompe wezens met een, wegens den langen snuit, langwerpigen kop, +waarboven groote varkensooren uitsteken, met een stevigen staart en korte pooten, die zeer krachtige, voor ’t graven geschikte +klauwen dragen. Den naam ontleenen zij aan het eigenaardige maaksel van hun uit beenplaten samengesteld, door de lederhuid +gevormd pantser, dat bedekt is door een opperhuid, welker buitenste laag verhoornt. Het pantser van de meeste soorten bestaat +uit drie afdeelingen: een onbeweeglijk voorste of <span class="letterspaced">schouderschild</span>, een uit beweeglijke dwarsringen of gordels samengesteld <span class="letterspaced">middelschild</span>, en een onbeweeglijk <span class="letterspaced">kruis</span> of <span class="letterspaced">bekkenschild</span>. Door de beweeglijke gordels onderscheidt zich dit pantser van het schubbenkleed van andere Zoogdieren. De middelste gordels, +die voor de onderscheiding van de soorten van belang zijn, hoewel hun aantal ook bij de dieren van dezelfde soort niet altijd +even groot is, bestaan uit langwerpige, vierhoekige platen, terwijl het schouderschild en het kruisschild gevormd worden door +dwarsrijen van vier- of zeshoekige platen, waartusschen kleine, onregelmatige platen gelegen zijn. De voorrand van iederen +gordel wordt in den regel door den achterrand van den voorafgaanden gordel bedekt. Bij eenige soorten is het geheele rugpantser +uit zulke bewegelijke dwarsringen samengesteld. De kop, de staart en de buitenzijde van de ledematen worden door kleinere +beenplaten beschermd. Alleen de bovenzijde van deze dieren is gepantserd; de onderzijde van den romp is met meer of minder +grove, borstelige haren bedekt; zulke borstels komen ook op vele plaatsen tusschen de schilden te voorschijn. + +</p> +<p>Bij geen enkele Zoogdieren-familie varieert een aantal tanden zoo sterk als bij de Gordeldieren. Eenige soorten hebben zooveel +tanden, dat de naam Tandeloozen, op hen toegepast, eerst dan eenige beteekenis krijgt, wanneer men er de nadruk op legt, dat +de tusschenkaaksbeenderen altijd tandeloos zijn, of wanneer men op de gebrekkigheid van de tanden wijst. Tot dusver heeft +men nog niet eens met voldoende zekerheid kunnen bepalen, hoeveel tanden deze of die soort van Gordeldieren bezit, want ook +binnen de grenzen van de soort komen er ten aanzien van het aantal tanden belangrijke afwijkingen voor. Over ’t algemeen kan +men zeggen, dat dit getal nooit geringer is dan acht in elke kaakhelft, en dat het stijgen kan tot 26 aan elke zijde van de +bovenkaak, en 24 aan elke zijde van de onderkaak, zoodat het geheele aantal tanden 100 kan bedragen. Ondanks dit groot aantal +tanden is het gebit van weinig beteekenis; door hun onvolkomen samenstelling hebben zij als ’t ware opgehouden tanden te zijn. +Zij gelijken op zijdelings samengedrukte cylinders, hebben geen echte wortels, missen het email en wisselen ook in groote +aanmerkelijkheid af. Gewoonlijk nemen zij van den eersten tot ongeveer den middelsten allengs aan grootte toe, en daarna naar +achteren langzamerhand af, maar ook deze verhouding is geen doorgaande regel. Bovendien zijn de tanden buitengewoon zwak. +Wel grijpen zij in elkander, maar het dier is niet in staat met kracht toe te bijten of te kauwen.—De tong gelijkt eenigszins +op die van den Miereneter, maar is veel korter en kan niet zoo ver buiten den bek gestoken worden; zij is driekantig toegespitst +en met kleine verhevenheden bezet. Door buitengewoon groote speekselklieren in de onderkaak, wordt zij voortdurend bedekt +gehouden met een kleverig slijm. + +</p> +<p>Alle Gordeldieren zijn bewoners van het Zuid-Amerikaansche faunistische rijk tot aan Mexico. Zij bewonen schaars begroeide +en zandige vlakten en velden, en komen niet verder dan tot aan den woudzoom, zonder in dezen door te dringen. Slechts gedurende +de paring komen verscheidene individuën van dezelfde soort bijeen; gedurende het overige deel van ’t jaar leeft ieder Gordeldier +afzonderlijk, en bekommert zich niet veel om de andere levende wezens, met uitzondering van die, welke het tot voedsel dienen. +Alle Gordeldieren verbergen zich over dag zooveel mogelijk en graven daarom gangen, die bij de meeste geen groote uitgestrektheid +hebben; één soort leeft echter, evenals de Mol, onder den grond. De overige graven hunne holen bij voorkeur aan den voet van +groote Mieren- of Termietenwoningen; omdat hun voedsel hoofzakelijk bestaat uit Insecten en hunne larven, vooral echter uit +Mieren en Termieten. Wormen en Slakken worden, als de gelegenheid zich voordoet, ook opgegeten; doode dieren, die in ontbinding +verkeeren, worden evenmin versmaad; sommige houden ook veel van plantaardig voedsel. + +</p> +<p>Zoodra ’s avonds de duisternis invalt, verschijnen de gepantserde dieren voor hunne onderaardsche woningen, en zwerven een +tijd lang rond, waarbij zij zich langzaam stappend van de eene plaats naar de andere begeven. De vlakke bodem is hun eigenlijk +rijk; hier zijn zij te huis zooals weinig andere dieren. Zoo langzaam en traag zij schijnen, als zij gaan of op een andere +wijze zich bewegen, zoo snel en behendig zijn <a id="d0e434"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e434">367</a>]</span>zij, als het hun doel is in den grond te graven. Als zij opgejaagd, verschrikt of vervolgd worden, weten zij niets beters +te doen, dan zich in den volsten zin van het woord aan den grond toe te vertrouwen. En zij verstaan het graven werkelijk zoo +goed, dat zij letterlijk voor de oogen van den toeschouwer in den grond wegzakken. Omdat zij zoo geheel en al het vermogen +om zich te verdedigen missen, zouden zij weerloos aan hunne vijanden overgeleverd zijn, indien zij niet in staat waren hun +op deze wijze te ontkomen. Wel is waar is één soort in staat om zich tot een bal op te rollen als onze Egel; hij doet dit +echter alleen in den uitersten nood, om vervolgens zoo schielijk mogelijk weder te gaan graven en zich in den grond te verbergen. +Deze oogenschijnlijk zoo stumperachtige dieren weten zich trouwens ook wel in ’t water te redden. + +</p> +<p>De Gordeldieren zijn onschadelijke, vreedzame, stompzinnige wezens, zonder eenige in ’t oog loopende geestesgaven. Hun stem +bestaat uit een knorrend geluid, zonder kleur of uitdrukking. Ook de Gordeldieren staan aan den vooravond van hun algeheele +uitroeiing. Hun vermenigvuldiging is gering. Wel werpen eenige soorten tot aan 9 jongen; deze groeien echter zoo buitengewoon +langzaam, en zijn evenals hunne ouders zoo weinig opgewassen tegen hunne vijanden, dat er bij geen enkele soort sprake kan +zijn van toeneming van het aantal. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Gordeldieren</span> of <span class="letterspaced">Armadillen</span> (<i>Dasypus</i>) hebben alle nagenoeg dezelfde gestalte. De op korte pooten rustende romp is gedrongen, de kegelvormige staart middelmatig +lang, gepantserd en stijf, de pantserschilden beenig en volkomen met de onderliggende deelen vergroeid. Het middelschild bestaat +uit zes of meer beweeglijke gordels. Alle voeten hebben vijf teenen; de klauwen van de voorvoeten zijn zijdelings samengedrukt, +de buitenste een weinig naar buiten gedraaid. + +</p> +<p>Alle Gordeldieren dragen in de Guaranische taal den geslachtsnaam <span class="letterspaced">Tatoe</span>, die ook in de Europeesche talen is overgenomen. De naam “Armadil” is van Spaanschen oorsprong en beteekent eigenlijk “gepantserd”, +“met een harnas voorzien.” Deze naam wordt bij voorkeur gebruikt voor het <span class="letterspaced">Zesgordelige Gordeldier</span>, terwijl men voor de overige soorten den Guaranischen of anderen vaderlandschen naam behouden heeft. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een van de meest bekende Gordeldieren—de <span class="letterspaced">Tatoepoyoe</span> der Guarani, d.i. de “Tatoe met de gele hand”, ons <span class="letterspaced">Borstelig Gordeldier</span> (<i>Dasypus villosus</i>),—dat de Pampas van Buenos Aires bewoont, heeft van al zijne verwanten het leelijkste en plompste voorkomen. De nek is voorzien +met een kraag van 9 naast elkander gelegen, langwerpig vierhoekige schildjes; op het voorste deel van den rug bevinden zich +aan elke zijde zeven, in het midden vijf overlangsche reeksen van onregelmatig zeshoekige platen. Op dit schouderschild volgen +zes van elkander gescheiden, beweeglijke gordels, die uit langwerpig vierhoekige schildjes zijn samengesteld; hierna komt +het kruis- of bekkenschild, dat uit tien reeksen van langwerpig vierhoekige schildjes bestaat. Het dichtst bij den romp gelegen +deel van den staart is gepantserd met vijf beweegbare gordels, die uit vierhoekige schildjes samengesteld zijn; het overige +deel van den staart is met onregelmatig zeshoekige schildjes bedekt. De kop is aan de bovenzijde door een groep van onregelmatig +zeshoekige schildjes beschut, dit kopschild heeft boven ieder oog een inham. Onder ieder oog bevinden zich eenige samenhangende, +horizontale en aan den hals twee dwarsloopende, niet samenhangende reeksen van schildjes. Ook de bovenzijde van de voeten +en de voorzijde van den voorarm zijn met onregelmatig zeszijdige schubben bezet. Alle pantserplaten zijn bruinachtig geel +van kleur; door schuring tegen de wanden van het hol worden zij soms lichtgeel. De overige lichaamsdeelen zijn bedekt met +een bruinachtige, gerimpelde huid, die met talrijke platte wratten bezet is. Lichtkleurige haren staan langs den achterrand +van de gordels en van eenige andere reeksen van schildjes; met bruine haren zijn de niet gepantserde lichaamsdeelen begroeid. +De lichaamslengte bedraagt 50 cM. zonder den 24 cM. langen staart, de schouderhoogte 24 cM. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Zesgordelige Gordeldier</span> (<i>Dasypus sexcinctus</i>) gelijkt op de vorige soort en is met inbegrip van den 20 cM. langen staart 55 à 60 cM. lang. Het heeft achter en tusschen +de ooren een uit acht stukken bestaande reeks van schildjes, zes breede gordels zijn gelegen tusschen het schouderschild en +het bekkenschild. Het pantser is bruinachtig geel, aan de rugzijde donkerder; de gewone huid is bleek bruinachtig geel. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De Gordeldieren blijven niet in een bepaald gebied, maar veranderen dikwijls van leger. Dit bestaat uit een gangvormig, 1 +à 2 M. lang hol, dat door henzelf gegraven wordt. De opening van dit hol is kringvormig en heeft, al naar de grootte van het +dier, een middellijn van 20 à 60 cM.; nader bij het blind loopende uiteinde wordt de gang wijder; het laatste gedeelte is +kamervormig, zoodat de bewoner zich onder den grond gemakkelijk omdraaien kan. In de wildernis gaan deze dieren, als de lucht +bewolkt is en het felle zonlicht hen dus niet hindert, ook over dag uit; in bewoonde gewesten verlaten zij hunne holen niet +voordat de schemering aanvangt, maar zwerven dan ook gedurende den ganschen nacht rond. Het schijnt hun tamelijk onverschillig +te zijn, of zij hun hol terugvinden of niet; als zij den weg gemist hebben, graven zij zonder aarzeling een nieuw hol. Hiermede +beoogen zij een tweeledig doel, zooals reeds door <span class="smallcaps">Azara</span> werd opgemerkt en door andere natuuronderzoekers bevestigd: de Gordeldieren leggen hunne holen hoofdzakelijk onder Mieren- +en Termietenhoopen aan om in de gelegenheid te zijn, hun belangrijkste voedsel ook over dag in te zamelen. + +</p> +<p>Behalve uit Mieren en Termieten bestaat het voedsel van de Gordeldieren hoofdzakelijk uit Kevers en hunne larven, uit Rupsen, +Sprinkhanen en Aardwormen. Het staat bovendien onwedersprekelijk vast, dat zij ook plantaardig voedsel gebruiken; uit het +onderzoek van de maag van gedoode dieren is dit gebleken. + +</p> +<p>Het is licht te begrijpen, dat de omzwervingen van den Armadil altijd slechts binnen een beperkten kring kunnen plaats hebben. +De gewone gang van deze dieren is een langzame draf, de eenige versnelling, die zij er in kunnen aanbrengen, is het schielijker +verplaatsen van de pooten; toch kunnen zij op deze wijze zoo snel vooruitkomen, dat een mensch ze niet kan inhalen. Het is +voor hen een onmogelijkheid sprongen te maken of zich snel en behendig om te draaien. De zwaarlijvigheid verhindert gene, +het nauwsluitend pantser deze verrichting. Zij kunnen dus, als zij aan hun gang de grootst mogelijke snelheid willen geven, +niets anders doen dan in rechte richting voortdraven of een zeer grooten boog beschrijven; zij zouden weerloos aan <a id="d0e493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e493">368</a>]</span>hunne vijanden prijs gegeven zijn, indien zij niet andere kunststukken verstonden. Wat aan hun behendigheid ontbreekt, wordt +door hun groote spierkracht vergoed. Deze openbaart zich vooral in de snelheid, waarmede zij zich in den grond verbergen, +zelfs op plaatsen waar een houweel slechts met moeite doordringt, b.v. aan den voet van Termieten-heuvels. Een volwassen Tatoe, +die een vijand in de buurt bespeurt, heeft slechts 3 minuten noodig om een gang te graven, die aanmerkelijk langer is dan +zijn lichaam. Zoodra zij zich zoover hebben ingegraven, dat hun lichaam geheel in den gang is doorgedrongen, is zelfs de sterkste +man niet meer in staat, om ze aan den staart rugwaarts uit hun hol te trekken. Daar hunne holen nooit wijder zijn dan voor +het binnensluipen juist noodig is, hebben zij eenvoudig hun rug eenigszins te krommen om te maken, dat de randen van de gordels +aan de rugzijde en de scherpe klauwen aan de buikzijde den weerstand zoozeer doen toenemen, dat niemand dien overwinnen kan. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1368.jpg" alt="Zesgordelig Gordeldier (Dasypus sexcinctus). ⅕ v.d. ware grootte." width="720" height="433"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zesgordelig Gordeldier</span> (<i>Dasypus sexcinctus</i>). ⅕ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het wijfje werpt in den winter of in het voorjaar 4 à 6 jongen en houdt ze gedurende eenige weken zorgvuldig in haar hol verborgen. +Waarschijnlijk duurt de zoogtijd niet lang, want men ziet de jongen spoedig in ’t veld rondloopen. Zoodra zij eenigszins in +staat zijn om zichzelf te redden, gaat ieder zijns weegs en de moeder bekommert zich in ’t geheel niet meer om haar kroost. + +</p> +<p>Men jaagt den Tatoe gewoonlijk bij maneschijn. De jager wapent zich met een dikken stok van hard hout, die aan het einde spits +of ook wel knotsvormig toeloopt en zoekt met eenige Honden het wild op. Als de Tatoe de Honden nog te rechter tijd bemerkt, +vlucht hij oogenblikkelijk naar zijn eigen hol; veel liever graaft hij zich zoo schielijk mogelijk een nieuw hol, dan dat +hij in een vreemd hol zijn toevlucht zoekt. Als de Honden hem ingehaald hebben, voordat hij het hol bereikt heeft, dan is +hij verloren. Daar zij hem met de tanden niet aanpakken kunnen, houden zij hem met den snuit en de pooten vast, totdat de +jager bij hen gekomen is en het Gordeldier door een slag op den kop doodt. Geoefende Honden trachten den loopenden Tatoe met +den neus om te wenden om hem aan de onderzijde te kunnen aangrijpen. Als dit gebeurd is, verscheuren zij hem oogenblikkelijk +in den letterlijken zin van ’t woord; het pantser kraakt daarbij onder hunne tanden, alsof eierschalen worden stuk geknepen. +Een Tatoe, die zijn hol heeft kunnen bereiken, ontkomt altijd aan de Honden, omdat het hun niet mogelijk is, hem op te graven. +Wanneer hij door de Honden gegrepen is, denkt hij er niet aan zich te verdedigen, hoewel hij, naar men zou zeggen, met zijne +klauwen belangrijke verwondingen zou kunnen toebrengen. + +</p> +<p>Alle Gordeldieren worden door de Zuid-Amerikanen ten zeerste gehaat, omdat zij de oorzaak zijn van vele ongelukken. De koene +ruiters van de steppen, die het grootste deel van hun leven te Paard zittend doorbrengen, worden door den arbeid der Gordeldieren +op sommige plaatsen zeer gehinderd. Het paard, dat in gestrekten galop voortsnelt, trapt plotseling in een hol, en kan met +den ruiter verongelukken. Daarom vervolgen de eigenaars van alle landbouwondernemingen en veefokkerijen den armen pantserdrager +op de onmeedoogendste en volhardendste wijze. Behalve door den mensch, wordt hij vervolgd door de groote soorten van Katten, +door den Braziliaanschen Wolf en door den Jakhalsvos. + +</p> +<p>Zelden worden in Paraguay Tatoes in gevangenschap gehouden. Zij zijn te vervelend, en door hun neiging tot woelen ook te schadelijk +om als huisgenooten van den mensch diens vriendschap te kunnen verwerven. + +</p> +<p>De Gordeldieren worden dikwijls naar Europa gebracht, en in eenige diergaarden bij de Apen geborgen. In de gevangenschap worden +zij met Wormen, Insecten, Insectenlarven en rauw of gekookt vleesch gevoed. Het vleesch moet men echter voor hen in kleine +stukjes snijden, omdat zij van groote stukken niets afbijten kunnen. Zij vatten de spijs aan met de lippen of met de tong, +die zich sterk kan verlengen. Wanneer zij behoorlijk verzorgd worden, kunnen zij jaren lang blijven leven en in goeden welstand +gehouden worden; gewillig of onwillig dienen zij als rijdieren en speelkameraden voor de Apen, laten zich alles welgevallen, +geraken gewoon aan wandelingen over dag, en planten zich ook wel voort. Jongen, die in den Londenschen dierentuin ter wereld +kwamen, waren bij de geboorte blind; aan hun nog zachte huid waren alle plooien en velden van het volwassen dier reeds zichtbaar. + +</p> +<p>Het nut van de Gordeldieren is niet onbelangrijk. De Indianen houden zeer veel van het vleesch van alle soorten dezer familie; +slechts twee van deze <a id="d0e517"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e517">369</a>]</span>vallen bij de Europeanen in den smaak. Volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> verliest het vleesch de hieraan eigen muscusreuk, als het een nacht over in een oplossing van zout en citroensap blijft liggen. +<span class="smallcaps">Rengger</span> verzekert, dat gebraden Gordeldieren-vleesch, met Spaansche peper en citroensap toebereid een van de smakelijkste gerechten +van de Paraguayaansche keuken is. De Indianen van Paraguay maken van het pantser korfjes; de Botokoeden gebruiken het afgestroopte +staartpantser als spreektrompet; vroeger maakte men van gedeelten van het pantser ook klankbodems voor gitaren. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het nog weinig bekende <span class="letterspaced">Kogel-gordeldier</span> (<i>Tolypeutes tricinctus</i>) wordt door de inboorlingen <span class="letterspaced">Apar</span> of <span class="letterspaced">Matako</span>, door de Spanjaarden <span class="letterspaced">Bolita</span> genoemd. De eerste beschrijving van dezen vertegenwoordiger van een nieuw geslacht, werd gemaakt naar een opgezet exemplaar, +dat door sommige onderzoekers gehouden werd voor een uit stukken van verschillende soorten samengesteld voorwerp. Reeds <span class="smallcaps">Azara</span> gaf echter van het bedoelde dier zulk een duidelijke beschrijving, dat zijn bestaan niet langer betwijfeld kon worden. Hij +zegt, dat de Matako niet in Paraguay aangetroffen wordt, maar op 36° Z.B. en verder zuidwaarts voorkomt. “Sommigen noemen +hem Bolita, omdat hij de eenige is van alle Tatoes, die, als hij bevreesd is, of gevaar loopt gevangen te worden, den kop, +den staart en de vier pooten verbergt, door van het geheele lichaam een kogel te vormen, die men als een bal in alle richtingen +kan rollen, zonder dat het dier zijn gewone houding herneemt. Men kan dezen kogel ook slechts met groote moeite ontrollen. +De jagers dooden het dier door het met geweld tegen den grond te werpen.” + +</p> +<p>Zijn lengte, gemeten van het puntje van den snuit tot aan de spits van den staart, bedraagt 45 cM.; de 7 cM. lange staart +is van onderen aan de spits rond of kegelvormig, aan den wortel daarentegen in de breedte samengedrukt. De schubben zijn niet +vlak zooals bij de overige soorten, maar gelijken meer op dikke korrels en treden ver naar buiten. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1369.jpg" alt="Kogel-gordeldier (Tolypeutes tricinctus). Volgens teekeningen van Göring. ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="509"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kogel-gordeldier</span> (<i>Tolypeutes tricinctus</i>). Volgens teekeningen van <span class="smallcaps">Göring</span>. ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p><span class="smallcaps">Anton Göring</span> kreeg een levende Bolita, uit San Louis in westelijk <span id="d0e566" class="corr" title="Bron: Argentenië">Argentinië</span> het eigenlijke vaderland van deze diersoort, of althans de streek, waar zij het veelvuldigst voorkomt. Daar leeft dit dier, +juist zooals <span class="smallcaps">Azara</span> aangeeft, in het vrije veld; of het ook in eigen gegraven holen woont, kon <span class="smallcaps">Göring</span> niet gewaar worden. De inboorlingen nemen het bij de vangst van andere Gordeldieren (die gelijk reeds gezegd werd, een lievelingsspijs +van de Gaucho’s zijn) bij gelegenheid mede. Omdat echter de Matako een aardig dier is, vindt hij gewoonlijk genade in hunne +oogen; hij blijft gespaard, maar wordt gevangen gehouden. Hij dient n.l. als speelgoed voor de kinderen des huizes, die met +hem werpen als met een bal, of hem langs een plank naar beneden laten rollen en zich vermaken met het geklepper, dat hij door +zijn zonderlinge gang veroorzaakt. <span class="smallcaps">Göring</span> werd dikwijls door zijne bezoekers aangezocht om zijn Bolita te laten zien. Hoewel deze nog niet lang gevangen was geweest, +gaf hij reeds eenige bewijzen van vertrouwelijkheid, en nam zonder schroom het voedsel, dat men hem voorhield uit de hand. +Hij at allerlei vruchten en bladen, vooral <span id="d0e578" class="corr" title="Bron: peziken">perziken</span>, komkommers en salade; dit deed hij slechts, wanneer men hem deze zaken voorhield, maar toch meermalen op een dag, zoo vaak +men hem wat gaf. Het voedsel moest voor hem, wegens zijn kleine mondopening, in smalle stukjes gesneden zijn, die hij vervolgens +op een zeer nette wijze opnam. Hij sliep zoowel over dag als ’s nachts. Hiertoe strekte hij de voorpooten recht voor zich +uit, trok de achterpooten in, en ging liggen op deze en op den buik; de kop werd benedenwaarts gebogen en tusschen de voorpooten +verborgen. De rug was in iedere houding sterk bovenwaarts gekromd; het dier was niet bij machte hem geheel te strekken. Hoewel +het in het bijzijn van verscheidene personen volkomen rustig heen en weerliep, kromp het toch dadelijk ineen, zoodra men het +aanraakte, <a id="d0e581"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e581">370</a>]</span>en deed dit, als men het drukte, zoo sterk, dat het bijna een volslagen bol werd. Als men het daarna met vrede liet, strekte +het zich allengs weder uit, en zette zijn wandeling voort. + +</p> +<p>Het was een bijzonder aardig dier; elk zijner bewegingen was, hoe vreemdsoortig ook, toch werkelijk bevallig. De gang op de +spitsen van de omstreeks 3 cM. lange, gekromde klauwen, was in de hoogste mate verrassend en wekte steeds de verwondering +van alle toeschouwers. Als men het buiten liet loopen, trachtte het zoo schielijk mogelijk te ontvluchten; wanneer het echter +ingehaald werd door een vervolger, b.v. door een Hond, dan rolde het zich tot een kogel samen. Als men deze kogel over den +bodem voortrolde, bleef hij vast gesloten; zoodra echter de beweging ophield, ontrolde het dier zich en liep weg. De Honden +toonden zich niet meer gebeten op den Bolita dan op alle overige Gordeldieren. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het geslacht <i>Priodon</i>, dat boschrijke gewesten van Brazilië en Guyana bewoont, wordt vertegenwoordigd door het <span class="letterspaced">Reuzen-gordeldier</span> (<i>Priodon gigas</i>). De Prins <span class="smallcaps">Von Wied</span>, die dit dier niet te zien heeft kunnen krijgen, meent, dat het over het grootste deel van Brazilië en misschien zelfs over +geheel Zuid-Amerika verbreid is. In de groote oerwouden vonden zijne jagers dikwijls holen of gangen van dit dier, vooral +onder de wortels van oude boomen, en men kon zijn omvang uit de wijdte dezer woningen afleiden. De jagers onder de inboorlingen +beweerden, dat het hierin een groot Zwijn evenaart, welke mededeeling niet in tegenspraak was met de wijdte der holen, en +nog meer bevestigd werd door de staarten dezer dieren, welke de Prins aantrof bij de Botokoeden, die aan de oevers van den +Rio Grande de Belmonte wonen. Deze wilden gebruiken als spreektrompet een voorwerp, dat zij “Tatoe-staart” noemen en dat 36 +cM. lengte heeft bij 8 cM. middellijn aan het dikste uiteinde. + +</p> +<p>Uit latere onderzoekingen bleek, dat het Reuzen-gordeldier een lichaamslengte van 1 M. en meer bereikt, zonder den ongeveer +half zoo langen staart; volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> kan het 45 KG. zwaar worden. Het voorhoofd en de schedel zijn met zeer onregelmatige beenplaten bedekt. Het schouderpantser +bestaat uit tien gordelvormige reeksen van beenplaten, waartusschen dicht bij den achterrand van weerszijden nog een reeks +doordringt; de beweeglijke gordels zijn ten getale van 12 of 13 voorhanden; het heuppantser bestaat uit 16 à 17 reeksen van +schilden. Deze zijn vierkant of rechthoekig, ook wel vijf- of zeshoekig, die van de achterste reeksen van het heuppantser +onregelmatig; de staart is met onregelmatige, vierhoekige beenplaten bedekt. Het merkwaardigste van het geheele dier is misschien +zijn gebit. In elke bovenkaakshelft komen 22 à 24 tanden voor, waarvan er echter dikwijls verscheidene uitvallen; steeds echter +bestaat dit gebit uit 90 à 100 tanden, of althans organen, die de tanden vervangen. In de voorste helft van elke reeks zijn +het namelijk slechts dunne platen en eerst verder achterwaarts worden zij allengs dikker. Waarom het Reuzen-gordeldier dit +kolossaal gebit bezit is nagenoeg onverklaarbaar, daar het zich, voor zoover men weet, door zijn voedingswijze volstrekt niet +van de overige soorten onderscheidt. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1370.jpg" alt="Gordelmuis (Chlamydophorus truncatus). ½ v.d. ware grootte." width="720" height="397"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gordelmuis</span> (<i>Chlamydophorus truncatus</i>). ½ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + +</p> +<p>De Amerikaan <span class="smallcaps">Harlan</span> ontdekte in het jaar 1824 niet ver van Mendoza in westelijk Argentinië tot groote verbazing van de bewoners dezer gewesten, +die met het bestaan van dit dier nagenoeg onbekend waren, een hoogst merkwaardig lid van de familie der Gordeldieren—de <span class="letterspaced">Gordelmuis</span> (<i>Chlamydophorus truncatus</i>). Gedurende geruimen tijd waren er slechts twee exemplaren van bekend, die in de verzamelingen van Philadelphia en Londen +bewaard werden en gelukkig op de zorgvuldigste wijze onderzocht konden worden. De Gordelmuis wordt terecht als vertegenwoordigster +van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij onderscheidt zich echter van de overige, reeds genoemde Gordeldieren meer door +haar pantser dan door haar inwendig maaksel. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Schildmol</span> of <span class="letterspaced">Gordelmuis</span> is door het hoogst eigenaardige, bijna lederachtige hoornpantser, dat zijn lichaam bedekt, een der merkwaardigste leden van +het geheele dierenrijk. Dit zonderlinge wezen is een dwerg in vergelijking met de andere Gordeldieren en overtreft de kleinste, +bekende Zoogdieren slechts weinig in grootte. Door zijn vorm en meer nog door zijn levenswijze herinnert het sterk aan de +Mollen. Zijn kop is kort, de achterste helft breed, de voorste toegespitst, en eindigt in een tamelijk korten, stompen snuit. +De oogen zijn klein en liggen verborgen onder <a id="d0e637"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e637">371</a>]</span>de afhangende haren. De op korten afstand achter de oogen gelegen ooren hebben geen waarneembare oorschelp. In elke kaakhelft +treft men acht kiezen aan van zeer eenvoudig maaksel; zij zijn rolvormig en, met uitzondering van de beide voorste in iedere +kaak, die een weinig spits toeloopen, aan de kauwvlakte afgeplat. De pooten zijn kort, de voorste ledematen zeer krachtig, +plomp en bijna op gelijke wijze als die der Mollen samengesteld; de achterste daarentegen veel smaller dan de voorste, met +lange en smalle voeten voorzien. Alle teenen dragen middelmatig scherpe klauwen; die van de voorvoeten zijn zeer groot en +stevig en vormen krachtige graafwerktuigen. De staart, die in een inham van het pantser, dat het achterste deel van het lichaam +bedekt, vastgehecht is, maakt plotseling een benedenwaartsche kromming en is tusschen de achterpooten door, langs het onderlijf +teruggebogen, zoodat hij geheel tegen den buik ligt. + +</p> +<p>De geheele bovenzijde van het lichaam wordt bedekt door een bijna lederachtig, uit hoorn bestaand schild-pantser, dat tamelijk +dik is en minder buigzaam dan zoolleder, het begint op den kop, dicht bij de spits van den snuit, en strekt zich over den +geheelen rug tot op het achterste deel van den romp uit, welks bovenvlakte hier rechthoekig benedenwaarts gebogen is, waardoor +het dier er uitziet, alsof het afgeknot, verminkt werd. Dit pantser—dat meestal uit regelmatige dwarse gordels of reeksen +van grootendeels rechthoekige, gedeeltelijk echter ruitvormige en ook wel onregelmatige, met knobbeltjes bezette schilden +bestaat—is geenszins, zooals bij de overige Gordeldieren, overal stevig met de lichaamshuid verbonden, maar ligt er grootendeels +slechts los over heen. Volgens een lijn, die over het midden van den rug loopt, is het door een vlies bevestigd aan de doornuitsteeksels +van de wervelkolom; bovendien is het door middel van twee schilden aan de beide halfbolvormige uitsteeksels van het voorhoofdsbeen +aangehecht; daarentegen wijkt het aan de zijden van den romp van de oppervlakte af en kan daar opgetild worden. Aan het voorste +deel van den kop is het pantser echter stevig met het geraamte verbonden en ook aan het achterste deel van den romp, waar +het een vlakke plaat vormt over het afgeknotte deel van ’t lichaam. Hoewel de ruimten tusschen de gordels niet bijzonder groot +zijn, laten zij toch een vrij groote buiging van den romp toe; zelfs is er reden voor het vermoeden, dat dit dier zijn lichaam +tot een bal ineenrollen kan. Het volkomen onbeweeglijke, met den staart slechts door een vlies verbonden pantser van het achterdeel, +dat een rechten hoek vormt met de as van lichaam en volkomen plat is, bestaat uit 5 of 6 half-kringvormige reeksen van deels +rechthoekige, deels ruitvormige schildjes. Het geheele pantser is aan zijn bovenzijde zoowel als aan het niet met de huid +verbonden deel van de onderzijde onbehaard en volkomen glad; alleen aan de onderranden bevinden zich talrijke, tamelijk lange, +zijdeachtige haren. Daarentegen is de huid van het dier overal en zelfs onder de losse gedeelten van het pantser, tamelijk +dicht met lange, fijne en zachte, bijna zijdeachtige haren begroeid, met uitzondering alleen van den staart, de zolen, de +spits van den snuit en de kin, die volkomen naakt zijn. De lengte van het lichaam bedraagt 13 cM., zonder den 3.5 cM. langen +staart; de schouderhoogte is 5 cM. + +</p> +<p>In de dierkundige werken wordt van de levenswijze van de Gordelmuis niet anders bericht, dan dat zij in zandige vlakten leeft +en hier op soortgelijke wijze als onze Mol in Europa, lange gangen onder de oppervlakte van den grond graaft; met zorg vermijdt +zij het verlaten van haar onderaardsch paleis en komt waarschijnlijk alleen bij toeval aan de oppervlakte van den bodem. Naar +men zegt doorwoelt zij met groote snelheid den grond, zij loopt er doorheen evenals de Mol; aan de aardoppervlakte zijn hare +bewegingen echter langzaam en plomp. Hoogstwaarschijnlijk maakt zij jacht op Insecten en Wormen, misschien behelpt zij zich +soms ook met malsche wortels. Van haar voortplanting weet men alleen, dat zij niet snel geschiedt. De inboorlingen beweren, +dat het wijfje hare jongen onder haar pantser verborgen medevoert. + +</p> +<p>Men ziet hoe gebrekkig deze mededeelingen zijn, terwijl sommige bovendien slechts op bloote vermoedens berustten. Des te aangenamer +was het mij, van <span class="smallcaps">Göring</span> nog iets over dit dier te vernemen: “De Schildmol leeft niet alleen in Mendoza maar ook in San Louis” (beide staten van de +Argentijnsche Republiek, aan of bij de Chileensche grens). “De Spanjaarden noemen hem <span class="letterspaced">Bicho ciego</span>, omdat zij meenen, dat hij geheel blind is; enkele geven hem echter den naam <span class="letterspaced">Juan calado</span> (‘Jan Kant’). Dit diertje bewoont zandige, droge, steenachtige gewesten, hoofdzakelijk zulke, die met doornplanten en cactussen +begroeid zijn. Over dag houdt het zich steeds verborgen onder den grond; des nachts echter verschijnt het ook aan de oppervlakte, +vooral bij maneschijn loopt het buiten zijn hol rond, het liefst onder struiken.” + +</p> +<p>Men vangt dit dier niet anders dan bij toeval, vooral bij het graven van de besproeiingskanalen, die aangelegd moeten worden +daar, waar men den bodem bebouwen wil. Eenige malen is het ook bij de vangst van andere Gordeldieren mede gevangen geworden. +In den laatsten tijd heeft men zich, om aan de veelvuldige aanzoeken te voldoen, wat meer moeite gegeven om Schildmollen te +vangen; dit kost echter, naar het schijnt, veel moeite, daar <span class="smallcaps">Göring</span>, die zich 7 maanden lang in deze streken ophield, in weerwil van alle pogingen, die hij deed en de verlokkendste beloften, +geen enkel levend of versch gedood exemplaar meester kon worden. Ook thans nog is de “Bicho ciego” een voorwerp van bewondering +voor de inboorlingen. Zij laten ieder door hen gevangen exemplaar zoo lang leven, als het bij de gebrekkige zorg die zij er +aan wijden, leven kan en bewaren het vervolgens als een groote merkwaardigheid, zoo goed hun dit mogelijk is. Over ’t algemeen +hebben de Zuid-Amerikanen de gewoonte om dieren, die hun merkwaardig voorkomen, in gevangenschap te houden, zonder er evenwel +aan te denken ze ook goed te verzorgen. Daar deze menschen het prepareeren en opzetten van dieren niet kennen, vindt men de +Schildmollen bij hen alleen in den toestand van mummiën. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Schubdieren</span> (<i>Manididae</i>) komen door lichaamsvorm en levenswijze met de Miereneters overeen, maar vormen toch een familie op zich zelf, die van de +zooeven genoemde duidelijk onderscheiden is. Het lichaam van de Schubdieren is n.l. aan de bovenzijde bedekt met groote, plaatvormige +hoornschubben, die elkander dakpansgewijs of liever als de schubben van een dennekegel bedekken. Deze bedekking, het voornaamste +kenteeken der familie, is eenig in haar soort; want het pantser van de Gordeldieren en van de Gordelmuizen vertoont slechts +een verwijderde overeenkomst met de bedoelde eigenaardige hoornvormingen, die wat haar vorm betreft, eerder met de schubben +van een Visch of van een Kruipend Dier vergeleken <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">372</a>]</span>kunnen worden dan met eenig voortbrengsel van de huid van een Zoogdier. + +</p> +<p>Tot nauwkeuriger omschrijving van de Schubdieren moge het volgende dienen: De romp is gestrekt, de staart lang, de kop klein, +de snuit kegelvormig toegespitst; de vóór- en achterpooten zijn kort, hunne voeten hebben vijf teenen, die met stevige, voor +’t graven geschikte klauwen gewapend zijn. Slechts aan de keel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde der pooten ontbreken +de schubben, terwijl het geheele overige deel van het lichaam door het “schobbejak” omhuld is. Alle schubben zijn met de eene +spits in de lichaamshuid vastgehecht; zij hebben een ruitvormige gedaante, zijn aan de randen zeer scherp en bovendien buitengewoon +hard en vast. Door deze inrichting kan het lichaam tamelijk goed in alle richtingen bewogen worden; de schubben zelf kunnen +trouwens even goed zijdelings heen en weer geschoven, als opgericht en tegen het lichaam aan gelegd worden. + +</p> +<p>Tusschen de schubben in en op de ongeschubde lichaamsdeelen staan dunne haren, die echter soms aan de buikzijde volkomen wegslijten. +De snuit is ongeschubd, maar met een stevige, hoornachtige huid bedekt. De kaken zijn volkomen tandeloos. Een eigenaardige, +breede spier, die evenals bij den Egel onder de huid gelegen is, dient voor het ineenrollen of in een bol veranderen van het +lichaam. De tong is tamelijk lang en vooruitsteekbaar; buitengewoon groote speekselklieren leveren haar het noodige slijm +om het voedsel, dat uit Insecten, waarschijnlijk vooral uit Mieren en Termieten, bestaat, er aan te doen kleven. + +</p> +<p>Een groot deel van Afrika en geheel Zuid-Azië alsmede eenige naburige eilanden vormen het vaderland van deze vreemdsoortige +dieren; zij houden zich op in steppen en boschstreken, in de gebergten zoowel als in de vlakten. Waarschijnlijk bewonen zij +alle holen, die door hen zelf gegraven zijn en leven hierin eenzaam en ongezellig. Evenals hunne verwanten verbergen zij zich +over dag, en bewegen zich ’s nachts. Aan gevangen Schubdieren heeft men opgemerkt, dat zij over dag slapen en dan ineengerold +zijn, zoodat de kop onder den staart verborgen is. Als de schemering aanvangt, ontwaken zij en zwerven daarna rond om voedsel +te zoeken. + +</p> +<p>De Schubdieren maken bij het gaan hoofdzakelijk gebruik van de achterste ledematen, die met de geheele zool op den grond rusten, +richten het sterk gekromde lichaam naar voren, buigen den kop ter aarde en laten de voorpooten hangen, zoodat de klauwen bijna +den bodem raken. Soms wordt ook de staart tegen den grond gedrukt tot ondersteuning van het lichaam gedurende het gaan; het +dier kan zijn evenwicht echter ook behouden, wanneer het den staart recht uitgestrekt of met de spits naar boven gekromd draagt. + +</p> +<p>Hunne bewegingen zijn volstrekt niet zoo langzaam en traag, als vroeger beweerd werd. Van een in Liberia waargenomen soort +(<i>Manis gigantea</i>) zegt <span class="smallcaps">Büttikofer</span>: “Dit dier loopt, in tegenstelling met hetgeen de boeken er van vermelden, zeer snel, zoodat een man het bijna niet zou kunnen +inhalen en richt zich, terwijl het vlucht, soms op de achterpooten en den staart op, om achterwaarts te zien; het laat dan +de voorpooten hangen.” Bovendien <span id="d0e687" class="corr" title="Bron: bevestigd">bevestigt</span> onze zegsman het feit, dat twee Afrikaansche soorten eveneens goede loopers zijn en bovendien behendig in de boomen kunnen +klimmen; van de laatstbedoelde zegt hij: “Deze dieren worden tam en kunnen langen tijd in huis gehouden worden, waar men ze +vrij laat rondloopen, omdat zij ijverig jacht maken op Mieren, Kakkerlakken en andere lastige Insecten. Zij zijn zeer behendig +en beklimmen in een ommezien de daken der huizen en de stammen der boomen.” + +</p> +<p>Als zij behoorlijk verzorgd worden, verdragen de Schubdieren geruimen tijd het leven in de gevangenschap. Ook raken zij tamelijk +spoedig gewoon aan melk, brood, ja zelfs aan graankorrels, hoewel Insecten steeds hun liefste voedsel blijven uitmaken. Het +vleesch van de Schubdieren wordt door de inboorlingen gegeten en als smakelijk geroemd; het pantser dient bij sommige volksstammen +tot het opsieren van verschillende gereedschappen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Langstaartige Schubdier</span> (<i>Manis <span id="d0e701" class="corr" title="Bron: langicaudata">longicaudata</span></i>) heeft een totale lengte van 1 à 1.3 M., waarvan bijna twee derden op den staart komen. Bij jongere dieren is de staart voluit +het dubbele van het overige lichaam; naarmate het dier ouder wordt, wijzigt zich deze verhouding eenigszins. De schubben bedekken, +met uitzondering van het onderste deel van de buitenzijde der voorpooten, de geheele boven- en buitenzijde van den romp en +van den staart, van dezen ook nog de onderzijde; de niet geschubde lichaamsdeelen zijn met stijve borstels begroeid. Het aangezicht +en de keel schijnen bijna geheel kaal. De buitengewoon stevige en aan de randen scherpe schubben zijn op het midden van den +rug het grootst. De algemeene kleur van het dier is zwartachtig bruin met een roodachtige tint; iedere schub afzonderlijk +is aan den voet zwartbruin en langs de randen geelachtig gezoomd. De borstelige haren zijn zwart. Het vaderland van dit dier +is West-Afrika. + +</p> +<p>Het eerste uitvoerige bericht over de levenswijze van dit Schubdier danken wij aan <span class="smallcaps">Desmarchais</span>: “In Guinea vindt men in de wouden een viervoetig dier, dat de Negers <span class="letterspaced">Quoggelo</span> noemen. Het is van den hals tot aan de spits van den staart met schubben bedekt, die bijna den vorm hebben van de bladen +van artisjokken, maar een weinig spitser toeloopen. Overal dicht opeengedrongen, zijn zij dik en stevig genoeg om het dier +te beschutten tegen de klauwen en tanden van andere dieren, die het aanvallen. De Luipaarden vervolgen het onophoudelijk en +bereiken het zonder moeite, daar het op lange na niet zoo snel loopt als zij. Het vlucht, maar wordt spoedig ingehaald. Zoomin +met de klauwen als met den bek, kan het zich tegen de vreeselijke tanden en klauwen van de Roofdieren verweren. Daarom rolt +het zich ineen en slaat den staart onder den buik, zoodat de spitsen van de schubben allerwege naar buiten gekeerd zijn. De +groote Katten rollen het zacht met de klauwen heen en weer, steken zich echter zoodra zij het steviger aangrijpen en zien +zich genoodzaakt het met vrede te laten. De Negers slaan het met stokken dood, trekken het de huid af, die zij aan de blanken +verkoopen, en eten zijn vleesch. In zijn snuit, die men met een eendensnavel zou kunnen vergelijken, ligt een zeer lange, +kleverige tong, die het in de gaten der mierenhoopen steekt of op hun weg legt; de Mieren, door den reuk aangelokt, begeven +zich dadelijk op deze tong en blijven er aan hangen. Bemerkt het dier, dat zijn tong met Insecten bedekt is, dan trekt het +haar in den bek terug en houdt zijn maal.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Pangolin</span> (<i>Manis pentadactyla</i>) heeft een korten staart en een volledig pantser op de buitenzijde van de voorpooten. Dit dier bewoont Vóór-Indië en Ceylon, +bij voorkeur heuvelachtige gewesten; het komt <a id="d0e722"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e722">373</a>]</span>echter nergens talrijk voor. Reeds <span class="smallcaps">Aelianus</span> bericht, dat er in Indië een dier voorkomt, dat er als een Landkrokodil uitziet. + +</p> +<p>Van de overige Schubdieren, met uitzondering van het Steppen-schubdier, onderscheidt de Pangolin zich door zijn grootte en +bovendien, doordat zijne schubben, die op 11 à 13 reeksen geplaatst zijn, op den rug en den staart zeer breed en nergens gekield +zijn. Een volwassen mannetje kan wel 1.3 M. lang worden; hiervan komt ongeveer de helft op den staart. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1373.jpg" alt="Steppen-schubdier (Manis Temminckii). ⅕ v.d. ware grootte." width="720" height="475"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Steppen-schubdier</span> (<i>Manis Temminckii</i>). ⅕ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ook van deze soort is de levenswijze ons slechts zeer onvolledig bekend. Het dier graaft gangen, die over een afstand van +2 à 4 M. schuins naar beneden gericht zijn en in een groote kamer uitkomen. Hier leven de Schubdieren paarsgewijs; waarschijnlijk +van Januari tot Maart vindt men 1 of 2 jongen bij hen. Als zij in het hol zijn, verstoppen zij gewoonlijk den ingang zoo goed +met aarde, dat deze niet gemakkelijk gevonden zou worden, zonder het eigenaardig spoor, dat er om heen leidt. <span class="smallcaps">Burt</span> verhaalt, dat de Pangolin niets anders dan Mieren eet en er zeer vele verdelgt, maar dat hij ook 2 maanden achtereen zonder +voedsel in ’t leven kan blijven, dat hij ’s nachts rondzwerft en in de gevangenschap zeer onrustig is, zich tamelijk snel +kan bewegen en, als men hem aanvat, zich bedaard bij den staart laat opnemen, zonder de minste poging te doen om zich tegen +zijn vijand te verweren, enz. De Chineezen vervaardigen pantsers uit zijn huid. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Javaansche Schubdier</span> (<i>Manis javanica</i>) bewoont op Java, Sumatra en Borneo bosschen, liefst in bergachtige streken. Het klimt in de boomen en vindt een schuilplaats +in boomspleten of tusschen bovenaardsche boomwortels, vooral van <i>Ficus</i>-soorten, minder dikwijls in rotsholen. Het maakt jacht op Mieren en Termieten, welker nesten het opengraaft, voorts op andere +Insecten, Wormen, enz. Zijn vleesch wordt vrij algemeen door de inlanders gegeten en van zijne schubben worden soms ringen +vervaardigd, die als amuletten tegen allerlei kwalen gebruikt worden. “Meermalen,” schrijft <span class="smallcaps">Haszkael</span>, “heb ik op Java Schubdieren gekocht, maar ze nooit lang behouden, daar ik ze, bij gebrek aan een betere bergplaats, in navolging +van de inboorlingen, met een touw, dat aan een vooraf doorboorde schub was vastgemaakt, aan een boom moest binden. Zij klommen +zeer snel en behendig in den boom; ook op den grond bewegen zij zich vermoedelijk vrij goed: ik kon mijne gevangenen, als +zij, hun doorboorde schub in den steek latend, ontvluchtten, nooit weder krijgen.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een betrekkelijk korte, breede, eerst bij de spits dunner wordende en daar plotseling stomp afgeronde staart komt voorbij +het <span class="letterspaced">Steppen-schubdier</span> (<i>Manis Temminckii</i>), de <span class="letterspaced">Aboe-Khirfa</span> (“Schors-vader”) van de nomaden van Kordofan. Wat grootte en vorm betreft komt het nog het meest met den Pangolin overeen. +De kop is kort en dik, de romp breed, de staart ongeveer zoo lang als het overige lichaam. Eivormige schubben bedekken den +kop; zeer groote, aan den wortel fijn overlangs gegroefde, aan de spits gladde schubben vormen aan de rugzijde van den romp +11 à 13, op het voorste deel van den staart 5 en bij de spits 4 reeksen. Volwassen mannetjes bereiken een lengte van ongeveer +80 cM., met inbegrip van den ongeveer 30 cM. langen staart. Het Steppen-schubdier bewoont voornamelijk Oost- en Zuid-Afrika, +maar wordt ook in West-Afrika, gevonden; het vindt in de aan Termieten zoo rijke steppen een overvloed van voedsel en de gewenschte +eenzaamheid. Het graaft en bewoont gaten in den grond, welke nooit zoo diep zijn als die van het Aardvarken en waaruit het +eerst na het begin van de schemering te voorschijn komt. Het is zoomin behendig als vlug en niet in staat zich tegen vijanden +te verdedigen. Mieren, Termieten, Sprinkhanen, Kevers, misschien ook Wormen maken zijn voedsel uit. + +</p> +<p>Ik zag een van deze merkwaardige wezens levend bij een koopman in Khartoem, die het met melk en wittebrood voedde. Het was, +evenals de overige leden van zijn geslacht, volkomen onschadelijk; men kon met hem doen, wat men wilde. Over dag lag het ineengerold +in den een of anderen hoek, ’s nachts kwam het te voorschijn; het at met de tong, die het telkens in de melk dompelde en waaraan +de wittebroodkruimels zich hechtten. +</p> +<hr class="tb"><p> +<a id="d0e777"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e777">374</a>]</span></p> +<p>In de laatste familie vereenigen wij de <span class="letterspaced">Aardvarkens</span> (<i>Orycteropodidae</i>), plompe dieren, met dikken, loggen romp, die met een ijl, borstelig haarkleed bedekt is, met dunnen hals, langen, slanken +kop met rolvormigen snuit, middelmatig langen, kegelvormigen staart en korte, betrekkelijk dunne pooten, waarvan de voorste +vier, de achterste vijf teenen hebben, die met zeer stevige, bijna rechte en platte, aan de randen scherpe, hoefachtige nagels +voorzien zijn. De bek is tamelijk groot, de oogen staan ver naar achteren, de ooren zijn lang. Bij het jonge dier bevat elke +bovenkaakshelft 8, elke onderkaakshelft 6 kiezen; bij oude dieren daarentegen is het aantal kiezen in elke reeks verminderd +tot 5 boven en 4 onder; deze kiezen zijn rolvormig, wortelloos, uit tallooze fijne buisjes samengesteld, die op de kauwvlakte +gesloten, aan het tegenovergestelde uiteinde echter open zijn. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Kaapsche Aardvarken</span> (<i>Orycteropus capensis</i>) bereikt een lengte van ongeveer 2 M., met inbegrip van den ongeveer 85 cM. langen staart, en een gewicht van 50 à 60 KG. +De huid is zeer dik, met glad neerliggende en tamelijk wijd uiteenstaande, borstelachtige haren bekleed; het haar van de bovenzijde +van ’t lichaam is iets korter dan dat van de onderzijde, waar het, vooral aan den oorsprong der teenen, bosjes vormt. De kleur +is zeer gelijkmatig: de rug en de zijden zijn geelachtig bruin met een roodachtig waas, de onderzijde en de kop licht roodachtig +geel, het achterdeel, de staartwortel en de ledematen bruin. Pas geboren jongen zijn vleeschkleurig. + +</p> +<p>De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika hebben dit dier “Aardvarken” genoemd, omdat zijn vleesch in smaak overeenkomt met dat +van het Wilde Zwijn; reeds sinds lang maken zij er ijverig jacht op; zij hebben het hierdoor goed leeren kennen. + +</p> +<p>Het Aardvarken komt voor in Zuid- en Midden-Afrika, van de oostkust tot aan de westkust; evenals de Gordeldieren bewoont het +bij voorkeur het vlakke land, woestijnachtige gewesten en steppen, waar Mieren en Termieten talrijk zijn. Het is een eenzaam +levend dier; hoewel men het soms in gezelschap van zijne soortgenooten aantreft, heeft het met deze geen omgang; over dag +slaapt het in groote, zelf gegraven holen, des nachts zwerft het rond. + +</p> +<p>Het heeft een ongeloofelijke bekwaamheid in ’t graven. Weinige oogenblikken heeft het maar noodig om zich geheel in den grond +te verbergen, hoe hard de bodem ook moge zijn. Als het bij een Mieren- of Termieten-woning komt, besnuffelt het deze eerst +zorgvuldig aan alle zijden, en tijgt dan aan den arbeid: het wroet in den grond, totdat het de belangrijkste afdeeling van +het nest of althans een hoofdverkeersweg van de Insecten bereikt heeft. In zulke hoofdgangen nu steekt het Aardvarken herhaaldelijk +zijn lange, kleverige tong, wacht totdat deze geheel met Insecten bedekt is, trekt haar dan in den bek terug, en herhaalt +deze beweging zoolang, totdat het volkomen verzadigd is. Zoo wordt het eene nest na het andere geplunderd, en onder de alles +vernielende Termieten een groote slachting anngericht. Geen dier is in staat het Aardvarken in zijn hol te vervolgen, daar +het de uitgegraven aarde met zooveel kracht achteruitwerpt, dat de aanvaller zich verschrikt terugtrekt. Zelfs voor den mensch +is het moeilijk hem op te delven, en ieder jager, die dit beproeft, wordt na weinige minuten volkomen met aarde bedekt. + +</p> +<p>Het Aardvarken is buitengewoon voorzichtig en schuw, en begraaft zich ook ’s nachts bij het geringste gedruisch onmiddellijk +in den grond. Door zijn groote lichaamskracht is het trouwens in staat aan velerlei gevaren het hoofd te bieden. De jager, +wien het gelukt een Aardvarken te overrompelen en vast te houden, is hierdoor nog volstrekt niet zeker van den gewenschten +buit. Evenals het Gordeldier drukt het zich, zelfs wanneer het slechts halverwege in zijn hol doorgedrongen is met al zijn +kracht tegen de wanden, houdt zich met de scherpe klauwen er stevig aan vast, kromt den rug en drukt hem met zooveel geweld +naar boven, dat het nagenoeg onmogelijk is, ook maar een enkelen poot los te rukken en het dier uit den grond te trekken. +Zelfs voor de vereenigde krachten van verscheidene mannen is dit werk zwaar genoeg. + +</p> +<p>Nauwkeurige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver. + +</p> +<p>In de laatste tientallen jaren is het Aardvarken herhaaldelijk naar Europa gebracht; men heeft het hier bij behoorlijke verzorging +meer dan een jaar lang in ’t leven kunnen houden. Het wordt gevoederd met fijn gehakt vleesch, rauwe eieren, mierenpoppen +en meelbrij, waardoor echter het voedsel dat het in de vrije natuur gebruikt, slechts op een zeer onvoldoende wijze wordt +vervangen. + +</p> +<p>Alleen in gewesten, die dikwijls door karavanen worden bezocht, wordt het Aardvarken den mensch schadelijk door zijn graven; +overigens veroorzaakt het eerder nut dan schade. Het vleesch gelijkt op dat van ’t Zwijn en wordt soms uitmuntend, soms taai +en kwalijk riekend genoemd; de dikke, stevige huid wordt tot leder verwerkt. + +<a id="d0e810"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e810">375</a>]</span></p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1375.jpg" alt="Aardvarken (Orycteropus capensis)." width="720" height="467"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Aardvarken</span> (<i>Orycteropus capensis</i>). +</p> +</div><p> + + + +<a id="d0e821"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e821">376</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">Negende Orde.</h2> +<h2>De Slurfdieren (<span class="letterspaced">Proboscidea</span>). +</h2> +<p>Als een uitstervend geslacht, als de laatste afstammelingen van een voormaals talrijkere Zoogdieren-groep, treden de <span class="letterspaced">slurfdieren</span> voor ons. Zij maken den indruk van levende getuigen uit vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der dierenwereld, +van wezens uit den vóórtijd, die aan het lot, dat hunne stamgenooten getroffen heeft, ontkomen zijn, en tot den tegenwoordigen +tijd gespaard bleven. + +</p> +<p>Van de tot deze orde behoorende diervormen, die onze planeet bewoond hebben, leven thans nog slechts de vertegenwoordigers +van één familie; twee of misschien drie soorten; zij maken de laatste leden uit van een reeks, die den tegenwoordigen tijd +op een duidelijk zichtbare wijze met de voorwereld verbindt: want tot hun familie moet men de reusachtige dieren rekenen, +welker goed geconserveerde lijken het ijs van Siberië gedurende duizenden van jaren voor ons bewaard heeft. Om van de beteekenis +dezer diergroep een juist denkbeeld te krijgen, is het noodig ook op de uitgestorvene soorten de aandacht te vestigen. <span class="smallcaps">Neumayr</span> zegt van hen het volgende: “Over ’t algemeen onderscheidden zich de Zoogdieren, die gedurende het diluviale tijdvak Europa +bewoonden, door hun krachtige ontwikkeling: er zijn zoovele groote vormen bij, dat met het oog op deze, de hedendaagsche Europeesche +Zoogdieren-fauna zich als een jammerlijk ontaard overblijfsel van vroegeren bloei aan ons voordoet. Het meest loopt dit in +’t oog, als wij letten op de groote planteneters van dien tijd; in de eerste plaats blijkt dan de sterke verbreiding van drie +kolossale soorten van Slurfdieren, die alle grooter waren dan de hedendaagsche Indische en Afrikaansche soort. Twee van deze, +n.l. <i>Elephas meridionalis</i> en <i>Elephas antiquus</i>—misschien de grootste landbouwers onder de Zoogdieren, die ooit bestaan hebben—lieten hoofdzakelijk in Zuid-Europa sporen +van hun aanwezigheid achter; hun verbreidingsgebied reikte tot in Engeland; reeds in Noord-Duitschland echter waren zij zeer +zeldzaam. Beide zijn vooral veelvuldig geweest in de oudste diluviale periode (in het tijdvak, dat aan den ijstijd onmiddellijk +voorafgaat) daarna verdwijnt <i>Elephas meridionalis</i>, terwijl overblijfselen van <i>Elephas antiquus</i> nog voorkomen in de aardlagen, die zich afgezet hebben in het interglaciale tijdperk (tusschen den eersten en den tweeden +ijstijd). + +</p> +<p>“Geheel anders was het gesteld met de derde soort, met den <span class="letterspaced">Mammoet</span> (<i>Elephas primigenius</i>), wiens overblijfselen in het tijdvak dat aan den ijstijd voorafgaat, slechts zelden gevonden worden, maar in de diluviale +gronden uit latere tijdperken buitengewoon veelvuldig zijn; tallooze kudden van deze dieren bevolkten destijds Europa en het +noorden van Azië. Geen fossielen hebben zoo sterk de aandacht getrokken als die van den Mammoet, wiens beenderen en tanden +op sommige plaatsen in menigte voorhanden zijn. In vroegeren tijd hield men ze voor de beenderen van Sint <span class="smallcaps">Christophorus</span> of van een anderen heilige, wien men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te moeten toeschrijven; vele +van zulke overblijfselen werden daarom in kerken als reliquieën bewaard. Anderen hielden ze voor de beenderen van de reuzen +<span class="smallcaps">Gog</span> en <span class="smallcaps">Magog</span>, die in den bijbel worden genoemd, of van andere minder beroemde reuzen. Door hen, die met de klassieke oudheid meer bekend +waren, werden zij aan den Germaanschen koning <span class="smallcaps">Teutobod</span> toegeschreven. Toen men er eindelijk toe overging, deze beenderen en tanden <span id="d0e872" class="corr" title="Bron: nanwkeuriger">nauwkeuriger</span> te bekijken, en de overeenkomst opmerkte, die zij met Olifantstanden hebben, meende men, dat zij afkomstig waren van de voor +den krijg afgerichte Olifanten, die <span class="smallcaps">Hannibal</span> op zijn vermetelen tocht uit Spanje door het zuiden van Frankrijk en over de Alpen medenam, en die, zooals bekend is, alle +op één na onderweg ten gevolge van de vermoeienissen der reis bezweken. + +</p> +<p>“Later kwam men tot de overtuiging, dat de Mammoet werkelijk tot voor betrekkelijk korten tijd in Europa geleefd heeft en +het lag voor de hand hieruit af te leiden, dat het klimaat van Europa in dien tijd warmer was. Door nog latere ervaringen +werd deze meening echter niet bevestigd: in het zuiden van Europa ontbreekt de Mammoet, terwijl hij in het midden en in het +noorden van dit werelddeel gevonden wordt. Hoe veelvuldig hij hier echter op sommige plaatsen is, nog overvloediger komt hij +voor in Siberië, vooral in het noorden van dit land, waar sommige diluviale lagen geheel gevuld zijn met zijne overblijfselen. +Waarschijnlijk is geen omstandigheid beter geschikt om dit in ’t licht te stellen dan het feit, dat <span class="letterspaced">ongeveer het derde gedeelte van al het ivoor, dat in den handel komt van de diluviale Mammoeten van Siberië afkomstig is</span>. Volgens <span class="smallcaps">Middendorf</span> zijn sedert 200 jaren ieder jaar meer dan 100 paar slagtanden van Mammoeten uit Siberië op de markt gekomen. Zelfs op de +zoo moeilijk bereikbare Nieuw-Siberische eilanden, die ten noorden van het Aziatisch vasteland tusschen 73 en 76° N.B. in +de IJszee gelegen zijn, is het fossiele ivoor in zulk een groote hoeveelheid aanwezig, dat de ivoorverzamelaars herhaaldelijk +<a id="d0e886"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e886">377</a>]</span>den gevaarlijken sledetocht over de bevroren zee wagen om deze schatten te lichten. + +</p> +<p>“Het is zeer zeker een merkwaardig feit, dat het ivoor gedurende zulk een langen tijd zoo weinig verandering heeft ondergaan, +dat het nu nog technisch bruikbaar is; nog veel wonderbaarlijker echter is de ontdekking van volledige exemplaren met huid +en haar, met vleesch en ingewanden, in den bevroren bodem van Siberië. Deze lijken waren nog zoo frisch, dat het vleesch steeds +door IJsberen, Wolven, Vossen en Honden verslonden was, voordat een expeditie deze afgelegen gewesten kon bereiken om het +gevonden materiaal ten behoeve van de wetenschap in bezit te nemen. + +</p> +<p>“Men kan zich nog geen volkomen duidelijke voorstelling vormen van de wijze, waarop deze bevroren grond ontstond; daarom weet +men ook niet, hoe de Mammoeten er in bedolven zijn geraakt. Voor sommige gevallen geldt de verklaring, dat de Olifanten, Neushoorndieren +enz. toevalligerwijze weggezonken zijn in moerasgrond, die later bevroren en sedert den ijstijd niet weder ontdooid is. In +andere gewesten hebben, naar het schijnt, andere oorzaken tot soortgelijke gevolgen aanleiding gegeven; zoo ziet men b.v. +aan de Eschscholtz-bocht in het noordwestelijkste deel van Noord-Amerika een tamelijk zuivere afzetting van waterijs (geen +gletscher-ijs) uit het diluviale tijdperk, waarin oude strandlijnen ingesneden zijn en deze ijsmassa wordt bedekt door een +laag klei met overblijfselen van groote Zoogdieren. + +</p> +<p>“Hoe dit ook zij, zeker is het, dat van tijd tot tijd volledige Mammoet-lijken door den dooi blootgelegd worden; de inboorlingen +meenen, dat dergelijke dieren ook nu nog in den grond leven en dezen doorwoelen, en dat zij, gedurende dezen arbeid bij vergissing +aan de lucht komend, onmiddellijk sterven en daarom in volkomen verschen toestand gevonden worden. De eerste gebeurtenis van +dezen aard, die bekend geworden is, had plaats aan den mond van de Lena; hier bemerkte een Toengoese, dat een Olifant in een +tijdperk van twee jaren langzamerhand uit zijn ijshulsel te voorschijn kwam; in 1799 werd deze ontdekking gedaan, maar eerst +zeven jaren later kwam zij den natuuronderzoeker <span class="smallcaps">Adams</span> ter oore, die toen een reis door Siberië deed en de bedoelde plaats bezocht. Ongelukkig was het dier reeds grootendeels verslonden; +één oor, één oog, een stuk van de huid en vele pezen en banden waren behalve het skelet nog aanwezig. Toen reeds werd het +hoogst merkwaardige feit ontdekt, dat de Mammoet over het geheele lichaam met een dichte, roodbruine, wollige vacht bekleed +was en aan den hals lange manen had.” De manen in den nek reikten bijna tot op de knieën; ook op den kop groeiden zachte haren +van één Meter lengte. Boven het dichte wolhaar, dat den geheelen romp bedekte, verhieven zich borstels van 25 cM. lengte. +De overblijfselen van dit dier werden voor een som van 8000 roebels aan het museum te Petersburg verkocht, waar het skelet +met de daaraan nog aanwezige pezen is opgesteld. + +</p> +<p>“Sedert dien tijd zijn herhaaldelijk dergelijke in den grond vastgevroren dieren gevonden; nooit is het echter gelukt er één +in zijn geheel voor bederf te bewaren. Een onder de leiding van <span class="smallcaps">F. Schmidt</span> uitgezonden expeditie kon tegen het einde van het tijdperk 1860—1870 weder eenige deelen van een Mammoet redden; bovendien +verzamelde men eenige nog met de huid bedekte lichaamsdeelen van Neushoorndieren. Vooral een door <span class="smallcaps">Schrenk</span> ontdekte kop van <i>Rhinoceros Merckii</i> is goed bewaard gebleven en levert het bewijs, dat de huid met een rood gevlekte vacht bekleed was. + +</p> +<p>“Over het algemeen is de Mammoet nauw verwant aan den Indischen Olifant; hij onderscheidt zich echter van dezen, behalve door +zijn grootte en beharing door de veel talrijkere en smallere emailplaten van de kiezen en door de reusachtige, zeer sterk +naar boven en buiten gekromde stoottanden.” Deze zijn soms ruim 4 M. lang en 125 K.G. zwaar. + +</p> +<p>“Zooals reeds gezegd werd, meende men aanvankelijk, dat de Mammoet in een heet klimaat geleefd zou hebben, omdat hij nauw +verwant is aan den Olifant. Toen men hem echter in zoo grooten getale in Siberië aantrof en de daar in het ijs bedolven exemplaren +ontdekte, zocht men den volgenden uitweg: men nam aan, dat door geweldige, van ’t zuiden naar ’t noorden zich uitstrekkende +watervloeden, misschien wel door den zondvloed van <span class="smallcaps">Noach</span>, tallooze overblijfselen van tropische dieren naar de Noordpool-gewesten gespoeld zouden zijn. Weldra echter zag men de onmogelijkheid +van dit vermoeden in en nam zijn toevlucht tot de even onjuiste veronderstelling van een zeer plotseling ingetreden omkeering +van het klimaat. Zoomin voor de eene als voor de andere meening is eenige grond aan te voeren. De Mammoet was door zijn dichte +vacht tegen de koude beschut; dat hij ook werkelijk in koude gewesten leefde, blijkt uit de overblijfselen van voedsel, die +men in de maag en tusschen de tanden van den Mammoet (en den Rhinoceros) gevonden heeft; daar deze hoofdzakelijk bestaan uit +twijgen en spruiten van naaldboomen gelijk aan die, welke thans nog in Siberië groeien. <i>Elephas primigenius</i> is dus de Olifant van de noordelijke gewesten, die zijn hoofdzetel had in Siberië en Noord-Europa; in Midden-Europa ontmoette +hij den zuidelijken vorm <i>Elephas meridionalis</i> en ook den <i>Elephas antiquus</i>, die zeer veel overeenkomst had met den Afrikaanschen Olifant. + +</p> +<p>“Behalve de drie genoemde, over een groot gebied verbreide soorten komen in Europa nog overblijfselen voor van eenige andere +vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht, die, hoewel zij een kleiner gebied bewoonden, toch van groot belang zijn. In de +eerste plaats moet de echte <span class="letterspaced">Afrikaansche Olifant</span> genoemd worden, waarvan in de beenderenholen van Sicilië en in Spanje in de omstreken van Madrid fossielen gevonden zijn, +welk feit van belang is als steun voor de stelling, dat Europa vroeger op verschillende plaatsen met Afrika verbonden was. +Het opmerkelijkst echter zijn de zeer talrijke overblijfselen van een zeer nauw aan den Afrikaanschen Olifant verwanten vorm, +die men op het eiland Malta gevonden heeft. Alle zooeven bedoelde fossiele soorten zijn echter aanmerkelijk kleiner dan de +hedendaagsche: de grootste (<i>Elephas mnaidriensis</i>) bereikt gemiddeld geen grootere hoogte dan 2 M., <i>Elephas melitensis</i> is zelfs aanmerkelijk kleiner en <i>Elephas Folconeri</i> is een zeer kleine dwergvorm, welks grootste exemplaren nog geen Meter hoog waren en dus niet grooter waren dan een kalf. +Uit de aanwezigheid van groote Zoogdieren op Malta blijkt in allen gevalle, dat dit tamelijk kleine en schaars met planten +begroeide eiland eens deel uitmaakte van een groot vasteland. Van het ontstaan van een Dwerg-olifant, waarnevens nog een Dwerg-nijlpaard +voorkomt, geeft men de volgende (niet onmogelijke) verklaring: Toen Malta een eiland werd en de plantenwereld daar niet meer +voldoende was voor het voeden van groote soorten, verkregen de de Olifanten en Nijlpaarden hier kleinere afmetingen.” + +</p> +<p>“Voor het verdwijnen van de groote diluviale Zoogdieren <a id="d0e940"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e940">378</a>]</span>heeft men ondanks alle hiervoor in ’t werk gestelde pogingen, nog geen verklaring kunnen vinden.” +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Onze Olifanten (<i>Elephas</i>)—de eenige thans nog levende vertegenwoordigers van de gelijknamige familie (<i>Elephantidae</i>)—zijn gekenmerkt door de lange beweeglijke slurf en door het gebit, vooral door de slagtanden, die als sterk ontwikkelde +snijtanden beschouwd worden. De romp is kort en dik, de hals zeer kort, de kop rond en door de aanwezigheid van holten in +de bovenste schedelbeenderen gezwollen; de tamelijk hooge, zuilvormige pooten hebben vijf met elkander verbonden teenen en +vlakke hoornachtige zolen. + +</p> +<p>Het merkwaardigste lichaamsdeel van den Olifant is de slurf, een verlengde neus, die zich door lenigheid, gevoeligheid en +bovenal door een vingervormig uitsteeksel aan zijn uiteinde onderscheidt. Zij dient zoowel voor ’t ruiken, als voor het tasten +en het grijpen. De ringvormige en overlangsche spieren die haar samenstellen, bestaan volgens <span class="smallcaps">Cuvier</span> uit ongeveer 40000 afzonderlijke bundels en stellen haar in staat zich in alle richtingen te wenden, zich te verkorten en +te verlengen. De ontbrekende bovenlip wordt vervangen door de slurf. Zonder dit orgaan zou de Olifant niet kunnen leven. + +</p> +<p>Alle overige lichaamsdeelen en zelfs de zintuigen van den Olifant zijn minder opmerkelijk. De oogen zijn klein en hebben een +onnoozele, maar goedaardige uitdrukking, de oorschelpen daarentegen zijn zeer groot en gelijken op lappen leder. De voor- +en achtervoeten zijn zeer kort. De teenen zijn zoo innig omgeven door een gemeenschappelijke huid, dat zij zich niet ten opzichte +van elkander kunnen bewegen. Zij zijn voorzien van hoeven, die wel is waar klein zijn, daar zij slechts de spits van den teen +omhullen, maar tevens stevig, breed en plat. Boven de met een dikke huid bedekte, min of meer cirkelvormige zool van elken +poot, aan welker voorrand de hoeven zichtbaar zijn en op welker achterrand de voetwortel rust, bevindt zich een kraakbeenige +plaat, een vetkussen en eindelijk de sterk bovenwaarts gewelfde, korte middelvoet (of middelhand). De zachte stap van de op +zuilen gelijkende pooten, die zulk een kolossaal lichaam dragen, is een gevolg van deze eigenaardige samenstelling van den +voet. + +</p> +<p>Zeer merkwaardig is het gebit. In de bovenkaak draagt de Olifant twee buitengewoon sterk ontwikkelde slagtanden; overigens +heeft hij geen snijtanden, ook geen <span id="d0e961" class="corr" title="Bron: hoektanten">hoektanden</span> en gewoonlijk slechts <span class="smallcaps">één</span> kolossale kies in elke kaakhelft. Deze kies bestaat uit een vrij groot aantal (3 à 27) dwars gerichte platen, ieder bestaande +uit tandbeen, omgeven door een laag email, die zich op de door afslijting gevormde, platte, kauwvlakte voordoet als een richel +met eenigszins geplooiden rand, die zeer langwerpig elliptisch is (Mammoet en Indische Olifant) of ruitvormig (Afrikaansche +Olifant). Deze “dwarsjukken” worden vereenigd door het daartusschen liggend cement, dat ook de zijvlakken van de geheele kies +bedekt. Als de kies door het kauwen zoover afgesleten is, dat zij haar dienst niet meer voldoende kan verrichten, vormt zich +achter haar een nieuwe kies, die, langzamerhand aangroeiend, verder naar voren dringt en geruimen tijd vóór het uitvallen +van het laatste overblijfsel van de vorige kies dienst begint te doen. Men heeft waargenomen, dat deze tandwisseling zes malen +achtereenvolgens plaats heeft, zoodat alles bijeengenomen elke kaakhelft zes kiezen bezit, die de eene na de andere in gebruik +genomen worden, zoodat er nooit meer dan twee te gelijk in functie zijn. De drie eerstverschijnende kiezen van elk zestal +worden gerekend tot het melkgebit te behooren. Bij den Indischen Olifant komt de eerste melkkies in de derde levensmaand voor +den dag, vertoont 3 dwarsjukken en valt in het tweede levensjaar uit. De tweede melkkies heeft 8 dwarsjukken en valt in het +vijfde of zesde jaar uit, de derde met 12 dwarsjukken in het negende jaar. Van de eerste ware kies, die dan natuurlijk al +reeds sedert eenigen tijd in functie is met een deel van hare dwarsjukken, zijn deze in het 15e jaar in vollen getale (12 +à 14) aan de kauwvlakte zichtbaar; zij valt uit, als het dier 20 à 25 jaar oud is. Op nog lateren leeftijd vertoonen zich +achtereenvolgens de tweede en de derde ware kies; gene heeft 16 à 18, deze 24 à 27 dwarsjukken. Het aantal wortels van de +kies staat in verband met het aantal dwarsjukken. Bij jonge tanden zijn de wortels kort en met een wijde opening voorzien; +later ontwikkelen zich vooral aan de achterste helft van de kies tamelijk lange, met cement bedekte wortels, die gedeeltelijk +met elkander vergroeien. De slagtanden hebben voortdurend open wortels en groeien dus steeds aan; zij kunnen bij den Afrikaanschen +Olifant een lengte van 2½ M. en een gewicht van 90 KG. bereiken. Met uitzondering van een dun laagje cement, dat het diep +in de tandkas verborgen deel van deze tanden bedekt, en van een (bij zeer jonge tanden aan de spits aanwezig) zeer spoedig +afslijtend emailkapje, bestaat de geheele slagtand uit tandbeen; deze stof is het dus, die als “ivoor” dienst doet. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Indische</span> of <span class="letterspaced">Aziatische Olifant</span> (<i>Elephas asiaticus, E. indicus</i>), dien wij als type van zijn geslacht en van zijn familie plegen te beschouwen, is een kolossaal, plomp, sterk gespierd dier +met zwaren, aan het voorhoofd zeer breeden kop, korten hals, reusachtigen romp en zuilvormige pooten. Zijn kop, die bijna +loodrecht gehouden wordt, draagt er veel toe bij om den overweldigenden indruk die het reusachtige dier op den toeschouwer +maakt, te verhoogen. Het voorhoofd is plat of zelfs een weinig uitgehold.—De huid is in bepaalde richtingen fijn geplooid, +in andere, die de plooien meestal kruisen, gegroefd; hierdoor ontstaat aan haar oppervlakte een eigenaardige, netvormige teekening; +alleen aan de borst verdikken deze plooien zich tot losse, beweegbare, kwabvormige opzwellingen. Wegens dit netwerk van plooien +valt het bijna volslagen gemis van beharing minder in ’t oog. Het haarkleed bepaalt zich over ’t grootste deel van ’t lichaam +tot zeer verspreid staande borstels, die een weinig dichter bijeengeplaatst zijn rondom de oogen, aan de lippen, aan de onderkaak, +op de kin en op ’t achterste deel van de rug; de staart echter is aan zijn spits overvloedig met haar voorzien; dit vormt +hier een platte, dunne kwast. De haren hebben een bruine of zwarte kleur, behalve op de lippen, waar zij witachtig zijn; de +huid zelve is vaalgrijs, behalve aan de slurf, het onderste deel van den hals, de borst en den buik, die een vleeschkleurige +tint vertoonen en dicht bezet zijn met rondachtige, donkere vlekken.—Gewoonlijk komen aan de achtervoeten slechts vier hoeven +tot ontwikkeling (daar de éénledige binnenteen de hoef mist); terwijl de voorvoeten er vijf hebben. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1379.jpg" alt="Aziatische Olifant (Elephas asiaticus)." width="498" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Aziatische Olifant</span> (<i>Elephas asiaticus</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De afmetingen van den Olifant worden in den regel overschat en dikwijls onjuist bepaald. Bij de grootste mannetjes bedraagt +de totale lengte, van de spits van de slurf tot aan de spits van den staart, bijna 7 M., <a id="d0e992"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e992">380</a>]</span>waarvan ongeveer 2 M. voor de slurf en hoogstens 1.5 M. voor den staart gerekend moeten worden; de schouderhoogte bedraagt +hoogstens 3 M. Waarschijnlijk treft men niet veel exemplaren aan, die grooter zijn. <span class="smallcaps">Sanderson</span> (wiens getuigenis ongetwijfeld veel gewicht in de schaal legt, daar hij gedurende een half menschenleven met het bestuur +van de Olifanten-vangst in Engelsch Indië belast was) heeft van honderden van Olifanten de grootste gemeten en de schouderhoogte +bepaald: bij de twee meest ontwikkelde mannetjes bedroeg zij 3 M. en 2.95 M. en bij de twee kolossaalste wijfjes 2.57 M. en +2.52 M. Het gewicht van de zwaarste dieren is waarschijnlijk 4000 KG., misschien ook iets meer. + +</p> +<p>De Indiërs, die buiten kijf de beste Olifanten-kenners zijn, onderscheiden naar de gestalte en de hiervan afhangende geschiktheid +om te werken, bij deze dieren drie slagen, die zij <span class="letterspaced">Koemiria, Dwasala</span> en <span class="letterspaced">Miërga</span> noemen. De Koemiria is de volkomenste Olifant, zwaar en evenredig gebouwd, met ruime borst, krachtigen kop en romp, met een +rechten, platten, naar achteren afhellenden rug. Zijn oog is open, helder en innemend. Zoowel naar het lichaam als naar den +geest is hij een edel dier, betrouwbaar en onversaagd, majestueus en afgemeten in zijne bewegingen, als ’t ware geschapen +voor een vertooning van koninklijke waardigheid. Een tegenstelling met hem vormt de Miërga: deze is licht en minder schoon +gebouwd, langpootig, kleinkoppig, met varkensoogen, krom en steil van rug, engborstig en dikbuikig, met zwakke, slappe slurf +en dunne, gemakkelijk kwetsbare huid. Tusschen het edelste en het onedelste slag houdt de Dwasala het midden; deze is tevens +het talrijkst vertegenwoordigd. De drie genoemde, zoo verschillende slagen, zijn niet door den mensen gefokt; men vindt ze +bij een en dezelfde kudde; zij staan dus, naar wij mogen veronderstellen, tot elkander in een nauwen graad van bloedverwantschap. + +</p> +<p>Lichtkleurige Olifanten—zelfs zulke, die lichtkleurige vlekken hebben—, zoogenaamde <span class="letterspaced">Witte Olifanten</span>, komen zeer zelden voor. In Siam, waar albino’s van allerlei dieren hoog geschat worden, omdat men meent, dat zij gezagvoerders +zijn over hunne soortgenooten, waar de Witte Olifant als het machtigste van alle dieren voor heilig wordt gehouden, en één +der vele titels van den koning daarom “heer van den Witten Olifant” beteekent, moet men zich, naar het schijnt, bij het zoeken +naar witte Olifanten tevreden stellen met exemplaren, welker kleur slechts weinig lichter is dan de gewone; een echte albino +is daar nog niet voorgekomen. + +</p> +<p>In Indië is de Olifant op 25-jarigen leeftijd volwassen, hoewel nog niet in ’t bezit van zijn volle kracht, die hij eerst +op ongeveer 35-jarigen ouderdom heeft. Het mannetje is ongeveer in het 20e jaar voor de voortplanting geschikt. De wijfjes +brengen hun eerste jong ter wereld als zij 16 jaar oud zijn, de volgende jongen met tusschenpoozingen van gemiddeld 2½ jaar. +De pas geboren Olifanten hebben een schouderhoogte van ongeveer 90 cM. en op den tweeden dag gemiddeld een gewicht van 90 +K.G.; gedurende 6 maanden gebruiken zij geen ander voedsel dan de moedermelk; dan beginnen zij langzamerhand een weinig malsch +gras te eten, hoewel zij zich nog eenige maanden lang hoofdzakelijk met melk voeden. Van den beginne af zien zij er minder +plomp uit dan andere jonge dieren er is zelfs reden om ze lief en grappig te noemen; gedurende den eersten tijd van hun leven +houden zij zich bij voorkeur onder den romp en tusschen de pooten van hun moeder op, en verlaten deze veilige plaats ook dan +niet als het oude dier sneller begint te loopen. Naar het schijnt, staan zij gedurende verscheidene jaren, althans tot aan +de geboorte van een volgend jong, onder de hoede van de ouders. + +</p> +<p>De Aziatische Olifant is inheemsch in de meeste, boschrijke gewesten van zuidoost Azië, in Vóór-Indië van den voet van den +Himalaja tot aan de zuidspits, verder in Assam, Birma, Siam, op het Maleische Schiereiland, en voorts in afnemend aantal op +de twee naastbij gelegene groote eilanden Ceylon en Sumatra. (De op Borneo levende Olifanten zijn alle van Sumatra afkomstig.) +Volgens <span class="smallcaps">Temminck</span> en <span class="smallcaps">Schlegel</span> vormen de op Ceylon en Sumatra inheemsche Olifanten een afzonderlijke soort, die onder den naam <i>Elephas sumatranus</i> door hen beschreven werd, maar slechts onbelangrijk van den Indischen Olifant verschilt. Deze, hoewel in vele gewesten reeds +uitgeroeid, of althans zeer in aantal verminderd, bewoont binnen het zoo even genoemde verbreidingsgebied alle groote en samenhangende +wouden, het gebergte zoowel als de vlakte. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Afrikaansche Olifant</span> (<i>Elephas africanus</i>) overtreft den Indischen in grootte; zijn gedaante is over ’t algemeen minder fraai; het is echter te verwachten, dat men +ook bij deze soort, evenals bij de vorige, na nauwkeuriger onderzoek “slagen” zal leeren kennen, die door uitwendige eigenschappen +verschillen. Zijn romp is korter, maar staat hooger op de pooten dan bij zijn stamgenoot, van wien hij zich bovendien nog +duidelijk onderscheidt door den platteren kop met meer gewelfd voorhoofd, dunnere slurf, grootere slagtanden en veel grootere +ooren, door de meer gewelfde ruglijn, smallere borst en leelijker pooten. Aan de voorpooten heeft hij vier, aan de achterpooten +drie hoeven, ofschoon het aantal teenen voor en achter vijf bedraagt.—De plooien en groeven van de huid vormen een grover +netwerk dan bij den Indischen Olifant. Met uitzondering van een weinig beteekenende haarlijst op den nek en tusschen de schouders, +eenige wijd vaneen geplaatste, soms wel 15 cM. lange, zwartbruine haren, die van de borst en den buik afhangen en enkele borstels +om de oogen en aan de onderlip, ontbreekt de beharing geheel. De blauwachtig grijze, leikleurige huid is gewoonlijk met vuil +en stof bedekt en hierdoor vaalbruin. + +</p> +<p>Bij een door <span class="smallcaps">Kirk</span> aan de oevers van de Zambesi gedooden, mannelijken Olifant bedroeg de afstand van den spits van de snuit tot aan de kruin +2.75 M, de lengte van de gebogen lijn, die dit punt met den aanvang van den staart verbindt, was 4.2 M., de staart had een +lengte van 1.3 M.; de totale lengte bedroeg dus ruim 8 M. bij een schouderhoogte van 3.14 M. En toch had dit dier nog geen +hoogen leeftijd bereikt, daar iedere slagtand slechts 15 KG. zwaar was. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Afrikaansche Olifant is in deze eeuw, vooral van ’t zuiden af, aanmerkelijk ingekrompen en +strekt zich tegenwoordig uit van den breedtegraad van het Tsad-meer in het noorden tot aan dien van het Ngami-meer in het +zuiden. Nauwkeurig kunnen de grenzen van dit gebied niet aangegeven worden, omdat Olifanten groote reizen ondernemen, zelfs +van tijd tot tijd van woonplaats veranderen, zoodat zij in sommige gewesten gedurende vele jaren en tientallen van jaren niet +waargenomen worden, in andere onverwachts verschijnen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Beide soorten van Olifanten, zoowel de Afrikaansche als de Indische, waren aan de ouden wel bekend. <a id="d0e1044"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1044">381</a>]</span>Reeds de oude Ethiopiërs dreven een levendigen handel in ivoor, welks Grieksche naam (<i>elephas</i>) later tot dien van den Olifant werd, en reeds bij <span class="smallcaps">Herodotus</span> in deze beteekenis voorkomt. <span class="smallcaps">Ktesias</span>, de lijfarts van <span class="smallcaps">Artaxerxes</span> <span class="letterspaced">Mnemon</span> was de eerste, die een Olifant volgens eigen waarnemingen beschreef. Hij zag dit dier levend te Babylon, waar het waarschijnlijk +uit Indië was gebracht. Hij was de eerste, die het sprookje verbreidde, dat de olifant geen gewrichten in de pooten heeft, +niet kan gaan liggen en hierom staande slapen moet. Ieder die een Olifant kunstjes ziet verrichten, weet wel beter. Wel is +waar legt onze reus zich niet altijd neder om te slapen; hij doet dit echter wel degelijk als hij zijn gemak wil nemen; het +gaan liggen en het opstaan kosten hem even weinig moeite als iedere andere beweging. <span class="smallcaps">Darius</span> is de eerste veldheer, waarvan de geschiedenis melding maakt, die Olifanten in den oorlog gebruikte, o.a. toen hij <span class="smallcaps">Alexander</span> <span class="letterspaced">den Grooten</span> bestreed. Eenige van de door <span class="smallcaps">Alexander</span> buit gemaakte Olifanten kreeg <span class="smallcaps">Aristoteles</span> te zien, die een vrij nauwkeurige beschrijving van deze diersoort gaf. Na dien tijd wordt van haar dikwijls melding gemaakt. +Bijna driehonderd jaar achtereen speelde zij een rol in de eindelooze oorlogen, die gevoerd werden, voordat de Romeinen er +in slaagden de wereldheerschappij te verwerven. De Olifanten werden zelfs naar Europa overgebracht en in de Italiaansche veldtochten +gebruikt; dit geschiedde niet alleen met de Indische, maar ook met de Afrikaansche soort<span id="d0e1076" class="corr" title="Bron: ">.</span> Deze, die men in lateren tijd wel eens voor ontembaar heeft gehouden, werd door de Carthagers uitmuntend voor den oorlog +afgericht en bewees haren meesters belangrijke diensten. + +</p> +<p>De Romeinen maakten van de Olifanten hoofdzakelijk gebruik in hunne kampspelen; aan hen is het te wijten, dat deze dieren +in de gewesten ten noorden van den Atlas uitgeroeid zijn. Hoe goed de Afrikaansche Olifanten gedresseerd werden, blijkt uit +de mededeeling, dat zij letters met een griffel konden schrijven, op een gespannen koord liepen, met hun vieren op een zolder +een vijfden droegen, die ziek heette te zijn, op de maat dansten, aan een prachtigen disch, met gouden en zilveren gereedschap +voorzien, volgens de regels der etikette dineerden enz. + +</p> +<p>In de hierboven genoemde landen vindt men de Olifanten in ieder eenigszins omvangrijk woud. Hoe meer water het bevat en hoe +meer het de kenmerken van een oerwoud draagt, des te veelvuldiger komen zij er voor. Men moet echter niet meenen, dat alleen +zulke wouden den Olifant tot woonplaats dienen. Uit zorgvuldige onderzoekingen is de onjuistheid gebleken van de bewering, +dat dit reusachtige dier niet van koele en hooggelegen oorden houdt. Op Ceylon bewoont hij juist bij voorkeur heuvel- en bergachtige +gewesten. In Uvah vond <span class="smallcaps">Tennent</span> nog kudden van Olifanten op plaatsen, die 2400 M. boven den zeespiegel gelegen zijn. Geen hoogte is hun te luchtig of te +koud, wanneer er maar overvloed van water te vinden is. De Olifant vermijdt het zonlicht zooveel mogelijk, brengt den dag +in het duistere woud door en maakt van den koelen, donkeren nacht gebruik voor zijne zwerftochten.—Van den Afrikaanschen Olifant +valt iets dergelijks op te merken. In de Bogoslanden heb ik zijn drek nog gevonden op een hoogte van 2000 M<span id="d0e1086" class="corr" title="Bron: ">.</span>, en tevens vernomen, dat hij in de naburige gebergten, op een hoogte van 3000 M. boven den zeespiegel, nog geregeld voorkomt. +Op dezelfde hoogte vond <span class="smallcaps">Von der Decken</span> sporen van de aanwezigheid van Olifanten op den Kilima-ndsjaro; na hem vond <span class="smallcaps">Hans Meijer</span> ze op een hoogte van 4000 M. Ook van getemde exemplaren wordt bericht, dat zij bij ’t bestijgen van hooge bergen van groote +behendigheid en van onvermoeide volharding blijken geven. + +</p> +<p>Hoe veelvuldig de Olifanten in het binnenland van Afrika ook zijn, toch is het soms moeilijk de plaats te vinden, waar zij +zich op een gegeven oogenblik ophouden, daar zij een zwervend leven leiden. Bij zulke veranderingen van verblijfplaats volgen +zij in den regel bepaalde paden of banen nieuwe wegen, zonder zich er om te bekommeren of deze door wouden of door moerassen, +over steile hoogten of door nauwe ravijnen leiden. Voor hen levert de bodem naar ’t schijnt, geenerlei hinderpalen op: zij +zwemmen door stroomen en meren, dringen zonder bezwaar door het dichtste oerwoud heen, maken op den vasten grond dikwijls +echte straten, omdat zij hunne tochten gezellig ondernemen en bovendien gewoon zijn in een lange rij achter elkander aan te +loopen, zoodat zij dan een betrekkelijk smal spoor achterlaten. Meestal zijn de paden van de hoogte naar ’t water gericht. + +</p> +<p>Het voorste lid van de kudde gaat rustig door het oerwoud, onbekommerd over het kreupelhout, dat hij onder zijne breede voeten +ineenstampt, <span id="d0e1099" class="corr" title="Bron: evenzeeron bekommerd">evenzeer onbekommerd</span> over de boomtakken, die hem in den weg komen; hij breekt ze eenvoudig met de slurf af en vreet ze grootendeels op, de houtige +gedeelten achterlatend. In het gebergte leggen zij, evenals in het woud, paden aan; zij doen dit op zulk een vernuftige wijze, +dat zelfs deskundigen, die hun arbeid nagaan, er verbaasd over zijn. Steeds zoeken de Olifanten de gunstigst gelegen bergpassen, +die in den geheelen omtrek te vinden zijn, voor hunne wegen uit. Sommige van deze passen worden door hen zoo geregeld en sedert +zoo langen tijd begaan, dat zij met hunne voeten zelfs harde gesteenten afgesleten, ja in den letterlijken zin van ’t woord +uitgeslepen hebben. + +</p> +<p>De Olifant is trouwens slechts schijnbaar plomp van beweging, in werkelijkheid echter zeer behendig. Gewoonlijk beweegt hij +zich voort met een bedaarden, gelijkmatigen pas, zooals het Kameel en de Giraffe, waarbij hij 4 à 6 KM. per uur aflegt; deze +bedaarde gang kan echter zoo zeer versneld worden, dat het dier een afstand van wel 15 of 20 K.M. met een nagenoeg verdubbelde +snelheid doorloopt. Meesterlijk heeft het kolossale Slurfdier er den slag van, zoo zachtjes door het woud te sluipen, dat +men het in ’t geheel niet hoort. “In ’t eerst”, zegt <span class="letterspaced">Sir</span> <span class="smallcaps">Emerson Tennent</span> van den Aziatischen Olifant, “stuift de wilde kudde met luid gedruisch door het kreupelhout; weldra echter vermindert het +geraas en hoort men in ’t geheel niets meer, zoodat iemand, die hieraan niet gewoon is, zou kunnen meenen, dat de vluchtende +reuzen op een korten afstand zijn blijven staan.”—Als de Olifant een steilte op zijn weg ontmoet, blijkt het, dat hij ook +in ’t klauteren ervaren is. Naar boven komt hij nog het gemakkelijkst: door de voorpooten in het handgewricht te buigen, komt +het voorste gedeelte van ’t lichaam lager te liggen en wordt het zwaartepunt dus naar voren verplaatst; met op deze wijze +gebogen voorpooten en eenigszins achterwaarts gestrekte achterpooten bereikt het dier langzaam aan zijn doel. Bij het afdalen +heeft het echter wegens zijn verbazend groot gewicht met grootere bezwaren te kampen. Op de gewone wijze voortgaande, zou +de Olifant ongetwijfeld het evenwicht verliezen, naar voren omtuimelen en een val doen, die hem het leven zou kunnen kosten. +Het voorzichtige dier vermijdt dit gevaar door aan den rand van den afgrond neer te knielen, zoodat zijn <a id="d0e1110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1110">382</a>]</span>borst den bodem raakt, nu de voorpooten hoogst bedachtzaam vooruit te schuiven, totdat zij ergens een steunpunt hebben gevonden, +en vervolgens de achterpooten bij te trekken; zoo komt de kolossus langzamerhand, glijdend, en schuivend, beneden. Het komt +trouwens wel eens voor, dat de Olifant op zijne nachtelijke tochten een zwaren val doet. In het dal langs den bovenloop van +den Mensa zag ik hiervan onmiskenbare sporen. Een talrijke kudde was bij een berghelling afgedaald om het dal over te steken +en hier op een smallen weg geraakt, die door het regenwater op sommige plaatsen uitgespoeld was. Een van de Olifanten had +de pooten gezet op een vooruitstekenden steenklomp, die, losrakend en naar beneden vallend, het dier zijn evenwicht deed verliezen, +zoodat het in de diepte stortte. Het dier moet een geweldige buiteling gemaakt hebben, want het gras en de struiken waren +tot op een afstand van ongeveer zestien meter en over een breedte, die met de lichaamslengte van een Olifant overeenkomt, +neer gedrukt, afgebroken en gedeeltelijk zelfs ontworteld. Door een sterker en dichter boschje was de val van het dier gestuit, +want vandaar leidde het spoor weer naar den hoofdweg. De val had dus geen ernstiger gevolgen gehad, dan misschien eenige pijn +in de lenden. + +</p> +<p>Dat de Olifant in ’t zwemmen goed ervaren is, werd reeds opgemerkt; het schijnt hem een genot te zijn, zich te water te begeven +en er in onder te duiken. Als hij het noodig acht, zwemt hij dwars door breede en snel stroomende rivieren; soms houdt hij +het geheele lichaam onder den waterspiegel met uitzondering van de spits van de slurf. Dat deze ook voor het drinken dient, +is bekend. De twee kanalen, die als voortzettingen van de beide afdeelingen der neusholte zich door de geheele slurf uitstrekken +en door een uit bindweefsel en spiervezels bestaand verlengstuk van het kraakbeenig neusmiddelschot vaneengescheiden zijn +hebben een vrij gelijkmatige wijdte tot dicht bij het midden van het tusschenkaaksbeen, hier kunnen zij vernauwd worden, zoodat +de vloeistof, die in de slurf is opgezogen, niet verder kan doordringen. De vloeistof wordt uit de slurf geperst, b.v. in +de mondholte, door de drukking van de lucht in de longen, die, omdat de luchtpijp nu tot aan de achterste neusopeningen opgeheven +is, geen gevaar loopen, om bij het doorslikken van het vocht hiervan iets binnen te krijgen. Van het zich verslikken is dus +in dit geval geen sprake. + +</p> +<p>De slurf wordt door den Olifant nog voor velerlei andere doeleinden gebruikt. Daar zij zeer gevoelig is, wordt zij slechts +bij uitzondering gebezigd om er mede te slaan of een mensch aan te vatten. Bij alle grove werkzaamheden of gevaarlijke verrichtingen +wordt zij zorgvuldig gespaard en te dien einde zoo nauw mogelijk opgerold. Hoofdzakelijk dient zij voor het opnemen en naar +den mond brengen van voedsel en water, alsook voor het speuren en tasten. Met dit werktuig breekt de Olifant takken af, ook +wel dunne boompjes; om dikkere af te breken, drukt hij er met den voet tegen; voor ’t verschuiven van lasten maakt hij ook +wel gebruik van het onder de oogen gelegen deel van den kop, waar de snuit aanvangt. Als de Olifant in dienst van den mensch +een zwaar voorwerp moet opheffen, neemt hij het hieraan bevestigde touw in den bek en legt het tevens over een van zijne slagtanden, +ingeval hij deze heeft. Ook de slagtanden worden voor allerlei verrichtingen gebezigd, altijd echter, evenals de snuit, met +groote voorzichtigheid en zeer zeker niet als hefboomen voor het voortrollen van steenblokken of voor het uit den grond woelen +van boomwortels. Zij dienen den Olifant hoofdzakelijk als wapens om aan te vallen of zich te verdedigen, en worden in andere +gevallen zooveel mogelijk gespaard, omdat zij betrekkelijk gemakkelijk breken. + +</p> +<p>Alle hoogere vermogens van den Olifant zijn geëvenredigd aan zijne reeds genoemde begaafdheden. Het gezicht schijnt niet bijzonder +ontwikkeld te zijn; alle jagers zijn althans van oordeel, dat het gezichtsveld van het dier zeer beperkt is. Des te beter +zijn de reuk en het gehoor ontwikkeld; ook de smaak en het gevoel zijn, gelijk men bij gevangen dieren kan waarnemen, betrekkelijk +fijn. Hoe scherp het dier hoort, ondervinden alle olifantenjagers. Het geringste geluid is voldoende om de aandacht van den +Olifant te trekken; het breken van een takje zou zijn gemoedsrust kunnen verstoren. De reukzin is voortreffelijk ontwikkeld +en stelt het dier in staat om op buitengewoon grooten afstand de lucht van iets te krijgen; geen jager is in staat om boven +den wind den Olifant voldoende te naderen. In de slurf heeft ook de tastzin haar hoofdzetel; vooral het vingervormig uitsteeksel +van den top van dit werktuig wedijvert in fijnheid van gevoel met den geoefenden vinger van een blinde. + +</p> +<p>De stem van den Olifant biedt veel verscheidenheid aan; de geluiden, waardoor hij zijne aandoeningen te kennen geeft zijn +van velerlei aard. Welgevallen drukt hij uit door een zeer zacht gemurmel; vrees openbaart hij door een diep uit de borst +komend gebulder, schrik door een kort en schril getrompet met de slurf; als hij woedend is, hoort men van hem een onafgebroken, +zwaar en rommelend keelgeluid, bij het aanvallen daarentegen een gillend trompetgeluid: het trompetten moet men zich echter +voorstellen als een schetterend gekrijsch. + +</p> +<p>Elke Olifanten-kudde is een groote familie en omgekeerd iedere familie vormt een afzonderlijke kudde. Het aantal leden van +zoo’n kudde kan zeer uiteenloopen: het kan van 10, 15, 20 stuks aangroeien tot eenige honderden. Enkele reizigers spreken +van 400 en 500, ja zelfs van 800 Olifanten, die zij bijeen gezien hebben. Zoo verzekert <span class="smallcaps">Von Heuglin</span>, dat hij een troep van deze dieren heeft ontmoet, welker aantal volgens zijn schatting op minstens 500 begroot moest worden +en evenzoo beweert <span class="letterspaced">Sir</span> <span class="smallcaps">Joh. Kirk</span> aan den Zambesi eens een kudde van 800 stuks te hebben aangetroffen. Tot zulke verbazend groote benden vereenigen zij zich +echter ongetwijfeld slechts zelden; men kan in den regel aannemen, dat in deze gevallen verscheidene kudden zich bijeengevoegd +hebben, die elkander bij een grooten tocht toevallig ontmoetten en gedurende korten tijd denzelfden weg volgen. + +</p> +<p>Hoewel iedere kudde een eigen familie vormt, schijnen toch vreemde Olifanten, zooals jonge mannetjes en weggeloopen, getemde +wijfjes, meestal zonder bezwaar opgenomen te worden; het is echter wel mogelijk, dat er velerlei uitzonderingen zijn. In allen +gevallen is het niet juist te veronderstellen, dat de zoogenaamde “eenzame Olifanten” uitgestooten zijn en nergens opname +hebben kunnen vinden. <span class="smallcaps">Sanderson</span> spreekt deze opvatting bepaaldelijk tegen. Volgens hem leiden de meeste van deze dieren, die vaker jonge dan oude mannetjes +zijn, slechts schijnbaar een eenzaam leven, maar houden zij zich veeleer uit eigen verkiezing slechts tijdelijk een weinig +verwijderd van hun kudde, welker bewegingen zij echter volgen. Een werkelijk eenzame Olifant, die niet meer met zijns gelijken +samenleeft, komt zeer zelden voor, en is dan nog geenszins altijd een boosaardige klant, een “<span class="letterspaced">Rogue</span>”, zooals de Engelschen hem noemen (de <span class="letterspaced">Goenda</span> der Indiërs, <a id="d0e1142"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1142">383</a>]</span>de <span class="letterspaced">Hora</span> der Singalezen, ook wel <span class="letterspaced">Ronkedoor</span> genoemd in de bekende “Reis naar Ceylon” van <span class="smallcaps">Haafner</span>). Daarentegen ontwikkelen zij zich niet zelden tot doortrapte plunderaars van plantages, die niet zoo licht door de gewone +middelen verjaagd kunnen worden. Sommige van deze eenloopende gezellen worden trouwens gevaarlijk voor den mensch, die hen +bij toeval stoort of opzettelijk verrast, daar zij, evenals zoo vele andere weerbare dieren, min of meer onder den indruk +van den eersten schrik, den mensch aanvallen in plaats van hem te ontwijken. + +</p> +<p>De geestvermogens van den Olifant zijn dikwijls veel te hoog geschat, vooral door hen, die hem alleen in den getemden staat +leerden kennen, maar niet in de vrije natuur nagegaan hebben. De meeste anecdoten over de schranderheid en het overleg van +getemde Olifanten, die telkens weer hierbij tepas gebracht worden,—zooals die van den snijder, die een Olifant eens in plaats +van de gewone lekkernijen een prik met een naald gaf, en die naderhand met het werk, dat hij onderhanden had, door het uit +de rivier terugkeerende dier met een straal vuil water werd bespoten,—of die van den Olifant, die het wiel van een kanon ophief, +om te verhoeden, dat het den van ’t kanon gevallen soldaat overreed, en andere vertelsels meer—, zijn wel aardig verzonnen, +maar niet werkelijk gebeurd. De in ’t wild levende Olifant geeft stellig meer bewijzen van onnoozelheid dan van vernuft, en +de gedresseerde, die schijnbaar uit eigen aandrift handelt, doet in werkelijkheid alleen, wat zijn geleider hem gelast. “Laten +wij eens even nagaan,” schrijft <span class="smallcaps">Sanderson</span>, “of de wilde Olifant meer inzicht toont dan eenig ander dier. Hoewel hij in zijn slurf een lichaamsdeel bezit, dat hem voortreffelijk +zou kunnen waarschuwen voor een op lompe wijze aangelegden, met een laag takken en twijgen bedekten valkuil, valt hij er toch +geregeld in. Zijne metgezellen loopen vol schrik weg, hoewel het hun weinig moeite zou kosten hem uit den kuil te halen, als +zij de aarde van den rand er in trapten. Als een jongen Olifant er in gevallen is, blijft wel is waar de moeder in zijn nabijheid, +tot de jagers komen, maar het komt haar niet in de gedachten, haar jong op de een of andere wijze te helpen: zij denkt er +niet eens aan, takken af te breken en in den kuil te werpen, opdat het gevangen kind den honger zal kunnen stillen. Maar zóó +iets gelooft het publiek veel minder graag dan het verzinsel, dat de moeder haar jong op allerlei wijzen behulpzaam is, het +gras toewerpt om het voedsel te verschaffen, water met haar slurf aanbrengt om het te laten drinken, of zoolang stokken en +takken in den kuil werpt, totdat haar kind er uit kan komen. Voorts worden geheele kudden van Olifanten in gebrekkig gemaskeerde +omheiningen gedreven, waarin geen ander wild dier zich zou laten jagen; zij worden één voor één gevangen, doordat een paar +mannen, die met tamme Olifanten naar hen toesluipen, hen de pooten samenbinden. Ontvluchte Olifanten worden op gelijke wijze, +bijna zonder moeite, weder opgevangen; zelfs door de ervaring worden zij dus niet verstandiger. Zulke feiten zijn zeer zeker +onvereenigbaar met de meening, dat de Olifanten buitengewoon verstandige dieren zijn, veel minder nog met de stelling, dat +zij tot scherpzinnig nadenken in staat zouden zijn. Ik geloof niet, dat ik den Olifant onrecht aandoe, wanneer ik beweer, +dat hij in vele opzichten dom is; bovendien kan ik de stellige verzekering geven, dat de mij bekende verhalen over zijne handelingen +voorzoover zij niet op staaltjes van spierkracht en, leerzaamheid neerkomen, die hij onder de aansporing van zijn geleider +vertoont, niets anders zijn dan op effect berekende verzinsels, gegrond op een te hoog denkbeeld van de geestesgaven van den +Olifant. + +</p> +<p>“Wij stappen nu van het verstand van den Olifant af, om zijn gemoedsstemming gedurende de gevangenschap na te gaan. Ik vertrouw, +dat ieder, die met Olifanten te maken heeft gehad, met mij zal instemmen, wanneer ik zeg, dat hunne goede eigenschappen bijna +niet hoog genoeg geschat kunnen worden en dat slechte bij hen steeds een uitzondering zijn. De beste eigenschappen van den +Olifant zijn gehoorzaamheid, zachtmoedigheid en geduld. In deze opzichten wordt hij door geen enkel huisdier overtroffen. +Zelfs in een zeer onaangenamen toestand—b.v., als hij de blakerende zon dulden of pijnlijke heelkundige bewerkingen ondergaan +moet,—toont hij zelden eenige prikkelbaarheid. Hij weigert nooit iets te doen, wanneer hij op de juiste wijze bestuurd wordt—tenzij +het iets is, waarvoor hij vrees koestert. De Olifant, de wilde zoowel als de tamme, is buitengewoon vreesachtig; zijn vrees +wordt door ieder eenigszins vreemdsoortig verschijnsel zeer licht opgewekt. Toch hebben vele van deze dieren een goeden aanleg +tot moed, die alleen maar op een behoorlijke wijze ontwikkeld behoeft te worden, zooals blijkt uit het gedrag van sommige +Olifanten bij de tijgerjacht.” + +</p> +<p>Van vreesachtigheid geven de wilde Olifanten blijken bij al wat zij ondernemen: hetzij zij voedsel zoeken, of uitgaan om zout +te likken (waarvan zij groote liefhebbers zijn), of om te drinken of om te baden, altijd bewegen zij zich met de grootst mogelijke +voorzichtigheid, maar geven zich dan ook, nadat zij zich van hun veiligheid overtuigd hebben, met des te grooter genot aan +het genoegen van den maaltijd over. Zij breken spelenderwijs takken van de boomen af, waaien zich hiermede koelte toe, verdrijven +de hun zoo lastige Vliegen en verslinden de takken nu op hun gemak, na ze eenigszins ineengefrommeld te hebben. Hoewel het +maal bedaard en zonder overhaasting gebruikt wordt, geschiedt dit toch niet altijd stil en zonder gedruisch te maken; integendeel +het gaat, naar <span class="smallcaps">Von Heuglin</span> in het stroomgebied van den Boven-Nijl heeft opgemerkt, met een waarlijk helsch geraas gepaard. Het knikken van de twijgen, +het kraken van de takken of stammen, die dikwijls met vereende krachten afgebroken worden, het kauwen, ademen, zich ontlasten, +het dof gerommel van de lucht in de ingewanden, het plassen van de zware voeten door het moeras, het nat spuiten van het lichaam +met de slurf, het klepperen met de kolossale ooren, die dikwijls als zonneschermen uitgebreid worden, het wrijven van het +kolossale lichaam tegen dikke boomstammen en het gillend getrompet, dat intusschen van deze dieren gehoord wordt, dit alles +te samen brengt een oorverdoovend geraas teweeg. Geëvenredigd aan dit geraas is de elke beschrijving te boven gaande verwoesting, +die een Olifanten-kudde in het woud aanricht. “Wat door <span id="d0e1165" class="corr" title="Bron: de de">de</span> kolossale voeten niet nedergetrapt wordt,” verhaalt onze zegsman, “wordt omgesmeten, de sterkste boom ontworteld, zijne takken +afgebroken; het kreupelhout ligt verward door elkander op den grond alsof een razende wervelwind het had neergeworpen; stammen, +die de stormen van meer dan een eeuw getrotseerd hebben, zijn als riethalmen geknapt.” (?) Takken van meer dan een arm dik +worden door den Olifant zonder bezwaar verzwolgen. Zeer dikke takken schilt hij geheel of gedeeltelijk, waarna hij het hout +laat liggen. In dorre <a id="d0e1168"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1168">384</a>]</span>steppen wroet hij ook in den bodem om saprijke wortels te verkrijgen. + +</p> +<p>De Olifanten behooren ongelukkig eveneens tot de dieren, die hun ondergang tegemoet gaan. De vervolgingen, die zij te verduren +hebben, zijn geen wraakoefeningen voor de door hen aangerichte schade; men maakt jacht op hen wegens het genoegen, dat deze +jacht oplevert, en om het kostbare ivoor te verkrijgen. Van de vroegste tijden af is daarom een verdelgingskrijg tegen hen +gevoerd. In Indië en op Ceylon worden zelfs tandelooze of korttandige mannetjes, ja zelfs de tandelooze wijfjes en jongen +alleen ter wille van het jachtvermaak geschoten en misschien nog vaker in valkuilen gevangen, waarin zij bij het naar beneden +storten dikwijls zoozeer gewond worden, dat zij voor dienstverrichtingen niet meer bruikbaar zijn. In Afrika, waar de dieren +van beiderlei geslacht groote slagtanden hebben, maken zoowel de inboorlingen als de Europeesche beroepsjagers jacht op hen +ter wille van het ivoor. Ongelukkig gaan ook zij hierbij niet altijd met omzichtigheid te werk, maar moorden soms doelloos. +In het open veld, b.v. in Zuid-Afrika, waar men op een goed gedresseerd Paard zich op een willekeurigen afstand van den Olifant +bewegen kan, gebruikt men bij deze jacht dikwijls het Engelsche militaire geweer en schiet het dier hiermede snel achtereenvolgens +zooveel kogels in ’t lijf, totdat hij ter aarde stort. Waar echter de Tsetse-vlieg het gebruik van Paarden onmogelijk maakt, +en vooral in streken, die rijk zijn aan wouden, of waar veel struikgewas groeit, jaagt men te voet en maakt gebruik van zeer +zware geweren met gladde loopen of van zware dubbelloops-buksen. Daar men zich in het dichtst van het woud tot in de onmiddellijke +nabijheid van het wild begeeft, de meeste schoten op een afstand van minder dan 30 schreden en met een hiermede geëvenredigde +gewisheid op het kwetsbaarste lichaamsdeel lost—zoo mogelijk op een plek ter grootte van een hand tusschen het oog en het +oor—, is wegens de zeer sterke lading niet zelden één kogel voldoende om den reusachtigsten Olifant neer te vellen. + +</p> +<p>De vermoeienissen bij deze wijze van jagen zijn zoo groot, dat slechts de meest geharde mannen ze kunnen verduren; het gevaar +voor den jager is echter niet zoo groot, als het wel schijnen kan. Het valt niet te ontkennen, dat de vertoornde Olifanten +soms op hunne vervolgers aanvallen; enkele van deze hebben ook inderdaad onder de voeten van de reuzen van het woud hun laatsten +adem uitgeblazen.—De werkelijk vertoornde Olifant maakt ook nog op andere wijze dan door zijn kolossale zwaarte, waaronder +de bodem dreunt, een onvergetelijken indruk op den toeschouwer. Met ineengerolde slurf, de ooren een weinig opgeheven, den +staart in een kring zwaaiend, schiet hij woest snuivend op zijn vijand toe; het voorste deel van zijn lichaam schijnt aan +te groeien, het ziet er althans veel breeder en hooger uit, dan ooit te voren; aan het achterste deel van den romp worden +de lange huidplooien door hun heen en weer slingerende beweging veel duidelijker zichtbaar; de reusachtige massa nadert snel +en aanhoudend; het toornig snuiven wordt afgewisseld door een woedend gekrijsch, waarvan iemand, die aan zulke geluiden niet +gewoon is, zich geen denkbeeld kan vormen. Wanneer in deze omstandigheden de van drift ziedende reus zijn tegenstander bereikt, +is deze verloren, en is hij, meestal zonder eenige kans op redding, blootgesteld aan de billijke wraakoefening van den getergden +planteneter. + +</p> +<p>Het tijdstip, waarop de Indische Olifanten uitgeroeid zullen zijn, is vooreerst nog niet aangebroken. De betoogen van weldenkende +ambtenaars hebben teweeggebracht, dat de inboorlingen van hunne zoovele dieren verminkende vangwijzen thans een minder ruim +gebruik maken dan vroeger; hierdoor verheugt de in ’t wild levende Olifant zich thans in een volledige vrijheid van beweging, +zoowel in de West-Ghats als in de eindelooze dsjungels en wouden, die zich langs den voet van den Himalaja tot aan Birma en +Siam uitstrekken. Het aantal dieren, dat ieder jaar op last en ten behoeve van de regeering gevangen wordt, is betrekkelijk +zeer gering; er valt niet aan te twijfelen, dat de wildernissen, die men den Olifant en andere wilde dieren als woonplaats +kan overlaten, tegenwoordig zoo talrijk met wild bevolkt zijn, als men maar wenschen kan. + +</p> +<p>In Afrika oefenen de inboorlingen nu nog op dezelfde wreede en onmeedoogende wijze als voor onheugelijke tijden de jacht op +den Olifant uit. In het westen van Afrika, in het Ogowe-gebied, vlechten de Negers de slingerplanten tot een soort van netwerk +ineen, drijven dan de Olifanten naar de op deze wijze omheinde plaatsen van het woud en slingeren, als de dieren besluiteloos +voor de dooreengewarde ranken blijven staan, honderden van lansen in het lichaam van de sterkste en grootste exemplaren, totdat +deze ter aarde storten. Gebruikelijker is het echter bij dergelijke jachten in het woud, zulk een omheining in den vorm van +een grooten halven cirkel aan te leggen en de Olifanten, die er toevallig in geraakt of er in gedreven zijn, zoo schielijk +mogelijk met een haag te omgeven. Rondom deze worden dan wachten geplaatst en vuren aangestoken, om de dieren, die de omheining +naderen, terug te schrikken. Hoewel het zelfs den kleinsten en zwaksten Olifant mogelijk zou zijn, om zonder groote inspanning +door de weinig weerstand biedende omtuining heen te breken en aan de slecht gewapende inboorlingen te ontkomen, wagen de gevangen +dieren het evenwel niet, de vlucht te nemen. Zij worden door de hen omringende jagers letterlijk uitgehongerd, aangeschoten, +gespietst en in een toestand van doodelijke uitputting eindelijk om ’t leven gebracht. + +</p> +<p>Veel aantrekkelijker en menschelijker dan alle jachtmethoden, is de wijze waarop men de Olifanten levend vangt, om deze vagebonden +te temmen, tot nuttige dienaren van den mensch op te leiden. De Indiërs zijn meesters in deze kunst. Onder hen bestaat een +echt gilde van Olifanten-vangers, die Panikis heeten; zij volgen het spoor van den Olifant, zooals een goede Hond het spoor +van een Hert herkent; sporen, die door Europeesche oogen niet opgemerkt worden, zijn voor hen als ’t ware de met duidelijke +aanwijzingen beschreven bladen met een voor hen verstaanbaar boek. Hun eenig wapen bestaat in een stevigen en rekbaren strik +van herte- of buffelleer, dien zij, als zij onvergezeld op de vangst uitgaan, den door hen begeerden Olifant om den poot werpen. +Met onhoorbare schreden volgen zij hem op den weg en wachten een gunstig oogenblik af, om hem te kluisteren; soms zelfs zien +zij kans om hem, wanneer hij stil staat, den strik aan beide pooten te bevestigen. Hoe zij het aanleggen om ongemerkt het +vreeschachtige dier te naderen, is en blijft een raadsel. Een Europeaan is, omdat hij den goeden uitslag van de onderneming +zou verijdelen, niet in staat deze lieden op hunne jachttochten te volgen en moet zich tevreden stellen met wat hij er van +hoort vertellen. + +</p> +<p>Veel grootscher en winstgevender is een wijze van vangen, die geheele kudden aan de heerschappij van den mensch onderwerpt. +Om deze in practijk te brengen, <a id="d0e1182"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1182">385</a>]</span>wacht men gewoonlijk het begin van het droge jaargetijde af, en trekt dan met eenige honderden geoefende inboorlingen en zooveel +mogelijk tamme Olifanten naar een gewest, waar een talrijke kudde wilde Slurfdieren verblijf houdt. Deze kudde wordt in de +eerste plaats door een 5 à 10 KM. langen keten van posten omgeven, die ieder met twee manschappen bezet en, al naar den aard +van het terrein, op afstanden van 60 à 100 schreden van elkander verwijderd zijn. In den regel kan een op deze wijze omsingelde +Olifantenkudde niet anders dan door groote onachtzaamheid van de schildwachten ontkomen. Binnen weinige uren hebben de manschappen +in alle stilte een zwakke omheining van gespleten bamboe-stokken enz. langs den geheelen ring voltooid, en voor zich zelf +van takken een soort van hutten gebouwd; des nachts worden vuren aangestoken. Heeft men een recht groot terrein omheind, dat +rijk is aan voedsel en water, dan veroorzaken de Olifanten gewoonlijk slechts gedurende de eerste nachten eenige moeite; zij +worden, telkens als zij de omheining naderen, door fakkels, schoten en geschreeuw teruggedreven. Deze soort van insluiting +wordt gedurende 4 à 10 nachten volgehouden, d.i. zoolang, totdat een reeds vroeger begonnen, uit stevig paalwerk bestaande +omheining, den “Khedda”, op een gunstig gelegen plek binnen het afgeperkte terrein voltooid is. De sterke, uit boomstammen +en planken samengestelde, ongeveer 4 M. hooge wand, omsluit een kringvormige ruimte van 20 à 50 M. middellijn en laat een +ongeveer 4 M. breeden ingang vrij, die door een zware valdeur gesloten kan worden, waarheen een gang leidt, die door twee +tot op een afstand van 100 M. voortgezette, uit palen bestaande, uiteenwijkende vleugelwanden begrensd wordt. Zoodra deze +getimmerten gereed zijn, wordt de kring om de omsingelde kudde vernauwd. De naastbij geplaatste wachtposten begeven zich naar +de uiteinden van de beide vleugelwanden, de meer verwijderd staande dringen op de Olifanten aan, eerst langzaam en voorzichtig, +daarna sneller; wanneer eindelijk de dieren tot aan de wijde opening van den Khedda genaderd zijn, wordt met groot geschreeuw +en het afschieten van de geweren een algemeene storm ondernomen, die de dieren langs den weg tusschen de beide vleugelwanden +en door de nauwe poort tot binnen in den Khedda drijft. De valdeur, die aan een touw hangt, dat nu doorgesneden wordt, valt +krakend naar beneden,—de kudde is gevangen. Niet altijd loopt deze arbeid goed van stapel; soms bemerken de dieren gevaar, +stormen op hunne belagers af, breken door den kring heen, moeten op nieuw omsingeld worden, of zijn in ’t geheel niet meer +tegen te houden. In den regel echter gelukt het, de eenmaal in een kring besloten kudde in de voor ’t vangen bestemde ruimte +te drijven en haar hierin te doen blijven, in weerwil van de onrustigheid der dieren en de pogingen, die zij af en toe aanwenden, +om een bres te maken in de omheining. Als de eerste ontroering voorbij is, zendt men tamme Olifanten met hunne geleiders en +de hun toegevoegde binders in den Khedda; deze maken zich achtereenvolgens één voor één van de dieren meester, en brengen +ze gekluisterd buiten de vangruimte in het omringende woud, waar zij aan boomen vastgelegd worden. <span class="smallcaps">Tennent</span> beschrijft de vangwijze, die op Ceylon in gebruik is, als volgt: + +</p> +<p>“Buiten de vangruimte was alles gereed gemaakt om de tamme Olifanten, die helpen moeten bij het binden hunner wilde soortgenooten +in de kraal” (zoo heet hier de Khedda) “te voeren. De strikken werden gereed gehouden; eindelijk trok men behoedzaam de boomstammen +weg, die den ingang gesloten hielden, en liet twee tamme Olifanten zachtjes naar binnen gaan. Elk dier werd bereden door een +kornak en zijn knecht. Elke Olifant had een stevigen halsband om, van welke naar weerszijden een riem van antilopenleder, +met een strik voorzien, naar beneden hing. Ter zelfder tijd trad de aanvoerder van de binders naar binnen, en hield zich achter +de tamme Olifanten verborgen; hij was verlangend voor zich de eer te verwerven den eersten Olifant te binden. Het was een +vlug mannetje van ongeveer 70-jarigen leeftijd, die voor diensten bij de olifantenvangst bewezen, reeds twee zilveren kettingen +als eereteekens verworven had. Zijn zoon, eveneens bekend door zijn moed en behendigheid, vergezelde hem.<span id="d0e1189" class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>“Een van de twee tamme Olifanten, die de kraal binnengingen, had een buitengewoon hoogen ouderdom bereikt. De andere, die +<span class="letterspaced">Siribeddi</span> werd genoemd, was omstreeks vijftig jaar oud en onderscheidde zich door zijn zachtaardig en verstandig voorkomen. Zonder +gedruisch te maken waren de vangers binnengekomen; langzaam met een sluwen blik, doch schijnbaar zonder zich om iets te bekommeren, +drentelde <span class="letterspaced">Siribeddi</span> voort tot aan de plaats, waar de negen wilde Olifanten bijeenstonden, nu en dan staan blijvend om in het voorbijgaan een +bosje gras of eenige bladen af te plukken. Toen hij dichter bij was gekomen, gingen de wilde Olifanten hem te gemoet, hun +aanvoerder streek hem zachtjes met de slurf over den kop, keerde zich daarna om en begaf zich met langzame schreden weder +naar zijne bedrukte metgezellen. <span class="letterspaced">Siribeddi</span> volgde hem op dezelfde onverschillige wijze en ging dicht achter hem staan, zoodat de oude man, onder hem doorkruipend, een +strik om den achterpoot van den wilden Olifant kon schuiven. Deze bemerkte onmiddellijk het gevaar, waarin hij verkeerde, +schudde den strik af, keerde zich om en viel op den ouden man aan. Deze zou zwaar hebben moeten boeten voor zijn vermetelheid, +indien <span class="letterspaced">Siribeddi</span> hem niet met de slurf beschermd en den aanvaller naar het midden der kudde teruggedreven had. De oude man was licht gewond +en verliet de kraal, terwijl zijn zoon <span class="smallcaps">Raughanie</span> hem verving. De kudde stond weer in een kring met de koppen naar het middelpunt gekeerd. De beide tamme Olifanten gingen +onbeschroomd bij hen staan, en wel zoo, dat zij het grootste mannelijk exemplaar tusschen zich hadden. Dit bood geen weerstand, +maar toonde zijn ongenoegen door voortdurend nu eens den eenen dan weer den anderen poot op te heffen. <span class="smallcaps">Raughanie</span> sloop nader en hield met beide handen den strik open, waarvan het andere uiteinde aan <span class="letterspaced">Siribeddi</span>’s halsband vastgemaakt was; hij wachtte het oogenblik af, waarop de wilde Olifant een van zijne achterpooten zou oplichten; +eindelijk gelukte het hem den strik om dezen poot te werpen; hij trok hem aan en vluchtte toen achteruit. Oogenblikkelijk +gingen de beide tamme Olifanten eveneens achterwaarts. <span class="letterspaced">Siribeddi</span> trok het touw aan en sleepte op deze wijze den gekluisterden reus uit den kring weg; de andere tamme Olifant plaatste zich +terzelfder tijd tusschen <span class="letterspaced">Siribeddi</span> en de nog overige leden der kudde om hen te verhinderen zich in den strijd te mengen. + +</p> +<p>“Nu moest de gevangene nog aan een boom vastgemaakt en hiervoor 30 à 40 M. verder achteruit getrokken worden, en dit, terwijl +hij woedend weerstand bood, voortdurend vreeselijk brulde, naar alle zijden heen sprong en de kleine boomen, die hem in den +weg stonden, als riet vertrapte. <span class="letterspaced">Siribeddi</span> trok hem gestadig naar zich toe en sloeg eindelijk den riem dien hij voortdurend zoo strak mogelijk gespannen <a id="d0e1226"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1226">386</a>]</span>hield, om een hiervoor geschikten boom. Zich om den boom heen bewegend, stapte hij voorzichtig over den riem om dezen nogmaals +om den stam te wikkelen, waarbij hij natuurlijk tusschen den boom en den Olifant door moest gaan. Hij kon dezen natuurlijk +niet zoo vastbinden, dat er geen ruimte meer tusschen den stam en de gevangene overbleef. De tweede tamme Olifant kwam hem +te hulp, en duwde den gevangene terug door zich schouder tegen schouder en kop tegen kop bij hem te plaatsen, terwijl <span class="letterspaced">Siribeddi</span> na elke achterwaartsche schrede van het wilde dier den slap geworden riem aantrok en zóó den afstand tusschen den boomstam +en den olifantspoot verkortte, totdat beide met elkander in aanraking waren. De vanger maakte toen den riem vast en wierp +een tweeden kluister om den anderen achterpoot, die op dezelfde wijze als de eerste en aan denzelfden boom bevestigd werd. +Eindelijk werden nog de beide achterpooten met zachter banden aan elkander gehecht om de wonde en de zwelling, die de riemen +zouden kunnen veroorzaken, indien de beweging van het dier niet eenigszins beperkt werd, minder gevaarlijk te maken. Nadat +de beide tamme Olifanten zich nogmaals, als in den aanvang, naast den wilde hadden geplaatst, kon <span class="smallcaps">Raughanie</span>, onder hun lichaam doorgaande, ook de beide voorpooten van den gevangene kluisteren en aan een dichtbij, doch vóór hem staanden +boom bevestigen. Nu was zijn arbeid, wat dit dier betrof afgeloopen en verlieten de tamme Olifanten die steeds hunne kornaks +droegen, het slachtoffer, om een ander lid van de kudde hetzelfde lot te doen ondergaan. Merkwaardig is het, dat de wilde +Olifanten nimmer een poging doen, om de bestuurders van de tamme dieren aan te vallen en op den grond te werpen.” Zoodra de +aanvankelijk min of meer weerspannige gevangenen eenigermate gewoon zijn geraakt aan den mensch en aan hunne tamme soortgenooten, +worden zij overgebracht naar de plaats, waar men ze africht voor het werk, dat men van hen verlangt, b.v. het vervoeren van +zware bouwmaterialen, balken of steenen. + +</p> +<p>In tegenstelling met de Indiërs, welker wijze van Olifanten-vangst zooeven beschreven werd, gaan de Afrikaansche stammen op +een merkwaardig ruwe en lompe wijze te werk ter bereiking van hetzelfde doel. De nomadische stammen van de steppen, die zich +tusschen den Nijl en de Roode Zee uitstrekken, houden zich meer of minder geregeld met de vangst van Olifanten bezig; het +middelpunt van den handel in deze dieren was sedert 1857 Kassala. <span class="smallcaps">Marno</span> die <span class="smallcaps">Casanova</span> op één van diens reizen naar Kassala begeleidde, bericht, dat de bewoners van de steppen jacht maken op jonge, nog zuigende +Olifanten, en deze alleen kunnen vermeesteren, nadat zij hun moeder op de reeds vroeger beschreven wijze vervolgd en gedood +hebben. Terwijl de koenste jagers met het oude dier bezig zijn, trachten andere zich meester te maken van het jong; zij werpen +het strikken om het lijf, trekken het op den grond en kluisteren het aan alle vier pooten. Gekrabd en gekwetst, keeren de +jagers van hun woesten rit door wildernissen van doornstruiken met den buit naar hun dorp terug, evenals de krom en lam gereden +Paarden; beide hebben zij na zulk een jacht een langen rusttijd noodig. Volgens <span class="smallcaps">Marno</span> biedt de opvoeding van de Olifanten, zelfs van zeer jong gevangen exemplaren, groote moeilijkheden aan, zoowel door hun weerspannigheid +gedurende en na de vangst, als door de bezwaren verbonden aan hun voeding en hun vervoer. + +</p> +<p>In de Europeesche dierentuinen kan de Afrikaansche Olifant even goed in ’t leven gehouden worden als de Aziatische, zelfs +wanneer er weinig gedaan wordt tot bevrediging van zijne natuurlijke behoeften: dikwijls mist hij een groote ruimte voor vrije +beweging of een badvijver van voldoende diepte en wijdte. Om de nadeelige gevolgen van te weinig lichaamsoefening te ontgaan, +is hij wel genoodzaakt heen en weer te loopen of voortdurend de eene poot na de andere op te tillen en neder te zetten; terwijl +hij zich voor het gemis van het zoo noodige bad schadeloos stelt, door zich van tijd tot tijd met de slurf, nat te spuiten. +Zijne uitmuntende zintuigen, zijn leerzaamheid, zijn zachtaardig voorkomen vallen iederen toeschouwer dadelijk ’t oog. Hij +leert gemakkelijk en al spelend; hij “werkt” gewillig en gaarne en vormt om die reden een van de merkwaardigste nummers op +het programma van ieder wildedierenspel, terwijl hij evenzeer de lieveling is van de bezoekers der diergaarden.—De hoeveelheid +voedsel, die hij noodig heeft, is zeer aanzienlijk: volgens <span class="smallcaps">Haacke</span> krijgt de Aziatische Olifant van de diergaarde te Frankfort, die omstreeks 43 jaar oud is, dagelijks 8 KG. tarwe-zemelen, +8 KG. roggebrood, 2 KG. rijst en 25 KG. hooi, behalve het ligstroo, dat hij nu en dan opvreet, en de lekkernijen, bestaande +uit wittebrood, roggebrood, suiker, vruchten en dergelijke zaken, waarop de bezoekers hem tracteeren. Ditzelfde dier drinkt +iederen dag ongeveer 16 met water gevulde stal-emmers leeg. + +</p> +<p>Het vleesch van den Afrikaanschen Olifant heeft den smaak van rundvleesch, maar is veel taaier en grover van vezels. De Negers +snijden alle spieren van dit dier in lange repen, die zij in de zon of boven het vuur laten drogen, en vóór het gebruik tot +een grof poeder wrijven, dat zij aan hunne eenvoudige gerechten toevoegen. Bij de jachtexpedities die de Njam-njam ondernemen, +dooden zij soms zooveel Olifanten, dat verscheidene dorpen hierdoor maanden lang een voldoende hoeveelheid vleesch hebben. +“Dikwijls” zegt <span class="smallcaps">Schweinfurth</span>, “zag ik lieden die, naar ik meende, zich met een groot bos brandhout naar hunne hutten begaven: zij droegen de hun toekomenden +portie olifantenvleesch, dat in lange repen gesneden en boven het vuur gedroogd, geheel het uiterlijk van hout en takjes had +verkregen.” + +</p> +<p>Voor den wereldhandel is van den Olifant alleen het ivoor van belang, maar dan ook van groot belang. De totale hoeveelheid +ivoor, dat van de thans levende Olifanten-soorten afkomstig is en op de wereldmarkt komt, bedroeg volgens een statistieke +opgave over de jaren 1879–1883, gemiddeld per jaar ongeveer 868.000 KG. Hiervan leverden Ceylon en Sumatra 2000 KG., Achter-Indië +7000 K.G., Voor-Indië 11000 KG. en Afrika 843.000 KG. + + + +<a id="d0e1257"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1257">387</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">Tiende Orde.</h2> +<h2>De Onevenvingerigen (<span class="letterspaced">Perissodactyla</span>). +</h2> +<p>De orde van de Onevenvingerigen omvat, evenals die der Slurfdieren, slechts de weinig talrijke vormen, die van een eertijds +veel rijker ontwikkelden stam zijn overgebleven; deze in den regel groote dieren steunen, terwijl zij zich bewegen, alleen +op de hoeven, d.w.z. op nagels die het laatste vingerlid geheel omgeven; steeds is bij hen de teen, die met den derden teen +van den vijfteenigen voet overeenkomt, meer ontwikkeld dan de overige; bij de Paarden is hij zelfs de eenige, die tot ontwikkeling +is gekomen. Het gebit van de Onevenvingerigen onderscheidt zich door de kleinheid of afwezigheid der hoektanden en de door +lijsten verbonden knobbels der maaltanden; snijtanden komen in beide kaken voor. + +</p> +<p>Van deze orde zijn ongeveer 25 soorten bekend, die, met uitzondering van Australië, nagenoeg over de geheele wereld verspreid +zijn: zij kunnen over vier scherp van elkander gescheiden familiën verdeeld worden: in de éénteenige Paarden, de Tapirs, die +vier teenen aan de voorpooten, drie teenen aan de achterpooten hebben, de drieteenige Neushoorndieren en de Klipdassen, welker +teenen in aantal met die der Tapirs overeenstemmen. Wegens de geringe overeenkomst, die er, ook wat de levenswijze betreft, +tusschen deze vier familiën bestaat, komt een op alle toepasselijke beschrijving ons onuitvoerbaar voor. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Paarden</span> (<i>Equidae</i>) van de hedendaagsche dierenwereld vormen een zeer begrensde groep en vertoonen zooveel overeenkomst met elkander, dat men +ze tot één geslacht rekent. Dit geslacht—dat der <span class="letterspaced">Paarden</span> (<i>Equus</i>)—is gekenmerkt door een middelmatig groote, schoone gestalte, betrekkelijk krachtige ledematen en een mageren, langwerpigen +kop met groote, levendige oogen, middelmatig groote, toegespitste, beweeglijke ooren en wijd geopende neusgaten. De hals is +stevig en gespierd, de romp afgerond en vleezig, het lichaam grootendeels met zachte, korte, dicht aanliggende haren bedekt, +die zich echter in den nek tot manen verlengen; ook de staart is, hetzij alleen aan de spits (bij de Ezels) of over zijn geheele +lengte (bij de Eigenlijke Paarden), met lange haren begroeid. Het aanwezig zijn aan elken poot van slechts <span class="letterspaced">één teen</span>, welks eindlid (<span class="letterspaced">hoeflid</span>) door een sierlijk gevormden hoef als door een schoen omgeven is, onderscheidt de Paarden van alle Onevenvingerigen. Wegens +de groote rol, die dit lichaamsdeel bij de beweging speelt, is het noodig het te beschrijven. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">teen</span> bestaat uit drie leden: de <span class="letterspaced">koot</span>, de <span class="letterspaced">kroon</span> en het <span class="letterspaced">hoeflid</span>. Het geraamte van het <span class="letterspaced">hoeflid</span> bestaat uit twee beenderen van zeer ongelijke grootte: het voorste en grootste, het <span class="letterspaced">hoefbeen</span>, is sponsachtig, heeft een scherpen, halfcirkelvormigen onderrand, die de eenigszins uitgeholde ondervlakte van het hoefbeen +van voren en aan de zijden begrenst; het achterste, kleinere beentje, dat, evenals het hoefbeen, met de ondervlakte van het +kroonbeen verbonden is, heet <span class="letterspaced">straalbeen</span>. De pees van de spier, die het hoeflid buigt, gaat achter dit straalbeen langs, om zich te hechten aan de ondervlakte van +het hoefbeen, waar zij zich tot een peesvlies (den “ganzevoet”) verbreedt. + +</p> +<p>De hoef, die het hoeflid omgeeft, bestaat uit: 1º. een hard, verhoornd gedeelte (de <span class="letterspaced">hoorndoos</span>), en 2º. de meer inwendig gelegen, zachte <span class="letterspaced">hoefhuid</span>. Aan de hoorndoos onderscheidt men drie deelen: + +</p> +<p>(a) De <span class="letterspaced">hoornwand</span>, welks voorste, sterk hellend gedeelte (de <span class="letterspaced">teen</span>) zich achterwaarts ombuigt, in de meer loodrecht geplaatste zijwanden of <span class="letterspaced">kwartieren</span> overgaat, die, steeds smaller wordend, aan de buitenzijde van het hoeflid blijven tot daar, waar zij in twee minder harde +uitwassen (de <span class="letterspaced">verzenen</span>) hun achterste punt bereiken; hier gaat de hoornwand op de onderzijde van het hoeflid over onder den naam van <span class="letterspaced">steunsels</span>, die naar voren van weerszijden samenloopen, en onder een scherpen hoek elkander ontmoeten. De lijn volgens welke de hoornwand +in de gewone huid overgaat, heet <span class="letterspaced">kroonrand</span>; het deel dat op den grond rust, en aan den “teen” ruim 1 cM. breed is, heet <span class="letterspaced">draagrand</span>. + +</p> +<p>(b) De <span class="letterspaced">hoornzool</span>, een dikke plaat met oneffene oppervlakte, die de ruimte vult welke tusschen den “teen”, de zijwanden en de steunsels overblijft, +is met den draagrand verbonden volgens een <span class="letterspaced">witte lijn</span>; alleen hier rust zij op den grond, daar zij eenigermate gewelfd is. + +</p> +<p>(c) De <span class="letterspaced">hoornstraal</span> is een weekere, maar zeer veerkrachtige hoornmassa van wigvormige gedaante, die de driehoekige ruimte tusschen de beide steunsels +aanvult; door de overlangsche <span class="letterspaced">straalgroef</span> is hij in twee afdeelingen verdeeld, die zich naar achteren ieder tot een <span class="letterspaced">hoornbal</span> uitzetten. + +</p> +<p>De binnenste oppervlakte van den hoornwand is met diepe groeven voorzien, waarin plooien van de rijk met bloedvaten en zenuwen +voorziene <span class="letterspaced">zachte hoefhuid</span> doordringen; deze wordt naar het deel, waarmede zij in aanraking is, onderscheiden in <a id="d0e1370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1370">388</a>]</span><span class="letterspaced">vleeschwand</span>, <span class="letterspaced">vleeschzool</span> en <span class="letterspaced">vleeschstraal</span>. De beide laatste hebben geen plaatvormige, maar tepelvormige uitwassen, die in kuiltjes van het hoorn doordringen. De hoefhuid +is evenzoo ingericht aan den kroonrand, waar zij het dikst is en zoom heet. De vleeschstraal is wit, veerkrachtig en niet +zeer gevoelig. Door de zachte hoefhuid wordt het hoorn van den hoef gevormd. + +</p> +<p>Door haar samenstelling is de hoef in staat zich eenigszins te verwijden en te vernauwen. Zoodra, bij het neerzetten van den +voet, het gewicht van het lichaam op het hoefbeen en straalbeen, en bijgevolg op den straal, de steunsels en de hoornzool +drukt, wordt de zool vlakker; tevens komt de straal met den bodem in aanraking en verbreedt zich; beide oefenen dus een zijdelingsche +drukking uit op den hoornwand, welks achterste gedeelte zich het eerst aan den kroonrand en daarna ook aan den draagrand zal +verwijden. Bij het ophouden van de drukking wordt de hoef, door de veerkracht zijner bestanddeelen, weder in den vorigen toestand +teruggebracht. De verwijding en de daarop volgende inkrimping bedragen ongeveer 3 mM. Hierdoor zal er geen pijnlijke drukking +op en geen beschadiging van de zachte hoefhuid plaats hebben, schokken worden voorkomen en de bloedsomloop blijft ongestoord. +Een sierlijke en vlugge beweging wordt er door bevorderd. Voor het behoud van deze belangrijke eigenschappen van den hoef +is het noodig, hem goed te verzorgen; steeds moet de draagrand een loodrechten stand hebben. De snelle afslijting van dezen +rand op een harden of geplaveiden weg, wordt door het aanbrengen van een hoefijzer (door het beslaan) vermeden. De hoefijzers +mogen de inkrimping en uitzetting van den hoef niet verhinderen; zij worden vastgehecht met 5 à 9 nagels, die in de witte +lijn worden ingeslagen. Vooral de voorhoeven hebben, wegens hun van nature vlakkere zool, beschutting door een hoefijzer noodig. + +</p> +<p>Het kootbeen is verbonden met een lang middelvoetsbeen, dat <span class="letterspaced">kanonbeen</span> (<span class="letterspaced">pijpbeen</span>) wordt genoemd; hierachter komen twee weinig ontwikkelde (rudimentaire) middelvoetsbeenderen voor, die, wegens hun vorm, +<span class="letterspaced">griffelbeenderen</span> heeten: zij bereiken het kootgewricht niet, maar eindigen op eenigen afstand daarboven stomp in het vleesch. In ’t diluviale +tijdvak bestonden onze hedendaagsche Eénhoevigen reeds. De dieren, die hen in het voorafgaande tertiaire tijdvak vervingen, +hadden in plaats van de griffelbeenderen, twee goed ontwikkelde middelvoetsbeenderen, die ieder een achterteen droegen; deze +uitgestorven, drieteenige vormen, worden als de voorouders van de hedendaagsche Paarden beschouwd.—Gewoonlijk wordt het deel +van den poot, waarin het pijpbeen en de griffelbeenderen voorkomen, de pijp genoemd; het polsgewricht heet in de wandeling +“voorknie”, of eenvoudig “knie”. Wat de teen en de pijp betreft, komen de voor- en achterpooten in hoofdzaken met elkander +overeen. + +</p> +<p>Elke kaakhelft bevat 3 <span class="letterspaced">snijtanden</span>, die als het ware van boven ingestulpt zijn, waardoor in elk dezer tanden een holte ontstaan is. Op deze wijze zijn de drie +bouwstoffen van den tand, <span class="letterspaced">cement</span>, <span class="letterspaced">email</span> en <span class="letterspaced">tandbeen</span>, in dubbele lagen aanwezig. Van boven gezien ontdekt men licht de twee kringvormige lagen van email, die, harder zijnde, +minder afslijten. De binnenste omsluit een centrale holte, het <span class="letterspaced">merk</span>, die, behalve dat zij inwendig met cement is bekleed, met een kalkachtige massa en met gekauwde spijsdeelen is opgevuld, +en daardoor een geheel andere kleur vertoont dan het glasachtige email. Tusschen de beide email-kringen treft men het weekere +tandbeen aan. De genoemde holte of instulping is in de snijtanden der bovenkaak van het Gewone Paard 1.3 à 1.7 cM. diep, in +die der onderkaak slechts 0.66 cM., en wordt naar beneden toe steeds nauwer. Aangezien nu de tanden door het gebruik voortdurend +afslijten, spreekt het van zelf, dat het merk steeds kleiner worden en eindelijk geheel verdwijnen moet; dit geschiedt echter +eerder aan de tanden der onderkaak dan aan die der bovenkaak, wijl bij deze de holte dieper is.—De <span class="letterspaced">hoektanden</span> ontbreken dikwijls, vooral bij de wijfjes; bij de mannetjes vertoonen zij zich in den regel als kleine, haakvormige, stompe +kegels, die door de paardenkenners gewoonlijk “haaktanden” worden genoemd, omdat zij den naam “hoektanden” geven aan de buitenste +snijtanden, terwijl de voorafgaande paren snijtanden bij hen “middeltanden” en “grasbijters” heeten.—De zes vierzijdige <span class="letterspaced">kiezen</span> van iedere kaakhelft hebben sterk gekronkelde email-plooien op de kroonvlakte.—Van de spijsverteringsorganen verdienen voorts +nog vermelding: de nauwe slokdarm, die op de plaats, waar hij in de maag eindigt, met een klep voorzien is, de enkelvoudige +(onverdeelde), langwerpig ronde, tamelijk kleine maag, de sterk ontwikkelde blinde darm; de galblaas ontbreekt. + +</p> +<p>Als het oorspronkelijk verbreidingsgebied van de Paarden—welker overblijfselen men voor ’t eerst in de lagen van het tertiaire +tijdvak ontmoet—wordt het grootste gedeelte van het noordelijk halfrond beschouwd. In Europa zijn de wilde Paarden, naar ’t +schijnt, eerst voor betrekkelijk korten tijd uitgestorven; in Azië en Afrika zwerven ook thans nog kudden van deze dieren +door de gebergten en hoog gelegen steppen. In Amerika, waar zij uitgestorven waren, zijn zij opnieuw verwilderd; ook in Australië +komen reeds verwilderde Paarden voor. Zij voeden zich met gras, kruiden en andere plantaardige stoffen; de tamme Paarden hebben +zelfs dierlijk voedsel—b.v. vleesch, visch, Sprinkhanen—leeren gebruiken. + +</p> +<p>Alle Paarden zijn levendige, wakkere, beweeglijke, schrandere dieren; hunne bewegingen zijn bevallig en statig. De gewone +wijze van gaan der in vrijheid levende soorten, is een tamelijk scherpe draf, hun versnelde beweging een betrekkelijk gemakkelijke +galop. Vreedzaam en goedaardig tegenover andere dieren, voor zoover deze hun geen kwaad doen, ontwijken zij angstvallig den +mensch en de groote Roofdieren, maar verdedigen zich in geval van nood door slaan en bijten moedig tegen deze vijanden. + +</p> +<p>De dieren van het Paardengeslacht worden verdeeld in twee ondergeslachten: de <span class="letterspaced">Paarden</span> (<i>Equus</i>) en de <span class="letterspaced">Ezels</span> (<i>Asinus</i>). Bij gene bereikt het oor ongeveer ¼ gedeelte van de lengte van den kop en is de staart van den wortel af lang behaard; +bij deze is het oor langer, (soms zelfs bijna half zoo lang als de kop) en draagt de staart alleen aan de spits lange haren. +Bij alle Paarden (in engeren zin) komen aan beide paren ledematen eeltplekken (<span class="letterspaced">zwilwratten</span>) voor; aan de voorpooten: één aan het bovenste derde gedeelte van de voorarm en wel aan haar binnenzijde, een andere aan +het onderste uiteinde van de pijp; aan de achterpooten: één even onder het spronggewricht aan de binnenzijde, een tweede aan +het benedenste gedeelte van de pijp. Bij de Ezels ontbreken de zwilwratten aan de achterpooten, terwijl zij aan de voorpooten +aanwezig zijn. + +</p> +<p>De vermenigvuldiging van deze dieren geschiedt langzaam. Het wijfje werpt na langen draagtijd (48 <a id="d0e1439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1439">389</a>]</span>weken bij de merrie, 52 bij de ezelin) één enkel jong. Hier te lande is de Ezel bronstig in April en Mei, het Paard tusschen +het einde van Maart en het begin van Juni. + +</p> +<p>Minstens twee, waarschijnlijker echter drie soorten van deze familie, zijn door den mensch onderworpen. Geen geschiedverhaal, +geen sage maakt melding van den tijd, waarin zij voor ’t eerst huisdieren werden; zelfs het werelddeel, waarin de eerste Paarden +getemd zijn, kan niemand met zekerheid aanwijzen. Naar men meent, heeft men vooral aan de volken van Middel-Azië het bezit +van het Paard als huisdier te danken; ook de halfwilde, voormalige bewoners van Europa hebben wilde Paarden getemd. Betrouwbare +gegevens over den tijd, waarin de hulpmiddelen van den mensch zulk een belangrijke uitbreiding ondergingen, en over de volken, +die haar voor ’t eerst in praktijk brachten, ontbreken ons echter ten eenenmale. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Nog tegenwoordig zwerven in de steppen van Zuidoost-Europa kudden van Paarden rond, die door enkelen beschouwd worden als +de wilde stamouders van ons huisdier, door anderen als afstammelingen van tamme Paarden, die tot den wilden staat terugkeerden. +Deze dieren, <span class="letterspaced">Tarpans</span> genaamd, hebben alle eigenschappen van echte wilde dieren en worden door de Tartaren en Kozakken als zoodanig aangemerkt. +De Tarpan is een klein Paard met dunne, maar krachtige, langhielige pooten, tamelijk langen, dunnen hals en betrekkelijk dikken +kop; deze is “ramsneuzig” (de rug van den neus is bol), heeft spitse, vooroverhellende ooren en kleine, vurige, boosaardige +oogen. Het haar is in den zomer dicht, kort, golvend, vooral aan het achterdeel, waar het bijna gekroesd kan heeten; in den +winter daarentegen is het dicht, zwaar en lang, vooral aan de kin, waar het bijna een baard vormt; de manen zijn kort, dicht, +ruig en gekroesd; de staart is middelmatig lang. De hoofdkleur van het zomerkleed is gelijkmatig vaalbruin, geelachtig bruin +of isabella-geel; in den winter worden de haren lichter, soms zelfs wit; de manen en de staart hebben een gelijkmatige, donkere +kleur. Gevlekte exemplaren komen nooit voor, zwarte zelden. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1389.jpg" alt="Tarpan. 1/25 v.d. ware grootte." width="720" height="656"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tarpan</span>. 1/25 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Men ontmoet de Tarpans in kudden, die uit verscheidene honderden individuën kunnen bestaan. Gewoonlijk bestaat iedere troep +weder uit een aantal kleinere gezelschappen of familiën, die elk een hengst tot aanvoerder hebben. Deze kudden bewonen uitgestrekte, +open en hoog gelegen steppen en trekken van de eene plaats naar de andere, in den regel in den wind op. Zij zijn buitengewoon +waakzaam en schuw, kijken rond met ver omhoog geheven kop, bespieden den omtrek, spitsen de ooren, openen de neusgaten en +ontdekken in den regel nog ter rechter tijd het hun dreigend gevaar. De hengst is alleenheerscher in zijn kring; hij zorgt +voor de veiligheid van hen, die aan zijn bescherming zijn toevertrouwd, maar duldt van hen geen afwijkingen van den bekenden +regel. Zoodra zijn aandacht getrokken wordt door een of ander verschijnsel, begint hij te snuiven en de ooren snel te bewegen, +draaft met omhoog gehouden kop het verdachte voorwerp een eind weegs te gemoet en laat een schel gehinnik hooren, zoodra hij +gevaar bemerkt; op dit teeken maakt de geheele kudde zich in gestrekten galop uit de voeten. Dikwijls verdwijnen de dieren +als door een tooverslag: zij hebben zich verborgen in de een of andere diepe inzinking van den bodem en wachten hier af, wat +de toekomst brengen zal. Voor Roofdieren zijn de weerbare en strijdlustige hengsten niet bevreesd. Op <a id="d0e1459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1459">390</a>]</span>Wolven gaan zij hinnikend af en slaan hen met de voorpooten neder. Het sprookje, dat zij gezamenlijk een kring vormen met +de koppen naar ’t middenpunt gekeerd en aanhoudend met de achterpooten achteruitslaan, is reeds sinds lang weerlegd. + +</p> +<p>De Tarpan kan moeielijk getemd worden: het schijnt, dat hij de gevangenschap niet kan verdragen. Zijn buitengewoon levendige +natuur, zijne spierkracht en wildheid maken zelfs de bekwaamheden van de in ’t paardendresseeren ervaren Mongolen te schande. +Wegens de niet geringe schade, die de Tarpan aan de “wilde” stoeterijen toebrengt door het wegvoeren van de Paarden, maakt +men met hartstochtelijken ijver jacht op dit dier. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De bovenstaande mededeelingen brengen het vraagstuk van de afstamming van het Paard geen stap nader bij zijn oplossing. Uit +de gewoonten van den Tarpan kan men geen bewijzen putten vóór of tegen de stelling, dat dit dier van getemde Paarden afstamt. +Dat deze gemakkelijk en spoedig verwilderen, blijkt op overtuigende wijze uit de geschiedenis van de kudden, die steppen van +Zuid-Amerika bevolken en die wij nu zullen behandelen. + +</p> +<p>“De in 1535 gestichte stad Buenos Ayres werd later verlaten,” verhaalt <span class="smallcaps">Azara</span>. “De vertrekkende inwoners deden in ’t geheel geen moeite om al hunne Paarden bijeen te brengen. Er bleven 5 à 7 van deze +dieren achter, die aan zichzelf overgelaten waren. Toen in het jaar 1580 deze stad weder in bezit genomen werd, vond men er +reeds een menigte verwilderde Paarden, afstammelingen van de tamme, die er achtergelaten waren. Reeds in het jaar 1596 was +het aan iedereen geoorloofd deze Paarden te vangen en te gebruiken. Dit is de oorsprong van de tallooze kudden Paarden, die +ten zuiden van den Rio de la Plata rondzwerven.” De <span class="letterspaced">Cimarrones</span>, zoo noemt men deze Paarden, bewonen thans alle deelen van de Pampas en vormen er talrijke kudden, die soms wel uit <span id="d0e1475" class="corr" title="Bron: duizende">duizenden</span> individuën bestaan. + +</p> +<p>Zij zijn lastig en richten schade aan, niet alleen omdat zij goede weiden kaal vreten, maar ook omdat zij de tamme Paarden +met zich medelokken. Gelukkig verschijnen zij des nachts niet. De wilden in de Pampas eten het vleesch van de Cimarrones, +vooral dat van de veulens en merries. Ook vangen zij er verscheidene om ze te temmen; de Spanjaarden daarentegen maken er +bijna geen gebruik van. Hoogst zelden vangen zij een van deze Paarden met het doel om het te temmen.— + +</p> +<p>In Paraguay komen geen verwilderde Paarden voor, maar de toestand waarin de Paarden van dit land verkeeren, verschilt niet +belangrijk van dien der wilde. Zij worden <span class="letterspaced">Mustangs</span> genoemd en zoo verwaarloosd, dat zij merkbaar verbasteren. Zij zijn middelmatig hoog, hebben een grooten kop, lange ooren +en dikke gewrichten; alleen de hals en de romp zijn tamelijk regelmatig gebouwd. In den zomer zijn zij kort, in den winter +lang behaard; de manen en de staart zijn altijd dun en kort. + +</p> +<p>De Zuid-Amerikaansche Paarden brengen het geheele jaar onder den blooten hemel door. Eénmaal in de acht dagen worden zij bijeengedreven +om te verhoeden, dat zij verstrooid geraken; men onderzoekt en zuivert hunne wonden, bestrijkt deze met koedrek en snijdt +van tijd tot tijd, om de drie jaren ongeveer, den hengsten de manen en de staartharen af. Aan de veredeling van deze dieren +wordt niet gedacht. + +</p> +<p>“Gewoonlijk,” zegt <span class="smallcaps">Rengger</span>, “leven de Paarden bij troepen in een bepaald gebied, waaraan zij sinds hun jeugd gewoon zijn. Bij iederen hengst voegt men +12 à 18 merries, die door hem bijeengehouden en tegen vreemde hengsten verdedigd worden. De veulens blijven tot in het derde +of vierde jaar bij hunne moeders. Deze geven blijken van groote liefde voor haar kroost, zoolang zij het nog zoogen; soms +verdedigen zij het zelfs tegen den Jagoear. Wanneer de Paarden een weinig ouder zijn dan 2 of 3 jaar, worden aan de hiervoor +uitgekozen jonge hengsten de jonge merries toebedeeld; men gewent iederen hengst er aan met zijn gezelschap een bepaald gebied +te beweiden. De Paarden, die tot één troep behooren, mengen zich nooit onder die van andere troepen en toonen zooveel gehechtheid +aan elkander, dat het moeite kost een grazend Paard van zijne metgezellen te scheiden. Wanneer de verschillende gezelschappen +dooreengemengd worden, zooals bij het samendrijven van alle Paarden van een hoeve geschiedt, zoeken de bijeenbehoorende elkander +dadelijk weer op. Niet alleen aan hunne metgezellen, maar ook aan hunne weiden zijn deze dieren zeer gehecht. Ik heb er gezien, +die van een afstand van 80 uren gaans teruggekeerd waren naar de vroeger door hen bewoonde plaatsen. Des te zonderlinger is +daarom het feit, dat soms de Paarden van een geheel district zich op weg maken, en één voor één of bij troepen wegloopen. +Dit gebeurt hoofdzakelijk, wanneer na droog weder plotseling hevige regenbuien vallen, waarschijnlijk ten gevolge van de vrees, +die deze dieren hebben voor den hagel, die niet zelden met het eerste onweder gepaard gaat. + +</p> +<p>“De zintuigen van deze nagenoeg in ’t wild levende dieren zijn, naar het schijnt, scherper dan die van de Europeesche Paarden. +Het gehoor is buitengewoon fijn; des nachts kan men aan de beweging van hunne ooren zien, dat zij het geringste, voor den +ruiter volkomen onhoorbare gedruisch hebben opgemerkt. Hun gezichtsvermogen is, evenals bij alle Paarden, tamelijk zwak, hoewel +zij gedurende het leven in de vrije natuur door oefening een groote vaardigheid verkrijgen in het onderscheiden van voorwerpen +op aanzienlijken afstand. Door middel van hun reukzin leeren zij de omgeving kennen. Zij besnuffelen alles, wat hun vreemd +voorkomt. Door dezen zin leeren zij hun berijder, het tuig, den stal waar zij gezadeld worden, enz. onderscheiden, door hem +weten zij in moerassige streken de plaatsen te vinden, waar zij zouden verzinken; in den donkeren nacht of bij dichten nevel +wijst hij hun den weg naar hunne woonplaatsen of naar hun weide. Goede Paarden besnuffelen hun berijder op ’t oogenblik, dat +hij in den zadel stijgt; ik heb er wel gezien, die hem in ’t geheel niet op den rug toelieten of zich niet door hem lieten +sturen, als hij niet een ‘poncho’ medenam, een mantel, zooals altijd gedragen wordt door de landlieden, die Paarden temmen +en voor ’t rijden africhten. Op grooten afstand ruiken zij trouwens niet. Zelden heb ik een Paard gezien, dat op 50 schreden +afstands de lucht kreeg van een Jagoear. Daarom vormen zij in de bewoonde gewesten van Paraguay den gewonen buit van dit Roofdier.” + +</p> +<p>Het leven van de verwilderde Paarden in de verder noordwaarts gelegen Llanos heeft <span class="smallcaps">Alexander von Humboldt</span> ons in korte woorden op meesterlijke wijze geschilderd: “Wanneer in den zomer onder de loodrecht invallende stralen van de +nooit door wolken omsluierde zon het grastapijt van deze onmetelijke vlakten geheel en al verdroogd en in poeder veranderd +is, ontstaan er langzamerhand diepe kloven in den bodem, alsof hij door geweldige aardschokken was opengespleten. <a id="d0e1499"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1499">391</a>]</span>In dichte stofwolken gehuld, door honger en een brandenden dorst gekweld, zwerven de Paarden en Runderen rond, gene met languitgerekten +hals en met den hoogopgeheven neus den hen te gemoet ijlenden wind opsnuivend om uit de vochtigheid van den luchtstroom de +nabijheid van een nog niet geheel verdampten plas af te leiden. Op een andere wijze, met meer overleg en sluwheid, trachten +de Muildieren hun dorst te lesschen. Een bolvormige plant met vele overlangsche groeven aan haar oppervlakte, de meloen-cactus, +verbergt onder een stekelig hulsel een veel water bevattend merg. Met de voorpooten slaat het Muildier de stekels weg om het +koele distelsap te drinken. Het putten uit dezen levenden plantaardigen bron geschiedt echter niet altijd zonder gevaar: dikwijls +ziet men dieren, die door de cactus-stekels aan de hoeven verlamd zijn. Ook dan wanneer eindelijk op de brandende hitte van +den dag de koelte van den even langen nacht volgt, kunnen de Paarden en Runderen geen ongestoorde rust genieten. De Bladneuzige +Vleermuizen vervolgen hen gedurende den slaap en hangen zich aan hun rug om hun bloed te zuigen. + +</p> +<p>“Eindelijk, als na langdurige droogte de verkwikkelijke regentijd aanbreekt, komt er verandering van tooneel. Nauwelijks is +de oppervlakte van den bodem bevochtigd, of het heerlijkste groen bedekt de steppe. De Paarden en Runderen zwelgen in vroolijk +levensgenot. In het hoog opschietende gras verschuilt zich de Jagoear en overmeestert met vasten sprong menig Paard, menig +veulen. Weldra zwellen de stroomen en dezelfde dieren, die gedurende een deel van ’t jaar van dorst versmachten, moeten als +Amphibiën leven. De merriën zoeken met hare veulens een schuilplaats op de hooggelegen banken, die, in de lengte gerekt, zich +als eilanden boven den waterspiegel van het meer verheffen. Met iederen dag wordt het droog gebleven terrein kleiner. Uit +gebrek aan weideplaatsen zwemmen de dicht opeengedrongen dieren uren lang rond en vinden een karig voedsel in de bloeiende +graspluimen, die zich boven het gistende, bruin gekleurde water verheffen. Vele veulens verdrinken, vele worden door de Krokodillen +gegrepen, met den staart doodgeslagen en verslonden. Niet zelden ziet men Paarden, die groote litteekens, kenteekenen van +den aanval der Krokodillen, aan de pooten hebben. Ook onder de Visschen hebben zij een gevaarlijken vijand. Het water van +het moeras is bevolkt met talrijke Electrische Alen. Deze merkwaardige Visschen zijn in staat om met hunne geweldige electrische +schokken, de grootste dieren te dooden, wanneer zij hunne batterijen tegelijkertijd in een gunstige richting ontladen. De +weg; door de steppe aan de Uri Tucu moest opgegeven worden, omdat de Sidderalen zich in zulk een menigte in een riviertje +hadden opgehoopt, dat ieder jaar vele Paarden door hen verdoofd werden en bij het doorwaden van het stroompje verdronken.” + +</p> +<p>Een nog veel gevaarlijker vijand hebben de kudden in zich zelf. Soms worden zij door een panischen schrik bevangen. Bij honderden +en duizenden ijlen zij als razenden voort, laten zich door geen hindernissen tegenhouden, rennen tegen rotsen aan of vallen +zich te pletter in afgronden. Plotseling verschijnen zij in het kamp van de in ’t open veld overnachtende reizigers, vervolgen +hun weg tusschen de wachtvuren door, over de tenten en wagens heen, vervullen de lastdieren met een doodelijken schrik, rukken +ze los en nemen hen op in den levenden stroom—voor altoos. Verder noordwaarts komen de Indianen het aantal vijanden vermeerderen, +die het leven van de wilde Paarden verbitteren. Zij vangen ze op, om ze gedurende hunne jachttochten te berijden, en mishandelen +ze zoo erg, dat zelfs het krachtigste Paard na korten tijd bezwijken moet. Evenals bij de Bedoeïnen van de Sahara geeft ook +bij de Indianen het Paard dikwijls aanleiding tot bloedige gevechten. Hij, die geen Paarden heeft, tracht ze te stelen. Paardendiefstal +wordt bij de Roodhuiden als een eervol bedrijf aangemerkt. Benden van dieven volgen de trekkende stammen of karavanen weken +lang, totdat zij de gelegenheid vinden om alle rijdieren mede te nemen. Ook om hunne huiden en hun vleesch worden de Paarden +in Amerika ijverig vervolgd. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een beschrijving of zelfs een eenvoudige opsomming van de bijna tallooze rassen of stammen van het <span class="letterspaced">Paard</span> (<i>Equus caballus</i>), die onder den invloed van den Mensch ontstaan zijn, behoort niet in het kader van dit werk. Bovendien bestaan er voortreffelijke, +uitvoerige werken speciaal over dit onderwerp. Het is voor ons doel voldoende de belangrijkste rassen te behandelen. Gewoonlijk +worden zij in twee groepen gerangschikt: de <span class="letterspaced">Oostersche</span> en de <span class="letterspaced">Westersche rassen</span>. De Oostersche rassen behooren oorspronkelijk thuis in Azië en Afrika, vooral in de landen van de gematigde zone dezer werelddeelen, +zooals blijkt uit de namen die aan de vier hoofdafdeelingen van deze groep gegeven zijn: het <span class="letterspaced">Barbarijsche</span> of <span class="letterspaced">Berber-ras</span>, het <span class="letterspaced">ras der Nijllanden</span>, het <span class="letterspaced">Arabisch-Perzische ras</span> en het <span class="letterspaced">Mongoolsch-Tartaarsche ras</span>. Tot het laatstgenoemde worden, behalve de Paarden van een groot deel van Midden-Azië, ook de “slagen” gerekend, die in het +oosten van Europa tot aan de grenzen van Duitsch-Oostenrijk en Pruisen het meest algemeen verbreid zijn. Tot het Berber-ras +behooren o.a. sommige slagen van Zuid-Spanje (o.a. het vermaarde Andalusische), waarvan weer een groot deel van de Paarden +der Nieuwe Wereld, o.a. die van Mexico, afstammen. + +</p> +<p>De eere-plaats onder alle paarden-stammen verdient ook thans nog het <span class="letterspaced">Arabische Volbloed-Paard</span>. (Een Paard heet “volbloed”, wanneer al zijne voorouders zonder eenige uitzondering, naar uit authentieke bescheiden moet +blijken, gedurende een lange reeks van geslachten de kenmerkende eigenschappen van een en hetzelfde ras in zich vereenigden, +en dus van zuiver ras waren. Om het ras zuiver te houden moet ieder Paard steeds met zijne gelijken paren en moet ieder exemplaar, +dat storende afwijkingen vertoont, als fok-dier niet in aanmerking komen. “Half-bloed”-Paarden ontstaan door kruising van +Volbloed-Paarden, die in dit geval gewoonlijk “ras<span id="d0e1541" class="corr" title="Bron: ">”</span>-Paarden worden genoemd, met andere Paardenslagen; terwijl “Koudbloed”-rassen in ’t geheel geen Volbloed-Paarden onder hunne +voorouders tellen.) “Het Volbloed-Paard”, schrijft <span class="letterspaced">Graaf</span> <span class="smallcaps">Wrangel</span>, “heeft geen edeler vertegenwoordiger dan het Arabische Paard van zuiver ras, dat, daar het op de grens tusschen de natuurlijke +en de door de kultuur verkregen rassen staat, zoowel door den natuuronderzoeker als door den paardenkenner en—den dichter +als het edelste dier van de schepping geprezen wordt.” + +</p> +<p>Volgens de algemeen door de Arabieren gestelde eischen, moet het edele Paard de volgende eigenschappen in zich vereenigen: +een geëvenredigde lichaamsbouw, korte en beweeglijke ooren, zware, maar toch sierlijke beenderen, een vleeschloos gelaat, +neusgaten “zoo wijd als de muil van den Leeuw”, fraaie, donkere, uitpuilende oogen, “met een uitdrukking gelijk aan <a id="d0e1552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1552">392</a>]</span>die van een liefhebbende vrouw,” een fraai gebogen en langen hals, breede borst en breed kruis, smallen rug, ronde achterschenkels, +zeer lange ware en zeer korte valsche ribben, een ingesnoerde romp, lange bovenschenkels, “zooals die van den Struis zijn”, +met spieren, “zooals het Kameel ze heeft,” een zwarten, eenkleurigen hoef, fijne, niet zeer gevulde manen en een rijk behaarden +staart, dik aan den wortel en dun in de nabijheid van de spits. Het moet vierderlei lichaamsdeelen breed hebben: het voorhoofd, +de borst, het achterdeel en de ledematen; vierderlei lichaamsdeelen moeten lang zijn: de hals, de voorarm, de buik en de dij, +vierderlei lichaamsdeelen daarentegen kort: de lendenen, de ooren, de kooten en de staart. Deze eigenschappen bewijzen, dat +het Paard van een goed ras is en snel loopt; want het gelijkt dan door zijn lichaamsbouw “op den Windhond, de Duif en het +Kameel te zamen.” + +</p> +<p>In de 18e levensmaand begint de opvoeding van het edele dier. In ’t eerst tracht een knaap het te berijden. Het leidt het +naar de drinkplaats, naar de weide, maakt het schoon, kortom voorziet in al zijne behoeften. Beide leeren te gelijker tijd: +de knaap wordt een ruiter, het Paard een rijdier. Nooit echter zal de jonge Arabier van het veulen, dat hem is toevertrouwd, +te veel eischen, nooit er werkzaamheden van vergen, die het niet verrichten kan. Op iedere beweging van het dier wordt acht +geslagen, het wordt zachtmoedig en liefderijk behandeld, hoewel men geen ongehoorzaamheid en boosaardigheid duldt. Eerst wanneer +het Paard zijn tweede levensjaar volbracht heeft, legt men het een zadel op; na afloop van het derde jaar gewent men het er +langzamerhand aan, al zijne krachten in te spannen. Eerst wanneer het zeven jaar oud geworden is, beschouwt men zijn opvoeding +als afgeloopen; daarom zegt het Arabische spreekwoord: “Zeven jaar voor mijn broeder, zeven jaar voor mij en zeven jaar voor +mijn vijand.” + +</p> +<p>De Arabieren onderscheiden vele familiën in hunne Paarden; ieder gewest, ieder volk beroemt zich op die, welke het bezit. +In Arabië rangschikt men deze dieren ook thans nog in 21 “bloedstammen” of familiën, van welke de vijf belangrijkste onder +den naam “Khamsa” samengevat worden: deze heeten van de vijf merriën van <span class="smallcaps">Salomo</span> af te stammen. De oudste en edelste van deze vijf familiën heet “Kehilan” of “Kochlani”. Vermakelijk is het te luisteren +naar den lof, die over een bijzonder edel Paard verkondigd wordt. “Zeg niet, dat het mijn Paard is, noem het mijn zoon! Het +loopt sneller dan de stormwind, sneller nog dan de blikken over de vlakte waren. Het is zoo zuiver van ras als goud. Zijn +oog is zoo scherpzichtig, dat het in het duister een haar kan onderscheiden. Het achterhaalt de gazelle. Tot den arend zegt +het: Ik beweeg mij zoo snel als gij! Als zijn oor het jubelen der meisjes verneemt, hinnikt het van vreugde en bij het fluiten +der kogels springt zijn hart op van blijdschap. Uit de hand der vrouwen neemt het aalmoezen aan, den vijand slaat het met +de hoeven in ’t aangezicht. Als het loopen kan zooveel het begeert, storten zijne oogen tranen. Hetzij de hemel klaar is, +of de stormwind het licht der zon door stofwolken verduistert, ’t is alles om ’t even; dit Paard is een edel dier, dat het +woeden van den storm veracht. In deze wereld is er geen, die het evenaart. Snel als de Zwaluw ijlt het voort; het is zoo licht, +dat het op de borst van uw geliefde zou kunnen dansen, zonder haar lastig te zijn. Zoo zacht draaft het, dat gij gedurende +den snelsten draf op zijn rug zittend een kop koffie kunt drinken, zonder een druppel te spillen. Het begrijpt alles, wat +een zoon van Adam begrijpt; alleen door het gemis van de spraak verschilt het van dezen.” + +</p> +<p>In Engeland wordt tegenwoordig aan de paardenfokkerij niet minder zorg gewijd dan in het Oosten. Nog geen tweehonderd jaar +geleden fokten de Spanjaarden en Italianen veel beter Paarden dan de Engelschen; deze zijn echter sedert dien tijd evenveel +vooruitgegaan als gene achteruitgingen. De vroeger zoo beroemde Andalusische en Polesina-rassen bestaan niet meer, terwijl +daarentegen het <span class="letterspaced">Engelsche Volbloedras</span> (<i>thorough-breed, racing breed</i>) als het uitstekendste lid van het Westersche of Europeesche hoofdpaardenras wordt beschouwd. Alleen door paring van individuën, +die verschillende uitnemende eigenschappen bezitten, kunnen wezens ontstaan, waaraan deze eigenschappen vereenigd voorkomen, +en alleen als deze wezens met huns gelijken paren kan men verwachten, dat hunne afstammelingen onverbasterd zullen blijven. +Voor het verkrijgen en zuiver houden, van een uitmuntend paardenras is dus een zorgvuldige keuze van fokdieren noodig. Al +sinds lang legt men zich in Engeland toe op het fokken van Paarden, die door een buitengewone snelheid op de renbaan kunnen +schitteren. Het Engelsche Volbloedpaard is een product van dit streven. De eerste gebeurtenis, die voor de geschiedenis van +dit ras belangrijk zou worden, was, dat <span class="smallcaps">Jacobus I</span> (1603—1625) eerst eenige Arabische, later ook eenige Turksche hengsten en merriën naar Engeland liet komen, om gebruikt te +worden als renpaarden en voor het veredelen van de inlandsche paardenslagen. <span class="smallcaps">Karel II</span> (1603—1625) volgde dit voorbeeld en schafte zich toen Oostersche merriën (<i>the royal mares</i>) benevens eenige Oostersche hengsten aan. Het vaderland van deze merries is twijfelachtig. <span class="smallcaps">Schwarznecker</span> vermoedt, dat zij uit Barbarije en Turkije afkomstig waren. Bij dit fokmateriaal kwamen later nog eenige Oostersche hengsten, +waarvan vooral drie beroemd zijn geworden als stamvaders van vele vermaarde renpaarden. Deze zijn: <span class="smallcaps">Darley</span> <span class="letterspaced">Arabian</span> (1714)—een uit de woestijn van Palmyra afkomstige, door <span class="smallcaps">Darley</span> te Aleppo gekochte Arabische hengst, de vader van <span class="letterspaced">Flying Childers</span>, het paard dat 1 Eng. mijl (1610 M.) in de minuut aflegde, en dat, op deze wijze dag en nacht doorrennend, in 17 etmalen +den evenaar rondgeloopen zou zijn; deze was de overgrootvader van <span class="letterspaced">Eclipse</span> (den stamvader van den <span class="letterspaced">Eclipse</span>-stam), die in 3 seconden 7 sprongen van 25 voet deed—, <span class="smallcaps">Godolphin</span>’s <span class="letterspaced">Berber</span>—wiens afstammelingen den <span class="letterspaced">Matchem</span>-stam vormen—, <span class="smallcaps">Byerley</span>’s <span class="letterspaced">Turc</span>—waaruit de <span class="letterspaced">Herodes</span>-stam is voortgesproten, zoo genoemd naar het renpaard <span class="letterspaced">Herodes</span>, die zijn eigenaar een winst van ruim 2½ millioen gulden op de wedrennen verschafte. Ieder Volbloedpaard moet, om als zoodanig +erkend te worden, ingeschreven zijn in het in 1791 aangevangen <i>General Stud-book</i>, hetgeen alleen geschiedt, als zijn stamboom geen andere voorouders aanwijst, dan Paarden, die in dit register voorkomen. +Het Engelsche Volbloedpaard heeft een kleinen kop, een langen hals, die meestal gestrekt wordt gedragen; het staat dikwijls +hoog op de pooten, heeft sterk ontwikkelde achterschenkels, een duidelijk zichtbaar spierstelsel en breede, stevige pezen. +Hoewel dit ras door ieder onbevangen beoordeelaar minder schoon wordt genoemd dan het Arabische, wijl bij het Engelsche paard +het streven naar doelmatigheid meer op den voorgrond stond dan het zoeken van een harmonieuzen lichaamsbouw, is het toch wat +grootte, sterkte, snelheid <a id="d0e1623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1623">393</a>]</span>en geschiktheid voor acclimatisatie betreft, ver boven het Arabische Volbloedpaard verheven; terwijl het als fokdier voor +de vorming van uitmuntende rij- en tuigpaarden zijns gelijken niet heeft. Terecht noemt men het dan ook: “de edelste Europeesche +stamgenoot van het Arabische paard. Vele paardenkenners beweren, dat het verschil tusschen beide rassen eenvoudig veroorzaakt +is door gewijzigde levensomstandigheden en dat het Engelsche Volbloedpaard onvermengd Oostersch bloed in zijne aderen heeft. +Het stamregister van dit ras levert echter het onomstootelijk bewijs, dat er geen enkel Volbloedpaard is, in wiens stamboom +zoowel aan vaders- als aan moederszijde geen andere dan Oostersche voorouders voorkomen.” Het volbloedpaard is niet anders +“dan een door voortdurende reinteelt voortgebracht product van de wedrennen van de voorbereiding hiervoor (<i>training</i>) en van de door deze beide factoren bepaalde zorgvuldige keuze van fokdieren, verzorging en voeding.” Zoowel door zijn lichaamsvorm +als door zijne vermogens munt het hedendaagsche Volbloedpaard in alle opzichten boven zijne voorouders uit; het kan een hoogte +van 1.75 en meer bereiken. (De hoogte van het Arabische Paard bedraagt 1.5 à 1.6 M.) De gestalte is edeler en, wat de verhoudingen +betreft, evenrediger geworden.—Het Engelsche Volbloedpaard wordt voor het veredelen van andere rassen naar alle door Europeanen +bewoonde landen van de wereld uitgevoerd. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1393.jpg" alt="Renpaard (Engelsch Volbloedras). 1/21 v.d. ware grootte." width="720" height="665"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Renpaard</span> (<span class="letterspaced">Engelsch Volbloedras</span>). 1/21 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De derde vertegenwoordiger van het Volbloedras is het <span class="letterspaced">Anglo-arabische</span> of <span class="letterspaced">Gemengd Volbloedpaard</span>, ontstaan door kruising van het Engelsche en het Arabische Volbloedpaard, welke kruising eerst in den laatsten tijd heeft +plaats gehad. + +</p> +<p>Veel talrijker dan de Volbloedrassen zijn de <span class="letterspaced">Halfbloedslagen.</span> Deze ontstaan door kruising van Volbloedfokpaarden met merries of hengsten van de gewone Westersche landslagen. Dit geschiedt +op groote schaal in zoogenaamde stoeterijen, die aan den Staat, aan een vereeniging of aan particulieren behooren. De staats- +of hoofdstoeterijen hebben ten doel een voor de behoeften van het land geschikt, edel, rein paardenras voort te brengen. In +Pruisen zijn er drie; de belangrijkste van deze is die te Trakehnen, bij Gumbinnen in Oost-Pruisen, waar 360 halfbloed-merries +worden gehouden. Zij werd in 1732 door <span class="smallcaps">Friedrich Wilhelm I</span> opgericht, met het doel om voor zijn privaat gebruik goede Paarden te verkrijgen, en heeft er veel toe bijgedragen om aan +de paardenfokkerij in Pruisen een goede richting te geven, en om het tot aan dien tijd zeer verwaarloosde Oud-Pruisische paardenslag +op een oordeelkundige wijze te veredelen. Vóór het begin van de vorige eeuw bepaalde men zich er toe, Paarden te fokken, zonder +zich toe te leggen op de veredeling van het ras. Waarschijnlijk stond dus destijds overal in Duitschland de paardenfokkerij +op een lager standpunt dan in de Middeleeuwen; daar toen, zooals bekend is, een veel drukker handelsverkeer tusschen het Oosten +en Westen bestond dan in latere tijden, met uitzondering van den tegenwoordigen tijd. Door gebruik te maken van Arabische +en Engelsche Volbloedpaarden heeft de <span class="letterspaced">Trakehner</span> zich langzamerhand ontwikkeld tot een fokras, dat zich door een goed gevormden kop, een fraai aangezetten hals, een gedrongen +romp met rechten rug, een langwerpig rond kruis, tamelijk breede borst, zeer krachtige ledematen, als ook door snelheid onvermoeidheid +en soberheid onderscheidt. Vooral voor het leveren van cavalerie- en koetspaarden is het uitnemend geschikt.—Staatsstoeterijen +heeft Pruisen bovendien nog te <span class="letterspaced">Graditz</span> bij Torgau (Saksen) en in Beberbeck <a id="d0e1660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1660">394</a>]</span>bij <span class="letterspaced">Hofgeismar</span> (Hessen). Deze inrichtingen leveren ook een groot deel van de dekhengsten ten behoeve van den landbouw, die in de “landsstoeterijen” +bewaard, en gedurende den dektijd over de verschillende districten verdeeld worden.—Ook in andere Duitsche landen (Beieren, +Wurtemberg, Brunswijk, Lippe), oefent de regeering op dezelfde of soortgelijke wijze als in Pruisen, grooten invloed uit op +de paardenfokkerij. Anders is het gesteld in Hannover, Oldenburg, Mecklenburg en Holstein, waar door de landbouwers uitstekende +halfbloedslagen worden gefokt. Het <span class="letterspaced">Oldenburger</span> (Bovenlandsche) Paard is ook hier te lande gunstig bekend, vooral als tuig- of koetspaard; het is sterk en meer dan middelmatig +groot (1.75 à 1.85 M. hoog). Soortgelijk, doch iets edeler van vorm, zijn de <span class="letterspaced">Hannoversche</span> en <span class="letterspaced">Holsteinsche</span> paarden.—Verder behooren nog tot deze afdeeling: in Oostenrijk het <span class="letterspaced">Lippizaner</span> en het <span class="letterspaced">Kladruber</span> slag, die met het Spaansche halfbloedslag, den <span class="letterspaced">Andalusiër,</span> nauw verwant zijn; in Frankrijk het <span class="letterspaced">Anglo-normandische</span> en het <span class="letterspaced">Anglo-bretonsche</span> slag; de Russische <span class="letterspaced">Orlowdravers,</span> die in de stoeterijen Khränowoy en Padu, in het gouvernement Woronesch gefokt worden, stammen af van een Arabischen hengst +en een Hollandsche merrie, [evenals de Engelsche <span class="letterspaced">Norfolk-dravers,</span> van een Engelschen Volbloedhengst een Friesche merrie]; andere Russische halfbloedpaarden zijn sommige slagen van <span class="letterspaced">Donsche</span> en <span class="letterspaced">Tscherkessische</span> paarden. Door kruising van Engelsche Volbloedhengsten en merries van het Yorkshire-landslag (ook wel Cleveland-bruinen genaamd, +naar de streek waar zij het meest gefokt werden), ontstond het Engelsche Jachtpaard (<i>Hunter</i>), dat zich door een sterkeren lichaamsbouw en kortere pooten van het Engelsche Volbloedpaard onderscheidt, en dus een grooter +gewicht kan dragen, maar er door kop en hals mede overeenkomt; kleiner is het <span class="letterspaced">Engelsche halfbloed koetspaard</span> (<i>Hackney</i> of <i>Hack</i>) en nog kleiner (ongeveer 1.4 M. hoog), de voor ’t zelfde doel dienende <i>Cob</i>. Van de <span class="letterspaced">Noord-Amerikaansche</span> paarden behooren tot deze afdeeling sommige slagen van <span class="letterspaced">Sneldravers</span> (<i>Trotter</i>). De Paarden van de hier genoemde slagen zijn, zooals te verwachten is, zeer verschillend, zoowel wat lichaamsbouw als wat +geschiktheid betreft. Er zijn lichte, middelmatige en zware dieren onder; vele zijn uitmuntende rij- of wagenpaarden, andere +sterke werkpaarden; verscheidene onderscheiden zich door een zeer groote trekkracht. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Tot de derde afdeeling, die der <span class="letterspaced">Koudbloedige rassen,</span> genaderd, zijn wij het best in de gelegenheid iets te zeggen van de in Nederland thuis behoorende paarden. “Evenals de meeste +Europeesche landen,” zegt <span class="smallcaps">Reinders,</span> “bezit Nederland eigenlijk een groot mengelmoes van Paarden. Men wil, dat daaronder drie typen voorkomen, die men gewoonlijk +als het <span class="letterspaced">Friesche</span>, het <span class="letterspaced">Geldersche</span> en het <span class="letterspaced">Zeeuwsche</span> ras onderscheidt. Het meest verbasterd (door kruising met andere rassen gewijzigd) is daarvan wellicht ’t Zeeuwsche, maar +van de beide andere gaat het dikwijls moeilijk een exemplaar van de echte type, van ‘het echte ras’ te vinden. Twee andere +typen zouden wellicht nog daarbij gevoegd kunnen worden, die van Holland en Utrecht, maar nog meer dan in andere provinciën +heeft hier verbastering plaats gehad. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1394.jpg" alt="Trakehner. 1/25 v.d. ware grootte." width="720" height="506"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Trakehner.</span> 1/25 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Het <span class="letterspaced">Friesche Paard,</span> in de provinciën Groningen, Friesland en Drente, maar door uitvoer naar Noord- en Zuid-Holland ook in deze provinciën niet +zeldzaam, werd voorheen onder dezen naam naar alle streken van Europa uitgevoerd, inzonderheid naar Rome en Madrid, waar het +als staatsiepaard een grooten naam had. Ook thans nog is het als koetspaard in het buitenland gezocht. Jaarlijks gaat onder +anderen een zeker aantal zwarte hengsten van dit ras naar Engeland om daar voor de lijkkoetsen dienst te doen. Hun schoone +vorm, hun verheven gang en hunne sterke beenen maken hen daarvoor uitermate geschikt. Van al de Nederlandsche Paarden is het +Friesche Paard het grootst hoewel niet meer zoo groot als voorheen. Het Friesche Paard heeft ook naam als harddraver, maar +bezit deze eigenschap meer door aanleg dan wel tengevolge van de keuze bij het aanfokken, gelijk bij het Engelsche Renpaard +<a id="d0e1756"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1756">395</a>]</span>het geval is. Ook als harddraver werd het vroeger veelvuldig uitgevoerd en met andere rassen gekruist. + +</p> +<p>“Het <span class="letterspaced">Geldersche Paard,</span> nog het meest oorspronkelijk in de Betuwe, is kleiner dan het Friesche. Het is meer rij- dan trekpaard en om zijne verhevene +bewegingen gezocht als cavaleriepaard; de zwaardere exemplaren zijn ook goede trekpaarden. De goede eigenschappen van het +Geldersche Paard worden toegeschreven aan een kruising van het oorspronkelijke inlandsche met het Andalusische Paard in den +Spaanschen tijd. + +</p> +<p>“Het <span class="letterspaced">Zeeuwsche Paard</span> is zwaar en meer of minder plomp van vorm. Het is sterk, maar niet zeer schoon, wel geschikt voor ploeg- of werkpaard, maar +wegens zijn moeilijke beweging minder gepast als tuigpaard.” + +</p> +<p>De talrijke in Nederland voorkomende vreemde Paarden behooren voor een groot deel hetzij tot Duitsche slagen of tot het <span class="letterspaced">Vlaamsche</span> of het <span class="letterspaced">Ardenner</span> ras, die beide in België en in de aangrenzende Fransche departementen gefokt worden; de <span class="letterspaced">Ardenners</span> zijn meestal roodschimmels; het zijn sterke gebergtepaarden, waarvan een grooter en een kleiner slag bestaat; hier te lande +heeft men meestal het zware slag; het meestal zwarte <span class="letterspaced">Vlaamsche Paard</span> is grooter, gemiddeld 1.8 M. hoog in de schouders, nog iets hooger in het kruis, met eenigszins ingezonken rug; het heeft +een breed gespleten kruis evenals het nauw verwante, iets kleinere en meer gedrongen gebouwde <span class="letterspaced">Brabantsche Paard.</span> Het ras der <span class="letterspaced">Percherons,</span> zoo genoemd naar het Fransche landschap Perche (Dep<sup>n</sup> Eure et Loire en Orne), komt in twee hoofdverscheidenheden voor, als middelsoort rij- en tuigpaard en als zwaar trekpaard; +meestal zijn het schimmels met kleinen, edelen kop, fijn manenhaar, hoog, meestal gespleten kruis en korte, krachtige ledematen. +Verwant hieraan zijn de <span class="letterspaced">Boulognezer Paarden.</span> De <span class="letterspaced">Clydesdalers</span> zijn zware Engelsche landbouwpaarden. Nog grooter zijn de <span class="letterspaced">Engelsche Karrepaarden</span> (<span class="letterspaced">Dray-horse</span>, 1.9 à 1.94 M. schouderhoogte), die men wel eens “Olifantspaarden” noemt, en die, ondanks hun kolossalen omvang, goed geproportioneerd +zijn en zich gemakkelijk bewegen; naar men zegt, stammen zij af van Paarden, die uit Holland werden ingevoerd en welker nakomelingen +door goede verzorging en doelmatige keuze van fokdieren veredeld zijn; zij worden o.a. voor het trekken van de bierwagens +gebruikt. Het <span class="letterspaced">Norische ras</span> heeft zijn hoofdzetel in de Oostenrijksche Alpen (Salzburg, Tirol, enz., tot aan het westelijke deel van Hongarije); het +sterkste en grootste van de vele, hiertoe behooren de slagen is het <span class="letterspaced">Pinzgauer Paard;</span> het kleinste, de door karige voeding en ruw klimaat ontaarde <span class="letterspaced">Hafflinger Hit</span> in de omstreken van Bozen. Voorts verdienen nog vermelding het <span class="letterspaced">Jutlandsche</span> of <span class="letterspaced">Deensche Paard</span> en het Russische <span class="letterspaced">Bitjug-Paard.</span> In de <span class="letterspaced">Hongaarsche</span> paardenslagen, die wegens hun volharding voor gemakkelijke cavalerie-diensten uitnemend geschikt zijn, is een Oostersch type +zichtbaar: zij zijn nauwelijks middelmatig groot, hebben een zwaren kop, een eenigszins verlengden romp, een recht kruis en +krachtige, droge ledematen. + +</p> +<p>In Hongarije, Zuid- en Oost-Rusland, Roemenië en andere landen met geringe bevolkingsdichtheid en uitgestrekte weidegronden +heeft het paardenfokken meestal plaats in zoogenaamde “wilde” of “half-wilde” stoeterijen: in gene worden de Paarden gedurende +het geheele jaar aan zichzelf overgelaten; de hier geboren Paarden zijn zeer duurzaam, krachtig en sober, maar nimmer zoo +schoon als die, welke onder toezicht van den mensch geboren en grootgebracht worden, vooral omdat op de kruising door den +mensch weinig of geen invloed wordt geoefend. Dit is nog wel eenigszins het geval in de “half-wilde” stoeterijen, waar<span id="d0e1826" class="corr" title="Bron: (">, </span>evenals in de Zuid-Amerikaansche Llanos, in den bronsttijd aan elken hengst een bepaald aantal merries worden toebedeeld, +of waar, zooals in vele Oost-Europeesche landen geschied, de Paarden wel van de lente tot den herfst in vrijheid leven, maar +’s winters in stallen gehouden worden. Deze vormen een overgang tot de reeds genoemde “tamme stoeterijen”, waar stamboeken +gehouden worden, die de afstamming, den ouderdom en bijzondere kenteekenen van ieder ingeschreven Paard vermelden; hier heeft +de voedering plaats in stallen ’s winters en op de weiden (afzonderlijk voor de hengsten en merriën) gedurende den zomer. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Paardenrassen van in ’t oogloopende kleinheid, welker schouderhoogte in volwassen toestand minder dan 1.4 M. bedraagt, worden +<span class="letterspaced">Ponies</span> genoemd. Het kleinste Paard, de <span class="letterspaced">Schotlandsche Pony</span> of <span class="letterspaced">Hit</span>, die gevulde, langharige manen en een ruigen staart heeft, is dikwijls slechts 90 cM., soms niet meer dan 85 cM., enkele +malen zelfs maar 82 cM. hoog en dus niet grooter dan enkele rassen van Honden. Wanneer zij grooter zijn 1.20 M. noemt men +ze <span class="letterspaced">Dubbele Hitten</span> of <span class="letterspaced">Ketten</span>. In Engeland bestaan, behalve het genoemde Pony-ras, nog die van <span class="letterspaced">Wales</span>, <span class="letterspaced">Exmoor</span> (in het Schotsche Hoogland) en <span class="letterspaced">New-Forest</span>. Ook in andere landen komen Pony’s voor, o.a<span id="d0e1857" class="corr" title="Bron: ">.</span> in Noorwegen en Zweden, op IJsland en Corsika. Iedere bezoeker van de Amsterdamsche diergaarde kent de <span class="letterspaced">Javaansche Paardjes</span>. Opmerkelijk is trouwens bij alle Indische Paarden de geringe grootte. Een hoogte van 1.3 M. is reeds buitengewoon, in den +regel wisselt deze af tusschen 95 en 125 cM. Het beste Indische Paard is het <span class="letterspaced">Macassaarsche</span>, dat gewoonlijk als cavalerie-paard voor het O.I. leger dient. Ook de <span class="letterspaced">Hitten</span> uit de bergstreken van <span class="letterspaced">Timor</span> worden zeer geroemd. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De Oostersche paardenrassen vertoonen over ’t algemeen veel minder verscheidenheid van vorm dan de Westersche; het is gemakkelijker +van gene een algemeen beeld te ontwerpen dan van deze. “Een Berberpaard,” zegt <span class="smallcaps">Wilckens</span>, “verschilt slechts weinig van een Arabisch-Perzisch Paard, en zelfs het gewone Tartaarsche Paard vertoont in vorm veel overeenkomst +met den Arabischen Volbloed. Daarentegen merkt men bij onderlinge vergelijking van de Westersche paardenrassen een buitengewone +verscheidenheid van vorm op, die het voor den oppervlakkigen beoordeelaar onbegrijpelijk maakt, dat deze zoo uiteenwijkende +dieren tot een en dezelfde soort gerekend worden; inderdaad, wanneer men b<span id="d0e1879" class="corr" title="Bron: ">.</span>v. het kolossale Engelsche Karrepaard, of zelfs het Suffolk-paard naast een Shetlandsche Pony, of een voor den renbaan gefokt +Engelsch Volbloed-paard naast een Vlaamsch of een Pinzgauer Paard plaatst, welk een in ’t oog loopend verschil! Ongetwijfeld +is zoowel de groote overeenstemming van den vorm der Oostersche Paarden als de groote verscheidenheid van vormen der Westersche +een gevolg van den invloed van het klimaat en van de levenswijze op de ontwikkeling dezer dieren. Omdat eenerzijds het klimaat +in de steppen van Afrika en Azië (en zelfs in Zuid-Rusland, Hongarije en Galicië) gelijkmatiger is, dan anderzijds dat in +Engeland en Zuid-Frankrijk, in Denemarken en de <a id="d0e1882"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1882">396</a>]</span>Alpen, omdat het Oostersche Paard op gelijkaardiger wijze gevoed en gebruikt wordt dan het Westersche, zijn de leden van het +eerste hoofdras meer aan elkander gelijk en is dit ras armer aan variëteiten. De zeer verschillende wijze van voeding van +het Westersche Paard en zijn geschiktheid tot zeer uiteenloopende werkzaamheden zijn een uitvloeisel van den hoogeren trap +van beschaving en van den vooruitgang op industrieel gebied van de Westersche volken.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het tamme Paard is tegenwoordig bijna over den geheelen aardbol verspreid. Het ontbreekt alleen in de koudste landstreken +en op verscheidene eilanden, waar de mensch dezen helper nog niet noodig heeft. + +</p> +<p>Het veulen heeft bij de geboorte de oogen geopend en is behaard; weinige minuten later kan het staan en gaan. Men laat het +ongeveer 5 maanden lang zuigen, ronddartelen en spelen en speent het dan. In het eerste jaar draagt het een wollig haarkleed, +korte, overeindstaande gekroesde manen en een dergelijken staart, in het tweede levensjaar worden de haren glanziger, de manen +en de staartharen langer en sluiker. Later kan men de leeftijd vrij nauwkeurig bepalen door acht te geven op de snijtanden. +Bij de geboorte zijn de spitsen van drie kiezen in elke kaakhelft zichtbaar, soms ook de middelste snijtanden (<span class="letterspaced">grasbijters</span>) van onder- en bovenkaak, die in allen gevalle binnen de twee eerste weken na de geboorte zich vertoonen. De volgende snijtanden +(<span class="letterspaced">middeltanden</span>) komen op den leeftijd van 2 à 6 weken, de buitenste (<span class="letterspaced">hoektanden</span>) 5 à 9 maanden na de geboorte. Dan is het <span class="letterspaced">veulen</span>- of <span class="letterspaced">melkgebit</span> volledig. Al deze tanden vallen op een bepaalden leeftijd uit, om voor de <span class="letterspaced">blijvende</span>- of <span class="letterspaced">paardentanden</span> plaats te maken. De “melksnijtanden” zijn zuiver wit, schopvormig en met een hals voorzien, in tegenstelling met de geelachtige, +beitelvormige, aan de voorzijde gegroefde “paarden-snijtanden.” De tandwisseling begint op 2½ à 3-jarigen leeftijd: dan wisselen +de grasbijters; hetzelfde geschiedt met de middeltanden, als het dier 3½ à 4, met de “hoektanden” (buitenste snijtanden) als +het 4½ à 5 jaar oud is. In de 10e à 12e levensmaand krijgt het veulen de 4e, op 2- à 2½-jarigen leeftijd de 5e, en als het +4 à 5 jaar oud is, de 6e kies. De drie eerste melkkiezen wisselen tusschen 2½ en 3 jaar. Bovendien komt bij het mannetje geregeld, +bij het wijfje bij uitzondering op 4- à 5-jarigen leeftijd, tusschen de snijtanden en de kiezen in elke kaakhelft een <span class="letterspaced">haaktand</span> (hoektand) te voorschijn, ten teeken, dat de ontwikkeling van het dier is afgeloopen. Na het vijfde jaar let men, om de ouderdom +van het dier te kennen, op het merk in de snijtanden, dit is een zwartachtig bruine holte ter grootte van een linze op de +afgesleten kroonvlakte. Dit merk verdwijnt door afslijting aan de grasbijters van de onderkaak op den leeftijd van 5 of 6 +jaar, aan de middeltanden in het zevende, aan de hoektanden in het achtste jaar; vervolgens verdwijnt in dezelfde volgorde +het merk van de bovenkaakssnijtanden, totdat in het elfde of twaalfde jaar alle merken verdwenen zijn. Met toenemenden leeftijd +verandert ook allengs de gedaante der tanden: zij worden des te smaller, naarmate zij ouder worden. + +</p> +<p>De Paarden kunnen éénkleurig zijn of een gemengde haarkleur hebben. De éénkleurige zijn: vaal of isabelkleurig (lichtgeel +of goudgeelachtig), voskleurig (naar rood of kaneelkleur zweemend; flauw rosachtig heet “koeharig”, “brandvossen” zijn meer +roodachtig, “zweetvossen” van lichteren tint), bruin (kastanjebruin en wel licht goudgeelachtig of donker), zwart (gitzwart +of moorzwart, vuilzwart). Bij bruine of vale Paarden zijn de manen, de staart en de onderste deelen der pooten meestal zwart; +bij de zwarte en witte zijn zij van dezelfde kleur, bij voskleurige nu eens van dezelfde, dan weer van een lichtere of donkerder +kleur. Een zwarte streep over den rug, van de manen tot den staart, heet een “aalstreep”. + +</p> +<p>De gemengdkleurige Paarden zijn: “stekelharig”, wanneer de meeste haren zwart zijn, maar tusschen deze over het geheele lichaam +hier en daar enkele grijze haren te voorschijn komen, zonder dat ouderdom hiervan de oorzaak is; “schimmels”, wanneer de meestal +witte grondkleur (die grijs kan schijnen, doordat enkele donkerder haren met de witte gemengd zijn) regelmatig gerangschikte +vlekken vertoont door sterkere ophooping van donkere haren op sommige plaatsen; “tijgerkleurig”, wanneer de helder witte beharing +bezaaid is met duidelijk uitkomende, min of meer ronde, zwarte, bruine, roodachtige of leikleurige vlekken; “bont”, wanneer +groote, donkerkleurige onregelmatige vlekken met de meestal witte grondkleur afwisselen. Vooral bij schimmels komt het voor, +dat de kleur bij de geboorte anders (donkerder) is dan op lateren leeftijd. “Geappeld” heet het Paard, wanneer ronde vlekken +(die uit een donkeren rand en een lichteren kern bestaan) hetzij over het geheele lichaam of meer bepaaldelijk over enkele +deelen, zooals de schouders en het kruis verspreid zijn. “Bont” noemt men een Paard <span class="letterspaced">niet</span>, wanneer het enkele vlekken of strepen aan den kop heeft, of wanneer alleen de voeten meer of minder ver wit gekleurd zijn. +Een “kol” is een kleine of middelmatig groote, witte vlek op het voorhoofd, even boven de oogen; een “bles” is een witte band +over den neus van het Paard van tusschen de oogen tot aan de neusgaten; een “snuf” is een witte bovenlip.—Alleen de kleine +haren (die in den winter langer zijn dan in den zomer) worden gewisseld; dit geschiedt hoofdzakelijk in het voorjaar. Het +winterhaar valt in dezen tijd zoo snel uit, dat het “verharen” reeds binnen een maand grootendeels afgeloopen is. Langzamerhand +worden de uitgevallen haren vervangen; eerst na het begin van September of October beginnen de nieuwe haren zich sterk te +verlengen. De haren van de manen en den staart blijven onveranderd. + +</p> +<p>Het Paard is aan vele ziekten onderhevig. De belangrijkste zijn de spat, een gezwel gevolgd door een verharding van het spronggewricht; +de droes, een zwelling van de klieren aan de onderkaak; de wormziekte, een droge of vochtige uitslagziekte, waardoor de haren +uitvallen; de kwade droes, een sterke ontsteking aan het neusmiddelschot, die in hooge mate besmettelijk is en ook op den +mensch kan overgaan; de razende kolder, een hersenontsteking; de stille kolder, een dergelijk lijden; de grauwe en de zwarte +staar en andere kwalen. Bovendien wordt dit dier gekweld door vele uitwendige en inwendige parasieten. + +</p> +<p>Het Paard kan een leeftijd van 40 jaar en meer bereiken, maar wordt dikwijls zoo slecht behandeld, dat het reeds op zijn 20e +jaar afgeleefd is; men mag aannemen, dat het slechts zelden 30 jaar oud wordt. + +</p> +<p>Over de eigenschappen, gewoonten, hebbelijkheden en eigenaardigheden van de Paarden, in één woord over de gesteldheid van +hun geest, zal ik <span class="smallcaps">Scheitlin</span> laten spreken: “Het Paard,” zegt hij, “heeft onderscheidingsvermogen voor voedsel, woning, ruimte, tijd, licht, vorm, voor +zijn familie, voor buren, vrienden, <a id="d0e1930"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1930">397</a>]</span>vijanden, andere dieren, menschen en zaken. Het bezit waarnemings-, voorstellings- en herinneringsvermogen, geheugen, verbeeldingskracht; +het heeft een fijn ontwikkeld gevoel voor een groot aantal toestanden, die zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid wijzigen. +Het wordt aangenaam of onaangenaam gestemd door elke wijziging van omstandigheden, is in staat om tevreden te zijn over het +leven, dat het op een gegeven tijdstip leidt, of om naar verandering te haken; zelfs is het vatbaar voor hartstochten, voor +fijn gevoelende liefde en haat. Zijn verstand is groot en wordt zonder groote moeite in bekwaamheid omgezet, want het Paard +is buitengewoon leerzaam. + +</p> +<p>“Zijn opmerkingsvermogen, zijn geheugen en zijn goedhartigheid maken het mogelijk het alle kunststukken te leeren, die de +Olifant, de Ezel en de Hond kunnen verrichten. Het moet raadsels oplossen, vragen beantwoorden, door beweging met den kop +‘ja’ en ‘neen’ zeggen, door met den poot te tikken getallen aangeven, b.v. de tijdaanwijzing van een horloge. Het let op de +beweging van de handen en voeten van zijn leermeester, begrijpt de beteekenis van het zweepgeklap en van de woorden, die het +vervangen of er mede gepaard gaan: het heeft dus werkelijk een klein woordenboek in de gedachten. Op commando houdt het zich +ziek, neemt een onnoozele houding aan door de pooten wijd uiteen te zetten en den kop te laten hangen, waggelt treurig en +vermoeid voort, laat zich langzaam vallen, ploft op den grond neer, houdt zich dood (ook wanneer iemand op zijn lichaam gaat +zitten, of zijn pooten uiteen legt, of het aan den staart trekt, of den vinger in de zoo fijngevoelige ooren steekt, enz.); +zoodra zijn meester echter zegt, dat hij het door den vilder zal laten halen, springt het weder overeind en neemt een wakkere +en vroolijke houding aan; het heeft deze klucht uitmuntend begrepen. Het blijkt niet, dat het behagen schept in de grappen, +die het zoo dikwijls moet herhalen. Alleen in loopen en springen heeft het vermaak. Hoe lang zal men het moeten onderrichten, +voordat het er zich aan waagt om door twee groote hoepels te springen, die tamelijk ver van elkander verwijderd zijn en die +met wit papier dichtgeplakt, op hem den indruk van witte muren moeten maken? Dat de mensch iets leeren kan en wil, verwondert +ons niet, maar wel dat het <span class="letterspaced">Paard</span> het kan. Men moet werkelijk niet vragen: Wat kan het leeren? maar: Wat kan het <span class="letterspaced">niet</span> leeren? + +</p> +<p>“Ieder, die een Paard iets menschelijks wil leeren, moet het, in den beginne althans, echt menschelijk behandelen, d.w.z. +hij moet niet trachten het door slaan, of door bedreigingen, of door honger de gewenschte vaardigheid bij te brengen, maar +alleen goede woorden gebruiken en het bejegenen zooals een goed, verstandig mensch een goed, verstandig mensch bejegent. In +den regel zijn de Paarden geheel en al kinderen in het goede zoowel als in het booze. + +</p> +<p><span id="d0e1943" class="corr" title="Bron: ">“</span>Het Paard kent niet alleen het begrip plaats, maar ook het begrip tijd. Het leert op de maat stappen, draven, galoppeeren +en dansen. Het kent ook verschil van tijd op grootere schaal; het weet, of het morgen, middag of avond is. Het ontbreekt het +Paard zelfs niet aan <span id="d0e1946" class="corr" title="Bron: muziekaal">muzikaal</span> gevoel. Evenals de krijgsman houdt het van trompetgeschal. Het krabt vroolijk met de voorpooten op den grond, wanneer dit +geluid als sein voor het loopen bij wedrennen en gedurende den veldslag weerklinkt; het kent en begrijpt ook het tromgeroffel +en alle geluiden, die met zijn moed en met zijn vrees in verband staan. Het kent het gebulder van het geschut; maar hoort +het niet graag, wanneer het soortgenooten gedurende veldslagen door kogels heeft zien treffen. Door het hooren van donder +wordt het eveneens onaangenaam aangedaan. Misschien heeft het ervaren, dat het onweer onheil kan stichten. + +</p> +<p>“Het Paard is zeer vatbaar voor vrees en gelijkt dus ook in dit opzicht op den mensch. Het verschrikt door een ongewoon geluid, +een ongewoon voorwerp, een wapperend vaandel, een hemd, dat buiten het venster waait. Zorgvuldig kijkt het naar den bodem, +wanneer hier steenen op liggen; voorzichtig stapt het in de beek of in de rivier. Het is buitengewoon bang voor den bliksem. +Gedurende het onweder zweet het uit angst van getroffen te worden. Als het eene Paard op hol gaat, kan het andere, dat minder +schichtig is, het tegenhouden; gewoonlijk echter wordt het eveneens door den schrik bevangen; beide rennen dan voort met steeds +klimmende vrees en toenemenden angst, hollen in dolle vaart over en door alles heen, over den dorschvloer, met den kop tegen +een muur, enz., alsof zij dol zijn. + +</p> +<p>“De eenige ware lust van het Paard is het rennen. Van nature is het een reiziger; alleen voor hun vermaak rennen de Paarden, +die in de Russische steppen grazen; zij galoppeeren vele uren, een dagreis ver met de koetsen mede; zonder nood van op den +langen weg te verdwalen, keeren zij eindelijk naar hun uitgangspunt terug. Op de weide spelen zij vroolijk met elkander, werpen +het voorste of het achterste deel van ’t lichaam omhoog en halen allerlei streken uit, rennen te zamen of bijten elkander. +Er zijn er bij, die gedurig bezig zijn de andere te plagen. Het dier, dat menschelijke handelingen tracht na te bootsen, moet +zich den mensch zeer nabij gevoelen, moet in hem bijna zijns gelijke vinden. + +</p> +<p>“De hengst is in alle opzichten een vreeswekkend dier. Zijn spierkracht is ontzettend, zijn moed boven alle beschrijving groot, +zijn oog schiet vuur. De merrie is veel zachtaardiger, goedhartiger, toegevender, gehoorzamer, gemakkelijker te besturen; +daarom geeft men aan haar dikwijls de voorkeur boven den hengst. Het paard is voor allerlei aandoeningen vatbaar. Het mint +en haat, is jaloersch, wraakzuchtig, nukkig enz. Geen Paard is aan een ander gelijk. Bijtlustig en boos, valsch en arglistig +is het eene, goed vertrouwend en zachtaardig het andere. De natuur of de opvoeding of beide gezamenlijk hebben ze zoo verschillend +doen worden. + +</p> +<p>“Groot is het verschil van levenslot der Paarden! Het lot van de meeste is in de jeugd vertroeteld en met haver gevoederd +te worden, op hun ouden dag een kar voort te slepen, met haksel en ruigte het leven te rekken, en rijkelijk slagen te ontvangen. +Aan de nagedachtenis van menig Paard werden tranen gewijd; terecht zijn voor sommige Paarden marmeren gedenkteekens opgericht. +Zij hebben een jeugd, die voor ’t spelen bestemd is, jongelingsjaren, waarin zij met hunne gaven pronken, een mannelijken +leeftijd om te arbeiden, en een ouderdom, waarin zij naar lichaam en geest trager en doffer worden; zij bloeien, rijpen en +verwelken!” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het tweede ondergeslacht van de Paarden (<i>Asinus</i>), waarvan de kenmerken reeds vroeger opgegeven zijn omvat de <span class="letterspaced">Ezels</span> en de <span class="letterspaced">Tijgerpaarden</span>. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Koelan</span> van de Kirgiezen, de <span class="letterspaced">Dziggetai</span> (letterlijk vertaald “Langoor”) der Mongolen in ’t algemeen [<i>Equus (Asinus) hemionus</i>], heeft sommige eigenaardigheden, waardoor zijn schoonheid die van <a id="d0e1983"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1983">398</a>]</span>den Ezel verre overtreft. Deze zijn: een buitengewoon licht gebouwd lichaam, slanke ledematen, een wild en vlug voorkomen +en een fraaie haarkleur. Hij is iets grooter dan het kleine slag van muildieren, bijna gelijk aan een hit. De kop is eenigszins +zwaar ontwikkeld, de borst groot, van onderen hoekig en een weinig samengedrukt. De ooren zijn langer dan bij het Paard, maar +korter dan bij de gewone muildieren. De manen zijn kort en overeind geplaatst; hierdoor en ook door den staart en de hoeven +gelijkt hij op den Ezel. De borst en de bovenarmen zijn smal en op lange na niet zoo gevleescht als bij het Paard; ook het +achterstel is schraal; de ledematen zijn buitengewoon licht en fijn, en tevens tamelijk lang. De kleur van den Dziggetai is +licht geelbruin; de neus en de binnenzijde der ledematen hebben een vaal-gelen tint; de manen en de staart zijn zwartachtig. +Over het midden van den rug, boven de ruggegraat, loopt een bruinachtige, eenigszins naar geel en grijs zweemende streep, +die van voren ongeveer zoo breed is als een vinger, zich naar ’t midden van den rug allengs tot 1 cM. versmalt; haar breedte +neemt daarna snel weer toe, zij komt in ’t kruis en boven het bekken met die van 3 vingers overeen, om vervolgens weer af +te nemen tot een smalle lijn op ’t midden van de bovenzijde van den staart; overal steekt zij sterk af bij de kleur van het +overige haar. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1398.jpg" alt="Koelan (Equus hemionus). 1/18 v.d. ware grootte." width="720" height="710"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Koelan</span> (<i>Equus hemionus</i>). 1/18 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De totale lengte bedraagt ongeveer 2.5 M., waarvan 50 cM. op den kop en 40 cM. op den staart komen (de haarkwast aan de spits +niet medegerekend); de schouderhoogte wisselt van 1.3 tot 1.5 M. af. + +</p> +<p>De Dziggetai of Koelan is een kind van de steppe. Hoewel hij zich bij voorkeur in de nabijheid van meren en rivieren ophoudt, +vermijdt hij evenwel de dorre, waterlooze en woestijnachtige streken niet, en evenmin de bergachtige gewesten, voor zoover +deze n.l. een steppe-karakter hebben, met andere woorden, niet met bosschen bedekt zijn. Zoomin de ijlere lucht van het hooge +gebergte, als de temperatuurswisselingen van het laagland, waar in den zomer een verzengende hitte, in den winter een strenge +koude heerscht, zoomin de prikkelende sneeuwstormen van de hoogvlakte, als de door den wind voortgestuwde heete zandwolken +van de laagvlakte, beperken het verbreidingsgebied van deze tegen weer en wind geharde dieren in de steppen; door niemand +anders dan door den mensch wordt zijn aanwezigheid zoo niet bepaald, dan toch eenigermate beperkt. Streken, welker uitgestrekte +weidegronden van tijd tot tijd door rondzwervende herdersvolken bezocht worden, of waardoor de nomadische herder met zijne +kudden geregeld heen en weer trekt, worden door de Koelan verlaten; daar waar te midden van vruchtbaarder weidegronden zich +landstreken bevinden, zoo arm, zoo dor, zoo woestijnachtig, dat zelfs de genoemde voorloopers van den aan vaste woonplaatsen +gebonden mensch ze vermijden, kan men er verzekerd van zijn het wilde Paard, dat onbeperkte vrijheid verlangt, te zullen aantreffen. + +</p> +<p>Nog tegenwoordig bevolkt het in aanzienlijken getale verscheidene districten van Akmolinsk en bewoont het een strook steppe-land +tusschen het Altaï-gebergte en het Saisan-meer; men ontmoet het van hier uitgaande op alle voor zijn levenswijze geschikte, +verder oostwaarts en zuidwaarts gelegen oorden van zuidelijk Siberië en Toerkestan, hoewel hier niet zoo menigvuldig als in +de woestijnachtige steppen van Mongolië en het noordwesten van China of in de gebergten van Tibet. + +</p> +<p>Gezelligheid is een grondtrek van de inborst van <a id="d0e2003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2003">399</a>]</span>dit wilde paard en van de Eénhoevigen in ’t algemeen. Evenals in Afrika de Zebra, de Quagga en de Dauw zich voegen bij de +kudden Antilopen en Struizen, ziet men in de hooge gebergten van Midden-Azië de Dziggetai gemeenschappelijk grazen met verschillende +soorten van wilde Schapen, met de Tibetaansche Antilope en den Yak, in de laagvlakten met de Krop- en Saiga-Antilopen. Ook +met verwilderde Paarden leeft hij in goede verstandhouding. + +</p> +<p>Wie ooit Koelans in hun vaderland en in volledige vrijheid zag, zal moeten erkennen, dat zij hoog begaafde dieren zijn. Betooverd +volgt het oog hunne bewegingen; verrukt en verbaasd tracht het de onvergelijkelijke behendigheid van deze snelvoetige dieren +na te gaan. “Het is een verwonderlijk schouwspel,” zegt <span class="smallcaps">Gay</span>, “te zien, hoe vlug zij de bergen bestijgen en hoe behendig zij er van afdalen zonder ooit te struikelen. Alsof zij met hunne +onuitputtelijke krachten wilden spelen, repten de door ons vervolgde Koelans zich voort over de heuvels en door de dalen van +de steppe.” + +</p> +<p>Zulk een dier ontkomt gemakkelijk aan de vervolgingen van groote Roofdieren. In de West-Aziatische steppen zijn er trouwens +geen, die op Koelans jacht maken; want de hier inheemsche Wolven wagen het niet gezonde, wilde Paarden aan te vallen, omdat +deze hunne krachtige hoeven uitmuntend tegen vijanden weten te gebruiken. Waarschijnlijk worden alleen vermoeide en door ziekte +aangetaste Koelans, die van de kudde verwijderd zijn geraakt, een prooi van de Wolven<span id="d0e2012" class="corr" title="Bron: ">.</span> In het zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van hun verbreidingsgebied worden de Koelans misschien door Tijgers lastig gevallen. +Een gevaarlijker vijand is echter de mensch. De nomadische herders van de steppe zijn hartstochtelijke liefhebbers van de +Koelan-jacht, vooral omdat voor dit bedrijf een groote behendigheid van de zijde van den jager vereischt wordt.—In de Europeesche +dierentuinen behoort de Koelan nog steeds tot de zeldzaamheden, hoewel men hem in de laatste 20 jaren dikwijls daarheen heeft +overgebracht, en hij er ook herhaaldelijk (alleen te Parijs niet minder dan 16-maal) jongen heeft geworpen. Met goed gevolg +heeft men hem met den Ezel, den Quagga, den Zebra, en kort geleden ook met het Paard gekruist. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een tweede, in Azië in ’t wild levende Eénhoevige, die misschien met den Koelan een zelfde soort vormt, is de <span class="letterspaced">Onager</span> van de Ouden, die ook in den Bijbel herhaaldelijk genoemd wordt. Volgens <span class="smallcaps">Sclater</span>’s vergelijkend onderzoek van de wilde Paarden is het meer dan waarschijnlijk, dat de wilde Ezel, die de Indische woestijnen +bewoont, zich niet van den Onager onderscheidt. Het verbreidingsgebied van deze soort zou zich dus van Syrië over Arabië, +Perzië en Beloetsjistan tot in Indië uitstrekken. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Onager</span> [<i>Equus (Asinus) onager</i>] is aanmerkelijk kleiner dan de Dziggetai, maar toch hooger en fijner van ledematen dan de Gewone Ezel. De kop is betrekkelijk +nog hooger en grooter dan bij de Koelan; de dikke lippen zijn tot aan den rand dicht bezet met stijve, borstelige haren; de +ooren zijn tamelijk lang, maar korter dan bij den Gewonen Ezel. De heerschende kleur is fraai wit met een zilverachtigen glans, +deze gaat aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van den romp en ook aan de heupen in een bleeke isabelkleur +over. Over de schouderstreek loopt een witte streep ter breedte van een hand benedenwaarts, een tweede streep loopt aan weerszijden +langs het midden van den rug en over de achterzijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt de koffie-bruine +rugstreep. De beharing is nog zijdeachtiger en zachter dan bij een Paard. Het winterhaar kan men met kameelwol vergelijken, +het zomerhaar is uiterst glad en fijn. De rechtopstaande manen bestaan uit zachte, wollige, ongeveer 10 cM. lange haren; de +kwast aan den staart wordt meer dan een span lang. + +</p> +<p>Door zijn levenswijze herinnert de Onager aan den Koelan. Een hengst is de aanvoerder van de kudde, die uit merries en veulens +van beiderlei geslacht bestaat. Wat vlugheid van beweging betreft, doet de Onager voor den Dziggetai volstrekt niet onder. + +</p> +<p>De zintuigen van den Onager, vooral die van ’t gehoor, ’t gezicht en den reuk, zijn zoo fijn, dat het niet mogelijk is hem +in de open steppen te genaken. Hij is zoo buitengewoon matig, dat hij hoogstens om den anderen dag naar de drinkplaats gaat; +het opwachten van dit dier, “het jagen op den afstand”, is dus meestal ondoenlijk. Zouthoudende planten vormen zijn liefste +voedsel; na deze geeft hij de voorkeur aan die, welke een bitter melksap bevatten, zooals paardenbloemen, melkdistels en dergelijke; +klaversoorten, lucerne en allerlei kruisbloemige planten worden echter ook niet door hem versmaad. Hij heeft evenwel een tegenzin +in alle planten, die welriekend zijn, doordat zij vluchtige oliën bevatten, in moeraskruiden, boterbloemachtigen en alle stekelige +gewassen, zooals distels. Hij houdt meer van brak, zouthoudend water dan van zoet; het moet echter helder zijn; troebel water +lust hij niet. + +</p> +<p>Over den paringstijd en den werptijd is nog niets bekend. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De stamsoort van onzen tammen <span class="letterspaced">Ezel</span> [<i>Equus (Asinus) asinus</i>] bewoont Afrika en is er door twee ondersoorten vertegenwoordigd. De eerste ondersoort—de <span class="letterspaced">Steppen-ezel</span> (<i>Equus asinus africanus</i>)—gelijk door grootte en uitzicht op zijne getemde nakomelingen in Egypte, door levenswijze en aard echter op zijne in ’t +wild levende, Aziatische verwanten. Hij is groot, slank en fraai gebouwd, isabelkleurig, aan de onderzijde lichter, met duidelijk +herkenbare rugstreep en schouderkruis en eenige meer of minder duidelijke dwarsstreepen aan de buitenzijde van den benedenvoet. +De korte manen staan overeind, de staartkwast is dik en lang. + +</p> +<p>Van den Steppenezel onderscheidt zich de <span class="letterspaced">Somali-ezel</span> (<i>Equus asinus somalicus</i>) door een aanzienlijker grootte en langere, hangende manen. Het schouderkruis ontbreekt; wel komen aan de pooten talrijke, +duidelijke, zwarte dwarsstrepen voor. Zijn vaderland is Somaliland. De beter bekende Steppenezel daarentegen bewoont de woestijnen +van Opper-Nubië. In de nabijheid van den Atbara, de voornaamste Nubische bijrivier van den Nijl is hij veelvuldig, zoo ook +in de Barka-vlakten; zijn verbreidingsgebied strekt zich uit tot aan de kust van de Roode Zee. Hier leeft hij in volkomen +gelijksoortige omstandigheden als de Dziggetai en de Onager. Iedere hengst staat aan het hoofd van een kudde van 10 à 15 stuks, +die hij bewaakt en verdedigt. Hij is buitengewoon schuw en voorzichtig; de jacht op dit dier is hierdoor zeer moeilijk. Alle +tamme Ezels, die men in ’t zuiden van Egypte en waarschijnlijk ook in Abessinië gebruikt, stammen, naar het schijnt, van deze +soort af; want volgens de verzekering van de Arabieren gelijken de Wilde Ezels zoozeer op hen, dat men den eenen voor den +anderen zou kunnen aanzien. + +</p> +<p>De gestreepte voeten van dit dier, en vooral die van den Somali-ezel, zijn een opmerkelijk verschijnsel; daar hierdoor deze +Ezels een overgang schijnen te <a id="d0e2065"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2065">400</a>]</span>vormen tusschen hunne Aziatische verwanten en de Tijgerpaarden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De Steppenezel wordt reeds sinds overouden tijd getemd en de gevangen Wilde Ezels worden dikwijls voor de veredeling van tamme +Ezelrassen gebruikt. De Romeinen van de oudheid gaven groote sommen voor dit doel uit; de Arabieren doen dit ook thans nog. +Alleen bij ons is de <span class="letterspaced">Tamme Ezel</span> door voortdurende verwaarloozing tot op een laag peil afgedaald. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1400.jpg" alt="Steppen-ezel (Equus asinus africanus). 1/18 v.d. ware grootte." width="698" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Steppen-ezel</span> (<i>Equus asinus africanus</i>). 1/18 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Als men den Ezel, die hier te lande graan of meel voor den molenaar draagt of den melkboer zijn beroep helpt uitoefenen, met +zijne verwanten in zuidelijker landen vergelijkt, zou men er toe kunnen komen, beide voor verschillende soorten te houden, +zoo weinig gelijken zij op elkander. De Ezel uit het Noorden is, zooals iedereen weet, een trage, eigenzinnige, dikwijls weerbarstige +klant, die algemeen, heewel ten onrechte, als zinnebeeld van onnoozelheid en domheid wordt beschouwd; de Ezel uit het Zuiden +daarentegen, vooral de Egyptische, is een fraai, wakker, buitengewoon vlijtig en volhardend dier, wiens arbeid niet veel bij +dien van het Paard achterstaat, en dezen in sommige opzichten zelfs overtreft. Maar hij wordt dan ook veel zorgvuldiger behandeld +dan onze Ezel. In vele Oostersche landen zorgt men niet minder goed voor de zuiverheid van de beste ezelrassen dan voor die +van het edelste paardenras; men voedert de dieren zeer goed, kwelt hen in hun jeugd niet te veel en kan derhalve van de volwassenen +diensten verlangen, die onze Ezel in ’t geheel niet zou kunnen verrichten. Er is wel reden voor de zorg, die men in het Oosten +aan den Ezel besteedt, want hij is daar een huisdier in den volsten zin van het woord, dat in het paleis van den rijkste, +zoowel als in de hut van den armste voorkomt, en de onmisbaarste dienaar is, dien de bewoner van zuidelijke gewesten kent. +Reeds in Griekenland en Spanje treft men zeer schoone Ezels aan, hoewel zij altijd nog ver achterstaan bij die, welke men +in het Oosten, vooral in Perzië, Toerkmenië en Egypte, gebruikt. De Grieksche en de Spaansche Ezel evenaren een klein muildier +in grootte; hun haar is glad en zacht; de manen zijn tamelijk, de staartharen betrekkelijk zeer lang; de ooren zijn lang, +maar fijn gebouwd, de oogen schitterend. Groote volharding, een gemakkelijke, vlugge gang en een zachte galop stempelen deze +Ezels tot onovertreffelijke rijdieren. + +</p> +<p>Nog veel schooner dan deze uitmuntende dieren zijn de Arabische Ezels, vooral die, welke in Yemen worden gefokt. Er zijn twee +rassen van: één van groote, moedige en snelle dieren, die voor het reizen zeer geschikt zijn, en één, welks leden kleiner +en zwakker zijn, en gewoonlijk voor ’t dragen van lasten gebruikt worden. Soortgelijke rassen komen voor in Perzië en Egypte, +waar men veel geld voor een goeden Ezel uitgeeft. Een voor rijdier geschikte Ezel, die aan alle eischen voldoet, staat hooger +geprijsd dan een middelmatig Paard; niet zelden betaalt men f 900 voor zulk een dier. “Men kan zich,” zegt <span class="smallcaps">Bogumil Goltz</span>, “geen bruikbaarder en dapperder schepsel voorstellen dan deze Ezel. De grootste kerel zet zich op een exemplaar, dat dikwijls +niet grooter is dan een kalf van zes weken en brengt het in galop. Deze zwak gebouwde dieren bewegen zich met een flinken +pas; hoe zij echter aan de kracht komen om uren lang met een volwassen mensch op den rug, zelfs bij groote hitte, te draven +en te galoppeeren, komt mij volkomen onverklaarbaar voor en schijnt tot de bovennatuurlijke ezels-mysteriën te behooren.” +Den rij-ezels wordt het haar zeer zorgvuldig over het geheele lichaam kort geknipt; alleen aan de bovenarmen en dijen laat +men het zijn volle lengte behouden; hier worden echter in de beharing allerlei figuren en krullen uitgeknipt, waardoor de +dieren een zeer eigenaardig voorkomen verkrijgen. +<a id="d0e2091"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2091">401</a>]</span></p> +<p>Verderop in het binnenland, waar dit nuttige wezen eveneens als huisdier wordt gehouden, zijn edele Ezels zeldzaam, en ook +deze weinige worden van buiten ingevoerd. + +</p> +<p>In vroegere tijden trof men op eenige eilanden van den Griekschen archipel en op Sardinië half-verwilderde Ezels aan; tegenwoordig +vindt men er nog in Zuid-Amerika. Zulke aan de heerschappij van den mensch ontkomen Ezels nemen spoedig alle gewoonten van +hunne wilde voorouders aan. + +</p> +<p>Door de bovenstaande mededeelingen is meteen het verbreidingsgebied van den Ezel aangeduid. Het oostelijke deel van Voor- +en Middel-Azië, het noorden en oosten van Afrika, Zuid- en Middel-Europa en eindelijk Zuid-Amerika zijn de landstreken waar +hij het best gedijt. Hoe droger het land is, des te beter gevoelt hij zich er thuis. Vochtigheid en koude verdraagt hij minder +goed dan het Paard. + +</p> +<p>Waarschijnlijk is het rijden op Ezels nergens zoozeer in zwang als in Egypte. In alle grooten steden van dit land zijn deze +gewillige dieren werkelijk onmisbaar voor de gemakkelijkheid van ’t leven. Men gebruikt ze, zooals bij ons de huurrijtuigen; +en het wordt volstrekt niet vreemd gevonden zich door hen te laten dragen. Wegens de engheid van de straten der Oostersche +steden, zijn Ezels beter dan andere vervoermiddelen geschikt om den weg, dien men heeft af te leggen, af te korten en gemakkelijk +te maken. Daarom ziet men ze b.v. in Kaïro, overal te midden van den onafgebroken stroom van menschen, die zich door de straten +beweegt. De ezeldrijvers van Kaïro vormen een eigen stand, een ware kaste; zij behooren bij de stad, zooals de minarets en +de palmen. Zij zijn onontbeerlijk voor de inwoners zoowel als voor de vreemdelingen; aan hen heeft men iederen goeden dag +te danken, hoewel zij iederen dag iemand de gal doen overloopen. “Het is een ware lust en een ware ellende”, zegt <span class="smallcaps">Bogumil Golts</span>, “met de ezeljongens om te gaan. Men kan het niet eens met hen worden, hetzij men ze voor goedhartig of boosaardig, koppig +of dienstwillig, traag of wakker, listig of onbeschaamd houdt; zij vertoonen een mengelmoes van alle mogelijke eigenschappen.” +De reiziger ontmoet ze, zoodra hij in Alexandrië aan land stapt. Op elk druk plein staan zij met hunne dieren van zonsopgang +tot zonsondergang. De aankomst van een stoomboot is voor hen een hoogst gewichtige gebeurtenis; want dan moeten zij zich beijveren +om de in hunne oogen onwetende of zelfs domme toeristen voor zich te veroveren. De vreemdeling wordt vooreerst in drie of +vier talen aangesproken, en wee hem, wanneer hij in ’t Engelsch antwoordt. Dadelijk heeft er om den “rijken man” een vechtpartij +plaats, totdat de reiziger het verstandigste doet, wat hij doen kan, n.l. op goed geluk op een Ezel gaat zitten en zich door +den jongen naar het eerste het beste hotel laat drijven. Dit is de eerste kennismaking met de ezeljongens; maar eerst als +men de Arabische taal machtig is en, in plaats van het koeterwaalsch der drie of vier door hen geradbraakte talen, hun eigen +taal met hen kan spreken, leert men ze kennen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1401.jpg" alt="Gewone Ezel (Equus asinus). 1/16 v.d. ware grootte." width="720" height="650"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gewone Ezel</span> (<i>Equus asinus</i>). 1/16 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De eene zegt: “Kijk toch eens, Mijnheer, naar den Ezel, dien ik u aanbied, een echte locomotief in vergelijking met de dieren, +die de andere jongens u aanprijzen! Zij zullen onder u inzakken, want het zijn erbarmelijke schepsels en gij zijt een forsch +man! Maar de mijne! Voor hem is het een kleinigheid als een Gazelle met u weg te loopen.”—<span id="d0e2115" class="corr" title="Bron: ">“</span>Dit is een Kahiriner <a id="d0e2118"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2118">402</a>]</span>Ezel,” zegt de andere; “zijn grootmoeder was een Gazelle en zijn bet-overgrootmoeder een wild Paard. Komaan, Kahiriner, loop +eens en laat Mijnheer zien, dat ik de waarheid spreek! Doe uwe ouders geen schande aan, maak voort in Gods naam, mijn Gazelle, +mijn Zwaluw!”—De derde wil alle overige de loef afsteken; hij roemt zijn Ezel als een “Bismarck”, een “Moltke” enz., en in +dezen toon gaat het voort, totdat men eindelijk een van de dieren bestegen heeft. Dit wordt nu door een onnavolgbaar getrek +en geduw of door stooten, steken en slagen met den aan ’t eene einde puntig toeloopenden drijversstok in galop gebracht, terwijl +de knaap, die er achteraan rent, door roepen, schreeuwen, aansporen en babbelen zijne longen niet minder mishandelt dan den +Ezel vóór hem. “Pas op, Mijnheer! Uw rug, uw voet, uw rechterzijde is in gevaar! Wees voorzichtig, uw linkerzijde, uw hoofd! +Denk er om! een Kameel, een muildier, een Ezel, een Paard! Let op uw gezicht, op uw hand! Ga uit den weg, vriend; laat mij +en Mijnheer voorbij! Scheld niet op mijn Ezel, smeerlap; hij is meer waard dan je overgrootvader was. Verschooning, meester, +dat gij gestooten werd!” Deze en en honderd andere uitroepen gonzen den reizigers onophoudelijk om de ooren, terwijl hij tusschen +allerlei gevaar opleverende dieren en ruiters, tusschen straatkarren, lastdragende Kameelen, wagens en voetgangers door rent. +De Ezel verliest geen oogenblik zijn goede gezindheid; zijn gewilligheid kan bijna niet ingetoomd worden; hij snelt steeds +voort in een allerprettigsten galop, totdat het doel bereikt is. Kaïro is de hoogeschool voor alle Ezels; hier eerst leert +men deze voortreffelijke dieren kennen, waardeeren, achten en van hen houden. + +</p> +<p>Op <span class="letterspaced">onzen</span> Langoor trouwens zijn <span class="smallcaps">Oken</span>’s woorden volkomen toepasselijk: “De tamme Ezel is door langdurige slechte behandeling zoozeer ontaard, dat hij bijna in +’t geheel niet meer lijkt op zijne voorouders. Niet alleen bereikt hij een veel geringere grootte dan deze, maar ook zijn +kleur is doffer, meer aschgrauw, zijne ooren zijn langer en slapper geworden. De moed is bij hem in weerspannigheid veranderd, +de vlugheid in langzaamheid, de levendigheid in traagheid, de schranderheid in domheid, de vrijheidsliefde in geduld, de volharding +in lijdzaamheid bij het verduren van mishandelingen.” <span class="smallcaps">Scheitlin</span> zegt van hem: “De tamme Ezel is veeleer schrander dan dom; zijn schranderheid gaat echter niet samen met goedheid, zooals +bij het Paard, maar openbaart zich meer als valschheid en sluwheid, en nog wel het meest als koppigheid en eigenzinnigheid. +Hoewel uit een slavin geboren, is hij in zijn jeugd zeer opgewekt en een liefhebber van potsierlijke sprongen, evenals al +wat jong is; evenals het menschenkind, heeft hij trouwens geen besef van zijn misschien vreeselijke, treurige toekomst. Als +hij volwassen is, moet hij trekken en dragen; hij laat zich hiervoor goed africhten, hetgeen een bewijs is van zijn verstand, +want hij moet zich schikken naar den wil van een ander wezen, van den mensch. Het kalf is hiervoor nooit verstandig genoeg, +en zelfs het paardenveulen begrijpt aanvankelijk niet, wat men van hem verlangt. Geduldig draagt de Ezel zijn grooten last, +maar volstrekt niet gaarne, want zoodra men hem dien heeft afgenomen, is het voor hem een genoegen zich over den grond te +wentelen, en zijn afschuwelijk gebalk te laten hooren. Hij heeft waarschijnlijk in ’t geheel geen muzikaal gevoel. Zijne ooren +duiden werkelijk iets bijzonders aan. + +</p> +<p>“Wij kunnen den Ezel volkomen in zijn eer herstellen door er op te wijzen, dat hij afgericht kan worden tot zeer vele kunstjes, +die men gewoonlijk alleen van het Paard ziet. Sommige kinderen leeren moeilijk, maar wat zij geleerd hebben, kennen zij grondig +en voor altoos; zoo is het ook met den Ezel. Men kan wedrennen met hem houden; hij leert door hoepels springen en kanonnen +afschieten. Hij springt goed, zonder het doel te missen en zonder angst te toonen. Hij let op de blikken en de woorden van +zijn meester, en begrijpt deze telkens goed. Daarom kan men hem ook leeren dansen, zich op de maat bewegen en deuren openen, +waarbij hij zijn bek als een hand gebruikt, trappen op- en afgaan, het schoonste, oudste of meest verliefde lid van een gezelschap +aanwijzen, door met den poot op den grond te kloppen van een horloge, dat hem voorgehouden wordt, den tijd, van een kaart +of van een dobbelsteen het aantal oogen aangeven, en iedere vraag van zijn meester, door met den kop te schudden of te knikken, +bevestigend of <span id="d0e2133" class="corr" title="Bron: ontkennen">ontkennend</span> beantwoorden.” + +</p> +<p>De zintuigen van den tammen Ezel zijn goed ontwikkeld. Bovenaan staat het gehoor, hierop volgt het gezicht, dan de reuk; gevoel +schijnt hij weinig te hebben, ook de smaak is, naar men vermoedt, niet bijzonder fijn, anders zou hij waarschijnlijk begeeriger, +veeleischender zijn dan het Paard. Zijne verstandelijke vermogens zijn, naar uit <span class="smallcaps">Scheitlin</span>’s woorden blijkt, niet zoo gering als gewoonlijk aangenomen wordt. Hij heeft een uitmuntend geheugen: hij kan iederen weg, +dien hij eens gegaan is, weer terug vinden; hoe dom zijn uitzicht ook zij, toch is hij dikwijls recht sluw en listig. Ook +is hij niet altijd zoo goedaardig, als men meent; hij heeft soms zelfs afschuwelijke kuren. Plotseling blijft hij dan midden +op den weg stilstaan, en laat zich door geen slagen dwingen om verder te gaan, of gaat met zijn geheele last op den grond +liggen, waar hij zich door bijten en schoppen verweert. Sommigen meenen dat zijn gevoelig gehoor hiervan de oorzaak is, dat +ieder geraas hem verdooft en verschrikt, hoewel hij overigens niet bijzonder vreesachtig, maar slechts nukkig is. Uiterst +vreemd gedraagt een Ezel zich in een streek waar Roofdieren zijn. Het is zeer vermakelijk of hoogst onaangenaam, al naar men +het nemen wil, op een Ezel of een Muildier door een van de nauwe dalen van het gebergte van Habesch te rijden. Overal bespeurt +het lange oor gevaar. Het draait en keert zich naar alle zijden, wordt met opzet benedenwaarts gebogen in de richting van +een rotsblok, waarachter een vijand in hinderlaag zou kunnen liggen, het tracht zelfs met een paar sterke wendingen alles +af te luisteren, wat er hooger op, langs de hellingen voorvalt, richt zich plotseling stijf omhoog en luistert in een bepaalde +richting. Wanneer nu nog de reuk het gehoor te hulp komt en beide het edele rijdier schrikbeelden voor den geest tooveren, +dan is de gemoedsrust voor goed verstoord. Het wil niet verder. Juist op de plaats waar het nu staat, is misschien in de vorige +nacht het vreeselijk tot buitengewone voorzichtigheid aansporend feit voorgevallen, dat een Leeuw, een Luipaard, een Hyaena +of een ander gruwelijk Roofdier over den weg is geslopen! De Ezel snuffelt, kijkt, luistert; de ooren draaien letterlijk rond +in zijn kop; hij blijft als aan den grond genageld, totdat eindelijk een van de lieden voor hem uitgaat. Loos genoeg om te +begrijpen, dat zijn gids de meeste kans heeft om in de klauwen van het grimmige Roofdier den laatsten adem uit te blazen, +zal hij dezen volgen en inwendig gerustgesteld verder gaan. Op reis kan de Ezel geen enkel zintuig ontberen. Als men hem een +<a id="d0e2141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2141">403</a>]</span>doek voor de oogen bindt, blijft hij oogenblikkelijk staan; dit doet hij ook, als men hem de ooren bedekt of dicht stopt; +eerst als, hij van al zijne zintuigen gebruik kan maken, gaat hij verder. + +</p> +<p>De Ezel is met het slechtste, karigste voedsel tevreden. Gras en hooi van zulk een hoedanigheid, dat iedere fatsoenlijke koe +ze met een afkeer verradend gesnuif laat liggen en een Paard er zich ontevreden van afwendt, worden door hem nog als een lekkernij +beschouwd: hij is zelfs met distels en doornstruiken tevreden. Alleen in de keuze van drank is hij zorgvuldig; hij wil geen +water hebben dat troebel is; brak mag, helder moet het zijn. In de woestijn heeft men hierdoor dikwijls veel last met den +Ezel, daar deze, hoe ook door den dorst gekweld, het troebele water uit de lederen waterzakken niet wil drinken. + +</p> +<p>Hier te lande valt de bronsttijd van den Ezel in de laatste lente- en de eerste zomermaanden; in het zuiden duurt hij ongeveer +het geheele jaar door. De hengst verklaart aan de Ezelin zijn liefde met het welbekende, oorverscheurende “I-a, I-a,” en laat +op deze langgerekte, vijf- à tienmaal herhaalde geluiden nog een half dozijn snuivende zuchten volgen. Zulk een aanzoek is +onweerstaanbaar; zij oefent zelfs op de medevrijers een machtigen invloed uit. Ieder, die in een land heeft gewoond, waar +vele Ezels zijn, heeft het kunnen ervaren. Zoodra een ezelin hare stem laat hooren, ontstaat er een formeel oproer onder alle +hengsten in den omtrek. De naastbijwonende, gevleid door de eer, dat hij de voor hem zoo aanlokkelijke geluiden het eerst +op een behoorlijke wijze mag beantwoorden, balkt er op los zoo luid hij kan. Een tweede, derde, vierde, tiende valt in: eindelijk +balken zij allemaal; door den langen duur van dit concert zou iemand doof of half gek kunnen worden. Ik waag het niet te beslissen, +of dit medebalken als een bewijs van teedere sympathie moet worden opgevat, of eenvoudig voortvloeit uit lust tot schreeuwen, +maar kan stellig verzekeren, dat één Ezel alle overige aan ’t balken kan brengen. De reeds beschreven ezeljongens van Kaïro, +die, naar het schijnt, veel behagen scheppen in het geluid van de dieren, waarmede zij hun kost verdienen, maken het “I-a”-geschreeuw, +dat op beschaafde ooren zulk een onaangenamen indruk maakt, aan den gang, door het onnavolgbare, kort afgebrokene “Ii, Ii, +Ii”, dat den hoofdinhoud van de ezelsrede voorafgaat, na te bootsen: spoedig neemt een van de Ezels de moeite over om de vroolijke +opgewondenheid verder te verbreiden. + +</p> +<p>Ongeveer 11 maanden na de paring werpt de Ezelin één jong (hoogst zelden twee), dat bij de geboorte volkomen ontwikkeld is +en zien kan; de moeder lekt het liefderijk af en biedt het reeds een half uur na de geboorte de uier aan. Na 5 à 6 maanden +kan het veulen gespeend worden, maar het volgt de moeder nog lang op al hare wegen. Zelfs in zijn vroegste jeugd verlangt +het geen bijzondere oppassing of verzorging, maar is evenals zijne ouders tevreden met elk voedsel dat het krijgen kan. Als +men het kind van de moeder wil scheiden, is aan weerskanten het verdriet groot. Beiden verzetten zich en geven, als dit niets +baat, hun verdriet en hun verlangen nog dagen achtereen door geschreeuw of althans door buitengewone onrustigheid te kennen. +Als er gevaren dreigen, verdedigt de oude haar kind met moed; zij offert liever zich zelf op en vreest zelfs vuur en water +niet, als het er op aankomt haar jong te beschermen. Reeds in het tweede jaar is de Ezel volwassen; maar eerst in het derde +jaar bereikt hij zijn volle kracht. Hij kan, zelfs wanneer hij hard werken moet, een tamelijk hoogen leeftijd bereiken: er +zijn voorbeelden van, dat Ezels veertig vijftig jaar oud werden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Reeds in den ouden tijd heeft men het Paard en den Ezel met elkander gepaard en door deze kruising bastaarden verkregen, die +<span class="letterspaced">Muildieren</span> heeten, als de vader, <span class="letterspaced">Muilezels</span> echter als de moeder tot het Ezelgeslacht behoort. Beide hebben in hun gestalte meer van hun moeder dan van hun vader; door +hun aard gelijken zij echter meer op dezen dan op gene. + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Muildier</span> (<i>Equus mulus</i>) is bijna even groot als het Paard en gelijkt ook door zijn lichaamsbouw op dit dier; het verschilt er echter van door den +vorm van den kop en de lengte der ooren, door den staart, die aan den wortel kort behaard is, door de schrale dijen en de +smallere hoeven, welke kenmerken aan die van den Ezel herinneren. Zijn kleur gelijkt in den regel op die van de moeder. Het +balkt als zijn vader. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Muilezel</span> (<i>Equus hinnus</i>) behoudt de onaanzienlijke gestalte, de grootte en de lange ooren van zijn moeder, krijgt van het Paard slechts den dunneren +en langeren kop, de vollere dijen, den over zijn geheele lengte behaarden staart en de hinnikende stem; met zijn moeder heeft +hij ook de traagheid gemeen. + +</p> +<p>De paardemerrie draagt het Muildier iets langer dan het paardenveulen; het pasgeboren Muildier staat echter veel eerder op +zijne pooten dan het jonge Paard; daarentegen is hij minder spoedig volwassen dan het Paard. Beneden de 4 jaar mag men geen +Muildier tot den arbeid dwingen; daarentegen behoudt het zijn kracht geregeld tot in 20e of 30e niet zelden zelfs tot in het +40e levensjaar. + +</p> +<p>Men fokt uitsluitend Muildieren, omdat deze beter geschikt zijn voor het gebruik. Alleen in Spanje en Abessinië heb ik Muilezels +gezien. Het Muildier vereenigt de goede eigenschappen van zijne beide ouders in zich. Zijne soberheid en volharding, zijn +zachten, vasten tred zijn erfstukken van den Ezel, zijne kracht en moed een geschenk van zijn moeder. In alle bergstreken +acht men de Muildieren onmisbaar; voor de bewoners van Zuid-Amerika zijn zij niet minder noodig dan voor de Arabieren het +Kameel. Een goed Muildier draagt een last van 150 KG. en legt hiermede iederen dag een weg van 20 à 28 KM. af. Zelfs na een +lange reis bemerkt men ternauwernood vermindering van de kracht van het op deze wijze belaste dier, al is het voeder schaarsch +en zóó slecht, dat een Paard het in ’t geheel niet zou lusten. + +</p> +<p>Zelfs in den laatsten tijd heeft men herhaaldelijk beweerd, dat Muildieren en Muilezels onvruchtbaar zouden zijn. Dit is echter +niet altijd het geval, wanneer een van de beide parende dieren geen bastaard is. Reeds sedert overouden tijd zijn er voorbeelden +van bekend, dat Muildieren jongen voortbrachten, n.l. bij paring van een Paardehengst met een muildier-merrie. In lateren +tijd zijn eveneens verscheidene gevallen waargenomen, die de geschiktheid van het Muildier voor de voortplanting boven allen +twijfel verheffen: zoo is het in de laatste kwart eeuw in den Acclimatisatie-tuin te Parijs gebleken, dat Muildieren tot in +het tweede geslacht vruchtbaar kunnen zijn.—Dat Muildieren (of Muilezels) onderling of Muildieren met Muilezels vruchtbaar +kunnen paren, is nog niet bewezen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een oude Latijnsche schrijver verhaalt, dat <span class="smallcaps">Caracalla</span> <a id="d0e2188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2188">404</a>]</span>in het jaar 211 van onze tijdrekening in de arena te Rome behalve Tijgers, Olifanten en Neushoorndieren ook een <i>Hippotigris</i> (“Tijgerpaard”) liet optreden, en dit dier eigenhandig doodde. Dat de bedoelde schrijver hiermede niets anders op het oog +gehad kan hebben dan de eene of andere soort van Afrikaansche, gestreepte wilde Paarden, valt moeielijk te betwijfelen; de +Engelsche natuuronderzoeker <span class="smallcaps">H. Smith</span> heeft dus recht, als hij de naam <span class="letterspaced">Tijgerpaarden</span> gebruikt tot aanduiding van een ondergeslacht (of liever van een groep van soorten) van de familie der paarden. + +</p> +<p>De Tijgerpaarden gelijken, wat hun gestalte betreft, zoowel op de Paarden als op de Ezels. De romp is gedrongen, de hals forsch, +de kop houdt het midden tusschen dien van een Paard en dien van een Ezel, de ooren zijn tamelijk lang, maar tevens breed, +de haren van de overeindstaande manen niet zoo hard en dik als bij het Paard, maar toch minder zacht en minder buigzaam dan +bij den Ezel, de staart is alleen aan zijn onderste gedeelte lang behaard. Alle bekende soorten hebben een bont, levendig +gekleurd en gestreept vel. De zuidelijke helft van Afrika is haar vaderland; misschien komt slechts één soort ook benoorden +den evenaar voor. Zij leven op de gebergten en in de vlakten; iedere soort geeft echter, naar het schijnt, de voorkeur aan +een afzonderlijk gebied. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Quagga</span> (<i>Equus quagga</i>) nadert door zijn gestalte meer tot het Paard dan tot den Ezel, maar moet, wat schoonheid betreft, bij den Dauw achterstaan. +De romp is zeer goed gevormd, de kop middelmatig groot en sierlijk; de ooren zijn kort, de pooten krachtig. Langs den geheelen +hals verheffen zich korte en rechte manen; de staart is van den wortel af behaard, de staartharen langer dan bij de overige +Tijgerpaarden, evenwel aanmerkelijk korter dan bij het Paard. Ook door de beharing van de overige lichaamsdeelen gelijkt de +Quagga op het Paard: het haar is kort en ligt dicht tegen het lichaam aan. Bruin, aan den kop donkerder, op den rug, het kruis +en de zijden lichter, is de grondkleur van het vel; de buik, de binnenzijde van de dijen en de staartharen zijn zuiver wit. +De kop, de hals en de schouders zijn geteekend met grijsachtig witte, roodachtig getinte strepen, die op het voorhoofd en +de slapen overlangs gericht en dicht opeengedrongen zijn, op de wangen echter dwars loopen en iets verder uiteen staan. Tusschen +de oogen en den mond vormen zij een driehoek. Op den hals bemerkt men tien zulke strepen, die ook op de manen zich vertoonen, +op de schouders vier en op den romp nog eenige, die des te korter en bleeker worden, naarmate zij verder naar achteren voorkomen. +Langs den geheelen rug tot op den staart, strekt zich een zwartachtig bruine, aan weerszijden roodachtig grijs geboorde rugstreep +uit. De ooren zijn van binnen met witte haren bezet, van buiten geelachtig wit, met een donkerbruine streep. Beide geslachten +gelijken zeer veel op elkander; het wijfje is echter een weinig kleiner en heeft kortere staartharen. Het volwassen mannetje +wordt 2 M., met den staart 2.6 M. lang; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.3 M. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1404.jpg" alt="Dauw (Equus Burchelli), 1/16 v.d. ware grootte." width="720" height="597"><p class="figureHead">Dauw (<i>Equus Burchelli</i>), 1/16 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Dauw</span> (<i>Equus Burchelli</i>), <span class="smallcaps">Burchell’s</span>, en <span class="smallcaps">Chapman’s</span> <span class="letterspaced">Tijgerpaard</span>, de <span class="letterspaced">Bonte Quagga</span> der Hollandsche Boeren, is ongetwijfeld het edelste dier van zijn stam, omdat zijn gestalte het meest op die van een Paard +gelijkt; het is nagenoeg even groot als de Quagga. Het zachte, glad aanliggende haar is aan de bovenzijde isabelkleurig, van +onderen wit. Veertien smalle, zwarte strepen ontspringen aan de neusgaten, zeven daarvan zijn buitenwaarts gericht en vereenigen +zich met een gelijk aantal van boven komende; de overige gaan scheef over de wangen heen en zijn verbonden met strepen, die +de onderkaak versieren. Over het midden van den rug loopt een zwarte streep met witte randen; de hals is, evenals de 13 cM. +hooge manen, geteekend met tien breede, zwarte dwarsstrepen, waarvan sommige zich splitsen en waartusschen smalle, bruine +strepen liggen. Nog breedere strepen omringen den <a id="d0e2239"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2239">405</a>]</span>romp, niet echter de onderste gedeelten van de pooten, die gewoonlijk beneden den elleboog en het kniegewricht effen wit zijn. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Zebra</span> of het <span class="letterspaced">Bergpaard</span> (<i>Equus zebra</i>), dat ongeveer even groot is als de vorige soort, heeft over het geheele lichaam, ook over de pooten, strepen, en is hieraan +gemakkelijk van den Dauw te onderscheiden. Zijn lichaamsbouw gelijkt minder op dien van het Paard dan op dien van den Ezel +en meer bepaaldelijk van den Dziggetai. De op slanke, goed gebouwde pooten rustende romp is vol en krachtig, de hals gebogen, +de kop kort, de snuit gezwollen; de staart is middelmatig lang, over het grootste deel van zijn lengte kort en alleen bij +de spits lang behaard, hij gelijkt dus op dien van den Ezel; de manen zijn dicht, maar zeer kort. Op witten of geelachtigen +grond loopen van den snuit tot aan de hoeven dwarsstrepen van glanzig zwarte of roodbruine kleur; alleen de achterzijde van +den buik en de binnenzijde van het bovenlichaam zijn niet gestreept. De donker bruinzwarte, overlangsche streep op den rug +is eveneens aanwezig, een tweede loopt langs het onderlijf. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het eigenlijke vaderland van de <span class="letterspaced">Tijgerpaarden</span> is Zuid- en Oost-Afrika; zij ontbreken in de keerkringsgewesten van de westelijke helft van Afrika en in het geheele Kongo-gebied, +met uitzondering van het meest afgelegen, zuidoostelijk deel. De <span class="letterspaced">Quagga</span> wordt gevonden in de noordwaarts van het Kaapland gelegen Kalahari-woestijn en in Duitsch Zuidwest-Afrika tot aan den Kunene, +bovendien in de Zuid-Afrikaansche Republiek. Verder op bij de Zambesi en de Kunene komt de <span class="letterspaced">Bonte Quagga</span> voor. De <span class="letterspaced">Zebra</span>, die aan bergachtige gewesten de voorkeur geeft, bewoont hetzelfde gebied als de beide andere soorten en is nog verder verbreid: +in het Kaapland wordt hij ook thans nog gevonden; noordwaarts komt hij aan de westzijde tot in Benguela, aan de oostzijde +tot op ongeveer 12° Z.B. voor. + +</p> +<p>De Tijgerpaarden leven gezellig. Gewoonlijk ziet men wel 10 à 30 stuks bijeen; vele berichten maken melding van gezelschappen, +die uit honderden individuën bestonden; waarschijnlijk verhuisden deze van het eene gewest naar een ander. Steeds ziet men +iedere soort afzonderlijk. Misschien zijn de Tijgerpaarden van de eene soort voor die van de andere bevreesd. Andere dieren +schuwen zij echter niet: zoo melden alle onderzoekers eenstemmig, dat men tusschen de Quagga-kudden bijna geregeld Springbokken +en Bonte Bokken, Gnoes, en Struisen, maar ook Buffels vindt. Vooral de Struisen zijn, naar gezegd wordt, de standvastige begeleiders +van de genoemde Wilde Paarden; de reden hiervan zal wel zijn, dat deze met de waakzaamheid en de voorzichtigheid van de genoemde +reuzen uit de Vogelklasse hun voordeel kunnen doen. + +</p> +<p>Alle Tijgerpaarden zijn buitengewoon snelle, bewegelijke, waakzame en schuwe dieren. Vlug als de wind snellen zij voort, door +de vlakte zoowel als in bergstreken. + +</p> +<p>Het inhalen van zulk een aaneengesloten kudde van Tijgerpaarden, valt den goed bereden jager niet moeielijk, hoewel een alleenloopend +dier gemakkelijk den vlugsten ruiter ontkomt. Men verhaalt, dat de jonge Quaggas wanneer het den vervolger gelukt met het +Paard in de kudden door te dringen en de veulens van de moeder te scheiden, zich gewillig gevangen geven en het Paard volgen, +zooals zij vroeger hun eigen moeder deden. Er schijnt over ’t algemeen tusschen de Tijgerpaarden en de Eenhoevige huisdieren +een zekere vriendschap te bestaan; de Gewone en de Bonte Quaggas althans volgen, naar men zegt, niet zelden de Paarden van +de reizigers en grazen rustig op dezelfde weide. + +</p> +<p>De Tijgerpaarden zijn niet bijzonder keurig op hun voedsel, hoewel zij hunne eischen hooger stellen dan de Ezels. Hun vaderland +biedt hun genoeg voedsel aan voor hun levensonderhoud; wanneer op de eene plaats gebrek begint te heerschen, zoeken zij andere +meer begunstigde plaatsen op. + +</p> +<p>De stem van de Tijgerpaarden verschilt evenzeer van het hinneken van het Paard als van het balken van den ezel. Volgens de +door <span class="smallcaps">Cuvier</span> gegeven beschrijving laat de Quagga wel 20-maal achtereenvolgens de klanken “oa, oa” hooren; sommige reizigers omschrijven +dit geluid door “kwè, kwè” of “kwèhè” en leiden hiervan den Hottentotschen naam van dit dier af. Het geluid van den Dauw gelijkt +op “joe, joe, joe”; deze kort afgebroken klanken verneemt men althans van het gevangen dier, zelden meer dan driemaal achtereen. + +</p> +<p>Alle zintuigen van de Tijgerpaarden zijn goed ontwikkeld. Het oor ontgaat niet het geringste gedruisch, hun oog laat zich +slechts uiterst zelden bedriegen. Wat geestesgaven betreft, komen alle soorten tamelijk wel met elkander overeen. Een onbegrensde +neiging tot vrijheid, uitgelatenheid, een zekere wildheid, ja zelfs boosaardigheid en een groote moed zijn hun allen eigen. +Dapper verweren zij zich door schoppen en bijten tegen Roofdieren. De Hyenas laten hen wijselijk met vrede. Waarschijnlijk +is de machtige Leeuw in staat een Tijgerpaard te overmeesteren; de vermetele Luipaard valt waarschijnlijk alleen de zwakste +exemplaren aan. Ook de Tijgerpaarden hebben tot ergsten vijand de mensch. De moeielijkheid van de jacht en het fraaie vel, +dat op velerlei wijze gebruikt wordt, lokken den jager aan tot het vervolgen van dit wild, dat over ’t geheel genomen onschadelijk +genoemd mag worden. De Europeaan doodt het met den kogel, de inboorling met de werpspeer; nog vaker echter worden deze dieren +in valkuilen gevangen en daarna met geringe moeite gedood of voor de gevangenschap bestemd. + +</p> +<p>Ten onrechte werden de Tijgerpaarden vroeger voor ontembaar gehouden. Vele pogingen tot het temmen van deze prachtige dieren +hebben blijkbaar niet op de juiste wijze plaats gehad, of zijn niet lang genoeg voortgezet. Enkele gelukten, anderen leidden +niet tot de gewenschte uitkomst. Meermalen zijn reeds Quaggas voor het trekken van rijtuigen of voor het dragen van lasten +afgericht; in Engeland had men een paar van deze fraaie dieren zoo ver gebracht, dat men ze voor een lichten wagen spannen +en evenals met Paarden met hen rondrijden kon. Andere berichten maken melding van mislukte africhtingsproeven. <span class="smallcaps">Sparrmann</span> verhaalt, dat een rijke kolonist aan de Kaap, die eenige jong gevangene Zebras had laten opfokken en over hun opvoeding tevreden +scheen te zijn, eens op het denkbeeld kwam deze nieuwmodische koetspaarden voor den wagen te spannen. Hij nam zelf de teugels +ter hand en reed met zijne harddravers weg. De rit had zeer schielijk plaats, want kort daarna bevond de gelukkige eigenaar +zich weer in den gewonen stal zijner dieren en had zijn vernielden wagen naast zich. + +</p> +<p>Deze en dergelijke ervaringen hebben de Kapenaars tot de meening gebracht, dat het temmen van de Tijgerpaarden niet mogelijk +is; vele deskundigen twijfelen er echter niet aan, dat mettertijd ook de bonte paarden den mensch dienstbaar zullen zijn. +<span class="smallcaps">Barrow</span> beweert, <a id="d0e2295"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2295">406</a>]</span>dat de goede uitslag zeker is, wanneer men met meer omzichtigheid en geduld handelt dan de Hollandsche Afrikaanders deden. + +</p> +<p>Alle Tijgerpaarden verdragen zonder bezwaar de gevangenschap in Europa. Als zij goed gevoederd en ook overigens goed behandeld +worden, blijven zij niet slechts gezond, maar planten zich ook voort, zelfs wanneer zij in een beperkte ruimte opgesloten +zijn. Het is gebleken, dat de Tijgerpaarden niet alleen onderling, maar ook met andere Eénhoevigen gekruist kunnen worden. +Tot dusver heeft men reeds hybriden verkregen na paring van een Zebra-hengst met een Ezelin, van een Ezel-hengst met een Zebra-merrie, +van een Dziggetai-hengst met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Quagga-merrie, van een Dziggetai-hengst met +een Ezelin, van een hengst, die een bastaard van een Zebra-hengst en een Ezel was, met een Pony-merrie, van een hengst door +kruising van een Ezel met een Zebra-merrie ontstaan met een Pony-merrie. De beide laatstgenoemde gevallen leveren nieuwe bewijzen +voor de vruchtbaarheid van bastaarden. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Als naaste verwanten van de Paarden in de hedendaagsche dierenwereld mag men de <span class="letterspaced">Tapirs</span> (<i>Tapiridae</i>) beschouwen, een familie van betrekkelijk kleine, plomp gebouwde dieren, welke zich onderscheiden door een goed gevormden +romp met langwerpigen, schralen kop, slanken hals, een kort staartstompje en middelmatig hooge, krachtige pooten. De overeind +staande ooren zijn kort en tamelijk breed, de scheef geplaatste oogen daarentegen klein. De bovenlip is bij wijze van een +slurf verlengd en hangt ver over de onderlip naar beneden. De pooten zijn krachtig; de voorpooten hebben vier, de achterpooten +drie teenen. Het stevige vel ligt overal glad tegen de overige lichaamsdeelen aan. De beharing is kort, maar dicht, bij de +Amerikaansche soorten van het midden van den kop tot aan het kruis bij wijze van manen verlengd. Het gebit bestaat uit drie +snijtanden en één hoektand in iedere kaakhelft met 7 maaltanden in iedere helft van de bovenkaak en 6 in iedere onderkaakshelft. +Het geraamte onderscheidt zich door den betrekkelijke slanken vorm der beenderen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Van de 3 of 4, voor ’t meerendeel in Amerika levende soorten dezer familie is minstens één ons reeds sedert langen tijd bekend, +terwijl de overige soorten eerst in den laatsten tijd ontdekt, beschreven en onderscheiden werden. Wel is het opmerkelijk, +dat de Amerikaansche Tapir het eerst in de wetenschappelijke werken werd opgenomen, en dat, ondanks het levendige verkeer +met Indië en Zuid-Azië, de eerste betrouwbare berichten over den Indischen Tapir niet vóór het begin van deze eeuw (n.l. in +1819, door bemiddeling van <span class="smallcaps">Cuvier</span>) tot ons zijn gekomen. Bekend was dit dier reeds lang vóór dien tijd, maar niet aan ons, wel aan de Chinezen, welker leer- +en schoolboeken reeds sinds lang van deze soort melding maakten. Bij de Tapirs merkt men hetzelfde verschijnsel op als bij +andere familiën, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd zijn, n.l. dat de soorten van de Oude Wereld +edeler van vorm, men zou kunnen zeggen volkomener zijn dan die, welke in de Nieuwe Wereld leven. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Indische Tapir</span> of <span class="letterspaced">Schabrak-Tapir</span> (<i>Tapirus indicus</i>) onderscheidt zich van zijne verwanten door aanzienlijker grootte en door zijn betrekkelijk slanken lichaamsbouw; van den +kop is het aangezichtsgedeelte dunner, de schedel meer gewelfd; de slurf is forscher en langer, de pooten zijn krachtiger, +de manen ontbreken, ook de kleur is anders. Vooral de bouw van de slurf is, naar het mij voorkomt, belangrijk voor het herkennen +van dit dier. Terwijl deze bij de Amerikaansche Tapirs duidelijk te onderscheiden is van den snuit en door zijn afgeronden +vorm op een buis gelijkt, gaat de bovenste helft van den snuit bij den <span id="d0e2329" class="corr" title="Bron: Schabak-tapir">Schabrak-tapir</span> onmerkbaar in de slurf over en gelijkt deze op de dwarse doorsnede veel op de slurf van den Olifant; zij is n.l. aan de bovenzijde +afgerond, aan de onderzijde recht afgesneden. + +</p> +<p>Zeer eigenaardig is de kleur van het hoogst gelijkmatige haarkleed. Bij de zuiver donkerzwarte grondkleur steekt de grijsachtig +witte, duidelijk begrensde schabrak sterk af. Volgens nauwkeurige metingen aan een volwassen wijfje bedroeg de totale lengte +2.5 M. met inbegrip van het 8 cM. lange staartstompje, bij 1 M. schouder- en 1.05 M. kruishoogte. Het verbreidingsgebied van +dit dier begint op ongeveer 15° N.B. en strekt zich van hier zuidwaarts uit over Tenasserim en Siam, het Maleische Schiereiland, +Sumatra en Borneo. + +</p> +<p>In 1820 kwamen voor ’t eerst een huid, een geraamte en verscheidene ingewanden van het tot aan dien tijd nog slechts zeer +onvolledig bekende dier in Europa aan. Sedert dien tijd is onze bekendheid met den Schabrak-tapir aanmerkelijk toegenomen, +maar toch ontbreekt er nog steeds veel aan. Van zijn leven in de vrije natuur weten wij nog niets; ook de waarnemingen over +het leven van dit dier in de gevangenschap vereischen in vele opzichten nog aanvulling. <span class="smallcaps">Sterndale</span> noemt het schuw en zegt dat het een verborgen leven leidt, maar dat het, jong gevangen, goed getemd kan worden en zeer gehecht +wordt aan zijn verzorger. + +</p> +<p>Korte manen in den nek en een effen haarkleed kenmerken den <span class="letterspaced">Gewonen Amerikaanschen Tapir,</span> die in Brazilië <span class="letterspaced">Anta</span> of <span class="letterspaced">Danta</span> wordt genoemd (<i>Tapiris terrestris</i>). Met deze soort is men het vroegst bekend geworden. De reizigers spraken reeds weinige jaren na de ontdekking van Amerika +over een daar levend, groot dier, dat zij voor een Nijlpaard hielden en daarom <i>Hippopotamus terrestris</i> noemden. Een uitvoerige beschrijving, waaraan een afbeelding is toegevoegd, werd er eerst omstreeks het midden van de 18e +eeuw van gegeven door den zeer verdienstelijken <span class="smallcaps">Georg Marcgrav</span>. Deze eerste beschrijving werd later door verschillende reizigers en onderzoekers aangevuld, zoodat wij tegenwoordig over +weinige groote dieren beter onderricht zijn dan juist over dezen Tapir. De romp is bedekt met een tamelijk gelijkmatig haarkleed, +dat alleen van ’t midden van den bovenkop langs den nek tot aan de schouders stijve manen vormt, die echter niet bijzonder +lang worden. De kleur hiervan is zwartachtig grijsbruin, aan de zijden van den kop, vooral echter aan den hals en aan de borst, +iets lichter; de voeten en de staart, de middellijn van den rug en van den kop zijn gewoonlijk donkerder van kleur; de ooren +zijn witachtig grijs gezoomd. Verscheidene afwijkingen komen voor: er zijn vale, grijze, geelachtige en bruinachtige exemplaren. +Bij de jonge dieren vertoont alleen de rug de grondkleur van de oude; de bovenzijde van den kop is bij hen dicht bezet met +witte, kringvormige vlekken; langs iedere zijde van den romp loopen vier onafgebroken reeksen van punten van lichtere kleur, +die zich ook over de ledematen uitstrekken. Met toenemenden leeftijd verlengen deze vlekken zich tot strepen en na het einde +van het <a id="d0e2359"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2359">407</a>]</span>tweede jaar <span id="d0e2361" class="corr" title="Bron: verwijnen">verdwijnen</span> zij geheel. Volgens de metingen van <span class="smallcaps">Tschudi</span> kan de Tapir wel 2 M. lang en 1.7 M. hoog worden, volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> bedraagt zijn schouderhoogte bij deze lengte ternauwernood 1 M. Opmerkelijk is het, dat deze maximale afmetingen niet voorkomen +bij mannetjes, maar bij wijfjes, en dat deze in den regel de grootste zijn. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1407.jpg" alt="Anta (Tapirus terrestris) 1/16 v.d. ware grootte." width="720" height="613"><p class="figureHead">Anta (<i>Tapirus terrestris</i>) 1/16 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Volgens de nieuwste onderzoekingen schijnt het vaderland van den Tapir beperkt te zijn tot het zuiden en oosten van Zuid-Amerika, +en wordt hij in ’t noorden en westen van dit faunistisch rijk vervangen door zeer na verwante, maar duidelijk verschillende +soorten en wel in de hooge gedeelten van den Andes-keten van Bogota tot Quito door den <span class="letterspaced">Bergtapir</span> (<i>Tapirus pinchacus</i>), in Centraal-Amerika door <span class="letterspaced">Baird’s Tapir</span> (<i>Tapirus Bairdii</i>). +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Om een levensbeschrijving van de Tapirs te geven, staan ons nagenoeg geen andere hulpbronnen ten dienste dan de mededeelingen +van <span class="smallcaps">Azara</span>, <span class="smallcaps">Rengger</span>, den <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span>, <span class="smallcaps">Tschudi</span>, <span class="smallcaps">Schomburgk</span> en anderen over de Amerikaansche soorten, want over de levenswijze van den Schabrak-tapir bezitten wij geen uitvoerige berichten. +Alle soorten gelijken trouwens zooveel op elkander, dat het voldoende is van één hunner den handel en den wandel na te gaan. + +</p> +<p>Alle Tapirs houden zich op in het woud en vermijden angstvallig de niet met boomen bezette gedeelten. Door den voorwaarts +dringenden mensch worden zij teruggedrongen; zij nemen de wijk naar dieper gelegen deelen van de wouden, terwijl, volgens +<span class="smallcaps">Hensel</span>, de overige dieren van de Zuid-Amerikaansche keerkringslanden zich in omgekeerde richting naar de ontgonnen gedeelten van +het woud begeven. In de wildernissen van de Zuid-Amerikaansche oerwouden loopen de Tapirs regelmatige paden uit, die moeielijk +onderscheiden kunnen worden van de wegen der Indianen en den onervaren reiziger licht verleiden tot het volgen van een verkeerde +richting. De dieren maken van deze wildpaden gebruik, zoo lang zij niet gestoord worden; wanneer de angst hen bevangt, banen +zij zich zonder eenige merkbare inspanning een weg door het meest verwarde mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken. + +</p> +<p>De Tapirs gaan bij voorkeur gedurende de schemering hun voedsel zoeken. “Wij hebben,” zegt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, “de dichte oerwouden, waarin een groot aantal Tapirs leven, maanden lang doorkruist, zonder er in den loop van den dag ooit +een te ontmoeten. Naar het schijnt, houden zij zich dan uitsluitend op in het dichte struikgewas op koele, schaduwrijke plaatsen, +bij voorkeur in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij zich gaarne wentelen.” In zeer donkere wouden, waar zij in ’t +geheel niet verontrust worden, zwerven zij echter ook over dag rond. In den zonneschijn bewegen zij zich hoogst ongaarne en +gedurende de eigenlijke middaguren zoeken zij steeds op de meest beschaduwde plaatsen van het woud zich te vrijwaren tegen +de verslappende hitte en nog meer tegen de Muggen, waarvan zij zeer veel te lijden hebben. “Wanneer men,” zegt de <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span>, “in den vroegen morgen of des avonds zachtjes en zonder gedruisch te maken de rivieren bevaart, krijgt men dikwijls Tapirs +te zien, die zich baden om zich te verfrisschen of voor de steken van Muggen en Vliegen te beveiligen. Werkelijk verstaat +geen enkel dier beter de kunst om zich deze lastige gasten van ’t lijf te houden: elke modderpoel, iedere beek of vijver wordt +met dit doel door den Tapir opgezocht en gebruikt. Wanneer dit dier geschoten wordt, vindt men daarom zijn huid met aarde +en <span id="d0e2430" class="corr" title="Bron: slijkt">slijk</span> bedekt.” Tegen den avond gaan de Tapirs hun voedsel zoeken: waarschijnlijk zijn zij des nachts voortdurend in beweging. Hun +levenswijze gelijkt wel eenigszins op die van ons Wild Zwijn; zij vereenigen zich echter niet tot zulke groote benden als +de dieren van deze soort, maar leven meer afzonderlijk op de wijze van de Neushoorndieren. <a id="d0e2433"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2433">408</a>]</span>Vooral de mannetjes leven, naar men zegt, in afzondering en zoeken alleen in den paartijd de wijfjes op. Hoogst zelden treft +men familiën aan, en gezelschappen van meer dan drie individuën werden tot dusver alleen op buitengewoon goede, vette weiden +gevonden. + +</p> +<p>De bewegingen van de Tapirs herinneren aan die van de Zwijnen. Hun gang is langzaam en voorzichtig; de eene poot wordt bedachtzaam +voor de andere gezet, de kop intusschen naar den grond gebogen; de snuffelende slurf, die onophoudelijk heen en weer gedraaid +wordt en de ooren, die voortdurend in beweging zijn, brengen leven in de overigens zeer traag schijnende gestalte. De Tapir +is een voortreffelijke zwemmer en een nog beter duiker, die zonder aarzeling over de breedste rivieren zwemt, niet alleen +als hij vlucht, maar bij iedere gelegenheid. + +</p> +<p>De voortreffelijkste zinnen van den Tapir, de reuk en het gehoor, staan waarschijnlijk op denzelfden trap van ontwikkeling; +het gezicht is zwak. De slurf is een zeer gevoelig tastwerktuig, en wordt voor dit doel veelvuldig gebruikt. + +</p> +<p>De stem is een eigenaardig, schril gefluit, dat in ’t geheel niet geëvenredigd is aan de grootte van het dier. + +</p> +<p>Alle Tapirs zijn, naar het schijnt, goedhartige, vreesachtige en vreedzame dieren, die alleen in den hoogsten nood van hunne +wapens gebruik maken. Zij vluchten voor iederen vijand, zelfs voor het kleinste hondje; het bangst zijn zij echter voor den +mensch, wiens overmacht zij wel hebben ingezien. Dit blijkt reeds hieruit, dat zij in de nabijheid van plantages veel voorzichtiger +en schuwer zijn dan in het onbetreden woud. Op dezen regel zijn echter uitzonderingen. In sommige omstandigheden stellen zij +zich te weer, en zijn dan tegenstanders, waarmede rekening gehouden dient te worden. Door woede verblind vallen zij hun vijand +aan, en trachten hem omver te loopen; ook gebruiken zij hunne tanden wel op de wijze van onze Wilde Zwijnen. Zoo handelen +de moeders, wanneer zij hunne jongen verdedigen, die door de jagers bedreigd worden. Zij stellen zich dan zonder aarzeling +aan gevaar bloot. Wie gedurende langen tijd gevangen Tapirs heeft nagegaan, komt tot de overtuiging, dat zij, wat hunne geestesgaven +betreft, hooger staan dan het Neushoorndier en het Nijlpaard, en ongeveer met het Zwijn op een lijn gesteld moeten worden. +“Een jong gevangen Tapir,” zegt <span class="smallcaps">Rengger</span>, “geraakt na een gevangenschap van slechts weinige dagen zoozeer aan den mensch en diens woning gewend, dat hij ze niet meer +verlaat. Hij wordt onrustig, als zijn oppasser lang achtereen wegblijft, en zoekt hem, als hij hiertoe in de gelegenheid is, +overal op. Door iedereen laat hij zich trouwens aanraken en liefkoozen.<span id="d0e2446" class="corr" title="Bron: ">”</span> <span class="smallcaps">Kappler,</span> die dikwijls jonge Tapirs heeft opgevoed, verhaalt, dat hij ze steeds na verloop van korten tijd weggaf, omdat zij door hun +te groote gemeenzaamheid zeer lastig werden; een volwassen dier trok eens van een gedekte tafel het laken met al wat er op +stond, naar beneden.—De door mij verzorgde gevangenen hebben deze waarnemingen bevestigd. Zoowel de Indische als de Amerikaansche +Tapir waren hoogst goedaardige dieren. Zij waren volkomen tam, vreedzaam gezind tegen ieder dier, en toonden genegenheid aan +bekenden.—<span class="smallcaps">Keller Leuzinger</span> is van oordeel, dat de Anta een huisdier zou kunnen worden. Volgens hem worden jong gevangen dieren reeds na weinige dagen +zoo tam als Honden, en denken in ’t geheel niet meer aan ontvluchten. “In Curitiba, hoofdstad van de provincie Parana,” verhaalt +onze zegsman, “liep een tamme Tapir, die aan niemand toebehoorde, verscheidene jaren achtereen in de straten rond, en werd +van ’s morgens tot ’s avonds door de negerjongens bereden. Een temperatuur van 2 à 3 graden onder het vriespunt, die daar +in Juni en Juli niet tot de zeldzaamheden behoort, schenen hem weinig te hinderen.” + +</p> +<p>De in vrijheid levende Tapirs voeden zich slechts met planten, en hoofdzakelijk met boombladen. In Brazilië geven zij de voorkeur +aan jonge palmbladen, niet zelden echter doen zij strooptochten in de plantages en toonen dan, dat suikerriet, mango, meloenen +en allerlei groenten ook van hun gading zijn. + +</p> +<p>Alle soorten van Tapirs worden door den mensch ijverig vervolgd, omdat men hun vleesch en hun vel gebruikt. Het vleesch wordt +geroemd als malsch, sappig en smakelijk; de dikke huid wordt gelooid en in lange riemen gesneden, die, na afgerond en door +herhaalde inwrijving met gesmolten vet lenig gemaakt te zijn, als zweepkoorden of teugels gebruikt worden. + +</p> +<p>Men jaagt den Tapir in Amerika gewoonlijk met behulp van Honden, die het vluchtende dier fel vervolgen, tot het, wat geregeld +geschiedt, naar het naast bij gelegen water ijlt. Hier echter loert, in een licht schuitje aan den oever verborgen, de jager, +die nu met de Honden het zwemmende en duikende wild vervolgt. Het wordt, indien de watervlakte niet te klein is, weldra door +zijne vervolgers ingehaald en met een kogel of ook wel met het lange jachtmes afgemaakt. Zeer duidelijk beschrijft <span class="smallcaps">Von der Steinen</span> een Tapirjacht, door hem bijgewoond gedurende zijn vaart op den Xingoe: “<span class="smallcaps">Valentin</span> ontdekt een dicht bij den oever zwemmen den Tapir; allen haastten zich om aan de jacht deel te nemen. <span class="smallcaps">Irineo</span> treft hem met twee kogels de eene in de flanken, de andere in de slurf, <span class="smallcaps">Valentin</span> zendt hem een lading hagel om de ooren—hij ontsnapt in het woud. De Honden vervolgen hem en wij roeien zoo hard wij kunnen; +op nieuw gevuurd, nogmaals ontsnapping in het struikgewas. De Honden kijken onnoozel in het water en weten niet wat zij doen +zullen; de kleine Spits vindt echter het spoor en volgt dit, de andere Honden komen hem te hulp. Daar ginds op een afstand +van ½ KM., is de Tapir al weer te water gegaan; wij hem zoo snel mogelijk achterna in een onbeschrijfelijke verwarring; hij +komt boven en duikt weer onder; <span class="smallcaps">Pedro</span> mist hem op 5 pas en schiet een pijl op hem af, die terugspringt; <span class="smallcaps">Merelles</span> schiet ook dicht bij het dier langs; een ander raakt het; de booten varen bijna over elkander heen; wij trachten het wild +te grijpen; onze boot slaat bijna om en schept water; de Tapir wordt met messen gestoken; de Yuruna treft hem met een pijl, +en schreeuwt, opgewonden met de armen zwaaiend, dat men hem met den lasso moest vangen; <span class="smallcaps">Antonio’s</span> mes doet een bloedstraal uit het dier stroomen—nogmaals zwemt het onder water door; maar, tusschen twee booten bovenkomend, +wordt het bij een poot gepakt, gedood en naar een nabijgelegen rots gesleept. Het is een groot exemplaar, wel zoo groot als +een Muildier; in zijn haar krioelt het van bruine tieken. Fraai zien de korte, stijfharige manen er uit, gelijk aan die der +Grieksche godenpaarden.” + +</p> +<p>Waarschijnlijk hebben de Tapirs nog gevaarlijker vijanden dan de menschen in de groote soorten van Katten, die hetzelfde gebied +bewonen. Dat de Amerikaansche Tapirsoorten fel vervolgd worden door den Jagoear, wordt door alle reizigers verzekerd; men +mag wel aannemen, dat Schabrak-Tapir denzelfden last ondervindt van den Tijger. +</p> +<hr class="tb"><p> +<a id="d0e2486"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2486">409</a>]</span></p> +<p>Hoewel reeds bij uitwendige beschouwing en vergelijking van de Paarden, Tapirs en Neushoorndieren eenige van de overeenstemmende +kenmerken waargenomen worden, die aanleiding hebben gegeven tot de samenvoeging van deze dieren in één zelfde orde, is het +toch noodig ook de laatstgenoemde dieren te ontleden om hun verwantschap duidelijk aan te toonen. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Neushoorndieren</span> (<i>Rhinocerotidae</i>) zijn plomp gebouwde, logge dieren van tamelijk aanzienlijke grootte; zij onderscheiden zich door hun in ’t oog loopend grooten +kop, welks aangezichtsgedeelte van voren één hoorn (of twee achter elkander geplaatste hoornen) draagt; zij hebben een korten +hals, een krachtigen romp, gehuld in een op een pantser gelijkende huid en nagenoeg geheel of grootendeels onbehaard, een +korte staart en korte, zware, maar toch geenszins plompe pooten, welker voorvoeten en achtervoeten ieder drie teenen hebben, +waarvan het eindlid door een hoef omsloten is. Ieder deel van ’t lichaam heeft, zelfs wanneer men het met het overeenkomstige +deel van andere Neushoorndieren vergelijkt, een eigenaardig en vreemdsoortig voorkomen. De kop is zeer langwerpig; vooral +het aangezicht is buitengewoon verlengd; het schedelgedeelte daarentegen van voren naar achteren sterk samengedrukt, zoodat +het voorhoofd een zeer steile helling verkrijgt; tusschen het voorhoofd en het merkbaar verhevene neusgedeelte ontstaat hierdoor +een in ’t midden diep uitgeholde, zadelvormige inzinking; de mondopening is in verhouding tot den kop zeer klein, het middelste +deel van de bovenlip tot een vinger- of slurfvormig uitsteeksel verlengd, de onderlip afgerond of van voren recht afgesneden; +het oog opmerkelijk klein, het niet ongewoon gevormde oor eerder groot dan klein, zijn buitenrand afgerond. De korte, steeds +geplooide hals is dikker dan de kop en gaat zonder merkbare scheiding in den kolossalen romp over; deze onderscheidt zich +zoowel door de scherpe, in ’t midden uitgeholde ruglijn en den over zijn geheele lengte afgeronden en hangenden buik, als +doordat hij iets hooger is in de schouders dan in het kruis; de korte staart is bij sommige naar de spits toe zijdelings sterk +samengedrukt en dan tot aan het einde bijna gelijk van breedte, bij andere gestrekt kegelvormig. De pooten krommen zich als +die van een Dashond van buiten naar binnen; alleen het deel, dat onder het polsgewricht en spronggewricht ligt, is recht en +verticaal geplaatst; dit deel verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den bodem bereikt, waarop het met de eivormige zool rust; +de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer dubbel zoo breed als elk der beide zijdelingsche. De steeds zeer dikke huid, +die bij de meeste soorten op een pantser gelijkt, sluit bij sommige glad tegen het lichaam aan, met uitzondering van eenige +weinige, niet sterk verheven plooien. Bij andere soorten bestaat zij uit verscheidene schilden, die door diepe plooien duidelijk +gescheiden zijn en alleen door deze plooien een zekere bewegelijkheid verkrijgen, omdat hunne randen over elkander geschoven +kunnen worden, daar waar zij verbonden zijn door de dunnere, buigzame huid, die de groeven bekleedt. Diepe rimpels omgeven +de oogen en den mond en verschaffen aan de plompe, maar betrekkelijk zeer beweeglijke lippen een onverwachte lenigheid. Fijnere +groeven kruisen elkander op de huid en voorzien haar met een netvormige teekening, welker mazen knobbelvormige verhevenheden +van zeer regelmatige gedaante insluiten; deze vormen op de huid, vooral op de schilden, een even vreemdsoortige als bevallige +versiering. De beharing bepaalt zich tot een meer of minder langen zoom om de ooren en om de platgedrukte staartspits; bij +enkele soorten ook eenige plekken op den rug behaard. De hoornen, die, evenals de haren, opperhuidsvormingen zijn, bestaan +uit evenwijdig loopende, uiterst fijne, ronde of kantige, van binnen holle vezels van hoornstof: zij rusten met hun breede, +rondachtige grondvlakte op de dikke huid, die het aangezicht bekleedt. Niet zelden, hoewel altijd slechts bij enkele exemplaren, +vertoont de opperhuid op verschillende plaatsen, het meest echter aan den kop, hoornachtige woekeringen, die een hoogte van +verscheidene centimeters kunnen bereiken. + +</p> +<p>Plompheid van vorm en krachtige ontwikkeling kenmerken de beenderen. De breede en forsche neusbeenderen, die de neusholte +bedekken, en door een dik neusmiddelschot gesteund worden, welks voorste gedeelte, evenals bij de andere Zoogdieren, kraakbeenig +is, zijn oneffen, ruw en knobbelig daar, waar de hoorn er op rust, en wel des te meer, naarmate de hoorn grooter is. Aan het +gebit ontbreken de hoektanden; bij de Afrikaansche soorten vallen de vier in elke kaak voorkomende snijtanden reeds op zeer +jeugdigen leeftijd uit, terwijl er bij de Aziatische soorten gedurende het geheele leven vier in de onderkaak en twee in de +bovenkaak aanwezig blijven. Voor ’t overige bestaat het gebit uit zeven maaltanden in elke kaakhelft. + +</p> +<p>De Neushoorndieren bewonen tegenwoordig alleen het Oostersche en het Ethiopische faunistische rijk; zij hadden in den vóórtijd +een veel uitgestrekter verbreidingsgebied. Dat van de beide uitgestorven, tweehoornige soorten, die met de namen <i>Rhinoceros antiquitatis</i> (<i>R. tichorhinus</i>) en <i>Rhinoceros Merckii</i> (<i>R. leptorhinus</i>) aangeduid worden, omvatte gedurende den ijstijd en het hieraan voorafgaande praeglaciale tijdvak geheel Noord- en Centraal-Azië +met inbegrip van Siberië en China, bovendien Noord- en Midden-Europa. Bij beide was het neusmiddelschot ook van voren verbeend. +Hierdoor verkreeg de voorste en grootste van de beide hoornen steun; de achterste rustte op het voorhoofdsbeen. Van beide +soorten zijn volledige lijken met huid, haren en goed geconserveerde weeke deelen gevonden in den bevroren bodem van de moerassige +landstreek, die den mond van den Jeniseï van dien van den Lena scheidt. In het St. Petersburger Museum worden deelen van deze +merkwaardige lijken bewaard, welke bewijzen, dat de Neushoorndieren van den IJstijd met een dicht, wollig haarkleed bedekt +waren en dat hun huid de eigenaardige plooien van de thans levende, tropische vormen miste. In Noord-Azië, van den Ob tot +aan de Beringstraat is er geen rivier in het vlakke land, aan welks oevers geen beenderen van voorwereldlijke dieren vooral +van Olifanten, Buffels en Neushoorndieren gevonden worden. + +</p> +<p>Onze kennis van de hedendaagsche soorten is in den laatsten tijd aanmerkelijk uitgebreid, maar laat in sommige opzichten nog +veel te wenschen over. <span class="smallcaps">Flower</span> heeft in het jaar 1876 deze familie op nieuw bewerkt. Naar het gebit en de huidplooien onderscheidt de genoemde onderzoeker +drie hoofdgroepen van Neushoorndieren. Tot de eerste rekent hij alle soorten met in schilden verdeelde, tot de tweede die +met minder geplooide huid, tot de derde de soorten zonder blijvende huidplooien. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Blijvende snijtanden (zie boven), één hoorn en goed ontwikkelde hals- en lendenplooien, die met de overige huidplooien schildvormige +velden omgeven, en de als <a id="d0e2522"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2522">410</a>]</span>harnas dienende huid in pantserplaten verdeelen, kenmerken de <span class="letterspaced">Gepantserde Neushoorndieren</span> (<i>Rhinoceros</i>), vertegenwoordigd door twee welbekende, levende soorten. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Indische Neushoorn</span> (<i>Rhinoceros unicornis</i>) bereikt, met inbegrip van den 60 cM. langen staart, een lengte van 3.75 M. een schouderhoogte van 1.7 M. en een gewicht +van omstreeks 2000 KG. De hoorn wordt 60 à 65 cM. lang. Zeer krachtig en plomp gebouwd, onderscheidt dit dier zich van zijne +verwanten door den betrekkelijk korten, breeden en dikken kop en de eigenaardige begrenzing der huidschilden. Het bewoont +thans nog het noordelijk deel van Indië en het Zuiden van China. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De andere soort van het ondergeslacht is de <span class="letterspaced">Wara</span>, de <span class="letterspaced">Javaansche Neushoorn</span> der Europeesche handelaars (<i>Rhinoceros sondaicus</i>), die echter niet tot Java beperkt is, maar een uitgestrekter verbreidingsgebied heeft dan de vorige soort, daar hij ook +in Achter-Indië (n.l. in Birma, Pegoe en Tenasserim) voorkomt. De huidplooien zijn hier zeer diep, maar de door haar begrensde +velden hebben een anderen vorm dan bij de vorige soort; korte, zwarte borstels komen verspreid over het geheele lichaam voor. +Evenals de Indische Neushoorn is ook de Javaansche vuil bruingrijs van kleur. Zijn hoorn wordt hoogstens 25 cM. lang. De lichaamslengte +bedraagt, met inbegrip van den 50 cM. langen staart, 3 M., terwijl de schouders 1.4 M. hoog zijn. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Half-gepantserde Neushoorndieren</span> (<i>Ceratorhinus</i>) hebben onvolledig ontwikkelde hals- en lendenplooien, die de huid wel in gordels, maar niet in schilden verdeelen. Zij hebben +twee achter elkander geplaatste, betrekkelijk korte hoornen en komen, wat hun gebit betreft, met de dieren der vorige groep +overeen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De eenige vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de <span class="letterspaced">Badak</span> of <span class="letterspaced">Sumatraansche Neushoorn</span> (<i>Rhinoceros sumatranus</i>), de kleinste van de tot dusver genoemde, daar zijn lichaamslenge, met inbegrip van 55 cM. langen staart, 3.35 M. bedraagt, +bij een schouderhoogte van 1,5 M.; de voorste hoorn is 25, de achterste 12 cM. lang. De huid is verspreid borstelig behaard +en grijsbruin van kleur. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het volkomen ontwikkelde gebit van de <span class="letterspaced">Afrikaansche Neushoorndieren</span>, die het derde ondergeslacht (<i>Atelodus</i>) vormen, is gekenmerkt door het ontbreken van alle snijtanden. De gladde, gelijkvormige en onbehaarde huid is alleen op de +verbindingsplaats van hals en romp duidelijk geplooid en zoomin in schilden als in gordels verdeeld. Deze dieren zijn met +twee slanke, achter elkaar geplaatste hoornen gewapend. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht <a id="d0e2590"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2590">411</a>]</span>is de <span class="letterspaced">Zwarte Neushoorn</span> der Zuid-Afrikaansche Boeren en Engelsche jagers, die door de inboorlingen van Zuid-Afrika <span class="letterspaced">Borele</span> en, als de achterste hoorn zeer lang is, <span class="letterspaced">Keitloa</span> genoemd wordt (<i>Rhinoceros bicornis</i>). Zijn kleur wisselt af tusschen donker leikleurig grijs, dat de overhand heeft en vuil roodbruin. Geheel volwassen mannetjes +hebben, met inbegrip van den ongeveer 60 cM. langen staart, een totale lengte van 4 M., bij 1,4 M. schouderhoogte. De meer +of minder sterk achterwaarts gebogen hoornen zijn 70 à 80 cM. lang. Slechts bij uitzondering is de achterste hoorn nagenoeg +even lang of iets langer dan de voorste; bij de meeste exemplaren bereikt hij niet de helft van de lengte van den voorsten; +dikwijls is hij slechts een kort stompje. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1410.jpg" alt="Zwarte Neushoorn (Rhinoceros bicornis). 1/20 v.d. ware grootte." width="693" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zwarte Neushoorn</span> (<i>Rhinoceros bicornis</i>). 1/20 v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van dit dier is vooral van ’t zuiden af aanmerkelijk ingekrompen, maar is nog steeds zeer uitgestrekt, +daar het een groot deel van Afrika omvat en wel voornamelijk de oostelijke helft, ongeveer van 15° N.B. tot aan de zuidkust. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De grootste soort van de geheele familie is die, welke door de Hollandsch sprekende bewoner van Zuid-Afrika <span class="letterspaced">Witte Neushoorn</span>, door de inboorlingen <span class="letterspaced">Monoehoe</span>, <span class="letterspaced">Kobâba</span> of <span class="letterspaced">Tsjikori</span> (<i>Rhinoceros simus</i>) wordt genoemd. Met inbegrip van den 60 cM. langen staart heeft hij een lengte van ruim 5 M. Bijna ⅓ van deze lengte komt +op den kop, die twee hoornen draagt, waarvan de voorste een lengte van 1 M. heeft en in den regel zwak naar voren gebogen +is, de achterste daarentegen klein blijft. Grootendeels is zijn kleur lichtgeel à lichtgrijs of bleekgrijsbruin, op de schouders +en dijen en het onderlijf iets donkerder. Aan den buitengewoon langen kop is opmerkelijk de stompe snuit; hieraan ontbreekt +het slurfvormige uitsteeksel, dat bij de overige leden der familie aan de bovenlip voorkomt; hij gelijkt hierdoor op den snuit +van een Rund. Dit dier bewoont de zuidelijke helft van Afrika. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De ouden hebben den Neushoorn zeer goed gekend. Volgens <span class="smallcaps">Plinius</span> bracht <span class="smallcaps">Pompejus</span>, behalve den Los uit Gallië en den Baviaan uit Ethiopië, het eerste Eénhoornige Neushoorndier in het jaar 61 voor Chr. naar +de kampspelen te Rome. De eerste schrijver, die van dit dier melding maakt, is <span class="smallcaps">Agatharchides</span>; op hem volgt <span class="smallcaps">Strabo</span>, die te Alexandrië een Neushoorn gezien heeft. <span class="smallcaps">Pausanias</span> noemt hem het “Ethiopische Rund”. <span class="smallcaps">Martialis</span> wijdt aan beide soorten eenige dichtregelen. Van den Eénhoornigen zegt hij: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Op de ruime vlakte, o Caesar, voert de Neushoorn +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Kampstrijden uit, zooals nimmer nog gezien zijn. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Hoe stormde in grimmige woede ontstoken het ondier nader! +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Hoe machtig door zijn hoorn, waarvoor slechts een bal was de Stier!</span></p> +</div> +</div> +<p>Van den Tweehoornigen Neushoorn wordt gezegd: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Terwijl de mannen trachtten den Neushoorn ten strijde te prikkelen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Den verkropten toorn van den reus langzaam deden zwellen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Verloor het volk door het lange wachten de hoop op den strijd, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Maar de gewone woede keert dra in het monster terug; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Met den dubbelen hoorn heft hij den geweldigen Beer op, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Zooals de Stier de stroopoppen tot de sterren omhoog werpt.”</span></p> +</div> +</div> +<p>De Arabische schrijvers hebben de beide soorten reeds zeer vroeg genoemd en den Indischen Neushoorn van den Afrikaanschen +onderscheiden; in hunne sprookjes komen beide niet zelden als bovennatuurlijke wezens voor. <span class="smallcaps">Marco Polo</span>, de bekende reiziger, wiens geschriften voor de dierkunde zoo belangrijk zijn, is de eerste, die, na een langdurig tijdvak, +waaruit geen berichten over den Neushoorn tot ons gekomen zijn, het stilzwijgen verbreekt. Hij had het in de 13e eeuw op zijn +reis door Indië, en wel op Sumatra, weder gezien. In het jaar 1513 kreeg de koning van Portugal uit Oost-Indië een levenden +Neushoorn. De mare van het bestaan van dit vreemdsoortige dier verbreidde zich over alle landen. <span class="smallcaps">Albrecht Dürer</span> gaf een houtsnee in ’t licht, die hij naar een slechte, uit Lissabon afkomstige afbeelding gemaakt had. Hierop is het dier +voorgesteld, alsof het met schabrakken bedekt en met pantserschubben aan de voeten bekleed is; ook draagt het een kleinen +hoorn op den schouder. Bijna 200 jaren lang was deze houtsnede van den beroemden graveur de eenige afbeelding, die men van +het Neushoorndier had. Eerst door <span class="smallcaps">Chardin</span>, die te Ispahan een Neushoorndier zag, werd in ’t begin van de vorige eeuw een betere afbeelding gegeven. Een betere levensbeschrijving +gaf <span class="smallcaps">Bontius</span> reeds omstreeks het midden van de 17e eeuw. + +</p> +<p>Over ’t geheel genomen komen alle Neushoorndieren in levenswijze, aard, eigenschappen, bewegings- en voedingswijze met elkander +overeen, hoewel van iedere soort eigenaardigheden bericht worden. Onder de Aziatische soorten b.v. staat het Indische Neushoorndier +als een buitengewoon boosaardig dier bekend; het Javaansche wordt veel goedaardiger genoemd en het Sumatraansche is dit, volgens +de beschrijvingen, in nog hoogere mate. Een soortgelijk verschil merkt men tusschen de Afrikaansche soorten op. Het zwarte +Neushoorndier wordt, ondanks zijn betrekkelijk geringe grootte, als het kwaadaardigste van alle Afrikaansche dieren beschouwd, +terwijl de Witte Neushoorn geheel onschadelijk heet te zijn. Eenige grond zal er wel bestaan voor deze verschillende karakterschetsen; +de volle waarheid zal echter wel zijn, dat iedere Neushoorn, die voor de eerste maal een mensch ontmoet, en niet getergd wordt, +zich goedaardig toont, maar bewijzen geeft van boosaardigheid, wanneer onaangename ervaringen zijn verstand gescherpt en hem +vertoornd hebben. + +</p> +<p>De Neushoorndieren bewonen bij voorkeur een zeer waterrijk gebied; moerassige gewesten, rivieren, die ver buiten hunne oevers +treden, meren met slijkerige, door struikgewas omgeven oevers, in welker nabijheid zich grasrijke weidegronden bevinden, bosschen, +die door beken doorsneden zijn en dergelijke plaatsen. De Afrikaansche soorten gedijen echter ook zeer goed in gewesten, die +rijk aan gras en struiken, maar bijzonder droog zijn, wanneer zij hier op niet te grooten afstand poelen aantreffen. Voor +zulke zware, zoo goed gepantserde dieren opent zelfs de meest verwarde wildernis hare voor andere dieren ontoegankelijke verborgenheden; +zelfs de vreeselijkste doornen zijn buiten machte den Rhinoceros te keeren. Om deze reden ontmoet men de meeste soorten bijzonder +veelvuldig in bosschen, reeds bij het zeestrand, sommige echter in hooge gewesten nog regelmatiger en overvloediger dan in +lage. Ieder Neushoorndier bezoekt waarschijnlijk minstens éénmaal per dag het een of andere water, om hier te drinken en zich +in het slijk te wentelen. Een slijkbad is een levensbehoefte voor alle op het land levende “dikhuidige” dieren; want, hoezeer +ook deze naam (die vroeger op alle Onevenvingerigen, met uitzondering van de Eénhoevigen, en bovendien op de Zwijnen, Nijlpaarden +en Slurfdieren werd toegepast) door den aard van hun vel gerechtvaardigd wordt, toch zijn zij zeer gevoelig voor de steken +van de Vliegen, Bremzen en Muggen; tegen deze boosaardige, kleine <a id="d0e2699"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2699">412</a>]</span>vijanden kunnen zij zich eenigermate beschutten en zich tijdelijk rust verschaffen door zich met een dikke laag slijk te bedekken. +Voordat zij uitgaan om te fourageeren, zoeken de Neushoorndieren de weeke oevers van de meren, poelen en rivieren op, en woelen +een gat in den modder, waarin zij zich rondwentelen en omdraaien, totdat de rug en de schouders, de zijden en het onderlijf +met slib bedekt zijn. Hoe prettig zij dit ploeteren in den modder vinden, blijkt uit hun luid geknor; zelfs verliezen zij +door het hun zoo aangename bad niet zelden hun gewone waakzaamheid uit het oog. + +</p> +<p>De Neushoornen zijn meer des nachts dan over dag in de weer. Een groote hitte is hun zeer onaangenaam; zoolang deze heerscht, +slapen zij op de een of andere schaduwrijke plaats, half op de zijde, half op den buik liggend; de kop is vooruitgestoken +of rust op den grond; soms echter staan zij traag in een stil gedeelte van het woud, waar zij door de boomen tegen de zonnestralen +beschut zijn. Volgens alle berichten slapen deze dieren zeer vast. Niet zelden is het gebeurd, dat men slapende Neushoornen +zonder eenige voorzorgsmaatregelen kon naderen; zij geleken op gevoellooze rotsblokken en verroerden zich niet. Gewoonlijk +is het dreunende gesnurk van den slapenden Neushoorn op een vrij grooten afstand hoorbaar, en trekt het zelfs de aandacht +van hem, die het rustende dier niet ziet. Soms echter geschiedt de ademhaling zonder gedruisch, zoodat de reiziger niet gewaarschuwd +werd voor de aanwezigheid van het reusachtige dier, dat hij plotseling voor zich ziet liggen. + +</p> +<p>Met het aanbreken van den nacht, in vele gewesten echter reeds in de middaguren, staat de Neushoorn op, rekt en strekt zich +behaaglijk in zijn slijkbad, en gaat nu grazen. Hij zoekt voedsel in dichte, voor andere dieren ternauwernood toegankelijke +wouden en in open vlakten, in het water en in de met riet begroeide moerassen, op de bergen en in het dal. In de dsjungels +van Indië heeft hij lange, lijnrechte wegen gebaand, door het breken en zijwaarts buigen van alle planten, die hem in den +weg stonden, en door het vasttrappen van den grond; ook in de binnenlanden van Afrika ziet men zulke paden. + +</p> +<p>Het Neushoorn dier vreet boomtakken en allerlei harde struiken, distels, brem, biezen, steppengras, enz., maar is volstrekt +niet afkeerig van saprijker voedsel. Te dezen aanzien bestaat dus tusschen hem en den Olifant een soortgelijk verschil, als +tusschen den Ezel en het Paard. In Afrika voedt de Zwarte Neushoorn zich hoofdzakelijk met twijgen, vooral met die van de +daar zeer veelvuldig voorkomende, doornachtige Minosa’s; de Witte Neushoorn echter eet, in verband met den vorm van zijn onderlip, +gras, dat in bosjes bijeen groeit. Dikwijls richten deze dieren, in streken waar akkerbouw voorkomt, groote verwoestingen +aan. Bovendien vernielen en vertrappen zij daar nog veel meer dan zij opeten. Het gras wordt met den breeden muil afgeplukt; +de twijgen worden afgebroken met het als hand dienend uitgroeisel van de bovenlip.—De Indische Neushoorn kan het slurfvormige +verlengstuk van de bovenlip tot ongeveer 15 cM. verlengen, en hiermede een dikken bos gras omvatten, uitrukken en in den bek +brengen. Het schijnt hem onverschillig te zijn, dat er nog eenige aarde aan de wortels blijft hangen. Wel slaat hij het uitgerukte +bosje even tegen den grond, om het grootste deel van de aarde er af te schudden, maar daarna stopt hij het zonder eenig gemoedsbezwaar +in den wijden muil, en slikt het zonder moeite door. Zeer gaarne eet hij wortels, die hij zeer goed weet op te delven. Tot +tijdverdrijf, hoofdzakelijk voor zijn vermaak althans, woelt hij soms ook wel een boompje of een struik uit den grond; daartoe +veegt hij met zijn kolossalen hoorn zoo lang de aarde tusschen de wortels weg, totdat hij den struik vatten en uit den grond +lichten kan, waarna hij de wortels er afbreekt en deze verslindt. + +</p> +<p>De levenswijze van de Neushoorndieren heeft niet veel aantrekkelijks. Wanneer zij niet eten, slapen zij; om de overige wereld +bekommeren zij zich nagenoeg niet. Zij leven niet gelijk de Olifanten in kudden bijeen, maar meestal afzonderlijk of hoogstens +tot kleine troepen van 4 à 10 individuën vereenigd. Tusschen de leden van zulk een gezelschap bestaat geen nauwen band: in +den regel leeft ieder voor zich en doet wat hem goeddunkt. Toch kan men niet zeggen, dat het eene dier het andere steeds met +doffe onverschilligheid beschouwt; in zulk een gezelschap vindt men ook de moeder en haar kind; bovendien is de betrekking +tusschen de volwassen dieren van verschillend geslacht niet zelden van zeer innigen aard en wordt misschien eerst door den +dood afgebroken. Zij schijnen log van lichaam en ook log van geest; de schijn stemt hier echter niet geheel met de werkelijkheid +overeen. In den regel heeft de Neushoorn een zwaren en eenigszins plompen gang; als hij liggen gaat, of zich omwentelt, doet +hij dit zoo onbeholpen mogelijk; al zijne bewegingen zien er echter onbeholpener uit, dan zij zijn. Hij is niet zooals de +Olifant een telganger, maar verzet de pooten overkruis, d.w.z. verplaatst tegelijkertijd een voorpoot en een achterpoot van +verschillende zijden. Iedere Neushoorn zwemt nu en dan; hij blijft echter altijd aan de oppervlakte van het water en duikt +alleen onder, wanneer dit strikt noodig is. + +</p> +<p>Onder de zinnen van de Neushoorndieren staat het gehoor bovenaan; dan volgt de reuk en hierna het gevoel. De gezichtszin is +zeer weinig ontwikkeld. Het gehoor is vermoedelijk zeer fijn: het zachtste gedruisch wordt op een grooten afstand waargenomen. +De smaakzin ontbreekt hun niet; bij tamme dieren althans nam ik waar, dat zij veel van suiker houden en blijken geven van +bijzonder welgevallen, wanneer zij er op getracteerd worden. Hun stem bestaat uit een dof gegrom, dat door een woest gesnuif +en geproest vervangen wordt, als zij toornig zijn. De Neushoorndieren in vrijen toestand laten dit geproest dikwijls hooren, +want zij worden spoedig tot toorn geprikkeld en hun onverschilligheid voor alles, wat geen voedsel is, kan zeer schielijk +in het tegenovergestelde gevoel veranderen. Dan letten zij zoomin op het aantal als op de weerbaarheid hunner vijanden, maar +gaan blindelings en regelrecht op het voorwerp van hun toorn af. Evenals de stier heeft de Neushoorn een afkeer van roode +kleuren; men heeft opgemerkt, dat hij menschen aanviel, die hem in ’t geheel geen kwaad hadden gedaan, maar kleederen droegen, +welker sterk sprekende kleuren zijn woede opwekten. Gelukkig kost het niet veel moeite, een in razenden drift voorthollenden +Neushoorn te ontwijken. De geoefende jager laat hem tot op een afstand van 10 à 15 schreden naderen en springt dan ter zijde; +het doldriftige dier rent hem voorbij, verliest zijn spoor, holt op goed geluk voort en koelt misschien zijn woede aan een +volkomen onschuldig voorwerp. + +</p> +<p>De Neushoorn brengt slechts een jong ter wereld, een klein, plomp beest, zoo groot als een halfwassen Zwijn, dat met geopende +oogen geboren wordt. Zijn roodachtige huid heeft nog geen plooien; een beginsel van een hoorn is reeds aanwezig. +<a id="d0e2713"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2713">413</a>]</span></p> +<p>Hoe lang het jonge Neushoorndier bij zijn moeder blijft, weet men niet; evenmin kent men de verhouding tusschen vader en kind. +In de eerste maanden groeit het snel. Een exemplaar, dat op den derden levensdag ongeveer 60 cM. hoog en 1.1 M. lang was, +werd in de daaropvolgende maand 13 cM. hooger en 15 cM. langer. Na 13 maanden had het reeds een hoogte van 1.2, een lengte +van 2 en een omvang van 2.1 M. bereikt. + +</p> +<p>In den ouden tijd heeft men vele sprookjes verteld over de vriendschappelijke verhouding tusschen den Neushoorn en sommige +dieren en over zijn vijandschap met andere dieren, vooral met den Olifant; het heet, dat hij dezen bij elke gelegenheid aanvalt +en steeds overwint. Deze reeds bij <span class="smallcaps">Plinius</span> voorkomende verhalen worden af en toe door den een of anderen reisbeschrijver opgewarmd, maar behooren toch stellig onder +de sprookjes thuis. Meer grond is er voor hetgeen men verhaalt van de vriendschap van den Neushoorn voor zwakkere dieren. +<span class="smallcaps">Andersson, Gordon Cumming</span> en anderen vonden bijna geregeld op den Zwarten zoowel als op den Witten Neushoorn een gedienstigen Vogel, den Madenhakker, +die den reusachtigen viervoeter over dag trouw vergezelt en in zekeren zin de dienst van schildwacht bij hem vervult; hij +voedt zich met het ongedierte, waarvan de huid van zijn kolossalen vriend krioelt, en zet zich daarom bij of op diens lichaam +neder. Deze Vogels zijn de beste vrienden, die de Neushoorn heeft; zij laten zelden na, hem te waarschuwen voor een dreigend +gevaar. Het spreekt wel van zelf, dat deze diensten door den beweldadigde erkend worden; zelfs het stompzinnigste Zoogdier +zou dankbaar zijn, wanneer het verlost werd van een zoo pijnlijke kwelling als een heirleger stekende Insecten moet veroorzaken. +Of echter de Vogel bij de nadering van menschen het dier, dat hem tot jachtveld dient, in ’t oor pikt om het te wekken, wil +ik maar liefst in ’t midden laten; ik geloof eerder, dat de onrust, die hij toont, zoodra hij iets verdachts opmerkt, voldoende +is om de aandacht van den Neushoorn te trekken. Dat zeer voorzichtige Vogels, op welker bewegingen door andere dieren gelet +wordt, bij deze den dienst van voorposten en schildwachten vervullen, is in vele gevallen gebleken. + +</p> +<p>Behalve de mensch heeft de Neushoorn waarschijnlijk niet veel vijanden. De Leeuwen en Tijgers mijden dit dier, omdat zij weten, +dat hunne klauwen toch te zwak zijn om door de dikke pantserhuid diepe wonden te scheuren; misschien kunnen zij gevaarlijk +worden voor een van de moeder gescheiden jong. De Neushoorn is voor andere, veel kleinere dieren veel meer bevreesd, dan voor +de groote Roofdieren; hij heeft vooral in eenige Horzels en in de Muggen verraderlijke vijanden, waartegen hij zich nagenoeg +in ’t geheel niet verweren kan. Overal echter is de mensch wel zijn gevaarlijkste vijand. De volksstammen, in welker gebied +hij voorkomt, en ook Europeesche jagers maken ijverig jacht op hem. Men heeft wel eens beweerd, dat de pantserhuid voor kogels +ondoordringbaar zijn; het lijdt echter geen twijfel meer, dat een mes, een lans en zelfs een met kracht geschoten pijl er +door heendringen. De inboorlingen besluipen den Neushoorn, terwijl hij slaapt, onder den wind en werpen hem hunne lansen in +’t lichaam of schieten op hem, terwijl zij de tromp van het geweer bijna op zijn romp houden om te maken, dat de kogels hun +volle kracht behouden. De Abessiniërs gebruiken werpspiesen en slingeren dikwijls 50 of 60 van deze moordtuigen naar één Neushoorn; +zoodra deze uitgeput is door bloedverlies, waagt een van de stoutmoedigste jagers zich in zijn nabijheid, en tracht met een +scherp zwaard de Achillespees door te hakken, om het dier te verlammen, en tot verderen weerstand ongeschikt te maken. In +Indië gaat men op de Rhinoceros-jacht met Olifanten, maar ook deze kolossen worden soms door het woedende dier in gevaar gebracht. + +</p> +<p>De Afrikaansche soorten worden door de Europeanen op gelijke wijze gejaagd als de Olifanten; het wild wordt des nachts opgewacht +aan de drinkplaats, over dag in de wildernis bekropen, of in het open landschap te paard genaderd, om op den kortst mogelijken +afstand met een grooten kogel het meest kwetsbare lichaamsdeel te treffen. Dat een Neushoorn, die door jagers vervolgd en +in ’t nauw gebracht is, of getroffen en door pijn gekweld wordt, zich dikwijls tegen zijne vervolgers keert, kan ons van een +weerbaar dier niet verwonderen. + +</p> +<p>Moeielijker dan de jacht is de vangst van dit dier. De Wara wordt hoofdzakelijk buitgemaakt ter wille van zijn hoorn, waarvoor +de Chineezen een hoogen prijs betalen. Om hem te vangen, worden op zijne paden nauwe kuilen gegraven, die zorgvuldig met takken +bedekt, en vooraf met puntige palen voorzien zijn, waarop het zware dier zich spietst, wanneer het in den kuil valt. De Neushoorn +volgt zijn gewone<span id="d0e2730" class="corr" title="Bron: ,"></span> pad, valt in den kuil, en is, zelfs wanneer het onbeschadigd blijft, buiten staat er uit te komen. De jonge Afrikaansche +Neushoorndieren, die soms op onze wilde-dierenmarkten voorkomen, worden gevangen na het dooden van de wijfjes, die deze jongen +vergezellen. + +</p> +<p>Een merkwaardig geval van goed vertrouwen bij een zeer jongen Zwarten Neushoorn, wordt ons door <span class="smallcaps">Selous</span> medegedeeld. Op een morgen, toen hij met zijn reisgezel <span class="smallcaps">Wood</span> ter jacht was uitgereden, stonden zij onverwachts in een kreupelboschje voor een grooten Zwarten Neushoorn, wien zij onmiddellijk +twee kogels toezonden. Het zwaar getroffen dier vluchtte; gelijk nu eerst bleek, was het een wijfje. Een jong van slechts +weinige dagen trachtte tevergeefs het te volgen, maar gaf deze poging dadelijk op, en kroop onder het Paard van <span class="smallcaps">Wood</span>, terwijl <span class="smallcaps">Selous</span> de moeder het genadeschot gaf. “Naar mijn vriend teruggekeerd,” zoo verhaalt onze zegsman verder, “vond ik hem onder een +schaduwrijken boom zitten, en zag het Neushoornkalf dicht bij het Paard staan, dat voor het kleine monster in ’t geheel niet +bang scheen te zijn. Het kalfje, ternauwernood grooter dan een halfwassen Zwijn, toonde volstrekt geen vrees, als wij of de +inboorlingen, die ons vergezelden, het naderden en het streelden. Het viel mij echter op, dat het zeer sterk over den geheelen +rug zweette, wat ik bij een volwassen Neushoorn nooit had opgemerkt. Daar het moederlooze dier het Paard van <span class="smallcaps">Wood</span> volgde, alsof dit zijn moeder was, besloten wij het mede te nemen naar de wagens, die ongeveer 6 Engelsche mijlen verder +waren, om te beproeven het groot te brengen. Wij reden weg, en het kalfje liep ons na als een Hond. Het had echter klaarblijkelijk +veel last van de brandende zon, want het ging onder iederen schaduwgevenden struik rusten; zoodra wij het echter 30 schreden +vooruit waren, kwispelde het met zijn staartje, piepte en draafde <span class="smallcaps">Wood’s</span> Paard achterna. Eindelijk bereikten wij de wagens—maar nu veranderde op eens het gedrag van den jongen bewoner der wildernis. +Misschien werd hij van streek gebracht door de Honden, die blaffend om hem heen sprongen, of door het gezicht van de huifwagens, +of door de veelheid van nieuwe <a id="d0e2752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2752">414</a>]</span>indrukken, die hem in ons leger overstelpten;—hoe dit ook zij, onze beschermeling ging als een echte duivel te keer, en schoot +woedend op de menschen, de Honden en zelfs op de wielen van de wagens toe. Wij bonden hem een riem om den hals en den schouder, +waarbij hij geweldig tegenspartelde, een luchtsprong deed, herhaaldelijk op mij toeschoof en met zijn neus krachtig tegen +mijn knie bokste. Toen hij vastgelegd was, begon hij tot bedaren te komen; maar werd dadelijk weer wild, zoodra er menschen +of Honden in zijn nabijheid kwamen. Zooals ik gevreesd had, nam hij niets van het voedsel, dat wij voor hem gereed maakten; +melk zou hem wel gesmaakt hebben, maar deze konden wij hem ongelukkig niet verschaffen, daar wij geen koeien hadden. Omdat +deze pogingen mislukten en het te verwachten was, dat hij, als wij hem lieten loopen, ellendig verhongeren of een prooi van +Leeuwen of Hyena’s worden zou, hield ik het voor het beste, het ongelukkige schepsel, dat ik zoo gaarne in ’t leven had gehouden, +een kogel door den kop te schieten.” + +</p> +<p>In onze diergaarden zijn de meeste Neushoorndieren goedaardig en tam; zij laten zich aanraken, naar een andere plaats drijven +en op andere wijze behandelen, zonder zich te weer te stellen; langzamerhand geven zij duidelijke blijken van gehechtheid +aan iederen oppasser, die verstandig met hen omgaat. Slechts één geval is mij bekend, dat een Neushoorn twee menschen, die +hem waarschijnlijk geplaagd hadden, aanviel en doodde. + +</p> +<p>Tegen de schade, die de Neushoorn in vrijen toestand aanricht, weegt al het nut, dat hij kan opleveren, in de verste verte +niet op. In gewesten, waar een regelmatige bebouwing van den bodem plaats vindt, kan hij niet geduld worden; hij is in den +volsten zin van ’t woord een bewoner van de wildernis. Van het gedoode dier weet men nagenoeg alle deelen te gebruiken. Niet +alleen het bloed, maar ook de hoorn staan in hoog aanzien wegens de geheimzinnige krachten, die men er aan toedicht. In het +oosten ziet men in de huizen van de voorname lieden allerlei bekers en andere drinkgereedschappen, die uit den hoorn van dit +dier gedraaid zijn. Men schrijft aan deze vaten de eigenschap toe van op te bruisen, zoodra er een vergiftige vloeistof in +gegoten wordt, en meent dus hierin een <span id="d0e2758" class="corr" title="Bron: probraat">probaat</span> middel te hebben om zich voor vergiftigingen te vrijwaren. De Turken van hoogen stand hebben voortdurend een drinkbeker van +Rhinoceros-hoorn bij zich en gebruiken, wanneer zij pogingen tot vergiftiging duchten, hieruit hun koffie. Nog vaker wordt +de hoorn gebruikt voor het maken van gevesten van kostbare sabels. Van de huid vervaardigen de inboorlingen gewoonlijk schilden, +pantsers, schotels en andere gereedschappen voor eigen gebruik. Het vleesch wordt gegeten, het vet hoog geschat, hoewel de +Europeanen zoo min op het eene als op het andere bijzonder gesteld zijn. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>In de woeste, steenachtige gebergten van Afrika en West-Azië, bemerkt men op vele plaatsen een opgewekt leven. Dieren zoo +groot als Konijnen, die zich op een rotsterras of op een steenblok in de zon koesterden, sluipen, verschrikt door de komst +van een mensch, schielijk langs de rotswanden voort, verdwijnen in een van de tallooze rotskloven en kijken dan nieuwsgierig +en onschuldig, als zij zijn, op den ongewonen bezoeker neer. Dit zijn de <span class="letterspaced">Klipdassen</span>, de kleinste en sierlijkste van alle thans levende Onevenvingerigen. + +</p> +<p>Ten aanzien van de plaats, die deze lieftallige rotsbewoners in de klasse der Zoogdieren moeten innemen, heeft te allen tijde +verschil van meening geheerscht bij de natuuronderzoekers. <span class="smallcaps">Pallas</span> beschouwde ze, op grond van hun uitwendig voorkomen en hun levenswijze als Knaagdieren, <span class="smallcaps">Oken</span> meende, dat zij aan de Buideldieren verwant zouden zijn, <span class="smallcaps">Cuvier</span> plaatste ze in zijn orde van de Veelhoevigen. In den laatsten tijd wordt hun ook deze plaats betwist, en vindt men het noodig +ze in een afzonderlijke orde, die der <span class="letterspaced">Plathoevigen</span> (<i>Lamnungia</i>) op te nemen. Wij behandelen ze hier—te recht of te onrecht, dit zij in ’t midden gelaten—als een groep van de Orde der Onevenvingerigen. +Zij vormen slechts één familie. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Klipdassen</span> (<i>Hyracidae</i>) onderscheiden zich door de volgende eigenschappen: De romp is middelmatig lang en rolrond, de kop betrekkelijk groot en +plomp, naar voren spits uitloopend en vooral in dwarse richting sterk versmald, de bovenlip gespleten, de spits van den neus +fraai gevormd, het oog klein, maar uitpuilend, het in de vacht bijna verborgen oor kort, breed en rond, de hals kort en gedrongen; +de staart is een nauwelijks merkbaar stompje. De pooten zijn middelmatig hoog en tamelijk zwak; de fijne voeten zijn langwerpig, +die van de voorpooten eindigen in vier, die van de achterpooten in drie teenen, welke tot aan de eindleden door een gemeenschappelijke +huid vereenigd zijn; met uitzondering van den binnenteen van de achtervoeten, die een klauwachtigen nagel draagt, zijn al +deze eindleden voorzien met platte, hoefvormige nagels; op de naakte zolen komen verscheidene veerkrachtige eeltkussens voor, +die door diepe groeven vaneengescheiden zijn. + +</p> +<p>Reeds in overoude tijden worden de Klipdassen als goed bekende dieren vermeld. De in Syrië en Palestina levende soort schijnt +bedoeld te zijn, waar in den bijbel de naam “Saphan” gebruikt wordt, welk woord in de vertaling van <span class="smallcaps">Luther</span>, door “Konijn” wordt vervangen. De Klipdassen zijn voor ’t meerendeel kenmerkende dieren van de gebergten der woestijnen +en steppen. Er zijn verscheidene soorten van, die alle gebergten van Syrië, Palestina, Arabië en misschien ook van Perzië +bewonen, voorts die van de Nijllanden, van Oost-, West- en Zuid-Afrika. Men vindt ze in de gebergten van 2000 à 3000 M. hoogte +niet minder talrijk dan in de bij wijze van eilanden uit de vlakte oprijzende koppen en kegels, die aan de steppenlanden van +Noordoost-Afrika zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Wij zullen den Klipdas van Abessinië—den <span class="letterspaced">Aschkoko</span> (<i>Hyrax abyssinicus</i>)—beschrijven, daar deze ons het best bekend is. De lengte van dit dier bedraagt 25 à 30 cM.; zijn vacht bestaat uit tamelijk +lange en fijne haren, die aan den wortel grijsbruin, in het midden vaalgrijs en vóór de lichtkleurige spits donkerbruin zijn, +welke kleuren zich vereenigen tot een lichter of donkerder gesprenkeld vaalgrijs. Kleurafwijkingen schijnen tamelijk veelvuldig +voor te komen. + +</p> +<p>Hoe meer de rotswanden gespleten zijn, des te veelvuldiger treft men er deze dieren aan. Wanneer men bedaard door de dalen +wandelt, ziet men ze op rijen zitten op de rotskammen; nog vaker liggen zij, want het zijn gemaklievende, luie dieren, die +zich gaarne door de warme zon laten beschijnen. Een snelle beweging of een luid gedruisch verdrijft ze oogenblikkelijk: de +geheele troep geraakt in beweging; allen vluchten en loopen met de behendigheid van <a id="d0e2810"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2810">415</a>]</span>Knaagdieren weg en zijn bijna in ’t zelfde oogenblik verdwenen. In de nabijheid van de dorpen, waar men ze evenzeer, dikwijls +bijna vlak naast de huizen aantreft, toonen zij bijna geen vrees voor den inboorling en verrichten in zijn tegenwoordigheid +onbeschroomd hunne bezigheden, alsof zij er van overtuigd zijn, dat hier niemand er aan denkt, hen te vervolgen; voor menschen +in vreemde kleedij of van een ongewone kleur nemen zij echter oogenblikkelijk de wijk in hunne rotsspleten. Veel meer dan +den mensch vreezen zij den Hond of andere dieren. Ook wanneer zij zich voor hem in hunne rotsspleten verborgen hebben, hoort +men hun eigenaardig trillend gegil, dat veel op het geschreeuw van kleine Apen gelijkt. De Abessiniërs meenen, dat de Luipaard, +de ergste vijand van de Klipdassen, langs de rotswanden sluipt, wanneer men ze tegen den avond of gedurende den nacht hoort +schreeuwen; want na zonsondergang houden zij zich altijd stil, tenzij zij gestoord worden. Ook Vogels kunnen hun den grootsten +schrik veroorzaken. Een toevallig voorbijvliegende Kraai, zelfs een Zwaluw, is in staat hen naar hunne veilige woningen terug +te drijven. + +</p> +<p>Wegens de buitengewone schuwheid van de Klipdassen schijnt het vreemd, dat zij in vriendschap leven met dieren, die veel gevaarlijker +en bloeddorstiger zijn dan zelfs de roofgierigste Arend, nl. met de Zebra-Mangoeste (<i>Herpestes Zebra</i>) en met een Doorn-Hagedis (waarschijnlijk <i>Stellio cyanogaster</i>). Naar het schijnt, speelt in dit gezellige klaverblad de voorzichtige Klipdas de rol van schildwacht, want zoodra hij zijn +gillend gefluit laat hooren, verdwijnt het geheele gezelschap in de spleten van het gesteente. + +</p> +<p>Slechts ongaarne verlaten de Klipdassen hunne rotsen. Als het gras, dat tusschen de steenklompen groeit, opgegeten is, gaan +zij wel is waar naar lager gelegen plaatsen, maar dan staan er altijd wachten op de meest uitstekende rotspunten, en een waarschuwend +signaal van deze is voldoende, om alle zoo schielijk mogelijk de vlucht te doen nemen. + +</p> +<p>Door hunne bewegingen en hun aard vormen de Klipdassen in zekeren zin een overgang tusschen de plompe Neushoornen en de behendige +Knaagdieren. Zij kunnen meesterlijk klimmen. Een nauwkeurig onderzoek der voetzolen, die zoo veerkrachtig zijn als gomelastiek, +leert, dat de Klipdassen in staat zijn, om zich door het willekeurig inkrimpen en uitzetten van de middelste spleet der zoolkussens +aan gladde oppervlakten vast te hechten. + +</p> +<p>De handelingen van de Klipdassen verraden een groote zachtaardigheid, ja zelfs onnoozelheid, vereenigd met een ongeloofelijke +angstvalligheid en vreesachtigheid. Zij zijn buitengewoon gezellig; men ziet ze bijna nooit alleen, of liever, men kan, indien +dit geval zich voordoet, er bepaald op rekenen, dat de overige leden van het gezelschap zich bij toeval niet in de nabijheid +bevinden. Aan de woonplaats, die zij zich eens gekozen hebben, blijven zij voortdurend getrouw. In hun vaderland, dat zoo +rijk is aan geurige, in bergstreken groeiende planten, zullen zij wel nooit gebrek lijden. Herhaaldelijk zag ik ze aan den +voet van de rotsen + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1415.jpg" alt="Aschkoko (Hyrax abyssinicus). ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="580"><p class="figureHead">Aschkoko (<i>Hyrax abyssinicus</i>). ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>grazen, geheel op de wijze van de Herkauwers. Zij bijten het gras met hunne tanden af en bewegen de kaken op soortgelijke +wijze, als de Tweehoevigen doen, wanneer zij herkauwen. Naar het schijnt, drinken zij niet, of slechts zeer weinig. + +</p> +<p>Daar het wijfje zes tepels heeft, meende men vroeger, dat de Klipdassen een tamelijk groot aantal jongen werpen. <span class="smallcaps">Schweinfurth</span> heeft echter aangetoond, dat zij er twee ter wereld brengen en dat deze bij de geboorte reeds zeer ontwikkeld zijn. + +</p> +<p>De jacht op de Klipdassen biedt geen bezwaren aan, tenzij deze angstvallige dieren reeds herhaaldelijk vervolgd werden. Alleen +in Arabië en in Zuid-Afrika wordt op den Klipdas jacht gemaakt, wegens zijn vleesch, waarvan de smaak met dat van het Konijn +overeenstemt. Verscheidene reizigers maken melding van Klipdassen, die zij in gevangen toestand hebben <a id="d0e2843"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2843">416</a>]</span>nagegaan, <span class="letterspaced">Graaf</span> <span class="smallcaps">Mellin</span> vergelijkt een door hem getemd exemplaar met een Beer, die tot op de grootte van een Konijn ingekrompen zou zijn. Hij noemt +dit dier volkomen weerloos, en zegt, dat het evenmin door een snelle vlucht aan zijne vijanden kan ontkomen, als het zich +met zijne tanden of klauwen zou kunnen verdedigen. Als het door zijn meester geroepen werd, gaf het antwoord door zachtjes +te fluiten, kwam dan aanloopen en liet zich op den schoot nemen en liefkoozen. + +</p> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van +de regel zijn hersteld. + +</p> +<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens +zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>6-FEB-2007 begonnen.</li> +</ul> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e207">Bladzijde 361</a></td> +<td width="40%">Luidaards</td> +<td width="40%">Luiaards</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e566">Bladzijde 369</a></td> +<td width="40%">Argentenië</td> +<td width="40%">Argentinië</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e578">Bladzijde 369</a></td> +<td width="40%">peziken</td> +<td width="40%">perziken</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e687">Bladzijde 372</a></td> +<td width="40%">bevestigd</td> +<td width="40%">bevestigt</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e701">Bladzijde 372</a></td> +<td width="40%">langicaudata</td> +<td width="40%">longicaudata</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e872">Bladzijde 376</a></td> +<td width="40%">nanwkeuriger</td> +<td width="40%">nauwkeuriger</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e961">Bladzijde 378</a></td> +<td width="40%">hoektanten</td> +<td width="40%">hoektanden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1076">Bladzijde 381</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1086">Bladzijde 381</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1099">Bladzijde 381</a></td> +<td width="40%">evenzeeron bekommerd</td> +<td width="40%">evenzeer onbekommerd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1165">Bladzijde 383</a></td> +<td width="40%">de de</td> +<td width="40%">de</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1189">Bladzijde 385</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1475">Bladzijde 390</a></td> +<td width="40%">duizende</td> +<td width="40%">duizenden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1541">Bladzijde 391</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1826">Bladzijde 395</a></td> +<td width="40%"> (</td> +<td width="40%">, </td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1857">Bladzijde 395</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1879">Bladzijde 395</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1943">Bladzijde 397</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1946">Bladzijde 397</a></td> +<td width="40%">muziekaal</td> +<td width="40%">muzikaal</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2012">Bladzijde 399</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2115">Bladzijde 401</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2133">Bladzijde 402</a></td> +<td width="40%">ontkennen</td> +<td width="40%">ontkennend</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2329">Bladzijde 406</a></td> +<td width="40%">Schabak-tapir</td> +<td width="40%">Schabrak-tapir</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2361">Bladzijde 407</a></td> +<td width="40%">verwijnen</td> +<td width="40%">verdwijnen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2430">Bladzijde 407</a></td> +<td width="40%">slijkt</td> +<td width="40%">slijk</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2446">Bladzijde 408</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2730">Bladzijde 413</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2758">Bladzijde 414</a></td> +<td width="40%">probraat</td> +<td width="40%">probaat</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 20542-h.htm or 20542-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/0/5/4/20542/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/20542-h/images/p1360.jpg b/20542-h/images/p1360.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0b9a3c3 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1360.jpg diff --git a/20542-h/images/p1363.jpg b/20542-h/images/p1363.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cbcefc1 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1363.jpg diff --git a/20542-h/images/p1365.jpg b/20542-h/images/p1365.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a527197 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1365.jpg diff --git a/20542-h/images/p1368.jpg b/20542-h/images/p1368.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ae1bf26 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1368.jpg diff --git a/20542-h/images/p1369.jpg b/20542-h/images/p1369.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8a9e349 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1369.jpg diff --git a/20542-h/images/p1370.jpg b/20542-h/images/p1370.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..15425be --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1370.jpg diff --git a/20542-h/images/p1373.jpg b/20542-h/images/p1373.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0988248 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1373.jpg diff --git a/20542-h/images/p1375.jpg b/20542-h/images/p1375.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..24f7d1f --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1375.jpg diff --git a/20542-h/images/p1379.jpg b/20542-h/images/p1379.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d90c9b5 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1379.jpg diff --git a/20542-h/images/p1389.jpg b/20542-h/images/p1389.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..05c6b43 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1389.jpg diff --git a/20542-h/images/p1393.jpg b/20542-h/images/p1393.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..515642d --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1393.jpg diff --git a/20542-h/images/p1394.jpg b/20542-h/images/p1394.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..addc5b5 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1394.jpg diff --git a/20542-h/images/p1398.jpg b/20542-h/images/p1398.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6fa9cb8 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1398.jpg diff --git a/20542-h/images/p1400.jpg b/20542-h/images/p1400.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..141cc5f --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1400.jpg diff --git a/20542-h/images/p1401.jpg b/20542-h/images/p1401.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..837c118 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1401.jpg diff --git a/20542-h/images/p1404.jpg b/20542-h/images/p1404.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..61952a8 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1404.jpg diff --git a/20542-h/images/p1407.jpg b/20542-h/images/p1407.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a57607a --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1407.jpg diff --git a/20542-h/images/p1410.jpg b/20542-h/images/p1410.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..803de26 --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1410.jpg diff --git a/20542-h/images/p1415.jpg b/20542-h/images/p1415.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1fd7f1f --- /dev/null +++ b/20542-h/images/p1415.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0723295 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #20542 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20542) |
